Wijzigingsgeschiedenis
Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 november 2005, nr. TRCJZ/2005/3295, houdende regels ter uitvoering van de Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling Meststoffenwet)
97 versions
· 2026-03-19
2026-03-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 3, 103, 54 y 10 más
2026-02-11
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 3, 103, 54 y 10 más
2026-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 15477 y 231 más
2025-04-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 2, 99020 y 8 más
2025-03-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 2 y 19 más
2025-01-29
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 2 y 19 más
2025-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 17020 y 30 más
2024-12-21
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 2 y 19 más
2024-10-02
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 17020 y 30 más
2024-03-28
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 2, 99020 y 8 más
2024-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 15477 y 229 más
2023-11-02
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 12 más
2023-10-02
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 1, 3 y 27 más
2023-07-21
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 12 más
2023-07-15
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 123 más
2023-06-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 13 más
2023-05-13
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 13 más
2023-05-10
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99020, 5315, 2 y 247 más
2023-03-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 9 y 256 más
2023-02-15
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 9 y 256 más
2023-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 756 más
2022-11-17
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99025, 99026, 99027 y 10 más
2022-07-16
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99025, 99026, 99027 y 10 más
2022-07-15
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 2, 15477 y 249 más
2022-05-05
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 14, 99025, 89 y 9 más
2022-04-27
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 1 y 262 más
2022-04-16
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 99023, 7 y 21 más
2022-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 99023, 99023 y 33 más
2021-02-18
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 99027, 99029 y 222 má
2021-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 5, 5 y 17 más
2020-10-08
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 5, 5 y 7 más
2020-08-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 5, 5 y 7 más
2020-04-16
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 5, 5 y 7 más
2020-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 4, 99023 y 370 más
2019-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 8, 4 y 5 más
2019-07-23
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 8, 4 y 5 más
2019-04-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 8, 4 y 5 más
2019-03-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 8, 4 y 5 más
2019-02-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 17025, 17020 y 265 más
2019-01-31
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 3 y 400 más
Wijzigingen op 2019-01-31
@@ -36,17 +36,17 @@
##### Artikel 122
1. De in [artikel 26, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26), en de in de [artikelen 25, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [25a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [25b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [25d, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25d&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=32&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [35a, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [37, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [45, eerste, tweede en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [48a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [50, eerste, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [103b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [104, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=1&artikel=104&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=3&artikel=110&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=114&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=115&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en [119, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=119&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde meldingen, verklaringen, verstrekking van gegevens, kennisgevingen, aanmeldingen ter registratie, aanvragen tot vergunning dan wel een verzoek tot intrekking van de vergunning, verzoeken tot wijziging van een tenaamstelling en aanvragen tot ontheffing geschieden door indiening bij de minister van het ingevulde en ondertekende daartoe door de minister ter beschikking gestelde middel.
1. De in [artikel 26, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26), en de in de [artikelen 25, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [25a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [25b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [25d, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25d&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=32&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [35a, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [37, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [45, eerste, tweede en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [48a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [50, eerste, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [103b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [104, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=1&artikel=104&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=3&artikel=110&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=114&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=115&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en [119, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=119&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde meldingen, verklaringen, verstrekking van gegevens, kennisgevingen, aanmeldingen ter registratie, aanvragen tot vergunning dan wel een verzoek tot intrekking van de vergunning, verzoeken tot wijziging van een tenaamstelling en aanvragen tot ontheffing geschieden door indiening bij de minister van het ingevulde en ondertekende daartoe door de minister ter beschikking gestelde middel.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde handelingen op elektronische wijze geschieden, wordt gebruik gemaakt van het door de minister daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal.
3. De in [artikel 33b, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=33b) bedoelde elektronische verstrekking van gegevens, de in de [artikelen 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=56&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en [92b, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde elektronische verzending van gegevens, de in de [artikelen 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57a&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=58&z=2019-01-01&g=2019-01-01) bedoelde elektronische mededelingen en verstrekkingen van gegevens, de in de artikelen [28a, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en [35f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35f&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde elektronische aanmelding en de in de [artikelen 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=64&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [69a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde elektronische indiening van gegevens geschieden met gebruikmaking van het door de minister daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal.
4. De elektronische verzending wordt door de vervoerder ondertekend door middel van een persoonlijke gebruikerscode, die overeenkomstig [artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=123&z=2019-01-01&g=2019-01-01) door de minister op naam van de desbetreffende vervoerder is geregistreerd.
3. De in [artikel 33b, vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=33b) bedoelde elektronische verstrekking van gegevens, de in de [artikelen 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=56&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en [92b, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde elektronische verzending van gegevens, de in de [artikelen 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57a&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=58&z=2019-01-31&g=2019-01-31) bedoelde elektronische mededelingen en verstrekkingen van gegevens, de in de artikelen [28a, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en [35f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35f&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde elektronische aanmelding en de in de [artikelen 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=64&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [69a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde elektronische indiening van gegevens geschieden met gebruikmaking van het door de minister daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal.
4. De elektronische verzending wordt door de vervoerder ondertekend door middel van een persoonlijke gebruikerscode, die overeenkomstig [artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=123&z=2019-01-31&g=2019-01-31) door de minister op naam van de desbetreffende vervoerder is geregistreerd.
##### Artikel 123
1. De aanvraag tot registratie van een persoonlijke gebruikerscode als bedoeld in [artikel 122, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=122&z=2019-01-01&g=2019-01-01), geschiedt bij de minister.
1. De aanvraag tot registratie van een persoonlijke gebruikerscode als bedoeld in [artikel 122, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=122&z=2019-01-31&g=2019-01-31), geschiedt bij de minister.
2. De minister zendt de aanvrager een bevestiging van de registratie.
@@ -60,7 +60,7 @@
##### Artikel 125
Met een laboratorium als bedoeld in de [artikelen 17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=18&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=19&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=20&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=22&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=32&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [81, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [92a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=99&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en [103a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2019-01-01&g=2019-01-01) wordt gelijk gesteld een vergelijkbare instelling, gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel in een andere staat die partij is bij een daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, die een verklaring verstrekt op basis van onderzoekingen die voldoen aan een kwaliteitsborgingniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
Met een laboratorium als bedoeld in de [artikelen 17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=18&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=19&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=20&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=22&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=32&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [81, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [92a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=99&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en [103a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2019-01-31&g=2019-01-31) wordt gelijk gesteld een vergelijkbare instelling, gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel in een andere staat die partij is bij een daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, die een verklaring verstrekt op basis van onderzoekingen die voldoen aan een kwaliteitsborgingniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
##### Artikel 126
@@ -70,7 +70,7 @@
##### Artikel 127
De voldoening aan de voorwaarden [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=4&artikel=35&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=44&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [92a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en [126, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=126&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt desgevraagd ten genoegen van de minister gestaafd met bewijsstukken.
De voldoening aan de voorwaarden [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=4&artikel=35&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=44&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [92a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en [126, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=126&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt desgevraagd ten genoegen van de minister gestaafd met bewijsstukken.
##### Artikel 128
@@ -82,7 +82,7 @@
##### Artikel 130
De hoogte van de bestuurlijke boete die overeenkomstig [artikel 51 van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=51) kan worden opgelegd, wordt vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat in [bijlage M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=M&z=2019-01-01&g=2019-01-01) voor de desbetreffende overtreding is vermeld.
De hoogte van de bestuurlijke boete die overeenkomstig [artikel 51 van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=51) kan worden opgelegd, wordt vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat in [bijlage M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=M&z=2019-01-31&g=2019-01-31) voor de desbetreffende overtreding is vermeld.
##### Artikel 131
@@ -118,7 +118,7 @@
##### Artikel 133
Indien een hypotheekhouder een bedrijf voor 1 januari 2006 heeft aangemeld overeenkomstig [artikel 5 van de Regeling leges en blokkade Wet herstructurering varkenshouderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009801&artikel=5) of [artikel 3 van de Regeling leges en blokkade pluimveerechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012009&artikel=3), zoals deze artikelen luidden op 31 december 2005, wordt dit bedrijf in afwijking van [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=106&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor de toepassing van [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2019-01-01&g=2019-01-01), zonder voorafgaand verzoek daartoe geregistreerd bij de minister.
Indien een hypotheekhouder een bedrijf voor 1 januari 2006 heeft aangemeld overeenkomstig [artikel 5 van de Regeling leges en blokkade Wet herstructurering varkenshouderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009801&artikel=5) of [artikel 3 van de Regeling leges en blokkade pluimveerechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012009&artikel=3), zoals deze artikelen luidden op 31 december 2005, wordt dit bedrijf in afwijking van [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=106&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor de toepassing van [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2019-01-31&g=2019-01-31), zonder voorafgaand verzoek daartoe geregistreerd bij de minister.
##### Artikel 134
@@ -126,7 +126,7 @@
##### Artikel 135
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006, met uitzondering van [artikel 134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=134&z=2019-01-01&g=2019-01-01), dat in werking treedt met ingang van 1 december 2005.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006, met uitzondering van [artikel 134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=134&z=2019-01-31&g=2019-01-31), dat in werking treedt met ingang van 1 december 2005.
##### Artikel 136
@@ -200,7 +200,7 @@
- AGR-apparatuur: apparatuur voor automatische gegevensregistratie;
- automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur: apparatuur als bedoeld in [artikel 49, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-01&g=2019-01-01), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2019-01-01&g=2019-01-01);
- automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur: apparatuur als bedoeld in [artikel 49, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-31&g=2019-01-31), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2019-01-31&g=2019-01-31);
- besluit: [Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031);
@@ -208,7 +208,7 @@
- champost: product van paardenmest, ponymest, pluimveemest of een mengsel daarvan waarop champignons zijn geteeld;
- combinatienummer: nummer dat door de minister ter identificatie van een transportmiddel voor drijfmest is verstrekt en dat bij vervoer middels een transportvoertuig is samengesteld uit de op grond van [artikel 45, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2019-01-01&g=2019-01-01), verstrekte gegevens en in het geval van vervoer door middel van een pijpleiding is samengesteld uit de op grond van artikel 45, vierde lid, verstrekte gegevens;
- combinatienummer: nummer dat door de minister ter identificatie van een transportmiddel voor drijfmest is verstrekt en dat bij vervoer middels een transportvoertuig is samengesteld uit de op grond van [artikel 45, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2019-01-31&g=2019-01-31), verstrekte gegevens en in het geval van vervoer door middel van een pijpleiding is samengesteld uit de op grond van artikel 45, vierde lid, verstrekte gegevens;
- derogatiebeschikking: beschikking van de Europese Commissie tot verlening van een door Nederland gevraagde derogatie op grond van Bijlage III, punt 2, onder b, van richtlijn 91/676/EEG op grond waarvan onder voorwaarden een grotere hoeveelheid dierlijke mest op of in de bodem mag worden gebracht dan bepaald in punt 2, tweede alinea, inleidende zinnen en onder a) van Bijlage III bij richtlijn 91/676/EEG;
@@ -216,7 +216,7 @@
- eutrofiëring: een verrijking van het water door stikstof- en fosfaatverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een ongewenste verstoring van het evenwicht tussen de verschillende in het water aanwezige organismen en een verslechtering van de waterkwaliteit;
- gewasperceel: perceel of deel van een perceel met een minimale omvang van twee hectare waarop één en hetzelfde gewas als bedoeld in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt geteeld;
- gewasperceel: perceel of deel van een perceel met een minimale omvang van twee hectare waarop één en hetzelfde gewas als bedoeld in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt geteeld;
- hypotheekhouder: degene ten gunste van wie een recht van hypotheek is gevestigd op een registergoed behorende tot een bedrijf;
@@ -242,9 +242,9 @@
- verordening (EG) nr. 1069/2009: verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (PbEU L 300);
- vervoersbewijs dierlijke meststoffen: vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 53 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) in samenhang met [artikel 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=60&z=2019-01-01&g=2019-01-01);
- vervoersbewijs zuiveringsslib en compost: vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 55 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) in samenhang met [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2019-01-01&g=2019-01-01);
- vervoersbewijs dierlijke meststoffen: vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 53 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) in samenhang met [artikel 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=60&z=2019-01-31&g=2019-01-31);
- vervoersbewijs zuiveringsslib en compost: vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 55 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) in samenhang met [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2019-01-31&g=2019-01-31);
- vervreemder van een productierecht: landbouwer van wiens bedrijf een productierecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig is;
@@ -260,11 +260,11 @@
- zuidelijke zandgronden: zandgronden gelegen in de provincies Limburg of Noord-Brabant.
2. Voor de toepassing van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&z=2019-01-01&g=2019-01-01) wordt onder graasdieren, perceel, zuiveringsslib en compost verstaan hetgeen daaronder in [artikel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=1) wordt verstaan.
2. Voor de toepassing van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&z=2019-01-31&g=2019-01-31) wordt onder graasdieren, perceel, zuiveringsslib en compost verstaan hetgeen daaronder in [artikel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=1) wordt verstaan.
##### Artikel 2
Voor de toepassing van deze regeling, met uitzondering van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&z=2019-01-01&g=2019-01-01), worden de hoeveelheden meststoffen en de hoeveelheden diervoeders uitgedrukt in kilogrammen of liters alsmede in kilogrammen stikstof en kilogrammen fosfaat.
Voor de toepassing van deze regeling, met uitzondering van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&z=2019-01-31&g=2019-01-31), worden de hoeveelheden meststoffen en de hoeveelheden diervoeders uitgedrukt in kilogrammen of liters alsmede in kilogrammen stikstof en kilogrammen fosfaat.
##### Artikel 3
@@ -274,13 +274,13 @@
Voor zover zij voldoen aan de [artikelen 9 tot en met 15 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=9) zijn aangewezen:
- a. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de in [bijlage Aa, onder I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-01&g=2019-01-01), opgenomen stoffen;
- b. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de stoffen die behoren tot de in [bijlage Aa, onder II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-01&g=2019-01-01), opgenomen categorieën afvalstoffen of reststoffen;
- c. als afvalstoffen of reststoffen die bij de productie van de daarbij genoemde meststoffen kunnen worden gebruikt, de in [bijlage Aa, onder III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-01&g=2019-01-01), opgenomen stoffen; en
- d. als eindproducten die als meststof kunnen worden verhandeld, de in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-01&g=2019-01-01), opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés.
- a. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de in [bijlage Aa, onder I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-31&g=2019-01-31), opgenomen stoffen;
- b. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de stoffen die behoren tot de in [bijlage Aa, onder II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-31&g=2019-01-31), opgenomen categorieën afvalstoffen of reststoffen;
- c. als afvalstoffen of reststoffen die bij de productie van de daarbij genoemde meststoffen kunnen worden gebruikt, de in [bijlage Aa, onder III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-31&g=2019-01-31), opgenomen stoffen; en
- d. als eindproducten die als meststof kunnen worden verhandeld, de in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-31&g=2019-01-31), opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés.
##### Artikel 5
@@ -288,15 +288,15 @@
##### Artikel 6
1. Het is niet toegestaan zuiveringsslib, de in [bijlage Aa, onder I en II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-01&g=2019-01-01), opgenomen stoffen of de in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-01&g=2019-01-01), opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés, onderling of met andere meststoffen te mengen.
2. In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib onderling te mengen, mits de gehalten stikstof en fosfaat in de afzonderlijke partijen zijn vastgesteld overeenkomstig de [artikelen 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en deze afzonderlijke partijen overigens voldoen aan de bij of krachtens [hoofdstuk III van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=III) ter zake van zuiveringsslib gestelde regels.
1. Het is niet toegestaan zuiveringsslib, de in [bijlage Aa, onder I en II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-31&g=2019-01-31), opgenomen stoffen of de in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-31&g=2019-01-31), opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés, onderling of met andere meststoffen te mengen.
2. In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib onderling te mengen, mits de gehalten stikstof en fosfaat in de afzonderlijke partijen zijn vastgesteld overeenkomstig de [artikelen 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en deze afzonderlijke partijen overigens voldoen aan de bij of krachtens [hoofdstuk III van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=III) ter zake van zuiveringsslib gestelde regels.
3. Het is slechts toegestaan andere dan in het eerste lid bedoelde meststoffen te mengen, indien deze meststoffen afzonderlijk voldoen aan de bij of krachtens [hoofdstuk III van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=III) ter zake van die meststoffen gestelde regels en het mengsel voldoet aan de bij of krachtens [hoofdstuk III van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=III) ter zake van die meststoffen gestelde regels.
4. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan de in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-01&g=2019-01-01), onder IV, opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingprocedés, die zijn gebruikt als strooisel in stallen te mengen met dierlijke mest in de mestkelder.
5. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan de dunne fractie die is ontstaan op het eigen bedrijf door scheiding van ‘covergiste mest’ als bedoeld in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-01&g=2019-01-01), te gebruiken om niet verpompbare covergistingsmaterialen te verdunnen.
4. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan de in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-31&g=2019-01-31), onder IV, opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingprocedés, die zijn gebruikt als strooisel in stallen te mengen met dierlijke mest in de mestkelder.
5. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan de dunne fractie die is ontstaan op het eigen bedrijf door scheiding van ‘covergiste mest’ als bedoeld in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-31&g=2019-01-31), te gebruiken om niet verpompbare covergistingsmaterialen te verdunnen.
##### Artikel 7
@@ -314,17 +314,17 @@
##### Artikel 8
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren, overschrijden niet de in [bijlage Ab, onder tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2019-01-01&g=2019-01-01), opgenomen maximale waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren, overschrijden niet de in [bijlage Ab, onder tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2019-01-31&g=2019-01-31), opgenomen maximale waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
##### Artikel 9
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren en die organisch materiaal van dierlijke of plantaardige oorsprong bevatten, overschrijden niet de in [bijlage Ab, onder tabel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2019-01-01&g=2019-01-01), opgenomen maximale waarden voor organische microverontreinigingen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren en die organisch materiaal van dierlijke of plantaardige oorsprong bevatten, overschrijden niet de in [bijlage Ab, onder tabel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2019-01-31&g=2019-01-31), opgenomen maximale waarden voor organische microverontreinigingen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
##### Artikel 10
In geval het betreft anorganische meststoffen die niet alleen hoofdzakelijk zijn bedoeld om primaire of secundaire nutriënten te leveren, maar ook om de micronutriënten koper en zink te leveren, is [artikel 14 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=14), voor zover het betreft de in [bijlage II, onder tabel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II), opgenomen maximale waarden voor koper en zink onderscheidenlijk [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor zover het betreft de in [bijlage Ab, onder tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2019-01-01&g=2019-01-01), opgenomen maximale waarden voor koper en zink, niet van toepassing, voor zover:
- a. de meststoffen overeenkomstig [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=14&z=2019-01-01&g=2019-01-01) zijn voorzien van de gehalten aan koper onderscheidenlijk zink; en
In geval het betreft anorganische meststoffen die niet alleen hoofdzakelijk zijn bedoeld om primaire of secundaire nutriënten te leveren, maar ook om de micronutriënten koper en zink te leveren, is [artikel 14 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=14), voor zover het betreft de in [bijlage II, onder tabel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II), opgenomen maximale waarden voor koper en zink onderscheidenlijk [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor zover het betreft de in [bijlage Ab, onder tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2019-01-31&g=2019-01-31), opgenomen maximale waarden voor koper en zink, niet van toepassing, voor zover:
- a. de meststoffen overeenkomstig [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=14&z=2019-01-31&g=2019-01-31) zijn voorzien van de gehalten aan koper onderscheidenlijk zink; en
- b. zowel de hoeveelheden primaire of secundaire nutriënten als de hoeveelheden koper of zink die met de desbetreffende meststof worden opgebracht, passen binnen het totale bemestingsadvies.
@@ -336,7 +336,7 @@
1. De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), worden voor stikstof uitsluitend in de vorm van het element (N) en voor fosfaat in de vorm van het oxide (P2O5) en desgewenst in de vorm van het element (P) uitgedrukt
2. De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), met uitzondering van stikstof en fosfaat behoeven uitsluitend te worden vermeld voor zover deze de in de [artikelen 9 tot en met 12 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=9) en de in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van deze regeling bedoelde minimale hoeveelheden te boven gaan.
2. De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), met uitzondering van stikstof en fosfaat behoeven uitsluitend te worden vermeld voor zover deze de in de [artikelen 9 tot en met 12 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=9) en de in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van deze regeling bedoelde minimale hoeveelheden te boven gaan.
3. De in het tweede lid bedoelde gegevens worden voor kalium, calcium, magnesium, natrium en zwavel in de vorm van het oxide (K2O; CaO; MgO; Na2O; onderscheidenlijk SO3) en desgewenst in de vorm van het element (K; Ca; Mg; Na onderscheidenlijk S) uitgedrukt.
@@ -344,11 +344,11 @@
##### Artikel 13
1. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19) zijn overige organische meststoffen en overige anorganische meststoffen die bestaan uit de in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-01&g=2019-01-01) opgenomen stoffen, voorzien van het nummer waaronder de desbetreffende stof op deze [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-01&g=2019-01-01) is vermeld.
1. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19) zijn overige organische meststoffen en overige anorganische meststoffen die bestaan uit de in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-31&g=2019-01-31) opgenomen stoffen, voorzien van het nummer waaronder de desbetreffende stof op deze [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-31&g=2019-01-31) is vermeld.
2. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19) zijn mengsels van meststoffen voorzien van gegevens over de meststoffen waaruit het mengsel bestaat en de verhouding waarin deze in het mengsel voorkomen.
3. Indien het mengsel mede bestaat uit ingevolge [artikel 4, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2019-01-01&g=2019-01-01), aangewezen stoffen, wordt bij de in het tweede lid bedoelde vermelding over de samenstelling en verhouding tevens vermeld het nummer waaronder de desbetreffende stof op [bijlage Aa, onder III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is vermeld.
3. Indien het mengsel mede bestaat uit ingevolge [artikel 4, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2019-01-31&g=2019-01-31), aangewezen stoffen, wordt bij de in het tweede lid bedoelde vermelding over de samenstelling en verhouding tevens vermeld het nummer waaronder de desbetreffende stof op [bijlage Aa, onder III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-31&g=2019-01-31), is vermeld.
##### Artikel 14
@@ -362,53 +362,53 @@
##### Artikel 16
1. De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), worden in gewichtsprocenten vermeld en komen overeen met de gehalten stikstof en fosfaat zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2019-01-01&g=2019-01-01), dan wel [artikel 92a tot en met 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2019-01-01&g=2019-01-01) voor zover het zuiveringsslib of compost betreft, zijn vastgesteld
1. De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), worden in gewichtsprocenten vermeld en komen overeen met de gehalten stikstof en fosfaat zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2019-01-31&g=2019-01-31), dan wel [artikel 92a tot en met 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2019-01-31&g=2019-01-31) voor zover het zuiveringsslib of compost betreft, zijn vastgesteld
2. De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), met uitzondering van stikstof en fosfaat worden in gewichtsprocenten of op gewichtsbasis vermeld en komen overeen met:
- a. de gehalten aan overige nutriënten zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2019-01-01&g=2019-01-01) zijn vastgesteld;
- b. het organischestofgehalte zoals dit voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=18&z=2019-01-01&g=2019-01-01) is vastgesteld; of
- c. de neutraliserende waarde zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=19&z=2019-01-01&g=2019-01-01) is vastgesteld.
- a. de gehalten aan overige nutriënten zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2019-01-31&g=2019-01-31) zijn vastgesteld;
- b. het organischestofgehalte zoals dit voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=18&z=2019-01-31&g=2019-01-31) is vastgesteld; of
- c. de neutraliserende waarde zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=19&z=2019-01-31&g=2019-01-31) is vastgesteld.
##### Artikel 17
1. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de gehalten aan overige nutriënten in meststoffen worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2019-01-01&g=2019-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2019-01-31&g=2019-01-31), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 18
1. Het organischestofgehalte in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2019-01-01&g=2019-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2019-01-31&g=2019-01-31), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 19
1. De neutraliserende waarde van meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2019-01-01&g=2019-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2019-01-31&g=2019-01-31), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 20
1. Het drogestofgehalte in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2019-01-01&g=2019-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2019-01-31&g=2019-01-31), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 21
1. De hoeveelheden zware metalen in meststoffen worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De bemonstering van zuiveringsslib geschiedt ten minste in de frequentie, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2019-01-01&g=2019-01-01), in samenhang met bijlage IIA, van richtlijn nr. 86/278/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986, betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PbEG L 181).
3. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2019-01-01&g=2019-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De bemonstering van zuiveringsslib geschiedt ten minste in de frequentie, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2019-01-31&g=2019-01-31), in samenhang met bijlage IIA, van richtlijn nr. 86/278/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986, betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PbEG L 181).
3. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2019-01-31&g=2019-01-31), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 22
1. De hoeveelheden organische microverontreinigingen in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2019-01-01&g=2019-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2019-01-31&g=2019-01-31), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 23
@@ -428,23 +428,23 @@
- a. op dierlijke meststoffen afkomstig van graasdieren;
- b. indien wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [25c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25c&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27a&z=2019-01-01&g=2019-01-01); en
- c. indien de landbouwer beschikt over een vergunning, bedoeld in [artikel 25a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25a&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
- b. indien wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [25c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25c&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27a&z=2019-01-31&g=2019-01-31); en
- c. indien de landbouwer beschikt over een vergunning, bedoeld in [artikel 25a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25a&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
##### Artikel 25
1. Uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarin de landbouwer de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 24, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voornemens is toe te passen, vraagt de landbouwer een vergunning aan bij de minister voor het op zijn bedrijf mogen toepassen van artikel 24, eerste en tweede lid.
1. Uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarin de landbouwer de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 24, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voornemens is toe te passen, vraagt de landbouwer een vergunning aan bij de minister voor het op zijn bedrijf mogen toepassen van artikel 24, eerste en tweede lid.
2. Bij de aanvraag verklaart de landbouwer dat hij voldoet aan de voorwaarden in de derogatiebeschikking en het bepaalde in deze paragraaf en verklaart hij ermee in te stemmen dat het meststoffengebruik, alsmede het bemestingsplan en de mestboekhouding onderwerp kunnen zijn van controle.
3. Bij de aanvraag verklaart de landbouwer dat hij de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), de bij of krachtens de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&z=2019-01-01&g=2019-01-01) in samenhang met de [hoofdstukken IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=IV), [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=VI) en [X van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=X) gestelde regels, de [artikelen 4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=4b) en [8a van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=8a) en de voorschriften die uit hoofde van deze paragraaf aan hem worden gesteld naleeft.
3. Bij de aanvraag verklaart de landbouwer dat hij de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), de bij of krachtens de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&z=2019-01-31&g=2019-01-31) in samenhang met de [hoofdstukken IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=IV), [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=VI) en [X van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=X) gestelde regels, de [artikelen 4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=4b) en [8a van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=8a) en de voorschriften die uit hoofde van deze paragraaf aan hem worden gesteld naleeft.
4. Met ingang van het kalenderjaar 2019, wordt de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, in behandeling genomen, nadat de landbouwer een bedrag van € 50,– heeft voldaan.
5. De landbouwer betaalt ten behoeve van ’s Rijks kas een geldsom ter dekking van de kosten die samenhangen met monitoringswerkzaamheden, bedoeld in artikel 9 van de derogatiebeschikking, ter hoogte van het bij zijn oppervlakte landbouwgrond behorende tarief, bedoeld in [Bijlage Ad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ad&z=2019-01-01&g=2019-01-01). Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, stelt de landbouwer door middel van het afgeven van een machtiging tot betaling de minister in staat dit bedrag te innen.
6. De landbouwer kan de aanvraag voor een vergunning voor de toepassing op zijn bedrijf van [artikel 24, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2019-01-01&g=2019-01-01), tot 16 mei intrekken, zonder dat de geldsom, bedoeld in het vijfde lid, in rekening wordt gebracht.
5. De landbouwer betaalt ten behoeve van ’s Rijks kas een geldsom ter dekking van de kosten die samenhangen met monitoringswerkzaamheden, bedoeld in artikel 9 van de derogatiebeschikking, ter hoogte van het bij zijn oppervlakte landbouwgrond behorende tarief, bedoeld in [Bijlage Ad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ad&z=2019-01-31&g=2019-01-31). Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, stelt de landbouwer door middel van het afgeven van een machtiging tot betaling de minister in staat dit bedrag te innen.
6. De landbouwer kan de aanvraag voor een vergunning voor de toepassing op zijn bedrijf van [artikel 24, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2019-01-31&g=2019-01-31), tot 16 mei intrekken, zonder dat de geldsom, bedoeld in het vijfde lid, in rekening wordt gebracht.
##### Artikel 26
@@ -452,7 +452,7 @@
##### Artikel 27
1. De landbouwer stelt vóór 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt toegepast, voor het desbetreffende jaar een bemestingsplan op dat voldoet aan artikel 7, derde en vierde lid, van de derogatiebeschikking.
1. De landbouwer stelt vóór 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt toegepast, voor het desbetreffende jaar een bemestingsplan op dat voldoet aan artikel 7, derde en vierde lid, van de derogatiebeschikking.
2. De landbouwer herziet het bemestingsplan uiterlijk zeven dagen nadat zich een wijziging in de landbouwpraktijk heeft voorgedaan, indien dat noodzakelijk is om de consistentie van het bemestingsplan te waarborgen.
@@ -464,11 +464,15 @@
6. De landbouwer bewaart de mestboekhouding als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
7. In afwijking van het eerste lid, stelt de landbouwer in 2019 een bemestingsplan op vóór 1 maart.
8. Het zevende lid en dit lid vervallen met ingang van 1 januari 2020.
#### § 2. Stikstofgebruiksnorm
##### Artikel 28
1. Als hoeveelheid stikstof als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) wordt vastgesteld de hoeveelheid stikstof die in [bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bij het desbetreffende gewas onder het desbetreffende jaar is vermeld, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, zoals deze in voorkomend geval is onderscheiden naar de grondsoort van het perceel waarop de teelt plaatsvindt, het aantal voorafgaande teelten van hetzelfde gewas in het desbetreffende jaar, de in het desbetreffende jaar aan de betrokken teelt voorafgaande of op de betrokken teelt volgende teelt van andere gewassen, het tijdstip waarop het desbetreffende perceel is beteeld, alsmede de bij de teelt toegepaste landbouwpraktijk, met dien verstande dat:
1. Als hoeveelheid stikstof als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) wordt vastgesteld de hoeveelheid stikstof die in [bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bij het desbetreffende gewas onder het desbetreffende jaar is vermeld, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, zoals deze in voorkomend geval is onderscheiden naar de grondsoort van het perceel waarop de teelt plaatsvindt, het aantal voorafgaande teelten van hetzelfde gewas in het desbetreffende jaar, de in het desbetreffende jaar aan de betrokken teelt voorafgaande of op de betrokken teelt volgende teelt van andere gewassen, het tijdstip waarop het desbetreffende perceel is beteeld, alsmede de bij de teelt toegepaste landbouwpraktijk, met dien verstande dat:
- a. de hoeveelheid stikstof die bij ‘tijdelijk grasland’ en bij ‘groenbemesters’ is vermeld, niet geldt voor tijdelijk grasland dat wordt, onderscheidenlijk groenbemesters die worden geteeld aansluitend op de teelt van maïs;
@@ -486,43 +490,43 @@
- e. de hoeveelheid stikstof die onder ‘lössgrond’ is vermeld, uitsluitend geldt indien het grond betreft die is ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaat uit leem met een kleinere fractie dan 50 µm.
2. Indien het gewogen gemiddelde van de hoeveelheid stikstof van alle op de tot een bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond geteelde gewassen of gewasgroepen uit [Bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-01&g=2019-01-01), in een kalenderjaar ten minste 100 kilogram en ten hoogste 110 kilogram stikstof per hectare is, bedraagt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) in het desbetreffende kalenderjaar, in afwijking van het eerste lid, 110 kilogram stikstof per hectare van de tot dat bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.
2. Indien het gewogen gemiddelde van de hoeveelheid stikstof van alle op de tot een bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond geteelde gewassen of gewasgroepen uit [Bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-31&g=2019-01-31), in een kalenderjaar ten minste 100 kilogram en ten hoogste 110 kilogram stikstof per hectare is, bedraagt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) in het desbetreffende kalenderjaar, in afwijking van het eerste lid, 110 kilogram stikstof per hectare van de tot dat bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.
##### Artikel 29
1. Bij de bepaling van de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=12) bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt de hoeveelheid stikstof in dierlijke en andere in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=B&z=2019-01-01&g=2019-01-01) vermelde organische meststoffen slechts in aanmerking genomen voor het percentage dat in de tabel van die bijlage is vermeld voor de desbetreffende meststof en, indien sprake is van dierlijke meststoffen die op bouwland op kleigrond of veengrond op of in de bodem zijn gebracht, voor de desbetreffende periode waarin de meststoffen op of in de bodem zijn gebracht, met dien verstande dat het bij de omstandigheid ‘op bedrijf met beweiding’ of ‘op bedrijf zonder beweiding’ vermelde percentage uitsluitend geldt indien op het desbetreffende bedrijf de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-01&g=2019-01-01), tabel 1, bij ‘grasland met beweiden’ onderscheidenlijk ‘grasland met volledig maaien’ vermelde hoeveelheid stikstof als stikstofgebruiksnorm wordt toegepast.
2. Indien het mengsels van organische meststoffen betreft, wordt bij de bepaling van de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=12) bedoelde hoeveelheid meststoffen de hoeveelheid stikstof in dat mengsel in aanmerking genomen voor het hoogste percentage dat in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=B&z=2019-01-01&g=2019-01-01) is vermeld bij de meststoffen die het mengsel bevat.
1. Bij de bepaling van de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=12) bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt de hoeveelheid stikstof in dierlijke en andere in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=B&z=2019-01-31&g=2019-01-31) vermelde organische meststoffen slechts in aanmerking genomen voor het percentage dat in de tabel van die bijlage is vermeld voor de desbetreffende meststof en, indien sprake is van dierlijke meststoffen die op bouwland op kleigrond of veengrond op of in de bodem zijn gebracht, voor de desbetreffende periode waarin de meststoffen op of in de bodem zijn gebracht, met dien verstande dat het bij de omstandigheid ‘op bedrijf met beweiding’ of ‘op bedrijf zonder beweiding’ vermelde percentage uitsluitend geldt indien op het desbetreffende bedrijf de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-31&g=2019-01-31), tabel 1, bij ‘grasland met beweiden’ onderscheidenlijk ‘grasland met volledig maaien’ vermelde hoeveelheid stikstof als stikstofgebruiksnorm wordt toegepast.
2. Indien het mengsels van organische meststoffen betreft, wordt bij de bepaling van de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=12) bedoelde hoeveelheid meststoffen de hoeveelheid stikstof in dat mengsel in aanmerking genomen voor het hoogste percentage dat in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=B&z=2019-01-31&g=2019-01-31) is vermeld bij de meststoffen die het mengsel bevat.
#### § 2. Stikstofgebruiksnorm
##### Artikel 30
1. In afwijking van [artikel 29a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=29a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), per hectare grasland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond voor elk perceel dan wel gewasperceel, waarvan blijkens de aan de minister verstrekte gegevens de waarde van de fosfaattoestand van de bodem lager is dan het PAL-getal 16, 120 kilogram fosfaat in per jaar.
2. In afwijking van [artikel 29a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=29a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), per hectare bouwland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond voor elk perceel dan wel gewasperceel, waarvan blijkens de aan de minister verstrekte gegevens de waarde voor de fosfaattoestand van de bodem lager is dan het Pw-getal 25, 120 kilogram fosfaat per jaar.
1. In afwijking van [artikel 29a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=29a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), is de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), per hectare grasland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond voor elk perceel dan wel gewasperceel, waarvan blijkens de aan de minister verstrekte gegevens de waarde van de fosfaattoestand van de bodem lager is dan het PAL-getal 16, 120 kilogram fosfaat in per jaar.
2. In afwijking van [artikel 29a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=29a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), is de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), per hectare bouwland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond voor elk perceel dan wel gewasperceel, waarvan blijkens de aan de minister verstrekte gegevens de waarde voor de fosfaattoestand van de bodem lager is dan het Pw-getal 25, 120 kilogram fosfaat per jaar.
##### Artikel 31
1. De fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is uitsluitend van toepassing gedurende vier kalenderjaren, met ingang van het kalenderjaar waarin de melding, bedoeld in [artikel 32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=32&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is gedaan, indien is voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 32 en [33, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=33&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
2. Indien de percelen dan wel de gewaspercelen, bedoeld in [artikel 30, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2019-01-01&g=2019-01-01), in de in het eerste lid bedoelde periode in gebruik zijn genomen door een andere landbouwer, is de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in artikel 30, gedurende het restant van die periode van toepassing, indien de landbouwer de ingebruikneming van de percelen dan wel de gewaspercelen onder opgave van de oppervlakte en de ligging ervan uiterlijk de eerstvolgende 15 mei na de datum van ingebruikneming heeft gemeld aan de minister.
1. De fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2019-01-31&g=2019-01-31), is uitsluitend van toepassing gedurende vier kalenderjaren, met ingang van het kalenderjaar waarin de melding, bedoeld in [artikel 32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=32&z=2019-01-31&g=2019-01-31), is gedaan, indien is voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 32 en [33, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=33&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
2. Indien de percelen dan wel de gewaspercelen, bedoeld in [artikel 30, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2019-01-31&g=2019-01-31), in de in het eerste lid bedoelde periode in gebruik zijn genomen door een andere landbouwer, is de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in artikel 30, gedurende het restant van die periode van toepassing, indien de landbouwer de ingebruikneming van de percelen dan wel de gewaspercelen onder opgave van de oppervlakte en de ligging ervan uiterlijk de eerstvolgende 15 mei na de datum van ingebruikneming heeft gemeld aan de minister.
##### Artikel 32
1. Uiterlijk op 15 mei van het eerste kalenderjaar van de in [artikel 31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=31&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde periode van vier kalenderjaren waarin de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 30, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt toegepast, meldt de landbouwer bij de minister:
- a. de oppervlakte en de ligging van de percelen dan wel gewaspercelen grasland waarop de landbouwer de in [artikel 30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde fosfaatgebruiksnorm toepast;
- b. de oppervlakte en de ligging van de percelen dan wel gewaspercelen bouwland waarop de landbouwer de in [artikel 30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde fosfaatgebruiksnorm toepast; en
- c. de naam en het adres van het laboratorium en de datum, waarop het analyserapport is opgesteld, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk in [artikel 33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=33&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
1. Uiterlijk op 15 mei van het eerste kalenderjaar van de in [artikel 31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=31&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde periode van vier kalenderjaren waarin de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 30, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt toegepast, meldt de landbouwer bij de minister:
- a. de oppervlakte en de ligging van de percelen dan wel gewaspercelen grasland waarop de landbouwer de in [artikel 30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde fosfaatgebruiksnorm toepast;
- b. de oppervlakte en de ligging van de percelen dan wel gewaspercelen bouwland waarop de landbouwer de in [artikel 30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde fosfaatgebruiksnorm toepast; en
- c. de naam en het adres van het laboratorium en de datum, waarop het analyserapport is opgesteld, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk in [artikel 33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=33&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
2. De fosfaattoestand van het perceel dan wel gewasperceel is ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan de datum, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 33
1. Het laboratorium, bedoeld in [artikel 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=32&z=2019-01-01&g=2019-01-01), verricht de bemonstering en analyse van de bodem van de desbetreffende percelen dan wel de desbetreffende gewaspercelen overeenkomstig het in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=C&z=2019-01-01&g=2019-01-01) opgenomen protocol en stelt een analyserapport op.
1. Het laboratorium, bedoeld in [artikel 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=32&z=2019-01-31&g=2019-01-31), verricht de bemonstering en analyse van de bodem van de desbetreffende percelen dan wel de desbetreffende gewaspercelen overeenkomstig het in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=C&z=2019-01-31&g=2019-01-31) opgenomen protocol en stelt een analyserapport op.
2. Het analyserapport bevat voor ieder bemonsterd perceel dan wel gewasperceel in ieder geval de volgende gegevens:
@@ -544,9 +548,9 @@
- i. bijzondere waarnemingen, die tijdens de analyse van het mengmonster van elk betrokken perceel dan wel gewasperceel zijn gedaan; en
- j. alle niet in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=C&z=2019-01-01&g=2019-01-01) voorgeschreven handelingen die het resultaat van de analyse van het mengmonster van elk betrokken perceel dan wel gewasperceel hebben beïnvloed.
3. De landbouwer bewaart een afschrift van het analyserapport gedurende vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 30, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt toegepast als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
- j. alle niet in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=C&z=2019-01-31&g=2019-01-31) voorgeschreven handelingen die het resultaat van de analyse van het mengmonster van elk betrokken perceel dan wel gewasperceel hebben beïnvloed.
3. De landbouwer bewaart een afschrift van het analyserapport gedurende vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 30, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt toegepast als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
#### § 3. Fosfaatgebruiksnorm voor grond met lage fosfaattoestand
@@ -568,7 +572,7 @@
##### Artikel 36
1. Als forfaitaire productienormen als bedoeld in [artikel 28, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=28) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld die zijn vermeld in [bijlage D, tabel I, kolom A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
1. Als forfaitaire productienormen als bedoeld in [artikel 28, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=28) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld die zijn vermeld in [bijlage D, tabel I, kolom A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
2. Indien de omschrijving behorende bij een diercategorie niet overeenkomt met de feitelijke situatie, worden de normen gehanteerd van de diercategorie waarvan de omschrijving het meest aansluit bij de feitelijke situatie.
@@ -592,11 +596,11 @@
1. De gegevens, bedoeld in [artikel 32, tweede lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), betreffen uitsluitend die percelen landbouwgrond die bij het bedrijf in het kader van normale bedrijfsvoering in gebruik zijn en die al dan niet gedeeltelijk zijn gelegen in Duitsland of in België, tot 20, onderscheidenlijk tot 25 kilometer uit de Nederlandse grens.
2. De gegevens, bedoeld in [artikel 32, tweede lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), worden onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort overeenkomstig de omschrijvingen in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
2. De gegevens, bedoeld in [artikel 32, tweede lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), worden onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort overeenkomstig de omschrijvingen in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
3. De gegevens, bedoeld in [artikel 32, tweede lid, onderdeel i, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), worden per afzonderlijke opslagruimte weergegeven.
4. Indien op een bedrijf ‘covergiste mest’ als bedoeld in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-01&g=2019-01-01), onder IV wordt geproduceerd, worden de gegevens, bedoeld in [artikel 33, derde lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33), onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-01&g=2019-01-01), onder IV, en bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 33, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33), gegevens over het bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is vrijgekomen.
4. Indien op een bedrijf ‘covergiste mest’ als bedoeld in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-31&g=2019-01-31), onder IV wordt geproduceerd, worden de gegevens, bedoeld in [artikel 33, derde lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33), onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-31&g=2019-01-31), onder IV, en bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 33, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33), gegevens over het bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is vrijgekomen.
##### Artikel 39
@@ -612,7 +616,7 @@
1. Wijzigingen in de aantallen op het bedrijf gehouden dan wel anderszins aanwezige varkens, kippen, kalkoenen en runderen, worden binnen drie dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de overige gegevens die de administratie ingevolge de [artikelen 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), en[33 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33) en de [artikelen 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=39&z=2019-01-01&g=2019-01-01) bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de overige gegevens die de administratie ingevolge de [artikelen 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), en[33 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33) en de [artikelen 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=39&z=2019-01-31&g=2019-01-31) bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen.
##### Artikel 41
@@ -620,7 +624,7 @@
##### Artikel 42
1. De landbouwer, bedoeld in [artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=35), de landbouwer op wiens bedrijf in het voorgaande kalenderjaar de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is toegepast of de landbouwer wiens bedrijf daartoe voor het huidige kalenderjaar is aangemeld bij de minister overeenkomstig [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-01&g=2019-01-01), verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar gegevens uit de administratie over:
1. De landbouwer, bedoeld in [artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=35), de landbouwer op wiens bedrijf in het voorgaande kalenderjaar de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2019-01-31&g=2019-01-31), is toegepast of de landbouwer wiens bedrijf daartoe voor het huidige kalenderjaar is aangemeld bij de minister overeenkomstig [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-31&g=2019-01-31), verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar gegevens uit de administratie over:
- a. de aan het eind van het kalenderjaar op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen, onderscheiden naar:
@@ -634,11 +638,11 @@
- b. de hoeveelheden meststoffen, anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib en compost, die op of van het bedrijf zijn aangevoerd, onderscheidenlijk zijn afgevoerd;
- c. het gemiddelde aantal in het kalenderjaar op het bedrijf gehouden dieren, anders dan varkens, schapen, geiten en runderen, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-01&g=2019-01-01); en
- d. het aantal aan- of afgevoerde staldieren, anders dan varkens of vleeskalveren, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort, voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
2. De landbouwer op wiens bedrijf op 31 december 2005 pluimveerechten, varkensrechten of niet-gebonden mestproductierechten rustten of wiens bedrijf overeenkomstig [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is aangemeld voor toepassing in 2006 van de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2019-01-01&g=2019-01-01), verstrekt vóór 1 februari 2006 aan de minister gegevens uit de administratie over de op 1 januari 2006 op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°.
- c. het gemiddelde aantal in het kalenderjaar op het bedrijf gehouden dieren, anders dan varkens, schapen, geiten en runderen, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-31&g=2019-01-31); en
- d. het aantal aan- of afgevoerde staldieren, anders dan varkens of vleeskalveren, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort, voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
2. De landbouwer op wiens bedrijf op 31 december 2005 pluimveerechten, varkensrechten of niet-gebonden mestproductierechten rustten of wiens bedrijf overeenkomstig [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-31&g=2019-01-31), is aangemeld voor toepassing in 2006 van de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2019-01-31&g=2019-01-31), verstrekt vóór 1 februari 2006 aan de minister gegevens uit de administratie over de op 1 januari 2006 op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°.
3. De landbouwer die op het eigen bedrijf geproduceerde koemelk zelf verwerkt tot eindproducten en die 50 procent of meer van de geproduceerde koemelk levert aan een koper als bedoeld in de [Regeling superheffing 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023701), verstrekt aan de minister gegevens met betrekking tot de op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid koemelk.
@@ -646,19 +650,19 @@
##### Artikel 43
1. De [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26) en [31 tot en met 35 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=31) en de [artikelen 37 tot en met 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2019-01-01&g=2019-01-01) zijn niet van toepassing ten aanzien van een bedrijf, indien op elk moment in het desbetreffende kalenderjaar wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
1. De [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26) en [31 tot en met 35 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=31) en de [artikelen 37 tot en met 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2019-01-31&g=2019-01-31) zijn niet van toepassing ten aanzien van een bedrijf, indien op elk moment in het desbetreffende kalenderjaar wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
- a. de som van de tot dan toe in dat jaar op het bedrijf aangevoerde dierlijke meststoffen en de productie van meststoffen door de op dat moment op het bedrijf gehouden dan wel anderszins aanwezige dieren op jaarbasis is ten hoogste 350 kilogram stikstof;
- b. de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond is niet groter dan drie hectare.
2. De [artikelen 32, tweede lid, onderdelen d, e, f en h en 33 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32) en de [artikelen 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en [42, eerste lid, onderdelen a, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2019-01-01&g=2019-01-01), zijn niet van toepassing ten aanzien van diersoorten als bedoeld in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-01&g=2019-01-01), waarvan de op enig moment op het bedrijf gehouden of anderszins aanwezige dieren tezamen op jaarbasis ten hoogste 350 kilogram stikstof produceren, onderscheidenlijk ten aanzien van de door deze dieren geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen.
3. De productie van dierlijke meststoffen op jaarbasis, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, wordt bepaald op basis van het aantal op het desbetreffende moment gehouden dieren, onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort, en op basis van de voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën in [bijlage D, tabel I, kolom B, en tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-01&g=2019-01-01) vermelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar.
2. De [artikelen 32, tweede lid, onderdelen d, e, f en h en 33 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32) en de [artikelen 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en [42, eerste lid, onderdelen a, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2019-01-31&g=2019-01-31), zijn niet van toepassing ten aanzien van diersoorten als bedoeld in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-31&g=2019-01-31), waarvan de op enig moment op het bedrijf gehouden of anderszins aanwezige dieren tezamen op jaarbasis ten hoogste 350 kilogram stikstof produceren, onderscheidenlijk ten aanzien van de door deze dieren geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen.
3. De productie van dierlijke meststoffen op jaarbasis, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, wordt bepaald op basis van het aantal op het desbetreffende moment gehouden dieren, onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort, en op basis van de voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën in [bijlage D, tabel I, kolom B, en tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-31&g=2019-01-31) vermelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar.
##### Artikel 44
De [artikelen 32, tweede lid, onderdelen e, g, en h, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32) en de [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [42, eerste lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2019-01-01&g=2019-01-01), zijn niet van toepassing ten aanzien van de in enig kalenderjaar op het bedrijf ingeschaarde schapen, onderscheidenlijk de door deze schapen geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, indien ten aanzien van dat bedrijf wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
De [artikelen 32, tweede lid, onderdelen e, g, en h, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32) en de [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [42, eerste lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2019-01-31&g=2019-01-31), zijn niet van toepassing ten aanzien van de in enig kalenderjaar op het bedrijf ingeschaarde schapen, onderscheidenlijk de door deze schapen geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, indien ten aanzien van dat bedrijf wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
- a. het aantal in dat kalenderjaar ingeschaarde schapen is niet groter dan 450;
@@ -684,7 +688,7 @@
6. In aanvulling op de gegevens, bedoeld in [artikel 38, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=38), verstrekt de intermediair ter zake van de transportmiddelen die voor het vervoer van dierlijke mest exclusief bij de desbetreffende onderneming in gebruik zijn, tevens de volgende gegevens:
- a. ofwel het kenteken en de meldcode van het betrokken transportmiddel of aanhangwagen, zoals deze zijn vermeld op het voor het betrokken voertuig afgegeven, geldige kentekenbewijs, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), voor zover het een motorrijtuig of aanhangwagen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdelen c onderscheidenlijk d, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1) betreft, waarop overeenkomstig [artikel 53, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2019-01-01&g=2019-01-01), automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, danwel het chassisnummer van het betrokken transportmiddel waarop overeenkomstig artikel 53, tweede lid, automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, voor zover het een ander transportmiddel betreft;
- a. ofwel het kenteken en de meldcode van het betrokken transportmiddel of aanhangwagen, zoals deze zijn vermeld op het voor het betrokken voertuig afgegeven, geldige kentekenbewijs, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), voor zover het een motorrijtuig of aanhangwagen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdelen c onderscheidenlijk d, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1) betreft, waarop overeenkomstig [artikel 53, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2019-01-31&g=2019-01-31), automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, danwel het chassisnummer van het betrokken transportmiddel waarop overeenkomstig artikel 53, tweede lid, automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, voor zover het een ander transportmiddel betreft;
- b. ofwel het kenteken en de meldcode van het betrokken transportmiddel en van iedere aanhangwagen, zoals deze zijn vermeld op het voor het betrokken voertuig afgegeven, geldige kentekenbewijs, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), voor zover het een motorrijtuig of aanhangwagen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdelen c onderscheidenlijk d, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1) betreft dat gebruikt wordt voor het vervoer van vaste mest, danwel het chassisnummer van het betrokken transportmiddel en het chassisnummer van de aanhangwagen, voor zover het een ander transportmiddel betreft dat gebruikt wordt voor het vervoer van vaste mest; en
@@ -716,7 +720,7 @@
- b. de hoeveelheid geproduceerd, behandeld zuiveringsslib; en
- c. de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 2, bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib alsmede de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in [artikel 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
- c. de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 2, bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib alsmede de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in [artikel 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
7. Indien op een onderneming compost wordt geproduceerd of anderszins wordt behandeld, bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) tevens gegevens over:
@@ -724,17 +728,17 @@
- b. de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 3, bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen.
8. Indien op een onderneming ‘covergiste mest’ als bedoeld in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-01&g=2019-01-01), onder IV wordt geproduceerd, worden de gegevens, bedoeld in [artikel 39, derde lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39), onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in bijlage Aa, onder IV, en bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, derde lid, van het besluit, gegevens over het bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is vrijgekomen.
9. Ingeval van overdracht van een opslagruimte voor meststoffen door of aan een intermediair, bevat de administratie van de intermediair tevens het bewijs van overdracht en de gegevens, bedoeld in [artikel 48a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48a&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
8. Indien op een onderneming ‘covergiste mest’ als bedoeld in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2019-01-31&g=2019-01-31), onder IV wordt geproduceerd, worden de gegevens, bedoeld in [artikel 39, derde lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39), onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in bijlage Aa, onder IV, en bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in artikel 39, derde lid, van het besluit, gegevens over het bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is vrijgekomen.
9. Ingeval van overdracht van een opslagruimte voor meststoffen door of aan een intermediair, bevat de administratie van de intermediair tevens het bewijs van overdracht en de gegevens, bedoeld in [artikel 48a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48a&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
##### Artikel 47
1. Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, aanhef en onderdelen a en c, en derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) en [artikel 46, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) bevat, worden, voor zover het dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de analyseresultaten, bedoeld in [artikel 81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2019-01-01&g=2019-01-01), van het laboratorium zijn ontvangen op het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde formulier verwerkt.
3. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) bevat, worden, voor zover het meststoffen anders dan dierlijke meststoffen betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de wijziging zich heeft voorgedaan op het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde formulier verwerkt.
1. Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, aanhef en onderdelen a en c, en derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) en [artikel 46, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) bevat, worden, voor zover het dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de analyseresultaten, bedoeld in [artikel 81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2019-01-31&g=2019-01-31), van het laboratorium zijn ontvangen op het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde formulier verwerkt.
3. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) bevat, worden, voor zover het meststoffen anders dan dierlijke meststoffen betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de wijziging zich heeft voorgedaan op het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde formulier verwerkt.
##### Artikel 48
@@ -744,7 +748,7 @@
- b. vervallen; en
- c. de aan het eind van het kalenderjaar op de onderneming aanwezige hoeveelheid meststoffen onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
- c. de aan het eind van het kalenderjaar op de onderneming aanwezige hoeveelheid meststoffen onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
2. De ondernemer in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt behandeld, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister gegevens uit de administratie over de in het voorgaande kalenderjaar in het zuiveringsslib gemiddeld aanwezige hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 2, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen.
@@ -752,7 +756,7 @@
4. De minister is bevoegd de op grond van het tweede of derde lid verstrekte gegevens door te geven aan gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de desbetreffende onderneming is gevestigd.
5. De intermediair die verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib, waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-01&g=2019-01-01) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, verstrekt op elektronische wijze aan de minister het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers is berekend.
5. De intermediair die verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib, waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-31&g=2019-01-31) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, verstrekt op elektronische wijze aan de minister het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers is berekend.
##### Artikel 49
@@ -766,7 +770,7 @@
1. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of runderen, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming bij de minister.
2. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt behandeld, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming, overeenkomstig de krachtens [artikel 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=118&z=2019-01-01&g=2019-01-01) gestelde regels.
2. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt behandeld, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming, overeenkomstig de krachtens [artikel 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=118&z=2019-01-31&g=2019-01-31) gestelde regels.
3. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming meststoffen worden verhandeld, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), geschiedt binnen 30 dagen na 1 januari 2008 bij de minister. Indien een onderneming als bedoeld in de vorige volzin wordt opgericht na 1 januari 2008, geschiedt de aanmelding uiterlijk 30 dagen na oprichting.
@@ -780,9 +784,9 @@
1. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 44, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), bevat de administratie van de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of runderen, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), gegevens over:
- a. de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in [artikel 98, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2019-01-01&g=2019-01-01); en
- b. de op het etiket of het begeleidend document, bedoeld in [artikel 99, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=99&z=2019-01-01&g=2019-01-01), vermelde droge stofgehalte dan wel het vochtgehalte en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de droge stof.
- a. de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in [artikel 98, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2019-01-31&g=2019-01-31); en
- b. de op het etiket of het begeleidend document, bedoeld in [artikel 99, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=99&z=2019-01-31&g=2019-01-31), vermelde droge stofgehalte dan wel het vochtgehalte en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de droge stof.
2. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 44, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), bevat de administratie van de ondernemer, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44) voor zover hij compost produceert of anderszins behandelt, gegevens over:
@@ -792,9 +796,9 @@
3. De gegevens, bedoeld in [artikel 44, vijfde lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), betreffen de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 2, bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib.
4. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 44, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), bevat de administratie van de ondernemer, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) voor zover hij verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-01&g=2019-01-01) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, de hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en de hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib die uit die opslagruimte zijn afgevoerd, zodanig dat steeds blijkt welke hoeveelheid vloeibaar zuiveringsslib zich in de opslagruimte bevindt.
5. De gegevens, bedoeld in het vierde lid, worden bijgehouden op het daartoe door de minister verstrekte formulier en worden overgenomen van het op de desbetreffende hoeveelheid betrekking hebbende vervoersbewijs zuiveringsslib en compost en op het ter zake door het laboratorium verstrekte overzicht van de analyseresultaten. [Artikel 46, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 44, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), bevat de administratie van de ondernemer, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) voor zover hij verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-31&g=2019-01-31) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, de hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en de hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib die uit die opslagruimte zijn afgevoerd, zodanig dat steeds blijkt welke hoeveelheid vloeibaar zuiveringsslib zich in de opslagruimte bevindt.
5. De gegevens, bedoeld in het vierde lid, worden bijgehouden op het daartoe door de minister verstrekte formulier en worden overgenomen van het op de desbetreffende hoeveelheid betrekking hebbende vervoersbewijs zuiveringsslib en compost en op het ter zake door het laboratorium verstrekte overzicht van de analyseresultaten. [Artikel 46, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-31&g=2019-01-31), is van overeenkomstige toepassing.
6. Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge [artikel 44 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44) of het eerste tot en met het derde lid bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen.
@@ -802,7 +806,7 @@
##### Artikel 52
1. De ondernemer, bedoeld in [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2019-01-01&g=2019-01-01), verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister per bedrijf met staldieren of runderen waaraan diervoeders worden geleverd, met betrekking tot het voorafgaande kalenderjaar elektronisch gegevens uit de administratie over:
1. De ondernemer, bedoeld in [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2019-01-31&g=2019-01-31), verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de minister per bedrijf met staldieren of runderen waaraan diervoeders worden geleverd, met betrekking tot het voorafgaande kalenderjaar elektronisch gegevens uit de administratie over:
- a. de naam, het adres en het door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer van het bedrijf, waaraan diervoeder is geleverd;
@@ -816,7 +820,7 @@
4. De minister is bevoegd de op grond van het tweede of derde lid verstrekte gegevens door te geven aan gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de desbetreffende onderneming is gevestigd.
5. De ondernemer, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) die verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-01&g=2019-01-01) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, verstrekt op elektronische wijze aan de minister het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 51, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde formulier, of de in artikel 51, vijfde lid in samenhang met [artikel 46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-01&g=2019-01-01), genoemde andere gegevensdragers is berekend.
5. De ondernemer, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) die verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-31&g=2019-01-31) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, verstrekt op elektronische wijze aan de minister het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 51, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde formulier, of de in artikel 51, vijfde lid in samenhang met [artikel 46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-31&g=2019-01-31), genoemde andere gegevensdragers is berekend.
### Hoofdstuk 6. Administratieve verplichtingen intermediairs
@@ -824,7 +828,7 @@
##### Artikel 53
1. De AGR-apparatuur voldoet aan de prestatiekenmerken die, al naar gelang het vervoer van drijfmest of van vaste mest betreft, zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-01&g=2019-01-01), onderscheidenlijk in [bijlage E, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
1. De AGR-apparatuur voldoet aan de prestatiekenmerken die, al naar gelang het vervoer van drijfmest of van vaste mest betreft, zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-31&g=2019-01-31), onderscheidenlijk in [bijlage E, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
2. Bij het vervoer van drijfmest is de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur onlosmakelijk op het transportmiddel bevestigd en zijn de in het eerste lid bedoelde apparatuur en de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de bemonsterings- en verpakkingsapparatuur verbonden.
@@ -834,15 +838,15 @@
- b. de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de in het eerste lid bedoelde apparatuur verbonden.
4. Het sensordeel van de AGR-apparatuur, bedoeld in [Bijlage E, onderdeel E, onder 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is onlosmakelijk verbonden met de vaste as van het chassis van het transportmiddel of de aanhangwagen.
4. Het sensordeel van de AGR-apparatuur, bedoeld in [Bijlage E, onderdeel E, onder 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-31&g=2019-01-31), is onlosmakelijk verbonden met de vaste as van het chassis van het transportmiddel of de aanhangwagen.
##### Artikel 54
1. Het vervoer van dierlijke meststoffen vindt uitsluitend plaats, indien de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2019-01-01&g=2019-01-01) bedoelde apparatuur zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang adequaat functioneert.
1. Het vervoer van dierlijke meststoffen vindt uitsluitend plaats, indien de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2019-01-31&g=2019-01-31) bedoelde apparatuur zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang adequaat functioneert.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen middels een transportvoertuig, indien het niet adequaat functioneren van de apparatuur is veroorzaakt door een storing die door de vervoerder terstond telefonisch is gemeld aan meldkamer van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en indien de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit toestemming heeft verleend voor het vervoer.
3. De in het tweede lid bedoelde toestemming kan ten hoogste voor een periode van 24 uur worden verleend en kan de verplichting inhouden van het vervoer elektronisch of telefonisch mededeling te doen voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt, waarbij de gegevens, bedoeld in [artikel 58, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=58&z=2019-01-01&g=2019-01-01), worden verstrekt.
3. De in het tweede lid bedoelde toestemming kan ten hoogste voor een periode van 24 uur worden verleend en kan de verplichting inhouden van het vervoer elektronisch of telefonisch mededeling te doen voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt, waarbij de gegevens, bedoeld in [artikel 58, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=58&z=2019-01-31&g=2019-01-31), worden verstrekt.
##### Artikel 55
@@ -864,13 +868,13 @@
##### Artikel 56
[Artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2019-01-01&g=2019-01-01) is van overeenkomstige toepassing op het vervoer van vaste mest, met dien verstande dat:
[Artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2019-01-31&g=2019-01-31) is van overeenkomstige toepassing op het vervoer van vaste mest, met dien verstande dat:
- a. de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van dat artikel, niet automatisch door de AGR-apparatuur, maar door de vervoerder in de gegevensdrager van de AGR-apparatuur worden vastgelegd door deze gegevens elektronisch vanaf de monsterverpakking in te lezen;
- b. het gegeven, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, van dat artikel, niet hoeft te worden vastgelegd; en
- c. ingeval van bemonstering van een partij, bedoeld in [artikel 78b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), het unieke monsternummer, bedoeld in [artikel 78r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78r&z=2019-01-01&g=2019-01-01), door de vervoerder in de gegevensdrager van de AGR-apparatuur wordt vastgelegd door dit nummer elektronisch in te lezen.
- c. ingeval van bemonstering van een partij, bedoeld in [artikel 78b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), het unieke monsternummer, bedoeld in [artikel 78r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78r&z=2019-01-31&g=2019-01-31), door de vervoerder in de gegevensdrager van de AGR-apparatuur wordt vastgelegd door dit nummer elektronisch in te lezen.
##### Artikel 57
@@ -882,7 +886,7 @@
- b. een overzicht van de buiten Nederland gevestigde leveranciers;
- c. het aantal voorgenomen transporten en de in tonnen uitgedrukte totale hoeveelheid te vervoeren dierlijke meststoffen onderscheiden naar mestcode zoals deze voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01);
- c. het aantal voorgenomen transporten en de in tonnen uitgedrukte totale hoeveelheid te vervoeren dierlijke meststoffen onderscheiden naar mestcode zoals deze voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31);
- d. een afschrift van het document waaruit blijkt dat de lidstaat van bestemming de zending aanvaardt, zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel b en c, van verordening (EG) nr. 1069/2009, voor zover een dergelijke aanvaarding ingevolge voornoemde verordening is vereist; en
@@ -890,7 +894,7 @@
##### Artikel 58
1. Indien de vervoerder ingevolge [artikel 51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2019-01-01&g=2019-01-01), van het besluit verplicht is van het vervoer mededeling te doen, geschiedt de mededeling uiterlijk 24 uur voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt aan de minister.
1. Indien de vervoerder ingevolge [artikel 51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2019-01-31&g=2019-01-31), van het besluit verplicht is van het vervoer mededeling te doen, geschiedt de mededeling uiterlijk 24 uur voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt aan de minister.
2. Bij de mededeling van het vervoer worden de volgende gegevens verstrekt:
@@ -906,9 +910,9 @@
##### Artikel 59
De [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=48) en [49 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) en en de [artikelen 53 tot en met 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2019-01-01&g=2019-01-01) zijn niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen, indien:
- a. de hoeveelheid van die meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2019-01-01&g=2019-01-01) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten;
De [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=48) en [49 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) en en de [artikelen 53 tot en met 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2019-01-31&g=2019-01-31) zijn niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen, indien:
- a. de hoeveelheid van die meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2019-01-31&g=2019-01-31) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten;
- b. uitsluitend mestkorrels worden vervoerd;
@@ -920,13 +924,13 @@
- 1°. deze afvoer vindt plaats op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de leverancier en de afnemer die is afgesloten voordat het vervoer van de desbetreffende vracht plaatsvond; en
- 2°. het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen is overeenkomstig [artikel 66, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=66&z=2019-01-01&g=2019-01-01), ingevuld.
- 2°. het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen is overeenkomstig [artikel 66, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=66&z=2019-01-31&g=2019-01-31), ingevuld.
#### § 1. Vervoer van dierlijke meststoffen
##### Artikel 60
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 53, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) wordt vastgesteld het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in [bijlage F, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=F&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 53, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) wordt vastgesteld het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in [bijlage F, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=F&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
2. Het vervoersbewijs dierlijke meststoffen wordt door de minister verstrekt en is voorzien van een uniek nummer.
@@ -934,7 +938,7 @@
- a. het referentienummer van het gezondheidscertificaat of handelsdocument, bedoeld in artikel 21, van verordening (EG) nr. 1069/2009, dat betrekking heeft op dezelfde vracht dierlijke meststoffen als het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, bedoeld in het tweede lid, vermeld op dat vervoersbewijs;
- b. indien de mededeling van het vervoer elektronisch is gedaan als bedoeld in [artikel 57b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), gebruik gemaakt van een geprint exemplaar van het vervoersbewijs, zoals dit elektronisch is aangemaakt, en
- b. indien de mededeling van het vervoer elektronisch is gedaan als bedoeld in [artikel 57b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), gebruik gemaakt van een geprint exemplaar van het vervoersbewijs, zoals dit elektronisch is aangemaakt, en
- c. indien de mededeling van het vervoer niet elektronisch is gedaan, het vervoersbewijs door de Voedsel en Waren Autoriteit verstrekt.
@@ -944,15 +948,15 @@
2. Uiterlijk bij het lossen van de dierlijke meststoffen worden onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op de postcode van de losplaats en op de datum en het tijdstip van het lossen, en onderdeel 5 van het op die vracht betrekking hebbende en overeenkomstig het eerste lid ingevulde vervoersbewijs ingevuld en wordt het vervoersbewijs door de vervoerder en de afnemer ondertekend.
3. Bij het invullen van de mestcode bij onderdeel 1 van het vervoersbewijs wordt gebruik gemaakt van de codes die voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
4. Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in [bijlage F, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=F&z=2019-01-01&g=2019-01-01), vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs ingevuld.
3. Bij het invullen van de mestcode bij onderdeel 1 van het vervoersbewijs wordt gebruik gemaakt van de codes die voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
4. Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in [bijlage F, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=F&z=2019-01-31&g=2019-01-31), vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs ingevuld.
5. In zoverre in afwijking van de voorgaande leden, kunnen de gegevens op het vervoersbewijs worden vermeld door het printen van deze gegevens in een aan de invulvelden gerelateerde volgorde binnen de daarvoor op het vervoersbewijs bestemde vrije ruimte.
##### Artikel 62
In zoverre in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-01&g=2019-01-01):
In zoverre in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-31&g=2019-01-31):
- a. wordt, indien de weging van de dierlijke meststoffen na het laden van het transportmiddel plaatsvindt, terstond na de weging bij onderdeel 3b van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het nettogewicht van de dierlijke meststoffen ingevuld;
@@ -962,19 +966,19 @@
- d. wordt, indien de vracht uit vaste mest bestaat en de bemonstering van de vracht na het laden plaatsvindt, terstond na de bemonstering bij onderdeel 3c van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking ingevuld;
- e. kan bij onderdeel 3c, uiterlijk tot het moment waarop het uit de vracht genomen monster overeenkomstig [artikel 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2019-01-01&g=2019-01-01) aan het in dat artikel bedoelde laboratorium wordt verzonden, worden ingevuld of met het uit de vracht genomen monster een mengmonster samengesteld kan worden;
- f. worden, indien de hoeveelheid van de dierlijke meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2019-01-01&g=2019-01-01) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, bij onderdeel 3b en bij onderdeel 3c van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het nettogewicht van de dierlijke meststoffen, het combinatienummer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking en de code van het laboratorium niet ingevuld;
- e. kan bij onderdeel 3c, uiterlijk tot het moment waarop het uit de vracht genomen monster overeenkomstig [artikel 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2019-01-31&g=2019-01-31) aan het in dat artikel bedoelde laboratorium wordt verzonden, worden ingevuld of met het uit de vracht genomen monster een mengmonster samengesteld kan worden;
- f. worden, indien de hoeveelheid van de dierlijke meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2019-01-31&g=2019-01-31) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, bij onderdeel 3b en bij onderdeel 3c van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het nettogewicht van de dierlijke meststoffen, het combinatienummer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking en de code van het laboratorium niet ingevuld;
- g. behoeft, indien de dierlijke meststoffen buiten Nederland worden gebracht, het vervoersbewijs dierlijke meststoffen niet door de afnemer te worden ondertekend;
- h. behoeft in het geval, bedoeld in de [artikelen 50, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en [45, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bij de onderdelen 3a en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het relatienummer niet ingevuld te worden;
- h. behoeft in het geval, bedoeld in de [artikelen 50, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en [45, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bij de onderdelen 3a en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het relatienummer niet ingevuld te worden;
- i. behoeft het relatienummer bij de onderdelen 3a en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen niet ingevuld te worden, indien de afnemer geen bedrijf of onderneming voert in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld.
