Wijzigingsgeschiedenis

Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 november 2005, nr. TRCJZ/2005/3295, houdende regels ter uitvoering van de Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling Meststoffenwet)

97 versions · 2026-03-19
2026-03-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 3, 103, 54 y 10 más
2026-02-11
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 3, 103, 54 y 10 más
2026-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 15477 y 231 más
2025-04-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 2, 99020 y 8 más
2025-03-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 2 y 19 más
2025-01-29
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 2 y 19 más
2025-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 17020 y 30 más
2024-12-21
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 2 y 19 más
2024-10-02
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 17020 y 30 más
2024-03-28
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 2, 99020 y 8 más
2024-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 15477 y 229 más
2023-11-02
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 12 más
2023-10-02
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 1, 3 y 27 más
2023-07-21
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 12 más
2023-07-15
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 123 más
2023-06-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 13 más
2023-05-13
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 13 más
2023-05-10
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99020, 5315, 2 y 247 más
2023-03-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 9 y 256 más
2023-02-15
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 9 y 256 más
2023-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 756 más
2022-11-17
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99025, 99026, 99027 y 10 más
2022-07-16
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99025, 99026, 99027 y 10 más
2022-07-15
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 2, 15477 y 249 más
2022-05-05
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 14, 99025, 89 y 9 más
2022-04-27
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 1 y 262 más
2022-04-16
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 99023, 7 y 21 más
2022-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 99023, 99023 y 33 más
2021-02-18
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 99027, 99029 y 222 má
2021-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 5, 5 y 17 más
2020-10-08
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 5, 5 y 7 más
2020-08-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 5, 5 y 7 más
2020-04-16
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 5, 5 y 7 más
2020-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 4, 99023 y 370 más
2019-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 8, 4 y 5 más
2019-07-23
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 8, 4 y 5 más
2019-04-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 8, 4 y 5 más
2019-03-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 8, 4 y 5 más
2019-02-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 17025, 17020 y 265 más
2019-01-31
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 3 y 400 más
2019-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99020, 4, 99023 y 398 más
2018-06-06
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 1 y 395 más
2018-04-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 1, 84 y 2 más
2018-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 3 y 314 más
2017-11-10
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99020, 3, 3 y 400 más
2017-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 8, 17025, 17020 y 273 más
2017-08-31
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 89, 6, 7 y 3 más
2017-04-07
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 3 y 285 más
2017-02-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7, 6, 7431 y 4 más
2017-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 1, 3 y 328 más
2016-09-16
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7, 06, 17025 y 6 más
2016-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 15477 y 129 más
2015-07-03
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 12945, 12945 y 277 má
2015-05-28
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 13 y 312 más
2015-04-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 3, 4 y 214 más
2015-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 99023 y 270 más
2014-11-29
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7, 89, 6 y 4 más
2014-08-05
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7, 7, 89 y 11 más
2014-07-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 474 más
2014-06-27
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 318 más
2014-05-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 317 más
2014-02-25
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 317 más
2014-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 5315 y 629 más
2013-07-25
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 5315, 99020 y 311 más
2013-06-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 2, 103 y 6 más
2013-02-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 2, 103 y 6 más
2013-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 5315 y 307 más
2012-10-06
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 2, 103, 2 y 5 más
2012-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 2, 2, 103 y 13 más
2012-04-13
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 2, 103, 2 y 5 más
2012-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 5315 y 298 más
2011-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 295 más
2011-05-18
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 4, 6 y 6 más
2011-03-04
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 4, 4 y 15 más
2011-02-22
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 4, 4 y 15 más
2011-01-31
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 4, 4 y 24 más
2011-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 297 más
2010-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 6, 6, 6 y 11 más
2010-07-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 6, 6, 6 y 11 más
2010-03-06
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7433, 6, 6 y 149 más
2010-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 5315 y 577 más
2009-07-25
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99027, 6970, 2 y 7 más
2009-04-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 15477 y 270 más
2009-01-29
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99026, 99015, 5 y 6 más
2009-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 99026, 99026 y 96 más
2008-11-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 1 y 262 más

Wijzigingen op 2008-11-19

@@ -36,17 +36,17 @@
##### Artikel 122
1. De in [artikel 26, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26) en de in de [artikelen 25, eerste, tweede en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [37, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [45, eerste, tweede en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [50, eerste, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [104, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=1&artikel=104&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [artikel 110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=3&artikel=110&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [artikel 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=114&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [artikel 115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=115&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [artikel 119, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=119&z=2008-07-13&g=2008-07-13), bedoelde meldingen, verklaringen, verstrekking van gegevens, kennisgevingen, aanmeldingen ter registratie en aanvragen tot ontheffing geschieden door indiening bij de Dienst Regelingen van het ingevulde en ondertekende daartoe bestemde formulier, dat door deze dienst wordt verstrekt.
1. De in [artikel 26, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26) en de in de [artikelen 25, eerste, tweede en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [37, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [45, eerste, tweede en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [50, eerste, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [104, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=1&artikel=104&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [artikel 110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=3&artikel=110&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [artikel 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=114&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [artikel 115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=115&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en [artikel 119, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=119&z=2008-11-19&g=2008-11-19), bedoelde meldingen, verklaringen, verstrekking van gegevens, kennisgevingen, aanmeldingen ter registratie en aanvragen tot ontheffing geschieden door indiening bij de Dienst Regelingen van het ingevulde en ondertekende daartoe bestemde formulier, dat door deze dienst wordt verstrekt.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde handelingen op elektronische wijze geschieden, wordt gebruik gemaakt van het door de Dienst Regelingen daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal.
3. De in de [artikelen 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=56&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2008-07-13&g=2008-07-13), en [92b, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2008-07-13&g=2008-07-13), bedoelde elektronische verzending van gegevens, de in de [artikelen 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57a&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=58&z=2008-07-13&g=2008-07-13) bedoelde elektronische mededelingen en verstrekkingen van gegevens en de in [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=64&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [69a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69a&z=2008-07-13&g=2008-07-13), bedoelde elektronische indiening van gegevens geschieden met gebruikmaking van het door de Dienst Regelingen daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal.
4. De elektronische verzending wordt door de vervoerder ondertekend door middel van een persoonlijke gebruikerscode, die overeenkomstig [artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=123&z=2008-07-13&g=2008-07-13) door de minister op naam van de desbetreffende vervoerder is geregistreerd.
3. De in de [artikelen 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=56&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2008-11-19&g=2008-11-19), en [92b, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2008-11-19&g=2008-11-19), bedoelde elektronische verzending van gegevens, de in de [artikelen 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57a&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=58&z=2008-11-19&g=2008-11-19) bedoelde elektronische mededelingen en verstrekkingen van gegevens en de in [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=64&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en [69a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69a&z=2008-11-19&g=2008-11-19), bedoelde elektronische indiening van gegevens geschieden met gebruikmaking van het door de Dienst Regelingen daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal.
4. De elektronische verzending wordt door de vervoerder ondertekend door middel van een persoonlijke gebruikerscode, die overeenkomstig [artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=123&z=2008-11-19&g=2008-11-19) door de minister op naam van de desbetreffende vervoerder is geregistreerd.
##### Artikel 123
1. De aanvraag tot registratie van een persoonlijke gebruikerscode als bedoeld in [artikel 122, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=122&z=2008-07-13&g=2008-07-13), geschiedt bij de Dienst Regelingen.
1. De aanvraag tot registratie van een persoonlijke gebruikerscode als bedoeld in [artikel 122, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=122&z=2008-11-19&g=2008-11-19), geschiedt bij de Dienst Regelingen.
2. De Dienst Regelingen zendt de aanvrager een bevestiging van de registratie.
@@ -60,7 +60,7 @@
##### Artikel 125
Met een laboratorium als bedoeld in de [artikelen 17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=18&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=19&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=20&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=22&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [81, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [92a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2008-07-13&g=2008-07-13), en [99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2008-07-13&g=2008-07-13), wordt gelijk gesteld een vergelijkbare instelling, gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel in een andere staat die partij is bij een daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, die een verklaring verstrekt op basis van onderzoekingen die voldoen aan een kwaliteitsborgingniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
Met een laboratorium als bedoeld in de [artikelen 17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=18&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=19&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=20&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=22&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [81, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [92a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2008-11-19&g=2008-11-19), en [99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2008-11-19&g=2008-11-19), wordt gelijk gesteld een vergelijkbare instelling, gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel in een andere staat die partij is bij een daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, die een verklaring verstrekt op basis van onderzoekingen die voldoen aan een kwaliteitsborgingniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
##### Artikel 126
@@ -74,15 +74,15 @@
##### Artikel 127
De voldoening aan de voorwaarden [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=35&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=44&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [92a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2008-07-13&g=2008-07-13), en [126, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=126&z=2008-07-13&g=2008-07-13), wordt desgevraagd ten genoegen van de minister gestaafd met bewijsstukken.
De voldoening aan de voorwaarden [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=4&artikel=35&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=44&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [92a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2008-11-19&g=2008-11-19), en [126, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=126&z=2008-11-19&g=2008-11-19), wordt desgevraagd ten genoegen van de minister gestaafd met bewijsstukken.
##### Artikel 128
1. Ter uitvoering van:
- a. de[artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) en[45, eerste en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=45) en de [artikelen 50, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2008-07-13&g=2008-07-13), en [74, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor zover deze artikelen betrekking hebben op ondernemers in het kader van wier onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt, en
- b. [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-07-13&g=2008-07-13),
- a. de[artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) en[45, eerste en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=45) en de [artikelen 50, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2008-11-19&g=2008-11-19), en [74, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor zover deze artikelen betrekking hebben op ondernemers in het kader van wier onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt, en
- b. [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-11-19&g=2008-11-19),
wordt medewerking gevorderd van het bestuur van het Productschap Zuivel.
@@ -90,7 +90,7 @@
- a. het registreren van de in het eerste lid bedoelde ondernemers en het ten behoeve van deze registratie inwinnen van de in de [artikelen 43 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) bedoelde gegevens; en
- b. het vaststellen van de totale hoeveelheid in een kalenderjaar op een bedrijf geproduceerde koemelk, bedoeld in de [artikelen 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-07-13&g=2008-07-13), en [74, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2008-07-13&g=2008-07-13), en het gemiddelde ureumgehalte van deze hoeveelheid koemelk en het ten behoeve van deze vaststelling inwinnen van de noodzakelijke gegevens.
- b. het vaststellen van de totale hoeveelheid in een kalenderjaar op een bedrijf geproduceerde koemelk, bedoeld in de [artikelen 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-11-19&g=2008-11-19), en [74, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2008-11-19&g=2008-11-19), en het gemiddelde ureumgehalte van deze hoeveelheid koemelk en het ten behoeve van deze vaststelling inwinnen van de noodzakelijke gegevens.
3. De in het eerste lid bedoelde medewerking bestaat voorts uit het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden en het ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde ondernemers bij verordening stellen van nadere regels, inzake:
@@ -100,9 +100,9 @@
- c. de overige gegevens die de administratie, bedoeld in de [artikelen 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33) en [44 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), bevat;
- d. de gegevens die ingevolge [artikel 45, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=45) en [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-07-13&g=2008-07-13), verstrekt worden, de wijze waarop en de termijn waarbinnen deze gegevens verstrekt worden;
- e. de wijze waarop de op het bedrijf, bedoeld in [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-07-13&g=2008-07-13), geproduceerde hoeveelheid koemelk wordt bepaald;
- d. de gegevens die ingevolge [artikel 45, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=45) en [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-11-19&g=2008-11-19), verstrekt worden, de wijze waarop en de termijn waarbinnen deze gegevens verstrekt worden;
- e. de wijze waarop de op het bedrijf, bedoeld in [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-11-19&g=2008-11-19), geproduceerde hoeveelheid koemelk wordt bepaald;
- f. de wijze waarop de door de in het eerste lid bedoelde ondernemers van bedrijven afgenomen hoeveelheden koemelk in kilogrammen per bedrijf per kalenderjaar en het ureumgehalte van deze hoeveelheden worden bepaald; en
@@ -164,7 +164,7 @@
##### Artikel 133
Indien een hypotheekhouder een bedrijf voor 1 januari 2006 heeft aangemeld overeenkomstig [artikel 5 van de Regeling leges en blokkade Wet herstructurering varkenshouderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009801&artikel=5) of [artikel 3 van de Regeling leges en blokkade pluimveerechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012009&artikel=3), zoals deze artikelen luidden op 31 december 2005, wordt dit bedrijf in afwijking van [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=106&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor de toepassing van [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2008-07-13&g=2008-07-13), zonder voorafgaand verzoek daartoe geregistreerd bij de Dienst Regelingen.
Indien een hypotheekhouder een bedrijf voor 1 januari 2006 heeft aangemeld overeenkomstig [artikel 5 van de Regeling leges en blokkade Wet herstructurering varkenshouderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009801&artikel=5) of [artikel 3 van de Regeling leges en blokkade pluimveerechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012009&artikel=3), zoals deze artikelen luidden op 31 december 2005, wordt dit bedrijf in afwijking van [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=106&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor de toepassing van [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2008-11-19&g=2008-11-19), zonder voorafgaand verzoek daartoe geregistreerd bij de Dienst Regelingen.
##### Artikel 134
@@ -172,7 +172,7 @@
##### Artikel 135
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006, met uitzondering van [artikel 134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=134&z=2008-07-13&g=2008-07-13), dat in werking treedt met ingang van 1 december 2005.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006, met uitzondering van [artikel 134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=134&z=2008-11-19&g=2008-11-19), dat in werking treedt met ingang van 1 december 2005.
##### Artikel 136
@@ -252,7 +252,7 @@
- d. beschikking: beschikking nr. 2005/880/EG van de Europese Commissie van 8 december 2005 tot verlening van een door Nederland gevraagde derogatie op grond van [Richtlijn 91/676/EEG](31991L0676) van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEG L 324);
- e. gewasperceel: perceel of deel van een perceel met een minimale omvang van twee hectare waarop één en hetzelfde gewas als bedoeld in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2008-07-13&g=2008-07-13), wordt geteeld;
- e. gewasperceel: perceel of deel van een perceel met een minimale omvang van twee hectare waarop één en hetzelfde gewas als bedoeld in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2008-11-19&g=2008-11-19), wordt geteeld;
- f. Pw-getal: waarde voor de fosfaattoestand van bouwland uitgedrukt in milligrammen P2O5 per liter grond;
@@ -262,39 +262,41 @@
- i. minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
- j. vaste mest: dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn;
- k. automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur: apparatuur als bedoeld in [artikel 49, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2008-07-13&g=2008-07-13), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2008-07-13&g=2008-07-13);
- l. AGR-apparatuur: apparatuur voor automatische gegevensregistratie;
- m. vervoersbewijs dierlijke meststoffen: vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 53 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) in samenhang met [artikel 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=60&z=2008-07-13&g=2008-07-13);
- n. vervoersbewijs zuiveringsslib en compost: vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 55 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) in samenhang met [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2008-07-13&g=2008-07-13);
- o. mestkorrels: dierlijke meststoffen die door een overeenkomstig artikel 13 van [Verordening (EG) nr. 1774/2002](32002R1774) van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (PbEG L 273) erkende intermediaire onderneming zodanig zijn bewerkt dat het drogestofgehalte ervan tenminste 90 procent bedraagt;
- p. mengvoeder: mengvoeder als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Kaderwet diervoeders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015764&artikel=1);
- q. combinatienummer: nummer dat door de Dienst Regelingen ter identificatie van een transportmiddel voor drijfmest is verstrekt en dat is samengesteld uit de op grond van [artikel 45, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2008-07-13&g=2008-07-13), verstrekte gegevens;
- r. champost: product van paardenmest, pluimveemest of een mengsel daarvan waarop champignons zijn geteeld;
- s. kennisgeving van overgang: kennisgeving van overgang van een productierecht, of een gedeelte daarvan, als bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=27);
- t. vervreemder van een productierecht: landbouwer van wiens bedrijf een productierecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig is;
- u. verwerver van een productierecht: landbouwer naar wiens bedrijf een productierecht, of een gedeelte daarvan, moet overgaan; en
- v. hypotheekhouder: degene ten gunste van wie een recht van hypotheek is gevestigd op een registergoed behorende tot een bedrijf;
- w. diereenheid: één varkenseenheid of 14,8 pluimvee-eenheden.
