Wijzigingsgeschiedenis

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 november 2005, nr. TRCJZ/2005/3295, houdende regels ter uitvoering van de Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling Meststoffenwet)

97 versions · 2026-03-19
2026-03-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 3, 103, 54 y 10 más
2026-02-11
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 3, 103, 54 y 10 más
2026-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 15477 y 231 más
2025-04-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 2, 99020 y 8 más
2025-03-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 2 y 19 más
2025-01-29
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 2 y 19 más
2025-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 17020 y 30 más
2024-12-21
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 2 y 19 más
2024-10-02
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 17020 y 30 más
2024-03-28
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 2, 99020 y 8 más
2024-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 15477 y 229 más
2023-11-02
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 12 más
2023-10-02
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 1, 3 y 27 más
2023-07-21
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 12 más
2023-07-15
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 123 más
2023-06-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 13 más
2023-05-13
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 13 más
2023-05-10
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99020, 5315, 2 y 247 más
2023-03-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 9 y 256 más
2023-02-15
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 9 y 256 más
2023-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 756 más
2022-11-17
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99025, 99026, 99027 y 10 más
2022-07-16
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99025, 99026, 99027 y 10 más
2022-07-15
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 2, 15477 y 249 más
2022-05-05
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 14, 99025, 89 y 9 más
2022-04-27
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 1 y 262 más
2022-04-16
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 99023, 7 y 21 más
2022-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 99023, 99023 y 33 más
2021-02-18
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 99027, 99029 y 222 má

Wijzigingen op 2021-02-18

@@ -36,17 +36,17 @@
##### Artikel 122
1. De in [artikel 26, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26), en de in de [artikelen 25, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [25a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [25b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [25d, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25d&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [33a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [33b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [35a, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [37, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [45, eerste, tweede en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [48a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [50, eerste, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [103b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [104, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=1&artikel=104&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=3&artikel=110&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=114&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=115&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en [119, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=119&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde meldingen, verklaringen, verstrekking van gegevens, kennisgevingen, aanmeldingen ter registratie, aanvragen tot vergunning dan wel een verzoek tot intrekking van de vergunning, verzoeken tot wijziging van een tenaamstelling en aanvragen tot ontheffing geschieden door indiening bij de minister van het ingevulde en ondertekende daartoe door de minister ter beschikking gestelde middel.
1. De in [artikel 26, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26), en de in de [artikelen 25, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [25a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [25b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [33a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [33b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [35a, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [37, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [45, eerste, tweede en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [48a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [50, eerste, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [103b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [104, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=1&artikel=104&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=3&artikel=110&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=114&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=115&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en [119, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=119&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde meldingen, verklaringen, verstrekking van gegevens, kennisgevingen, aanmeldingen ter registratie, aanvragen tot vergunning dan wel een verzoek tot intrekking van de vergunning, verzoeken tot wijziging van een tenaamstelling en aanvragen tot ontheffing geschieden door indiening bij de minister van het ingevulde en ondertekende daartoe door de minister ter beschikking gestelde middel.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde handelingen op elektronische wijze geschieden, wordt gebruik gemaakt van het door de minister daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal.
3. De in [artikel 33b, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=33b) bedoelde elektronische verstrekking van gegevens, de in de [artikelen 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=56&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en [92b, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde elektronische verzending van gegevens, de in de [artikelen 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57a&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=58&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bedoelde elektronische mededelingen en verstrekkingen van gegevens, de in de artikelen [28a, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en [35f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35f&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde elektronische aanmelding en de in de [artikelen 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=64&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [69a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde elektronische indiening van gegevens geschieden met gebruikmaking van het door de minister daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal.
4. De elektronische verzending wordt door de vervoerder ondertekend door middel van een persoonlijke gebruikerscode, die overeenkomstig [artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=123&z=2021-01-01&g=2021-01-01) door de minister op naam van de desbetreffende vervoerder is geregistreerd.
3. De in [artikel 33b, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=33b) bedoelde elektronische verstrekking van gegevens, de in de [artikelen 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=56&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en [92b, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde elektronische verzending van gegevens, de in de [artikelen 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57a&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=58&z=2021-02-18&g=2021-02-18) bedoelde elektronische mededelingen en verstrekkingen van gegevens, de in de artikelen [28a, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en [35f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35f&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde elektronische aanmelding en de in de [artikelen 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=64&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [69a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde elektronische indiening van gegevens geschieden met gebruikmaking van het door de minister daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal.
4. De elektronische verzending wordt door de vervoerder ondertekend door middel van een persoonlijke gebruikerscode, die overeenkomstig [artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=123&z=2021-02-18&g=2021-02-18) door de minister op naam van de desbetreffende vervoerder is geregistreerd.
##### Artikel 123
1. De aanvraag tot registratie van een persoonlijke gebruikerscode als bedoeld in [artikel 122, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=122&z=2021-01-01&g=2021-01-01), geschiedt bij de minister.
1. De aanvraag tot registratie van een persoonlijke gebruikerscode als bedoeld in [artikel 122, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=122&z=2021-02-18&g=2021-02-18), geschiedt bij de minister.
2. De minister zendt de aanvrager een bevestiging van de registratie.
@@ -60,7 +60,7 @@
##### Artikel 125
Met een laboratorium als bedoeld in de [artikelen 17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=18&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=19&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=20&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=22&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [81, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [92a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en [103a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103a&z=2021-01-01&g=2021-01-01) wordt gelijk gesteld een vergelijkbare instelling, gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel in een andere staat die partij is bij een daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, die een verklaring verstrekt op basis van onderzoekingen die voldoen aan een kwaliteitsborgingniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
Met een laboratorium als bedoeld in de [artikelen 17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=18&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=19&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=20&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=22&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [81, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [92a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en [103a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103a&z=2021-02-18&g=2021-02-18) wordt gelijk gesteld een vergelijkbare instelling, gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel in een andere staat die partij is bij een daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, die een verklaring verstrekt op basis van onderzoekingen die voldoen aan een kwaliteitsborgingniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
##### Artikel 126
@@ -70,7 +70,7 @@
##### Artikel 127
De voldoening aan de voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [33a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [33b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=44&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [92a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en [126, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=126&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt desgevraagd ten genoegen van de minister gestaafd met bewijsstukken.
De voldoening aan de voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [33a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [33b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=44&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [92a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en [126, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=126&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt desgevraagd ten genoegen van de minister gestaafd met bewijsstukken.
##### Artikel 128
@@ -82,7 +82,7 @@
##### Artikel 130
De hoogte van de bestuurlijke boete die overeenkomstig [artikel 51 van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=51) kan worden opgelegd, wordt vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat in [bijlage M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=M&z=2021-01-01&g=2021-01-01) voor de desbetreffende overtreding is vermeld.
De hoogte van de bestuurlijke boete die overeenkomstig [artikel 51 van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=51) kan worden opgelegd, wordt vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat in [bijlage M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=M&z=2021-02-18&g=2021-02-18) voor de desbetreffende overtreding is vermeld.
##### Artikel 131
@@ -118,7 +118,7 @@
##### Artikel 133
Indien een hypotheekhouder een bedrijf voor 1 januari 2006 heeft aangemeld overeenkomstig [artikel 5 van de Regeling leges en blokkade Wet herstructurering varkenshouderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009801&artikel=5) of [artikel 3 van de Regeling leges en blokkade pluimveerechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012009&artikel=3), zoals deze artikelen luidden op 31 december 2005, wordt dit bedrijf in afwijking van [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=106&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de toepassing van [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2021-01-01&g=2021-01-01), zonder voorafgaand verzoek daartoe geregistreerd bij de minister.
Indien een hypotheekhouder een bedrijf voor 1 januari 2006 heeft aangemeld overeenkomstig [artikel 5 van de Regeling leges en blokkade Wet herstructurering varkenshouderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009801&artikel=5) of [artikel 3 van de Regeling leges en blokkade pluimveerechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012009&artikel=3), zoals deze artikelen luidden op 31 december 2005, wordt dit bedrijf in afwijking van [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=106&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor de toepassing van [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2021-02-18&g=2021-02-18), zonder voorafgaand verzoek daartoe geregistreerd bij de minister.
##### Artikel 134
@@ -126,7 +126,7 @@
##### Artikel 135
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006, met uitzondering van [artikel 134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=134&z=2021-01-01&g=2021-01-01), dat in werking treedt met ingang van 1 december 2005.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006, met uitzondering van [artikel 134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=134&z=2021-02-18&g=2021-02-18), dat in werking treedt met ingang van 1 december 2005.
##### Artikel 136
@@ -200,7 +200,7 @@
- AGR-apparatuur: apparatuur voor automatische gegevensregistratie;
- automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur: apparatuur als bedoeld in [artikel 49, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-01-01&g=2021-01-01), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2021-01-01&g=2021-01-01);
- automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur: apparatuur als bedoeld in [artikel 49, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-02-18&g=2021-02-18), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2021-02-18&g=2021-02-18);
- besluit: [Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031);
@@ -208,7 +208,7 @@
- champost: product van paardenmest, ponymest, pluimveemest of een mengsel daarvan waarop champignons zijn geteeld;
- combinatienummer: nummer dat door de minister ter identificatie van een transportmiddel voor drijfmest is verstrekt en dat bij vervoer middels een transportvoertuig is samengesteld uit de op grond van [artikel 45, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2021-01-01&g=2021-01-01), verstrekte gegevens en in het geval van vervoer door middel van een pijpleiding is samengesteld uit de op grond van artikel 45, vierde lid, verstrekte gegevens;
- combinatienummer: nummer dat door de minister ter identificatie van een transportmiddel voor drijfmest is verstrekt en dat bij vervoer middels een transportvoertuig is samengesteld uit de op grond van [artikel 45, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2021-02-18&g=2021-02-18), verstrekte gegevens en in het geval van vervoer door middel van een pijpleiding is samengesteld uit de op grond van artikel 45, vierde lid, verstrekte gegevens;
- derogatiebeschikking: beschikking van de Europese Commissie tot verlening van een door Nederland gevraagde derogatie op grond van Bijlage III, punt 2, onder b, van richtlijn 91/676/EEG op grond waarvan onder voorwaarden een grotere hoeveelheid dierlijke mest op of in de bodem mag worden gebracht dan bepaald in punt 2, tweede alinea, inleidende zinnen en onder a) van Bijlage III bij richtlijn 91/676/EEG;
@@ -216,7 +216,7 @@
- eutrofiëring: een verrijking van het water door stikstof- en fosfaatverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een ongewenste verstoring van het evenwicht tussen de verschillende in het water aanwezige organismen en een verslechtering van de waterkwaliteit;
- gewasperceel: perceel of deel van een perceel met een minimale omvang van twee hectare waarop één en hetzelfde gewas als bedoeld in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt geteeld;
- gewasperceel: perceel of deel van een perceel met een minimale omvang van twee hectare waarop één en hetzelfde gewas als bedoeld in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt geteeld;
- hypotheekhouder: degene ten gunste van wie een recht van hypotheek is gevestigd op een registergoed behorende tot een bedrijf;
@@ -244,9 +244,9 @@
- Verordening (EU) 2019/1009: Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot wijziging van de [Verordeningen (EG) nr. 1069/2009](32009R1069) en [(EG) nr. 1107/2009](32009R1107) en tot intrekking van [Verordening (EG) nr. 2003/2003](32003R2003) (PbEU 2019, L170);
- vervoersbewijs dierlijke meststoffen: vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 53 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) in samenhang met [artikel 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=60&z=2021-01-01&g=2021-01-01);
- vervoersbewijs zuiveringsslib en compost: vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 55 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) in samenhang met [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2021-01-01&g=2021-01-01);
- vervoersbewijs dierlijke meststoffen: vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 53 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) in samenhang met [artikel 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=60&z=2021-02-18&g=2021-02-18);
- vervoersbewijs zuiveringsslib en compost: vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 55 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) in samenhang met [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2021-02-18&g=2021-02-18);
- vervreemder van een productierecht: landbouwer van wiens bedrijf een productierecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig is;
@@ -262,11 +262,11 @@
- zuidelijke zandgronden: zandgronden gelegen in de provincies Limburg of Noord-Brabant.
2. Voor de toepassing van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&z=2021-01-01&g=2021-01-01) wordt onder graasdieren, perceel, zuiveringsslib en compost verstaan hetgeen daaronder in [artikel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=1) wordt verstaan.
2. Voor de toepassing van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&z=2021-02-18&g=2021-02-18) wordt onder graasdieren, perceel, zuiveringsslib en compost verstaan hetgeen daaronder in [artikel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=1) wordt verstaan.
##### Artikel 2
Voor de toepassing van deze regeling, met uitzondering van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&z=2021-01-01&g=2021-01-01), worden de hoeveelheden meststoffen en de hoeveelheden diervoeders uitgedrukt in kilogrammen of liters alsmede in kilogrammen stikstof en kilogrammen fosfaat.
Voor de toepassing van deze regeling, met uitzondering van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&z=2021-02-18&g=2021-02-18), worden de hoeveelheden meststoffen en de hoeveelheden diervoeders uitgedrukt in kilogrammen of liters alsmede in kilogrammen stikstof en kilogrammen fosfaat.
##### Artikel 3
@@ -276,13 +276,13 @@
Voor zover zij voldoen aan de [artikelen 9 tot en met 15 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=9) zijn aangewezen:
- a. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de in [bijlage Aa, onder I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-01-01&g=2021-01-01), opgenomen stoffen;
- b. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de stoffen die behoren tot de in [bijlage Aa, onder II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-01-01&g=2021-01-01), opgenomen categorieën afvalstoffen of reststoffen;
- c. als afvalstoffen of reststoffen die bij de productie van de daarbij genoemde meststoffen kunnen worden gebruikt, de in [bijlage Aa, onder III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-01-01&g=2021-01-01), opgenomen stoffen; en
- d. als eindproducten die als meststof kunnen worden verhandeld, de in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-01-01&g=2021-01-01), opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés.
- a. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de in [bijlage Aa, onder I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-02-18&g=2021-02-18), opgenomen stoffen;
- b. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de stoffen die behoren tot de in [bijlage Aa, onder II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-02-18&g=2021-02-18), opgenomen categorieën afvalstoffen of reststoffen;
- c. als afvalstoffen of reststoffen die bij de productie van de daarbij genoemde meststoffen kunnen worden gebruikt, de in [bijlage Aa, onder III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-02-18&g=2021-02-18), opgenomen stoffen; en
- d. als eindproducten die als meststof kunnen worden verhandeld, de in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-02-18&g=2021-02-18), opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés.
##### Artikel 5
@@ -290,15 +290,15 @@
##### Artikel 6
1. Het is niet toegestaan zuiveringsslib, de in [bijlage Aa, onder I en II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-01-01&g=2021-01-01), opgenomen stoffen of de in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-01-01&g=2021-01-01), opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés, onderling of met andere meststoffen te mengen.
2. In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib onderling te mengen, mits de gehalten stikstof en fosfaat in de afzonderlijke partijen zijn vastgesteld overeenkomstig de [artikelen 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en deze afzonderlijke partijen overigens voldoen aan de bij of krachtens [hoofdstuk III van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=III) ter zake van zuiveringsslib gestelde regels.
1. Het is niet toegestaan zuiveringsslib, de in [bijlage Aa, onder I en II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-02-18&g=2021-02-18), opgenomen stoffen of de in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-02-18&g=2021-02-18), opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés, onderling of met andere meststoffen te mengen.
2. In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib onderling te mengen, mits de gehalten stikstof en fosfaat in de afzonderlijke partijen zijn vastgesteld overeenkomstig de [artikelen 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en deze afzonderlijke partijen overigens voldoen aan de bij of krachtens [hoofdstuk III van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=III) ter zake van zuiveringsslib gestelde regels.
3. Het is slechts toegestaan andere dan in het eerste lid bedoelde meststoffen te mengen, indien deze meststoffen afzonderlijk voldoen aan de bij of krachtens [hoofdstuk III van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=III) ter zake van die meststoffen gestelde regels en het mengsel voldoet aan de bij of krachtens [hoofdstuk III van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=III) ter zake van die meststoffen gestelde regels.
4. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan de in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-01-01&g=2021-01-01), onder IV, opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingprocedés, die zijn gebruikt als strooisel in stallen te mengen met dierlijke mest in de mestkelder.
5. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan de dunne fractie die is ontstaan op het eigen bedrijf door scheiding van ‘covergiste mest’ als bedoeld in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-01-01&g=2021-01-01), te gebruiken om niet verpompbare covergistingsmaterialen te verdunnen.
4. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan de in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-02-18&g=2021-02-18), onder IV, opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingprocedés, die zijn gebruikt als strooisel in stallen te mengen met dierlijke mest in de mestkelder.
5. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan de dunne fractie die is ontstaan op het eigen bedrijf door scheiding van ‘covergiste mest’ als bedoeld in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-02-18&g=2021-02-18), te gebruiken om niet verpompbare covergistingsmaterialen te verdunnen.
##### Artikel 7
@@ -316,17 +316,17 @@
##### Artikel 8
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren, overschrijden niet de in [bijlage Ab, onder tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2021-01-01&g=2021-01-01), opgenomen maximale waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren, overschrijden niet de in [bijlage Ab, onder tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2021-02-18&g=2021-02-18), opgenomen maximale waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
##### Artikel 9
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren en die organisch materiaal van dierlijke of plantaardige oorsprong bevatten, overschrijden niet de in [bijlage Ab, onder tabel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2021-01-01&g=2021-01-01), opgenomen maximale waarden voor organische microverontreinigingen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren en die organisch materiaal van dierlijke of plantaardige oorsprong bevatten, overschrijden niet de in [bijlage Ab, onder tabel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2021-02-18&g=2021-02-18), opgenomen maximale waarden voor organische microverontreinigingen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
##### Artikel 10
In geval het betreft anorganische meststoffen die niet alleen hoofdzakelijk zijn bedoeld om primaire of secundaire nutriënten te leveren, maar ook om de micronutriënten koper en zink te leveren, is [artikel 14 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=14), voor zover het betreft de in [bijlage II, onder tabel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II), opgenomen maximale waarden voor koper en zink onderscheidenlijk [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor zover het betreft de in [bijlage Ab, onder tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2021-01-01&g=2021-01-01), opgenomen maximale waarden voor koper en zink, niet van toepassing, voor zover:
- a. de meststoffen overeenkomstig [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=14&z=2021-01-01&g=2021-01-01) zijn voorzien van de gehalten aan koper onderscheidenlijk zink; en
In geval het betreft anorganische meststoffen die niet alleen hoofdzakelijk zijn bedoeld om primaire of secundaire nutriënten te leveren, maar ook om de micronutriënten koper en zink te leveren, is [artikel 14 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=14), voor zover het betreft de in [bijlage II, onder tabel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II), opgenomen maximale waarden voor koper en zink onderscheidenlijk [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor zover het betreft de in [bijlage Ab, onder tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2021-02-18&g=2021-02-18), opgenomen maximale waarden voor koper en zink, niet van toepassing, voor zover:
- a. de meststoffen overeenkomstig [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=14&z=2021-02-18&g=2021-02-18) zijn voorzien van de gehalten aan koper onderscheidenlijk zink; en
- b. zowel de hoeveelheden primaire of secundaire nutriënten als de hoeveelheden koper of zink die met de desbetreffende meststof worden opgebracht, passen binnen het totale bemestingsadvies.
@@ -338,7 +338,7 @@
1. De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), worden voor stikstof uitsluitend in de vorm van het element (N) en voor fosfaat in de vorm van het oxide (P2O5) en desgewenst in de vorm van het element (P) uitgedrukt
2. De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), met uitzondering van stikstof en fosfaat behoeven uitsluitend te worden vermeld voor zover deze de in de [artikelen 9 tot en met 12 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=9) en de in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van deze regeling bedoelde minimale hoeveelheden te boven gaan.
2. De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), met uitzondering van stikstof en fosfaat behoeven uitsluitend te worden vermeld voor zover deze de in de [artikelen 9 tot en met 12 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=9) en de in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van deze regeling bedoelde minimale hoeveelheden te boven gaan.
3. De in het tweede lid bedoelde gegevens worden voor kalium, calcium, magnesium, natrium en zwavel in de vorm van het oxide (K2O; CaO; MgO; Na2O; onderscheidenlijk SO3) en desgewenst in de vorm van het element (K; Ca; Mg; Na onderscheidenlijk S) uitgedrukt.
@@ -346,11 +346,11 @@
##### Artikel 13
1. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19) zijn overige organische meststoffen en overige anorganische meststoffen die bestaan uit de in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-01-01&g=2021-01-01) opgenomen stoffen, voorzien van het nummer waaronder de desbetreffende stof op deze [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-01-01&g=2021-01-01) is vermeld.
1. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19) zijn overige organische meststoffen en overige anorganische meststoffen die bestaan uit de in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-02-18&g=2021-02-18) opgenomen stoffen, voorzien van het nummer waaronder de desbetreffende stof op deze [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-02-18&g=2021-02-18) is vermeld.
2. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19) zijn mengsels van meststoffen voorzien van gegevens over de meststoffen waaruit het mengsel bestaat en de verhouding waarin deze in het mengsel voorkomen.
3. Indien het mengsel mede bestaat uit ingevolge [artikel 4, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2021-01-01&g=2021-01-01), aangewezen stoffen, wordt bij de in het tweede lid bedoelde vermelding over de samenstelling en verhouding tevens vermeld het nummer waaronder de desbetreffende stof op [bijlage Aa, onder III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is vermeld.
3. Indien het mengsel mede bestaat uit ingevolge [artikel 4, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2021-02-18&g=2021-02-18), aangewezen stoffen, wordt bij de in het tweede lid bedoelde vermelding over de samenstelling en verhouding tevens vermeld het nummer waaronder de desbetreffende stof op [bijlage Aa, onder III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is vermeld.
##### Artikel 14
@@ -364,53 +364,53 @@
##### Artikel 16
1. De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), worden in gewichtsprocenten vermeld en komen overeen met de gehalten stikstof en fosfaat zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2021-01-01&g=2021-01-01), dan wel [artikel 92a tot en met 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2021-01-01&g=2021-01-01) voor zover het zuiveringsslib of compost betreft, zijn vastgesteld
1. De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), worden in gewichtsprocenten vermeld en komen overeen met de gehalten stikstof en fosfaat zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2021-02-18&g=2021-02-18), dan wel [artikel 92a tot en met 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2021-02-18&g=2021-02-18) voor zover het zuiveringsslib of compost betreft, zijn vastgesteld
2. De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), met uitzondering van stikstof en fosfaat worden in gewichtsprocenten of op gewichtsbasis vermeld en komen overeen met:
- a. de gehalten aan overige nutriënten zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2021-01-01&g=2021-01-01) zijn vastgesteld;
- b. het organischestofgehalte zoals dit voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=18&z=2021-01-01&g=2021-01-01) is vastgesteld; of
- c. de neutraliserende waarde zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=19&z=2021-01-01&g=2021-01-01) is vastgesteld.
- a. de gehalten aan overige nutriënten zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2021-02-18&g=2021-02-18) zijn vastgesteld;
- b. het organischestofgehalte zoals dit voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=18&z=2021-02-18&g=2021-02-18) is vastgesteld; of
- c. de neutraliserende waarde zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=19&z=2021-02-18&g=2021-02-18) is vastgesteld.
##### Artikel 17
1. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de gehalten aan overige nutriënten in meststoffen worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2021-02-18&g=2021-02-18), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 18
1. Het organischestofgehalte in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2021-02-18&g=2021-02-18), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 19
1. De neutraliserende waarde van meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2021-02-18&g=2021-02-18), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 20
1. Het drogestofgehalte in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2021-02-18&g=2021-02-18), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 21
1. De hoeveelheden zware metalen in meststoffen worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De bemonstering van zuiveringsslib geschiedt ten minste in de frequentie, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2021-01-01&g=2021-01-01), in samenhang met bijlage IIA, van richtlijn nr. 86/278/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986, betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PbEG L 181).
3. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De bemonstering van zuiveringsslib geschiedt ten minste in de frequentie, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2021-02-18&g=2021-02-18), in samenhang met bijlage IIA, van richtlijn nr. 86/278/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986, betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PbEG L 181).
3. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2021-02-18&g=2021-02-18), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 22
1. De hoeveelheden organische microverontreinigingen in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2021-02-18&g=2021-02-18), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 23
@@ -430,25 +430,25 @@
- a. op dierlijke meststoffen afkomstig van graasdieren;
- b. indien wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [25c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25c&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27a&z=2021-01-01&g=2021-01-01);
- c. indien de landbouwer beschikt over een vergunning, bedoeld in [artikel 25a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25a&z=2021-01-01&g=2021-01-01); en
- b. indien wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [25c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25c&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27a&z=2021-02-18&g=2021-02-18);
- c. indien de landbouwer beschikt over een vergunning, bedoeld in [artikel 25a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25a&z=2021-02-18&g=2021-02-18); en
- d. indien de landbouwer voor de tot zijn bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond geen gebruik maakt van de vrijstelling, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Vrijstellingsregeling bovengronds aanwenden runderdrijfmest 2019–2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041918&artikel=2).
##### Artikel 25
1. Uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarin de landbouwer de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 24, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voornemens is toe te passen, vraagt de landbouwer een vergunning aan bij de minister voor het op zijn bedrijf mogen toepassen van artikel 24, eerste en tweede lid.
1. Uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarin de landbouwer de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 24, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voornemens is toe te passen, vraagt de landbouwer een vergunning aan bij de minister voor het op zijn bedrijf mogen toepassen van artikel 24, eerste en tweede lid.
2. Bij de aanvraag verklaart de landbouwer dat hij voldoet aan de voorwaarden in de derogatiebeschikking en het bepaalde in deze paragraaf en verklaart hij ermee in te stemmen dat het meststoffengebruik, alsmede het bemestingsplan en de mestboekhouding onderwerp kunnen zijn van controle.
3. Bij de aanvraag verklaart de landbouwer dat hij de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), de bij of krachtens de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&z=2021-01-01&g=2021-01-01) in samenhang met de [hoofdstukken IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=IV), [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=VI) en [X van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=X) gestelde regels, het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=4b), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=5) en [8a van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=8a) en de voorschriften die uit hoofde van deze paragraaf aan hem worden gesteld naleeft.
3. Bij de aanvraag verklaart de landbouwer dat hij de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), de bij of krachtens de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&z=2021-02-18&g=2021-02-18) in samenhang met de [hoofdstukken IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=IV), [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=VI) en [X van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=X) gestelde regels, het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=4b), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=5) en [8a van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=8a) en de voorschriften die uit hoofde van deze paragraaf aan hem worden gesteld naleeft.
4. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt in behandeling genomen, nadat de landbouwer een bedrag van € 50,- heeft voldaan.
5. De landbouwer betaalt ten behoeve van ’s Rijks kas een geldsom ter dekking van de kosten die samenhangen met monitoringswerkzaamheden, bedoeld in artikel 9 van de derogatiebeschikking, ter hoogte van het bij zijn oppervlakte landbouwgrond behorende tarief, bedoeld in [Bijlage Ad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ad&z=2021-01-01&g=2021-01-01). Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, stelt de landbouwer door middel van het afgeven van een machtiging tot betaling de minister in staat dit bedrag te innen.
6. De landbouwer kan de aanvraag voor een vergunning voor de toepassing op zijn bedrijf van [artikel 24, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2021-01-01&g=2021-01-01), tot 16 mei intrekken, zonder dat de geldsom, bedoeld in het vijfde lid, in rekening wordt gebracht.
5. De landbouwer betaalt ten behoeve van ’s Rijks kas een geldsom ter dekking van de kosten die samenhangen met monitoringswerkzaamheden, bedoeld in artikel 9 van de derogatiebeschikking, ter hoogte van het bij zijn oppervlakte landbouwgrond behorende tarief, bedoeld in [Bijlage Ad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ad&z=2021-02-18&g=2021-02-18). Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, stelt de landbouwer door middel van het afgeven van een machtiging tot betaling de minister in staat dit bedrag te innen.
6. De landbouwer kan de aanvraag voor een vergunning voor de toepassing op zijn bedrijf van [artikel 24, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2021-02-18&g=2021-02-18), tot 16 mei intrekken, zonder dat de geldsom, bedoeld in het vijfde lid, in rekening wordt gebracht.
##### Artikel 26
@@ -456,7 +456,7 @@
##### Artikel 27
1. De landbouwer stelt vóór 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt toegepast, voor het desbetreffende jaar een bemestingsplan op dat voldoet aan artikel 7, derde en vierde lid, van de derogatiebeschikking.
1. De landbouwer stelt vóór 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt toegepast, voor het desbetreffende jaar een bemestingsplan op dat voldoet aan artikel 7, derde en vierde lid, van de derogatiebeschikking.
2. De landbouwer herziet het bemestingsplan uiterlijk zeven dagen nadat zich een wijziging in de landbouwpraktijk heeft voorgedaan, indien dat noodzakelijk is om de consistentie van het bemestingsplan te waarborgen.
@@ -472,7 +472,7 @@
##### Artikel 28
1. Als hoeveelheid stikstof als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) wordt vastgesteld de hoeveelheid stikstof die in [bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bij het desbetreffende gewas onder het desbetreffende jaar is vermeld, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, zoals deze in voorkomend geval is onderscheiden naar de grondsoort van het perceel waarop de teelt plaatsvindt, het aantal voorafgaande teelten van hetzelfde gewas in het desbetreffende jaar, de in het desbetreffende jaar aan de betrokken teelt voorafgaande of op de betrokken teelt volgende teelt van andere gewassen, het tijdstip waarop het desbetreffende perceel is beteeld, alsmede de bij de teelt toegepaste landbouwpraktijk, met dien verstande dat:
1. Als hoeveelheid stikstof als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) wordt vastgesteld de hoeveelheid stikstof die in [bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bij het desbetreffende gewas onder het desbetreffende jaar is vermeld, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, zoals deze in voorkomend geval is onderscheiden naar de grondsoort van het perceel waarop de teelt plaatsvindt, het aantal voorafgaande teelten van hetzelfde gewas in het desbetreffende jaar, de in het desbetreffende jaar aan de betrokken teelt voorafgaande of op de betrokken teelt volgende teelt van andere gewassen, het tijdstip waarop het desbetreffende perceel is beteeld, alsmede de bij de teelt toegepaste landbouwpraktijk, met dien verstande dat:
- a. de hoeveelheid stikstof die bij ‘tijdelijk grasland’ en bij ‘groenbemesters’ is vermeld, niet geldt voor tijdelijk grasland dat wordt, onderscheidenlijk groenbemesters die worden geteeld aansluitend op de teelt van maïs;
@@ -490,13 +490,13 @@
- e. de hoeveelheid stikstof die onder ‘lössgrond’ is vermeld, uitsluitend geldt indien het grond betreft die is ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaat uit leem met een kleinere fractie dan 50 µm.
2. Indien het gewogen gemiddelde van de hoeveelheid stikstof van alle op de tot een bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond geteelde gewassen of gewasgroepen uit [Bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-01-01&g=2021-01-01), in een kalenderjaar ten minste 100 kilogram en ten hoogste 110 kilogram stikstof per hectare is, bedraagt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) in het desbetreffende kalenderjaar, in afwijking van het eerste lid, 110 kilogram stikstof per hectare van de tot dat bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.
2. Indien het gewogen gemiddelde van de hoeveelheid stikstof van alle op de tot een bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond geteelde gewassen of gewasgroepen uit [Bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-02-18&g=2021-02-18), in een kalenderjaar ten minste 100 kilogram en ten hoogste 110 kilogram stikstof per hectare is, bedraagt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) in het desbetreffende kalenderjaar, in afwijking van het eerste lid, 110 kilogram stikstof per hectare van de tot dat bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.
##### Artikel 29
1. Bij de bepaling van de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=12) bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt de hoeveelheid stikstof in dierlijke en andere in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=B&z=2021-01-01&g=2021-01-01) vermelde organische meststoffen slechts in aanmerking genomen voor het percentage dat in de tabel van die bijlage is vermeld voor de desbetreffende meststof en, indien sprake is van dierlijke meststoffen die op bouwland op kleigrond of veengrond op of in de bodem zijn gebracht, voor de desbetreffende periode waarin de meststoffen op of in de bodem zijn gebracht, met dien verstande dat het bij de omstandigheid ‘op bedrijf met beweiding’ of ‘op bedrijf zonder beweiding’ vermelde percentage uitsluitend geldt indien op het desbetreffende bedrijf de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-01-01&g=2021-01-01), tabel 1, bij ‘grasland met beweiden’ onderscheidenlijk ‘grasland met volledig maaien’ vermelde hoeveelheid stikstof als stikstofgebruiksnorm wordt toegepast.
2. Indien het mengsels van organische meststoffen betreft, wordt bij de bepaling van de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=12) bedoelde hoeveelheid meststoffen de hoeveelheid stikstof in dat mengsel in aanmerking genomen voor het hoogste percentage dat in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=B&z=2021-01-01&g=2021-01-01) is vermeld bij de meststoffen die het mengsel bevat.
1. Bij de bepaling van de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=12) bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt de hoeveelheid stikstof in dierlijke en andere in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=B&z=2021-02-18&g=2021-02-18) vermelde organische meststoffen slechts in aanmerking genomen voor het percentage dat in de tabel van die bijlage is vermeld voor de desbetreffende meststof en, indien sprake is van dierlijke meststoffen die op bouwland op kleigrond of veengrond op of in de bodem zijn gebracht, voor de desbetreffende periode waarin de meststoffen op of in de bodem zijn gebracht, met dien verstande dat het bij de omstandigheid ‘op bedrijf met beweiding’ of ‘op bedrijf zonder beweiding’ vermelde percentage uitsluitend geldt indien op het desbetreffende bedrijf de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-02-18&g=2021-02-18), tabel 1, bij ‘grasland met beweiden’ onderscheidenlijk ‘grasland met volledig maaien’ vermelde hoeveelheid stikstof als stikstofgebruiksnorm wordt toegepast.
2. Indien het mengsels van organische meststoffen betreft, wordt bij de bepaling van de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=12) bedoelde hoeveelheid meststoffen de hoeveelheid stikstof in dat mengsel in aanmerking genomen voor het hoogste percentage dat in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=B&z=2021-02-18&g=2021-02-18) is vermeld bij de meststoffen die het mengsel bevat.
#### § 2. Stikstofgebruiksnorm
@@ -536,49 +536,27 @@
##### Artikel 32
1. De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 31, eerste, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=31&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is uitsluitend van toepassing gedurende vier kalenderjaren, met ingang van het kalenderjaar waarin de melding, bedoeld in [artikel 103b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is gedaan, en indien wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 103b, derde lid.
2. Indien de percelen dan wel de gewaspercelen, in de in het eerste lid bedoelde periode in gebruik zijn genomen door een andere landbouwer, is de desbetreffende fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 31, eerste, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=31&z=2021-01-01&g=2021-01-01), gedurende het restant van die periode van toepassing, indien de landbouwer de ingebruikneming van de percelen dan wel de gewaspercelen onder opgave van de oppervlakte en de ligging ervan uiterlijk de eerstvolgende 15 mei na de datum van ingebruikneming heeft gemeld aan de minister.
1. De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 31, eerste, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=31&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is uitsluitend van toepassing gedurende het kalenderjaar waarin de melding, bedoeld in [artikel 103b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is gedaan, en indien wordt voldaan aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 103b, derde lid.
2. Indien de percelen dan wel de gewaspercelen, in de in het eerste lid bedoelde periode in gebruik zijn genomen door een andere landbouwer, is de desbetreffende fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 31, eerste, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=31&z=2021-02-18&g=2021-02-18), gedurende het restant van die periode van toepassing, indien de landbouwer de ingebruikneming van de percelen dan wel de gewaspercelen onder opgave van de oppervlakte en de ligging ervan uiterlijk de eerstvolgende 15 mei na de datum van ingebruikneming heeft gemeld aan de minister.
3. Het [tweede en derde lid van artikel III van de Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 december 2019 tot wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet in verband met de implementatie van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043057&artikel=III) (Stcrt. 2019, 70977) vervallen met ingang van 1 januari 2021.
4. Met ingang van 1 januari 2021 zijn op percelen waarvoor vóór 1 januari 2021 een melding is gedaan op grond van de [artikelen 33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of [103b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), tot het verstrijken van de termijn van vier jaren, bedoeld in [artikel 32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2021-01-01&g=2021-01-01), onderscheidenlijk [103a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of indien dat eerder is, tot het moment waarop een nieuwe melding is gedaan, de fosfaatgebruiksnormen van toepassing zoals deze golden op 31 december 2020.
##### Artikel 33
1. Onverminderd [artikel 32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=31&z=2021-01-01&g=2021-01-01), slechts van toepassing indien de landbouwer uiterlijk op 15 mei van het eerste kalenderjaar van de in artikel 32, eerste lid, genoemde periode, de oppervlakte en de ligging van het perceel of gewasperceel waarop desbetreffende fosfaatgebruiksnorm wordt toegepast meldt bij de minister op basis van het analyserapport van een laboratorium dat:
- a. blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025;
- b. de fosfaattoestand van het perceel of het gewasperceel ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan de datum, bedoeld in de aanhef, heeft vastgesteld; en
- c. de bemonstering en analyse van de bodem van de desbetreffende percelen dan wel de desbetreffende gewaspercelen overeenkomstig het in bijlage C opgenomen protocol verricht en het analyserapport opstelt.
2. Het analyserapport bevat voor ieder bemonsterd perceel dan wel gewasperceel in ieder geval de volgende gegevens:
- a. de naam en het adres van de landbouwer wiens percelen dan wel gewaspercelen zijn bemonsterd;
- b. de exacte locatie van elk betrokken perceel dan wel gewasperceel, vastgesteld met behulp van GPS-gegevens;
- c. het aantal steken dat werd genomen uit de bodemlaag;
- d. een schema of een tekening van de locaties waaruit de bodemmonsters zijn gestoken;
- e. het codenummer van het mengmonster van elk betrokken perceel dan wel gewasperceel;
- f. de waarnemingen tijdens de monstername die mogelijk van invloed kunnen zijn op de uitkomsten van het onderzoek;
- g. de extractiedatum en analysedatum van het mengmonster van elk betrokken perceel dan wel gewasperceel;
- h. de resultaten van de analyses;
- i. bijzondere waarnemingen, die tijdens de analyse van het mengmonster van elk betrokken perceel dan wel gewasperceel zijn gedaan; en
- j. alle niet in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=C&z=2021-01-01&g=2021-01-01) voorgeschreven handelingen die het resultaat van de analyse van het mengmonster van elk betrokken perceel dan wel gewasperceel hebben beïnvloed.
3. De landbouwer bewaart een afschrift van het analyserapport gedurende vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=31&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt toegepast als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
4. Indien niet is voldaan aan het eerste lid, terwijl op grond van [artikel 103b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is gemeld dat de fosfaattoestand op basis van het analyserapport ‘arm’ is of indien na afloop van vier jaren na de melding, geen nieuwe melding is gedaan, geldt voor desbetreffend perceel of gewasperceel de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11).
1. Op percelen waarvoor een melding als bedoeld in [artikel 103b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is gedaan op basis van een geldig analyserapport met een datum van monstername gelegen voor 1 januari 2021 zijn de normen ter bepaling van de fosfaattoestand van de bodem en zijn de fosfaatgebruiksnormen van toepassing zoals deze golden op 31 december 2020.
2. In afwijking van [artikel 103a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is een analyserapport met een datum van monstername als bedoeld in dat lid, gelegen tussen 15 mei 2016 en 15 mei 2017 geldig tot vijf jaar na de datum van monstername.
3. Op percelen waarvoor voor 1 januari 2021 een melding is gedaan op grond van zowel [artikel 33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2021-02-18&g=2021-02-18), zoals dit luidde op 31 december 2020, als [artikel 103b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is tot het verstrijken van de termijnen van vier jaren, bedoeld in [artikel 32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2021-02-18&g=2021-02-18), zoals dit luidde op 31 december 2020 of, indien dat eerder is, tot het moment waarop een nieuwe melding is gedaan, gebaseerd op een geldig analyserapport, bedoeld in [artikel 103a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), met een datum van de monstername na 1 januari 2021, de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=31&z=2021-02-18&g=2021-02-18), van toepassing.
3. Op percelen waarvoor een melding als bedoeld in artikel 103b, tweede lid, is gedaan op basis van een geldig analyserapport dat is opgesteld voor 1 januari 2021 en waaruit blijkt dat indicator voor de fosfaattoestand van grasland een PAL-getal van minder dan 16 of de indicator voor de fosfaattoestand van bouwland een Pw-getal van minder dan 25 heeft, terwijl ten aanzien van desbetreffende percelen geen melding als bedoeld in [artikel 33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2021-02-18&g=2021-02-18), zoals het luidde op 31 december 2020, is gedaan, is de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 31, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=31&z=2021-02-18&g=2021-02-18), van toepassing.
4. In afwijking van het eerste lid zijn op percelen waarvoor een melding als bedoeld [artikel 103b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is gedaan op basis van een geldig analyserapport met een datum van monstername gelegen voor 1 januari 2021 de normen in verband met de fosfaattoestand van de bodem, bedoeld in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en de fosfaatgebruiksnormen, bedoeld in [artikel 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=31&z=2021-02-18&g=2021-02-18), van toepassing indien:
- a. in het desbetreffende analyserapport de fosfaattoestand tevens is vastgesteld met gebruikmaking van de indicator voor de fosfaattoestand van grasland en bouwland, bedoeld in [artikel 29a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=29a&z=2021-02-18&g=2021-02-18); en
- b. de landbouwer daarvan melding heeft gedaan bij de melding, bedoeld in de aanhef.
#### § 3. Fosfaatgebruiksnorm voor grond met lage fosfaattoestand
@@ -598,9 +576,9 @@
##### Artikel 36
1. Als forfaitaire productienormen als bedoeld in [artikel 28, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=28), worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld die zijn vermeld in [bijlage D, tabel IA, kolom A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
2. Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in [artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032462&artikel=2.14), en die behoren tot de in [bijlage D, tabel IB, deel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-01-01&g=2021-01-01), onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het eerste lid de normen van toepassing die zijn vermeld in kolom A van die tabel.
1. Als forfaitaire productienormen als bedoeld in [artikel 28, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=28), worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld die zijn vermeld in [bijlage D, tabel IA, kolom A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
2. Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in [artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032462&artikel=2.14), en die behoren tot de in [bijlage D, tabel IB, deel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-02-18&g=2021-02-18), onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het eerste lid de normen van toepassing die zijn vermeld in kolom A van die tabel.
### Hoofdstuk 5. Administratieve verplichtingen landbouwers
@@ -622,11 +600,11 @@
1. De gegevens, bedoeld in [artikel 32, tweede lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), betreffen uitsluitend die percelen landbouwgrond die bij het bedrijf in het kader van normale bedrijfsvoering in gebruik zijn en die al dan niet gedeeltelijk zijn gelegen in Duitsland of in België, tot 20, onderscheidenlijk tot 25 kilometer uit de Nederlandse grens.
2. De gegevens, bedoeld in [artikel 32, tweede lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), worden onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort overeenkomstig de omschrijvingen in [bijlage D, tabel IA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
2. De gegevens, bedoeld in [artikel 32, tweede lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), worden onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort overeenkomstig de omschrijvingen in [bijlage D, tabel IA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
3. De gegevens, bedoeld in [artikel 32, tweede lid, onderdeel i, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), worden per afzonderlijke opslagruimte weergegeven.
4. Indien op een bedrijf ‘covergiste mest’ als bedoeld in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-01-01&g=2021-01-01), onder IV wordt geproduceerd, worden de gegevens, bedoeld in [artikel 33, derde lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33), onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-01-01&g=2021-01-01), onder IV, en bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 33, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33), gegevens over het bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is vrijgekomen.
4. Indien op een bedrijf ‘covergiste mest’ als bedoeld in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-02-18&g=2021-02-18), onder IV wordt geproduceerd, worden de gegevens, bedoeld in [artikel 33, derde lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33), onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-02-18&g=2021-02-18), onder IV, en bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 33, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33), gegevens over het bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is vrijgekomen.
##### Artikel 39
@@ -642,7 +620,7 @@
1. Wijzigingen in de aantallen op het bedrijf gehouden dan wel anderszins aanwezige varkens, kippen, kalkoenen en runderen, worden binnen drie dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de overige gegevens die de administratie ingevolge de [artikelen 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), en[33 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33) en de [artikelen 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=39&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de overige gegevens die de administratie ingevolge de [artikelen 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), en[33 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33) en de [artikelen 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=39&z=2021-02-18&g=2021-02-18) bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen.
##### Artikel 41
@@ -650,7 +628,7 @@
##### Artikel 42
1. De landbouwer, bedoeld in [artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=35), de landbouwer op wiens bedrijf in het voorgaande kalenderjaar de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is toegepast of de landbouwer wiens bedrijf daartoe voor het huidige kalenderjaar is aangemeld bij de minister overeenkomstig [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-01-01&g=2021-01-01), verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar gegevens uit de administratie over:
1. De landbouwer, bedoeld in [artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=35), de landbouwer op wiens bedrijf in het voorgaande kalenderjaar de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is toegepast of de landbouwer wiens bedrijf daartoe voor het huidige kalenderjaar is aangemeld bij de minister overeenkomstig [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-02-18&g=2021-02-18), verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar gegevens uit de administratie over:
- a. de aan het eind van het kalenderjaar op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen, onderscheiden naar:
@@ -664,11 +642,11 @@
- b. de hoeveelheden meststoffen, anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib en compost, die op of van het bedrijf zijn aangevoerd, onderscheidenlijk zijn afgevoerd;
- c. het gemiddelde aantal in het kalenderjaar op het bedrijf gehouden dieren, anders dan varkens, schapen, geiten en runderen, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in [bijlage D, tabel IA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-01-01&g=2021-01-01); en
- d. het aantal aan- of afgevoerde staldieren, anders dan varkens of vleeskalveren, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort, voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in [bijlage D, tabel IA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
2. De landbouwer op wiens bedrijf op 31 december 2005 pluimveerechten, varkensrechten of niet-gebonden mestproductierechten rustten of wiens bedrijf overeenkomstig [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is aangemeld voor toepassing in 2006 van de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2021-01-01&g=2021-01-01), verstrekt vóór 1 februari 2006 aan de minister gegevens uit de administratie over de op 1 januari 2006 op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°.
- c. het gemiddelde aantal in het kalenderjaar op het bedrijf gehouden dieren, anders dan varkens, schapen, geiten en runderen, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in [bijlage D, tabel IA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-02-18&g=2021-02-18); en
- d. het aantal aan- of afgevoerde staldieren, anders dan varkens of vleeskalveren, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort, voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in [bijlage D, tabel IA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
2. De landbouwer op wiens bedrijf op 31 december 2005 pluimveerechten, varkensrechten of niet-gebonden mestproductierechten rustten of wiens bedrijf overeenkomstig [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is aangemeld voor toepassing in 2006 van de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2021-02-18&g=2021-02-18), verstrekt vóór 1 februari 2006 aan de minister gegevens uit de administratie over de op 1 januari 2006 op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°.
3. De landbouwer die op het eigen bedrijf geproduceerde koemelk zelf verwerkt tot eindproducten en die 50 procent of meer van de geproduceerde koemelk levert aan een koper als bedoeld in de [Regeling superheffing 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023701), verstrekt aan de minister gegevens met betrekking tot de op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid koemelk.
@@ -676,21 +654,21 @@
##### Artikel 43
1. De [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26) en [31 tot en met 35 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=31) en de [artikelen 37 tot en met 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2021-01-01&g=2021-01-01) zijn niet van toepassing ten aanzien van een bedrijf, indien op elk moment in het desbetreffende kalenderjaar wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
1. De [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26) en [31 tot en met 35 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=31) en de [artikelen 37 tot en met 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2021-02-18&g=2021-02-18) zijn niet van toepassing ten aanzien van een bedrijf, indien op elk moment in het desbetreffende kalenderjaar wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
- a. de som van de tot dan toe in dat jaar op het bedrijf aangevoerde dierlijke meststoffen en de productie van meststoffen door de op dat moment op het bedrijf gehouden dan wel anderszins aanwezige dieren op jaarbasis is ten hoogste 350 kilogram stikstof;
- b. de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond is niet groter dan drie hectare.
2. De [artikelen 32, tweede lid, onderdelen d, e, f en h en 33 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32) en de [artikelen 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en [42, eerste lid, onderdelen a, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2021-01-01&g=2021-01-01), zijn niet van toepassing ten aanzien van diersoorten als bedoeld in [bijlage D, tabel IA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-01-01&g=2021-01-01), waarvan de op enig moment op het bedrijf gehouden of anderszins aanwezige dieren tezamen op jaarbasis ten hoogste 350 kilogram stikstof produceren, onderscheidenlijk ten aanzien van de door deze dieren geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen.
3. De productie van dierlijke meststoffen op jaarbasis, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, wordt bepaald op basis van het aantal op het desbetreffende moment gehouden dieren, onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort, en op basis van de voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën in [bijlage D, tabel IA, kolom B, en tabellen IIA en IIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-01-01&g=2021-01-01) vermelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar.
4. Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in [artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032462&artikel=2.14), en die behoren tot de in [bijlage D, tabel IB, deel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-01-01&g=2021-01-01), onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het derde lid de normen van toepassing die zijn vermeld in deel 2 van die tabel.
2. De [artikelen 32, tweede lid, onderdelen d, e, f en h en 33 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32) en de [artikelen 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en [42, eerste lid, onderdelen a, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2021-02-18&g=2021-02-18), zijn niet van toepassing ten aanzien van diersoorten als bedoeld in [bijlage D, tabel IA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-02-18&g=2021-02-18), waarvan de op enig moment op het bedrijf gehouden of anderszins aanwezige dieren tezamen op jaarbasis ten hoogste 350 kilogram stikstof produceren, onderscheidenlijk ten aanzien van de door deze dieren geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen.
3. De productie van dierlijke meststoffen op jaarbasis, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, wordt bepaald op basis van het aantal op het desbetreffende moment gehouden dieren, onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort, en op basis van de voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën in [bijlage D, tabel IA, kolom B, en tabellen IIA en IIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-02-18&g=2021-02-18) vermelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar.
4. Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in [artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032462&artikel=2.14), en die behoren tot de in [bijlage D, tabel IB, deel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-02-18&g=2021-02-18), onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het derde lid de normen van toepassing die zijn vermeld in deel 2 van die tabel.
##### Artikel 44
De [artikelen 32, tweede lid, onderdelen e, g, en h, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32) en de [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [42, eerste lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2021-01-01&g=2021-01-01), zijn niet van toepassing ten aanzien van de in enig kalenderjaar op het bedrijf ingeschaarde schapen, onderscheidenlijk de door deze schapen geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, indien ten aanzien van dat bedrijf wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
De [artikelen 32, tweede lid, onderdelen e, g, en h, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32) en de [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [42, eerste lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2021-02-18&g=2021-02-18), zijn niet van toepassing ten aanzien van de in enig kalenderjaar op het bedrijf ingeschaarde schapen, onderscheidenlijk de door deze schapen geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, indien ten aanzien van dat bedrijf wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
- a. het aantal in dat kalenderjaar ingeschaarde schapen is niet groter dan 450;
@@ -716,7 +694,7 @@
6. In aanvulling op de gegevens, bedoeld in [artikel 38, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=38), verstrekt de intermediair ter zake van de transportmiddelen die voor het vervoer van dierlijke mest exclusief bij de desbetreffende onderneming in gebruik zijn, tevens de volgende gegevens:
- a. ofwel het kenteken en de meldcode van het betrokken transportmiddel of aanhangwagen, zoals deze zijn vermeld op het voor het betrokken voertuig afgegeven, geldige kentekenbewijs, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), voor zover het een motorrijtuig of aanhangwagen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdelen c onderscheidenlijk d, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1) betreft, waarop overeenkomstig [artikel 53, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2021-01-01&g=2021-01-01), automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, danwel het chassisnummer van het betrokken transportmiddel waarop overeenkomstig artikel 53, tweede lid, automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, voor zover het een ander transportmiddel betreft;
- a. ofwel het kenteken en de meldcode van het betrokken transportmiddel of aanhangwagen, zoals deze zijn vermeld op het voor het betrokken voertuig afgegeven, geldige kentekenbewijs, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), voor zover het een motorrijtuig of aanhangwagen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdelen c onderscheidenlijk d, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1) betreft, waarop overeenkomstig [artikel 53, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2021-02-18&g=2021-02-18), automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, danwel het chassisnummer van het betrokken transportmiddel waarop overeenkomstig artikel 53, tweede lid, automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, voor zover het een ander transportmiddel betreft;
- b. ofwel het kenteken en de meldcode van het betrokken transportmiddel en van iedere aanhangwagen, zoals deze zijn vermeld op het voor het betrokken voertuig afgegeven, geldige kentekenbewijs, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), voor zover het een motorrijtuig of aanhangwagen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdelen c onderscheidenlijk d, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1) betreft dat gebruikt wordt voor het vervoer van vaste mest, danwel het chassisnummer van het betrokken transportmiddel en het chassisnummer van de aanhangwagen, voor zover het een ander transportmiddel betreft dat gebruikt wordt voor het vervoer van vaste mest; en
@@ -748,7 +726,7 @@
- b. de hoeveelheid geproduceerd, behandeld zuiveringsslib; en
- c. de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 2, bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib alsmede de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in [artikel 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
- c. de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 2, bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib alsmede de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in [artikel 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
7. Indien op een onderneming compost wordt geproduceerd of anderszins wordt behandeld, bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) tevens gegevens over:
@@ -756,17 +734,17 @@
- b. de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 3, bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen.
8. Indien op een onderneming ‘covergiste mest’ als bedoeld in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-01-01&g=2021-01-01), onder IV wordt geproduceerd, worden de gegevens, bedoeld in [artikel 39, derde lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39), onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in bijlage Aa, onder IV, en bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, derde lid, van het besluit, gegevens over het bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is vrijgekomen.
9. Ingeval van overdracht van een opslagruimte voor meststoffen door of aan een intermediair, bevat de administratie van de intermediair tevens het bewijs van overdracht en de gegevens, bedoeld in [artikel 48a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48a&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
8. Indien op een onderneming ‘covergiste mest’ als bedoeld in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2021-02-18&g=2021-02-18), onder IV wordt geproduceerd, worden de gegevens, bedoeld in [artikel 39, derde lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39), onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in bijlage Aa, onder IV, en bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, derde lid, van het besluit, gegevens over het bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is vrijgekomen.
9. Ingeval van overdracht van een opslagruimte voor meststoffen door of aan een intermediair, bevat de administratie van de intermediair tevens het bewijs van overdracht en de gegevens, bedoeld in [artikel 48a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48a&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
##### Artikel 47
1. Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, aanhef en onderdelen a en c, en derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) en [artikel 46, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) bevat, worden, voor zover het dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de analyseresultaten, bedoeld in [artikel 81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-01-01&g=2021-01-01), van het laboratorium zijn ontvangen op het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde formulier verwerkt.
3. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) bevat, worden, voor zover het meststoffen anders dan dierlijke meststoffen betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de wijziging zich heeft voorgedaan op het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde formulier verwerkt.
1. Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, aanhef en onderdelen a en c, en derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) en [artikel 46, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) bevat, worden, voor zover het dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de analyseresultaten, bedoeld in [artikel 81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-02-18&g=2021-02-18), van het laboratorium zijn ontvangen op het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde formulier verwerkt.
3. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) bevat, worden, voor zover het meststoffen anders dan dierlijke meststoffen betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de wijziging zich heeft voorgedaan op het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde formulier verwerkt.
##### Artikel 48
@@ -776,7 +754,7 @@
- b. vervallen; en
- c. de aan het eind van het kalenderjaar op de onderneming aanwezige hoeveelheid meststoffen onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
- c. de aan het eind van het kalenderjaar op de onderneming aanwezige hoeveelheid meststoffen onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
2. De ondernemer in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt behandeld, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister gegevens uit de administratie over de in het voorgaande kalenderjaar in het zuiveringsslib gemiddeld aanwezige hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 2, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen.
@@ -784,7 +762,7 @@
4. De minister is bevoegd de op grond van het tweede of derde lid verstrekte gegevens door te geven aan gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de desbetreffende onderneming is gevestigd.
5. De intermediair die verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib, waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-01-01&g=2021-01-01) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, verstrekt op elektronische wijze aan de minister het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers is berekend.
5. De intermediair die verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib, waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-02-18&g=2021-02-18) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, verstrekt op elektronische wijze aan de minister het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers is berekend.
##### Artikel 49
@@ -798,7 +776,7 @@
1. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of runderen, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming bij de minister.
2. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt behandeld, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming, overeenkomstig de krachtens [artikel 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=118&z=2021-01-01&g=2021-01-01) gestelde regels.
2. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt behandeld, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming, overeenkomstig de krachtens [artikel 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=118&z=2021-02-18&g=2021-02-18) gestelde regels.
3. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming meststoffen worden verhandeld, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), geschiedt binnen 30 dagen na 1 januari 2008 bij de minister. Indien een onderneming als bedoeld in de vorige volzin wordt opgericht na 1 januari 2008, geschiedt de aanmelding uiterlijk 30 dagen na oprichting.
@@ -812,9 +790,9 @@
1. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 44, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), bevat de administratie van de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of runderen, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), gegevens over:
- a. de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in [artikel 98, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2021-01-01&g=2021-01-01); en
- b. de op het etiket of het begeleidend document, bedoeld in [artikel 99, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2021-01-01&g=2021-01-01), vermelde droge stofgehalte dan wel het vochtgehalte en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de droge stof.
- a. de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in [artikel 98, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2021-02-18&g=2021-02-18); en
- b. de op het etiket of het begeleidend document, bedoeld in [artikel 99, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2021-02-18&g=2021-02-18), vermelde droge stofgehalte dan wel het vochtgehalte en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de droge stof.
2. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 44, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), bevat de administratie van de ondernemer, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44) voor zover hij compost produceert of anderszins behandelt, gegevens over:
@@ -824,9 +802,9 @@
3. De gegevens, bedoeld in [artikel 44, vijfde lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), betreffen de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 2, bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib.
4. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 44, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), bevat de administratie van de ondernemer, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) voor zover hij verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-01-01&g=2021-01-01) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, de hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en de hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib die uit die opslagruimte zijn afgevoerd, zodanig dat steeds blijkt welke hoeveelheid vloeibaar zuiveringsslib zich in de opslagruimte bevindt.
5. De gegevens, bedoeld in het vierde lid, worden bijgehouden op het daartoe door de minister verstrekte formulier en worden overgenomen van het op de desbetreffende hoeveelheid betrekking hebbende vervoersbewijs zuiveringsslib en compost en op het ter zake door het laboratorium verstrekte overzicht van de analyseresultaten. [Artikel 46, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 44, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), bevat de administratie van de ondernemer, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) voor zover hij verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-02-18&g=2021-02-18) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, de hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en de hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib die uit die opslagruimte zijn afgevoerd, zodanig dat steeds blijkt welke hoeveelheid vloeibaar zuiveringsslib zich in de opslagruimte bevindt.
5. De gegevens, bedoeld in het vierde lid, worden bijgehouden op het daartoe door de minister verstrekte formulier en worden overgenomen van het op de desbetreffende hoeveelheid betrekking hebbende vervoersbewijs zuiveringsslib en compost en op het ter zake door het laboratorium verstrekte overzicht van de analyseresultaten. [Artikel 46, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is van overeenkomstige toepassing.
6. Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge [artikel 44 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44) of het eerste tot en met het derde lid bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen.
@@ -834,7 +812,7 @@
##### Artikel 52
1. De ondernemer, bedoeld in [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2021-01-01&g=2021-01-01), verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister per bedrijf met staldieren of runderen waaraan diervoeders worden geleverd, met betrekking tot het voorafgaande kalenderjaar elektronisch gegevens uit de administratie over:
1. De ondernemer, bedoeld in [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2021-02-18&g=2021-02-18), verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister per bedrijf met staldieren of runderen waaraan diervoeders worden geleverd, met betrekking tot het voorafgaande kalenderjaar elektronisch gegevens uit de administratie over:
- a. de naam, het adres en het door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer van het bedrijf, waaraan diervoeder is geleverd;
@@ -848,7 +826,7 @@
4. De minister is bevoegd de op grond van het tweede of derde lid verstrekte gegevens door te geven aan gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de desbetreffende onderneming is gevestigd.
5. De ondernemer, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) die verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-01-01&g=2021-01-01) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, verstrekt op elektronische wijze aan de minister het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 51, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde formulier, of de in artikel 51, vijfde lid in samenhang met [artikel 46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-01-01&g=2021-01-01), genoemde andere gegevensdragers is berekend.
5. De ondernemer, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) die verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-02-18&g=2021-02-18) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, verstrekt op elektronische wijze aan de minister het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 51, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde formulier, of de in artikel 51, vijfde lid in samenhang met [artikel 46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-02-18&g=2021-02-18), genoemde andere gegevensdragers is berekend.
### Hoofdstuk 6. Administratieve verplichtingen intermediairs
@@ -856,7 +834,7 @@
##### Artikel 53
1. De AGR-apparatuur voldoet aan de prestatiekenmerken die, al naar gelang het vervoer van drijfmest of van vaste mest betreft, zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2021-01-01&g=2021-01-01), onderscheidenlijk in [bijlage E, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
1. De AGR-apparatuur voldoet aan de prestatiekenmerken die, al naar gelang het vervoer van drijfmest of van vaste mest betreft, zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2021-02-18&g=2021-02-18), onderscheidenlijk in [bijlage E, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
2. Bij het vervoer van drijfmest is de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur onlosmakelijk op het transportmiddel bevestigd en zijn de in het eerste lid bedoelde apparatuur en de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de bemonsterings- en verpakkingsapparatuur verbonden.
@@ -866,15 +844,15 @@
- b. de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de in het eerste lid bedoelde apparatuur verbonden.
4. Het sensordeel van de AGR-apparatuur, bedoeld in [Bijlage E, onderdeel E, onder 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is onlosmakelijk verbonden met de vaste as van het chassis van het transportmiddel of de aanhangwagen.
4. Het sensordeel van de AGR-apparatuur, bedoeld in [Bijlage E, onderdeel E, onder 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is onlosmakelijk verbonden met de vaste as van het chassis van het transportmiddel of de aanhangwagen.
##### Artikel 54
1. Het vervoer van dierlijke meststoffen vindt uitsluitend plaats, indien de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bedoelde apparatuur zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang adequaat functioneert.
1. Het vervoer van dierlijke meststoffen vindt uitsluitend plaats, indien de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2021-02-18&g=2021-02-18) bedoelde apparatuur zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang adequaat functioneert.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen middels een transportvoertuig, indien het niet adequaat functioneren van de apparatuur is veroorzaakt door een storing die door de vervoerder terstond telefonisch is gemeld aan meldkamer van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en indien de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit toestemming heeft verleend voor het vervoer.
3. De in het tweede lid bedoelde toestemming kan ten hoogste voor een periode van 24 uur worden verleend en kan de verplichting inhouden van het vervoer elektronisch of telefonisch mededeling te doen voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt, waarbij de gegevens, bedoeld in [artikel 58, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=58&z=2021-01-01&g=2021-01-01), worden verstrekt.
3. De in het tweede lid bedoelde toestemming kan ten hoogste voor een periode van 24 uur worden verleend en kan de verplichting inhouden van het vervoer elektronisch of telefonisch mededeling te doen voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt, waarbij de gegevens, bedoeld in [artikel 58, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=58&z=2021-02-18&g=2021-02-18), worden verstrekt.
##### Artikel 55
@@ -896,11 +874,11 @@
##### Artikel 56
[Artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2021-01-01&g=2021-01-01) is van overeenkomstige toepassing op het vervoer van vaste mest, met dien verstande dat:
- a. de gegevens, bedoeld in het [tweede lid, onderdeel b, van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2021-01-01&g=2021-01-01), niet automatisch door de AGR-apparatuur, maar door de vervoerder in de gegevensdrager van de AGR-apparatuur worden vastgelegd door deze gegevens elektronisch vanaf de monsterverpakking in te lezen;
- b. het gegeven, bedoeld in het [tweede lid, onderdeel c, van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2021-01-01&g=2021-01-01), niet hoeft te worden vastgelegd.
[Artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2021-02-18&g=2021-02-18) is van overeenkomstige toepassing op het vervoer van vaste mest, met dien verstande dat:
- a. de gegevens, bedoeld in het [tweede lid, onderdeel b, van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2021-02-18&g=2021-02-18), niet automatisch door de AGR-apparatuur, maar door de vervoerder in de gegevensdrager van de AGR-apparatuur worden vastgelegd door deze gegevens elektronisch vanaf de monsterverpakking in te lezen;
- b. het gegeven, bedoeld in het [tweede lid, onderdeel c, van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2021-02-18&g=2021-02-18), niet hoeft te worden vastgelegd.
##### Artikel 57
@@ -912,7 +890,7 @@
- b. een overzicht van de buiten Nederland gevestigde leveranciers;
- c. het aantal voorgenomen transporten en de in tonnen uitgedrukte totale hoeveelheid te vervoeren dierlijke meststoffen onderscheiden naar mestcode zoals deze voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01);
- c. het aantal voorgenomen transporten en de in tonnen uitgedrukte totale hoeveelheid te vervoeren dierlijke meststoffen onderscheiden naar mestcode zoals deze voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18);
- d. een afschrift van het document waaruit blijkt dat de lidstaat van bestemming de zending aanvaardt, zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel b en c, van verordening (EG) nr. 1069/2009, voor zover een dergelijke aanvaarding ingevolge voornoemde verordening is vereist; en
@@ -920,7 +898,7 @@
##### Artikel 58
1. Indien de vervoerder ingevolge [artikel 51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2021-01-01&g=2021-01-01), van het besluit verplicht is van het vervoer mededeling te doen, geschiedt de mededeling uiterlijk 24 uur voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt aan de minister.
1. Indien de vervoerder ingevolge [artikel 51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2021-02-18&g=2021-02-18), van het besluit verplicht is van het vervoer mededeling te doen, geschiedt de mededeling uiterlijk 24 uur voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt aan de minister.
2. Bij de mededeling van het vervoer worden de volgende gegevens verstrekt:
@@ -936,9 +914,9 @@
##### Artikel 59
De [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=48) en [49 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) en en de [artikelen 53 tot en met 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2021-01-01&g=2021-01-01) zijn niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen, indien:
- a. de hoeveelheid van die meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2021-01-01&g=2021-01-01) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten;
De [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=48) en [49 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) en en de [artikelen 53 tot en met 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2021-02-18&g=2021-02-18) zijn niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen, indien:
- a. de hoeveelheid van die meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2021-02-18&g=2021-02-18) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten;
- b. uitsluitend mestkorrels worden vervoerd;
@@ -950,13 +928,13 @@
- 1°. deze afvoer vindt plaats op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de leverancier en de afnemer die is afgesloten voordat het vervoer van de desbetreffende vracht plaatsvond; en
- 2°. het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen is overeenkomstig [artikel 66, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=66&z=2021-01-01&g=2021-01-01), ingevuld.
- 2°. het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen is overeenkomstig [artikel 66, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=66&z=2021-02-18&g=2021-02-18), ingevuld.
#### § 1. Vervoer van dierlijke meststoffen
##### Artikel 60
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 53, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) wordt vastgesteld het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in [bijlage F, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=F&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 53, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) wordt vastgesteld het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in [bijlage F, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=F&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
2. Het vervoersbewijs dierlijke meststoffen wordt door de minister verstrekt en is voorzien van een uniek nummer.
@@ -964,7 +942,7 @@
- a. het referentienummer van het gezondheidscertificaat of handelsdocument, bedoeld in artikel 21, van verordening (EG) nr. 1069/2009, dat betrekking heeft op dezelfde vracht dierlijke meststoffen als het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, bedoeld in het tweede lid, vermeld op dat vervoersbewijs;
- b. indien de mededeling van het vervoer elektronisch is gedaan als bedoeld in [artikel 57b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), gebruik gemaakt van een geprint exemplaar van het vervoersbewijs, zoals dit elektronisch is aangemaakt, en
- b. indien de mededeling van het vervoer elektronisch is gedaan als bedoeld in [artikel 57b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), gebruik gemaakt van een geprint exemplaar van het vervoersbewijs, zoals dit elektronisch is aangemaakt, en
- c. indien de mededeling van het vervoer niet elektronisch is gedaan, het vervoersbewijs door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit verstrekt.
@@ -974,15 +952,15 @@
2. Uiterlijk bij het lossen van de dierlijke meststoffen worden onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op de postcode van de losplaats en op de datum en het tijdstip van het lossen, en onderdeel 5 van het op die vracht betrekking hebbende en overeenkomstig het eerste lid ingevulde vervoersbewijs ingevuld en wordt het vervoersbewijs door de vervoerder en de afnemer ondertekend.
3. Bij het invullen van de mestcode bij onderdeel 1 van het vervoersbewijs wordt gebruik gemaakt van de codes die voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
4. Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in [bijlage F, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=F&z=2021-01-01&g=2021-01-01), vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs ingevuld.
3. Bij het invullen van de mestcode bij onderdeel 1 van het vervoersbewijs wordt gebruik gemaakt van de codes die voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
4. Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in [bijlage F, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=F&z=2021-02-18&g=2021-02-18), vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs ingevuld.
5. In zoverre in afwijking van de voorgaande leden, kunnen de gegevens op het vervoersbewijs worden vermeld door het printen van deze gegevens in een aan de invulvelden gerelateerde volgorde binnen de daarvoor op het vervoersbewijs bestemde vrije ruimte.
##### Artikel 62
In zoverre in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-01-01&g=2021-01-01):
In zoverre in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-02-18&g=2021-02-18):
- a. wordt, indien de weging van de dierlijke meststoffen na het laden van het transportmiddel plaatsvindt, terstond na de weging bij onderdeel 3b van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het nettogewicht van de dierlijke meststoffen ingevuld;
@@ -992,19 +970,19 @@
- d. wordt, indien de vracht uit vaste mest bestaat en de bemonstering van de vracht na het laden plaatsvindt, terstond na de bemonstering bij onderdeel 3c van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking ingevuld;
- e. kan bij onderdeel 3c, uiterlijk tot het moment waarop het uit de vracht genomen monster overeenkomstig [artikel 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2021-01-01&g=2021-01-01) aan het in dat artikel bedoelde laboratorium wordt verzonden, worden ingevuld of met het uit de vracht genomen monster een mengmonster samengesteld kan worden;
- f. worden, indien de hoeveelheid van de dierlijke meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2021-01-01&g=2021-01-01) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, bij onderdeel 3b en bij onderdeel 3c van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het nettogewicht van de dierlijke meststoffen, het combinatienummer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking en de code van het laboratorium niet ingevuld;
- e. kan bij onderdeel 3c, uiterlijk tot het moment waarop het uit de vracht genomen monster overeenkomstig [artikel 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2021-02-18&g=2021-02-18) aan het in dat artikel bedoelde laboratorium wordt verzonden, worden ingevuld of met het uit de vracht genomen monster een mengmonster samengesteld kan worden;
- f. worden, indien de hoeveelheid van de dierlijke meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2021-02-18&g=2021-02-18) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, bij onderdeel 3b en bij onderdeel 3c van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het nettogewicht van de dierlijke meststoffen, het combinatienummer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking en de code van het laboratorium niet ingevuld;
- g. behoeft, indien de dierlijke meststoffen buiten Nederland worden gebracht, het vervoersbewijs dierlijke meststoffen niet door de afnemer te worden ondertekend;
- h. behoeft in het geval, bedoeld in de [artikelen 50, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en [45, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bij de onderdelen 3a en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het relatienummer niet ingevuld te worden;
- h. behoeft in het geval, bedoeld in de [artikelen 50, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en [45, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bij de onderdelen 3a en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het relatienummer niet ingevuld te worden;
- i. behoeft het relatienummer bij de onderdelen 3a en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen niet ingevuld te worden, indien de afnemer geen bedrijf of onderneming voert in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld.
##### Artikel 63
De vervoerder van een vracht dierlijke meststoffen, onderscheidenlijk van meerdere vrachten dierlijke meststoffen als bedoeld in [artikel 62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=62a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), verstrekt uiterlijk tien werkdagen na het vervoer, onderscheidenlijk het laatste vervoer, de leverancier en de afnemer een afschrift van het op die vracht of vrachten betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen.
De vervoerder van een vracht dierlijke meststoffen, onderscheidenlijk van meerdere vrachten dierlijke meststoffen als bedoeld in [artikel 62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=62a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), verstrekt uiterlijk tien werkdagen na het vervoer, onderscheidenlijk het laatste vervoer, de leverancier en de afnemer een afschrift van het op die vracht of vrachten betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen.
##### Artikel 64
@@ -1012,7 +990,7 @@
2. De elektronisch in te dienen gegevens bevatten mede de code van het laboratorium dat de analyse van de dierlijke meststoffen waarop het vervoersbewijs dierlijke meststoffen betrekking heeft, heeft uitgevoerd, en de op basis van deze analyse vastgestelde hoeveelheid dierlijke meststoffen.
3. Indien de hoeveelheid van de dierlijke meststoffen overeenkomstig de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2021-01-01&g=2021-01-01) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, worden de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht of vrachten dierlijke meststoffen bij de minister ingediend.
3. Indien de hoeveelheid van de dierlijke meststoffen overeenkomstig de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2021-02-18&g=2021-02-18) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, worden de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht of vrachten dierlijke meststoffen bij de minister ingediend.
##### Artikel 65
@@ -1022,47 +1000,47 @@
- b. er wordt een schriftelijk bewijsstuk van de machtiging opgemaakt dat door de betrokken partijen is ondertekend en dat in ieder geval de datum en de duur van de machtiging en de door de minister ter identificatie van de bedrijven of ondernemingen van de betrokken partijen verstrekte relatienummers bevat; en
- c. een afschrift van het bewijsstuk van de machtiging, bedoeld onder b, wordt tijdens het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen waarop de machtiging betrekking heeft desgevraagd aan een ambtenaar als bedoeld in [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2021-01-01&g=2021-01-01) verstrekt.
- c. een afschrift van het bewijsstuk van de machtiging, bedoeld onder b, wordt tijdens het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen waarop de machtiging betrekking heeft desgevraagd aan een ambtenaar als bedoeld in [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2021-02-18&g=2021-02-18) verstrekt.
##### Artikel 66
1. In het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde geval:
- a. wordt, in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-01-01&g=2021-01-01), het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de afnemer ingevuld en ondertekend op het tijdstip waarop de kalvergier op de kalvergierbewerkingsinstallatie wordt aangevoerd en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de afnemer aan de leverancier toegezonden, waarna de leverancier het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ondertekent en terugzendt aan de afnemer; en
- b. kan, in afwijking van [artikel 53, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), de leverancier de afnemer ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen machtigen, onder de in [artikel 65, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=65&z=2021-01-01&g=2021-01-01), genoemde voorwaarden.
2. In het in [artikel 59, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde geval en onder de in dat onderdeel, onder 1°, genoemde voorwaarde:
- a. worden, in afwijking van [artikel 61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-01-01&g=2021-01-01), uiterlijk bij het laden van de kalvergier de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van het combinatienummer, het netto gewicht en het tijdstip van het lossen, en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, ingevuld en door de leverancier ondertekend;
- b. wordt, in afwijking van [artikel 61, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-01-01&g=2021-01-01), uiterlijk bij het lossen van de kalvergier, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het tijdstip van het lossen, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder ondertekend; en
1. In het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde geval:
- a. wordt, in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-02-18&g=2021-02-18), het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de afnemer ingevuld en ondertekend op het tijdstip waarop de kalvergier op de kalvergierbewerkingsinstallatie wordt aangevoerd en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de afnemer aan de leverancier toegezonden, waarna de leverancier het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ondertekent en terugzendt aan de afnemer; en
- b. kan, in afwijking van [artikel 53, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), de leverancier de afnemer ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen machtigen, onder de in [artikel 65, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=65&z=2021-02-18&g=2021-02-18), genoemde voorwaarden.
2. In het in [artikel 59, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde geval en onder de in dat onderdeel, onder 1°, genoemde voorwaarde:
- a. worden, in afwijking van [artikel 61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-02-18&g=2021-02-18), uiterlijk bij het laden van de kalvergier de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van het combinatienummer, het netto gewicht en het tijdstip van het lossen, en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, ingevuld en door de leverancier ondertekend;
- b. wordt, in afwijking van [artikel 61, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-02-18&g=2021-02-18), uiterlijk bij het lossen van de kalvergier, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het tijdstip van het lossen, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder ondertekend; en
- c. wordt terstond na de weging en na de bemonstering van de kalvergier, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het nettogewicht van de kalvergier, onderscheidenlijk onderdeel 3c, voor zover dit betrekking heeft op gegevens ter identificatie van de monsterverpakking, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en door de afnemer ondertekend.
3. In de in [artikel 59, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde gevallen:
- a. wordt een afschrift van het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=63&z=2021-01-01&g=2021-01-01), door de afnemer aan de leverancier en de vervoerder verstrekt; en
- b. geschiedt de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in zoverre in afwijking van [artikel 64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=64&z=2021-01-01&g=2021-01-01), door de afnemer.
4. In het in [artikel 59a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde geval en onder de in dat lid genoemde voorwaarden:
- a. worden, in afwijking van [artikel 61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-01-01&g=2021-01-01), uiterlijk bij het laden van de dierlijke meststoffen de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van het combinatienummer en het tijdstip van het lossen, en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, ingevuld, wordt bij onderdeel 4 de opmerkingscode ‘38’ ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier ondertekend;
- b. wordt, in afwijking van [artikel 61, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-01-01&g=2021-01-01), uiterlijk bij het lossen van de dierlijke meststoffen, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het tijdstip van het lossen, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder ondertekend; en
- c. bevatten de op grond van [artikel 64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=64&z=2021-01-01&g=2021-01-01), elektronisch in te dienen gegevens, in afwijking van [artikel 64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=64&z=2021-01-01&g=2021-01-01), de hoeveelheid dierlijke meststoffen die is vastgesteld overeenkomstig de voorschriften die zijn verbonden aan de aan de leverancier van de desbetreffende vracht verleende ontheffing van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
5. In het in [artikel 59b, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59b&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en het in [artikel 59c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59c&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bedoelde geval:
- a. wordt, in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-01-01&g=2021-01-01), het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, met uitzondering van het CMR-nummer, het kenteken van het voertuig en het netto gewicht, door de vervoerder ingevuld en ondertekend op het tijdstip waarop de vracht dierlijke meststoffen wordt aangevoerd;
3. In de in [artikel 59, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde gevallen:
- a. wordt een afschrift van het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=63&z=2021-02-18&g=2021-02-18), door de afnemer aan de leverancier en de vervoerder verstrekt; en
- b. geschiedt de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in zoverre in afwijking van [artikel 64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=64&z=2021-02-18&g=2021-02-18), door de afnemer.
4. In het in [artikel 59a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde geval en onder de in dat lid genoemde voorwaarden:
- a. worden, in afwijking van [artikel 61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-02-18&g=2021-02-18), uiterlijk bij het laden van de dierlijke meststoffen de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van het combinatienummer en het tijdstip van het lossen, en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, ingevuld, wordt bij onderdeel 4 de opmerkingscode ‘38’ ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier ondertekend;
- b. wordt, in afwijking van [artikel 61, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-02-18&g=2021-02-18), uiterlijk bij het lossen van de dierlijke meststoffen, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het tijdstip van het lossen, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder ondertekend; en
- c. bevatten de op grond van [artikel 64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=64&z=2021-02-18&g=2021-02-18), elektronisch in te dienen gegevens, in afwijking van [artikel 64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=64&z=2021-02-18&g=2021-02-18), de hoeveelheid dierlijke meststoffen die is vastgesteld overeenkomstig de voorschriften die zijn verbonden aan de aan de leverancier van de desbetreffende vracht verleende ontheffing van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
5. In het in [artikel 59b, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59b&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en het in [artikel 59c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59c&z=2021-02-18&g=2021-02-18) bedoelde geval:
- a. wordt, in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-02-18&g=2021-02-18), het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, met uitzondering van het CMR-nummer, het kenteken van het voertuig en het netto gewicht, door de vervoerder ingevuld en ondertekend op het tijdstip waarop de vracht dierlijke meststoffen wordt aangevoerd;
- b. wordt het vervoersbewijs door de vervoerder aan de leverancier toegezonden, waarna de leverancier het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ondertekent en terugzendt aan de vervoerder;
- c. wordt bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen de opmerkingscode ‘42’ ingevuld;
- d. kan, in afwijking van [artikel 53, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), de leverancier de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen machtigen, onder de in [artikel 65, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=65&z=2021-01-01&g=2021-01-01), genoemde voorwaarden.
- d. kan, in afwijking van [artikel 53, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), de leverancier de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen machtigen, onder de in [artikel 65, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=65&z=2021-02-18&g=2021-02-18), genoemde voorwaarden.
##### Artikel 67
@@ -1090,7 +1068,7 @@
##### Artikel 68
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 55, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) wordt vastgesteld het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in [bijlage G, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=G&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 55, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) wordt vastgesteld het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in [bijlage G, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=G&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
2. Het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost wordt door de minister verstrekt en is voorzien van een uniek nummer.
@@ -1098,7 +1076,7 @@
1. Uiterlijk bij het laden van meststoffen worden de onderdelen 1, 3a, 3b en 3c, met uitzondering van het gewicht van de vracht, de hoeveelheden fosfaat en stikstof en het drogestofgehalte, van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld en wordt het vervoersbewijs door de leverancier ondertekend. In voorkomend geval wordt bij onderdeel 1 het registratienummer van de desbetreffende opslag ingevuld.
2. Bij onderdeel 3c wordt als analysenummer ingevuld het bij de desbetreffende vracht behorende analysenummer, bedoeld in [artikel 92b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), dan wel indien het een vracht vloeibaar zuiveringsslib betreft die afkomstig is uit een opslagruimte voor vloeibaar zuiveringsslib als bedoeld in [artikel 39, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) of in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2021-01-01&g=2021-01-01), het ter zake van de ontvangst van de overeenkomstig [artikel 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of [52, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2021-01-01&g=2021-01-01), verstrekte gegevens door de minister uitgegeven samenstellingnummer.
2. Bij onderdeel 3c wordt als analysenummer ingevuld het bij de desbetreffende vracht behorende analysenummer, bedoeld in [artikel 92b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), dan wel indien het een vracht vloeibaar zuiveringsslib betreft die afkomstig is uit een opslagruimte voor vloeibaar zuiveringsslib als bedoeld in [artikel 39, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) of in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2021-02-18&g=2021-02-18), het ter zake van de ontvangst van de overeenkomstig [artikel 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2021-02-18&g=2021-02-18), of [52, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2021-02-18&g=2021-02-18), verstrekte gegevens door de minister uitgegeven samenstellingnummer.
3. Het netto gewicht van de vracht wordt terstond na de weging bij onderdeel 3 van het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld.
@@ -1106,7 +1084,7 @@
5. Met de ondertekening verklaren de leverancier en de vervoerder dat de desbetreffende vracht zuiveringsslib of compost voldoet aan [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=16) onderscheidenlijk [artikel 17 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=17).
6. Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in [bijlage G, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=G&z=2021-01-01&g=2021-01-01), vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld.
6. Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in [bijlage G, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=G&z=2021-02-18&g=2021-02-18), vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld.
7. In zoverre in afwijking van de voorgaande leden, kunnen de gegevens op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost worden vermeld door het printen van deze gegevens in een aan de invulvelden gerelateerde volgorde binnen de daarvoor op het vervoersbewijs bestemde vrije ruimte.
@@ -1144,19 +1122,19 @@
##### Artikel 73
1. Als forfaitaire productienormen als bedoeld in [artikel 66, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld, die zijn vermeld in [bijlage D, tabel IA, kolommen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
1. Als forfaitaire productienormen als bedoeld in [artikel 66, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld, die zijn vermeld in [bijlage D, tabel IA, kolommen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
2. De begripsbepalingen van boerderijmelk, ontvanger van boerderijmelk en leverantie van boerderijmelk, bedoeld in [artikel 1.1 van het Besluit dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032335&artikel=1.1) en de begripsbepaling van melkcontrolestation, bedoeld in [artikel 2.10 van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032462&artikel=2.10), zijn van overeenkomstige toepassing in deze paragraaf.
3. Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in [artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032462&artikel=2.14), en die behoren tot de in [bijlage D, tabel IB, deel 1 of deel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-01-01&g=2021-01-01), onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het eerste lid de normen van toepassing die zijn vermeld in deel 1, kolom C, onderscheidenlijk deel 2 van die tabel.
3. Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in [artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032462&artikel=2.14), en die behoren tot de in [bijlage D, tabel IB, deel 1 of deel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-02-18&g=2021-02-18), onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het eerste lid de normen van toepassing die zijn vermeld in deel 1, kolom C, onderscheidenlijk deel 2 van die tabel.
##### Artikel 74
1. Als forfaitaire productienormen per melkkoe als bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) worden voor de naar de gemiddelde melkproductie en naar het gemiddelde ureumgehalte in de geproduceerde melk onderscheiden melkkoeien vastgesteld de normen die zijn vermeld in [bijlage D, tabellen IIA en IIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
1. Als forfaitaire productienormen per melkkoe als bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) worden voor de naar de gemiddelde melkproductie en naar het gemiddelde ureumgehalte in de geproduceerde melk onderscheiden melkkoeien vastgesteld de normen die zijn vermeld in [bijlage D, tabellen IIA en IIB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
2. De gemiddelde melkproductie per melkkoe, bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66), wordt bepaald door de hoeveelheid in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk te delen door het gemiddeld aantal in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden melkkoeien.
3. De totale hoeveelheid in een kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk en het gemiddelde ureumgehalte, bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66), worden vastgesteld overeenkomstig de [artikelen 75a tot en met 75d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=75a&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
3. De totale hoeveelheid in een kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk en het gemiddelde ureumgehalte, bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66), worden vastgesteld overeenkomstig de [artikelen 75a tot en met 75d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=75a&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
4. In afwijking van het tweede en het derde lid zijn de gemiddelde melkproductie en het gemiddelde ureumgehalte van koemelk van melkkoeien van landbouwers die op het eigen bedrijf geproduceerde melk zelf verwerken tot eindproducten en die minder dan 50 procent van de geproduceerde melk leveren aan een koper als bedoeld in de [Regeling superheffing 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023701), 7.500 kilogram onderscheidenlijk 26 milligram per 100 gram.
@@ -1174,7 +1152,7 @@
2. De bepaling van het gewicht geschiedt rechtstreeks of op zodanige wijze dat daarbij het gewicht van het transportmiddel of van de container buiten beschouwing blijft. Indien de gewichtsbepaling plaatsvindt door weging op een weegbrug wordt per vracht dierlijke meststoffen het gewicht van het geladen transportmiddel verminderd met het gewicht van het ledige transportmiddel zoals dat direct voorafgaande aan het vervoer is bepaald. Indien een vracht dierlijke meststoffen wordt afgevoerd of aangevoerd in een container, kan het gewicht van die meststoffen worden bepaald door het gewicht van de gevulde container te verminderen met het gewicht van de lege container dat eenmalig is bepaald en dat duidelijk zichtbaar en niet verwijderbaar op de container is aangebracht.
3. Het gewicht van een hoeveelheid dierlijke meststoffen die ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2021-01-01&g=2021-01-01) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, wordt in afwijking van het eerste lid bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.
3. Het gewicht van een hoeveelheid dierlijke meststoffen die ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2021-02-18&g=2021-02-18) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, wordt in afwijking van het eerste lid bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.
4. De bepaling van het gewicht van dierlijke meststoffen die van een bedrijf of intermediaire onderneming worden afgevoerd en worden geëxporteerd, geschiedt voorafgaand aan de export.
@@ -1200,79 +1178,79 @@
- b. het verschil in gewicht tussen de grootste en de kleinste vracht bedraagt bij drijfmest ten hoogste tien procent en bij vaste mest ten hoogste twintig procent.
3. Het nemen van een monster uit een hoeveelheid dierlijke meststoffen en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
3. Het nemen van een monster uit een hoeveelheid dierlijke meststoffen en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
##### Artikel 78
De bemonstering van een vracht drijfmest vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van de vervoerder en geschiedt automatisch tijdens het laden van het transportmiddel met behulp van bemonsteringsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
De bemonstering van een vracht drijfmest vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van de vervoerder en geschiedt automatisch tijdens het laden van het transportmiddel met behulp van bemonsteringsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
##### Artikel 79
1. Een uit een vracht drijfmest genomen monster wordt automatisch verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2021-01-01&g=2021-01-01). De verpakking geschiedt met behulp van verpakkingsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
2. Een uit een vracht vaste mest genomen monster wordt door de vervoerder verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
3. In afwijking van het tweede lid, wordt een uit een vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, genomen monster door de monsternemende organisatie verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
1. Een uit een vracht drijfmest genomen monster wordt automatisch verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2021-02-18&g=2021-02-18). De verpakking geschiedt met behulp van verpakkingsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
2. Een uit een vracht vaste mest genomen monster wordt door de vervoerder verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
3. In afwijking van het tweede lid, wordt een uit een vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, genomen monster door de monsternemende organisatie verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
##### Artikel 80
1. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-01-01&g=2021-01-01), stuurt de vervoerder het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen en de afnemer, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toe aan een door de minister erkend laboratorium als bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
2. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), stuurt de vervoerder het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toe aan een door de minister erkend laboratorium als bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
3. De vervoerder, bedoeld in het eerste en tweede lid, bewaart de monsters totdat zij aan het erkend laboratorium, bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), worden toegestuurd zodanig dat zij in goede staat blijven verkeren.
4. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), stuurt de monsternemende organisatie het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, uiterlijk zeven werkdagen na bemonstering toe aan een erkend laboratorium, bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
5. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bewaart de monsternemende organisatie de monsters totdat zij aan een erkend laboratorium, bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), worden toegestuurd zodanig dat zij in goede staat blijven verkeren.
1. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-02-18&g=2021-02-18), stuurt de vervoerder het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen en de afnemer, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toe aan een door de minister erkend laboratorium als bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
2. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), stuurt de vervoerder het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toe aan een door de minister erkend laboratorium als bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
3. De vervoerder, bedoeld in het eerste en tweede lid, bewaart de monsters totdat zij aan het erkend laboratorium, bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), worden toegestuurd zodanig dat zij in goede staat blijven verkeren.
4. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), stuurt de monsternemende organisatie het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, uiterlijk zeven werkdagen na bemonstering toe aan een erkend laboratorium, bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
5. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bewaart de monsternemende organisatie de monsters totdat zij aan een erkend laboratorium, bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), worden toegestuurd zodanig dat zij in goede staat blijven verkeren.
6. Ingeval van bemonstering van een vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, bevindt de plaats waar het genomen monster wordt bewaard zich niet op het terrein of in een opstal van de betrokken leverancier, vervoerder of afnemer van de vracht.
##### Artikel 81
1. Een erkend laboratorium analyseert de monsters uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst en zendt de analyseresultaten uiterlijk vijf werkdagen na analyse aan de vervoerder, de leverancier van meststoffen, de afnemer en elektronisch aan de minister. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), zendt het laboratorium de analyseresultaten aan de leverancier en de afnemer, voor zover deze tijdig bekend is. Indien de afnemer niet tijdig bekend is, zendt de leverancier de analyseresultaten aan de afnemer.
1. Een erkend laboratorium analyseert de monsters uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst en zendt de analyseresultaten uiterlijk vijf werkdagen na analyse aan de vervoerder, de leverancier van meststoffen, de afnemer en elektronisch aan de minister. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), zendt het laboratorium de analyseresultaten aan de leverancier en de afnemer, voor zover deze tijdig bekend is. Indien de afnemer niet tijdig bekend is, zendt de leverancier de analyseresultaten aan de afnemer.
2. Indien bij ontvangst van een toegezonden monster wordt geconstateerd dat de monsterverpakking is beschadigd, rapporteert een erkend laboratorium aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit door middel van een door de minister beschikbaar gesteld middel de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking en het nummer van het op de desbetreffende vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen. Een erkend laboratorium volgt de door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ter zake verstrekte aanwijzingen op.
3. Een erkend laboratorium voldoet aan de eisen van het accreditatieprogramma AP05, dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
3. Een erkend laboratorium voldoet aan de eisen van het accreditatieprogramma AP05, dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
4. Uiterlijk tien werkdagen na verzending van de analyseresultaten door een erkend laboratorium, kan door de betrokkenen heranalyse worden aangevraagd. Er vindt ten hoogste éénmaal een heranalyse plaats die wordt uitgevoerd door het erkende laboratorium dat de analyse heeft uitgevoerd.
5. Indien een erkend laboratorium het fosfaatgehalte of stikstofgehalte van een monster niet kan vaststellen, omdat het monster bij de monsternemende organisatie of na ontvangst door het laboratorium in het ongerede is geraakt, wordt de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) bepaald op basis van de in bijlage I voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
6. Indien een erkend laboratorium bij ontvangst van een toegezonden monster constateert dat het monster niet voldoet aan de eisen van Hoofdstuk 4, paragraaf 4.2 van het Accreditatieprogramma dierlijke mest (AP05), dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) bepaald op basis van de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01) voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
6. Indien een erkend laboratorium bij ontvangst van een toegezonden monster constateert dat het monster niet voldoet aan de eisen van Hoofdstuk 4, paragraaf 4.2 van het Accreditatieprogramma dierlijke mest (AP05), dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) bepaald op basis van de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18) voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
##### Artikel 82
1. In het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde geval:
- a. wordt het gewicht van de hoeveelheid kalvergier in afwijking van [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-01-01&g=2021-01-01), door de afnemer bepaald met behulp van een in de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht apparaat ter bepaling van het volume dat voldoet aan de bij of krachtens de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) gestelde regels, waarbij één kubieke meter kalvergier overeenkomt met 1000 kilogram; en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in zoverre in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-01-01&g=2021-01-01), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-01-01&g=2021-01-01), onderscheidenlijk[79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2021-01-01&g=2021-01-01) door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht automatische bemonsteringsapparatuur waarmee uit het totale van één leverancier aangevoerde volume kalvergier een representatief monster wordt genomen.
2. In het in [artikel 59, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde geval:
- a. wordt het gewicht van de hoeveelheid kalvergier in afwijking van [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-01-01&g=2021-01-01), door de afnemer bepaald met behulp van een op de lokatie van de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht weegwerktuig; en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-01-01&g=2021-01-01), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-01-01&g=2021-01-01), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2021-01-01&g=2021-01-01) door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebrachte automatische bemonsteringsapparatuur en automatische verpakkingsapparatuur als bedoeld in [artikel 78, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-01-01&g=2021-01-01), onderscheidenlijk [artikel 79, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
3. In het [artikel 59b, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde geval:
- a. kan het gewicht van de hoeveelheid dierlijke mest, bedoeld in [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-01-01&g=2021-01-01), door de intermediair ook worden bepaald met behulp van een in de pijpleiding aangebracht apparaat ter bepaling van het volume dat voldoet aan de bij of krachtens de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) gestelde regels, waarbij het gemeten volume naar gewicht omgerekend wordt aan de hand van de dichtheid, en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-01-01&g=2021-01-01), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-01-01&g=2021-01-01), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2021-01-01&g=2021-01-01), door de vervoerder, met behulp van op de pijpleiding aangebrachte automatische bemonsteringsapparatuur, waarmee uit het totale van één leverancier aangevoerde volume drijfmest van maximaal 36 ton dat wordt vervoerd door de pijpleiding, een representatief monster wordt genomen.
4. In het in [artikel 59a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde geval, wordt het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, in afwijking van [artikel 77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bepaald door de leverancier overeenkomstig de voorschriften die zijn verbonden aan de aan hem verleende ontheffing van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
5. [Artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) in samenhang met de [artikelen 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is niet van toepassing op de van een tuincentrum of een hovenier afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen naar een afnemer, niet zijnde een landbouwer of een ondernemer.
1. In het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde geval:
- a. wordt het gewicht van de hoeveelheid kalvergier in afwijking van [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-02-18&g=2021-02-18), door de afnemer bepaald met behulp van een in de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht apparaat ter bepaling van het volume dat voldoet aan de bij of krachtens de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) gestelde regels, waarbij één kubieke meter kalvergier overeenkomt met 1000 kilogram; en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in zoverre in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-02-18&g=2021-02-18), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-02-18&g=2021-02-18), onderscheidenlijk[79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2021-02-18&g=2021-02-18) door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht automatische bemonsteringsapparatuur waarmee uit het totale van één leverancier aangevoerde volume kalvergier een representatief monster wordt genomen.
2. In het in [artikel 59, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde geval:
- a. wordt het gewicht van de hoeveelheid kalvergier in afwijking van [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-02-18&g=2021-02-18), door de afnemer bepaald met behulp van een op de lokatie van de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht weegwerktuig; en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-02-18&g=2021-02-18), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-02-18&g=2021-02-18), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2021-02-18&g=2021-02-18) door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebrachte automatische bemonsteringsapparatuur en automatische verpakkingsapparatuur als bedoeld in [artikel 78, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-02-18&g=2021-02-18), onderscheidenlijk [artikel 79, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
3. In het [artikel 59b, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde geval:
- a. kan het gewicht van de hoeveelheid dierlijke mest, bedoeld in [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-02-18&g=2021-02-18), door de intermediair ook worden bepaald met behulp van een in de pijpleiding aangebracht apparaat ter bepaling van het volume dat voldoet aan de bij of krachtens de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) gestelde regels, waarbij het gemeten volume naar gewicht omgerekend wordt aan de hand van de dichtheid, en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-02-18&g=2021-02-18), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-02-18&g=2021-02-18), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2021-02-18&g=2021-02-18), door de vervoerder, met behulp van op de pijpleiding aangebrachte automatische bemonsteringsapparatuur, waarmee uit het totale van één leverancier aangevoerde volume drijfmest van maximaal 36 ton dat wordt vervoerd door de pijpleiding, een representatief monster wordt genomen.
4. In het in [artikel 59a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde geval, wordt het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, in afwijking van [artikel 77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bepaald door de leverancier overeenkomstig de voorschriften die zijn verbonden aan de aan hem verleende ontheffing van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
5. [Artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) in samenhang met de [artikelen 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is niet van toepassing op de van een tuincentrum of een hovenier afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen naar een afnemer, niet zijnde een landbouwer of een ondernemer.
##### Artikel 83
Indien een vracht bestaat uit mestkorrels, geldt dat het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, in afwijking van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-01-01&g=2021-01-01), onderscheidenlijk [77, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt bepaald op basis van het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals dat is vermeld op de verpakking van de mestkorrels of het begeleidende document bij de mestkorrels.
Indien een vracht bestaat uit mestkorrels, geldt dat het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, in afwijking van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-02-18&g=2021-02-18), onderscheidenlijk [77, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt bepaald op basis van het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals dat is vermeld op de verpakking van de mestkorrels of het begeleidende document bij de mestkorrels.
##### Artikel 84
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kunnen de in een kalenderjaar van het bedrijf afgevoerde dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01) voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kunnen de in een kalenderjaar van het bedrijf afgevoerde dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18) voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. het product van enerzijds het aantal hectaren landbouwgrond dat in dat kalenderjaar tot het bedrijf waarvan de meststoffen afkomstig zijn behoort en anderzijds het per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens [artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11), in de vorm van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm, bedraagt in de jaren 2011, 2012 en 2013 ten minste 80 procent en in de jaren 2014 en volgende ten minste 75 procent van de totale hoeveelheid op dat bedrijf in dat kalenderjaar geproduceerde dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat;
@@ -1284,7 +1262,7 @@
##### Artikel 85
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel dat voor de duur van ten hoogste één jaar in gebruik is gegeven aan een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel dat voor de duur van ten hoogste één jaar in gebruik is gegeven aan een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar de uit gebruik gegeven percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van enerzijds het aantal hectaren landbouwgrond dat in dat kalenderjaar uit gebruik is gegeven en anderzijds het per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens [artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11), in de vorm van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
@@ -1292,23 +1270,23 @@
- c. het perceel behoorde de voorafgaande twee jaren tot het bedrijf waarvan de dierlijke meststoffen afkomstig zijn;
- d. het perceel is overeenkomstig [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2021-01-01&g=2021-01-01) aangemeld als behorend tot het bedrijf dat het perceel tijdelijk in gebruik heeft; en
- d. het perceel is overeenkomstig [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2021-02-18&g=2021-02-18) aangemeld als behorend tot het bedrijf dat het perceel tijdelijk in gebruik heeft; en
- e. de overeenkomst tot ingebruikgeving is schriftelijk aangegaan.
##### Artikel 86
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een afnemer, die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een afnemer, die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar afnemers die geen bedrijf of onderneming voeren wordt afgevoerd bedraagt ten hoogste 250 kilogram fosfaat; en
- b. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar een afnemer die geen bedrijf of onderneming voert wordt afgevoerd bedraagt ten hoogste 20 kilogram fosfaat per afnemer.
2. Indien vaste dierlijke meststoffen van een intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een afnemer die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de voorwaarde dat de totale hoeveelheid vaste dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar een dergelijke afnemer wordt afgevoerd ten hoogste 20 kilogram fosfaat per afnemer bedraagt.
2. Indien vaste dierlijke meststoffen van een intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een afnemer die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de voorwaarde dat de totale hoeveelheid vaste dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar een dergelijke afnemer wordt afgevoerd ten hoogste 20 kilogram fosfaat per afnemer bedraagt.
##### Artikel 87
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel landbouwgrond dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of in België, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel landbouwgrond dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of in België, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar de in het eerste lid bedoelde percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal hectaren in Duitsland of in België gelegen landbouwgrond en het indien de landbouwgrond in Nederland zou zijn gelegen per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens [artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11), in de vorm van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
@@ -1322,7 +1300,7 @@
- f. indien het perceel in Duitsland is gelegen, behoort dit perceel ingevolge eigendom of ingevolge een in Duitsland geregistreerde pachtovereenkomst toe aan het bedrijf.
2. Indien dierlijke meststoffen worden afgevoerd van een bedrijf dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of België, naar een perceel landbouwgrond dat is gelegen in Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
2. Indien dierlijke meststoffen worden afgevoerd van een bedrijf dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of België, naar een perceel landbouwgrond dat is gelegen in Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar de in de aanhef van dit lid bedoelde percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal hectaren van die percelen en het bij of krachtens [artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11), in de vorm van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
@@ -1336,25 +1314,25 @@
##### Artikel 88
Indien dierlijke meststoffen afkomstig van konijnen, met een drogestofgehalte van ten hoogste 2,5 procent naar of van een bedrijf of onderneming worden aangevoerd, onderscheidenlijk worden afgevoerd, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
Indien dierlijke meststoffen afkomstig van konijnen, met een drogestofgehalte van ten hoogste 2,5 procent naar of van een bedrijf of onderneming worden aangevoerd, onderscheidenlijk worden afgevoerd, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
##### Artikel 89
1. Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony's van een bedrijf worden afgevoerd naar een intermediaire onderneming waar tussenopslag van maximaal 48 uur van deze meststoffen plaatsvindt voordat deze meststoffen worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van dat substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde dierlijke meststoffen die in tussenopslag hebben gelegen van de intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van het in het eerst lid bedoelde substraat of grondstof, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
3. Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony's van een bedrijf worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
4. Indien het in het derde lid bedoelde substraat van een onderneming of een bedrijf wordt afgevoerd naar een bedrijf waar dit substraat wordt gebruikt voor de teelt van champignons, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
5. Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
6. Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt overgebracht uit Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
1. Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony's van een bedrijf worden afgevoerd naar een intermediaire onderneming waar tussenopslag van maximaal 48 uur van deze meststoffen plaatsvindt voordat deze meststoffen worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van dat substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde dierlijke meststoffen die in tussenopslag hebben gelegen van de intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van het in het eerst lid bedoelde substraat of grondstof, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
3. Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony's van een bedrijf worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
4. Indien het in het derde lid bedoelde substraat van een onderneming of een bedrijf wordt afgevoerd naar een bedrijf waar dit substraat wordt gebruikt voor de teelt van champignons, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
5. Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
6. Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt overgebracht uit Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
##### Artikel 90
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf als bedoeld in [artikel 43, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2021-01-01&g=2021-01-01), worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf als bedoeld in [artikel 43, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2021-02-18&g=2021-02-18), worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de hoeveelheid dierlijke meststoffen is afkomstig van de op het bedrijf gehouden, dan wel anderszins aanwezige dieren;
@@ -1364,7 +1342,7 @@
##### Artikel 91
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een natuurterrein of overige grond als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel d, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=1), waarvan de desbetreffende landbouwer het exclusieve gebruiksrecht heeft, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een natuurterrein of overige grond als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel d, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=1), waarvan de desbetreffende landbouwer het exclusieve gebruiksrecht heeft, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar het natuurterrein wordt afgevoerd, bedraagt uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal hectaren natuurterrein en de hoeveelheid fosfaat die ingevolge [artikel 2, derde en vierde lid, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=2) per hectare van dat natuurterrein mag worden gebruikt; en
@@ -1376,13 +1354,13 @@
1. Het gewicht van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde, de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), wordt door de vervoerder van de desbetreffende meststoffen bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig.
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, afgevoerde, of de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komt overeen met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals dat voor de hoeveelheid zuiveringsslib of compost waaruit de desbetreffende vracht afkomstig is, overeenkomstig de [artikelen 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-01-01&g=2021-01-01) is vastgesteld.
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, afgevoerde, of de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komt overeen met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals dat voor de hoeveelheid zuiveringsslib of compost waaruit de desbetreffende vracht afkomstig is, overeenkomstig de [artikelen 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-02-18&g=2021-02-18) is vastgesteld.
##### Artikel 93
1. Het gewicht van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde, de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig.
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde of de op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2021-01-01&g=2021-01-01) door bemonstering en analyse.
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde of de op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2021-02-18&g=2021-02-18) door bemonstering en analyse.
3. In voorkomend geval geldt dat het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, van de in eerste en tweede lid bedoelde meststoffen overeenkomen met het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende meststoffen.
@@ -1396,7 +1374,7 @@
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 68, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een intermediaire onderneming opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 68, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komt overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-01-01&g=2021-01-01), genoemde formulier, respectievelijk in [artikel 46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-01-01&g=2021-01-01), genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een intermediaire onderneming opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 68, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komt overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-02-18&g=2021-02-18), genoemde formulier, respectievelijk in [artikel 46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-02-18&g=2021-02-18), genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
4. Onverminderd het eerste tot en met het derde lid, is de aan het begin van het kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, gelijk aan de aan het einde van het voorafgaande kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen.
@@ -1406,7 +1384,7 @@
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, vierde en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) worden bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld opgeslagen hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komen overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of [artikel 51, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld opgeslagen hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komen overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-02-18&g=2021-02-18), of [artikel 51, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
4. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf of een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld opgeslagen meststoffen anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, vierde en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komen overeen met het gewicht onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende meststoffen. Ingeval van bulkopslag van de desbetreffende meststoffen wordt het gewicht bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze meststoffen
@@ -1416,9 +1394,9 @@
##### Artikel 96
1. Als forfaitaire stikstofgehalten als bedoeld in [artikel 67, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) worden vastgesteld de gehalten, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, die in [bijlage D, tabel IA, kolom D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën en toegepaste huisvestingssysteem zijn vermeld.
2. Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in [artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032462&artikel=2.14), en die behoren tot de in [bijlage D, tabel IB, deel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-01-01&g=2021-01-01), onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het eerste lid de normen van toepassing die zijn vermeld in kolom D van die tabel.
1. Als forfaitaire stikstofgehalten als bedoeld in [artikel 67, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) worden vastgesteld de gehalten, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, die in [bijlage D, tabel IA, kolom D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën en toegepaste huisvestingssysteem zijn vermeld.
2. Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in [artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032462&artikel=2.14), en die behoren tot de in [bijlage D, tabel IB, deel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-02-18&g=2021-02-18), onderscheiden categorieën dieren, zijn in afwijking van het eerste lid de normen van toepassing die zijn vermeld in kolom D van die tabel.
#### § 3. Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost
@@ -1428,15 +1406,15 @@
- a. bepaalt het gewicht van de desbetreffende hoeveelheid diervoeders door middel van weging met behulp van een weegwerktuig; en
- b. stelt het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en indien van toepassing het droge stofgehalte in de desbetreffende hoeveelheid diervoeders vast overeenkomstig [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
2. Indien het ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2021-01-01&g=2021-01-01) betreft, kunnen in afwijking van het eerste lid, het gewicht worden bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders en kunnen als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
- b. stelt het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en indien van toepassing het droge stofgehalte in de desbetreffende hoeveelheid diervoeders vast overeenkomstig [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
2. Indien het ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2021-02-18&g=2021-02-18) betreft, kunnen in afwijking van het eerste lid, het gewicht worden bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders en kunnen als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
##### Artikel 98
1. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in diervoeders met een vochtgehalte groter dan veertien procent wordt vastgesteld overeenkomstig het protocol, opgenomen in [bijlage K, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=K&z=2021-01-01&g=2021-01-01), op basis van:
- a. de resultaten van de overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in [bijlage K, onderdeel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=K&z=2021-01-01&g=2021-01-01), uitgevoerde bemonstering en analyse van de diervoeders; of
1. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in diervoeders met een vochtgehalte groter dan veertien procent wordt vastgesteld overeenkomstig het protocol, opgenomen in [bijlage K, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=K&z=2021-02-18&g=2021-02-18), op basis van:
- a. de resultaten van de overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in [bijlage K, onderdeel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=K&z=2021-02-18&g=2021-02-18), uitgevoerde bemonstering en analyse van de diervoeders; of
- b. indien het mengvoeders betreft, de berekeningen uitgaande van de bekende gehalten van de nutriënten in de grondstoffen waaruit de diervoeders zijn bereid en het aandeel van deze stoffen in het eindproduct en rekening houdend met de aard van het productieproces.
@@ -1452,13 +1430,13 @@
5. Het resultaat van de analyse wordt door het laboratorium beoordeeld in het licht van de herhaalbaarheid, aangegeven in de betreffende analysemethode. Indien de norm voor herhaalbaarheid wordt overschreden, voert het laboratorium een herhalingsonderzoek op het monster uit.
6. Het laboratorium zendt de resultaten van de analyse binnen één week na ontvangst van het monster naar de ondernemer, bedoeld in [artikel 97, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
6. Het laboratorium zendt de resultaten van de analyse binnen één week na ontvangst van het monster naar de ondernemer, bedoeld in [artikel 97, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
##### Artikel 99
1. De ondernemer, bedoeld in [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2021-01-01&g=2021-01-01), vermeldt bij aflevering van diervoeders aan een bedrijf op het etiket of het begeleidend document:
- a. het overeenkomstig [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2021-01-01&g=2021-01-01) in samenhang met [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2021-01-01&g=2021-01-01) vastgestelde stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het product;
1. De ondernemer, bedoeld in [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2021-02-18&g=2021-02-18), vermeldt bij aflevering van diervoeders aan een bedrijf op het etiket of het begeleidend document:
- a. het overeenkomstig [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2021-02-18&g=2021-02-18) in samenhang met [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2021-02-18&g=2021-02-18) vastgestelde stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het product;
- b. voor diervoeder met een vochtgehalte groter dan veertien procent, het droge stofgehalte dan wel het vochtgehalte en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de droge stof van het desbetreffende diervoeder;
@@ -1478,27 +1456,27 @@
##### Artikel 100
Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden diervoeders, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), anders dan ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2021-01-01&g=2021-01-01), komen overeen met het gewicht onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende diervoeders, bedoeld in [artikel 99, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2021-01-01&g=2021-01-01), dan wel met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals deze ingevolge [artikel 99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2021-01-01&g=2021-01-01), schriftelijk zijn verstrekt. Ingeval van bulkopslag van de desbetreffende diervoeders wordt het gewicht van de aanwezige voorraden diervoeders bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders.
Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden diervoeders, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), anders dan ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2021-02-18&g=2021-02-18), komen overeen met het gewicht onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende diervoeders, bedoeld in [artikel 99, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2021-02-18&g=2021-02-18), dan wel met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals deze ingevolge [artikel 99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2021-02-18&g=2021-02-18), schriftelijk zijn verstrekt. Ingeval van bulkopslag van de desbetreffende diervoeders wordt het gewicht van de aanwezige voorraden diervoeders bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders.
##### Artikel 101
1. Het gewicht van het in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) bedoelde op een bedrijf aan- of afgevoerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig, dan wel door middel van meting van het volume en het soortelijk gewicht.
2. Als het gewicht per hectare van het in [artikel 67, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) bedoelde op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt vastgesteld het gewicht dat voor de onderscheiden soorten ruwvoer en enkelvoudig diervoer in die bijlage is vermeld.
3. Als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), en het op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in[artikel 67, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
1. Het gewicht van het in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) bedoelde op een bedrijf aan- of afgevoerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig, dan wel door middel van meting van het volume en het soortelijk gewicht.
2. Als het gewicht per hectare van het in [artikel 67, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) bedoelde op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt vastgesteld het gewicht dat voor de onderscheiden soorten ruwvoer en enkelvoudig diervoer in die bijlage is vermeld.
3. Als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), en het op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in[artikel 67, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
#### § 1. Mestproductie
##### Artikel 102
1. Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier of per kilogram levend gewicht als bedoeld in [artikel 67, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in [bijlage D, tabel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
1. Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier of per kilogram levend gewicht als bedoeld in [artikel 67, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in [bijlage D, tabel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
2. De bepaling van de hoeveelheden stikstof en fosfaat in staldieren, bedoeld in [artikel 67, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), wordt gebaseerd op de in het eerste lid bedoelde forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per kilogram levend gewicht. Ingeval van een dier geen gegevens over het gewicht beschikbaar zijn, worden de hoeveelheden stikstof en fosfaat in dat dier bepaald op basis van de in het eerste lid bedoelde forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier.
##### Artikel 103
Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per kilogram eieren als bedoeld in [artikel 67, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67)worden voor de onderscheiden soorten eieren vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in [bijlage D, tabel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per kilogram eieren als bedoeld in [artikel 67, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67)worden voor de onderscheiden soorten eieren vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in [bijlage D, tabel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht
@@ -1538,7 +1516,7 @@
##### Artikel 105
1. Alvorens de minister een kennisgeving van overgang in behandeling neemt, doet hij van deze kennisgeving schriftelijk mededeling aan iedere hypotheekhouder die het bedrijf van de vervreemder van het productierecht bij de minister voor de toepassing van deze paragraaf ter registratie heeft aangemeld, indien overeenkomstig [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=106&z=2021-01-01&g=2021-01-01), registratie door de minister daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De minister neemt de kennisgeving van overgang niet in behandeling gedurende 30 dagen na dagtekening van deze mededeling.
1. Alvorens de minister een kennisgeving van overgang in behandeling neemt, doet hij van deze kennisgeving schriftelijk mededeling aan iedere hypotheekhouder die het bedrijf van de vervreemder van het productierecht bij de minister voor de toepassing van deze paragraaf ter registratie heeft aangemeld, indien overeenkomstig [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=106&z=2021-02-18&g=2021-02-18), registratie door de minister daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De minister neemt de kennisgeving van overgang niet in behandeling gedurende 30 dagen na dagtekening van deze mededeling.
2. De termijn van 30 dagen wordt verlengd tot negentig dagen na dagtekening van de mededeling, indien een hypotheekhouder binnen de termijn van 30 dagen een verzoek bij de minister indient.
@@ -1554,7 +1532,7 @@
##### Artikel 106
1. De aanmelding ter registratie, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2021-01-01&g=2021-01-01), geschiedt bij de minister.
1. De aanmelding ter registratie, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2021-02-18&g=2021-02-18), geschiedt bij de minister.
2. Bij de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
@@ -1568,13 +1546,13 @@
##### Artikel 107
1. Indien de aanmelding, bedoeld in [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=106&z=2021-01-01&g=2021-01-01), niet voor akkoord is medeondertekend door degene op wiens bedrijf de aanmelding betrekking heeft, wordt het bedrijf slechts geregistreerd, indien de hypotheekhouder bij het verzoek tevens een uittreksel van het in [artikel 260, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=260) bedoelde openbare register overlegt, waaruit blijkt op welke registergoederen behorend tot het bedrijf een hypotheekrecht is gevestigd.