##### Artikel 63
De vervoerder van een vracht dierlijke meststoffen, onderscheidenlijk van meerdere vrachten dierlijke meststoffen als bedoeld in [artikel 62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=62a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), verstrekt uiterlijk tien werkdagen na het vervoer, onderscheidenlijk het laatste vervoer, de leverancier en de afnemer een afschrift van het op die vracht of vrachten betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen.
De vervoerder van een vracht dierlijke meststoffen, onderscheidenlijk van meerdere vrachten dierlijke meststoffen als bedoeld in [artikel 62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=62a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), verstrekt uiterlijk tien werkdagen na het vervoer, onderscheidenlijk het laatste vervoer, de leverancier en de afnemer een afschrift van het op die vracht of vrachten betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen.
##### Artikel 64
@@ -982,9 +986,9 @@
2. De elektronisch in te dienen gegevens bevatten mede de code van het laboratorium dat de analyse van de dierlijke meststoffen waarop het vervoersbewijs dierlijke meststoffen betrekking heeft, heeft uitgevoerd, en de op basis van deze analyse vastgestelde hoeveelheid dierlijke meststoffen.
3. Indien de hoeveelheid van de dierlijke meststoffen overeenkomstig de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2019-01-01&g=2019-01-01) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, worden de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht of vrachten dierlijke meststoffen bij de minister ingediend.
4. In het in het derde lid bedoelde geval kan de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in afwijking van[artikel 53, zesde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), geschieden door middel van het indienen van het origineel van het door de vervoerder ondertekende vervoersbewijs dierlijke meststoffen bij de minister, tenzij het een vervoersbewijs dierlijke meststoffen als bedoeld in [artikel 62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=62a&z=2019-01-01&g=2019-01-01) betreft.
3. Indien de hoeveelheid van de dierlijke meststoffen overeenkomstig de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2019-01-31&g=2019-01-31) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, worden de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht of vrachten dierlijke meststoffen bij de minister ingediend.
4. In het in het derde lid bedoelde geval kan de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in afwijking van[artikel 53, zesde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), geschieden door middel van het indienen van het origineel van het door de vervoerder ondertekende vervoersbewijs dierlijke meststoffen bij de minister, tenzij het een vervoersbewijs dierlijke meststoffen als bedoeld in [artikel 62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=62a&z=2019-01-31&g=2019-01-31) betreft.
##### Artikel 65
@@ -994,47 +998,47 @@
- b. er wordt een schriftelijk bewijsstuk van de machtiging opgemaakt dat door de betrokken partijen is ondertekend en dat in ieder geval de datum en de duur van de machtiging en de door de minister ter identificatie van de bedrijven of ondernemingen van de betrokken partijen verstrekte relatienummers bevat; en
- c. een afschrift van het bewijsstuk van de machtiging, bedoeld onder b, wordt tijdens het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen waarop de machtiging betrekking heeft desgevraagd aan een ambtenaar als bedoeld in [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2019-01-01&g=2019-01-01) verstrekt.
- c. een afschrift van het bewijsstuk van de machtiging, bedoeld onder b, wordt tijdens het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen waarop de machtiging betrekking heeft desgevraagd aan een ambtenaar als bedoeld in [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2019-01-31&g=2019-01-31) verstrekt.
##### Artikel 66
1. In het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde geval:
- a. wordt, in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-01&g=2019-01-01), het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de afnemer ingevuld en ondertekend op het tijdstip waarop de kalvergier op de kalvergierbewerkingsinstallatie wordt aangevoerd en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de afnemer aan de leverancier toegezonden, waarna de leverancier het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ondertekent en terugzendt aan de afnemer; en
- b. kan, in afwijking van [artikel 53, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), de leverancier de afnemer ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen machtigen, onder de in [artikel 65, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=65&z=2019-01-01&g=2019-01-01), genoemde voorwaarden.
2. In het in [artikel 59, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde geval en onder de in dat onderdeel, onder 1°, genoemde voorwaarde:
- a. worden, in afwijking van [artikel 61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-01&g=2019-01-01), uiterlijk bij het laden van de kalvergier de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van het combinatienummer, het netto gewicht en het tijdstip van het lossen, en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, ingevuld en door de leverancier ondertekend;
- b. wordt, in afwijking van [artikel 61, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-01&g=2019-01-01), uiterlijk bij het lossen van de kalvergier, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het tijdstip van het lossen, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder ondertekend; en
1. In het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde geval:
- a. wordt, in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-31&g=2019-01-31), het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de afnemer ingevuld en ondertekend op het tijdstip waarop de kalvergier op de kalvergierbewerkingsinstallatie wordt aangevoerd en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de afnemer aan de leverancier toegezonden, waarna de leverancier het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ondertekent en terugzendt aan de afnemer; en
- b. kan, in afwijking van [artikel 53, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), de leverancier de afnemer ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen machtigen, onder de in [artikel 65, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=65&z=2019-01-31&g=2019-01-31), genoemde voorwaarden.
2. In het in [artikel 59, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde geval en onder de in dat onderdeel, onder 1°, genoemde voorwaarde:
- a. worden, in afwijking van [artikel 61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-31&g=2019-01-31), uiterlijk bij het laden van de kalvergier de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van het combinatienummer, het netto gewicht en het tijdstip van het lossen, en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, ingevuld en door de leverancier ondertekend;
- b. wordt, in afwijking van [artikel 61, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-31&g=2019-01-31), uiterlijk bij het lossen van de kalvergier, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het tijdstip van het lossen, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder ondertekend; en
- c. wordt terstond na de weging en na de bemonstering van de kalvergier, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het nettogewicht van de kalvergier, onderscheidenlijk onderdeel 3c, voor zover dit betrekking heeft op gegevens ter identificatie van de monsterverpakking, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en door de afnemer ondertekend.
3. In de in [artikel 59, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde gevallen:
- a. wordt een afschrift van het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=63&z=2019-01-01&g=2019-01-01), door de afnemer aan de leverancier en de vervoerder verstrekt; en
- b. geschiedt de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in zoverre in afwijking van [artikel 64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=64&z=2019-01-01&g=2019-01-01), door de afnemer.
4. In het in [artikel 59a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde geval en onder de in dat lid genoemde voorwaarden:
- a. worden, in afwijking van [artikel 61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-01&g=2019-01-01), uiterlijk bij het laden van de dierlijke meststoffen de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van het combinatienummer en het tijdstip van het lossen, en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, ingevuld, wordt bij onderdeel 4 de opmerkingscode ‘38’ ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier ondertekend;
- b. wordt, in afwijking van [artikel 61, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-01&g=2019-01-01), uiterlijk bij het lossen van de dierlijke meststoffen, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het tijdstip van het lossen, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder ondertekend; en
- c. bevatten de op grond van [artikel 64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=64&z=2019-01-01&g=2019-01-01), elektronisch in te dienen gegevens, in afwijking van [artikel 64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=64&z=2019-01-01&g=2019-01-01), de hoeveelheid dierlijke meststoffen die is vastgesteld overeenkomstig de voorschriften die zijn verbonden aan de aan de leverancier van de desbetreffende vracht verleende ontheffing van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
5. In het in [artikel 59b, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59b&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en het in [artikel 59c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59c&z=2019-01-01&g=2019-01-01) bedoelde geval:
- a. wordt, in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-01&g=2019-01-01), het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, met uitzondering van het CMR-nummer, het kenteken van het voertuig en het netto gewicht, door de vervoerder ingevuld en ondertekend op het tijdstip waarop de vracht dierlijke meststoffen wordt aangevoerd;
3. In de in [artikel 59, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde gevallen:
- a. wordt een afschrift van het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=63&z=2019-01-31&g=2019-01-31), door de afnemer aan de leverancier en de vervoerder verstrekt; en
- b. geschiedt de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in zoverre in afwijking van [artikel 64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=64&z=2019-01-31&g=2019-01-31), door de afnemer.
4. In het in [artikel 59a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde geval en onder de in dat lid genoemde voorwaarden:
- a. worden, in afwijking van [artikel 61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-31&g=2019-01-31), uiterlijk bij het laden van de dierlijke meststoffen de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van het combinatienummer en het tijdstip van het lossen, en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, ingevuld, wordt bij onderdeel 4 de opmerkingscode ‘38’ ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier ondertekend;
- b. wordt, in afwijking van [artikel 61, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-31&g=2019-01-31), uiterlijk bij het lossen van de dierlijke meststoffen, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het tijdstip van het lossen, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder ondertekend; en
- c. bevatten de op grond van [artikel 64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=64&z=2019-01-31&g=2019-01-31), elektronisch in te dienen gegevens, in afwijking van [artikel 64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=64&z=2019-01-31&g=2019-01-31), de hoeveelheid dierlijke meststoffen die is vastgesteld overeenkomstig de voorschriften die zijn verbonden aan de aan de leverancier van de desbetreffende vracht verleende ontheffing van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
5. In het in [artikel 59b, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59b&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en het in [artikel 59c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59c&z=2019-01-31&g=2019-01-31) bedoelde geval:
- a. wordt, in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-31&g=2019-01-31), het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, met uitzondering van het CMR-nummer, het kenteken van het voertuig en het netto gewicht, door de vervoerder ingevuld en ondertekend op het tijdstip waarop de vracht dierlijke meststoffen wordt aangevoerd;
- b. wordt het vervoersbewijs door de vervoerder aan de leverancier toegezonden, waarna de leverancier het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ondertekent en terugzendt aan de vervoerder;
- c. wordt bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen de opmerkingscode ‘42’ ingevuld;
- d. kan, in afwijking van [artikel 53, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), de leverancier de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen machtigen, onder de in [artikel 65, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=65&z=2019-01-01&g=2019-01-01), genoemde voorwaarden.
- d. kan, in afwijking van [artikel 53, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), de leverancier de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen machtigen, onder de in [artikel 65, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=65&z=2019-01-31&g=2019-01-31), genoemde voorwaarden.
##### Artikel 67
@@ -1062,7 +1066,7 @@
##### Artikel 68
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 55, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) wordt vastgesteld het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in [bijlage G, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=G&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 55, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) wordt vastgesteld het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in [bijlage G, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=G&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
2. Het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost wordt door de minister verstrekt en is voorzien van een uniek nummer.
@@ -1070,7 +1074,7 @@
1. Uiterlijk bij het laden van meststoffen worden de onderdelen 1, 3a, 3b en 3c, met uitzondering van het gewicht van de vracht, de hoeveelheden fosfaat en stikstof en het drogestofgehalte, van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld en wordt het vervoersbewijs door de leverancier ondertekend. In voorkomend geval wordt bij onderdeel 1 het registratienummer van de desbetreffende opslag ingevuld.
2. Bij onderdeel 3c wordt als analysenummer ingevuld het bij de desbetreffende vracht behorende analysenummer, bedoeld in [artikel 92b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), dan wel indien het een vracht vloeibaar zuiveringsslib betreft die afkomstig is uit een opslagruimte voor vloeibaar zuiveringsslib als bedoeld in [artikel 39, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) of in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2019-01-01&g=2019-01-01), het ter zake van de ontvangst van de overeenkomstig [artikel 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2019-01-01&g=2019-01-01), of [52, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2019-01-01&g=2019-01-01), verstrekte gegevens door de minister uitgegeven samenstellingnummer.
2. Bij onderdeel 3c wordt als analysenummer ingevuld het bij de desbetreffende vracht behorende analysenummer, bedoeld in [artikel 92b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), dan wel indien het een vracht vloeibaar zuiveringsslib betreft die afkomstig is uit een opslagruimte voor vloeibaar zuiveringsslib als bedoeld in [artikel 39, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) of in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2019-01-31&g=2019-01-31), het ter zake van de ontvangst van de overeenkomstig [artikel 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2019-01-31&g=2019-01-31), of [52, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2019-01-31&g=2019-01-31), verstrekte gegevens door de minister uitgegeven samenstellingnummer.
3. Het netto gewicht van de vracht wordt terstond na de weging bij onderdeel 3 van het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld.
@@ -1078,7 +1082,7 @@
5. Met de ondertekening verklaren de leverancier en de vervoerder dat de desbetreffende vracht zuiveringsslib of compost voldoet aan [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=16) onderscheidenlijk [artikel 17 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=17).
6. Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in [bijlage G, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=G&z=2019-01-01&g=2019-01-01), vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld.
6. Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in [bijlage G, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=G&z=2019-01-31&g=2019-01-31), vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld.
7. In zoverre in afwijking van de voorgaande leden, kunnen de gegevens op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost worden vermeld door het printen van deze gegevens in een aan de invulvelden gerelateerde volgorde binnen de daarvoor op het vervoersbewijs bestemde vrije ruimte.
@@ -1116,17 +1120,17 @@
##### Artikel 73
1. Als forfaitaire productienormen als bedoeld in [artikel 66, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld, die zijn vermeld in [bijlage D, tabel I, kolommen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
1. Als forfaitaire productienormen als bedoeld in [artikel 66, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld, die zijn vermeld in [bijlage D, tabel I, kolommen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
2. De begripsbepalingen van boerderijmelk, ontvanger van boerderijmelk en leverantie van boerderijmelk, bedoeld in [artikel 1.1 van het Besluit dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032335&artikel=1.1) en de begripsbepaling van melkcontrolestation, bedoeld in [artikel 2.10 van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032462&artikel=2.10), zijn van overeenkomstige toepassing in deze paragraaf.
##### Artikel 74
1. Als forfaitaire productienormen per melkkoe als bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) worden voor de naar de gemiddelde melkproductie en naar het gemiddelde ureumgehalte in de geproduceerde melk onderscheiden melkkoeien vastgesteld de normen die zijn vermeld in [bijlage D, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
1. Als forfaitaire productienormen per melkkoe als bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) worden voor de naar de gemiddelde melkproductie en naar het gemiddelde ureumgehalte in de geproduceerde melk onderscheiden melkkoeien vastgesteld de normen die zijn vermeld in [bijlage D, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
2. De gemiddelde melkproductie per melkkoe, bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66), wordt bepaald door de hoeveelheid in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk te delen door het gemiddeld aantal in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden melkkoeien.
3. De totale hoeveelheid in een kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk en het gemiddelde ureumgehalte, bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66), worden vastgesteld overeenkomstig de [artikelen 75a tot en met 75d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=75a&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
3. De totale hoeveelheid in een kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk en het gemiddelde ureumgehalte, bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66), worden vastgesteld overeenkomstig de [artikelen 75a tot en met 75d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=75a&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
4. In afwijking van het tweede en het derde lid zijn de gemiddelde melkproductie en het gemiddelde ureumgehalte van koemelk van melkkoeien van landbouwers die op het eigen bedrijf geproduceerde melk zelf verwerken tot eindproducten en landbouwers die minder dan 50 procent van de geproduceerde melk leveren aan een koper als bedoeld in de [Regeling superheffing 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023701), 7500 kilogram, onderscheidenlijk 26 milligram per 100 gram.
@@ -1144,7 +1148,7 @@
2. De bepaling van het gewicht geschiedt op zodanige wijze dat daarbij het gewicht van het transportmiddel buiten beschouwing blijft. Hiertoe wordt per vracht dierlijke meststoffen het gewicht van het geladen transportmiddel verminderd met het gewicht van het ledige transportmiddel zoals dat direct voorafgaande aan of na het vervoer is bepaald. Indien een vracht dierlijke meststoffen wordt afgevoerd of aangevoerd in een container, kan het gewicht van die meststoffen worden bepaald door het gewicht van de gevulde container te verminderen met het gewicht van de lege container dat eenmalig is bepaald en dat duidelijk zichtbaar en niet verwijderbaar op de container is aangebracht.
3. Het gewicht van een hoeveelheid dierlijke meststoffen die ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2019-01-01&g=2019-01-01) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, wordt in afwijking van het eerste lid bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.
3. Het gewicht van een hoeveelheid dierlijke meststoffen die ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2019-01-31&g=2019-01-31) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, wordt in afwijking van het eerste lid bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.
##### Artikel 77
@@ -1156,79 +1160,79 @@
- b. het verschil in gewicht tussen de grootste en de kleinste vracht bedraagt bij drijfmest ten hoogste tien procent en bij vaste mest ten hoogste twintig procent.
3. Het nemen van een monster uit een hoeveelheid dierlijke meststoffen en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
3. Het nemen van een monster uit een hoeveelheid dierlijke meststoffen en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
##### Artikel 78
De bemonstering van een vracht drijfmest vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van de vervoerder en geschiedt automatisch tijdens het laden van het transportmiddel met behulp van bemonsteringsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
De bemonstering van een vracht drijfmest vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van de vervoerder en geschiedt automatisch tijdens het laden van het transportmiddel met behulp van bemonsteringsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
##### Artikel 79
1. Een uit een vracht drijfmest genomen monster wordt automatisch verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-01&g=2019-01-01). De verpakking geschiedt met behulp van verpakkingsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
2. Een uit een vracht vaste mest genomen monster wordt door de vervoerder verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
3. In afwijking van het tweede lid, wordt een uit een vracht of partij vaste mest, bestaande uit dikke fractie, genomen monster door de monsternemende organisatie verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
1. Een uit een vracht drijfmest genomen monster wordt automatisch verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-31&g=2019-01-31). De verpakking geschiedt met behulp van verpakkingsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Livestock Research, onderdeel van Wageningen UR, te Wageningen of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
2. Een uit een vracht vaste mest genomen monster wordt door de vervoerder verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
3. In afwijking van het tweede lid, wordt een uit een vracht of partij vaste mest, bestaande uit dikke fractie, genomen monster door de monsternemende organisatie verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
##### Artikel 80
1. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-01&g=2019-01-01), stuurt de vervoerder, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen en de afnemer, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toe aan een door de minister erkend laboratorium als bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
2. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), stuurt de vervoerder het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toe aan een door de minister erkend laboratorium als bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
3. De vervoerder, bedoeld in het eerste en tweede lid, bewaart de monsters totdat zij aan het erkend laboratorium, bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), worden toegestuurd zodanig dat zij in goede staat blijven verkeren.
4. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), stuurt de monsternemende organisatie het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, uiterlijk zeven werkdagen na bemonstering toe aan een erkend laboratorium, bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
5. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), stuurt de monsternemende organisatie het uit een partij dikke fractie genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen, het nummer van de melding, bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en het unieke monsternummer, bedoeld in [artikel 78r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78r&z=2019-01-01&g=2019-01-01), uiterlijk zeven werkdagen na bemonstering toe aan een erkend laboratorium, bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
6. Ingeval van bemonstering, bedoeld in de [artikelen 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en [78b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bewaart de monsternemende organisatie de monsters totdat zij aan een erkend laboratorium, bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), worden toegestuurd zodanig dat zij in goede staat blijven verkeren.
1. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-31&g=2019-01-31), stuurt de vervoerder, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen en de afnemer, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toe aan een door de minister erkend laboratorium als bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
2. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), stuurt de vervoerder het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toe aan een door de minister erkend laboratorium als bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
3. De vervoerder, bedoeld in het eerste en tweede lid, bewaart de monsters totdat zij aan het erkend laboratorium, bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), worden toegestuurd zodanig dat zij in goede staat blijven verkeren.
4. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), stuurt de monsternemende organisatie het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, uiterlijk zeven werkdagen na bemonstering toe aan een erkend laboratorium, bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
5. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), stuurt de monsternemende organisatie het uit een partij dikke fractie genomen monster, onder vermelding van de betrokken leverancier van meststoffen, het nummer van de melding, bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en het unieke monsternummer, bedoeld in [artikel 78r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78r&z=2019-01-31&g=2019-01-31), uiterlijk zeven werkdagen na bemonstering toe aan een erkend laboratorium, bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
6. Ingeval van bemonstering, bedoeld in de [artikelen 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en [78b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bewaart de monsternemende organisatie de monsters totdat zij aan een erkend laboratorium, bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), worden toegestuurd zodanig dat zij in goede staat blijven verkeren.
##### Artikel 81
1. Een erkend laboratorium analyseert de monsters uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst en zendt de analyseresultaten uiterlijk vijf werkdagen na analyse aan de vervoerder, de leverancier van meststoffen, de afnemer en elektronisch aan de minister. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [artikel 78b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), zendt het laboratorium de analyseresultaten aan de leverancier en de afnemer, voor zover deze tijdig bekend is. Indien de afnemer niet tijdig bekend is, zendt de leverancier de analyseresultaten aan de afnemer.
1. Een erkend laboratorium analyseert de monsters uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst en zendt de analyseresultaten uiterlijk vijf werkdagen na analyse aan de vervoerder, de leverancier van meststoffen, de afnemer en elektronisch aan de minister. Ingeval van bemonstering, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [artikel 78b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), zendt het laboratorium de analyseresultaten aan de leverancier en de afnemer, voor zover deze tijdig bekend is. Indien de afnemer niet tijdig bekend is, zendt de leverancier de analyseresultaten aan de afnemer.
2. Indien bij ontvangst van een toegezonden monster wordt geconstateerd dat de monsterverpakking is beschadigd, rapporteert een erkend laboratorium aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit door middel van een door de minister beschikbaar gesteld middel de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking en het nummer van het op de desbetreffende vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen. Een erkend laboratorium volgt de door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ter zake verstrekte aanwijzingen op.
3. Een erkend laboratorium voldoet aan de eisen van het accreditatieprogramma AP05, dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
3. Een erkend laboratorium voldoet aan de eisen van het accreditatieprogramma AP05, dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
4. Uiterlijk tien werkdagen na verzending van de analyseresultaten door een erkend laboratorium, kan door de betrokkenen heranalyse worden aangevraagd. Er vindt ten hoogste éénmaal een heranalyse plaats die wordt uitgevoerd door het erkende laboratorium dat de analyse heeft uitgevoerd.
5. Indien een erkend laboratorium het fosfaatgehalte of stikstofgehalte van een monster niet kan vaststellen, omdat het monster na ontvangst door het laboratorium in het ongerede is geraakt, wordt de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) bepaald op basis van de in bijlage I voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
6. Indien een erkend laboratorium bij ontvangst van een toegezonden monster constateert dat het monster niet voldoet aan de eisen van Hoofdstuk 4, paragraaf 4.2 van het Accreditatieprogramma dierlijke mest (AP05), dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) bepaald op basis van de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01) voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
6. Indien een erkend laboratorium bij ontvangst van een toegezonden monster constateert dat het monster niet voldoet aan de eisen van Hoofdstuk 4, paragraaf 4.2 van het Accreditatieprogramma dierlijke mest (AP05), dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) bepaald op basis van de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31) voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
##### Artikel 82
1. In het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde geval:
- a. wordt het gewicht van de hoeveelheid kalvergier in afwijking van [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-01&g=2019-01-01), door de afnemer bepaald met behulp van een in de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht apparaat ter bepaling van het volume dat voldoet aan de bij of krachtens de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) gestelde regels, waarbij één kubieke meter kalvergier overeenkomt met 1000 kilogram; en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in zoverre in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-01&g=2019-01-01), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-01&g=2019-01-01), onderscheidenlijk[79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2019-01-01&g=2019-01-01) door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht automatische bemonsteringsapparatuur waarmee uit het totale van één leverancier aangevoerde volume kalvergier een representatief monster wordt genomen.
2. In het in [artikel 59, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde geval:
- a. wordt het gewicht van de hoeveelheid kalvergier in afwijking van [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-01&g=2019-01-01), door de afnemer bepaald met behulp van een op de lokatie van de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht weegwerktuig; en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-01&g=2019-01-01), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-01&g=2019-01-01), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2019-01-01&g=2019-01-01) door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebrachte automatische bemonsteringsapparatuur en automatische verpakkingsapparatuur als bedoeld in [artikel 78, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-01&g=2019-01-01), onderscheidenlijk [artikel 79, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
3. In het [artikel 59b, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde geval:
- a. kan het gewicht van de hoeveelheid dierlijke mest, bedoeld in [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-01&g=2019-01-01), door de intermediair ook worden bepaald met behulp van een in de pijpleiding aangebracht apparaat ter bepaling van het volume dat voldoet aan de bij of krachtens de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) gestelde regels, waarbij het gemeten volume naar gewicht omgerekend wordt aan de hand van de dichtheid, en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-01&g=2019-01-01), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-01&g=2019-01-01), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2019-01-01&g=2019-01-01), door de vervoerder, met behulp van op de pijpleiding aangebrachte automatische bemonsteringsapparatuur, waarmee uit het totale van één leverancier aangevoerde volume drijfmest van maximaal 36 ton dat wordt vervoerd door de pijpleiding, een representatief monster wordt genomen.
4. In het in [artikel 59a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde geval, wordt het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, in afwijking van [artikel 77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bepaald door de leverancier overeenkomstig de voorschriften die zijn verbonden aan de aan hem verleende ontheffing van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
5. [Artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) in samenhang met de [artikelen 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is niet van toepassing op de van een tuincentrum of een hovenier afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen naar een afnemer, niet zijnde een landbouwer of een ondernemer.
1. In het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde geval:
- a. wordt het gewicht van de hoeveelheid kalvergier in afwijking van [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-31&g=2019-01-31), door de afnemer bepaald met behulp van een in de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht apparaat ter bepaling van het volume dat voldoet aan de bij of krachtens de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) gestelde regels, waarbij één kubieke meter kalvergier overeenkomt met 1000 kilogram; en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in zoverre in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-31&g=2019-01-31), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-31&g=2019-01-31), onderscheidenlijk[79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2019-01-31&g=2019-01-31) door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht automatische bemonsteringsapparatuur waarmee uit het totale van één leverancier aangevoerde volume kalvergier een representatief monster wordt genomen.
2. In het in [artikel 59, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde geval:
- a. wordt het gewicht van de hoeveelheid kalvergier in afwijking van [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-31&g=2019-01-31), door de afnemer bepaald met behulp van een op de lokatie van de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht weegwerktuig; en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-31&g=2019-01-31), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-31&g=2019-01-31), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2019-01-31&g=2019-01-31) door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebrachte automatische bemonsteringsapparatuur en automatische verpakkingsapparatuur als bedoeld in [artikel 78, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-31&g=2019-01-31), onderscheidenlijk [artikel 79, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
3. In het [artikel 59b, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde geval:
- a. kan het gewicht van de hoeveelheid dierlijke mest, bedoeld in [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-31&g=2019-01-31), door de intermediair ook worden bepaald met behulp van een in de pijpleiding aangebracht apparaat ter bepaling van het volume dat voldoet aan de bij of krachtens de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) gestelde regels, waarbij het gemeten volume naar gewicht omgerekend wordt aan de hand van de dichtheid, en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-31&g=2019-01-31), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-31&g=2019-01-31), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2019-01-31&g=2019-01-31), door de vervoerder, met behulp van op de pijpleiding aangebrachte automatische bemonsteringsapparatuur, waarmee uit het totale van één leverancier aangevoerde volume drijfmest van maximaal 36 ton dat wordt vervoerd door de pijpleiding, een representatief monster wordt genomen.
4. In het in [artikel 59a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde geval, wordt het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, in afwijking van [artikel 77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bepaald door de leverancier overeenkomstig de voorschriften die zijn verbonden aan de aan hem verleende ontheffing van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
5. [Artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) in samenhang met de [artikelen 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-31&g=2019-01-31), is niet van toepassing op de van een tuincentrum of een hovenier afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen naar een afnemer, niet zijnde een landbouwer of een ondernemer.
##### Artikel 83
Indien een vracht bestaat uit mestkorrels, geldt dat het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, in afwijking van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-01&g=2019-01-01), onderscheidenlijk [77, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt bepaald op basis van het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals dat is vermeld op de verpakking van de mestkorrels of het begeleidende document bij de mestkorrels.
Indien een vracht bestaat uit mestkorrels, geldt dat het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, in afwijking van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-31&g=2019-01-31), onderscheidenlijk [77, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt bepaald op basis van het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals dat is vermeld op de verpakking van de mestkorrels of het begeleidende document bij de mestkorrels.
##### Artikel 84
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kunnen de in een kalenderjaar van het bedrijf afgevoerde dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01) voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kunnen de in een kalenderjaar van het bedrijf afgevoerde dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31) voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. het product van enerzijds het aantal hectaren landbouwgrond dat in dat kalenderjaar tot het bedrijf waarvan de meststoffen afkomstig zijn behoort en anderzijds het per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens [artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11), in de vorm van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm, bedraagt in de jaren 2011, 2012 en 2013 ten minste 80 procent en in de jaren 2014 en volgende ten minste 75 procent van de totale hoeveelheid op dat bedrijf in dat kalenderjaar geproduceerde dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat;
@@ -1240,7 +1244,7 @@
##### Artikel 85
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel dat voor de duur van ten hoogste één jaar in gebruik is gegeven aan een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel dat voor de duur van ten hoogste één jaar in gebruik is gegeven aan een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar de uit gebruik gegeven percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van enerzijds het aantal hectaren landbouwgrond dat in dat kalenderjaar uit gebruik is gegeven en anderzijds het per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens [artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11), in de vorm van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
@@ -1248,23 +1252,23 @@
- c. het perceel behoorde de voorafgaande twee jaren tot het bedrijf waarvan de dierlijke meststoffen afkomstig zijn;
- d. het perceel is overeenkomstig [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2019-01-01&g=2019-01-01) aangemeld als behorend tot het bedrijf dat het perceel tijdelijk in gebruik heeft; en
- d. het perceel is overeenkomstig [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2019-01-31&g=2019-01-31) aangemeld als behorend tot het bedrijf dat het perceel tijdelijk in gebruik heeft; en
- e. de overeenkomst tot ingebruikgeving is schriftelijk aangegaan.
##### Artikel 86
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een afnemer, die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een afnemer, die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar afnemers die geen bedrijf of onderneming voeren wordt afgevoerd bedraagt ten hoogste 250 kilogram fosfaat; en
- b. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar een afnemer die geen bedrijf of onderneming voert wordt afgevoerd bedraagt ten hoogste 20 kilogram fosfaat per afnemer.
2. Indien vaste dierlijke meststoffen van een intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een afnemer die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de voorwaarde dat de totale hoeveelheid vaste dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar een dergelijke afnemer wordt afgevoerd ten hoogste 20 kilogram fosfaat per afnemer bedraagt.
2. Indien vaste dierlijke meststoffen van een intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een afnemer die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de voorwaarde dat de totale hoeveelheid vaste dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar een dergelijke afnemer wordt afgevoerd ten hoogste 20 kilogram fosfaat per afnemer bedraagt.
##### Artikel 87
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel landbouwgrond dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of in België, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel landbouwgrond dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of in België, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar de in het eerste lid bedoelde percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal hectaren in Duitsland of in België gelegen landbouwgrond en het indien de landbouwgrond in Nederland zou zijn gelegen per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens [artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11), in de vorm van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
@@ -1278,7 +1282,7 @@
- f. indien het perceel in Duitsland is gelegen, behoort dit perceel ingevolge eigendom of ingevolge een in Duitsland geregistreerde pachtovereenkomst toe aan het bedrijf.
2. Indien dierlijke meststoffen worden afgevoerd van een bedrijf dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of België, naar een perceel landbouwgrond dat is gelegen in Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
2. Indien dierlijke meststoffen worden afgevoerd van een bedrijf dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of België, naar een perceel landbouwgrond dat is gelegen in Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar de in de aanhef van dit lid bedoelde percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal hectaren van die percelen en het bij of krachtens [artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11), in de vorm van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
@@ -1292,25 +1296,25 @@
##### Artikel 88
Indien dierlijke meststoffen afkomstig van konijnen, met een drogestofgehalte van ten hoogste 2,5 procent naar of van een bedrijf of onderneming worden aangevoerd, onderscheidenlijk worden afgevoerd, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
Indien dierlijke meststoffen afkomstig van konijnen, met een drogestofgehalte van ten hoogste 2,5 procent naar of van een bedrijf of onderneming worden aangevoerd, onderscheidenlijk worden afgevoerd, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
##### Artikel 89
1. Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony's van een bedrijf worden afgevoerd naar een intermediaire onderneming waar tussenopslag van maximaal 48 uur van deze meststoffen plaatsvindt voordat deze meststoffen worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van dat substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde dierlijke meststoffen die in tussenopslag hebben gelegen van de intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van het in het eerst lid bedoelde substraat of grondstof, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
3. Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony's van een bedrijf worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
4. Indien het in het derde lid bedoelde substraat van een onderneming of een bedrijf wordt afgevoerd naar een bedrijf waar dit substraat wordt gebruikt voor de teelt van champignons, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
5. Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
6. Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt overgebracht uit Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
1. Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony's van een bedrijf worden afgevoerd naar een intermediaire onderneming waar tussenopslag van maximaal 48 uur van deze meststoffen plaatsvindt voordat deze meststoffen worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van dat substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde dierlijke meststoffen die in tussenopslag hebben gelegen van de intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van het in het eerst lid bedoelde substraat of grondstof, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
3. Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony's van een bedrijf worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
4. Indien het in het derde lid bedoelde substraat van een onderneming of een bedrijf wordt afgevoerd naar een bedrijf waar dit substraat wordt gebruikt voor de teelt van champignons, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
5. Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
6. Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt overgebracht uit Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
##### Artikel 90
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf als bedoeld in [artikel 43, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2019-01-01&g=2019-01-01), worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf als bedoeld in [artikel 43, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2019-01-31&g=2019-01-31), worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de hoeveelheid dierlijke meststoffen is afkomstig van de op het bedrijf gehouden, dan wel anderszins aanwezige dieren;
@@ -1320,7 +1324,7 @@
##### Artikel 91
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een natuurterrein of overige grond als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel d, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=1), waarvan de desbetreffende landbouwer het exclusieve gebruiksrecht heeft, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een natuurterrein of overige grond als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel d, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=1), waarvan de desbetreffende landbouwer het exclusieve gebruiksrecht heeft, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar het natuurterrein wordt afgevoerd, bedraagt uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal hectaren natuurterrein en de hoeveelheid fosfaat die ingevolge [artikel 2, derde en vierde lid, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=2) per hectare van dat natuurterrein mag worden gebruikt; en
@@ -1332,13 +1336,13 @@
1. Het gewicht van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde, de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), wordt door de vervoerder van de desbetreffende meststoffen bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig.
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, afgevoerde, of de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komt overeen met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals dat voor de hoeveelheid zuiveringsslib of compost waaruit de desbetreffende vracht afkomstig is, overeenkomstig de [artikelen 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-01&g=2019-01-01) is vastgesteld.
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, afgevoerde, of de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komt overeen met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals dat voor de hoeveelheid zuiveringsslib of compost waaruit de desbetreffende vracht afkomstig is, overeenkomstig de [artikelen 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-31&g=2019-01-31) is vastgesteld.
##### Artikel 93
1. Het gewicht van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde, de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig.
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde of de op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2019-01-01&g=2019-01-01) door bemonstering en analyse.
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde of de op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2019-01-31&g=2019-01-31) door bemonstering en analyse.
3. In voorkomend geval geldt dat het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, van de in eerste en tweede lid bedoelde meststoffen overeenkomen met het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende meststoffen.
@@ -1352,7 +1356,7 @@
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 68, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een intermediaire onderneming opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 68, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komt overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-01&g=2019-01-01), genoemde formulier, respectievelijk in [artikel 46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-01&g=2019-01-01), genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een intermediaire onderneming opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 68, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komt overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-31&g=2019-01-31), genoemde formulier, respectievelijk in [artikel 46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-31&g=2019-01-31), genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
4. Onverminderd het eerste tot en met het derde lid, is de aan het begin van het kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, gelijk aan de aan het einde van het voorafgaande kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen.
@@ -1362,7 +1366,7 @@
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, vierde en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) worden bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld opgeslagen hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komen overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-01&g=2019-01-01), of [artikel 51, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld opgeslagen hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komen overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-31&g=2019-01-31), of [artikel 51, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
4. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf of een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld opgeslagen meststoffen anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, vierde en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komen overeen met het gewicht onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende meststoffen. Ingeval van bulkopslag van de desbetreffende meststoffen wordt het gewicht bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze meststoffen
@@ -1372,7 +1376,7 @@
##### Artikel 96
Als forfaitaire stikstofgehalten als bedoeld in [artikel 67, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) worden vastgesteld de gehalten, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, die in [bijlage D, tabel I, kolom D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën en toegepaste huisvestingssysteem zijn vermeld.
Als forfaitaire stikstofgehalten als bedoeld in [artikel 67, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) worden vastgesteld de gehalten, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, die in [bijlage D, tabel I, kolom D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën en toegepaste huisvestingssysteem zijn vermeld.
#### § 3. Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost
@@ -1382,15 +1386,15 @@
- a. bepaalt het gewicht van de desbetreffende hoeveelheid diervoeders door middel van weging met behulp van een weegwerktuig; en
- b. stelt het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en indien van toepassing het droge stofgehalte in de desbetreffende hoeveelheid diervoeders vast overeenkomstig [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
2. Indien het ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2019-01-01&g=2019-01-01) betreft, kunnen in afwijking van het eerste lid, het gewicht worden bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders en kunnen als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
- b. stelt het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en indien van toepassing het droge stofgehalte in de desbetreffende hoeveelheid diervoeders vast overeenkomstig [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
2. Indien het ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2019-01-31&g=2019-01-31) betreft, kunnen in afwijking van het eerste lid, het gewicht worden bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders en kunnen als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
##### Artikel 98
1. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in diervoeders met een vochtgehalte groter dan veertien procent wordt vastgesteld overeenkomstig het protocol, opgenomen in [bijlage K, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=K&z=2019-01-01&g=2019-01-01), op basis van:
- a. de resultaten van de overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in [bijlage K, onderdeel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=K&z=2019-01-01&g=2019-01-01), uitgevoerde bemonstering en analyse van de diervoeders; of
1. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in diervoeders met een vochtgehalte groter dan veertien procent wordt vastgesteld overeenkomstig het protocol, opgenomen in [bijlage K, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=K&z=2019-01-31&g=2019-01-31), op basis van:
- a. de resultaten van de overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in [bijlage K, onderdeel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=K&z=2019-01-31&g=2019-01-31), uitgevoerde bemonstering en analyse van de diervoeders; of
- b. indien het mengvoeders betreft, de berekeningen uitgaande van de bekende gehalten van de nutriënten in de grondstoffen waaruit de diervoeders zijn bereid en het aandeel van deze stoffen in het eindproduct en rekening houdend met de aard van het productieproces.
@@ -1406,13 +1410,13 @@
5. Het resultaat van de analyse wordt door het laboratorium beoordeeld in het licht van de herhaalbaarheid, aangegeven in de betreffende analysemethode. Indien de norm voor herhaalbaarheid wordt overschreden, voert het laboratorium een herhalingsonderzoek op het monster uit.
6. Het laboratorium zendt de resultaten van de analyse binnen één week na ontvangst van het monster naar de ondernemer, bedoeld in [artikel 97, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
6. Het laboratorium zendt de resultaten van de analyse binnen één week na ontvangst van het monster naar de ondernemer, bedoeld in [artikel 97, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
##### Artikel 99
1. De ondernemer, bedoeld in [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2019-01-01&g=2019-01-01), vermeldt bij aflevering van diervoeders aan een bedrijf op het etiket of het begeleidend document:
- a. het overeenkomstig [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2019-01-01&g=2019-01-01) in samenhang met [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2019-01-01&g=2019-01-01) vastgestelde stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het product;
1. De ondernemer, bedoeld in [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2019-01-31&g=2019-01-31), vermeldt bij aflevering van diervoeders aan een bedrijf op het etiket of het begeleidend document:
- a. het overeenkomstig [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2019-01-31&g=2019-01-31) in samenhang met [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2019-01-31&g=2019-01-31) vastgestelde stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het product;
- b. voor diervoeder met een vochtgehalte groter dan veertien procent, het droge stofgehalte dan wel het vochtgehalte en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de droge stof van het desbetreffende diervoeder;
@@ -1432,27 +1436,27 @@
##### Artikel 100
Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden diervoeders, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), anders dan ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2019-01-01&g=2019-01-01), komen overeen met het gewicht onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende diervoeders, bedoeld in [artikel 99, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=99&z=2019-01-01&g=2019-01-01), dan wel met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals deze ingevolge [artikel 99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=99&z=2019-01-01&g=2019-01-01), schriftelijk zijn verstrekt. Ingeval van bulkopslag van de desbetreffende diervoeders wordt het gewicht van de aanwezige voorraden diervoeders bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders.
Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden diervoeders, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), anders dan ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2019-01-31&g=2019-01-31), komen overeen met het gewicht onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende diervoeders, bedoeld in [artikel 99, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=99&z=2019-01-31&g=2019-01-31), dan wel met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals deze ingevolge [artikel 99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=99&z=2019-01-31&g=2019-01-31), schriftelijk zijn verstrekt. Ingeval van bulkopslag van de desbetreffende diervoeders wordt het gewicht van de aanwezige voorraden diervoeders bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders.
##### Artikel 101
1. Het gewicht van het in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) bedoelde op een bedrijf aan- of afgevoerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig, dan wel door middel van meting van het volume en het soortelijk gewicht.
2. Als het gewicht per hectare van het in [artikel 67, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) bedoelde op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt vastgesteld het gewicht dat voor de onderscheiden soorten ruwvoer en enkelvoudig diervoer in die bijlage is vermeld.
3. Als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), en het op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in[artikel 67, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
1. Het gewicht van het in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) bedoelde op een bedrijf aan- of afgevoerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig, dan wel door middel van meting van het volume en het soortelijk gewicht.
2. Als het gewicht per hectare van het in [artikel 67, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) bedoelde op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt vastgesteld het gewicht dat voor de onderscheiden soorten ruwvoer en enkelvoudig diervoer in die bijlage is vermeld.
3. Als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), en het op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in[artikel 67, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
#### § 1. Mestproductie
##### Artikel 102
1. Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier of per kilogram levend gewicht als bedoeld in [artikel 67, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in [bijlage D, tabel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
1. Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier of per kilogram levend gewicht als bedoeld in [artikel 67, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in [bijlage D, tabel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
2. De bepaling van de hoeveelheden stikstof en fosfaat in staldieren, bedoeld in [artikel 67, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), wordt gebaseerd op de in het eerste lid bedoelde forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per kilogram levend gewicht. Ingeval van een dier geen gegevens over het gewicht beschikbaar zijn, worden de hoeveelheden stikstof en fosfaat in dat dier bepaald op basis van de in het eerste lid bedoelde forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier.
##### Artikel 103
Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per kilogram eieren als bedoeld in [artikel 67, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67)worden voor de onderscheiden soorten eieren vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in [bijlage D, tabel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per kilogram eieren als bedoeld in [artikel 67, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67)worden voor de onderscheiden soorten eieren vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in [bijlage D, tabel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht
@@ -1492,7 +1496,7 @@
##### Artikel 105
1. Alvorens de minister een kennisgeving van overgang in behandeling neemt, doet hij van deze kennisgeving schriftelijk mededeling aan iedere hypotheekhouder die het bedrijf van de vervreemder van het productierecht bij de minister voor de toepassing van deze paragraaf ter registratie heeft aangemeld, indien overeenkomstig [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=106&z=2019-01-01&g=2019-01-01), registratie door de minister daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De minister neemt de kennisgeving van overgang niet in behandeling gedurende 30 dagen na dagtekening van deze mededeling.
1. Alvorens de minister een kennisgeving van overgang in behandeling neemt, doet hij van deze kennisgeving schriftelijk mededeling aan iedere hypotheekhouder die het bedrijf van de vervreemder van het productierecht bij de minister voor de toepassing van deze paragraaf ter registratie heeft aangemeld, indien overeenkomstig [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=106&z=2019-01-31&g=2019-01-31), registratie door de minister daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De minister neemt de kennisgeving van overgang niet in behandeling gedurende 30 dagen na dagtekening van deze mededeling.
2. De termijn van 30 dagen wordt verlengd tot negentig dagen na dagtekening van de mededeling, indien een hypotheekhouder binnen de termijn van 30 dagen een verzoek bij de minister indient.
@@ -1508,7 +1512,7 @@
##### Artikel 106
1. De aanmelding ter registratie, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2019-01-01&g=2019-01-01), geschiedt bij de minister.
1. De aanmelding ter registratie, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2019-01-31&g=2019-01-31), geschiedt bij de minister.
2. Bij de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
@@ -1522,13 +1526,13 @@
##### Artikel 107
1. Indien de aanmelding, bedoeld in [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=106&z=2019-01-01&g=2019-01-01), niet voor akkoord is medeondertekend door degene op wiens bedrijf de aanmelding betrekking heeft, wordt het bedrijf slechts geregistreerd, indien de hypotheekhouder bij het verzoek tevens een uittreksel van het in [artikel 260, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=260) bedoelde openbare register overlegt, waaruit blijkt op welke registergoederen behorend tot het bedrijf een hypotheekrecht is gevestigd.
2. De minister doet van de registratie, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk mededeling aan degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft. Indien deze binnen 30 dagen na dagtekening van deze mededeling aan de minister verklaart dat de geregistreerde gegevens niet juist zijn, gelden in plaats van [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2019-01-01&g=2019-01-01) de volgende leden.
1. Indien de aanmelding, bedoeld in [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=106&z=2019-01-31&g=2019-01-31), niet voor akkoord is medeondertekend door degene op wiens bedrijf de aanmelding betrekking heeft, wordt het bedrijf slechts geregistreerd, indien de hypotheekhouder bij het verzoek tevens een uittreksel van het in [artikel 260, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=260) bedoelde openbare register overlegt, waaruit blijkt op welke registergoederen behorend tot het bedrijf een hypotheekrecht is gevestigd.
2. De minister doet van de registratie, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk mededeling aan degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft. Indien deze binnen 30 dagen na dagtekening van deze mededeling aan de minister verklaart dat de geregistreerde gegevens niet juist zijn, gelden in plaats van [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2019-01-31&g=2019-01-31) de volgende leden.
3. De minister neemt een kennisgeving van overgang, gedaan door degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft, niet in behandeling zolang de hypotheekhouder de registratie niet laat doorhalen, doch hoogstens gedurende negentig dagen na dagtekening van de schriftelijke mededeling, bedoeld in het tweede lid.
4. De termijn, bedoeld in het derde lid, wordt eenmalig met negentig dagen verlengd indien de hypotheekhouder daartoe binnen de eerstgenoemde termijn een verzoek doet aan de minister, onder gelijktijdige overlegging van een rechterlijke uitspraak of een verklaring van een notaris als bedoeld in [artikel 105, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
4. De termijn, bedoeld in het derde lid, wordt eenmalig met negentig dagen verlengd indien de hypotheekhouder daartoe binnen de eerstgenoemde termijn een verzoek doet aan de minister, onder gelijktijdige overlegging van een rechterlijke uitspraak of een verklaring van een notaris als bedoeld in [artikel 105, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
5. De registratie wordt doorgehaald na afloop van de in het derde, dan wel in voorkomend geval in het vierde lid bedoelde termijn.
@@ -1552,9 +1556,9 @@
- b. gegevens over het aantal varkenseenheden, onderscheidenlijk pluimvee-eenheden, of kilogrammen fosfaat waarop de kennisgeving betrekking heeft;
- c. de dagtekening van de mededeling, bedoeld in [artikel 107, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=107&z=2019-01-01&g=2019-01-01); en
- d. de indiening of het achterwege blijven van de verklaring bedoeld in [artikel 107, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=107&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
- c. de dagtekening van de mededeling, bedoeld in [artikel 107, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=107&z=2019-01-31&g=2019-01-31); en
- d. de indiening of het achterwege blijven van de verklaring bedoeld in [artikel 107, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=107&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
#### § 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen
@@ -1572,9 +1576,9 @@
##### Artikel 111
1. Een kennisgeving van overgang, bedoeld in [artikel 104, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=1&artikel=104&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt eerst geregistreerd nadat de verwerver een bedrag van € 100 aan de minister heeft voldaan.
2. Een aanmelding ter registratie, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt voor de toepassing van [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&z=2019-01-01&g=2019-01-01) eerst in behandeling genomen nadat een bedrag van € 35 aan de minister is voldaan.
1. Een kennisgeving van overgang, bedoeld in [artikel 104, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=1&artikel=104&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt eerst geregistreerd nadat de verwerver een bedrag van € 100 aan de minister heeft voldaan.
2. Een aanmelding ter registratie, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt voor de toepassing van [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&z=2019-01-31&g=2019-01-31) eerst in behandeling genomen nadat een bedrag van € 35 aan de minister is voldaan.
3. Indien de minister op grond van [artikel 29, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=29) niet tot registratie overgaat, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, aan de betaler gerestitueerd.
@@ -1612,21 +1616,21 @@
1. Een aanvraag voor ontheffing wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
2. Indien een aanvraag als bedoeld in [artikel 114, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=114&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt ingediend en de aanvrager met een stalcertificaat als bedoeld in [artikel 117, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=117&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wil aantonen dat de varkens of het pluimvee waarop de uitbreiding betrekking heeft in een integraal duurzame stal worden gehouden, gaat de aanvraag vergezeld van een kopie van dat stalcertificaat.
2. Indien een aanvraag als bedoeld in [artikel 114, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=114&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt ingediend en de aanvrager met een stalcertificaat als bedoeld in [artikel 117, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=117&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wil aantonen dat de varkens of het pluimvee waarop de uitbreiding betrekking heeft in een integraal duurzame stal worden gehouden, gaat de aanvraag vergezeld van een kopie van dat stalcertificaat.
##### Artikel 116
1. De minister verdeelt het aantal beschikbare varkenseenheden in de volgorde van rangschikking, waarbij de aanvragen, bedoeld in [artikel 114, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=114&z=2019-01-01&g=2019-01-01), hoger worden gerangschikt dan de aanvragen, bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel b.
2. Indien er meer aanvragen voor varkenseenheden worden ingediend dan het aantal, genoemd in [artikel 113, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=113&z=2019-01-01&g=2019-01-01), verdeelt de minister het aantal beschikbare varkenseenheden door middel van loting tussen de aanvragen die op grond van de rangschikking voor verdeling in aanmerking komen.
3. De minister verdeelt het aantal beschikbare pluimvee-eenheden in de volgorde van rangschikking, waarbij de aanvragen, bedoeld in [artikel 114, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=114&z=2019-01-01&g=2019-01-01), hoger worden gerangschikt dan de aanvragen, bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel b.
4. Indien er meer aanvragen voor pluimvee-eenheden worden ingediend dan het aantal, genoemd in [artikel 113, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=113&z=2019-01-01&g=2019-01-01), verdeelt de minister het aantal beschikbare pluimvee-eenheden door middel van loting tussen de aanvragen die op grond van de rangschikking voor verdeling in aanmerking komen.
1. De minister verdeelt het aantal beschikbare varkenseenheden in de volgorde van rangschikking, waarbij de aanvragen, bedoeld in [artikel 114, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=114&z=2019-01-31&g=2019-01-31), hoger worden gerangschikt dan de aanvragen, bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel b.
2. Indien er meer aanvragen voor varkenseenheden worden ingediend dan het aantal, genoemd in [artikel 113, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=113&z=2019-01-31&g=2019-01-31), verdeelt de minister het aantal beschikbare varkenseenheden door middel van loting tussen de aanvragen die op grond van de rangschikking voor verdeling in aanmerking komen.
3. De minister verdeelt het aantal beschikbare pluimvee-eenheden in de volgorde van rangschikking, waarbij de aanvragen, bedoeld in [artikel 114, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=114&z=2019-01-31&g=2019-01-31), hoger worden gerangschikt dan de aanvragen, bedoeld in artikel 114, tweede lid, onderdeel b.
4. Indien er meer aanvragen voor pluimvee-eenheden worden ingediend dan het aantal, genoemd in [artikel 113, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=113&z=2019-01-31&g=2019-01-31), verdeelt de minister het aantal beschikbare pluimvee-eenheden door middel van loting tussen de aanvragen die op grond van de rangschikking voor verdeling in aanmerking komen.
##### Artikel 117
1. De aanvrager die een aanvraag als bedoeld in [artikel 114, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=114&z=2019-01-01&g=2019-01-01), heeft ingediend, houdt de varkens of het pluimvee waarop de uitbreiding betrekking heeft in een integraal duurzame stal.
1. De aanvrager die een aanvraag als bedoeld in [artikel 114, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=114&z=2019-01-31&g=2019-01-31), heeft ingediend, houdt de varkens of het pluimvee waarop de uitbreiding betrekking heeft in een integraal duurzame stal.
2. De aanvrager kan aantonen dat hij beschikt over een integraal duurzame stal indien hij beschikt over:
@@ -1656,11 +1660,11 @@
##### Artikel 121
1. Op ontheffingen die op grond van [artikel 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=112&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet zijn verleend voor de datum waarop deze regeling in werking treedt, blijft paragraaf 5 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, zoals deze luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze regeling van toepassing.
2. De landbouwer aan wie ontheffing op grond van [artikel 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=112&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffen wet is verleend voor de datum waarop deze regeling in werking treedt, voldoet tevens aan de voorwaarden van paragraaf 5 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet indien hij 100% van de hoeveelheid dierlijke meststoffen van zijn bedrijfsoverschot overeenkomstig [artikel 33a, derde lid, onderdeel a of b, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=33a) laat verwerken.
3. In afwijking van [artikel 119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=119&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze regeling, vervallen de ontheffingen, bedoeld in het eerste lid, op 1 januari 2018.
1. Op ontheffingen die op grond van [artikel 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=112&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet zijn verleend voor de datum waarop deze regeling in werking treedt, blijft paragraaf 5 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, zoals deze luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze regeling van toepassing.
2. De landbouwer aan wie ontheffing op grond van [artikel 112](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=112&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de Uitvoeringsregeling Meststoffen wet is verleend voor de datum waarop deze regeling in werking treedt, voldoet tevens aan de voorwaarden van paragraaf 5 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet indien hij 100% van de hoeveelheid dierlijke meststoffen van zijn bedrijfsoverschot overeenkomstig [artikel 33a, derde lid, onderdeel a of b, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=33a) laat verwerken.
3. In afwijking van [artikel 119](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=119&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze regeling, vervallen de ontheffingen, bedoeld in het eerste lid, op 1 januari 2018.
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
@@ -2660,6 +2664,8 @@
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststof van anorganische oorsprong:
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststof van anorganische oorsprong:
ISO 5315 – Fertilizers – Determination of total nitrogen – Titrimetric method after distillation.
Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
@@ -2670,394 +2676,738 @@
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
Voor overige organische stoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
### **3. Kaliumoxide (K2O)**
Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge. (www.ecn.nl/horizontal).
### **3. Kaliumoxide (K2O)**
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
### **5. Magnesiumoxide (MgO)**
### **4. Calciumoxide (CaO)**
EN 15477: Fertilizers – Determination of the water-soluble potassium content.
Methode BNL-K-1: Bepaling van kalium, oplosbaar in water, in aanwezigheid van organische stof.
CSS 99015 Soils, sludges and traeted bio-waste – Polycyclic aromatic hydrocarbons (PAH) – Method by gas chromatography (GC) and high performance liquid chromatography (HPLC) (www.ecn.nl/horizontal).
### **5. Magnesiumoxide (MgO)**
### **4. Calciumoxide (CaO)**
Koepelnorm voor bepaling van organische componenten in grond, waterbodem en bouwstof(grond),
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
Bodem – Kwantitatieve bepaling van het gehalte aan minerale olie met gaschromatografie.
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
CSS 99022: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method (www.ecn.nl/horizontal).
NEN 6961: 2005
NEN 6961: 2005
NEN 6961: 2005
Milieu – Ontsluiting met salpeterzuur en zoutzuur (koningswater) voor de bepaling van geselecteerde elementen in water, waterbodem, slib, slibhoudend water, luchtstof, grond en bouwstoffen.
CSS 99025B Soil, sludge and treated biowaste – Digestion for the extraction of aqua regia soluble fraction of trace elements (www.ecn.nl/horizontal).
Horizontal methoden: (www.ecn/nl/horizontal):
Horizontal methoden: (www.ecn/nl/horizontal):
CSS 99026: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – optical emissions spectrometry (ICP OES) method.
CSS 99027: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – mass spectrometry (ICP MS) method.
CSS 99028: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Flame atomic absorption spectrometry method.
### **3. Instrumentele analyse Hg**
Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met grafietoventechniek.
Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek.
Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma.
CSS 99030 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of mercury in aqua regia and nitric acid digests – Cold vapour atomic absorption spectrometry and cold vapour atomic fluorescence spectrometry methods
CSS 99030 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of mercury in aqua regia and nitric acid digests – Cold vapour atomic absorption spectrometry and cold vapour atomic fluorescence spectrometry methods
CSS 99045 Soils, sludges and treated biowaste – Determination of dioxins and furans and dioxin-like polychlorinated biphenyls by gas chromatography with high resolution mass spectrometry (GC/HRMS). (www.ecn.nl/horizontal)
CSS 99045 Soils, sludges and treated biowaste – Determination of dioxins and furans and dioxin-like polychlorinated biphenyls by gas chromatography with high resolution mass spectrometry (GC/HRMS). (www.ecn.nl/horizontal)
CSS 99016 Soils, sludges and treated bio-waste – Determination of polychlorinated biphenyls – Method by GC-MS and GC-ECD (www.ecn.nl/horizontal);
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal voor de toepassing van reparatiebemesting op fosfaatarme of fosfaatfixerende gronden
Bodem – Kwantitatieve bepaling van het gehalte van Organochloor Bestrijdingsmiddelen (OCB), polychloorbifenylen (PCB) en matig-vluchtige chloorbenzenen met gaschromatografie
CSS 99015 Soils, sludges and traeted bio-waste – Polycyclic aromatic hydrocarbons (PAH) – Method by gas chromatography (GC) and high performance liquid chromatography (HPLC) (www.ecn.nl/horizontal).
### **6. Zwaveltrioxide (SO3)**
NEN 6970 : 2016
Koepelnorm voor bepaling van organische componenten in grond, waterbodem en bouwstof(grond),
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
in combinatie met NEN 6978 : 2016
Bodem – Kwantitatieve bepaling van het gehalte aan minerale olie met gaschromatografie.
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
CSS 99022: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method (www.ecn.nl/horizontal).
Milieu – Ontsluiting met salpeterzuur en zoutzuur (koningswater) voor de bepaling van geselecteerde elementen in water, waterbodem, slib, slibhoudend water, luchtstof, grond en bouwstoffen.
NEN 6961: 2005
NEN 6961: 2005
Milieu – Ontsluiting met salpeterzuur en zoutzuur (koningswater) voor de bepaling van geselecteerde elementen in water, waterbodem, slib, slibhoudend water, luchtstof, grond en bouwstoffen.
CSS 99025B Soil, sludge and treated biowaste – Digestion for the extraction of aqua regia soluble fraction of trace elements (www.ecn.nl/horizontal).
Horizontal methoden: (www.ecn/nl/horizontal):
Horizontal methoden: (www.ecn/nl/horizontal):
CSS 99026: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – optical emissions spectrometry (ICP OES) method.
CSS 99027: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – mass spectrometry (ICP MS) method.
CSS 99028: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Flame atomic absorption spectrometry method.
CSS 99029: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Graphite furnace atomic absorption spectrometry method.
### **3. Instrumentele analyse Hg**
Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek.
Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma.
CSS 99030 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of mercury in aqua regia and nitric acid digests – Cold vapour atomic absorption spectrometry and cold vapour atomic fluorescence spectrometry methods
CSS 99030 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of mercury in aqua regia and nitric acid digests – Cold vapour atomic absorption spectrometry and cold vapour atomic fluorescence spectrometry methods
CSS 99045 Soils, sludges and treated biowaste – Determination of dioxins and furans and dioxin-like polychlorinated biphenyls by gas chromatography with high resolution mass spectrometry (GC/HRMS). (www.ecn.nl/horizontal)
CSS 99045 Soils, sludges and treated biowaste – Determination of dioxins and furans and dioxin-like polychlorinated biphenyls by gas chromatography with high resolution mass spectrometry (GC/HRMS). (www.ecn.nl/horizontal)
CSS 99016 Soils, sludges and treated bio-waste – Determination of polychlorinated biphenyls – Method by GC-MS and GC-ECD (www.ecn.nl/horizontal);
in combinatie met NEN 6980 : 2008
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken. In onderdeel I van dit protocol wordt aangegeven hoe de bemonstering van een perceel bouwland of grasland dient plaats te vinden. De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal, die respectievelijk staan omschreven in onderdeel II en III van dit protocol. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test die vergeleken moet worden met de waarden die opgenomen zijn in artikel 30, eerste en tweede lid van de regeling. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw monster gestoken te worden om het mengmonster te verkrijgen.
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken. In onderdeel I van dit protocol wordt aangegeven hoe de bemonstering van een perceel bouwland of grasland dient plaats te vinden. De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal, die respectievelijk staan omschreven in onderdeel II en III van dit protocol. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test die vergeleken moet worden met de waarden die opgenomen zijn in artikel 30, eerste en tweede lid van de regeling. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw monster gestoken te worden om het mengmonster te verkrijgen.
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal voor de toepassing van reparatiebemesting op fosfaatarme of fosfaatfixerende gronden
CSS 99015 Soils, sludges and traeted bio-waste – Polycyclic aromatic hydrocarbons (PAH) – Method by gas chromatography (GC) and high performance liquid chromatography (HPLC) (www.ecn.nl/horizontal).
NEN 6970 : 2016
Koepelnorm voor bepaling van organische componenten in grond, waterbodem en bouwstof(grond),
in combinatie met NEN 6978 : 2016
Bodem – Kwantitatieve bepaling van het gehalte aan minerale olie met gaschromatografie.
Voor de bemonstering van een perceel landbouwgrond dan wel gewasperceel dienen de volgende stappen uitgevoerd te worden. Markeer de vormbepalende hoekpunten en leg met een Global Positioning System (GPS) de omvang en vorm van het perceel vast. Bij niet rechthoekige percelen dienen zoveel extra punten meegenomen te worden dat de contouren van het perceel vastgelegd zijn. De afwijking van de GPS mag niet groter zijn dan 5 meter. De bemestingsvrije zones dienen bij deze bepaling niet meegenomen te worden. Indien het perceel verdeeld is onder meerdere gebruikers, dan wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd.
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken. In onderdeel I van dit protocol wordt aangegeven hoe de bemonstering van een perceel bouwland of grasland dient plaats te vinden. De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal, die respectievelijk staan omschreven in onderdeel II en III van dit protocol. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test die vergeleken moet worden met de waarden die opgenomen zijn in artikel 30, eerste en tweede lid van de regeling. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw monster gestoken te worden om het mengmonster te verkrijgen.
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken. In onderdeel I van dit protocol wordt aangegeven hoe de bemonstering van een perceel bouwland of grasland dient plaats te vinden. De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal, die respectievelijk staan omschreven in onderdeel II en III van dit protocol. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test die vergeleken moet worden met de waarden die opgenomen zijn in artikel 30, eerste en tweede lid van de regeling. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw monster gestoken te worden om het mengmonster te verkrijgen.
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken. In onderdeel I van dit protocol wordt aangegeven hoe de bemonstering van een perceel bouwland of grasland dient plaats te vinden. De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal, die respectievelijk staan omschreven in onderdeel II en III van dit protocol. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test die vergeleken moet worden met de waarden die opgenomen zijn in artikel 30, eerste en tweede lid van de regeling. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw monster gestoken te worden om het mengmonster te verkrijgen.
### Onderdeel I. Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
Voor de bemonstering van een perceel landbouwgrond dan wel gewasperceel dienen de volgende stappen uitgevoerd te worden. Markeer de vormbepalende hoekpunten en leg met een Global Positioning System (GPS) de omvang en vorm van het perceel vast. Bij niet rechthoekige percelen dienen zoveel extra punten meegenomen te worden dat de contouren van het perceel vastgelegd zijn. De afwijking van de GPS mag niet groter zijn dan 5 meter. De bemestingsvrije zones dienen bij deze bepaling niet meegenomen te worden. Indien het perceel verdeeld is onder meerdere gebruikers, dan wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd.
Bepaal de grootte van het perceel. Het perceel dient onderverdeeld te worden in blokken (stratificatie) aan de hand van het speciaal daarvoor opgestelde software programma. Het softwareprogramma dient geïnstalleerd te worden op een computer1Handheld, desktop of laptop. . De blokken zijn dan van gelijke grootte, zo compact mogelijk samengesteld en de bemonsteringspunten zo goed mogelijk verdeeld over het perceel. Het aantal blokken is dan gelijk aan het aantal bemonsteringspunten. Het aantal bemonsteringspunten neemt toe met de oppervlakte van het perceel (tabel 1). Op elk bemonsteringspunt wordt grond bemonsterd van de voorgeschreven bodemlaag. De hoeveelheid (volume) gestoken grond is gelijk voor alle bemonsteringspunten. Bemonstering van het betreffende perceel dient minimaal twee maanden na bekalking plaats te vinden.
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken. In onderdeel I van dit protocol wordt aangegeven hoe de bemonstering van een perceel bouwland of grasland dient plaats te vinden. De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal, die respectievelijk staan omschreven in onderdeel II en III van dit protocol. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test die vergeleken moet worden met de waarden die opgenomen zijn in artikel 30, eerste en tweede lid van de regeling. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw monster gestoken te worden om het mengmonster te verkrijgen.
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken. In onderdeel I van dit protocol wordt aangegeven hoe de bemonstering van een perceel bouwland of grasland dient plaats te vinden. De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal, die respectievelijk staan omschreven in onderdeel II en III van dit protocol. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test die vergeleken moet worden met de waarden die opgenomen zijn in artikel 30, eerste en tweede lid van de regeling. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw monster gestoken te worden om het mengmonster te verkrijgen.
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal voor de toepassing van reparatiebemesting op fosfaatarme of fosfaatfixerende gronden
Voor de bemonstering van een perceel landbouwgrond dan wel gewasperceel dienen de volgende stappen uitgevoerd te worden. Markeer de vormbepalende hoekpunten en leg met een Global Positioning System (GPS) de omvang en vorm van het perceel vast. Bij niet rechthoekige percelen dienen zoveel extra punten meegenomen te worden dat de contouren van het perceel vastgelegd zijn. De afwijking van de GPS mag niet groter zijn dan 5 meter. De bemestingsvrije zones dienen bij deze bepaling niet meegenomen te worden. Indien het perceel verdeeld is onder meerdere gebruikers, dan wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd.
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken. In onderdeel I van dit protocol wordt aangegeven hoe de bemonstering van een perceel bouwland of grasland dient plaats te vinden. De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal, die respectievelijk staan omschreven in onderdeel II en III van dit protocol. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test die vergeleken moet worden met de waarden die opgenomen zijn in artikel 30, eerste en tweede lid van de regeling. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw monster gestoken te worden om het mengmonster te verkrijgen.
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken. In onderdeel I van dit protocol wordt aangegeven hoe de bemonstering van een perceel bouwland of grasland dient plaats te vinden. De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal, die respectievelijk staan omschreven in onderdeel II en III van dit protocol. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test die vergeleken moet worden met de waarden die opgenomen zijn in artikel 30, eerste en tweede lid van de regeling. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw monster gestoken te worden om het mengmonster te verkrijgen.
Bepaal de grootte van het perceel. Het perceel dient onderverdeeld te worden in blokken (stratificatie) aan de hand van het speciaal daarvoor opgestelde software programma. Het softwareprogramma dient geïnstalleerd te worden op een computer1Handheld, desktop of laptop. . De blokken zijn dan van gelijke grootte, zo compact mogelijk samengesteld en de bemonsteringspunten zo goed mogelijk verdeeld over het perceel. Het aantal blokken is dan gelijk aan het aantal bemonsteringspunten. Het aantal bemonsteringspunten neemt toe met de oppervlakte van het perceel (tabel 1). Op elk bemonsteringspunt wordt grond bemonsterd van de voorgeschreven bodemlaag. De hoeveelheid (volume) gestoken grond is gelijk voor alle bemonsteringspunten. Bemonstering van het betreffende perceel dient minimaal twee maanden na bekalking plaats te vinden.
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
Selecteer per blok volledig aselect met behulp van het software programma één bemonsteringspunt. Lokaliseer deze punten met GPS. Indien een gelokaliseerd bemonsteringspunt buiten het perceel valt, bemonster dan het meest dichtbij gelegen punt binnen het perceel.
Selecteer een geschikte boor (steekguts of edelmanboor2NEN 5741 (2003), Bodem – Boorsystemen en monsternemingstoestellen voor grond, sediment, grondwater, die worden toegepast bij bodemverontreinigingsonderzoek. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft. ) om de grondmonstername mee uit te voeren. De te gebruiken boor dient grondig gereinigd te zijn alvorens deze wordt gebruikt. Grondresten van een ander perceel dienen afwezig te zijn.