2. Voor de toepassing van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&z=2008-07-13&g=2008-07-13) wordt onder graasdieren, perceel, zuiveringsslib en compost verstaan hetgeen daaronder in [artikel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=1) wordt verstaan.
- j. mineralenconcentraat: door middel van ultrafiltratie of gelijkwaardige industriële technieken, gevolgd door omgekeerde osmose uit dierlijke meststoffen als eindproduct vervaardigd concentraat;
- k. vaste mest: dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn;
- l. automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur: apparatuur als bedoeld in [artikel 49, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2008-11-19&g=2008-11-19), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2008-11-19&g=2008-11-19);
- m. AGR-apparatuur: apparatuur voor automatische gegevensregistratie;
- n. vervoersbewijs dierlijke meststoffen: vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 53 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) in samenhang met [artikel 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=60&z=2008-11-19&g=2008-11-19);
- o. vervoersbewijs zuiveringsslib en compost: vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 55 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) in samenhang met [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2008-11-19&g=2008-11-19);
- p. mestkorrels: dierlijke meststoffen die door een overeenkomstig artikel 13 van [Verordening (EG) nr. 1774/2002](32002R1774) van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (PbEG L 273) erkende intermediaire onderneming zodanig zijn bewerkt dat het drogestofgehalte ervan tenminste 90 procent bedraagt;
- q. mengvoeder: mengvoeder als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Kaderwet diervoeders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015764&artikel=1);
- r. combinatienummer: nummer dat door de Dienst Regelingen ter identificatie van een transportmiddel voor drijfmest is verstrekt en dat is samengesteld uit de op grond van [artikel 45, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2008-11-19&g=2008-11-19), verstrekte gegevens;
- s. champost: product van paardenmest, pluimveemest of een mengsel daarvan waarop champignons zijn geteeld;
- t. kennisgeving van overgang: kennisgeving van overgang van een productierecht, of een gedeelte daarvan, als bedoeld in [artikel 27, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=27);
- u. vervreemder van een productierecht: landbouwer van wiens bedrijf een productierecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig is;
- v. verwerver van een productierecht: landbouwer naar wiens bedrijf een productierecht, of een gedeelte daarvan, moet overgaan; en
- w. hypotheekhouder: degene ten gunste van wie een recht van hypotheek is gevestigd op een registergoed behorende tot een bedrijf;
- x. diereenheid: één varkenseenheid of 14,8 pluimvee-eenheden.
2. Voor de toepassing van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&z=2008-11-19&g=2008-11-19) wordt onder graasdieren, perceel, zuiveringsslib en compost verstaan hetgeen daaronder in [artikel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=1) wordt verstaan.
##### Artikel 2
Voor de toepassing van deze regeling, met uitzondering van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&z=2008-07-13&g=2008-07-13), worden de hoeveelheden meststoffen en de hoeveelheden diervoeders uitgedrukt in kilogrammen of liters alsmede in kilogrammen stikstof en kilogrammen fosfaat.
Voor de toepassing van deze regeling, met uitzondering van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&z=2008-11-19&g=2008-11-19), worden de hoeveelheden meststoffen en de hoeveelheden diervoeders uitgedrukt in kilogrammen of liters alsmede in kilogrammen stikstof en kilogrammen fosfaat.
##### Artikel 3
@@ -304,13 +306,13 @@
Voor zover zij voldoen aan de [artikelen 9 tot en met 15 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=9) zijn aangewezen:
- a. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de in [bijlage Aa, onder I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-07-13&g=2008-07-13), opgenomen stoffen;
- b. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de stoffen die behoren tot de in [bijlage Aa, onder II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-07-13&g=2008-07-13), opgenomen categorieën afvalstoffen of reststoffen;
- c. als afvalstoffen of reststoffen die bij de productie van de daarbij genoemde meststoffen kunnen worden gebruikt, de in [bijlage Aa, onder III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-07-13&g=2008-07-13), opgenomen stoffen; en
- d. als eindproducten die als meststof kunnen worden verhandeld, de in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-07-13&g=2008-07-13), opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés.
- a. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de in [bijlage Aa, onder I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-11-19&g=2008-11-19), opgenomen stoffen;
- b. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de stoffen die behoren tot de in [bijlage Aa, onder II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-11-19&g=2008-11-19), opgenomen categorieën afvalstoffen of reststoffen;
- c. als afvalstoffen of reststoffen die bij de productie van de daarbij genoemde meststoffen kunnen worden gebruikt, de in [bijlage Aa, onder III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-11-19&g=2008-11-19), opgenomen stoffen; en
- d. als eindproducten die als meststof kunnen worden verhandeld, de in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-11-19&g=2008-11-19), opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés.
##### Artikel 5
@@ -318,7 +320,7 @@
##### Artikel 6
1. Het is niet toegestaan zuiveringsslib, de in [bijlage Aa, onder I en II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-07-13&g=2008-07-13), opgenomen stoffen of de in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-07-13&g=2008-07-13), opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés, onderling of met andere meststoffen te mengen.
1. Het is niet toegestaan zuiveringsslib, de in [bijlage Aa, onder I en II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-11-19&g=2008-11-19), opgenomen stoffen of de in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-11-19&g=2008-11-19), opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés, onderling of met andere meststoffen te mengen.
2. Het is slechts toegestaan andere dan in het eerste lid bedoelde meststoffen te mengen, indien deze meststoffen afzonderlijk voldoen aan de bij of krachtens [hoofdstuk III van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=III) ter zake van die meststoffen gestelde regels en het mengsel voldoet aan de bij of krachtens [hoofdstuk III van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=III) ter zake van die meststoffen gestelde regels.
@@ -338,17 +340,17 @@
##### Artikel 8
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren, overschrijden niet de in [bijlage Ab, onder tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2008-07-13&g=2008-07-13), opgenomen maximale waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren, overschrijden niet de in [bijlage Ab, onder tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2008-11-19&g=2008-11-19), opgenomen maximale waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
##### Artikel 9
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren en die organisch materiaal van dierlijke of plantaardige oorsprong bevatten, overschrijden niet de in [bijlage Ab, onder tabel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2008-07-13&g=2008-07-13), opgenomen maximale waarden voor organische microverontreinigingen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren en die organisch materiaal van dierlijke of plantaardige oorsprong bevatten, overschrijden niet de in [bijlage Ab, onder tabel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2008-11-19&g=2008-11-19), opgenomen maximale waarden voor organische microverontreinigingen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
##### Artikel 10
In geval het betreft anorganische meststoffen die niet alleen hoofdzakelijk zijn bedoeld om primaire of secundaire nutriënten te leveren, maar ook om de micronutriënten koper en zink te leveren, is [artikel 14 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=14), voor zover het betreft de in [bijlage II, onder tabel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II), opgenomen maximale waarden voor koper en zink onderscheidenlijk [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor zover het betreft de in [bijlage Ab, onder tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2008-07-13&g=2008-07-13), opgenomen maximale waarden voor koper en zink, niet van toepassing, voor zover:
- a. de meststoffen overeenkomstig [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=14&z=2008-07-13&g=2008-07-13) zijn voorzien van de gehalten aan koper onderscheidenlijk zink; en
In geval het betreft anorganische meststoffen die niet alleen hoofdzakelijk zijn bedoeld om primaire of secundaire nutriënten te leveren, maar ook om de micronutriënten koper en zink te leveren, is [artikel 14 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=14), voor zover het betreft de in [bijlage II, onder tabel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II), opgenomen maximale waarden voor koper en zink onderscheidenlijk [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor zover het betreft de in [bijlage Ab, onder tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2008-11-19&g=2008-11-19), opgenomen maximale waarden voor koper en zink, niet van toepassing, voor zover:
- a. de meststoffen overeenkomstig [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=14&z=2008-11-19&g=2008-11-19) zijn voorzien van de gehalten aan koper onderscheidenlijk zink; en
- b. zowel de hoeveelheden primaire of secundaire nutriënten als de hoeveelheden koper of zink die met de desbetreffende meststof worden opgebracht, passen binnen het totale bemestingsadvies.
@@ -360,7 +362,7 @@
1. De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), worden voor stikstof uitsluitend in de vorm van het element (N) en voor fosfaat in de vorm van het oxide (P2O5) en desgewenst in de vorm van het element (P) uitgedrukt
2. De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), met uitzondering van stikstof en fosfaat behoeven uitsluitend te worden vermeld voor zover deze de in de [artikelen 9 tot en met 12 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=9) en de in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2008-07-13&g=2008-07-13) van deze regeling bedoelde minimale hoeveelheden te boven gaan.
2. De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), met uitzondering van stikstof en fosfaat behoeven uitsluitend te worden vermeld voor zover deze de in de [artikelen 9 tot en met 12 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=9) en de in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2008-11-19&g=2008-11-19) van deze regeling bedoelde minimale hoeveelheden te boven gaan.
3. De in het tweede lid bedoelde gegevens worden voor kalium, calcium, magnesium, natrium en zwavel in de vorm van het oxide (K2O; CaO; MgO; Na2O; onderscheidenlijk SO3) en desgewenst in de vorm van het element (K; Ca; Mg; Na onderscheidenlijk S) uitgedrukt.
@@ -368,11 +370,11 @@
##### Artikel 13
1. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19) zijn overige organische meststoffen en overige anorganische meststoffen die bestaan uit de in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-07-13&g=2008-07-13) opgenomen stoffen, voorzien van het nummer waaronder de desbetreffende stof op deze [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-07-13&g=2008-07-13) is vermeld.
1. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19) zijn overige organische meststoffen en overige anorganische meststoffen die bestaan uit de in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-11-19&g=2008-11-19) opgenomen stoffen, voorzien van het nummer waaronder de desbetreffende stof op deze [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-11-19&g=2008-11-19) is vermeld.
2. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19) zijn mengsels van meststoffen voorzien van gegevens over de meststoffen waaruit het mengsel bestaat en de verhouding waarin deze in het mengsel voorkomen.
3. Indien het mengsel mede bestaat uit ingevolge [artikel 4, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2008-07-13&g=2008-07-13), aangewezen stoffen, wordt bij de in het tweede lid bedoelde vermelding over de samenstelling en verhouding tevens vermeld het nummer waaronder de desbetreffende stof op [bijlage Aa, onder III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-07-13&g=2008-07-13), is vermeld.
3. Indien het mengsel mede bestaat uit ingevolge [artikel 4, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2008-11-19&g=2008-11-19), aangewezen stoffen, wordt bij de in het tweede lid bedoelde vermelding over de samenstelling en verhouding tevens vermeld het nummer waaronder de desbetreffende stof op [bijlage Aa, onder III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2008-11-19&g=2008-11-19), is vermeld.
##### Artikel 14
@@ -386,53 +388,53 @@
##### Artikel 16
1. De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), worden in gewichtsprocenten vermeld en komen overeen met de gehalten stikstof en fosfaat zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2008-07-13&g=2008-07-13), dan wel [artikel 92a tot en met 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2008-07-13&g=2008-07-13) voor zover het zuiveringsslib of compost betreft, zijn vastgesteld
1. De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), worden in gewichtsprocenten vermeld en komen overeen met de gehalten stikstof en fosfaat zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2008-11-19&g=2008-11-19), dan wel [artikel 92a tot en met 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2008-11-19&g=2008-11-19) voor zover het zuiveringsslib of compost betreft, zijn vastgesteld
2. De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), met uitzondering van stikstof en fosfaat worden in gewichtsprocenten of op gewichtsbasis vermeld en komen overeen met:
- a. de gehalten aan overige nutriënten zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2008-07-13&g=2008-07-13) zijn vastgesteld;
- b. het organischestofgehalte zoals dit voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=18&z=2008-07-13&g=2008-07-13) is vastgesteld; of
- c. de neutraliserende waarde zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=19&z=2008-07-13&g=2008-07-13) is vastgesteld.
- a. de gehalten aan overige nutriënten zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2008-11-19&g=2008-11-19) zijn vastgesteld;
- b. het organischestofgehalte zoals dit voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=18&z=2008-11-19&g=2008-11-19) is vastgesteld; of
- c. de neutraliserende waarde zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=19&z=2008-11-19&g=2008-11-19) is vastgesteld.
##### Artikel 17
1. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de gehalten aan overige nutriënten in meststoffen worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2008-07-13&g=2008-07-13), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2008-11-19&g=2008-11-19), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 18
1. Het organischestofgehalte in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2008-07-13&g=2008-07-13), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2008-11-19&g=2008-11-19), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 19
1. De neutraliserende waarde van meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2008-07-13&g=2008-07-13), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2008-11-19&g=2008-11-19), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 20
1. Het drogestofgehalte in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2008-07-13&g=2008-07-13), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2008-11-19&g=2008-11-19), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 21
1. De hoeveelheden zware metalen in meststoffen worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De bemonstering van zuiveringsslib geschiedt ten minste in de frequentie, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2008-07-13&g=2008-07-13), in samenhang met bijlage IIA, van richtlijn nr. 86/278/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986, betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PbEG L 181).
3. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2008-07-13&g=2008-07-13), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De bemonstering van zuiveringsslib geschiedt ten minste in de frequentie, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2008-11-19&g=2008-11-19), in samenhang met bijlage IIA, van richtlijn nr. 86/278/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986, betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PbEG L 181).
3. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2008-11-19&g=2008-11-19), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 22
1. De hoeveelheden organische microverontreinigingen in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2008-07-13&g=2008-07-13), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2008-11-19&g=2008-11-19), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 23
@@ -444,17 +446,17 @@
##### Artikel 24
1. De gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), is 250 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, indien wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 25 tot en met 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
1. De gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), is 250 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, indien wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 25 tot en met 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
2. De in het eerste lid bedoelde gebruiksnorm is uitsluitend van toepassing op dierlijke meststoffen afkomstig van graasdieren.
##### Artikel 25
1. Uiterlijk op 1 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2008-07-13&g=2008-07-13), wordt toegepast, meldt de landbouwer het bedrijf voor de toepassing van [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2008-07-13&g=2008-07-13), aan bij de Dienst Regelingen. Ingeval 2006 het jaar van toepassing van de genoemde gebruiksnorm is, vindt de melding uiterlijk op 1 februari 2006 plaats.
2. Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, voegt de landbouwer de verklaring waarin hij zich verplicht tot het naleven en het ten aanzien van zijn bedrijf doen naleven van [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) in samenhang met de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=7) en [8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), van de bij of krachtens de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&z=2008-07-13&g=2008-07-13) in samenhang met de [hoofdstukken IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=IV), [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=VI) en [X van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=X) gestelde regels, van de [artikelen 4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=4b) en [8a van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=8a), van het derde tot en met het vijfde lid en van de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=26&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en[27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
3. In het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2008-07-13&g=2008-07-13), wordt toegepast, wordt gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september ten minste zeventig procent van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond onafgebroken beteeld met gras dat is bestemd om te worden gebruikt als ruwvoer.