2. De minister doet van de registratie, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk mededeling aan degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft. Indien deze binnen 30 dagen na dagtekening van deze mededeling aan de minister verklaart dat de geregistreerde gegevens niet juist zijn, gelden in plaats van [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2021-01-01&g=2021-01-01) de volgende leden.
1. Indien de aanmelding, bedoeld in [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=106&z=2021-02-18&g=2021-02-18), niet voor akkoord is medeondertekend door degene op wiens bedrijf de aanmelding betrekking heeft, wordt het bedrijf slechts geregistreerd, indien de hypotheekhouder bij het verzoek tevens een uittreksel van het in [artikel 260, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=260) bedoelde openbare register overlegt, waaruit blijkt op welke registergoederen behorend tot het bedrijf een hypotheekrecht is gevestigd.
2. De minister doet van de registratie, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk mededeling aan degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft. Indien deze binnen 30 dagen na dagtekening van deze mededeling aan de minister verklaart dat de geregistreerde gegevens niet juist zijn, gelden in plaats van [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2021-02-18&g=2021-02-18) de volgende leden.
3. De minister neemt een kennisgeving van overgang, gedaan door degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft, niet in behandeling zolang de hypotheekhouder de registratie niet laat doorhalen, doch hoogstens gedurende negentig dagen na dagtekening van de schriftelijke mededeling, bedoeld in het tweede lid.
4. De termijn, bedoeld in het derde lid, wordt eenmalig met negentig dagen verlengd indien de hypotheekhouder daartoe binnen de eerstgenoemde termijn een verzoek doet aan de minister, onder gelijktijdige overlegging van een rechterlijke uitspraak of een verklaring van een notaris als bedoeld in [artikel 105, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
4. De termijn, bedoeld in het derde lid, wordt eenmalig met negentig dagen verlengd indien de hypotheekhouder daartoe binnen de eerstgenoemde termijn een verzoek doet aan de minister, onder gelijktijdige overlegging van een rechterlijke uitspraak of een verklaring van een notaris als bedoeld in [artikel 105, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
5. De registratie wordt doorgehaald na afloop van de in het derde, dan wel in voorkomend geval in het vierde lid bedoelde termijn.
@@ -1598,9 +1576,9 @@
- b. gegevens over het aantal varkenseenheden, onderscheidenlijk pluimvee-eenheden, of kilogrammen fosfaat waarop de kennisgeving betrekking heeft;
- c. de dagtekening van de mededeling, bedoeld in [artikel 107, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=107&z=2021-01-01&g=2021-01-01); en
- d. de indiening of het achterwege blijven van de verklaring bedoeld in [artikel 107, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=107&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
- c. de dagtekening van de mededeling, bedoeld in [artikel 107, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=107&z=2021-02-18&g=2021-02-18); en
- d. de indiening of het achterwege blijven van de verklaring bedoeld in [artikel 107, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=107&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
#### § 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen
@@ -1618,9 +1596,9 @@
##### Artikel 111
1. Een kennisgeving van overgang, bedoeld in [artikel 104, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=1&artikel=104&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt eerst geregistreerd nadat de verwerver een bedrag van € 100 aan de minister heeft voldaan.
2. Een aanmelding ter registratie, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt voor de toepassing van [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&z=2021-01-01&g=2021-01-01) eerst in behandeling genomen nadat een bedrag van € 35 aan de minister is voldaan.
1. Een kennisgeving van overgang, bedoeld in [artikel 104, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=1&artikel=104&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt eerst geregistreerd nadat de verwerver een bedrag van € 100 aan de minister heeft voldaan.
2. Een aanmelding ter registratie, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt voor de toepassing van [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&z=2021-02-18&g=2021-02-18) eerst in behandeling genomen nadat een bedrag van € 35 aan de minister is voldaan.
3. Indien de minister op grond van [artikel 29, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=29) niet tot registratie overgaat, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, aan de betaler gerestitueerd.
@@ -1658,21 +1636,21 @@
1. Een aanvraag voor ontheffing wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
2. Indien een aanvraag als bedoeld in [artikel 114, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=114&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt ingediend en de aanvrager met een stalcertificaat als bedoeld in [artikel 117, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=117&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wil aantonen dat de varkens of het pluimvee waarop de uitbreiding betrekking heeft in een integraal duurzame stal worden gehouden, gaat de aanvraag vergezeld van een kopie van dat stalcertificaat.
2. Indien een aanvraag als bedoeld in [artikel 114, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=114&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt ingediend en de aanvrager met een stalcertificaat als bedoeld in [artikel 117, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=117&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wil aantonen dat de varkens of het pluimvee waarop de uitbreiding betrekking heeft in een integraal duurzame stal worden gehouden, gaat de aanvraag vergezeld van een kopie van dat stalcertificaat.
##### Artikel 116
1. De minister verdeelt het aantal beschikbare varkenseenheden in de volgorde van rangschikking, waarbij de aanvragen, bedoeld in [artikel 114, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=114&z=2021-01-01&g=2021-01-01), hoger worden gerangschikt dan de aanvragen, bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel b.
2. Indien er meer aanvragen voor varkenseenheden worden ingediend dan het aantal, genoemd in [artikel 113, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=113&z=2021-01-01&g=2021-01-01), verdeelt de minister het aantal beschikbare varkenseenheden door middel van loting tussen de aanvragen die op grond van de rangschikking voor verdeling in aanmerking komen.
3. De minister verdeelt het aantal beschikbare pluimvee-eenheden in de volgorde van rangschikking, waarbij de aanvragen, bedoeld in [artikel 114, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=114&z=2021-01-01&g=2021-01-01), hoger worden gerangschikt dan de aanvragen, bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel b.
4. Indien er meer aanvragen voor pluimvee-eenheden worden ingediend dan het aantal, genoemd in [artikel 113, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=113&z=2021-01-01&g=2021-01-01), verdeelt de minister het aantal beschikbare pluimvee-eenheden door middel van loting tussen de aanvragen die op grond van de rangschikking voor verdeling in aanmerking komen.
1. De minister verdeelt het aantal beschikbare varkenseenheden in de volgorde van rangschikking, waarbij de aanvragen, bedoeld in [artikel 114, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=114&z=2021-02-18&g=2021-02-18), hoger worden gerangschikt dan de aanvragen, bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel b.
2. Indien er meer aanvragen voor varkenseenheden worden ingediend dan het aantal, genoemd in [artikel 113, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=113&z=2021-02-18&g=2021-02-18), verdeelt de minister het aantal beschikbare varkenseenheden door middel van loting tussen de aanvragen die op grond van de rangschikking voor verdeling in aanmerking komen.
3. De minister verdeelt het aantal beschikbare pluimvee-eenheden in de volgorde van rangschikking, waarbij de aanvragen, bedoeld in [artikel 114, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=114&z=2021-02-18&g=2021-02-18), hoger worden gerangschikt dan de aanvragen, bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel b.
4. Indien er meer aanvragen voor pluimvee-eenheden worden ingediend dan het aantal, genoemd in [artikel 113, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=113&z=2021-02-18&g=2021-02-18), verdeelt de minister het aantal beschikbare pluimvee-eenheden door middel van loting tussen de aanvragen die op grond van de rangschikking voor verdeling in aanmerking komen.
##### Artikel 117
1. De aanvrager die een aanvraag als bedoeld in [artikel 114, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=114&z=2021-01-01&g=2021-01-01), heeft ingediend, houdt de varkens of het pluimvee waarop de uitbreiding betrekking heeft in een integraal duurzame stal.
1. De aanvrager die een aanvraag als bedoeld in [artikel 114, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=114&z=2021-02-18&g=2021-02-18), heeft ingediend, houdt de varkens of het pluimvee waarop de uitbreiding betrekking heeft in een integraal duurzame stal.
2. De aanvrager kan aantonen dat hij beschikt over een integraal duurzame stal indien hij beschikt over:
@@ -1702,11 +1680,11 @@
##### Artikel 121
1. Op ontheffingen die op grond van [artikel 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=112&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet zijn verleend voor de datum waarop deze regeling in werking treedt, blijft paragraaf 5 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, zoals deze luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze regeling van toepassing.
2. De landbouwer aan wie ontheffing op grond van [artikel 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=112&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffen wet is verleend voor de datum waarop deze regeling in werking treedt, voldoet tevens aan de voorwaarden van paragraaf 5 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet indien hij 100% van de hoeveelheid dierlijke meststoffen van zijn bedrijfsoverschot overeenkomstig [artikel 33a, derde lid, onderdeel a of b, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=33a) laat verwerken.
3. In afwijking van [artikel 119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=119&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze regeling, vervallen de ontheffingen, bedoeld in het eerste lid, op 1 januari 2018.
1. Op ontheffingen die op grond van [artikel 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=112&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet zijn verleend voor de datum waarop deze regeling in werking treedt, blijft paragraaf 5 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, zoals deze luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze regeling van toepassing.
2. De landbouwer aan wie ontheffing op grond van [artikel 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=112&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffen wet is verleend voor de datum waarop deze regeling in werking treedt, voldoet tevens aan de voorwaarden van paragraaf 5 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet indien hij 100% van de hoeveelheid dierlijke meststoffen van zijn bedrijfsoverschot overeenkomstig [artikel 33a, derde lid, onderdeel a of b, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=33a) laat verwerken.
3. In afwijking van [artikel 119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=119&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze regeling, vervallen de ontheffingen, bedoeld in het eerste lid, op 1 januari 2018.
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
@@ -2840,30 +2818,30 @@
### Onderdeel I. Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
Voor de bemonstering van een perceel landbouwgrond dan wel gewasperceel dienen de volgende stappen uitgevoerd te worden. Markeer de vormbepalende hoekpunten en leg met een Global Positioning System (GPS) de omvang en vorm van het perceel vast. Bij niet rechthoekige percelen dienen zoveel extra punten meegenomen te worden dat de contouren van het perceel vastgelegd zijn. De afwijking van de GPS mag niet groter zijn dan 5 meter. De bemestingsvrije zones dienen bij deze bepaling niet meegenomen te worden. Indien het perceel verdeeld is onder meerdere gebruikers, dan wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd.
Voor de bemonstering van een perceel landbouwgrond dan wel gewasperceel dienen de volgende stappen uitgevoerd te worden. Markeer de vormbepalende hoekpunten en leg met een Global Positioning System (GPS) de omvang en vorm van het perceel vast. Bij niet rechthoekige percelen dienen zoveel extra punten meegenomen te worden dat de contouren van het perceel vastgelegd zijn. De afwijking van de GPS mag niet groter zijn dan 5 meter. De bemestingsvrije zones dienen bij deze bepaling niet meegenomen te worden. Indien het perceel verdeeld is onder meerdere gebruikers, dan wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd.
2 Behorende bij [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
3 Behorende bij de [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Met betrekking tot artikel 73 alleen relevant voor de graasdieren en daarmee niet van toepassing op diercategorieën die vallen onder de staldieren.
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
Tabel 1: Het benodigd aantal bemonsterpunten gerelateerd aan het areaal van het perceel landbouwgrond.
5 Behorende bij [artikel 96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=5&artikel=96&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
Selecteer per blok volledig aselect met behulp van het software programma één bemonsteringspunt. Lokaliseer deze punten met GPS. Indien een gelokaliseerd bemonsteringspunt buiten het perceel valt, bemonster dan het meest dichtbij gelegen punt binnen het perceel.
Selecteer een geschikte boor (steekguts of edelmanboor2NEN 5741 (2003), Bodem – Boorsystemen en monsternemingstoestellen voor grond, sediment, grondwater, die worden toegepast bij bodemverontreinigingsonderzoek. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft. ) om de grondmonstername mee uit te voeren. De te gebruiken boor dient grondig gereinigd te zijn alvorens deze wordt gebruikt. Grondresten van een ander perceel dienen afwezig te zijn.
Bemonster met een geschikte boor grond tot 10 centimeter diepte op zowel grasland als bouwland dan wel tot 25 centimeter diepte op bouwland. Tot de aangegeven diepte dient de boor volledig met grond gevuld te zijn. Mijd bij bemonstering meststofresten.
De stikstofexcreties van staldieren moeten berekend worden conform de stalbalans. In deze tabel zijn voor staldieren wel excretieforfaits opgenomen als hulpmiddel om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
In deel 2 van deze tabel wordt verstaan onder:
Trek de boor met grond uit de bodem en breng met behulp van de bijbehorende duimspatel de grond over in een stevige plastic zak of papieren zak met polyethyleen bekleding. Verzamel op deze wijze grond op alle bemonsteringspunten (zie tabel 1) en breng dit samen in een zak. De booromvang dient zo groot te zijn dat het mengmonster minimaal 0,5 kilogram weegt. Op alle bemonsteringspunten dient een gelijke hoeveelheid grond te worden verzameld.
Eventueel wordt op een bemonsteringspunt tweemaal een monster gestoken om de minimale hoeveelheid grond te verzamelen, maar dit dient dan op alle bemonsteringspunten te gebeuren.
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N resp. kg P2O5 per jaar), in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.
Breng het monster over naar het laboratorium voor verdere behandeling. Droog het grondmonster binnen drie dagen. Indien drogen van het mengmonster binnen de genoemde termijn niet mogelijk is dient het grondmonster in een niet-luchtdicht afgesloten plastic zak bij 5°C ± 3°C in het donker bewaard te worden. Het monster mag maximaal drie maanden worden bewaard. Indien het monster niet binnen deze drie maanden geanalyseerd wordt, dient een nieuw (meng)monster genomen te worden.
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N respectievelijk kg P2O5 per jaar) in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.
Behandel het grondmonster voor volgens de norm NEN 5709. De voorbehandeling resulteert na drogen bij 40°C ± 2°C en breken van de grond in deeltjes kleiner dan 2 mm (D95 < 2 mm). Verdere verkleining van de deeltjesgrootte van 2 mm tot fijnere fracties dient zoveel mogelijk te worden voorkomen.
Behandel het grondmonster voor volgens de norm NEN 5709. De voorbehandeling resulteert na drogen bij 40°C ± 2°C en breken van de grond in deeltjes kleiner dan 2 mm (D95 < 2 mm). Verdere verkleining van de deeltjesgrootte van 2 mm tot fijnere fracties dient zoveel mogelijk te worden voorkomen.
Het mengmonster wordt volgens de voorgeschreven methoden van grondonderzoek (zie onderdeel II en III) voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal (voor grasland) of het Pw-getal (voor bouwland). Het gemiddelde van de duplo bepalingen is de uitslag van de test. Een heranalyse van het geanalyseerde grondmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw grondmonster gestoken te worden. Het genomen grondmonster dient door het laboratorium minimaal 2 jaar na de analyse bewaard te worden.
Het mengmonster wordt volgens de voorgeschreven methoden van grondonderzoek (zie onderdeel II en III) voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal (voor grasland) of het Pw-getal (voor bouwland). Het gemiddelde van de duplo bepalingen is de uitslag van de test. Een heranalyse van het geanalyseerde grondmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw grondmonster gestoken te worden. Het genomen grondmonster dient door het laboratorium minimaal 2 jaar na de analyse bewaard te worden.
@@ -2872,7 +2850,7 @@
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing met een pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauwmethode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing met een pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauwmethode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
Bij de bepaling van het PAL-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p.19–22.
@@ -2894,7 +2872,7 @@
Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.
### 2.6. Extractievloeistof
### 1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur
Stel de gevonden normaliteit van de ijsazijn = b.
@@ -2904,7 +2882,7 @@
Breng voor het bereiden van de moederoplossing de genoemde vloeistoffen respectievelijk 10000/a milliliter ‘verdund melkzuur’, 40000/b milliliter ijsazijn en 10000/c milliliter geconcentreerde ammonia in een fles van 10 liter, waarin zich circa 3 liter water bevindt. Meng, koel af aan de lucht, vul met water aan tot 10 liter en meng weer.
### 2.6. Extractievloeistof
### 6. Versturen van mesttransportgegevens
Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.
@@ -2912,9 +2890,9 @@
De volgende drie oplossingen dienen samengesteld te worden. De oplossingen zijn nodig voor de bepaling van het fosfaatgehalte.
### Oplossing I.
Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.
### 1. Inleiding
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de Minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
## Bijlage D. Diergebonden normen
@@ -2922,13 +2900,13 @@
Oplossing III.
### 2.7. Standaardoplossing.
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter= 1 milligram fosfaat (P2O5).
### 2.1. Algemene eisen
Het accreditatieprogramma voor monsternemende organisatie wordt aangeduid als AP06. Dit AP06 beschrijft een set van verrichtingen die valt onder de scope van de accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 òf onder de scope van de accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020.
### 2.8 Verdunde standaardoplossing.
Verdun de standaardoplossing 20 keer. Pipetteer hiervoor 50 milliliter standaardoplossing in een maatkolf van 1 liter. Vul aan met water tot de maatstreep en meng. Conserveer met enkele druppels koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 0,05 milligram P2O5. Bewaar de standaardoplossing in de koelkast.
NEN-EN-ISO/IEC 17025
### 3. Werkwijze
@@ -2940,114 +2918,114 @@
### 3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
Indien AP06 wordt gewijzigd, wordt in overleg tussen RvA en LNV bepaald binnen welke termijn de geaccrediteerde organisaties zich daaraan dienen te conformeren. De verantwoordelijkheid voor het nemen van initiatieven met betrekking tot onderzoek door de RvA ligt bij de monsternemende organisatie.
### 4. Berekening
### Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2013-07-25&g=2013-07-25) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2013-07-25&g=2013-07-25)
### 2.2. Toetredingsprocedure
### 4. Berekening
Vul een buret met de verdunde standaardoplossing. Laat hieruit in maatkolfjes van 100 milliliter respectievelijk 0, 2, 4, 6, 8, 10, 20 en 30 milliliter vloeien. Deze reeks bevat dan respectievelijk 0; 0,1; 0,2; 0,3; 0,4; 0,5; 1,0 en 1,5 milligram P2O5. Vul het volume aan met water tot circa 40 milliliter. Voeg vervolgens 10 milliliter toe van oplossing I, zwenk om, voeg daarna 10 milliliter van oplossing II toe, zwenk weer om en voeg na 20 minuten wachten 20 milliliter van oplossing III toe. Zwenk om, vul aan met water tot de maatstreep en meng. Meet de extinctie in een cuvet van 10 millimeter in de spectrofotometer bij een golflengte van 735 nanometer. Bereken de ijkfactor door de som van de P2O5 dosering van de reeks 4,0 milligram P2O5 te delen door de som van de netto-extincties (dit zijn de extincties die verminderd zijn met de extinctie van de 0-proef van de reeks). De waarde van de ijkfactor bedraagt ongeveer 1,90.
De bepaling van het fosforgehalte in het waterig extract kan ook uitgevoerd worden door middel van een spectrofotometrische bepaling in een doorstroomanalysesysteem bij toepassing van een identieke molybdeenblauwkleuring.
Als Ea de extinctie is, gemeten voor het monster, Eb die van de blanco-bepaling dan wordt de berekening als volgt:
Als aangetoond is dat aan de eisen van AP06 kan worden voldaan kan de RvA deze organisatie hiervoor accrediteren.
Ten behoeve van de toelating tot accreditatie dient de organisatie aan te tonen dat deze bekend is met de wijze van bemonsteren en dat de voorgeschreven werkwijze goed kan worden uitgevoerd.
Ook dient de organisatie aan te tonen dat het beschikt over een kwaliteitsborging en kwaliteitsbewaking die minimaal voldoet aan de eisen zoals beschreven in dit accreditatieprogramma:
### 3. Verrichtingen binnen AP06
De verrichtingen die onder de scope van accreditatie vallen zijn:
De overige werkzaamheden kunnen niet als aparte verrichting geaccrediteerd worden, maar worden wel door de RvA beoordeeld:
(Ea – Eb) x 2 x 1,9 x 100/2,5 = (Ea - Eb) x 152 = milligram P2O5 per 100 gram grond
### 5. Opmerkingen
(Ea–Eb) x (50/milliliter filtraat) x F x 100/2,5 = milligram P2O5 per 100 gram luchtdroge grond.
Voor 25 milliliter filtraat wordt de berekeningsformule dan:
(Ea – Eb) x 2 x 1,9 x 100/2,5 = (Ea - Eb) x 152 = milligram P2O5 per 100 gram grond
5.1 Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.
### 1. Abstract
5.2 De kool dient voor de ontkleuring van het grondextract, dat door humeuze verbindingen meer of minder bruin gekleurd kan zijn. Het preparaat mag dus geen kationen of anionen aan het extract afgeven of er uit adsorberen.
Ter plaatse van de monsterneming en voorafgaand daaraan controleert de monsternemer of de te bemonsteren mest dezelfde mestcode(s) heeft als waarvoor bemonstering aangevraagd is. Als dat naar de overtuiging van de monsternemer niet het geval is, voert de monsternemer de bemonstering niet uit en legt hij dit vast als bijzonderheid.
Titreert men een dergelijk mengsel, na verdunning met water en natronloog van bekende sterkte onder toevoeging van phenolphtalein (fenolftaline) als indicator, dan bepaalt men slechts het melkzuur. Geeft men vervolgens een bekende overmaat natronloog en laat men de oplossing nu gedurende een half uur staan, dan worden eventueel aanwezige lactiden in melkzuur omgezet, waardoor natronloog wordt verbruikt. De resterende hoeveelheid loog wordt met zoutzuur van bekende sterkte teruggetitreerd. Blijkt dat van de overmaat aan loog niets is verbruikt, dan bevatte de onderzochte oplossing enkel melkzuur.
Deze paragraaf beschrijft de wijze waarop een monster van een vracht vaste mest genomen en behandeld moet worden totdat het arriveert op het laboratorium. Het protocol dient onder alle (weers)omstandigheden te worden gevolgd, waarbij te allen tijde de ARBO veiligheidsrichtlijnen in acht genomen moeten worden.
### 5.1. Het nemen van een representatief monster
De leverancier van de mest kan ervoor kiezen om de vracht te laten bemonsteren bij het laden of bij het lossen. Hij is in beide gevallen verantwoordelijk voor het inschakelen van een onafhankelijke monsternemende organisatie.
### 2. Benodigde reagentia
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
De monsternemer is gedurende het laden van de vracht aanwezig om een representatief monster te verkrijgen van de vracht (een al geladen vracht mag niet worden bemonsterd). De bemonstering gedurende het laden van de vracht voldoet aan de volgende eisen:
**Belading met een transportband**
Tijdens het draaien van de transportband wordt een bak, emmer of kruiwagen onder de band geplaatst en wordt met een (hand)schep in één beweging de mest over de hele bandbreedte daarin geschept of geschraapt. Deze handeling wordt ten minste acht keer herhaald. De grepen moeten van gelijke grootte zijn en evenredig verdeeld zijn over de vracht, dat wil zeggen evenredig verdeeld over de draaitijd van de band. Die draaitijd moet dus vooraf bekend zijn, anders kan niet worden bemonsterd.
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50°C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
### 2.3. Zwavelzure molybdaat-oplossing
De grepen worden genomen uit de laadbak. In het geval van bemonstering bij het laden kort na het laden van de laadbak. In het geval van bemonstering bij het lossen kort voor het lossen van de laadbak. De monsternemer ziet toe op het laden en lossen van de mest in of uit de laadbak van het transportmiddel om zich te vergewissen dat de bemonsterde vracht volledig bestaat uit de aangemelde mestcode(s) en om te controleren of er geen andere materialen dan de bemonsterde mest in de laadbak worden toegevoegd. Om te bepalen waar grepen worden genomen wordt de bak van de wagen in acht denkbeeldige rechthoeken van vergelijkbare omvang ingedeeld. Vervolgens wordt in ieder vak een greep genomen. Deze grepen worden op willekeurige, maar wel verschillende, diepten genomen. Bemonstering uit een laadbak van een transportmiddel is alleen toegestaan indien voorzieningen aanwezig zijn waardoor de hele oppervlakte van de bak op een veilige manier bereikbaar is en de grepen op voldoende diepte genomen kunnen worden. Of deze voorzieningen beschikbaar zijn dient vooraf vastgesteld te worden. Indien dat niet het geval is of niet op een ARBOveilige manier mogelijk is wordt de bemonstering door de monsternemer niet aangevangen dan wel gestaakt.
Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.
### 2.4. Ascorbinezuur-oplossing 1,75%
### 2.5. Kaliumantimonyltartraat-oplossing 0,275%
Het minimum aantal grepen dat van een geloste vracht moet worden genomen is acht.
Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcilinder) wordt de volgende oplossing bereid.
Het aantal te bemonsteren big bags is afhankelijk van de grootte van de vracht met ten minste één greep per vijf big bags. De te bemonsteren big bags per vracht worden willekeurig gekozen. Van elke big bag (met een inhoud van ca. één kuub) wordt ten minste één greep genomen. In de big bags wordt afwisselend in min of meer horizontale richting en min of meer verticale richting een monster gestoken. Het minimum aantal grepen is acht. De monsternemer ziet toe op het laden van de bemonsterde partij in big bags verpakte mest.
### 5.6. Bemonsteringssystematiek
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
De monsternemer kiest naar eigen inzicht het meest aangewezen monstername-instrument. Deze paragraaf beschrijft hoe de instrumenten gebruikt dienen te worden.
### 5.6.2. Bemonstering met de Edelmanboor
Houd de boor aan de handgreep vast en plaats hem verticaal of onder een hoek op de mesthoop. Draai de boor rechtsom en met enige druk de hoop in. Na ongeveer 2¼ volledige rondes (van 360°) heeft de boor zich 10 cm in de hoop gegraven en is de boor tot de beugel gevuld met voldoende mestmateriaal. Afhankelijk van de samenstelling van de mesthoop moet vaker of minder vaak gedraaid worden om het gewenste resultaat te bereiken. Voor het nemen van een monster op grotere diepte dient een schacht geboord te worden tot het gewenste bemonsteringspunt is bereikt. Zo nodig moet hierbij een aantal keren een volle boor uit de mesthoop getrokken worden om tot de gewenste monsterdiepte te komen. Dit materiaal behoort niet tot het monster.
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
Opmerking: Het creëren van een schacht kan worden versneld door gebruik te maken van een verlengde Edelmanboor.
Pipetteer in maatkolven van 200 milliliter: 10, 20, 40, 60, 80 milliliter gebruiksoplossing en vul aan tot 200 milliliter. Deze standaardoplossing bevat per 20 milliliter respectievelijk: 10, 20, 40, 60, 80 microgram P2O5.
Duw de schep/schop zo ver mogelijk schuin naar het midden van de partij in het materiaal. Zorg ervoor dat schep/schop volledig gevuld is, en dat alle grepen dezelfde grootte hebben. Verwijder het overtollige materiaal dat boven op de schep/schop ligt (het behoort niet tot de greep). Breng telkens het materiaal uit de schep/schop in de verzamelbak of op een zeil. Schep steeds de mest boven het bemonsteringspunt weg zodat het dieper gelegen materiaal bereikbaar is.
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 milliliter:
### 3. Werkwijze
Meet, nadat de oplossing 20 minuten heeft gestaan, de lichtabsorptie van de oplossing in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij golflengte 882 nanometer of bij 720 nanometer.
### 3. Werkwijze
Het laboratoriummonster wordt zodanig vervoerd en bewaard dat de temperatuur niet oploopt (afgeschermd tegen zoninstraling). Indien het monster niet binnen 24 uur wordt overgedragen aan het laboratorium, dient het monster binnen 12 uur na monstername in een koeling te zijn gebracht bij 4˚C met een toegestane afwijking van ten hoogste 3˚C. Overdracht aan een koerier van of namens het laboratorium geldt ook als overdracht aan het laboratorium, waarna dus AP05 verder van toepassing is.
De schudflessen met grond worden gedurende één nacht in een droogstoof gezet bij circa 40°C. Na afkoeling wordt dan 2 milliliter gedestilleerd water toegevoegd en even met de hand geschud om water en grond te mengen. Daarna de flesjes afsluiten en gedurende 22 uren bij een temperatuur van 20°C laten staan. Vervolgens wordt 70 milliliter gedestilleerd water van 20°C toegevoegd en aansluitend gedurende 1 uur geschud bij 20°C met een schudsnelheid van 160–170 slagen per minuut.
Voor, tijdens en na de bemonstering verzamelt de monsternemende organisatie gegevens en registreert deze.
Alle gegevens worden gedurende ten minste vijf jaar gearchiveerd en wel zodanig dat deze kunnen deze worden geherinterpreteerd en snel en handzaam terug te vinden zijn. Het is toegestaan de gegevens elektronisch op te slaan, mits voldaan wordt aan de relevante eisen uit de NEN-EN-ISO/IEC 17020 of NEN-EN-ISO/IEC 17025.
Ten algemene registreert de monsternemer:
Bijzonderheden die kunnen duiden op frauduleus handelen meldt de monsternemer ook aan de Minister.
### 5. Opmerkingen
5.1 Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.
### 1. Abstract
5.2 De kool dient voor de ontkleuring van het grondextract, dat door humeuze verbindingen meer of minder bruin gekleurd kan zijn. Het preparaat mag dus geen kationen of anionen aan het extract afgeven of er uit adsorberen.
5.3 Het verdunnen en verhitten van het melkzuur dient om de lactiden, die altijd aanwezig zijn door hydrolyse om te zetten in melkzuur. In sommige preparaten kan de concentratie aan lactiden 20% bedragen. De verdunde oplossing wordt hierdoor instabiel, tenzij men de lactiden vooraf hydrolyseert. De reactie die zich onder de voorgeschreven omstandigheden voltrekt, is onomkeerbaar. Geconcentreerd melkzuur bevat:
Titreert men een dergelijk mengsel, na verdunning met water en natronloog van bekende sterkte onder toevoeging van phenolphtalein (fenolftaline) als indicator, dan bepaalt men slechts het melkzuur. Geeft men vervolgens een bekende overmaat natronloog en laat men de oplossing nu gedurende een half uur staan, dan worden eventueel aanwezige lactiden in melkzuur omgezet, waardoor natronloog wordt verbruikt. De resterende hoeveelheid loog wordt met zoutzuur van bekende sterkte teruggetitreerd. Blijkt dat van de overmaat aan loog niets is verbruikt, dan bevatte de onderzochte oplossing enkel melkzuur.
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
### 1. Abstract
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
### 2. Benodigde reagentia
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50°C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
### 2.3. Zwavelzure molybdaat-oplossing
Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.
Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.
### 2.4. Ascorbinezuur-oplossing 1,75%
### 2.5. Kaliumantimonyltartraat-oplossing 0,275%
Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcilinder) wordt de volgende oplossing bereid.
Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcilinder) wordt de volgende oplossing bereid.
In een maatkolf van 200 milliliter 0,550 gram kaliumantimonyltartraat (KSb OC4H4O6.½H2O) in gedestilleerd water oplossen en verdunnen tot 200 milliliter.
### 2.6. Mengreagens
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
### 2.7. IJkoplossingen
Los 1,9167 gram KH2PO4(volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedestilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
Verdun 10 milliliter voorraadoplossing tot 1 liter. 10 milliliter van deze gebruiksoplossing bevat 100 microgram P2O5.
Pipetteer in maatkolven van 200 milliliter: 10, 20, 40, 60, 80 milliliter gebruiksoplossing en vul aan tot 200 milliliter. Deze standaardoplossing bevat per 20 milliliter respectievelijk: 10, 20, 40, 60, 80 microgram P2O5.
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 milliliter:
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 milliliter:
### 3. Werkwijze
Meet, nadat de oplossing 20 minuten heeft gestaan, de lichtabsorptie van de oplossing in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij golflengte 882 nanometer of bij 720 nanometer.
### 3. Werkwijze
De droge, tot een doorsnede van kleiner dan 2 millimeter verkleinde, gezeefde grond wordt geschept met een cilindrisch vaatje met bolvormige bodem, met een inhoud van 1,2 centimeter3. Door drie maal zacht aankloppen wordt de grond in dichte pakking gebracht en vervolgens dient de overmaat afgestreken te worden tot het niveau gelijk is aan de rand van het vaatje. Daarna wordt het afgemeten volume grond kwantitatief overgebracht in een schudfles van 125 centimeter3 inhoud.
De schudflessen met grond worden gedurende één nacht in een droogstoof gezet bij circa 40°C. Na afkoeling wordt dan 2 milliliter gedestilleerd water toegevoegd en even met de hand geschud om water en grond te mengen. Daarna de flesjes afsluiten en gedurende 22 uren bij een temperatuur van 20°C laten staan. Vervolgens wordt 70 milliliter gedestilleerd water van 20°C toegevoegd en aansluitend gedurende 1 uur geschud bij 20°C met een schudsnelheid van 160–170 slagen per minuut.
Na het schudden wordt gefiltreerd door een dubbelfilter (hard en asvrij). Tussen het schudden en het filtreren een vaste wachttijd (bijvoorbeeld 10 minuten) in acht nemen. De eerste doorlopende milliliters filtraat – in 4 minuten –, die vaak troebel zijn, worden afgevoerd of opnieuw op het filter gebracht. Daarna loopt het filtraat meestal helder door. Zie ook opmerking 5.1.
In erlenmeyers of flesjes van circa 100 milliliter wordt dan 20 milliliter mengreagens (zie 2.6) gepipetteerd en daarna 20 milliliter filtraat. Meng goed en laat 20 minuten staan. Meet de lichtabsorptie van de oplossingen in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij een golflengte van 882 nanometer.
De bepaling van het fosforgehalte in het waterig extract kan ook uitgevoerd worden door middel van een spectrofotometrische bepaling in een doorstroomanalysesysteem bij toepassing van een identieke molybdeenblauwkleuring
De uitkomst van de bepaling, het Pw-getal bij volumeverhouding 1:60 wordt uitgedrukt in microgram P2O5 in het filtraat per 1 centimeter3 grond
### 5. Opmerkingen
(Ea - Eb) x F x 3 = aantal microgram P2O5/centimeter3 grond = aantal milligram P2O5/liter grond.
Hierin is:
@@ -3064,46 +3042,120 @@
### Tabel IIB. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest
### 8. Kwaliteitsborging
3 Behorende bij de [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Met betrekking tot artikel 73 alleen relevant voor de graasdieren en daarmee niet van toepassing op diercategorieën die vallen onder de staldieren.
De monsternemende organisatie is verantwoordelijk voor de eigen kwaliteitsbewaking en -borging door middel van eerstelijnscontroles. De eerstelijnscontrole behelst controle op het volledig en juist uitvoeren van de voorgeschreven verrichtingen door de monsternemende organisatie zelf. Daartoe behoort ten minste de werkwijze dat de monsternemer zelf de eigen werkzaamheden controleert en tijdig herstelt of aanvult. Voor dit accreditatieprogramma zijn de eisen aangaande kwaliteitsborging van toepassing, zoals beschreven in NEN-EN-ISO/IEC 17020 en NEN-EN-ISO/IEC 17025.
Van een organisatie die geaccrediteerd is volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 wordt voor accreditatie aanvullend geëist dat deze voldoet aan onderdelen beschreven in NEN-EN-ISO/IEC 17020 die gelden voor een type A-instelling:
Van een organisatie die geaccrediteerd is volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 die gelden voor een type A-instelling, wordt voor accreditatie aanvullend geëist dat het voldoet aan onderdelen beschreven in NEN-EN-ISO/IEC 17025:
De stikstofexcreties van staldieren moeten berekend worden conform de stalbalans. In deze tabel zijn voor staldieren wel excretieforfaits opgenomen als hulpmiddel om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
### Tabel IIA. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest
Doel van het harmonisatieoverleg is het continu bewaken en verbeteren van de kwaliteit en onafhankelijkheid van de monsterneming en de ontwikkeling van de systematiek van en kennisuitwisseling over bemonstering tussen geaccrediteerde monsternemende organisaties op strategisch en uitvoerend niveau. In dat kader coördineert het harmonisatieoverleg onder andere het ringonderzoek (zie 8.3).
Het harmonisatieoverleg adviseert de Minister van LNV over het systeem van onafhankelijke monstername en het functioneren daarvan.
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N resp. kg P2O5 per jaar), in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.
Bij een ringonderzoek nemen de monsternemers van de deelnemende monsternemende organisaties uit dezelfde vracht een monster en stellen een laboratoriummonster samen. Beoordeeld wordt of de monsternames en het samenstellen van de laboratorium monsters plaatsvinden conform het daarvoor geldende protocol. De beoordelingscommissie is samengesteld uit monsternemers van de verschillende deelnemende monsternemende organisaties, eventueel aangevuld met experts van derden.
In het harmonisatieoverleg bepalen de geaccrediteerde monsternemende organisatie jaarlijks de frequentie van het ringonderzoek. Een monsternemende organisatie dient minimaal twee keer per jaar voor zijn geaccrediteerde verrichtingen aan ringonderzoek deel te nemen. Het ringonderzoek wordt gecoördineerd en uitgewerkt in het harmonisatieoverleg (zie 8.2).
Uitgangspunten daarbij zijn:
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
### A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
Door de RvA wordt periodiek (minimaal iedere twee jaar), maar ook steekproefsgewijs controle uitgevoerd op de eisen van AP06.
De RvA heeft de mogelijkheid om een accreditatie in te trekken, of de gehele of een deel van de scope (tijdelijk) te schorsen. De RvA oordeelt naar bevinden.
In geval van een schorsing of intrekking van de accreditatie meldt de RvA dit terstond aan de Minister van LNV. Indien de accreditatie is ingetrokken of geschorst, mag een organisatie geen mestmonsters nemen ten behoeve van de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054).
Voorafgaand aan indienen van een verzoek om accreditatie en bij van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting voert het laboratorium een validatie-onderzoek uit. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan toetst het laboratorium in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
Naast de beoordelingen door de RvA ziet de NVWA toe op naleving van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Daarbij kan de NVWA ook eisen uit AP06 betrekken.
Iedere monsternemende organisatie stuurt de planning van de bedrijfsbezoeken de werkdag van te voren voor 15:00 uur naar de NVWA ([artikel 78l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78l&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de regeling). Hierdoor heeft de NVWA de mogelijkheid om ter plaatse en ten tijde van de monsterneming aanwezig te zijn om de uitvoering door de monsternemer van het protocol te beoordelen en om zo nodig (op een later tijdstip) zelf een controlemonster te nemen.
De NVWA-inspecteur zal daarbij aandacht hebben voor:
Daarnaast kan de NVWA-inspecteur zelf ook monsters nemen om de analyse-uitslagen met elkaar te vergelijken.
Waarbij x2,i en x1,i het i-de duplopaar voorstellen en Nc het aantal monsters betreft binnen het betreffende concentratieniveau. Vervolgens wordt de herhaalbaarheid (sr) berekend met:
Voor het opstellen van accreditatieprogramma voor vaste mest is gebruik gemaakt van beschikbare informatie van de RvA en de Vlaamse Land Maatschappij. Bij het opstellen van paragraaf 5 is advies ingewonnen bij de Commissie Deskundigen Meststoffen en Wageningen Universiteit en Research.
Raad voor Accreditatie, Accreditatie van monsterneming, RvA-T021-NL
### 1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur
NEN EN ISO/IEC 17020 Conformiteitsbeoordeling – Algemene criteria voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren.
BAM – Bemonsterings- en analysemethodes voor vaste dierlijke mest in het kader van het mestdecreet, vaste dierlijke mestbemonstering, versie 3.1 juni 2010.
De resultaten van de duplobepalingen dienen te worden gemiddeld. Vervolgens wordt van beide bepalingen (huismethode en referentiemethode) het relatieve verschil berekend door het resultaat van de huismethode af te trekken van het resultaat van de referentiemethode en dit verschil te delen door het resultaat zoals verkregen met de referentiemethode en dit te vermenigvuldigen met 100%.
Tot slot wordt de mediane waarde van deze relatieve verschillen bepaald zonder een onderscheid te maken tussen de twee concentratieniveaus. De mediaan van deze verschillen dient voor stikstof en fosfor kleiner te zijn dan 2.5%. Bij het uitvoeren van de bepalingen mogen de meetresultaten op generlei wijze voor systematische verschillen gecorrigeerd worden.
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
Voor het aantonen dat de organisaties onafhankelijk en deskundig zijn wordt gebruik gemaakt van accreditatie. Accreditatie gaat uit van vertrouwen en is gebaseerd op internationale en Europees geharmoniseerde normen, met indien van toepassing aanvullende eisen. Gezien de behoefte de kwaliteit en de vergelijkbaarheid (herhaalbaarheid) van de monsterneming van vaste dierlijke mest op langere termijn te waarborgen, zijn in dit accreditatieprogramma normen opgenomen.
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; AP05
3 Behorende bij de [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Met betrekking tot artikel 73 alleen relevant voor de graasdieren en daarmee niet van toepassing op diercategorieën die vallen onder de staldieren.
4 Behorende bij [artikel 73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Alleen relevant voor de graasdieren en daarmee niet van toepassing op diercategorieën die vallen onder de staldieren.
5 Behorende bij [artikel 96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=5&artikel=96&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
6 De mestproductie van deze dieren is reeds verrekend in het forfait van de fokschapen.
De stikstofexcreties van staldieren moeten berekend worden conform de stalbalans. In deze tabel zijn voor staldieren wel excretieforfaits opgenomen als hulpmiddel om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
### Tabel IIA. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest
b Ingeval van melkgeiten gehouden op door SKAL als biologisch gecertificeerde bedrijven is het getal 4,1 in plaats van 4,3.
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N resp. kg P2O5 per jaar), in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N resp. kg P2O5 per jaar), in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N respectievelijk kg P2O5 per jaar) in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N respectievelijk kg P2O5 per jaar) in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
### A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
Voor het aantonen dat de organisaties onafhankelijk en deskundig zijn wordt gebruik gemaakt van accreditatie. Accreditatie gaat uit van vertrouwen en is gebaseerd op internationale en Europees geharmoniseerde normen, met indien van toepassing aanvullende eisen. Gezien de behoefte de kwaliteit en de vergelijkbaarheid (herhaalbaarheid) van de monsterneming van vaste dierlijke mest op langere termijn te waarborgen, zijn in het accreditatieprogramma eisen en voorwaarden opgenomen.
Deze bijlage is geschreven voor de uitvoering en kwaliteitsborging van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het accreditatieprogramma omvat zowel een beschrijving voor de toelating tot en de periodieke herbeoordeling van de accreditatie van laboratoria, als een beschrijving van het beheerssysteem waarmee de kwaliteit van de laboratoria tussentijds geborgd is. Dit accreditatieprogramma wordt verder aangeduid als AP05.
AP05 dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van metingen van stikstof en fosfaat in dierlijke mest zowel binnen een laboratorium als tussen laboratoria op langere termijn te waarborgen.
In hoofdstuk 2 zijn de algemene eisen vermeld waaraan een laboratorium moet voldoen om in aanmerking komen voor accreditatie door de Raad voor Accreditatie. De verrichtingen die onder AP05 vallen zijn in hoofdstuk 3 vermeld. In hoofdstuk 4 zijn de monsteroverdracht en de daarbij horende verantwoordelijkheden beschreven.
De technische beschrijvingen van de verrichtingen en het maken van mengmonsters is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is kwaliteitsborging middels de eerste-, tweede- en derdelijnscontrole omschreven die minimaal moet worden toegepast tijdens de uitvoering van verrichtingen die onder dit accreditatieprogramma vallen. Hoofdstuk 7 beschrijft de rapportage van de resultaten en de aspecten die verband houden met heranalyse.
In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.
NEN-EN-ISO/IEC 17025
Laboratoria die wensen deel te nemen aan AP05 dienen zich aan te melden bij de Raad voor Accreditatie. Het laboratorium dient aan te tonen dat het bekend is met de specifieke kenmerken van de matrix dierlijke mest en dat de voorgeschreven analysemethoden goed kunnen worden uitgevoerd. Hiervoor moet vooraf een groot aantal monsters (200) onder beheerste condities geanalyseerd worden. Reden voor dit grote aantal analyses vooraf, is de diversiteit in de matrix mest (diersoorten, stalsystemen) en de daarbij behorende effecten op de gehalten. Als aangetoond is dat aan de kwaliteitseisen van AP05 kan worden voldaan kan het laboratorium worden geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. Vóórdat monsters in het kader van het stelsel van gebruiksnormen geanalyseerd mogen worden, dient ook de kwaliteitsbewaking opgestart te zijn, in de vorm van controlemonsters met de bijbehorende controlekaarten.
Indien in dit document de Raad voor Accreditatie wordt genoemd kan dit ook een accreditatieorganisatie zijn waarmee de Raad voor Accreditatie een Multi Lateral Agreement MLA {EA}, MRA {ILAC} heeft gesloten.
Om voor accreditatie voor AP05 in aanmerking te komen, moet het laboratorium door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025: IDT (general requirements for the competence of testing and calibration laboratories).
Een laboratorium moet de verrichtingen die in hoofdstuk 3 van AP05 zijn vermeld en waarvoor het laboratorium is geaccrediteerd te allen tijden kunnen uitvoeren.
Indien AP05 wordt gewijzigd, dient het laboratorium zich daaraan binnen 6 maanden te conformeren, tenzij anders bepaald. In een dergelijke situatie ligt de verantwoordelijkheid voor het nemen van initiatieven met betrekking tot onderzoek door de RvA bij de laboratoria.
Indien AP06 wordt gewijzigd, wordt in overleg tussen RvA en LNV bepaald binnen welke termijn de geaccrediteerde organisaties zich daaraan dienen te conformeren. De verantwoordelijkheid voor het nemen van initiatieven met betrekking tot onderzoek door de RvA ligt bij de monsternemende organisatie.
Indien in dit document de RvA wordt genoemd kan dit ook een andere nationale accreditatie-instantie zijn als bedoeld in [Verordening (EG) nr. 765/2008](32008R0765) van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van [Verordening (EEG) nr. 339/93](31993R0339) (PbEU 2008, L 218). Om voor accreditatie voor AP06 in aanmerking te komen, moet de organisatie door de RvA geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020.
In AP05 zijn de verrichtingen, die in het kader van het stelsel van gebruiksnormen kunnen worden gebruikt, opgenomen. Een laboratorium kan kiezen voor accreditatie voor:
### 2.2. Toetredingsprocedure
De verrichtingen uit de volgende NEN-normen zijn als referentiemethoden voorgeschreven:
Ten behoeve van de toelating tot accreditatie dient de organisatie aan te tonen dat deze bekend is met de wijze van bemonsteren en dat de voorgeschreven werkwijze goed kan worden uitgevoerd.
Voorafgaand aan indienen van een verzoek om accreditatie en bij van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting voert het laboratorium een validatie-onderzoek uit. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan toetst het laboratorium in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
Voorafgaand aan indienen van een verzoek om accreditatie en bij van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting voert het laboratorium een validatie-onderzoek uit. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan toetst het laboratorium in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
De herhaalbaarheid wordt getoetst aan de hand van een representatieve steekproef van de mestsoorten die het laboratorium ontvangt en de concentratieniveaus waarin stikstof en fosfor in de desbetreffende mestsoorten voorkomt.
In eerste instantie wordt van 200 monsters het stikstof- en fosfaatgehalte in duplo bepaald. Vervolgens worden de resultaten waarbij het stikstof- en/of fosfaatgehalte beneden de minimale rapportagewaarde (zie § 7.1) ligt weggelaten. Deze worden vervangen door aanvullende metingen aan nieuwe monsters zodat het totaal aantal duplobepalingen dat boven de minimale rapportagewaarde voor stikstof en fosfaat ligt uiteindelijk 200 bedraagt.
@@ -3116,10 +3168,10 @@
Voor het lage concentratieniveau wordt de herhaalbaarheid vergeleken met de herhaalbaarheid voor het betreffende element in hoofdstuk 6, en deze moet kleiner of gelijk te zijn aan de herhaalbaarheid voor het lage concentratieniveau. Voor het hoge concentatieniveau moet de berekende herhaalbaarheid eerst worden gedeeld door het gemiddelde van alle metingen voor het desbetreffende element. Deze moet kleiner of gelijk zijn aan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor het hoge concentratieniveau.
Bemonstering in dit accreditatieprogramma heeft betrekking op:
Het is toegestaan binnen AP05 om in plaats van de referentiemethode een huismethode te gebruiken. Het laboratorium moet dan via een gelijkwaardigheidsonderzoek aantonen dat de gebruikte huismethode vergelijkbare of betere resultaten geeft dan de referentiemethode.
### 1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur
Ten eerste dient aangetoond te worden dat de herhaalbaarheid van de huismethode gelijk of beter is dan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting. Hiervoor dient de in § 3.2 beschreven procedure te worden gebruikt.
Daarnaast dient aangetoond te worden dat de verschillen tussen de huismethode en de referentiemethode binnen acceptabele grenzen liggen. Hiervoor dienen de monsters die zijn gebruikt voor het bepalen van de herhaalbaarheid van de huismethode tevens met de referentiemethode te worden gemeten in duplo.
@@ -3128,223 +3180,149 @@
Tot slot wordt de mediane waarde van deze relatieve verschillen bepaald zonder een onderscheid te maken tussen de twee concentratieniveaus. De mediaan van deze verschillen dient voor stikstof en fosfor kleiner te zijn dan 2.5%. Bij het uitvoeren van de bepalingen mogen de meetresultaten op generlei wijze voor systematische verschillen gecorrigeerd worden.
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
Voor het aantonen dat de organisaties onafhankelijk en deskundig zijn wordt gebruik gemaakt van accreditatie. Accreditatie gaat uit van vertrouwen en is gebaseerd op internationale en Europees geharmoniseerde normen, met indien van toepassing aanvullende eisen. Gezien de behoefte de kwaliteit en de vergelijkbaarheid (herhaalbaarheid) van de monsterneming van vaste dierlijke mest op langere termijn te waarborgen, zijn in dit accreditatieprogramma normen opgenomen.
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
### 1. Inleiding
Voor het aantonen dat de organisaties onafhankelijk en deskundig zijn wordt gebruik gemaakt van accreditatie. Accreditatie gaat uit van vertrouwen en is gebaseerd op internationale en Europees geharmoniseerde normen, met indien van toepassing aanvullende eisen. Gezien de behoefte de kwaliteit en de vergelijkbaarheid (herhaalbaarheid) van de monsterneming van vaste dierlijke mest op langere termijn te waarborgen, zijn in het accreditatieprogramma eisen en voorwaarden opgenomen.
Het accreditatieprogramma bevat:
Het accreditatieprogramma bevat:
Dit accreditatieprogramma wordt aangeduid als AP06. AP06 dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid (herhaalbaarheid) van de monsterneming van vaste dierlijke mest op langere termijn te waarborgen.
Het accreditatieprogramma voor monsternemende organisatie wordt aangeduid als AP06. Dit AP06 beschrijft een set van verrichtingen die valt onder de scope van de accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 òf onder de scope van de accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020.
Specifiek worden in dit AP06 de volgende versienummers bedoeld wanneer de normen worden benoemd:
NEN-EN-ISO/IEC 17025
NEN-EN-ISO/IEC 17020
Organisaties die monsterneming als aparte activiteit op de verrichtingenlijst (scope van accreditatie) wensen, kunnen accreditatie verkrijgen op basis van NEN-EN-ISO/IEC 17025. In NEN-EN-ISO/IEC 17025 worden in 5.7 uitgebreide eisen gesteld aan de monsterneming en in 5.10.3.2 aan de rapportage van de resultaten van monsterneming.
Indien een organisatie geaccrediteerd is of wordt voor inspectieactiviteiten (anders dan het nemen van monsters) volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020, behoort een aparte monsternemingsactiviteit binnen de scope tot de mogelijkheden. In deze situatie worden, naast de eisen uit NEN-EN-ISO/IEC 17020 ook de eisen met betrekking tot monsterneming uit NEN-EN-ISO/IEC 17025 toegepast.
De monsternemende organisatie heeft de verantwoordelijkheid om te werken conform dit accreditatieprogramma en de erkenningsvoorwaarden. Dit houdt in dat de organisatie verantwoordelijk wordt gehouden voor de bemonstering tot en met het afleveren van het monster bij het mestlaboratorium, onafhankelijk welke persoon de feitelijke bemonstering, transport en eventueel opslag uitvoert, namens of voor de organisatie.
Een geaccrediteerde organisatie moet de verrichtingen die in dit AP06 zijn vermeld te allen tijde kunnen uitvoeren en aantonen dat zij in de praktijk werkt conform de accreditatie-eisen. Het is de monsternemende organisatie wel toegestaan om de RvA te vragen om een tijdelijke schorsing voor de gehele of een deel van de verrichtingen binnen de scope. Gedurende een periode van schorsing kan de organisatie geen monsters nemen.
Indien AP06 wordt gewijzigd, wordt in overleg tussen RvA en LNV bepaald binnen welke termijn de geaccrediteerde organisaties zich daaraan dienen te conformeren. De verantwoordelijkheid voor het nemen van initiatieven met betrekking tot onderzoek door de RvA ligt bij de monsternemende organisatie.
Indien in dit document de RvA wordt genoemd kan dit ook een andere nationale accreditatie-instantie zijn als bedoeld in [Verordening (EG) nr. 765/2008](32008R0765) van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van [Verordening (EEG) nr. 339/93](31993R0339) (PbEU 2008, L 218). Om voor accreditatie voor AP06 in aanmerking te komen, moet de organisatie door de RvA geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020.
Indien in dit document de RvA wordt genoemd kan dit ook een andere nationale accreditatie-instantie zijn als bedoeld in [Verordening (EG) nr. 765/2008](32008R0765) van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van [Verordening (EEG) nr. 339/93](31993R0339) (PbEU 2008, L 218). Om voor accreditatie voor AP06 in aanmerking te komen, moet de organisatie door de RvA geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020.
### 2.2. Toetredingsprocedure
Als aangetoond is dat aan de eisen van AP06 kan worden voldaan kan de RvA deze organisatie hiervoor accrediteren.
Ten behoeve van de toelating tot accreditatie dient de organisatie aan te tonen dat deze bekend is met de wijze van bemonsteren en dat de voorgeschreven werkwijze goed kan worden uitgevoerd.
Ook dient de organisatie aan te tonen dat het beschikt over een kwaliteitsborging en kwaliteitsbewaking die minimaal voldoet aan de eisen zoals beschreven in dit accreditatieprogramma:
Ook dient de organisatie aan te tonen dat het beschikt over een kwaliteitsborging en kwaliteitsbewaking die minimaal voldoet aan de eisen zoals beschreven in dit accreditatieprogramma:
De verrichtingen die onder de scope van accreditatie vallen zijn:
De overige werkzaamheden kunnen niet als aparte verrichting geaccrediteerd worden, maar worden wel door de RvA beoordeeld:
De overige werkzaamheden kunnen niet als aparte verrichting geaccrediteerd worden, maar worden wel door de RvA beoordeeld:
De leverancier van de mest is de verantwoordelijke opdrachtgever van de bemonstering. Hierop geldt één uitzondering: bij import is de afnemer de verantwoordelijke opdrachtgever voor de onafhankelijke monstername.
De leverancier van de mest is de verantwoordelijke opdrachtgever van de bemonstering. Hierop geldt één uitzondering: bij import is de afnemer de verantwoordelijke opdrachtgever voor de onafhankelijke monstername.
Bemonstering in dit accreditatieprogramma heeft betrekking op:
Bemonstering in dit accreditatieprogramma heeft betrekking op:
Ter plaatse van de monsterneming en voorafgaand daaraan controleert de monsternemer of de te bemonsteren mest dezelfde mestcode(s) heeft als waarvoor bemonstering aangevraagd is. Als dat naar de overtuiging van de monsternemer niet het geval is, voert de monsternemer de bemonstering niet uit en legt hij dit vast als bijzonderheid.
Ter plaatse van de monsterneming en voorafgaand daaraan controleert de monsternemer of de te bemonsteren mest dezelfde mestcode(s) heeft als waarvoor bemonstering aangevraagd is. Als dat naar de overtuiging van de monsternemer niet het geval is, voert de monsternemer de bemonstering niet uit en legt hij dit vast als bijzonderheid.
Deze paragraaf beschrijft de wijze waarop een monster van een vracht vaste mest genomen en behandeld moet worden totdat het arriveert op het laboratorium. Het protocol dient onder alle (weers)omstandigheden te worden gevolgd, waarbij te allen tijde de ARBO veiligheidsrichtlijnen in acht genomen moeten worden.
Deze paragraaf beschrijft de wijze waarop een monster van een vracht vaste mest genomen en behandeld moet worden totdat het arriveert op het laboratorium. Het protocol dient onder alle (weers)omstandigheden te worden gevolgd, waarbij te allen tijde de ARBO veiligheidsrichtlijnen in acht genomen moeten worden.
De leverancier van de mest kan ervoor kiezen om de vracht te laten bemonsteren bij het laden of bij het lossen. Hij is in beide gevallen verantwoordelijk voor het inschakelen van een onafhankelijke monsternemende organisatie.
Ingeval van import of export van de mest, schrijft [artikel 78a, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), van de regeling, voor wanneer bemonstering plaats moet vinden; bij export tijdens het laden en in geval van import bij het lossen.
Ingeval van import of export van de mest, schrijft [artikel 78a, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78a&z=2019-10-01&g=2019-10-01), van de regeling, voor wanneer bemonstering plaats moet vinden; bij export tijdens het laden en in geval van import bij het lossen.
De monsternemer is gedurende het laden van de vracht aanwezig om een representatief monster te verkrijgen van de vracht (een al geladen vracht mag niet worden bemonsterd). De bemonstering gedurende het laden van de vracht voldoet aan de volgende eisen:
Het laboratorium controleert bij ontvangst of de verpakking van een monster voldoet aan de eisen. Hierbij controleert het laboratorium de volgende punten:
Bij evidente ondeugdelijkheid van de verpakking wordt het monster niet in bewerking genomen. In geval van een mengmonster worden ook de bijbehorende monsters niet in bewerking genomen. Binnen 24 uur wordt melding gedaan van bovenstaande punten aan de meldkamer van de NVWA en het monster of de monsters worden gedurende maximaal 28 dagen gekoeld opgeslagen. De NVWA beslist wat verder met de monsters dient te gebeuren.