Bemonster met een geschikte boor grond tot 10 centimeter diepte op zowel grasland als bouwland dan wel tot 25 centimeter diepte op bouwland. Tot de aangegeven diepte dient de boor volledig met grond gevuld te zijn. Mijd bij bemonstering meststofresten.
Trek de boor met grond uit de bodem en breng met behulp van de bijbehorende duimspatel de grond over in een stevige plastic zak of papieren zak met polyethyleen bekleding. Verzamel op deze wijze grond op alle bemonsteringspunten (zie tabel 1) en breng dit samen in een zak. De booromvang dient zo groot te zijn dat het mengmonster minimaal 0,5 kilogram weegt. Op alle bemonsteringspunten dient een gelijke hoeveelheid grond te worden verzameld.
Eventueel wordt op een bemonsteringspunt tweemaal een monster gestoken om de minimale hoeveelheid grond te verzamelen, maar dit dient dan op alle bemonsteringspunten te gebeuren.
Breng het monster over naar het laboratorium voor verdere behandeling. Droog het grondmonster binnen drie dagen. Indien drogen van het mengmonster binnen de genoemde termijn niet mogelijk is dient het grondmonster in een niet-luchtdicht afgesloten plastic zak bij 5°C ± 3°C in het donker bewaard te worden. Het monster mag maximaal drie maanden worden bewaard. Indien het monster niet binnen deze drie maanden geanalyseerd wordt, dient een nieuw (meng)monster genomen te worden.
Behandel het grondmonster voor volgens de norm NEN 5709. De voorbehandeling resulteert na drogen bij 40°C ± 2°C en breken van de grond in deeltjes kleiner dan 2 mm (D95 < 2 mm). Verdere verkleining van de deeltjesgrootte van 2 mm tot fijnere fracties dient zoveel mogelijk te worden voorkomen.
Behandel het grondmonster voor volgens de norm NEN 5709. De voorbehandeling resulteert na drogen bij 40°C ± 2°C en breken van de grond in deeltjes kleiner dan 2 mm (D95 < 2 mm). Verdere verkleining van de deeltjesgrootte van 2 mm tot fijnere fracties dient zoveel mogelijk te worden voorkomen.
Het mengmonster wordt volgens de voorgeschreven methoden van grondonderzoek (zie onderdeel II en III) voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal (voor grasland) of het Pw-getal (voor bouwland). Het gemiddelde van de duplo bepalingen is de uitslag van de test. Een heranalyse van het geanalyseerde grondmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw grondmonster gestoken te worden. Het genomen grondmonster dient door het laboratorium minimaal 2 jaar na de analyse bewaard te worden.
Het mengmonster wordt volgens de voorgeschreven methoden van grondonderzoek (zie onderdeel II en III) voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal (voor grasland) of het Pw-getal (voor bouwland). Het gemiddelde van de duplo bepalingen is de uitslag van de test. Een heranalyse van het geanalyseerde grondmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw grondmonster gestoken te worden. Het genomen grondmonster dient door het laboratorium minimaal 2 jaar na de analyse bewaard te worden.
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing met een pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauwmethode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing met een pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauwmethode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing met een pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauwmethode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
Bij de bepaling van het PAL-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p.19–22.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
2.1 Azijnzuur 100% pro analyse
2.2 Melkzuur, soortelijk gewicht 1,2 gram/centimeter3
2.3 Ammonia 25%
2.4 Actieve kool (zie opmerking 5.2)
2.5 Moederoplossing voor extractievloeistof.
Geef eerst het melkzuur een voorbehandeling om de lactiden, die altijd aanwezig zijn, door hydrolyse om te zetten in melkzuur (zie ook opmerking 5.1). Handel daarvoor als volgt: verdun 1 liter melkzuur met een soortelijk gewicht van 1,2 gram/centimeter3 met 2 liter water. Dek de kolf af met een horlogeglas en zet deze gedurende 48 uur in de stoof bij 95°C. Laat de oplossing daarna aan de lucht afkoelen. Bepaal van dit ‘verdunde melkzuur’ de normaliteit. Pipetteer daarvoor 100 milliliter in een maatkolf van 100 milliliter, en vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met 0,1 N NaOH en met phenolphtalein (of fenolftaline) als indicator.
Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.
Stel de gevonden normaliteit van het ‘verdunde melkzuur’ = a.
### 2.6. Extractievloeistof
Bepaal de normaliteit van de ammonia. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de geconcentreerde ammonia in een maatkolf van 500 milliliter, waarin zich al 400 milliliter water bevindt; vul aan met water tot de maatstreep en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde HCl 0,1N met methyloranje als indicator.
Stel de gevonden normaliteit van de ammonia = c.
Breng voor het bereiden van de moederoplossing de genoemde vloeistoffen respectievelijk 10000/a milliliter ‘verdund melkzuur’, 40000/b milliliter ijsazijn en 10000/c milliliter geconcentreerde ammonia in een fles van 10 liter, waarin zich circa 3 liter water bevindt. Meng, koel af aan de lucht, vul met water aan tot 10 liter en meng weer.
Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.
### Oplossingen
De volgende drie oplossingen dienen samengesteld te worden. De oplossingen zijn nodig voor de bepaling van het fosfaatgehalte.
De volgende drie oplossingen dienen samengesteld te worden. De oplossingen zijn nodig voor de bepaling van het fosfaatgehalte.
Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.
### Oplossing II.
Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 - zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.
## Bijlage D. Diergebonden normen
### 2.7. Standaardoplossing.
Bepaal de grootte van het perceel. Het perceel dient onderverdeeld te worden in blokken (stratificatie) aan de hand van het speciaal daarvoor opgestelde software programma. Het softwareprogramma dient geïnstalleerd te worden op een computer1Handheld, desktop of laptop. . De blokken zijn dan van gelijke grootte, zo compact mogelijk samengesteld en de bemonsteringspunten zo goed mogelijk verdeeld over het perceel. Het aantal blokken is dan gelijk aan het aantal bemonsteringspunten. Het aantal bemonsteringspunten neemt toe met de oppervlakte van het perceel (tabel 1). Op elk bemonsteringspunt wordt grond bemonsterd van de voorgeschreven bodemlaag. De hoeveelheid (volume) gestoken grond is gelijk voor alle bemonsteringspunten. Bemonstering van het betreffende perceel dient minimaal twee maanden na bekalking plaats te vinden.
Tabel 1: Het benodigd aantal bemonsterpunten gerelateerd aan het areaal van het perceel landbouwgrond.
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
Selecteer een geschikte boor (steekguts of edelmanboor2NEN 5741 (2003), Bodem – Boorsystemen en monsternemingstoestellen voor grond, sediment, grondwater, die worden toegepast bij bodemverontreinigingsonderzoek. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft. ) om de grondmonstername mee uit te voeren. De te gebruiken boor dient grondig gereinigd te zijn alvorens deze wordt gebruikt. Grondresten van een ander perceel dienen afwezig te zijn.
Bemonster met een geschikte boor grond tot 10 centimeter diepte op zowel grasland als bouwland dan wel tot 25 centimeter diepte op bouwland. Tot de aangegeven diepte dient de boor volledig met grond gevuld te zijn. Mijd bij bemonstering meststofresten.
Trek de boor met grond uit de bodem en breng met behulp van de bijbehorende duimspatel de grond over in een stevige plastic zak of papieren zak met polyethyleen bekleding. Verzamel op deze wijze grond op alle bemonsteringspunten (zie tabel 1) en breng dit samen in een zak. De booromvang dient zo groot te zijn dat het mengmonster minimaal 0,5 kilogram weegt. Op alle bemonsteringspunten dient een gelijke hoeveelheid grond te worden verzameld.
Eventueel wordt op een bemonsteringspunt tweemaal een monster gestoken om de minimale hoeveelheid grond te verzamelen, maar dit dient dan op alle bemonsteringspunten te gebeuren.
Breng het monster over naar het laboratorium voor verdere behandeling. Droog het grondmonster binnen drie dagen. Indien drogen van het mengmonster binnen de genoemde termijn niet mogelijk is dient het grondmonster in een niet-luchtdicht afgesloten plastic zak bij 5°C ± 3°C in het donker bewaard te worden. Het monster mag maximaal drie maanden worden bewaard. Indien het monster niet binnen deze drie maanden geanalyseerd wordt, dient een nieuw (meng)monster genomen te worden.
Behandel het grondmonster voor volgens de norm NEN 5709. De voorbehandeling resulteert na drogen bij 40°C ± 2°C en breken van de grond in deeltjes kleiner dan 2 mm (D95 < 2 mm). Verdere verkleining van de deeltjesgrootte van 2 mm tot fijnere fracties dient zoveel mogelijk te worden voorkomen.
Behandel het grondmonster voor volgens de norm NEN 5709. De voorbehandeling resulteert na drogen bij 40°C ± 2°C en breken van de grond in deeltjes kleiner dan 2 mm (D95 < 2 mm). Verdere verkleining van de deeltjesgrootte van 2 mm tot fijnere fracties dient zoveel mogelijk te worden voorkomen.
Het mengmonster wordt volgens de voorgeschreven methoden van grondonderzoek (zie onderdeel II en III) voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal (voor grasland) of het Pw-getal (voor bouwland). Het gemiddelde van de duplo bepalingen is de uitslag van de test. Een heranalyse van het geanalyseerde grondmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw grondmonster gestoken te worden. Het genomen grondmonster dient door het laboratorium minimaal 2 jaar na de analyse bewaard te worden.
Het mengmonster wordt volgens de voorgeschreven methoden van grondonderzoek (zie onderdeel II en III) voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal (voor grasland) of het Pw-getal (voor bouwland). Het gemiddelde van de duplo bepalingen is de uitslag van de test. Een heranalyse van het geanalyseerde grondmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw grondmonster gestoken te worden. Het genomen grondmonster dient door het laboratorium minimaal 2 jaar na de analyse bewaard te worden.
Bij de bepaling van het PAL-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p.19–22.
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing met een pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauwmethode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing met een pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauwmethode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
Bij de bepaling van het PAL-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p.19–22.
Los 3900 gram natriumacetaat (NaC2H3O2.3H2O) op inwater (of 3400 gram watervrij natriumacetaat) vul aan met water tot 10 liter en meng.
### 2.7. Standaardoplossing.
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter= 1 milligram fosfaat (P2O5).
### 2.8 Verdunde standaardoplossing.
Verdun de standaardoplossing 20 keer. Pipetteer hiervoor 50 milliliter standaardoplossing in een maatkolf van 1 liter. Vul aan met water tot de maatstreep en meng. Conserveer met enkele druppels koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 0,05 milligram P2O5. Bewaar de standaardoplossing in de koelkast.
### 3. Werkwijze
### 3.1. Bereiding van het extract
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2006-01-01&g=2006-01-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2006-01-01&g=2006-01-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2006-01-01&g=2006-01-01)
### 3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
### 3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
### 4. Berekening
### Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2013-07-25&g=2013-07-25) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2013-07-25&g=2013-07-25)
### 4. Berekening
De bepaling van het fosforgehalte in het waterig extract kan ook uitgevoerd worden door middel van een spectrofotometrische bepaling in een doorstroomanalysesysteem bij toepassing van een identieke molybdeenblauwkleuring.
Als Ea de extinctie is, gemeten voor het monster, Eb die van de blanco-bepaling dan wordt de berekening als volgt:
Als Ea de extinctie is, gemeten voor het monster, Eb die van de blanco-bepaling dan wordt de berekening als volgt:
### 5. Opmerkingen
Voor 25 milliliter filtraat wordt de berekeningsformule dan:
(Ea – Eb) x 2 x 1,9 x 100/2,5 = (Ea - Eb) x 152 = milligram P2O5 per 100 gram grond
Hierin is:
### 5. Opmerkingen
5.1 Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.
### 1. Abstract
5.3 Het verdunnen en verhitten van het melkzuur dient om de lactiden, die altijd aanwezig zijn door hydrolyse om te zetten in melkzuur. In sommige preparaten kan de concentratie aan lactiden 20% bedragen. De verdunde oplossing wordt hierdoor instabiel, tenzij men de lactiden vooraf hydrolyseert. De reactie die zich onder de voorgeschreven omstandigheden voltrekt, is onomkeerbaar. Geconcentreerd melkzuur bevat:
Titreert men een dergelijk mengsel, na verdunning met water en natronloog van bekende sterkte onder toevoeging van phenolphtalein (fenolftaline) als indicator, dan bepaalt men slechts het melkzuur. Geeft men vervolgens een bekende overmaat natronloog en laat men de oplossing nu gedurende een half uur staan, dan worden eventueel aanwezige lactiden in melkzuur omgezet, waardoor natronloog wordt verbruikt. De resterende hoeveelheid loog wordt met zoutzuur van bekende sterkte teruggetitreerd. Blijkt dat van de overmaat aan loog niets is verbruikt, dan bevatte de onderzochte oplossing enkel melkzuur.
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
### 2. Benodigde reagentia
Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23–26.
### 2. Benodigde reagentia
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
2.1 Azijnzuur 100% pro analyse
2.2 Melkzuur, soortelijk gewicht 1,2 gram/centimeter3
2.3 Ammonia 25%
2.4 Actieve kool (zie opmerking 5.2)
2.5 Moederoplossing voor extractievloeistof.
Geef eerst het melkzuur een voorbehandeling om de lactiden, die altijd aanwezig zijn, door hydrolyse om te zetten in melkzuur (zie ook opmerking 5.1). Handel daarvoor als volgt: verdun 1 liter melkzuur met een soortelijk gewicht van 1,2 gram/centimeter3 met 2 liter water. Dek de kolf af met een horlogeglas en zet deze gedurende 48 uur in de stoof bij 95°C. Laat de oplossing daarna aan de lucht afkoelen. Bepaal van dit ‘verdunde melkzuur’ de normaliteit. Pipetteer daarvoor 100 milliliter in een maatkolf van 100 milliliter, en vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met 0,1 N NaOH en met phenolphtalein (of fenolftaline) als indicator.
Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.
Stel de gevonden normaliteit van het ‘verdunde melkzuur’ = a.
Stel de gevonden normaliteit van de ijsazijn = b.
### 2.6. Extractievloeistof
Stel de gevonden normaliteit van de ammonia = c.
Breng voor het bereiden van de moederoplossing de genoemde vloeistoffen respectievelijk 10000/a milliliter ‘verdund melkzuur’, 40000/b milliliter ijsazijn en 10000/c milliliter geconcentreerde ammonia in een fles van 10 liter, waarin zich circa 3 liter water bevindt. Meng, koel af aan de lucht, vul met water aan tot 10 liter en meng weer.
Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.
Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.
### Oplossingen
De volgende drie oplossingen dienen samengesteld te worden. De oplossingen zijn nodig voor de bepaling van het fosfaatgehalte.
Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.
Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.
### Oplossing II.
Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 - zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50°C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50°C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
### 2.3. Zwavelzure molybdaat-oplossing
Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
### 2.5. Kaliumantimonyltartraat-oplossing 0,275%
### 2.5. Kaliumantimonyltartraat-oplossing 0,275%
Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcilinder) wordt de volgende oplossing bereid.
In een maatkolf van 200 milliliter 0,550 gram kaliumantimonyltartraat (KSb OC4H4O6.½H2O) in gedestilleerd water oplossen en verdunnen tot 200 milliliter.
Deze oplossing moet binnen een week worden gebruikt en worden bewaard bij kamertemperatuur, in een koelkast bij enkele graden boven 0ºC langer.
### 2.6. Mengreagens
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
Laat het mengreagens ongeveer 20 minuten staan en, indien noodzakelijk, filtreer het mengreagens ter verwijdering van een soms gevormd blauw colloïdaal neerslag. Het blauw colloïdaal neerslag kan hoge blancowaarden geven bij de bepaling.
### 2.7. IJkoplossingen
Los 1,9167 gram KH2PO4(volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedestilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
Pipetteer in maatkolven van 200 milliliter: 10, 20, 40, 60, 80 milliliter gebruiksoplossing en vul aan tot 200 milliliter. Deze standaardoplossing bevat per 20 milliliter respectievelijk: 10, 20, 40, 60, 80 microgram P2O5.
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 milliliter:
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 milliliter:
20 milliliter mengreagens 6) + 20 milliliter standaardoplossingen en meng goed.
### 3. Werkwijze
De droge, tot een doorsnede van kleiner dan 2 millimeter verkleinde, gezeefde grond wordt geschept met een cilindrisch vaatje met bolvormige bodem, met een inhoud van 1,2 centimeter3. Door drie maal zacht aankloppen wordt de grond in dichte pakking gebracht en vervolgens dient de overmaat afgestreken te worden tot het niveau gelijk is aan de rand van het vaatje. Daarna wordt het afgemeten volume grond kwantitatief overgebracht in een schudfles van 125 centimeter3 inhoud.
### 4. Berekening
De schudflessen met grond worden gedurende één nacht in een droogstoof gezet bij circa 40°C. Na afkoeling wordt dan 2 milliliter gedestilleerd water toegevoegd en even met de hand geschud om water en grond te mengen. Daarna de flesjes afsluiten en gedurende 22 uren bij een temperatuur van 20°C laten staan. Vervolgens wordt 70 milliliter gedestilleerd water van 20°C toegevoegd en aansluitend gedurende 1 uur geschud bij 20°C met een schudsnelheid van 160–170 slagen per minuut.
Na het schudden wordt gefiltreerd door een dubbelfilter (hard en asvrij). Tussen het schudden en het filtreren een vaste wachttijd (bijvoorbeeld 10 minuten) in acht nemen. De eerste doorlopende milliliters filtraat – in 4 minuten –, die vaak troebel zijn, worden afgevoerd of opnieuw op het filter gebracht. Daarna loopt het filtraat meestal helder door. Zie ook opmerking 5.1.
In erlenmeyers of flesjes van circa 100 milliliter wordt dan 20 milliliter mengreagens (zie 2.6) gepipetteerd en daarna 20 milliliter filtraat. Meng goed en laat 20 minuten staan. Meet de lichtabsorptie van de oplossingen in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij een golflengte van 882 nanometer.
De bepaling van het fosforgehalte in het waterig extract kan ook uitgevoerd worden door middel van een spectrofotometrische bepaling in een doorstroomanalysesysteem bij toepassing van een identieke molybdeenblauwkleuring
De uitkomst van de bepaling, het Pw-getal bij volumeverhouding 1:60 wordt uitgedrukt in microgram P2O5 in het filtraat per 1 centimeter3 grond
De uitkomst van de bepaling, het Pw-getal bij volumeverhouding 1:60 wordt uitgedrukt in microgram P2O5 in het filtraat per 1 centimeter3 grond
### 5. Opmerkingen
Hierin is:
5.1. Filtraten die ondanks de bij het filtreren in acht genomen voorzorgen troebel zijn, worden op de volgende wijze geklaard. Per 50 milliliter filtraat ongeveer 1,5 gram vast natriumchloride (NaCI) toevoegen en laten oplossen. Dan opnieuw filtreren. De nu uitgevlokte colloïdale bestanddelen laten zich gemakkelijk affiltreren. De NaCI-concentratie van ongeveer 0,5N stoort de fosfaatbepaling niet.
## Bijlage D. Diergebonden forfaitaire gehalten
### Tabel I. : Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=5&artikel=96&z=2019-01-01&g=2019-01-01)
### Tabel I. : Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=5&artikel=96&z=2019-01-31&g=2019-01-31)
## Bijlage D. Diergebonden normen
### 2.7. Standaardoplossing.
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter= 1 milligram fosfaat (P2O5).
### 2.8 Verdunde standaardoplossing.
Verdun de standaardoplossing 20 keer. Pipetteer hiervoor 50 milliliter standaardoplossing in een maatkolf van 1 liter. Vul aan met water tot de maatstreep en meng. Conserveer met enkele druppels koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 0,05 milligram P2O5. Bewaar de standaardoplossing in de koelkast.
### 3. Werkwijze
Voeg anders aan het filtraat opnieuw actieve kool toe, schud even flink en filtreer opnieuw. Handel voor de blanco bepalingen op geheel dezelfde wijze als bij het monsteronderzoek. Vergeet daarbij dus ook niet de toevoeging van de actieve kool.
### 3.1. Bereiding van het extract
### 2.7. IJkoplossingen
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2006-01-01&g=2006-01-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2006-01-01&g=2006-01-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2006-01-01&g=2006-01-01)
### 3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
### 4. Berekening
Zwenk om en voeg na een kwartier wachten 20 milliliter van oplossing III toe.
### 4. Berekening
### Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2013-07-25&g=2013-07-25) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2013-07-25&g=2013-07-25)
### 4. Berekening
Als Ea de extinctie is, gemeten voor het monster, Eb die van de blanco-bepaling dan wordt de berekening als volgt:
Als Ea de extinctie is, gemeten voor het monster, Eb die van de blanco-bepaling dan wordt de berekening als volgt:
(Ea–Eb) x (50/milliliter filtraat) x F x 100/2,5 = milligram P2O5 per 100 gram luchtdroge grond.
### 5. Opmerkingen
(Ea – Eb) x 2 x 1,9 x 100/2,5 = (Ea - Eb) x 152 = milligram P2O5 per 100 gram grond
Hierin is:
5.1 Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
5.2 De kool dient voor de ontkleuring van het grondextract, dat door humeuze verbindingen meer of minder bruin gekleurd kan zijn. Het preparaat mag dus geen kationen of anionen aan het extract afgeven of er uit adsorberen.
### 1. Abstract
Titreert men een dergelijk mengsel, na verdunning met water en natronloog van bekende sterkte onder toevoeging van phenolphtalein (fenolftaline) als indicator, dan bepaalt men slechts het melkzuur. Geeft men vervolgens een bekende overmaat natronloog en laat men de oplossing nu gedurende een half uur staan, dan worden eventueel aanwezige lactiden in melkzuur omgezet, waardoor natronloog wordt verbruikt. De resterende hoeveelheid loog wordt met zoutzuur van bekende sterkte teruggetitreerd. Blijkt dat van de overmaat aan loog niets is verbruikt, dan bevatte de onderzochte oplossing enkel melkzuur.
Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23–26.
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
### 2. Benodigde reagentia
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
### 2.1. Zwavelzuur 5N
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50°C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50°C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.
### 2.4. Ascorbinezuur-oplossing 1,75%
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
### 2.5. Kaliumantimonyltartraat-oplossing 0,275%
### 2.6. Mengreagens
In een maatkolf van 200 milliliter 0,550 gram kaliumantimonyltartraat (KSb OC4H4O6.½H2O) in gedestilleerd water oplossen en verdunnen tot 200 milliliter.
Deze oplossing moet binnen een week worden gebruikt en worden bewaard bij kamertemperatuur, in een koelkast bij enkele graden boven 0ºC langer.
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
### 3. Werkwijze
Laat het mengreagens ongeveer 20 minuten staan en, indien noodzakelijk, filtreer het mengreagens ter verwijdering van een soms gevormd blauw colloïdaal neerslag. Het blauw colloïdaal neerslag kan hoge blancowaarden geven bij de bepaling.
Los 1,9167 gram KH2PO4(volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedestilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
Verdun 10 milliliter voorraadoplossing tot 1 liter. 10 milliliter van deze gebruiksoplossing bevat 100 microgram P2O5.
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 milliliter:
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 milliliter:
20 milliliter mengreagens 6) + 20 milliliter standaardoplossingen en meng goed.
Meet, nadat de oplossing 20 minuten heeft gestaan, de lichtabsorptie van de oplossing in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij golflengte 882 nanometer of bij 720 nanometer.
### 3. Werkwijze
De droge, tot een doorsnede van kleiner dan 2 millimeter verkleinde, gezeefde grond wordt geschept met een cilindrisch vaatje met bolvormige bodem, met een inhoud van 1,2 centimeter3. Door drie maal zacht aankloppen wordt de grond in dichte pakking gebracht en vervolgens dient de overmaat afgestreken te worden tot het niveau gelijk is aan de rand van het vaatje. Daarna wordt het afgemeten volume grond kwantitatief overgebracht in een schudfles van 125 centimeter3 inhoud.
### 4. Berekening
Na het schudden wordt gefiltreerd door een dubbelfilter (hard en asvrij). Tussen het schudden en het filtreren een vaste wachttijd (bijvoorbeeld 10 minuten) in acht nemen. De eerste doorlopende milliliters filtraat – in 4 minuten –, die vaak troebel zijn, worden afgevoerd of opnieuw op het filter gebracht. Daarna loopt het filtraat meestal helder door. Zie ook opmerking 5.1.
In erlenmeyers of flesjes van circa 100 milliliter wordt dan 20 milliliter mengreagens (zie 2.6) gepipetteerd en daarna 20 milliliter filtraat. Meng goed en laat 20 minuten staan. Meet de lichtabsorptie van de oplossingen in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij een golflengte van 882 nanometer.
De bepaling van het fosforgehalte in het waterig extract kan ook uitgevoerd worden door middel van een spectrofotometrische bepaling in een doorstroomanalysesysteem bij toepassing van een identieke molybdeenblauwkleuring
De uitkomst van de bepaling, het Pw-getal bij volumeverhouding 1:60 wordt uitgedrukt in microgram P2O5 in het filtraat per 1 centimeter3 grond
De uitkomst van de bepaling, het Pw-getal bij volumeverhouding 1:60 wordt uitgedrukt in microgram P2O5 in het filtraat per 1 centimeter3 grond
(Ea - Eb) x F x 3 = aantal microgram P2O5/centimeter3 grond = aantal milligram P2O5/liter grond.
### 5. Opmerkingen
5.1. Filtraten die ondanks de bij het filtreren in acht genomen voorzorgen troebel zijn, worden op de volgende wijze geklaard. Per 50 milliliter filtraat ongeveer 1,5 gram vast natriumchloride (NaCI) toevoegen en laten oplossen. Dan opnieuw filtreren. De nu uitgevlokte colloïdale bestanddelen laten zich gemakkelijk affiltreren. De NaCI-concentratie van ongeveer 0,5N stoort de fosfaatbepaling niet.
5.1. Filtraten die ondanks de bij het filtreren in acht genomen voorzorgen troebel zijn, worden op de volgende wijze geklaard. Per 50 milliliter filtraat ongeveer 1,5 gram vast natriumchloride (NaCI) toevoegen en laten oplossen. Dan opnieuw filtreren. De nu uitgevlokte colloïdale bestanddelen laten zich gemakkelijk affiltreren. De NaCI-concentratie van ongeveer 0,5N stoort de fosfaatbepaling niet.
## Bijlage D. Diergebonden forfaitaire gehalten
### Tabel I. : Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=5&artikel=96&z=2019-01-01&g=2019-01-01)
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2015-05-28&g=2015-05-28) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2015-05-28&g=2015-05-28)
### Tabel IIB. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; AP05
3 Behorende bij de [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Met betrekking tot artikel 73 alleen relevant voor de graasdieren en daarmee niet van toepassing op diercategorieën die vallen onder de staldieren.
4 Behorende bij [artikel 73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Alleen relevant voor de graasdieren en daarmee niet van toepassing op diercategorieën die vallen onder de staldieren.
5 Behorende bij [artikel 96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=5&artikel=96&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
6 De mestproductie van deze dieren is reeds verrekend in het forfait van de fokschapen.
7 Gasvormig verlies van overige knaagdieren en overig pluimvee bedraagt 50% van de N-excretie, die volgens de stalbalans is berekend.
### Tabel IIA. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest
b Ingeval van melkgeiten gehouden op door SKAL als biologisch gecertificeerde bedrijven is het getal 4,1 in plaats van 4,3.
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N resp. kg P2O5 per jaar), in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N resp. kg P2O5 per jaar), in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N respectievelijk kg P2O5 per jaar) in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N respectievelijk kg P2O5 per jaar) in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
### A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
Voorafgaand aan indienen van een verzoek om accreditatie en bij van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting voert het laboratorium een validatie-onderzoek uit. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan toetst het laboratorium in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
Voorafgaand aan indienen van een verzoek om accreditatie en bij van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting voert het laboratorium een validatie-onderzoek uit. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan toetst het laboratorium in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
De herhaalbaarheid wordt getoetst aan de hand van een representatieve steekproef van de mestsoorten die het laboratorium ontvangt en de concentratieniveaus waarin stikstof en fosfor in de desbetreffende mestsoorten voorkomt.
In eerste instantie wordt van 200 monsters het stikstof- en fosfaatgehalte in duplo bepaald. Vervolgens worden de resultaten waarbij het stikstof- en/of fosfaatgehalte beneden de minimale rapportagewaarde (zie § 7.1) ligt weggelaten. Deze worden vervangen door aanvullende metingen aan nieuwe monsters zodat het totaal aantal duplobepalingen dat boven de minimale rapportagewaarde voor stikstof en fosfaat ligt uiteindelijk 200 bedraagt.
De herhaalbaarheid voor stikstof en fosfor zoals vermeld in hoofdstuk 6 is gedefinieerd voor twee concentratieniveaus. Wanneer het laboratorium voor beide concentratieniveaus geaccrediteerd wilt zijn dan dienen er minimaal 20 resultaten voor stikstof, en minimaal 20 resultaten voor fosfor in het lage concentratieniveau te liggen. Dit vereist indien nodig aanvullende duplobepalingen op een set van aanvullende monsters.
De herhaalbaarheid wordt vervolgens berekend uit de standaarddeviatie van de duplobepalingen voor stikstof en fosfor. Wanneer het relevant is wordt deze berekening afzonderlijk uitgevoerd voor beide concentratieniveaus. De standaarddeviatie van de duplobepalingen (SDduplo) wordt berekend met:
Waarbij x2,i en x1,i het i-de duplopaar voorstellen en Nc het aantal monsters betreft binnen het betreffende concentratieniveau. Vervolgens wordt de herhaalbaarheid (sr) berekend met:
Voor het lage concentratieniveau wordt de herhaalbaarheid vergeleken met de herhaalbaarheid voor het betreffende element in hoofdstuk 6, en deze moet kleiner of gelijk te zijn aan de herhaalbaarheid voor het lage concentratieniveau. Voor het hoge concentatieniveau moet de berekende herhaalbaarheid eerst worden gedeeld door het gemiddelde van alle metingen voor het desbetreffende element. Deze moet kleiner of gelijk zijn aan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor het hoge concentratieniveau.
Het is toegestaan binnen AP05 om in plaats van de referentiemethode een huismethode te gebruiken. Het laboratorium moet dan via een gelijkwaardigheidsonderzoek aantonen dat de gebruikte huismethode vergelijkbare of betere resultaten geeft dan de referentiemethode.
### E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest
Ten eerste dient aangetoond te worden dat de herhaalbaarheid van de huismethode gelijk of beter is dan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting. Hiervoor dient de in § 3.2 beschreven procedure te worden gebruikt.
Daarnaast dient aangetoond te worden dat de verschillen tussen de huismethode en de referentiemethode binnen acceptabele grenzen liggen. Hiervoor dienen de monsters die zijn gebruikt voor het bepalen van de herhaalbaarheid van de huismethode tevens met de referentiemethode te worden gemeten in duplo.
De resultaten van de duplobepalingen dienen te worden gemiddeld. Vervolgens wordt van beide bepalingen (huismethode en referentiemethode) het relatieve verschil berekend door het resultaat van de huismethode af te trekken van het resultaat van de referentiemethode en dit verschil te delen door het resultaat zoals verkregen met de referentiemethode en dit te vermenigvuldigen met 100%.
Tot slot wordt de mediane waarde van deze relatieve verschillen bepaald zonder een onderscheid te maken tussen de twee concentratieniveaus. De mediaan van deze verschillen dient voor stikstof en fosfor kleiner te zijn dan 2.5%. Bij het uitvoeren van de bepalingen mogen de meetresultaten op generlei wijze voor systematische verschillen gecorrigeerd worden.
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
Voor het aantonen dat de organisaties onafhankelijk en deskundig zijn wordt gebruik gemaakt van accreditatie. Accreditatie gaat uit van vertrouwen en is gebaseerd op internationale en Europees geharmoniseerde normen, met indien van toepassing aanvullende eisen. Gezien de behoefte de kwaliteit en de vergelijkbaarheid (herhaalbaarheid) van de monsterneming van vaste dierlijke mest op langere termijn te waarborgen, zijn in dit accreditatieprogramma normen opgenomen.
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
### 1. Inleiding
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
Voor het aantonen dat de organisaties onafhankelijk en deskundig zijn wordt gebruik gemaakt van accreditatie. Accreditatie gaat uit van vertrouwen en is gebaseerd op internationale en Europees geharmoniseerde normen, met indien van toepassing aanvullende eisen. Gezien de behoefte de kwaliteit en de vergelijkbaarheid (herhaalbaarheid) van de monsterneming van vaste dierlijke mest op langere termijn te waarborgen, zijn in dit accreditatieprogramma normen opgenomen.
Met dit uitgangspunt beschrijft dit accreditatieprogramma:
Dit accreditatieprogramma wordt aangeduid als AP06. AP06 dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid (herhaalbaarheid) van de monsterneming van vaste dierlijke mest op langere termijn te waarborgen.
Definities:
Dit AP06 beschrijft een set van verrichtingen die valt onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 òf onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17020.
Dit AP06 beschrijft een set van verrichtingen die valt onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 òf onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17020.
Dit AP06 beschrijft een set van verrichtingen die valt onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 òf onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17020.
Specifiek worden in dit AP06 de volgende versienummers bedoeld wanneer de normen worden benoemd:
NEN EN ISO/IEC 17025: 2005
NEN EN ISO/IEC 17020: 2012
Organisaties die monsterneming als aparte activiteit op de verrichtingenlijst (scope van accreditatie) wensen, kunnen accreditatie verkrijgen op basis van NEN EN ISO/IEC 17025. In NEN EN ISO/IEC 17025 worden in 5.7 uitgebreide eisen gesteld aan de monsterneming en in 5.10.3.2 aan de rapportage van de resultaten van monsterneming.
Indien een organisatie geaccrediteerd is of wordt voor inspectieactiviteiten (anders dan het nemen van monsters) volgens NEN EN ISO/IEC 17020, behoort een aparte monsternemingsactiviteit binnen de scope tot de mogelijkheden. In deze situatie worden, naast de eisen uit NEN EN ISO/IEC 17020 ook de eisen met betrekking tot monsterneming uit NEN EN ISO/IEC 17025 toegepast.
De monsternemende organisatie heeft de verantwoordelijkheid om te werken conform dit accreditatieprogramma en de erkenningsvoorwaarden. Dit houdt in dat de organisatie verantwoordelijk wordt gehouden voor de bemonstering tot en met het afleveren van het monster bij het mestlaboratorium, onafhankelijk welke persoon de feitelijke bemonstering, transport en eventueel opslag uitvoert, namens of voor de organisatie.
Een geaccrediteerde organisatie moet de verrichtingen die in dit AP06 zijn vermeld te allen tijde kunnen uitvoeren en aantonen dat zij in de praktijk werkt conform de accreditatie-eisen. Het is de monsternemende organisatie wel toegestaan om de RvA te vragen om een tijdelijke schorsing voor de gehele of een deel van de verrichtingen binnen de scope. Gedurende een periode van schorsing kan de organisatie geen monsters nemen.
### 2.2. Toetredingsprocedure
Indien in dit document de RvA wordt genoemd kan dit ook een andere nationale accreditatie-instantie zijn als bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 1PbEU 2008, L 218. Om voor accreditatie voor AP06 in aanmerking te komen, moet de organisatie door de RvA geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020.
Organisaties die wensen onafhankelijk monsternemer te worden in het kader van de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054), kunnen bij de RvA een accreditatie aanvragen. De organisatie vraagt tevens een erkenning aan bij de Minister, zoals verwoord in [artikel 78c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78c&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de regeling.
Organisaties die wensen onafhankelijk monsternemer te worden in het kader van de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054), kunnen bij de RvA een accreditatie aanvragen. De organisatie vraagt tevens een erkenning aan bij de Minister, zoals verwoord in [artikel 78c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78c&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de regeling.
Als aangetoond is dat aan de eisen van AP06 kan worden voldaan kan de RvA deze organisatie hiervoor accrediteren.
Ten behoeve van de toelating tot accreditatie dient de organisatie aan te tonen dat deze bekend is met de wijze van bemonsteren en dat de voorgeschreven werkwijze goed kan worden uitgevoerd.
Ook dient de organisatie aan te tonen dat het beschikt over een kwaliteitsborging en kwaliteitsbewaking die minimaal voldoet aan de eisen zoals beschreven in dit accreditatieprogramma:
De verrichtingen die onder de scope van accreditatie vallen zijn:
De verrichtingen die onder de scope van accreditatie vallen zijn:
De overige werkzaamheden kunnen niet als aparte verrichting geaccrediteerd worden, maar worden wel door de RvA beoordeeld:
In alle gevallen is de leverancier van de mest de opdrachtgever van de bemonstering. Op basis van de informatie die de monsternemende organisatie van de leverancier van de meststoffen heeft ontvangen, maakt deze een planning wanneer en door welke monsternemer bemonsterd wordt. De planning wordt dagelijks uiterlijk om 13:00 uur aan de NVWA ter beschikking gesteld ([artikel 78l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78l&z=2018-06-06&g=2018-06-06) van de regeling).
In alle gevallen is de leverancier van de mest de opdrachtgever van de bemonstering. Op basis van de informatie die de monsternemende organisatie van de leverancier van de meststoffen heeft ontvangen, maakt deze een planning wanneer en door welke monsternemer bemonsterd wordt. De planning wordt dagelijks uiterlijk om 13:00 uur aan de NVWA ter beschikking gesteld ([artikel 78l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78l&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de regeling).
In alle gevallen is de leverancier van de mest de opdrachtgever van de bemonstering. Op basis van de informatie die de monsternemende organisatie van de leverancier van de meststoffen heeft ontvangen, maakt deze een planning wanneer en door welke monsternemer bemonsterd wordt. De planning wordt dagelijks uiterlijk om 13:00 uur aan de NVWA ter beschikking gesteld ([artikel 78l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78l&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de regeling).
Er worden twee wijzen van bemonstering onderscheiden in dit accreditatieprogramma. De bemonstering wordt beschreven:
Er worden twee wijzen van bemonstering onderscheiden in dit accreditatieprogramma. De bemonstering wordt beschreven:
Partijbemonstering is alleen toegestaan als gegarandeerd kan worden dat het afgevoerde materiaal overeenkomt met het materiaal waarvan het monster genomen is. Partijbemonstering is toegestaan als er één partij vaste mest op de bedrijfslocatie aanwezig is. De monsternemer gaat na of er sprake is van één of meerdere partijen op de bedrijfslocatie. Als er meerdere partijen aanwezig zijn, dan legt hij dit vast als bijzonderheid en voert hij bemonstering niet uit.
Ter plaatse van de monsterneming en voorafgaand daaraan controleert de monsternemer of de te bemonsteren mest dezelfde mestcode heeft als waarvoor bemonstering aangevraagd is. Als dat niet het geval is, voert de monsternemer de bemonstering niet uit en legt dit vast als bijzonderheid.
Ter plaatse van de monsterneming en voorafgaand daaraan controleert de monsternemer of de te bemonsteren mest dezelfde mestcode heeft als waarvoor bemonstering aangevraagd is. Als dat niet het geval is, voert de monsternemer de bemonstering niet uit en legt dit vast als bijzonderheid.
Dit hoofdstuk beschrijft de wijze waarop een monster van een partij vaste mest genomen en behandeld moet worden totdat het wordt afgeleverd op het laboratorium. Het protocol dient onder alle (weers)omstandigheden te worden gevolgd, waarbij te allen tijde de ARBO veiligheidsrichtlijnen in acht genomen moeten worden.
Dit hoofdstuk beschrijft de wijze waarop een monster van een partij vaste mest genomen en behandeld moet worden totdat het wordt afgeleverd op het laboratorium. Het protocol dient onder alle (weers)omstandigheden te worden gevolgd, waarbij te allen tijde de ARBO veiligheidsrichtlijnen in acht genomen moeten worden.
Partijbemonstering is gelimiteerd tot partijen van maximaal 200 m3. De hoogte van een partij mag maximaal 3 m bedragen. De partij dient beloopbaar te zijn of er dienen hulpmiddelen ter beschikking te worden gesteld zodat op elke plaats veilig een monster genomen kan worden.
De monsternemer dient vooraf de omvang van de partij te bepalen, b.v. door middel van afpassen of door gebruik te maken van een meetinstrument zoals een meetlint of een meetwiel. De monsterneming vindt plaats met gebruik van een Edelmanboor, handschep of schop.
Het aantal grepen dat van een partij moet worden genomen, is afhankelijk van de partijgrootte:
Het aantal grepen dat van een partij moet worden genomen, is afhankelijk van de partijgrootte:
Meer grepen komen de representativiteit van het monster ten goede.
Om elk individueel materiaaldeeltje dezelfde kans te geven om bemonsterd te worden, wordt de grootte van een greep aangepast aan de grootte van de mestdeeltjes van de te bemonsteren mest; hoe grover het materiaal, hoe groter de greep. Dit betekent dat de te gebruiken bemonsteringsapparatuur aangepast moet zijn aan de grootte van de mestdeeltjes. De opening van de boor of schep dient 2 tot 3 keer groter te zijn dan het grootste mestdeeltje.
Bij een geschatte grootte van de mestdeeltjes < 10 mm is een combinatie-type Edelmanboor (70 mm diameter en 35 mm bladwijdte) het geschikte instrument. Wanneer de deeltjesgrootte > 10 mm wordt geschat, zijn een guts, handschep of schop de aanbevolen instrumenten. De schep heeft rechtopstaande randen zodat het materiaal tijdens het scheppen niet kan terug vallen. Het overtollig materiaal boven de randen van de guts of schep behoort niet tot de greep en dient te worden verwijderd (bijvoorbeeld met een spatel).
Voor de hoeveelheid materiaal per greep gelden de volgende richtlijnen:
De ruimtelijke spreiding van de grepen uit een partij moet evenredig zijn in horizontale en verticale richting. Voor de spreiding in horizontale richting dient de oppervlakte van de partij (denkbeeldig) verdeeld te worden in een aantal gelijke segmenten, en wel zodanig dat het aantal segmenten overeenkomt met het aantal grepen. Per segment wordt op een willekeurige plek binnen het segment één greep genomen. De monsterdiepte tussen de segmenten dient te variëren over de hele hoogte van de partij. Voor de verticale spreiding is een instrument nodig waarmee op alle dieptes in de mesthoop een monster kan worden genomen.
De monsternemer kiest naar eigen inzicht het meest aangewezen monstername-instrument. Deze paragraaf beschrijft hoe de instrumenten gebruikt dienen te worden.
De monsternemer kiest naar eigen inzicht het meest aangewezen monstername-instrument. Deze paragraaf beschrijft hoe de instrumenten gebruikt dienen te worden.
Verwijder, bijvoorbeeld met een schop, de buitenste laag (ongeveer 20 cm) bij elk bemonsteringspunt. Houd de boor aan de handgreep vast en plaats hem verticaal of onder een hoek op de mesthoop. Draai de boor rechtsom en met enige druk de hoop in. Na ongeveer 2¼ volledige rondes (van 360°) heeft de boor zich 10 cm in de hoop gegraven en is de boor tot de beugel gevuld met voldoende mestmateriaal. Afhankelijk van de samenstelling van de mesthoop moet vaker of minder vaak gedraaid worden om het gewenste resultaat te bereiken. Voor het nemen van een monster op grotere diepte dient een schacht geboord te worden tot het gewenste bemonsteringspunt is bereikt. Zo nodig moet hierbij een aantal keren een volle boor uit de mesthoop getrokken worden om tot de gewenste monsterdiepte te komen. Dit materiaal behoort niet tot het monster.
Verwijder, bijvoorbeeld met een schop, de buitenste laag (ongeveer 20 cm) bij elk bemonsteringspunt. Houd de boor aan de handgreep vast en plaats hem verticaal of onder een hoek op de mesthoop. Draai de boor rechtsom en met enige druk de hoop in. Na ongeveer 2¼ volledige rondes (van 360°) heeft de boor zich 10 cm in de hoop gegraven en is de boor tot de beugel gevuld met voldoende mestmateriaal. Afhankelijk van de samenstelling van de mesthoop moet vaker of minder vaak gedraaid worden om het gewenste resultaat te bereiken. Voor het nemen van een monster op grotere diepte dient een schacht geboord te worden tot het gewenste bemonsteringspunt is bereikt. Zo nodig moet hierbij een aantal keren een volle boor uit de mesthoop getrokken worden om tot de gewenste monsterdiepte te komen. Dit materiaal behoort niet tot het monster.
Draai de volle boor af, en haal de boor licht draaiend omhoog. Plaats voor het lossen van het materiaal de boor schuin met de punt in een verzamelbak of op een zeil. Klop met de boor op de basis van de bak of zeil. Het materiaal komt los en het resterende materiaal kan met de hand of anderszins uit de boor worden genomen.
Opmerking: Het creëren van een schacht kan worden versneld door gebruik te maken van een verlengde Edelmanboor.
Verwijder met een schop de buitenste laag (ongeveer 20 cm) bij elk bemonsteringspunt. Duw de schep/schop zo ver mogelijk schuin naar het midden van de partij in het materiaal. Zorg ervoor dat schep/schop volledig gevuld is, en dat alle grepen dezelfde grootte hebben. Verwijder het overtollige materiaal dat boven op de schep/schop ligt (het behoort niet tot de greep). Breng telkens het materiaal uit de schep/schop in de verzamelbak of op een zeil. Neem op verschillende dieptes van de partij een greep. Schep steeds de mest boven het bemonsteringspunt weg zodat het dieper gelegen materiaal bereikbaar is.
Verwijder met een schop de buitenste laag (ongeveer 20 cm) bij elk bemonsteringspunt. Duw de schep/schop zo ver mogelijk schuin naar het midden van de partij in het materiaal. Zorg ervoor dat schep/schop volledig gevuld is, en dat alle grepen dezelfde grootte hebben. Verwijder het overtollige materiaal dat boven op de schep/schop ligt (het behoort niet tot de greep). Breng telkens het materiaal uit de schep/schop in de verzamelbak of op een zeil. Neem op verschillende dieptes van de partij een greep. Schep steeds de mest boven het bemonsteringspunt weg zodat het dieper gelegen materiaal bereikbaar is.
De grepen worden ter plaatse uitgestort op een zeil of in een brede schaal. De mest wordt intensief gemengd door drie maal achtereen ophopen en verspreiden en vervolgens gereduceerd met de kwarteertechniek. Hierbij wordt de mest in een cirkelvorm uitgespreid en in 4 kwarten verdeeld. Twee tegenover elkaar gelegen kwarten worden vervolgens verwijderd waarna de overgebleven kwarten worden samengevoegd en opnieuw gemengd. Deze handeling wordt herhaald tot de gewenste grootte van het laboratoriummonster is verkregen. Gebruik voor het mengen bij voorkeur een schep of grotere schop.
De grepen worden ter plaatse uitgestort op een zeil of in een brede schaal. De mest wordt intensief gemengd door drie maal achtereen ophopen en verspreiden en vervolgens gereduceerd met de kwarteertechniek. Hierbij wordt de mest in een cirkelvorm uitgespreid en in 4 kwarten verdeeld. Twee tegenover elkaar gelegen kwarten worden vervolgens verwijderd waarna de overgebleven kwarten worden samengevoegd en opnieuw gemengd. Deze handeling wordt herhaald tot de gewenste grootte van het laboratoriummonster is verkregen. Gebruik voor het mengen bij voorkeur een schep of grotere schop.
De monsterverpakking van het laboratoriummonster heeft een minimale inhoud van 750 milliliter ([bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de regeling). Het gewicht van het laboratoriummonster is conform de [artikelen 78h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78h&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [78i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78i&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [78j, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78j&z=2019-01-31&g=2019-01-31), van de regeling.
Het laboratoriummonster wordt in een schone en lekvrije monsterverpakking gedaan en voorzien van een unieke identificatie. De monsterverpakking en identificatie dienen te voldoen aan de beschrijving in [Bijlage E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-01&g=2019-01-01) (AP05) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
Het laboratoriummonster wordt in een schone en lekvrije monsterverpakking gedaan en voorzien van een unieke identificatie. De monsterverpakking en identificatie dienen te voldoen aan de beschrijving in [Bijlage E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-31&g=2019-01-31) (AP05) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
Het laboratoriummonster wordt onmiddellijk daarna gekoeld bewaard (bij ± 3˚C) totdat het in bewerking wordt genomen bij het laboratorium. Indien de monsternemende organisatie en het laboratorium onderling zeker gesteld hebben dat de monsters op de dag van monstername of de daarop volgende dag in bewerking worden genomen behoeft koeling niet plaats te vinden.
Dit hoofdstuk beschrijft de wijze waarop een monster van een vracht vaste mest genomen en behandeld moet worden totdat het arriveert op het laboratorium. Het protocol dient onder alle (weers)omstandigheden te worden gevolgd, waarbij te allen tijde de ARBO veiligheidsrichtlijnen in acht genomen moeten worden.
Dit hoofdstuk beschrijft de wijze waarop een monster van een vracht vaste mest genomen en behandeld moet worden totdat het arriveert op het laboratorium. Het protocol dient onder alle (weers)omstandigheden te worden gevolgd, waarbij te allen tijde de ARBO veiligheidsrichtlijnen in acht genomen moeten worden.
De leverancier van de mest kan ervoor kiezen om de vracht te laten bemonsteren bij het laden of bij het lossen. Hij is in beide gevallen verantwoordelijk voor het inschakelen van de onafhankelijke monsternemende organisatie.
De leverancier van de mest kan ervoor kiezen om de vracht te laten bemonsteren bij het laden of bij het lossen. Hij is in beide gevallen verantwoordelijk voor het inschakelen van de onafhankelijke monsternemende organisatie.
Ingeval van import of export van de mest, schrijft [artikel 78a, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), van de regeling, echter voor wanneer bemonstering plaats moet vinden; bij export tijdens het laden en in geval van import bij het lossen.
De monsternemer is gedurende het laden van de vracht aanwezig om een representatief monster te verkrijgen van de vracht (een al gereedstaande vracht mag niet worden bemonsterd). Gedurende het laden van de vracht worden:
De monsternemer is gedurende het laden van de vracht aanwezig om een representatief monster te verkrijgen van de vracht (een al gereedstaande vracht mag niet worden bemonsterd). Gedurende het laden van de vracht worden:
De monsternemer is gedurende het lossen van de vracht aanwezig; er mag niet gelost worden voordat de monsternemer aanwezig is. De mest wordt bemonsterd als deze gelost op een hoop ligt, zoals beschreven voor partijbemonstering (zie paragraaf 5.1).
De monsternemer is gedurende het lossen van de vracht aanwezig; er mag niet gelost worden voordat de monsternemer aanwezig is. De mest wordt bemonsterd als deze gelost op een hoop ligt, zoals beschreven voor partijbemonstering (zie paragraaf 5.1).
De vracht mest moet gescheiden blijven van andere vrachten mest of materialen die de samenstelling van de mest kunnen beïnvloeden. De hoop is ten behoeve van de bemonstering toegankelijk gemaakt door de vervoerder in samenwerking met de ontvanger.
Idem als partijbemonstering. Zie 5.2
Idem als partijbemonstering. Zie 5.2
Idem als partijbemonstering. Zie 5.3
Idem als partijbemonstering. Zie 5.3
Idem partijbemonstering. Zie 5.4
Idem partijbemonstering. Zie 5.4
Voor, tijdens en na de bemonstering verzamelt de monsternemende organisatie gegevens en registreert deze.
Voor, tijdens en na de bemonstering verzamelt de monsternemende organisatie gegevens en registreert deze.
Alle gegevens worden gedurende ten minste vijf jaar gearchiveerd en wel zodanig dat deze kunnen deze worden geherinterpreteerd en snel en handzaam terug te vinden zijn. Het is toegestaan de gegevens elektronisch op te slaan, mits voldaan wordt aan de relevante eisen uit de NEN EN ISO/IEC 17020 of NEN-EN- ISO/IEC 17025.
Ten algemene registreert de monsternemer:
De monsternemer voorziet ieder laboratoriummonster van een begeleidend document met in ieder geval de volgende gegevens:
De monsternemer voorziet ieder laboratoriummonster van een begeleidend document met in ieder geval de volgende gegevens:
De onafhankelijke monsternemer stelt het unieke monsternummer in de vorm van twee barcodes beschikbaar aan de leverancier van de meststoffen. De combinatie van de twee nummers uit de barcodes moet uniek zijn.
Het format van de barcode moet zodanig zijn dat deze gebruikt kan worden in de AGR/GPS-apparatuur.
### 7.2. Vrachtbemonstering
Ieder laboratoriummonster heeft een begeleidend document met in ieder geval de volgende gegevens:
Voorafgaand aan de bemonstering heeft de monsternemende organisatie een bemonsteringsstrategie ontwikkeld (NEN-EN-ISO/IEC 17025 noemt dit monsternemingsplan en procedures voor monsterneming).
Voorafgaand aan de bemonstering heeft de monsternemende organisatie een bemonsteringsstrategie ontwikkeld (NEN-EN-ISO/IEC 17025 noemt dit monsternemingsplan en procedures voor monsterneming).
Voorafgaand aan de bemonstering heeft de monsternemende organisatie een bemonsteringsstrategie ontwikkeld (NEN-EN-ISO/IEC 17025 noemt dit monsternemingsplan en procedures voor monsterneming).
In deze strategie standaardiseert de monsternemende organisatie voor zichzelf de invulling van de bemonstering voor zover dat nog niet in de voorgaande paragraaf is voorgeschreven.
Het gaat hier bijvoorbeeld over hoe de omvang van de partij wordt geschat, de beoordeling of de bemonstering arbo-veilig kan worden uitgevoerd en het kiezen van het meest aangewezen instrument om grepen te nemen.
De RvA beoordeelt de validiteit van de bemonsteringsstrategie en het systeem van hoe die strategie opgesteld wordt.
De strategie voor monsterneming wordt periodiek (minimaal iedere 2 jaar) geactualiseerd.
De strategie voor monsterneming wordt periodiek (minimaal iedere 2 jaar) geactualiseerd.
Eerstelijnscontrole – Interne controle door de uitvoerenden van de verrichting zelf.
Eerstelijnscontrole – Interne controle door de uitvoerenden van de verrichting zelf.
Tweedelijnscontrole – Interne controle onafhankelijk van de uitvoerenden.
Derdelijnscontrole – Externe controle door onafhankelijke instantie(s).
De monsternemende organisatie is verantwoordelijk voor de eigen kwaliteitsbewaking en -borging door middel van eerste en tweedelijnscontroles. Voor dit accreditatieprogramma zijn de eisen aangaande kwaliteitsborging van toepassing, zoals beschreven in NEN EN ISO/IEC 17020 en NEN EN ISO/IEC 17025.
De monsternemende organisatie is verantwoordelijk voor de eigen kwaliteitsbewaking en -borging door middel van eerste en tweedelijnscontroles. Voor dit accreditatieprogramma zijn de eisen aangaande kwaliteitsborging van toepassing, zoals beschreven in NEN EN ISO/IEC 17020 en NEN EN ISO/IEC 17025.
De eerstelijnscontrole behelst controle op het volledig en juist uitvoeren van de voorgeschreven verrichtingen. De monsternemende organisatie beschikt over een systeem waarmee ten minste de monsternemer zelf de eigen werkzaamheden controleert en tijdig herstelt of aanvult.
De tweedelijnscontrole omvat de controle van de monsterneming ter plaatse door de monsternemende organisatie. Deze controle omvat ten minste een blinde, tweede monsterneming van dezelfde partij mest teneinde de herhaalbaarheid van de monsterneming te bewaken.
Van een organisatie die geaccrediteerd is volgens NEN EN ISO/IEC 17025, wordt voor accreditatie aanvullend geëist dat deze voldoet aan onderdelen beschreven in ISO/IEC 17020, die gelden voor een type A-instelling:
Van een organisatie die geaccrediteerd is volgens NEN EN ISO/IEC 17020 die gelden voor een type A-instelling, wordt voor accreditatie aanvullend geëist dat het voldoet aan onderdelen beschreven in ISO/IEC 17025:
Het doel van de derdelijnscontrole is het continu borgen van de kwaliteit van monsterneming door externe partij(en) e/o onafhankelijke instantie(s) en bestaat uit een zogenaamd harmonisatieoverleg en een ringonderzoek.
Het doel van de derdelijnscontrole is het continu borgen van de kwaliteit van monsterneming door externe partij(en) e/o onafhankelijke instantie(s) en bestaat uit een zogenaamd harmonisatieoverleg en een ringonderzoek.
Het harmonisatieoverleg vindt minimaal 2-jaarlijks plaats ten behoeve van de kennisuitwisseling tussen geaccrediteerde monsternemende organisaties op strategisch en uitvoerend niveau. De monsternemende organisaties nemen actief deel aan dit overleg. Behalve een vertegenwoordiging van het ministerie van EZ (organisator) kan de RvA ook deelnemen aan dit overleg.
### 10. Rapportage
De monsternemende organisatie dient minimaal twee keer per jaar voor zijn geaccrediteerde verrichtingen aan ringonderzoek deel te nemen. Het ringonderzoek wordt gecoördineerd en uitgewerkt in het harmonisatieoverleg. Uitgangspunten daarbij zijn:
Door de RvA wordt periodiek (minimaal iedere 2 jaar), maar ook steekproefsgewijs controle uitgevoerd op de eisen van AP06.
### 11. Controle op naleving
De RvA heeft de mogelijkheid om een accreditatie in te trekken, of de gehele of een deel van de scope (tijdelijk) te schorsen. De RvA oordeelt naar bevinden.
In geval van een schorsing of intrekking van de accreditatie meldt de RvA dit terstond aan de minister van Economische Zaken. Indien de accreditatie is ingetrokken of geschorst, mag een organisatie geen mestmonsters nemen ten behoeve van de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054).
De RvA zal in een jaarlijkse geanonimiseerde rapportage aan de minister haar bevindingen weergeven. Tevens zullen de branchebreed waargenomen afwijkingen/tekortkomingen worden behandeld. Hiermee kunnen mogelijke knelpunten die zich in de praktijk voordoen worden opgespoord en zo nodig worden aangepast in het accreditatieprogramma.
### 11. Controle op naleving
Aanvullend op de beoordelingen door de RvA ziet de NVWA toe op naleving van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Daarbij kan de NVWA ook eisen uit AP06 betrekken.
Iedere monsternemende organisatie stuurt de planning van de bedrijfsbezoeken dagelijks naar de NVWA. Hierdoor heeft de NVWA de mogelijkheid om ter plaatse en ten tijde van de monsterneming aanwezig te zijn om de uitvoering door de monsternemer van het protocol te beoordelen en om zo nodig (op een later tijdstip) zelf een controlemonster te nemen.
### 12. Literatuur
1-in het geval van partijbemonstering, de controle door de monsternemer op de afwezigheid van partijen vaste mest, anders dan de te bemonsteren partij.
2-de werkwijze van de monsternemer die overeenkomstig het protocol voor de borging van representativiteit van het monster moet zijn, waaronder ook begrepen de verificatie van de juistheid van de opgegeven mestsoort (code), de inschatting van de hoeveelheid en het bemonsteren op de gemelde locatie en het juiste ‘vak’.
3-de volledigheid en juistheid van schriftelijke vastleggingen welke van de monsternemer gevraagd worden
4-de onafhankelijkheid van de monsternemer.
Daarnaast kan de NVWA inspecteur zelf ook monsters nemen om de analyse-uitslagen met elkaar te vergelijken. Deze controlemonsters kunnen op het bedrijf van de leverancier van de meststoffen zelf genomen worden, in de periode tussen het bezoek van de onafhankelijk monsternemer en de afvoer van de partij. Bij vrachtbemonstering kan de NVWA inspecteur het controlemonster ook op de loslocatie nemen.
Voor het opstellen van accreditatieprogramma voor vaste mest is gebruik gemaakt van beschikbare informatie van de RvA en de Vlaamse overheid. Bij het opstellen van paragraaf 5 is advies ingewonnen bij de Commissie Deskundigen Meststoffen.
Voor het opstellen van accreditatieprogramma voor vaste mest is gebruik gemaakt van beschikbare informatie van de RvA en de Vlaamse overheid. Bij het opstellen van paragraaf 5 is advies ingewonnen bij de Commissie Deskundigen Meststoffen.
Raad voor Accreditatie, Accreditatie van monsterneming, RvA-T021-NL
## Bijlage F
### onderdeel A
### Onderdeel B
## Bijlage F
### onderdeel A
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2018-06-06&g=2018-06-06) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2018-06-06&g=2018-06-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### Onderdeel B
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
## Bijlage D. Diergebonden normen
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2015-05-28&g=2015-05-28) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2015-05-28&g=2015-05-28)
### Tabel IIB. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest
Deze bijlage is geschreven voor de uitvoering en kwaliteitsborging van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het accreditatieprogramma omvat zowel een beschrijving voor de toelating tot en de periodieke herbeoordeling van de accreditatie van laboratoria, als een beschrijving van het beheerssysteem waarmee de kwaliteit van de laboratoria tussentijds geborgd is. Dit accreditatieprogramma wordt verder aangeduid als AP05.
### **B. opmerkingscodes**
AP05 dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van metingen van stikstof en fosfaat in dierlijke mest zowel binnen een laboratorium als tussen laboratoria op langere termijn te waarborgen.
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; AP05
4 Behorende bij [artikel 73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Alleen relevant voor de graasdieren en daarmee niet van toepassing op diercategorieën die vallen onder de staldieren.
5 Behorende bij [artikel 96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=5&artikel=96&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
6 De mestproductie van deze dieren is reeds verrekend in het forfait van de fokschapen.
7 Gasvormig verlies van overige knaagdieren en overig pluimvee bedraagt 50% van de N-excretie, die volgens de stalbalans is berekend.
a De mestproductie van deze dieren is reeds verrekend in het forfait van de fokschapen.
### Tabel IIA. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N resp. kg P2O5 per jaar), in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N resp. kg P2O5 per jaar), in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N respectievelijk kg P2O5 per jaar) in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg N respectievelijk kg P2O5 per jaar) in relatie tot melkproductie per jaar en ureumgehalte in de melk. Excretie na aftrek vluchtige N.
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
### A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
Deze bijlage is geschreven voor de uitvoering en kwaliteitsborging van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het accreditatieprogramma omvat zowel een beschrijving voor de toelating tot en de periodieke herbeoordeling van de accreditatie van laboratoria, als een beschrijving van het beheerssysteem waarmee de kwaliteit van de laboratoria tussentijds geborgd is. Dit accreditatieprogramma wordt verder aangeduid als AP05.
Deze bijlage is geschreven voor de uitvoering en kwaliteitsborging van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het accreditatieprogramma omvat zowel een beschrijving voor de toelating tot en de periodieke herbeoordeling van de accreditatie van laboratoria, als een beschrijving van het beheerssysteem waarmee de kwaliteit van de laboratoria tussentijds geborgd is. Dit accreditatieprogramma wordt verder aangeduid als AP05.
### Hoofdstuk 2. Algemene eisen
### Tabel IV behorende bij de [artikelen 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57&z=2015-05-28&g=2015-05-28), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57a&z=2015-05-28&g=2015-05-28), [57b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2015-05-28&g=2015-05-28) en [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2015-05-28&g=2015-05-28)
De technische beschrijvingen van de verrichtingen en het maken van mengmonsters is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is kwaliteitsborging middels de eerste-, tweede- en derdelijnscontrole omschreven die minimaal moet worden toegepast tijdens de uitvoering van verrichtingen die onder dit accreditatieprogramma vallen. Hoofdstuk 7 beschrijft de rapportage van de resultaten en de aspecten die verband houden met heranalyse.
In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.
Laboratoria die wensen deel te nemen aan AP05 dienen zich aan te melden bij de Raad voor Accreditatie. Het laboratorium dient aan te tonen dat het bekend is met de specifieke kenmerken van de matrix dierlijke mest en dat de voorgeschreven analysemethoden goed kunnen worden uitgevoerd. Hiervoor moet vooraf een groot aantal monsters (200) onder beheerste condities geanalyseerd worden. Reden voor dit grote aantal analyses vooraf, is de diversiteit in de matrix mest (diersoorten, stalsystemen) en de daarbij behorende effecten op de gehalten. Als aangetoond is dat aan de kwaliteitseisen van AP05 kan worden voldaan kan het laboratorium worden geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. Vóórdat monsters in het kader van het stelsel van gebruiksnormen geanalyseerd mogen worden, dient ook de kwaliteitsbewaking opgestart te zijn, in de vorm van controlemonsters met de bijbehorende controlekaarten.
Laboratoria die wensen deel te nemen aan AP05 dienen zich aan te melden bij de Raad voor Accreditatie. Het laboratorium dient aan te tonen dat het bekend is met de specifieke kenmerken van de matrix dierlijke mest en dat de voorgeschreven analysemethoden goed kunnen worden uitgevoerd. Hiervoor moet vooraf een groot aantal monsters (200) onder beheerste condities geanalyseerd worden. Reden voor dit grote aantal analyses vooraf, is de diversiteit in de matrix mest (diersoorten, stalsystemen) en de daarbij behorende effecten op de gehalten. Als aangetoond is dat aan de kwaliteitseisen van AP05 kan worden voldaan kan het laboratorium worden geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. Vóórdat monsters in het kader van het stelsel van gebruiksnormen geanalyseerd mogen worden, dient ook de kwaliteitsbewaking opgestart te zijn, in de vorm van controlemonsters met de bijbehorende controlekaarten.
Indien in dit document de Raad voor Accreditatie wordt genoemd kan dit ook een accreditatieorganisatie zijn waarmee de Raad voor Accreditatie een Multi Lateral Agreement MLA {EA}, MRA {ILAC} heeft gesloten.
Om voor accreditatie voor AP05 in aanmerking te komen, moet het laboratorium door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025: IDT (general requirements for the competence of testing and calibration laboratories).
Een laboratorium moet de verrichtingen die in hoofdstuk 3 van AP05 zijn vermeld en waarvoor het laboratorium is geaccrediteerd te allen tijden kunnen uitvoeren.
Indien AP05 wordt gewijzigd, dient het laboratorium zich daaraan binnen 6 maanden te conformeren, tenzij anders bepaald. In een dergelijke situatie ligt de verantwoordelijkheid voor het nemen van initiatieven met betrekking tot onderzoek door de RvA bij de laboratoria.
In AP05 zijn de verrichtingen, die in het kader van het stelsel van gebruiksnormen kunnen worden gebruikt, opgenomen. Een laboratorium kan kiezen voor accreditatie voor:
In AP05 zijn de verrichtingen, die in het kader van het stelsel van gebruiksnormen kunnen worden gebruikt, opgenomen. Een laboratorium kan kiezen voor accreditatie voor:
In AP05 zijn de verrichtingen, die in het kader van het stelsel van gebruiksnormen kunnen worden gebruikt, opgenomen. Een laboratorium kan kiezen voor accreditatie voor:
De verrichtingen volgens de volgende NEN-normen zijn voorgeschreven:
De verrichtingen uit de volgende NEN-normen zijn als referentiemethoden voorgeschreven:
### § 3.2. Validatie van een verrichting volgens een referentiemethode
Voorafgaand aan indienen van een verzoek om accreditatie en bij van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting voert het laboratorium een validatie-onderzoek uit. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan toetst het laboratorium in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
Voorafgaand aan indienen van een verzoek om accreditatie en bij van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting voert het laboratorium een validatie-onderzoek uit. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan toetst het laboratorium in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
De herhaalbaarheid wordt getoetst aan de hand van een representatieve steekproef van de mestsoorten die het laboratorium ontvangt en de concentratieniveaus waarin stikstof en fosfor in de desbetreffende mestsoorten voorkomt.
In eerste instantie wordt van 200 monsters het stikstof- en fosfaatgehalte in duplo bepaald. Vervolgens worden de resultaten waarbij het stikstof- en/of fosfaatgehalte beneden de minimale rapportagewaarde (zie § 7.1) ligt weggelaten. Deze worden vervangen door aanvullende metingen aan nieuwe monsters zodat het totaal aantal duplobepalingen dat boven de minimale rapportagewaarde voor stikstof en fosfaat ligt uiteindelijk 200 bedraagt.
@@ -3072,7 +3422,7 @@
Het is toegestaan binnen AP05 om in plaats van de referentiemethode een huismethode te gebruiken. Het laboratorium moet dan via een gelijkwaardigheidsonderzoek aantonen dat de gebruikte huismethode vergelijkbare of betere resultaten geeft dan de referentiemethode.
### 1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur
Het is toegestaan binnen AP05 om in plaats van de referentiemethode een huismethode te gebruiken. Het laboratorium moet dan via een gelijkwaardigheidsonderzoek aantonen dat de gebruikte huismethode vergelijkbare of betere resultaten geeft dan de referentiemethode.
Ten eerste dient aangetoond te worden dat de herhaalbaarheid van de huismethode gelijk of beter is dan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting. Hiervoor dient de in § 3.2 beschreven procedure te worden gebruikt.
@@ -3082,436 +3432,92 @@
Tot slot wordt de mediane waarde van deze relatieve verschillen bepaald zonder een onderscheid te maken tussen de twee concentratieniveaus. De mediaan van deze verschillen dient voor stikstof en fosfor kleiner te zijn dan 2.5%. Bij het uitvoeren van de bepalingen mogen de meetresultaten op generlei wijze voor systematische verschillen gecorrigeerd worden.