1. Uiterlijk op 1 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2008-11-19&g=2008-11-19), wordt toegepast, meldt de landbouwer het bedrijf voor de toepassing van [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2008-11-19&g=2008-11-19), aan bij de Dienst Regelingen. Ingeval 2006 het jaar van toepassing van de genoemde gebruiksnorm is, vindt de melding uiterlijk op 1 februari 2006 plaats.
2. Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, voegt de landbouwer de verklaring waarin hij zich verplicht tot het naleven en het ten aanzien van zijn bedrijf doen naleven van [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) in samenhang met de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=7) en [8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), van de bij of krachtens de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&z=2008-11-19&g=2008-11-19) in samenhang met de [hoofdstukken IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=IV), [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=VI) en [X van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=X) gestelde regels, van de [artikelen 4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=4b) en [8a van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=8a), van het derde tot en met het vijfde lid en van de [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=26&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en[27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=27&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
3. In het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2008-11-19&g=2008-11-19), wordt toegepast, wordt gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september ten minste zeventig procent van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond onafgebroken beteeld met gras dat is bestemd om te worden gebruikt als ruwvoer.
4. De landbouwer gebruikt geen drijfmest op tot het bedrijf behorend bouwland op kleigrond in de periode van 1 januari tot en met 31 januari en in de periode van 16 september tot en met 31 december.
@@ -464,7 +466,7 @@
##### Artikel 26
1. De landbouwer stelt vóór 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2008-07-13&g=2008-07-13), wordt toegepast, voor het desbetreffende jaar een bemestingsplan op dat voldoet aan artikel 5, derde lid, van de beschikking.
1. De landbouwer stelt vóór 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2008-11-19&g=2008-11-19), wordt toegepast, voor het desbetreffende jaar een bemestingsplan op dat voldoet aan artikel 5, derde lid, van de beschikking.
2. De landbouwer herziet het bemestingsplan uiterlijk zeven dagen nadat zich een wijziging in de landbouwpraktijk heeft voorgedaan, indien dat noodzakelijk is om de consistentie van het bemestingsplan te waarborgen.
@@ -472,7 +474,7 @@
##### Artikel 27
1. Ten hoogste vier jaren voorafgaand aan 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2008-07-13&g=2008-07-13), wordt toegepast, zijn de waarde van de fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverende vermogen van de bodem van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond vastgesteld door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
1. Ten hoogste vier jaren voorafgaand aan 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2008-11-19&g=2008-11-19), wordt toegepast, zijn de waarde van de fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverende vermogen van de bodem van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond vastgesteld door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. Het laboratorium heeft ten minste per vijf hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond die wat betreft de kenmerken van het bouwplan en de bodem homogeen zijn, één representatief mengmonster samengesteld uit door het laboratorium uit de desbetreffende hectaren gestoken deelmonsters. Het laboratorium heeft dit mengmonster geanalyseerd ter vaststelling van de in het eerste lid bedoelde waarden en een analyserapport opgesteld.
@@ -494,23 +496,23 @@
6. De landbouwer bewaart het analyserapport als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
7. Indien een perceel door de landbouwer in gebruik wordt genomen na 1 februari en voor 15 mei van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2008-07-13&g=2008-07-13), wordt toegepast, vindt de waardevaststelling, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 7 dagen na de ingebruikname plaats.
7. Indien een perceel door de landbouwer in gebruik wordt genomen na 1 februari en voor 15 mei van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2008-11-19&g=2008-11-19), wordt toegepast, vindt de waardevaststelling, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 7 dagen na de ingebruikname plaats.
#### § 2. Stikstofgebruiksnorm
##### Artikel 28
Als hoeveelheid stikstof als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) wordt vastgesteld de hoeveelheid stikstof die in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2008-07-13&g=2008-07-13) voor het desbetreffende gewas is vermeld, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, zoals deze in voorkomend geval is onderscheiden naar de grondsoort van het perceel waarop de teelt plaatsvindt, het aantal voorafgaande teelten van hetzelfde gewas in het desbetreffende jaar, de in het desbetreffende jaar aan de betrokken teelt voorafgaande of op de betrokken teelt volgende teelt van andere gewassen, het tijdstip waarop het desbetreffende perceel is beteeld, alsmede de bij de teelt toegepaste landbouwpraktijk.
Als hoeveelheid stikstof als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) wordt vastgesteld de hoeveelheid stikstof die in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2008-11-19&g=2008-11-19) voor het desbetreffende gewas is vermeld, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, zoals deze in voorkomend geval is onderscheiden naar de grondsoort van het perceel waarop de teelt plaatsvindt, het aantal voorafgaande teelten van hetzelfde gewas in het desbetreffende jaar, de in het desbetreffende jaar aan de betrokken teelt voorafgaande of op de betrokken teelt volgende teelt van andere gewassen, het tijdstip waarop het desbetreffende perceel is beteeld, alsmede de bij de teelt toegepaste landbouwpraktijk.
##### Artikel 29
Bij de bepaling van de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=12) bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt de hoeveelheid stikstof in dierlijke en andere in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=B&z=2008-07-13&g=2008-07-13) vermelde organische meststoffen slechts in aanmerking genomen voor het percentage dat in de [tabel van die bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=B&z=2008-07-13&g=2008-07-13) is vermeld voor de desbetreffende meststof en, indien sprake is van dierlijke meststoffen die op bouwland op kleigrond of veengrond op of in de bodem zijn gebracht, voor de desbetreffende periode waarin de meststoffen op of in de bodem zijn gebracht.
Bij de bepaling van de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=12) bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt de hoeveelheid stikstof in dierlijke en andere in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=B&z=2008-11-19&g=2008-11-19) vermelde organische meststoffen slechts in aanmerking genomen voor het percentage dat in de [tabel van die bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=B&z=2008-11-19&g=2008-11-19) is vermeld voor de desbetreffende meststof en, indien sprake is van dierlijke meststoffen die op bouwland op kleigrond of veengrond op of in de bodem zijn gebracht, voor de desbetreffende periode waarin de meststoffen op of in de bodem zijn gebracht.
#### § 3. Fosfaatarme gronden
##### Artikel 30
1. Het is toegestaan om per hectare grasland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, voor elk perceel dan wel gewasperceel waarvan overeenkomstig de [artikelen 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2008-07-13&g=2008-07-13), en [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2008-07-13&g=2008-07-13) is vastgesteld dat het PAL-getal in de bodemlaag tot tien centimeter onder het maaiveld kleiner is dan 16, een fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen toe te passen die 160 kilogram fosfaat bedraagt, waarvan:
1. Het is toegestaan om per hectare grasland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, voor elk perceel dan wel gewasperceel waarvan overeenkomstig de [artikelen 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2008-11-19&g=2008-11-19), en [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2008-11-19&g=2008-11-19) is vastgesteld dat het PAL-getal in de bodemlaag tot tien centimeter onder het maaiveld kleiner is dan 16, een fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen toe te passen die 160 kilogram fosfaat bedraagt, waarvan:
- a. in 2006 ten hoogste 110 kilogram fosfaat in de vorm van organische meststoffen;
@@ -518,7 +520,7 @@
- c. in 2008 ten hoogste 100 kilogram fosfaat in de vorm van organische meststoffen.
2. Het is toegestaan om per hectare bouwland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, voor elk perceel dan wel gewasperceel waarvan overeenkomstig de [artikelen 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2008-07-13&g=2008-07-13), en [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2008-07-13&g=2008-07-13) is vastgesteld dat het Pw-getal in de bodemlaag tot tien dan wel tot vijfentwintig centimeter onder het maaiveld kleiner is dan 25, een fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen toe te passen die 160 kilogram fosfaat bedraagt, waarvan:
2. Het is toegestaan om per hectare bouwland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, voor elk perceel dan wel gewasperceel waarvan overeenkomstig de [artikelen 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2008-11-19&g=2008-11-19), en [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2008-11-19&g=2008-11-19) is vastgesteld dat het Pw-getal in de bodemlaag tot tien dan wel tot vijfentwintig centimeter onder het maaiveld kleiner is dan 25, een fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen toe te passen die 160 kilogram fosfaat bedraagt, waarvan:
- a. in 2006 ten hoogste 95 kilogram fosfaat in de vorm van organische meststoffen, waarvan ten hoogste 85 kilogram fosfaat in de vorm van dierlijke meststoffen;
@@ -530,27 +532,27 @@
##### Artikel 31
1. De hoeveelheden fosfaat, bedoeld in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-07-13&g=2008-07-13), kunnen gedurende vier kalenderjaren worden toegepast, met ingang van het kalenderjaar waarin de melding, bedoeld in [artikel 32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2008-07-13&g=2008-07-13), is gedaan, indien is voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [33, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
2. Indien de percelen dan wel de gewaspercelen, bedoeld in [artikel 30, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-07-13&g=2008-07-13), in de in het eerste lid bedoelde periode in gebruik zijn genomen door een andere landbouwer, kunnen de hoeveelheden fosfaat, bedoeld in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-07-13&g=2008-07-13), gedurende het restant van die periode worden toegepast, indien de landbouwer de ingebruikneming van de percelen dan wel de gewaspercelen onder opgave van de oppervlakte en de ligging ervan uiterlijk de eerstvolgende 15 mei na de datum van ingebruikneming heeft gemeld aan de Dienst Regelingen.
1. De hoeveelheden fosfaat, bedoeld in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-11-19&g=2008-11-19), kunnen gedurende vier kalenderjaren worden toegepast, met ingang van het kalenderjaar waarin de melding, bedoeld in [artikel 32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2008-11-19&g=2008-11-19), is gedaan, indien is voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en [33, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
2. Indien de percelen dan wel de gewaspercelen, bedoeld in [artikel 30, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-11-19&g=2008-11-19), in de in het eerste lid bedoelde periode in gebruik zijn genomen door een andere landbouwer, kunnen de hoeveelheden fosfaat, bedoeld in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-11-19&g=2008-11-19), gedurende het restant van die periode worden toegepast, indien de landbouwer de ingebruikneming van de percelen dan wel de gewaspercelen onder opgave van de oppervlakte en de ligging ervan uiterlijk de eerstvolgende 15 mei na de datum van ingebruikneming heeft gemeld aan de Dienst Regelingen.
##### Artikel 32
1. Uiterlijk op 15 mei van het eerste kalenderjaar van de in [artikel 31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=31&z=2008-07-13&g=2008-07-13), bedoelde periode van vier kalenderjaren waarin de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 30, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-07-13&g=2008-07-13), wordt toegepast, meldt de landbouwer bij de Dienst Regelingen:
- a. de oppervlakte en de ligging van de percelen dan wel gewaspercelen grasland waarop de landbouwer de in [artikel 30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-07-13&g=2008-07-13), bedoelde fosfaatgebruiksnorm toepast;
- b. de oppervlakte en de ligging van de percelen dan wel gewaspercelen bouwland waarop de landbouwer de in [artikel 30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-07-13&g=2008-07-13), bedoelde fosfaatgebruiksnorm toepast; en
- c. de naam en het adres van het laboratorium en de datum, waarop het keuringsrapport is opgesteld, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk in [artikel 33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
1. Uiterlijk op 15 mei van het eerste kalenderjaar van de in [artikel 31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=31&z=2008-11-19&g=2008-11-19), bedoelde periode van vier kalenderjaren waarin de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 30, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-11-19&g=2008-11-19), wordt toegepast, meldt de landbouwer bij de Dienst Regelingen:
- a. de oppervlakte en de ligging van de percelen dan wel gewaspercelen grasland waarop de landbouwer de in [artikel 30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-11-19&g=2008-11-19), bedoelde fosfaatgebruiksnorm toepast;
- b. de oppervlakte en de ligging van de percelen dan wel gewaspercelen bouwland waarop de landbouwer de in [artikel 30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-11-19&g=2008-11-19), bedoelde fosfaatgebruiksnorm toepast; en
- c. de naam en het adres van het laboratorium en de datum, waarop het keuringsrapport is opgesteld, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk in [artikel 33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
2. De fosfaattoestand van het perceel dan wel gewasperceel is ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan de datum, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
3. De landbouwer zendt bij de in het eerste lid bedoelde melding het origineel of een door het laboratorium gewaarmerkt afschrift van het keuringsrapport, bedoeld in [artikel 33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2008-07-13&g=2008-07-13), aan de Dienst Regelingen.
3. De landbouwer zendt bij de in het eerste lid bedoelde melding het origineel of een door het laboratorium gewaarmerkt afschrift van het keuringsrapport, bedoeld in [artikel 33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=33&z=2008-11-19&g=2008-11-19), aan de Dienst Regelingen.
##### Artikel 33
1. Het laboratorium, bedoeld in [artikel 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2008-07-13&g=2008-07-13), verricht de bemonstering en analyse van de bodem van de desbetreffende percelen dan wel de desbetreffende gewaspercelen overeenkomstig het in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=C&z=2008-07-13&g=2008-07-13) opgenomen protocol en stelt een keuringsrapport op.
1. Het laboratorium, bedoeld in [artikel 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=32&z=2008-11-19&g=2008-11-19), verricht de bemonstering en analyse van de bodem van de desbetreffende percelen dan wel de desbetreffende gewaspercelen overeenkomstig het in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=C&z=2008-11-19&g=2008-11-19) opgenomen protocol en stelt een keuringsrapport op.
2. Het keuringsrapport bevat voor ieder bemonsterd perceel dan wel gewasperceel in ieder geval de volgende gegevens:
@@ -572,9 +574,9 @@
- i. bijzondere waarnemingen, die tijdens de analyse van de mengmonsters zijn gedaan; en
- j. alle niet in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=C&z=2008-07-13&g=2008-07-13) voorgeschreven handelingen die het resultaat van de analyse hebben beïnvloed.
3. De landbouwer bewaart een afschrift van het keuringsrapport gedurende vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 30, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-07-13&g=2008-07-13), wordt toegepast als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
- j. alle niet in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=C&z=2008-11-19&g=2008-11-19) voorgeschreven handelingen die het resultaat van de analyse hebben beïnvloed.
3. De landbouwer bewaart een afschrift van het keuringsrapport gedurende vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 30, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-11-19&g=2008-11-19), wordt toegepast als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
#### § 4. Fosfaatvrije voet en fosfaatverrekening
@@ -596,7 +598,7 @@
##### Artikel 36
1. Als forfaitaire productienormen als bedoeld in [artikel 28, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=28) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld die zijn vermeld in [bijlage D, tabel I, kolom A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
1. Als forfaitaire productienormen als bedoeld in [artikel 28, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=28) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld die zijn vermeld in [bijlage D, tabel I, kolom A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
2. Indien de omschrijving behorende bij een diercategorie niet overeenkomt met de feitelijke situatie, worden de normen gehanteerd van de diercategorie waarvan de omschrijving het meest aansluit bij de feitelijke situatie.
@@ -620,7 +622,7 @@
1. De gegevens, bedoeld in [artikel 32, tweede lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), betreffen uitsluitend die percelen landbouwgrond die bij het bedrijf in het kader van normale bedrijfsvoering in gebruik zijn en die al dan niet gedeeltelijk zijn gelegen in Duitsland of in België, tot 20, onderscheidenlijk tot 25 kilometer uit de Nederlandse grens.
2. De gegevens, bedoeld in [artikel 32, tweede lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), worden onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort overeenkomstig de omschrijvingen in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
2. De gegevens, bedoeld in [artikel 32, tweede lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), worden onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort overeenkomstig de omschrijvingen in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
3. De gegevens, bedoeld in [artikel 32, tweede lid, onderdeel g, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), worden per afzonderlijke opslagruimte weergegeven.