**Belading met een transportband**
Tijdens het draaien van de transportband wordt een bak, emmer of kruiwagen onder de band geplaatst en wordt met een (hand)schep in één beweging de mest over de hele bandbreedte daarin geschept of geschraapt. Deze handeling wordt ten minste acht keer herhaald. De grepen moeten van gelijke grootte zijn en evenredig verdeeld zijn over de vracht, dat wil zeggen evenredig verdeeld over de draaitijd van de band. Die draaitijd moet dus vooraf bekend zijn, anders kan niet worden bemonsterd.
Tijdens het draaien van de transportband wordt een bak, emmer of kruiwagen onder de band geplaatst en wordt met een (hand)schep in één beweging de mest over de hele bandbreedte daarin geschept of geschraapt. Deze handeling wordt ten minste acht keer herhaald. De grepen moeten van gelijke grootte zijn en evenredig verdeeld zijn over de vracht, dat wil zeggen evenredig verdeeld over de draaitijd van de band. Die draaitijd moet dus vooraf bekend zijn, anders kan niet worden bemonsterd.
Het laboratorium controleert of de inkomende monsters
Het laboratorium weegt elk monster en registreert het gewicht. Het gewicht wordt tegelijk met de analyseresultaten gerapporteerd aan de vervoerder en in de periodieke rapportage aan de minister. Indien het gewicht van het monster te laag is, wordt dit monster niet geanalyseerd en mag niet worden gemengd in een mengmonster.
Voor containerbakken en voor opleggers, waaronder ook **walking floors**, bedraagt het aantal grepen minimaal acht.
Het laboratorium registreert van elk inkomende monster de volgende gegevens:
De grepen worden genomen uit de laadbak. In het geval van bemonstering bij het laden kort na het laden van de laadbak. In het geval van bemonstering bij het lossen kort voor het lossen van de laadbak. De monsternemer ziet toe op het laden en lossen van de mest in of uit de laadbak van het transportmiddel om zich te vergewissen dat de bemonsterde vracht volledig bestaat uit de aangemelde mestcode(s) en om te controleren of er geen andere materialen dan de bemonsterde mest in de laadbak worden toegevoegd. Om te bepalen waar grepen worden genomen wordt de bak van de wagen in acht denkbeeldige rechthoeken van vergelijkbare omvang ingedeeld. Vervolgens wordt in ieder vak een greep genomen. Deze grepen worden op willekeurige, maar wel verschillende, diepten genomen. Bemonstering uit een laadbak van een transportmiddel is alleen toegestaan indien voorzieningen aanwezig zijn waardoor de hele oppervlakte van de bak op een veilige manier bereikbaar is en de grepen op voldoende diepte genomen kunnen worden. Of deze voorzieningen beschikbaar zijn dient vooraf vastgesteld te worden. Indien dat niet het geval is of niet op een ARBOveilige manier mogelijk is wordt de bemonstering door de monsternemer niet aangevangen dan wel gestaakt.
De grepen worden genomen uit de laadbak. In het geval van bemonstering bij het laden kort na het laden van de laadbak. In het geval van bemonstering bij het lossen kort voor het lossen van de laadbak. De monsternemer ziet toe op het laden en lossen van de mest in of uit de laadbak van het transportmiddel om zich te vergewissen dat de bemonsterde vracht volledig bestaat uit de aangemelde mestcode(s) en om te controleren of er geen andere materialen dan de bemonsterde mest in de laadbak worden toegevoegd. Om te bepalen waar grepen worden genomen wordt de bak van de wagen in acht denkbeeldige rechthoeken van vergelijkbare omvang ingedeeld. Vervolgens wordt in ieder vak een greep genomen. Deze grepen worden op willekeurige, maar wel verschillende, diepten genomen. Bemonstering uit een laadbak van een transportmiddel is alleen toegestaan indien voorzieningen aanwezig zijn waardoor de hele oppervlakte van de bak op een veilige manier bereikbaar is en de grepen op voldoende diepte genomen kunnen worden. Of deze voorzieningen beschikbaar zijn dient vooraf vastgesteld te worden. Indien dat niet het geval is of niet op een ARBOveilige manier mogelijk is wordt de bemonstering door de monsternemer niet aangevangen dan wel gestaakt.
De monsternemer is gedurende het lossen van de vracht aanwezig; er mag niet gelost worden voordat de monsternemer aanwezig is. De mest wordt bemonsterd als deze gelost op een hoop ligt.
Het laboratorium bewaart inkomende monsters gekoeld bij 4±3°C. Wanneer de monsters op de dag van ontvangst of de daarop volgende dag in bewerking worden genomen behoeft koeling niet plaats te vinden.
De monstername mag uitsluitend worden uitgevoerd indien de vracht mest gescheiden is van andere vrachten mest of materialen die de samenstelling van de mest kunnen beïnvloeden. De hoop is ten behoeve van de bemonstering toegankelijk gemaakt door de vervoerder in samenwerking met de afnemer.
Het minimum aantal grepen dat van een geloste vracht moet worden genomen is acht.
Het minimum aantal grepen dat van een geloste vracht moet worden genomen is acht.
Als sprake is van het maken van een mengmonster dan wordt dit aangegeven op een begeleidingsformulier dat de vervoerder met de betreffende monsters meestuurt. Voor het maken van mengmonsters moet wat betreft de te volgen procedure onderscheid gemaakt worden tussen drijfmest en vaste mest.
Het aantal te bemonsteren big bags is afhankelijk van de grootte van de vracht met ten minste één greep per vijf big bags. De te bemonsteren big bags per vracht worden willekeurig gekozen. Van elke big bag (met een inhoud van ca. één kuub) wordt ten minste één greep genomen. In de big bags wordt afwisselend in min of meer horizontale richting en min of meer verticale richting een monster gestoken. Het minimum aantal grepen is acht. De monsternemer ziet toe op het laden van de bemonsterde partij in big bags verpakte mest.
Het aantal te bemonsteren big bags is afhankelijk van de grootte van de vracht met ten minste één greep per vijf big bags. De te bemonsteren big bags per vracht worden willekeurig gekozen. Van elke big bag (met een inhoud van ca. één kuub) wordt ten minste één greep genomen. In de big bags wordt afwisselend in min of meer horizontale richting en min of meer verticale richting een monster gestoken. Het minimum aantal grepen is acht. De monsternemer ziet toe op het laden van de bemonsterde partij in big bags verpakte mest.
Voor het mengen van monsters drijfmest geldt de volgende procedure:
Verwijder, bijvoorbeeld met een schop, de buitenste laag (ongeveer 20 cm) bij elk bemonsteringspunt. Houd de boor aan de handgreep vast en plaats hem verticaal of onder een hoek op de mesthoop. Draai de boor rechtsom en met enige druk de hoop in. Na ongeveer 2¼ volledige rondes (van 360°) heeft de boor zich 10 cm in de hoop gegraven en is de boor tot de beugel gevuld met voldoende mestmateriaal. Afhankelijk van de samenstelling van de mesthoop moet vaker of minder vaak gedraaid worden om het gewenste resultaat te bereiken. Voor het nemen van een monster op grotere diepte dient een schacht geboord te worden tot het gewenste bemonsteringspunt is bereikt. Zo nodig moet hierbij een aantal keren een volle boor uit de mesthoop getrokken worden om tot de gewenste monsterdiepte te komen. Dit materiaal behoort niet tot het monster.
Voor het mengen van monsters vaste mest geldt de volgende procedure:
De monsternemer kiest naar eigen inzicht het meest aangewezen monstername-instrument. Deze paragraaf beschrijft hoe de instrumenten gebruikt dienen te worden.
De monsternemer kiest naar eigen inzicht het meest aangewezen monstername-instrument. Deze paragraaf beschrijft hoe de instrumenten gebruikt dienen te worden.
Houd de boor aan de handgreep vast en plaats hem verticaal of onder een hoek op de mesthoop. Draai de boor rechtsom en met enige druk de hoop in. Na ongeveer 2¼ volledige rondes (van 360°) heeft de boor zich 10 cm in de hoop gegraven en is de boor tot de beugel gevuld met voldoende mestmateriaal. Afhankelijk van de samenstelling van de mesthoop moet vaker of minder vaak gedraaid worden om het gewenste resultaat te bereiken. Voor het nemen van een monster op grotere diepte dient een schacht geboord te worden tot het gewenste bemonsteringspunt is bereikt. Zo nodig moet hierbij een aantal keren een volle boor uit de mesthoop getrokken worden om tot de gewenste monsterdiepte te komen. Dit materiaal behoort niet tot het monster.
Draai de volle boor af, en haal de boor licht draaiend omhoog. Plaats voor het lossen van het materiaal de boor schuin met de punt in een verzamelbak of op een zeil. Klop met de boor op de basis van de bak of zeil. Het materiaal komt los en het resterende materiaal kan met de hand of anderszins uit de boor worden genomen.
De monstervoorbehandeling van drijfmest moet uitgevoerd worden conform NEN 7430: ‘Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest’. Het aldus verkregen analysemonster drijfmest (minimale omvang ca. 250 ml) dient bij 4±3°C bewaard te worden.
Drijfmest met een geschat drogestofgehalte groter dan 15% wordt verdund met water. Hierbij dient de hoeveelheid in bewerking genomen mest en de toegevoegde hoeveelheid water gewogen te worden voor berekening van de verdunningsfactor. De mest dient zo nodig uit de monsterverpakking gespoeld te worden. Ook hierbij moet de verdunningsfactor worden berekend. De totale hoeveelheid mest wordt vastgesteld door begin- en eindgewicht van de monsterverpakkingen te registreren.
De monstervoorbehandeling van vaste mest en gedroogde mest moet uitgevoerd worden conform de procedure in § 5.1.2. en aansluitend volgens het betreffende onderdeel van NEN 7431 (volg protocol met toevoeging van wijnsteenzuur).
Opmerking: Het creëren van een schacht kan worden versneld door gebruik te maken van een verlengde Edelmanboor.
Opmerking: Het creëren van een schacht kan worden versneld door gebruik te maken van een verlengde Edelmanboor.
Duw de schep/schop zo ver mogelijk schuin naar het midden van de partij in het materiaal. Zorg ervoor dat schep/schop volledig gevuld is, en dat alle grepen dezelfde grootte hebben. Verwijder het overtollige materiaal dat boven op de schep/schop ligt (het behoort niet tot de greep). Breng telkens het materiaal uit de schep/schop in de verzamelbak of op een zeil. Schep steeds de mest boven het bemonsteringspunt weg zodat het dieper gelegen materiaal bereikbaar is.
Duw de schep/schop zo ver mogelijk schuin naar het midden van de partij in het materiaal. Zorg ervoor dat schep/schop volledig gevuld is, en dat alle grepen dezelfde grootte hebben. Verwijder het overtollige materiaal dat boven op de schep/schop ligt (het behoort niet tot de greep). Breng telkens het materiaal uit de schep/schop in de verzamelbak of op een zeil. Schep steeds de mest boven het bemonsteringspunt weg zodat het dieper gelegen materiaal bereikbaar is.
De grepen worden ter plaatse uitgestort op een zeil of in een brede schaal. De mest wordt intensief gemengd door drie maal achtereen ophopen en verspreiden en vervolgens gereduceerd met de kwarteertechniek. Hierbij wordt de mest in een cirkelvorm uitgespreid en in vier kwarten verdeeld. Twee tegenover elkaar gelegen kwarten worden vervolgens verwijderd waarna de overgebleven kwarten worden samengevoegd en opnieuw gemengd. Deze handeling wordt herhaald tot de gewenste vereiste grootte van het laboratoriummonster is verkregen. Gebruik voor het mengen bij voorkeur een schep of grotere schop.
De grepen worden ter plaatse uitgestort op een zeil of in een brede schaal. De mest wordt intensief gemengd door drie maal achtereen ophopen en verspreiden en vervolgens gereduceerd met de kwarteertechniek. Hierbij wordt de mest in een cirkelvorm uitgespreid en in vier kwarten verdeeld. Twee tegenover elkaar gelegen kwarten worden vervolgens verwijderd waarna de overgebleven kwarten worden samengevoegd en opnieuw gemengd. Deze handeling wordt herhaald tot de gewenste vereiste grootte van het laboratoriummonster is verkregen. Gebruik voor het mengen bij voorkeur een schep of grotere schop.
De dierlijke mest wordt ontsloten volgens NEN 7433 met een mengsel van zwavelzuur, waterstofperoxyde en kopersulfaat, waarbij stikstof en fosfor in een zodanige chemische vorm in oplossing worden gebracht, dat zonder verdere voorbehandeling (behalve verdunnen en het toevoegen van reagentia) een bepaling van stikstof en fosfor met instrumentele methoden mogelijk is. Van de mest wordt, indien gehomogeniseerd volgens NEN 7430, een hoeveelheid tussen 4 en 6 ml in bewerking genomen of, indien gedroogd en gemalen volgens NEN 7431, een hoeveelheid van ca. 1 gram.
In afwijking van de vorige alinea wordt mineralenconcentraat voorbehandeld volgens NEN 7430 en vervolgens geanalyseerd gelijkwaardig met NEN-EN 14672:2005, omdat mineralenconcentraat doorgaans zeer lage fosforgehalten (< 0,01 g/kg) bevat.
De ontsluitingsmethode kan worden toegepast op alle soorten dierlijke mest, met uitzondering van mest waarin stikstof deels aanwezig is in de vorm van nitraat. Wanneer er nitraat in het monster aanwezig is dan wordt dit duidelijk tijdens de monstervoorbewerking volgens NEN 7433, waarbij er roodbruine dampen ontstaan tijdens het aanzuren.
Onbehandelde dierlijke mest bevat geen nitraat. Nitraat kan echter wel zijn toegevoegd (aanzuren met salpeterzuur) of tijdens bepaalde behandelingen (beluchten) zijn gevormd. Bij dierlijke mest waarvan het tijdens de monstervoorbewerking duidelijk wordt dat het nitraat bevat dient NEN 7437 ‘Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof’ te worden toegepast. De eisen gesteld aan deze bepaling van totaal stikstof zijn gelijk aan die voor de bepaling van stikstof volgens NEN 7434.
Het laboratoriummonster wordt in een schone en lekvrije monsterverpakking gedaan en voorzien van een unieke identificatie. De monsterverpakking en identificatie dienen te voldoen aan de beschrijving in [Bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2021-01-01&g=2021-01-01) (AP05) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
Het laboratoriummonster wordt zodanig vervoerd en bewaard dat de temperatuur niet oploopt (afgeschermd tegen zoninstraling). Indien het monster niet binnen 24 uur wordt overgedragen aan het laboratorium, dient het monster binnen 12 uur na monstername in een koeling te zijn gebracht bij 4˚C met een toegestane afwijking van ten hoogste 3˚C. Overdracht aan een koerier van of namens het laboratorium geldt ook als overdracht aan het laboratorium, waarna dus AP05 verder van toepassing is.
Het laboratoriummonster wordt zodanig vervoerd en bewaard dat de temperatuur niet oploopt (afgeschermd tegen zoninstraling). Indien het monster niet binnen 24 uur wordt overgedragen aan het laboratorium, dient het monster binnen 12 uur na monstername in een koeling te zijn gebracht bij 4˚C met een toegestane afwijking van ten hoogste 3˚C. Overdracht aan een koerier van of namens het laboratorium geldt ook als overdracht aan het laboratorium, waarna dus AP05 verder van toepassing is.
Voor, tijdens en na de bemonstering verzamelt de monsternemende organisatie gegevens en registreert deze.
Alle gegevens worden gedurende ten minste vijf jaar gearchiveerd en wel zodanig dat deze kunnen deze worden geherinterpreteerd en snel en handzaam terug te vinden zijn. Het is toegestaan de gegevens elektronisch op te slaan, mits voldaan wordt aan de relevante eisen uit de NEN-EN-ISO/IEC 17020 of NEN-EN-ISO/IEC 17025.
Ten algemene registreert de monsternemer:
Bijzonderheden die kunnen duiden op frauduleus handelen meldt de monsternemer ook aan de Minister.
Ieder laboratoriummonster heeft een begeleidend document met in ieder geval de volgende gegevens:
Ieder laboratoriummonster heeft een begeleidend document met in ieder geval de volgende gegevens:
De vracht mest moet gescheiden blijven van andere vrachten mest of materialen die de samenstelling van de mest kunnen beïnvloeden. De hoop is ten behoeve van de bemonstering toegankelijk gemaakt door de vervoerder in samenwerking met de ontvanger.
Voorafgaand aan de bemonstering heeft de monsternemende organisatie een bemonsteringsstrategie ontwikkeld (NEN-EN-ISO/IEC 17025 noemt dit monsternemingsplan en procedures voor monsterneming).
De kwaliteitsborging van een verrichting bestaat uit de volgende onderdelen:
Eerstelijnscontrole – Interne controle door de uitvoerenden van de verrichting zelf.
Tweedelijnscontrole – Interne controle onafhankelijk van de uitvoerenden.
Derdelijnscontrole – Externe controle door onafhankelijke instantie(s).
De kwaliteitsborging van het laboratorium dient te zijn vastgelegd in eerste, tweede en derdelijnsdocumenten, waarin de volgende aspecten dienen te worden ondergebracht:
De eerste-, tweede- en derdelijnscontrole vormen géén additionele kwaliteitsborging maar de minimale kwaliteitsborging die dient te worden toegepast.
De kwaliteitsborging is vastgelegd in de herhaalbaarheid. Voor stikstof en fosfor in dierlijke mest is deze, afhankelijk van het concentratieniveau, als volgt:
Voor het lage concentratieniveau is de herhaalbaarheid uitgedrukt als een absoluut verschil tussen duplobepalingen, terwijl de herhaalbaarheid voor het hoge concentratieniveau is uitgedrukt als een percentage van de gemiddelde waarde van een duplobepaling.
Drijfmest, die verdund is met water voor het verkrijgen van een goed analysemonster, wordt getoetst op herhaalbaarheid in het analysemonster vóórdat het in het analysemonster verkregen gehalte teruggerekend wordt naar het oorspronkelijke monster. Dit geldt ook voor de vaste mest die al dan niet voorbehandeld is met wijnsteenzuur en gemalen teneinde een geschikt analysemonster te verkrijgen.
In deze strategie standaardiseert de monsternemende organisatie voor zichzelf de invulling van de bemonstering voor zover dat nog niet in de voorgaande paragraaf is voorgeschreven.
Het gaat hier bijvoorbeeld over hoe de omvang van de vracht wordt geschat, de beoordeling of de bemonstering ARBOveilig kan worden uitgevoerd en het kiezen van het meest aangewezen instrument om grepen te nemen.
De eerstelijnscontrole is opgebouwd uit de beoordeling van de analyseresultaten van het controlemonster en van het analysemonster. In het kader van de kwaliteitsborging worden alle analyses in duplo onder herhaalbaarheidscondities uitgevoerd.
De RvA beoordeelt de validiteit van de bemonsteringsstrategie en het systeem van hoe die strategie opgesteld wordt.
De RvA beoordeelt de validiteit van de bemonsteringsstrategie en het systeem van hoe die strategie opgesteld wordt.
De strategie voor monsterneming wordt periodiek en minimaal iedere twee jaar geactualiseerd.
De strategie voor monsterneming wordt periodiek en minimaal iedere twee jaar geactualiseerd.
Voor, tijdens en na de bemonstering verzamelt de monsternemende organisatie gegevens en registreert deze.
De monsternemende organisatie is verantwoordelijk voor de eigen kwaliteitsbewaking en -borging door middel van eerstelijnscontroles. De eerstelijnscontrole behelst controle op het volledig en juist uitvoeren van de voorgeschreven verrichtingen door de monsternemende organisatie zelf. Daartoe behoort ten minste de werkwijze dat de monsternemer zelf de eigen werkzaamheden controleert en tijdig herstelt of aanvult. Voor dit accreditatieprogramma zijn de eisen aangaande kwaliteitsborging van toepassing, zoals beschreven in NEN-EN-ISO/IEC 17020 en NEN-EN-ISO/IEC 17025.
Van een organisatie die geaccrediteerd is volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 wordt voor accreditatie aanvullend geëist dat deze voldoet aan onderdelen beschreven in NEN-EN-ISO/IEC 17020 die gelden voor een type A-instelling:
Het controlemonster van de eerstelijn dient om het concentratieniveau van een serie monsters te bewaken. Uitgangspunt is dat het gebruikte monstermateriaal gedurende de gebruiksperiode niet verandert van samenstelling. Om te garanderen dat het controlemonster drijfmest over lange periode stabiel blijft dient het te worden bewaard bij een temperatuur van 4°C of lager. Het (met wijnsteenzuur behandelde en gedroogde) controlemonster vaste mest dient bij kamertemperatuur bewaard te worden.
Door het laboratorium dient de omvang van de serie te worden vastgelegd. Per serie wordt het desbetreffende controlemonster in tweevoud onder herhaalbaarheidscondities geanalyseerd. Minimaal één controlemonster (drijfmest of vaste mest) per analysedag is vereist.
Het gehalte aan stikstof en fosfor van het controlemonster drijfmest dient te liggen tussen 4 en 12 g/kg respectievelijk 1 en 5 g/kg. Het gehalte aan stikstof en fosfor van het al dan niet voorbehandelde gedroogde en gemalen controlemonster vaste mest dient te liggen tussen 25 en 75 g/kg respectievelijk 4 en 20 g/kg.
De eisen gesteld aan de herhaalbaarheid van het controlemonster zijn gelijk aan die van de monsters, dus voor stikstof 4% en voor fosfor 6%.
Er wordt een controlekaart voor stikstof en voor fosfor opgesteld waarin de gemiddelde waardes van de duplobepalingen worden uitgezet. Hierbij bedraagt de standaardafwijking van de gemiddelde waarde van het controlemonster voor stikstof 2,29% en voor fosfor 3,42%. Toelichting: Deze percentages zijn berekend aan de hand van de herhaalbaarheid, waarbij de vereiste herhaalbaarheid gedeeld wordt door 2,8 en vervolgens met 1,6 wordt vermenigvuldigd teneinde de variatie tussen meetreeksen mee te nemen: intralaboratoriumreproduceerbaarheid.
Een nieuwe controlekaart wordt opgestart door minimaal vijf maal de verrichting in duplo uit te voeren in het nieuwe materiaal in verschillende al dan niet opeenvolgende series. Hieruit wordt berekend of het monstermateriaal voldoet aan de gestelde eisen voor gemiddelde en de herhaalbaarheid. Is dit het geval dan wordt de gemiddelde waarde van deze 10 waarnemingen (5 maal 2) genomen als startpunt van de controlekaart. Aan de hand van dit gemiddelde en de relatieve waarde van de toegestane standaardafwijking worden de ±2s en ±3s grenzen berekend en weergegeven in de kaart. De gegevens dienen van een periode te zijn dat de bepaling beheerst werd uitgevoerd, d.w.z. uit goedgekeurde series.
Wanneer meer gegevens van het controlemonster beschikbaar komen uit analyse van volgende series kan het zijn dat de schatting van de gemiddelde waarde uit de testgegevens afwijkt van die uit de aanvullende gegevens. In dat geval mag na 15 series opnieuw het gemiddelde en de bijbehorende ±2s en ±3s grenzen worden berekend. De reden van verandering van deze grenzen dient gedocumenteerd te worden.
Van een organisatie die geaccrediteerd is volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 die gelden voor een type A-instelling, wordt voor accreditatie aanvullend geëist dat het voldoet aan onderdelen beschreven in NEN-EN-ISO/IEC 17025:
Van een organisatie die geaccrediteerd is volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 die gelden voor een type A-instelling, wordt voor accreditatie aanvullend geëist dat het voldoet aan onderdelen beschreven in NEN-EN-ISO/IEC 17025:
Ten behoeve van de kennisuitwisseling tussen geaccrediteerde monsternemende organisaties op strategisch en uitvoerend niveau vindt minimaal één keer per jaar een harmonisatieoverleg plaats. De geaccrediteerde monsternemende organisaties nemen actief deel aan dit overleg. Aan het harmonisatieoverleg neemt ook een vertegenwoordiging van het Ministerie van LNV deel. Daarnaast kan de RvA gevraagd of ongevraagd deelnemen aan dit overleg.
Doel van het harmonisatieoverleg is het continu bewaken en verbeteren van de kwaliteit en onafhankelijkheid van de monsterneming en de ontwikkeling van de systematiek van en kennisuitwisseling over bemonstering tussen geaccrediteerde monsternemende organisaties op strategisch en uitvoerend niveau. In dat kader coördineert het harmonisatieoverleg onder andere het ringonderzoek (zie 8.3).
### 7.2. Vrachtbemonstering
Het harmonisatieoverleg adviseert de Minister van LNV over het systeem van onafhankelijke monstername en het functioneren daarvan.
Bij een ringonderzoek nemen de monsternemers van de deelnemende monsternemende organisaties uit dezelfde vracht een monster en stellen een laboratoriummonster samen. Beoordeeld wordt of de monsternames en het samenstellen van de laboratorium monsters plaatsvinden conform het daarvoor geldende protocol. De beoordelingscommissie is samengesteld uit monsternemers van de verschillende deelnemende monsternemende organisaties, eventueel aangevuld met experts van derden.
In het harmonisatieoverleg bepalen de geaccrediteerde monsternemende organisatie jaarlijks de frequentie van het ringonderzoek. Een monsternemende organisatie dient minimaal twee keer per jaar voor zijn geaccrediteerde verrichtingen aan ringonderzoek deel te nemen. Het ringonderzoek wordt gecoördineerd en uitgewerkt in het harmonisatieoverleg (zie 8.2).
Van onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) is sprake in de volgende gevallen:
Bij onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) moeten de volgende maatregelen worden genomen:
### § 6.2.3. Duplo-analyse
Alle mestmonsters worden, na de voorgeschreven monstervoorbehandeling, in duplo onder herhaalbaarheidscondities geanalyseerd. Indien de serie waarin het desbetreffende monster zich bevindt aan de eisen voldoet, worden vervolgens de meetresultaten van het individuele mestmonster beoordeeld aan de hand van de herhaalbaarheidseisen. Voldoet een monster aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend en geregistreerd.
Voldoet een monster niet aan de gestelde eisen dan wordt de analyse opnieuw uitgevoerd in duplo. Voldoet het monster bij herhaling wel aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend van de laatste twee meetresultaten en geregistreerd. De eerder gevonden resultaten worden verworpen.
Voldoet het monster bij herhaling wederom niet aan de gestelde herhaalbaarheidseisen dan wordt het gemiddelde berekend van de twee middelste meetresultaten. Bij de rapportage wordt hiervan melding gemaakt: ‘mediaan van 4 waarnemingen’.
Uitgangspunten daarbij zijn:
Uitgangspunten daarbij zijn:
De tweedelijnscontrole omvat de beoordeling van de onder herhaalbaarheidsomstandigheden verkregen analyseresultaten van het tweedelijnscontrolemonster teneinde het concentratieniveau van de analysemethode voor de desbetreffende tijdsperiode te bewaken. Het gaat dus om de langere termijn bewaking van het analyseniveau.
Voor de controle die plaatsvindt door de NVWA (nalevingstoezicht) wordt verwezen naar paragraaf 10.
Voor de controle die plaatsvindt door de NVWA (nalevingstoezicht) wordt verwezen naar paragraaf 10.
Door de RvA wordt periodiek (minimaal iedere twee jaar), maar ook steekproefsgewijs controle uitgevoerd op de eisen van AP06.
De RvA heeft de mogelijkheid om een accreditatie in te trekken, of de gehele of een deel van de scope (tijdelijk) te schorsen. De RvA oordeelt naar bevinden.
In geval van een schorsing of intrekking van de accreditatie meldt de RvA dit terstond aan de Minister van LNV. Indien de accreditatie is ingetrokken of geschorst, mag een organisatie geen mestmonsters nemen ten behoeve van de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054).
In geval van een schorsing of intrekking van de accreditatie meldt de RvA dit terstond aan de Minister van LNV. Indien de accreditatie is ingetrokken of geschorst, mag een organisatie geen mestmonsters nemen ten behoeve van de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054).
Het laboratorium dient een tweedelijnscontrolemonster in duplo te analyseren met een frequentie van eenmaal per twee weken. Hierbij doorloopt het monster zo veel mogelijk de gehele procedure van alle in dit accreditatieprogramma genoemde parameters. Wanneer er in de periode van twee weken geen mestmonsters zijn geanalyseerd door het laboratorium dan kan de tweedelijnscontrole tijdelijk worden onderbroken.
Het tweedelijnscontrolemonster dient een ander monster te zijn dan het controlemonster dat gebruikt wordt voor de eerstelijnscontrole en dient – voor zover mogelijk – onherkenbaar bepaald te worden.
Het controlemonster dient te bestaan uit een mengsel van met wijnsteenzuur voorbehandelde, gedroogde en gemalen vaste mest. Het gehalte aan stikstof en fosfor dient te liggen tussen 25 en 75 g/kg resp. 4 en 20 g/kg. De aangemaakte hoeveelheid monster dient voldoende te zijn voor een periode van 10 jaar.
De eisen gesteld aan de herhaalbaarheid van het controlemonster zijn gelijk aan die van de monsters, dus voor stikstof 4% en voor fosfor 6%.
Het opstellen van de controlekaart is gelijk aan het opstellen van de controlekaart voor eerstelijns controles (zie § 6.2.1.)
Naast de beoordelingen door de RvA ziet de NVWA toe op naleving van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Daarbij kan de NVWA ook eisen uit AP06 betrekken.
Iedere monsternemende organisatie stuurt de planning van de bedrijfsbezoeken de werkdag van te voren voor 15:00 uur naar de NVWA ([artikel 78l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78l&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de regeling). Hierdoor heeft de NVWA de mogelijkheid om ter plaatse en ten tijde van de monsterneming aanwezig te zijn om de uitvoering door de monsternemer van het protocol te beoordelen en om zo nodig (op een later tijdstip) zelf een controlemonster te nemen.
De NVWA-inspecteur zal daarbij aandacht hebben voor:
Daarnaast kan de NVWA-inspecteur zelf ook monsters nemen om de analyse-uitslagen met elkaar te vergelijken.
Daarnaast kan de NVWA-inspecteur zelf ook monsters nemen om de analyse-uitslagen met elkaar te vergelijken.
De resultaten worden beoordeeld door een persoon die onafhankelijk is van de uitvoerende medewerkers.
Van onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) is sprake in de volgende gevallen:
Wanneer sprake is van onbeheerste kwaliteit moet het laboratorium een onderzoek instellen naar de oorzaak. In het geval sprake is van niet voldoen aan de herhaalbaarheidseis, dan dient het tweedelijnscontrolemonster in een volgende serie opnieuw geanalyseerd te worden. De conclusies betreffende het onderzoek worden vermeld bij de kwaliteitscontrolekaart.
Jaarlijks worden de resultaten van de tweedelijnscontrole intern geëvalueerd en vastgelegd.
Voor het opstellen van accreditatieprogramma voor vaste mest is gebruik gemaakt van beschikbare informatie van de RvA en de Vlaamse Land Maatschappij. Bij het opstellen van paragraaf 5 is advies ingewonnen bij de Commissie Deskundigen Meststoffen en Wageningen Universiteit en Research.
Raad voor Accreditatie, Accreditatie van monsterneming, RvA-T021-NL
Voor de tweedelijnscontrole dienen de volgende procedurele aspecten in een apart document of in het kwaliteitssysteem van het laboratorium te zijn opgenomen:
NEN EN ISO/IEC 17025 Algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria.
NEN EN ISO/IEC 17020 Conformiteitsbeoordeling – Algemene criteria voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren.
Het doel van de derdelijnscontrole is het continu borgen van de analytische kwaliteit van de laboratoria voor de bepaling van stikstof en fosfaat volgens AP05. De derdelijnscontrole bestaat uit twee onderdelen:
BAM – Bemonsterings- en analysemethodes voor vaste dierlijke mest in het kader van het mestdecreet, vaste dierlijke mestbemonstering, versie 3.1 juni 2010.
@@ -3352,127 +3330,127 @@
### onderdeel A
De monsternemende organisatie dient minimaal twee keer per jaar voor zijn geaccrediteerde verrichtingen aan ringonderzoek deel te nemen. Het ringonderzoek wordt gecoördineerd en uitgewerkt in het harmonisatieoverleg. Uitgangspunten daarbij zijn:
Ten aanzien van ringonderzoeken dienen de volgende procedurele aspecten in een apart document of in het kwaliteitssysteem van het laboratorium te zijn opgenomen:
Door de RvA wordt periodiek (minimaal iedere 2 jaar), maar ook steekproefsgewijs controle uitgevoerd op de eisen van AP06.
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
De RvA heeft de mogelijkheid om een accreditatie in te trekken, of de gehele of een deel van de scope (tijdelijk) te schorsen. De RvA oordeelt naar bevinden.
In geval van een schorsing of intrekking van de accreditatie meldt de RvA dit terstond aan de minister van Economische Zaken. Indien de accreditatie is ingetrokken of geschorst, mag een organisatie geen mestmonsters nemen ten behoeve van de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054).
Waarbij Xlab de door het laboratorium gemeten waarde van het monster is, Xgem de toegekende gemiddelde waarde van het monster (na verwijdering van uitbijters) is en s de standaardafwijking van alle gemeten waarden van het monster (na verwijdering van uitbijters).
Het resultaat van een parameter is significant afwijkend t.a.v. de toegekende waarde indien:
Per parameter wordt een toets op systematische afwijkingen uitgevoerd. Hiervoor wordt na elk ringonderzoek per parameter het gemiddelde van de Z-scores van de laatste drie ringonderzoeken berekend. Deze gemiddelde Z-waarde dient tussen +1 en -1 te liggen.
### Hoofdstuk 1. Introductie
Deze bijlage is geschreven voor de uitvoering en kwaliteitsborging van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het accreditatieprogramma omvat zowel een beschrijving voor de toelating tot en de periodieke herbeoordeling van de accreditatie van laboratoria, als een beschrijving van het beheerssysteem waarmee de kwaliteit van de laboratoria tussentijds geborgd is. Dit accreditatieprogramma wordt verder aangeduid als AP05.
De resultaten van de ringonderzoeken en de evaluatie worden door de uitvoerende instantie aan het laboratorium en aan de minister gerapporteerd.
### § 6.4.2. Steekproef
De technische beschrijvingen van de verrichtingen en het maken van mengmonsters is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is kwaliteitsborging middels de eerste-, tweede- en derdelijnscontrole omschreven die minimaal moet worden toegepast tijdens de uitvoering van verrichtingen die onder dit accreditatieprogramma vallen. Hoofdstuk 7 beschrijft de rapportage van de resultaten en de aspecten die verband houden met heranalyse.
Een aantal keren per jaar worden op het laboratorium reeds geanalyseerde monsters aselect verzameld ten behoeve van heranalyse door het RIKILT, Wageningen UR. Het aantal te verzamelen monsters bedraagt per laboratorium en per keer 30 tot 40. Dit gebeurt indien daar aanleiding toe bestaat onaangekondigd.
Het RIKILT bepaalt van elk monster in willekeurige volgorde het stikstof- en fosfaatgehalte volgens de referentiemethoden. Het laboratorium is verplicht vastgelegde stikstof- en fosfaatgehalten van desbetreffende monsters aan RIKILT beschikbaar te stellen, evenals aanvullende gegevens die nodig zijn om de analyseresultaten te kunnen vergelijken zoals eventuele (droog)factoren.
Laboratoria die wensen deel te nemen aan AP05 dienen zich aan te melden bij de Raad voor Accreditatie. Het laboratorium dient aan te tonen dat het bekend is met de specifieke kenmerken van de matrix dierlijke mest en dat de voorgeschreven analysemethoden goed kunnen worden uitgevoerd. Hiervoor moet vooraf een groot aantal monsters (200) onder beheerste condities geanalyseerd worden. Reden voor dit grote aantal analyses vooraf, is de diversiteit in de matrix mest (diersoorten, stalsystemen) en de daarbij behorende effecten op de gehalten. Als aangetoond is dat aan de kwaliteitseisen van AP05 kan worden voldaan kan het laboratorium worden geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. Vóórdat monsters in het kader van het stelsel van gebruiksnormen geanalyseerd mogen worden, dient ook de kwaliteitsbewaking opgestart te zijn, in de vorm van controlemonsters met de bijbehorende controlekaarten.
De resultaten worden door het RIKILT als volgt geëvalueerd.
Voor elk monster wordt voor stikstof en fosfaat het verschil berekend tussen het 10log getransformeerde meetresultaat van het laboratorium en het 10log getransformeerde meetresultaat van het RIKILT.
Vervolgens wordt per laboratorium de mediaan van deze verschillen berekend. Hierbij worden resultaten die beneden de rapportagegrens liggen weggelaten. De medianen van de verschillende laboratoria worden uitgezet in een controlekaart met de eerder berekende medianen uit acht vorige steekproeven inclusief de daaruit berekende ±2s- en ±3s-grenzen.
De ±2s en ±3s grenzen worden berekend op basis van de oude medianen uit acht vorige steekproeven door een variantie analyse uit te voeren, waarbij de medianen worden gebruikt als responsvariabelen en de factoren ‘laboratorium’ en ‘periode’ als random factoren in het model worden opgenomen. Bij deze berekening van grenzen worden medianen uit eerdere steekproeven die niet aan de normen voldeden (zie hierna) uitgesloten. De standaardafwijking s wordt berekend als de wortel van de som van s2lab en s2rest, waarbij s2lab de geschatte variantie-component voor de factor ‘laboratorium’ is en s2rest de geschatte rest-variantie-component betreft.
## Bijlage F
### § 3.1. Algemeen
### § 3.1. Algemeen
## Bijlage F
### Hoofdstuk 7. Rapportage van resultaten
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2018-06-06&g=2018-06-06) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69&z=2018-06-06&g=2018-06-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### § 3.2. Validatie van een verrichting volgens een referentiemethode
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
Fosfor (P) naar fosforpentoxide (P2O5): 2,29.
### **B. opmerkingscodes**
De meetresultaten voor stikstof en fosfaat worden bij een gehalte <10 g/kg afgerond op 2 decimalen, bij een gehalte ≥10 g/kg op 1 decimaal, en bij een gehalte ≥100 g/kg op 0 decimaal.
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; AP05
De berekende hoeveelheden fosfaat en stikstof – gebaseerd op het gehalte maal de vrachtomvang – wordt uitgedrukt in kilogrammen en afgerond op hele getallen.
Voor het lage concentratieniveau wordt de herhaalbaarheid vergeleken met de herhaalbaarheid voor het betreffende element in hoofdstuk 6, en deze moet kleiner of gelijk te zijn aan de herhaalbaarheid voor het lage concentratieniveau. Voor het hoge concentatieniveau moet de berekende herhaalbaarheid eerst worden gedeeld door het gemiddelde van alle metingen voor het desbetreffende element. Deze moet kleiner of gelijk zijn aan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor het hoge concentratieniveau.
### § 3.3. Gelijkwaardigheidsonderzoek van een huismethode
### Tabel IV behorende bij de [artikelen 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57&z=2015-05-28&g=2015-05-28), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57a&z=2015-05-28&g=2015-05-28), [57b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57b&z=2015-05-28&g=2015-05-28) en [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2015-05-28&g=2015-05-28)
Daarnaast dient aangetoond te worden dat de verschillen tussen de huismethode en de referentiemethode binnen acceptabele grenzen liggen. Hiervoor dienen de monsters die zijn gebruikt voor het bepalen van de herhaalbaarheid van de huismethode tevens met de referentiemethode te worden gemeten in duplo.
Analysemonsters moeten bewaard worden tot het verstrijken va de eindtermijn voor het doen van een heranalyse. Producenten en afnemers van de mest kunnen tot tien dagen na verzending van het analyserapport bij het laboratorium een verzoek indienen om heranalyse(s) uit te voeren. Dit verzoek moet schriftelijk via de vervoerder worden ingediend. Heranalyse is slechts één maal mogelijk en vindt in hetzelfde laboratorium plaats als waar het monster voor analyse is aangeboden.
Heranalyse vindt plaats in duplo onder herhaalbaarheidscondities, op het gekoeld bewaarde analysemonster, binnen 21 dagen na de eerste verslaglegging.
De duploresultaten van de heranalyse dienen te voldoen aan de eisen voor de herhaalbaarheid, voor stikstof 4% en voor fosfor 6%. Voldoet een monster niet aan deze eisen dan wordt de analyse opnieuw uitgevoerd in duplo. Voldoet het monster bij herhaling wel aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend van de laatste 2 meetresultaten. De eerder gevonden duploresultaten worden dan verworpen.
Voldoet het monster bij herhaling wederom niet aan de gestelde herhaalbaarheidseisen dan wordt het gemiddelde berekend van de 4 meetresultaten. Bij de eventuele rapportage wordt hiervan melding gemaakt.
Indien het gemiddelde meetresultaat van de heranalyse voor stikstof en fosfor niet meer dan 6,4% resp. 9,8% afwijkt van het resultaat de eerste analyse, is er sprake van een bevestiging van het resultaat voor het hoge concentratie concentratieniveau (zie hoofdstuk 6). Wanneer de gemeten gehaltes gemiddeld lager zijn dan 2,5 g/kg stikstof of 0,5 g/kg fosfor (het lage concentratie niveau) dan is er sprake van een bevestiging van het resultaat wanneer het verschil niet meer dan 0,16 en 0,05 g/kg bedraagt.
De aanvrager van de heranalyse ontvangt in dat geval van het laboratorium bericht van de bevestiging waarbij aangegeven wordt dat het eerder gerapporteerde resultaat onverkort van toepassing blijft.
Wanneer de analyseresultaten niet worden bevestigd, wordt door het laboratorium een gewijzigd analyserapport verzonden aan de leverancier, vervoerder en afnemer van de vracht of partij mest en daarmee vervalt het eerste analyseresultaat. Op het analyserapport wordt aangegeven dat het een heranalyse betreft.
Het laboratorium controleert of de inkomende monsters
Periodiek moet het laboratorium in ieder geval de volgende gegevens aan de minister rapporteren:
Het laboratorium weegt elk monster en registreert het gewicht. Het gewicht wordt tegelijk met de analyseresultaten gerapporteerd aan de vervoerder en in de periodieke rapportage aan de minister. Indien het gewicht van het monster te laag is, wordt dit monster niet geanalyseerd en mag niet worden gemengd in een mengmonster.
De meetgegevens van het laboratorium dienen gedurende minimaal 5 jaar te worden gearchiveerd en wel zodanig dat de meetresultaten kunnen worden geherinterpreteerd en snel en handzaam terugvindbaar zijn. Dit geldt ook voor de validatiegegevens en de analyserapporten.
Het is toegestaan de meetgegevens elektronisch op te slaan vermits voldaan wordt aan de relevante eisen uit de NEN-EN-ISO/IEC 17025.
### Hoofdstuk 9. Controle op naleving
De steeksproefgewijze controle op de naleving van de eisen van AP05 wordt uitgevoerd door de Raad voor Accreditatie. De Raad voor Accreditatie oordeelt naar bevinden. Als richtlijn wordt aangehouden dat een laboratorium haar accreditatie status verliest wanneer het voor een periode van 2 jaar niet aan de eisen voor de ringonderzoeken en/of de steekproeven voldoet. In geval van een schorsing of intrekking van de accreditatie zal dit door de Raad voor Accreditatie worden gemeld aan de minister. Indien de accreditatie is ingetrokken, mag een laboratorium geen analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest meer uitvoeren.
Aansluitend op deze controlerende taak van de Raad voor Accreditatie ziet de NVWA toe op naleving van AP05 en op artikel 80 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
De resultaten van de ringtesten zullen door de uitvoerende instantie of instanties aan de minister gerapporteerd worden. Mochten de resultaten van de ringtesten aanleiding geven tot vragen betreffende de kwaliteit van een laboratorium dan zal op verzoek van de minister de ringtest gedecodeerd worden. Indien gewenst kan de minister de RvA opdracht geven een extra onderzoek in te stellen.
De RvA zal in een jaarlijkse geanonimiseerde rapportage aan de minister haar bevindingen weergeven. Tevens zullen de branchebreed waargenomen afwijkingen/tekortkomingen worden behandeld. Hiermee kunnen mogelijke knelpunten die zich in de praktijk voordoen worden opgespoord en zo nodig worden aangepast in het accreditatieprogramma.
### Hoofdstuk 1. Introductie
Deze bijlage is geschreven voor de uitvoering en kwaliteitsborging van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het accreditatieprogramma omvat zowel een beschrijving voor de toelating tot en de periodieke herbeoordeling van de accreditatie van laboratoria, als een beschrijving van het beheerssysteem waarmee de kwaliteit van de laboratoria tussentijds geborgd is. Dit accreditatieprogramma wordt verder aangeduid als AP05.
AP05 dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van metingen van stikstof en fosfaat in dierlijke mest zowel binnen een laboratorium als tussen laboratoria op langere termijn te waarborgen.
### 12. Literatuur
De technische beschrijvingen van de verrichtingen en het maken van mengmonsters is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is kwaliteitsborging middels de eerste-, tweede- en derdelijnscontrole omschreven die minimaal moet worden toegepast tijdens de uitvoering van verrichtingen die onder dit accreditatieprogramma vallen. Hoofdstuk 7 beschrijft de rapportage van de resultaten en de aspecten die verband houden met heranalyse.
In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.
In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.
Laboratoria die wensen deel te nemen aan AP05 dienen zich aan te melden bij de Raad voor Accreditatie. Het laboratorium dient aan te tonen dat het bekend is met de specifieke kenmerken van de matrix dierlijke mest en dat de voorgeschreven analysemethoden goed kunnen worden uitgevoerd. Hiervoor moet vooraf een groot aantal monsters (200) onder beheerste condities geanalyseerd worden. Reden voor dit grote aantal analyses vooraf, is de diversiteit in de matrix mest (diersoorten, stalsystemen) en de daarbij behorende effecten op de gehalten. Als aangetoond is dat aan de kwaliteitseisen van AP05 kan worden voldaan kan het laboratorium worden geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. Vóórdat monsters in het kader van het stelsel van gebruiksnormen geanalyseerd mogen worden, dient ook de kwaliteitsbewaking opgestart te zijn, in de vorm van controlemonsters met de bijbehorende controlekaarten.
Indien in dit document de Raad voor Accreditatie wordt genoemd kan dit ook een accreditatieorganisatie zijn waarmee de Raad voor Accreditatie een Multi Lateral Agreement MLA {EA}, MRA {ILAC} heeft gesloten.
Om voor accreditatie voor AP05 in aanmerking te komen, moet het laboratorium door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025: IDT (general requirements for the competence of testing and calibration laboratories).
Een laboratorium moet de verrichtingen die in hoofdstuk 3 van AP05 zijn vermeld en waarvoor het laboratorium is geaccrediteerd te allen tijden kunnen uitvoeren.
Indien AP05 wordt gewijzigd, dient het laboratorium zich daaraan binnen 6 maanden te conformeren, tenzij anders bepaald. In een dergelijke situatie ligt de verantwoordelijkheid voor het nemen van initiatieven met betrekking tot onderzoek door de RvA bij de laboratoria.
## Bijlage F
### § 3.1. Algemeen
### § 3.1. Algemeen
## Bijlage F
### onderdeel A
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2018-06-06&g=2018-06-06) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69&z=2018-06-06&g=2018-06-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### § 3.2. Validatie van een verrichting volgens een referentiemethode
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
In eerste instantie wordt van 200 monsters het stikstof- en fosfaatgehalte in duplo bepaald. Vervolgens worden de resultaten waarbij het stikstof- en/of fosfaatgehalte beneden de minimale rapportagewaarde (zie § 7.1) ligt weggelaten. Deze worden vervangen door aanvullende metingen aan nieuwe monsters zodat het totaal aantal duplobepalingen dat boven de minimale rapportagewaarde voor stikstof en fosfaat ligt uiteindelijk 200 bedraagt.
### **B. opmerkingscodes**
De herhaalbaarheid wordt vervolgens berekend uit de standaarddeviatie van de duplobepalingen voor stikstof en fosfor. Wanneer het relevant is wordt deze berekening afzonderlijk uitgevoerd voor beide concentratieniveaus. De standaarddeviatie van de duplobepalingen (SDduplo) wordt berekend met:
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; AP05
Voor het lage concentratieniveau wordt de herhaalbaarheid vergeleken met de herhaalbaarheid voor het betreffende element in hoofdstuk 6, en deze moet kleiner of gelijk te zijn aan de herhaalbaarheid voor het lage concentratieniveau. Voor het hoge concentatieniveau moet de berekende herhaalbaarheid eerst worden gedeeld door het gemiddelde van alle metingen voor het desbetreffende element. Deze moet kleiner of gelijk zijn aan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor het hoge concentratieniveau.
Voor het lage concentratieniveau wordt de herhaalbaarheid vergeleken met de herhaalbaarheid voor het betreffende element in hoofdstuk 6, en deze moet kleiner of gelijk te zijn aan de herhaalbaarheid voor het lage concentratieniveau. Voor het hoge concentatieniveau moet de berekende herhaalbaarheid eerst worden gedeeld door het gemiddelde van alle metingen voor het desbetreffende element. Deze moet kleiner of gelijk zijn aan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor het hoge concentratieniveau.
### § 3.3. Gelijkwaardigheidsonderzoek van een huismethode
### Tabel IV behorende bij de [artikelen 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57&z=2015-05-28&g=2015-05-28), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57a&z=2015-05-28&g=2015-05-28), [57b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57b&z=2015-05-28&g=2015-05-28) en [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2015-05-28&g=2015-05-28)
Daarnaast dient aangetoond te worden dat de verschillen tussen de huismethode en de referentiemethode binnen acceptabele grenzen liggen. Hiervoor dienen de monsters die zijn gebruikt voor het bepalen van de herhaalbaarheid van de huismethode tevens met de referentiemethode te worden gemeten in duplo.
De resultaten van de duplobepalingen dienen te worden gemiddeld. Vervolgens wordt van beide bepalingen (huismethode en referentiemethode) het relatieve verschil berekend door het resultaat van de huismethode af te trekken van het resultaat van de referentiemethode en dit verschil te delen door het resultaat zoals verkregen met de referentiemethode en dit te vermenigvuldigen met 100%.
Tot slot wordt de mediane waarde van deze relatieve verschillen bepaald zonder een onderscheid te maken tussen de twee concentratieniveaus. De mediaan van deze verschillen dient voor stikstof en fosfor kleiner te zijn dan 2.5%. Bij het uitvoeren van de bepalingen mogen de meetresultaten op generlei wijze voor systematische verschillen gecorrigeerd worden.
Tot slot wordt de mediane waarde van deze relatieve verschillen bepaald zonder een onderscheid te maken tussen de twee concentratieniveaus. De mediaan van deze verschillen dient voor stikstof en fosfor kleiner te zijn dan 2.5%. Bij het uitvoeren van de bepalingen mogen de meetresultaten op generlei wijze voor systematische verschillen gecorrigeerd worden.
Indien in dit document de Raad voor Accreditatie wordt genoemd kan dit ook een accreditatieorganisatie zijn waarmee de Raad voor Accreditatie een Multi Lateral Agreement MLA {EA}, MRA {ILAC} heeft gesloten.
Het laboratorium controleert bij ontvangst of de verpakking van een monster voldoet aan de eisen. Hierbij controleert het laboratorium de volgende punten:
Bij evidente ondeugdelijkheid van de verpakking wordt het monster niet in bewerking genomen. In geval van een mengmonster worden ook de bijbehorende monsters niet in bewerking genomen. Binnen 24 uur wordt melding gedaan van bovenstaande punten aan de meldkamer van de NVWA en het monster of de monsters worden gedurende maximaal 28 dagen gekoeld opgeslagen. De NVWA beslist wat verder met de monsters dient te gebeuren.
Bij evidente ondeugdelijkheid van de verpakking wordt het monster niet in bewerking genomen. In geval van een mengmonster worden ook de bijbehorende monsters niet in bewerking genomen. Binnen 24 uur wordt melding gedaan van bovenstaande punten aan de meldkamer van de NVWA en het monster of de monsters worden gedurende maximaal 28 dagen gekoeld opgeslagen. De NVWA beslist wat verder met de monsters dient te gebeuren.
Het laboratorium controleert of de inkomende monsters
Het laboratorium weegt elk monster en registreert het gewicht. Het gewicht wordt tegelijk met de analyseresultaten gerapporteerd aan de vervoerder en in de periodieke rapportage aan de minister. Indien het gewicht van het monster te laag is, wordt dit monster niet geanalyseerd en mag niet worden gemengd in een mengmonster.
Het laboratorium weegt elk monster en registreert het gewicht. Het gewicht wordt tegelijk met de analyseresultaten gerapporteerd aan de vervoerder en in de periodieke rapportage aan de minister. Indien het gewicht van het monster te laag is, wordt dit monster niet geanalyseerd en mag niet worden gemengd in een mengmonster.
Het laboratorium registreert van elk inkomende monster de volgende gegevens:
Het laboratorium registreert van elk inkomende monster de volgende gegevens:
### § 4.4. Monsteropslag en conservering
Het laboratorium bewaart inkomende monsters gekoeld bij 4±3°C. Wanneer de monsters op de dag van ontvangst of de daarop volgende dag in bewerking worden genomen behoeft koeling niet plaats te vinden.
De herhaalbaarheid wordt getoetst aan de hand van een representatieve steekproef van de mestsoorten die het laboratorium ontvangt en de concentratieniveaus waarin stikstof en fosfor in de desbetreffende mestsoorten voorkomt.
Als sprake is van het maken van een mengmonster dan wordt dit aangegeven op een begeleidingsformulier dat de vervoerder met de betreffende monsters meestuurt. Voor het maken van mengmonsters moet wat betreft de te volgen procedure onderscheid gemaakt worden tussen drijfmest en vaste mest.
Als sprake is van het maken van een mengmonster dan wordt dit aangegeven op een begeleidingsformulier dat de vervoerder met de betreffende monsters meestuurt. Voor het maken van mengmonsters moet wat betreft de te volgen procedure onderscheid gemaakt worden tussen drijfmest en vaste mest.
Voor het mengen van monsters drijfmest geldt de volgende procedure:
Voor het mengen van monsters drijfmest geldt de volgende procedure:
Voor het mengen van monsters vaste mest geldt de volgende procedure:
Voor het mengen van monsters vaste mest geldt de volgende procedure:
De monstervoorbehandeling van drijfmest moet uitgevoerd worden conform NEN 7430: ‘Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest’. Het aldus verkregen analysemonster drijfmest (minimale omvang ca. 250 ml) dient bij 4±3°C bewaard te worden.
Drijfmest met een geschat drogestofgehalte groter dan 15% wordt verdund met water. Hierbij dient de hoeveelheid in bewerking genomen mest en de toegevoegde hoeveelheid water gewogen te worden voor berekening van de verdunningsfactor. De mest dient zo nodig uit de monsterverpakking gespoeld te worden. Ook hierbij moet de verdunningsfactor worden berekend. De totale hoeveelheid mest wordt vastgesteld door begin- en eindgewicht van de monsterverpakkingen te registreren.
De monstervoorbehandeling van vaste mest en gedroogde mest moet uitgevoerd worden conform de procedure in § 5.1.2. en aansluitend volgens het betreffende onderdeel van NEN 7431 (volg protocol met toevoeging van wijnsteenzuur).
De monstervoorbehandeling van vaste mest en gedroogde mest moet uitgevoerd worden conform de procedure in § 5.1.2. en aansluitend volgens het betreffende onderdeel van NEN 7431 (volg protocol met toevoeging van wijnsteenzuur).
De dierlijke mest wordt ontsloten volgens NEN 7433 met een mengsel van zwavelzuur, waterstofperoxyde en kopersulfaat, waarbij stikstof en fosfor in een zodanige chemische vorm in oplossing worden gebracht, dat zonder verdere voorbehandeling (behalve verdunnen en het toevoegen van reagentia) een bepaling van stikstof en fosfor met instrumentele methoden mogelijk is. Van de mest wordt, indien gehomogeniseerd volgens NEN 7430, een hoeveelheid tussen 4 en 6 ml in bewerking genomen of, indien gedroogd en gemalen volgens NEN 7431, een hoeveelheid van ca. 1 gram.
NEN 7430: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest.
NEN 7431: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door mengen, drogen en malen. Stapelbare mest
NEN 7433: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling voor de bepaling van stikstof, fosfor en kalium. Ontsluiting met zwavelzuur, waterstofperoxyde en kopersulfaat.
NEN-EN 14672:2005: Karakterisering van slib – Bepaling van het totale gehalte aan fosfor
NEN 7434: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan stikstof in destruaten.
NEN 7435 (2e ontwerp): Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan fosfor in destruaten.
NEN 7437: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof.
Opzet van ringonderzoeken en interpretatie van resultaten, R94.012 (3de versie), Kwaliteitsdienst Landbouwkundige Laboratoria, TNO voeding.
### Hoofdstuk 4. Controle en registratie inkomende monsters
@@ -3488,142 +3466,142 @@
Eerstelijnscontrole – Interne controle door de uitvoerenden van de verrichting zelf.
Tweedelijnscontrole – Interne controle onafhankelijk van de uitvoerenden.
### § 4.4. Monsteropslag en conservering
xiii mineralenconcentraat dat is geproduceerd door een overeenkomstig [artikel 35b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35b&z=2021-02-18&g=2021-02-18) aangewezen producent en dat wordt vervoerd naar een in [artikel 35f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35f&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde landbouwer.
### Tabel IV behorende bij de [artikelen 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [57b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57b&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-02-18&g=2021-02-18)
De kwaliteitsborging van het laboratorium dient te zijn vastgelegd in eerste, tweede en derdelijnsdocumenten, waarin de volgende aspecten dienen te worden ondergebracht:
### Hoofdstuk 5. Technische beschrijving van verrichtingen
### **A. Protocol analyse gehalten stikstof, fosfaat en drogestof zuiveringsslib en compost**
De kwaliteitsborging is vastgelegd in de herhaalbaarheid. Voor stikstof en fosfor in dierlijke mest is deze, afhankelijk van het concentratieniveau, als volgt:
Voor het lage concentratieniveau is de herhaalbaarheid uitgedrukt als een absoluut verschil tussen duplobepalingen, terwijl de herhaalbaarheid voor het hoge concentratieniveau is uitgedrukt als een percentage van de gemiddelde waarde van een duplobepaling.