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
Voor het aantonen dat de organisaties onafhankelijk en deskundig zijn wordt gebruik gemaakt van accreditatie. Accreditatie gaat uit van vertrouwen en is gebaseerd op internationale en Europees geharmoniseerde normen, met indien van toepassing aanvullende eisen. Gezien de behoefte de kwaliteit en de vergelijkbaarheid (herhaalbaarheid) van de monsterneming van vaste dierlijke mest op langere termijn te waarborgen, zijn in dit accreditatieprogramma normen opgenomen.
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
### 2. Algemene eisen
Voor het aantonen dat de organisaties onafhankelijk en deskundig zijn wordt gebruik gemaakt van accreditatie. Accreditatie gaat uit van vertrouwen en is gebaseerd op internationale en Europees geharmoniseerde normen, met indien van toepassing aanvullende eisen. Gezien de behoefte de kwaliteit en de vergelijkbaarheid (herhaalbaarheid) van de monsterneming van vaste dierlijke mest op langere termijn te waarborgen, zijn in dit accreditatieprogramma normen opgenomen.
Met dit uitgangspunt beschrijft dit accreditatieprogramma:
Dit accreditatieprogramma wordt aangeduid als AP06. AP06 dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid (herhaalbaarheid) van de monsterneming van vaste dierlijke mest op langere termijn te waarborgen.
Definities:
Specifiek worden in dit AP06 de volgende versienummers bedoeld wanneer de normen worden benoemd:
Dit AP06 beschrijft een set van verrichtingen die valt onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 òf onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17020.
Dit AP06 beschrijft een set van verrichtingen die valt onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 òf onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17020.
Specifiek worden in dit AP06 de volgende versienummers bedoeld wanneer de normen worden benoemd:
NEN EN ISO/IEC 17025: 2005
NEN EN ISO/IEC 17020: 2012
Organisaties die monsterneming als aparte activiteit op de verrichtingenlijst (scope van accreditatie) wensen, kunnen accreditatie verkrijgen op basis van NEN EN ISO/IEC 17025. In NEN EN ISO/IEC 17025 worden in 5.7 uitgebreide eisen gesteld aan de monsterneming en in 5.10.3.2 aan de rapportage van de resultaten van monsterneming.
Indien een organisatie geaccrediteerd is of wordt voor inspectieactiviteiten (anders dan het nemen van monsters) volgens NEN EN ISO/IEC 17020, behoort een aparte monsternemingsactiviteit binnen de scope tot de mogelijkheden. In deze situatie worden, naast de eisen uit NEN EN ISO/IEC 17020 ook de eisen met betrekking tot monsterneming uit NEN EN ISO/IEC 17025 toegepast.
De monsternemende organisatie heeft de verantwoordelijkheid om te werken conform dit accreditatieprogramma en de erkenningsvoorwaarden. Dit houdt in dat de organisatie verantwoordelijk wordt gehouden voor de bemonstering tot en met het afleveren van het monster bij het mestlaboratorium, onafhankelijk welke persoon de feitelijke bemonstering, transport en eventueel opslag uitvoert, namens of voor de organisatie.
Een geaccrediteerde organisatie moet de verrichtingen die in dit AP06 zijn vermeld te allen tijde kunnen uitvoeren en aantonen dat zij in de praktijk werkt conform de accreditatie-eisen. Het is de monsternemende organisatie wel toegestaan om de RvA te vragen om een tijdelijke schorsing voor de gehele of een deel van de verrichtingen binnen de scope. Gedurende een periode van schorsing kan de organisatie geen monsters nemen.
Indien AP06 wordt gewijzigd, wordt in overleg tussen RvA en EZ bepaald binnen welke termijn de geaccrediteerde organisaties zich daaraan dienen te conformeren. De verantwoordelijkheid voor het nemen van initiatieven met betrekking tot onderzoek door de RvA ligt bij de monsternemende organisatie.
### 2.2. Toetredingsprocedure
Organisaties die wensen onafhankelijk monsternemer te worden in het kader van de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054), kunnen bij de RvA een accreditatie aanvragen. De organisatie vraagt tevens een erkenning aan bij de Minister, zoals verwoord in [artikel 78c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78c&z=2018-06-06&g=2018-06-06) van de regeling.
Organisaties die wensen onafhankelijk monsternemer te worden in het kader van de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054), kunnen bij de RvA een accreditatie aanvragen. De organisatie vraagt tevens een erkenning aan bij de Minister, zoals verwoord in [artikel 78c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78c&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de regeling.
Als aangetoond is dat aan de eisen van AP06 kan worden voldaan kan de RvA deze organisatie hiervoor accrediteren.
Ten behoeve van de toelating tot accreditatie dient de organisatie aan te tonen dat deze bekend is met de wijze van bemonsteren en dat de voorgeschreven werkwijze goed kan worden uitgevoerd.
Ook dient de organisatie aan te tonen dat het beschikt over een kwaliteitsborging en kwaliteitsbewaking die minimaal voldoet aan de eisen zoals beschreven in dit accreditatieprogramma:
De verrichtingen die onder de scope van accreditatie vallen zijn:
De verrichtingen die onder de scope van accreditatie vallen zijn:
De overige werkzaamheden kunnen niet als aparte verrichting geaccrediteerd worden, maar worden wel door de RvA beoordeeld:
Er worden twee wijzen van bemonstering onderscheiden in dit accreditatieprogramma. De bemonstering wordt beschreven:
In alle gevallen is de leverancier van de mest de opdrachtgever van de bemonstering. Op basis van de informatie die de monsternemende organisatie van de leverancier van de meststoffen heeft ontvangen, maakt deze een planning wanneer en door welke monsternemer bemonsterd wordt. De planning wordt dagelijks uiterlijk om 13:00 uur aan de NVWA ter beschikking gesteld ([artikel 78l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78l&z=2018-06-06&g=2018-06-06) van de regeling).
In alle gevallen is de leverancier van de mest de opdrachtgever van de bemonstering. Op basis van de informatie die de monsternemende organisatie van de leverancier van de meststoffen heeft ontvangen, maakt deze een planning wanneer en door welke monsternemer bemonsterd wordt. De planning wordt dagelijks uiterlijk om 13:00 uur aan de NVWA ter beschikking gesteld ([artikel 78l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78l&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de regeling).
Er worden twee wijzen van bemonstering onderscheiden in dit accreditatieprogramma. De bemonstering wordt beschreven:
Er worden twee wijzen van bemonstering onderscheiden in dit accreditatieprogramma. De bemonstering wordt beschreven:
Partijbemonstering is alleen toegestaan als gegarandeerd kan worden dat het afgevoerde materiaal overeenkomt met het materiaal waarvan het monster genomen is. Partijbemonstering is toegestaan als er één partij vaste mest op de bedrijfslocatie aanwezig is. De monsternemer gaat na of er sprake is van één of meerdere partijen op de bedrijfslocatie. Als er meerdere partijen aanwezig zijn, dan legt hij dit vast als bijzonderheid en voert hij bemonstering niet uit.
Ter plaatse van de monsterneming en voorafgaand daaraan controleert de monsternemer of de te bemonsteren mest dezelfde mestcode heeft als waarvoor bemonstering aangevraagd is. Als dat niet het geval is, voert de monsternemer de bemonstering niet uit en legt dit vast als bijzonderheid.
Ter plaatse van de monsterneming en voorafgaand daaraan controleert de monsternemer of de te bemonsteren mest dezelfde mestcode heeft als waarvoor bemonstering aangevraagd is. Als dat niet het geval is, voert de monsternemer de bemonstering niet uit en legt dit vast als bijzonderheid.
Dit hoofdstuk beschrijft de wijze waarop een monster van een partij vaste mest genomen en behandeld moet worden totdat het wordt afgeleverd op het laboratorium. Het protocol dient onder alle (weers)omstandigheden te worden gevolgd, waarbij te allen tijde de ARBO veiligheidsrichtlijnen in acht genomen moeten worden.
Dit hoofdstuk beschrijft de wijze waarop een monster van een partij vaste mest genomen en behandeld moet worden totdat het wordt afgeleverd op het laboratorium. Het protocol dient onder alle (weers)omstandigheden te worden gevolgd, waarbij te allen tijde de ARBO veiligheidsrichtlijnen in acht genomen moeten worden.
Partijbemonstering is gelimiteerd tot partijen van maximaal 200 m3. De hoogte van een partij mag maximaal 3 m bedragen. De partij dient beloopbaar te zijn of er dienen hulpmiddelen ter beschikking te worden gesteld zodat op elke plaats veilig een monster genomen kan worden.
De monsternemer dient vooraf de omvang van de partij te bepalen, b.v. door middel van afpassen of door gebruik te maken van een meetinstrument zoals een meetlint of een meetwiel. De monsterneming vindt plaats met gebruik van een Edelmanboor, handschep of schop.
Het aantal grepen dat van een partij moet worden genomen, is afhankelijk van de partijgrootte:
Het aantal grepen dat van een partij moet worden genomen, is afhankelijk van de partijgrootte:
Meer grepen komen de representativiteit van het monster ten goede.
Om elk individueel materiaaldeeltje dezelfde kans te geven om bemonsterd te worden, wordt de grootte van een greep aangepast aan de grootte van de mestdeeltjes van de te bemonsteren mest; hoe grover het materiaal, hoe groter de greep. Dit betekent dat de te gebruiken bemonsteringsapparatuur aangepast moet zijn aan de grootte van de mestdeeltjes. De opening van de boor of schep dient 2 tot 3 keer groter te zijn dan het grootste mestdeeltje.
Bij een geschatte grootte van de mestdeeltjes < 10 mm is een combinatie-type Edelmanboor (70 mm diameter en 35 mm bladwijdte) het geschikte instrument. Wanneer de deeltjesgrootte > 10 mm wordt geschat, zijn een guts, handschep of schop de aanbevolen instrumenten. De schep heeft rechtopstaande randen zodat het materiaal tijdens het scheppen niet kan terug vallen. Het overtollig materiaal boven de randen van de guts of schep behoort niet tot de greep en dient te worden verwijderd (bijvoorbeeld met een spatel).
Voor de hoeveelheid materiaal per greep gelden de volgende richtlijnen:
De ruimtelijke spreiding van de grepen uit een partij moet evenredig zijn in horizontale en verticale richting. Voor de spreiding in horizontale richting dient de oppervlakte van de partij (denkbeeldig) verdeeld te worden in een aantal gelijke segmenten, en wel zodanig dat het aantal segmenten overeenkomt met het aantal grepen. Per segment wordt op een willekeurige plek binnen het segment één greep genomen. De monsterdiepte tussen de segmenten dient te variëren over de hele hoogte van de partij. Voor de verticale spreiding is een instrument nodig waarmee op alle dieptes in de mesthoop een monster kan worden genomen.
De monsternemer kiest naar eigen inzicht het meest aangewezen monstername-instrument. Deze paragraaf beschrijft hoe de instrumenten gebruikt dienen te worden.
De monsternemer kiest naar eigen inzicht het meest aangewezen monstername-instrument. Deze paragraaf beschrijft hoe de instrumenten gebruikt dienen te worden.
Verwijder, bijvoorbeeld met een schop, de buitenste laag (ongeveer 20 cm) bij elk bemonsteringspunt. Houd de boor aan de handgreep vast en plaats hem verticaal of onder een hoek op de mesthoop. Draai de boor rechtsom en met enige druk de hoop in. Na ongeveer 2¼ volledige rondes (van 360°) heeft de boor zich 10 cm in de hoop gegraven en is de boor tot de beugel gevuld met voldoende mestmateriaal. Afhankelijk van de samenstelling van de mesthoop moet vaker of minder vaak gedraaid worden om het gewenste resultaat te bereiken. Voor het nemen van een monster op grotere diepte dient een schacht geboord te worden tot het gewenste bemonsteringspunt is bereikt. Zo nodig moet hierbij een aantal keren een volle boor uit de mesthoop getrokken worden om tot de gewenste monsterdiepte te komen. Dit materiaal behoort niet tot het monster.
Verwijder, bijvoorbeeld met een schop, de buitenste laag (ongeveer 20 cm) bij elk bemonsteringspunt. Houd de boor aan de handgreep vast en plaats hem verticaal of onder een hoek op de mesthoop. Draai de boor rechtsom en met enige druk de hoop in. Na ongeveer 2¼ volledige rondes (van 360°) heeft de boor zich 10 cm in de hoop gegraven en is de boor tot de beugel gevuld met voldoende mestmateriaal. Afhankelijk van de samenstelling van de mesthoop moet vaker of minder vaak gedraaid worden om het gewenste resultaat te bereiken. Voor het nemen van een monster op grotere diepte dient een schacht geboord te worden tot het gewenste bemonsteringspunt is bereikt. Zo nodig moet hierbij een aantal keren een volle boor uit de mesthoop getrokken worden om tot de gewenste monsterdiepte te komen. Dit materiaal behoort niet tot het monster.
Draai de volle boor af, en haal de boor licht draaiend omhoog. Plaats voor het lossen van het materiaal de boor schuin met de punt in een verzamelbak of op een zeil. Klop met de boor op de basis van de bak of zeil. Het materiaal komt los en het resterende materiaal kan met de hand of anderszins uit de boor worden genomen.
Opmerking: Het creëren van een schacht kan worden versneld door gebruik te maken van een verlengde Edelmanboor.
Verwijder met een schop de buitenste laag (ongeveer 20 cm) bij elk bemonsteringspunt. Duw de schep/schop zo ver mogelijk schuin naar het midden van de partij in het materiaal. Zorg ervoor dat schep/schop volledig gevuld is, en dat alle grepen dezelfde grootte hebben. Verwijder het overtollige materiaal dat boven op de schep/schop ligt (het behoort niet tot de greep). Breng telkens het materiaal uit de schep/schop in de verzamelbak of op een zeil. Neem op verschillende dieptes van de partij een greep. Schep steeds de mest boven het bemonsteringspunt weg zodat het dieper gelegen materiaal bereikbaar is.
Verwijder met een schop de buitenste laag (ongeveer 20 cm) bij elk bemonsteringspunt. Duw de schep/schop zo ver mogelijk schuin naar het midden van de partij in het materiaal. Zorg ervoor dat schep/schop volledig gevuld is, en dat alle grepen dezelfde grootte hebben. Verwijder het overtollige materiaal dat boven op de schep/schop ligt (het behoort niet tot de greep). Breng telkens het materiaal uit de schep/schop in de verzamelbak of op een zeil. Neem op verschillende dieptes van de partij een greep. Schep steeds de mest boven het bemonsteringspunt weg zodat het dieper gelegen materiaal bereikbaar is.
De grepen worden ter plaatse uitgestort op een zeil of in een brede schaal. De mest wordt intensief gemengd door drie maal achtereen ophopen en verspreiden en vervolgens gereduceerd met de kwarteertechniek. Hierbij wordt de mest in een cirkelvorm uitgespreid en in 4 kwarten verdeeld. Twee tegenover elkaar gelegen kwarten worden vervolgens verwijderd waarna de overgebleven kwarten worden samengevoegd en opnieuw gemengd. Deze handeling wordt herhaald tot de gewenste grootte van het laboratoriummonster is verkregen. Gebruik voor het mengen bij voorkeur een schep of grotere schop.
De grepen worden ter plaatse uitgestort op een zeil of in een brede schaal. De mest wordt intensief gemengd door drie maal achtereen ophopen en verspreiden en vervolgens gereduceerd met de kwarteertechniek. Hierbij wordt de mest in een cirkelvorm uitgespreid en in 4 kwarten verdeeld. Twee tegenover elkaar gelegen kwarten worden vervolgens verwijderd waarna de overgebleven kwarten worden samengevoegd en opnieuw gemengd. Deze handeling wordt herhaald tot de gewenste grootte van het laboratoriummonster is verkregen. Gebruik voor het mengen bij voorkeur een schep of grotere schop.
De monsterverpakking van het laboratoriummonster heeft een minimale inhoud van 750 milliliter ([bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de regeling). Het gewicht van het laboratoriummonster is conform de [artikelen 78h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78h&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [78i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78i&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [78j, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78j&z=2019-01-01&g=2019-01-01), van de regeling.
Het laboratoriummonster wordt in een schone en lekvrije monsterverpakking gedaan en voorzien van een unieke identificatie. De monsterverpakking en identificatie dienen te voldoen aan de beschrijving in [Bijlage E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2018-06-06&g=2018-06-06) (AP05) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
Het laboratoriummonster wordt in een schone en lekvrije monsterverpakking gedaan en voorzien van een unieke identificatie. De monsterverpakking en identificatie dienen te voldoen aan de beschrijving in [Bijlage E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2019-01-01&g=2019-01-01) (AP05) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
Het laboratoriummonster wordt onmiddellijk daarna gekoeld bewaard (bij ± 3˚C) totdat het in bewerking wordt genomen bij het laboratorium. Indien de monsternemende organisatie en het laboratorium onderling zeker gesteld hebben dat de monsters op de dag van monstername of de daarop volgende dag in bewerking worden genomen behoeft koeling niet plaats te vinden.
Dit hoofdstuk beschrijft de wijze waarop een monster van een vracht vaste mest genomen en behandeld moet worden totdat het arriveert op het laboratorium. Het protocol dient onder alle (weers)omstandigheden te worden gevolgd, waarbij te allen tijde de ARBO veiligheidsrichtlijnen in acht genomen moeten worden.
Dit hoofdstuk beschrijft de wijze waarop een monster van een vracht vaste mest genomen en behandeld moet worden totdat het arriveert op het laboratorium. Het protocol dient onder alle (weers)omstandigheden te worden gevolgd, waarbij te allen tijde de ARBO veiligheidsrichtlijnen in acht genomen moeten worden.
De leverancier van de mest kan ervoor kiezen om de vracht te laten bemonsteren bij het laden of bij het lossen. Hij is in beide gevallen verantwoordelijk voor het inschakelen van de onafhankelijke monsternemende organisatie.
De leverancier van de mest kan ervoor kiezen om de vracht te laten bemonsteren bij het laden of bij het lossen. Hij is in beide gevallen verantwoordelijk voor het inschakelen van de onafhankelijke monsternemende organisatie.
Ingeval van import of export van de mest, schrijft [artikel 78a, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), van de regeling, echter voor wanneer bemonstering plaats moet vinden; bij export tijdens het laden en in geval van import bij het lossen.
De monsternemer is gedurende het laden van de vracht aanwezig om een representatief monster te verkrijgen van de vracht (een al gereedstaande vracht mag niet worden bemonsterd). Gedurende het laden van de vracht worden:
De monsternemer is gedurende het laden van de vracht aanwezig om een representatief monster te verkrijgen van de vracht (een al gereedstaande vracht mag niet worden bemonsterd). Gedurende het laden van de vracht worden:
De monsternemer is gedurende het lossen van de vracht aanwezig; er mag niet gelost worden voordat de monsternemer aanwezig is. De mest wordt bemonsterd als deze gelost op een hoop ligt, zoals beschreven voor partijbemonstering (zie paragraaf 5.1).
De monsternemer is gedurende het lossen van de vracht aanwezig; er mag niet gelost worden voordat de monsternemer aanwezig is. De mest wordt bemonsterd als deze gelost op een hoop ligt, zoals beschreven voor partijbemonstering (zie paragraaf 5.1).
De vracht mest moet gescheiden blijven van andere vrachten mest of materialen die de samenstelling van de mest kunnen beïnvloeden. De hoop is ten behoeve van de bemonstering toegankelijk gemaakt door de vervoerder in samenwerking met de ontvanger.
Idem als partijbemonstering. Zie 5.2
Idem als partijbemonstering. Zie 5.2
Idem als partijbemonstering. Zie 5.3
Idem als partijbemonstering. Zie 5.3
Idem partijbemonstering. Zie 5.4
Idem partijbemonstering. Zie 5.4
Voor, tijdens en na de bemonstering verzamelt de monsternemende organisatie gegevens en registreert deze.
Voor, tijdens en na de bemonstering verzamelt de monsternemende organisatie gegevens en registreert deze.
Alle gegevens worden gedurende ten minste vijf jaar gearchiveerd en wel zodanig dat deze kunnen deze worden geherinterpreteerd en snel en handzaam terug te vinden zijn. Het is toegestaan de gegevens elektronisch op te slaan, mits voldaan wordt aan de relevante eisen uit de NEN EN ISO/IEC 17020 of NEN-EN- ISO/IEC 17025.
Ten algemene registreert de monsternemer:
De monsternemer voorziet ieder laboratoriummonster van een begeleidend document met in ieder geval de volgende gegevens:
De monsternemer voorziet ieder laboratoriummonster van een begeleidend document met in ieder geval de volgende gegevens:
De onafhankelijke monsternemer stelt het unieke monsternummer in de vorm van twee barcodes beschikbaar aan de leverancier van de meststoffen. De combinatie van de twee nummers uit de barcodes moet uniek zijn.
Het format van de barcode moet zodanig zijn dat deze gebruikt kan worden in de AGR/GPS-apparatuur.
Ieder laboratoriummonster heeft een begeleidend document met in ieder geval de volgende gegevens:
### 8. Strategie voor monsterneming
In deze strategie standaardiseert de monsternemende organisatie voor zichzelf de invulling van de bemonstering voor zover dat nog niet in de voorgaande paragraaf is voorgeschreven.
Voorafgaand aan de bemonstering heeft de monsternemende organisatie een bemonsteringsstrategie ontwikkeld (NEN-EN-ISO/IEC 17025 noemt dit monsternemingsplan en procedures voor monsterneming).
Voorafgaand aan de bemonstering heeft de monsternemende organisatie een bemonsteringsstrategie ontwikkeld (NEN-EN-ISO/IEC 17025 noemt dit monsternemingsplan en procedures voor monsterneming).
In deze strategie standaardiseert de monsternemende organisatie voor zichzelf de invulling van de bemonstering voor zover dat nog niet in de voorgaande paragraaf is voorgeschreven.
Het gaat hier bijvoorbeeld over hoe de omvang van de partij wordt geschat, de beoordeling of de bemonstering arbo-veilig kan worden uitgevoerd en het kiezen van het meest aangewezen instrument om grepen te nemen.
De RvA beoordeelt de validiteit van de bemonsteringsstrategie en het systeem van hoe die strategie opgesteld wordt.
De strategie voor monsterneming wordt periodiek (minimaal iedere 2 jaar) geactualiseerd.
De strategie voor monsterneming wordt periodiek (minimaal iedere 2 jaar) geactualiseerd.
Eerstelijnscontrole – Interne controle door de uitvoerenden van de verrichting zelf.
Eerstelijnscontrole – Interne controle door de uitvoerenden van de verrichting zelf.
### Hoofdstuk 4. Controle en registratie inkomende monsters
Het laboratorium controleert bij ontvangst of de verpakking van een monster voldoet aan de eisen. Hierbij controleert het laboratorium de volgende punten:
Het laboratorium controleert bij ontvangst of de verpakking van een monster voldoet aan de eisen. Hierbij controleert het laboratorium de volgende punten:
Bij evidente ondeugdelijkheid van de verpakking wordt het monster niet in bewerking genomen. In geval van een mengmonster worden ook de bijbehorende monsters niet in bewerking genomen. Binnen 24 uur wordt melding gedaan van bovenstaande punten aan de meldkamer van de NVWA en het monster of de monsters worden gedurende maximaal 28 dagen gekoeld opgeslagen. De NVWA beslist wat verder met de monsters dient te gebeuren.
### § 4.2. Controle hoeveelheid monster
### § 4.3. Registratie van gegevens
Het laboratorium weegt elk monster en registreert het gewicht. Het gewicht wordt tegelijk met de analyseresultaten gerapporteerd aan de vervoerder en in de periodieke rapportage aan de minister. Indien het gewicht van het monster te laag is, wordt dit monster niet geanalyseerd en mag niet worden gemengd in een mengmonster.
Het laboratorium registreert van elk inkomende monster de volgende gegevens:
### § 4.4. Monsteropslag en conservering
Het laboratorium bewaart inkomende monsters gekoeld bij 4±3°C. Wanneer de monsters op de dag van ontvangst of de daarop volgende dag in bewerking worden genomen behoeft koeling niet plaats te vinden.
### Hoofdstuk 5. Technische beschrijving van verrichtingen
Als sprake is van het maken van een mengmonster dan wordt dit aangegeven op een begeleidingsformulier dat de vervoerder met de betreffende monsters meestuurt. Voor het maken van mengmonsters moet wat betreft de te volgen procedure onderscheid gemaakt worden tussen drijfmest en vaste mest.
Als sprake is van het maken van een mengmonster dan wordt dit aangegeven op een begeleidingsformulier dat de vervoerder met de betreffende monsters meestuurt. Voor het maken van mengmonsters moet wat betreft de te volgen procedure onderscheid gemaakt worden tussen drijfmest en vaste mest.
Als sprake is van het maken van een mengmonster dan wordt dit aangegeven op een begeleidingsformulier dat de vervoerder met de betreffende monsters meestuurt. Voor het maken van mengmonsters moet wat betreft de te volgen procedure onderscheid gemaakt worden tussen drijfmest en vaste mest.
### 5.1.1. Mengen van monsters drijfmest
### 5.1.2. Mengen van monsters vaste mest
Voor het mengen van monsters vaste mest geldt de volgende procedure:
Voor het mengen van monsters vaste mest geldt de volgende procedure:
De monstervoorbehandeling van drijfmest moet uitgevoerd worden conform NEN 7430: ‘Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest’. Het aldus verkregen analysemonster drijfmest (minimale omvang ca. 250 ml) dient bij 4±3°C bewaard te worden.
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
Drijfmest met een geschat drogestofgehalte groter dan 15% wordt verdund met water. Hierbij dient de hoeveelheid in bewerking genomen mest en de toegevoegde hoeveelheid water gewogen te worden voor berekening van de verdunningsfactor. De mest dient zo nodig uit de monsterverpakking gespoeld te worden. Ook hierbij moet de verdunningsfactor worden berekend. De totale hoeveelheid mest wordt vastgesteld door begin- en eindgewicht van de monsterverpakkingen te registreren.
De monstervoorbehandeling van vaste mest en gedroogde mest moet uitgevoerd worden conform de procedure in § 5.1.2. en aansluitend volgens het betreffende onderdeel van NEN 7431 (volg protocol met toevoeging van wijnsteenzuur).
De dierlijke mest wordt ontsloten volgens NEN 7433 met een mengsel van zwavelzuur, waterstofperoxyde en kopersulfaat, waarbij stikstof en fosfor in een zodanige chemische vorm in oplossing worden gebracht, dat zonder verdere voorbehandeling (behalve verdunnen en het toevoegen van reagentia) een bepaling van stikstof en fosfor met instrumentele methoden mogelijk is. Van de mest wordt, indien gehomogeniseerd volgens NEN 7430, een hoeveelheid tussen 4 en 6 ml in bewerking genomen of, indien gedroogd en gemalen volgens NEN 7431, een hoeveelheid van ca. 1 gram.
De dierlijke mest wordt ontsloten volgens NEN 7433 met een mengsel van zwavelzuur, waterstofperoxyde en kopersulfaat, waarbij stikstof en fosfor in een zodanige chemische vorm in oplossing worden gebracht, dat zonder verdere voorbehandeling (behalve verdunnen en het toevoegen van reagentia) een bepaling van stikstof en fosfor met instrumentele methoden mogelijk is. Van de mest wordt, indien gehomogeniseerd volgens NEN 7430, een hoeveelheid tussen 4 en 6 ml in bewerking genomen of, indien gedroogd en gemalen volgens NEN 7431, een hoeveelheid van ca. 1 gram.
In afwijking van de vorige alinea wordt mineralenconcentraat voorbehandeld volgens NEN 7430 en vervolgens geanalyseerd gelijkwaardig met NEN-EN 14672:2005, omdat mineralenconcentraat doorgaans zeer lage fosforgehalten (< 0,01 g/kg) bevat.
De ontsluitingsmethode kan worden toegepast op alle soorten dierlijke mest, met uitzondering van mest waarin stikstof deels aanwezig is in de vorm van nitraat. Wanneer er nitraat in het monster aanwezig is dan wordt dit duidelijk tijdens de monstervoorbewerking volgens NEN 7433, waarbij er roodbruine dampen ontstaan tijdens het aanzuren.
Onbehandelde dierlijke mest bevat geen nitraat. Nitraat kan echter wel zijn toegevoegd (aanzuren met salpeterzuur) of tijdens bepaalde behandelingen (beluchten) zijn gevormd. Bij dierlijke mest waarvan het tijdens de monstervoorbewerking duidelijk wordt dat het nitraat bevat dient NEN 7437 ‘Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof’ te worden toegepast. De eisen gesteld aan deze bepaling van totaal stikstof zijn gelijk aan die voor de bepaling van stikstof volgens NEN 7434.
### Hoofdstuk 6. Kwaliteitsborging
De kwaliteitsborging van een verrichting bestaat uit de volgende onderdelen:
De kwaliteitsborging van een verrichting bestaat uit de volgende onderdelen:
### **3. Uitgangspunten**
Tweedelijnscontrole – Interne controle onafhankelijk van de uitvoerenden.
Derdelijnscontrole – Externe controle door onafhankelijke instantie(s).
De monsternemende organisatie is verantwoordelijk voor de eigen kwaliteitsbewaking en -borging door middel van eerste en tweedelijnscontroles. Voor dit accreditatieprogramma zijn de eisen aangaande kwaliteitsborging van toepassing, zoals beschreven in NEN EN ISO/IEC 17020 en NEN EN ISO/IEC 17025.
De monsternemende organisatie is verantwoordelijk voor de eigen kwaliteitsbewaking en -borging door middel van eerste en tweedelijnscontroles. Voor dit accreditatieprogramma zijn de eisen aangaande kwaliteitsborging van toepassing, zoals beschreven in NEN EN ISO/IEC 17020 en NEN EN ISO/IEC 17025.
De eerstelijnscontrole behelst controle op het volledig en juist uitvoeren van de voorgeschreven verrichtingen. De monsternemende organisatie beschikt over een systeem waarmee ten minste de monsternemer zelf de eigen werkzaamheden controleert en tijdig herstelt of aanvult.
De tweedelijnscontrole omvat de controle van de monsterneming ter plaatse door de monsternemende organisatie. Deze controle omvat ten minste een blinde, tweede monsterneming van dezelfde partij mest teneinde de herhaalbaarheid van de monsterneming te bewaken.
Van een organisatie die geaccrediteerd is volgens NEN EN ISO/IEC 17025, wordt voor accreditatie aanvullend geëist dat deze voldoet aan onderdelen beschreven in ISO/IEC 17020, die gelden voor een type A-instelling:
Van een organisatie die geaccrediteerd is volgens NEN EN ISO/IEC 17020 die gelden voor een type A-instelling, wordt voor accreditatie aanvullend geëist dat het voldoet aan onderdelen beschreven in ISO/IEC 17025:
Het doel van de derdelijnscontrole is het continu borgen van de kwaliteit van monsterneming door externe partij(en) e/o onafhankelijke instantie(s) en bestaat uit een zogenaamd harmonisatieoverleg en een ringonderzoek.
Het doel van de derdelijnscontrole is het continu borgen van de kwaliteit van monsterneming door externe partij(en) e/o onafhankelijke instantie(s) en bestaat uit een zogenaamd harmonisatieoverleg en een ringonderzoek.
Het harmonisatieoverleg vindt minimaal 2-jaarlijks plaats ten behoeve van de kennisuitwisseling tussen geaccrediteerde monsternemende organisaties op strategisch en uitvoerend niveau. De monsternemende organisaties nemen actief deel aan dit overleg. Behalve een vertegenwoordiging van het ministerie van EZ (organisator) kan de RvA ook deelnemen aan dit overleg.
Dit overleg adviseert de minister van Economische Zaken over het toepassen van administratieve beslissingen, aanpassing van algemene richtsnoeren en eventuele uitbreiding naar andere onderwerpen.
### 10. Rapportage
Door de RvA wordt periodiek (minimaal iedere 2 jaar), maar ook steekproefsgewijs controle uitgevoerd op de eisen van AP06.
Door de RvA wordt periodiek (minimaal iedere 2 jaar), maar ook steekproefsgewijs controle uitgevoerd op de eisen van AP06.
### 11. Controle op naleving
In geval van een schorsing of intrekking van de accreditatie meldt de RvA dit terstond aan de minister van Economische Zaken. Indien de accreditatie is ingetrokken of geschorst, mag een organisatie geen mestmonsters nemen ten behoeve van de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054).
De RvA zal in een jaarlijkse geanonimiseerde rapportage aan de minister haar bevindingen weergeven. Tevens zullen de branchebreed waargenomen afwijkingen/tekortkomingen worden behandeld. Hiermee kunnen mogelijke knelpunten die zich in de praktijk voordoen worden opgespoord en zo nodig worden aangepast in het accreditatieprogramma.
Aanvullend op de beoordelingen door de RvA ziet de NVWA toe op naleving van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Daarbij kan de NVWA ook eisen uit AP06 betrekken.
### § 7.4. Rapportage aan de minister
Iedere monsternemende organisatie stuurt de planning van de bedrijfsbezoeken dagelijks naar de NVWA. Hierdoor heeft de NVWA de mogelijkheid om ter plaatse en ten tijde van de monsterneming aanwezig te zijn om de uitvoering door de monsternemer van het protocol te beoordelen en om zo nodig (op een later tijdstip) zelf een controlemonster te nemen.
De NVWA inspecteur zal daarbij aandacht hebben voor:
### 12. Literatuur
2-de werkwijze van de monsternemer die overeenkomstig het protocol voor de borging van representativiteit van het monster moet zijn, waaronder ook begrepen de verificatie van de juistheid van de opgegeven mestsoort (code), de inschatting van de hoeveelheid en het bemonsteren op de gemelde locatie en het juiste ‘vak’.
3-de volledigheid en juistheid van schriftelijke vastleggingen welke van de monsternemer gevraagd worden
4-de onafhankelijkheid van de monsternemer.
Daarnaast kan de NVWA inspecteur zelf ook monsters nemen om de analyse-uitslagen met elkaar te vergelijken. Deze controlemonsters kunnen op het bedrijf van de leverancier van de meststoffen zelf genomen worden, in de periode tussen het bezoek van de onafhankelijk monsternemer en de afvoer van de partij. Bij vrachtbemonstering kan de NVWA inspecteur het controlemonster ook op de loslocatie nemen.
Voor het opstellen van accreditatieprogramma voor vaste mest is gebruik gemaakt van beschikbare informatie van de RvA en de Vlaamse overheid. Bij het opstellen van paragraaf 5 is advies ingewonnen bij de Commissie Deskundigen Meststoffen.
Voor het opstellen van accreditatieprogramma voor vaste mest is gebruik gemaakt van beschikbare informatie van de RvA en de Vlaamse overheid. Bij het opstellen van paragraaf 5 is advies ingewonnen bij de Commissie Deskundigen Meststoffen.
Raad voor Accreditatie, Accreditatie van monsterneming, RvA-T021-NL
Versie 3, 27-2-2015.
## Bijlage F
### onderdeel A
### Onderdeel B
## Bijlage F
### onderdeel A
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2018-06-06&g=2018-06-06) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2018-06-06&g=2018-06-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
Deze bijlage is geschreven voor de uitvoering en kwaliteitsborging van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het accreditatieprogramma omvat zowel een beschrijving voor de toelating tot en de periodieke herbeoordeling van de accreditatie van laboratoria, als een beschrijving van het beheerssysteem waarmee de kwaliteit van de laboratoria tussentijds geborgd is. Dit accreditatieprogramma wordt verder aangeduid als AP05.
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; AP05
AP05 dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van metingen van stikstof en fosfaat in dierlijke mest zowel binnen een laboratorium als tussen laboratoria op langere termijn te waarborgen.
### Hoofdstuk 1. Introductie
Deze bijlage is geschreven voor de uitvoering en kwaliteitsborging van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het accreditatieprogramma omvat zowel een beschrijving voor de toelating tot en de periodieke herbeoordeling van de accreditatie van laboratoria, als een beschrijving van het beheerssysteem waarmee de kwaliteit van de laboratoria tussentijds geborgd is. Dit accreditatieprogramma wordt verder aangeduid als AP05.
AP05 dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van metingen van stikstof en fosfaat in dierlijke mest zowel binnen een laboratorium als tussen laboratoria op langere termijn te waarborgen.
### Hoofdstuk 2. Algemene eisen
### Tabel IV behorende bij de [artikelen 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57&z=2015-05-28&g=2015-05-28), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57a&z=2015-05-28&g=2015-05-28), [57b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2015-05-28&g=2015-05-28) en [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2015-05-28&g=2015-05-28)
In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.
Laboratoria die wensen deel te nemen aan AP05 dienen zich aan te melden bij de Raad voor Accreditatie. Het laboratorium dient aan te tonen dat het bekend is met de specifieke kenmerken van de matrix dierlijke mest en dat de voorgeschreven analysemethoden goed kunnen worden uitgevoerd. Hiervoor moet vooraf een groot aantal monsters (200) onder beheerste condities geanalyseerd worden. Reden voor dit grote aantal analyses vooraf, is de diversiteit in de matrix mest (diersoorten, stalsystemen) en de daarbij behorende effecten op de gehalten. Als aangetoond is dat aan de kwaliteitseisen van AP05 kan worden voldaan kan het laboratorium worden geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. Vóórdat monsters in het kader van het stelsel van gebruiksnormen geanalyseerd mogen worden, dient ook de kwaliteitsbewaking opgestart te zijn, in de vorm van controlemonsters met de bijbehorende controlekaarten.
Laboratoria die wensen deel te nemen aan AP05 dienen zich aan te melden bij de Raad voor Accreditatie. Het laboratorium dient aan te tonen dat het bekend is met de specifieke kenmerken van de matrix dierlijke mest en dat de voorgeschreven analysemethoden goed kunnen worden uitgevoerd. Hiervoor moet vooraf een groot aantal monsters (200) onder beheerste condities geanalyseerd worden. Reden voor dit grote aantal analyses vooraf, is de diversiteit in de matrix mest (diersoorten, stalsystemen) en de daarbij behorende effecten op de gehalten. Als aangetoond is dat aan de kwaliteitseisen van AP05 kan worden voldaan kan het laboratorium worden geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. Vóórdat monsters in het kader van het stelsel van gebruiksnormen geanalyseerd mogen worden, dient ook de kwaliteitsbewaking opgestart te zijn, in de vorm van controlemonsters met de bijbehorende controlekaarten.
Indien in dit document de Raad voor Accreditatie wordt genoemd kan dit ook een accreditatieorganisatie zijn waarmee de Raad voor Accreditatie een Multi Lateral Agreement MLA {EA}, MRA {ILAC} heeft gesloten.
Om voor accreditatie voor AP05 in aanmerking te komen, moet het laboratorium door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025: IDT (general requirements for the competence of testing and calibration laboratories).
Een laboratorium moet de verrichtingen die in hoofdstuk 3 van AP05 zijn vermeld en waarvoor het laboratorium is geaccrediteerd te allen tijden kunnen uitvoeren.
Indien AP05 wordt gewijzigd, dient het laboratorium zich daaraan binnen 6 maanden te conformeren, tenzij anders bepaald. In een dergelijke situatie ligt de verantwoordelijkheid voor het nemen van initiatieven met betrekking tot onderzoek door de RvA bij de laboratoria.
De verrichtingen volgens de volgende NEN-normen zijn voorgeschreven:
In AP05 zijn de verrichtingen, die in het kader van het stelsel van gebruiksnormen kunnen worden gebruikt, opgenomen. Een laboratorium kan kiezen voor accreditatie voor:
In AP05 zijn de verrichtingen, die in het kader van het stelsel van gebruiksnormen kunnen worden gebruikt, opgenomen. Een laboratorium kan kiezen voor accreditatie voor:
De verrichtingen volgens de volgende NEN-normen zijn voorgeschreven:
De verrichtingen uit de volgende NEN-normen zijn als referentiemethoden voorgeschreven:
Voorafgaand aan indienen van een verzoek om accreditatie en bij van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting voert het laboratorium een validatie-onderzoek uit. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan toetst het laboratorium in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
### **1. Algemeen**
De herhaalbaarheid wordt getoetst aan de hand van een representatieve steekproef van de mestsoorten die het laboratorium ontvangt en de concentratieniveaus waarin stikstof en fosfor in de desbetreffende mestsoorten voorkomt.
In eerste instantie wordt van 200 monsters het stikstof- en fosfaatgehalte in duplo bepaald. Vervolgens worden de resultaten waarbij het stikstof- en/of fosfaatgehalte beneden de minimale rapportagewaarde (zie § 7.1) ligt weggelaten. Deze worden vervangen door aanvullende metingen aan nieuwe monsters zodat het totaal aantal duplobepalingen dat boven de minimale rapportagewaarde voor stikstof en fosfaat ligt uiteindelijk 200 bedraagt.
De herhaalbaarheid voor stikstof en fosfor zoals vermeld in hoofdstuk 6 is gedefinieerd voor twee concentratieniveaus. Wanneer het laboratorium voor beide concentratieniveaus geaccrediteerd wilt zijn dan dienen er minimaal 20 resultaten voor stikstof, en minimaal 20 resultaten voor fosfor in het lage concentratieniveau te liggen. Dit vereist indien nodig aanvullende duplobepalingen op een set van aanvullende monsters.
De herhaalbaarheid wordt vervolgens berekend uit de standaarddeviatie van de duplobepalingen voor stikstof en fosfor. Wanneer het relevant is wordt deze berekening afzonderlijk uitgevoerd voor beide concentratieniveaus. De standaarddeviatie van de duplobepalingen (SDduplo) wordt berekend met:
Waarbij x2,i en x1,i het i-de duplopaar voorstellen en Nc het aantal monsters betreft binnen het betreffende concentratieniveau. Vervolgens wordt de herhaalbaarheid (sr) berekend met:
Voor het lage concentratieniveau wordt de herhaalbaarheid vergeleken met de herhaalbaarheid voor het betreffende element in hoofdstuk 6, en deze moet kleiner of gelijk te zijn aan de herhaalbaarheid voor het lage concentratieniveau. Voor het hoge concentatieniveau moet de berekende herhaalbaarheid eerst worden gedeeld door het gemiddelde van alle metingen voor het desbetreffende element. Deze moet kleiner of gelijk zijn aan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor het hoge concentratieniveau.
Het is toegestaan binnen AP05 om in plaats van de referentiemethode een huismethode te gebruiken. Het laboratorium moet dan via een gelijkwaardigheidsonderzoek aantonen dat de gebruikte huismethode vergelijkbare of betere resultaten geeft dan de referentiemethode.
Het is toegestaan binnen AP05 om in plaats van de referentiemethode een huismethode te gebruiken. Het laboratorium moet dan via een gelijkwaardigheidsonderzoek aantonen dat de gebruikte huismethode vergelijkbare of betere resultaten geeft dan de referentiemethode.
Ten eerste dient aangetoond te worden dat de herhaalbaarheid van de huismethode gelijk of beter is dan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting. Hiervoor dient de in § 3.2 beschreven procedure te worden gebruikt.
Daarnaast dient aangetoond te worden dat de verschillen tussen de huismethode en de referentiemethode binnen acceptabele grenzen liggen. Hiervoor dienen de monsters die zijn gebruikt voor het bepalen van de herhaalbaarheid van de huismethode tevens met de referentiemethode te worden gemeten in duplo.
De resultaten van de duplobepalingen dienen te worden gemiddeld. Vervolgens wordt van beide bepalingen (huismethode en referentiemethode) het relatieve verschil berekend door het resultaat van de huismethode af te trekken van het resultaat van de referentiemethode en dit verschil te delen door het resultaat zoals verkregen met de referentiemethode en dit te vermenigvuldigen met 100%.
Tot slot wordt de mediane waarde van deze relatieve verschillen bepaald zonder een onderscheid te maken tussen de twee concentratieniveaus. De mediaan van deze verschillen dient voor stikstof en fosfor kleiner te zijn dan 2.5%. Bij het uitvoeren van de bepalingen mogen de meetresultaten op generlei wijze voor systematische verschillen gecorrigeerd worden.
Bij evidente ondeugdelijkheid van de verpakking wordt het monster niet in bewerking genomen. In geval van een mengmonster worden ook de bijbehorende monsters niet in bewerking genomen. Binnen 24 uur wordt melding gedaan van bovenstaande punten aan de meldkamer van de NVWA en het monster of de monsters worden gedurende maximaal 28 dagen gekoeld opgeslagen. De NVWA beslist wat verder met de monsters dient te gebeuren.
### § 4.1. Controle monsterverpakking
Het laboratorium controleert bij ontvangst of de verpakking van een monster voldoet aan de eisen. Hierbij controleert het laboratorium de volgende punten:
Bij evidente ondeugdelijkheid van de verpakking wordt het monster niet in bewerking genomen. In geval van een mengmonster worden ook de bijbehorende monsters niet in bewerking genomen. Binnen 24 uur wordt melding gedaan van bovenstaande punten aan de meldkamer van de NVWA en het monster of de monsters worden gedurende maximaal 28 dagen gekoeld opgeslagen. De NVWA beslist wat verder met de monsters dient te gebeuren.
Het laboratorium controleert of de inkomende monsters
### § 4.4. Monsteropslag en conservering
### § 4.3. Registratie van gegevens
Het laboratorium registreert van elk inkomende monster de volgende gegevens:
Het laboratorium registreert van elk inkomende monster de volgende gegevens:
### § 4.4. Monsteropslag en conservering
Het laboratorium bewaart inkomende monsters gekoeld bij 4±3°C. Wanneer de monsters op de dag van ontvangst of de daarop volgende dag in bewerking worden genomen behoeft koeling niet plaats te vinden.
### Hoofdstuk 5. Technische beschrijving van verrichtingen
Als sprake is van het maken van een mengmonster dan wordt dit aangegeven op een begeleidingsformulier dat de vervoerder met de betreffende monsters meestuurt. Voor het maken van mengmonsters moet wat betreft de te volgen procedure onderscheid gemaakt worden tussen drijfmest en vaste mest.
Als sprake is van het maken van een mengmonster dan wordt dit aangegeven op een begeleidingsformulier dat de vervoerder met de betreffende monsters meestuurt. Voor het maken van mengmonsters moet wat betreft de te volgen procedure onderscheid gemaakt worden tussen drijfmest en vaste mest.
Voor het mengen van monsters drijfmest geldt de volgende procedure:
### 5.1.2. Mengen van monsters vaste mest
### 5.1.2. Mengen van monsters vaste mest
Voor het mengen van monsters vaste mest geldt de volgende procedure:
De monstervoorbehandeling van drijfmest moet uitgevoerd worden conform NEN 7430: ‘Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest’. Het aldus verkregen analysemonster drijfmest (minimale omvang ca. 250 ml) dient bij 4±3°C bewaard te worden.
De monstervoorbehandeling van drijfmest moet uitgevoerd worden conform NEN 7430: ‘Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest’. Het aldus verkregen analysemonster drijfmest (minimale omvang ca. 250 ml) dient bij 4±3°C bewaard te worden.
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
De monstervoorbehandeling van vaste mest en gedroogde mest moet uitgevoerd worden conform de procedure in § 5.1.2. en aansluitend volgens het betreffende onderdeel van NEN 7431 (volg protocol met toevoeging van wijnsteenzuur).
De dierlijke mest wordt ontsloten volgens NEN 7433 met een mengsel van zwavelzuur, waterstofperoxyde en kopersulfaat, waarbij stikstof en fosfor in een zodanige chemische vorm in oplossing worden gebracht, dat zonder verdere voorbehandeling (behalve verdunnen en het toevoegen van reagentia) een bepaling van stikstof en fosfor met instrumentele methoden mogelijk is. Van de mest wordt, indien gehomogeniseerd volgens NEN 7430, een hoeveelheid tussen 4 en 6 ml in bewerking genomen of, indien gedroogd en gemalen volgens NEN 7431, een hoeveelheid van ca. 1 gram.
De dierlijke mest wordt ontsloten volgens NEN 7433 met een mengsel van zwavelzuur, waterstofperoxyde en kopersulfaat, waarbij stikstof en fosfor in een zodanige chemische vorm in oplossing worden gebracht, dat zonder verdere voorbehandeling (behalve verdunnen en het toevoegen van reagentia) een bepaling van stikstof en fosfor met instrumentele methoden mogelijk is. Van de mest wordt, indien gehomogeniseerd volgens NEN 7430, een hoeveelheid tussen 4 en 6 ml in bewerking genomen of, indien gedroogd en gemalen volgens NEN 7431, een hoeveelheid van ca. 1 gram.
In afwijking van de vorige alinea wordt mineralenconcentraat voorbehandeld volgens NEN 7430 en vervolgens geanalyseerd gelijkwaardig met NEN-EN 14672:2005, omdat mineralenconcentraat doorgaans zeer lage fosforgehalten (< 0,01 g/kg) bevat.
De ontsluitingsmethode kan worden toegepast op alle soorten dierlijke mest, met uitzondering van mest waarin stikstof deels aanwezig is in de vorm van nitraat. Wanneer er nitraat in het monster aanwezig is dan wordt dit duidelijk tijdens de monstervoorbewerking volgens NEN 7433, waarbij er roodbruine dampen ontstaan tijdens het aanzuren.
Onbehandelde dierlijke mest bevat geen nitraat. Nitraat kan echter wel zijn toegevoegd (aanzuren met salpeterzuur) of tijdens bepaalde behandelingen (beluchten) zijn gevormd. Bij dierlijke mest waarvan het tijdens de monstervoorbewerking duidelijk wordt dat het nitraat bevat dient NEN 7437 ‘Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof’ te worden toegepast. De eisen gesteld aan deze bepaling van totaal stikstof zijn gelijk aan die voor de bepaling van stikstof volgens NEN 7434.
Eerstelijnscontrole – Interne controle door de uitvoerenden van de verrichting zelf.
### § 6.1. Algemeen
De kwaliteitsborging van een verrichting bestaat uit de volgende onderdelen:
Eerstelijnscontrole – Interne controle door de uitvoerenden van de verrichting zelf.
### **3. Uitgangspunten**
Derdelijnscontrole – Externe controle door onafhankelijke instantie(s).
De kwaliteitsborging van het laboratorium dient te zijn vastgelegd in eerste, tweede en derdelijnsdocumenten, waarin de volgende aspecten dienen te worden ondergebracht:
De eerste-, tweede- en derdelijnscontrole vormen géén additionele kwaliteitsborging maar de minimale kwaliteitsborging die dient te worden toegepast.
### § 6.2. Eerstelijnscontrole
De kwaliteitsborging is vastgelegd in de herhaalbaarheid. Voor stikstof en fosfor in dierlijke mest is deze, afhankelijk van het concentratieniveau, als volgt:
Voor het lage concentratieniveau is de herhaalbaarheid uitgedrukt als een absoluut verschil tussen duplobepalingen, terwijl de herhaalbaarheid voor het hoge concentratieniveau is uitgedrukt als een percentage van de gemiddelde waarde van een duplobepaling.
Drijfmest, die verdund is met water voor het verkrijgen van een goed analysemonster, wordt getoetst op herhaalbaarheid in het analysemonster vóórdat het in het analysemonster verkregen gehalte teruggerekend wordt naar het oorspronkelijke monster. Dit geldt ook voor de vaste mest die al dan niet voorbehandeld is met wijnsteenzuur en gemalen teneinde een geschikt analysemonster te verkrijgen.
### § 6.2. Eerstelijnscontrole
De eerstelijnscontrole is opgebouwd uit de beoordeling van de analyseresultaten van het controlemonster en van het analysemonster. In het kader van de kwaliteitsborging worden alle analyses in duplo onder herhaalbaarheidscondities uitgevoerd.
### § 6.2.1. Controlemonster eerste lijn
Het controlemonster van de eerstelijn dient om het concentratieniveau van een serie monsters te bewaken. Uitgangspunt is dat het gebruikte monstermateriaal gedurende de gebruiksperiode niet verandert van samenstelling. Om te garanderen dat het controlemonster drijfmest over lange periode stabiel blijft dient het te worden bewaard bij een temperatuur van 4°C of lager. Het (met wijnsteenzuur behandelde en gedroogde) controlemonster vaste mest dient bij kamertemperatuur bewaard te worden.
Het controlemonster van de eerstelijn dient om het concentratieniveau van een serie monsters te bewaken. Uitgangspunt is dat het gebruikte monstermateriaal gedurende de gebruiksperiode niet verandert van samenstelling. Om te garanderen dat het controlemonster drijfmest over lange periode stabiel blijft dient het te worden bewaard bij een temperatuur van 4°C of lager. Het (met wijnsteenzuur behandelde en gedroogde) controlemonster vaste mest dient bij kamertemperatuur bewaard te worden.
### **4.2. Het nemen van de ondermonsters**
Door het laboratorium dient de omvang van de serie te worden vastgelegd. Per serie wordt het desbetreffende controlemonster in tweevoud onder herhaalbaarheidscondities geanalyseerd. Minimaal één controlemonster (drijfmest of vaste mest) per analysedag is vereist.
Het gehalte aan stikstof en fosfor van het controlemonster drijfmest dient te liggen tussen 4 en 12 g/kg respectievelijk 1 en 5 g/kg. Het gehalte aan stikstof en fosfor van het al dan niet voorbehandelde gedroogde en gemalen controlemonster vaste mest dient te liggen tussen 25 en 75 g/kg respectievelijk 4 en 20 g/kg.
De eisen gesteld aan de herhaalbaarheid van het controlemonster zijn gelijk aan die van de monsters, dus voor stikstof 4% en voor fosfor 6%.
@@ -3546,10 +3552,10 @@
Het tweedelijnscontrolemonster dient een ander monster te zijn dan het controlemonster dat gebruikt wordt voor de eerstelijnscontrole en dient – voor zover mogelijk – onherkenbaar bepaald te worden.
Het controlemonster dient te bestaan uit een mengsel van met wijnsteenzuur voorbehandelde, gedroogde en gemalen vaste mest. Het gehalte aan stikstof en fosfor dient te liggen tussen 25 en 75 g/kg resp. 4 en 20 g/kg. De aangemaakte hoeveelheid monster dient voldoende te zijn voor een periode van 10 jaar.
### **4.6. Monsteradministratie**
De eisen gesteld aan de herhaalbaarheid van het controlemonster zijn gelijk aan die van de monsters, dus voor stikstof 4% en voor fosfor 6%.
Het opstellen van de controlekaart is gelijk aan het opstellen van de controlekaart voor eerstelijns controles (zie § 6.2.1.)
De resultaten worden beoordeeld door een persoon die onafhankelijk is van de uitvoerende medewerkers.
@@ -3570,13 +3576,11 @@
Het doel van de derdelijnscontrole is het continu borgen van de analytische kwaliteit van de laboratoria voor de bepaling van stikstof en fosfaat volgens AP05. De derdelijnscontrole bestaat uit twee onderdelen:
Ten aanzien van ringonderzoeken dienen de volgende procedurele aspecten in een apart document of in het kwaliteitssysteem van het laboratorium te zijn opgenomen:
Het laboratorium dient minimaal drie keer per jaar voor zijn geaccrediteerde verrichtingen aan ringonderzoeken deel te nemen. Deze ringonderzoeken worden in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken uitgevoerd door daartoe door de minister aangewezen instantie of instanties. Monsters die in het kader van ringonderzoeken worden aangeboden zijn als zodanig herkenbaar.
Het laboratorium dient minimaal drie keer per jaar voor zijn geaccrediteerde verrichtingen aan ringonderzoeken deel te nemen. Deze ringonderzoeken worden in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken uitgevoerd door daartoe door de minister aangewezen instantie of instanties. Monsters die in het kader van ringonderzoeken worden aangeboden zijn als zodanig herkenbaar.
Ten aanzien van ringonderzoeken dienen de volgende procedurele aspecten in een apart document of in het kwaliteitssysteem van het laboratorium te zijn opgenomen:
Het laboratorium dient minimaal drie keer per jaar voor zijn geaccrediteerde verrichtingen aan ringonderzoeken deel te nemen. Deze ringonderzoeken worden in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken uitgevoerd door daartoe door de minister aangewezen instantie of instanties. Monsters die in het kader van ringonderzoeken worden aangeboden zijn als zodanig herkenbaar.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
@@ -3586,7 +3590,7 @@
2. De op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevulde gegevens worden door de vervoerder uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht zuiveringsslib of compost op elektronische wijze bij de minister ingediend.
3. In afwijking van [artikel 55, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55), kunnen de leverancier of de afnemer, de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost machtigen. [Artikel 65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=65&z=2019-01-01&g=2019-01-01) is op deze machtiging van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van [artikel 55, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55), kunnen de leverancier of de afnemer, de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost machtigen. [Artikel 65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=65&z=2019-01-31&g=2019-01-31) is op deze machtiging van overeenkomstige toepassing.
#### § 2. Vervoersbewijs dierlijke meststoffen
@@ -4220,7 +4224,70 @@
NEN 6961: 2005
## bijlage Aa. , behorende bij [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage
Tabel met de verschillende rechtsgrondslagen in de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054), de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) en het [Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031) van de artikelen van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
| Artikel [meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054) | Artikelen [Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031) | Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet |
| --- | --- | --- |
| 1, eerste lid, onderdeel f | | 3 |
| 5d (10 nieuw), eerste lid | | 28 |
| 5f (12 nieuw), derde lid | | 29 |
| 5e (11 nieuw), vijfde lid | | 30 tot en met 33 |
| 5f (12 nieuw), vijfde lid | | 34 |
| 5e (11 nieuw), zesde lid | | 35 |
| | 28, tweede lid, onderdeel b | 36 |
| | 36, onderdeel a | 37 |
| | 36, onderdeel b | 38, 40 |
| | 36, onderdeel c | 39 |
| | 26, tweede lid, onderdeel b | 41 |
| | 36, onderdeel d, 35, tweede lid | 42 |
| 59d (38 nieuw) | 36, onderdeel e | 43, 44 |
| | 41, onderdeel a | 45 |
| | 41, onderdelen b en c | 46, 51 |
| | 41, onderdeel b | 47, 49 |
| | 41, onderdelen d en e | 48 |
| | 46, onderdeel a | 50 |
| | 46, onderdeel d | 52 |
| | 52, eerste lid, onderdelen c en d, 70, vierde lid, onderdeel b | 53 |
| | 52, eerste lid, onderdelen a, c en d | 54 |
| | 52, eerste lid, onderdeel e | 55, 56 |
| | 52, eerste lid, onderdeel a | 57, 59 |
| | 51, 52, eerste lid, onderdeel b | 58 |
| | 52, derde lid | 60 |
| | 54, onderdeel b | 61 tot en met 63, 66 |
| | 54, onderdelen d en e | 64, eerste tot en met derde lid |
| | 54, onderdeel c | 64, vierde lid, 65, 67 |
| | 55, derde lid | 68 |
| | 56, onderdelen b en c | 69 |
| | 61, derde lid, 64, tweede lid, onderdeel c | 70 |
| | 64, eerste lid | 71 |
| | 64, tweede lid, onderdeel b | 72 |
| | 70, eerste lid, onderdeel a en derde lid | 73, 74, eerste lid |
| | 70, vierde lid, onderdeel a | 74, tweede lid, 83, 92, 93, eerste en tweede lid, 94 en 95 |
| | 70, vierde lid, onderdeel c | 74, derde lid, 80 en 125 |
| 59d (38 nieuw) | | 74, vierde en vijfde lid, 75, 82, derde lid, 93, derde lid, en 126 |
| | 70, vierde lid, onderdelen a en c | 76, 77 en 98 |
| | 70, vierde lid, onderdelen a tot en met d | 78, 79 en 82, eerste en tweede lid |
| | 70, vierde lid, onderdelen c tot en met e | 81 |
| | 70, tweede lid, onderdeel b | 84 tot en met 91 |
| | 70, eerste lid, onderdeel c | 96, 102 en 103 |
| | 70, vierde lid, onderdelen a t/m c | 98, 100 en 101, eerste lid |
| | 70, vierde lid, onderdeel e | 99 |
| | 70, eerste lid, onderdeel b | 101, tweede lid |
| | 70, eerste lid, onderdeel c en tweede lid, onderdeel a | 101, derde lid |
| 58f (27 nieuw), derde lid | | 104 |
| 58i (30 nieuw), tweede en derde lid | | 105 t/m 109 |
| 58j (31 nieuw), derde lid | | 110 |
| 60, tweede en derde lid | | 111 |
| | 36, onderdeel d, 41, onderdeel d en 46, onderdeel d | 122, 123 en 127 |
| | 36, onderdelen b en d, 41 onderdelen b en d, 46, onderdelen b en d | 124 |
| | 71 | 128 |
| 69 (47 nieuw) | | 129 |
| Artikel [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) | | Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet |
| 64 | | 134 |
## bijlage Aa. , behorende bij [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
I. Stoffen die als meststof kunnen worden verhandeld
@@ -4446,87 +4513,33 @@
| 1. | Restoliën die zijn verkregen bij inzamelen bij restaurants, hotels, cafetaria’s etc. en niet geschikt zijn voor consumptie (frituurolie). |
| 2. | Reststof die is verkregen bij de raffinage van oliën en vetten in de voedings- en genotsmiddelen- en veevoedingsindustrie en die bestaat uit bleekaarde van bentoniet of montmorilloniet (ontoliede bleekaarde). |
## bijlage Ab. behorende bij de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
| Zware metalen | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| | MgO | SO3 | Na2O | CaO in CaSO4-meststof |
| Cd | 33 | 33 | 42 | 2,5 |
| Cr | 2000 | 2000 | 2500 | 150 |
| Cu | 2000 | 2000 | 2500 | 150 |
| Hg | 20 | 20 | 25 | 1,5 |
| Ni | 800 | 800 | 1000 | 60 |
| Pb | 2667 | 2667 | 3333 | 200 |
| Zn | 8000 | 8000 | 10000 | 600 |
| As | 400 | 400 | 500 | 30 |
Voor de toepassing van deze tabel zijn de maximale waarden van toepassing die behoren bij dat waardegevende bestanddeel waarvan bij het toedienen van een toenemende hoeveelheid van de meststof, de hoeveelheden van 75 kilogram magnesiumoxide, 75 kilogram zwaveltrioxide of 60 kilogram natriumoxide het éérst wordt bereikt. Voor calsiumsulfaat gelden de vermelde maximale waarden.
| | Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| Organische microverontreinigingen | MgO | SO3 | Na2O | CaO in CaSO4-meststof |
| Σ PCDD/PCDF | 0,020 | 0,020 | 0,025 | 0,00152 |
| α-ΗCH | 331 | 331 | 413 | 24,8 |
| β-ΗCH | 12,8 | 12,8 | 16 | 0,96 |
| γ-ΗCΗ (lindaan) | 1,3 | 1,3 | 1,6 | 0,10 |
| HCB | 41,6 | 41,6 | 52,0 | 3,12 |
| Aldrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Dieldrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Σ aldrin/dieldrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Endrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Isodrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Σ endrin/isodrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Σ DDT + DDD + DDE | 24,5 | 24,5 | 30,7 | 1,84 |
| PCB-28 | 19,7 | 19,7 | 24,7 | 1,48 |
| PCB-52 | 19,7 | 19,7 | 24,7 | 1,48 |
| PCB-101 | 80 | 80 | 100 | 6 |
| PCB-118 | 80 | 80 | 100 | 6 |
| PCB – 138 | 80 | 80 | 100 | 6 |
| PCB – 153 | 80 | 80 | 100 | 6 |
| PCB – 180 | 80 | 80 | 100 | 6 |
| Σ 6-PCB (excl. PCB-118) | 400 | 400 | 500 | 30 |
| Naftaleen | 640 | 640 | 800 | 48 |
| Fenanthreen | 800 | 800 | 1000 | 60 |
| Antraceen | 640 | 640 | 800 | 48 |
| Fluoranteen | 197 | 197 | 247 | 15 |
| Benzo(a)antraceen | 245 | 245 | 307 | 18 |
| Chryseen | 245 | 245 | 307 | 18 |
| Benzo(k)fluoranteen | 288 | 288 | 360 | 22 |
| Benzo(a)pyreen | 309 | 309 | 387 | 23 |
| Benzo(g,h,i)peryleen | 224 | 224 | 280 | 17 |
| Indeno(1,2,3-c,d)pyreen | 251 | 251 | 313 | 19 |
| Σ 10-PAK | 12267 | 12267 | 15333 | 920 |
| Minerale olie | 997333 | 997333 | 1246667 | 74800 |
Voor de toepassing van deze tabel zijn de maximale waarden van toepassing die behoren bij dat waardegevende bestanddeel waarvan bij het toedienen van een toenemende hoeveelheid van de meststof, de hoeveelheden van 75 kilogram magnesiumoxide, 75 kilogram zwaveltrioxide of 60 kilogram natriumoxide het éérst wordt bereikt. Voor calsiumsulfaat gelden de vermelde maximale waarden.
### **1. Stikstof (N)**
### **2. Fosfaat (P2O5)**
### **2. Fosfaat (P2O5)**
Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge. (www.ecn.nl/horizontal).
Voor overige organische stoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
### **4. Calciumoxide (CaO)**
Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
### **5. Magnesiumoxide (MgO)**
### **9. Kobalt (Co)**
Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met grafietoventechniek.
EN 15477: Fertilizers – Determination of the water-soluble potassium content.
### **4. Calciumoxide (CaO)**
### **8. Boor (B)**
CSS 99029: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Graphite furnace atomic absorption spectrometry method.
### **3. Instrumentele analyse Hg**
Bodem – Kwantitatieve bepaling van het gehalte van Organochloor Bestrijdingsmiddelen (OCB), polychloorbifenylen (PCB) en matig-vluchtige chloorbenzenen met gaschromatografie
in combinatie met NEN 6980 : 2008
### Onderdeel I. Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken. In onderdeel I van dit protocol wordt aangegeven hoe de bemonstering van een perceel bouwland of grasland dient plaats te vinden. De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal, die respectievelijk staan omschreven in onderdeel II en III van dit protocol. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test die vergeleken moet worden met de waarden die opgenomen zijn in artikel 30, eerste en tweede lid van de regeling. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw monster gestoken te worden om het mengmonster te verkrijgen.
### Onderdeel I. Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
### Principe
Voor de bemonstering van een perceel landbouwgrond dan wel gewasperceel dienen de volgende stappen uitgevoerd te worden. Markeer de vormbepalende hoekpunten en leg met een Global Positioning System (GPS) de omvang en vorm van het perceel vast. Bij niet rechthoekige percelen dienen zoveel extra punten meegenomen te worden dat de contouren van het perceel vastgelegd zijn. De afwijking van de GPS mag niet groter zijn dan 5 meter. De bemestingsvrije zones dienen bij deze bepaling niet meegenomen te worden. Indien het perceel verdeeld is onder meerdere gebruikers, dan wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd.
@@ -4536,18 +4549,18 @@
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
Bepaal de normaliteit van de ammonia. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de geconcentreerde ammonia in een maatkolf van 500 milliliter, waarin zich al 400 milliliter water bevindt; vul aan met water tot de maatstreep en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde HCl 0,1N met methyloranje als indicator.
Stel de gevonden normaliteit van de ijsazijn = b.
### 2.6. Extractievloeistof
De volgende drie oplossingen dienen samengesteld te worden. De oplossingen zijn nodig voor de bepaling van het fosfaatgehalte.
### Oplossing II.
Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.
### Oplossing I.
Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.
Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 - zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.
Oplossing III.
## Bijlage D. Diergebonden normen
### 2.8 Verdunde standaardoplossing.
@@ -4558,31 +4571,31 @@
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
Voeg anders aan het filtraat opnieuw actieve kool toe, schud even flink en filtreer opnieuw. Handel voor de blanco bepalingen op geheel dezelfde wijze als bij het monsteronderzoek. Vergeet daarbij dus ook niet de toevoeging van de actieve kool.
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2006-07-01&g=2007-01-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2006-07-01&g=2007-01-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2006-07-01&g=2007-01-01)
De bepaling van het fosforgehalte in het waterig extract kan ook uitgevoerd worden door middel van een spectrofotometrische bepaling in een doorstroomanalysesysteem bij toepassing van een identieke molybdeenblauwkleuring.
Vul een buret met de verdunde standaardoplossing. Laat hieruit in maatkolfjes van 100 milliliter respectievelijk 0, 2, 4, 6, 8, 10, 20 en 30 milliliter vloeien. Deze reeks bevat dan respectievelijk 0; 0,1; 0,2; 0,3; 0,4; 0,5; 1,0 en 1,5 milligram P2O5. Vul het volume aan met water tot circa 40 milliliter. Voeg vervolgens 10 milliliter toe van oplossing I, zwenk om, voeg daarna 10 milliliter van oplossing II toe, zwenk weer om en voeg na 20 minuten wachten 20 milliliter van oplossing III toe. Zwenk om, vul aan met water tot de maatstreep en meng. Meet de extinctie in een cuvet van 10 millimeter in de spectrofotometer bij een golflengte van 735 nanometer. Bereken de ijkfactor door de som van de P2O5 dosering van de reeks 4,0 milligram P2O5 te delen door de som van de netto-extincties (dit zijn de extincties die verminderd zijn met de extinctie van de 0-proef van de reeks). De waarde van de ijkfactor bedraagt ongeveer 1,90.
### 4. Berekening
### 4. Berekening
### 5. Opmerkingen
(Ea–Eb) x (50/milliliter filtraat) x F x 100/2,5 = milligram P2O5 per 100 gram luchtdroge grond.
### 5. Opmerkingen
Voor 25 milliliter filtraat wordt de berekeningsformule dan:
### 5. Opmerkingen
5.1 Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.