@@ -636,7 +638,7 @@
1. Wijzigingen in de aantallen op het bedrijf gehouden dan wel anderszins aanwezige varkens, kippen, kalkoenen en runderen, worden binnen drie dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de overige gegevens die de administratie ingevolge de [artikelen 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), en[33 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33) en de [artikelen 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=39&z=2008-07-13&g=2008-07-13) bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de overige gegevens die de administratie ingevolge de [artikelen 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), en[33 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33) en de [artikelen 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=39&z=2008-11-19&g=2008-11-19) bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen.
##### Artikel 41
@@ -644,7 +646,7 @@
##### Artikel 42
1. De landbouwer, bedoeld in [artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=35), de landbouwer op wiens bedrijf in het voorgaande kalenderjaar de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2008-07-13&g=2008-07-13), is toegepast of de landbouwer wiens bedrijf daartoe voor het komende kalenderjaar is aangemeld bij de Dienst Regelingen overeenkomstig [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2008-07-13&g=2008-07-13), verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de Dienst Regelingen met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar gegevens uit de administratie over:
1. De landbouwer, bedoeld in [artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=35), de landbouwer op wiens bedrijf in het voorgaande kalenderjaar de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2008-11-19&g=2008-11-19), is toegepast of de landbouwer wiens bedrijf daartoe voor het komende kalenderjaar is aangemeld bij de Dienst Regelingen overeenkomstig [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2008-11-19&g=2008-11-19), verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de Dienst Regelingen met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar gegevens uit de administratie over:
- a. de aan het eind van het kalenderjaar op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen, onderscheiden naar:
@@ -658,29 +660,29 @@
- b. de hoeveelheden meststoffen, anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib en compost, die op of van het bedrijf zijn aangevoerd, onderscheidenlijk zijn afgevoerd;
- c. het gemiddelde aantal in het kalenderjaar op het bedrijf gehouden dieren, anders dan varkens, schapen, geiten en runderen, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-07-13&g=2008-07-13); en
- d. het aantal aan- of afgevoerde staldieren, anders dan varkens of vleeskalveren, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort, voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
2. De landbouwer op wiens bedrijf op 31 december 2005 pluimveerechten, varkensrechten of niet-gebonden mestproductierechten rustten of wiens bedrijf overeenkomstig [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2008-07-13&g=2008-07-13), is aangemeld voor toepassing in 2006 van de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2008-07-13&g=2008-07-13), verstrekt vóór 1 februari 2006 aan de Dienst Regelingen gegevens uit de administratie over de op 1 januari 2006 op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°.
- c. het gemiddelde aantal in het kalenderjaar op het bedrijf gehouden dieren, anders dan varkens, schapen, geiten en runderen, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-11-19&g=2008-11-19); en
- d. het aantal aan- of afgevoerde staldieren, anders dan varkens of vleeskalveren, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort, voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
2. De landbouwer op wiens bedrijf op 31 december 2005 pluimveerechten, varkensrechten of niet-gebonden mestproductierechten rustten of wiens bedrijf overeenkomstig [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=25&z=2008-11-19&g=2008-11-19), is aangemeld voor toepassing in 2006 van de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=1&artikel=24&z=2008-11-19&g=2008-11-19), verstrekt vóór 1 februari 2006 aan de Dienst Regelingen gegevens uit de administratie over de op 1 januari 2006 op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°.
3. De landbouwer die op het eigen bedrijf geproduceerde koemelk zelf verwerkt tot eindproducten en die 50 procent of meer van de geproduceerde koemelk levert aan een koper als bedoeld in de [Regeling superheffing en melkpremie 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016539), verstrekt aan de minister gegevens met betrekking tot de op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid koemelk.
##### Artikel 43
1. De [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26) en [31 tot en met 35 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=31) en de [artikelen 37 tot en met 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2008-07-13&g=2008-07-13) zijn niet van toepassing ten aanzien van een bedrijf, indien op elk moment in het desbetreffende kalenderjaar wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
1. De [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26) en [31 tot en met 35 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=31) en de [artikelen 37 tot en met 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2008-11-19&g=2008-11-19) zijn niet van toepassing ten aanzien van een bedrijf, indien op elk moment in het desbetreffende kalenderjaar wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
- a. de som van de tot dan toe in dat jaar op het bedrijf aangevoerde dierlijke meststoffen en de productie van meststoffen door de op dat moment op het bedrijf gehouden dan wel anderszins aanwezige dieren op jaarbasis is ten hoogste 350 kilogram stikstof;
- b. de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond is niet groter dan drie hectare.
2. De [artikelen 32, tweede lid, onderdelen d, e, f en h en 33 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32) en de [artikelen 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2008-07-13&g=2008-07-13), en [42, eerste lid, onderdelen a, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-07-13&g=2008-07-13), zijn niet van toepassing ten aanzien van diersoorten als bedoeld in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-07-13&g=2008-07-13), waarvan de op enig moment op het bedrijf gehouden of anderszins aanwezige dieren tezamen op jaarbasis ten hoogste 350 kilogram stikstof produceren, onderscheidenlijk ten aanzien van de door deze dieren geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen.
3. De productie van dierlijke meststoffen op jaarbasis, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, wordt bepaald op basis van het aantal op het desbetreffende moment gehouden dieren, onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort, en op basis van de voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën in [bijlage D, tabel I, kolom B, en tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-07-13&g=2008-07-13) vermelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar.
2. De [artikelen 32, tweede lid, onderdelen d, e, f en h en 33 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32) en de [artikelen 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2008-11-19&g=2008-11-19), en [42, eerste lid, onderdelen a, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-11-19&g=2008-11-19), zijn niet van toepassing ten aanzien van diersoorten als bedoeld in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-11-19&g=2008-11-19), waarvan de op enig moment op het bedrijf gehouden of anderszins aanwezige dieren tezamen op jaarbasis ten hoogste 350 kilogram stikstof produceren, onderscheidenlijk ten aanzien van de door deze dieren geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen.
3. De productie van dierlijke meststoffen op jaarbasis, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, wordt bepaald op basis van het aantal op het desbetreffende moment gehouden dieren, onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort, en op basis van de voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën in [bijlage D, tabel I, kolom B, en tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-11-19&g=2008-11-19) vermelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar.
##### Artikel 44
De [artikelen 32, tweede lid, onderdelen e, g, en h, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32) en de [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [42, eerste lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-07-13&g=2008-07-13), zijn niet van toepassing ten aanzien van de in enig kalenderjaar op het bedrijf ingeschaarde schapen, onderscheidenlijk de door deze schapen geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, indien ten aanzien van dat bedrijf wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
De [artikelen 32, tweede lid, onderdelen e, g, en h, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32) en de [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en [42, eerste lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-11-19&g=2008-11-19), zijn niet van toepassing ten aanzien van de in enig kalenderjaar op het bedrijf ingeschaarde schapen, onderscheidenlijk de door deze schapen geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, indien ten aanzien van dat bedrijf wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
- a. het aantal in dat kalenderjaar ingeschaarde schapen is niet groter dan 450;
@@ -704,7 +706,7 @@
5. De gegevens, bedoeld in [artikel 38, tweede lid, onderdeel h, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=38), worden, voor zover het opslagruimten voor drijfmest of vaste mest betreft, mede uitgedrukt in kubieke meters onderscheidenlijk in vierkante meters.
6. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 38, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=38), verstrekt de intermediair ter zake van de transportmiddelen die voor het vervoer van drijfmest exclusief bij de desbetreffende onderneming in gebruik zijn en waarop overeenkomstig [artikel 53, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2008-07-13&g=2008-07-13), automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, tevens gegevens over:
6. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 38, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=38), verstrekt de intermediair ter zake van de transportmiddelen die voor het vervoer van drijfmest exclusief bij de desbetreffende onderneming in gebruik zijn en waarop overeenkomstig [artikel 53, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2008-11-19&g=2008-11-19), automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, tevens gegevens over:
- a. het kenteken en de meldcode, zoals deze zijn vermeld op het voor het betrokken voertuig afgegeven, geldige kentekenbewijs, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), voor zover het een motorrijtuig of aanhangwagen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdelen c onderscheidenlijk d, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1) betreft; of
@@ -734,7 +736,7 @@
- b. de hoeveelheid geproduceerd, bewerkt of verwerkt zuiveringsslib; en
- c. de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 2, bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib alsmede de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in [artikel 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
- c. de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 2, bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib alsmede de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in [artikel 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
7. Indien op een onderneming compost wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) tevens gegevens over:
@@ -744,11 +746,11 @@
##### Artikel 47
1. Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, aanhef en onderdelen a en c, en derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) en [artikel 46, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2008-07-13&g=2008-07-13), bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) bevat, worden, voor zover het dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de analyseresultaten, bedoeld in [artikel 81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2008-07-13&g=2008-07-13), van het laboratorium zijn ontvangen op het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2008-07-13&g=2008-07-13), bedoelde formulier verwerkt.
3. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) bevat, worden, voor zover het meststoffen anders dan dierlijke meststoffen betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de wijziging zich heeft voorgedaan op het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2008-07-13&g=2008-07-13), bedoelde formulier verwerkt.
1. Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, aanhef en onderdelen a en c, en derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) en [artikel 46, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2008-11-19&g=2008-11-19), bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) bevat, worden, voor zover het dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de analyseresultaten, bedoeld in [artikel 81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2008-11-19&g=2008-11-19), van het laboratorium zijn ontvangen op het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2008-11-19&g=2008-11-19), bedoelde formulier verwerkt.
3. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) bevat, worden, voor zover het meststoffen anders dan dierlijke meststoffen betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de wijziging zich heeft voorgedaan op het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2008-11-19&g=2008-11-19), bedoelde formulier verwerkt.
##### Artikel 48
@@ -756,9 +758,9 @@
- a. de hoeveelheden meststoffen, anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib en compost, die in het kader van de onderneming zijn aan- en afgevoerd;
- b. de hoeveelheden meststoffen die bij de overdracht van een opslagruimte voor meststoffen aan of van een andere intermediair op het moment van overdracht in de desbetreffende opslagruimte aanwezig waren, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-07-13&g=2008-07-13), alsmede het door de Dienst Regelingen ter identificatie verstrekte relatienummer van bij deze overdracht betrokken andere intermediaire onderneming; en
- c. de aan het eind van het kalenderjaar op de onderneming aanwezige hoeveelheid meststoffen onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
- b. de hoeveelheden meststoffen die bij de overdracht van een opslagruimte voor meststoffen aan of van een andere intermediair op het moment van overdracht in de desbetreffende opslagruimte aanwezig waren, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-11-19&g=2008-11-19), alsmede het door de Dienst Regelingen ter identificatie verstrekte relatienummer van bij deze overdracht betrokken andere intermediaire onderneming; en
- c. de aan het eind van het kalenderjaar op de onderneming aanwezige hoeveelheid meststoffen onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
2. De ondernemer in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de Dienst Regelingen gegevens uit de administratie over de in het voorgaande kalenderjaar in het zuiveringsslib gemiddeld aanwezige hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 2, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen.
@@ -778,7 +780,7 @@
1. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming bij de Dienst Regelingen.
2. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming, overeenkomstig de krachtens [artikel 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=118&z=2008-07-13&g=2008-07-13) gestelde regels.
2. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming, overeenkomstig de krachtens [artikel 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=118&z=2008-11-19&g=2008-11-19) gestelde regels.
3. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming meststoffen worden verhandeld, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), geschiedt binnen 30 dagen na 1 januari 2008 bij de Dienst Regelingen. Indien een onderneming als bedoeld in de vorige volzin wordt opgericht na 1 januari 2008, geschiedt de aanmelding uiterlijk 30 dagen na oprichting.
@@ -792,9 +794,9 @@
1. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 44, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), bevat de administratie van de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), gegevens over:
- a. de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in [artikel 98, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2008-07-13&g=2008-07-13); en
- b. de op het etiket of het begeleidend document, bedoeld in [artikel 99, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2008-07-13&g=2008-07-13), vermelde droge stofgehalte dan wel het vochtgehalte en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de droge stof.
- a. de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in [artikel 98, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2008-11-19&g=2008-11-19); en
- b. de op het etiket of het begeleidend document, bedoeld in [artikel 99, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2008-11-19&g=2008-11-19), vermelde droge stofgehalte dan wel het vochtgehalte en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de droge stof.
2. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 44, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), bevat de administratie van de ondernemer, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44) voor zover hij compost produceert of anderszins bewerkt of verwerkt, gegevens over:
@@ -808,7 +810,7 @@
##### Artikel 52
1. De ondernemer, bedoeld in [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2008-07-13&g=2008-07-13), verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de Dienst Regelingen per bedrijf met staldieren waaraan diervoeders worden geleverd, met betrekking tot het voorafgaande kalenderjaar elektronisch gegevens uit de administratie over:
1. De ondernemer, bedoeld in [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2008-11-19&g=2008-11-19), verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de Dienst Regelingen per bedrijf met staldieren waaraan diervoeders worden geleverd, met betrekking tot het voorafgaande kalenderjaar elektronisch gegevens uit de administratie over:
- a. de naam, het adres en het door de Dienst Regelingen ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer van het bedrijf, waaraan diervoeder is geleverd;
@@ -828,7 +830,7 @@
##### Artikel 53
1. De AGR-apparatuur voldoet aan de prestatiekenmerken die, al naar gelang het vervoer van drijfmest of van vaste mest betreft, zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2008-07-13&g=2008-07-13), onderscheidenlijk in [bijlage E, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2008-07-13&g=2008-07-13), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV, onderdeel van de Animal Sciences Group, te Lelystad is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
1. De AGR-apparatuur voldoet aan de prestatiekenmerken die, al naar gelang het vervoer van drijfmest of van vaste mest betreft, zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2008-11-19&g=2008-11-19), onderscheidenlijk in [bijlage E, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2008-11-19&g=2008-11-19), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV, onderdeel van de Animal Sciences Group, te Lelystad is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
2. Bij het vervoer van drijfmest is de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur onlosmakelijk op het transportmiddel bevestigd en zijn de in het eerste lid bedoelde apparatuur en de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de bemonsterings- en verpakkingsapparatuur verbonden.
@@ -836,11 +838,11 @@
##### Artikel 54
1. Het vervoer van dierlijke meststoffen vindt uitsluitend plaats, indien de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2008-07-13&g=2008-07-13) bedoelde apparatuur zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang adequaat functioneert.
1. Het vervoer van dierlijke meststoffen vindt uitsluitend plaats, indien de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2008-11-19&g=2008-11-19) bedoelde apparatuur zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang adequaat functioneert.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien het niet adequaat functioneren van de apparatuur is veroorzaakt door een storing die door de vervoerder terstond telefonisch is gemeld aan meldkamer van de Algemene Inspectiedienst en indien de Algemene Inspectiedienst toestemming heeft verleend voor het vervoer.
3. De in het tweede lid bedoelde toestemming kan ten hoogste voor een periode van 24 uur worden verleend en kan de verplichting inhouden van het vervoer elektronisch of telefonisch mededeling te doen voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt, waarbij de gegevens, bedoeld in [artikel 58, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=58&z=2008-07-13&g=2008-07-13), worden verstrekt.
3. De in het tweede lid bedoelde toestemming kan ten hoogste voor een periode van 24 uur worden verleend en kan de verplichting inhouden van het vervoer elektronisch of telefonisch mededeling te doen voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt, waarbij de gegevens, bedoeld in [artikel 58, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=58&z=2008-11-19&g=2008-11-19), worden verstrekt.