CSS 99022 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method. (www.ecn.nl/horizontal).
Drijfmest, die verdund is met water voor het verkrijgen van een goed analysemonster, wordt getoetst op herhaalbaarheid in het analysemonster vóórdat het in het analysemonster verkregen gehalte teruggerekend wordt naar het oorspronkelijke monster. Dit geldt ook voor de vaste mest die al dan niet voorbehandeld is met wijnsteenzuur en gemalen teneinde een geschikt analysemonster te verkrijgen.
### § 6.2. Eerstelijnscontrole
### **3. Fosfaat (P2O5)**
Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge (www.ecn.nl/horizontal).
Het controlemonster van de eerstelijn dient om het concentratieniveau van een serie monsters te bewaken. Uitgangspunt is dat het gebruikte monstermateriaal gedurende de gebruiksperiode niet verandert van samenstelling. Om te garanderen dat het controlemonster drijfmest over lange periode stabiel blijft dient het te worden bewaard bij een temperatuur van 4°C of lager. Het (met wijnsteenzuur behandelde en gedroogde) controlemonster vaste mest dient bij kamertemperatuur bewaard te worden.
Wanneer in één maand één monster wordt aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt de berekening van het twaalf-maandsgemiddelde gemaakt op basis van het analyseresultaat van dit monster.
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
Door het aldus verkregen analyseresultaat (fosfaatgehalte en stikstofgehalte en drogestofgehalte afzonderlijk) toe te voegen aan de som van de analyseresultaten van de voorgaande maanden (maximaal 11) en deze som te delen door het totale aantal maanden (maximaal 12), wordt het nieuwe twaalf-maandsgemiddelde berekend.
Er wordt een controlekaart voor stikstof en voor fosfor opgesteld waarin de gemiddelde waardes van de duplobepalingen worden uitgezet. Hierbij bedraagt de standaardafwijking van de gemiddelde waarde van het controlemonster voor stikstof 2,29% en voor fosfor 3,42%. Toelichting: Deze percentages zijn berekend aan de hand van de herhaalbaarheid, waarbij de vereiste herhaalbaarheid gedeeld wordt door 2,8 en vervolgens met 1,6 wordt vermenigvuldigd teneinde de variatie tussen meetreeksen mee te nemen: intralaboratoriumreproduceerbaarheid.
Een nieuwe controlekaart wordt opgestart door minimaal vijf maal de verrichting in duplo uit te voeren in het nieuwe materiaal in verschillende al dan niet opeenvolgende series. Hieruit wordt berekend of het monstermateriaal voldoet aan de gestelde eisen voor gemiddelde en de herhaalbaarheid. Is dit het geval dan wordt de gemiddelde waarde van deze 10 waarnemingen (5 maal 2) genomen als startpunt van de controlekaart. Aan de hand van dit gemiddelde en de relatieve waarde van de toegestane standaardafwijking worden de ±2s en ±3s grenzen berekend en weergegeven in de kaart. De gegevens dienen van een periode te zijn dat de bepaling beheerst werd uitgevoerd, d.w.z. uit goedgekeurde series.
Wanneer meer gegevens van het controlemonster beschikbaar komen uit analyse van volgende series kan het zijn dat de schatting van de gemiddelde waarde uit de testgegevens afwijkt van die uit de aanvullende gegevens. In dat geval mag na 15 series opnieuw het gemiddelde en de bijbehorende ±2s en ±3s grenzen worden berekend. De reden van verandering van deze grenzen dient gedocumenteerd te worden.
Wanneer meer gegevens van het controlemonster beschikbaar komen uit analyse van volgende series kan het zijn dat de schatting van de gemiddelde waarde uit de testgegevens afwijkt van die uit de aanvullende gegevens. In dat geval mag na 15 series opnieuw het gemiddelde en de bijbehorende ±2s en ±3s grenzen worden berekend. De reden van verandering van deze grenzen dient gedocumenteerd te worden.
In [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:
Bij onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) moeten de volgende maatregelen worden genomen:
### § 6.2.3. Duplo-analyse
Alle mestmonsters worden, na de voorgeschreven monstervoorbehandeling, in duplo onder herhaalbaarheidscondities geanalyseerd. Indien de serie waarin het desbetreffende monster zich bevindt aan de eisen voldoet, worden vervolgens de meetresultaten van het individuele mestmonster beoordeeld aan de hand van de herhaalbaarheidseisen. Voldoet een monster aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend en geregistreerd.
Het uitgangspunt is dat de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd per gehalte met een voortschrijdend gemiddeld gehalte werkt. Dit gemiddelde gehalte wordt berekend per product per locatie (Dit betekent dat een product, afkomstig van 1 leverancier maar geleverd vanaf meerdere locaties, per locatie beschouwd moet worden. Zie echter ook 4.1.4 en 4.1.5) uit een aantal waarnemingen. Hij stelt hiertoe eerst het gemiddelde gehalte vast (aanvangsgemiddelde). Vervolgens onderhoudt hij dit gemiddelde gehalte door regelmatig monsters te (laten) analyseren en de analyseresultaten toe te voegen aan de gegevens, die nodig zijn om de gemiddelde gehalten te berekenen. De oudste gegevens worden telkens verwijderd (voorschrijdend gemiddelde).
### **3. Uitgangspunten**
Voldoet het monster bij herhaling wederom niet aan de gestelde herhaalbaarheidseisen dan wordt het gemiddelde berekend van de twee middelste meetresultaten. Bij de rapportage wordt hiervan melding gemaakt: ‘mediaan van 4 waarnemingen’.
De tweedelijnscontrole omvat de beoordeling van de onder herhaalbaarheidsomstandigheden verkregen analyseresultaten van het tweedelijnscontrolemonster teneinde het concentratieniveau van de analysemethode voor de desbetreffende tijdsperiode te bewaken. Het gaat dus om de langere termijn bewaking van het analyseniveau.
4.1.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd definieert zijn product(en) en legt dit vast. Belangrijk zijn uiteraard de voor de controle op de gebruiksnormen belangrijke parameters vocht/ds, ruw eiwit en fosfor. Van deze gehalten stelt de ondernemer de gemiddelde waarde en de standaarddeviatie (sd) vast.
### § 6.3.1. Controlemonster tweede lijn
4.1.2. Voor een nieuw product gebeurt dit als volgt:
4.1.2.1. Het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor berekent de ondernemer op basis van minimaal 5 analyse-uitslagen, verkregen in de eerste 3 maanden.
4.1.2.2. Gedurende de daarop volgende 6 maanden onderzoekt de ondernemer nogmaals minimaal 5 monsters van het product op vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.
### § 6.2. Eerstelijnscontrole
De eerstelijnscontrole is opgebouwd uit de beoordeling van de analyseresultaten van het controlemonster en van het analysemonster. In het kader van de kwaliteitsborging worden alle analyses in duplo onder herhaalbaarheidscondities uitgevoerd.
Het controlemonster van de eerstelijn dient om het concentratieniveau van een serie monsters te bewaken. Uitgangspunt is dat het gebruikte monstermateriaal gedurende de gebruiksperiode niet verandert van samenstelling. Om te garanderen dat het controlemonster drijfmest over lange periode stabiel blijft dient het te worden bewaard bij een temperatuur van 4°C of lager. Het (met wijnsteenzuur behandelde en gedroogde) controlemonster vaste mest dient bij kamertemperatuur bewaard te worden.
Door het laboratorium dient de omvang van de serie te worden vastgelegd. Per serie wordt het desbetreffende controlemonster in tweevoud onder herhaalbaarheidscondities geanalyseerd. Minimaal één controlemonster (drijfmest of vaste mest) per analysedag is vereist.
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
De eisen gesteld aan de herhaalbaarheid van het controlemonster zijn gelijk aan die van de monsters, dus voor stikstof 4% en voor fosfor 6%.
Er wordt een controlekaart voor stikstof en voor fosfor opgesteld waarin de gemiddelde waardes van de duplobepalingen worden uitgezet. Hierbij bedraagt de standaardafwijking van de gemiddelde waarde van het controlemonster voor stikstof 2,29% en voor fosfor 3,42%. Toelichting: Deze percentages zijn berekend aan de hand van de herhaalbaarheid, waarbij de vereiste herhaalbaarheid gedeeld wordt door 2,8 en vervolgens met 1,6 wordt vermenigvuldigd teneinde de variatie tussen meetreeksen mee te nemen: intralaboratoriumreproduceerbaarheid.
Een nieuwe controlekaart wordt opgestart door minimaal vijf maal de verrichting in duplo uit te voeren in het nieuwe materiaal in verschillende al dan niet opeenvolgende series. Hieruit wordt berekend of het monstermateriaal voldoet aan de gestelde eisen voor gemiddelde en de herhaalbaarheid. Is dit het geval dan wordt de gemiddelde waarde van deze 10 waarnemingen (5 maal 2) genomen als startpunt van de controlekaart. Aan de hand van dit gemiddelde en de relatieve waarde van de toegestane standaardafwijking worden de ±2s en ±3s grenzen berekend en weergegeven in de kaart. De gegevens dienen van een periode te zijn dat de bepaling beheerst werd uitgevoerd, d.w.z. uit goedgekeurde series.
Wanneer meer gegevens van het controlemonster beschikbaar komen uit analyse van volgende series kan het zijn dat de schatting van de gemiddelde waarde uit de testgegevens afwijkt van die uit de aanvullende gegevens. In dat geval mag na 15 series opnieuw het gemiddelde en de bijbehorende ±2s en ±3s grenzen worden berekend. De reden van verandering van deze grenzen dient gedocumenteerd te worden.
Wanneer meer gegevens van het controlemonster beschikbaar komen uit analyse van volgende series kan het zijn dat de schatting van de gemiddelde waarde uit de testgegevens afwijkt van die uit de aanvullende gegevens. In dat geval mag na 15 series opnieuw het gemiddelde en de bijbehorende ±2s en ±3s grenzen worden berekend. De reden van verandering van deze grenzen dient gedocumenteerd te worden.
Van onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) is sprake in de volgende gevallen:
Bij onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) moeten de volgende maatregelen worden genomen:
### § 6.2.3. Duplo-analyse
Alle mestmonsters worden, na de voorgeschreven monstervoorbehandeling, in duplo onder herhaalbaarheidscondities geanalyseerd. Indien de serie waarin het desbetreffende monster zich bevindt aan de eisen voldoet, worden vervolgens de meetresultaten van het individuele mestmonster beoordeeld aan de hand van de herhaalbaarheidseisen. Voldoet een monster aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend en geregistreerd.
Voldoet een monster niet aan de gestelde eisen dan wordt de analyse opnieuw uitgevoerd in duplo. Voldoet het monster bij herhaling wel aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend van de laatste twee meetresultaten en geregistreerd. De eerder gevonden resultaten worden verworpen.
### **3. Uitgangspunten**
Voldoet het monster bij herhaling wederom niet aan de gestelde herhaalbaarheidseisen dan wordt het gemiddelde berekend van de twee middelste meetresultaten. Bij de rapportage wordt hiervan melding gemaakt: ‘mediaan van 4 waarnemingen’.
De tweedelijnscontrole omvat de beoordeling van de onder herhaalbaarheidsomstandigheden verkregen analyseresultaten van het tweedelijnscontrolemonster teneinde het concentratieniveau van de analysemethode voor de desbetreffende tijdsperiode te bewaken. Het gaat dus om de langere termijn bewaking van het analyseniveau.
De tweedelijnscontrole omvat de beoordeling van de onder herhaalbaarheidsomstandigheden verkregen analyseresultaten van het tweedelijnscontrolemonster teneinde het concentratieniveau van de analysemethode voor de desbetreffende tijdsperiode te bewaken. Het gaat dus om de langere termijn bewaking van het analyseniveau.
### § 6.3.1. Controlemonster tweede lijn
Het tweedelijnscontrolemonster dient een ander monster te zijn dan het controlemonster dat gebruikt wordt voor de eerstelijnscontrole en dient – voor zover mogelijk – onherkenbaar bepaald te worden.
Het controlemonster dient te bestaan uit een mengsel van met wijnsteenzuur voorbehandelde, gedroogde en gemalen vaste mest. Het gehalte aan stikstof en fosfor dient te liggen tussen 25 en 75 g/kg resp. 4 en 20 g/kg. De aangemaakte hoeveelheid monster dient voldoende te zijn voor een periode van 10 jaar.
De eisen gesteld aan de herhaalbaarheid van het controlemonster zijn gelijk aan die van de monsters, dus voor stikstof 4% en voor fosfor 6%.
### § 6.2. Eerstelijnscontrole
Het opstellen van de controlekaart is gelijk aan het opstellen van de controlekaart voor eerstelijns controles (zie § 6.2.1.)
De resultaten worden beoordeeld door een persoon die onafhankelijk is van de uitvoerende medewerkers.
4.1.2.4. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
Bestaand product
### **4.2. Het nemen van de ondermonsters**
Wanneer sprake is van onbeheerste kwaliteit moet het laboratorium een onderzoek instellen naar de oorzaak. In het geval sprake is van niet voldoen aan de herhaalbaarheidseis, dan dient het tweedelijnscontrolemonster in een volgende serie opnieuw geanalyseerd te worden. De conclusies betreffende het onderzoek worden vermeld bij de kwaliteitscontrolekaart.
Jaarlijks worden de resultaten van de tweedelijnscontrole intern geëvalueerd en vastgelegd.
Jaarlijks worden de resultaten van de tweedelijnscontrole intern geëvalueerd en vastgelegd.
voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
Opmerkingen
4.1.4. Uitgangspunt is definiëring per product per locatie, tenzij de ondernemer kan aantonen dat er geen verschil is tussen eenzelfde product van diverse locaties.
4.1.5. De ondernemer dient 1 keer per 3 jaar aan te tonen dat er geen sprake is van een verschil tussen een zelfde product van diverse locaties. Er is geen verschil tussen een zelfde product van meerdere locaties indien het verschil (berekend uit minimaal 5 analyse-uitslagen) tussen de gemiddelde waarden kleiner is dan de helft van de toegestane afwijking (tolerantie), die is vastgelegd in het onderdeel III van deze bijlage.
Voor de tweedelijnscontrole dienen de volgende procedurele aspecten in een apart document of in het kwaliteitssysteem van het laboratorium te zijn opgenomen:
Voor de tweedelijnscontrole dienen de volgende procedurele aspecten in een apart document of in het kwaliteitssysteem van het laboratorium te zijn opgenomen:
Het doel van de derdelijnscontrole is het continu borgen van de analytische kwaliteit van de laboratoria voor de bepaling van stikstof en fosfaat volgens AP05. De derdelijnscontrole bestaat uit twee onderdelen:
Het doel van de derdelijnscontrole is het continu borgen van de analytische kwaliteit van de laboratoria voor de bepaling van stikstof en fosfaat volgens AP05. De derdelijnscontrole bestaat uit twee onderdelen:
Van onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) is sprake in de volgende gevallen:
Onderhoud t.b.v. voortschrijdend gemiddelde gehalte
4.2.1. Nadat de onderneming volgens de onder 4.1 beschreven werkwijze per product per locatie het gemiddelde gehalte en de sd voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor heeft vastgesteld, dient hij dit gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij volgt daartoe de hieronder beschreven werkwijze.
4.2.2. Het bedrijf stelt op basis van de sd en de tolerantie met behulp van figuur 1 vast hoeveel monsteronderzoek in de komende 12 maanden noodzakelijk zijn om het gemiddelde gehalte te kunnen onderhouden. (De in deze figuur genoemde frequenties voor jaarlijks monsteronderzoek zijn vastgesteld op basis van een 95% betrouwbaarheidsinterval, dwz de kans is 95% dat de afwijking van het werkelijke gemiddelde van het product t.o.v. het berekende gemiddelde binnen de toleranties valt.) Het minimale aantal analyse-uitslagen is 6 per jaar.
4.2.3. De benodigde aantallen legt de onderneming vast in een bedrijfsintern monsteronderzoeksprogramma. De monsters worden verspreid over deze 12 maanden genomen en onderzocht.
4.2.4. Na elk monsteronderzoek stelt de onderneming uiterlijk binnen 2 weken opnieuw het gemiddelde gehalte vast. Hij doet dit op basis van de meest recente 10 waarnemingen. Dit gemiddelde gehalte hanteert het bedrijf vervolgens t.b.v. de administratie en -⁠etikettering.
4.2.5. Na afloop van de periode van 12 maanden stelt de onderneming opnieuw vast hoeveel monsters voor de komende 12 maanden onderzocht moeten worden om het gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij gaat hierbij uit van de meest recente 10 waarnemingen en volgt werkwijze vanaf 4.2.1.
Producten met een gering gehalte aan ruw eiwit en fosfor
4.2.6. Voor producten met minder dan 75 gram ruw eiwit per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
4.2.7. Voor producten met minder dan 2 gram fosfor per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
Opmerkingen m.b.t. producten die niet gedurende het hele jaar beschikbaar komen
Opmerkingen m.b.t. ruwvoer en enkelvoudig diervoer
– Gehalten van producten die vermeld worden in tabel J (gehaltes in ruwvoer en enkelvoudig diervoer) kunnen worden overgenomen.
4.2.8. Voor de bepaling van het stikstofgehalte dient het gehalte aan ruw eiwit gedeeld te worden door 6,25 en voor bepaling van het fosfaatgehalte dient het gehalte fosfor vermenigvuldigd te worden met 2,29 kg.
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
Analysegegevens van een product vertonen een zekere spreiding. Wanneer we een gemiddelde berekenen uit de afzonderlijke analysegegevens zal ook aangegeven moeten worden hoe groot de spreiding is. Dit kan het beste met de standaarddeviatie (sd) gebeuren: sd = het totaal van de afwijkingen/(n-1).
Ook het gemiddelde van een reeks analyses kent een zekere spreiding die de betrouwbaarheid bepaalt. Een manier om de betrouwbaarheid van het gemiddelde te definiëren is het geven van een betrouwbaarheidsinterval. Deze is gelijk aan het berekende gemiddelde ± t*sd/√n, waarbij t de waarde is uit de t-tabel bij een bepaalde kanswaarde (bijvoorbeeld 95%) en n het aantal analyses. Het betrouwbaarheidsinterval is dus afhankelijk van het aantal analyses dat gebruikt is voor het berekenen van het gemiddelde: hoe groter het aantal waarnemingen hoe groter de betrouwbaarheid.
Omgekeerd kan uit dezelfde formule berekend worden hoeveel analyses nodig zijn bij een gewenst betrouwbaarheidsinterval. Bijvoorbeeld om met een zekerheid van 95% te kunnen zeggen of het werkelijke gemiddelde en het opgegeven gemiddelde niet meer verschillen van elkaar dan de in onderdeel IV bepaalde tolerantie (maximaal toelaatbare afwijking). In de onderstaande grafiek is de relatie weergegeven tussen het aantal analyses (n) en het quotiënt sd/tolerantie. Wanneer de sd van een product is vastgesteld en de tolerantie is bekend, kan via de curve op de Y-as het benodigde aantal analyses worden opgezocht.
Het RIKILT bepaalt van elk monster in willekeurige volgorde het stikstof- en fosfaatgehalte volgens de referentiemethoden. Het laboratorium is verplicht vastgelegde stikstof- en fosfaatgehalten van desbetreffende monsters aan RIKILT beschikbaar te stellen, evenals aanvullende gegevens die nodig zijn om de analyseresultaten te kunnen vergelijken zoals eventuele (droog)factoren.
De resultaten worden door het RIKILT als volgt geëvalueerd.
1.1. Dit protocol richt zich op de bemonstering van vloeibare voeders en van steekvaste producten met een vochtgehalte van meer dan 14%. De diervoederleverancier dient de eisen en voorwaarden uit dit protocol minimaal te hanteren als zij in het kader van de hoeveelheidsbepalingen van stikstof en fosfaat monsters neemt van voedermiddelen met meer dan 14% vocht om de gehalten aan stikstof, fosfaat, droge stof, ruw eiwit en fosfor vast te stellen.
1.2. De onderneming moet de eisen en voorwaarden uit dit protocol verwerken in een eigen bemonsteringsprotocol.
De ±2s en ±3s grenzen worden berekend op basis van de oude medianen uit acht vorige steekproeven door een variantie analyse uit te voeren, waarbij de medianen worden gebruikt als responsvariabelen en de factoren ‘laboratorium’ en ‘periode’ als random factoren in het model worden opgenomen. Bij deze berekening van grenzen worden medianen uit eerdere steekproeven die niet aan de normen voldeden (zie hierna) uitgesloten. De standaardafwijking s wordt berekend als de wortel van de som van s2lab en s2rest, waarbij s2lab de geschatte variantie-component voor de factor ‘laboratorium’ is en s2rest de geschatte rest-variantie-component betreft.
2.1. Doel van monstername is het verkrijgen van een zo goed mogelijk representatief monster, overeenkomend met de gemiddelde samenstelling van de hele partij. De samenstelling van het product bij het afleveren aan de veehouder is hierbij het referentiepunt.
**S%**=100*(10±**s**–1)
3.1. Het monster wordt genomen tijdens het laden van de (vracht)auto voor aflevering aan één veehouder. Daarbij gelden de volgende aandachtspunten:
3.2. Niet in alle gevallen kan tijdens het laden een representatief monster worden genomen (bijvoorbeeld bij stapelbare producten). In voorkomende gevallen mag dan bij het bedrijf waaraan geleverd wordt de partij worden bemonsterd tijdens of direct na het lossen. Het monster dient uiteraard betrekking te hebben op de afgeleverde partij.
3.3. In het onder 1.2 vereiste eigen bemonsteringsprotocol dient per product aangegeven te zijn, waar de bemonstering plaatsvindt.
Het laboratorium dient minimaal drie keer per jaar voor zijn geaccrediteerde verrichtingen aan ringonderzoeken deel te nemen. Deze ringonderzoeken worden in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken uitgevoerd door daartoe door de minister aangewezen instantie of instanties. Monsters die in het kader van ringonderzoeken worden aangeboden zijn als zodanig herkenbaar.
Ten aanzien van ringonderzoeken dienen de volgende procedurele aspecten in een apart document of in het kwaliteitssysteem van het laboratorium te zijn opgenomen:
Ten aanzien van ringonderzoeken dienen de volgende procedurele aspecten in een apart document of in het kwaliteitssysteem van het laboratorium te zijn opgenomen:
De resultaten van een ringonderzoek worden door de uitvoerende instantie als volgt geëvalueerd. Van elke parameter van elk monster wordt de Z-score berekend:
Waarbij Xlab de door het laboratorium gemeten waarde van het monster is, Xgem de toegekende gemiddelde waarde van het monster (na verwijdering van uitbijters) is en s de standaardafwijking van alle gemeten waarden van het monster (na verwijdering van uitbijters).
Het resultaat van een parameter is significant afwijkend t.a.v. de toegekende waarde indien:
Per parameter wordt een toets op systematische afwijkingen uitgevoerd. Hiervoor wordt na elk ringonderzoek per parameter het gemiddelde van de Z-scores van de laatste drie ringonderzoeken berekend. Deze gemiddelde Z-waarde dient tussen +1 en -1 te liggen.
Tevens dient het aantal significant afwijkende waarden per parameter te worden beoordeeld. Bij twee of meer is de kwaliteit onvoldoende.
Tevens dient het aantal significant afwijkende waarden per parameter te worden beoordeeld. Bij twee of meer is de kwaliteit onvoldoende.
De resultaten van de ringonderzoeken en de evaluatie worden door de uitvoerende instantie aan het laboratorium en aan de minister gerapporteerd.
### § 6.4.2. Steekproef
De eisen gesteld aan de herhaalbaarheid van het controlemonster zijn gelijk aan die van de monsters, dus voor stikstof 4% en voor fosfor 6%.
Een aantal keren per jaar worden op het laboratorium reeds geanalyseerde monsters aselect verzameld ten behoeve van heranalyse door het RIKILT, Wageningen UR. Het aantal te verzamelen monsters bedraagt per laboratorium en per keer 30 tot 40. Dit gebeurt indien daar aanleiding toe bestaat onaangekondigd.
Het RIKILT bepaalt van elk monster in willekeurige volgorde het stikstof- en fosfaatgehalte volgens de referentiemethoden. Het laboratorium is verplicht vastgelegde stikstof- en fosfaatgehalten van desbetreffende monsters aan RIKILT beschikbaar te stellen, evenals aanvullende gegevens die nodig zijn om de analyseresultaten te kunnen vergelijken zoals eventuele (droog)factoren.
Het RIKILT bepaalt van elk monster in willekeurige volgorde het stikstof- en fosfaatgehalte volgens de referentiemethoden. Het laboratorium is verplicht vastgelegde stikstof- en fosfaatgehalten van desbetreffende monsters aan RIKILT beschikbaar te stellen, evenals aanvullende gegevens die nodig zijn om de analyseresultaten te kunnen vergelijken zoals eventuele (droog)factoren.
De resultaten worden door het RIKILT als volgt geëvalueerd.
Voor elk monster wordt voor stikstof en fosfaat het verschil berekend tussen het 10log getransformeerde meetresultaat van het laboratorium en het 10log getransformeerde meetresultaat van het RIKILT.
Vervolgens wordt per laboratorium de mediaan van deze verschillen berekend. Hierbij worden resultaten die beneden de rapportagegrens liggen weggelaten. De medianen van de verschillende laboratoria worden uitgezet in een controlekaart met de eerder berekende medianen uit acht vorige steekproeven inclusief de daaruit berekende ±2s- en ±3s-grenzen.
De ±2s en ±3s grenzen worden berekend op basis van de oude medianen uit acht vorige steekproeven door een variantie analyse uit te voeren, waarbij de medianen worden gebruikt als responsvariabelen en de factoren ‘laboratorium’ en ‘periode’ als random factoren in het model worden opgenomen. Bij deze berekening van grenzen worden medianen uit eerdere steekproeven die niet aan de normen voldeden (zie hierna) uitgesloten. De standaardafwijking s wordt berekend als de wortel van de som van s2lab en s2rest, waarbij s2lab de geschatte variantie-component voor de factor ‘laboratorium’ is en s2rest de geschatte rest-variantie-component betreft.
De procentuele±2s en ±3s-grenzen worden berekend door eerst de standaardafwijking s te transformeren volgens:
**S%**=100*(10±**s**–1)
en vervolgens respectievelijk te vermenigvuldigen met een factor ±2, en ±3.
Een laboratorium voldoet niet aan de norm als:
Een laboratorium voldoet niet aan de norm als:
Het laboratorium dient minimaal drie keer per jaar voor zijn geaccrediteerde verrichtingen aan ringonderzoeken deel te nemen. Deze ringonderzoeken worden in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken uitgevoerd door daartoe door de minister aangewezen instantie of instanties. Monsters die in het kader van ringonderzoeken worden aangeboden zijn als zodanig herkenbaar.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 69a
@@ -3632,7 +3610,7 @@
2. De op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevulde gegevens worden door de vervoerder uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht zuiveringsslib of compost op elektronische wijze bij de minister ingediend.
3. In afwijking van [artikel 55, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55), kunnen de leverancier of de afnemer, de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost machtigen. [Artikel 65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=65&z=2021-01-01&g=2021-01-01) is op deze machtiging van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van [artikel 55, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55), kunnen de leverancier of de afnemer, de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost machtigen. [Artikel 65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=65&z=2021-02-18&g=2021-02-18) is op deze machtiging van overeenkomstige toepassing.
#### § 2. Vervoersbewijs dierlijke meststoffen
@@ -4335,62 +4313,62 @@
| Artikel [meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054) | Artikelen [Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031) | Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet |
| --- | --- | --- |
| [1, eerste lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=1) | | [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| [5d (10 nieuw), eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=5d) | | [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| [5f (12 nieuw), derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=5f) | | [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=29&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| [5e (11 nieuw), vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=5e) | | [30 tot en met 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| 5f (12 nieuw), vijfde lid | | [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=34&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| 5e (11 nieuw), zesde lid | | [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=35&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | [28, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=28) | [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | [36, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=36) | [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 36, onderdeel b | [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 36, onderdeel c | [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=39&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | [26, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26) | [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 36, onderdeel d, 35, tweede lid | [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| [59d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=59d) (38 nieuw) | 36, onderdeel e | [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=44&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | [41, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=41) | [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 41, onderdelen b en c | [46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 41, onderdeel b | [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=47&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=49&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 41, onderdelen d en e | [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | [46, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=46) | [50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 46, onderdeel d | [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | [52, eerste lid, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=52), [70, vierde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=70) | [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 52, eerste lid, onderdelen a, c en d | [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=54&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 52, eerste lid, onderdeel e | [55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=56&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 52, eerste lid, onderdeel a | [57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=51), 52, eerste lid, onderdeel b | [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=58&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 52, derde lid | [60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=60&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | [54, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=54) | [61 tot en met 63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=66&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 54, onderdelen d en e | [64, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=64&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 54, onderdeel c | [65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=65&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=67&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | [55, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) | [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | [56, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=56) | [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | [61, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=61), [64, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=64) | [70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8a&artikel=70&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 64, eerste lid | [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8a&artikel=71&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 64, tweede lid, onderdeel b | [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8a&artikel=72&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | [70, eerste lid, onderdeel a en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=70) | [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [74, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 70, vierde lid, onderdeel a | 74, tweede lid, [83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=83&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [93, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=93&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=4&artikel=94&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=4&artikel=95&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 70, vierde lid, onderdeel c | 74, derde lid, [80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=125&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| 59d (38 nieuw) | | 74, vierde en vijfde lid, [75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=75&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [82, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=82&z=2021-01-01&g=2021-01-01), 93, derde lid, en [126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=126&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 70, vierde lid, onderdelen a en c | [76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 70, vierde lid, onderdelen a tot en met d | [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en 82, eerste en tweede lid |
| | 70, vierde lid, onderdelen c tot en met e | [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 70, tweede lid, onderdeel b | [84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 70, eerste lid, onderdeel c | [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=5&artikel=96&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=7&artikel=102&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [103](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=7&artikel=103&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 70, vierde lid, onderdelen a t/m c | 98, [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=100&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [101, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=101&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 70, vierde lid, onderdeel e | [99](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 70, eerste lid, onderdeel b | [101, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=101&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| [1, eerste lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=1) | | [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| [5d (10 nieuw), eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=5d) | | [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| [5f (12 nieuw), derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=5f) | | [29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=29&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| [5e (11 nieuw), vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=5e) | | [30 tot en met 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| 5f (12 nieuw), vijfde lid | | [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=34&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| 5e (11 nieuw), zesde lid | | [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=35&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | [28, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=28) | [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | [36, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=36) | [37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 36, onderdeel b | [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 36, onderdeel c | [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=39&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | [26, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26) | [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 36, onderdeel d, 35, tweede lid | [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| [59d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=59d) (38 nieuw) | 36, onderdeel e | [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=44&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | [41, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=41) | [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 41, onderdelen b en c | [46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 41, onderdeel b | [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=47&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=49&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 41, onderdelen d en e | [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | [46, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=46) | [50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 46, onderdeel d | [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | [52, eerste lid, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=52), [70, vierde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=70) | [53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 52, eerste lid, onderdelen a, c en d | [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=54&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 52, eerste lid, onderdeel e | [55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=56&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 52, eerste lid, onderdeel a | [57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=51), 52, eerste lid, onderdeel b | [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=58&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 52, derde lid | [60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=60&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | [54, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=54) | [61 tot en met 63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=66&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 54, onderdelen d en e | [64, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=64&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 54, onderdeel c | [65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=65&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=67&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | [55, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) | [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | [56, onderdelen b en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=56) | [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | [61, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=61), [64, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=64) | [70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8a&artikel=70&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 64, eerste lid | [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8a&artikel=71&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 64, tweede lid, onderdeel b | [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8a&artikel=72&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | [70, eerste lid, onderdeel a en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=70) | [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [74, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 70, vierde lid, onderdeel a | 74, tweede lid, [83](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=83&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [93, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=93&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=4&artikel=94&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=4&artikel=95&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 70, vierde lid, onderdeel c | 74, derde lid, [80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [125](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=125&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| 59d (38 nieuw) | | 74, vierde en vijfde lid, [75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=75&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [82, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=82&z=2021-02-18&g=2021-02-18), 93, derde lid, en [126](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=126&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 70, vierde lid, onderdelen a en c | [76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 70, vierde lid, onderdelen a tot en met d | [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en 82, eerste en tweede lid |
| | 70, vierde lid, onderdelen c tot en met e | [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 70, tweede lid, onderdeel b | [84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 70, eerste lid, onderdeel c | [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=5&artikel=96&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=7&artikel=102&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [103](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=7&artikel=103&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 70, vierde lid, onderdelen a t/m c | 98, [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=100&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [101, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=101&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 70, vierde lid, onderdeel e | [99](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 70, eerste lid, onderdeel b | [101, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=101&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 70, eerste lid, onderdeel c en tweede lid, onderdeel a | 101, derde lid |
| [58f (27 nieuw), derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=58f) | | [104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=1&artikel=104&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| [58i (30 nieuw), tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=58i) | | [105 t/m 109](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| [58j (31 nieuw), derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=58j) | | [110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=3&artikel=110&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| [60, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=60) | | [111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=4&artikel=111&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 36, onderdeel d, 41, onderdeel d en 46, onderdeel d | [122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=122&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=123&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=127&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | 36, onderdelen b en d, 41 onderdelen b en d, 46, onderdelen b en d | [124](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=124&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| | [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=71) | [128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=128&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=69) (47 nieuw) | | [129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| [58f (27 nieuw), derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=58f) | | [104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=1&artikel=104&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| [58i (30 nieuw), tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=58i) | | [105 t/m 109](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| [58j (31 nieuw), derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=58j) | | [110](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=3&artikel=110&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| [60, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=60) | | [111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=4&artikel=111&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 36, onderdeel d, 41, onderdeel d en 46, onderdeel d | [122](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=122&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=123&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=127&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | 36, onderdelen b en d, 41 onderdelen b en d, 46, onderdelen b en d | [124](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=124&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| | [71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=71) | [128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=128&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=69) (47 nieuw) | | [129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
| Artikel [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) | | Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet |
| [64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=64) | | [134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=134&z=2021-01-01&g=2021-01-01) |
| [64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994&artikel=64) | | [134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=134&z=2021-02-18&g=2021-02-18) |
### **I. Protocol analyse stikstofgehalte, fosfaatgehalte en droge stofgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de hoeveelheden overige nutriënten**
@@ -4420,9 +4398,9 @@
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal voor de toepassing van reparatiebemesting op fosfaatarme of fosfaatfixerende gronden
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken. In onderdeel I van dit protocol wordt aangegeven hoe de bemonstering van een perceel bouwland of grasland dient plaats te vinden. De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal, die respectievelijk staan omschreven in onderdeel II en III van dit protocol. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test die vergeleken moet worden met de waarden die opgenomen zijn in artikel 30, eerste en tweede lid van de regeling. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw monster gestoken te worden om het mengmonster te verkrijgen.
Voor de bemonstering van een perceel landbouwgrond dan wel gewasperceel dienen de volgende stappen uitgevoerd te worden. Markeer de vormbepalende hoekpunten en leg met een Global Positioning System (GPS) de omvang en vorm van het perceel vast. Bij niet rechthoekige percelen dienen zoveel extra punten meegenomen te worden dat de contouren van het perceel vastgelegd zijn. De afwijking van de GPS mag niet groter zijn dan 5 meter. De bemestingsvrije zones dienen bij deze bepaling niet meegenomen te worden. Indien het perceel verdeeld is onder meerdere gebruikers, dan wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd.
De stikstofexcreties van staldieren moeten berekend worden conform de stalbalans. In deze tabel zijn voor staldieren wel excretieforfaits opgenomen als hulpmiddel om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
1 Als de omschrijving van de categorieën niet aansluit bij de voorkomende situatie dienen de forfaits gehanteerd te worden van de categorie die het best aansluit bij de voorkomende situatie.
### 2.7. Standaardoplossing.
@@ -4430,31 +4408,31 @@
Stel de gevonden normaliteit van het ‘verdunde melkzuur’ = a.
### 2.6. Extractievloeistof
### 4. Automatische positiebepaling van satellietvolgapparatuur
Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.
### Oplossing I.
### Accreditatieprogramma bemonstering vaste dierlijke meststoffen; AP06
Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.
Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 - zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.
Voor het aantonen dat de organisaties onafhankelijk en deskundig zijn wordt gebruik gemaakt van accreditatie. Accreditatie gaat uit van vertrouwen en is gebaseerd op internationale en Europees geharmoniseerde normen, met indien van toepassing aanvullende eisen. Gezien de behoefte de kwaliteit en de vergelijkbaarheid (herhaalbaarheid) van de monsterneming van vaste dierlijke mest op langere termijn te waarborgen, zijn in het accreditatieprogramma eisen en voorwaarden opgenomen.
## Bijlage D. Diergebonden normen
### 2.7. Standaardoplossing.
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter= 1 milligram fosfaat (P2O5).
Specifiek worden in dit AP06 de volgende versienummers bedoeld wanneer de normen worden benoemd:
### 2.8 Verdunde standaardoplossing.
Verdun de standaardoplossing 20 keer. Pipetteer hiervoor 50 milliliter standaardoplossing in een maatkolf van 1 liter. Vul aan met water tot de maatstreep en meng. Conserveer met enkele druppels koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 0,05 milligram P2O5. Bewaar de standaardoplossing in de koelkast.
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
NEN-EN-ISO/IEC 17020
Indien een organisatie geaccrediteerd is of wordt voor inspectieactiviteiten (anders dan het nemen van monsters) volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020, behoort een aparte monsternemingsactiviteit binnen de scope tot de mogelijkheden. In deze situatie worden, naast de eisen uit NEN-EN-ISO/IEC 17020 ook de eisen met betrekking tot monsterneming uit NEN-EN-ISO/IEC 17025 toegepast.
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2006-07-01&g=2007-01-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2006-07-01&g=2007-01-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2006-07-01&g=2007-01-01)
Neem op deze wijze ook een tweetal standaardbepalingen mee, die 0,5 milligram P2O5 bevatten. Vul de kolfjes aan met water tot de maatstreep, meng goed en meet in de spectrofotometer de extinctie in een cuvet van 10 millimeter doorsnede, bij een golflengte van 735 nanometer. Stel voor de berekening van het fosfaatgehalte als volgt de ijkfactor vast.
Organisaties die wensen onafhankelijk monsternemer te worden in het kader van de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054), kunnen bij de RvA een accreditatie aanvragen. De organisatie vraagt tevens een erkenning aan bij de Minister, zoals verwoord in [artikel 78c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78c&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de regeling.
### 4. Berekening
@@ -4464,57 +4442,57 @@
Als Ea de extinctie is, gemeten voor het monster, Eb die van de blanco-bepaling dan wordt de berekening als volgt:
### 4. Controle opdracht, te bemonsteren vracht en mestsoort
De leverancier van de mest is de verantwoordelijke opdrachtgever van de bemonstering. Hierop geldt één uitzondering: bij import is de afnemer de verantwoordelijke opdrachtgever voor de onafhankelijke monstername.
Bemonstering in dit accreditatieprogramma heeft betrekking op:
### 4.2. Controle op mestcode
### 5. Vrachtbemonstering
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
Ingeval van import of export van de mest, schrijft [artikel 78a, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), van de regeling, voor wanneer bemonstering plaats moet vinden; bij export tijdens het laden en in geval van import bij het lossen.
### 5.2. Bemonstering bij het laden
### 2.1. Zwavelzuur 5N
Voor containerbakken en voor opleggers, waaronder ook **walking floors**, bedraagt het aantal grepen minimaal acht.
De monstername mag uitsluitend worden uitgevoerd indien de vracht mest gescheiden is van andere vrachten mest of materialen die de samenstelling van de mest kunnen beïnvloeden. De hoop is ten behoeve van de bemonstering toegankelijk gemaakt door de vervoerder in samenwerking met de afnemer.
### 5.5. Bemonstering in big bags
### 2.6. Mengreagens
Deze oplossing moet binnen een week worden gebruikt en worden bewaard bij kamertemperatuur, in een koelkast bij enkele graden boven 0ºC langer.
Draai de volle boor af, en haal de boor licht draaiend omhoog. Plaats voor het lossen van het materiaal de boor schuin met de punt in een verzamelbak of op een zeil. Klop met de boor op de basis van de bak of zeil. Het materiaal komt los en het resterende materiaal kan met de hand of anderszins uit de boor worden genomen.
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
De grepen worden ter plaatse uitgestort op een zeil of in een brede schaal. De mest wordt intensief gemengd door drie maal achtereen ophopen en verspreiden en vervolgens gereduceerd met de kwarteertechniek. Hierbij wordt de mest in een cirkelvorm uitgespreid en in vier kwarten verdeeld. Twee tegenover elkaar gelegen kwarten worden vervolgens verwijderd waarna de overgebleven kwarten worden samengevoegd en opnieuw gemengd. Deze handeling wordt herhaald tot de gewenste vereiste grootte van het laboratoriummonster is verkregen. Gebruik voor het mengen bij voorkeur een schep of grotere schop.
Het laboratoriummonster wordt in een schone en lekvrije monsterverpakking gedaan en voorzien van een unieke identificatie. De monsterverpakking en identificatie dienen te voldoen aan de beschrijving in [Bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2021-02-18&g=2021-02-18) (AP05) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
### 4. Berekening
### 4. Berekening
Ieder laboratoriummonster heeft een begeleidend document met in ieder geval de volgende gegevens:
### 5. Opmerkingen
Hierin is:
5.1 Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23–26.
### 2. Benodigde reagentia
### 2.1. Zwavelzuur 5N
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50°C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
### 2.6. Mengreagens
### 2.6. Mengreagens
Deze oplossing moet binnen een week worden gebruikt en worden bewaard bij kamertemperatuur, in een koelkast bij enkele graden boven 0ºC langer.
Los 1,9167 gram KH2PO4(volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedestilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
20 milliliter mengreagens 6) + 20 milliliter standaardoplossingen en meng goed.
De droge, tot een doorsnede van kleiner dan 2 millimeter verkleinde, gezeefde grond wordt geschept met een cilindrisch vaatje met bolvormige bodem, met een inhoud van 1,2 centimeter3. Door drie maal zacht aankloppen wordt de grond in dichte pakking gebracht en vervolgens dient de overmaat afgestreken te worden tot het niveau gelijk is aan de rand van het vaatje. Daarna wordt het afgemeten volume grond kwantitatief overgebracht in een schudfles van 125 centimeter3 inhoud.
### 4. Berekening
### 4. Berekening
De uitkomst van de bepaling, het Pw-getal bij volumeverhouding 1:60 wordt uitgedrukt in microgram P2O5 in het filtraat per 1 centimeter3 grond
### 5. Opmerkingen
5.1. Filtraten die ondanks de bij het filtreren in acht genomen voorzorgen troebel zijn, worden op de volgende wijze geklaard. Per 50 milliliter filtraat ongeveer 1,5 gram vast natriumchloride (NaCI) toevoegen en laten oplossen. Dan opnieuw filtreren. De nu uitgevlokte colloïdale bestanddelen laten zich gemakkelijk affiltreren. De NaCI-concentratie van ongeveer 0,5N stoort de fosfaatbepaling niet.
De stikstofexcreties van staldieren moeten berekend worden conform de stalbalans. In deze tabel zijn voor staldieren wel excretieforfaits opgenomen als hulpmiddel om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
### **B. opmerkingscodes**
In deze strategie standaardiseert de monsternemende organisatie voor zichzelf de invulling van de bemonstering voor zover dat nog niet in de voorgaande paragraaf is voorgeschreven.
Het gaat hier bijvoorbeeld over hoe de omvang van de vracht wordt geschat, de beoordeling of de bemonstering ARBOveilig kan worden uitgevoerd en het kiezen van het meest aangewezen instrument om grepen te nemen.
### 7.2. Periodieke actualisatie
## Bijlage G
@@ -4524,15 +4502,15 @@
### Tabel IIA. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest
In deel 2 van deze tabel wordt verstaan onder:
### Tabel IIB. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest
In AP05 zijn de verrichtingen, die in het kader van het stelsel van gebruiksnormen kunnen worden gebruikt, opgenomen. Een laboratorium kan kiezen voor accreditatie voor:
Ten behoeve van de kennisuitwisseling tussen geaccrediteerde monsternemende organisaties op strategisch en uitvoerend niveau vindt minimaal één keer per jaar een harmonisatieoverleg plaats. De geaccrediteerde monsternemende organisaties nemen actief deel aan dit overleg. Aan het harmonisatieoverleg neemt ook een vertegenwoordiging van het Ministerie van LNV deel. Daarnaast kan de RvA gevraagd of ongevraagd deelnemen aan dit overleg.
### 8.3. Ringonderzoek
Voor de controle die plaatsvindt door de NVWA (nalevingstoezicht) wordt verwezen naar paragraaf 10.
### C. Prestatiekenmerken verpakkingsapparatuur
Het is toegestaan binnen AP05 om in plaats van de referentiemethode een huismethode te gebruiken. Het laboratorium moet dan via een gelijkwaardigheidsonderzoek aantonen dat de gebruikte huismethode vergelijkbare of betere resultaten geeft dan de referentiemethode.
NEN EN ISO/IEC 17025 Algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria.
### 4. Automatische positiebepaling van satellietvolgapparatuur
@@ -4540,7 +4518,7 @@
### 2. Algemene eisen
Organisaties die wensen onafhankelijk monsternemer te worden in het kader van de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054), kunnen bij de RvA een accreditatie aanvragen. De organisatie vraagt tevens een erkenning aan bij de Minister, zoals verwoord in [artikel 78c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78c&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de regeling.
De verrichtingen volgens de volgende NEN-normen zijn voorgeschreven:
### 3. Verrichtingen binnen AP06
@@ -4548,21 +4526,21 @@
### 8.1. Algemeen
Dit overleg adviseert de minister van Economische Zaken over het toepassen van administratieve beslissingen, aanpassing van algemene richtsnoeren en eventuele uitbreiding naar andere onderwerpen.
Het laboratorium dient minimaal drie keer per jaar voor zijn geaccrediteerde verrichtingen aan ringonderzoeken deel te nemen. Deze ringonderzoeken worden in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken uitgevoerd door daartoe door de minister aangewezen instantie of instanties. Monsters die in het kader van ringonderzoeken worden aangeboden zijn als zodanig herkenbaar.
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; AP05
Aanvullend op de beoordelingen door de RvA ziet de NVWA toe op naleving van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Daarbij kan de NVWA ook eisen uit AP06 betrekken.
Tevens dient het aantal significant afwijkende waarden per parameter te worden beoordeeld. Bij twee of meer is de kwaliteit onvoldoende.
### Hoofdstuk 2. Algemene eisen
Indien AP05 wordt gewijzigd, dient het laboratorium zich daaraan binnen 6 maanden te conformeren, tenzij anders bepaald. In een dergelijke situatie ligt de verantwoordelijkheid voor het nemen van initiatieven met betrekking tot onderzoek door de RvA bij de laboratoria.
NEN-EN-ISO/IEC 17025:2005 nl, Algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria.
In AP05 zijn de verrichtingen, die in het kader van het stelsel van gebruiksnormen kunnen worden gebruikt, opgenomen. Een laboratorium kan kiezen voor accreditatie voor:
### § 3.2. Validatie van een verrichting volgens een referentiemethode
De procentuele±2s en ±3s-grenzen worden berekend door eerst de standaardafwijking s te transformeren volgens:
**S%**=100*(10±**s**–1)
en vervolgens respectievelijk te vermenigvuldigen met een factor ±2, en ±3.
### § 7.1. Uitdrukking van meetresultaten
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -4570,11 +4548,11 @@
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; AP05
Waarbij x2,i en x1,i het i-de duplopaar voorstellen en Nc het aantal monsters betreft binnen het betreffende concentratieniveau. Vervolgens wordt de herhaalbaarheid (sr) berekend met:
De minimale rapporteringswaarde bedraagt voor stikstof 0,10 g/kg en voor fosfaat 0,07 g/kg.
### Hoofdstuk 1. Introductie
Ten eerste dient aangetoond te worden dat de herhaalbaarheid van de huismethode gelijk of beter is dan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting. Hiervoor dient de in § 3.2 beschreven procedure te worden gebruikt.
Het analyserapport dient minimaal de volgende gegevens te bevatten:
### Hoofdstuk 2. Algemene eisen
@@ -4584,43 +4562,43 @@
### § 5.1. Maken van mengmonsters
In afwijking van de vorige alinea wordt mineralenconcentraat voorbehandeld volgens NEN 7430 en vervolgens geanalyseerd gelijkwaardig met NEN-EN 14672:2005, omdat mineralenconcentraat doorgaans zeer lage fosforgehalten (< 0,01 g/kg) bevat.
### Hoofdstuk 6. Kwaliteitsborging
Het laboratorium controleert of de inkomende monsters
De kwaliteitsborging van een verrichting bestaat uit de volgende onderdelen:
Eindrapportage bemonstering en analyse van dierlijke mest, Projectgroep Bemonstering en Analyse, april 1995.
### Tabel II behorend bij [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=89&z=2021-02-18&g=2021-02-18)
* Fase 3 substraat is het product dat van het compostbedrijf wordt vervoerd naar de champignonkwekerij.
** champost is het product dat van de champignonkweker wordt afgevoerd.
### § 4.3. Registratie van gegevens
De eerste-, tweede- en derdelijnscontrole vormen géén additionele kwaliteitsborging maar de minimale kwaliteitsborging die dient te worden toegepast.
### Hoofdstuk 5. Technische beschrijving van verrichtingen
### 5.1.1. Mengen van monsters drijfmest
Drijfmest, die verdund is met water voor het verkrijgen van een goed analysemonster, wordt getoetst op herhaalbaarheid in het analysemonster vóórdat het in het analysemonster verkregen gehalte teruggerekend wordt naar het oorspronkelijke monster. Dit geldt ook voor de vaste mest die al dan niet voorbehandeld is met wijnsteenzuur en gemalen teneinde een geschikt analysemonster te verkrijgen.
### **1. Droge stof**
### **2. Stikstof (N)**
CSS 99020 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method. (www.ecn.nl/horizontal).
De eerstelijnscontrole is opgebouwd uit de beoordeling van de analyseresultaten van het controlemonster en van het analysemonster. In het kader van de kwaliteitsborging worden alle analyses in duplo onder herhaalbaarheidscondities uitgevoerd.
### § 6.2.1. Controlemonster eerste lijn
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
### § 5.2. Monstervoorbehandeling
Het gehalte aan stikstof en fosfor van het controlemonster drijfmest dient te liggen tussen 4 en 12 g/kg respectievelijk 1 en 5 g/kg. Het gehalte aan stikstof en fosfor van het al dan niet voorbehandelde gedroogde en gemalen controlemonster vaste mest dient te liggen tussen 25 en 75 g/kg respectievelijk 4 en 20 g/kg.
Wanneer in één maand meerdere monsters worden aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt eerst het gemiddelde analyseresultaat van die maand berekend op basis van de analyseresultaten van die monsters. Vervolgens wordt de berekening van het twaalf-maansgemiddelde gemaakt op basis van de het gemiddelde analyseresultaat van die maand.
### § 5.3. Bepaling van stikstof en fosfor in mestmonsters
Bij onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) moeten de volgende maatregelen worden genomen:
Dit protocol vermeldt voor vochtrijke voedermiddelen (> 14% vocht) de uitgangspunten die gelden voor de vaststelling van de te vermelden gehalten en voor de minimumfrequentie van analytisch onderzoek. Tevens wordt aangegeven hoe de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het gehalte moet vaststellen en welke minimumfrequentie van onderzoek hij moet hanteren.
### § 6.3.1. Controlemonster tweede lijn
Het laboratorium dient een tweedelijnscontrolemonster in duplo te analyseren met een frequentie van eenmaal per twee weken. Hierbij doorloopt het monster zo veel mogelijk de gehele procedure van alle in dit accreditatieprogramma genoemde parameters. Wanneer er in de periode van twee weken geen mestmonsters zijn geanalyseerd door het laboratorium dan kan de tweedelijnscontrole tijdelijk worden onderbroken.
Nieuw product
### § 6.2. Eerstelijnscontrole
Het opstellen van de controlekaart is gelijk aan het opstellen van de controlekaart voor eerstelijns controles (zie § 6.2.1.)
4.1.2.3. Deze gegevens voegt hij toe aan de dataset, verkregen bij 4.1.2.1. Hij berekent opnieuw op basis van minimaal 10 analyse-uitslagen het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.
### § 6.3.3. Procedurele aspecten
@@ -4630,15 +4608,15 @@
De meetresultaten dienen te allen tijde te worden berekend op productbasis. Vaste mest wordt met de droogfactor die bepaald is bij de voorbehandeling volgens NEN 7431 omgerekend naar product.
Het resultaat van fosfor moet worden uitgedrukt op oxide basis, de omrekeningsfactor hiervoor is:
Fosfor (P) naar fosforpentoxide (P2O5): 2,29.
4.1.1. De bemonstering wordt uitgevoerd door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd of namens de ondernemer door een gemachtigd monsternemer (zie punt 5).
4.1.2. Het monster wordt genomen door een aantal ondermonsters te verzamelen, hiervan een zgn. verzamelmonster te maken en hieruit eindmonsters te bereiden.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 91b
Indien dezelfde vracht vaste dierlijke meststoffen binnen zeven dagen twee maal wordt vervoerd van of naar een bedrijf of een onderneming, kan de hoeveelheid meststoffen van het eerste vervoer, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), gelijkgesteld worden aan de hoeveelheid meststoffen van het tweede vervoer, onder voorwaarde dat tijdens het laden van zowel het eerste als het tweede vervoer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking als bedoeld in [artikel 55, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2021-01-01&g=2021-01-01), van het tweede vervoer worden ingelezen en vastgelegd.
Indien dezelfde vracht vaste dierlijke meststoffen binnen zeven dagen twee maal wordt vervoerd van of naar een bedrijf of een onderneming, kan de hoeveelheid meststoffen van het eerste vervoer, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), gelijkgesteld worden aan de hoeveelheid meststoffen van het tweede vervoer, onder voorwaarde dat tijdens het laden van zowel het eerste als het tweede vervoer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking als bedoeld in [artikel 55, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2021-02-18&g=2021-02-18), van het tweede vervoer worden ingelezen en vastgelegd.
#### § 3. Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost
@@ -4934,7 +4912,7 @@
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststof van anorganische oorsprong:
## bijlage Aa. behorende bij [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## bijlage Aa. behorende bij [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
I. Stoffen die als meststof kunnen worden verhandeld
@@ -5186,27 +5164,27 @@
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
### Principe
### Tabel IA. Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=5&artikel=96&z=2021-02-18&g=2021-02-18)
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### 3. Analyse van grondmonsters
### 2.6. Extractievloeistof
Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 - zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.
### 2.7. Standaardoplossing.
### 5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur
Het accreditatieprogramma bevat:
### 2. Algemene eisen
Los 3900 gram natriumacetaat (NaC2H3O2.3H2O) op inwater (of 3400 gram watervrij natriumacetaat) vul aan met water tot 10 liter en meng.
## Bijlage D. Diergebonden normen
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
Organisaties die monsterneming als aparte activiteit op de verrichtingenlijst (scope van accreditatie) wensen, kunnen accreditatie verkrijgen op basis van NEN-EN-ISO/IEC 17025. In NEN-EN-ISO/IEC 17025 worden in 5.7 uitgebreide eisen gesteld aan de monsterneming en in 5.10.3.2 aan de rapportage van de resultaten van monsterneming.
### 3.1. Bereiding van het extract
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
De monsternemende organisatie heeft de verantwoordelijkheid om te werken conform dit accreditatieprogramma en de erkenningsvoorwaarden. Dit houdt in dat de organisatie verantwoordelijk wordt gehouden voor de bemonstering tot en met het afleveren van het monster bij het mestlaboratorium, onafhankelijk welke persoon de feitelijke bemonstering, transport en eventueel opslag uitvoert, namens of voor de organisatie.
### 3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
@@ -5220,23 +5198,23 @@
### 2.2. Molybdaat-oplossing 4%
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
De monsternemer is gedurende het lossen van de vracht aanwezig; er mag niet gelost worden voordat de monsternemer aanwezig is. De mest wordt bemonsterd als deze gelost op een hoop ligt.
Laat het mengreagens ongeveer 20 minuten staan en, indien noodzakelijk, filtreer het mengreagens ter verwijdering van een soms gevormd blauw colloïdaal neerslag. Het blauw colloïdaal neerslag kan hoge blancowaarden geven bij de bepaling.
### 2.7. IJkoplossingen
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
### 3. Werkwijze
### 1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur
### 5.6.3. Bemonstering met schep/schop met aangepaste opening (mestdeeltjes >10 mm)
### 5.6.4. Het maken van een laboratoriummonster
### 6. Registratie en archivering
### 4. Berekening
5.1. Filtraten die ondanks de bij het filtreren in acht genomen voorzorgen troebel zijn, worden op de volgende wijze geklaard. Per 50 milliliter filtraat ongeveer 1,5 gram vast natriumchloride (NaCI) toevoegen en laten oplossen. Dan opnieuw filtreren. De nu uitgevlokte colloïdale bestanddelen laten zich gemakkelijk affiltreren. De NaCI-concentratie van ongeveer 0,5N stoort de fosfaatbepaling niet.
De stikstofexcreties van staldieren moeten berekend worden conform de stalbalans. In deze tabel zijn voor staldieren wel excretieforfaits opgenomen als hulpmiddel om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2019-10-01&g=2019-10-01).
Voorafgaand aan de bemonstering heeft de monsternemende organisatie een bemonsteringsstrategie ontwikkeld (NEN-EN-ISO/IEC 17025 noemt dit monsternemingsplan en procedures voor monsterneming).
De RvA beoordeelt de validiteit van de bemonsteringsstrategie en het systeem van hoe die strategie opgesteld wordt.
## Bijlage G
@@ -5246,25 +5224,25 @@
### D. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van drijfmest
### 5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur
### onderdeel A
### 2.1. Algemene eisen
### 3. Verrichtingen binnen AP06
### 8.2. Periodieke actualisatie
Door de RvA wordt periodiek (minimaal iedere 2 jaar), maar ook steekproefsgewijs controle uitgevoerd op de eisen van AP06.