5.3 Het verdunnen en verhitten van het melkzuur dient om de lactiden, die altijd aanwezig zijn door hydrolyse om te zetten in melkzuur. In sommige preparaten kan de concentratie aan lactiden 20% bedragen. De verdunde oplossing wordt hierdoor instabiel, tenzij men de lactiden vooraf hydrolyseert. De reactie die zich onder de voorgeschreven omstandigheden voltrekt, is onomkeerbaar. Geconcentreerd melkzuur bevat:
5.2 De kool dient voor de ontkleuring van het grondextract, dat door humeuze verbindingen meer of minder bruin gekleurd kan zijn. Het preparaat mag dus geen kationen of anionen aan het extract afgeven of er uit adsorberen.
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
### 1. Abstract
Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23–26.
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
@@ -4600,21 +4613,21 @@
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
Pipetteer in maatkolven van 200 milliliter: 10, 20, 40, 60, 80 milliliter gebruiksoplossing en vul aan tot 200 milliliter. Deze standaardoplossing bevat per 20 milliliter respectievelijk: 10, 20, 40, 60, 80 microgram P2O5.
Verdun 10 milliliter voorraadoplossing tot 1 liter. 10 milliliter van deze gebruiksoplossing bevat 100 microgram P2O5.
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
### 3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur
Meet, nadat de oplossing 20 minuten heeft gestaan, de lichtabsorptie van de oplossing in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij golflengte 882 nanometer of bij 720 nanometer.
De droge, tot een doorsnede van kleiner dan 2 millimeter verkleinde, gezeefde grond wordt geschept met een cilindrisch vaatje met bolvormige bodem, met een inhoud van 1,2 centimeter3. Door drie maal zacht aankloppen wordt de grond in dichte pakking gebracht en vervolgens dient de overmaat afgestreken te worden tot het niveau gelijk is aan de rand van het vaatje. Daarna wordt het afgemeten volume grond kwantitatief overgebracht in een schudfles van 125 centimeter3 inhoud.
De schudflessen met grond worden gedurende één nacht in een droogstoof gezet bij circa 40°C. Na afkoeling wordt dan 2 milliliter gedestilleerd water toegevoegd en even met de hand geschud om water en grond te mengen. Daarna de flesjes afsluiten en gedurende 22 uren bij een temperatuur van 20°C laten staan. Vervolgens wordt 70 milliliter gedestilleerd water van 20°C toegevoegd en aansluitend gedurende 1 uur geschud bij 20°C met een schudsnelheid van 160–170 slagen per minuut.
### 4. Berekening
### 4. Berekening
Hierin is:
(Ea - Eb) x F x 3 = aantal microgram P2O5/centimeter3 grond = aantal milligram P2O5/liter grond.
### Tabel I. : Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2018-06-06&g=2018-06-06), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2018-06-06&g=2018-06-06), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2018-06-06&g=2018-06-06), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2018-06-06&g=2018-06-06), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2018-06-06&g=2018-06-06) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=5&artikel=96&z=2018-06-06&g=2018-06-06)
@@ -4632,7 +4645,7 @@
### Tabel IIA. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest
b Ingeval van melkgeiten gehouden op door SKAL als biologisch gecertificeerde bedrijven is het getal 4,1 in plaats van 4,3.
a De mestproductie van deze dieren is reeds verrekend in het forfait van de fokschapen.
### Tabel IIB. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest
@@ -4642,21 +4655,21 @@
Het is toegestaan binnen AP05 om in plaats van de referentiemethode een huismethode te gebruiken. Het laboratorium moet dan via een gelijkwaardigheidsonderzoek aantonen dat de gebruikte huismethode vergelijkbare of betere resultaten geeft dan de referentiemethode.
### 4. Automatische positiebepaling van satellietvolgapparatuur
### 3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur en transportmiddel
Overheid en bedrijfsleven willen de naleving rond de bemonstering van vaste mest versterken en de fraudemogelijkheden verkleinen. Een representatief genomen monster geeft informatie over de samenstelling van de vracht of de partij vaste mest. De objectiviteit van de monsterneming wordt verbeterd door het monster te laten nemen onder de verantwoordelijkheid van een onafhankelijke en deskundige organisatie. Dit wordt geborgd doordat alleen organisaties die door de minister zijn erkend deze activiteiten mogen verrichten.
### 2.1. Algemene eisen
Indien in dit document de RvA wordt genoemd kan dit ook een andere nationale accreditatie-instantie zijn als bedoeld in Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 1PbEU 2008, L 218. Om voor accreditatie voor AP06 in aanmerking te komen, moet de organisatie door de RvA geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17020.
Indien AP06 wordt gewijzigd, wordt in overleg tussen RvA en EZ bepaald binnen welke termijn de geaccrediteerde organisaties zich daaraan dienen te conformeren. De verantwoordelijkheid voor het nemen van initiatieven met betrekking tot onderzoek door de RvA ligt bij de monsternemende organisatie.
### 3. Verrichtingen binnen AP06
Ieder laboratoriummonster heeft een begeleidend document met in ieder geval de volgende gegevens:
### 8.2. Periodieke actualisatie
De monsternemende organisatie dient minimaal twee keer per jaar voor zijn geaccrediteerde verrichtingen aan ringonderzoek deel te nemen. Het ringonderzoek wordt gecoördineerd en uitgewerkt in het harmonisatieoverleg. Uitgangspunten daarbij zijn:
### 8.1. Algemeen
Dit overleg adviseert de minister van Economische Zaken over het toepassen van administratieve beslissingen, aanpassing van algemene richtsnoeren en eventuele uitbreiding naar andere onderwerpen.
### 11. Controle op naleving
@@ -4664,13 +4677,13 @@
### Hoofdstuk 9. Controle op naleving
Versie 3, 27-2-2015.
NEN-EN-ISO/IEC 17025:2005 nl, Algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria.
NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 en, Conformiteitsbeoordeling – Algemene criteria voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren.
BAM – Bemonsterings- en analysemethodes voor vaste dierlijke mest in het kader van het mestdecreet, vaste dierlijke mest – bemonstering, versie 3.1 juni 2010.
### Onderdeel B
### onderdeel A
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -4680,14 +4693,14 @@
Deze bijlage is geschreven voor de uitvoering en kwaliteitsborging van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het accreditatieprogramma omvat zowel een beschrijving voor de toelating tot en de periodieke herbeoordeling van de accreditatie van laboratoria, als een beschrijving van het beheerssysteem waarmee de kwaliteit van de laboratoria tussentijds geborgd is. Dit accreditatieprogramma wordt verder aangeduid als AP05.
### Hoofdstuk 1. Introductie
In hoofdstuk 2 zijn de algemene eisen vermeld waaraan een laboratorium moet voldoen om in aanmerking komen voor accreditatie door de Raad voor Accreditatie. De verrichtingen die onder AP05 vallen zijn in hoofdstuk 3 vermeld. In hoofdstuk 4 zijn de monsteroverdracht en de daarbij horende verantwoordelijkheden beschreven.
### Hoofdstuk 2. Algemene eisen
De technische beschrijvingen van de verrichtingen en het maken van mengmonsters is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is kwaliteitsborging middels de eerste-, tweede- en derdelijnscontrole omschreven die minimaal moet worden toegepast tijdens de uitvoering van verrichtingen die onder dit accreditatieprogramma vallen. Hoofdstuk 7 beschrijft de rapportage van de resultaten en de aspecten die verband houden met heranalyse.
### Hoofdstuk 2. Algemene eisen
### Hoofdstuk 3. Verrichtingen binnen AP05
Voorafgaand aan indienen van een verzoek om accreditatie en bij van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting voert het laboratorium een validatie-onderzoek uit. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan toetst het laboratorium in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 6 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
### § 3.3. Gelijkwaardigheidsonderzoek van een huismethode
@@ -4698,33 +4711,33 @@
Het laboratorium controleert of de inkomende monsters
Het laboratorium weegt elk monster en registreert het gewicht. Het gewicht wordt tegelijk met de analyseresultaten gerapporteerd aan de vervoerder en in de periodieke rapportage aan de minister. Indien het gewicht van het monster te laag is, wordt dit monster niet geanalyseerd en mag niet worden gemengd in een mengmonster.
### § 4.4. Monsteropslag en conservering
Het laboratorium controleert of de inkomende monsters
### § 4.3. Registratie van gegevens
Het laboratorium bewaart inkomende monsters gekoeld bij 4±3°C. Wanneer de monsters op de dag van ontvangst of de daarop volgende dag in bewerking worden genomen behoeft koeling niet plaats te vinden.
### Hoofdstuk 5. Technische beschrijving van verrichtingen
### 5.1.1. Mengen van monsters drijfmest
Voor het mengen van monsters drijfmest geldt de volgende procedure:
### § 5.1. Maken van mengmonsters
### 5.1.1. Mengen van monsters drijfmest
Voor het mengen van monsters drijfmest geldt de volgende procedure:
Voor het mengen van monsters vaste mest geldt de volgende procedure:
### § 5.2. Monstervoorbehandeling
### § 5.2. Monstervoorbehandeling
De monstervoorbehandeling van drijfmest moet uitgevoerd worden conform NEN 7430: ‘Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest’. Het aldus verkregen analysemonster drijfmest (minimale omvang ca. 250 ml) dient bij 4±3°C bewaard te worden.
### § 5.3. Bepaling van stikstof en fosfor in mestmonsters
Drijfmest met een geschat drogestofgehalte groter dan 15% wordt verdund met water. Hierbij dient de hoeveelheid in bewerking genomen mest en de toegevoegde hoeveelheid water gewogen te worden voor berekening van de verdunningsfactor. De mest dient zo nodig uit de monsterverpakking gespoeld te worden. Ook hierbij moet de verdunningsfactor worden berekend. De totale hoeveelheid mest wordt vastgesteld door begin- en eindgewicht van de monsterverpakkingen te registreren.
### Hoofdstuk 6. Kwaliteitsborging
De kwaliteitsborging van een verrichting bestaat uit de volgende onderdelen:
### § 6.2. Eerstelijnscontrole
De kwaliteitsborging is vastgelegd in de herhaalbaarheid. Voor stikstof en fosfor in dierlijke mest is deze, afhankelijk van het concentratieniveau, als volgt:
De eerste-, tweede- en derdelijnscontrole vormen géén additionele kwaliteitsborging maar de minimale kwaliteitsborging die dient te worden toegepast.
### § 6.2. Eerstelijnscontrole
@@ -4732,21 +4745,21 @@
### § 6.2.2. Onbeheerste kwaliteit
De eisen gesteld aan de herhaalbaarheid van het controlemonster zijn gelijk aan die van de monsters, dus voor stikstof 4% en voor fosfor 6%.
### § 6.3.3. Procedurele aspecten
Het controlemonster dient te bestaan uit een mengsel van met wijnsteenzuur voorbehandelde, gedroogde en gemalen vaste mest. Het gehalte aan stikstof en fosfor dient te liggen tussen 25 en 75 g/kg resp. 4 en 20 g/kg. De aangemaakte hoeveelheid monster dient voldoende te zijn voor een periode van 10 jaar.
### § 6.3.2. Onbeheerste kwaliteit
Ten aanzien van ringonderzoeken dienen de volgende procedurele aspecten in een apart document of in het kwaliteitssysteem van het laboratorium te zijn opgenomen:
De resultaten van een ringonderzoek worden door de uitvoerende instantie als volgt geëvalueerd. Van elke parameter van elk monster wordt de Z-score berekend:
De resultaten van een ringonderzoek worden door de uitvoerende instantie als volgt geëvalueerd. Van elke parameter van elk monster wordt de Z-score berekend:
Waarbij Xlab de door het laboratorium gemeten waarde van het monster is, Xgem de toegekende gemiddelde waarde van het monster (na verwijdering van uitbijters) is en s de standaardafwijking van alle gemeten waarden van het monster (na verwijdering van uitbijters).
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 91b
Indien dezelfde vracht vaste dierlijke meststoffen binnen zeven dagen twee maal wordt vervoerd van of naar een bedrijf of een onderneming, kan de hoeveelheid meststoffen van het eerste vervoer, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), gelijkgesteld worden aan de hoeveelheid meststoffen van het tweede vervoer, onder voorwaarde dat tijdens het laden van zowel het eerste als het tweede vervoer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking als bedoeld in [artikel 55, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2019-01-01&g=2019-01-01), van het tweede vervoer worden ingelezen en vastgelegd.
Indien dezelfde vracht vaste dierlijke meststoffen binnen zeven dagen twee maal wordt vervoerd van of naar een bedrijf of een onderneming, kan de hoeveelheid meststoffen van het eerste vervoer, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), gelijkgesteld worden aan de hoeveelheid meststoffen van het tweede vervoer, onder voorwaarde dat tijdens het laden van zowel het eerste als het tweede vervoer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking als bedoeld in [artikel 55, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2019-01-31&g=2019-01-31), van het tweede vervoer worden ingelezen en vastgelegd.
#### § 5. Gasvormige verliezen
@@ -5042,325 +5055,377 @@
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststof van anorganische oorsprong:
## bijlage Ac. behorende bij de [artikelen 17 tot en met 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **1. Stikstof (N)**
## bijlage Ab. behorende bij de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
| Zware metalen | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| | MgO | SO3 | Na2O | CaO in CaSO4-meststof |
| Cd | 33 | 33 | 42 | 2,5 |
| Cr | 2000 | 2000 | 2500 | 150 |
| Cu | 2000 | 2000 | 2500 | 150 |
| Hg | 20 | 20 | 25 | 1,5 |
| Ni | 800 | 800 | 1000 | 60 |
| Pb | 2667 | 2667 | 3333 | 200 |
| Zn | 8000 | 8000 | 10000 | 600 |
| As | 400 | 400 | 500 | 30 |
Voor de toepassing van deze tabel zijn de maximale waarden van toepassing die behoren bij dat waardegevende bestanddeel waarvan bij het toedienen van een toenemende hoeveelheid van de meststof, de hoeveelheden van 75 kilogram magnesiumoxide, 75 kilogram zwaveltrioxide of 60 kilogram natriumoxide het éérst wordt bereikt. Voor calsiumsulfaat gelden de vermelde maximale waarden.
| | Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| Organische microverontreinigingen | MgO | SO3 | Na2O | CaO in CaSO4-meststof |
| Σ PCDD/PCDF | 0,020 | 0,020 | 0,025 | 0,00152 |
| α-ΗCH | 331 | 331 | 413 | 24,8 |
| β-ΗCH | 12,8 | 12,8 | 16 | 0,96 |
| γ-ΗCΗ (lindaan) | 1,3 | 1,3 | 1,6 | 0,10 |
| HCB | 41,6 | 41,6 | 52,0 | 3,12 |
| Aldrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Dieldrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Σ aldrin/dieldrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Endrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Isodrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Σ endrin/isodrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Σ DDT + DDD + DDE | 24,5 | 24,5 | 30,7 | 1,84 |
| PCB-28 | 19,7 | 19,7 | 24,7 | 1,48 |
| PCB-52 | 19,7 | 19,7 | 24,7 | 1,48 |
| PCB-101 | 80 | 80 | 100 | 6 |
| PCB-118 | 80 | 80 | 100 | 6 |
| PCB – 138 | 80 | 80 | 100 | 6 |
| PCB – 153 | 80 | 80 | 100 | 6 |
| PCB – 180 | 80 | 80 | 100 | 6 |
| Σ 6-PCB (excl. PCB-118) | 400 | 400 | 500 | 30 |
| Naftaleen | 640 | 640 | 800 | 48 |
| Fenanthreen | 800 | 800 | 1000 | 60 |
| Antraceen | 640 | 640 | 800 | 48 |
| Fluoranteen | 197 | 197 | 247 | 15 |
| Benzo(a)antraceen | 245 | 245 | 307 | 18 |
| Chryseen | 245 | 245 | 307 | 18 |
| Benzo(k)fluoranteen | 288 | 288 | 360 | 22 |
| Benzo(a)pyreen | 309 | 309 | 387 | 23 |
| Benzo(g,h,i)peryleen | 224 | 224 | 280 | 17 |
| Indeno(1,2,3-c,d)pyreen | 251 | 251 | 313 | 19 |
| Σ 10-PAK | 12267 | 12267 | 15333 | 920 |
| Minerale olie | 997333 | 997333 | 1246667 | 74800 |
Voor de toepassing van deze tabel zijn de maximale waarden van toepassing die behoren bij dat waardegevende bestanddeel waarvan bij het toedienen van een toenemende hoeveelheid van de meststof, de hoeveelheden van 75 kilogram magnesiumoxide, 75 kilogram zwaveltrioxide of 60 kilogram natriumoxide het éérst wordt bereikt. Voor calsiumsulfaat gelden de vermelde maximale waarden.
### **I. Protocol analyse stikstofgehalte, fosfaatgehalte en droge stofgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de hoeveelheden overige nutriënten**
### **VI. protocol analyse organische microverontreinigingen**
Methode BNL-K-1: Bepaling van kalium, oplosbaar in water, in aanwezigheid van organische stof.
Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
### **4. Calciumoxide (CaO)**
### **6. Zwaveltrioxide (SO3)**
### **9. Kobalt (Co)**
### **3. Instrumentele analyse Hg**
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
### Onderdeel I. Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### 3. Analyse van grondmonsters
### 2.6. Extractievloeistof
Oplossing III.
### 2.7. Standaardoplossing.
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter= 1 milligram fosfaat (P2O5).
## Bijlage D. Diergebonden normen
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
### 3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
Voeg anders aan het filtraat opnieuw actieve kool toe, schud even flink en filtreer opnieuw. Handel voor de blanco bepalingen op geheel dezelfde wijze als bij het monsteronderzoek. Vergeet daarbij dus ook niet de toevoeging van de actieve kool.
### 4. Berekening
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2007-02-09&g=2007-02-09), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2007-02-09&g=2007-02-09) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2007-02-09&g=2007-02-09)
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
### 1. Abstract
### 2.1. Zwavelzuur 5N
### 2.2. Molybdaat-oplossing 4%
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
Los 1,9167 gram KH2PO4(volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedestilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.
### C. Prestatiekenmerken verpakkingsapparatuur
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
### 3. Werkwijze
### 1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur
### 4. Berekening
5.1. Filtraten die ondanks de bij het filtreren in acht genomen voorzorgen troebel zijn, worden op de volgende wijze geklaard. Per 50 milliliter filtraat ongeveer 1,5 gram vast natriumchloride (NaCI) toevoegen en laten oplossen. Dan opnieuw filtreren. De nu uitgevlokte colloïdale bestanddelen laten zich gemakkelijk affiltreren. De NaCI-concentratie van ongeveer 0,5N stoort de fosfaatbepaling niet.
De stikstofexcreties van staldieren moeten berekend worden conform de stalbalans. In deze tabel zijn voor staldieren wel excretieforfaits opgenomen als hulpmiddel om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
## Bijlage G
### Tabel IIA. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest
### Tabel IIB. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest
### C. Prestatiekenmerken verpakkingsapparatuur
### 4. Automatische positiebepaling van satellietvolgapparatuur
### 2. Algemene eisen
### 4. Controle opdracht, te bemonsteren vracht of partij en mestsoort
### 8.2. Periodieke actualisatie
Door de RvA wordt periodiek (minimaal iedere 2 jaar), maar ook steekproefsgewijs controle uitgevoerd op de eisen van AP06.
### **8. Archivering van gegevens**
De NVWA inspecteur zal daarbij aandacht hebben voor:
### 12. Literatuur
### 12. Literatuur
BAM – Bemonsterings- en analysemethodes voor vaste dierlijke mest in het kader van het mestdecreet, vaste dierlijke mest – bemonstering, versie 3.1 juni 2010.
## Bijlage F
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
## Bijlage H. behorende bij [artikel 80b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80b&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2019-01-01&g=2019-01-01)
### Hoofdstuk 2. Algemene eisen
AP05 dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van metingen van stikstof en fosfaat in dierlijke mest zowel binnen een laboratorium als tussen laboratoria op langere termijn te waarborgen.
### Hoofdstuk 3. Verrichtingen binnen AP05
### § 3.3. Gelijkwaardigheidsonderzoek van een huismethode
### § 4.4. Monsteropslag en conservering
### § 5.1. Maken van mengmonsters
### Hoofdstuk 6. Kwaliteitsborging
Eerstelijnscontrole – Interne controle door de uitvoerenden van de verrichting zelf.
### **3. Uitgangspunten**
Het controlemonster van de eerstelijn dient om het concentratieniveau van een serie monsters te bewaken. Uitgangspunt is dat het gebruikte monstermateriaal gedurende de gebruiksperiode niet verandert van samenstelling. Om te garanderen dat het controlemonster drijfmest over lange periode stabiel blijft dient het te worden bewaard bij een temperatuur van 4°C of lager. Het (met wijnsteenzuur behandelde en gedroogde) controlemonster vaste mest dient bij kamertemperatuur bewaard te worden.
### § 6.2.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.2.3. Duplo-analyse
### § 6.3.3. Procedurele aspecten
Waarbij Xlab de door het laboratorium gemeten waarde van het monster is, Xgem de toegekende gemiddelde waarde van het monster (na verwijdering van uitbijters) is en s de standaardafwijking van alle gemeten waarden van het monster (na verwijdering van uitbijters).
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 57a
1. De vervoerder, die overeenkomstig [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57&z=2019-01-31&g=2019-01-31) mededeling heeft gedaan, doet ten minste twaalf uur voordat de dierlijke meststoffen daadwerkelijk binnen Nederland worden gebracht hiervan elektronisch mededeling aan de minister.
2. Bij de in het eerste lid bedoelde mededeling worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
- a. naam, adres en voor zover van toepassing de door de minister ter identificatie verstrekte relatienummers van de vervoerder en de afnemer van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen;
- b. de mestcode van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, zoals deze voor de desbetreffende mestsoort is opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31);
- c. de datum waarop het laden van de dierlijke meststoffen aanvangt; en
- d. het kenteken van het motorrijtuig, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), dat de vracht dierlijke meststoffen vervoert.
3. Indien het vervoer niet dan wel niet overeenkomstig de verstrekte gegevens plaatsvindt, trekt de desbetreffende vervoerder, de in het eerste lid bedoelde mededeling onverwijld elektronisch in.
#### § 2. Vervoersbewijs dierlijke meststoffen
#### § 1. Vervoer van dierlijke meststoffen
#### § 1. Vervoer van dierlijke meststoffen
### Hoofdstuk 8. Vervoer van meststoffen
#### § 1. Vervoer van dierlijke meststoffen
#### § 4. Grensoverschrijdende overbrenging
#### § 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen
#### § 3. Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost
#### § 1. Mestproductie
### Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
#### § 3. Afgevoerde en aangevoerde andere meststoffen
#### § 5. Gasvormige verliezen
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
## Bijlage A.1. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2007-07-22&g=2007-07-22): Consumptieaardappelrassen
### **Consumptieaardappelrassen hoge norm**
### **2. Fosfaat (P2O5)**
## Bijlage A.2. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2007-07-22&g=2007-07-22): Pootaardappelrassen
### **2. Fosfaat (P2O5)**
### **3. Kaliumoxide (K2O)**
## bijlage Ac. behorende bij de [artikelen 17 tot en met 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2017-02-01&g=2017-02-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **I. Protocol analyse stikstofgehalte, fosfaatgehalte en droge stofgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de hoeveelheden overige nutriënten**
## bijlage Ac. behorende bij de [artikelen 17 tot en met 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **2. Fosfaat (P2O5)**
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
### **7. Natriumoxide (Na2O)**
### **10. Koper (Cu)**
### **VI. protocol analyse organische microverontreinigingen**
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
### Onderdeel I. Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal voor de toepassing van reparatiebemesting op fosfaatarme of fosfaatfixerende gronden
Tabel 1: Het benodigd aantal bemonsterpunten gerelateerd aan het areaal van het perceel landbouwgrond.
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### 3. Analyse van grondmonsters
### Oplossingen
Los 3900 gram natriumacetaat (NaC2H3O2.3H2O) op inwater (of 3400 gram watervrij natriumacetaat) vul aan met water tot 10 liter en meng.
### 2.7. Standaardoplossing.
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter= 1 milligram fosfaat (P2O5).
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### Oplossing II.
## Bijlage D. Diergebonden normen
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
### 3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2007-07-22&g=2007-07-22), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2007-07-22&g=2007-07-22) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
### 5. Opmerkingen
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
### 2.3. Zwavelzure molybdaat-oplossing
### 2.7. IJkoplossingen
### 2.7. IJkoplossingen
### 4. Berekening
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2007-02-09&g=2007-02-09), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2007-02-09&g=2007-02-09) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2007-02-09&g=2007-02-09)
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
### 2.1. Zwavelzuur 5N
### 2.2. Molybdaat-oplossing 4%
### 2.3. Zwavelzure molybdaat-oplossing
Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcilinder) wordt de volgende oplossing bereid.
Los 1,9167 gram KH2PO4(volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedestilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.
### C. Prestatiekenmerken verpakkingsapparatuur
### 3. Werkwijze
### 3. Werkwijze
### 1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur
### 4. Berekening
**Noten**
**Noten**
## Bijlage G
### Tabel IIA. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2016-09-16&g=2016-09-16) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2016-09-16&g=2016-09-16)
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2017-02-01&g=2017-02-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2017-02-01&g=2017-02-01), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=82&z=2017-02-01&g=2017-02-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2017-02-01&g=2017-02-01)
### Tabel IIB. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
### D. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van drijfmest
### 5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur
### 2. Algemene eisen
### 4. Controle opdracht, te bemonsteren vracht of partij en mestsoort
### 8.2. Periodieke actualisatie
De RvA heeft de mogelijkheid om een accreditatie in te trekken, of de gehele of een deel van de scope (tijdelijk) te schorsen. De RvA oordeelt naar bevinden.
### **8. Archivering van gegevens**
1-in het geval van partijbemonstering, de controle door de monsternemer op de afwezigheid van partijen vaste mest, anders dan de te bemonsteren partij.
### 3. Verrichtingen binnen AP06
### 9. Kwaliteitsborging
### 11. Controle op naleving
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
### 12. Literatuur
### 12. Literatuur
Een laboratorium voldoet niet aan de norm als:
## Bijlage H. behorende bij [artikel 80b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80b&z=2017-10-01&g=2017-10-01) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2017-10-01&g=2017-10-01)
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2010-10-01&g=2010-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **B. opmerkingscodes**
## Bijlage H. behorende bij [artikel 80b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80b&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2019-01-01&g=2019-01-01)
Fosforpentoxide (P2O5) wordt in de praktijk en de mestwetgeving aangeduid met fosfaat.
## Bijlage H. behorende bij [artikel 80b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80b&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2019-01-31&g=2019-01-31)
### Hoofdstuk 2. Algemene eisen
In hoofdstuk 2 zijn de algemene eisen vermeld waaraan een laboratorium moet voldoen om in aanmerking komen voor accreditatie door de Raad voor Accreditatie. De verrichtingen die onder AP05 vallen zijn in hoofdstuk 3 vermeld. In hoofdstuk 4 zijn de monsteroverdracht en de daarbij horende verantwoordelijkheden beschreven.
### Hoofdstuk 3. Verrichtingen binnen AP05
### § 3.3. Gelijkwaardigheidsonderzoek van een huismethode
### Hoofdstuk 5. Technische beschrijving van verrichtingen
### 5.1.1. Mengen van monsters drijfmest
### Hoofdstuk 6. Kwaliteitsborging
Tweedelijnscontrole – Interne controle onafhankelijk van de uitvoerenden.
### **3. Uitgangspunten**
Door het laboratorium dient de omvang van de serie te worden vastgelegd. Per serie wordt het desbetreffende controlemonster in tweevoud onder herhaalbaarheidscondities geanalyseerd. Minimaal één controlemonster (drijfmest of vaste mest) per analysedag is vereist.
### **2. Doel**
Het laboratorium registreert van elk inkomende monster de volgende gegevens:
### § 5.3. Bepaling van stikstof en fosfor in mestmonsters
### § 6.1. Algemeen
### § 6.2. Eerstelijnscontrole
### § 6.2.1. Controlemonster eerste lijn
### § 6.2.1. Controlemonster eerste lijn
### § 6.2.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.2.3. Duplo-analyse
### § 6.3.3. Procedurele aspecten
### § 6.2.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.4. Derdelijnscontrole
Het resultaat van een parameter is significant afwijkend t.a.v. de toegekende waarde indien:
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 57a
1. De vervoerder, die overeenkomstig [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57&z=2019-01-01&g=2019-01-01) mededeling heeft gedaan, doet ten minste twaalf uur voordat de dierlijke meststoffen daadwerkelijk binnen Nederland worden gebracht hiervan elektronisch mededeling aan de minister.
2. Bij de in het eerste lid bedoelde mededeling worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
- a. naam, adres en voor zover van toepassing de door de minister ter identificatie verstrekte relatienummers van de vervoerder en de afnemer van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen;
- b. de mestcode van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, zoals deze voor de desbetreffende mestsoort is opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01);
- c. de datum waarop het laden van de dierlijke meststoffen aanvangt; en
- d. het kenteken van het motorrijtuig, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), dat de vracht dierlijke meststoffen vervoert.
3. Indien het vervoer niet dan wel niet overeenkomstig de verstrekte gegevens plaatsvindt, trekt de desbetreffende vervoerder, de in het eerste lid bedoelde mededeling onverwijld elektronisch in.
##### Artikel 69b
[Artikel 55 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) is niet van toepassing op het vervoer van:
- a. compost verpakt in eenheden van ten hoogste 25 kilogram; en
- b. compost naar een particulier in leveringen tot een maximum van 3000 kilogram per levering.
#### § 1. Vervoer van dierlijke meststoffen
### Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
#### § 2. Vervoersbewijs dierlijke meststoffen
#### § 1. Vervoer van dierlijke meststoffen
#### § 1. Vervoer van dierlijke meststoffen
### Hoofdstuk 8. Vervoer van meststoffen
#### § 1. Vervoer van dierlijke meststoffen
#### § 4. Grensoverschrijdende overbrenging
#### § 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen
#### § 3. Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost
#### § 1. Mestproductie
### Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
#### § 3. Afgevoerde en aangevoerde andere meststoffen
#### § 5. Gasvormige verliezen
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
## Bijlage A.1. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2007-07-22&g=2007-07-22): Consumptieaardappelrassen
### **Consumptieaardappelrassen hoge norm**
### **2. Fosfaat (P2O5)**
## Bijlage A.2. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2007-07-22&g=2007-07-22): Pootaardappelrassen
### **2. Fosfaat (P2O5)**
### **3. Kaliumoxide (K2O)**
## bijlage Ac. behorende bij de [artikelen 17 tot en met 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2017-02-01&g=2017-02-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **I. Protocol analyse stikstofgehalte, fosfaatgehalte en droge stofgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de hoeveelheden overige nutriënten**
## Bijlage C. behorende bij de [artikelen 30 tot en met 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
### **2. Fosfaat (P2O5)**
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
### **8. Boor (B)**
### **11. IJzer (Fe)**
### **VI. protocol analyse organische microverontreinigingen**
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal voor de toepassing van reparatiebemesting op fosfaatarme of fosfaatfixerende gronden
Selecteer per blok volledig aselect met behulp van het software programma één bemonsteringspunt. Lokaliseer deze punten met GPS. Indien een gelokaliseerd bemonsteringspunt buiten het perceel valt, bemonster dan het meest dichtbij gelegen punt binnen het perceel.
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### 2.7. Standaardoplossing.
## Bijlage D. Diergebonden normen
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2007-07-22&g=2007-07-22), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2007-07-22&g=2007-07-22) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
### 5. Opmerkingen
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
### 2.3. Zwavelzure molybdaat-oplossing
### 2.7. IJkoplossingen
### 2.7. IJkoplossingen
### 5. Opmerkingen
1 Als de omschrijving van de categorieën niet aansluit bij de voorkomende situatie dienen de forfaits gehanteerd te worden van de categorie die het best aansluit bij de voorkomende situatie.
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2016-09-16&g=2016-09-16) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2016-09-16&g=2016-09-16)
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2017-02-01&g=2017-02-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2017-02-01&g=2017-02-01), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=82&z=2017-02-01&g=2017-02-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2017-02-01&g=2017-02-01)
### Tabel IIB. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
### 1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur
### 6. Versturen van mesttransportgegevens
### 2. Algemene eisen
### 3. Verrichtingen binnen AP06
### 9. Kwaliteitsborging
### 11. Controle op naleving
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
### 12. Literatuur
### 12. Literatuur
Fosforpentoxide (P2O5) wordt in de praktijk en de mestwetgeving aangeduid met fosfaat.
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2011-05-18&g=2011-05-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### Hoofdstuk 2. Algemene eisen
### Hoofdstuk 3. Verrichtingen binnen AP05
### **2. Doel**
Het laboratorium bewaart inkomende monsters gekoeld bij 4±3°C. Wanneer de monsters op de dag van ontvangst of de daarop volgende dag in bewerking worden genomen behoeft koeling niet plaats te vinden.
### § 5.3. Bepaling van stikstof en fosfor in mestmonsters
### § 6.1. Algemeen
### § 6.2. Eerstelijnscontrole
### § 6.2.1. Controlemonster eerste lijn
### § 6.2.1. Controlemonster eerste lijn
### § 6.2.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.2.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.4. Derdelijnscontrole
Per parameter wordt een toets op systematische afwijkingen uitgevoerd. Hiervoor wordt na elk ringonderzoek per parameter het gemiddelde van de Z-scores van de laatste drie ringonderzoeken berekend. Deze gemiddelde Z-waarde dient tussen +1 en -1 te liggen.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 69b
[Artikel 55 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) is niet van toepassing op het vervoer van:
- a. compost verpakt in eenheden van ten hoogste 25 kilogram; en
- b. compost naar een particulier in leveringen tot een maximum van 3000 kilogram per levering.
#### § 1. Vervoer van dierlijke meststoffen
### Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
#### § 2. Vervoersbewijs dierlijke meststoffen
#### § 2. Vervoersbewijs dierlijke meststoffen
##### Artikel 92a
1. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in zuiveringsslib en compost, alsmede het droge stofgehalte in zuiveringsslib en compost wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster.
2. De bemonstering van een hoeveelheid zuiveringsslib of compost geschiedt door de producent. Hij stelt per geproduceerde hoeveelheid van ten hoogste 2.000.000 kilogram, een representatief monster samen, bestaande uit deelmonsters die volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes evenredig verspreid uit de betrokken partij worden genomen. Indien de geproduceerde hoeveelheid groter is dan 2.000.000 kilogram, wordt deze allereerst verdeeld in partijen van ten hoogste 2.000.000 kilogram.
3. Indien zuiveringsslib of compost in een continu proces wordt geproduceerd, kan de desbetreffende producent ervoor kiezen dat het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte alsmede het drogestof gehalte ervan, in zoverre in afwijking van de voorgaande leden, overeen komen met het over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig [artikel 92b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), berekende twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestof gehalte, mits:
3. Indien zuiveringsslib of compost in een continu proces wordt geproduceerd, kan de desbetreffende producent ervoor kiezen dat het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte alsmede het drogestof gehalte ervan, in zoverre in afwijking van de voorgaande leden, overeen komen met het over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig [artikel 92b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), berekende twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestof gehalte, mits:
- a. de voor de productie van het zuiveringsslib of de compost gebruikte ingangsmaterialen van constante samenstelling zijn;
@@ -5372,13 +5437,13 @@
5. Het monster wordt door de producent uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toegestuurd aan een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
6. Indien het monster afkomstig is uit een hoeveelheid die in een continu proces is geproduceerd, geeft de betrokken producent bij het verzenden ervan aan of de analyseresultaten van dit monster gebruikt moeten worden bij de in [artikel 92b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde berekening.
6. Indien het monster afkomstig is uit een hoeveelheid die in een continu proces is geproduceerd, geeft de betrokken producent bij het verzenden ervan aan of de analyseresultaten van dit monster gebruikt moeten worden bij de in [artikel 92b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde berekening.
##### Artikel 92b
1. Het laboratorium, bedoeld in [artikel 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), analyseert de monsters uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst overeenkomstig het protocol, dat is opgenomen in [bijlage Ia, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ia&z=2019-01-01&g=2019-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat.
2. Indien dit ten aanzien van het monster overeenkomstig [artikel 92a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is aangegeven, berekent het laboratorium op basis van de meest recente analyseresultaten, het gemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig de in [bijlage Ia, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ia&z=2019-01-01&g=2019-01-01), opgenomen berekeningsmethode.
1. Het laboratorium, bedoeld in [artikel 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), analyseert de monsters uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst overeenkomstig het protocol, dat is opgenomen in [bijlage Ia, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ia&z=2019-01-31&g=2019-01-31), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat.
2. Indien dit ten aanzien van het monster overeenkomstig [artikel 92a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), is aangegeven, berekent het laboratorium op basis van de meest recente analyseresultaten, het gemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig de in [bijlage Ia, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ia&z=2019-01-31&g=2019-01-31), opgenomen berekeningsmethode.
3. Het laboratorium voorziet de analyseresultaten dan wel de overeenkomstig het tweede lid berekende gemiddelde gehalten van een uniek analysenummer van ten hoogste twaalf posities.
@@ -5700,7 +5765,7 @@
ISO 5315 – Fertilizers – Determination of total nitrogen – Titrimetric method after distillation.
### **II. Protocol analyse hoeveelheid organische stof in meststoffen**
### **14. Zink (Zn)**
## Bijlage A.3. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2008-01-01&g=2008-01-01): Buitenbloemen
@@ -6019,11 +6084,11 @@
### 2.8 Verdunde standaardoplossing.
Zwenk om en voeg na een kwartier wachten 20 milliliter van oplossing III toe.
Neem op deze wijze ook een tweetal standaardbepalingen mee, die 0,5 milligram P2O5 bevatten. Vul de kolfjes aan met water tot de maatstreep, meng goed en meet in de spectrofotometer de extinctie in een cuvet van 10 millimeter doorsnede, bij een golflengte van 735 nanometer. Stel voor de berekening van het fosfaatgehalte als volgt de ijkfactor vast.
Vul een buret met de verdunde standaardoplossing. Laat hieruit in maatkolfjes van 100 milliliter respectievelijk 0, 2, 4, 6, 8, 10, 20 en 30 milliliter vloeien. Deze reeks bevat dan respectievelijk 0; 0,1; 0,2; 0,3; 0,4; 0,5; 1,0 en 1,5 milligram P2O5. Vul het volume aan met water tot circa 40 milliliter. Voeg vervolgens 10 milliliter toe van oplossing I, zwenk om, voeg daarna 10 milliliter van oplossing II toe, zwenk weer om en voeg na 20 minuten wachten 20 milliliter van oplossing III toe. Zwenk om, vul aan met water tot de maatstreep en meng. Meet de extinctie in een cuvet van 10 millimeter in de spectrofotometer bij een golflengte van 735 nanometer. Bereken de ijkfactor door de som van de P2O5 dosering van de reeks 4,0 milligram P2O5 te delen door de som van de netto-extincties (dit zijn de extincties die verminderd zijn met de extinctie van de 0-proef van de reeks). De waarde van de ijkfactor bedraagt ongeveer 1,90.
### 4. Berekening
### 3. Werkwijze
## Bijlage D. Diergebonden forfaitaire gehalten
@@ -6033,11 +6098,11 @@
### Tabel IIA. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest
### Tabel IIB. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest
### **Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103**
### 3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur
### Tabel IIA. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
### 2. Inlezen gegevens
### Accreditatieprogramma bemonstering vaste dierlijke meststoffen; AP06
@@ -6061,11 +6126,11 @@
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2008-01-01&g=2008-01-01) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2008-01-01&g=2008-01-01)
### 4.1. Controle opdracht
### 4.2. Controle van te bemonsteren vracht of partij
### 4.2. Controle van te bemonsteren vracht of partij
### 5.1. Het nemen van een representatief monster
### 5. Technische beschrijving van de verrichting – partijbemonstering
### 5.2.1. Bemonstering met de Edelmanboor
@@ -6099,52 +6164,54 @@
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
### **4.1. Algemeen**
### **4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)**
### § 6.2.1. Controlemonster eerste lijn
### § 6.2.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.2.3. Duplo-analyse
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
Tevens dient het aantal significant afwijkende waarden per parameter te worden beoordeeld. Bij twee of meer is de kwaliteit onvoldoende.
Per parameter wordt een toets op systematische afwijkingen uitgevoerd. Hiervoor wordt na elk ringonderzoek per parameter het gemiddelde van de Z-scores van de laatste drie ringonderzoeken berekend. Deze gemiddelde Z-waarde dient tussen +1 en -1 te liggen.
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
### § 6.4.2. Steekproef
Het RIKILT bepaalt van elk monster in willekeurige volgorde het stikstof- en fosfaatgehalte volgens de referentiemethoden. Het laboratorium is verplicht vastgelegde stikstof- en fosfaatgehalten van desbetreffende monsters aan RIKILT beschikbaar te stellen, evenals aanvullende gegevens die nodig zijn om de analyseresultaten te kunnen vergelijken zoals eventuele (droog)factoren.
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
De resultaten van de ringonderzoeken en de evaluatie worden door de uitvoerende instantie aan het laboratorium en aan de minister gerapporteerd.
Een aantal keren per jaar worden op het laboratorium reeds geanalyseerde monsters aselect verzameld ten behoeve van heranalyse door het RIKILT, Wageningen UR. Het aantal te verzamelen monsters bedraagt per laboratorium en per keer 30 tot 40. Dit gebeurt indien daar aanleiding toe bestaat onaangekondigd.
### Principe
Het RIKILT bepaalt van elk monster in willekeurige volgorde het stikstof- en fosfaatgehalte volgens de referentiemethoden. Het laboratorium is verplicht vastgelegde stikstof- en fosfaatgehalten van desbetreffende monsters aan RIKILT beschikbaar te stellen, evenals aanvullende gegevens die nodig zijn om de analyseresultaten te kunnen vergelijken zoals eventuele (droog)factoren.
### § 6.4.2.1. Procedurele aspecten
Een aantal keren per jaar worden op het laboratorium reeds geanalyseerde monsters aselect verzameld ten behoeve van heranalyse door het RIKILT, Wageningen UR. Het aantal te verzamelen monsters bedraagt per laboratorium en per keer 30 tot 40. Dit gebeurt indien daar aanleiding toe bestaat onaangekondigd.
### § 6.4.2.2. Evaluatie van steekproefresultaten
De resultaten worden door het RIKILT als volgt geëvalueerd.
De resultaten worden door het RIKILT als volgt geëvalueerd.
Voor elk monster wordt voor stikstof en fosfaat het verschil berekend tussen het 10log getransformeerde meetresultaat van het laboratorium en het 10log getransformeerde meetresultaat van het RIKILT.
Vervolgens wordt per laboratorium de mediaan van deze verschillen berekend. Hierbij worden resultaten die beneden de rapportagegrens liggen weggelaten. De medianen van de verschillende laboratoria worden uitgezet in een controlekaart met de eerder berekende medianen uit acht vorige steekproeven inclusief de daaruit berekende ±2s- en ±3s-grenzen.
### Hoofdstuk 7. Rapportage van resultaten
### Hoofdstuk 7. Rapportage van resultaten
De procentuele±2s en ±3s-grenzen worden berekend door eerst de standaardafwijking s te transformeren volgens:
**S%**=100*(10±**s**–1)
en vervolgens respectievelijk te vermenigvuldigen met een factor ±2, en ±3.
Een laboratorium voldoet niet aan de norm als:
### Hoofdstuk 7. Rapportage van resultaten
De meetresultaten dienen te allen tijde te worden berekend op productbasis. Vaste mest wordt met de droogfactor die bepaald is bij de voorbehandeling volgens NEN 7431 omgerekend naar product.
De meetresultaten dienen te allen tijde te worden berekend op productbasis. Vaste mest wordt met de droogfactor die bepaald is bij de voorbehandeling volgens NEN 7431 omgerekend naar product.
De meetresultaten dienen te allen tijde te worden berekend op productbasis. Vaste mest wordt met de droogfactor die bepaald is bij de voorbehandeling volgens NEN 7431 omgerekend naar product.
Het resultaat van fosfor moet worden uitgedrukt op oxide basis, de omrekeningsfactor hiervoor is:
Fosfor (P) naar fosforpentoxide (P2O5): 2,29.
@@ -6153,40 +6220,40 @@
De meetresultaten voor stikstof en fosfaat worden bij een gehalte <10 g/kg afgerond op 2 decimalen, bij een gehalte ≥10 g/kg op 1 decimaal, en bij een gehalte ≥100 g/kg op 0 decimaal.
De minimale rapporteringswaarde bedraagt voor stikstof 0,10 g/kg en voor fosfaat 0,07 g/kg.
### § 7.2. Analyserapport
De berekende hoeveelheden fosfaat en stikstof – gebaseerd op het gehalte maal de vrachtomvang – wordt uitgedrukt in kilogrammen en afgerond op hele getallen.
Het analyserapport moet voldoen aan de volgende algemene voorwaarden:
Het analyserapport moet voldoen aan de volgende algemene voorwaarden:
### § 7.3. Heranalyse
Het analyserapport dient minimaal de volgende gegevens te bevatten:
Analysemonsters moeten bewaard worden tot het verstrijken va de eindtermijn voor het doen van een heranalyse. Producenten en afnemers van de mest kunnen tot tien dagen na verzending van het analyserapport bij het laboratorium een verzoek indienen om heranalyse(s) uit te voeren. Dit verzoek moet schriftelijk via de vervoerder worden ingediend. Heranalyse is slechts één maal mogelijk en vindt in hetzelfde laboratorium plaats als waar het monster voor analyse is aangeboden.
Analysemonsters moeten bewaard worden tot het verstrijken va de eindtermijn voor het doen van een heranalyse. Producenten en afnemers van de mest kunnen tot tien dagen na verzending van het analyserapport bij het laboratorium een verzoek indienen om heranalyse(s) uit te voeren. Dit verzoek moet schriftelijk via de vervoerder worden ingediend. Heranalyse is slechts één maal mogelijk en vindt in hetzelfde laboratorium plaats als waar het monster voor analyse is aangeboden.
Heranalyse vindt plaats in duplo onder herhaalbaarheidscondities, op het gekoeld bewaarde analysemonster, binnen 21 dagen na de eerste verslaglegging.
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
De duploresultaten van de heranalyse dienen te voldoen aan de eisen voor de herhaalbaarheid, voor stikstof 4% en voor fosfor 6%. Voldoet een monster niet aan deze eisen dan wordt de analyse opnieuw uitgevoerd in duplo. Voldoet het monster bij herhaling wel aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend van de laatste 2 meetresultaten. De eerder gevonden duploresultaten worden dan verworpen.
Voldoet het monster bij herhaling wederom niet aan de gestelde herhaalbaarheidseisen dan wordt het gemiddelde berekend van de 4 meetresultaten. Bij de eventuele rapportage wordt hiervan melding gemaakt.
Indien het gemiddelde meetresultaat van de heranalyse voor stikstof en fosfor niet meer dan 6,4% resp. 9,8% afwijkt van het resultaat de eerste analyse, is er sprake van een bevestiging van het resultaat voor het hoge concentratie concentratieniveau (zie hoofdstuk 6). Wanneer de gemeten gehaltes gemiddeld lager zijn dan 2,5 g/kg stikstof of 0,5 g/kg fosfor (het lage concentratie niveau) dan is er sprake van een bevestiging van het resultaat wanneer het verschil niet meer dan 0,16 en 0,05 g/kg bedraagt.
De aanvrager van de heranalyse ontvangt in dat geval van het laboratorium bericht van de bevestiging waarbij aangegeven wordt dat het eerder gerapporteerde resultaat onverkort van toepassing blijft.
### § 7.4. Rapportage aan de minister
Wanneer de analyseresultaten niet worden bevestigd, wordt door het laboratorium een gewijzigd analyserapport verzonden aan de leverancier, vervoerder en afnemer van de vracht of partij mest en daarmee vervalt het eerste analyseresultaat. Op het analyserapport wordt aangegeven dat het een heranalyse betreft.
Periodiek moet het laboratorium in ieder geval de volgende gegevens aan de minister rapporteren:
Periodiek moet het laboratorium in ieder geval de volgende gegevens aan de minister rapporteren:
### Hoofdstuk 8. Archivering van gegevens
De meetgegevens van het laboratorium dienen gedurende minimaal 5 jaar te worden gearchiveerd en wel zodanig dat de meetresultaten kunnen worden geherinterpreteerd en snel en handzaam terugvindbaar zijn. Dit geldt ook voor de validatiegegevens en de analyserapporten.
De meetgegevens van het laboratorium dienen gedurende minimaal 5 jaar te worden gearchiveerd en wel zodanig dat de meetresultaten kunnen worden geherinterpreteerd en snel en handzaam terugvindbaar zijn. Dit geldt ook voor de validatiegegevens en de analyserapporten.
Het is toegestaan de meetgegevens elektronisch op te slaan vermits voldaan wordt aan de relevante eisen uit de NEN-EN-ISO/IEC 17025.
De steeksproefgewijze controle op de naleving van de eisen van AP05 wordt uitgevoerd door de Raad voor Accreditatie. De Raad voor Accreditatie oordeelt naar bevinden. Als richtlijn wordt aangehouden dat een laboratorium haar accreditatie status verliest wanneer het voor een periode van 2 jaar niet aan de eisen voor de ringonderzoeken en/of de steekproeven voldoet. In geval van een schorsing of intrekking van de accreditatie zal dit door de Raad voor Accreditatie worden gemeld aan de minister. Indien de accreditatie is ingetrokken, mag een laboratorium geen analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest meer uitvoeren.
@@ -6219,21 +6286,19 @@
Eindrapportage bemonstering en analyse van dierlijke mest, Projectgroep Bemonstering en Analyse, april 1995.
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2019-01-01&g=2019-01-01)
* Fase 3 substraat is het product dat van het compostbedrijf wordt vervoerd naar de champignonkwekerij.
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2019-01-01&g=2019-01-01)
* Fase 3 substraat is het product dat van het compostbedrijf wordt vervoerd naar de champignonkwekerij.
* Fase 3 substraat is het product dat van het compostbedrijf wordt vervoerd naar de champignonkwekerij.
** champost is het product dat van de champignonkweker wordt afgevoerd.
xiii mineralenconcentraat dat is geproduceerd door een overeenkomstig [artikel 35b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35b&z=2018-06-06&g=2018-06-06) aangewezen producent en dat wordt vervoerd naar een in [artikel 35f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35f&z=2018-06-06&g=2018-06-06), bedoelde landbouwer.
xiii mineralenconcentraat dat is geproduceerd door een overeenkomstig [artikel 35b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35b&z=2019-01-01&g=2019-01-01) aangewezen producent en dat wordt vervoerd naar een in [artikel 35f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35f&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde landbouwer.
Bij de bepaling van het PAL-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p.19–22.
xiii mineralenconcentraat dat is geproduceerd door een overeenkomstig [artikel 35b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35b&z=2019-01-31&g=2019-01-31) aangewezen producent en dat wordt vervoerd naar een in [artikel 35f, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35f&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde landbouwer.
CSS 99022 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method. (www.ecn.nl/horizontal).
@@ -6243,11 +6308,11 @@
CSS 99022 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99022 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99020 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99020 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method. (www.ecn.nl/horizontal).
Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge (www.ecn.nl/horizontal).
Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge (www.ecn.nl/horizontal).
@@ -6573,7 +6638,7 @@
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
### 4. Berekening
### 1. Abstract
### 2. Benodigde reagentia
@@ -6581,42 +6646,42 @@
### 2. Benodigde reagentia
2 Behorende bij [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
1 Als de omschrijving van de categorieën niet aansluit bij de voorkomende situatie dienen de forfaits gehanteerd te worden van de categorie die het best aansluit bij de voorkomende situatie.
## Bijlage F
### Tabel IIA. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest
### C. Prestatiekenmerken verpakkingsapparatuur
### B. Eisen monsterverpakking
### 1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur
### 3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur
### 2. Inlezen gegevens
### 4. Automatische positiebepaling van het transportmiddel met satellietvolgapparatuur
### 3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur en transportmiddel
### 2. Algemene eisen
### 2.1. Algemene eisen
### 2. Algemene eisen
### § 3.1. Algemeen
### 5.1.2. Mengen van monsters vaste mest
### 3. Verrichtingen binnen AP06
### 2.2. Toetredingsprocedure
## Bijlage F
### 4.2. Controle van te bemonsteren vracht of partij
### 4.3. Controle op mestcode
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2008-07-13&g=2008-07-13) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### 4.3. Controle op mestcode
### 5. Technische beschrijving van de verrichting – partijbemonstering
### 4.3. Controle op mestcode
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2008-07-13&g=2008-07-13) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### 5. Technische beschrijving van de verrichting – partijbemonstering
### 5. Technische beschrijving van de verrichting – partijbemonstering
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
### § 6.2.1. Controlemonster eerste lijn
@@ -6627,7 +6692,7 @@
### 6.2. 6.2 Bemonstering bij het laden
### 7. Registratie en archivering
### 6.6. Verpakking, transport en overdracht voor analyse
### 8.2. Periodieke actualisatie
@@ -6643,49 +6708,49 @@
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
### § 6.2.3. Duplo-analyse
### § 6.3. Tweedelijnscontrole
### § 6.3. Tweedelijnscontrole
### § 6.3.1. Controlemonster tweede lijn
### § 6.3.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.3.1. Controlemonster tweede lijn
### § 6.4.1. Ringonderzoek
Tevens dient het aantal significant afwijkende waarden per parameter te worden beoordeeld. Bij twee of meer is de kwaliteit onvoldoende.
De resultaten van de ringonderzoeken en de evaluatie worden door de uitvoerende instantie aan het laboratorium en aan de minister gerapporteerd.
De resultaten van de ringonderzoeken en de evaluatie worden door de uitvoerende instantie aan het laboratorium en aan de minister gerapporteerd.
De resultaten worden door het RIKILT als volgt geëvalueerd.
Het RIKILT bepaalt van elk monster in willekeurige volgorde het stikstof- en fosfaatgehalte volgens de referentiemethoden. Het laboratorium is verplicht vastgelegde stikstof- en fosfaatgehalten van desbetreffende monsters aan RIKILT beschikbaar te stellen, evenals aanvullende gegevens die nodig zijn om de analyseresultaten te kunnen vergelijken zoals eventuele (droog)factoren.
### **4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster**
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
Vervolgens wordt per laboratorium de mediaan van deze verschillen berekend. Hierbij worden resultaten die beneden de rapportagegrens liggen weggelaten. De medianen van de verschillende laboratoria worden uitgezet in een controlekaart met de eerder berekende medianen uit acht vorige steekproeven inclusief de daaruit berekende ±2s- en ±3s-grenzen.
De ±2s en ±3s grenzen worden berekend op basis van de oude medianen uit acht vorige steekproeven door een variantie analyse uit te voeren, waarbij de medianen worden gebruikt als responsvariabelen en de factoren ‘laboratorium’ en ‘periode’ als random factoren in het model worden opgenomen. Bij deze berekening van grenzen worden medianen uit eerdere steekproeven die niet aan de normen voldeden (zie hierna) uitgesloten. De standaardafwijking s wordt berekend als de wortel van de som van s2lab en s2rest, waarbij s2lab de geschatte variantie-component voor de factor ‘laboratorium’ is en s2rest de geschatte rest-variantie-component betreft.
De procentuele±2s en ±3s-grenzen worden berekend door eerst de standaardafwijking s te transformeren volgens:
### Hoofdstuk 7. Rapportage van resultaten
### Hoofdstuk 7. Rapportage van resultaten
Het resultaat van fosfor moet worden uitgedrukt op oxide basis, de omrekeningsfactor hiervoor is:
Een laboratorium voldoet niet aan de norm als:
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### § 7.2. Analyserapport
Het analyserapport dient minimaal de volgende gegevens te bevatten:
De duploresultaten van de heranalyse dienen te voldoen aan de eisen voor de herhaalbaarheid, voor stikstof 4% en voor fosfor 6%. Voldoet een monster niet aan deze eisen dan wordt de analyse opnieuw uitgevoerd in duplo. Voldoet het monster bij herhaling wel aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend van de laatste 2 meetresultaten. De eerder gevonden duploresultaten worden dan verworpen.
Het analyserapport moet voldoen aan de volgende algemene voorwaarden:
Heranalyse vindt plaats in duplo onder herhaalbaarheidscondities, op het gekoeld bewaarde analysemonster, binnen 21 dagen na de eerste verslaglegging.
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
De meetgegevens van het laboratorium dienen gedurende minimaal 5 jaar te worden gearchiveerd en wel zodanig dat de meetresultaten kunnen worden geherinterpreteerd en snel en handzaam terugvindbaar zijn. Dit geldt ook voor de validatiegegevens en de analyserapporten.
### Hoofdstuk 9. Controle op naleving
Periodiek moet het laboratorium in ieder geval de volgende gegevens aan de minister rapporteren:
### Hoofdstuk 8. Archivering van gegevens
### Hoofdstuk 10. Literatuur
@@ -6695,6 +6760,8 @@
### **A. Protocol analyse gehalten stikstof, fosfaat en drogestof zuiveringsslib en compost**
Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge (www.ecn.nl/horizontal).
Wanneer in één maand één monster wordt aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt de berekening van het twaalf-maandsgemiddelde gemaakt op basis van het analyseresultaat van dit monster.
Wanneer in één maand één monster wordt aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt de berekening van het twaalf-maandsgemiddelde gemaakt op basis van het analyseresultaat van dit monster.
@@ -6703,8 +6770,6 @@
Door het aldus verkregen analyseresultaat (fosfaatgehalte en stikstofgehalte en drogestofgehalte afzonderlijk) toe te voegen aan de som van de analyseresultaten van de voorgaande maanden (maximaal 11) en deze som te delen door het totale aantal maanden (maximaal 12), wordt het nieuwe twaalf-maandsgemiddelde berekend.
Stel de gevonden normaliteit van de ammonia = c.
In [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2018-04-01&g=2018-04-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:
In [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2017-11-10&g=2017-11-10) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:
@@ -6731,7 +6796,7 @@
- b. het adres van de bedrijfsgebouwen waar mineralenconcentraat wordt geproduceerd;
- c. de kadastrale aanduiding van de onderscheiden locaties van de tot het bedrijf behorende opslagruimten voor mineralenconcentraat, dan wel, ingeval de producent een intermediair is, het registratienummer van de opslagruimte voor mineralenconcentraat, bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=49&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
- c. de kadastrale aanduiding van de onderscheiden locaties van de tot het bedrijf behorende opslagruimten voor mineralenconcentraat, dan wel, ingeval de producent een intermediair is, het registratienummer van de opslagruimte voor mineralenconcentraat, bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=49&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
6. Bij de aanmelding overlegt de producent voorts:
@@ -6759,7 +6824,7 @@
1. De minister wijst een producent van mineralenconcentraat aan als deelnemer indien:
- a. de producent zich overeenkomstig [artikel 35a, derde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), heeft aangemeld;
- a. de producent zich overeenkomstig [artikel 35a, derde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), heeft aangemeld;
- b. de producent de volledige zeggenschap over de gehele installatie en het productieproces heeft;
@@ -6767,51 +6832,51 @@
- d. de installatie volledig operationeel is;
- e. de producent daadwerkelijk mineralenconcentraat produceert, overeenkomstig de beschrijvingen, bedoeld in [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
- e. de producent daadwerkelijk mineralenconcentraat produceert, overeenkomstig de beschrijvingen, bedoeld in [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
2. De minister kan aan de aanwijzing nadere voorschriften verbinden. De aan de aanwijzing verbonden voorschriften kunnen worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken.
##### Artikel 35c
Indien meer dan tien producenten, bedoeld in [artikel 35a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 35b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wijst de minister ten hoogste tien producenten aan. De aanwijzing geschiedt op volgorde van aanmelding.
Indien meer dan tien producenten, bedoeld in [artikel 35a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 35b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wijst de minister ten hoogste tien producenten aan. De aanwijzing geschiedt op volgorde van aanmelding.
##### Artikel 35d
1. Een aangewezen producent verleent indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking aan het in [artikel 35a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde onderzoek.
2. Een aangewezen producent produceert overeenkomstig de op grond van [artikel 35a, vijfde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), overgelegde gegevens en beschrijvingen.
3. De aangewezen producent meldt de wijzigingen in de gegevens, bedoeld in [artikel 35a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), binnen 30 dagen aan de minister.
4. Wijzigingen in de elementen, bedoeld in [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), vinden niet plaats dan na instemming van de minister.
5. De aangewezen producent draagt er zorg voor dat op het vervoersbewijs dierlijke mest uitsluitend de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01) voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode wordt vermeld, indien het mineralenconcentraat is vervaardigd overeenkomstig de op grond van [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), overgelegde beschrijving van het productieproces, en indien het mineralenconcentraat wordt afgevoerd naar een gebruiker waarmee hij een overeenkomst tot afname van het mineralenconcentraat heeft gesloten.
6. Het gewicht van en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de van het bedrijf of van de onderneming van de producent afgevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
1. Een aangewezen producent verleent indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking aan het in [artikel 35a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde onderzoek.
2. Een aangewezen producent produceert overeenkomstig de op grond van [artikel 35a, vijfde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), overgelegde gegevens en beschrijvingen.
3. De aangewezen producent meldt de wijzigingen in de gegevens, bedoeld in [artikel 35a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), binnen 30 dagen aan de minister.
4. Wijzigingen in de elementen, bedoeld in [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), vinden niet plaats dan na instemming van de minister.
5. De aangewezen producent draagt er zorg voor dat op het vervoersbewijs dierlijke mest uitsluitend de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31) voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode wordt vermeld, indien het mineralenconcentraat is vervaardigd overeenkomstig de op grond van [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), overgelegde beschrijving van het productieproces, en indien het mineralenconcentraat wordt afgevoerd naar een gebruiker waarmee hij een overeenkomst tot afname van het mineralenconcentraat heeft gesloten.
6. Het gewicht van en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de van het bedrijf of van de onderneming van de producent afgevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
7. Ingeval de aangewezen producent een intermediair is, heeft de in [artikel 14, eerste lid, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=14) bedoelde verantwoording betrekking op zowel de hoeveelheid fosfaat als de hoeveelheid stikstof.
8. Indien de aangewezen producent niet voldoet aan dit artikel of aan de ingevolge [artikel 35b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), gestelde voorschriften, kan de minister de aanwijzing als deelnemer voor een bepaalde periode schorsen of intrekken.
8. Indien de aangewezen producent niet voldoet aan dit artikel of aan de ingevolge [artikel 35b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), gestelde voorschriften, kan de minister de aanwijzing als deelnemer voor een bepaalde periode schorsen of intrekken.
##### Artikel 35e
De landbouwer die op zijn bedrijf mineralenconcentraat gebruikt, is voor wat betreft het gebruik van het mineralenconcentraat, voor de jaren 2009 tot en met 2019 vrijgesteld van [artikel 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=7), voor zover het gebruik van de totale hoeveelheid meststoffen op zijn bedrijf de stikstofgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 8, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), en de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), niet overschrijdt, en indien is voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in [artikel 35f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35f&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
De landbouwer die op zijn bedrijf mineralenconcentraat gebruikt, is voor wat betreft het gebruik van het mineralenconcentraat, voor de jaren 2009 tot en met 2019 vrijgesteld van [artikel 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=7), voor zover het gebruik van de totale hoeveelheid meststoffen op zijn bedrijf de stikstofgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 8, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), en de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), niet overschrijdt, en indien is voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in [artikel 35f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35f&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
##### Artikel 35f
1. De landbouwer heeft met een overeenkomstig [artikel 35b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35b&z=2019-01-01&g=2019-01-01) aangewezen producent van mineralenconcentraat een schriftelijke overeenkomst gesloten tot afname van het mineralenconcentraat.
2. Het desbetreffende bedrijf van de landbouwer is voor de toepassing van [artikel 35e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35e&z=2019-01-01&g=2019-01-01) elektronisch bij de minister aangemeld, onder vermelding van het door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer. Deze aanmelding geschiedt voordat de eerste vracht mineralenconcentraat op het bedrijf wordt aangevoerd.
1. De landbouwer heeft met een overeenkomstig [artikel 35b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35b&z=2019-01-31&g=2019-01-31) aangewezen producent van mineralenconcentraat een schriftelijke overeenkomst gesloten tot afname van het mineralenconcentraat.
2. Het desbetreffende bedrijf van de landbouwer is voor de toepassing van [artikel 35e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35e&z=2019-01-31&g=2019-01-31) elektronisch bij de minister aangemeld, onder vermelding van het door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer. Deze aanmelding geschiedt voordat de eerste vracht mineralenconcentraat op het bedrijf wordt aangevoerd.
3. Het mineralenconcentraat is rechtstreeks vanaf het bedrijf of de onderneming van de in het eerste lid bedoelde producent op het bedrijf van de landbouwer aangevoerd.
4. Het gewicht van en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op het bedrijf van de landbouwer aangevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat worden bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
5. Op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat de desbetreffende aangevoerde vracht vergezelt, is de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01) voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode vermeld.
4. Het gewicht van en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op het bedrijf van de landbouwer aangevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat worden bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
5. Op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat de desbetreffende aangevoerde vracht vergezelt, is de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31) voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode vermeld.
6. De landbouwer houdt in de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), de gegevens bij over de oppervlakte en de ligging van de percelen van zijn bedrijf waarop mineralenconcentraat op of in de bodem is gebracht.
7. De landbouwer verleent indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking aan het in [artikel 35a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde onderzoek.
7. De landbouwer verleent indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking aan het in [artikel 35a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde onderzoek.
8. Bij de bepaling van de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=12) bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt voor het desbetreffende bedrijf de hoeveelheid stikstof in het mineralenconcentraat voor 100 procent in aanmerking genomen.
@@ -7564,7 +7629,37 @@
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
## Bijlage C. behorende bij de [artikelen 30 tot en met 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2019-01-01&g=2019-01-01)
## Bijlage B. behorende bij [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=29&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet: Werkingscoëfficiënt
| Soort/herkomst meststof ¹ | Toepassing ¹ | WC |
| --- | --- | --- |
| | | |
| **Drijfmest en dunne fractie** | **Drijfmest en dunne fractie** | **Drijfmest en dunne fractie** |
| Drijfmest van graasdieren op eigen bedrijf geproduceerd | Op bedrijf met beweiding Op bedrijf zonder beweiding | 45 60 |
| | Op bedrijf met beweiding Op bedrijf zonder beweiding | 45 60 |
| Drijfmest van graasdieren aangevoerd | | 60 |
| Drijfmest van varkens | Op klei- en veengrond Op zand en lössgrond | 60 80 |
| Drijfmest van overige diersoorten | | 60 |
| Dunne fractie na mestbewerking en gier | | 80 |
| | | |
| **Vaste mest** | **Vaste mest** | **Vaste mest** |
| Van graasdieren op eigen bedrijf geproduceerd | Op bouwland op klei- en veengrond, in de periode van 1 september t/m 31 januari | 30 |
| Van graasdieren op eigen bedrijf geproduceerd | Overige toepassingen op bedrijf met beweiding | 45 |
| Van graasdieren op eigen bedrijf geproduceerd | Overige toepassingen op bedrijf zonder beweiding | 60 |
| Van graasdieren aangevoerd | Op bouwland op klei- en veengrond, in de periode van 1 september t/m 31 januari | 30 |
| Van graasdieren aangevoerd | Overige toepassingen | 40 |
| Van varkens, pluimvee en nertsen | | 55 |
| Van overige diersoorten | Op bouwland op klei- en veengrond, in de periode van 1 september t/m 31 januari | 30 |
| Van overige diersoorten | Overige toepassingen | 40 |
| | | |
| **Overig** | **Overig** | **Overig** |
| Compost | | 10 |
| Champost | | 25 |
| Zuiveringsslib | | 40 |
| Overige organische meststoffen | | 50 |
| Mengsels van meststoffen | Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat | Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat |
¹ Zonder nadere vermelding geldt de genoemde coëfficiënt voor alle grondsoorten, ongeacht herkomst en voor het gehele jaar, tenzij aanwenden op basis van het Besluit gebruik meststoffen is verboden
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal voor de toepassing van reparatiebemesting op fosfaatarme of fosfaatfixerende gronden
@@ -7636,7 +7731,7 @@
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### 3. Analyse van grondmonsters
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### 2.6. Extractievloeistof
@@ -7648,31 +7743,31 @@
### 2.4. Ascorbinezuur-oplossing 1,75%
### 2.5. Kaliumantimonyltartraat-oplossing 0,275%
3 Behorende bij de [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Met betrekking tot artikel 73 alleen relevant voor de graasdieren en daarmee niet van toepassing op diercategorieën die vallen onder de staldieren.
### 2.4. Ascorbinezuur-oplossing 1,75%
2 Behorende bij [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
## Bijlage F
### **Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103**
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=82&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2019-01-31&g=2019-01-31)
### A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2009-01-29&g=2009-01-29), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2009-01-29&g=2009-01-29) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2009-01-29&g=2009-01-29)
### B. Eisen monsterverpakking
### 6. Versturen van mesttransportgegevens
### 2. Inlezen gegevens
### 5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur
### 1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur
### 2.2. Toetredingsprocedure
### 4.1. Controle opdracht
### 4. Controle opdracht, te bemonsteren vracht of partij en mestsoort
## Bijlage F
### 5.1. Het nemen van een representatief monster
### Hoofdstuk 5. Technische beschrijving van verrichtingen
### 5.1. Het nemen van een representatief monster
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2009-01-29&g=2009-01-29) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2009-01-29&g=2009-01-29) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -7688,9 +7783,9 @@
### 6. Vrachtbemonstering
### 6.6. Verpakking, transport en overdracht voor analyse
### 9.2. Derdelijnscontrole
### 6.5. Het maken van een laboratoriummonster
### 9.1. Eerste en tweedelijnscontrole
### Hoofdstuk 4. Controle en registratie inkomende monsters
@@ -7714,101 +7809,101 @@
Een aantal keren per jaar worden op het laboratorium reeds geanalyseerde monsters aselect verzameld ten behoeve van heranalyse door het RIKILT, Wageningen UR. Het aantal te verzamelen monsters bedraagt per laboratorium en per keer 30 tot 40. Dit gebeurt indien daar aanleiding toe bestaat onaangekondigd.