##### Artikel 55
@@ -862,19 +864,19 @@
##### Artikel 56
1. [Artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-07-13&g=2008-07-13) is van overeenkomstige toepassing op het vervoer van vaste mest, met dien verstande dat:
- a. de gegevens, bedoeld in het [tweede lid, onderdeel b, van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-07-13&g=2008-07-13), niet automatisch door de AGR-apparatuur, maar door de vervoerder in de gegevensdrager van de AGR-apparatuur worden vastgelegd door deze gegevens elektronisch vanaf de monsterverpakking in te lezen;
- b. de gegevens, bedoeld in het [tweede lid, onderdeel c, van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-07-13&g=2008-07-13), niet behoeven te worden vastgelegd; en
- c. de gegevens, bedoeld in het [vierde lid, van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-07-13&g=2008-07-13), niet automatisch door de AGR-apparatuur, maar door de vervoerder elektronisch in de AGR-apparatuur worden vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen worden verzonden.
2. Indien een vracht dierlijke meststoffen buiten Nederland wordt gebracht, worden in plaats van de locatie, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel, bedoeld in [artikel 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-07-13&g=2008-07-13), de locatie, de datum en het tijdstip, waar onderscheidenlijk waarop het transportmiddel het Nederlandse grondgebied verlaat in de AGR-apparatuur vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen verzonden.
3. Indien een vracht dierlijke meststoffen binnen Nederland wordt gebracht, worden in plaats van de locatie, de datum en het tijdstip van het laden van het transportmiddel, bedoeld in [artikel 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-07-13&g=2008-07-13), de locatie waar en de datum en het tijdstip waarop het transportmiddel het Nederlandse grondgebied binnen komt in de AGR-apparatuur vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen verzonden.
4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing, indien door de vervoerder de plaats van de locatie en de datum en het tijdstip van het lossen, onderscheidenlijk van het laden van het transportmiddel, bedoeld in [artikel 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-07-13&g=2008-07-13), in de AGR-apparatuur worden vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen worden verzonden.
1. [Artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-11-19&g=2008-11-19) is van overeenkomstige toepassing op het vervoer van vaste mest, met dien verstande dat:
- a. de gegevens, bedoeld in het [tweede lid, onderdeel b, van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-11-19&g=2008-11-19), niet automatisch door de AGR-apparatuur, maar door de vervoerder in de gegevensdrager van de AGR-apparatuur worden vastgelegd door deze gegevens elektronisch vanaf de monsterverpakking in te lezen;
- b. de gegevens, bedoeld in het [tweede lid, onderdeel c, van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-11-19&g=2008-11-19), niet behoeven te worden vastgelegd; en
- c. de gegevens, bedoeld in het [vierde lid, van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-11-19&g=2008-11-19), niet automatisch door de AGR-apparatuur, maar door de vervoerder elektronisch in de AGR-apparatuur worden vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen worden verzonden.
2. Indien een vracht dierlijke meststoffen buiten Nederland wordt gebracht, worden in plaats van de locatie, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel, bedoeld in [artikel 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-11-19&g=2008-11-19), de locatie, de datum en het tijdstip, waar onderscheidenlijk waarop het transportmiddel het Nederlandse grondgebied verlaat in de AGR-apparatuur vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen verzonden.
3. Indien een vracht dierlijke meststoffen binnen Nederland wordt gebracht, worden in plaats van de locatie, de datum en het tijdstip van het laden van het transportmiddel, bedoeld in [artikel 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-11-19&g=2008-11-19), de locatie waar en de datum en het tijdstip waarop het transportmiddel het Nederlandse grondgebied binnen komt in de AGR-apparatuur vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen verzonden.
4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing, indien door de vervoerder de plaats van de locatie en de datum en het tijdstip van het lossen, onderscheidenlijk van het laden van het transportmiddel, bedoeld in [artikel 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-11-19&g=2008-11-19), in de AGR-apparatuur worden vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen worden verzonden.
##### Artikel 57
@@ -886,7 +888,7 @@
- b. een overzicht van de buiten Nederland gevestigde afnemers onderscheidenlijk leveranciers;
- c. het aantal voorgenomen transporten en de in tonnen uitgedrukte totale hoeveelheid te vervoeren dierlijke meststoffen onderscheiden naar mestcode zoals deze voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13);
- c. het aantal voorgenomen transporten en de in tonnen uitgedrukte totale hoeveelheid te vervoeren dierlijke meststoffen onderscheiden naar mestcode zoals deze voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19);
- d. een afschrift van het document waaruit blijkt dat de lidstaat van bestemming de in artikel 8, tweede lid, eerste zin, van Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (PbEG L 273), bedoelde toestemming heeft verleend, voor zover deze toestemming ingevolge voornoemde verordening is vereist; en
@@ -896,7 +898,7 @@
##### Artikel 58
1. Indien de vervoerder ingevolge [artikel 51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2008-07-13&g=2008-07-13), van het besluit verplicht is van het vervoer mededeling te doen, geschiedt de mededeling uiterlijk 24 uur voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt aan de Dienst Regelingen.
1. Indien de vervoerder ingevolge [artikel 51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2008-11-19&g=2008-11-19), van het besluit verplicht is van het vervoer mededeling te doen, geschiedt de mededeling uiterlijk 24 uur voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt aan de Dienst Regelingen.
2. Bij de mededeling van het vervoer worden de volgende gegevens verstrekt:
@@ -912,9 +914,9 @@
##### Artikel 59
De [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=48) en [49 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) en en de [artikelen 53 tot en met 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2008-07-13&g=2008-07-13) zijn niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen, indien:
- a. de hoeveelheid van die meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2008-07-13&g=2008-07-13) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten;
De [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=48) en [49 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) en en de [artikelen 53 tot en met 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2008-11-19&g=2008-11-19) zijn niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen, indien:
- a. de hoeveelheid van die meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2008-11-19&g=2008-11-19) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten;
- b. uitsluitend mestkorrels worden vervoerd;
@@ -926,123 +928,123 @@
- 1°. deze afvoer vindt plaats op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de leverancier en de afnemer die is afgesloten voordat het vervoer van de desbetreffende vracht plaatsvond; en
- 2°. het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen is overeenkomstig [artikel 66, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=66&z=2008-07-13&g=2008-07-13), ingevuld.
- 2°. het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen is overeenkomstig [artikel 66, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=66&z=2008-11-19&g=2008-11-19), ingevuld.
- f. verwerkte vaste dierlijke meststoffen die zijn geproduceerd in een overeenkomstig artikel 18 van [Verordening (EG) nr. 1774/2002](32002R1774) van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (PbEG L 273) erkende inrichting, worden overgebracht uit Nederland.
#### § 1. Vervoer van dierlijke meststoffen
##### Artikel 60
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 53, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) wordt vastgesteld het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in [bijlage F, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=F&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
2. Het vervoersbewijs dierlijke meststoffen wordt door de Dienst Regelingen verstrekt en is voorzien van een uniek nummer.
3. Indien de dierlijke meststoffen buiten Nederland worden gebracht, wordt ter zake van het vervoer, in zoverre in afwijking van het tweede lid, gebruik gemaakt van een geprint exemplaar van het vervoersbewijs, zoals dit bij de elektronische verzending van de gegevens van de mededeling, bedoeld in [artikel 57a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57a&z=2008-11-19&g=2008-11-19), elektronisch is aangemaakt, voor zover deze mededeling niet ingevolge [artikel 57a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57a&z=2008-11-19&g=2008-11-19), is ingetrokken.
##### Artikel 61
1. Uiterlijk bij het laden van de dierlijke meststoffen worden de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van de postcode van de losplaats en de datum en het tijdstip van het lossen, en 3c, met uitzondering van de code van het laboratorium, de code monsternemer en de kilogrammen fosfaat en stikstof, van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier ondertekend.
2. Uiterlijk bij het lossen van de dierlijke meststoffen worden onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op de postcode van de losplaats en op de datum en het tijdstip van het lossen, en onderdeel 5 van het op die vracht betrekking hebbende en overeenkomstig het eerste lid ingevulde vervoersbewijs ingevuld en wordt het vervoersbewijs door de vervoerder en de afnemer ondertekend.
3. Bij het invullen van de mestcode bij onderdeel 1 van het vervoersbewijs wordt gebruik gemaakt van de codes die voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
4. Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in [bijlage F, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=F&z=2008-11-19&g=2008-11-19), vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs ingevuld.
5. In zoverre in afwijking van de voorgaande leden, kunnen de gegevens op het vervoersbewijs worden vermeld door het printen van deze gegevens in een aan de invulvelden gerelateerde volgorde binnen de daarvoor op het vervoersbewijs bestemde vrije ruimte.
##### Artikel 62
In zoverre in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2008-11-19&g=2008-11-19):
- a. wordt, indien de weging van de dierlijke meststoffen na het laden van het transportmiddel plaatsvindt, terstond na de weging bij onderdeel 3b van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het nettogewicht van de dierlijke meststoffen ingevuld;
- b. wordt, indien de weging van de dierlijke meststoffen bij het laden van het transportmiddel plaatsvindt, bij onderdeel 3b van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het geschat gewicht niet ingevuld;
- c. wordt, indien de vracht uit vaste mest bestaat, bij onderdeel 3b van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het combinatienummer niet ingevuld;
- d. wordt, indien de vracht uit vaste mest bestaat en de bemonstering van de vracht na het laden plaatsvindt, terstond na de bemonstering bij onderdeel 3b van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking ingevuld;
- e. kan bij onderdeel 3c, uiterlijk tot het moment waarop het uit de vracht genomen monster overeenkomstig [artikel 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2008-11-19&g=2008-11-19) aan het in dat artikel bedoelde laboratorium wordt verzonden, worden ingevuld of met het uit de vracht genomen monster een mengmonster samengesteld kan worden;
- f. worden, indien de hoeveelheid van de dierlijke meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2008-11-19&g=2008-11-19) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, bij onderdeel 3b en bij onderdeel 3c van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het nettogewicht van de dierlijke meststoffen, het combinatienummer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking en de code van het laboratorium niet ingevuld; en
- g. behoeft, indien de dierlijke meststoffen buiten Nederland worden gebracht, het vervoersbewijs dierlijke meststoffen niet door de afnemer te worden ondertekend.
##### Artikel 63
De vervoerder van een vracht dierlijke meststoffen verstrekt uiterlijk tien werkdagen na het vervoer de leverancier en de afnemer een afschrift van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen.
##### Artikel 64
1. De op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens worden door de vervoerder uiterlijk 30 werkdagen na het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen op elektronische wijze bij de Dienst Regelingen ingediend.
2. De elektronisch in te dienen gegevens bevatten mede de code van het laboratorium dat de analyse van de dierlijke meststoffen waarop het vervoersbewijs dierlijke meststoffen betrekking heeft, heeft uitgevoerd, en de op basis van deze analyse vastgestelde hoeveelheid dierlijke meststoffen.
3. Indien de hoeveelheid van de dierlijke meststoffen overeenkomstig de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2008-11-19&g=2008-11-19) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, geschiedt de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in zoverre in afwijking van het eerste lid, uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen.
4. In het in het derde lid bedoelde geval kan de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in afwijking van[artikel 53, zesde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), geschieden door middel van het indienen van het origineel van het door de vervoerder ondertekende vervoersbewijs dierlijke meststoffen bij de Dienst Regelingen.
##### Artikel 65
In afwijking van [artikel 53, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), kunnen de leverancier of de afnemer de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen machtigen onder de volgende voorwaarden:
- a. de machtiging geschiedt voordat het vervoer van de vracht waarop de machtiging betrekking heeft plaatsvindt;
- b. er wordt een schriftelijk bewijsstuk van de machtiging opgemaakt dat door de betrokken partijen is ondertekend en dat in ieder geval de datum en de duur van de machtiging en de door de Dienst Regelingen ter identificatie van de bedrijven of ondernemingen van de betrokken partijen verstrekte relatienummers bevat; en
- c. een afschrift van het bewijsstuk van de machtiging, bedoeld onder b, wordt tijdens het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen waarop de machtiging betrekking heeft desgevraagd aan een ambtenaar als bedoeld in [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2008-11-19&g=2008-11-19) verstrekt.
##### Artikel 66
1. In het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=59), bedoelde geval:
- a. wordt, in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2008-11-19&g=2008-11-19), het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de afnemer ingevuld en ondertekend op het tijdstip waarop de kalvergier op de kalvergierbewerkingsinstallatie wordt aangevoerd en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de afnemer aan de leverancier toegezonden, waarna de leverancier het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ondertekent en terugzendt aan de afnemer; en
- b. kan, in afwijking van [artikel 53, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), de leverancier de afnemer ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen machtigen, onder de in [artikel 65, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=65&z=2008-11-19&g=2008-11-19), genoemde voorwaarden.
2. In het in artikel 59, onderdeel e, bedoelde geval en onder de in dat onderdeel, onder 1°, genoemde voorwaarde:
- a. worden, in afwijking van [artikel 61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2008-11-19&g=2008-11-19), uiterlijk bij het laden van de kalvergier de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van het combinatienummer, het netto gewicht en het tijdstip van het lossen, en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, ingevuld en door de leverancier ondertekend;
- b. wordt, in afwijking van [artikel 61, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2008-11-19&g=2008-11-19), uiterlijk bij het lossen van de kalvergier, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het tijdstip van het lossen, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder ondertekend; en
- c. wordt terstond na de weging en na de bemonstering van de kalvergier, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het nettogewicht van de kalvergier, onderscheidenlijk onderdeel 3c, voor zover dit betrekking heeft op gegevens ter identificatie van de monsterverpakking, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en door de afnemer ondertekend.
3. In de in [artikel 59, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2008-11-19&g=2008-11-19), bedoelde gevallen:
- a. wordt een afschrift van het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=64&z=2008-11-19&g=2008-11-19), door de afnemer aan de leverancier en de vervoerder verstrekt; en
- b. geschiedt de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in zoverre in afwijking van [artikel 65, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=65&z=2008-11-19&g=2008-11-19), door de afnemer.
##### Artikel 67
[Artikel 53 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) is niet van toepassing op het vervoer van:
- a. dierlijke meststoffen van een tuincentrum of een hovenier naar een afnemer, niet zijnde een landbouwer of een ondernemer;
- b. dierlijke meststoffen die vanuit uit een andere staat rechtstreeks, zonder tussenopslag, in doorvoer buiten Nederland worden gebracht;
- c. uit dierlijke meststoffen afkomstig van paarden geproduceerde grondstoffen voor de productie van substraat voor de teelt van champignons en op het vervoer van substraat door ondernemingen die substraat produceren naar bedrijven die dit substraat gebruiken als groeimedium voor de teelt van champignons, voor zover het vervoer van deze grondstoffen of dit substraat vergezeld gaat van een document dat in ieder geval gegevens bevat over:
- 1°. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier;
- 2°. het door de Dienst Regelingen ter identificatie verstrekte relatienummer van de afnemer;
- 3°. het gewicht van de hoeveelheid afgeleverd product in tonnen of in kilogrammen; en
- 4°. het soort product;
- d. mestkorrels die zijn verpakt in eenheden van ten hoogste 25 kilogram; en
- e. vaste meststoffen die ten hoogste 10% vaste dierlijke meststoffen of 10% champost bevatten, naar een afnemer, die geen bedrijf of intermediaire onderneming voert.