### § 6.3. Tweedelijnscontrole
De resultaten van een ringonderzoek worden door de uitvoerende instantie als volgt geëvalueerd. Van elke parameter van elk monster wordt de Z-score berekend:
### **B. opmerkingscodes**
In hoofdstuk 2 zijn de algemene eisen vermeld waaraan een laboratorium moet voldoen om in aanmerking komen voor accreditatie door de Raad voor Accreditatie. De verrichtingen die onder AP05 vallen zijn in hoofdstuk 3 vermeld. In hoofdstuk 4 zijn de monsteroverdracht en de daarbij horende verantwoordelijkheden beschreven.
### 12. Literatuur
### Hoofdstuk 2. Algemene eisen
De verrichtingen volgens de volgende NEN-normen zijn voorgeschreven:
### § 6.4.2.1. Procedurele aspecten
### § 6.4.2.2. Evaluatie van steekproefresultaten
Een laboratorium voldoet niet aan de norm als:
## Bijlage F
@@ -5274,9 +5252,9 @@
## Bijlage H. behorende bij [artikel 80b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80b&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2019-01-01&g=2019-01-01)
### § 3.3. Gelijkwaardigheidsonderzoek van een huismethode
Het is toegestaan binnen AP05 om in plaats van de referentiemethode een huismethode te gebruiken. Het laboratorium moet dan via een gelijkwaardigheidsonderzoek aantonen dat de gebruikte huismethode vergelijkbare of betere resultaten geeft dan de referentiemethode.
### § 7.2. Analyserapport
Het analyserapport moet voldoen aan de volgende algemene voorwaarden:
### Hoofdstuk 4. Controle en registratie inkomende monsters
@@ -5286,33 +5264,33 @@
### § 5.1. Maken van mengmonsters
### Hoofdstuk 6. Kwaliteitsborging
Voldoet het monster bij herhaling wederom niet aan de gestelde herhaalbaarheidseisen dan wordt het gemiddelde berekend van de twee middelste meetresultaten. Bij de rapportage wordt hiervan melding gemaakt: ‘mediaan van 4 waarnemingen’.
### § 6.3. Tweedelijnscontrole
Van onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) is sprake in de volgende gevallen:
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
De analysefrequentie hangt af van:
### **4. Werkwijze**
4.1.3. Van een bestaand product (d.w.z. reeds langer op de markt) berekent de ondernemer op basis van de meest recente 10 analyse-uitslagen het gemiddelde gehalte en de sd
### § 6.2.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.3.3. Procedurele aspecten
### § 6.4.2.2. Evaluatie van steekproefresultaten
Fosforpentoxide (P2O5) wordt in de praktijk en de mestwetgeving aangeduid met fosfaat.
### **II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders**
4.1.3. De monsternemer werkt met schoon materiaal zodat er geen beïnvloeding van de te meten parameters kan plaatsvinden.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 57a
1. De vervoerder, die overeenkomstig [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-01-01&g=2021-01-01) mededeling heeft gedaan, doet ten minste twaalf uur voordat de dierlijke meststoffen daadwerkelijk binnen Nederland worden gebracht hiervan elektronisch mededeling aan de minister.
1. De vervoerder, die overeenkomstig [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-02-18&g=2021-02-18) mededeling heeft gedaan, doet ten minste twaalf uur voordat de dierlijke meststoffen daadwerkelijk binnen Nederland worden gebracht hiervan elektronisch mededeling aan de minister.
2. Bij de in het eerste lid bedoelde mededeling worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
- a. naam, adres en voor zover van toepassing de door de minister ter identificatie verstrekte relatienummers van de vervoerder en de afnemer van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen;
- b. de mestcode van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, zoals deze voor de desbetreffende mestsoort is opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01);
- b. de mestcode van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, zoals deze voor de desbetreffende mestsoort is opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18);
- c. de datum waarop het laden van de dierlijke meststoffen aanvangt; en
@@ -5362,7 +5340,7 @@
### **I. Protocol analyse stikstofgehalte, fosfaatgehalte en droge stofgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de hoeveelheden overige nutriënten**
## bijlage Ab. behorende bij de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## bijlage Ab. behorende bij de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
| Zware metalen | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel |
| --- | --- | --- | --- | --- |
@@ -5428,29 +5406,29 @@
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal voor de toepassing van reparatiebemesting op fosfaatarme of fosfaatfixerende gronden
Bepaal de grootte van het perceel. Het perceel dient onderverdeeld te worden in blokken (stratificatie) aan de hand van het speciaal daarvoor opgestelde software programma. Het softwareprogramma dient geïnstalleerd te worden op een computer1Handheld, desktop of laptop. . De blokken zijn dan van gelijke grootte, zo compact mogelijk samengesteld en de bemonsteringspunten zo goed mogelijk verdeeld over het perceel. Het aantal blokken is dan gelijk aan het aantal bemonsteringspunten. Het aantal bemonsteringspunten neemt toe met de oppervlakte van het perceel (tabel 1). Op elk bemonsteringspunt wordt grond bemonsterd van de voorgeschreven bodemlaag. De hoeveelheid (volume) gestoken grond is gelijk voor alle bemonsteringspunten. Bemonstering van het betreffende perceel dient minimaal twee maanden na bekalking plaats te vinden.
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
4 Behorende bij [artikel 73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Alleen relevant voor de graasdieren en daarmee niet van toepassing op diercategorieën die vallen onder de staldieren.
### Tabel IB. Excretieforfaits en stikstofcorrectie biologisch gehouden dieren, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [74a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74a&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=5&artikel=96&z=2021-02-18&g=2021-02-18)
### Tabel IIA. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest
### Oplossing II.
## Bijlage D. Diergebonden normen
Voeg anders aan het filtraat opnieuw actieve kool toe, schud even flink en filtreer opnieuw. Handel voor de blanco bepalingen op geheel dezelfde wijze als bij het monsteronderzoek. Vergeet daarbij dus ook niet de toevoeging van de actieve kool.
Een geaccrediteerde organisatie moet de verrichtingen die in dit AP06 zijn vermeld te allen tijde kunnen uitvoeren en aantonen dat zij in de praktijk werkt conform de accreditatie-eisen. Het is de monsternemende organisatie wel toegestaan om de RvA te vragen om een tijdelijke schorsing voor de gehele of een deel van de verrichtingen binnen de scope. Gedurende een periode van schorsing kan de organisatie geen monsters nemen.
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2007-07-22&g=2007-07-22), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2007-07-22&g=2007-07-22) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
### 5. Opmerkingen
### 5. Opmerkingen
### 2.2. Molybdaat-oplossing 4%
### 4.1. Controle van te bemonsteren vracht
### 5.3. Bemonsteren in containerbakken en opleggers
### 2.5. Kaliumantimonyltartraat-oplossing 0,275%
### 2.6. Mengreagens
### 5.6.1. Gebruik van de instrumenten
### 4. Berekening
@@ -5458,17 +5436,17 @@
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2016-09-16&g=2016-09-16) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2016-09-16&g=2016-09-16)
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
### 8.1. Eerstelijnscontrole
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2017-02-01&g=2017-02-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2017-02-01&g=2017-02-01), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=82&z=2017-02-01&g=2017-02-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2017-02-01&g=2017-02-01)
### Tabel IIB. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest
### 8.2. Harmonisatieoverleg
### Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij [artikel 102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=7&artikel=102&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
### 1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur
### 6. Versturen van mesttransportgegevens
### 10. Controle op naleving
### Onderdeel B
### 2.1. Algemene eisen
@@ -5478,7 +5456,7 @@
### **B. opmerkingscodes**
### Hoofdstuk 1. Introductie
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
### 12. Literatuur
@@ -5488,29 +5466,29 @@
## Bijlage H. behorende bij [artikel 80b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80b&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2019-01-31&g=2019-01-31)
### Hoofdstuk 2. Algemene eisen
### § 7.3. Heranalyse
### § 4.1. Controle monsterverpakking
### 5.1.1. Mengen van monsters drijfmest
### Hoofdstuk 10. Literatuur
Derdelijnscontrole – Externe controle door onafhankelijke instantie(s).
### § 5.3. Bepaling van stikstof en fosfor in mestmonsters
### **1. Algemeen**
### 4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).
### § 6.2.1. Controlemonster eerste lijn
### § 6.3.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.2.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.3. Tweedelijnscontrole
### § 6.2.1. Controlemonster eerste lijn
### § 6.3.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.2.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.4. Derdelijnscontrole
### § 6.4.2.2. Evaluatie van steekproefresultaten
### **4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)**
### **1. Algemeen**
De meetresultaten voor stikstof en fosfaat worden bij een gehalte <10 g/kg afgerond op 2 decimalen, bij een gehalte ≥10 g/kg op 1 decimaal, en bij een gehalte ≥100 g/kg op 0 decimaal.
@@ -5538,7 +5516,7 @@
2. De bemonstering van een hoeveelheid zuiveringsslib of compost geschiedt door de producent. Hij stelt per geproduceerde hoeveelheid van ten hoogste 2.000.000 kilogram, een representatief monster samen, bestaande uit deelmonsters die volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes evenredig verspreid uit de betrokken partij worden genomen. Indien de geproduceerde hoeveelheid groter is dan 2.000.000 kilogram, wordt deze allereerst verdeeld in partijen van ten hoogste 2.000.000 kilogram.
3. Indien zuiveringsslib of compost in een continu proces wordt geproduceerd, kan de desbetreffende producent ervoor kiezen dat het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte alsmede het drogestof gehalte ervan, in zoverre in afwijking van de voorgaande leden, overeen komen met het over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig [artikel 92b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), berekende twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestof gehalte, mits:
3. Indien zuiveringsslib of compost in een continu proces wordt geproduceerd, kan de desbetreffende producent ervoor kiezen dat het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte alsmede het drogestof gehalte ervan, in zoverre in afwijking van de voorgaande leden, overeen komen met het over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig [artikel 92b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), berekende twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestof gehalte, mits:
- a. de voor de productie van het zuiveringsslib of de compost gebruikte ingangsmaterialen van constante samenstelling zijn;
@@ -5550,13 +5528,13 @@
5. Het monster wordt door de producent uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toegestuurd aan een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
6. Indien het monster afkomstig is uit een hoeveelheid die in een continu proces is geproduceerd, geeft de betrokken producent bij het verzenden ervan aan of de analyseresultaten van dit monster gebruikt moeten worden bij de in [artikel 92b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde berekening.
6. Indien het monster afkomstig is uit een hoeveelheid die in een continu proces is geproduceerd, geeft de betrokken producent bij het verzenden ervan aan of de analyseresultaten van dit monster gebruikt moeten worden bij de in [artikel 92b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde berekening.
##### Artikel 92b
1. Het laboratorium, bedoeld in [artikel 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), analyseert de monsters uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst overeenkomstig het protocol, dat is opgenomen in [bijlage Ia, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ia&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat.
2. Indien dit ten aanzien van het monster overeenkomstig [artikel 92a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is aangegeven, berekent het laboratorium op basis van de meest recente analyseresultaten, het gemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig de in [bijlage Ia, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ia&z=2021-01-01&g=2021-01-01), opgenomen berekeningsmethode.
1. Het laboratorium, bedoeld in [artikel 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), analyseert de monsters uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst overeenkomstig het protocol, dat is opgenomen in [bijlage Ia, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ia&z=2021-02-18&g=2021-02-18), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat.
2. Indien dit ten aanzien van het monster overeenkomstig [artikel 92a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is aangegeven, berekent het laboratorium op basis van de meest recente analyseresultaten, het gemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig de in [bijlage Ia, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ia&z=2021-02-18&g=2021-02-18), opgenomen berekeningsmethode.
3. Het laboratorium voorziet de analyseresultaten dan wel de overeenkomstig het tweede lid berekende gemiddelde gehalten van een uniek analysenummer van ten hoogste twaalf posities.
@@ -6197,17 +6175,17 @@
### Oplossing II.
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
Indien in dit document de RvA wordt genoemd kan dit ook een andere nationale accreditatie-instantie zijn als bedoeld in [Verordening (EG) nr. 765/2008](32008R0765) van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van [Verordening (EEG) nr. 339/93](31993R0339) (PbEU 2008, L 218). Om voor accreditatie voor AP06 in aanmerking te komen, moet de organisatie door de RvA geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020.
Zwenk om en voeg na een kwartier wachten 20 milliliter van oplossing III toe.
### 3. Werkwijze
### 5.7. Verpakking, transport en overdracht voor analyse
## Bijlage D. Diergebonden forfaitaire gehalten
### 4. Berekening
### 5. Opmerkingen
### 7. Strategie voor monsterneming
### Tabel IA. Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=5&artikel=96&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
@@ -6217,9 +6195,9 @@
### 3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur
### Accreditatieprogramma bemonstering vaste dierlijke meststoffen; AP06
### 2. Algemene eisen
### **B. opmerkingscodes**
### Hoofdstuk 1. Introductie
### Hoofdstuk 3. Verrichtingen binnen AP05
@@ -6255,26 +6233,26 @@
De verrichtingen uit de volgende NEN-normen zijn als referentiemethoden voorgeschreven:
Voorafgaand aan indienen van een verzoek om accreditatie en bij van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting voert het laboratorium een validatie-onderzoek uit. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan toetst het laboratorium in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
De herhaalbaarheid wordt getoetst aan de hand van een representatieve steekproef van de mestsoorten die het laboratorium ontvangt en de concentratieniveaus waarin stikstof en fosfor in de desbetreffende mestsoorten voorkomt.
De herhaalbaarheid voor stikstof en fosfor zoals vermeld in hoofdstuk 6 is gedefinieerd voor twee concentratieniveaus. Wanneer het laboratorium voor beide concentratieniveaus geaccrediteerd wilt zijn dan dienen er minimaal 20 resultaten voor stikstof, en minimaal 20 resultaten voor fosfor in het lage concentratieniveau te liggen. Dit vereist indien nodig aanvullende duplobepalingen op een set van aanvullende monsters.
De meetresultaten dienen te allen tijde te worden berekend op productbasis. Vaste mest wordt met de droogfactor die bepaald is bij de voorbehandeling volgens NEN 7431 omgerekend naar product.
Het resultaat van fosfor moet worden uitgedrukt op oxide basis, de omrekeningsfactor hiervoor is:
Fosforpentoxide (P2O5) wordt in de praktijk en de mestwetgeving aangeduid met fosfaat.
### § 4.2. Controle hoeveelheid monster
### § 4.3. Registratie van gegevens
### Tabel III behorend bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-02-18&g=2021-02-18)
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2021-02-18&g=2021-02-18)
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2014-11-29&g=2014-11-29)
### **2. Doel**
### 4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2014-11-29&g=2014-11-29)
### Hoofdstuk 6. Kwaliteitsborging
### 4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
### § 6.3.2. Onbeheerste kwaliteit
@@ -6285,25 +6263,25 @@
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
De minimale rapporteringswaarde bedraagt voor stikstof 0,10 g/kg en voor fosfaat 0,07 g/kg.
4.2.1. Tijdens het laden van de auto neemt de monsternemer met vaste tussenpozen een ondermonster.
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
### § 7.2. Analyserapport
Het analyserapport moet voldoen aan de volgende algemene voorwaarden:
Het analyserapport dient minimaal de volgende gegevens te bevatten:
4.2.4. Indien de monsternemer de ondermonsters via een aftapkraan neemt die in de te lossen stroom is gemonteerd, dient deze kraan groot genoeg te zijn om ‘uitzeven’ van eventuele vaste bestanddelen uit het product te voorkomen (b.v. ½'' of ¾'' kogelkraan).
4.2.5. Indien een steekvast product wordt bemonsterd, dienen de ondermonsters te worden genomen op verschillende plekken verspreid over de partij. Een ondermonster is hierbij een hoeveelheid product, die op een bepaald punt uit de partij wordt genomen.
### § 7.3. Heranalyse
Analysemonsters moeten bewaard worden tot het verstrijken va de eindtermijn voor het doen van een heranalyse. Producenten en afnemers van de mest kunnen tot tien dagen na verzending van het analyserapport bij het laboratorium een verzoek indienen om heranalyse(s) uit te voeren. Dit verzoek moet schriftelijk via de vervoerder worden ingediend. Heranalyse is slechts één maal mogelijk en vindt in hetzelfde laboratorium plaats als waar het monster voor analyse is aangeboden.
### § 6.4.2.2. Evaluatie van steekproefresultaten
De duploresultaten van de heranalyse dienen te voldoen aan de eisen voor de herhaalbaarheid, voor stikstof 4% en voor fosfor 6%. Voldoet een monster niet aan deze eisen dan wordt de analyse opnieuw uitgevoerd in duplo. Voldoet het monster bij herhaling wel aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend van de laatste 2 meetresultaten. De eerder gevonden duploresultaten worden dan verworpen.
Voldoet het monster bij herhaling wederom niet aan de gestelde herhaalbaarheidseisen dan wordt het gemiddelde berekend van de 4 meetresultaten. Bij de eventuele rapportage wordt hiervan melding gemaakt.
4.2.7. Ook kan – naar analogie van het bemonsteren van mest – gebruik worden gemaakt van speciale apparatuur waarmee tijdens het laden regelmatig ondermonsters genomen kunnen worden.
### **4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster**
4.3.1. Het verzamelmonster bestaat uit alle ondermonsters.
4.3.2. Het verzamelmonster wordt in het verzamelvat goed gemengd (homogeniseren) waarna één of meerdere eindmonsters uit de emmer geschept worden. Een eindmonster is minimaal 0,5 liter resp. 0,5 kg groot.
Indien het gemiddelde meetresultaat van de heranalyse voor stikstof en fosfor niet meer dan 6,4% resp. 9,8% afwijkt van het resultaat de eerste analyse, is er sprake van een bevestiging van het resultaat voor het hoge concentratie concentratieniveau (zie hoofdstuk 6). Wanneer de gemeten gehaltes gemiddeld lager zijn dan 2,5 g/kg stikstof of 0,5 g/kg fosfor (het lage concentratie niveau) dan is er sprake van een bevestiging van het resultaat wanneer het verschil niet meer dan 0,16 en 0,05 g/kg bedraagt.
@@ -6311,99 +6289,99 @@
### Hoofdstuk 7. Rapportage van resultaten
Wanneer de analyseresultaten niet worden bevestigd, wordt door het laboratorium een gewijzigd analyserapport verzonden aan de leverancier, vervoerder en afnemer van de vracht of partij mest en daarmee vervalt het eerste analyseresultaat. Op het analyserapport wordt aangegeven dat het een heranalyse betreft.
4.4.3. Bovenstaande vermeldingen mogen ook (gedeeltelijk) vervangen worden door andere vermeldingen, mits deze eenduidig kunnen leiden naar bovengenoemde gegevens.
Periodiek moet het laboratorium in ieder geval de volgende gegevens aan de minister rapporteren:
Periodiek moet het laboratorium in ieder geval de volgende gegevens aan de minister rapporteren:
4.5.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd stuurt minimaal 1 monster voor onderzoek naar het laboratorium. Een tweede monster kan voor eigen doeleinden worden bewaard. Het laboratorium moet voldoen aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of een hieraan gelijkwaardige norm.
### Hoofdstuk 8. Archivering van gegevens
4.5.3. Indien de gehalten aan droge stof, ruw eiwit en fosfor in het product niet veranderen tijdens het bewaren, mag het bedrijf afwijken van bovengenoemde voorwaarde. Het bedrijf dient wel ten genoegen van de Minister aan te tonen dat dit zo is. Het eindmonster dient binnen 1 week op het laboratorium te worden afgeleverd. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.
Het is toegestaan de meetgegevens elektronisch op te slaan vermits voldaan wordt aan de relevante eisen uit de NEN-EN-ISO/IEC 17025.
4.6.1. Van elk monster worden de volgende gegevens vastgelegd
Deze gegevens mogen op verschillende plaatsen geadministreerd en bewaard worden, mits de traceerbaarheid van de gegevens gewaarborgd is.
De resultaten van de ringtesten zullen door de uitvoerende instantie of instanties aan de minister gerapporteerd worden. Mochten de resultaten van de ringtesten aanleiding geven tot vragen betreffende de kwaliteit van een laboratorium dan zal op verzoek van de minister de ringtest gedecodeerd worden. Indien gewenst kan de minister de RvA opdracht geven een extra onderzoek in te stellen.
Iemand die werkzaam is bij een onderneming in het kader waarvan diervoeders worden afgeleverd, moet om als monsternemer in het kader van het protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen te kunnen optreden, daartoe door een bevoegde functionaris van de desbetreffende onderneming, schriftelijk zijn gemachtigd. De ondernemer bewaart de machtiging op de onderneming gedurende 5 jaar na afloop van het kalenderjaar, waarin de gemachtigde monsternemer zijn werkzaamheden heeft beëindigd.
De RvA zal in een jaarlijkse geanonimiseerde rapportage aan de minister haar bevindingen weergeven. Tevens zullen de branchebreed waargenomen afwijkingen/tekortkomingen worden behandeld. Hiermee kunnen mogelijke knelpunten die zich in de praktijk voordoen worden opgespoord en zo nodig worden aangepast in het accreditatieprogramma.
### Hoofdstuk 10. Literatuur
1.1. Diervoeders met meer dan 14 % vocht
1.1.1. voor fosfor:
### § 7.3. Heranalyse
10,00% relatief voor gehalten van 1 tot 6%;
0,10% absoluut voor gehalten kleiner dan 1%;
1.1.2. voor ruw eiwit:
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
9,00% relatief voor gehalten van 10 tot 20%;
0,90% absoluut voor gehalten kleiner dan 10%.
1.2. Te hanteren tolerantie bij nader onderzoek en meerdere monsters:
### Tabel II behorend bij [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=89&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
Bij n monsters kan de tolerantie, genoemd in punt 1.1 en 1.2 worden gedeeld door √n, bij n>5 mag de tolerantie worden gedeeld door maximaal √5.
Voorts dient de monstername uitgevoerd te worden binnen eenzelfde toepassingsgebied waarvoor een tolerantie, als genoemd in punt 1.1 en 1.2 is vastgesteld.
### Tabel III behorend bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
xiii mineralenconcentraat dat is geproduceerd door een overeenkomstig [artikel 35b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35b&z=2021-01-01&g=2021-01-01) aangewezen producent en dat wordt vervoerd naar een in [artikel 35f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35f&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde landbouwer.
Indien voor de bemonstering van een perceel, bedoeld in [artikel 1, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=1), gebruik gemaakt wordt van de gestratificeerde aselecte steekproefmethode, dienen de volgende stappen te worden uitgevoerd.
Het is toegestaan de meetgegevens elektronisch op te slaan vermits voldaan wordt aan de relevante eisen uit de NEN-EN-ISO/IEC 17025.
De steeksproefgewijze controle op de naleving van de eisen van AP05 wordt uitgevoerd door de Raad voor Accreditatie. De Raad voor Accreditatie oordeelt naar bevinden. Als richtlijn wordt aangehouden dat een laboratorium haar accreditatie status verliest wanneer het voor een periode van 2 jaar niet aan de eisen voor de ringonderzoeken en/of de steekproeven voldoet. In geval van een schorsing of intrekking van de accreditatie zal dit door de Raad voor Accreditatie worden gemeld aan de minister. Indien de accreditatie is ingetrokken, mag een laboratorium geen analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest meer uitvoeren.
Aansluitend op deze controlerende taak van de Raad voor Accreditatie ziet de NVWA toe op naleving van AP05 en op artikel 80 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
De resultaten van de ringtesten zullen door de uitvoerende instantie of instanties aan de minister gerapporteerd worden. Mochten de resultaten van de ringtesten aanleiding geven tot vragen betreffende de kwaliteit van een laboratorium dan zal op verzoek van de minister de ringtest gedecodeerd worden. Indien gewenst kan de minister de RvA opdracht geven een extra onderzoek in te stellen.
De RvA zal in een jaarlijkse geanonimiseerde rapportage aan de minister haar bevindingen weergeven. Tevens zullen de branchebreed waargenomen afwijkingen/tekortkomingen worden behandeld. Hiermee kunnen mogelijke knelpunten die zich in de praktijk voordoen worden opgespoord en zo nodig worden aangepast in het accreditatieprogramma.
De RvA zal in een jaarlijkse geanonimiseerde rapportage aan de minister haar bevindingen weergeven. Tevens zullen de branchebreed waargenomen afwijkingen/tekortkomingen worden behandeld. Hiermee kunnen mogelijke knelpunten die zich in de praktijk voordoen worden opgespoord en zo nodig worden aangepast in het accreditatieprogramma.
### Hoofdstuk 10. Literatuur
NEN 7431: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door mengen, drogen en malen. Stapelbare mest
NEN 7433: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling voor de bepaling van stikstof, fosfor en kalium. Ontsluiting met zwavelzuur, waterstofperoxyde en kopersulfaat.
### § 7.3. Heranalyse
NEN 7434: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan stikstof in destruaten.
NEN 7435 (2e ontwerp): Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan fosfor in destruaten.
NEN 7437: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof.
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
Gebruik de digitale vastlegging van de vormbepalende hoekpunten, omvang en vorm van het perceel wanneer deze bekend is bij RVO, of markeer de vormbepalende hoekpunten en leg met een Global Navigation Satellite System (GNSS) de omvang en vorm van het perceel vast. Controleer en verifieer de GNSS data met een kaart gebaseerd op TOP10NL van de Basisregistratie Topografie, of een zo recent mogelijke doch uiterlijk 2 jaar oude luchtfoto met een resolutie van ten hoogste 25cm. De afwijking van het GNSS bedraagt niet meer dan 5 meter. De bemestingsvrije zones worden bij deze bepaling niet meegenomen. Indien het perceel verdeeld is onder twee of meer gebruikers, wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd.
Bepaal de grootte van het perceel. Het perceel wordt met een computer volstrekt willekeurig onderverdeeld in blokken (stratificatie). De blokken zijn dan van gelijke grootte, zo compact mogelijk samengesteld en de bemonsteringspunten zo goed mogelijk verdeeld over het perceel. Het aantal blokken is dan gelijk aan het aantal bemonsteringspunten. Het aantal bemonsteringspunten neemt toe met de oppervlakte van het perceel overeenkomstig tabel 1. Op elk bemonsteringspunt wordt grond bemonsterd van de voorgeschreven bodemlaag. De hoeveelheid (volume) gestoken grond is gelijk voor alle bemonsteringspunten. Bemonstering van het desbetreffende perceel vindt ten minste twee maanden na bekalking plaats.
Tabel 1 Het aantal noodzakelijke bemonsterpunten gerelateerd aan de bemonsteringseensheid als het areaal van een perceel landbouwgrond.
Een bemonsteringseenheid heeft een areaal van ten hoogste 20 hectare. Indien het areaal meer dan 20 hectare bedraagt, wordt het te bemonsteren perceel landbouwgrond opgesplitst in twee of meer bemonsteringseenheden. Selecteer per blok volledig aselect, met behulp van het software programma één bemonsteringspunt. Lokaliseer deze punten met GNSS. Indien een gelokaliseerd bemonsteringspunt buiten het perceel valt, bemonster dan het meest dichtbij gelegen punt binnen het perceel. Volg hierna de instructies omschreven in sectie 2
Indien geen gebruik wordt gemaakt van de gestratificeerde aselecte steekproefmethode, wordt gebruik gemaakt van een eigen protocol (zie ook sectie 3) dat voor de bemonstering gebaseerd dient te zijn op de W-methode, zig-zag-methode of kruislingse bemonstering.
In het geval van de toepassing van een eigen protocol wordt uit een perceel dan wel een perceelsdeel met een maximale omvang van vijf hectare één representatief mengmonster samengesteld. Aan elkaar grenzende percelen kunnen worden samengevoegd tot een totale omvang van ten hoogste vijf hectare, waarbij de omvang van de individuele percelen die worden samengevoegd niet groter is dan 2,5 hectare.
Indien een perceel groter is dan 5 hectare dienen er twee of meer representatieve mengmonsters samengesteld te worden ter vaststelling van de fosfaattoestand van dat perceel. De fosfaattoestand wordt dan bepaald door het gewogen gemiddelde te berekenen van de analyseresultaten van de individuele mengmonsters.
Stel met Global Navigation Satellite System (GNSS) de omvang en vorm van dit perceel dan wel perceelsdeel vast. Bij niet rechthoekige percelen dan wel perceelsdelen worden zoveel extra punten meegenomen dat de contouren ervan vastgelegd zijn. De afwijking van de GNSS mag niet groter zijn dan 5 meter. De teeltvrije zones op grond van [artikel 3:79 van het Activiteitenbesluit milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022762&artikel=3.79) en de bemestingsvrije zone, bedoeld in [artikel 8b van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=8b), zoals dit luidt na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E, van het Besluit van 29 december 2020 tot wijziging van het Besluit gebruik meststoffen ter uitvoering van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn en tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet teneinde een grondslag op te nemen voor het uitsluitend verstrekken van gegevens via de elektronische weg (Stb 2021, nr. 2) worden bij deze bepaling buiten beschouwing gelaten. Indien het perceel dan wel perceeldeel verdeeld is onder meerdere gebruikers, dan wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd. Het mengmonster wordt samengesteld uit een minimum van 40 deelmonsters die gestoken worden uit het gehele perceel dan wel perceeldeel. Op elk bemonsteringspunt wordt grond bemonsterd van de voorgeschreven bodemlaag. De hoeveelheid (volume) gestoken grond is gelijk voor alle bemonsteringspunten. Bemonstering van het betreffende perceel vindt minimaal twee maanden na bekalking plaats.
Wanneer in één maand één monster wordt aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt de berekening van het twaalf-maandsgemiddelde gemaakt op basis van het analyseresultaat van dit monster.
Deze sectie beschrijft de rest van het protocol voor zowel de gestratificeerde aselecte steekproefmethode als voor de overige methoden:
Selecteer een geschikte boor om de grondmonstername mee uit te voeren. De te gebruiken boor dient grondig gereinigd te zijn alvorens deze wordt gebruikt. Grondresten van een ander perceel dienen afwezig te zijn.
Bemonster met een geschikte boor grond tot 10 centimeter diepte op grasland en tot 25 centimeter diepte op bouwland. Tot de aangegeven diepte dient de boor volledig met grond gevuld te zijn. Mijd bij bemonstering meststofresten.
Trek de boor met grond uit de bodem en breng de grond over in een stevige plastic zak of papieren zak met polyethyleen bekleding. Verzamel op deze wijze grond op alle bemonsteringspunten en breng dit samen in een zak. De booromvang is dusdanig groot dat de massa van het mengmonster ten minste 0,5 kilogram bedraagt. Op alle bemonsteringspunten wordt een gelijke hoeveelheid grond verzameld.
Het grondmonster is binnen drie dagen na de dag van monstername gedroogd. Indien het drogen van het mengmonster binnen de genoemde termijn niet mogelijk is, wordt het grondmonster in een niet-luchtdicht afgesloten plastic zak bij 5°C ± 3°C in het donker bewaard. Het monster mag ten hoogste drie maanden worden bewaard. Indien het monster niet binnen deze drie maanden geanalyseerd wordt, dient een nieuw (meng)monster genomen te worden. Een monster kan slechts eenmalig geanalyseerd worden ten behoeve van een geldig analyserapport als bedoeld te komen in [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103a&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Voor een geldige nieuwe analyse dienen nieuwe monsters volgens dit protocol te worden gestoken.
Eindrapportage bemonstering en analyse van dierlijke mest, Projectgroep Bemonstering en Analyse, april 1995.
Eindrapportage bemonstering en analyse van dierlijke mest, Projectgroep Bemonstering en Analyse, april 1995.
Indien het gemiddelde meetresultaat van de heranalyse voor stikstof en fosfor niet meer dan 6,4% resp. 9,8% afwijkt van het resultaat de eerste analyse, is er sprake van een bevestiging van het resultaat voor het hoge concentratie concentratieniveau (zie hoofdstuk 6). Wanneer de gemeten gehaltes gemiddeld lager zijn dan 2,5 g/kg stikstof of 0,5 g/kg fosfor (het lage concentratie niveau) dan is er sprake van een bevestiging van het resultaat wanneer het verschil niet meer dan 0,16 en 0,05 g/kg bedraagt.
### Tabel II behorend bij [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=89&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
* Fase 3 substraat is het product dat van het compostbedrijf wordt vervoerd naar de champignonkwekerij.
** champost is het product dat van de champignonkweker wordt afgevoerd.
### Tabel III behorend bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
xiii mineralenconcentraat dat is geproduceerd door een overeenkomstig [artikel 35b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35b&z=2021-01-01&g=2021-01-01) aangewezen producent en dat wordt vervoerd naar een in [artikel 35f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35f&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde landbouwer.
xiii mineralenconcentraat dat is geproduceerd door een overeenkomstig [artikel 35b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35b&z=2019-10-01&g=2019-10-01) aangewezen producent en dat wordt vervoerd naar een in [artikel 35f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35f&z=2019-10-01&g=2019-10-01), bedoelde landbouwer.
Het is toegestaan de meetgegevens elektronisch op te slaan vermits voldaan wordt aan de relevante eisen uit de NEN-EN-ISO/IEC 17025.
De steeksproefgewijze controle op de naleving van de eisen van AP05 wordt uitgevoerd door de Raad voor Accreditatie. De Raad voor Accreditatie oordeelt naar bevinden. Als richtlijn wordt aangehouden dat een laboratorium haar accreditatie status verliest wanneer het voor een periode van 2 jaar niet aan de eisen voor de ringonderzoeken en/of de steekproeven voldoet. In geval van een schorsing of intrekking van de accreditatie zal dit door de Raad voor Accreditatie worden gemeld aan de minister. Indien de accreditatie is ingetrokken, mag een laboratorium geen analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest meer uitvoeren.
De steeksproefgewijze controle op de naleving van de eisen van AP05 wordt uitgevoerd door de Raad voor Accreditatie. De Raad voor Accreditatie oordeelt naar bevinden. Als richtlijn wordt aangehouden dat een laboratorium haar accreditatie status verliest wanneer het voor een periode van 2 jaar niet aan de eisen voor de ringonderzoeken en/of de steekproeven voldoet. In geval van een schorsing of intrekking van de accreditatie zal dit door de Raad voor Accreditatie worden gemeld aan de minister. Indien de accreditatie is ingetrokken, mag een laboratorium geen analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest meer uitvoeren.
CSS 99022 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99022 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99020 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99020 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method. (www.ecn.nl/horizontal).
Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge (www.ecn.nl/horizontal).
Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge (www.ecn.nl/horizontal).
Wanneer in één maand één monster wordt aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt de berekening van het twaalf-maandsgemiddelde gemaakt op basis van het analyseresultaat van dit monster.
Wanneer in één maand meerdere monsters worden aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt eerst het gemiddelde analyseresultaat van die maand berekend op basis van de analyseresultaten van die monsters. Vervolgens wordt de berekening van het twaalf-maansgemiddelde gemaakt op basis van de het gemiddelde analyseresultaat van die maand.
Door het aldus verkregen analyseresultaat (fosfaatgehalte en stikstofgehalte en drogestofgehalte afzonderlijk) toe te voegen aan de som van de analyseresultaten van de voorgaande maanden (maximaal 11) en deze som te delen door het totale aantal maanden (maximaal 12), wordt het nieuwe twaalf-maandsgemiddelde berekend.
Door het aldus verkregen analyseresultaat (fosfaatgehalte en stikstofgehalte en drogestofgehalte afzonderlijk) toe te voegen aan de som van de analyseresultaten van de voorgaande maanden (maximaal 11) en deze som te delen door het totale aantal maanden (maximaal 12), wordt het nieuwe twaalf-maandsgemiddelde berekend.
NEN 7437: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof.
Opzet van ringonderzoeken en interpretatie van resultaten, R94.012 (3de versie), Kwaliteitsdienst Landbouwkundige Laboratoria, TNO voeding.
Eindrapportage bemonstering en analyse van dierlijke mest, Projectgroep Bemonstering en Analyse, april 1995.
### **1. Algemeen**
In [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2019-10-01&g=2019-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:
Dit protocol vermeldt voor vochtrijke voedermiddelen (> 14% vocht) de uitgangspunten die gelden voor de vaststelling van de te vermelden gehalten en voor de minimumfrequentie van analytisch onderzoek. Tevens wordt aangegeven hoe de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het gehalte moet vaststellen en welke minimumfrequentie van onderzoek hij moet hanteren.
In afwijking van de voorgaande zin, en eerste alinea van dit protocol, kan een organisatie tot en met 1 juli 2022 zonder accreditatie de monstername, voorbehandeling en analyse verrichten, indien deze organisatie aantoonbaar vóór 1 juli 2021 de accreditatie voor dit protocol en de in tabel a genoemde normen heeft aangevraagd.
**Tabel a**
Dit protocol vermeldt voor vochtrijke voedermiddelen (> 14% vocht) de uitgangspunten die gelden voor de vaststelling van de te vermelden gehalten en voor de minimumfrequentie van analytisch onderzoek. Tevens wordt aangegeven hoe de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het gehalte moet vaststellen en welke minimumfrequentie van onderzoek hij moet hanteren.
@@ -6713,23 +6691,25 @@
### Oplossingen
## Bijlage C. behorende bij [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
## Bijlage C. behorende bij de [artikelen 30 tot en met 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
## Bijlage C. behorende bij [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2021-02-18&g=2021-02-18)
Vervallen
## Bijlage D. Diergebonden forfaitaire gehalten
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
### 3. Analyse van grondmonsters
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
### 1. Abstract
### Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij [artikel 103](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=7&artikel=103&z=2021-02-18&g=2021-02-18)
### A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur
### B. Eisen monsterverpakking
### D. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van drijfmest
### 2. Benodigde reagentia
### 2. Benodigde reagentia
1 Als de omschrijving van de categorieën niet aansluit bij de voorkomende situatie dienen de forfaits gehanteerd te worden van de categorie die het best aansluit bij de voorkomende situatie.
De strategie voor monsterneming wordt periodiek en minimaal iedere twee jaar geactualiseerd.
## Bijlage F
@@ -6751,7 +6731,7 @@
### 5.1.2. Mengen van monsters vaste mest
### 2.2. Toetredingsprocedure
### § 3.2. Validatie van een verrichting volgens een referentiemethode
## Bijlage F
@@ -6761,23 +6741,23 @@
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69&z=2008-07-13&g=2008-07-13) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### 5.1. Het nemen van een representatief monster
### 5. Technische beschrijving van de verrichting – partijbemonstering
### Hoofdstuk 4. Controle en registratie inkomende monsters
### § 4.1. Controle monsterverpakking
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
### 5.2. Bemonstering bij het laden
### 5.1. Het nemen van een representatief monster
### 5.6.2. Bemonstering met de Edelmanboor
### § 4.2. Controle hoeveelheid monster
### § 5.2. Monstervoorbehandeling
### 6.2. 6.2 Bemonstering bij het laden
### 7.2. Periodieke actualisatie
### 8.4. Nalevingstoezicht
### § 6.3.1. Controlemonster tweede lijn
### § 5.1. Maken van mengmonsters
@@ -6801,45 +6781,45 @@
### § 6.4.1. Ringonderzoek
De berekende hoeveelheden fosfaat en stikstof – gebaseerd op het gehalte maal de vrachtomvang – wordt uitgedrukt in kilogrammen en afgerond op hele getallen.
De berekende hoeveelheden fosfaat en stikstof – gebaseerd op het gehalte maal de vrachtomvang – wordt uitgedrukt in kilogrammen en afgerond op hele getallen.
4.2.2. De monsternemer neemt minimaal 5 ondermonsters. De tussentijd tussen 2 opeenvolgende te nemen ondermonsters wordt berekend door de totale laadtijd te delen door het aantal te nemen ondermonsters + 1. Het eerste ondermonster neemt de monsternemer kort nadat begonnen is met laden. Er wordt doorgegaan met het verzamelen van ondermonsters totdat de auto geladen is.
4.2.3. Indien het een homogeen product betreft kan volstaan worden met minder ondermonsters. Het bedrijf dient zelf door middel van analytisch onderzoek ten genoegen van de Minister aan te tonen dat het product zodanig homogeen is dat minder ondermonsters voldoende zijn voor het verkrijgen van een representatief verzamel- en eindmonster.
Heranalyse vindt plaats in duplo onder herhaalbaarheidscondities, op het gekoeld bewaarde analysemonster, binnen 21 dagen na de eerste verslaglegging.
### **4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster**
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
De aanvrager van de heranalyse ontvangt in dat geval van het laboratorium bericht van de bevestiging waarbij aangegeven wordt dat het eerder gerapporteerde resultaat onverkort van toepassing blijft.
Wanneer de analyseresultaten niet worden bevestigd, wordt door het laboratorium een gewijzigd analyserapport verzonden aan de leverancier, vervoerder en afnemer van de vracht of partij mest en daarmee vervalt het eerste analyseresultaat. Op het analyserapport wordt aangegeven dat het een heranalyse betreft.
### **4.4. Labelgegevens**
4.4.1. Elk eindmonster wordt voorzien van een label waarop minimaal staat vermeld
4.4.2. De label wordt op een deugdelijk wijze aan de pot gehecht.
### § 7.4. Rapportage aan de minister
### Hoofdstuk 8. Archivering van gegevens
De meetgegevens van het laboratorium dienen gedurende minimaal 5 jaar te worden gearchiveerd en wel zodanig dat de meetresultaten kunnen worden geherinterpreteerd en snel en handzaam terugvindbaar zijn. Dit geldt ook voor de validatiegegevens en de analyserapporten.
4.5.2. Het eindmonster wordt binnen 24 uur afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor. Indien dit niet mogelijk is, vriest de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het monster direct in. Het monster wordt vervolgens in bevroren toestand afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.
### Hoofdstuk 9. Controle op naleving
### § 7.2. Analyserapport
NEN-EN 14672:2005: Karakterisering van slib – Bepaling van het totale gehalte aan fosfor
Opzet van ringonderzoeken en interpretatie van resultaten, R94.012 (3de versie), Kwaliteitsdienst Landbouwkundige Laboratoria, TNO voeding.
0,60% absoluut voor gehalten van meer dan 6%;
1,80% absoluut voor gehalten hoger dan 20%;
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
** champost is het product dat van de champignonkweker wordt afgevoerd.
### Tabel III behorend bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2019-10-01&g=2019-10-01)
### Sectie 1 bepaling bemonsteringspunten
### **1. Droge stof**
### **2. Stikstof (N)**
In [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:
Monsterneming (sectie 1 en 2) geschiedt door een organisatie die voor sectie 1 en 2 van deze bijlage is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. Voorbehandeling van het monster en analyse van zowel P-AL als P-CaCl2 geschiedt door een organisatie die is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie voor de normen, genoemd in tabel a.
### 4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).
@@ -6879,7 +6859,7 @@
- b. het adres van de bedrijfsgebouwen waar mineralenconcentraat wordt geproduceerd;
- c. de kadastrale aanduiding van de onderscheiden locaties van de tot het bedrijf behorende opslagruimten voor mineralenconcentraat, dan wel, ingeval de producent een intermediair is, het registratienummer van de opslagruimte voor mineralenconcentraat, bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=49&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
- c. de kadastrale aanduiding van de onderscheiden locaties van de tot het bedrijf behorende opslagruimten voor mineralenconcentraat, dan wel, ingeval de producent een intermediair is, het registratienummer van de opslagruimte voor mineralenconcentraat, bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=49&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
6. Bij de aanmelding overlegt de producent voorts:
@@ -6907,7 +6887,7 @@
1. De minister wijst een producent van mineralenconcentraat aan als deelnemer indien:
- a. de producent zich overeenkomstig [artikel 35a, derde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), heeft aangemeld;
- a. de producent zich overeenkomstig [artikel 35a, derde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), heeft aangemeld;
- b. de producent de volledige zeggenschap over de gehele installatie en het productieproces heeft;
@@ -6915,51 +6895,51 @@
- d. de installatie volledig operationeel is;
- e. de producent daadwerkelijk mineralenconcentraat produceert, overeenkomstig de beschrijvingen, bedoeld in [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
- e. de producent daadwerkelijk mineralenconcentraat produceert, overeenkomstig de beschrijvingen, bedoeld in [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
2. De minister kan aan de aanwijzing nadere voorschriften verbinden. De aan de aanwijzing verbonden voorschriften kunnen worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken.
##### Artikel 35c
Indien meer dan tien producenten, bedoeld in [artikel 35a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 35b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wijst de minister ten hoogste tien producenten aan. De aanwijzing geschiedt op volgorde van aanmelding.
Indien meer dan tien producenten, bedoeld in [artikel 35a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 35b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wijst de minister ten hoogste tien producenten aan. De aanwijzing geschiedt op volgorde van aanmelding.
##### Artikel 35d
1. Een aangewezen producent verleent indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking aan het in [artikel 35a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde onderzoek.
2. Een aangewezen producent produceert overeenkomstig de op grond van [artikel 35a, vijfde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), overgelegde gegevens en beschrijvingen.
3. De aangewezen producent meldt de wijzigingen in de gegevens, bedoeld in [artikel 35a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), binnen 30 dagen aan de minister.
4. Wijzigingen in de elementen, bedoeld in [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), vinden niet plaats dan na instemming van de minister.
5. De aangewezen producent draagt er zorg voor dat op het vervoersbewijs dierlijke mest uitsluitend de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01) voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode wordt vermeld, indien het mineralenconcentraat is vervaardigd overeenkomstig de op grond van [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), overgelegde beschrijving van het productieproces, en indien het mineralenconcentraat wordt afgevoerd naar een gebruiker waarmee hij een overeenkomst tot afname van het mineralenconcentraat heeft gesloten.
6. Het gewicht van en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de van het bedrijf of van de onderneming van de producent afgevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
1. Een aangewezen producent verleent indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking aan het in [artikel 35a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde onderzoek.
2. Een aangewezen producent produceert overeenkomstig de op grond van [artikel 35a, vijfde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), overgelegde gegevens en beschrijvingen.
3. De aangewezen producent meldt de wijzigingen in de gegevens, bedoeld in [artikel 35a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), binnen 30 dagen aan de minister.
4. Wijzigingen in de elementen, bedoeld in [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), vinden niet plaats dan na instemming van de minister.
5. De aangewezen producent draagt er zorg voor dat op het vervoersbewijs dierlijke mest uitsluitend de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18) voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode wordt vermeld, indien het mineralenconcentraat is vervaardigd overeenkomstig de op grond van [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), overgelegde beschrijving van het productieproces, en indien het mineralenconcentraat wordt afgevoerd naar een gebruiker waarmee hij een overeenkomst tot afname van het mineralenconcentraat heeft gesloten.
6. Het gewicht van en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de van het bedrijf of van de onderneming van de producent afgevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
7. Ingeval de aangewezen producent een intermediair is, heeft de in [artikel 14, eerste lid, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=14) bedoelde verantwoording betrekking op zowel de hoeveelheid fosfaat als de hoeveelheid stikstof.
8. Indien de aangewezen producent niet voldoet aan dit artikel of aan de ingevolge [artikel 35b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), gestelde voorschriften, kan de minister de aanwijzing als deelnemer voor een bepaalde periode schorsen of intrekken.
8. Indien de aangewezen producent niet voldoet aan dit artikel of aan de ingevolge [artikel 35b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), gestelde voorschriften, kan de minister de aanwijzing als deelnemer voor een bepaalde periode schorsen of intrekken.
##### Artikel 35e
De landbouwer die op zijn bedrijf mineralenconcentraat gebruikt, is voor wat betreft het gebruik van het mineralenconcentraat, voor de jaren 2009 tot en met 2021 vrijgesteld van [artikel 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=7), voor zover het gebruik van de totale hoeveelheid meststoffen op zijn bedrijf de stikstofgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 8, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), en de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), niet overschrijdt, en indien is voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in [artikel 35f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35f&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
De landbouwer die op zijn bedrijf mineralenconcentraat gebruikt, is voor wat betreft het gebruik van het mineralenconcentraat, voor de jaren 2009 tot en met 2021 vrijgesteld van [artikel 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=7), voor zover het gebruik van de totale hoeveelheid meststoffen op zijn bedrijf de stikstofgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 8, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), en de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), niet overschrijdt, en indien is voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in [artikel 35f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35f&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
##### Artikel 35f
1. De landbouwer heeft met een overeenkomstig [artikel 35b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35b&z=2021-01-01&g=2021-01-01) aangewezen producent van mineralenconcentraat een schriftelijke overeenkomst gesloten tot afname van het mineralenconcentraat.
2. Het desbetreffende bedrijf van de landbouwer is voor de toepassing van [artikel 35e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35e&z=2021-01-01&g=2021-01-01) elektronisch bij de minister aangemeld, onder vermelding van het door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer. Deze aanmelding geschiedt voordat de eerste vracht mineralenconcentraat op het bedrijf wordt aangevoerd.
1. De landbouwer heeft met een overeenkomstig [artikel 35b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35b&z=2021-02-18&g=2021-02-18) aangewezen producent van mineralenconcentraat een schriftelijke overeenkomst gesloten tot afname van het mineralenconcentraat.
2. Het desbetreffende bedrijf van de landbouwer is voor de toepassing van [artikel 35e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35e&z=2021-02-18&g=2021-02-18) elektronisch bij de minister aangemeld, onder vermelding van het door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer. Deze aanmelding geschiedt voordat de eerste vracht mineralenconcentraat op het bedrijf wordt aangevoerd.
3. Het mineralenconcentraat is rechtstreeks vanaf het bedrijf of de onderneming van de in het eerste lid bedoelde producent op het bedrijf van de landbouwer aangevoerd.
4. Het gewicht van en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op het bedrijf van de landbouwer aangevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat worden bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
5. Op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat de desbetreffende aangevoerde vracht vergezelt, is de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01) voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode vermeld.
4. Het gewicht van en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op het bedrijf van de landbouwer aangevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat worden bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
5. Op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat de desbetreffende aangevoerde vracht vergezelt, is de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18) voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode vermeld.
6. De landbouwer houdt in de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), de gegevens bij over de oppervlakte en de ligging van de percelen van zijn bedrijf waarop mineralenconcentraat op of in de bodem is gebracht.
7. De landbouwer verleent indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking aan het in [artikel 35a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde onderzoek.
7. De landbouwer verleent indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking aan het in [artikel 35a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde onderzoek.
8. Bij de bepaling van de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=12) bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt voor het desbetreffende bedrijf de hoeveelheid stikstof in het mineralenconcentraat voor 100 procent in aanmerking genomen.
@@ -7712,7 +7692,7 @@
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
## Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij de [artikelen 28 tot en met 28c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
## Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij de [artikelen 28 tot en met 28c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-02-18&g=2021-02-18)
| grondsoort | kleigrond | noordelijke, westelijke en centrale zandgronden | zuidelijke zandgronden | lössgrond | veengrond |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
@@ -8045,179 +8025,179 @@
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### Tabel IIB. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest
### 2. Inlezen gegevens
### 4. Automatische positiebepaling van het transportmiddel met satellietvolgapparatuur
### 5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur
### E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest
### 2.3. Zwavelzure molybdaat-oplossing
### 5.4. Bemonstering na het lossen
2 Behorende bij [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
## Bijlage F
### 8.4. Nalevingstoezicht
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2019-10-01&g=2019-10-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2019-10-01&g=2019-10-01), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=82&z=2019-10-01&g=2019-10-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2019-10-01&g=2019-10-01)
### 9. Rapportage
### 11. Literatuur
### 2. Inlezen gegevens
### § 3.1. Algemeen
### § 3.3. Gelijkwaardigheidsonderzoek van een huismethode
## Bijlage F
### 5.1. Het nemen van een representatief monster
### 5.3. Bemonsteren in containerbakken en opleggers
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2009-01-29&g=2009-01-29) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69&z=2009-01-29&g=2009-01-29) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### 5.2. Gebruik van de instrumenten
### § 4.4. Monsteropslag en conservering
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2009-01-29&g=2009-01-29) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2009-01-29&g=2009-01-29)
### Hoofdstuk 5. Technische beschrijving van verrichtingen
### § 5.1. Maken van mengmonsters
### 5.7. Verpakking, transport en overdracht voor analyse
### 6.5. Het maken van een laboratoriummonster
### 9.1. Eerste en tweedelijnscontrole
### Hoofdstuk 4. Controle en registratie inkomende monsters
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2008-11-19&g=2008-11-19) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### § 6.4. Derdelijnscontrole
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### § 6.3. Tweedelijnscontrole
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
### § 6.4.2.1. Procedurele aspecten
### **4.2. Het nemen van de ondermonsters**
4.2.6. De ondermonsters worden (allemaal even groot; minimaal een halve liter) genomen d.m.v. een kunststof monsterpot o.i.d. Deze monsterpot wordt iedere keer na het nemen van een ondermonster geleegd in een schoon verzamelvat (emmer, vat, bak o.i.d.).
### Hoofdstuk 7. Rapportage van resultaten
### **4.6. Monsteradministratie**
### **5. machtiging als monsternemers**
### **III. Toleranties**
De in deze bijlage opgenomen toleranties betreft het maximale acceptabele verschil tussen het vastgestelde gehalte enerzijds, en het geanalyseerd gehalte anderzijds.
### § 7.3. Heranalyse
Wanneer bij nader onderzoek door de controle-instantie meerdere monsters worden genomen om te controleren of de juiste vermelding van fosfor respectievelijk ruw eiwit heeft plaatsgevonden kan in de keuring met de volgende tolerantie worden gewerkt:
### Tabel IV behorende bij de [artikelen 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [57b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57b&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
### **3. Fosfaat (P2O5)**
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### 2.6. Extractievloeistof
### Oplossingen
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2018-04-01&g=2018-04-01)
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
4.2.1. Nadat de onderneming volgens de onder 4.1 beschreven werkwijze per product per locatie het gemiddelde gehalte en de sd voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor heeft vastgesteld, dient hij dit gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij volgt daartoe de hieronder beschreven werkwijze.
4.2.2. Het bedrijf stelt op basis van de sd en de tolerantie met behulp van figuur 1 vast hoeveel monsteronderzoek in de komende 12 maanden noodzakelijk zijn om het gemiddelde gehalte te kunnen onderhouden. (De in deze figuur genoemde frequenties voor jaarlijks monsteronderzoek zijn vastgesteld op basis van een 95% betrouwbaarheidsinterval, dwz de kans is 95% dat de afwijking van het werkelijke gemiddelde van het product t.o.v. het berekende gemiddelde binnen de toleranties valt.) Het minimale aantal analyse-uitslagen is 6 per jaar.
4.2.3. De benodigde aantallen legt de onderneming vast in een bedrijfsintern monsteronderzoeksprogramma. De monsters worden verspreid over deze 12 maanden genomen en onderzocht.
4.2.4. Na elk monsteronderzoek stelt de onderneming uiterlijk binnen 2 weken opnieuw het gemiddelde gehalte vast. Hij doet dit op basis van de meest recente 10 waarnemingen. Dit gemiddelde gehalte hanteert het bedrijf vervolgens t.b.v. de administratie en -⁠etikettering.
4.2.5. Na afloop van de periode van 12 maanden stelt de onderneming opnieuw vast hoeveel monsters voor de komende 12 maanden onderzocht moeten worden om het gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij gaat hierbij uit van de meest recente 10 waarnemingen en volgt werkwijze vanaf 4.2.1.
Producten met een gering gehalte aan ruw eiwit en fosfor
4.2.6. Voor producten met minder dan 75 gram ruw eiwit per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
4.2.7. Voor producten met minder dan 2 gram fosfor per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2009-01-29&g=2009-01-29) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### § 6.4.1.1. Procedurele aspecten
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### § 6.3. Tweedelijnscontrole
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2009-01-29&g=2009-01-29)
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
### § 6.4.2.1. Procedurele aspecten
### § 6.3.3. Procedurele aspecten
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
### **4.5. Verzending**
### § 7.2. Analyserapport
### § 7.3. Heranalyse
### § 7.4. Rapportage aan de minister
### Gestratificeerde aselecte steekproefmethode
### **1. Droge stof**
### **3. Fosfaat (P2O5)**
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
### 1. Abstract
### 2.6. Extractievloeistof
### 2.3. Zwavelzure molybdaat-oplossing
### 2.4. Ascorbinezuur-oplossing 1,75%
2 Behorende bij [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
## Bijlage F
### **Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103**
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2019-10-01&g=2019-10-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2019-10-01&g=2019-10-01), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=82&z=2019-10-01&g=2019-10-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2019-10-01&g=2019-10-01)
### B. Eisen monsterverpakking
### 6. Versturen van mesttransportgegevens
### 2. Inlezen gegevens
### 2.2. Toetredingsprocedure
### 4.1. Controle van te bemonsteren vracht
## Bijlage F
### 5.1. Het nemen van een representatief monster
### 5.3. Bemonsteren in containerbakken en opleggers
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2009-01-29&g=2009-01-29) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69&z=2009-01-29&g=2009-01-29) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### 5.2. Gebruik van de instrumenten
### 5.4. Bemonstering na het lossen
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2009-01-29&g=2009-01-29) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2009-01-29&g=2009-01-29)
### 5.2. Gebruik van de instrumenten
### 5.2. Gebruik van de instrumenten
### 5.7. Verpakking, transport en overdracht voor analyse
### 6.5. Het maken van een laboratoriummonster
### 9.1. Eerste en tweedelijnscontrole
### Hoofdstuk 4. Controle en registratie inkomende monsters
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2008-11-19&g=2008-11-19) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### § 6.4. Derdelijnscontrole
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### § 6.3. Tweedelijnscontrole
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
### § 6.4.2.1. Procedurele aspecten
### § 6.4.2. Steekproef
Het analyserapport dient minimaal de volgende gegevens te bevatten:
### Hoofdstuk 7. Rapportage van resultaten
### Hoofdstuk 9. Controle op naleving
### § 7.2. Analyserapport
### Hoofdstuk 10. Literatuur
NEN 7430: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest.
### § 7.3. Heranalyse
De aanvrager van de heranalyse ontvangt in dat geval van het laboratorium bericht van de bevestiging waarbij aangegeven wordt dat het eerder gerapporteerde resultaat onverkort van toepassing blijft.