### Hoofdstuk 7. Rapportage van resultaten
### § 7.1. Uitdrukking van meetresultaten
### § 7.2. Analyserapport
### **5. machtiging als monsternemers**
De minimale rapporteringswaarde bedraagt voor stikstof 0,10 g/kg en voor fosfaat 0,07 g/kg.
### § 7.3. Heranalyse
De aanvrager van de heranalyse ontvangt in dat geval van het laboratorium bericht van de bevestiging waarbij aangegeven wordt dat het eerder gerapporteerde resultaat onverkort van toepassing blijft.
### Hoofdstuk 9. Controle op naleving
### Hoofdstuk 10. Literatuur
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2018-04-01&g=2018-04-01)
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
In [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:
In [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:
Dit protocol vermeldt voor vochtrijke voedermiddelen (> 14% vocht) de uitgangspunten die gelden voor de vaststelling van de te vermelden gehalten en voor de minimumfrequentie van analytisch onderzoek. Tevens wordt aangegeven hoe de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het gehalte moet vaststellen en welke minimumfrequentie van onderzoek hij moet hanteren.
Dit protocol vermeldt voor vochtrijke voedermiddelen (> 14% vocht) de uitgangspunten die gelden voor de vaststelling van de te vermelden gehalten en voor de minimumfrequentie van analytisch onderzoek. Tevens wordt aangegeven hoe de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het gehalte moet vaststellen en welke minimumfrequentie van onderzoek hij moet hanteren.
Het uitgangspunt is dat de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd per gehalte met een voortschrijdend gemiddeld gehalte werkt. Dit gemiddelde gehalte wordt berekend per product per locatie (Dit betekent dat een product, afkomstig van 1 leverancier maar geleverd vanaf meerdere locaties, per locatie beschouwd moet worden. Zie echter ook 4.1.4 en 4.1.5) uit een aantal waarnemingen. Hij stelt hiertoe eerst het gemiddelde gehalte vast (aanvangsgemiddelde). Vervolgens onderhoudt hij dit gemiddelde gehalte door regelmatig monsters te (laten) analyseren en de analyseresultaten toe te voegen aan de gegevens, die nodig zijn om de gemiddelde gehalten te berekenen. De oudste gegevens worden telkens verwijderd (voorschrijdend gemiddelde).
Het uitgangspunt is dat de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd per gehalte met een voortschrijdend gemiddeld gehalte werkt. Dit gemiddelde gehalte wordt berekend per product per locatie (Dit betekent dat een product, afkomstig van 1 leverancier maar geleverd vanaf meerdere locaties, per locatie beschouwd moet worden. Zie echter ook 4.1.4 en 4.1.5) uit een aantal waarnemingen. Hij stelt hiertoe eerst het gemiddelde gehalte vast (aanvangsgemiddelde). Vervolgens onderhoudt hij dit gemiddelde gehalte door regelmatig monsters te (laten) analyseren en de analyseresultaten toe te voegen aan de gegevens, die nodig zijn om de gemiddelde gehalten te berekenen. De oudste gegevens worden telkens verwijderd (voorschrijdend gemiddelde).
De analysefrequentie hangt af van:
4.1.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd definieert zijn product(en) en legt dit vast. Belangrijk zijn uiteraard de voor de controle op de gebruiksnormen belangrijke parameters vocht/ds, ruw eiwit en fosfor. Van deze gehalten stelt de ondernemer de gemiddelde waarde en de standaarddeviatie (sd) vast.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2009-01-29&g=2009-01-29) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### § 6.2.3. Duplo-analyse
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### § 6.3. Tweedelijnscontrole
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2009-01-29&g=2009-01-29)
### § 6.3.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.3.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.3.3. Procedurele aspecten
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
### § 7.1. Uitdrukking van meetresultaten
### § 7.2. Analyserapport
### **5. machtiging als monsternemers**
De berekende hoeveelheden fosfaat en stikstof – gebaseerd op het gehalte maal de vrachtomvang – wordt uitgedrukt in kilogrammen en afgerond op hele getallen.
### § 7.3. Heranalyse
Wanneer de analyseresultaten niet worden bevestigd, wordt door het laboratorium een gewijzigd analyserapport verzonden aan de leverancier, vervoerder en afnemer van de vracht of partij mest en daarmee vervalt het eerste analyseresultaat. Op het analyserapport wordt aangegeven dat het een heranalyse betreft.
### § 7.4. Rapportage aan de minister
### Hoofdstuk 9. Controle op naleving
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2018-04-01&g=2018-04-01)
### 2.6 Extractievloeistof
In [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:
Dit protocol vermeldt voor vochtrijke voedermiddelen (> 14% vocht) de uitgangspunten die gelden voor de vaststelling van de te vermelden gehalten en voor de minimumfrequentie van analytisch onderzoek. Tevens wordt aangegeven hoe de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het gehalte moet vaststellen en welke minimumfrequentie van onderzoek hij moet hanteren.
Dit protocol vermeldt voor vochtrijke voedermiddelen (> 14% vocht) de uitgangspunten die gelden voor de vaststelling van de te vermelden gehalten en voor de minimumfrequentie van analytisch onderzoek. Tevens wordt aangegeven hoe de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het gehalte moet vaststellen en welke minimumfrequentie van onderzoek hij moet hanteren.
Het uitgangspunt is dat de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd per gehalte met een voortschrijdend gemiddeld gehalte werkt. Dit gemiddelde gehalte wordt berekend per product per locatie (Dit betekent dat een product, afkomstig van 1 leverancier maar geleverd vanaf meerdere locaties, per locatie beschouwd moet worden. Zie echter ook 4.1.4 en 4.1.5) uit een aantal waarnemingen. Hij stelt hiertoe eerst het gemiddelde gehalte vast (aanvangsgemiddelde). Vervolgens onderhoudt hij dit gemiddelde gehalte door regelmatig monsters te (laten) analyseren en de analyseresultaten toe te voegen aan de gegevens, die nodig zijn om de gemiddelde gehalten te berekenen. De oudste gegevens worden telkens verwijderd (voorschrijdend gemiddelde).
Het uitgangspunt is dat de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd per gehalte met een voortschrijdend gemiddeld gehalte werkt. Dit gemiddelde gehalte wordt berekend per product per locatie (Dit betekent dat een product, afkomstig van 1 leverancier maar geleverd vanaf meerdere locaties, per locatie beschouwd moet worden. Zie echter ook 4.1.4 en 4.1.5) uit een aantal waarnemingen. Hij stelt hiertoe eerst het gemiddelde gehalte vast (aanvangsgemiddelde). Vervolgens onderhoudt hij dit gemiddelde gehalte door regelmatig monsters te (laten) analyseren en de analyseresultaten toe te voegen aan de gegevens, die nodig zijn om de gemiddelde gehalten te berekenen. De oudste gegevens worden telkens verwijderd (voorschrijdend gemiddelde).
De analysefrequentie hangt af van:
Nieuw product
### Hoofdstuk 10. Literatuur
### Oplossing III.
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
### Tabel II behorend bij [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=89&z=2018-04-01&g=2018-04-01)
### 1. Abstract
4.1.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd definieert zijn product(en) en legt dit vast. Belangrijk zijn uiteraard de voor de controle op de gebruiksnormen belangrijke parameters vocht/ds, ruw eiwit en fosfor. Van deze gehalten stelt de ondernemer de gemiddelde waarde en de standaarddeviatie (sd) vast.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2009-01-29&g=2009-01-29) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### § 6.2.3. Duplo-analyse
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### § 6.3.1. Controlemonster tweede lijn
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2009-01-29&g=2009-01-29)
### § 6.3.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.3.2. Onbeheerste kwaliteit
### § 6.3.3. Procedurele aspecten
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
### § 7.1. Uitdrukking van meetresultaten
### § 7.2. Analyserapport
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### § 7.4. Rapportage aan de minister
### Hoofdstuk 9. Controle op naleving
### Hoofdstuk 10. Literatuur
### Oplossing III.
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
### Tabel II behorend bij [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=89&z=2018-04-01&g=2018-04-01)
### 1. Abstract
4.1.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd definieert zijn product(en) en legt dit vast. Belangrijk zijn uiteraard de voor de controle op de gebruiksnormen belangrijke parameters vocht/ds, ruw eiwit en fosfor. Van deze gehalten stelt de ondernemer de gemiddelde waarde en de standaarddeviatie (sd) vast.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 59a
1. [Artikel 53, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [artikel 54, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=54&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor zover dat lid betrekking heeft op de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur, [artikel 55, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2019-01-01&g=2019-01-01), aanhef in samenhang met de onderdelen b en c, en artikel 56, eerste lid, voor zover dat lid betrekking heeft op het vastleggen van de in [artikel 55, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde gegevens, zijn niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen, indien de dierlijke meststoffen worden afgevoerd van een bedrijf ten aanzien waarvan ontheffing is verleend van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en rechtstreeks, zonder tussenopslag, worden vervoerd naar een bedrijf ten aanzien waarvan eveneens ontheffing is verleend van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-01&g=2019-01-01) onder de volgende voorwaarden:
1. [Artikel 53, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [artikel 54, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=54&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor zover dat lid betrekking heeft op de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur, [artikel 55, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2019-01-31&g=2019-01-31), aanhef in samenhang met de onderdelen b en c, en artikel 56, eerste lid, voor zover dat lid betrekking heeft op het vastleggen van de in [artikel 55, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde gegevens, zijn niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen, indien de dierlijke meststoffen worden afgevoerd van een bedrijf ten aanzien waarvan ontheffing is verleend van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en rechtstreeks, zonder tussenopslag, worden vervoerd naar een bedrijf ten aanzien waarvan eveneens ontheffing is verleend van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-31&g=2019-01-31) onder de volgende voorwaarden:
- a. de afvoer vindt plaats op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de leverancier en de afnemer die is afgesloten voordat het vervoer van de desbetreffende vracht plaatsvond;
- b. de hoeveelheid van de desbetreffende vracht meststoffen wordt bepaald overeenkomstig de aan de ontheffing verbonden voorschriften; en
- c. het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen is overeenkomstig [artikel 66, vierde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=66&z=2019-01-01&g=2019-01-01), ingevuld.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vracht dierlijke meststoffen op grond van de voorschriften die zijn verbonden aan de aan de leverancier van de desbetreffende vracht verleende ontheffing wordt vervoerd overeenkomstig de [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=48) en [49 van het Uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) en de [artikelen 53 tot en met 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
- c. het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen is overeenkomstig [artikel 66, vierde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=66&z=2019-01-31&g=2019-01-31), ingevuld.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vracht dierlijke meststoffen op grond van de voorschriften die zijn verbonden aan de aan de leverancier van de desbetreffende vracht verleende ontheffing wordt vervoerd overeenkomstig de [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=48) en [49 van het Uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) en de [artikelen 53 tot en met 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
### Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
@@ -7889,9 +7984,9 @@
### **3. Instrumentele analyse Hg**
## Bijlage A.3. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2009-07-25&g=2009-07-25): Buitenbloemen
### Principe
## Bijlage C. behorende bij de [artikelen 30 tot en met 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2019-01-31&g=2019-01-31)
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal voor de toepassing van reparatiebemesting op fosfaatarme of fosfaatfixerende gronden
## Bijlage C. behorende bij de [artikelen 30 tot en met 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2009-07-25&g=2009-07-25)
@@ -7903,11 +7998,11 @@
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2009-07-25&g=2009-07-25), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2009-07-25&g=2009-07-25) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2009-07-25&g=2009-07-25)
### 7. Signalering van storingen
### 1. Inleiding
### Hoofdstuk 2. Algemene eisen
### 6. Versturen van mesttransportgegevens
### Accreditatieprogramma bemonstering vaste dierlijke meststoffen; AP06
### 2.1. Algemene eisen
### **2. Inlezen gegevens**
@@ -7919,11 +8014,11 @@
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2009-07-25&g=2009-07-25) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2009-07-25&g=2009-07-25)
### 5.2.1. Bemonstering met de Edelmanboor
### 5.3. Het maken van een laboratoriummonster
### 6.1. Het nemen van een representatief monster
### 5.2. Gebruik van de instrumenten
### 5.2.2. Bemonstering met schep/schop met aangepaste opening (mestdeeltjes >10 mm)
### 6. Vrachtbemonstering
### 6.6. Verpakking, transport en overdracht voor analyse
@@ -7945,7 +8040,7 @@
### § 7.4. Rapportage aan de minister
### Principe
### Hoofdstuk 9. Controle op naleving
### Hoofdstuk 10. Literatuur
@@ -7957,17 +8052,17 @@
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
Nieuw product
4.1.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd definieert zijn product(en) en legt dit vast. Belangrijk zijn uiteraard de voor de controle op de gebruiksnormen belangrijke parameters vocht/ds, ruw eiwit en fosfor. Van deze gehalten stelt de ondernemer de gemiddelde waarde en de standaarddeviatie (sd) vast.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 28a
1. De hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 28, eerste lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt voor onderstaande gewassen vermeerderd met de hoeveelheid stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, voor zover de teelt van deze gewassen op kleigrond plaatsvindt:
1. De hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 28, eerste lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt voor onderstaande gewassen vermeerderd met de hoeveelheid stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, voor zover de teelt van deze gewassen op kleigrond plaatsvindt:
- a. voor zover het gewas suikerbieten betreft, 15 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal suikerbieten dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 75 ton per hectare bedroeg;
- b. voor zover het de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-01&g=2019-01-01), tabel 5, genoemde consumptieaardappelrassen betreft, 30 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal van deze consumptieaardappelrassen dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 50 ton per hectare bedroeg;
- b. voor zover het de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-31&g=2019-01-31), tabel 5, genoemde consumptieaardappelrassen betreft, 30 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal van deze consumptieaardappelrassen dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 50 ton per hectare bedroeg;
- c. voor zover het gewas wintertarwe betreft, 15 kilogrammen stikstof, indien de gemiddelde opbrengst van het totale areaal wintertarwe dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 9 ton per hectare bedroeg;
@@ -8019,7 +8114,7 @@
##### Artikel 51a
1. Op de opslagruimten voor vloeibaar zuiveringsslib, bedoeld in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2019-01-01&g=2019-01-01), worden de door de minister verstrekte registratienummers ter identificatie van de afzonderlijke opslagruimten aangebracht, op zodanige wijze dat het nummer steeds duidelijk zichtbaar en leesbaar is.
1. Op de opslagruimten voor vloeibaar zuiveringsslib, bedoeld in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2019-01-31&g=2019-01-31), worden de door de minister verstrekte registratienummers ter identificatie van de afzonderlijke opslagruimten aangebracht, op zodanige wijze dat het nummer steeds duidelijk zichtbaar en leesbaar is.
2. De opslagruimten voor vloeibaar zuiveringsslib worden in de administratie en bij de verstrekking van gegevens mede aangeduid met het registratienummer van de opslagruimte, bedoeld in het eerste lid.
@@ -8033,13 +8128,13 @@
##### Artikel 74a
Voor zover het graasdieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in [artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032462&artikel=2.14) en die behoren tot de in de [bijlage bij die regeling](onbekend) onderscheiden dieren, zijn de in [artikel 66, eerste en tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) bedoelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, in afwijking van de [artikelen 73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2019-01-01&g=2019-01-01), de normen die bij de desbetreffende categorie dieren in die bijlage zijn vermeld.
Voor zover het graasdieren betreft die worden gehouden op een bedrijf waarvoor een inkennisstelling heeft plaatsgevonden als bedoeld in [artikel 2.14, eerste lid, van de Regeling dierlijke producten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0032462&artikel=2.14) en die behoren tot de in de [bijlage bij die regeling](onbekend) onderscheiden dieren, zijn de in [artikel 66, eerste en tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) bedoelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, in afwijking van de [artikelen 73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2019-01-31&g=2019-01-31), de normen die bij de desbetreffende categorie dieren in die bijlage zijn vermeld.
#### § 1. Mestproductie
##### Artikel 92c
Ingeval een hoeveelheid vloeibaar zuiveringsslib die afkomstig is uit een opslagruimte voor vloeibaar zuiveringsslib als bedoeld in [artikel 39, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) of in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en die rechtstreeks van de desbetreffende onderneming wordt afgevoerd naar een bedrijf, komt het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte alsmede het drogestofgehalte van de desbetreffende hoeveelheid zuiveringsslib, in afwijking van [artikel 68, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), overeen met het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte onderscheidenlijk het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-01&g=2019-01-01), of artikel 51, vijfde lid, bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers is berekend en zoals dat voordat de afvoer plaatsvond, overeenkomstig [artikel 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2019-01-01&g=2019-01-01), of [52, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2019-01-01&g=2019-01-01), aan de minister is verstrekt.
Ingeval een hoeveelheid vloeibaar zuiveringsslib die afkomstig is uit een opslagruimte voor vloeibaar zuiveringsslib als bedoeld in [artikel 39, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) of in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en die rechtstreeks van de desbetreffende onderneming wordt afgevoerd naar een bedrijf, komt het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte alsmede het drogestofgehalte van de desbetreffende hoeveelheid zuiveringsslib, in afwijking van [artikel 68, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), overeen met het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte onderscheidenlijk het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2019-01-31&g=2019-01-31), of artikel 51, vijfde lid, bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers is berekend en zoals dat voordat de afvoer plaatsvond, overeenkomstig [artikel 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2019-01-31&g=2019-01-31), of [52, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2019-01-31&g=2019-01-31), aan de minister is verstrekt.
#### § 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen
@@ -8089,15 +8184,15 @@
##### Artikel 103b
1. Het laboratorium dat de in [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2019-01-01&g=2019-01-01) bedoelde vaststelling heeft verricht, verstrekt de landbouwer het analyserapport en verstrekt desgevraagd gegevens over die vaststelling aan de minister.
2. De landbouwer meldt de fosfaattoestand van het desbetreffende perceel gebaseerd op het op grond van [artikel 103a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), geldige analyserapport, uiterlijk 15 mei van het desbetreffende kalenderjaar.
1. Het laboratorium dat de in [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2019-01-31&g=2019-01-31) bedoelde vaststelling heeft verricht, verstrekt de landbouwer het analyserapport en verstrekt desgevraagd gegevens over die vaststelling aan de minister.
2. De landbouwer meldt de fosfaattoestand van het desbetreffende perceel gebaseerd op het op grond van [artikel 103a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), geldige analyserapport, uiterlijk 15 mei van het desbetreffende kalenderjaar.
3. De landbouwer bewaart het analyserapport als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
##### Artikel 103c
1. In afwijking van [artikel 103a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), kan het laboratorium het nemen van monsters uit de bodem van een perceel uitbesteden aan een derde indien:
1. In afwijking van [artikel 103a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), kan het laboratorium het nemen van monsters uit de bodem van een perceel uitbesteden aan een derde indien:
- a. de monstername geschiedt onder verantwoordelijkheid van het laboratorium dat de analyse uitvoert;
@@ -8737,27 +8832,27 @@
### **II. Protocol analyse hoeveelheid organische stof in meststoffen**
### **12. Mangaan (Mn)**
### **14. Zink (Zn)**
### **11. IJzer (Fe)**
### **13. Molybdeen (Mo)**
### **III. Protocol analyse neutraliserende waarde**
### **IV. Protocol analyse droge stofgehalte in meststoffen**
### **V. Protocol analyse zware metalen en arseen**
### **V. Protocol analyse zware metalen en arseen**
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### Principe
### 1. Abstract
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
## Bijlage D. Diergebonden normen
### Oplossingen
### Oplossing I.
### Oplossingen
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
@@ -8767,7 +8862,7 @@
## Bijlage F
### E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest
### 7. Signalering van storingen
### 9.1. Eerste en tweedelijnscontrole
@@ -8781,73 +8876,77 @@
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **11. Literatuur**
### 12. Literatuur
### onderdeel A
### § 4.2. Controle hoeveelheid monster
### § 5.2. Monstervoorbehandeling
### 5.1.2. Mengen van monsters vaste mest
### § 6.2. Eerstelijnscontrole
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2010-01-01&g=2010-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### § 6.4.1.2. Evaluatie van ringonderzoekresultaten
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
### § 6.4.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
### § 6.4.2.1. Procedurele aspecten
### § 7.3. Heranalyse
### § 6.4.2. Steekproef
### § 7.2. Analyserapport
### § 7.4. Rapportage aan de minister
### Tabel III behorend bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2017-11-10&g=2017-11-10)
### Tabel II behorend bij [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=89&z=2019-01-31&g=2019-01-31)
### Tabel III behorend bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2019-01-01&g=2019-01-01)
### Tabel IV behorende bij de [artikelen 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [57b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-01&g=2019-01-01)
### **2. Stikstof (N)**
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
### **1. Droge stof**
### **3. Fosfaat (P2O5)**
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
### **3. Uitgangspunten**
### 2.8 Standaardoplossing
### **2. Doel**
### 4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).
Nieuw product
4.1.2. Voor een nieuw product gebeurt dit als volgt:
4.1.2.1. Het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor berekent de ondernemer op basis van minimaal 5 analyse-uitslagen, verkregen in de eerste 3 maanden.
### 3. Werkwijze
4.1.2.3. Deze gegevens voegt hij toe aan de dataset, verkregen bij 4.1.2.1. Hij berekent opnieuw op basis van minimaal 10 analyse-uitslagen het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.
4.1.2.2. Gedurende de daarop volgende 6 maanden onderzoekt de ondernemer nogmaals minimaal 5 monsters van het product op vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 27a
1. Ten hoogste vier jaren voorafgaand aan 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt toegepast, zijn de waarde van de fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverende vermogen van de bodem van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond vastgesteld en vastgelegd in een analyserapport door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. Het laboratorium stelt de fosfaattoestand van de bodem vast door middel van bemonstering en analyse van de bodem van de desbetreffende percelen overeenkomstig [artikel 103a, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
1. Ten hoogste vier jaren voorafgaand aan 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt toegepast, zijn de waarde van de fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverende vermogen van de bodem van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond vastgesteld en vastgelegd in een analyserapport door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. Het laboratorium stelt de fosfaattoestand van de bodem vast door middel van bemonstering en analyse van de bodem van de desbetreffende percelen overeenkomstig [artikel 103a, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
3. De landbouwer bewaart het analyserapport als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
4. Indien een perceel door de landbouwer in gebruik wordt genomen na 1 februari en vóór 16 mei van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt toegepast, vindt de waardevaststelling, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 7 dagen na de ingebruikname plaats.
4. Indien een perceel door de landbouwer in gebruik wordt genomen na 1 februari en vóór 16 mei van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt toegepast, vindt de waardevaststelling, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 7 dagen na de ingebruikname plaats.
5. In afwijking van het eerste lid zijn voor 2018 de waarde van de fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverende vermogen van de bodem ten hoogste vijf jaren voorafgaand aan 1 februari 2018 vastgesteld en vastgelegd.
6. In afwijking van het eerste lid zijn in 2019 de daar bedoelde waarden ten hoogste vier jaren en één maand voorafgaand aan 1 maart vastgesteld en vastgelegd in een daar bedoeld analyserapport.
7. Het zesde lid en dit lid vervallen met ingang van 1 januari 2020.
##### Artikel 27b
Als vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem, bedoeld in [artikel 27a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt tevens aangemerkt de vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem:
- a. die tot en met 31 oktober 2009 is verricht overeenkomstig [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27&z=2019-01-01&g=2019-01-01) zoals dit artikel luidde op 31 december 2009; of
- b. bemonstering en analyse van de bodem overeenkomstig het in [bijlage L](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=L&z=2019-01-01&g=2019-01-01) opgenomen protocol met uitzondering van de in onderdeel I, paragraaf 1, voorgeschreven vastlegging van de omvang en vorm van het te bemonsteren perceel dan wel perceelsdeel met een Global Positioning System, voor zover het monsters betreft die in de periode van 1 november 2009 tot 1 januari 2010 uit de desbetreffende bodem zijn genomen.
Als vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem, bedoeld in [artikel 27a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt tevens aangemerkt de vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem:
- a. die tot en met 31 oktober 2009 is verricht overeenkomstig [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27&z=2019-01-31&g=2019-01-31) zoals dit artikel luidde op 31 december 2009; of
- b. bemonstering en analyse van de bodem overeenkomstig het in [bijlage L](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=L&z=2019-01-31&g=2019-01-31) opgenomen protocol met uitzondering van de in onderdeel I, paragraaf 1, voorgeschreven vastlegging van de omvang en vorm van het te bemonsteren perceel dan wel perceelsdeel met een Global Positioning System, voor zover het monsters betreft die in de periode van 1 november 2009 tot 1 januari 2010 uit de desbetreffende bodem zijn genomen.
#### § 2. Stikstofgebruiksnorm
@@ -9096,18 +9195,18 @@
### **7. Natriumoxide (Na2O)**
### **13. Molybdeen (Mo)**
### **12. Mangaan (Mn)**
### **III. Protocol analyse neutraliserende waarde**
### **1. Ontsluiting en extractie Cd, Cr, Cu, Hg, Ni, Pb, Zn en As**
### **1. Ontsluiting en extractie Cd, Cr, Cu, Hg, Ni, Pb, Zn en As**
### **2. Instrumentele analyse Cd, Cr, Cu, Ni, Pb, Zn en As**
### **VI. protocol analyse organische microverontreinigingen**
### **VI. protocol analyse organische microverontreinigingen**
### 5. Opmerkingen
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal voor de toepassing van reparatiebemesting op fosfaatarme of fosfaatfixerende gronden
@@ -9124,11 +9223,11 @@
## Bijlage D. Diergebonden forfaitaire gehalten
### 7.1. Partijbemonstering
### 7. Registratie en archivering
### 9.2. Derdelijnscontrole
### 11. Controle op naleving
### 10. Rapportage
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
@@ -9142,18 +9241,18 @@
### § 6.4. Derdelijnscontrole
### § 6.4.1. Ringonderzoek
### § 6.4. Derdelijnscontrole
### § 6.4.2. Steekproef
### Tabel III behorend bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2018-06-06&g=2018-06-06)
### Tabel IV behorende bij de [artikelen 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57&z=2018-06-06&g=2018-06-06), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57a&z=2018-06-06&g=2018-06-06), [57b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2018-06-06&g=2018-06-06) en [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2018-06-06&g=2018-06-06)
### Tabel III behorend bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2019-01-31&g=2019-01-31)
### Tabel IV behorende bij de [artikelen 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [57b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-31&g=2019-01-31)
### **A. Protocol analyse gehalten stikstof, fosfaat en drogestof zuiveringsslib en compost**
### **1. Droge stof**
### **2. Stikstof (N)**
### **3. Fosfaat (P2O5)**
@@ -9166,64 +9265,64 @@
### 3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
4.1.2.2. Gedurende de daarop volgende 6 maanden onderzoekt de ondernemer nogmaals minimaal 5 monsters van het product op vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.
4.1.2.1. Het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor berekent de ondernemer op basis van minimaal 5 analyse-uitslagen, verkregen in de eerste 3 maanden.
4.1.2.3. Deze gegevens voegt hij toe aan de dataset, verkregen bij 4.1.2.1. Hij berekent opnieuw op basis van minimaal 10 analyse-uitslagen het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.
### 2.1. Zwavelzuur 5N
Bestaand product
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2011-10-01&g=2011-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### Hoofdstuk 3. Verrichtingen binnen AP05
### § 3.1. Algemeen
### § 3.2. Validatie van een verrichting volgens een referentiemethode
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2010-10-01&g=2010-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### § 6.4.1.2. Evaluatie van ringonderzoekresultaten
### 2.8 Standaardoplossing
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
4.1.2.4. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
### 2.1. Zwavelzuur 5N
### 3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
4.1.3. Van een bestaand product (d.w.z. reeds langer op de markt) berekent de ondernemer op basis van de meest recente 10 analyse-uitslagen het gemiddelde gehalte en de sd
voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
Opmerkingen
4.1.4. Uitgangspunt is definiëring per product per locatie, tenzij de ondernemer kan aantonen dat er geen verschil is tussen eenzelfde product van diverse locaties.
4.1.5. De ondernemer dient 1 keer per 3 jaar aan te tonen dat er geen sprake is van een verschil tussen een zelfde product van diverse locaties. Er is geen verschil tussen een zelfde product van meerdere locaties indien het verschil (berekend uit minimaal 5 analyse-uitslagen) tussen de gemiddelde waarden kleiner is dan de helft van de toegestane afwijking (tolerantie), die is vastgelegd in het onderdeel III van deze bijlage.
### **4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)**
Onderhoud t.b.v. voortschrijdend gemiddelde gehalte
4.2.1. Nadat de onderneming volgens de onder 4.1 beschreven werkwijze per product per locatie het gemiddelde gehalte en de sd voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor heeft vastgesteld, dient hij dit gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij volgt daartoe de hieronder beschreven werkwijze.
4.2.2. Het bedrijf stelt op basis van de sd en de tolerantie met behulp van figuur 1 vast hoeveel monsteronderzoek in de komende 12 maanden noodzakelijk zijn om het gemiddelde gehalte te kunnen onderhouden. (De in deze figuur genoemde frequenties voor jaarlijks monsteronderzoek zijn vastgesteld op basis van een 95% betrouwbaarheidsinterval, dwz de kans is 95% dat de afwijking van het werkelijke gemiddelde van het product t.o.v. het berekende gemiddelde binnen de toleranties valt.) Het minimale aantal analyse-uitslagen is 6 per jaar.
### 2.6. Mengreagens
4.2.4. Na elk monsteronderzoek stelt de onderneming uiterlijk binnen 2 weken opnieuw het gemiddelde gehalte vast. Hij doet dit op basis van de meest recente 10 waarnemingen. Dit gemiddelde gehalte hanteert het bedrijf vervolgens t.b.v. de administratie en -etikettering.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2011-10-01&g=2011-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### Hoofdstuk 3. Verrichtingen binnen AP05
### § 3.2. Validatie van een verrichting volgens een referentiemethode
### § 3.2. Validatie van een verrichting volgens een referentiemethode
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2010-10-01&g=2010-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### § 6.4.1.2. Evaluatie van ringonderzoekresultaten
### 2.8 Standaardoplossing
### **1. Algemeen**
Bestaand product
### 3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
Opmerkingen
4.1.4. Uitgangspunt is definiëring per product per locatie, tenzij de ondernemer kan aantonen dat er geen verschil is tussen eenzelfde product van diverse locaties.
4.1.5. De ondernemer dient 1 keer per 3 jaar aan te tonen dat er geen sprake is van een verschil tussen een zelfde product van diverse locaties. Er is geen verschil tussen een zelfde product van meerdere locaties indien het verschil (berekend uit minimaal 5 analyse-uitslagen) tussen de gemiddelde waarden kleiner is dan de helft van de toegestane afwijking (tolerantie), die is vastgelegd in het onderdeel III van deze bijlage.
Onderhoud t.b.v. voortschrijdend gemiddelde gehalte
### 4. Berekening
4.2.1. Nadat de onderneming volgens de onder 4.1 beschreven werkwijze per product per locatie het gemiddelde gehalte en de sd voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor heeft vastgesteld, dient hij dit gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij volgt daartoe de hieronder beschreven werkwijze.
4.2.2. Het bedrijf stelt op basis van de sd en de tolerantie met behulp van figuur 1 vast hoeveel monsteronderzoek in de komende 12 maanden noodzakelijk zijn om het gemiddelde gehalte te kunnen onderhouden. (De in deze figuur genoemde frequenties voor jaarlijks monsteronderzoek zijn vastgesteld op basis van een 95% betrouwbaarheidsinterval, dwz de kans is 95% dat de afwijking van het werkelijke gemiddelde van het product t.o.v. het berekende gemiddelde binnen de toleranties valt.) Het minimale aantal analyse-uitslagen is 6 per jaar.
4.2.3. De benodigde aantallen legt de onderneming vast in een bedrijfsintern monsteronderzoeksprogramma. De monsters worden verspreid over deze 12 maanden genomen en onderzocht.
### 2.6. Mengreagens
4.2.5. Na afloop van de periode van 12 maanden stelt de onderneming opnieuw vast hoeveel monsters voor de komende 12 maanden onderzocht moeten worden om het gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij gaat hierbij uit van de meest recente 10 waarnemingen en volgt werkwijze vanaf 4.2.1.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 57b
1. In geval van vervoer van dierlijke meststoffen buiten Nederland doet de vervoerder ten minste drie werkdagen voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen hiervan elektronisch mededeling aan de minister en de Voedsel en Waren Autoriteit.
@@ -9232,7 +9331,7 @@
- a. naam, adres en indien van toepassing de door de Kamer van Koophandel, bedoeld in [artikel 2 van de Wet op de Kamer van Koophandel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034331&artikel=2), verstrekte KvK-nummers van de betrokken vervoerder en van de leveranciers;
- b. de mestcode van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, zoals deze voor de desbetreffende mestsoort is opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01);
- b. de mestcode van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, zoals deze voor de desbetreffende mestsoort is opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31);
- c. de postcode van de laadplaats van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, en
@@ -9246,23 +9345,23 @@
##### Artikel 57c
1. In afwijking van [artikel 57b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), kan de mededeling op niet elektronische wijze geschieden, indien deze mededeling ten minste dertig werkdagen, voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt gedaan.
2. In afwijking van [artikel 57b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), kan de wijziging op niet elektronische wijze geschieden, indien deze wijziging ten minste veertien werkdagen voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt doorgegeven.
3. In afwijking van [artikel 57b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), geldt een termijn van ten minste veertien werkdagen, indien de mededeling op niet elektronische wijze geschiedt.
4. In afwijking van [artikel 57b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), kan de intrekking van de mededeling op niet elektronische wijze geschieden, indien deze intrekking ten minste veertien werkdagen voordat vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt gedaan.
1. In afwijking van [artikel 57b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), kan de mededeling op niet elektronische wijze geschieden, indien deze mededeling ten minste dertig werkdagen, voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt gedaan.
2. In afwijking van [artikel 57b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), kan de wijziging op niet elektronische wijze geschieden, indien deze wijziging ten minste veertien werkdagen voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt doorgegeven.
3. In afwijking van [artikel 57b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), geldt een termijn van ten minste veertien werkdagen, indien de mededeling op niet elektronische wijze geschiedt.
4. In afwijking van [artikel 57b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), kan de intrekking van de mededeling op niet elektronische wijze geschieden, indien deze intrekking ten minste veertien werkdagen voordat vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt gedaan.
##### Artikel 62a
1. Het vervoersbewijs dierlijke meststoffen kan voor meerdere vrachten dierlijke meststoffen op eenzelfde dag worden gebruikt, indien:
- a. het gaat om vrachten dierlijke meststoffen, met uitzondering van champost, waarbij de hoeveelheid dierlijke meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2019-01-01&g=2019-01-01) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten;
- a. het gaat om vrachten dierlijke meststoffen, met uitzondering van champost, waarbij de hoeveelheid dierlijke meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2019-01-31&g=2019-01-31) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten;
- b. bij elke vracht dierlijke meststoffen dezelfde leverancier, vervoerder en afnemer zijn betrokken;
- c. de vrachten dierlijke meststoffen betrekking hebben op één mestcode als bedoeld in [artikel 61, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-01&g=2019-01-01), of gemengde mest van één of meer diersoorten uit één opslagruimte;
- c. de vrachten dierlijke meststoffen betrekking hebben op één mestcode als bedoeld in [artikel 61, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-31&g=2019-01-31), of gemengde mest van één of meer diersoorten uit één opslagruimte;
- d. de vrachten dierlijke meststoffen worden vervoerd door hetzelfde voertuig;
@@ -9272,7 +9371,7 @@
- g. een bijlage wordt opgemaakt overeenkomstig het tweede lid, waarop het nummer van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen is vermeld.
2. In afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-01&g=2019-01-01), worden:
2. In afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-31&g=2019-01-31), worden:
- a. het tijdstip van laden en het geschat gewicht van elke vracht dierlijke meststoffen, uiterlijk bij het laden, en
@@ -9280,7 +9379,7 @@
op een bij het vervoersbewijs dierlijke meststoffen behorende bijlage ingevuld.
3. In afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-01&g=2019-01-01):
3. In afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2019-01-31&g=2019-01-31):
- a. wordt bij onderdeel 3b van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen uiterlijk bij het lossen van de laatste vracht dierlijke meststoffen het totale geschatte gewicht ingevuld van alle vervoerde vrachten dierlijke meststoffen;
@@ -9631,15 +9730,15 @@
### **V. Protocol analyse zware metalen en arseen**
### **3. Kaliumoxide (K2O)**
### **III. Protocol analyse neutraliserende waarde**
### **1. Ontsluiting en extractie Cd, Cr, Cu, Hg, Ni, Pb, Zn en As**
### **2. Fosfaat (P2O5)**
### **II. Protocol analyse hoeveelheid organische stof in meststoffen**
### **V. Protocol analyse zware metalen en arseen**
### **2. Instrumentele analyse Cd, Cr, Cu, Ni, Pb, Zn en As**
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
### 3. Analyse van grondmonsters
### 2.6. Extractievloeistof
@@ -9661,13 +9760,13 @@
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2011-05-18&g=2011-05-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### Hoofdstuk 8. Archivering van gegevens
### § 7.4. Rapportage aan de minister
### **1. Algemeen**
### **2. Doel**
### 4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).
### **1. Algemeen**
### **3. Uitgangspunten**
### **4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)**
@@ -9675,13 +9774,13 @@
### 3. Werkwijze
4.2.4. Na elk monsteronderzoek stelt de onderneming uiterlijk binnen 2 weken opnieuw het gemiddelde gehalte vast. Hij doet dit op basis van de meest recente 10 waarnemingen. Dit gemiddelde gehalte hanteert het bedrijf vervolgens t.b.v. de administratie en -etikettering.
Producten met een gering gehalte aan ruw eiwit en fosfor
4.2.3. De benodigde aantallen legt de onderneming vast in een bedrijfsintern monsteronderzoeksprogramma. De monsters worden verspreid over deze 12 maanden genomen en onderzocht.
4.2.5. Na afloop van de periode van 12 maanden stelt de onderneming opnieuw vast hoeveel monsters voor de komende 12 maanden onderzocht moeten worden om het gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij gaat hierbij uit van de meest recente 10 waarnemingen en volgt werkwijze vanaf 4.2.1.
### 1. Abstract
4.2.7. Voor producten met minder dan 2 gram fosfor per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
4.2.6. Voor producten met minder dan 75 gram ruw eiwit per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
## Bijlage M. behorende bij [artikel 130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=130&z=2011-05-18&g=2011-05-18)
@@ -10015,11 +10114,11 @@
Meststoffen worden uitsluitend door middel van een pijpleiding vervoerd:
- a. in het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bedoelde geval, of
- a. in het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bedoelde geval, of
- b. indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een intermediaire onderneming en er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- 1. de pijpleiding en de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2019-01-01&g=2019-01-01) genoemde apparatuur die wordt gebruikt bij het vervoer behoort tot de intermediaire onderneming;
- 1. de pijpleiding en de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2019-01-31&g=2019-01-31) genoemde apparatuur die wordt gebruikt bij het vervoer behoort tot de intermediaire onderneming;
- 2. de pijpleiding wordt uitsluitend gebruikt voor de afvoer van meststoffen van één bedrijf, en
@@ -10029,7 +10128,7 @@
##### Artikel 89a
Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony’s van een bedrijf in de gemeente Vlieland worden afgevoerd naar een ander bedrijf in de gemeente Vlieland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony’s van een bedrijf in de gemeente Vlieland worden afgevoerd naar een ander bedrijf in de gemeente Vlieland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31), tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de hoeveelheid dierlijke meststoffen is afkomstig van de op het bedrijf gehouden, dan wel anderszins aanwezige dieren;
@@ -10206,19 +10305,19 @@
### 3. Analyse van grondmonsters
### 3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
### **VI. protocol analyse organische microverontreinigingen**
### 2. Benodigde reagentia
## Bijlage D. Diergebonden normen
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2011-10-01&g=2011-10-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2011-10-01&g=2011-10-01), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=82&z=2011-10-01&g=2011-10-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
### 5. Opmerkingen
## Bijlage D. Diergebonden normen
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2011-10-01&g=2011-10-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2011-10-01&g=2011-10-01), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=82&z=2011-10-01&g=2011-10-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
### 5. Opmerkingen
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2011-10-01&g=2011-10-01) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
### 7. Signalering van storingen
### 6. Versturen van mesttransportgegevens
### § 6.3.3. Procedurele aspecten
@@ -10230,30 +10329,32 @@
### § 3.3. Gelijkwaardigheidsonderzoek van een huismethode
### § 3.3. Gelijkwaardigheidsonderzoek van een huismethode
### Hoofdstuk 4. Controle en registratie inkomende monsters
### Hoofdstuk 4. Controle en registratie inkomende monsters
### § 4.3. Registratie van gegevens
### § 6.4. Derdelijnscontrole
### **3. Plaats bemonstering**
### § 4.1. Controle monsterverpakking
### § 6.3.3. Procedurele aspecten
### § 6.4.1.1. Procedurele aspecten
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2011-10-01&g=2011-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### Tabel II behorend bij [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=89&z=2019-01-01&g=2019-01-01)
### 4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2019-01-31&g=2019-01-31)
### **4. Werkwijze**
### 2.5. Kaliumantimonyltartraatoplossing 0,275%
### 3.1. Bereiding van het extract
4.2.6. Voor producten met minder dan 75 gram ruw eiwit per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
Producten met een gering gehalte aan ruw eiwit en fosfor
### 4. Berekening
4.2.7. Voor producten met minder dan 2 gram fosfor per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
Opmerkingen m.b.t. producten die niet gedurende het hele jaar beschikbaar komen
Opmerkingen m.b.t. ruwvoer en enkelvoudig diervoer
@@ -10262,17 +10363,15 @@
4.2.8. Voor de bepaling van het stikstofgehalte dient het gehalte aan ruw eiwit gedeeld te worden door 6,25 en voor bepaling van het fosfaatgehalte dient het gehalte fosfor vermenigvuldigd te worden met 2,29 kg.
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
Analysegegevens van een product vertonen een zekere spreiding. Wanneer we een gemiddelde berekenen uit de afzonderlijke analysegegevens zal ook aangegeven moeten worden hoe groot de spreiding is. Dit kan het beste met de standaarddeviatie (sd) gebeuren: sd = het totaal van de afwijkingen/(n-1).
Ook het gemiddelde van een reeks analyses kent een zekere spreiding die de betrouwbaarheid bepaalt. Een manier om de betrouwbaarheid van het gemiddelde te definiëren is het geven van een betrouwbaarheidsinterval. Deze is gelijk aan het berekende gemiddelde ± t*sd/√n, waarbij t de waarde is uit de t-tabel bij een bepaalde kanswaarde (bijvoorbeeld 95%) en n het aantal analyses. Het betrouwbaarheidsinterval is dus afhankelijk van het aantal analyses dat gebruikt is voor het berekenen van het gemiddelde: hoe groter het aantal waarnemingen hoe groter de betrouwbaarheid.
Omgekeerd kan uit dezelfde formule berekend worden hoeveel analyses nodig zijn bij een gewenst betrouwbaarheidsinterval. Bijvoorbeeld om met een zekerheid van 95% te kunnen zeggen of het werkelijke gemiddelde en het opgegeven gemiddelde niet meer verschillen van elkaar dan de in onderdeel IV bepaalde tolerantie (maximaal toelaatbare afwijking). In de onderstaande grafiek is de relatie weergegeven tussen het aantal analyses (n) en het quotiënt sd/tolerantie. Wanneer de sd van een product is vastgesteld en de tolerantie is bekend, kan via de curve op de Y-as het benodigde aantal analyses worden opgezocht.
### **II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders**
Ook het gemiddelde van een reeks analyses kent een zekere spreiding die de betrouwbaarheid bepaalt. Een manier om de betrouwbaarheid van het gemiddelde te definiëren is het geven van een betrouwbaarheidsinterval. Deze is gelijk aan het berekende gemiddelde ± t*sd/√n, waarbij t de waarde is uit de t-tabel bij een bepaalde kanswaarde (bijvoorbeeld 95%) en n het aantal analyses. Het betrouwbaarheidsinterval is dus afhankelijk van het aantal analyses dat gebruikt is voor het berekenen van het gemiddelde: hoe groter het aantal waarnemingen hoe groter de betrouwbaarheid.
Omgekeerd kan uit dezelfde formule berekend worden hoeveel analyses nodig zijn bij een gewenst betrouwbaarheidsinterval. Bijvoorbeeld om met een zekerheid van 95% te kunnen zeggen of het werkelijke gemiddelde en het opgegeven gemiddelde niet meer verschillen van elkaar dan de in onderdeel IV bepaalde tolerantie (maximaal toelaatbare afwijking). In de onderstaande grafiek is de relatie weergegeven tussen het aantal analyses (n) en het quotiënt sd/tolerantie. Wanneer de sd van een product is vastgesteld en de tolerantie is bekend, kan via de curve op de Y-as het benodigde aantal analyses worden opgezocht.
1.2. De onderneming moet de eisen en voorwaarden uit dit protocol verwerken in een eigen bemonsteringsprotocol.
### **1. Algemeen**
1.1. Dit protocol richt zich op de bemonstering van vloeibare voeders en van steekvaste producten met een vochtgehalte van meer dan 14%. De diervoederleverancier dient de eisen en voorwaarden uit dit protocol minimaal te hanteren als zij in het kader van de hoeveelheidsbepalingen van stikstof en fosfaat monsters neemt van voedermiddelen met meer dan 14% vocht om de gehalten aan stikstof, fosfaat, droge stof, ruw eiwit en fosfor vast te stellen.
@@ -10608,7 +10707,7 @@
##### Artikel 104a
Voor de toepassing van [artikel 26, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=26) geeft het bedrijf waarbinnen de verplaatsing van de varkens-, kippen- of kalkoenhouderij plaatsvindt, van de verplaatsing vooraf kennis aan de minister en verstrekt de overeenkomstige gegevens bedoeld, in [artikel 104, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=1&artikel=104&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
Voor de toepassing van [artikel 26, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=26) geeft het bedrijf waarbinnen de verplaatsing van de varkens-, kippen- of kalkoenhouderij plaatsvindt, van de verplaatsing vooraf kennis aan de minister en verstrekt de overeenkomstige gegevens bedoeld, in [artikel 104, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=1&artikel=104&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
#### § 7. Staldieren en eieren
@@ -10636,7 +10735,7 @@
- h. indien de mestbehandeling of de vergisting van de dierlijke meststoffen niet op een adequate wijze kan geschieden als gevolg van een storing van de installatie, doet de landbouwer hiervan binnen drie dagen melding aan de minister, en
- i. wijzigingen in de ingevolge [artikel 104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=1&artikel=104&z=2019-01-01&g=2019-01-01) verstrekte gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging, onder vermelding van het door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer, gemeld aan de minister.
- i. wijzigingen in de ingevolge [artikel 104](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=1&artikel=104&z=2019-01-31&g=2019-01-31) verstrekte gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging, onder vermelding van het door de minister ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer, gemeld aan de minister.
2. Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, wordt van het op dat bedrijf rustende varkensrecht onderscheidenlijk pluimveerecht dat deel buiten beschouwing gelaten dat volgens [artikel 26, zevende lid, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=26) is overgegaan van een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen buiten dat concentratiegebied naar een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen het concentratiegebied.
@@ -11181,13 +11280,13 @@
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=82&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2012-10-06&g=2012-10-06)
### 5. Opmerkingen
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2017-11-10&g=2017-11-10), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2017-11-10&g=2017-11-10), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=82&z=2017-11-10&g=2017-11-10) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2017-11-10&g=2017-11-10)
### onderdeel A
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2017-11-10&g=2017-11-10), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2017-11-10&g=2017-11-10), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=82&z=2017-11-10&g=2017-11-10) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2017-11-10&g=2017-11-10)
### onderdeel A
### § 3.1. Algemeen
### Hoofdstuk 3. Verrichtingen binnen AP05
## Bijlage J
@@ -11224,7 +11323,7 @@
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2012-10-06&g=2012-10-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **3. Fosfaat (P2O5)**
### **2. Stikstof (N)**
### **4. Werkwijze**
@@ -11248,11 +11347,11 @@
1.1. Dit protocol richt zich op de bemonstering van vloeibare voeders en van steekvaste producten met een vochtgehalte van meer dan 14%. De diervoederleverancier dient de eisen en voorwaarden uit dit protocol minimaal te hanteren als zij in het kader van de hoeveelheidsbepalingen van stikstof en fosfaat monsters neemt van voedermiddelen met meer dan 14% vocht om de gehalten aan stikstof, fosfaat, droge stof, ruw eiwit en fosfor vast te stellen.
### **2. Doel**
### **1. Algemeen**
1.1. Dit protocol richt zich op de bemonstering van vloeibare voeders en van steekvaste producten met een vochtgehalte van meer dan 14%. De diervoederleverancier dient de eisen en voorwaarden uit dit protocol minimaal te hanteren als zij in het kader van de hoeveelheidsbepalingen van stikstof en fosfaat monsters neemt van voedermiddelen met meer dan 14% vocht om de gehalten aan stikstof, fosfaat, droge stof, ruw eiwit en fosfor vast te stellen.
1.2. De onderneming moet de eisen en voorwaarden uit dit protocol verwerken in een eigen bemonsteringsprotocol.
2.1. Doel van monstername is het verkrijgen van een zo goed mogelijk representatief monster, overeenkomend met de gemiddelde samenstelling van de hele partij. De samenstelling van het product bij het afleveren aan de veehouder is hierbij het referentiepunt.
2.1. Doel van monstername is het verkrijgen van een zo goed mogelijk representatief monster, overeenkomend met de gemiddelde samenstelling van de hele partij. De samenstelling van het product bij het afleveren aan de veehouder is hierbij het referentiepunt.
@@ -11598,7 +11697,7 @@
- b. de transportband heeft een vaste standplaats;
- c. de transportband en de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2019-01-01&g=2019-01-01) genoemde apparatuur die wordt gebruikt bij het vervoer behoort tot de intermediaire onderneming;
- c. de transportband en de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2019-01-31&g=2019-01-31) genoemde apparatuur die wordt gebruikt bij het vervoer behoort tot de intermediaire onderneming;
- d. de transportband wordt uitsluitend gebruikt voor de afvoer van meststoffen van één bedrijf, en
@@ -11792,11 +11891,11 @@
### **2. Doel**
3.1. Het monster wordt genomen tijdens het laden van de (vracht)auto voor aflevering aan één veehouder. Daarbij gelden de volgende aandachtspunten:
2.1. Doel van monstername is het verkrijgen van een zo goed mogelijk representatief monster, overeenkomend met de gemiddelde samenstelling van de hele partij. De samenstelling van het product bij het afleveren aan de veehouder is hierbij het referentiepunt.
### **4.1. Algemeen**
3.3. In het onder 1.2 vereiste eigen bemonsteringsprotocol dient per product aangegeven te zijn, waar de bemonstering plaatsvindt.
3.2. Niet in alle gevallen kan tijdens het laden een representatief monster worden genomen (bijvoorbeeld bij stapelbare producten). In voorkomende gevallen mag dan bij het bedrijf waaraan geleverd wordt de partij worden bemonsterd tijdens of direct na het lossen. Het monster dient uiteraard betrekking te hebben op de afgeleverde partij.
## Bijlage M. behorende bij [artikel 130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=130&z=2013-06-19&g=2013-06-19)
@@ -12130,7 +12229,7 @@
##### Artikel 27c
Indien niet wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [25c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25c&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=9) van toepassing.
Indien niet wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [25c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25c&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), is de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 9, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=9) van toepassing.
#### § 2. Stikstofgebruiksnorm
@@ -12209,7 +12308,7 @@
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2013-07-25&g=2013-07-25)
### § 6.4.1.1. Procedurele aspecten
### § 6.4.1. Ringonderzoek
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2013-07-25&g=2013-07-25) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -12225,13 +12324,13 @@
### **II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders**
### **3. Plaats bemonstering**
3.2. Niet in alle gevallen kan tijdens het laden een representatief monster worden genomen (bijvoorbeeld bij stapelbare producten). In voorkomende gevallen mag dan bij het bedrijf waaraan geleverd wordt de partij worden bemonsterd tijdens of direct na het lossen. Het monster dient uiteraard betrekking te hebben op de afgeleverde partij.
### **2. Doel**
3.1. Het monster wordt genomen tijdens het laden van de (vracht)auto voor aflevering aan één veehouder. Daarbij gelden de volgende aandachtspunten:
### **4. Monsternameprocedure**
4.1.2. Het monster wordt genomen door een aantal ondermonsters te verzamelen, hiervan een zgn. verzamelmonster te maken en hieruit eindmonsters te bereiden.
3.3. In het onder 1.2 vereiste eigen bemonsteringsprotocol dient per product aangegeven te zijn, waar de bemonstering plaatsvindt.
## Bijlage M. behorende bij [artikel 130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=130&z=2013-07-25&g=2013-07-25)
@@ -12575,19 +12674,19 @@
##### Artikel 37a
De landbouwer stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2019-01-01&g=2019-01-01) aangewezen ambtenaren.
De landbouwer stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2019-01-31&g=2019-01-31) aangewezen ambtenaren.
### Hoofdstuk 5. Administratieve verplichtingen landbouwers
##### Artikel 45a
De intermediair stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2019-01-01&g=2019-01-01) aangewezen ambtenaren.
De intermediair stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2019-01-31&g=2019-01-31) aangewezen ambtenaren.
### Hoofdstuk 7. Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers
##### Artikel 50a
De ondernemer, bedoeld in [artikel 50, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2019-01-01&g=2019-01-01), stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2019-01-01&g=2019-01-01) aangewezen ambtenaren.
De ondernemer, bedoeld in [artikel 50, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2019-01-31&g=2019-01-31), stelt in Nederland zijn administratie voor controle beschikbaar aan de krachtens [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2019-01-31&g=2019-01-31) aangewezen ambtenaren.
### Hoofdstuk 8. Vervoer van meststoffen
@@ -12597,7 +12696,7 @@
- a. landbouwers die een biologisch veehouderijbedrijf als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PbEU 2007, L 189) hebben en de dierlijke meststoffen overdragen of laten overdragen aan een afnemer die behoort tot de categorie afnemers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a;
- b. landbouwers die op hun bedrijf dierlijke meststoffen afkomstig van paarden, pony’s of pluimvee produceren, en deze dierlijke meststoffen overdragen of laten overdragen aan een afnemer die behoort tot de categorie afnemers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, waarbij de afvoer als bedoeld in [artikel 89, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=89&z=2019-01-01&g=2019-01-01), tevens wordt beschouwd als het overdragen of laten overdragen aan een afnemer die behoort tot de categorie afnemers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
- b. landbouwers die op hun bedrijf dierlijke meststoffen afkomstig van paarden, pony’s of pluimvee produceren, en deze dierlijke meststoffen overdragen of laten overdragen aan een afnemer die behoort tot de categorie afnemers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, waarbij de afvoer als bedoeld in [artikel 89, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=89&z=2019-01-31&g=2019-01-31), tevens wordt beschouwd als het overdragen of laten overdragen aan een afnemer die behoort tot de categorie afnemers, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
2. Als categorieën afnemers als bedoeld in [artikel 21, tweede lid, onderdeel d, onder 2°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=21) en [artikel 33a, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=33a) worden aangewezen:
@@ -12615,7 +12714,7 @@
- b. het in Duitsland gelegen perceel en de Nederlandse grens bedraagt ten hoogste 20 kilometer.
2. De voorwaarden, [artikel 21, tweede lid, onderdeel d, onder 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=21) en [artikel 33a, tweede lid, onderdeel b, onder 3° van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=33a), zijn de voorwaarden, genoemd in [artikel 87, eerste lid, onderdelen a en d tot en met f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=87&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
2. De voorwaarden, [artikel 21, tweede lid, onderdeel d, onder 3°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=21) en [artikel 33a, tweede lid, onderdeel b, onder 3° van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=33a), zijn de voorwaarden, genoemd in [artikel 87, eerste lid, onderdelen a en d tot en met f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=87&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
##### Artikel 72c
@@ -12661,11 +12760,11 @@
##### Artikel 75c
Het ureumgehalte als bedoeld in de [artikelen 75a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=75a&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [75b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=75b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt uitgedrukt in milligrammen ureum per 100 gram melk, waarbij de verkregen waarden worden afgerond op hele getallen.
Het ureumgehalte als bedoeld in de [artikelen 75a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=75a&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [75b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=75b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt uitgedrukt in milligrammen ureum per 100 gram melk, waarbij de verkregen waarden worden afgerond op hele getallen.
##### Artikel 75d
De minister stelt op basis van de berekening, bedoeld in [artikel 75b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=75b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), het gewogen gemiddelde ureumgehalte vast van een landbouwer in een kalenderjaar.
De minister stelt op basis van de berekening, bedoeld in [artikel 75b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=75b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), het gewogen gemiddelde ureumgehalte vast van een landbouwer in een kalenderjaar.
##### Artikel 75e
@@ -13512,7 +13611,7 @@
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2014-07-01&g=2014-07-01), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=82&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2014-07-01&g=2014-07-01)
### 5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur
### 4. Automatische positiebepaling van het transportmiddel met satellietvolgapparatuur
## Bijlage F
@@ -13520,7 +13619,7 @@
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2014-07-01&g=2014-07-01)
### Accreditatieprogramma bemonstering vaste dierlijke meststoffen; AP06
### 7. Signalering van storingen
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest en mestcodes
@@ -13555,30 +13654,32 @@
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2014-06-27&g=2014-06-27)
### Onderdeel I Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
### § 6.4.2.2. Evaluatie van steekproefresultaten
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2014-06-27&g=2014-06-27) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders**
### **4.1. Algemeen**
### **4. Monsternameprocedure**
4.1.1. De bemonstering wordt uitgevoerd door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd of namens de ondernemer door een gemachtigd monsternemer (zie punt 5).
4.1.1. De bemonstering wordt uitgevoerd door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd of namens de ondernemer door een gemachtigd monsternemer (zie punt 5).
4.1.2. Het monster wordt genomen door een aantal ondermonsters te verzamelen, hiervan een zgn. verzamelmonster te maken en hieruit eindmonsters te bereiden.
4.1.3. De monsternemer werkt met schoon materiaal zodat er geen beïnvloeding van de te meten parameters kan plaatsvinden.
### **4.2. Het nemen van de ondermonsters**
4.2.1. Tijdens het laden van de auto neemt de monsternemer met vaste tussenpozen een ondermonster.
4.2.1. Tijdens het laden van de auto neemt de monsternemer met vaste tussenpozen een ondermonster.
4.2.2. De monsternemer neemt minimaal 5 ondermonsters. De tussentijd tussen 2 opeenvolgende te nemen ondermonsters wordt berekend door de totale laadtijd te delen door het aantal te nemen ondermonsters + 1. Het eerste ondermonster neemt de monsternemer kort nadat begonnen is met laden. Er wordt doorgegaan met het verzamelen van ondermonsters totdat de auto geladen is.
4.2.3. Indien het een homogeen product betreft kan volstaan worden met minder ondermonsters. Het bedrijf dient zelf door middel van analytisch onderzoek ten genoegen van de Minister aan te tonen dat het product zodanig homogeen is dat minder ondermonsters voldoende zijn voor het verkrijgen van een representatief verzamel- en eindmonster.
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
4.2.4. Indien de monsternemer de ondermonsters via een aftapkraan neemt die in de te lossen stroom is gemonteerd, dient deze kraan groot genoeg te zijn om ‘uitzeven’ van eventuele vaste bestanddelen uit het product te voorkomen (b.v. ½'' of ¾'' kogelkraan).
4.2.5. Indien een steekvast product wordt bemonsterd, dienen de ondermonsters te worden genomen op verschillende plekken verspreid over de partij. Een ondermonster is hierbij een hoeveelheid product, die op een bepaald punt uit de partij wordt genomen.
4.2.6. De ondermonsters worden (allemaal even groot; minimaal een halve liter) genomen d.m.v. een kunststof monsterpot o.i.d. Deze monsterpot wordt iedere keer na het nemen van een ondermonster geleegd in een schoon verzamelvat (emmer, vat, bak o.i.d.).
@@ -13587,19 +13688,17 @@
4.3.1. Het verzamelmonster bestaat uit alle ondermonsters.
4.3.1. Het verzamelmonster bestaat uit alle ondermonsters.
### **4.4. Labelgegevens**
4.3.2. Het verzamelmonster wordt in het verzamelvat goed gemengd (homogeniseren) waarna één of meerdere eindmonsters uit de emmer geschept worden. Een eindmonster is minimaal 0,5 liter resp. 0,5 kg groot.
4.4.1. Elk eindmonster wordt voorzien van een label waarop minimaal staat vermeld
4.4.1. Elk eindmonster wordt voorzien van een label waarop minimaal staat vermeld
4.4.2. De label wordt op een deugdelijk wijze aan de pot gehecht.
### **4.5. Verzending**
4.5.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd stuurt minimaal 1 monster voor onderzoek naar het laboratorium. Een tweede monster kan voor eigen doeleinden worden bewaard. Het laboratorium moet voldoen aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of een hieraan gelijkwaardige norm.
4.4.3. Bovenstaande vermeldingen mogen ook (gedeeltelijk) vervangen worden door andere vermeldingen, mits deze eenduidig kunnen leiden naar bovengenoemde gegevens.
## Bijlage M. behorende bij [artikel 130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=130&z=2014-06-27&g=2014-06-27)
@@ -13940,7 +14039,7 @@
##### Artikel 28b
In afwijking van [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2019-01-01&g=2019-01-01) bedraagt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) op bouwland voor een gewasperceel 125 procent van de hoeveelheid stikstof die in [bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voor de desbetreffende grondsoort bij het desbetreffende gewas onder het desbetreffende jaar is vermeld, indien voor dat betreffende gewasperceel:
In afwijking van [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2019-01-31&g=2019-01-31) bedraagt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) op bouwland voor een gewasperceel 125 procent van de hoeveelheid stikstof die in [bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voor de desbetreffende grondsoort bij het desbetreffende gewas onder het desbetreffende jaar is vermeld, indien voor dat betreffende gewasperceel:
- a. de betrokken landbouwer schade leidt of dreigt te leiden uit opbrengstderving of kwaliteitsverlies, veroorzaakt door het optreden van een neerslaghoeveelheid die uitgaat boven 50 millimeter in de 24 uur na 08.00 uur of 60 millimeter in de 48 uur na 08.00 uur;
@@ -13948,7 +14047,7 @@
- c. neerslag en opbrengstderving in een rapport door een geregistreerd schade-expert zijn bevestigd, waarin ook melding gemaakt wordt van ligging en areaal van het betreffende gewasperceel;
- d. de hoeveelheid stikstof die boven 100 procent van de in [bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-01&g=2019-01-01), genoemde hoeveelheid uitgaat, wordt toegediend in de vorm van anorganische meststoffen;
- d. de hoeveelheid stikstof die boven 100 procent van de in [bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-31&g=2019-01-31), genoemde hoeveelheid uitgaat, wordt toegediend in de vorm van anorganische meststoffen;
- e. de landbouwer het voornemen tot bijbemesting vooraf heeft gemeld bij de minister;
@@ -13980,7 +14079,7 @@
#### § 3. Afgevoerde en aangevoerde andere meststoffen
#### § 3. Vervallen van een productierecht
#### § 3. Afgevoerde en aangevoerde andere meststoffen
#### § 6. Diervoeders
@@ -14065,21 +14164,21 @@
4.1.1. De bemonstering wordt uitgevoerd door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd of namens de ondernemer door een gemachtigd monsternemer (zie punt 5).
### **4.1. Algemeen**
4.1.3. De monsternemer werkt met schoon materiaal zodat er geen beïnvloeding van de te meten parameters kan plaatsvinden.
### **4.2. Het nemen van de ondermonsters**
4.2.1. Tijdens het laden van de auto neemt de monsternemer met vaste tussenpozen een ondermonster.
### 2.7. IJkoplossingen
4.2.4. Indien de monsternemer de ondermonsters via een aftapkraan neemt die in de te lossen stroom is gemonteerd, dient deze kraan groot genoeg te zijn om ‘uitzeven’ van eventuele vaste bestanddelen uit het product te voorkomen (b.v. ½'' of ¾'' kogelkraan).
4.2.3. Indien het een homogeen product betreft kan volstaan worden met minder ondermonsters. Het bedrijf dient zelf door middel van analytisch onderzoek ten genoegen van de Minister aan te tonen dat het product zodanig homogeen is dat minder ondermonsters voldoende zijn voor het verkrijgen van een representatief verzamel- en eindmonster.
### **4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster**
4.3.2. Het verzamelmonster wordt in het verzamelvat goed gemengd (homogeniseren) waarna één of meerdere eindmonsters uit de emmer geschept worden. Een eindmonster is minimaal 0,5 liter resp. 0,5 kg groot.
4.3.1. Het verzamelmonster bestaat uit alle ondermonsters.
### **4.4. Labelgegevens**
4.4.3. Bovenstaande vermeldingen mogen ook (gedeeltelijk) vervangen worden door andere vermeldingen, mits deze eenduidig kunnen leiden naar bovengenoemde gegevens.
4.4.2. De label wordt op een deugdelijk wijze aan de pot gehecht.
### **4.5. Verzending**
@@ -14426,7 +14525,7 @@
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2017-08-31&g=2017-08-31)
### **2. Doel**
### § 6.1. Algemeen
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2017-08-31&g=2017-08-31) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -14434,11 +14533,11 @@
### **4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster**
4.5.2. Het eindmonster wordt binnen 24 uur afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor. Indien dit niet mogelijk is, vriest de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het monster direct in. Het monster wordt vervolgens in bevroren toestand afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.
4.5.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd stuurt minimaal 1 monster voor onderzoek naar het laboratorium. Een tweede monster kan voor eigen doeleinden worden bewaard. Het laboratorium moet voldoen aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of een hieraan gelijkwaardige norm.
### **4.6. Monsteradministratie**
4.6.1. Van elk monster worden de volgende gegevens vastgelegd
4.5.3. Indien de gehalten aan droge stof, ruw eiwit en fosfor in het product niet veranderen tijdens het bewaren, mag het bedrijf afwijken van bovengenoemde voorwaarde. Het bedrijf dient wel ten genoegen van de Minister aan te tonen dat dit zo is. Het eindmonster dient binnen 1 week op het laboratorium te worden afgeleverd. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.
## Bijlage M. behorende bij [artikel 130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=130&z=2017-08-31&g=2017-08-31)
@@ -14808,13 +14907,13 @@
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2014-11-29&g=2014-11-29) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **4. Monsternameprocedure**
### **3. Plaats bemonstering**
### **4.2. Het nemen van de ondermonsters**
### **4.4. Labelgegevens**
4.5.3. Indien de gehalten aan droge stof, ruw eiwit en fosfor in het product niet veranderen tijdens het bewaren, mag het bedrijf afwijken van bovengenoemde voorwaarde. Het bedrijf dient wel ten genoegen van de Minister aan te tonen dat dit zo is. Het eindmonster dient binnen 1 week op het laboratorium te worden afgeleverd. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.
### **4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster**
4.5.2. Het eindmonster wordt binnen 24 uur afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor. Indien dit niet mogelijk is, vriest de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het monster direct in. Het monster wordt vervolgens in bevroren toestand afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.
### **4.6. Monsteradministratie**
@@ -15183,11 +15282,11 @@
##### Artikel 83a
1. Indien de dierlijke meststoffen, bedoeld in de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bestaan uit gier, filtraat na mestscheiding of koek na mestscheiding, wordt, in afwijking van de artikelen 84 tot en met 91, het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen genomen monster.
2. De [artikelen 77 tot en met 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-01&g=2019-01-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 81, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is van overeenkomstige toepassing op een monster dat in het ongerede is geraakt.
1. Indien de dierlijke meststoffen, bedoeld in de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bestaan uit gier, filtraat na mestscheiding of koek na mestscheiding, wordt, in afwijking van de artikelen 84 tot en met 91, het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen genomen monster.
2. De [artikelen 77 tot en met 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2019-01-31&g=2019-01-31) zijn van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 81, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2019-01-31&g=2019-01-31), is van overeenkomstige toepassing op een monster dat in het ongerede is geraakt.
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht en de verplaatsing van een varkens-, kippen- of kalkoenhouderij binnen een bedrijf
@@ -15874,13 +15973,13 @@
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2016-09-16&g=2016-09-16) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2016-09-16&g=2016-09-16) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### 5.2.1. Bemonstering met de Edelmanboor
### 5.2.2. Bemonstering met schep/schop met aangepaste opening (mestdeeltjes >10 mm)
### 5.2.2. Bemonstering met schep/schop met aangepaste opening (mestdeeltjes >10 mm)
### 6.2. 6.2 Bemonstering bij het laden
### 6.3. Bemonstering bij het lossen
### 6.2. 6.2 Bemonstering bij het laden
### 6.4. Gebruik van de instrumenten
@@ -15892,7 +15991,7 @@
### 8.2. Periodieke actualisatie
### 10. Rapportage
### 9.2. Derdelijnscontrole
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2015-04-01&g=2015-04-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -16239,13 +16338,13 @@
##### Artikel 25a
1. De minister verleent een vergunning, indien de landbouwer tijdig een aanvraag, bedoeld in [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-01&g=2019-01-01), heeft gedaan en daarbij de verklaringen, bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid, heeft gedaan.