#### § 2. Vervoersbewijs dierlijke meststoffen
##### Artikel 60
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 53, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) wordt vastgesteld het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in [bijlage F, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=F&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
2. Het vervoersbewijs dierlijke meststoffen wordt door de Dienst Regelingen verstrekt en is voorzien van een uniek nummer.
3. Indien de dierlijke meststoffen buiten Nederland worden gebracht, wordt ter zake van het vervoer, in zoverre in afwijking van het tweede lid, gebruik gemaakt van een geprint exemplaar van het vervoersbewijs, zoals dit bij de elektronische verzending van de gegevens van de mededeling, bedoeld in [artikel 57a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57a&z=2008-07-13&g=2008-07-13), elektronisch is aangemaakt, voor zover deze mededeling niet ingevolge [artikel 57a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57a&z=2008-07-13&g=2008-07-13), is ingetrokken.
##### Artikel 61
1. Uiterlijk bij het laden van de dierlijke meststoffen worden de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van de postcode van de losplaats en de datum en het tijdstip van het lossen, en 3c, met uitzondering van de code van het laboratorium, de code monsternemer en de kilogrammen fosfaat en stikstof, van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier ondertekend.
2. Uiterlijk bij het lossen van de dierlijke meststoffen worden onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op de postcode van de losplaats en op de datum en het tijdstip van het lossen, en onderdeel 5 van het op die vracht betrekking hebbende en overeenkomstig het eerste lid ingevulde vervoersbewijs ingevuld en wordt het vervoersbewijs door de vervoerder en de afnemer ondertekend.
3. Bij het invullen van de mestcode bij onderdeel 1 van het vervoersbewijs wordt gebruik gemaakt van de codes die voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
4. Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in [bijlage F, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=F&z=2008-07-13&g=2008-07-13), vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs ingevuld.
5. In zoverre in afwijking van de voorgaande leden, kunnen de gegevens op het vervoersbewijs worden vermeld door het printen van deze gegevens in een aan de invulvelden gerelateerde volgorde binnen de daarvoor op het vervoersbewijs bestemde vrije ruimte.
##### Artikel 62
In zoverre in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2008-07-13&g=2008-07-13):
- a. wordt, indien de weging van de dierlijke meststoffen na het laden van het transportmiddel plaatsvindt, terstond na de weging bij onderdeel 3b van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het nettogewicht van de dierlijke meststoffen ingevuld;
- b. wordt, indien de weging van de dierlijke meststoffen bij het laden van het transportmiddel plaatsvindt, bij onderdeel 3b van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het geschat gewicht niet ingevuld;
- c. wordt, indien de vracht uit vaste mest bestaat, bij onderdeel 3b van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het combinatienummer niet ingevuld;
- d. wordt, indien de vracht uit vaste mest bestaat en de bemonstering van de vracht na het laden plaatsvindt, terstond na de bemonstering bij onderdeel 3b van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking ingevuld;
- e. kan bij onderdeel 3c, uiterlijk tot het moment waarop het uit de vracht genomen monster overeenkomstig [artikel 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2008-07-13&g=2008-07-13) aan het in dat artikel bedoelde laboratorium wordt verzonden, worden ingevuld of met het uit de vracht genomen monster een mengmonster samengesteld kan worden;
- f. worden, indien de hoeveelheid van de dierlijke meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2008-07-13&g=2008-07-13) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, bij onderdeel 3b en bij onderdeel 3c van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het nettogewicht van de dierlijke meststoffen, het combinatienummer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking en de code van het laboratorium niet ingevuld; en
- g. behoeft, indien de dierlijke meststoffen buiten Nederland worden gebracht, het vervoersbewijs dierlijke meststoffen niet door de afnemer te worden ondertekend.
##### Artikel 63
De vervoerder van een vracht dierlijke meststoffen verstrekt uiterlijk tien werkdagen na het vervoer de leverancier en de afnemer een afschrift van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen.
##### Artikel 64
1. De op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens worden door de vervoerder uiterlijk 30 werkdagen na het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen op elektronische wijze bij de Dienst Regelingen ingediend.
2. De elektronisch in te dienen gegevens bevatten mede de code van het laboratorium dat de analyse van de dierlijke meststoffen waarop het vervoersbewijs dierlijke meststoffen betrekking heeft, heeft uitgevoerd, en de op basis van deze analyse vastgestelde hoeveelheid dierlijke meststoffen.
3. Indien de hoeveelheid van de dierlijke meststoffen overeenkomstig de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2008-07-13&g=2008-07-13) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, geschiedt de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in zoverre in afwijking van het eerste lid, uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen.
4. In het in het derde lid bedoelde geval kan de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in afwijking van[artikel 53, zesde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), geschieden door middel van het indienen van het origineel van het door de vervoerder ondertekende vervoersbewijs dierlijke meststoffen bij de Dienst Regelingen.
##### Artikel 65
In afwijking van [artikel 53, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), kunnen de leverancier of de afnemer de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen machtigen onder de volgende voorwaarden:
- a. de machtiging geschiedt voordat het vervoer van de vracht waarop de machtiging betrekking heeft plaatsvindt;
- b. er wordt een schriftelijk bewijsstuk van de machtiging opgemaakt dat door de betrokken partijen is ondertekend en dat in ieder geval de datum en de duur van de machtiging en de door de Dienst Regelingen ter identificatie van de bedrijven of ondernemingen van de betrokken partijen verstrekte relatienummers bevat; en
- c. een afschrift van het bewijsstuk van de machtiging, bedoeld onder b, wordt tijdens het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen waarop de machtiging betrekking heeft desgevraagd aan een ambtenaar als bedoeld in [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2008-07-13&g=2008-07-13) verstrekt.
##### Artikel 66
1. In het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=59), bedoelde geval:
- a. wordt, in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2008-07-13&g=2008-07-13), het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de afnemer ingevuld en ondertekend op het tijdstip waarop de kalvergier op de kalvergierbewerkingsinstallatie wordt aangevoerd en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de afnemer aan de leverancier toegezonden, waarna de leverancier het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ondertekent en terugzendt aan de afnemer; en
- b. kan, in afwijking van [artikel 53, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), de leverancier de afnemer ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen machtigen, onder de in [artikel 65, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=65&z=2008-07-13&g=2008-07-13), genoemde voorwaarden.
2. In het in artikel 59, onderdeel e, bedoelde geval en onder de in dat onderdeel, onder 1°, genoemde voorwaarde:
- a. worden, in afwijking van [artikel 61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2008-07-13&g=2008-07-13), uiterlijk bij het laden van de kalvergier de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van het combinatienummer, het netto gewicht en het tijdstip van het lossen, en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, ingevuld en door de leverancier ondertekend;
- b. wordt, in afwijking van [artikel 61, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=61&z=2008-07-13&g=2008-07-13), uiterlijk bij het lossen van de kalvergier, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het tijdstip van het lossen, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder ondertekend; en
- c. wordt terstond na de weging en na de bemonstering van de kalvergier, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het nettogewicht van de kalvergier, onderscheidenlijk onderdeel 3c, voor zover dit betrekking heeft op gegevens ter identificatie van de monsterverpakking, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en door de afnemer ondertekend.
3. In de in [artikel 59, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2008-07-13&g=2008-07-13), bedoelde gevallen:
- a. wordt een afschrift van het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=64&z=2008-07-13&g=2008-07-13), door de afnemer aan de leverancier en de vervoerder verstrekt; en
- b. geschiedt de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in zoverre in afwijking van [artikel 65, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=65&z=2008-07-13&g=2008-07-13), door de afnemer.
##### Artikel 67
[Artikel 53 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) is niet van toepassing op het vervoer van:
- a. dierlijke meststoffen van een tuincentrum of een hovenier naar een afnemer, niet zijnde een landbouwer of een ondernemer;
- b. dierlijke meststoffen die vanuit uit een andere staat rechtstreeks, zonder tussenopslag, in doorvoer buiten Nederland worden gebracht;
- c. uit dierlijke meststoffen afkomstig van paarden geproduceerde grondstoffen voor de productie van substraat voor de teelt van champignons en op het vervoer van substraat door ondernemingen die substraat produceren naar bedrijven die dit substraat gebruiken als groeimedium voor de teelt van champignons, voor zover het vervoer van deze grondstoffen of dit substraat vergezeld gaat van een document dat in ieder geval gegevens bevat over:
- 1°. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier;
- 2°. het door de Dienst Regelingen ter identificatie verstrekte relatienummer van de afnemer;
- 3°. het gewicht van de hoeveelheid afgeleverd product in tonnen of in kilogrammen; en
- 4°. het soort product;
- d. mestkorrels die zijn verpakt in eenheden van ten hoogste 25 kilogram; en
- e. vaste meststoffen die ten hoogste 10% vaste dierlijke meststoffen of 10% champost bevatten, naar een afnemer, die geen bedrijf of intermediaire onderneming voert.
#### § 3. Afleveringsbewijs zuiveringsslib en compost
##### Artikel 68
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 55, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) wordt vastgesteld het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in [bijlage G, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=G&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 55, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) wordt vastgesteld het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in [bijlage G, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=G&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
2. Het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost wordt door de Dienst Regelingen verstrekt en is voorzien van een uniek nummer.
@@ -1050,7 +1052,7 @@
1. Uiterlijk bij het laden van meststoffen worden de onderdelen 1, 3a, 3b en 3c, met uitzondering van het gewicht van de vracht, de hoeveelheden fosfaat en stikstof en het drogestofgehalte, van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld en wordt het vervoersbewijs door de leverancier ondertekend. Ingeval de leverancier een intermediair is, wordt bij onderdeel 1, in voorkomend geval, het registratienummer van de desbetreffende opslag ingevuld.
2. Bij onderdeel 3c wordt als analysenummer ingevuld het bij de desbetreffende vracht behorende analysenummer, bedoeld in [artikel 92b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
2. Bij onderdeel 3c wordt als analysenummer ingevuld het bij de desbetreffende vracht behorende analysenummer, bedoeld in [artikel 92b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
3. Het netto gewicht van de vracht wordt terstond na de weging bij onderdeel 3 van het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld.
@@ -1058,7 +1060,7 @@
5. Met de ondertekening verklaren de leverancier en de vervoerder dat de desbetreffende vracht zuiveringsslib of compost voldoet aan [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=16) onderscheidenlijk [artikel 17 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=17).
6. Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in [bijlage G, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=G&z=2008-07-13&g=2008-07-13), vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld.
6. Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in [bijlage G, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=G&z=2008-11-19&g=2008-11-19), vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld.
7. In zoverre in afwijking van de voorgaande leden, kunnen de gegevens op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost worden vermeld door het printen van deze gegevens in een aan de invulvelden gerelateerde volgorde binnen de daarvoor op het vervoersbewijs bestemde vrije ruimte.
@@ -1082,15 +1084,15 @@
##### Artikel 73
Als forfaitaire productienormen als bedoeld in [artikel 66, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld, die zijn vermeld in [bijlage D, tabel I, kolommen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
Als forfaitaire productienormen als bedoeld in [artikel 66, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld, die zijn vermeld in [bijlage D, tabel I, kolommen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
##### Artikel 74
1. Als forfaitaire productienormen per melkkoe als bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) worden voor de naar de gemiddelde melkproductie en naar het gemiddelde ureumgehalte in de geproduceerde melk onderscheiden melkkoeien vastgesteld de normen die zijn vermeld in [bijlage D, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
1. Als forfaitaire productienormen per melkkoe als bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) worden voor de naar de gemiddelde melkproductie en naar het gemiddelde ureumgehalte in de geproduceerde melk onderscheiden melkkoeien vastgesteld de normen die zijn vermeld in [bijlage D, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
2. De gemiddelde melkproductie per melkkoe, bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66), wordt bepaald door de hoeveelheid in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk te delen door het gemiddeld aantal in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden melkkoeien.
3. De totale hoeveelheid in een kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk en het gemiddelde ureumgehalte, bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66), worden vastgesteld overeenkomstig de krachtens [artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=128&z=2008-07-13&g=2008-07-13) gestelde regels.
3. De totale hoeveelheid in een kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk en het gemiddelde ureumgehalte, bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66), worden vastgesteld overeenkomstig de krachtens [artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=128&z=2008-11-19&g=2008-11-19) gestelde regels.
4. In afwijking van het tweede en het derde lid zijn de gemiddelde melkproductie en het gemiddelde ureumgehalte van koemelk van melkkoeien van landbouwers die op het eigen bedrijf geproduceerde melk zelf verwerken tot eindproducten en landbouwers die minder dan 50 procent van de geproduceerde melk leveren aan een koper als bedoeld in de [Regeling superheffing en melkpremie 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016539), 7500 kilogram, onderscheidenlijk 26 milligram per 100 gram.
@@ -1106,7 +1108,7 @@
1. Het gewicht van de op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, de van een bedrijf of intermediaire onderneming afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), wordt door de vervoerder van de desbetreffende meststoffen bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig.
2. Het gewicht van een hoeveelheid dierlijke meststoffen die ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2008-07-13&g=2008-07-13) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, wordt in afwijking van het eerste lid bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.
2. Het gewicht van een hoeveelheid dierlijke meststoffen die ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2008-11-19&g=2008-11-19) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, wordt in afwijking van het eerste lid bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.
##### Artikel 77
@@ -1118,11 +1120,11 @@
- b. het verschil in gewicht tussen de grootste en de kleinste vracht bedraagt bij drijfmest ten hoogste tien procent en bij vaste mest ten hoogste twintig procent.
3. Het nemen van een monster uit een hoeveelheid dierlijke meststoffen en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
3. Het nemen van een monster uit een hoeveelheid dierlijke meststoffen en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
##### Artikel 78
1. De bemonstering van een vracht drijfmest geschiedt automatisch tijdens het laden van het transportmiddel met behulp van bemonsteringsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2008-07-13&g=2008-07-13), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV onderdeel van de Animal Sciences Group, te Lelystad of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
1. De bemonstering van een vracht drijfmest geschiedt automatisch tijdens het laden van het transportmiddel met behulp van bemonsteringsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2008-11-19&g=2008-11-19), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV onderdeel van de Animal Sciences Group, te Lelystad of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
2. De bemonstering van een vracht vaste mest geschiedt door de vervoerder. Hij stelt een representatief monster samen, bestaande uit deelmonsters die handmatig evenredig verspreid uit de betrokken vracht meststoffen worden genomen.
@@ -1132,13 +1134,13 @@
##### Artikel 79
1. Een uit een vracht drijfmest genomen monster wordt automatisch verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2008-07-13&g=2008-07-13). De verpakking geschiedt met behulp van verpakkingsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2008-07-13&g=2008-07-13), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV onderdeel van de Animal Sciences Group, te Lelystad of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
2. Een uit een vracht vaste mest genomen monster wordt door de vervoerder verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
1. Een uit een vracht drijfmest genomen monster wordt automatisch verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2008-11-19&g=2008-11-19). De verpakking geschiedt met behulp van verpakkingsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2008-11-19&g=2008-11-19), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV onderdeel van de Animal Sciences Group, te Lelystad of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
2. Een uit een vracht vaste mest genomen monster wordt door de vervoerder verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
##### Artikel 80
1. Het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster wordt, onder vermelding van de betrokken leverancier en afnemer, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, door de vervoerder uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toegestuurd aan een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de accreditatienormen van hoofdstuk 3 van het accreditatie-programma AP05, dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
1. Het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster wordt, onder vermelding van de betrokken leverancier en afnemer, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, door de vervoerder uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toegestuurd aan een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de accreditatienormen van hoofdstuk 3 van het accreditatie-programma AP05, dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
2. De vervoerder bewaart de monsters totdat zij aan het laboratorium worden toegestuurd, zodanig dat zij in goede staat blijven verkeren.