### Tabel IV behorende bij de [artikelen 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [57b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57b&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-01-01&g=2021-01-01)
### **3. Fosfaat (P2O5)**
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2018-04-01&g=2018-04-01)
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
4.2.1. Nadat de onderneming volgens de onder 4.1 beschreven werkwijze per product per locatie het gemiddelde gehalte en de sd voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor heeft vastgesteld, dient hij dit gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij volgt daartoe de hieronder beschreven werkwijze.
4.2.2. Het bedrijf stelt op basis van de sd en de tolerantie met behulp van figuur 1 vast hoeveel monsteronderzoek in de komende 12 maanden noodzakelijk zijn om het gemiddelde gehalte te kunnen onderhouden. (De in deze figuur genoemde frequenties voor jaarlijks monsteronderzoek zijn vastgesteld op basis van een 95% betrouwbaarheidsinterval, dwz de kans is 95% dat de afwijking van het werkelijke gemiddelde van het product t.o.v. het berekende gemiddelde binnen de toleranties valt.) Het minimale aantal analyse-uitslagen is 6 per jaar.
4.2.3. De benodigde aantallen legt de onderneming vast in een bedrijfsintern monsteronderzoeksprogramma. De monsters worden verspreid over deze 12 maanden genomen en onderzocht.
4.2.4. Na elk monsteronderzoek stelt de onderneming uiterlijk binnen 2 weken opnieuw het gemiddelde gehalte vast. Hij doet dit op basis van de meest recente 10 waarnemingen. Dit gemiddelde gehalte hanteert het bedrijf vervolgens t.b.v. de administratie en -⁠etikettering.
4.2.5. Na afloop van de periode van 12 maanden stelt de onderneming opnieuw vast hoeveel monsters voor de komende 12 maanden onderzocht moeten worden om het gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij gaat hierbij uit van de meest recente 10 waarnemingen en volgt werkwijze vanaf 4.2.1.
Producten met een gering gehalte aan ruw eiwit en fosfor
4.2.6. Voor producten met minder dan 75 gram ruw eiwit per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
4.2.7. Voor producten met minder dan 2 gram fosfor per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
Opmerkingen m.b.t. producten die niet gedurende het hele jaar beschikbaar komen
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2009-01-29&g=2009-01-29) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### § 6.4.1.1. Procedurele aspecten
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### § 6.3. Tweedelijnscontrole
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2009-01-29&g=2009-01-29)
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
### § 6.4.2.1. Procedurele aspecten
### § 6.3.3. Procedurele aspecten
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
### § 7.4. Rapportage aan de minister
### § 7.2. Analyserapport
### § 7.3. Heranalyse
### § 7.4. Rapportage aan de minister
### Tabel IV behorende bij de [artikelen 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57&z=2019-10-01&g=2019-10-01), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57a&z=2019-10-01&g=2019-10-01), [57b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57b&z=2019-10-01&g=2019-10-01) en [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2019-10-01&g=2019-10-01)
### **1. Droge stof**
### **3. Fosfaat (P2O5)**
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
### 1. Abstract
Opmerkingen m.b.t. producten die niet gedurende het hele jaar beschikbaar komen
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 59a
1. [Artikel 53, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [artikel 54, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=54&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor zover dat lid betrekking heeft op de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur, [artikel 55, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2021-01-01&g=2021-01-01), aanhef in samenhang met de onderdelen b en c, en [artikel 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=56&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor zover dat lid betrekking heeft op het vastleggen van de in artikel 55, tweede lid, onderdeel b, bedoelde gegevens, zijn niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen, indien de dierlijke meststoffen worden afgevoerd van een bedrijf ten aanzien waarvan ontheffing is verleend van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en rechtstreeks, zonder tussenopslag, worden vervoerd naar een bedrijf ten aanzien waarvan eveneens ontheffing is verleend van de artikelen 76, eerste lid, en 77 onder de volgende voorwaarden:
1. [Artikel 53, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [artikel 54, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=54&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor zover dat lid betrekking heeft op de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur, [artikel 55, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2021-02-18&g=2021-02-18), aanhef in samenhang met de onderdelen b en c, en [artikel 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=56&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor zover dat lid betrekking heeft op het vastleggen van de in artikel 55, tweede lid, onderdeel b, bedoelde gegevens, zijn niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen, indien de dierlijke meststoffen worden afgevoerd van een bedrijf ten aanzien waarvan ontheffing is verleend van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en rechtstreeks, zonder tussenopslag, worden vervoerd naar een bedrijf ten aanzien waarvan eveneens ontheffing is verleend van de artikelen 76, eerste lid, en 77 onder de volgende voorwaarden:
- a. de afvoer vindt plaats op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de leverancier en de afnemer die is afgesloten voordat het vervoer van de desbetreffende vracht plaatsvond;
- b. de hoeveelheid van de desbetreffende vracht meststoffen wordt bepaald overeenkomstig de aan de ontheffing verbonden voorschriften; en
- c. het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen is overeenkomstig [artikel 66, vierde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=66&z=2021-01-01&g=2021-01-01), ingevuld.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vracht dierlijke meststoffen op grond van de voorschriften die zijn verbonden aan de aan de leverancier van de desbetreffende vracht verleende ontheffing wordt vervoerd overeenkomstig de [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=48) en [49 van het Uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) en de [artikelen 53 tot en met 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
- c. het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen is overeenkomstig [artikel 66, vierde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=66&z=2021-02-18&g=2021-02-18), ingevuld.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vracht dierlijke meststoffen op grond van de voorschriften die zijn verbonden aan de aan de leverancier van de desbetreffende vracht verleende ontheffing wordt vervoerd overeenkomstig de [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=48) en [49 van het Uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) en de [artikelen 53 tot en met 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
### Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
@@ -8298,7 +8278,7 @@
### **3. Instrumentele analyse Hg**
## Bijlage B. behorende bij [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=29&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet: Werkingscoëfficiënt
## Bijlage B. behorende bij [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=29&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet: Werkingscoëfficiënt
| Soort/herkomst meststof ¹ | Toepassing ¹ | WC |
| --- | --- | --- |
@@ -8334,11 +8314,11 @@
## Bijlage C. behorende bij de [artikelen 30 tot en met 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2009-07-25&g=2009-07-25)
### 5. Opmerkingen
### 5. Opmerkingen
### Oplossing I.
### 1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur
### 3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur
### 6. Versturen van mesttransportgegevens
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2009-07-25&g=2009-07-25), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2009-07-25&g=2009-07-25) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2009-07-25&g=2009-07-25)
@@ -8346,13 +8326,13 @@
### 1. Inleiding
### 2.1. Algemene eisen
### Hoofdstuk 2. Algemene eisen
### 2.2. Toetredingsprocedure
## Bijlage F
### 5.3. Bemonsteren in containerbakken en opleggers
### § 4.3. Registratie van gegevens
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2009-07-25&g=2009-07-25) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69&z=2009-07-25&g=2009-07-25) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -8362,9 +8342,9 @@
### 5.6.2. Bemonstering met de Edelmanboor
### 5.7. Verpakking, transport en overdracht voor analyse
### 6.6. Verpakking, transport en overdracht voor analyse
### Hoofdstuk 6. Kwaliteitsborging
### § 6.2.1. Controlemonster eerste lijn
### 7.2. Vrachtbemonstering
@@ -8392,7 +8372,7 @@
### 3. Analyse van grondmonsters
### **1. Algemeen**
### Sectie 3 geaccrediteerde organisaties
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
@@ -8402,11 +8382,11 @@
##### Artikel 28a
1. De hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 28, eerste lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt voor onderstaande gewassen vermeerderd met de hoeveelheid stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, voor zover de teelt van deze gewassen op kleigrond plaatsvindt:
1. De hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 28, eerste lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt voor onderstaande gewassen vermeerderd met de hoeveelheid stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, voor zover de teelt van deze gewassen op kleigrond plaatsvindt:
- a. voor zover het gewas suikerbieten betreft, 15 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal suikerbieten dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 75 ton per hectare bedroeg;
- b. voor zover het de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-01-01&g=2021-01-01), tabel 5, genoemde consumptieaardappelrassen betreft, 30 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal van deze consumptieaardappelrassen dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 50 ton per hectare bedroeg;
- b. voor zover het de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-02-18&g=2021-02-18), tabel 5, genoemde consumptieaardappelrassen betreft, 30 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal van deze consumptieaardappelrassen dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 50 ton per hectare bedroeg;
- c. voor zover het gewas wintertarwe betreft, 15 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal wintertarwe dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 9 ton per hectare bedroeg;
@@ -8442,7 +8422,7 @@
De indicator voor de fosfaattoestand van grasland en bouwland is de combinatie van:
- a. het P-CaCl2-getal dat wordt uitgedrukt in milligrammen P2O5 per liter grond; en
- a. het P-CaCl2-getal dat wordt uitgedrukt in milligrammen P2O5 per kilogram grond; en
- b. het P-AL-getal dat wordt uitgedrukt in milligrammen P2O5 per 100 gram grond.
@@ -8456,7 +8436,7 @@
##### Artikel 51a
1. Op de opslagruimten voor vloeibaar zuiveringsslib, bedoeld in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2021-01-01&g=2021-01-01), worden de door de minister verstrekte registratienummers ter identificatie van de afzonderlijke opslagruimten aangebracht, op zodanige wijze dat het nummer steeds duidelijk zichtbaar en leesbaar is.
1. Op de opslagruimten voor vloeibaar zuiveringsslib, bedoeld in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2021-02-18&g=2021-02-18), worden de door de minister verstrekte registratienummers ter identificatie van de afzonderlijke opslagruimten aangebracht, op zodanige wijze dat het nummer steeds duidelijk zichtbaar en leesbaar is.
2. De opslagruimten voor vloeibaar zuiveringsslib worden in de administratie en bij de verstrekking van gegevens mede aangeduid met het registratienummer van de opslagruimte, bedoeld in het eerste lid.
@@ -8470,13 +8450,13 @@
##### Artikel 74a
Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in [artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032462&artikel=2.14), en die behoren tot de in [bijlage D, tabel IB, deel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-01-01&g=2021-01-01), onderscheiden categorieën dieren, zijn de in [artikel 66, eerste en tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) bedoelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, in afwijking van [artikel 74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2021-01-01&g=2021-01-01), de normen die zijn vermeld in deel 2 van die tabel.
Voor zover het dieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in [artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032462&artikel=2.14), en die behoren tot de in [bijlage D, tabel IB, deel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2021-02-18&g=2021-02-18), onderscheiden categorieën dieren, zijn de in [artikel 66, eerste en tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) bedoelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, in afwijking van [artikel 74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2021-02-18&g=2021-02-18), de normen die zijn vermeld in deel 2 van die tabel.
#### § 2. Vervoersbewijs dierlijke meststoffen
##### Artikel 92c
Ingeval een hoeveelheid vloeibaar zuiveringsslib die afkomstig is uit een opslagruimte voor vloeibaar zuiveringsslib als bedoeld in [artikel 39, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) of in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en die rechtstreeks van de desbetreffende onderneming wordt afgevoerd naar een bedrijf, komt het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte alsmede het drogestofgehalte van de desbetreffende hoeveelheid zuiveringsslib, in afwijking van [artikel 68, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), overeen met het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte onderscheidenlijk het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of artikel 51, vijfde lid, bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers is berekend en zoals dat voordat de afvoer plaatsvond, overeenkomstig [artikel 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of [52, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2021-01-01&g=2021-01-01), aan de minister is verstrekt.
Ingeval een hoeveelheid vloeibaar zuiveringsslib die afkomstig is uit een opslagruimte voor vloeibaar zuiveringsslib als bedoeld in [artikel 39, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) of in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en die rechtstreeks van de desbetreffende onderneming wordt afgevoerd naar een bedrijf, komt het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte alsmede het drogestofgehalte van de desbetreffende hoeveelheid zuiveringsslib, in afwijking van [artikel 68, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), overeen met het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte onderscheidenlijk het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2021-02-18&g=2021-02-18), of artikel 51, vijfde lid, bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers is berekend en zoals dat voordat de afvoer plaatsvond, overeenkomstig [artikel 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2021-02-18&g=2021-02-18), of [52, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2021-02-18&g=2021-02-18), aan de minister is verstrekt.
#### § 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen
@@ -8526,15 +8506,15 @@
##### Artikel 103b
1. Het laboratorium dat de in [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103a&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bedoelde vaststelling heeft verricht, verstrekt de landbouwer het analyserapport en verstrekt desgevraagd gegevens over die vaststelling aan de minister.
2. De landbouwer meldt de fosfaattoestand van het desbetreffende perceel gebaseerd op het op grond van [artikel 103a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), geldige analyserapport, uiterlijk 15 mei van het desbetreffende kalenderjaar.
1. Het laboratorium dat de in [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103a&z=2021-02-18&g=2021-02-18) bedoelde vaststelling heeft verricht, verstrekt de landbouwer het analyserapport en verstrekt desgevraagd gegevens over die vaststelling aan de minister.
2. De landbouwer meldt de fosfaattoestand van het desbetreffende perceel gebaseerd op het op grond van [artikel 103a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), geldige analyserapport, uiterlijk 15 mei van het desbetreffende kalenderjaar.
3. De landbouwer bewaart het analyserapport als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
##### Artikel 103c
1. In afwijking van [artikel 103a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), kan het laboratorium het nemen van monsters uit de bodem van een perceel uitbesteden aan een derde indien:
1. In afwijking van [artikel 103a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), kan het laboratorium het nemen van monsters uit de bodem van een perceel uitbesteden aan een derde indien:
- a. de monstername geschiedt onder verantwoordelijkheid van het laboratorium dat de analyse uitvoert;
@@ -9192,11 +9172,11 @@
## Bijlage D. Diergebonden normen
### Oplossingen
### Oplossingen
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
### 2. Inlezen gegevens
### 7. Signalering van storingen
## Bijlage Ea. behorende bij de [artikelen 78d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78d&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [78i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78i&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [78q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78q&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [78u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78u&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage F
@@ -9206,9 +9186,9 @@
### E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest
### 10. Controle op naleving
### 9.2. Derdelijnscontrole
### § 6.3.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.4. Derdelijnscontrole
### § 6.4.1.1. Procedurele aspecten
@@ -9222,7 +9202,7 @@
### onderdeel A
### § 4.2. Controle hoeveelheid monster
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2021-02-18&g=2021-02-18)
### § 6.2.1. Controlemonster eerste lijn
@@ -9268,23 +9248,23 @@
##### Artikel 27a
1. Ten hoogste vier jaren voorafgaand aan 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt toegepast, zijn de waarde van de fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverende vermogen van de bodem van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond vastgesteld en vastgelegd in een analyserapport door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. Het laboratorium stelt de fosfaattoestand van de bodem vast door middel van bemonstering en analyse van de bodem van de desbetreffende percelen overeenkomstig [artikel 103a, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103a&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
1. Ten hoogste vier jaren voorafgaand aan 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt toegepast, zijn de waarde van de fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverende vermogen van de bodem van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond vastgesteld en vastgelegd in een analyserapport door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. Het laboratorium stelt de fosfaattoestand van de bodem vast door middel van bemonstering en analyse van de bodem van de desbetreffende percelen overeenkomstig [artikel 103a, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103a&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
3. De landbouwer bewaart het analyserapport als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
4. Indien een perceel door de landbouwer in gebruik wordt genomen na 1 februari en vóór 16 mei van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt toegepast, vindt de waardevaststelling, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 7 dagen na de ingebruikname plaats.
4. Indien een perceel door de landbouwer in gebruik wordt genomen na 1 februari en vóór 16 mei van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt toegepast, vindt de waardevaststelling, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 7 dagen na de ingebruikname plaats.
5. In afwijking van het eerste lid zijn voor 2020 de waarde van de fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverende vermogen van de bodem ten hoogste vijf jaren voorafgaand aan 4 september 2020 vastgesteld en vastgelegd.
##### Artikel 27b
Als vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem, bedoeld in [artikel 27a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt tevens aangemerkt de vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem:
- a. die tot en met 31 oktober 2009 is verricht overeenkomstig [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2021-01-01&g=2021-01-01) zoals dit artikel luidde op 31 december 2009; of
- b. bemonstering en analyse van de bodem overeenkomstig het in [bijlage L](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=L&z=2021-01-01&g=2021-01-01) opgenomen protocol met uitzondering van de in onderdeel I, paragraaf 1, voorgeschreven vastlegging van de omvang en vorm van het te bemonsteren perceel dan wel perceelsdeel met een Global Positioning System, voor zover het monsters betreft die in de periode van 1 november 2009 tot 1 januari 2010 uit de desbetreffende bodem zijn genomen.
Als vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem, bedoeld in [artikel 27a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt tevens aangemerkt de vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem:
- a. die tot en met 31 oktober 2009 is verricht overeenkomstig [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2021-02-18&g=2021-02-18) zoals dit artikel luidde op 31 december 2009; of
- b. bemonstering en analyse van de bodem overeenkomstig het in [bijlage L](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=L&z=2021-02-18&g=2021-02-18) opgenomen protocol met uitzondering van de in onderdeel I, paragraaf 1, voorgeschreven vastlegging van de omvang en vorm van het te bemonsteren perceel dan wel perceelsdeel met een Global Positioning System, voor zover het monsters betreft die in de periode van 1 november 2009 tot 1 januari 2010 uit de desbetreffende bodem zijn genomen.
#### § 2. Stikstofgebruiksnorm
@@ -9553,7 +9533,7 @@
## Bijlage D. Diergebonden normen
### 2.6. Extractievloeistof
### 3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur en transportmiddel
## Bijlage D. Diergebonden normen
@@ -9565,7 +9545,7 @@
### 9.2. Derdelijnscontrole
### Onderdeel B
### § 6.4.1.2. Evaluatie van ringonderzoekresultaten
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
@@ -9579,7 +9559,7 @@
### § 6.4. Derdelijnscontrole
### § 6.4. Derdelijnscontrole
### **3. Plaats bemonstering**
### § 7.2. Analyserapport
@@ -9627,9 +9607,9 @@
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103a&z=2010-10-01&g=2010-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### § 7.1. Uitdrukking van meetresultaten
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
### **4.1. Algemeen**
### Sectie 2 uitvoering bemonstering en bruikbaarheidstermijn grondmonster
### **4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)**
@@ -9669,7 +9649,7 @@
- a. naam, adres en indien van toepassing de door de Kamer van Koophandel, bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=2), verstrekte KvK-nummers van de betrokken vervoerder en van de leveranciers;
- b. de mestcode van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, zoals deze voor de desbetreffende mestsoort is opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01);
- b. de mestcode van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, zoals deze voor de desbetreffende mestsoort is opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18);
- c. de postcode van de laadplaats van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, en
@@ -9683,23 +9663,23 @@
##### Artikel 57c
1. In afwijking van [artikel 57b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), kan de mededeling op niet elektronische wijze geschieden, indien deze mededeling ten minste dertig werkdagen, voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt gedaan.
2. In afwijking van [artikel 57b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), kan de wijziging op niet elektronische wijze geschieden, indien deze wijziging ten minste veertien werkdagen voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt doorgegeven.
3. In afwijking van [artikel 57b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), geldt een termijn van ten minste veertien werkdagen, indien de mededeling op niet elektronische wijze geschiedt.
4. In afwijking van [artikel 57b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), kan de intrekking van de mededeling op niet elektronische wijze geschieden, indien deze intrekking ten minste veertien werkdagen voordat vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt gedaan.
1. In afwijking van [artikel 57b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), kan de mededeling op niet elektronische wijze geschieden, indien deze mededeling ten minste dertig werkdagen, voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt gedaan.
2. In afwijking van [artikel 57b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), kan de wijziging op niet elektronische wijze geschieden, indien deze wijziging ten minste veertien werkdagen voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt doorgegeven.
3. In afwijking van [artikel 57b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), geldt een termijn van ten minste veertien werkdagen, indien de mededeling op niet elektronische wijze geschiedt.
4. In afwijking van [artikel 57b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), kan de intrekking van de mededeling op niet elektronische wijze geschieden, indien deze intrekking ten minste veertien werkdagen voordat vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt gedaan.
##### Artikel 62a
1. Het vervoersbewijs dierlijke meststoffen kan voor meerdere vrachten dierlijke meststoffen op eenzelfde dag worden gebruikt, indien:
- a. het gaat om vrachten dierlijke meststoffen, met uitzondering van champost, waarbij de hoeveelheid dierlijke meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2021-01-01&g=2021-01-01) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten;
- a. het gaat om vrachten dierlijke meststoffen, met uitzondering van champost, waarbij de hoeveelheid dierlijke meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2021-02-18&g=2021-02-18) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten;
- b. bij elke vracht dierlijke meststoffen dezelfde leverancier, vervoerder en afnemer zijn betrokken;
- c. de vrachten dierlijke meststoffen betrekking hebben op één mestcode als bedoeld in [artikel 61, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of gemengde mest van één of meer diersoorten uit één opslagruimte;
- c. de vrachten dierlijke meststoffen betrekking hebben op één mestcode als bedoeld in [artikel 61, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-02-18&g=2021-02-18), of gemengde mest van één of meer diersoorten uit één opslagruimte;
- d. de vrachten dierlijke meststoffen worden vervoerd door hetzelfde voertuig;
@@ -9709,7 +9689,7 @@
- g. een bijlage wordt opgemaakt overeenkomstig het tweede lid, waarop het nummer van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen is vermeld.
2. In afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-01-01&g=2021-01-01), worden:
2. In afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-02-18&g=2021-02-18), worden:
- a. het tijdstip van laden en het geschat gewicht van elke vracht dierlijke meststoffen, uiterlijk bij het laden, en
@@ -9717,7 +9697,7 @@
op een bij het vervoersbewijs dierlijke meststoffen behorende bijlage ingevuld.
3. In afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-01-01&g=2021-01-01):
3. In afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2021-02-18&g=2021-02-18):
- a. wordt bij onderdeel 3b van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen uiterlijk bij het lossen van de laatste vracht dierlijke meststoffen het totale geschatte gewicht ingevuld van alle vervoerde vrachten dierlijke meststoffen;
@@ -10076,9 +10056,9 @@
### **2. Instrumentele analyse Cd, Cr, Cu, Ni, Pb, Zn en As**
### 3. Analyse van grondmonsters
### 2.6. Extractievloeistof
### Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij [artikel 102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=7&artikel=102&z=2021-02-18&g=2021-02-18)
### 7. Signalering van storingen
## Bijlage D. Diergebonden normen
@@ -10092,7 +10072,7 @@
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
### § 4.3. Registratie van gegevens
### Hoofdstuk 8. Archivering van gegevens
### § 4.4. Monsteropslag en conservering
@@ -10452,11 +10432,11 @@
Meststoffen worden uitsluitend door middel van een pijpleiding vervoerd:
- a. in het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedoelde geval, of
- a. in het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedoelde geval, of
- b. indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een intermediaire onderneming en er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- 1. de pijpleiding en de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2021-01-01&g=2021-01-01) genoemde apparatuur die wordt gebruikt bij het vervoer behoort tot de intermediaire onderneming;
- 1. de pijpleiding en de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2021-02-18&g=2021-02-18) genoemde apparatuur die wordt gebruikt bij het vervoer behoort tot de intermediaire onderneming;
- 2. de pijpleiding wordt uitsluitend gebruikt voor de afvoer van meststoffen van één bedrijf, en
@@ -10466,7 +10446,7 @@
##### Artikel 89a
Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony’s van een bedrijf in de gemeente Vlieland worden afgevoerd naar een ander bedrijf in de gemeente Vlieland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony’s van een bedrijf in de gemeente Vlieland worden afgevoerd naar een ander bedrijf in de gemeente Vlieland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18), tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de hoeveelheid dierlijke meststoffen is afkomstig van de op het bedrijf gehouden, dan wel anderszins aanwezige dieren;
@@ -10645,7 +10625,7 @@
### **VI. protocol analyse organische microverontreinigingen**
### 2. Benodigde reagentia
### C. Prestatiekenmerken verpakkingsapparatuur
## Bijlage D. Diergebonden normen
@@ -10657,7 +10637,7 @@
### 7. Signalering van storingen
### 11. Literatuur
### § 6.3.3. Procedurele aspecten
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2016-09-16&g=2016-09-16) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -10673,7 +10653,7 @@
### § 4.1. Controle monsterverpakking
### § 6.3.3. Procedurele aspecten
### **2. Doel**
### Hoofdstuk 7. Rapportage van resultaten
@@ -11045,7 +11025,7 @@
##### Artikel 104a
Voor de toepassing van [artikel 26, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=26) geeft het bedrijf waarbinnen de verplaatsing van de varkens-, kippen- of kalkoenhouderij plaatsvindt, van de verplaatsing vooraf kennis aan de minister en verstrekt de overeenkomstige gegevens bedoeld, in [artikel 104, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=1&artikel=104&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
Voor de toepassing van [artikel 26, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=26) geeft het bedrijf waarbinnen de verplaatsing van de varkens-, kippen- of kalkoenhouderij plaatsvindt, van de verplaatsing vooraf kennis aan de minister en verstrekt de overeenkomstige gegevens bedoeld, in [artikel 104, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=1&artikel=104&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
#### § 7. Staldieren en eieren
@@ -11073,7 +11053,7 @@
- h. indien de mestbehandeling of de vergisting van de dierlijke meststoffen niet op een adequate wijze kan geschieden als gevolg van een storing van de installatie, doet de landbouwer hiervan binnen drie dagen melding aan de minister, en
- i. wijzigingen in de ingevolge [artikel 104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=1&artikel=104&z=2021-01-01&g=2021-01-01) verstrekte gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging, onder vermelding van het door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer, gemeld aan de minister.
- i. wijzigingen in de ingevolge [artikel 104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=1&artikel=104&z=2021-02-18&g=2021-02-18) verstrekte gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging, onder vermelding van het door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer, gemeld aan de minister.
2. Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, wordt van het op dat bedrijf rustende varkensrecht onderscheidenlijk pluimveerecht dat deel buiten beschouwing gelaten dat volgens [artikel 26, zevende lid, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=26) is overgegaan van een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen buiten dat concentratiegebied naar een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen het concentratiegebied.
@@ -11618,13 +11598,13 @@
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=82&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2012-10-06&g=2012-10-06)
### 5. Opmerkingen
### 7.1. Algemeen
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2017-11-10&g=2017-11-10), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2017-11-10&g=2017-11-10), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=82&z=2017-11-10&g=2017-11-10) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2017-11-10&g=2017-11-10)
### onderdeel A
### § 4.2. Controle hoeveelheid monster
### § 7.4. Rapportage aan de minister
## Bijlage J
@@ -12035,7 +12015,7 @@
- b. de transportband heeft een vaste standplaats;
- c. de transportband en de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2021-01-01&g=2021-01-01) genoemde apparatuur die wordt gebruikt bij het vervoer behoort tot de intermediaire onderneming;
- c. de transportband en de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2021-02-18&g=2021-02-18) genoemde apparatuur die wordt gebruikt bij het vervoer behoort tot de intermediaire onderneming;
- d. de transportband wordt uitsluitend gebruikt voor de afvoer van meststoffen van één bedrijf, en
@@ -12184,7 +12164,7 @@
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2013-06-19&g=2013-06-19) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2013-06-19&g=2013-06-19)
### 2.2. Toetredingsprocedure
### Hoofdstuk 3. Verrichtingen binnen AP05
### Onderdeel B
@@ -12567,7 +12547,7 @@
##### Artikel 27c
Indien niet wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [25c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25c&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=9) van toepassing.
Indien niet wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [25c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25c&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=9) van toepassing.
#### § 2. Stikstofgebruiksnorm
@@ -13012,19 +12992,19 @@
##### Artikel 37a
De landbouwer stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2021-01-01&g=2021-01-01) aangewezen ambtenaren.
De landbouwer stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2021-02-18&g=2021-02-18) aangewezen ambtenaren.
### Hoofdstuk 4. Opslagcapaciteit dierlijke meststoffen
##### Artikel 45a
De intermediair stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2021-01-01&g=2021-01-01) aangewezen ambtenaren.
De intermediair stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2021-02-18&g=2021-02-18) aangewezen ambtenaren.
### Hoofdstuk 7. Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers
##### Artikel 50a
De ondernemer, bedoeld in [artikel 50, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2021-01-01&g=2021-01-01), stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2021-01-01&g=2021-01-01) aangewezen ambtenaren.
De ondernemer, bedoeld in [artikel 50, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2021-02-18&g=2021-02-18), stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2021-02-18&g=2021-02-18) aangewezen ambtenaren.
### Hoofdstuk 8. Vervoer van meststoffen
@@ -13034,7 +13014,7 @@
- a. landbouwers die een biologisch veehouderijbedrijf als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PbEU 2007, L 189) hebben en de dierlijke meststoffen overdragen of laten overdragen aan een afnemer die behoort tot de categorie afnemers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a;
- b. landbouwers die op hun bedrijf dierlijke meststoffen afkomstig van paarden, pony’s of pluimvee produceren, en deze dierlijke meststoffen overdragen of laten overdragen aan een afnemer die behoort tot de categorie afnemers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, waarbij de afvoer als bedoeld in [artikel 89, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=89&z=2021-01-01&g=2021-01-01), tevens wordt beschouwd als het overdragen of laten overdragen aan een afnemer die behoort tot de categorie afnemers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
- b. landbouwers die op hun bedrijf dierlijke meststoffen afkomstig van paarden, pony’s of pluimvee produceren, en deze dierlijke meststoffen overdragen of laten overdragen aan een afnemer die behoort tot de categorie afnemers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, waarbij de afvoer als bedoeld in [artikel 89, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=89&z=2021-02-18&g=2021-02-18), tevens wordt beschouwd als het overdragen of laten overdragen aan een afnemer die behoort tot de categorie afnemers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
2. Als categorieën afnemers als bedoeld in [artikel 21, tweede lid, onderdeel d, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=21) en [artikel 33a, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=33a) worden aangewezen:
@@ -13052,7 +13032,7 @@
- b. het in Duitsland gelegen perceel en de Nederlandse grens bedraagt ten hoogste 20 kilometer.
2. De voorwaarden, [artikel 21, tweede lid, onderdeel d, onder 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=21) en [artikel 33a, tweede lid, onderdeel b, onder 3° van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=33a), zijn de voorwaarden, genoemd in [artikel 87, eerste lid, onderdelen a en d tot en met f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=87&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
2. De voorwaarden, [artikel 21, tweede lid, onderdeel d, onder 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=21) en [artikel 33a, tweede lid, onderdeel b, onder 3° van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=33a), zijn de voorwaarden, genoemd in [artikel 87, eerste lid, onderdelen a en d tot en met f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=87&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
##### Artikel 72c
@@ -13098,11 +13078,11 @@
##### Artikel 75c
Het ureumgehalte als bedoeld in de [artikelen 75a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=75a&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [75b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=75b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt uitgedrukt in milligrammen ureum per 100 gram melk, waarbij de verkregen waarden worden afgerond op hele getallen.
Het ureumgehalte als bedoeld in de [artikelen 75a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=75a&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [75b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=75b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt uitgedrukt in milligrammen ureum per 100 gram melk, waarbij de verkregen waarden worden afgerond op hele getallen.
##### Artikel 75d
De minister stelt op basis van de berekening, bedoeld in [artikel 75b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=75b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), het gewogen gemiddelde ureumgehalte vast van een landbouwer in een kalenderjaar.
De minister stelt op basis van de berekening, bedoeld in [artikel 75b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=75b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), het gewogen gemiddelde ureumgehalte vast van een landbouwer in een kalenderjaar.
##### Artikel 75e
@@ -13957,7 +13937,7 @@
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2014-07-01&g=2014-07-01)
### 7. Signalering van storingen
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest en mestcodes
@@ -14044,7 +14024,7 @@
##### Artikel 28b
In afwijking van [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-01-01&g=2021-01-01) bedraagt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) op bouwland voor een gewasperceel 125 procent van de hoeveelheid stikstof die in [bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voor de desbetreffende grondsoort bij het desbetreffende gewas onder het desbetreffende jaar is vermeld, indien voor dat betreffende gewasperceel:
In afwijking van [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-02-18&g=2021-02-18) bedraagt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) op bouwland voor een gewasperceel 125 procent van de hoeveelheid stikstof die in [bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voor de desbetreffende grondsoort bij het desbetreffende gewas onder het desbetreffende jaar is vermeld, indien voor dat betreffende gewasperceel:
- a. de betrokken landbouwer schade leidt of dreigt te leiden uit opbrengstderving of kwaliteitsverlies, veroorzaakt door het optreden van een neerslaghoeveelheid die uitgaat boven 50 millimeter in de 24 uur na 08.00 uur of 60 millimeter in de 48 uur na 08.00 uur;
@@ -14052,7 +14032,7 @@
- c. neerslag en opbrengstderving in een rapport door een geregistreerd schade-expert zijn bevestigd, waarin ook melding gemaakt wordt van ligging en areaal van het betreffende gewasperceel;
- d. de hoeveelheid stikstof die boven 100 procent van de in [bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-01-01&g=2021-01-01), genoemde hoeveelheid uitgaat, wordt toegediend in de vorm van anorganische meststoffen;
- d. de hoeveelheid stikstof die boven 100 procent van de in [bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-02-18&g=2021-02-18), genoemde hoeveelheid uitgaat, wordt toegediend in de vorm van anorganische meststoffen;
- e. de landbouwer het voornemen tot bijbemesting vooraf heeft gemeld bij de minister;
@@ -14143,9 +14123,9 @@
## Bijlage F
## Bijlage Ea. behorende bij de [artikelen 78d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78d&z=2017-11-10&g=2017-11-10), [78i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78i&z=2017-11-10&g=2017-11-10), [78j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78j&z=2017-11-10&g=2017-11-10), [78q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78q&z=2017-11-10&g=2017-11-10), [78s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78s&z=2017-11-10&g=2017-11-10) en [78u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78u&z=2017-11-10&g=2017-11-10), van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage Ea. behorende bij de [artikelen 78d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78d&z=2018-06-06&g=2018-06-06), [78i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78i&z=2018-06-06&g=2018-06-06), [78j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78j&z=2018-06-06&g=2018-06-06), [78q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78q&z=2018-06-06&g=2018-06-06), [78s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78s&z=2018-06-06&g=2018-06-06) en [78u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78u&z=2018-06-06&g=2018-06-06), van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage F
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### 2.2. Toetredingsprocedure
@@ -14155,11 +14135,36 @@
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2017-02-01&g=2017-02-01)
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2014-08-05&g=2014-06-27)
## Bijlage J. behorende bij de [artikelen 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=100&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=101&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
| gewas | Opbrengst (ton ds/ha) | Opbrengst (ton product/ha) | Stikstof-gehalte (kg stikstof/ton ds) | Fosfaat-gehalte (kg fosfaat/ ton ds) | Stikstof-gehalte (kg stikstof/ton vers product) | Fosfaat-gehalte (kg fosfaat/ton vers product) |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| Snijmaïs | 16,1 | 44,6 | 11,3 | 4,5 | 4,0 | 1,6 |
| Maïskolvenschroot | 7,8 | 14,0 | 14,4 | 5,7 | 7,6 | 3,0 |
| Corncob mix (100% spil) | 7,9 | 15,0 | 15,5 | 6,9 | 8,1 | 3,6 |
| Corncob mix (25% spil) | 7,9 | 12,4 | 15,0 | 6,9 | 9,5 | 4,3 |
| Korrelmaïs | 7,9 | 9,1 | 12,2 | 5,5 | 10,5 | 4,8 |
| Gehele plant silage | 8,8 | 10,5 | 17,6 | 6,9 | 5,7 | 2,2 |
| Tarwe | 7,6 | 8,8 | 20,9 | 7,5 | 17,9 | 6,4 |
| Erwten | 5,5 | 6,5 | 37,5 | 9,8 | 32,5 | 8,5 |
| Gerst | 5,9 | 6,8 | 18,5 | 8,2 | 13,9 | 7,1 |
| Aardappelen (vers) | 9,9 | 49,1 | 16,8 | 4,6 | 3,4 | 0,9 |
| Aardappelen (kuil) | * | * | 10,4 | 4,6 | 3,3 | 1,5 |
| Appelen | * | * | 4,2 | 1,6 | 0,7 | 0,3 |
| Graanstro (rogge) | 3,6 | 4,3 | 4,6 | 2,3 | 3,9 | 1,9 |
| Graanstro (tarwe) | 3,5 | 4,1 | 6,6 | 2,1 | 5,8 | 1,8 |
| Grashooi | * | * | 21,1 | 6,2 | 17,8 | 5,2 |
| Graskuil | * | * | 27,9 | 9,4 | 12,4 | 4,2 |
| Graszaad stro | * | * | 9,9 | 4,4 | 8,5 | 3,7 |
| Rogge | 3,3 | 3,8 | 15,5 | 8,2 | 16 | 7,1 |
| Uien | 6,0 | 51,0 | 21,6 | 6,9 | 2,5 | 0,8 |
| Voederbieten | 15,5 | 100,0 | 12,5 | 4,6 | 1,7 | 0,6 |
| Witlof wortelen | ** | ** | 8,2 | 5,7 | 1,2 | 0,9 |
| kaaswei | | | 37,0 | 24,4 | 1,3 | 0,9 |
### § 6.2.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 7.1. Uitdrukking van meetresultaten
### **4. Monsternameprocedure**
### § 7.3. Heranalyse
@@ -14197,7 +14202,7 @@
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2017-08-31&g=2017-08-31)
### § 6.2.3. Duplo-analyse
### **3. Uitgangspunten**
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103a&z=2017-08-31&g=2017-08-31) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -14954,11 +14959,11 @@
##### Artikel 83a
1. Indien de dierlijke meststoffen, bedoeld in de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bestaan uit gier, filtraat na mestscheiding of koek na mestscheiding, wordt, in afwijking van de artikelen 84 tot en met 91, het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen genomen monster.
2. De [artikelen 77 tot en met 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-01-01&g=2021-01-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 81, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is van overeenkomstige toepassing op een monster dat in het ongerede is geraakt.
1. Indien de dierlijke meststoffen, bedoeld in de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bestaan uit gier, filtraat na mestscheiding of koek na mestscheiding, wordt, in afwijking van de artikelen 84 tot en met 91, het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen genomen monster.
2. De [artikelen 77 tot en met 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2021-02-18&g=2021-02-18) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 81, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is van overeenkomstige toepassing op een monster dat in het ongerede is geraakt.
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht en de verplaatsing van een varkens-, kippen- of kalkoenhouderij binnen een bedrijf
@@ -15627,21 +15632,21 @@
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2015-04-01&g=2015-04-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2015-04-01&g=2015-04-01), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=82&z=2015-04-01&g=2015-04-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2015-04-01&g=2015-04-01)
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2017-08-31&g=2017-08-31) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2017-08-31&g=2017-08-31)
### 5.5. Bemonstering in big bags
### 5.6.1. Gebruik van de instrumenten
### 5.6.3. Bemonstering met schep/schop met aangepaste opening (mestdeeltjes >10 mm)
### 6.1. Het nemen van een representatief monster
### 6.5. Het maken van een laboratoriummonster
### 8.2. Harmonisatieoverleg
### 10. Rapportage
## Bijlage H. behorende bij [artikel 80b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80b&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-02-18&g=2021-02-18)
### 5.1.1. Mengen van monsters drijfmest
### 5.1.2. Mengen van monsters vaste mest
### § 5.3. Bepaling van stikstof en fosfor in mestmonsters
### § 6.1. Algemeen
### § 6.2. Eerstelijnscontrole
### § 6.2.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.4.1. Ringonderzoek
## Bijlage D. Diergebonden forfaitaire gehalten
@@ -16010,13 +16015,13 @@
##### Artikel 25a
1. De minister verleent een vergunning, indien de landbouwer tijdig een aanvraag, bedoeld in [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-01-01&g=2021-01-01), heeft gedaan en daarbij de verklaringen, bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid, heeft gedaan.
1. De minister verleent een vergunning, indien de landbouwer tijdig een aanvraag, bedoeld in [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-02-18&g=2021-02-18), heeft gedaan en daarbij de verklaringen, bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid, heeft gedaan.
2. De vergunning wordt verleend voor één kalenderjaar.
3. De vergunning wordt overgedragen ingeval van erfopvolging. De opvolger voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf en dient de verklaringen in, bedoeld in [artikel 25, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
4. Onverminderd het derde lid, is de vergunning overdraagbaar ingeval van bedrijfsoverdracht. De betrokken landbouwers doen gezamenlijk een verzoek tot wijziging van de tenaamstelling van de vergunning. De landbouwer op wiens naam de vergunning komt te staan voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf en dient de verklaringen in, bedoeld in [artikel 25, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
3. De vergunning wordt overgedragen ingeval van erfopvolging. De opvolger voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf en dient de verklaringen in, bedoeld in [artikel 25, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
4. Onverminderd het derde lid, is de vergunning overdraagbaar ingeval van bedrijfsoverdracht. De betrokken landbouwers doen gezamenlijk een verzoek tot wijziging van de tenaamstelling van de vergunning. De landbouwer op wiens naam de vergunning komt te staan voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf en dient de verklaringen in, bedoeld in [artikel 25, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
5. Geen vergunning wordt verleend aan een landbouwer die zich voor de tot zijn bedrijf behorende landbouwgrond heeft aangemeld voor deelname aan de vrijstelling, bedoeld in [artikel 2, eerste lid, van de Vrijstellingsregeling bovengronds aanwenden runderdrijfmest 2019–2023](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0041918&artikel=2).
@@ -16026,7 +16031,7 @@
2. De minister trekt een vergunning voorts in, indien de landbouwer dit verzoekt.
3. Indien de minister de vergunning voor een bepaald kalenderjaar heeft ingetrokken op grond van het eerste lid, is de landbouwer voor het daaropvolgende kalenderjaar uitgesloten van het kunnen doen van een aanvraag, bedoeld in [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
3. Indien de minister de vergunning voor een bepaald kalenderjaar heeft ingetrokken op grond van het eerste lid, is de landbouwer voor het daaropvolgende kalenderjaar uitgesloten van het kunnen doen van een aanvraag, bedoeld in [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
#### § 5. Tijdelijke vrijstelling mineralenconcentraat
@@ -17299,7 +17304,7 @@
- b. de hoeveelheid stikstof en fosfaat in kilogrammen die wordt overgedragen;
- c. de soort mest die wordt overgedragen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
- c. de soort mest die wordt overgedragen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
### Hoofdstuk 6. Administratieve verplichtingen intermediairs
@@ -17333,11 +17338,11 @@
- a. **bedrijfslocatie:** elke afzonderlijke locatie van de locaties, bedoeld in [artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=31), en [artikel 38, tweede lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=38);
- b. **dikke fractie:** vaste mest, bestaande uit koek na mestscheiding met mestcode 13 of 43, genoemd in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of een mengsel van vaste mest waarin koek na mestscheiding met mestcode 13 of 43 is opgenomen;
- c. **erkend laboratorium:** laboratorium dat beschikt over een accreditatie van de Raad voor de uitvoering en kwaliteitsborging van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest op grond van het accreditatieprogramma AP05, dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en is erkend als bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-01-01&g=2021-01-01);
- d. **monsternemende organisatie:** organisatie die beschikt over een accreditatie van de Raad voor de bemonstering van dierlijke mest overeenkomstig het accreditatieprogramma dierlijke mest AP06, dat is opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en is erkend als bedoeld in [artikel 78c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78c&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
- b. **dikke fractie:** vaste mest, bestaande uit koek na mestscheiding met mestcode 13 of 43, genoemd in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2021-02-18&g=2021-02-18), of een mengsel van vaste mest waarin koek na mestscheiding met mestcode 13 of 43 is opgenomen;
- c. **erkend laboratorium:** laboratorium dat beschikt over een accreditatie van de Raad voor de uitvoering en kwaliteitsborging van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest op grond van het accreditatieprogramma AP05, dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en is erkend als bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-02-18&g=2021-02-18);
- d. **monsternemende organisatie:** organisatie die beschikt over een accreditatie van de Raad voor de bemonstering van dierlijke mest overeenkomstig het accreditatieprogramma dierlijke mest AP06, dat is opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en is erkend als bedoeld in [artikel 78c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78c&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
##### Artikel 78a
@@ -17357,7 +17362,7 @@
1. De minister verleent op aanvraag een erkenning aan een organisatie, indien deze beschikt over:
- a. een accreditatie van de Raad op grond van het accreditatieprogramma AP06, dat is opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-01-01&g=2021-01-01), en
- a. een accreditatie van de Raad op grond van het accreditatieprogramma AP06, dat is opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-02-18&g=2021-02-18), en
- b. een gedragscode, waaraan de organisatie zich committeert.
@@ -17371,25 +17376,25 @@
Een monsternemende organisatie:
- a. neemt op actieve wijze deel aan het harmonisatieoverleg, bedoeld in paragraaf 8.4 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-01-01&g=2021-01-01);
- b. registreert gegevens, afwijkingen en bijzonderheden, bedoeld in paragraaf 6 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-01-01&g=2021-01-01);
- a. neemt op actieve wijze deel aan het harmonisatieoverleg, bedoeld in paragraaf 8.4 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-02-18&g=2021-02-18);
- b. registreert gegevens, afwijkingen en bijzonderheden, bedoeld in paragraaf 6 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-02-18&g=2021-02-18);
- c. meldt bijzonderheden die kunnen duiden op frauduleus handelen aan de minister door middel van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld middel;
- d. zorgt voor een organisatie van de bemonstering op een wijze die de onafhankelijkheid van degene die het monster neemt garandeert overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 8 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-01-01&g=2021-01-01); en
- e. draagt zorg voor bemonstering overeenkomstig het bepaalde in de paragrafen 4 en 5 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
- d. zorgt voor een organisatie van de bemonstering op een wijze die de onafhankelijkheid van degene die het monster neemt garandeert overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 8 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-02-18&g=2021-02-18); en
- e. draagt zorg voor bemonstering overeenkomstig het bepaalde in de paragrafen 4 en 5 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
##### Artikel 78e
1. Voor de aanvraag van een erkenning als bedoeld in [artikel 78c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78c&z=2021-01-01&g=2021-01-01) wordt gebruik gemaakt van het door de minister daartoe ter beschikking gestelde middel.
1. Voor de aanvraag van een erkenning als bedoeld in [artikel 78c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78c&z=2021-02-18&g=2021-02-18) wordt gebruik gemaakt van het door de minister daartoe ter beschikking gestelde middel.
2. Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:
- a. de naam, adres en de vestigingsplaats van de aanvragende organisatie; en
- b. bewijs dat aan de eisen, bedoeld in [artikel 78c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78c&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt voldaan.
- b. bewijs dat aan de eisen, bedoeld in [artikel 78c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78c&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt voldaan.
##### Artikel 78f
@@ -17399,39 +17404,39 @@
- b. indien bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en kennis van de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;
- c. indien de accreditatie, bedoeld in [artikel 78c, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78c&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is ingetrokken of niet meer geldig is;
- d. indien de gedragscode, bedoeld in [artikel 78c, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78c&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt geschonden;
- e. indien de verplichtingen, bedoeld in [artikel 78d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78d&z=2021-01-01&g=2021-01-01), niet worden nageleefd;
- f. indien wijzigingen, bedoeld in [artikel 78g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78g&z=2021-01-01&g=2021-01-01), niet of niet tijdig worden gemeld;
- g. indien de melding, bedoeld in [artikel 78l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78l&z=2021-01-01&g=2021-01-01), niet, niet tijdig of onjuist geschiedt;
- h. indien de verplichtingen, bedoeld in [artikel 78m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78m&z=2021-01-01&g=2021-01-01), [78q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78q&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [78r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78r&z=2021-01-01&g=2021-01-01), niet worden nageleefd.
- c. indien de accreditatie, bedoeld in [artikel 78c, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78c&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is ingetrokken of niet meer geldig is;
- d. indien de gedragscode, bedoeld in [artikel 78c, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78c&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt geschonden;
- e. indien de verplichtingen, bedoeld in [artikel 78d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78d&z=2021-02-18&g=2021-02-18), niet worden nageleefd;
- f. indien wijzigingen, bedoeld in [artikel 78g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78g&z=2021-02-18&g=2021-02-18), niet of niet tijdig worden gemeld;
- g. indien de melding, bedoeld in [artikel 78l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78l&z=2021-02-18&g=2021-02-18), niet, niet tijdig of onjuist geschiedt;
- h. indien de verplichtingen, bedoeld in [artikel 78m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78m&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [78q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78q&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [78r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78r&z=2021-02-18&g=2021-02-18), niet worden nageleefd.
2. De minister kan een erkenning schorsen indien:
- a. de accreditatie, bedoeld in [artikel 78c, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78c&z=2021-01-01&g=2021-01-01), geheel of gedeeltelijk is geschorst;
- a. de accreditatie, bedoeld in [artikel 78c, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78c&z=2021-02-18&g=2021-02-18), geheel of gedeeltelijk is geschorst;
- b. sprake is van een van de gronden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en d tot en met h.
##### Artikel 78g
1. Een monsternemende organisatie meldt wijzigingen in de gegevens, bedoeld in [artikel 78e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78e&z=2021-01-01&g=2021-01-01), binnen 30 dagen aan de minister.
1. Een monsternemende organisatie meldt wijzigingen in de gegevens, bedoeld in [artikel 78e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78e&z=2021-02-18&g=2021-02-18), binnen 30 dagen aan de minister.
2. Voor de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt gemaakt van een door de minister beschikbaar gesteld middel.
##### Artikel 78h
De vervoerder, bedoeld in [artikel 78a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), stelt een representatief monster samen met een gewicht van minimaal 500 gram en maximaal 800 gram, bestaande uit deelmonsters die evenredig verspreid worden genomen uit de betrokken vracht meststoffen.
De vervoerder, bedoeld in [artikel 78a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), stelt een representatief monster samen met een gewicht van minimaal 500 gram en maximaal 800 gram, bestaande uit deelmonsters die evenredig verspreid worden genomen uit de betrokken vracht meststoffen.
##### Artikel 78i
1. De bemonstering van een vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 5 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
2. De monsternemende organisatie, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), stelt een representatief monster samen met een gewicht van minimaal 500 gram en maximaal 800 gram, bestaande uit deelmonsters die evenredig verspreid worden genomen uit de betrokken vracht mest, bestaande uit dikke fractie.
1. De bemonstering van een vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 5 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
2. De monsternemende organisatie, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), stelt een representatief monster samen met een gewicht van minimaal 500 gram en maximaal 800 gram, bestaande uit deelmonsters die evenredig verspreid worden genomen uit de betrokken vracht mest, bestaande uit dikke fractie.
##### Artikel 78j
@@ -17481,7 +17486,7 @@
##### Artikel 78q
De monsternemende organisatie voorziet ieder laboratoriummonster van de gegevens, bedoeld in paragraaf 6 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
De monsternemende organisatie voorziet ieder laboratoriummonster van de gegevens, bedoeld in paragraaf 6 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
##### Artikel 78r
@@ -17497,7 +17502,7 @@
##### Artikel 78u
Ingeval van bemonstering per vracht, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), zorgt de monsternemende organisatie voor een inzichtelijke administratie die per vracht in ieder geval het volgende bevat:
Ingeval van bemonstering per vracht, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), zorgt de monsternemende organisatie voor een inzichtelijke administratie die per vracht in ieder geval het volgende bevat:
- a. datum en tijdvak van de bemonstering;
@@ -17505,7 +17510,7 @@
- c. het identificatienummer van de persoon die de bemonstering heeft uitgevoerd;
- d. beschrijving van eventuele afwijkingen van de werkwijze voor bemonstering, van de strategie en bijzonderheden die kunnen duiden op frauduleus handelen, bedoeld in paragraaf 6 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-01-01&g=2021-01-01);
- d. beschrijving van eventuele afwijkingen van de werkwijze voor bemonstering, van de strategie en bijzonderheden die kunnen duiden op frauduleus handelen, bedoeld in paragraaf 6 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2021-02-18&g=2021-02-18);
- e. het geschatte volume van de vracht;
@@ -17521,7 +17526,7 @@
##### Artikel 80a
1. De minister verleent op aanvraag een erkenning aan een laboratorium, indien deze beschikt over een accreditatie van de Raad op grond van het accreditatieprogramma AP05, dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
1. De minister verleent op aanvraag een erkenning aan een laboratorium, indien deze beschikt over een accreditatie van de Raad op grond van het accreditatieprogramma AP05, dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
2. Een erkenning wordt verleend voor onbepaalde tijd.
@@ -17533,7 +17538,7 @@
Een erkend laboratorium:
- a. registreert gegevens, bedoeld in paragraaf 7.4 van AP05, opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2021-01-01&g=2021-01-01);
- a. registreert gegevens, bedoeld in paragraaf 7.4 van AP05, opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2021-02-18&g=2021-02-18);
- b. meldt bijzonderheden die kunnen duiden op frauduleus handelen aan de minister door middel van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld middel.
@@ -17545,7 +17550,7 @@
- a. de naam, adres en de vestigingsplaats van het aanvragende laboratorium; en
- b. bewijs dat aan de eis, bedoeld in [artikel 80a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt voldaan.
- b. bewijs dat aan de eis, bedoeld in [artikel 80a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt voldaan.
##### Artikel 80d
@@ -17555,23 +17560,23 @@
- b. indien bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en kennis van de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;
- c. indien de accreditatie, bedoeld in [artikel 80a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is ingetrokken door de Raad of niet meer geldig is;
- d. indien de verplichtingen, bedoeld in [artikelen 80b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80b&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-01-01&g=2021-01-01), niet worden nageleefd;
- e. indien wijzigingen, bedoeld in [artikel 80e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80e&z=2021-01-01&g=2021-01-01), niet of niet tijdig worden gemeld.
- c. indien de accreditatie, bedoeld in [artikel 80a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is ingetrokken door de Raad of niet meer geldig is;
- d. indien de verplichtingen, bedoeld in [artikelen 80b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80b&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-02-18&g=2021-02-18), niet worden nageleefd;
- e. indien wijzigingen, bedoeld in [artikel 80e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80e&z=2021-02-18&g=2021-02-18), niet of niet tijdig worden gemeld.
2. De minister kan een erkenning schorsen, indien:
- a. de accreditatie, bedoeld in [artikel 80a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), is geschorst door de Raad;
- b. de verplichting, bedoeld in [artikel 81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-01-01&g=2021-01-01), niet wordt nageleefd;
- a. de accreditatie, bedoeld in [artikel 80a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), is geschorst door de Raad;
- b. de verplichting, bedoeld in [artikel 81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2021-02-18&g=2021-02-18), niet wordt nageleefd;
- c. sprake is van een van de gronden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, d en e.
##### Artikel 80e
1. Het erkende laboratorium meldt wijzigingen in de gegevens, bedoeld in [artikelen 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [80b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80b&z=2021-01-01&g=2021-01-01), binnen 30 dagen aan de minister.
1. Het erkende laboratorium meldt wijzigingen in de gegevens, bedoeld in [artikelen 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80a&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [80b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80b&z=2021-02-18&g=2021-02-18), binnen 30 dagen aan de minister.
2. Voor de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt gemaakt van een door de minister beschikbaar gesteld middel.
@@ -17599,7 +17604,7 @@
##### Artikel 124a
Voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag, bedoeld in de [artikelen 78e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78e&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [80c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80c&z=2021-01-01&g=2021-01-01), voldoet de aanvrager een bedrag van € 1.312,-.
Voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag, bedoeld in de [artikelen 78e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78e&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [80c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80c&z=2021-02-18&g=2021-02-18), voldoet de aanvrager een bedrag van € 1.312,-.
## Bijlage Ad. , behorende bij [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2017-02-01&g=2017-02-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -18260,15 +18265,15 @@
##### Artikel 28c
1. De hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 28, eerste lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt vermeerderd met de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-01-01&g=2021-01-01), tabel 1a, vermelde hoeveelheid stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond indien een bedrijf de in bijlage A, tabel 1a, gemiddelde gewasopbrengst heeft van het totale areaal van een gewas als bedoeld in tabel 1a, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren.
1. De hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 28, eerste lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt vermeerderd met de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-02-18&g=2021-02-18), tabel 1a, vermelde hoeveelheid stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond indien een bedrijf de in bijlage A, tabel 1a, gemiddelde gewasopbrengst heeft van het totale areaal van een gewas als bedoeld in tabel 1a, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren.
2. De landbouwer die gebruik maakt van de verhoging van de stikstofgebruiksnorm, bedoeld in het eerste lid:
- a. heeft, voor zover het de gewassen genoemd in [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), betreft, de afnemers, bedoeld in het derde lid, gemachtigd om desgevraagd gegevens over de afgenomen hoeveelheden van het desbetreffende gewas te verstrekken aan de minister;
- b. beschikt, voor zover het de andere gewassen dan die genoemd in [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), betreft, over schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat het gewas aan een afnemer is geleverd en waaruit blijkt wat de gewasopbrengst is die aan een afnemer is geleverd. Onder schriftelijk bewijs wordt in ieder geval facturen en afleverbewijzen van de gewassen en historische financiële informatie verstaan;
- c. beschikt, voor zover het andere gewassen dan die genoemd in [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), betreft, over een samenstellingsverklaring van een accountant waaruit blijkt dat de gewasopbrengst die aan een afnemer zou zijn geleverd in overeenstemming is met het door de landbouwer verstrekte schriftelijk bewijs, bedoeld in onderdeel b;
- a. heeft, voor zover het de gewassen genoemd in [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), betreft, de afnemers, bedoeld in het derde lid, gemachtigd om desgevraagd gegevens over de afgenomen hoeveelheden van het desbetreffende gewas te verstrekken aan de minister;
- b. beschikt, voor zover het de andere gewassen dan die genoemd in [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), betreft, over schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat het gewas aan een afnemer is geleverd en waaruit blijkt wat de gewasopbrengst is die aan een afnemer is geleverd. Onder schriftelijk bewijs wordt in ieder geval facturen en afleverbewijzen van de gewassen en historische financiële informatie verstaan;
- c. beschikt, voor zover het andere gewassen dan die genoemd in [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), betreft, over een samenstellingsverklaring van een accountant waaruit blijkt dat de gewasopbrengst die aan een afnemer zou zijn geleverd in overeenstemming is met het door de landbouwer verstrekte schriftelijk bewijs, bedoeld in onderdeel b;
- d. stelt de minister uiterlijk op 1 juni van het kalenderjaar ervan in kennis dat het desbetreffende bedrijf gebruik maakt van de verhoging van de stikstofgebruiksnorm;
@@ -18290,7 +18295,7 @@
- 2°. voor zover het kleigrond, noordelijke, westelijk en centrale zandgronden of veengrond betreft, maximaal 100 kilogram stikstof per hectare per jaar in de vorm van drijfmest en waarbij geldt dat de overige bemesting met stikstof uitsluitend plaatsvindt door het gebruik van kunstmest;
- g. bemest op het bedrijf na 1 juli de percelen met de gewassen, bedoeld in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bijlage 1a, niet met drijfmest;
- g. bemest op het bedrijf na 1 juli de percelen met de gewassen, bedoeld in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bijlage 1a, niet met drijfmest;
- h. verleent medewerking aan de monitoring door de minister van de milieueffecten van de toegestane vermeerdering van de hoeveelheid stikstof op grond van het eerste lid.