1. De minister verleent een vergunning, indien de landbouwer tijdig een aanvraag, bedoeld in [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-31&g=2019-01-31), heeft gedaan en daarbij de verklaringen, bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid, heeft gedaan.
2. De vergunning wordt verleend voor één kalenderjaar.
3. De vergunning wordt overgedragen ingeval van erfopvolging. De opvolger voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf en dient de verklaringen in, bedoeld in [artikel 25, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
4. Onverminderd het derde lid, is de vergunning overdraagbaar ingeval van bedrijfsoverdracht. De betrokken landbouwers doen gezamenlijk een verzoek tot wijziging van de tenaamstelling van de vergunning. De landbouwer op wiens naam de vergunning komt te staan voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf en dient de verklaringen in, bedoeld in [artikel 25, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
3. De vergunning wordt overgedragen ingeval van erfopvolging. De opvolger voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf en dient de verklaringen in, bedoeld in [artikel 25, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
4. Onverminderd het derde lid, is de vergunning overdraagbaar ingeval van bedrijfsoverdracht. De betrokken landbouwers doen gezamenlijk een verzoek tot wijziging van de tenaamstelling van de vergunning. De landbouwer op wiens naam de vergunning komt te staan voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf en dient de verklaringen in, bedoeld in [artikel 25, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
##### Artikel 25b
@@ -16253,7 +16352,7 @@
2. De minister trekt een vergunning voorts in, indien de landbouwer dit verzoekt.
3. Indien de minister de vergunning voor een bepaald kalenderjaar heeft ingetrokken op grond van het eerste lid, is de landbouwer voor het daaropvolgende kalenderjaar uitgesloten van het kunnen doen van een aanvraag, bedoeld in [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
3. Indien de minister de vergunning voor een bepaald kalenderjaar heeft ingetrokken op grond van het eerste lid, is de landbouwer voor het daaropvolgende kalenderjaar uitgesloten van het kunnen doen van een aanvraag, bedoeld in [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
#### § 5. Tijdelijke vrijstelling mineralenconcentraat
@@ -16806,19 +16905,19 @@
## Bijlage F
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2015-05-28&g=2015-05-28) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2015-05-28&g=2015-05-28) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage D. Diergebonden forfaitaire gehalten
### 6. Vrachtbemonstering
### 6.5. Het maken van een laboratoriummonster
### 6.3. Bemonstering bij het lossen
### 6.4. Gebruik van de instrumenten
### 7.1. Partijbemonstering
### 7.2. Vrachtbemonstering
### 9. Kwaliteitsborging
### 7.1. Partijbemonstering
### 8.2. Periodieke actualisatie
### 9. Kwaliteitsborging
@@ -17167,11 +17266,11 @@
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2015-07-03&g=2015-07-03), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2015-07-03&g=2015-07-03), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=82&z=2015-07-03&g=2015-07-03) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2015-07-03&g=2015-07-03)
### 4.1. Controle opdracht
### 3. Verrichtingen binnen AP06
### 5.3. Het maken van een laboratoriummonster
### 9.1. Eerste en tweedelijnscontrole
### 9. Kwaliteitsborging
### § 3.1. Algemeen
@@ -17526,7 +17625,7 @@
- b. de hoeveelheid stikstof en fosfaat in kilogrammen die wordt overgedragen;
- c. de soort mest die wordt overgedragen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
- c. de soort mest die wordt overgedragen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
### Hoofdstuk 7. Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers
@@ -17560,11 +17659,11 @@
- a. **bedrijfslocatie:** elke afzonderlijke locatie van de locaties, bedoeld in [artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=31), en [artikel 38, tweede lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=38);
- b. **dikke fractie:** vaste mest, bestaande uit koek na mestscheiding met mestcode 13 of 43, genoemd in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-01&g=2019-01-01), of een mengsel van vaste mest waarin koek na mestscheiding met mestcode 13 of 43 is opgenomen;
- c. **erkend laboratorium:** laboratorium dat beschikt over een accreditatie van de Raad voor de uitvoering en kwaliteitsborging van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest op grond van het accreditatieprogramma AP05, dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en is erkend als bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-01&g=2019-01-01);
- d. **monsternemende organisatie:** organisatie die beschikt over een accreditatie van de Raad voor de bemonstering van dierlijke mest overeenkomstig het accreditatieprogramma dierlijke mest AP06, dat is opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en is erkend als bedoeld in [artikel 78c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78c&z=2019-01-01&g=2019-01-01);
- b. **dikke fractie:** vaste mest, bestaande uit koek na mestscheiding met mestcode 13 of 43, genoemd in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2019-01-31&g=2019-01-31), of een mengsel van vaste mest waarin koek na mestscheiding met mestcode 13 of 43 is opgenomen;
- c. **erkend laboratorium:** laboratorium dat beschikt over een accreditatie van de Raad voor de uitvoering en kwaliteitsborging van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest op grond van het accreditatieprogramma AP05, dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en is erkend als bedoeld in [artikel 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-31&g=2019-01-31);
- d. **monsternemende organisatie:** organisatie die beschikt over een accreditatie van de Raad voor de bemonstering van dierlijke mest overeenkomstig het accreditatieprogramma dierlijke mest AP06, dat is opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en is erkend als bedoeld in [artikel 78c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78c&z=2019-01-31&g=2019-01-31);
- e. **partij:** afgebakende hoeveelheid vaste mest van maximaal 200 m3;
@@ -17582,7 +17681,7 @@
##### Artikel 78b
1. In afwijking van [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), kan de bemonstering van vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door een monsternemende organisatie niet per vracht maar per partij geschieden, indien:
1. In afwijking van [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), kan de bemonstering van vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door een monsternemende organisatie niet per vracht maar per partij geschieden, indien:
- a. er sprake is van niet meer dan één partij op de bedrijfslocatie,
@@ -17590,13 +17689,13 @@
- c. de partij niet wijzigt van samenstelling of geheel of gedeeltelijk wordt verplaatst op de bedrijfslocatie tussen het moment van bemonstering en het moment van afvoer.
2. Indien op de bedrijfslocatie meerdere partijen aanwezig zijn dan wel een of meer hopen vaste mest aanwezig zijn die niet voldoen aan de omschrijving van partij, genoemd in [artikel 75f, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=75f&z=2019-01-01&g=2019-01-01), vindt de bemonstering plaats overeenkomstig het bepaalde in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
2. Indien op de bedrijfslocatie meerdere partijen aanwezig zijn dan wel een of meer hopen vaste mest aanwezig zijn die niet voldoen aan de omschrijving van partij, genoemd in [artikel 75f, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=75f&z=2019-01-31&g=2019-01-31), vindt de bemonstering plaats overeenkomstig het bepaalde in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
##### Artikel 78c
1. De minister verleent op aanvraag een erkenning aan een organisatie, indien deze beschikt over:
- a. een accreditatie van de Raad op grond van het accreditatieprogramma AP06, dat is opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en
- a. een accreditatie van de Raad op grond van het accreditatieprogramma AP06, dat is opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en
- b. een gedragscode, waaraan de organisatie zich committeert.
@@ -17610,25 +17709,25 @@
Een monsternemende organisatie:
- a. neemt op actieve wijze deel aan het harmonisatieoverleg, bedoeld in paragraaf 8.2 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-01&g=2019-01-01);
- b. registreert gegevens, afwijkingen en bijzonderheden, bedoeld in paragraaf 7 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-01&g=2019-01-01);
- a. neemt op actieve wijze deel aan het harmonisatieoverleg, bedoeld in paragraaf 8.2 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-31&g=2019-01-31);
- b. registreert gegevens, afwijkingen en bijzonderheden, bedoeld in paragraaf 7 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-31&g=2019-01-31);
- c. meldt bijzonderheden die kunnen duiden op frauduleus handelen aan de minister door middel van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld middel;
- d. zorgt voor een organisatie van de bemonstering op een wijze die de onafhankelijkheid van degene die het monster neemt garandeert overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 9 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-01&g=2019-01-01); en
- e. draagt zorg voor bemonstering overeenkomstig het bepaalde in de paragrafen 4 tot en met 6 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
- d. zorgt voor een organisatie van de bemonstering op een wijze die de onafhankelijkheid van degene die het monster neemt garandeert overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 9 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-31&g=2019-01-31); en
- e. draagt zorg voor bemonstering overeenkomstig het bepaalde in de paragrafen 4 tot en met 6 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
##### Artikel 78e
1. Voor de aanvraag van een erkenning als bedoeld in [artikel 78c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78c&z=2019-01-01&g=2019-01-01) wordt gebruik gemaakt van het door de minister daartoe ter beschikking gestelde middel.
1. Voor de aanvraag van een erkenning als bedoeld in [artikel 78c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78c&z=2019-01-31&g=2019-01-31) wordt gebruik gemaakt van het door de minister daartoe ter beschikking gestelde middel.
2. Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:
- a. de naam, adres en de vestigingsplaats van de aanvragende organisatie; en
- b. bewijs dat aan de eisen, bedoeld in [artikel 78c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78c&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt voldaan.
- b. bewijs dat aan de eisen, bedoeld in [artikel 78c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78c&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt voldaan.
##### Artikel 78f
@@ -17638,45 +17737,45 @@
- b. indien bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en kennis van de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;
- c. indien de accreditatie, bedoeld in [artikel 78c, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78c&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is ingetrokken of niet meer geldig is;
- d. indien de gedragscode, bedoeld in [artikel 78c, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78c&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt geschonden;
- e. indien de verplichtingen, bedoeld in [artikel 78d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78d&z=2019-01-01&g=2019-01-01), niet worden nageleefd;
- f. indien wijzigingen, bedoeld in [artikel 78g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78g&z=2019-01-01&g=2019-01-01), niet of niet tijdig worden gemeld;
- g. indien de melding, bedoeld in [artikel 78l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78l&z=2019-01-01&g=2019-01-01), niet, niet tijdig of onjuist geschiedt;
- h. indien de verplichtingen, bedoeld in [artikel 78m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78m&z=2019-01-01&g=2019-01-01), [78q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78q&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [78r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78r&z=2019-01-01&g=2019-01-01), niet worden nageleefd.
- c. indien de accreditatie, bedoeld in [artikel 78c, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78c&z=2019-01-31&g=2019-01-31), is ingetrokken of niet meer geldig is;
- d. indien de gedragscode, bedoeld in [artikel 78c, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78c&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt geschonden;
- e. indien de verplichtingen, bedoeld in [artikel 78d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78d&z=2019-01-31&g=2019-01-31), niet worden nageleefd;
- f. indien wijzigingen, bedoeld in [artikel 78g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78g&z=2019-01-31&g=2019-01-31), niet of niet tijdig worden gemeld;
- g. indien de melding, bedoeld in [artikel 78l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78l&z=2019-01-31&g=2019-01-31), niet, niet tijdig of onjuist geschiedt;
- h. indien de verplichtingen, bedoeld in [artikel 78m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78m&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [78q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78q&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [78r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78r&z=2019-01-31&g=2019-01-31), niet worden nageleefd.
2. De minister kan een erkenning schorsen indien:
- a. de accreditatie, bedoeld in [artikel 78c, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78c&z=2019-01-01&g=2019-01-01), geheel of gedeeltelijk is geschorst;
- a. de accreditatie, bedoeld in [artikel 78c, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78c&z=2019-01-31&g=2019-01-31), geheel of gedeeltelijk is geschorst;
- b. sprake is van een van de gronden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en d tot en met h.
##### Artikel 78g
1. Een monsternemende organisatie meldt wijzigingen in de gegevens, bedoeld in [artikel 78e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78e&z=2019-01-01&g=2019-01-01), binnen 30 dagen aan de minister.
1. Een monsternemende organisatie meldt wijzigingen in de gegevens, bedoeld in [artikel 78e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78e&z=2019-01-31&g=2019-01-31), binnen 30 dagen aan de minister.
2. Voor de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt gemaakt van een door de minister beschikbaar gesteld middel.
##### Artikel 78h
De vervoerder, bedoeld in [artikel 78a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), stelt een representatief monster samen met een gewicht van minimaal 500 gram en maximaal 800 gram, bestaande uit deelmonsters die evenredig verspreid worden genomen uit de betrokken vracht meststoffen.
De vervoerder, bedoeld in [artikel 78a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), stelt een representatief monster samen met een gewicht van minimaal 500 gram en maximaal 800 gram, bestaande uit deelmonsters die evenredig verspreid worden genomen uit de betrokken vracht meststoffen.
##### Artikel 78i
1. De bemonstering van een vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 6 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
2. De monsternemende organisatie, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), stelt een representatief monster samen met een gewicht van minimaal 500 gram en maximaal 800 gram, bestaande uit deelmonsters die evenredig verspreid worden genomen uit de betrokken vracht mest, bestaande uit dikke fractie.
1. De bemonstering van een vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 6 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
2. De monsternemende organisatie, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), stelt een representatief monster samen met een gewicht van minimaal 500 gram en maximaal 800 gram, bestaande uit deelmonsters die evenredig verspreid worden genomen uit de betrokken vracht mest, bestaande uit dikke fractie.
##### Artikel 78j
1. De bemonstering van een partij vaste mest, bestaande uit dikke fractie, vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 5 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
2. De monsternemende organisatie, bedoeld in [artikel 78b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), stelt een representatief monster samen met een gewicht van minimaal 500 gram en maximaal 800 gram, bestaande uit deelmonsters die evenredig verspreid worden genomen uit de betrokken partij mest, bestaande uit dikke fractie.
1. De bemonstering van een partij vaste mest, bestaande uit dikke fractie, vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 5 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
2. De monsternemende organisatie, bedoeld in [artikel 78b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), stelt een representatief monster samen met een gewicht van minimaal 500 gram en maximaal 800 gram, bestaande uit deelmonsters die evenredig verspreid worden genomen uit de betrokken partij mest, bestaande uit dikke fractie.
##### Artikel 78k
@@ -17702,7 +17801,7 @@
- a. de datum en het tijdvak van de geplande bemonstering;
- b. het nummer van de melding, bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-01&g=2019-01-01)
- b. het nummer van de melding, bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-31&g=2019-01-31)
- c. de locatie waar ingeval van vrachtbemonstering de vracht gelost wordt dan wel geladen wordt; en
@@ -17712,13 +17811,13 @@
##### Artikel 78m
1. De monsternemende organisatie verzekert zich ter plaatse voorafgaand aan de bemonstering ervan dat de te bemonsteren partij, bestaande uit dikke fractie, van dezelfde mestcode is als waarvoor de melding, bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is gedaan.
1. De monsternemende organisatie verzekert zich ter plaatse voorafgaand aan de bemonstering ervan dat de te bemonsteren partij, bestaande uit dikke fractie, van dezelfde mestcode is als waarvoor de melding, bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-31&g=2019-01-31), is gedaan.
2. Indien de mestsoort waarvoor de melding is geschied, niet overeenkomt met de ter plaatse aangetroffen mestsoort, de bedrijfslocatie niet overeenkomt met de bedrijfslocatie waarvoor de melding is geschied, of het volume kennelijk niet overeenkomt met het geschatte volume waarvoor de melding is gedaan, voert de monsternemende organisatie de bemonstering niet uit en meldt dit aan de minister.
3. Indien is verzocht om partijbemonstering, bedoeld in [artikel 78b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), maar ter plaatse blijkt dat er geen sprake is van de aanwezigheid van één partij, voert de monsternemende organisatie de bemonstering niet uit en meldt dit aan de minister.
4. Indien bemonstering niet heeft plaatsgevonden, is ten behoeve van afvoer een nieuwe melding nodig als bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
3. Indien is verzocht om partijbemonstering, bedoeld in [artikel 78b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), maar ter plaatse blijkt dat er geen sprake is van de aanwezigheid van één partij, voert de monsternemende organisatie de bemonstering niet uit en meldt dit aan de minister.
4. Indien bemonstering niet heeft plaatsgevonden, is ten behoeve van afvoer een nieuwe melding nodig als bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
5. Voor de melding, bedoeld in het tweede lid, wordt gebruik gemaakt van een door de minister beschikbaar gesteld middel.
@@ -17734,17 +17833,17 @@
##### Artikel 78o
Indien de partij niet binnen één dag wordt afgevoerd, wordt het resterende deel van de partij beschouwd als een nieuwe partij waarvoor ten behoeve van afvoer een nieuwe melding als bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-01&g=2019-01-01) nodig is en waarvoor opnieuw bemonstering is vereist.
Indien de partij niet binnen één dag wordt afgevoerd, wordt het resterende deel van de partij beschouwd als een nieuwe partij waarvoor ten behoeve van afvoer een nieuwe melding als bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-31&g=2019-01-31) nodig is en waarvoor opnieuw bemonstering is vereist.
##### Artikel 78p
Indien de partij tijdens of na het moment van bemonstering van samenstelling is veranderd, dan wel geheel of gedeeltelijk wordt verplaatst op de bedrijfslocatie voordat het daadwerkelijke moment van afvoer plaatsvindt, wordt deze partij beschouwd als een nieuwe partij waarvoor ten behoeve van afvoer een nieuwe melding als bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-01&g=2019-01-01) nodig is en waarvoor opnieuw bemonstering is vereist.
Indien de partij tijdens of na het moment van bemonstering van samenstelling is veranderd, dan wel geheel of gedeeltelijk wordt verplaatst op de bedrijfslocatie voordat het daadwerkelijke moment van afvoer plaatsvindt, wordt deze partij beschouwd als een nieuwe partij waarvoor ten behoeve van afvoer een nieuwe melding als bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-31&g=2019-01-31) nodig is en waarvoor opnieuw bemonstering is vereist.
##### Artikel 78q
1. De monsternemende organisatie voorziet ieder laboratoriummonster van de gegevens, bedoeld in paragrafen 7.1 en 7.2 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
2. De monsternemende organisatie draagt per partij zorg voor een uniek monsternummer, bedoeld in paragraaf 7.1 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
1. De monsternemende organisatie voorziet ieder laboratoriummonster van de gegevens, bedoeld in paragrafen 7.1 en 7.2 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
2. De monsternemende organisatie draagt per partij zorg voor een uniek monsternummer, bedoeld in paragraaf 7.1 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
##### Artikel 78r
@@ -17760,7 +17859,7 @@
De monsternemende organisatie verstrekt na bemonstering van een partij een bewijs van bemonstering aan de leverancier van meststoffen, dat de volgende gegevens bevat:
- a. het nummer van de melding, bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-01&g=2019-01-01);
- a. het nummer van de melding, bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-31&g=2019-01-31);
- b. het identificatienummer van de persoon die de bemonstering heeft uitgevoerd;
@@ -17770,7 +17869,7 @@
- e. het geschatte volume van de bemonsterde partij, en
- f. een beschrijving van eventuele afwijkingen van de werkwijze voor bemonstering, van de strategie en bijzonderheden, bedoeld in paragraaf 7 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
- f. een beschrijving van eventuele afwijkingen van de werkwijze voor bemonstering, van de strategie en bijzonderheden, bedoeld in paragraaf 7 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
##### Artikel 78t
@@ -17778,13 +17877,13 @@
- a. het kenmerk van de opslagplaats van de partij;
- b. het nummer van de melding, bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-01&g=2019-01-01);
- b. het nummer van de melding, bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-31&g=2019-01-31);
- c. het bewijs van bemonstering.
##### Artikel 78u
1. Ingeval van bemonstering per vracht, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), zorgt de monsternemende organisatie voor een inzichtelijke administratie die per vracht in ieder geval het volgende bevat:
1. Ingeval van bemonstering per vracht, bedoeld in [artikel 78a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), zorgt de monsternemende organisatie voor een inzichtelijke administratie die per vracht in ieder geval het volgende bevat:
- a. datum en tijdvak van de bemonstering;
@@ -17792,7 +17891,7 @@
- c. het identificatienummer van de persoon die de bemonstering heeft uitgevoerd;
- d. beschrijving van eventuele afwijkingen van de werkwijze voor bemonstering, van de strategie en bijzonderheden die kunnen duiden op frauduleus handelen, bedoeld in paragraaf 7 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-01&g=2019-01-01);
- d. beschrijving van eventuele afwijkingen van de werkwijze voor bemonstering, van de strategie en bijzonderheden die kunnen duiden op frauduleus handelen, bedoeld in paragraaf 7 van AP06, opgenomen in [bijlage Ea](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ea&z=2019-01-31&g=2019-01-31);
- e. het geschatte volume van de vracht;
@@ -17802,7 +17901,7 @@
- h. het monsterverpakkingsnummer.
2. Ingeval van bemonstering per partij, bedoeld in [artikel 78b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), zorgt de monsternemende organisatie voor een inzichtelijke administratie die per partij, naast de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, c en d, tevens het nummer bevat van de melding, bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-01&g=2019-01-01), en het unieke monsternummer, bedoeld in [artikel 78r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78r&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
2. Ingeval van bemonstering per partij, bedoeld in [artikel 78b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), zorgt de monsternemende organisatie voor een inzichtelijke administratie die per partij, naast de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, c en d, tevens het nummer bevat van de melding, bedoeld in [artikel 78k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78k&z=2019-01-31&g=2019-01-31), en het unieke monsternummer, bedoeld in [artikel 78r](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78r&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
##### Artikel 78v
@@ -17810,7 +17909,7 @@
##### Artikel 80a
1. De minister verleent op aanvraag een erkenning aan een laboratorium, indien deze beschikt over een accreditatie van de Raad op grond van het accreditatieprogramma AP05, dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
1. De minister verleent op aanvraag een erkenning aan een laboratorium, indien deze beschikt over een accreditatie van de Raad op grond van het accreditatieprogramma AP05, dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
2. Een erkenning wordt verleend voor onbepaalde tijd.
@@ -17822,7 +17921,7 @@
Een erkend laboratorium:
- a. registreert gegevens, bedoeld in paragraaf 7.4 van AP05, opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2019-01-01&g=2019-01-01);
- a. registreert gegevens, bedoeld in paragraaf 7.4 van AP05, opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2019-01-31&g=2019-01-31);
- b. meldt bijzonderheden die kunnen duiden op frauduleus handelen aan de minister door middel van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld middel.
@@ -17834,7 +17933,7 @@
- a. de naam, adres en de vestigingsplaats van het aanvragende laboratorium; en
- b. bewijs dat aan de eis, bedoeld in [artikel 80a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt voldaan.
- b. bewijs dat aan de eis, bedoeld in [artikel 80a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt voldaan.
##### Artikel 80d
@@ -17844,39 +17943,39 @@
- b. indien bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en kennis van de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;
- c. indien de accreditatie, bedoeld in [artikel 80a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is ingetrokken door de Raad of niet meer geldig is;
- d. indien de verplichtingen, bedoeld in [artikelen 80b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80b&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2019-01-01&g=2019-01-01), niet worden nageleefd;
- e. indien wijzigingen, bedoeld in [artikel 80e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80e&z=2019-01-01&g=2019-01-01), niet of niet tijdig worden gemeld.
- c. indien de accreditatie, bedoeld in [artikel 80a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), is ingetrokken door de Raad of niet meer geldig is;
- d. indien de verplichtingen, bedoeld in [artikelen 80b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80b&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2019-01-31&g=2019-01-31), niet worden nageleefd;
- e. indien wijzigingen, bedoeld in [artikel 80e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80e&z=2019-01-31&g=2019-01-31), niet of niet tijdig worden gemeld.
2. De minister kan een erkenning schorsen, indien:
- a. de accreditatie, bedoeld in [artikel 80a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), is geschorst door de Raad;
- b. de verplichting, bedoeld in [artikel 81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2019-01-01&g=2019-01-01), niet wordt nageleefd;
- a. de accreditatie, bedoeld in [artikel 80a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), is geschorst door de Raad;
- b. de verplichting, bedoeld in [artikel 81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2019-01-31&g=2019-01-31), niet wordt nageleefd;
- c. sprake is van een van de gronden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, d en e.
##### Artikel 80e
1. Het erkende laboratorium meldt wijzigingen in de gegevens, bedoeld in [artikelen 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [80b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80b&z=2019-01-01&g=2019-01-01), binnen 30 dagen aan de minister.
1. Het erkende laboratorium meldt wijzigingen in de gegevens, bedoeld in [artikelen 80a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80a&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [80b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80b&z=2019-01-31&g=2019-01-31), binnen 30 dagen aan de minister.
2. Voor de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt gemaakt van een door de minister beschikbaar gesteld middel.
#### § 6. Diervoeders
#### § 5. Gasvormige verliezen
#### § 7. Staldieren en eieren
#### § 7. Staldieren en eieren
#### § 8. Fosfaattoestand van de bodem
#### § 8. Fosfaattoestand van de bodem
#### § 9. Gewasopbrengst
#### § 2. Blokkaderecht
#### § 4. Leges
#### § 2. Blokkaderecht
#### § 3. Vervallen van een productierecht
@@ -17888,7 +17987,7 @@
##### Artikel 124a
Voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag, bedoeld in de [artikelen 78e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78e&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [80c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80c&z=2019-01-01&g=2019-01-01), voldoet de aanvrager een bedrag van € 1.312,-.
Voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag, bedoeld in de [artikelen 78e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78e&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [80c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80c&z=2019-01-31&g=2019-01-31), voldoet de aanvrager een bedrag van € 1.312,-.
## Bijlage Ad. , behorende bij [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2017-02-01&g=2017-02-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -18549,15 +18648,15 @@
##### Artikel 28c
1. De hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 28, eerste lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt vermeerderd met de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-01&g=2019-01-01), tabel 1a, vermelde hoeveelheid stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond indien een bedrijf de in bijlage A, tabel 1a, gemiddelde gewasopbrengst heeft van het totale areaal van een gewas als bedoeld in tabel 1a, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren.
1. De hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 28, eerste lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt vermeerderd met de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-31&g=2019-01-31), tabel 1a, vermelde hoeveelheid stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond indien een bedrijf de in bijlage A, tabel 1a, gemiddelde gewasopbrengst heeft van het totale areaal van een gewas als bedoeld in tabel 1a, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren.
2. De landbouwer die gebruik maakt van de verhoging van de stikstofgebruiksnorm, bedoeld in het eerste lid:
- a. heeft, voor zover het de gewassen genoemd in [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), betreft, de afnemers, bedoeld in het derde lid, gemachtigd om desgevraagd gegevens over de afgenomen hoeveelheden van het desbetreffende gewas te verstrekken aan de minister;
- b. beschikt, voor zover het de andere gewassen dan die genoemd in [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), betreft, over schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat het gewas aan een afnemer is geleverd en waaruit blijkt wat de gewasopbrengst is die aan een afnemer is geleverd. Onder schriftelijk bewijs wordt in ieder geval facturen en afleverbewijzen van de gewassen en historische financiële informatie verstaan;
- c. beschikt, voor zover het andere gewassen dan die genoemd in [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), betreft, over een samenstellingsverklaring van een accountant waaruit blijkt dat de gewasopbrengst die aan een afnemer zou zijn geleverd in overeenstemming is met het door de landbouwer verstrekte schriftelijk bewijs, bedoeld in onderdeel b;
- a. heeft, voor zover het de gewassen genoemd in [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), betreft, de afnemers, bedoeld in het derde lid, gemachtigd om desgevraagd gegevens over de afgenomen hoeveelheden van het desbetreffende gewas te verstrekken aan de minister;
- b. beschikt, voor zover het de andere gewassen dan die genoemd in [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), betreft, over schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat het gewas aan een afnemer is geleverd en waaruit blijkt wat de gewasopbrengst is die aan een afnemer is geleverd. Onder schriftelijk bewijs wordt in ieder geval facturen en afleverbewijzen van de gewassen en historische financiële informatie verstaan;
- c. beschikt, voor zover het andere gewassen dan die genoemd in [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), betreft, over een samenstellingsverklaring van een accountant waaruit blijkt dat de gewasopbrengst die aan een afnemer zou zijn geleverd in overeenstemming is met het door de landbouwer verstrekte schriftelijk bewijs, bedoeld in onderdeel b;
- d. stelt de minister uiterlijk op 1 juni van het kalenderjaar ervan in kennis dat het desbetreffende bedrijf gebruik maakt van de verhoging van de stikstofgebruiksnorm;
@@ -18579,7 +18678,7 @@
- 2°. voor zover het kleigrond, noordelijke, westelijk en centrale zandgronden of veengrond betreft, maximaal 100 kilogram stikstof per hectare per jaar in de vorm van drijfmest en waarbij geldt dat de overige bemesting met stikstof uitsluitend plaatsvindt door het gebruik van kunstmest;
- g. bemest op het bedrijf na 1 juli de percelen met de gewassen, bedoeld in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-01&g=2019-01-01), bijlage 1a, niet met drijfmest;
- g. bemest op het bedrijf na 1 juli de percelen met de gewassen, bedoeld in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-31&g=2019-01-31), bijlage 1a, niet met drijfmest;
- h. verleent medewerking aan de monitoring door de minister van de milieueffecten van de toegestane vermeerdering van de hoeveelheid stikstof op grond van het eerste lid.
@@ -18587,7 +18686,7 @@
##### Artikel 28d
1. De hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 28, eerste lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt vermeerderd met:
1. De hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 28, eerste lid, aanhef](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt vermeerderd met:
- a. 10 kilogram stikstof per hectare per jaar van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond op noordelijke, westelijke en centrale zandgronden;
@@ -18619,13 +18718,13 @@
Een landbouwer die een verhoging van een stikstofgebruiksnorm toepast als bedoeld in:
- a. [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), of [28c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28c&z=2019-01-01&g=2019-01-01), kan niet tevens een verhoging van de stikstofgebruiksnorm toepassen, bedoeld in [artikel 28d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28d&z=2019-01-01&g=2019-01-01);
- b. [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), kan niet tevens een verhoging van de stikstofgebruiksnorm toepassen, bedoeld in [artikel 28c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28c&z=2019-01-01&g=2019-01-01).
- a. [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), of [28c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28c&z=2019-01-31&g=2019-01-31), kan niet tevens een verhoging van de stikstofgebruiksnorm toepassen, bedoeld in [artikel 28d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28d&z=2019-01-31&g=2019-01-31);
- b. [artikel 28a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), kan niet tevens een verhoging van de stikstofgebruiksnorm toepassen, bedoeld in [artikel 28c, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28c&z=2019-01-31&g=2019-01-31).
##### Artikel 33a
1. De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 29a, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=29a&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt vermeerderd met de hieronder vermelde hoeveelheid fosfaat per hectare bouwland per jaar van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond:
1. De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 29a, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=29a&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt vermeerderd met de hieronder vermelde hoeveelheid fosfaat per hectare bouwland per jaar van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond:
- a. voor zover het suikerbieten betreft, 5 kilogram fosfaat per hectare per jaar, indien de gemiddelde gewasopbrengst van het totale areaal suikerbieten dat op het desbetreffende bedrijf werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 85 ton per hectare per jaar bedroeg;
@@ -18639,11 +18738,11 @@
2. De landbouwer die gebruik maakt van de verhoging van de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in het eerste lid:
- a. heeft, voor zover het suikerbieten en de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-01&g=2019-01-01), tabel 5, genoemde consumptieaardappelrassen betreft, de afnemers, bedoeld in het derde lid, gemachtigd om desgevraagd gegevens over de afgenomen hoeveelheden van het desbetreffende gewas te verstrekken aan de minister;
- b. beschikt, voor zover het pootaardappelen, zaaiui, mais en andere consumptieaardappelrassen dan de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-01&g=2019-01-01), tabel 5, genoemde consumptieaardappelrassen betreft, over schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat het gewas aan een afnemer is geleverd en waaruit blijkt wat de gewasopbrengst is die aan een afnemer is geleverd. Onder schriftelijk bewijs wordt in ieder geval facturen en afleverbewijzen van de gewassen en historische financiële informatie verstaan;
- c. beschikt, voor zover het pootaardappelen, zaaiui, mais en andere consumptieaardappelrassen dan de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-01&g=2019-01-01), tabel 5, genoemde consumptieaardappelrassen betreft, over een samenstellingsverklaring van een accountant waaruit blijkt dat de gewasopbrengst die aan een afnemer zou zijn geleverd in overeenstemming is met het door de landbouwer verstrekte schriftelijk bewijs, bedoeld in onderdeel b;
- a. heeft, voor zover het suikerbieten en de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-31&g=2019-01-31), tabel 5, genoemde consumptieaardappelrassen betreft, de afnemers, bedoeld in het derde lid, gemachtigd om desgevraagd gegevens over de afgenomen hoeveelheden van het desbetreffende gewas te verstrekken aan de minister;
- b. beschikt, voor zover het pootaardappelen, zaaiui, mais en andere consumptieaardappelrassen dan de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-31&g=2019-01-31), tabel 5, genoemde consumptieaardappelrassen betreft, over schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat het gewas aan een afnemer is geleverd en waaruit blijkt wat de gewasopbrengst is die aan een afnemer is geleverd. Onder schriftelijk bewijs wordt in ieder geval facturen en afleverbewijzen van de gewassen en historische financiële informatie verstaan;
- c. beschikt, voor zover het pootaardappelen, zaaiui, mais en andere consumptieaardappelrassen dan de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2019-01-31&g=2019-01-31), tabel 5, genoemde consumptieaardappelrassen betreft, over een samenstellingsverklaring van een accountant waaruit blijkt dat de gewasopbrengst die aan een afnemer zou zijn geleverd in overeenstemming is met het door de landbouwer verstrekte schriftelijk bewijs, bedoeld in onderdeel b;
- d. stelt de minister uiterlijk op 1 juni van het kalenderjaar ervan in kennis dat het desbetreffende bedrijf gebruik maakt van de verhoging van de fosfaatgebruiksnorm;
@@ -18675,17 +18774,17 @@
### Hoofdstuk 8a. Mestverwerking
#### § 8. Fosfaattoestand van de bodem
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht en de verplaatsing van een varkens-, kippen- of kalkoenhouderij binnen een bedrijf
#### § 9. Gewasopbrengst
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht en de verplaatsing van een varkens-, kippen- of kalkoenhouderij binnen een bedrijf
#### § 9. Gewasopbrengst
#### § 1. Kennisgeving van overgang
#### § 3. Vervallen van een productierecht
#### § 4. Leges
#### § 3. Vervallen van een productierecht
#### § 4a. Versoepeling compartimentering bij mestverwerking of mestvergisting
@@ -18746,11 +18845,11 @@
| 39 | 190,01 | 195 | € 1.208,90 | | 79 | 390,01 | 395 | € 2.464,90 |
| 40 | 195,01 | 200 | € 1.240,30 | | 80 | 395,01 | 400 | € 2.496,30 |
### 6. Vrachtbemonstering
### 6.5. Het maken van een laboratoriummonster
### 8.1. Algemeen
### 5.3. Het maken van een laboratoriummonster
### 6.4. Gebruik van de instrumenten
### 8. Strategie voor monsterneming
## Bijlage F
@@ -18789,12 +18888,14 @@
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2018-04-01&g=2018-04-01)
### **4.4. Labelgegevens**
### **4.5. Verzending**
### **4.6. Monsteradministratie**
### **5. machtiging als monsternemers**
Deze gegevens mogen op verschillende plaatsen geadministreerd en bewaard worden, mits de traceerbaarheid van de gegevens gewaarborgd is.
Iemand die werkzaam is bij een onderneming in het kader waarvan diervoeders worden afgeleverd, moet om als monsternemer in het kader van het protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen te kunnen optreden, daartoe door een bevoegde functionaris van de desbetreffende onderneming, schriftelijk zijn gemachtigd. De ondernemer bewaart de machtiging op de onderneming gedurende 5 jaar na afloop van het kalenderjaar, waarin de gemachtigde monsternemer zijn werkzaamheden heeft beëindigd.
Iemand die werkzaam is bij een onderneming in het kader waarvan diervoeders worden afgeleverd, moet om als monsternemer in het kader van het protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen te kunnen optreden, daartoe door een bevoegde functionaris van de desbetreffende onderneming, schriftelijk zijn gemachtigd. De ondernemer bewaart de machtiging op de onderneming gedurende 5 jaar na afloop van het kalenderjaar, waarin de gemachtigde monsternemer zijn werkzaamheden heeft beëindigd.
@@ -18821,235 +18922,233 @@
0,90% absoluut voor gehalten kleiner dan 10%.
1.2. Te hanteren tolerantie bij nader onderzoek en meerdere monsters:
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2018-04-01&g=2018-04-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### Protocol voor de bemonstering van de bodem ter bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal (fosfaattoestand gronden laag, neutraal, hoog; derogatie)
### Principe
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt bij voorkeur volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken. Indien gebruik gemaakt wordt van de gestratificeerde aselecte steekproef dient de procedure gevolgd te worden zoals beschreven in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=C&z=2018-04-01&g=2018-04-01), onderdeel I, van onderhavige regeling.
Voorts dient de monstername uitgevoerd te worden binnen eenzelfde toepassingsgebied waarvoor een tolerantie, als genoemd in punt 1.1 en 1.2 is vastgesteld.
Indien geen gebruik gemaakt wordt van de gestratificeerde aselecte steekproef dient de bemonstering van een perceel dan wel perceelsdeel plaats te vinden volgens het onderhavige protocol.
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt bij voorkeur volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken. Indien gebruik gemaakt wordt van de gestratificeerde aselecte steekproef dient de procedure gevolgd te worden zoals beschreven in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=C&z=2018-06-06&g=2018-06-06), onderdeel I, van onderhavige regeling.
### Onderdeel I Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
### Principe
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
Indien geen gebruik gemaakt wordt van de gestratificeerde aselecte steekproef dient de bemonstering van een perceel dan wel perceelsdeel plaats te vinden volgens het onderhavige protocol.
De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de onderdelen II en III van het onderhavige protocol. Het is toegestaan een afwijkende methode voor de bepaling van het PAL-getal (onderdeel II) en voor de bepaling van het Pw-getal (onderdeel III) te hanteren mits die methode ten minste dezelfde waarborgen omvat ten aanzien van betrouwbaarheid en nauwkeurigheid. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dienen nieuwe monsters te worden gestoken om het mengmonster te verkrijgen.
Voor de bemonstering van een perceel, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, hanteert het uitvoerende laboratorium het eigen, onder de accreditatie vallende, protocol. Dit kan een bemonsteringsprotocol zijn gebaseerd op de W-methode, zig-zag-methode of kruislingse bemonstering.
Voor de bemonstering van een perceel, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, hanteert het uitvoerende laboratorium het eigen, onder de accreditatie vallende, protocol. Dit kan een bemonsteringsprotocol zijn gebaseerd op de W-methode, zig-zag-methode of kruislingse bemonstering.
Voor de bemonstering van een perceel, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, hanteert het uitvoerende laboratorium het eigen, onder de accreditatie vallende, protocol. Dit kan een bemonsteringsprotocol zijn gebaseerd op de W-methode, zig-zag-methode of kruislingse bemonstering.
Uit een perceel dan wel een perceelsdeel met een maximale omvang van vijf hectare wordt één representatief mengmonster samengesteld. Aan elkaar grenzende percelen mogen worden samengevoegd tot een totale omvang van ten hoogste vijf hectare, waarbij de omvang van de individuele percelen die worden samengevoegd niet groter is dan 2,5 hectare. Indien een perceel groter is dan 5 hectare dienen er meerdere representatieve mengmonsters samengesteld te worden ter vaststelling van de fosfaattoestand van dat perceel. De fosfaattoestand wordt dan bepaald door het gewogen gemiddelde te berekenen van de analyseresultaten van de individuele mengmonsters.
Voor de bemonstering van een perceel, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, hanteert het uitvoerende laboratorium het eigen, onder de accreditatie vallende, protocol. Dit kan een bemonsteringsprotocol zijn gebaseerd op de W-methode, zig-zag-methode of kruislingse bemonstering.
Voor de bemonstering van een perceel, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, hanteert het uitvoerende laboratorium het eigen, onder de accreditatie vallende, protocol. Dit kan een bemonsteringsprotocol zijn gebaseerd op de W-methode, zig-zag-methode of kruislingse bemonstering.
Uit een perceel dan wel een perceelsdeel met een maximale omvang van vijf hectare wordt één representatief mengmonster samengesteld. Aan elkaar grenzende percelen mogen worden samengevoegd tot een totale omvang van ten hoogste vijf hectare, waarbij de omvang van de individuele percelen die worden samengevoegd niet groter is dan 2,5 hectare. Indien een perceel groter is dan 5 hectare dienen er meerdere representatieve mengmonsters samengesteld te worden ter vaststelling van de fosfaattoestand van dat perceel. De fosfaattoestand wordt dan bepaald door het gewogen gemiddelde te berekenen van de analyseresultaten van de individuele mengmonsters.
Markeer de vormbepalende hoekpunten van het perceel en leg met een Global Positioning System (GPS) de omvang en vorm van dit perceel dan wel perceelsdeel vast. Bij niet rechthoekige percelen dan wel perceelsdelen worden zoveel extra punten meegenomen dat de contouren ervan vastgelegd zijn. De afwijking van de GPS mag niet groter zijn dan 5 meter. De bemestingsvrije zones worden bij deze bepaling buiten beschouwing gelaten. Indien het perceel dan wel perceelsdeel verdeeld is onder meerdere gebruikers, dan wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd. Het mengmonster wordt samengesteld uit een minimum van 40 deelmonsters die gestoken worden uit het gehele perceel dan wel perceelsdeel. Op elk bemonsteringspunt wordt grond bemonsterd van de voorgeschreven bodemlaag. De hoeveelheid (volume) gestoken grond is gelijk voor alle bemonsteringspunten. Bemonstering van het betreffende perceel dan wel perceelsdeel vindt minimaal twee maanden na bekalking plaats.
Selecteer een geschikte boor (steekguts of edelmanboor1NEN 5741 (2003), Bodem – Boorsystemen en monsternemingstoestellen voor grond, sediment, grondwater, die worden toegepast bij bodemverontreinigingsonderzoek. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft. ) om de grondmonstername mee uit te voeren. De te gebruiken boor is grondig gereinigd alvorens deze wordt gebruikt. Er zijn geen grondresten van een ander perceel aanwezig.
Bemonster met een geschikte boor grond tot 10 centimeter diepte op zowel grasland als bouwland. Op bouwland mag ook een bemonsteringsdiepte van 25 centimeter worden aangehouden. Tot de aangegeven diepte dient de boor volledig met grond gevuld te zijn. Bij bemonstering worden meststofresten vermeden.
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
Eventueel wordt op een bemonsteringspunt tweemaal een monster gestoken om de minimale hoeveelheid grond te verzamelen, mits dit dan op alle bemonsteringspunten te gebeuren.
Trek de boor met grond uit de bodem en breng met behulp van de bijbehorende duimspatel de grond over in een stevige plastic zak of papieren zak met polyethyleenbekleding. Verzamel op deze wijze grond op alle bemonsteringspunten en breng dit samen in een zak. De booromvang is zo groot dat het mengmonster minimaal 0,5 kilogram weegt. Op alle bemonsteringspunten wordt een gelijke hoeveelheid grond verzameld.
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
Behandel het grondmonster voor volgens de norm NEN 5709. De voorbehandeling resulteert na drogen bij 40°C ± 2°C en breken van de grond in deeltjes kleiner dan 2 mm (D95 < 2 mm). Verdere verkleining van de deeltjesgrootte van 2 mm tot fijnere fracties wordt zoveel mogelijk voorkomen.
Breng het monster over naar het laboratorium voor verdere behandeling. Droog het grondmonster binnen drie dagen. Indien drogen van het mengmonster binnen de genoemde termijn niet mogelijk is wordt het grondmonster in een niet-luchtdicht afgesloten plastic zak bij 5°C ± 3°C in het donker bewaard. Het monster mag maximaal drie maanden worden bewaard. Indien het monster niet binnen deze drie maanden wordt geanalyseerd, wordt een nieuw (meng)monster genomen.
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### 3. Analyse van grondmonsters
### 3. Analyse van grondmonsters
Het mengmonster wordt volgens de voorgeschreven methoden van grondonderzoek (zie onderdeel II en III) voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal (voor grasland) of het Pw-getal (voor bouwland). Het gemiddelde van de duplo bepalingen is de uitslag van de test. Een heranalyse van het geanalyseerde grondmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse wordt een nieuw grondmonster gestoken. Het genomen grondmonster wordt door het laboratorium minimaal 1 maand na de analyse bewaard.
Het mengmonster wordt volgens de voorgeschreven methoden van grondonderzoek (zie onderdeel II en III) voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal (voor grasland) of het Pw-getal (voor bouwland). Het gemiddelde van de duplo bepalingen is de uitslag van de test. Een heranalyse van het geanalyseerde grondmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse wordt een nieuw grondmonster gestoken. Het genomen grondmonster wordt door het laboratorium minimaal 1 maand na de analyse bewaard.
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing van pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauw-methode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing van pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauw-methode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
Bij de bepaling van het PAL-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p.19–22.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia worden met gedestilleerd water bereid.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia worden met gedestilleerd water bereid.
2.1 Azijnzuur 100% pro analyse
2.2 Melkzuur, soortelijk gewicht 1,2 gram/centimeter3
2.3 Ammonia 25%
2.4 Actieve kool (zie opmerking 5.2)
2.5 Moederoplossing voor extractievloeistof.
Geef eerst het melkzuur een voorbehandeling om de lactiden, die altijd aanwezig zijn, door hydrolyse om te zetten in melkzuur (zie ook opmerking 5.1). Handel daarvoor als volgt: verdun 1 liter melkzuur met een soortelijk gewicht van 1,2 gram/centimeter3 met 2 liter water. Dek de kolf af met een horlogeglas en zet deze gedurende 48 uur in de stoof bij 95°C. Laat de oplossing daarna aan de lucht afkoelen. Bepaal van dit ‘verdunde melkzuur’ de normaliteit. Pipetteer daarvoor 100 milliliter in een maatkolf van 100 milliliter, en vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met 0,1 N NaOH en met phenolphtalein (of fenolftaline) als indicator.
Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.
Stel de gevonden normaliteit van het ‘verdunde melkzuur’ = a.
### 2.6 Extractievloeistof
Bepaal de normaliteit van de ammonia. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de geconcentreerde ammonia in een maatkolf van 500 milliliter, waarin zich al 400 milliliter water bevindt; vul aan met water tot de maatstreep en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde HCl 0,1N met methyloranje als indicator.
### 2.6 Extractievloeistof
Breng voor het bereiden van de moederoplossing de genoemde vloeistoffen respectievelijk 10000/a milliliter ‘verdund melkzuur’, 40000/b milliliter ijsazijn en 10000/c milliliter geconcentreerde ammonia in een fles van 10 liter, waarin zich reeds circa 3 liter water bevindt. Meng, koel af aan de lucht, vul met water aan tot 10 liter en meng weer.
### 2.6 Extractievloeistof
Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.
### Oplossingen
De volgende drie oplossingen dienen samengesteld te worden. De oplossingen zijn nodig voor de bepaling van het fosfaatgehalte.
### Oplossing I.
Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.
### Oplossing II.
Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 – zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.
### Oplossing III.
Los 3900 gram natriumacetaat (NaC2H3O2.3H2O) op inwater (of 3400 gram watervrij natriumacetaat) vul aan met water tot 10 liter en meng.
### 2.8 Standaardoplossing
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
Verdun de standaardoplossing 20 keer. Pipetteer hiervoor 50 milliliter standaardoplossing in een maatkolf van 1 liter. Vul aan met water tot de maatstreep en meng. Conserveer met enkele druppels koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 0,05 milligram P2O5. Bewaar de standaardoplossing in de koelkast.
Verdun de standaardoplossing 20 keer. Pipetteer hiervoor 50 milliliter standaardoplossing in een maatkolf van 1 liter. Vul aan met water tot de maatstreep en meng. Conserveer met enkele druppels koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 0,05 milligram P2O5. Bewaar de standaardoplossing in de koelkast.
### 3. Werkwijze
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
Voeg anders aan het filtraat opnieuw actieve kool toe, schud even flink en filtreer opnieuw. Handel voor de blanco bepalingen op geheel dezelfde wijze als bij het monsteronderzoek. Vergeet daarbij dus ook niet de toevoeging van de actieve kool.
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
### 4. Berekening
Neem op deze wijze ook een tweetal standaardbepalingen mee, die 0,5 milligram P2O5 bevatten. Vul de kolfjes aan met water tot de maatstreep, meng goed en meet in de spectrofotometer de extinctie in een cuvet van 10 millimeter doorsnede, bij een golflengte van 735 nanometer. Stel voor de berekening van het fosfaatgehalte als volgt de ijkfactor vast.
Vul een buret met de verdunde standaardoplossing. Laat hieruit in maatkolfjes van 100 milliliter respectievelijk 0, 2, 4, 6, 8, 10, 20 en 30 milliliter vloeien. Deze reeks bevat dan respectievelijk 0; 0,1; 0,2; 0,3; 0,4; 0,5; 1,0 en 1,5 milligram P2O5. Vul het volume aan met water tot circa 40 milliliter. Voeg vervolgens 10 milliliter toe van oplossing I, zwenk om, voeg daarna 10 milliliter van oplossing II toe, zwenk weer om en voeg na 20 minuten wachten 20 milliliter van oplossing III toe. Zwenk om, vul aan met water tot de maatstreep en meng. Meet de extinctie in een cuvet van 10 millimeter in de spectrofotometer bij een golflengte van 735 nanometer. Bereken de ijkfactor door de som van de P2O5 dosering van de reeks 4,0 milligram P2O5 te delen door de som van de netto-extincties (dit zijn de extincties die verminderd zijn met de extinctie van de 0-proef van de reeks). De waarde van de ijkfactor bedraagt ongeveer 1,90.
De bepaling van het fosforgehalte in het waterig extract kan ook uitgevoerd worden door middel van een spectrofotometrische bepaling in een doorstroomanalysesysteem bij toepassing van een identieke molybdeenblauwkleuring
Als Ea de extinctie is, gemeten voor het monster, Eb die van de blanco-bepaling dan wordt de berekening als volgt:
Als Ea de extinctie is, gemeten voor het monster, Eb die van de blanco-bepaling dan wordt de berekening als volgt:
### 5. Opmerkingen
Voor 25 milliliter filtraat wordt de berekeningsformule dan:
(Ea–Eb) x 2 x 1,9 x 100/2,5 = (Ea - Eb) x 152 = milligram P2O5 per 100 gram grond
Hierin is:
5.1 Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
### 1. Abstract
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing van pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauw-methode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
Bij de bepaling van het PAL-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p.19–22.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia worden met gedestilleerd water bereid.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia worden met gedestilleerd water bereid.
2.1 Azijnzuur 100% pro analyse
2.2 Melkzuur, soortelijk gewicht 1,2 gram/centimeter3
2.3 Ammonia 25%
2.4 Actieve kool (zie opmerking 5.2)
2.5 Moederoplossing voor extractievloeistof.
Geef eerst het melkzuur een voorbehandeling om de lactiden, die altijd aanwezig zijn, door hydrolyse om te zetten in melkzuur (zie ook opmerking 5.1). Handel daarvoor als volgt: verdun 1 liter melkzuur met een soortelijk gewicht van 1,2 gram/centimeter3 met 2 liter water. Dek de kolf af met een horlogeglas en zet deze gedurende 48 uur in de stoof bij 95°C. Laat de oplossing daarna aan de lucht afkoelen. Bepaal van dit ‘verdunde melkzuur’ de normaliteit. Pipetteer daarvoor 100 milliliter in een maatkolf van 100 milliliter, en vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met 0,1 N NaOH en met phenolphtalein (of fenolftaline) als indicator.
Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.
Stel de gevonden normaliteit van het ‘verdunde melkzuur’ = a.
Stel de gevonden normaliteit van de ijsazijn = b.
### 2.6 Extractievloeistof
Stel de gevonden normaliteit van de ammonia = c.
### 2.6 Extractievloeistof
Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.
### Oplossingen
De volgende drie oplossingen dienen samengesteld te worden. De oplossingen zijn nodig voor de bepaling van het fosfaatgehalte.
### Oplossing I.
Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.
### Oplossing II.
Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 – zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.
### Oplossing III.
Los 3900 gram natriumacetaat (NaC2H3O2.3H2O) op inwater (of 3400 gram watervrij natriumacetaat) vul aan met water tot 10 liter en meng.
### 2.8 Standaardoplossing
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter= 1 milligram fosfaat (P2O5).
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
Verdun de standaardoplossing 20 keer. Pipetteer hiervoor 50 milliliter standaardoplossing in een maatkolf van 1 liter. Vul aan met water tot de maatstreep en meng. Conserveer met enkele druppels koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 0,05 milligram P2O5. Bewaar de standaardoplossing in de koelkast.
Voeg anders aan het filtraat opnieuw actieve kool toe, schud even flink en filtreer opnieuw. Handel voor de blanco bepalingen op geheel dezelfde wijze als bij het monsteronderzoek. Vergeet daarbij dus ook niet de toevoeging van de actieve kool.
### 3.1. Bereiding van het extract
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
Voeg anders aan het filtraat opnieuw actieve kool toe, schud even flink en filtreer opnieuw. Handel voor de blanco bepalingen op geheel dezelfde wijze als bij het monsteronderzoek. Vergeet daarbij dus ook niet de toevoeging van de actieve kool.
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
Zwenk om en voeg na een kwartier wachten 20 milliliter van oplossing III toe.
5.3 Het verdunnen en verhitten van het melkzuur dient om de lactiden, die altijd aanwezig zijn door hydrolyse om te zetten in melkzuur. In sommige preparaten kan de concentratie aan lactiden 20% bedragen. De verdunde oplossing wordt hierdoor in stabiel, tenzij men de lactiden vooraf hydrolyseert. De reactie die zich onder de voorgeschreven omstandigheden voltrekt, is onomkeerbaar. Geconcentreerd melkzuur bevat:
Titreert men een dergelijk mengsel, na verdunning met water en natronloog van bekende sterkte onder toevoeging van phenolphtalein (fenolftaline) als indicator, dan bepaalt men slechts het melkzuur. Geeft men vervolgens een bekende overmaat natronloog en laat men de oplossing nu gedurende een half uur staan, dan worden eventueel aanwezige lactiden in melkzuur omgezet, waardoor natronloog wordt verbruikt. De resterende hoeveelheid loog wordt met zoutzuur van bekende sterkte teruggetitreerd. Blijkt dat van de overmaat aan loog niets is verbruikt, dan bevatte de onderzochte oplossing enkel melkzuur.
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
### 2. Benodigde reagentia
Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23–26.
### 2. Benodigde reagentia
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
### 2.1. Zwavelzuur 5N
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
### 2.2. Molybdaatoplossing 4%
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50°C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
### 2.3. Zwavelzure molybdaatoplossing
Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
### 2.5. Kaliumantimonyltartraatoplossing 0,275%
Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcilinder) wordt de volgende oplossing bereid.
In een maatkolf van 200 milliliter 0,550 gram kaliumantimonyltartraat (KSb OC4H4O6.½H2O) in gedestilleerd water oplossen en verdunnen tot 200 milliliter.
### 2.6. Mengreagens
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
Laat het mengreagens ongeveer 20 minuten staan en, indien noodzakelijk, filtreer het mengreagens ter verwijdering van een soms gevormd blauw colloïdaal neerslag. Het blauw colloïdaal neerslag kan hoge blancowaarden geven bij de bepaling.
### 2.7. IJkoplossingen
Los 1,9167 gram KH2PO4(volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedestilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.
Verdun 10 milliliter voorraadoplossing tot 1 liter. 10 milliliter van deze gebruiksoplossing bevat 100 microgram P2O5.
Pipetteer in maatkolven van 200 milliliter: 10, 20, 40, 60, 80 milliliter gebruiksoplossing en vul aan tot 200 milliliter. Deze standaardoplossing bevat per 20 milliliter respectievelijk: 10, 20, 40, 60, 80 microgram P2O5.
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 milliliter:
20 milliliter mengreagens 6) + 20 milliliter standaardoplossingen en meng goed.
Meet, nadat de oplossing 20 minuten heeft gestaan, de lichtabsorptie van de oplossing in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij golflengte 882 nanometer of bij 720 nanometer.
De droge, tot een doorsnede van kleiner dan 2 millimeter verkleinde, gezeefde grond wordt geschept met een cilindrisch vaatje met bolvormige bodem, met een inhoud van 1,2 centimeter3. Door drie maal zacht aankloppen wordt de grond in dichte pakking gebracht en vervolgens dient de overmaat afgestreken te worden tot het niveau gelijk is aan de rand van het vaatje. Daarna wordt het afgemeten volume grond kwantitatief overgebracht in een schudfles van 125 centimeter3 inhoud.
De droge, tot een doorsnede van kleiner dan 2 millimeter verkleinde, gezeefde grond wordt geschept met een cilindrisch vaatje met bolvormige bodem, met een inhoud van 1,2 centimeter3. Door drie maal zacht aankloppen wordt de grond in dichte pakking gebracht en vervolgens dient de overmaat afgestreken te worden tot het niveau gelijk is aan de rand van het vaatje. Daarna wordt het afgemeten volume grond kwantitatief overgebracht in een schudfles van 125 centimeter3 inhoud.
### 4. Berekening
Vul een buret met de verdunde standaardoplossing. Laat hieruit in maatkolfjes van 100 milliliter respectievelijk 0, 2, 4, 6, 8, 10, 20 en 30 milliliter vloeien. Deze reeks bevat dan respectievelijk 0; 0,1; 0,2; 0,3; 0,4; 0,5; 1,0 en 1,5 milligram P2O5. Vul het volume aan met water tot circa 40 milliliter. Voeg vervolgens 10 milliliter toe van oplossing I, zwenk om, voeg daarna 10 milliliter van oplossing II toe, zwenk weer om en voeg na 20 minuten wachten 20 milliliter van oplossing III toe. Zwenk om, vul aan met water tot de maatstreep en meng. Meet de extinctie in een cuvet van 10 millimeter in de spectrofotometer bij een golflengte van 735 nanometer. Bereken de ijkfactor door de som van de P2O5 dosering van de reeks 4,0 milligram P2O5 te delen door de som van de netto-extincties (dit zijn de extincties die verminderd zijn met de extinctie van de 0-proef van de reeks). De waarde van de ijkfactor bedraagt ongeveer 1,90.
Na het schudden wordt gefiltreerd door een dubbelfilter (hard en asvrij). Tussen het schudden en het filtreren een vaste wachttijd (bijvoorbeeld 10 minuten) in acht nemen. De eerste doorlopende milliliters filtraat – in 4 minuten –, die vaak troebel zijn, worden afgevoerd of opnieuw op het filter gebracht. Daarna loopt het filtraat meestal helder door. Zie ook opmerking 5.1.
In erlenmeyers of flesjes van circa 100 milliliter wordt dan 20 milliliter mengreagens (zie 2.6) gepipetteerd en daarna 20 milliliter filtraat. Meng goed en laat 20 minuten staan. Meet de lichtabsorptie van de oplossingen in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij een golflengte van 882 nanometer.
De bepaling van het fosforgehalte in het waterig extract kan ook uitgevoerd worden door middel van een spectrofotometrische bepaling in een doorstroomanalysesysteem bij toepassing van een identieke molybdeenblauwkleuring
Als Ea de extinctie is, gemeten voor het monster, Eb die van de blanco-bepaling dan wordt de berekening als volgt:
Als Ea de extinctie is, gemeten voor het monster, Eb die van de blanco-bepaling dan wordt de berekening als volgt:
(Ea–Eb) x (50/milliliter filtraat) x F x 100/2,5 = milligram P2O5 per 100 gram luchtdroge grond.
### 5. Opmerkingen
(Ea–Eb) x 2 x 1,9 x 100/2,5 = (Ea - Eb) x 152 = milligram P2O5 per 100 gram grond
Hierin is:
5.1 Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.
5.1 Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
### 1. Abstract
Titreert men een dergelijk mengsel, na verdunning met water en natronloog van bekende sterkte onder toevoeging van phenolphtalein (fenolftaline) als indicator, dan bepaalt men slechts het melkzuur. Geeft men vervolgens een bekende overmaat natronloog en laat men de oplossing nu gedurende een half uur staan, dan worden eventueel aanwezige lactiden in melkzuur omgezet, waardoor natronloog wordt verbruikt. De resterende hoeveelheid loog wordt met zoutzuur van bekende sterkte teruggetitreerd. Blijkt dat van de overmaat aan loog niets is verbruikt, dan bevatte de onderzochte oplossing enkel melkzuur.
Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23–26.
### 1. Abstract
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
### 2. Benodigde reagentia
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
### 2.1. Zwavelzuur 5N
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
### 2.2. Molybdaatoplossing 4%
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50°C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
### 2.3. Zwavelzure molybdaatoplossing
Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.
### 2.4. Ascorbinezuuroplossing 1,75%
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcilinder) wordt de volgende oplossing bereid.
### 2.6. Mengreagens
In een maatkolf van 200 milliliter 0,550 gram kaliumantimonyltartraat (KSb OC4H4O6.½H2O) in gedestilleerd water oplossen en verdunnen tot 200 milliliter.
Deze oplossing moet binnen een week worden gebruikt en worden bewaard bij kamertemperatuur, in een koelkast bij enkele graden boven 0°C langer.
### 2.6. Mengreagens
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
Laat het mengreagens ongeveer 20 minuten staan en, indien noodzakelijk, filtreer het mengreagens ter verwijdering van een soms gevormd blauw colloïdaal neerslag. Het blauw colloïdaal neerslag kan hoge blancowaarden geven bij de bepaling.
Los 1,9167 gram KH2PO4(volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedestilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
Verdun 10 milliliter voorraadoplossing tot 1 liter. 10 milliliter van deze gebruiksoplossing bevat 100 microgram P2O5.
Pipetteer in maatkolven van 200 milliliter: 10, 20, 40, 60, 80 milliliter gebruiksoplossing en vul aan tot 200 milliliter. Deze standaardoplossing bevat per 20 milliliter respectievelijk: 10, 20, 40, 60, 80 microgram P2O5.
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 milliliter:
### 3. Werkwijze
20 milliliter mengreagens 6) + 20 milliliter standaardoplossingen en meng goed.
Meet, nadat de oplossing 20 minuten heeft gestaan, de lichtabsorptie van de oplossing in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij golflengte 882 nanometer of bij 720 nanometer.
De droge, tot een doorsnede van kleiner dan 2 millimeter verkleinde, gezeefde grond wordt geschept met een cilindrisch vaatje met bolvormige bodem, met een inhoud van 1,2 centimeter3. Door drie maal zacht aankloppen wordt de grond in dichte pakking gebracht en vervolgens dient de overmaat afgestreken te worden tot het niveau gelijk is aan de rand van het vaatje. Daarna wordt het afgemeten volume grond kwantitatief overgebracht in een schudfles van 125 centimeter3 inhoud.
De droge, tot een doorsnede van kleiner dan 2 millimeter verkleinde, gezeefde grond wordt geschept met een cilindrisch vaatje met bolvormige bodem, met een inhoud van 1,2 centimeter3. Door drie maal zacht aankloppen wordt de grond in dichte pakking gebracht en vervolgens dient de overmaat afgestreken te worden tot het niveau gelijk is aan de rand van het vaatje. Daarna wordt het afgemeten volume grond kwantitatief overgebracht in een schudfles van 125 centimeter3 inhoud.
De schudflessen met grond worden gedurende één nacht in een droogstoof gezet bij circa 40°C. Na afkoeling wordt dan 2 milliliter gedestilleerd water toegevoegd en even met de hand geschud om water en grond te mengen. Daarna de flesjes afsluiten en gedurende 22 uren bij een temperatuur van 20°C laten staan. Vervolgens wordt 70 milliliter gedestilleerd water van 20°C toegevoegd en aansluitend gedurende 1 uur geschud bij 20°C met een schudsnelheid van 160–170 slagen per minuut.
### 4. Berekening
In erlenmeyers of flesjes van circa 100 milliliter wordt dan 20 milliliter mengreagens (zie 2.6) gepipetteerd en daarna 20 milliliter filtraat. Meng goed en laat 20 minuten staan. Meet de lichtabsorptie van de oplossingen in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij een golflengte van 882 nanometer.
De bepaling van het fosforgehalte in het waterig extract kan ook uitgevoerd worden door middel van een spectrofotometrische bepaling in een doorstroomanalysesysteem bij toepassing van een identieke molybdeenblauwkleuring
De uitkomst van de bepaling, het Pw-getal bij volumeverhouding 1:60 wordt uitgedrukt in microgram P2O5 in het filtraat per 1 centimeter3 grond
### 5. Opmerkingen
(Ea – Eb) x F x 3 = aantal microgram P2O5/centimeter3 grond = aantal milligram P2O5/liter grond.
## Bijlage M. behorende bij [artikel 130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=130&z=2018-04-01&g=2018-04-01)
@@ -19412,9 +19511,9 @@
- 2°. het aantal kilogrammen fosfaat, genoemd in de melkveefosfaatreferentie van dat bedrijf,
- 3°. het aantal kilogrammen fosfaat, genoemd in overeenkomsten als bedoeld in [artikel 21, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en
- 4°. de hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar ingevolge [artikel 8, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2019-01-01&g=2019-01-01), aantoonbaar op landbouwgrond had mogen worden gebracht, als de realisatie van een natuurgebied of de aanleg van of onderhoud van publieke infrastructuur dit niet tijdelijk had belet.
- 3°. het aantal kilogrammen fosfaat, genoemd in overeenkomsten als bedoeld in [artikel 21, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en
- 4°. de hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar ingevolge [artikel 8, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2019-01-31&g=2019-01-31), aantoonbaar op landbouwgrond had mogen worden gebracht, als de realisatie van een natuurgebied of de aanleg van of onderhoud van publieke infrastructuur dit niet tijdelijk had belet.
2. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt voor het betreffende kalenderjaar voor 16 mei ingediend met gebruikmaking van een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier.
@@ -19503,9 +19602,9 @@
| 79 | 390,01 | 395 | € 2.731,80 |
| 80 | 395,01 | 400 | € 2.766,60 |
### 5.4. Verpakking, transport en overdracht voor analyse
### 6.1. Het nemen van een representatief monster
### 6.3. Bemonstering bij het lossen
## Bijlage F
@@ -19546,13 +19645,13 @@
### **4.6. Monsteradministratie**
### **4.6. Monsteradministratie**
4.6.1. Van elk monster worden de volgende gegevens vastgelegd
### **5. machtiging als monsternemers**
Deze gegevens mogen op verschillende plaatsen geadministreerd en bewaard worden, mits de traceerbaarheid van de gegevens gewaarborgd is.
### **5. machtiging als monsternemers**
Wanneer bij nader onderzoek door de controle-instantie meerdere monsters worden genomen om te controleren of de juiste vermelding van fosfor respectievelijk ruw eiwit heeft plaatsgevonden kan in de keuring met de volgende tolerantie worden gewerkt:
1.2. Te hanteren tolerantie bij nader onderzoek en meerdere monsters:
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2017-11-10&g=2017-11-10) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -19562,119 +19661,119 @@
### Onderdeel I Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
Trek de boor met grond uit de bodem en breng met behulp van de bijbehorende duimspatel de grond over in een stevige plastic zak of papieren zak met polyethyleenbekleding. Verzamel op deze wijze grond op alle bemonsteringspunten en breng dit samen in een zak. De booromvang is zo groot dat het mengmonster minimaal 0,5 kilogram weegt. Op alle bemonsteringspunten wordt een gelijke hoeveelheid grond verzameld.
Bemonster met een geschikte boor grond tot 10 centimeter diepte op zowel grasland als bouwland. Op bouwland mag ook een bemonsteringsdiepte van 25 centimeter worden aangehouden. Tot de aangegeven diepte dient de boor volledig met grond gevuld te zijn. Bij bemonstering worden meststofresten vermeden.
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
Breng het monster over naar het laboratorium voor verdere behandeling. Droog het grondmonster binnen drie dagen. Indien drogen van het mengmonster binnen de genoemde termijn niet mogelijk is wordt het grondmonster in een niet-luchtdicht afgesloten plastic zak bij 5°C ± 3°C in het donker bewaard. Het monster mag maximaal drie maanden worden bewaard. Indien het monster niet binnen deze drie maanden wordt geanalyseerd, wordt een nieuw (meng)monster genomen.
Eventueel wordt op een bemonsteringspunt tweemaal een monster gestoken om de minimale hoeveelheid grond te verzamelen, mits dit dan op alle bemonsteringspunten te gebeuren.
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
Behandel het grondmonster voor volgens de norm NEN 5709. De voorbehandeling resulteert na drogen bij 40°C ± 2°C en breken van de grond in deeltjes kleiner dan 2 mm (D95 < 2 mm). Verdere verkleining van de deeltjesgrootte van 2 mm tot fijnere fracties wordt zoveel mogelijk voorkomen.
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
### 3. Analyse van grondmonsters
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing van pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauw-methode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
### 1. Abstract
Stel de gevonden normaliteit van de ijsazijn = b.
### 2.6 Extractievloeistof
Stel de gevonden normaliteit van de ammonia = c.
### 2.6 Extractievloeistof
Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.
### Oplossingen
De volgende drie oplossingen dienen samengesteld te worden. De oplossingen zijn nodig voor de bepaling van het fosfaatgehalte.