@@ -1148,35 +1150,35 @@
2. Indien bij ontvangst van een toegezonden monster wordt geconstateerd dat de monsterverpakking is beschadigd, rapporteert het laboratorium aan de meldkamer van de Algemene Inspectiedienst de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking en het nummer van het op de desbetreffende vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen. Het laboratorium volgt de door de Algemene Inspectiedienst ter zake verstrekte aanwijzingen op.
3. Het laboratorium voldoet aan de overigens in het in [artikel 80, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2008-07-13&g=2008-07-13), bedoelde accreditatieprogramma gestelde eisen.
3. Het laboratorium voldoet aan de overigens in het in [artikel 80, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2008-11-19&g=2008-11-19), bedoelde accreditatieprogramma gestelde eisen.
4. Uiterlijk tien werkdagen na verzending van de analyseresultaten door het laboratorium, kan door de betrokkenen heranalyse worden aangevraagd. Er vindt ten hoogste éénmaal een heranalyse plaats die wordt uitgevoerd door het laboratorium dat de analyse heeft uitgevoerd.
5. Indien een laboratorium het fosfaatgehalte of stikstofgehalte van een monster niet kan vaststellen, omdat het monster na ontvangst door het laboratorium in het ongerede is geraakt, wordt de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) bepaald op basis van de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13) voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
5. Indien een laboratorium het fosfaatgehalte of stikstofgehalte van een monster niet kan vaststellen, omdat het monster na ontvangst door het laboratorium in het ongerede is geraakt, wordt de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) bepaald op basis van de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19) voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
##### Artikel 82
1. In het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2008-07-13&g=2008-07-13), bedoelde geval:
- a. wordt het gewicht van de hoeveelheid kalvergier in afwijking van [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2008-07-13&g=2008-07-13), door de afnemer bepaald met behulp van een in de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht apparaat ter bepaling van het volume, waarbij één kubieke meter kalvergier overeenkomt met 1000 kilogram; en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in zoverre in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2008-07-13&g=2008-07-13), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2008-07-13&g=2008-07-13), onderscheidenlijk[79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2008-07-13&g=2008-07-13) door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht automatische bemonsteringsapparatuur waarmee uit het totale van één leverancier aangevoerde volume kalvergier een representatief monster wordt genomen.
2. In het in [artikel 59, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2008-07-13&g=2008-07-13), bedoelde geval:
- a. wordt het gewicht van de hoeveelheid kalvergier in afwijking van [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2008-07-13&g=2008-07-13), door de afnemer bepaald met behulp van een op de lokatie van de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht weegwerktuig; en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2008-07-13&g=2008-07-13), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2008-07-13&g=2008-07-13), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2008-07-13&g=2008-07-13) door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebrachte automatische bemonsteringsapparatuur en automatische verpakkingsapparatuur als bedoeld in [artikel 78, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2008-07-13&g=2008-07-13), onderscheidenlijk [artikel 79, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
3. [Artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) in samenhang met de [artikelen 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2008-07-13&g=2008-07-13), is niet van toepassing op de van een tuincentrum of een hovenier afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen naar een afnemer, niet zijnde een landbouwer of een ondernemer.
1. In het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2008-11-19&g=2008-11-19), bedoelde geval:
- a. wordt het gewicht van de hoeveelheid kalvergier in afwijking van [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2008-11-19&g=2008-11-19), door de afnemer bepaald met behulp van een in de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht apparaat ter bepaling van het volume, waarbij één kubieke meter kalvergier overeenkomt met 1000 kilogram; en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in zoverre in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2008-11-19&g=2008-11-19), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2008-11-19&g=2008-11-19), onderscheidenlijk[79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2008-11-19&g=2008-11-19) door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht automatische bemonsteringsapparatuur waarmee uit het totale van één leverancier aangevoerde volume kalvergier een representatief monster wordt genomen.
2. In het in [artikel 59, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=59&z=2008-11-19&g=2008-11-19), bedoelde geval:
- a. wordt het gewicht van de hoeveelheid kalvergier in afwijking van [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2008-11-19&g=2008-11-19), door de afnemer bepaald met behulp van een op de lokatie van de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht weegwerktuig; en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2008-11-19&g=2008-11-19), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2008-11-19&g=2008-11-19), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2008-11-19&g=2008-11-19) door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebrachte automatische bemonsteringsapparatuur en automatische verpakkingsapparatuur als bedoeld in [artikel 78, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2008-11-19&g=2008-11-19), onderscheidenlijk [artikel 79, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
3. [Artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) in samenhang met de [artikelen 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2008-11-19&g=2008-11-19), is niet van toepassing op de van een tuincentrum of een hovenier afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen naar een afnemer, niet zijnde een landbouwer of een ondernemer.
##### Artikel 83
Indien een vracht bestaat uit mestkorrels, geldt dat het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, in afwijking van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2008-07-13&g=2008-07-13), onderscheidenlijk [77, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2008-07-13&g=2008-07-13), wordt bepaald op basis van het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals dat is vermeld op de verpakking van de mestkorrels of het begeleidende document bij de mestkorrels.
Indien een vracht bestaat uit mestkorrels, geldt dat het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, in afwijking van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=76&z=2008-11-19&g=2008-11-19), onderscheidenlijk [77, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=77&z=2008-11-19&g=2008-11-19), wordt bepaald op basis van het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals dat is vermeld op de verpakking van de mestkorrels of het begeleidende document bij de mestkorrels.
##### Artikel 84
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kunnen de in een kalenderjaar van het bedrijf afgevoerde dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13) voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kunnen de in een kalenderjaar van het bedrijf afgevoerde dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19) voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. het product van enerzijds het aantal hectaren landbouwgrond dat in dat kalenderjaar tot het bedrijf waarvan de meststoffen afkomstig zijn behoort en anderzijds het per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens [artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11), in de vorm van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm, bedraagt tenminste 85 procent van de totale hoeveelheid op dat bedrijf in dat kalenderjaar geproduceerde dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat;
@@ -1188,7 +1190,7 @@
##### Artikel 85
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel dat voor de duur van ten hoogste één jaar in gebruik is gegeven aan een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel dat voor de duur van ten hoogste één jaar in gebruik is gegeven aan een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar de uit gebruik gegeven percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van enerzijds het aantal hectaren landbouwgrond dat in dat kalenderjaar uit gebruik is gegeven en anderzijds het per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens [artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11), in de vorm van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
@@ -1196,23 +1198,23 @@
- c. het perceel behoorde de voorafgaande twee jaren tot het bedrijf waarvan de dierlijke meststoffen afkomstig zijn;
- d. het perceel is overeenkomstig [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2008-07-13&g=2008-07-13) aangemeld als behorend tot het bedrijf dat het perceel tijdelijk in gebruik heeft; en
- d. het perceel is overeenkomstig [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2008-11-19&g=2008-11-19) aangemeld als behorend tot het bedrijf dat het perceel tijdelijk in gebruik heeft; en
- e. de overeenkomst tot ingebruikgeving is schriftelijk aangegaan.
##### Artikel 86
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een afnemer, die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een afnemer, die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar afnemers die geen bedrijf of onderneming voeren wordt afgevoerd bedraagt ten hoogste 250 kilogram fosfaat; en
- b. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar een afnemer die geen bedrijf of onderneming voert wordt afgevoerd bedraagt ten hoogste 20 kilogram fosfaat per afnemer.
2. Indien vaste dierlijke meststoffen van een intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een afnemer die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de voorwaarde dat de totale hoeveelheid vaste dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar een dergelijke afnemer wordt afgevoerd ten hoogste 20 kilogram fosfaat per afnemer bedraagt.
2. Indien vaste dierlijke meststoffen van een intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een afnemer die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de voorwaarde dat de totale hoeveelheid vaste dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar een dergelijke afnemer wordt afgevoerd ten hoogste 20 kilogram fosfaat per afnemer bedraagt.
##### Artikel 87
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel landbouwgrond dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of in België, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel landbouwgrond dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of in België, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar de in het eerste lid bedoelde percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal hectaren in Duitsland of in België gelegen landbouwgrond en het indien de landbouwgrond in Nederland zou zijn gelegen per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens [artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11), in de vorm van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
@@ -1226,7 +1228,7 @@
- f. indien het perceel in Duitsland is gelegen, behoort dit perceel ingevolge eigendom of ingevolge een in Duitsland geregistreerde pachtovereenkomst toe aan het bedrijf.
2. Indien dierlijke meststoffen worden afgevoerd van een bedrijf dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of België, naar een perceel landbouwgrond dat is gelegen in Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
2. Indien dierlijke meststoffen worden afgevoerd van een bedrijf dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of België, naar een perceel landbouwgrond dat is gelegen in Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar de in de aanhef van dit lid bedoelde percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal hectaren van die percelen en het bij of krachtens [artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11), in de vorm van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
@@ -1240,25 +1242,25 @@
##### Artikel 88
Indien dierlijke meststoffen afkomstig van konijnen, met een drogestofgehalte van ten hoogste 2,5 procent naar of van een bedrijf of onderneming worden aangevoerd, onderscheidenlijk worden afgevoerd, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
Indien dierlijke meststoffen afkomstig van konijnen, met een drogestofgehalte van ten hoogste 2,5 procent naar of van een bedrijf of onderneming worden aangevoerd, onderscheidenlijk worden afgevoerd, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
##### Artikel 89
1. Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden van een bedrijf worden afgevoerd naar een intermediaire onderneming waar tussenopslag van maximaal 48 uur van deze meststoffen plaatsvindt voordat deze meststoffen worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van dat substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde dierlijke meststoffen die in tussenopslag hebben gelegen van de intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van het in het eerst lid bedoelde substraat of grondstof, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
3. Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden van een bedrijf worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
4. Indien het in het derde lid bedoelde substraat van een onderneming of een bedrijf wordt afgevoerd naar een bedrijf waar dit substraat wordt gebruikt voor de teelt van champignons, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
5. Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
6. Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt overgebracht uit Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
1. Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden van een bedrijf worden afgevoerd naar een intermediaire onderneming waar tussenopslag van maximaal 48 uur van deze meststoffen plaatsvindt voordat deze meststoffen worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van dat substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde dierlijke meststoffen die in tussenopslag hebben gelegen van de intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van het in het eerst lid bedoelde substraat of grondstof, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
3. Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden van een bedrijf worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
4. Indien het in het derde lid bedoelde substraat van een onderneming of een bedrijf wordt afgevoerd naar een bedrijf waar dit substraat wordt gebruikt voor de teelt van champignons, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
5. Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
6. Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt overgebracht uit Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
##### Artikel 90
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf als bedoeld in [artikel 43, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2008-07-13&g=2008-07-13), worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf als bedoeld in [artikel 43, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2008-11-19&g=2008-11-19), worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de hoeveelheid dierlijke meststoffen is afkomstig van de op het bedrijf gehouden, dan wel anderszins aanwezige dieren;
@@ -1268,7 +1270,7 @@
##### Artikel 91
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een natuurterrein of overige grond als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel d, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=1), waarvan de desbetreffende landbouwer het exclusieve gebruiksrecht heeft, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een natuurterrein of overige grond als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel d, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=1), waarvan de desbetreffende landbouwer het exclusieve gebruiksrecht heeft, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar het natuurterrein wordt afgevoerd, bedraagt uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal hectaren natuurterrein en de hoeveelheid fosfaat die ingevolge [artikel 2, derde en vierde lid, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=2) per hectare van dat natuurterrein mag worden gebruikt; en
@@ -1280,13 +1282,13 @@
1. Het gewicht van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde, de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), wordt door de vervoerder van de desbetreffende meststoffen bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig.
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, afgevoerde, of de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komt overeen met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals dat voor de hoeveelheid zuiveringsslib of compost waaruit de desbetreffende vracht afkomstig is, overeenkomstig de [artikelen 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2008-07-13&g=2008-07-13) is vastgesteld.
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, afgevoerde, of de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komt overeen met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals dat voor de hoeveelheid zuiveringsslib of compost waaruit de desbetreffende vracht afkomstig is, overeenkomstig de [artikelen 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en [92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2008-11-19&g=2008-11-19) is vastgesteld.
##### Artikel 93
1. Het gewicht van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde, de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig.
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde of de op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2008-07-13&g=2008-07-13) door bemonstering en analyse.
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde of de op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2008-11-19&g=2008-11-19) door bemonstering en analyse.
3. In voorkomend geval geldt dat het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, van de in eerste en tweede lid bedoelde meststoffen overeenkomen met het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende meststoffen.
@@ -1300,7 +1302,7 @@
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 68, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een intermediaire onderneming opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 68, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komt overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2008-07-13&g=2008-07-13), genoemde formulier, respectievelijk in [artikel 46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2008-07-13&g=2008-07-13), genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een intermediaire onderneming opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 68, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komt overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2008-11-19&g=2008-11-19), genoemde formulier, respectievelijk in [artikel 46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2008-11-19&g=2008-11-19), genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
4. Onverminderd het eerste tot en met het derde lid, is de aan het begin van het kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, gelijk aan de aan het einde van het voorafgaande kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen.
@@ -1310,7 +1312,7 @@
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, vierde en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) worden bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld opgeslagen zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komen overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2008-07-13&g=2008-07-13) genoemde formulier, of de in [artikel 46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2008-07-13&g=2008-07-13) genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld opgeslagen zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komen overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2008-11-19&g=2008-11-19) genoemde formulier, of de in [artikel 46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2008-11-19&g=2008-11-19) genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
4. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf of een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld opgeslagen meststoffen anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, vierde en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komen overeen met het gewicht onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende meststoffen. Ingeval van bulkopslag van de desbetreffende meststoffen wordt het gewicht bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze meststoffen
@@ -1320,7 +1322,7 @@
##### Artikel 96
Als forfaitaire stikstofgehalten als bedoeld in [artikel 67, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) worden vastgesteld de gehalten, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, die in [bijlage D, tabel I, kolom D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-07-13&g=2008-07-13), voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën en toegepaste huisvestingssysteem zijn vermeld.
Als forfaitaire stikstofgehalten als bedoeld in [artikel 67, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) worden vastgesteld de gehalten, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, die in [bijlage D, tabel I, kolom D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-11-19&g=2008-11-19), voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën en toegepaste huisvestingssysteem zijn vermeld.
#### § 5. Gasvormige verliezen
@@ -1330,15 +1332,15 @@
- a. bepaalt het gewicht van de desbetreffende hoeveelheid diervoeders door middel van weging met behulp van een weegwerktuig; en
- b. stelt het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en indien van toepassing het droge stofgehalte in de desbetreffende hoeveelheid diervoeders vast overeenkomstig [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
2. Indien het ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2008-07-13&g=2008-07-13) betreft, kunnen in afwijking van het eerste lid, het gewicht worden bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders en kunnen als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
- b. stelt het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en indien van toepassing het droge stofgehalte in de desbetreffende hoeveelheid diervoeders vast overeenkomstig [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
2. Indien het ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2008-11-19&g=2008-11-19) betreft, kunnen in afwijking van het eerste lid, het gewicht worden bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders en kunnen als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
##### Artikel 98
1. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in diervoeders met een vochtgehalte groter dan veertien procent wordt vastgesteld overeenkomstig het protocol, opgenomen in [bijlage K, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=K&z=2008-07-13&g=2008-07-13), op basis van:
- a. de resultaten van de overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in [bijlage K, onderdeel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=K&z=2008-07-13&g=2008-07-13), uitgevoerde bemonstering en analyse van de diervoeders; of
1. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in diervoeders met een vochtgehalte groter dan veertien procent wordt vastgesteld overeenkomstig het protocol, opgenomen in [bijlage K, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=K&z=2008-11-19&g=2008-11-19), op basis van:
- a. de resultaten van de overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in [bijlage K, onderdeel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=K&z=2008-11-19&g=2008-11-19), uitgevoerde bemonstering en analyse van de diervoeders; of
- b. indien het mengvoeder betreft, de berekeningen uitgaande van de bekende gehalten van de nutriënten in de grondstoffen waaruit de diervoeders zijn bereid en het aandeel van deze stoffen in het eindproduct en rekening houdend met de aard van het productieproces.