@@ -18298,49 +18303,19 @@
##### Artikel 28d
1. De hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 28, eerste lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt vermeerderd met:
- a. 10 kilogram stikstof per hectare per jaar van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond op noordelijke, westelijke en centrale zandgronden;
- b. 25 kilogram stikstof per hectare per jaar van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond op zuidelijke zandgronden of lössgrond, indien op deze gronden mais gezaaid is of wordt op een afstand van maximaal 12 centimeter van de plekken waar met behulp van apparatuur meststoffen zijn gebruikt.
2. De landbouwer die gebruik maakt van de verhoging van de stikstofgebruiksnorm, bedoeld in het eerste lid:
- a. kan het feitelijke gebruik van de apparatuur waarmee de meststoffen zijn gebruikt aantonen met behulp van een factuur die in ieder geval de volgende gegevens bevat:
- 1°. het gebruikte type apparatuur;
- 2°. het kenmerk van de specifieke apparatuur;
- 3°. de datum en het tijdstip van het gebruik van de apparatuur;
- 5°. het perceel waarop de apparatuur gebruikt is;
- 6°. het gebruikte type meststof en de hoeveelheid gebruikte mest.
- b. kan, indien de landbouwer eigenaar van de apparatuur is, het feitelijke gebruik van de apparatuur waarmee de meststoffen zijn gebruikt en de datum en het perceel waarop deze apparatuur is gebruikt, aantonen met behulp van de gegevens, bedoeld in onderdeel a, en het bewijs van eigendom van de apparatuur;
- c. bewaart de gegevens bedoeld in onderdelen a en b;
- d. stelt de minister uiterlijk op 1 juni van het kalenderjaar ervan in kennis dat het desbetreffende bedrijf gebruik maakt van de verhoging van de stikstofgebruiksnorm;
- e. verleent medewerking aan de monitoring door de minister van de milieueffecten van de toegestane vermeerdering van de hoeveelheid stikstof op grond van het eerste lid.
Vervallen
##### Artikel 28e
Een landbouwer die een verhoging van een stikstofgebruiksnorm toepast als bedoeld in:
- a. [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), of [28c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28c&z=2021-01-01&g=2021-01-01), kan niet tevens een verhoging van de stikstofgebruiksnorm toepassen, bedoeld in [artikel 28d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28d&z=2021-01-01&g=2021-01-01);
- b. [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), kan niet tevens een verhoging van de stikstofgebruiksnorm toepassen, bedoeld in [artikel 28c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28c&z=2021-01-01&g=2021-01-01).
Een landbouwer die een verhoging van een stikstofgebruiksnorm toepast als bedoeld in [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), kan niet tevens een verhoging van de stikstofgebruiksnorm toepassen, bedoeld in [artikel 28c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28c&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
##### Artikel 33a
1. Een landbouwer kan in enig jaar een verhoging van de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen op bouwland, bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11) of [artikel 31, eerste, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=31&z=2021-01-01&g=2021-01-01), van deze regeling toepassen, indien de hoeveelheid fosfaat waarmee de geldende fosfaatgebruiksnorm is overschreden, in het navolgende jaar volledig wordt gecompenseerd.
1. Een landbouwer kan in enig jaar een verhoging van de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen op bouwland, bedoeld in [artikel 11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11) of [artikel 31, eerste, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=31&z=2021-02-18&g=2021-02-18), van deze regeling toepassen, indien de hoeveelheid fosfaat waarmee de geldende fosfaatgebruiksnorm is overschreden, in het navolgende jaar volledig wordt gecompenseerd.
2. De compensatie geschiedt door de hoeveelheid fosfaat waarmee de fosfaatgebruiksnorm in het voorgaande jaar is overschreden in mindering te brengen op de in het navolgende jaar geldende fosfaatgebruiksnorm.
3. De hogere gebruiksnorm, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 20 kilogram fosfaat per hectare per jaar meer dan de fosfaatgebruiksnorm die geldt ingevolge [artikel 11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11) of [artikel 31, eerste, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=31&z=2021-01-01&g=2021-01-01), van deze regeling.
3. De hogere gebruiksnorm, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 20 kilogram fosfaat per hectare per jaar meer dan de fosfaatgebruiksnorm die geldt ingevolge [artikel 11, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11) of [artikel 31, eerste, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=31&z=2021-02-18&g=2021-02-18), van deze regeling.
4. De landbouwer, bedoeld in het eerste lid, meldt de toepassing van de verhoging van de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarin de verhoging wordt toegepast aan de minister.
@@ -19116,9 +19091,9 @@
- 2°. het aantal kilogrammen fosfaat, genoemd in de melkveefosfaatreferentie van dat bedrijf,
- 3°. het aantal kilogrammen fosfaat, genoemd in overeenkomsten als bedoeld in [artikel 21, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en
- 4°. de hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar ingevolge [artikel 8, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2021-01-01&g=2021-01-01), aantoonbaar op landbouwgrond had mogen worden gebracht, als de realisatie van een natuurgebied of de aanleg van of onderhoud van publieke infrastructuur dit niet tijdelijk had belet.
- 3°. het aantal kilogrammen fosfaat, genoemd in overeenkomsten als bedoeld in [artikel 21, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en
- 4°. de hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar ingevolge [artikel 8, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2021-02-18&g=2021-02-18), aantoonbaar op landbouwgrond had mogen worden gebracht, als de realisatie van een natuurgebied of de aanleg van of onderhoud van publieke infrastructuur dit niet tijdelijk had belet.
2. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt voor het betreffende kalenderjaar voor 16 mei ingediend met gebruikmaking van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier.
@@ -19824,9 +19799,9 @@
##### Artikel 25c
1. De landbouwer voldoet aan de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), en de bij of krachtens de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&z=2021-01-01&g=2021-01-01) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&z=2021-01-01&g=2021-01-01) in samenhang met de [hoofdstukken IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=IV), [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=VI) en [X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=X) van het besluit gestelde regels. Op de tot het bedrijf van de landbouwer behorende oppervlakte landbouwgrond wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=4b), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=5) en [8a van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=8a).
2. In het kalenderjaar waarin de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 24, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2021-01-01&g=2021-01-01), worden toegepast, wordt gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september ten minste tachtig procent van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, die voor het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen beschikbaar is, onafgebroken beteeld met gras dat is bestemd om te worden gebruikt als ruwvoer.
1. De landbouwer voldoet aan de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), en de bij of krachtens de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&z=2021-02-18&g=2021-02-18) in samenhang met de [hoofdstukken IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=IV), [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=VI) en [X](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=X) van het besluit gestelde regels. Op de tot het bedrijf van de landbouwer behorende oppervlakte landbouwgrond wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de [artikelen 4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=4b), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=5) en [8a van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=8a).
2. In het kalenderjaar waarin de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 24, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2021-02-18&g=2021-02-18), worden toegepast, wordt gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september ten minste tachtig procent van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, die voor het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen beschikbaar is, onafgebroken beteeld met gras dat is bestemd om te worden gebruikt als ruwvoer.
3. De landbouwer gebruikt geen fosfaat uit kunstmest.
@@ -19834,11 +19809,7 @@
##### Artikel 25d
1. Vervallen.
2. Vervallen.
3. In afwijking van [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-01-01&g=2021-01-01) vindt voor het kalenderjaar 2020 wat betreft het vernietigen van de graszode ten behoeve van de teelt van maïs op zand- en lössgronden een vermindering van de stikstofgebruiksnorm plaats van 65 kilogram per hectare die is vernietigd, tenzij de graszode in het voorafgaande jaar is geteeld als aangewezen gewas conform het bepaalde in [artikel 8a, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=8a). Van het bepaalde in [artikel 4b, vierde lid, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=4b) wordt voor het kalenderjaar 2020 vrijstelling verleend.
Vervallen
#### § 4. Fosfaatvrije voet en fosfaatverrekening
@@ -19953,7 +19924,7 @@
| 79 | 390,01 | 395 | € 2.731,80 |
| 80 | 395,01 | 400 | € 2.766,60 |
## Bijlage Ad. behorende bij [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage Ad. behorende bij [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
| Klasse | Oppervlakte (in hectare) | Oppervlakte (in hectare) | Tarief |
| --- | --- | --- | --- |
@@ -20474,11 +20445,21 @@
##### Artikel 28f
Onverminderd [artikel 28, eerste lid, onderdelen a tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-01-01&g=2021-01-01), wordt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in artikel 28, eerste lid, aanhef, verminderd met:
- a. 50 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte grasland, gelegen op zand- of lössgrond, indien na het vernietigen van de graszode in de periode van 1 juni tot en met 31 augustus op deze grond direct aansluitend de teelt van gras aanvangt;
- b. 50% indien direct voorafgaand aan de teelt van een groenbemester op bouwland, gelegen op zand- of lössgrond, een gewas, niet zijnde graan, koolzaad, zomerpeen, blauwmaanzaad, karwij of vlas, wordt geteeld.
1. Onverminderd [artikel 28, eerste lid, onderdelen a tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2021-02-18&g=2021-02-18), wordt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in artikel 28, eerste lid, aanhef, verminderd met:
- a. 65 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte voormalig grasland, gelegen op zand- of lössgrond, indien direct aansluitend aan het vernietigen van de graszode op deze grond in het zelfde kalenderjaar de teelt van maïs, consumptieaardappelen of fabrieksaardappelen aanvangt;
- b. 50 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte grasland, gelegen op zand- of lössgrond, indien na het vernietigen van de graszode in de periode van 1 juni tot en met 31 augustus op deze grond direct aansluitend de teelt van gras aanvangt;
- c. 50% indien direct voorafgaand aan de teelt van een groenbemester op bouwland, gelegen op zand- of lössgrond, een gewas, niet zijnde graan, koolzaad, zomerpeen, blauwmaanzaad, karwij of vlas, wordt geteeld.
2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing indien:
- a. de graszode in het voorafgaande jaar is geteeld als aangewezen gewas conform het bepaalde in [artikel 8a, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=8a); of
- b. het gras is ingezaaid als een niet-vlinderbloemige groenbemester als bedoeld in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2021-02-18&g=2021-02-18).
3. Bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt van het bepaalde in [artikel 4b, vierde lid, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=4b) vrijstelling verleend.
#### § 5. Tijdelijke vrijstelling mineralenconcentraat
@@ -20932,9 +20913,9 @@
##### Artikel 78la
1. In afwijking van [artikel 78l, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78l&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedraagt het aan te melden tijdvak waarbinnen de geplande bemonstering plaatsvindt ten hoogste een dagdeel indien deze bemonstering plaatsvindt bij een intermediaire onderneming waar sprake is van een concentratie van ten minste vijf monsternames in het betreffende dagdeel. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder een dagdeel verstaan de periode tussen 06:00 uur en 12:00 uur dan wel de periode tussen 12:00 uur en 18:00 uur.
2. In afwijking van [artikel 78l, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78l&z=2021-01-01&g=2021-01-01), bedraagt het aan te melden tijdvak waarbinnen de geplande bemonstering plaatsvindt ten hoogste een dag indien deze bemonstering plaatsvindt bij een intermediaire onderneming waar sprake is van een concentratie van ten minste tien monsternames op de betreffende dag. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder een dag verstaan de periode tussen 06:00 uur en 18:00 uur.
1. In afwijking van [artikel 78l, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78l&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedraagt het aan te melden tijdvak waarbinnen de geplande bemonstering plaatsvindt ten hoogste een dagdeel indien deze bemonstering plaatsvindt bij een intermediaire onderneming waar sprake is van een concentratie van ten minste vijf monsternames in het betreffende dagdeel. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder een dagdeel verstaan de periode tussen 06:00 uur en 12:00 uur dan wel de periode tussen 12:00 uur en 18:00 uur.
2. In afwijking van [artikel 78l, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78l&z=2021-02-18&g=2021-02-18), bedraagt het aan te melden tijdvak waarbinnen de geplande bemonstering plaatsvindt ten hoogste een dag indien deze bemonstering plaatsvindt bij een intermediaire onderneming waar sprake is van een concentratie van ten minste tien monsternames op de betreffende dag. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder een dag verstaan de periode tussen 06:00 uur en 18:00 uur.
3. Indien naar het oordeel van de Minister de juiste naleving van de regels inzake de bemonstering en aanmelden van de planning van bemonstering bij een intermediaire onderneming waar sprake is van een concentratie van monsternames als bedoeld in dit artikel onvoldoende verzekerd is, kan de Minister de toepassing van het eerste en tweede lid uitsluiten voor bemonsteringen die plaatsvinden bij de betreffende intermediaire onderneming.
@@ -21717,11 +21698,11 @@
##### Artikel 33b
1. De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8) voor grond met de fosfaattoestand hoog bedraagt 45 kilogram fosfaat per hectare bouwland of op een bedrijf als bedoeld in [artikel 72a, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8a&artikel=72a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), 50 kilogram fosfaat per hectare bouwland, indien de landbouwer op de desbetreffende percelen ten minste 20 kg fosfaat per hectare toepast die aantoonbaar afkomstig is van één of meer van de volgende mestvormen:
1. De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8) voor grond met de fosfaattoestand hoog bedraagt 45 kilogram fosfaat per hectare bouwland of op een bedrijf als bedoeld in [artikel 72a, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8a&artikel=72a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), 50 kilogram fosfaat per hectare bouwland, indien de landbouwer op de desbetreffende percelen ten minste 20 kg fosfaat per hectare toepast die aantoonbaar afkomstig is van één of meer van de volgende mestvormen:
- a. strorijke vaste mest van rundvee;
- b. in geval van een bedrijf als bedoeld in [artikel 72a, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8a&artikel=72a&z=2021-01-01&g=2021-01-01), strorijke vaste mest van varkens;
- b. in geval van een bedrijf als bedoeld in [artikel 72a, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8a&artikel=72a&z=2021-02-18&g=2021-02-18), strorijke vaste mest van varkens;
- c. strorijke vaste mest van schapen;
@@ -21767,7 +21748,7 @@
Vervallen
## bijlage Ac. behorende bij de [artikelen 17 tot en met 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2021-01-01&g=2021-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## bijlage Ac. behorende bij de [artikelen 17 tot en met 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### 10. Controle op naleving
@@ -22142,3 +22123,359 @@
| | Art. 32, 39 en 44 | Art. 124 lid 3 | Wijzigen van (oorspronkelijke) gegevens in de administratie | M606 | € 300 |
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2021-02-18&g=2021-02-18), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=82&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2021-02-18&g=2021-02-18)
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest en mestcodes
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2021-02-18&g=2021-02-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage L. bij de [artikelen 27b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27b&z=2021-02-18&g=2021-02-18) en [103a van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=8&artikel=103a&z=2021-02-18&g=2021-02-18)
## Bijlage M. behorende bij [artikel 130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=130&z=2021-02-18&g=2021-02-18)
| Wettelijke bepaling | Wettelijke bepaling | Wettelijke bepaling | Wettelijke bepaling | Wettelijke bepaling | Wettelijke bepaling |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054) (Mw) | [Uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031) (UB) | [Uitvoeringsregeling](onbekend) (UR) | Omschrijving regelovertreding | Feitcode | Hoogte bestuurlijke boete |
| Administratieve verplichtingen landbouwers | Administratieve verplichtingen landbouwers | Administratieve verplichtingen landbouwers | Administratieve verplichtingen landbouwers | Administratieve verplichtingen landbouwers | Administratieve verplichtingen landbouwers |
| | | | | | |
| Art. 33b lid 5 | Art. 34 | Art. 72f | Niet tijdig melden van gegevens inzake de mestverwerkingsovereenkomst of de overeenkomst als bedoeld in artikel 33a, derde lid, onderdeel c, van de wet | M096 | € 100 |
| | | | Niet volledig melden van gegevens inzake de mestverwerkingsovereenkomst of de overeenkomst als bedoeld in artikel 33a, derde lid, onderdeel c, van de wet | M097 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid melden van gegevens inzake de mestverwerkingsovereenkomst of de overeenkomst als bedoeld in artikel 33a, derde lid, onderdeel c, van de wet | M098 | € 300 |
| | | | Niet melden van gegevens inzake de mestverwerkingsovereenkomst of de overeenkomst als bedoeld in artikel 33a, derde lid, onderdeel c, van de wet | M099 | € 300 |
| | | | | | |
| Art. 34 en 35 | Art. 26 lid 1 en 2 | Art. 3, art. 124 lid 1 | Niet verstrekken van gegevens over oppervlakte, gewasteelt en ligging van percelen op de verzamelaanvraag door de landbouwer | M100 | € 300 |
| | | | Niet tijdig verstrekken van gegevens over oppervlakte, gewasteelt en ligging van percelen op de verzamelaanvraag (opgave uiterlijk vóór 15 mei) door de landbouwer | M101 | € 100 |
| | | | Niet volledig verstrekken van gegevens over oppervlakte, gewasteelt en ligging van percelen op verzamelaanvraag door de landbouwer | M102 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid verstrekken van gegevens over oppervlakte, gewasteelt en ligging van percelen op de verzamelaanvraag door de landbouwer | M103 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 26 lid 2 | Art. 41 | Niet melden van een wijziging in de oppervlakte grond in de periode van 16 mei t/m 31 oktober door de landbouwer | M104 | € 300 |
| | | | Niet binnen 30 dagen melden van een wijziging in de oppervlakte grond door de landbouwer | M105 | € 100 |
| | | | Niet volledig melden van een wijziging in de oppervlakte grond door de landbouwer | M106 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid melden van een wijziging in de oppervlakte grond door de landbouwer | M107 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 31 lid 1 en lid 2 onderdeel a t/m f, art. 36 onderdeel a | Art. 37 lid 1 t/m 4, art. 124 lid 1 | Niet aanmelden van een bedrijf ter registratie door de landbouwer | M108 | € 300 |
| | | | Niet binnen 30 dagen aanmelden van een bestaand of nieuw bedrijf ter registratie door de landbouwer, dan wel niet binnen 30 dagen doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M109 | € 100 |
| | | | Niet volledig aanmelden van een bedrijf ter registratie door de landbouwer, dan wel niet volledig doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M110 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid aanmelden van een bedrijf ter registratie door de landbouwer, dan wel het niet of niet naar waarheid doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M111 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 32 lid 1 en 2, art. 33, art. 34, art. 36 onderdeel b en c | Art. 37a, 38, 39 | Niet bijhouden van een inzichtelijke administratie per bedrijf door de landbouwer (incl. wijzigingen in de administratie) of niet in Nederland ter controle beschikbaar stellen | M116 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 34 lid 1, art. 36 onderdeel b, art. 69 | Art. 40, art. 124 lid 1 | Niet tijdig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de landbouwer (incl. wijzigingen in de administratie) | M117 | € 100 |
| | | | Niet volledig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de landbouwer (incl. wijzigingen in de administratie) | M118 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid bijhouden van een inzichtelijke administratie door de landbouwer (incl. wijzigingen in de administratie) | M119 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 35 lid 1 en 2, art. 36 onderdeel d | Art. 42, art. 124 lid 1 | Niet verstrekken van de gevraagde gegevens door de landbouwer | M120 | € 300 |
| | | | Niet verstrekken van de gevraagde gegevens vóór de gestelde uiterlijke inzenddatum of binnen de daartoe gestelde termijn door de landbouwer | M121 | € 100 |
| | | | Niet volledig verstrekken van de gevraagde gegevens door de landbouwer | M122 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid verstrekken van de gevraagde gegevens door de landbouwer | M123 | € 300 |
| | | | | | |
| Administratieve verplichtingen intermediairs | Administratieve verplichtingen intermediairs | Administratieve verplichtingen intermediairs | Administratieve verplichtingen intermediairs | Administratieve verplichtingen intermediairs | Administratieve verplichtingen intermediairs |
| | | | | | |
| Art. 33b lid 5 | Art. 34 | Art. 72f | Niet tijdig melden van gegevens inzake de mestverwerkingsovereenkomst | M146 | € 100 |
| | | | Niet volledig melden van gegevens inzake de mestverwerkingsovereenkomst | M147 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid melden van gegevens inzake de mestverwerkingsovereenkomst | M148 | € 300 |
| | | | Niet melden van gegevens inzake de mestverwerkingsovereenkomst | M149 | € 300 |
| Art. 34 en 35 | Art. 38 lid 1 en lid 2 onderdeel a t/m i, art. 41 onderdeel a | Art. 45 lid 1 t/m 6, art. 124 lid 1 | Niet aanmelden van een intermediaire onderneming ter registratie door de intermediair | M150 | € 300 |
| | | | Niet binnen 30 dagen aanmelden van een na 1 januari 2006 opgerichte intermediaire onderneming ter registratie door de intermediair, dan wel niet binnen 30 dagen doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M151 | € 100 |
| | | | Niet volledig aanmelden van een intermediaire onderneming ter registratie door de intermediair, dan wel niet volledig doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M152 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid aanmelden van een intermediaire onderneming ter registratie door de intermediair, dan wel het niet of niet naar waarheid doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M153 | € 300 |
| | Art. 39, art. 41 onderdeel b en c, art. 34 lid 1 | Art. 2, art. 45a, 46, art. 47. art. 94 lid 3, art. 95 lid 3, art. 124 lid 1 | Niet bijhouden van een inzichtelijke administratie per onderneming door de intermediair, waaronder een administratie (H1-staat, formulier Dienst Regelingen) voor de hoeveelheden meststoffen die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en uit die opslagruimte zijn afgevoerd (incl. wijzigingen in de administratie) of niet in Nederland ter controle beschikbaar stellen | M158 | € 300 |
| | | | Niet tijdig bijhouden van een inzichtelijke administratie per onderneming door de intermediair, waaronder een administratie (H1-staat, formulier Dienst Regelingen) voor de hoeveelheden meststoffen die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en uit die opslagruimte zijn afgevoerd (incl. wijzigingen in de administratie) | M159 | € 100 |
| | | | Niet volledig bijhouden van een inzichtelijke administratie per onderneming door de intermediair, waaronder een administratie (H1-staat, formulier Dienst Regelingen) voor de hoeveelheden meststoffen die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en uit die opslagruimte zijn afgevoerd (incl. wijzigingen in de administratie) | M160 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid bijhouden van een inzichtelijke administratie per onderneming door de intermediair, waaronder een administratie (H1-staat, formulier Dienst Regelingen) voor de hoeveelheden meststoffen die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en uit die opslagruimte zijn afgevoerd (incl. wijzigingen in de administratie) | M161 | € 300 |
| | Art. 40, art. 41 onderdeel d | Art. 48, art. 48a, art. 124 lid 1 | Niet verstrekken van de gevraagde gegevens door de intermediair | M162 | € 300 |
| | | | Niet verstrekken van de gevraagde gegevens vóór de gestelde uiterlijke inzenddatum of binnen de daartoe gestelde termijn door de intermediair | M163 | € 100 |
| | | | Niet volledig verstrekken van de gevraagde gegevens door de intermediair | M164 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid verstrekken van de gevraagde gegevens door de intermediair | M165 | € 300 |
| | art. 41 onderdeel f | Art. 49 lid 1, art. 124 lid 1 en 2 | Niet aanbrengen of aanbrengen van onjuist registratienummer per opslagruimte voor meststoffen door de intermediair | M166 | € 300 |
| | | | Niet op juiste of deugdelijke wijze aanbrengen van het registratienummer per opslagruimte voor meststoffen door de intermediair | M168 | € 200 |
| | | Art. 49 lid 2, art. 124 lid 2 | Niet aanduiden van opslagruimten voor meststoffen d.m.v. de registratienummers in de administratie van de intermediair en bij gegevensverstrekking door de intermediair | M169 | € 300 |
| | | | | | |
| Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven | Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven | Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven | Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven | Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven | Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven |
| | | | | | |
| Art. 34, 35 en 37 | Art. 43 lid 1 en lid 2 en 3 onderdelen a t/m e, art. 46 onderdeel a | Art. 50 lid 1 t/m 4 | Niet aanmelden ter registratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of runderen, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden geproduceerd, verhandeld of anderszins bewerkt of verwerkt | M200 | € 300 |
| | | | Niet binnen 30 dagen aanmelden ter registratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of runderen, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, dan wel niet binnen 30 dagen doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M201 | € 100 |
| | | | Niet volledig aanmelden ter registratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of runderen, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, dan wel niet volledig doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M202 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid aanmelden ter registratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of runderen, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, dan wel het niet of niet naar waarheid doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M203 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 44 lid 1, 2, 6, 7, art. 46 onderdeel b en c, art. 34, | Art. 50a, 51, art. 124 lid 1 | Niet bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, runderen of in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt (incl. wijzigingen in de administratie) of niet in Nederland ter controle beschikbaar stellen | M208 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 44 lid 2 | | Niet tijdig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, runderen of in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt (incl. wijzigingen in de administratie) | M209 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art. 44 lid 2 | | Niet volledig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, runderen of in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt (incl. wijzigingen in de administratie) | M210 | € 200 |
| | | | | | |
| | Art. 44 lid 2 | | Niet naar waarheid bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, runderen of in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt (incl. wijzigingen in de administratie) | M211 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 44 lid 3 t/m 7, art. 46 onderdeel b en c, art. 34 | | Niet bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld of in het kader waarvan staldieren aan bedrijven worden afgeleverd, dan wel staldieren of eieren van bedrijven worden afgenomen (incl. wijzigingen in de administratie) | M212 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 51, art. 124 lid 1 | Niet tijdig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld of in het kader waarvan staldieren aan bedrijven worden afgeleverd, dan wel staldieren of eieren van bedrijven worden afgenomen (incl. wijzigingen in de administratie) | M213 | € 100 |
| | | | Niet volledig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld of in het kader waarvan staldieren aan bedrijven worden afgeleverd, dan wel staldieren of eieren van bedrijven worden afgenomen (incl. wijzigingen in de administratie) | M214 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld of in het kader waarvan staldieren aan bedrijven worden afgeleverd, dan wel staldieren of eieren van bedrijven worden afgenomen (incl. wijzigingen in de administratie) | M215 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 45 lid 1 en 5, art. 46 onderdeel d | Art. 52, art. 124 lid 1 | Niet verstrekken van de jaarlijkse gegevens door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt | M216 | € 300 |
| | | | Niet verstrekken van de jaarlijkse gegevens vóór de gestelde uiterlijke inzenddatum of binnen de daartoe gestelde termijn door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt | M217 | € 100 |
| | | | Niet volledig verstrekken van de jaarlijkse gegevens door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt | M218 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid verstrekken van de jaarlijkse gegevens door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt | M219 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 45 lid 2 | | Niet verstrekken aan een landbouwer van een begeleidend document door de buitenlandse ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, met vermelding van het gewicht en de samenstelling van de diervoeders | M220 | € 300 |
| | | | Niet tijdig verstrekken aan een landbouwer van een begeleidend document door de buitenlandse ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren | M221 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 124 lid 1 | Verstrekken aan een landbouwer van een niet volledig begeleidend document door de buitenlandse ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren | M222 | € 200 |
| | | | Verstrekken aan een landbouwer van een niet naar waarheid opgemaakt begeleidend document door de buitenlandse ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren | M223 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 45 lid 3 | | Niet aanwezig zijn van het begeleidend document tijdens het vervoer van diervoeders door een buitenlandse ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren | M224 | € 300 |
| | | | | | |
| Vervoer van dierlijke meststoffen | Vervoer van dierlijke meststoffen | Vervoer van dierlijke meststoffen | Vervoer van dierlijke meststoffen | Vervoer van dierlijke meststoffen | Vervoer van dierlijke meststoffen |
| | | | | | |
| Art. 15 en 34 | Art. 48 | | Vervoer van dierlijke meststoffen door een niet-geregistreerde of geschorste intermediair | M250 | € 300 |
| | art. 48a | | Laten aanvoeren van dierlijke meststoffen bij een intermediaire onderneming zonder dat deze is geregistreerd of het laten aanvoeren van dierlijke meststoffen bij een intermediaire onderneming terwijl deze is geschorst | M249 | € 300 |
| | Art. 49 lid 1, art. 52, art. 70 lid 4 onderdeel b | Art. 78 lid 1, art. 53 lid 2 | Transportmiddel voor drijfmest niet uitgerust met op naam van de intermediair geregistreerde automatische bemonsteringsapparatuur die onlosmakelijk is bevestigd op het transportmiddel, die voldoet aan de prestatiekenmerken en behoort tot een door ASG goedgekeurd type | M251 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 79 lid 1, art. 53, lid 2 | Transportmiddel voor drijfmest niet uitgerust met op naam van de intermediair geregistreerde automatische verpakkingsapparatuur die onlosmakelijk is bevestigd op het transportmiddel, die voldoet aan de prestatiekenmerken en behoort tot een door ASG goedgekeurd type | M253 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 49 lid 2, art. 52 lid 1 onderdeel c | Art. 53 lid 1 | Transportmiddel niet uitgerust met op naam van de intermediair geregistreerde apparatuur voor automatische gegevensregistratie die voldoet aan de prestatiekenmerken en behoort tot een door ASG goedgekeurd type | M255 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 49 lid 3 | | Transportmiddel niet uitgerust met satellietvolgapparatuur | M258 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 49 lid 4 | Art. 55 en 56 | Niet of niet op juiste wijze vastleggen van vervoersgegevens met behulp van apparatuur voor automatische gegevensregistratie of satellietvolgapparatuur door de vervoerder | M259 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 50 lid 1 | | Niet aanwezig zijn van een vervoersbewijs tijdens het vervoer van dierlijke meststoffen | M260 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 52 | Art. 53 lid 2 | Apparatuur voor automatische gegevensregistratie of satellietvolgapparatuur niet elektronisch verbonden aan de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur bij het vervoer van drijfmest | M262 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 53, lid 3, onderdeel a | AGR-apparatuur is niet onlosmakelijk verbonden aan het chassis van het transportmiddel en/of aan het chassis van de aanhangwagen | M263 | € 300 |
| | | Artikel 53 lid 3 onderdeel b | satellietvolgapparatuur is niet elektronisch verbonden aan de AGR-apparatuur | M265 | € 300 |
| | | Art. 53 lid 4 | Sensordeel AGR-apparatuur niet onlosmakelijk verbonden met vaste as van het chassis van het transportmiddel en/of de aanhangwagen | M266 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 54 lid 1 | Apparatuur genoemd in art. 53 UR functioneert niet op adequate wijze tijdens het vervoer van dierlijke meststoffen | M264 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 55, art. 122 lid 3 | Niet op voorgeschreven wijze vastleggen of elektronisch verzenden van AGR- en GPS-gegevens door de vervoerder bij het vervoer van drijfmest | M268 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 56, art. 122 lid 3 | Niet op voorgeschreven wijze vastleggen of elektronisch verzenden van AGR- en GPS-gegevens door de vervoerder bij het vervoer van vaste mest | M269 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 51 lid 2 en 3, art. 52 lid 1 onderdeel e | | Niet voldoen aan de opgelegde verplichting door de vervoerder om gedurende een bepaalde periode een voormelding te doen van het vervoer van dierlijke meststoffen | M276 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 58 lid 1 | Niet doen van de opgelegde voormelding door de vervoerder uiterlijk 24 uren voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt | M277 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 58 lid 2, art. 124 lid 1 | Niet volledig verstrekken van de gegevens inzake de voormelding door de vervoerder | M278 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid verstrekken van de gegevens inzake de voormelding door de vervoerder | M279 | € 300 |
| | | | | | |
| Vervoersbewijs dierlijke meststoffen | Vervoersbewijs dierlijke meststoffen | Vervoersbewijs dierlijke meststoffen | Vervoersbewijs dierlijke meststoffen | Vervoersbewijs dierlijke meststoffen | Vervoersbewijs dierlijke meststoffen |
| | | | | | |
| Art. 15 en 34 | Art. 53 lid 1 | | Niet opmaken van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M300 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 53 lid 2 en 3, art. 54 | Art. 61 en 62 | Niet tijdig opmaken van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M301 | € 100 |
| | | | Niet volledig opmaken van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder, de leverancier of de afnemer | M302 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid opmaken van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder, de leverancier of de afnemer | M303 | € 300 |
| | | | Niet ondertekenen van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M304 | € 200 |
| | | | | | |
| | Art. 53 lid 3 | Art. 60 lid 1 en 2 | Niet gebruikmaken door de leverancier, de vervoerder en de afnemer van het voorgeschreven model voor het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat door de minister is verstrekt en is voorzien van een uniek nummer | M306 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art. 53 lid 4 | | Wijzigen of onleesbaar maken van gegevens op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M305 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 60 lid 3 | Niet gebruikmaken door de leverancier, de vervoerder en de afnemer van een geprint exemplaar van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat elektronisch is aangemaakt en waarop het nummer van het begeleidende document is vermeld, indien de dierlijke meststoffen buiten Nederland worden gebracht. | M307 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art. 53 lid 6, art. 54 | | Indienen van het origineel van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen in plaats van de voorgeschreven elektronische indiening | M308 | € 50 |
| | | Art. 62a lid 2 en 3 | Niet invullen van gegevens op de bijlage behorend bij een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor meerdere vrachten dierlijke meststoffen op eenzelfde dag door de leverancier, de vervoerder en de afnemer. | M316 | € 300 |
| | | Art. 62a lid 2 en 3 | Niet tijdig invullen van gegevens op de bijlage behorend bij een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor meerdere vrachten dierlijke meststoffen op eenzelfde dag door de leverancier, de vervoerder en de afnemer. | M317 | € 100 |
| | | Art. 62a lid 2 en 3 | Niet volledig invullen van gegevens op de bijlage behorend bij een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor meerdere vrachten dierlijke meststoffen op eenzelfde dag door de vervoerder | M318 | € 200 |
| | | Art. 62a lid 2 en 3 | Niet naar waarheid invullen van gegevens op de bijlage behorend bij een vervoersbewijs dierlijke meststoffen voor meerdere vrachten dierlijke meststoffen op eenzelfde dag door de vervoerder | M319 | € 300 |
| | | Art. 64 lid 1 | Niet elektronisch indienen van de gegevens het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder uiterlijk 30 werkdagen na het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen | M309 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 64 lid 2, art. 124 lid 1 | Niet volledig indienen van de op een vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens door de vervoerder | M310 | € 200 |
| | | | Onjuist vermelden van de op een vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens door de vervoerder | M311 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 54 | Art. 63 | Niet verstrekken van een afschrift van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen aan de leverancier en de afnemer door de vervoerder na aflevering van de dierlijke meststoffen | M312 | € 300 |
| | | | Niet verstrekken van een afschrift van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen aan de leverancier en de afnemer door de vervoerder uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht of vrachten dierlijke meststoffen | M313 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art. 54 | Art. 64 lid 3 | Niet indienen van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens door de vervoerder na aflevering van de dierlijke meststoffen die niet zijn bemonsterd en geanalyseerd | M314 | € 300 |
| | | | Niet indienen van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens door de vervoerder uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen die niet zijn bemonsterd en geanalyseerd | M315 | € 100 |
| | | | | | |
| Vervoer van zuiveringsslib en compost | Vervoer van zuiveringsslib en compost | Vervoer van zuiveringsslib en compost | Vervoer van zuiveringsslib en compost | Vervoer van zuiveringsslib en compost | Vervoer van zuiveringsslib en compost |
| | | | | | |
| Art. 34 | Art. 50 lid 2 | | Niet aanwezig zijn van een vervoersbewijs tijdens het vervoer van zuiveringsslib, compost, mengsels van zuiveringsslib en compost, of krachtens art. 55, eerste lid, aangewezen overige organische meststoffen | M350 | € 300 |
| | | | | | |
| Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost | Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost | Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost | Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost | Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost | Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost |
| | | | | | |
| Art. 34 | Art. 55 lid 1 | | Niet opmaken van een vervoersbewijs zuiveringsslib en compost door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M400 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 55 lid 2, art. 56 | Art. 69 | Niet tijdig opmaken van een vervoersbewijs zuiveringsslib en compost door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M401 | € 100 |
| | | | Niet volledig opmaken of niet ondertekenen van een vervoersbewijs zuiveringsslib en compost door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M402 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid opmaken van een vervoersbewijs zuiveringsslib en compost door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M403 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 55 lid 3 | Art. 68 | Niet gebruikmaken van het voorgeschreven model voor het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost dat wordt verstrekt door de minister en is voorzien van een uniek nummer | M405 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art. 55 lid 4 | | Wijzigen of onleesbaar maken van gegevens op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost door de leverancier, de vervoerder of de afnemer | M406 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 56 | Art. 69a lid 1 | Niet verstrekken van een afschrift van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost aan de leverancier en de afnemer door de vervoerder uiterlijk 10 werkdagen na vervoer van de vracht zuiveringsslib en compost | M410 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 55 lid 5, art. 56 onderdeel d | Art. 69a lid 2 | Niet indienen van de op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevulde gegevens door de vervoerder na het vervoer van zuiveringsslib of compost | M407 | € 300 |
| | | | Niet indienen van de op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevulde gegevens door de vervoerder uiterlijk 10 werkdagen na het vervoer van zuiveringsslib of compost | M408 | € 100 |
| | | | | | |
| Grensoverschrijdende overbrenging | Grensoverschrijdende overbrenging | Grensoverschrijdende overbrenging | Grensoverschrijdende overbrenging | Grensoverschrijdende overbrenging | Grensoverschrijdende overbrenging |
| | | | | | |
| | | Art. 57 lid 1 | Niet doen van mededeling door vervoerder van voornemen om dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels te exporteren of importeren | M483 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 57 lid 2, art. 124 lid 1 | Niet volledig of niet naar waarheid verstrekken door vervoerder van gegevens inzake de mededeling door de vervoerder | M484 | € 200 |
| | | | | | |
| | | Art. 57a lid 1 Art. 57b lid 1 | Niet doen van mededeling door vervoerder van het daadwerkelijk exporteren of importeren van dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels | M485 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 57a lid 2, Art. 57b lid 2 art. 124 lid 1 | Niet volledig of niet naar waarheid verstrekken van gegevens door vervoerder inzake de mededeling van de daadwerkelijke export of import | M486 | € 200 |
| | | | | | |
| | | Art. 57a lid 1 Art. 57b lid 1 | Niet tijdig (ten minste 12 uur respectievelijk 3 werkdagen van tevoren) doen van mededeling door vervoerder van de daadwerkelijke export of import | M487 | € 300 |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | Art. 57b lid 5 | Niet of niet onverwijld intrekken van de mededeling door vervoerder bij het niet plaatsvinden van de gemelde export of import | M491 | € 200 |
| | | | | | |
| Hoeveelheidsbepaling | Hoeveelheidsbepaling | Hoeveelheidsbepaling | Hoeveelheidsbepaling | Hoeveelheidsbepaling | Hoeveelheidsbepaling |
| | | | | | |
| Art. 35 t/m 37 | Art. 66 t/m 70 | Art. 76 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze of niet onverwijld na aanvang van het vervoer wegen van een vracht dierlijke meststoffen door de vervoerder | M500 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 76 lid 2 | Niet op juiste wijze bepalen van het gewicht van een vracht dierlijke meststoffen door de vervoerder op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de dierlijke meststoffen, indien sprake is van een situatie genoemd in art. 84 t/m 91a UR | M501 | € 300 |
| | | Art. 76, lid 4 | Niet voorafgaand aan de export wegen van de vracht dierlijke meststoffen door de vervoerder bij export | M503 | € 300 |
| | | Art. 76, lid 5 | Niet onverwijld nadat het vervoer op Nederlands grondgebied is aangevangen wegen van de vracht dierlijke meststoffen door de vervoerder bij import | M504 | € 300 |
| | | Art. 76, lid 6 | Niet gedurende het vervoer beschikken over een juist bewijs van bepaling van gewicht van het ledige transportmiddel | M506 | € 200 |
| | | Art. 76, lid 7 | Niet gedurende het vervoer beschikken over een juist bewijs van bepaling van gewicht van het geladen transportmiddel | M510 | € 200 |
| | | | | | |
| | | Art. 77 lid 1 | Niet of niet op juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen, niet zijnde mineralenconcentraat, d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium | M502 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 78 | Niet of niet op juiste wijze bemonsteren van een vracht drijfmest tijdens het laden van het transportmiddel door de vervoerder | M505 | € 300 |
| | | Art. 78a, lid 1 en art. 78h | Niet of niet op juiste wijze bemonsteren van een vracht vaste mest door de vervoerder | M507 | € 300 |
| | | Art. 78a, lid 2 en art. 78i | Niet of niet op de juiste wijze of niet tijdig door de monsternemende organisatie laten bemonsteren van een vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door de leverancier of de vervoerder | M580 | € 300 |
| | | Art. 78a, lid 3 | Niet bemonsteren tijdens het laden van een vracht vaste mest door de vervoerder, indien deze vracht buiten Nederland wordt gebracht | M508 | € 300 |
| | | Art. 78a, lid 4 | Niet bemonsteren tijdens het lossen van een vracht vaste mest door de vervoerder, indien deze vracht binnen Nederland wordt gebracht | M509 | € 300 |
| | | Art. 78a, lid 3 | Niet laten bemonsteren tijdens het laden van een vracht vaste mest door de monsternemende organisatie, indien deze vracht buiten Nederland wordt gebracht | M581 | € 300 |
| | | Art. 78a, lid 4 | Niet laten bemonsteren tijdens het lossen van een vracht vaste mest door de monsternemende organisatie, indien deze vracht binnen Nederland wordt gebracht | M582 | € 300 |
| | | Art. 78l, lid 1 | Niet of niet tijdig melden van de planning van de monstername namens de leverancier of niet of niet tijdig laten melden van de planning door de leverancier | M557 | € 300 |
| | | Art. 78l, lid 2 en lid 6 | Niet juist of onvolledig melden van de planning van de monstername namens de leverancier of niet juist of onvolledig laten melden van de planning door de leverancier | M558 | € 200 |
| | | Art. 78l, lid 4 en lid 5 | Niet of niet tijdig wijzigen of intrekken van de melding namens de leverancier of niet of niet tijdig laten wijzigen of intrekken van de melding door de leverancier | M559 | € 300 |
| | | Art. 78u | Niet bijhouden van een inzichtelijke administratie per vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door de monsternemende organisatie | M589 | € 300 |
| | | Art. 78u | Niet volledig bijhouden van een inzichtelijke administratie per vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door de monsternemende organisatie | M590 | € 200 |
| | | Art. 78u | Niet naar waarheid bijhouden van een inzichtelijke administratie per vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door de monsternemende organisatie | M591 | € 300 |
| | | Art. 79, lid 2, art. 79, lid 3 | Niet of niet op de juiste wijze verpakken van een monster vaste mest in een voorgeschreven monsterverpakking | M511 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 80, lid 1, art 80 lid 2, art. 80, lid 4, art 81, lid 3, art 124, lid 1, art. 125 | Niet toezenden door de vervoerder van het mestmonster ter analyse door een erkend of gelijkwaardig laboratorium | M512 | € 300 |
| | | | Niet uiterlijk 10 werkdagen na bemonstering toezenden van het mestmonster aan een geaccrediteerd of gelijkwaardig laboratorium door de vervoerder, dan wel niet uiterlijk binnen 7 werkdagen na bemonstering toezenden van het mestmonster aan een geaccrediteerd of gelijkwaardig laboratorium door de monsternemende organisatie | M513 | € 100 |
| | | | Niet meesturen van de juiste gegevens van de betrokken leverancier en afnemer en het nummer van het vervoersbewijs bij het toezenden van het mestmonster aan een erkend of gelijkwaardig laboratorium door de vervoerder | M514 | € 300 |
| | | | Niet meesturen van de volledige gegevens van de betrokken leverancier en afnemer en van het vervoersbewijs bij het toezenden van het mestmonster aan een erkend of gelijkwaardig laboratorium door de vervoerder | M515 | € 200 |
| | | | Niet meesturen van de juiste gegevens van de betrokken leverancier van meststoffen en het vervoersbewijs dierlijke meststoffen bij het toezenden van het mestmonster aan een erkend of gelijkwaardig laboratorium door de monsternemende organisatie | M595 | € 300 |
| | | | Niet meesturen van de volledige gegevens van de betrokken leverancier van meststoffen en het vervoersbewijs dierlijke meststoffen bij het toezenden van het mestmonster aan een erkend of gelijkwaardig laboratorium door de monsternemende organisatie | M596 | € 200 |
| | | | | | |
| | | Art. 80, lid 3, art. 80, lid 5, art. 80, lid 6 | Niet in goede staat of op de juiste plaats bewaren van mestmonsters door de vervoerder of de monsternemende organisatie | M517 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 81 lid 1 | Niet na ontvangst van het mestmonster analyseren van het monster door het laboratorium | M518 | € 300 |
| | | | | | |
| | | | Niet uiterlijk 5 werkdagen na ontvangst van het mestmonster analyseren van het monster door het laboratorium | M519 | € 100 |
| | | | Niet na analyse van het mestmonster toezenden van de analyseresultaten door het laboratorium aan de vervoerder, de leverancier, de afnemer en elektronisch aan de minister | M520 | € 300 |
| | | | Niet uiterlijk 5 werkdagen na analyse van het mestmonster toezenden van de analyseresultaten door het laboratorium aan de vervoerder, de leverancier, de afnemer en elektronisch aan de minister | M521 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 81 lid 2 | Niet rapporteren van beschadigingen m.b.t. de monsterverpakking door het laboratorium aan de NVWA | M522 | € 300 |
| | | | Niet opvolgen van de door de NVWA verstrekte aanwijzingen door het laboratorium | M523 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 81, lid 3, art. 125 | Niet voldoen door het laboratorium aan de in het accreditatieprogramma AP05 gestelde eisen | M524 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 82 | Niet op juiste wijze bepalen van het gewicht van drijfmest die met behulp van een pijpleiding is vervoerd door de afnemer | M525 | € 300 |
| | | | Niet op juiste wijze uitvoeren van de bemonstering en verpakking van monsters drijfmest die met behulp van een pijpleiding is vervoerd door de afnemer | M526 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 83 | Niet of niet op juiste wijze bepalen van het gewicht en het stikstof- en fosfaatgehalte van een vracht mestkorrels op basis van de verpakking of het begeleidend document | M527 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 84, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan boer-boer-transport van dierlijke meststoffen worden nageleefd | M528 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 85, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen naar tijdelijk uit gebruik gegeven percelen worden nageleefd (Vogelaar-variant) | M529 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 86, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen naar een afnemer, die geen bedrijf of onderneming voert, worden nageleefd | M530 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 87, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen naar grenspercelen in Duitsland en België worden nageleefd | M531 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 88, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de aan- en afvoer van konijnengier worden nageleefd | M532 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 89, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden worden nageleefd die zijn gesteld aan de afvoer van paardenmest bestemd voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of voor de productie van een grondstof voor de productie van dat substraat | M533 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 89a, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony’s van een bedrijf in de gemeente Vlieland naar een ander bedrijf in de gemeente Vlieland worden nageleefd. | M548 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 90, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen door een klein bedrijf naar een ander bedrijf worden nageleefd | M534 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 91, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen naar natuurterrein of overige grond worden nageleefd | M535 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 91a art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde vaste meststoffen die ten hoogste 10% vaste dierlijke meststoffen of 10% champost bevat d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer worden nageleefd | M 559 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 91b | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen middels gesplitst vervoer worden nageleefd | M 561 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92 lid 1 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door de vervoerder van het gewicht van de aan- en afgevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost d.m.v. weging | M536 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92 lid 2 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf of de onderneming van het stikstof- en fosfaatgehalte van de aan- en afgevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost overeenkomstig de artikelen 92a en 92b op basis van gewichtsprocenten in de droge stof. | M537 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92a lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze bepalen door het bedrijf of de onderneming van het stikstof- en fosfaatgehalte of het droge stofgehalte in zuiveringsslib of compost d.m.v. analyse van een monster | M562 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92a lid 2 | Niet of niet op de juiste wijzebemonsteren van zuiveringsslib of compost door de producent | M563 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92a lid 4 | Niet of niet op de juiste wijze verpakken van een monster zuiveringsslib of compost in een voorgeschreven monsterverpakking door de producent | M564 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92a lid 5 | Niet toezenden van het monster aan of niet laten analyseren van het monster door een geaccrediteerd laboratorium door de producent | M565 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92b lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze na ontvangst van het monster analyseren van het monster door het laboratorium | M566 | € 300 |
| | | | Niet uiterlijk 5 werkdagen na ontvangst van het monster analyseren van het monster door het laboratorium | M567 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 92b lid 2 | Niet of niet op de juiste wijze berekenen van het stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte indien het monster betrekking heeft op een hoeveelheid die door middel van een continu proces geproduceerd wordt | M569 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92b lid 3 | Niet of niet op de juiste wijze voorzien van een analysenummer van de analyseresultaten door het laboratorium | M568 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92b lid 4 en lid 5 | Niet na analyse van het monster toezenden van de analyseresultaten dan wel de overeenkomstig het tweede lid berekende gemiddelde gehalten door het laboratorium aan de producent en elektronisch aan de minister | M570 | € 300 |
| | | | Niet binnen 10 werkdagen na analyse dan wel 10 werkdagen na afloop van de kalendermaand toezenden van de analyseresultaten door het laboratorium aan de producent en elektronisch aan de minister | M571 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 92b lid 6 | Niet of niet lang genoeg bewaren van de monsters na verzending van de analyseresultaten | M572 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 93 lid 1 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf of de onderneming van het gewicht van de aan- en afgevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost d.m.v. weging | M538 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 93 lid 2 | Niet of niet op juiste wijze d.m.v. bemonstering en analyse laten bepalen door het bedrijf of de onderneming van het stikstof- en fosfaatgehalte van de aan- en afgevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost | M539 | € 300 |
| | | Art. 94 lid 1, art. 94 lid 4 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf van het gewicht van de voorraad dierlijke meststoffen op basis van het gemeten volume en soortelijk gewicht | M540 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 94 lid 2, art. 94 lid 4 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf van het stikstof- en fosfaatgehalte van de voorraad dierlijke meststoffen | M541 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 95 lid 1 en 5 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf van het gewicht van de voorraad zuiveringsslib of compost op basis van het gemeten volume en het soortelijk gewicht | M542 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 95 lid 2 en 5 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf van het stikstof- en fosfaatgehalte van de voorraad zuiveringsslib of compost op basis van de best beschikbare gegevens | M543 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 95 lid 4 en 5 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf of de onderneming van het gewicht van de in bulk opgeslagen andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost op basis van het gemeten volume en soortelijk gewicht | M544 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 2, art. 97 lid 1, art. 100 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door de leverancier van de diervoeders van het gewicht en het stikstof- en fosfaatgehalte van diervoeders afgeleverd aan een bedrijf met staldieren | M545 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 2, art. 97 lid 2, art. 101 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door de leverancier van het ruwvoer en enkelvoudig diervoeder van de hoeveelheden ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, zowel in gewicht of volume als in kilogrammen stikstof en fosfaat | M546 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 98 lid 1 en 2 | Niet of niet op juiste wijze vaststellen van het stikstof- en fosfaatgehalte in diervoeders | M547 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 98 lid 3 en 4, art. 125 | Analyse van het diervoedermonster op het stikstof- en fosfaatgehalte niet uitgevoerd door een geaccrediteerd of gelijkwaardig laboratorium, volgens de voorgeschreven of een gelijkwaardige onderzoeksmethode | M549 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 98 lid 3 en 4 | Niet binnen één week na ontvangst van het diervoedermonster analyseren van het diervoeder op het stikstof- en fosfaatgehalte volgens de voorgeschreven of een gelijkwaardige onderzoeksmethode | M551 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 98 lid 6 | Niet verzenden van de (juiste) analyseresultaten van het diervoedermonster door het laboratorium naar de leverancier van het diervoeder | M552 | € 300 |
| | | | Niet binnen één week na ontvangst van het diervoedermonster verzenden van de analyseresultaten door het laboratorium naar de leverancier van het diervoeder | M553 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 98 lid 6, art. 124 lid 1 | Verzenden van niet volledige analyseresultaten van het diervoedermonster door het laboratorium naar de leverancier van het diervoeder | M554 | € 200 |
| | | | Verzenden van niet naar waarheid opgemaakte analyseresultaten van het diervoedermonster door het laboratorium naar de leverancier van het diervoeder | M555 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 99 | Niet vermelden of bekendmaken van gegevens van de afgeleverde diervoeders op het etiket of begeleidend document door de leverancier van de diervoeders | M556 | € 300 |
| | | | Niet volledig of niet naar waarheid vermelden van gegevens van de diervoeders op het etiket of begeleidend document door de leverancier van de diervoeders | M560 | € 300 |
| | | | | | |
| Overige bepalingen | Overige bepalingen | Overige bepalingen | Overige bepalingen | Overige bepalingen | Overige bepalingen |
| | | | | | |
| Art. 34 en 37 | | Art. 122 lid 1 | Niet op voorgeschreven wijze doorgeven van gegevens en wijzigingen in gegevens aan de minister d.m.v. indiening van het daartoe bestemde formulier | M600 | € 50 |
| | | | | | |
| | artikel 60, onderdeel b | Art. 122 lid 2 en 3 | Niet op voorgeschreven wijze elektronisch doorgeven van gegevens en wijzigingen in gegevens aan de minister d.m.v. het daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal | M601 | € 50 |
| | | | | | |
| | artikel 60, onderdeel b | Art. 122 lid 4 | Niet ondertekenen van de elektronische verzending d.m.v. een persoonlijke gebruikerscode door de vervoerder | M602 | € 50 |
| | | | | | |
| | | Art. 124 lid 2 | Niet onverwijld gegevens opnemen in de administratie nadat deze bekend zijn geworden door degene die gegevens in de administratie moet opnemen, voor zover geen andere termijn is gesteld | M603 | € 100 |
| | | | Niet onverwijld gegevens verstrekken uit de administratie nadat deze bekend zijn geworden door degene die gegevens uit de administratie moet verstrekken, voor zover geen andere termijn is gesteld | M604 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art 32, art. 34 lid 2, art. 39 lid 4, art. 44 lid 7 | Art. 124 lid 3 | Niet bewaren van documenten, gegevensdragers, administratie en bijbehorende bewijsstukken gedurende 5 jaren na afloop van het betreffende kalenderjaar | M605 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 32, 39 en 44 | Art. 124 lid 3 | Wijzigen van (oorspronkelijke) gegevens in de administratie | M606 | € 300 |
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
2021-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 5, 5 y 17 más
2020-10-08
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 5, 5 y 7 más
2020-08-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 5, 5 y 7 más
2020-04-16
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 5, 5 y 7 más
2020-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 4, 99023 y 370 más
2019-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 8, 4 y 5 más
2019-07-23
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 8, 4 y 5 más
2019-04-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 8, 4 y 5 más
2019-03-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 8, 4 y 5 más
2019-02-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 17025, 17020 y 265 más
2019-01-31
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 3 y 400 más
2019-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99020, 4, 99023 y 398 más
2018-06-06
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 1 y 395 más
2018-04-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 1, 84 y 2 más
2018-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 3 y 314 más
2017-11-10
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99020, 3, 3 y 400 más
2017-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 8, 17025, 17020 y 273 más
2017-08-31
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 89, 6, 7 y 3 más
2017-04-07
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 3 y 285 más
2017-02-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7, 6, 7431 y 4 más
2017-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 1, 3 y 328 más
2016-09-16
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7, 06, 17025 y 6 más
2016-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 15477 y 129 más
2015-07-03
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 12945, 12945 y 277 má
2015-05-28
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 13 y 312 más
2015-04-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 3, 4 y 214 más
2015-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 99023 y 270 más
2014-11-29
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7, 89, 6 y 4 más
2014-08-05
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7, 7, 89 y 11 más
2014-07-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 474 más
2014-06-27
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 318 más
2014-05-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 317 más
2014-02-25
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 317 más
2014-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 5315 y 629 más
2013-07-25
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 5315, 99020 y 311 más
2013-06-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 2, 103 y 6 más
2013-02-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 2, 103 y 6 más
2013-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 5315 y 307 más
2012-10-06
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 2, 103, 2 y 5 más
2012-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 2, 2, 103 y 13 más
2012-04-13
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 2, 103, 2 y 5 más
2012-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 5315 y 298 más
2011-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 295 más
2011-05-18
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 4, 6 y 6 más
2011-03-04
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 4, 4 y 15 más
2011-02-22
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 4, 4 y 15 más
2011-01-31
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 4, 4 y 24 más
2011-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 297 más
2010-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 6, 6, 6 y 11 más
2010-07-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 6, 6, 6 y 11 más
2010-03-06
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7433, 6, 6 y 149 más
2010-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 5315 y 577 más
2009-07-25
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99027, 6970, 2 y 7 más
2009-04-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 15477 y 270 más
2009-01-29
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99026, 99015, 5 y 6 más
2009-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 99026, 99026 y 96 más
2008-11-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 1 y 262 más
2008-07-13
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 99022, 5 y 4 más
2008-02-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 12945, 99023, 99023 y 259 má
2008-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 273 más
2007-07-22
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 103, 6, 6 y 2 más
2007-07-12
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 224 más
2007-02-09
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 6, 6, 102, 6
2007-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 213 más
2006-07-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 99020 y 212 más
2006-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 215 más
2005-12-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 2, 3 y 29 más
2005-12-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
original version Tekst op deze datum