### Oplossing I.
Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.
### Oplossing II.
Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 – zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.
### Oplossing III.
Los 3900 gram natriumacetaat (NaC2H3O2.3H2O) op inwater (of 3400 gram watervrij natriumacetaat) vul aan met water tot 10 liter en meng.
### 2.8 Standaardoplossing
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter= 1 milligram fosfaat (P2O5).
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
### 3.1. Bereiding van het extract
Zwenk om en voeg na een kwartier wachten 20 milliliter van oplossing III toe.
### 4. Berekening
(Ea–Eb) x (50/milliliter filtraat) x F x 100/2,5 = milligram P2O5 per 100 gram luchtdroge grond.
### 5. Opmerkingen
5.1 Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
### 1. Abstract
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
### 2. Benodigde reagentia
Bepaal de normaliteit van de ammonia. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de geconcentreerde ammonia in een maatkolf van 500 milliliter, waarin zich al 400 milliliter water bevindt; vul aan met water tot de maatstreep en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde HCl 0,1N met methyloranje als indicator.
### 2.6 Extractievloeistof
Breng voor het bereiden van de moederoplossing de genoemde vloeistoffen respectievelijk 10000/a milliliter ‘verdund melkzuur’, 40000/b milliliter ijsazijn en 10000/c milliliter geconcentreerde ammonia in een fles van 10 liter, waarin zich reeds circa 3 liter water bevindt. Meng, koel af aan de lucht, vul met water aan tot 10 liter en meng weer.
### 2.6 Extractievloeistof
Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.
### Oplossingen
De volgende drie oplossingen dienen samengesteld te worden. De oplossingen zijn nodig voor de bepaling van het fosfaatgehalte.
### Oplossing I.
Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.
### Oplossing II.
Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 – zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.
### Oplossing III.
Los 3900 gram natriumacetaat (NaC2H3O2.3H2O) op inwater (of 3400 gram watervrij natriumacetaat) vul aan met water tot 10 liter en meng.
### 2.8 Standaardoplossing
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter= 1 milligram fosfaat (P2O5).
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
### 2.1. Zwavelzuur 5N
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
### 2.2. Molybdaatoplossing 4%
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50°C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
### 2.3. Zwavelzure molybdaatoplossing
Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.
### 2.4. Ascorbinezuuroplossing 1,75%
Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcilinder) wordt de volgende oplossing bereid.
### 2.6. Mengreagens
Deze oplossing moet binnen een week worden gebruikt en worden bewaard bij kamertemperatuur, in een koelkast bij enkele graden boven 0°C langer.
### 2.6. Mengreagens
Los 1,9167 gram KH2PO4(volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedestilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 milliliter:
### 3. Werkwijze
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
### 3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
Neem op deze wijze ook een tweetal standaardbepalingen mee, die 0,5 milligram P2O5 bevatten. Vul de kolfjes aan met water tot de maatstreep, meng goed en meet in de spectrofotometer de extinctie in een cuvet van 10 millimeter doorsnede, bij een golflengte van 735 nanometer. Stel voor de berekening van het fosfaatgehalte als volgt de ijkfactor vast.
De schudflessen met grond worden gedurende één nacht in een droogstoof gezet bij circa 40°C. Na afkoeling wordt dan 2 milliliter gedestilleerd water toegevoegd en even met de hand geschud om water en grond te mengen. Daarna de flesjes afsluiten en gedurende 22 uren bij een temperatuur van 20°C laten staan. Vervolgens wordt 70 milliliter gedestilleerd water van 20°C toegevoegd en aansluitend gedurende 1 uur geschud bij 20°C met een schudsnelheid van 160–170 slagen per minuut.
### 4. Berekening
Voor 25 milliliter filtraat wordt de berekeningsformule dan:
De uitkomst van de bepaling, het Pw-getal bij volumeverhouding 1:60 wordt uitgedrukt in microgram P2O5 in het filtraat per 1 centimeter3 grond
### 5. Opmerkingen
5.2 De kool dient voor de ontkleuring van het grondextract, dat door humeuze verbindingen meer of minder bruin gekleurd kan zijn. Het preparaat mag dus geen kationen of anionen aan het extract afgeven of er uit adsorberen.
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
### 2. Benodigde reagentia
Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23–26.
### 2. Benodigde reagentia
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
### 2.1. Zwavelzuur 5N
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
### 2.2. Molybdaatoplossing 4%
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50°C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
### 2.3. Zwavelzure molybdaatoplossing
Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.
### 2.4. Ascorbinezuuroplossing 1,75%
Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcilinder) wordt de volgende oplossing bereid.
### 2.6. Mengreagens
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
### 2.7. IJkoplossingen
Los 1,9167 gram KH2PO4(volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedestilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 milliliter:
### 3. Werkwijze
Na het schudden wordt gefiltreerd door een dubbelfilter (hard en asvrij). Tussen het schudden en het filtreren een vaste wachttijd (bijvoorbeeld 10 minuten) in acht nemen. De eerste doorlopende milliliters filtraat – in 4 minuten –, die vaak troebel zijn, worden afgevoerd of opnieuw op het filter gebracht. Daarna loopt het filtraat meestal helder door. Zie ook opmerking 5.1.
### 4. Berekening
De uitkomst van de bepaling, het Pw-getal bij volumeverhouding 1:60 wordt uitgedrukt in microgram P2O5 in het filtraat per 1 centimeter3 grond
### 5. Opmerkingen
Hierin is:
(Ea – Eb) x F x 3 = aantal microgram P2O5/centimeter3 grond = aantal milligram P2O5/liter grond.
## Bijlage M. behorende bij [artikel 130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=130&z=2017-11-10&g=2017-11-10)
@@ -20120,9 +20219,9 @@
##### Artikel 25c
1. De landbouwer voldoet aan de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), de bij of krachtens de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&z=2019-01-01&g=2019-01-01) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&z=2019-01-01&g=2019-01-01) in samenhang met de [hoofdstukken IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=IV), [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=VI) en [X van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=X) gestelde regels en de [artikelen 4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=4b) en [8a van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=8a).
2. In het kalenderjaar waarin de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 24, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2019-01-01&g=2019-01-01), worden toegepast, wordt gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september ten minste tachtig procent van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, die voor het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen beschikbaar is, onafgebroken beteeld met gras dat is bestemd om te worden gebruikt als ruwvoer.
1. De landbouwer voldoet aan de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), de bij of krachtens de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&z=2019-01-31&g=2019-01-31) in samenhang met de [hoofdstukken IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=IV), [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=VI) en [X van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=X) gestelde regels en de [artikelen 4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=4b) en [8a van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=8a).
2. In het kalenderjaar waarin de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 24, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2019-01-31&g=2019-01-31), worden toegepast, wordt gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september ten minste tachtig procent van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, die voor het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen beschikbaar is, onafgebroken beteeld met gras dat is bestemd om te worden gebruikt als ruwvoer.
3. De landbouwer gebruikt geen fosfaat uit kunstmest.
@@ -20134,7 +20233,7 @@
2. Vervallen.
3. In afwijking van [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2019-01-01&g=2019-01-01) vindt voor het kalenderjaar 2019 wat betreft het vernietigen van de graszode ten behoeve van de teelt van maïs op zand- en lössgronden een vermindering van de stikstofgebruiksnorm plaats van 65 kilogram per hectare die is vernietigd. Van het bepaalde in [artikel 4b, vierde lid, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=4b) wordt voor het kalenderjaar 2019 vrijstelling verleend.
3. In afwijking van [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2019-01-31&g=2019-01-31) vindt voor het kalenderjaar 2019 wat betreft het vernietigen van de graszode ten behoeve van de teelt van maïs op zand- en lössgronden een vermindering van de stikstofgebruiksnorm plaats van 65 kilogram per hectare die is vernietigd. Van het bepaalde in [artikel 4b, vierde lid, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=4b) wordt voor het kalenderjaar 2019 vrijstelling verleend.
#### § 4. Fosfaatvrije voet en fosfaatverrekening
@@ -20150,7 +20249,7 @@
#### § 1. Kennisgeving van overgang
#### § 4a. Versoepeling compartimentering bij mestverwerking of mestvergisting
#### § 4. Leges
#### § 5. Uitbreiding buiten rechten
@@ -20164,7 +20263,92 @@
2. De kennisgeving, bedoeld in artikel 21aa, tweede lid, onderdeel d, van het besluit en de [artikelen 28c, tweede lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28c&z=2018-06-06&g=2018-06-06), [28d, tweede lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28d&z=2018-06-06&g=2018-06-06), en [33a, tweede lid, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=33a&z=2018-06-06&g=2018-06-06), wordt geregistreerd nadat het bedrag, bedoeld in het eerste lid is voldaan. Bij de kennisgeving stelt de landbouwer door middel van het afgeven van een machtiging tot betaling de minister in staat dit bedrag te innen.
## Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij de [artikelen 28 tot en met 28c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2019-01-01&g=2019-01-01)
## Bijlage Ad. behorende bij [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
| Klasse | Oppervlakte (in hectare) | Oppervlakte (in hectare) | Tarief |
| --- | --- | --- | --- |
| 1 | 0 tot | 5 | € 17,40 |
| 2 | 5,01 | 10 | € 52,20 |
| 3 | 10,01 | 15 | € 87,00 |
| 4 | 15,01 | 20 | € 121,80 |
| 5 | 20,01 | 25 | € 156,60 |
| 6 | 25,01 | 30 | € 191,40 |
| 7 | 30,01 | 35 | € 226,20 |
| 8 | 35,01 | 40 | € 261,00 |
| 9 | 40,01 | 45 | € 295,80 |
| 10 | 45,01 | 50 | € 330,60 |
| 11 | 50,01 | 55 | € 365,40 |
| 12 | 55,01 | 60 | € 400,20 |
| 13 | 60,01 | 65 | € 435,00 |
| 14 | 65,01 | 70 | € 469,80 |
| 15 | 70,01 | 75 | € 504,60 |
| 16 | 75,01 | 80 | € 539,40 |
| 17 | 80,01 | 85 | € 574,20 |
| 18 | 85,01 | 90 | € 609,00 |
| 19 | 90,01 | 95 | € 643,80 |
| 20 | 95,01 | 100 | € 678,60 |
| 21 | 100,01 | 105 | € 713,40 |
| 22 | 105,01 | 110 | € 748,20 |
| 23 | 110,01 | 115 | € 783,00 |
| 24 | 115,01 | 120 | € 817,80 |
| 25 | 120,01 | 125 | € 852,60 |
| 26 | 125,01 | 130 | € 887,40 |
| 27 | 130,01 | 135 | € 922,20 |
| 28 | 135,01 | 140 | € 957,00 |
| 29 | 140,01 | 145 | € 991,80 |
| 30 | 145,01 | 150 | € 1.026,60 |
| 31 | 150,01 | 155 | € 1.061,40 |
| 32 | 155,01 | 160 | € 1.096,20 |
| 33 | 160,01 | 165 | € 1.131,00 |
| 34 | 165,01 | 170 | € 1.165,80 |
| 35 | 170,01 | 175 | € 1.200,60 |
| 36 | 175,01 | 180 | € 1.235,40 |
| 37 | 180,01 | 185 | € 1.270,20 |
| 38 | 185,01 | 190 | € 1.305,00 |
| 39 | 190,01 | 195 | € 1.339,80 |
| 40 | 195,01 | 200 | € 1.374,60 |
| 41 | 200,01 tot | 205 | € 1.409,40 |
| 42 | 205,01 | 210 | € 1.444,20 |
| 43 | 210,01 | 215 | € 1.479,00 |
| 44 | 215,01 | 220 | € 1.513,80 |
| 45 | 220,01 | 225 | € 1.548,60 |
| 46 | 225,01 | 230 | € 1.583,40 |
| 47 | 230,01 | 235 | € 1.618,20 |
| 48 | 235,01 | 240 | € 1.653,00 |
| 49 | 240,01 | 245 | € 1.687,80 |
| 50 | 245,01 | 250 | € 1.722,60 |
| 51 | 250,01 | 255 | € 1.757,40 |
| 52 | 255,01 | 260 | € 1.792,20 |
| 53 | 260,01 | 265 | € 1.827,00 |
| 54 | 265,01 | 270 | € 1.861,80 |
| 55 | 270,01 | 275 | € 1.896,60 |
| 56 | 275,01 | 280 | € 1.931,40 |
| 57 | 280,01 | 285 | € 1.966,20 |
| 58 | 285,01 | 290 | € 2.001,00 |
| 59 | 290,01 | 295 | € 2.035,80 |
| 60 | 295,01 | 300 | € 2.070,60 |
| 61 | 300,01 | 305 | € 2.105,40 |
| 62 | 305,01 | 310 | € 2.140,20 |
| 63 | 310,01 | 315 | € 2.175,00 |
| 64 | 315,01 | 320 | € 2.209,80 |
| 65 | 320,01 | 325 | € 2.244,60 |
| 66 | 325,01 | 330 | € 2.279,40 |
| 67 | 330,01 | 335 | € 2.314,20 |
| 68 | 335,01 | 340 | € 2.349,00 |
| 69 | 340,01 | 345 | € 2.383,80 |
| 70 | 345,01 | 350 | € 2.418,60 |
| 71 | 350,01 | 355 | € 2.453,40 |
| 72 | 355,01 | 360 | € 2.488,20 |
| 73 | 360,01 | 365 | € 2.523,00 |
| 74 | 365,01 | 370 | € 2.557,80 |
| 75 | 370,01 | 375 | € 2.592,60 |
| 76 | 375,01 | 380 | € 2.627,40 |
| 77 | 380,01 | 385 | € 2.662,20 |
| 78 | 385,01 | 390 | € 2.697,00 |
| 79 | 390,01 | 395 | € 2.731,80 |
| 80 | 395,01 | 400 | € 2.766,60 |
## Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij de [artikelen 28 tot en met 28c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2019-01-31&g=2019-01-31)
| grondsoort | kleigrond | noordelijke, westelijke en centrale zandgronden | zuidelijke zandgronden | lössgrond | veengrond |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
@@ -20427,38 +20611,6 @@
| Accord Agria Amora Anosta Arcade Asterix Bintje Challenger Daisy Dolce Vita Donald Fianna Felsina Florida | Fresco Fontane Frieslander Innovator Kennebec Lady Amarilla Lady Blanca Lady Olympia Marijke Maritiema Markies Miranda Miriam Premiere | Ramos Remarka Russet Burbank Sagitta Santana Shepody Spirit Sinora Ukama Umatilla Russet Van Gogh Victoria Zorba |
| --- | --- | --- |
## Bijlage B. behorende bij [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=29&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet: Werkingscoëfficiënt
| Soort/herkomst meststof ¹ | Toepassing ¹ | WC |
| --- | --- | --- |
| | | |
| **Drijfmest en dunne fractie** | **Drijfmest en dunne fractie** | **Drijfmest en dunne fractie** |
| Drijfmest van graasdieren op eigen bedrijf geproduceerd | Op bedrijf met beweiding Op bedrijf zonder beweiding | 45 60 |
| | Op bedrijf met beweiding Op bedrijf zonder beweiding | 45 60 |
| Drijfmest van graasdieren aangevoerd | | 60 |
| Drijfmest van varkens | Op klei- en veengrond Op zand en lössgrond | 60 80 |
| Drijfmest van overige diersoorten | | 60 |
| Dunne fractie na mestbewerking en gier | | 80 |
| | | |
| **Vaste mest** | **Vaste mest** | **Vaste mest** |
| Van graasdieren op eigen bedrijf geproduceerd | Op bouwland op klei- en veengrond, in de periode van 1 september t/m 31 januari | 30 |
| Van graasdieren op eigen bedrijf geproduceerd | Overige toepassingen op bedrijf met beweiding | 45 |
| Van graasdieren op eigen bedrijf geproduceerd | Overige toepassingen op bedrijf zonder beweiding | 60 |
| Van graasdieren aangevoerd | Op bouwland op klei- en veengrond, in de periode van 1 september t/m 31 januari | 30 |
| Van graasdieren aangevoerd | Overige toepassingen | 40 |
| Van varkens, pluimvee en nertsen | | 55 |
| Van overige diersoorten | Op bouwland op klei- en veengrond, in de periode van 1 september t/m 31 januari | 30 |
| Van overige diersoorten | Overige toepassingen | 40 |
| | | |
| **Overig** | **Overig** | **Overig** |
| Compost | | 10 |
| Champost | | 25 |
| Zuiveringsslib | | 40 |
| Overige organische meststoffen | | 50 |
| Mengsels van meststoffen | Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat | Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat |
¹ Zonder nadere vermelding geldt de genoemde coëfficiënt voor alle grondsoorten, ongeacht herkomst en voor het gehele jaar, tenzij aanwenden op basis van het Besluit gebruik meststoffen is verboden
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest en mestcodes
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2018-06-06&g=2018-06-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -20492,25 +20644,25 @@
### **4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster**
### **III. Toleranties**
Bij n monsters kan de tolerantie, genoemd in punt 1.1 en 1.2 worden gedeeld door √n, bij n>5 mag de tolerantie worden gedeeld door maximaal √5.
### **5. machtiging als monsternemers**
Wanneer bij nader onderzoek door de controle-instantie meerdere monsters worden genomen om te controleren of de juiste vermelding van fosfor respectievelijk ruw eiwit heeft plaatsgevonden kan in de keuring met de volgende tolerantie worden gewerkt:
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2018-06-06&g=2018-06-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### Protocol voor de bemonstering van de bodem ter bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal (fosfaattoestand gronden laag, neutraal, hoog; derogatie)
Indien geen gebruik gemaakt wordt van de gestratificeerde aselecte steekproef dient de bemonstering van een perceel dan wel perceelsdeel plaats te vinden volgens het onderhavige protocol.
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt bij voorkeur volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken. Indien gebruik gemaakt wordt van de gestratificeerde aselecte steekproef dient de procedure gevolgd te worden zoals beschreven in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=C&z=2019-01-31&g=2019-01-31), onderdeel I, van onderhavige regeling.
### Onderdeel I Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
Het mengmonster wordt volgens de voorgeschreven methoden van grondonderzoek (zie onderdeel II en III) voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal (voor grasland) of het Pw-getal (voor bouwland). Het gemiddelde van de duplo bepalingen is de uitslag van de test. Een heranalyse van het geanalyseerde grondmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse wordt een nieuw grondmonster gestoken. Het genomen grondmonster wordt door het laboratorium minimaal 1 maand na de analyse bewaard.
Behandel het grondmonster voor volgens de norm NEN 5709. De voorbehandeling resulteert na drogen bij 40°C ± 2°C en breken van de grond in deeltjes kleiner dan 2 mm (D95 < 2 mm). Verdere verkleining van de deeltjesgrootte van 2 mm tot fijnere fracties wordt zoveel mogelijk voorkomen.
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
### 2. Benodigde reagentia
Verdun de standaardoplossing 20 keer. Pipetteer hiervoor 50 milliliter standaardoplossing in een maatkolf van 1 liter. Vul aan met water tot de maatstreep en meng. Conserveer met enkele druppels koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 0,05 milligram P2O5. Bewaar de standaardoplossing in de koelkast.
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter= 1 milligram fosfaat (P2O5).
### 3. Werkwijze
@@ -20520,11 +20672,11 @@
### 5. Opmerkingen
5.3 Het verdunnen en verhitten van het melkzuur dient om de lactiden, die altijd aanwezig zijn door hydrolyse om te zetten in melkzuur. In sommige preparaten kan de concentratie aan lactiden 20% bedragen. De verdunde oplossing wordt hierdoor in stabiel, tenzij men de lactiden vooraf hydrolyseert. De reactie die zich onder de voorgeschreven omstandigheden voltrekt, is onomkeerbaar. Geconcentreerd melkzuur bevat:
5.2 De kool dient voor de ontkleuring van het grondextract, dat door humeuze verbindingen meer of minder bruin gekleurd kan zijn. Het preparaat mag dus geen kationen of anionen aan het extract afgeven of er uit adsorberen.
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
### 2.5. Kaliumantimonyltartraatoplossing 0,275%
### 2.4. Ascorbinezuuroplossing 1,75%
### 2.6. Mengreagens
@@ -20538,7 +20690,7 @@
### 5. Opmerkingen
5.1. Filtraten die ondanks de bij het filtreren in acht genomen voorzorgen troebel zijn, worden op de volgende wijze geklaard. Per 50 milliliter filtraat ongeveer 1,5 gram vast natriumchloride (NaCI) toevoegen en laten oplossen. Dan opnieuw filtreren. De nu uitgevlokte colloïdale bestanddelen laten zich gemakkelijk affiltreren. De NaCI-concentratie van ongeveer 0,5N stoort de fosfaatbepaling niet.
Hierin is:
## Bijlage M. behorende bij [artikel 130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=130&z=2018-06-06&g=2018-06-06)
@@ -20895,7 +21047,7 @@
##### Artikel 28f
Onverminderd [artikel 28, eerste lid, onderdelen a tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2019-01-01&g=2019-01-01), wordt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in artikel 28, eerste lid, aanhef, verminderd met:
Onverminderd [artikel 28, eerste lid, onderdelen a tot en met e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2019-01-31&g=2019-01-31), wordt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in artikel 28, eerste lid, aanhef, verminderd met:
- a. 65 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte grasland, gelegen op zand- of lössgrond, indien na het vernietigen van de graszode in de periode van 1 februari tot en met 10 mei op deze grond direct aansluitend de teelt van maïs aanvangt.
@@ -20941,17 +21093,42 @@
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2019-01-01&g=2019-01-01)
## Bijlage J
| gewas | Opbrengst (ton ds/ha) | Opbrengst (ton product/ha) | Stikstof-gehalte (kg stikstof/ton ds) | Fosfaat-gehalte (kg fosfaat/ ton ds) | Stikstof-gehalte (kg stikstof/ton vers product) | Fosfaat-gehalte (kg fosfaat/ton vers product) |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| Snijmaïs | 16,1 | 44,6 | 11,3 | 4,5 | 4,0 | 1,6 |
| Maïskolvenschroot | 7,8 | 14,0 | 14,4 | 5,7 | 7,6 | 3,0 |
| Corncob mix (100% spil) | 7,9 | 15,0 | 15,5 | 6,9 | 8,1 | 3,6 |
| Corncob mix (25% spil) | 7,9 | 12,4 | 15,0 | 6,9 | 9,5 | 4,3 |
| Korrelmaïs | 7,9 | 9,1 | 12,2 | 5,5 | 10,5 | 4,8 |
| Gehele plant silage | 8,8 | 10,5 | 17,6 | 6,9 | 5,7 | 2,2 |
| Tarwe | 7,6 | 8,8 | 17,9 | 6,4 | 15,4 | 5,5 |
| Erwten | 5,5 | 6,5 | 32,5 | 8,5 | 28,1 | 7,3 |
| Gerst | 5,9 | 6,8 | 16,0 | 7,1 | 13,9 | 6,2 |
| Aardappelen (vers) | 9,9 | 49,1 | 16,8 | 4,6 | 3,4 | 0,9 |
| Aardappelen (kuil) | * | * | 10,4 | 4,6 | 3,3 | 1,5 |
| Appelen | * | * | 4,2 | 1,6 | 0,7 | 0,3 |
| Graanstro (rogge) | 3,6 | 4,3 | 4,6 | 2,3 | 3,9 | 1,9 |
| Graanstro (tarwe) | 3,5 | 4,1 | 6,6 | 2,1 | 5,8 | 1,8 |
| Grashooi | * | * | 21,1 | 6,2 | 17,8 | 5,2 |
| Graskuil | * | * | 27,9 | 9,4 | 12,4 | 4,2 |
| Graszaad stro | * | * | 9,9 | 4,4 | 8,5 | 3,7 |
| Rogge | 3,3 | 3,8 | 15,5 | 7,1 | 13,5 | 6,2 |
| Uien | 6,0 | 51,0 | 21,6 | 6,9 | 2,5 | 0,8 |
| Voederbieten | 15,5 | 100,0 | 12,5 | 4,6 | 1,7 | 0,6 |
| Witlof wortelen | ** | ** | 8,2 | 5,7 | 1,2 | 0,9 |
| kaaswei | | | 37,0 | 24,4 | 1,3 | 0,9 |
### **III. Toleranties**
Voorts dient de monstername uitgevoerd te worden binnen eenzelfde toepassingsgebied waarvoor een tolerantie, als genoemd in punt 1.1 en 1.2 is vastgesteld.
Bij n monsters kan de tolerantie, genoemd in punt 1.1 en 1.2 worden gedeeld door √n, bij n>5 mag de tolerantie worden gedeeld door maximaal √5.
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2019-01-01&g=2019-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### Principe
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
### Protocol voor de bemonstering van de bodem ter bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal (fosfaattoestand gronden laag, neutraal, hoog; derogatie)
### Onderdeel I Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
### 2. Benodigde reagentia
@@ -21327,3 +21504,410 @@
| | Art. 32, 39 en 44 | Art. 124 lid 3 | Wijzigen van (oorspronkelijke) gegevens in de administratie | M606 | € 300 |
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 78la
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
#### § 4. Voorraden meststoffen
#### § 6. Diervoeders
#### § 9. Gewasopbrengst
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht en de verplaatsing van een varkens-, kippen- of kalkoenhouderij binnen een bedrijf
#### § 1. Kennisgeving van overgang
#### § 4a. Versoepeling compartimentering bij mestverwerking of mestvergisting
#### § 5. Uitbreiding buiten rechten
### Hoofdstuk 10a. Regelen betreffende de wijze van uitvoering van het controleprogramma
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
##### Artikel 124a*
Vervallen
## Bijlage Ea. behorende bij de [artikelen 78d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78d&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [78i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78i&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [78j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78j&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [78q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78q&z=2019-01-31&g=2019-01-31), [78s](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78s&z=2019-01-31&g=2019-01-31) en [78u](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78u&z=2019-01-31&g=2019-01-31), van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest en mestcodes
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2019-01-31&g=2019-01-31)
### **III. Toleranties**
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2019-01-31&g=2019-01-31) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
### 2. Benodigde reagentia
### 3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
### 4. Berekening
### 5. Opmerkingen
### 3. Werkwijze
### 5. Opmerkingen
5.1. Filtraten die ondanks de bij het filtreren in acht genomen voorzorgen troebel zijn, worden op de volgende wijze geklaard. Per 50 milliliter filtraat ongeveer 1,5 gram vast natriumchloride (NaCI) toevoegen en laten oplossen. Dan opnieuw filtreren. De nu uitgevlokte colloïdale bestanddelen laten zich gemakkelijk affiltreren. De NaCI-concentratie van ongeveer 0,5N stoort de fosfaatbepaling niet.
## Bijlage M. behorende bij [artikel 130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=130&z=2019-01-31&g=2019-01-31)
| Wettelijke bepaling | Wettelijke bepaling | Wettelijke bepaling | Wettelijke bepaling | Wettelijke bepaling | Wettelijke bepaling |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054) (Mw) | [Uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031) (UB) | [Uitvoeringsregeling](onbekend) (UR) | Omschrijving regelovertreding | Feitcode | Hoogte bestuurlijke boete |
| Administratieve verplichtingen landbouwers | Administratieve verplichtingen landbouwers | Administratieve verplichtingen landbouwers | Administratieve verplichtingen landbouwers | Administratieve verplichtingen landbouwers | Administratieve verplichtingen landbouwers |
| | | | | | |
| Art. 33b lid 5 | Art. 34 | Art. 72f | Niet tijdig melden van gegevens inzake de mestverwerkingsovereenkomst of de overeenkomst als bedoeld in artikel 33a, derde lid, onderdeel c, van de wet | M096 | € 100 |
| | | | Niet volledig melden van gegevens inzake de mestverwerkingsovereenkomst of de overeenkomst als bedoeld in artikel 33a, derde lid, onderdeel c, van de wet | M097 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid melden van gegevens inzake de mestverwerkingsovereenkomst of de overeenkomst als bedoeld in artikel 33a, derde lid, onderdeel c, van de wet | M098 | € 300 |
| | | | Niet melden van gegevens inzake de mestverwerkingsovereenkomst of de overeenkomst als bedoeld in artikel 33a, derde lid, onderdeel c, van de wet | M099 | € 300 |
| | | | | | |
| Art. 34 en 35 | Art. 26 lid 1 en 2 | Art. 3, art. 124 lid 1 | Niet verstrekken van gegevens over oppervlakte, gewasteelt en ligging van percelen op de verzamelaanvraag door de landbouwer | M100 | € 300 |
| | | | Niet tijdig verstrekken van gegevens over oppervlakte, gewasteelt en ligging van percelen op de verzamelaanvraag (opgave uiterlijk vóór 15 mei) door de landbouwer | M101 | € 100 |
| | | | Niet volledig verstrekken van gegevens over oppervlakte, gewasteelt en ligging van percelen op verzamelaanvraag door de landbouwer | M102 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid verstrekken van gegevens over oppervlakte, gewasteelt en ligging van percelen op de verzamelaanvraag door de landbouwer | M103 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 26 lid 2 | Art. 41 | Niet melden van een wijziging in de oppervlakte grond in de periode van 16 mei t/m 31 oktober door de landbouwer | M104 | € 300 |
| | | | Niet binnen 30 dagen melden van een wijziging in de oppervlakte grond door de landbouwer | M105 | € 100 |
| | | | Niet volledig melden van een wijziging in de oppervlakte grond door de landbouwer | M106 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid melden van een wijziging in de oppervlakte grond door de landbouwer | M107 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 31 lid 1 en lid 2 onderdeel a t/m f, art. 36 onderdeel a | Art. 37 lid 1 t/m 4, art. 124 lid 1 | Niet aanmelden van een bedrijf ter registratie door de landbouwer | M108 | € 300 |
| | | | Niet binnen 30 dagen aanmelden van een bestaand of nieuw bedrijf ter registratie door de landbouwer, dan wel niet binnen 30 dagen doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M109 | € 100 |
| | | | Niet volledig aanmelden van een bedrijf ter registratie door de landbouwer, dan wel niet volledig doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M110 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid aanmelden van een bedrijf ter registratie door de landbouwer, dan wel het niet of niet naar waarheid doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M111 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 32 lid 1 en 2, art. 33, art. 34, art. 36 onderdeel b en c | Art. 37a, 38, 39 | Niet bijhouden van een inzichtelijke administratie per bedrijf door de landbouwer (incl. wijzigingen in de administratie) of niet in Nederland ter controle beschikbaar stellen | M116 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 34 lid 1, art. 36 onderdeel b, art. 69 | Art. 40, art. 124 lid 1 | Niet tijdig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de landbouwer (incl. wijzigingen in de administratie) | M117 | € 100 |
| | | | Niet volledig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de landbouwer (incl. wijzigingen in de administratie) | M118 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid bijhouden van een inzichtelijke administratie door de landbouwer (incl. wijzigingen in de administratie) | M119 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 35 lid 1 en 2, art. 36 onderdeel d | Art. 42, art. 124 lid 1 | Niet verstrekken van de gevraagde gegevens door de landbouwer | M120 | € 300 |
| | | | Niet verstrekken van de gevraagde gegevens vóór de gestelde uiterlijke inzenddatum of binnen de daartoe gestelde termijn door de landbouwer | M121 | € 100 |
| | | | Niet volledig verstrekken van de gevraagde gegevens door de landbouwer | M122 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid verstrekken van de gevraagde gegevens door de landbouwer | M123 | € 300 |
| | | | | | |
| Administratieve verplichtingen intermediairs | Administratieve verplichtingen intermediairs | Administratieve verplichtingen intermediairs | Administratieve verplichtingen intermediairs | Administratieve verplichtingen intermediairs | Administratieve verplichtingen intermediairs |
| | | | | | |
| Art. 33b lid 5 | Art. 34 | Art. 72f | Niet tijdig melden van gegevens inzake de mestverwerkingsovereenkomst | M146 | € 100 |
| | | | Niet volledig melden van gegevens inzake de mestverwerkingsovereenkomst | M147 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid melden van gegevens inzake de mestverwerkingsovereenkomst | M148 | € 300 |
| | | | Niet melden van gegevens inzake de mestverwerkingsovereenkomst | M149 | € 300 |
| Art. 34 en 35 | Art. 38 lid 1 en lid 2 onderdeel a t/m i, art. 41 onderdeel a | Art. 45 lid 1 t/m 6, art. 124 lid 1 | Niet aanmelden van een intermediaire onderneming ter registratie door de intermediair | M150 | € 300 |
| | | | Niet binnen 30 dagen aanmelden van een na 1 januari 2006 opgerichte intermediaire onderneming ter registratie door de intermediair, dan wel niet binnen 30 dagen doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M151 | € 100 |
| | | | Niet volledig aanmelden van een intermediaire onderneming ter registratie door de intermediair, dan wel niet volledig doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M152 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid aanmelden van een intermediaire onderneming ter registratie door de intermediair, dan wel het niet of niet naar waarheid doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M153 | € 300 |
| | Art. 39, art. 41 onderdeel b en c, art. 34 lid 1 | Art. 2, art. 45a, 46, art. 47. art. 94 lid 3, art. 95 lid 3, art. 124 lid 1 | Niet bijhouden van een inzichtelijke administratie per onderneming door de intermediair, waaronder een administratie (H1-staat, formulier Dienst Regelingen) voor de hoeveelheden meststoffen die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en uit die opslagruimte zijn afgevoerd (incl. wijzigingen in de administratie) of niet in Nederland ter controle beschikbaar stellen | M158 | € 300 |
| | | | Niet tijdig bijhouden van een inzichtelijke administratie per onderneming door de intermediair, waaronder een administratie (H1-staat, formulier Dienst Regelingen) voor de hoeveelheden meststoffen die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en uit die opslagruimte zijn afgevoerd (incl. wijzigingen in de administratie) | M159 | € 100 |
| | | | Niet volledig bijhouden van een inzichtelijke administratie per onderneming door de intermediair, waaronder een administratie (H1-staat, formulier Dienst Regelingen) voor de hoeveelheden meststoffen die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en uit die opslagruimte zijn afgevoerd (incl. wijzigingen in de administratie) | M160 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid bijhouden van een inzichtelijke administratie per onderneming door de intermediair, waaronder een administratie (H1-staat, formulier Dienst Regelingen) voor de hoeveelheden meststoffen die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en uit die opslagruimte zijn afgevoerd (incl. wijzigingen in de administratie) | M161 | € 300 |
| | Art. 40, art. 41 onderdeel d | Art. 48, art. 48a, art. 124 lid 1 | Niet verstrekken van de gevraagde gegevens door de intermediair | M162 | € 300 |
| | | | Niet verstrekken van de gevraagde gegevens vóór de gestelde uiterlijke inzenddatum of binnen de daartoe gestelde termijn door de intermediair | M163 | € 100 |
| | | | Niet volledig verstrekken van de gevraagde gegevens door de intermediair | M164 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid verstrekken van de gevraagde gegevens door de intermediair | M165 | € 300 |
| | art. 41 onderdeel f | Art. 49 lid 1, art. 124 lid 1 en 2 | Niet aanbrengen of aanbrengen van onjuist registratienummer per opslagruimte voor meststoffen door de intermediair | M166 | € 300 |
| | | | Niet op juiste of deugdelijke wijze aanbrengen van het registratienummer per opslagruimte voor meststoffen door de intermediair | M168 | € 200 |
| | | Art. 49 lid 2, art. 124 lid 2 | Niet aanduiden van opslagruimten voor meststoffen d.m.v. de registratienummers in de administratie van de intermediair en bij gegevensverstrekking door de intermediair | M169 | € 300 |
| | | | | | |
| Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven | Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven | Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven | Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven | Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven | Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven |
| | | | | | |
| Art. 34, 35 en 37 | Art. 43 lid 1 en lid 2 en 3 onderdelen a t/m e, art. 46 onderdeel a | Art. 50 lid 1 t/m 4 | Niet aanmelden ter registratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of runderen, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden geproduceerd, verhandeld of anderszins bewerkt of verwerkt | M200 | € 300 |
| | | | Niet binnen 30 dagen aanmelden ter registratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of runderen, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, dan wel niet binnen 30 dagen doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M201 | € 100 |
| | | | Niet volledig aanmelden ter registratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of runderen, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, dan wel niet volledig doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M202 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid aanmelden ter registratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of runderen, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, dan wel het niet of niet naar waarheid doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M203 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 44 lid 1, 2, 6, 7, art. 46 onderdeel b en c, art. 34, | Art. 50a, 51, art. 124 lid 1 | Niet bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, runderen of in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt (incl. wijzigingen in de administratie) of niet in Nederland ter controle beschikbaar stellen | M208 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 44 lid 2 | | Niet tijdig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, runderen of in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt (incl. wijzigingen in de administratie) | M209 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art. 44 lid 2 | | Niet volledig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, runderen of in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt (incl. wijzigingen in de administratie) | M210 | € 200 |
| | | | | | |
| | Art. 44 lid 2 | | Niet naar waarheid bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, runderen of in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt (incl. wijzigingen in de administratie) | M211 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 44 lid 3 t/m 7, art. 46 onderdeel b en c, art. 34 | | Niet bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld of in het kader waarvan staldieren aan bedrijven worden afgeleverd, dan wel staldieren of eieren van bedrijven worden afgenomen (incl. wijzigingen in de administratie) | M212 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 51, art. 124 lid 1 | Niet tijdig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld of in het kader waarvan staldieren aan bedrijven worden afgeleverd, dan wel staldieren of eieren van bedrijven worden afgenomen (incl. wijzigingen in de administratie) | M213 | € 100 |
| | | | Niet volledig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld of in het kader waarvan staldieren aan bedrijven worden afgeleverd, dan wel staldieren of eieren van bedrijven worden afgenomen (incl. wijzigingen in de administratie) | M214 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld of in het kader waarvan staldieren aan bedrijven worden afgeleverd, dan wel staldieren of eieren van bedrijven worden afgenomen (incl. wijzigingen in de administratie) | M215 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 45 lid 1 en 5, art. 46 onderdeel d | Art. 52, art. 124 lid 1 | Niet verstrekken van de jaarlijkse gegevens door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt | M216 | € 300 |
| | | | Niet verstrekken van de jaarlijkse gegevens vóór de gestelde uiterlijke inzenddatum of binnen de daartoe gestelde termijn door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt | M217 | € 100 |
| | | | Niet volledig verstrekken van de jaarlijkse gegevens door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt | M218 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid verstrekken van de jaarlijkse gegevens door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt | M219 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 45 lid 2 | | Niet verstrekken aan een landbouwer van een begeleidend document door de buitenlandse ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, met vermelding van het gewicht en de samenstelling van de diervoeders | M220 | € 300 |
| | | | Niet tijdig verstrekken aan een landbouwer van een begeleidend document door de buitenlandse ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren | M221 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 124 lid 1 | Verstrekken aan een landbouwer van een niet volledig begeleidend document door de buitenlandse ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren | M222 | € 200 |
| | | | Verstrekken aan een landbouwer van een niet naar waarheid opgemaakt begeleidend document door de buitenlandse ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren | M223 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 45 lid 3 | | Niet aanwezig zijn van het begeleidend document tijdens het vervoer van diervoeders door een buitenlandse ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren | M224 | € 300 |
| | | | | | |
| Vervoer van dierlijke meststoffen | Vervoer van dierlijke meststoffen | Vervoer van dierlijke meststoffen | Vervoer van dierlijke meststoffen | Vervoer van dierlijke meststoffen | Vervoer van dierlijke meststoffen |
| | | | | | |
| Art. 15 en 34 | Art. 48 | | Vervoer van dierlijke meststoffen door een niet-geregistreerde of geschorste intermediair | M250 | € 300 |
| | art. 48a | | Laten aanvoeren van dierlijke meststoffen bij een intermediaire onderneming zonder dat deze is geregistreerd of het laten aanvoeren van dierlijke meststoffen bij een intermediaire onderneming terwijl deze is geschorst | M249 | € 300 |
| | Art. 49 lid 1, art. 52, art. 70 lid 4 onderdeel b | Art. 78 lid 1, art. 53 lid 2 | Transportmiddel voor drijfmest niet uitgerust met op naam van de intermediair geregistreerde automatische bemonsteringsapparatuur die onlosmakelijk is bevestigd op het transportmiddel, die voldoet aan de prestatiekenmerken en behoort tot een door ASG goedgekeurd type | M251 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 79 lid 1, art. 53, lid 2 | Transportmiddel voor drijfmest niet uitgerust met op naam van de intermediair geregistreerde automatische verpakkingsapparatuur die onlosmakelijk is bevestigd op het transportmiddel, die voldoet aan de prestatiekenmerken en behoort tot een door ASG goedgekeurd type | M253 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 49 lid 2, art. 52 lid 1 onderdeel c | Art. 53 lid 1 | Transportmiddel niet uitgerust met op naam van de intermediair geregistreerde apparatuur voor automatische gegevensregistratie die voldoet aan de prestatiekenmerken en behoort tot een door ASG goedgekeurd type | M255 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 49 lid 3 | | Transportmiddel niet uitgerust met satellietvolgapparatuur | M258 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 49 lid 4 | Art. 55 en 56 | Niet of niet op juiste wijze vastleggen van vervoersgegevens met behulp van apparatuur voor automatische gegevensregistratie of satellietvolgapparatuur door de vervoerder | M259 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 50 lid 1 | | Niet aanwezig zijn van een vervoersbewijs tijdens het vervoer van dierlijke meststoffen | M260 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 52 | Art. 53 lid 2 | Apparatuur voor automatische gegevensregistratie of satellietvolgapparatuur niet elektronisch verbonden aan de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur bij het vervoer van drijfmest | M262 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 53, lid 3, onderdeel a | AGR-apparatuur is niet onlosmakelijk verbonden aan het chassis van het transportmiddel en/of aan het chassis van de aanhangwagen | M263 | € 300 |
| | | Artikel 53 lid 3 onderdeel b | satellietvolgapparatuur is niet elektronisch verbonden aan de AGR-apparatuur | M265 | € 300 |
| | | Art. 53 lid 4 | Sensordeel AGR-apparatuur niet onlosmakelijk verbonden met vaste as van het chassis van het transportmiddel en/of de aanhangwagen | M266 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 54 lid 1 | Apparatuur genoemd in art. 53 UR functioneert niet op adequate wijze tijdens het vervoer van dierlijke meststoffen | M264 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 55, art. 122 lid 3 | Niet op voorgeschreven wijze vastleggen of elektronisch verzenden van AGR- en GPS-gegevens door de vervoerder bij het vervoer van drijfmest | M268 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 56, art. 122 lid 3 | Niet op voorgeschreven wijze vastleggen of elektronisch verzenden van AGR- en GPS-gegevens door de vervoerder bij het vervoer van vaste mest | M269 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 51 lid 2 en 3, art. 52 lid 1 onderdeel e | | Niet voldoen aan de opgelegde verplichting door de vervoerder om gedurende een bepaalde periode een voormelding te doen van het vervoer van dierlijke meststoffen | M276 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 58 lid 1 | Niet doen van de opgelegde voormelding door de vervoerder uiterlijk 24 uren voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt | M277 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 58 lid 2, art. 124 lid 1 | Niet volledig verstrekken van de gegevens inzake de voormelding door de vervoerder | M278 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid verstrekken van de gegevens inzake de voormelding door de vervoerder | M279 | € 300 |
| | | | | | |
| Vervoersbewijs dierlijke meststoffen | Vervoersbewijs dierlijke meststoffen | Vervoersbewijs dierlijke meststoffen | Vervoersbewijs dierlijke meststoffen | Vervoersbewijs dierlijke meststoffen | Vervoersbewijs dierlijke meststoffen |
| | | | | | |
| Art. 15 en 34 | Art. 53 lid 1 | | Niet opmaken van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M300 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 53 lid 2 en 3, art. 54 | Art. 61 en 62 | Niet tijdig opmaken van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M301 | € 100 |
| | | | Niet volledig opmaken van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder, de leverancier of de afnemer | M302 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid opmaken van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder, de leverancier of de afnemer | M303 | € 300 |
| | | | Niet ondertekenen van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M304 | € 200 |
| | | | | | |
| | Art. 53 lid 3 | Art. 60 lid 1 en 2 | Niet gebruikmaken door de leverancier, de vervoerder en de afnemer van het voorgeschreven model voor het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat door de minister is verstrekt en is voorzien van een uniek nummer | M306 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art. 53 lid 4 | | Wijzigen of onleesbaar maken van gegevens op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M305 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 60 lid 3 | Niet gebruikmaken door de leverancier, de vervoerder en de afnemer van een geprint exemplaar van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat elektronisch is aangemaakt en waarop het nummer van het begeleidende document is vermeld, indien de dierlijke meststoffen buiten Nederland worden gebracht. | M307 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art. 53 lid 6, art. 54 | | Indienen van het origineel van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen in plaats van de voorgeschreven elektronische indiening | M308 | € 50 |
| | | Art. 62a lid 2 en 3 | Niet invullen van gegevens op een vervoersbewijs dierlijke meststoffen of een bij het vervoersbewijs behorende bijlage door de leverancier, de vervoerder en de afnemer. | M316 | € 300 |
| | | Art. 62a lid 2 en 3 | Niet tijdig invullen van gegevens op een vervoersbewijs dierlijke meststoffen of een bij het vervoersbewijs behorende bijlage door de leverancier, de vervoerder en de afnemer. | M317 | € 100 |
| | | Art. 62a lid 2 en 3 | Niet volledig invullen van gegevens op een vervoersbewijs dierlijke meststoffen of een bij het vervoersbewijs behorende bijlage door de vervoerder | M318 | € 200 |
| | | Art. 62a lid 2 en 3 | Niet naar waarheid invullen van gegevens op een vervoersbewijs dierlijke meststoffen of een bij het vervoersbewijs behorende bijlage door de vervoerder | M319 | € 300 |
| | | Art. 64 lid 1 | Niet elektronisch indienen van de gegevens het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder uiterlijk 30 werkdagen na het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen | M309 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 64 lid 2, art. 124 lid 1 | Gegevens elektronisch indienen van een niet volledig vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder | M310 | € 200 |
| | | | Gegevens elektronisch indienen van een onjuist vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder | M311 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 54 | Art. 63 | Niet verstrekken van een afschrift van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen aan de leverancier en de afnemer door de vervoerder na aflevering van de dierlijke meststoffen | M312 | € 300 |
| | | | Niet verstrekken van een afschrift van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen aan de leverancier en de afnemer door de vervoerder uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht of vrachten dierlijke meststoffen | M313 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art. 54 | Art. 64 lid 3 en 4 | Niet indienen van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens door de vervoerder na aflevering van de dierlijke meststoffen die niet zijn bemonsterd en geanalyseerd | M314 | € 300 |
| | | | Niet indienen van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens door de vervoerder uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen die niet zijn bemonsterd en geanalyseerd | M315 | € 100 |
| | | | | | |
| Vervoer van zuiveringsslib en compost | Vervoer van zuiveringsslib en compost | Vervoer van zuiveringsslib en compost | Vervoer van zuiveringsslib en compost | Vervoer van zuiveringsslib en compost | Vervoer van zuiveringsslib en compost |
| | | | | | |
| Art. 34 | Art. 50 lid 2 | | Niet aanwezig zijn van een vervoersbewijs tijdens het vervoer van zuiveringsslib, compost, mengsels van zuiveringsslib en compost, of krachtens art. 55, eerste lid, aangewezen overige organische meststoffen | M350 | € 300 |
| | | | | | |
| Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost | Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost | Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost | Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost | Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost | Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost |
| | | | | | |
| Art. 34 | Art. 55 lid 1 | | Niet opmaken van een vervoersbewijs zuiveringsslib en compost door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M400 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 55 lid 2, art. 56 | Art. 69 | Niet tijdig opmaken van een vervoersbewijs zuiveringsslib en compost door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M401 | € 100 |
| | | | Niet volledig opmaken of niet ondertekenen van een vervoersbewijs zuiveringsslib en compost door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M402 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid opmaken van een vervoersbewijs zuiveringsslib en compost door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M403 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 55 lid 3 | Art. 68 | Niet gebruikmaken van het voorgeschreven model voor het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost dat wordt verstrekt door de minister en is voorzien van een uniek nummer | M405 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art. 55 lid 4 | | Wijzigen of onleesbaar maken van gegevens op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost door de leverancier, de vervoerder of de afnemer | M406 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 56 | Art. 69a lid 1 | Niet verstrekken van een afschrift van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost aan de leverancier en de afnemer door de vervoerder uiterlijk 10 werkdagen na vervoer van de vracht zuiveringsslib en compost | M410 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 55 lid 5, art. 56 onderdeel d | Art. 69a lid 2 | Niet indienen van de op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevulde gegevens door de vervoerder na het vervoer van zuiveringsslib of compost | M407 | € 300 |
| | | | Niet indienen van de op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevulde gegevens door de vervoerder uiterlijk 10 werkdagen na het vervoer van zuiveringsslib of compost | M408 | € 100 |
| | | | | | |
| Grensoverschrijdende overbrenging | Grensoverschrijdende overbrenging | Grensoverschrijdende overbrenging | Grensoverschrijdende overbrenging | Grensoverschrijdende overbrenging | Grensoverschrijdende overbrenging |
| | | | | | |
| | | Art. 57 lid 1 | Niet doen van mededeling door vervoerder van voornemen om dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels te exporteren of importeren | M483 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 57 lid 2, art. 124 lid 1 | Niet volledig of niet naar waarheid verstrekken door vervoerder van gegevens inzake de mededeling door de vervoerder | M484 | € 200 |
| | | | | | |
| | | Art. 57a lid 1 Art. 57b lid 1 | Niet doen van mededeling door vervoerder van het daadwerkelijk exporteren of importeren van dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels | M485 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 57a lid 2, Art. 57b lid 2 art. 124 lid 1 | Niet volledig of niet naar waarheid verstrekken van gegevens door vervoerder inzake de mededeling van de daadwerkelijke export of import | M486 | € 200 |
| | | | | | |
| | | Art. 57a lid 1 Art. 57b lid 1 | Niet tijdig (ten minste 12 uur respectievelijk 3 werkdagen van tevoren) doen van mededeling door vervoerder van de daadwerkelijke export of import | M487 | € 300 |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | Art. 57b lid 5 | Niet of niet onverwijld intrekken van de mededeling door vervoerder bij het niet plaatsvinden van de gemelde export of import | M491 | € 200 |
| | | | | | |
| Hoeveelheidsbepaling | Hoeveelheidsbepaling | Hoeveelheidsbepaling | Hoeveelheidsbepaling | Hoeveelheidsbepaling | Hoeveelheidsbepaling |
| | | | | | |
| Art. 35 t/m 37 | Art. 66 t/m 70 | Art. 76 lid 1 | Niet of niet op juiste wijze wegen van een vracht dierlijke meststoffen door de vervoerder | M500 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 76 lid 2 | Niet op juiste wijze bepalen van het gewicht van een vracht dierlijke meststoffen door de vervoerder op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de dierlijke meststoffen, indien sprake is van een situatie genoemd in art. 84 t/m 91a UR | M501 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 77 lid 1 | Niet of niet op juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen, niet zijnde mineralenconcentraat, d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium | M502 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 78 | Niet of niet op juiste wijze bemonsteren van een vracht drijfmest tijdens het laden van het transportmiddel door de vervoerder | M505 | € 300 |
| | | Art. 78a, lid 1 en art. 78h | Niet of niet op juiste wijze bemonsteren van een vracht vaste mest door de vervoerder | M507 | € 300 |
| | | Art. 78a, lid 2, art. 78b, lid 1, art. 78i, 78j en art. 78l | Niet of niet op de juiste wijze of niet tijdig laten bemonsteren van een vracht of partij vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door de monsternemende organisatie | M580 | € 300 |
| | | Art. 78a, lid 3 | Niet bemonsteren tijdens het laden van een vracht vaste mest door de vervoerder, indien deze vracht buiten Nederland wordt gebracht | M508 | € 300 |
| | | Art. 78a, lid 4 | Niet bemonsteren tijdens het lossen van een vracht vaste mest door de vervoerder, indien deze vracht binnen Nederland wordt gebracht | M509 | € 300 |
| | | Art. 78a, lid 3 | Niet laten bemonsteren tijdens het laden van een vracht vaste mest door de monsternemende organisatie, indien deze vracht buiten Nederland wordt gebracht | M581 | € 300 |
| | | Art. 78a, lid 4 | Niet laten bemonsteren tijdens het lossen van een vracht vaste mest door de monsternemende organisatie, indien deze vracht binnen Nederland wordt gebracht | M582 | € 300 |
| | | Art. 78n, lid 1 | Niet tijdig afvoeren van partij mest nadat bemonstering heeft plaatsgevonden | M583 | € 300 |
| | | Art. 78k, lid 1 | Niet doen van een melding door de leverancier van meststoffen van voornemen tot afvoer van partij vaste mest | M586 | € 300 |
| | | Art. 78k, lid 2 | Niet volledig of naar waarheid door de leverancier van meststoffen verstrekken van gegevens inzake de melding van voornemen tot afvoer van partij vaste mest | M587 | € 300 |
| | | Art. 78n, lid 2 | Niet of niet tijdig melden van een wijziging in de dag van afvoer door de leverancier van meststoffen | M588 | € 300 |
| | | Art. 78t | Niet bijhouden van een inzichtelijke administratie per partij vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door de leverancier van meststoffen | M124 | € 300 |
| | | Art. 78t | Niet volledig bijhouden van een inzichtelijke administratie per partij vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door de leverancier van meststoffen | M125 | € 200 |
| | | Art. 78t | Niet naar waarheid bijhouden van een inzichtelijke administratie per partij vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door de leverancier van meststoffen | M126 | € 300 |
| | | Art. 78u, lid 1 | Niet bijhouden van een inzichtelijke administratie per vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door de monsternemende organisatie | M589 | € 300 |
| | | Art. 78u, lid 1 | Niet volledig bijhouden van een inzichtelijke administratie per vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door de monsternemende organisatie | M590 | € 200 |
| | | Art. 78u, lid 1 | Niet naar waarheid bijhouden van een inzichtelijke administratie per vracht vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door de monsternemende organisatie | M591 | € 300 |
| | | Art. 78u, lid 2 | Niet bijhouden van een inzichtelijke administratie per partij vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door de monsternemende organisatie | M592 | € 300 |
| | | Art. 78u, lid 2 | Niet volledig bijhouden van een inzichtelijke administratie per partij vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door de monsternemende organisatie | M593 | € 200 |
| | | Art. 78u, lid 2 | Niet naar waarheid bijhouden van een inzichtelijke administratie per partij vaste mest, bestaande uit dikke fractie, door de monsternemende organisatie | M594 | € 300 |
| | | Art. 79, lid 2, art. 79, lid 3 | Niet of niet op de juiste wijze verpakken van een monster vaste mest in een voorgeschreven monsterverpakking | M511 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 80, lid 1 art. 80, lid 2 art. 80, lid 4 art. 80, lid 5 art. 81, lid 3 art. 124, lid 1 art. 125 | Niet toezenden door de vervoerder van het mestmonster ter analyse door een erkend of gelijkwaardig laboratorium | M512 | € 300 |
| | | | Niet uiterlijk 10 werkdagen na bemonstering toezenden van het mestmonster aan een geaccrediteerd of gelijkwaardig laboratorium door de vervoerder, dan wel niet uiterlijk binnen 7 werkdagen na bemonstering toezenden van het mestmonster aan een geaccrediteerd of gelijkwaardig laboratorium door de monsternemende organisatie | M513 | € 100 |
| | | | Niet meesturen van de juiste gegevens van de betrokken leverancier en afnemer en het nummer van het vervoersbewijs bij het toezenden van het mestmonster aan een erkend of gelijkwaardig laboratorium door de vervoerder | M514 | € 300 |
| | | | Niet meesturen van de volledige gegevens van de betrokken leverancier en afnemer en van het vervoersbewijs bij het toezenden van het mestmonster aan een erkend of gelijkwaardig laboratorium door de vervoerder | M515 | € 200 |
| | | | Niet meesturen van de juiste gegevens van de betrokken leverancier van meststoffen en het vervoersbewijs dierlijke meststoffen bij het toezenden van het mestmonster aan een erkend of gelijkwaardig laboratorium door de monsternemende organisatie | M595 | € 300 |
| | | | Niet meesturen van de volledige gegevens van de betrokken leverancier van meststoffen en het vervoersbewijs dierlijke meststoffen bij het toezenden van het mestmonster aan een erkend of gelijkwaardig laboratorium door de monsternemende organisatie | M596 | € 200 |
| | | | Niet meesturen van de juiste gegevens van de betrokken leverancier van meststoffen, van het nummer van de melding, bedoeld in artikel 78k, en van het unieke monsternummer, bedoeld in artikel 78r bij het toezenden van het mestmonster aan een erkend of gelijkwaardig laboratorium door de monsternemende organisatie | M597 | € 300 |
| | | | Niet meesturen van de volledige gegevens van de betrokken leverancier van meststoffen, van het nummer van de melding, bedoeld in artikel 78k, en van het unieke monsternummer, bedoeld in artikel 78r bij het toezenden van het mestmonster aan een erkend of gelijkwaardig laboratorium door de monsternemende organisatie | M598 | € 200 |
| | | | | | |
| | | art. 80, lid 3 art. 80, lid 6 | Niet in goede staat bewaren van mestmonsters door de vervoerder dan wel door de monsternemende organisatie | M517 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 81 lid 1 | Niet na ontvangst van het mestmonster analyseren van het monster door het laboratorium | M518 | € 300 |
| | | | | | |
| | | | Niet uiterlijk 5 werkdagen na ontvangst van het mestmonster analyseren van het monster door het laboratorium | M519 | € 100 |
| | | | Niet na analyse van het mestmonster toezenden van de analyseresultaten door het laboratorium aan de vervoerder, de leverancier, de afnemer en elektronisch aan de minister | M520 | € 300 |
| | | | Niet uiterlijk 5 werkdagen na analyse van het mestmonster toezenden van de analyseresultaten door het laboratorium aan de vervoerder, de leverancier, de afnemer en elektronisch aan de minister | M521 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 81 lid 2 | Niet rapporteren van beschadigingen m.b.t. de monsterverpakking door het laboratorium aan de NVWA | M522 | € 300 |
| | | | Niet opvolgen van de door de NVWA verstrekte aanwijzingen door het laboratorium | M523 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 81, lid 3, art. 125 | Niet voldoen door het laboratorium aan de in het accreditatieprogramma AP05 gestelde eisen | M524 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 82 | Niet op juiste wijze bepalen van het gewicht van drijfmest die met behulp van een pijpleiding is vervoerd door de afnemer | M525 | € 300 |
| | | | Niet op juiste wijze uitvoeren van de bemonstering en verpakking van monsters drijfmest die met behulp van een pijpleiding is vervoerd door de afnemer | M526 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 83 | Niet of niet op juiste wijze bepalen van het gewicht en het stikstof- en fosfaatgehalte van een vracht mestkorrels op basis van de verpakking of het begeleidend document | M527 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 84, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan boer-boer-transport van dierlijke meststoffen worden nageleefd | M528 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 85, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen naar tijdelijk uit gebruik gegeven percelen worden nageleefd (Vogelaar-variant) | M529 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 86, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen naar een afnemer, die geen bedrijf of onderneming voert, worden nageleefd | M530 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 87, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen naar grenspercelen in Duitsland en België worden nageleefd | M531 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 88, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de aan- en afvoer van konijnengier worden nageleefd | M532 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 89, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden worden nageleefd die zijn gesteld aan de afvoer van paardenmest bestemd voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of voor de productie van een grondstof voor de productie van dat substraat | M533 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 89a, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony’s van een bedrijf in de gemeente Vlieland naar een ander bedrijf in de gemeente Vlieland worden nageleefd. | M548 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 90, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen door een klein bedrijf naar een ander bedrijf worden nageleefd | M534 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 91, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen naar natuurterrein of overige grond worden nageleefd | M535 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 91a art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde vaste meststoffen die ten hoogste 10% vaste dierlijke meststoffen of 10% champost bevat d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer worden nageleefd | M 559 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 91b | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen middels gesplitst vervoer worden nageleefd | M 561 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92 lid 1 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door de vervoerder van het gewicht van de aan- en afgevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost d.m.v. weging | M536 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92 lid 2 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf of de onderneming van het stikstof- en fosfaatgehalte van de aan- en afgevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost overeenkomstig de artikelen 92a en 92b op basis van gewichtsprocenten in de droge stof. | M537 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92a lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze bepalen door het bedrijf of de onderneming van het stikstof- en fosfaatgehalte of het droge stofgehalte in zuiveringsslib of compost d.m.v. analyse van een monster | M562 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92a lid 2 | Niet of niet op de juiste wijzebemonsteren van zuiveringsslib of compost door de producent | M563 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92a lid 4 | Niet of niet op de juiste wijze verpakken van een monster zuiveringsslib of compost in een voorgeschreven monsterverpakking door de producent | M564 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92a lid 5 | Niet toezenden van het monster aan of niet laten analyseren van het monster door een geaccrediteerd laboratorium door de producent | M565 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92b lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze na ontvangst van het monster analyseren van het monster door het laboratorium | M566 | € 300 |
| | | | Niet uiterlijk 5 werkdagen na ontvangst van het monster analyseren van het monster door het laboratorium | M567 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 92b lid 2 | Niet of niet op de juiste wijze berekenen van het stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte indien het monster betrekking heeft op een hoeveelheid die door middel van een continu proces geproduceerd wordt | M569 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92b lid 3 | Niet of niet op de juiste wijze voorzien van een analysenummer van de analyseresultaten door het laboratorium | M568 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92b lid 4 en lid 5 | Niet na analyse van het monster toezenden van de analyseresultaten dan wel de overeenkomstig het tweede lid berekende gemiddelde gehalten door het laboratorium aan de producent en elektronisch aan de minister | M570 | € 300 |
| | | | Niet binnen 10 werkdagen na analyse dan wel 10 werkdagen na afloop van de kalendermaand toezenden van de analyseresultaten door het laboratorium aan de producent en elektronisch aan de minister | M571 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 92b lid 6 | Niet of niet lang genoeg bewaren van de monsters na verzending van de analyseresultaten | M572 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 93 lid 1 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf of de onderneming van het gewicht van de aan- en afgevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost d.m.v. weging | M538 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 93 lid 2 | Niet of niet op juiste wijze d.m.v. bemonstering en analyse laten bepalen door het bedrijf of de onderneming van het stikstof- en fosfaatgehalte van de aan- en afgevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost | M539 | € 300 |
| | | Art. 94 lid 1, art. 94 lid 4 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf van het gewicht van de voorraad dierlijke meststoffen op basis van het gemeten volume en soortelijk gewicht | M540 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 94 lid 2, art. 94 lid 4 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf van het stikstof- en fosfaatgehalte van de voorraad dierlijke meststoffen | M541 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 95 lid 1 en 5 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf van het gewicht van de voorraad zuiveringsslib of compost op basis van het gemeten volume en het soortelijk gewicht | M542 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 95 lid 2 en 5 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf van het stikstof- en fosfaatgehalte van de voorraad zuiveringsslib of compost op basis van de best beschikbare gegevens | M543 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 95 lid 4 en 5 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf of de onderneming van het gewicht van de in bulk opgeslagen andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost op basis van het gemeten volume en soortelijk gewicht | M544 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 2, art. 97 lid 1, art. 100 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door de leverancier van de diervoeders van het gewicht en het stikstof- en fosfaatgehalte van diervoeders afgeleverd aan een bedrijf met staldieren | M545 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 2, art. 97 lid 2, art. 101 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door de leverancier van het ruwvoer en enkelvoudig diervoeder van de hoeveelheden ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, zowel in gewicht of volume als in kilogrammen stikstof en fosfaat | M546 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 98 lid 1 en 2 | Niet of niet op juiste wijze vaststellen van het stikstof- en fosfaatgehalte in diervoeders | M547 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 98 lid 3 en 4, art. 125 | Analyse van het diervoedermonster op het stikstof- en fosfaatgehalte niet uitgevoerd door een geaccrediteerd of gelijkwaardig laboratorium, volgens de voorgeschreven of een gelijkwaardige onderzoeksmethode | M549 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 98 lid 3 en 4 | Niet binnen één week na ontvangst van het diervoedermonster analyseren van het diervoeder op het stikstof- en fosfaatgehalte volgens de voorgeschreven of een gelijkwaardige onderzoeksmethode | M551 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 98 lid 6 | Niet verzenden van de (juiste) analyseresultaten van het diervoedermonster door het laboratorium naar de leverancier van het diervoeder | M552 | € 300 |
| | | | Niet binnen één week na ontvangst van het diervoedermonster verzenden van de analyseresultaten door het laboratorium naar de leverancier van het diervoeder | M553 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 98 lid 6, art. 124 lid 1 | Verzenden van niet volledige analyseresultaten van het diervoedermonster door het laboratorium naar de leverancier van het diervoeder | M554 | € 200 |
| | | | Verzenden van niet naar waarheid opgemaakte analyseresultaten van het diervoedermonster door het laboratorium naar de leverancier van het diervoeder | M555 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 99 | Niet vermelden of bekendmaken van gegevens van de afgeleverde diervoeders op het etiket of begeleidend document door de leverancier van de diervoeders | M556 | € 300 |
| | | | Niet volledig of niet naar waarheid vermelden van gegevens van de diervoeders op het etiket of begeleidend document door de leverancier van de diervoeders | M560 | € 300 |
| | | | | | |
| Overige bepalingen | Overige bepalingen | Overige bepalingen | Overige bepalingen | Overige bepalingen | Overige bepalingen |
| | | | | | |
| Art. 34 en 37 | | Art. 122 lid 1 | Niet op voorgeschreven wijze doorgeven van gegevens en wijzigingen in gegevens aan de minister d.m.v. indiening van het daartoe bestemde formulier | M600 | € 50 |
| | | | | | |
| | artikel 60, onderdeel b | Art. 122 lid 2 en 3 | Niet op voorgeschreven wijze elektronisch doorgeven van gegevens en wijzigingen in gegevens aan de minister d.m.v. het daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal | M601 | € 50 |
| | | | | | |
| | artikel 60, onderdeel b | Art. 122 lid 4 | Niet ondertekenen van de elektronische verzending d.m.v. een persoonlijke gebruikerscode door de vervoerder | M602 | € 50 |
| | | | | | |
| | | Art. 124 lid 2 | Niet onverwijld gegevens opnemen in de administratie nadat deze bekend zijn geworden door degene die gegevens in de administratie moet opnemen, voor zover geen andere termijn is gesteld | M603 | € 100 |
| | | | Niet onverwijld gegevens verstrekken uit de administratie nadat deze bekend zijn geworden door degene die gegevens uit de administratie moet verstrekken, voor zover geen andere termijn is gesteld | M604 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art 32, art. 34 lid 2, art. 39 lid 4, art. 44 lid 7 | Art. 124 lid 3 | Niet bewaren van documenten, gegevensdragers, administratie en bijbehorende bewijsstukken gedurende 5 jaren na afloop van het betreffende kalenderjaar | M605 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 32, 39 en 44 | Art. 124 lid 3 | Wijzigen van (oorspronkelijke) gegevens in de administratie | M606 | € 300 |
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
2019-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99020, 4, 99023 y 398 más
2018-06-06
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 1 y 395 más
2018-04-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 1, 84 y 2 más
2018-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 3 y 314 más
2017-11-10
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99020, 3, 3 y 400 más
2017-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 8, 17025, 17020 y 273 más
2017-08-31
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 89, 6, 7 y 3 más
2017-04-07
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 3 y 285 más
2017-02-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7, 6, 7431 y 4 más
2017-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 1, 3 y 328 más
2016-09-16
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7, 06, 17025 y 6 más
2016-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 15477 y 129 más
2015-07-03
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 12945, 12945 y 277 má
2015-05-28
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 13 y 312 más
2015-04-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 3, 4 y 214 más
2015-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 99023 y 270 más
2014-11-29
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7, 89, 6 y 4 más
2014-08-05
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7, 7, 89 y 11 más
2014-07-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 474 más
2014-06-27
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 318 más
2014-05-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 317 más
2014-02-25
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 317 más
2014-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 5315 y 629 más
2013-07-25
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 5315, 99020 y 311 más
2013-06-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 2, 103 y 6 más
2013-02-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 2, 103 y 6 más
2013-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 5315 y 307 más
2012-10-06
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 2, 103, 2 y 5 más
2012-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 2, 2, 103 y 13 más
2012-04-13
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 2, 103, 2 y 5 más
2012-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 5315 y 298 más
2011-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 295 más
2011-05-18
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 4, 6 y 6 más
2011-03-04
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 4, 4 y 15 más
2011-02-22
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 4, 4 y 15 más
2011-01-31
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 4, 4 y 24 más
2011-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 297 más
2010-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 6, 6, 6 y 11 más
2010-07-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 6, 6, 6 y 11 más
2010-03-06
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7433, 6, 6 y 149 más
2010-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 5315 y 577 más
2009-07-25
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99027, 6970, 2 y 7 más
2009-04-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 15477 y 270 más
2009-01-29
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99026, 99015, 5 y 6 más
2009-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 99026, 99026 y 96 más
2008-11-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 1 y 262 más
2008-07-13
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 99022, 5 y 4 más
2008-02-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 12945, 99023, 99023 y 259 má
2008-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 273 más
2007-07-22
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 103, 6, 6 y 2 más
2007-07-12
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 224 más
2007-02-09
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 6, 6, 102, 6
2007-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 213 más
2006-07-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 99020 y 212 más
2006-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 215 más
2005-12-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 2, 3 y 29 más
2005-12-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
original version
Tekst op deze datum