@@ -1354,13 +1356,13 @@
5. Het resultaat van de analyse wordt door het laboratorium beoordeeld in het licht van de herhaalbaarheid, aangegeven in de betreffende analysemethode. Indien de norm voor herhaalbaarheid wordt overschreden, voert het laboratorium een herhalingsonderzoek op het monster uit.
6. Het laboratorium zendt de resultaten van de analyse binnen één week na ontvangst van het monster naar de ondernemer, bedoeld in [artikel 97, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
6. Het laboratorium zendt de resultaten van de analyse binnen één week na ontvangst van het monster naar de ondernemer, bedoeld in [artikel 97, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
##### Artikel 99
1. De ondernemer, bedoeld in [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2008-07-13&g=2008-07-13), vermeldt bij aflevering van diervoeders aan een bedrijf op het etiket of het begeleidend document:
- a. het overeenkomstig [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2008-07-13&g=2008-07-13) in samenhang met [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2008-07-13&g=2008-07-13) vastgestelde stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het product;
1. De ondernemer, bedoeld in [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2008-11-19&g=2008-11-19), vermeldt bij aflevering van diervoeders aan een bedrijf op het etiket of het begeleidend document:
- a. het overeenkomstig [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2008-11-19&g=2008-11-19) in samenhang met [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2008-11-19&g=2008-11-19) vastgestelde stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het product;
- b. voor diervoeder met een vochtgehalte groter dan veertien procent, het droge stofgehalte dan wel het vochtgehalte en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de droge stof van het desbetreffende diervoeder;
@@ -1380,31 +1382,31 @@
##### Artikel 100
Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden diervoeders, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), anders dan ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2008-07-13&g=2008-07-13), komen overeen met het gewicht onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende diervoeders, bedoeld in [artikel 99, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2008-07-13&g=2008-07-13), dan wel met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals deze ingevolge [artikel 99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2008-07-13&g=2008-07-13), schriftelijk zijn verstrekt. Ingeval van bulkopslag van de desbetreffende diervoeders wordt het gewicht van de aanwezige voorraden diervoeders bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders.
Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden diervoeders, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), anders dan ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2008-11-19&g=2008-11-19), komen overeen met het gewicht onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende diervoeders, bedoeld in [artikel 99, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2008-11-19&g=2008-11-19), dan wel met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals deze ingevolge [artikel 99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=99&z=2008-11-19&g=2008-11-19), schriftelijk zijn verstrekt. Ingeval van bulkopslag van de desbetreffende diervoeders wordt het gewicht van de aanwezige voorraden diervoeders bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders.
##### Artikel 101
1. Het gewicht van het in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) bedoelde op een bedrijf aan- of afgevoerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2008-07-13&g=2008-07-13), wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig, dan wel door middel van meting van het volume en het soortelijk gewicht.
2. Als het gewicht per hectare van het in [artikel 67, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) bedoelde op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2008-07-13&g=2008-07-13), wordt vastgesteld het gewicht dat voor de onderscheiden soorten ruwvoer en enkelvoudig diervoer in die bijlage is vermeld.
3. Als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), en het op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in[artikel 67, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
1. Het gewicht van het in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) bedoelde op een bedrijf aan- of afgevoerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2008-11-19&g=2008-11-19), wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig, dan wel door middel van meting van het volume en het soortelijk gewicht.
2. Als het gewicht per hectare van het in [artikel 67, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) bedoelde op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2008-11-19&g=2008-11-19), wordt vastgesteld het gewicht dat voor de onderscheiden soorten ruwvoer en enkelvoudig diervoer in die bijlage is vermeld.
3. Als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), en het op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in[artikel 67, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
#### § 7. Staldieren en eieren
##### Artikel 102
1. Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier of per kilogram levend gewicht als bedoeld in [artikel 67, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in [bijlage D, tabel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
1. Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier of per kilogram levend gewicht als bedoeld in [artikel 67, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in [bijlage D, tabel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
2. De bepaling van de hoeveelheden stikstof en fosfaat in staldieren, bedoeld in [artikel 67, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), wordt gebaseerd op de in het eerste lid bedoelde forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per kilogram levend gewicht. Ingeval van een dier geen gegevens over het gewicht beschikbaar zijn, worden de hoeveelheden stikstof en fosfaat in dat dier bepaald op basis van de in het eerste lid bedoelde forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier.
##### Artikel 103
Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per kilogram eieren als bedoeld in [artikel 67, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67)worden voor de onderscheiden soorten eieren vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in [bijlage D, tabel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per kilogram eieren als bedoeld in [artikel 67, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67)worden voor de onderscheiden soorten eieren vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in [bijlage D, tabel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht
#### § 7. Staldieren en eieren
#### § 4. Voorraden meststoffen
##### Artikel 104
@@ -1422,7 +1424,7 @@
##### Artikel 105
1. Alvorens de minister een kennisgeving van overgang in behandeling neemt, doet hij van deze kennisgeving schriftelijk mededeling aan iedere hypotheekhouder die het bedrijf van de vervreemder van het productierecht bij de minister voor de toepassing van deze paragraaf ter registratie heeft aangemeld, indien overeenkomstig [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=106&z=2008-07-13&g=2008-07-13), registratie door de minister daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De minister neemt de kennisgeving van overgang niet in behandeling gedurende 30 dagen na dagtekening van deze mededeling.
1. Alvorens de minister een kennisgeving van overgang in behandeling neemt, doet hij van deze kennisgeving schriftelijk mededeling aan iedere hypotheekhouder die het bedrijf van de vervreemder van het productierecht bij de minister voor de toepassing van deze paragraaf ter registratie heeft aangemeld, indien overeenkomstig [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=106&z=2008-11-19&g=2008-11-19), registratie door de minister daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De minister neemt de kennisgeving van overgang niet in behandeling gedurende 30 dagen na dagtekening van deze mededeling.
2. De termijn van 30 dagen wordt verlengd tot negentig dagen na dagtekening van de mededeling, indien een hypotheekhouder binnen de termijn van 30 dagen een verzoek aan de minister bij de Dienst Regelingen indient.
@@ -1438,7 +1440,7 @@
##### Artikel 106
1. De aanmelding ter registratie, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2008-07-13&g=2008-07-13), geschiedt bij de Dienst Regelingen.
1. De aanmelding ter registratie, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2008-11-19&g=2008-11-19), geschiedt bij de Dienst Regelingen.
2. Bij de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
@@ -1452,13 +1454,13 @@
##### Artikel 107
1. Indien de aanmelding, bedoeld in [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=106&z=2008-07-13&g=2008-07-13), niet voor akkoord is medeondertekend door degene op wiens bedrijf de aanmelding betrekking heeft, wordt het bedrijf slechts geregistreerd, indien de hypotheekhouder bij het verzoek tevens een uittreksel van het in [artikel 260, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=260) bedoelde openbare register overlegt, waaruit blijkt op welke registergoederen behorend tot het bedrijf een hypotheekrecht is gevestigd.
2. De minister doet van de registratie, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk mededeling aan degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft. Indien deze binnen 30 dagen na dagtekening van deze mededeling aan de minister verklaart dat de geregistreerde gegevens niet juist zijn, gelden in plaats van [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2008-07-13&g=2008-07-13) de volgende leden.
1. Indien de aanmelding, bedoeld in [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=106&z=2008-11-19&g=2008-11-19), niet voor akkoord is medeondertekend door degene op wiens bedrijf de aanmelding betrekking heeft, wordt het bedrijf slechts geregistreerd, indien de hypotheekhouder bij het verzoek tevens een uittreksel van het in [artikel 260, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=260) bedoelde openbare register overlegt, waaruit blijkt op welke registergoederen behorend tot het bedrijf een hypotheekrecht is gevestigd.
2. De minister doet van de registratie, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk mededeling aan degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft. Indien deze binnen 30 dagen na dagtekening van deze mededeling aan de minister verklaart dat de geregistreerde gegevens niet juist zijn, gelden in plaats van [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2008-11-19&g=2008-11-19) de volgende leden.
3. De minister neemt een kennisgeving van overgang, gedaan door degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft, niet in behandeling zolang de hypotheekhouder de registratie niet laat doorhalen, doch hoogstens gedurende negentig dagen na dagtekening van de schriftelijke mededeling, bedoeld in het tweede lid.
4. De termijn, bedoeld in het derde lid, wordt eenmalig met negentig dagen verlengd indien de hypotheekhouder daartoe binnen de eerstgenoemde termijn een verzoek doet aan de minister bij de Dienst Regelingen, onder gelijktijdige overlegging van een rechterlijke uitspraak of een verklaring van een notaris als bedoeld in [artikel 105, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
4. De termijn, bedoeld in het derde lid, wordt eenmalig met negentig dagen verlengd indien de hypotheekhouder daartoe binnen de eerstgenoemde termijn een verzoek doet aan de minister bij de Dienst Regelingen, onder gelijktijdige overlegging van een rechterlijke uitspraak of een verklaring van een notaris als bedoeld in [artikel 105, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
5. De registratie wordt doorgehaald na afloop van de in het derde, dan wel in voorkomend geval in het vierde lid bedoelde termijn.
@@ -1482,9 +1484,9 @@
- b. gegevens over het aantal varkenseenheden, onderscheidenlijk pluimvee-eenheden waarop de kennisgeving betrekking heeft;
- c. de dagtekening van de mededeling, bedoeld in [artikel 107, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=107&z=2008-07-13&g=2008-07-13); en
- d. de indiening of het achterwege blijven van de verklaring bedoeld in [artikel 107, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=107&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
- c. de dagtekening van de mededeling, bedoeld in [artikel 107, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=107&z=2008-11-19&g=2008-11-19); en
- d. de indiening of het achterwege blijven van de verklaring bedoeld in [artikel 107, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=107&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
#### § 1. Kennisgeving van overgang
@@ -1502,9 +1504,9 @@
##### Artikel 111
1. Een kennisgeving van overgang, bedoeld in [artikel 104, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=1&artikel=104&z=2008-07-13&g=2008-07-13), wordt eerst geregistreerd nadat de verwerver een bedrag van € 250 aan de Dienst Regelingen heeft voldaan.
2. Een aanmelding ter registratie, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2008-07-13&g=2008-07-13), wordt voor de toepassing van [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&z=2008-07-13&g=2008-07-13) eerst in behandeling genomen nadat een bedrag van € 35 aan de Dienst Regelingen is voldaan.
1. Een kennisgeving van overgang, bedoeld in [artikel 104, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=1&artikel=104&z=2008-11-19&g=2008-11-19), wordt eerst geregistreerd nadat de verwerver een bedrag van € 250 aan de Dienst Regelingen heeft voldaan.
2. Een aanmelding ter registratie, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&artikel=105&z=2008-11-19&g=2008-11-19), wordt voor de toepassing van [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=2&z=2008-11-19&g=2008-11-19) eerst in behandeling genomen nadat een bedrag van € 35 aan de Dienst Regelingen is voldaan.
3. Indien de minister op grond van [artikel 29, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=29) niet tot registratie overgaat, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, aan de betaler gerestitueerd.
@@ -1516,13 +1518,13 @@
1. De minister kan indien naar zijn oordeel is voldaan aan deze paragraaf ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=19) en [20, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=20).
2. De ontheffing geldt voor het overeenkomstig [artikel 113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=113&z=2008-07-13&g=2008-07-13) te bepalen gemiddeld aantal varkens onderscheidenlijk kippen en kalkoenen dat in een kalenderjaar ten hoogste mag worden gehouden.
2. De ontheffing geldt voor het overeenkomstig [artikel 113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=113&z=2008-11-19&g=2008-11-19) te bepalen gemiddeld aantal varkens onderscheidenlijk kippen en kalkoenen dat in een kalenderjaar ten hoogste mag worden gehouden.
3. Het gemiddeld aantal varkens onderscheidenlijk kippen en kalkoenen, bedoeld in het tweede lid, wordt uitgedrukt in varkenseenheden onderscheidenlijk in pluimvee-eenheden, overeenkomstig de in [bijlage II van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&bijlage=II) daarvoor opgenomen normen.
##### Artikel 113
1. Het gemiddeld aantal varkens onderscheidenlijk kippen en kalkoenen, bedoeld in [artikel 112, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=112&z=2008-07-13&g=2008-07-13), komt overeen met het verschil in omvang van het op het bedrijf rustende productierecht op het tijdstip, bedoeld in [artikel 119, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=119&z=2008-07-13&g=2008-07-13), en op het tijdstip waarop de ontheffing is verleend, verminderd met de omvang van de verkleiningen van het op het bedrijf rustende productierecht die in de periode vanaf het tijdstip waarop de ontheffing is verleend, hebben plaatsgevonden als gevolg van een registratie van een kennisgeving van een overgang van een productierecht, of gedeelte daarvan als bedoeld in [artikel 27, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=27), en bedraagt ten hoogste de ingevolge [artikel 115, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=115&z=2008-07-13&g=2008-07-13), bedoelde omvang van de voorgenomen vergroting van het varkensrecht, onderscheidenlijk pluimveerecht.
1. Het gemiddeld aantal varkens onderscheidenlijk kippen en kalkoenen, bedoeld in [artikel 112, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=112&z=2008-11-19&g=2008-11-19), komt overeen met het verschil in omvang van het op het bedrijf rustende productierecht op het tijdstip, bedoeld in [artikel 119, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=119&z=2008-11-19&g=2008-11-19), en op het tijdstip waarop de ontheffing is verleend, verminderd met de omvang van de verkleiningen van het op het bedrijf rustende productierecht die in de periode vanaf het tijdstip waarop de ontheffing is verleend, hebben plaatsgevonden als gevolg van een registratie van een kennisgeving van een overgang van een productierecht, of gedeelte daarvan als bedoeld in [artikel 27, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=27), en bedraagt ten hoogste de ingevolge [artikel 115, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=115&z=2008-11-19&g=2008-11-19), bedoelde omvang van de voorgenomen vergroting van het varkensrecht, onderscheidenlijk pluimveerecht.
2. Het totale aantal diereenheden, waarvoor ingevolge deze paragraaf ontheffing wordt verleend bedraagt ten hoogste 270.270. Van dit aantal zijn 135.135 diereenheden gereserveerd voor ontheffingen in het kader van mestverbranding en het resterende aantal is gereserveerd voor ontheffingen in het kader van mestverwerking. Van het laatstbedoelde aantal is 81.081 gereserveerd voor varkenseenheden.
@@ -1572,7 +1574,7 @@
1. De minister beslist in volgorde van de datum van ontvangst op de volledig ingediende aanvragen.
2. Indien dit noodzakelijk is in verband met het bereiken van de in [artikel 113, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=113&z=2008-07-13&g=2008-07-13), bedoelde aantallen wordt door middel van loting beslist over de rangschikking van de op één datum ontvangen aanvragen.
2. Indien dit noodzakelijk is in verband met het bereiken van de in [artikel 113, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=113&z=2008-11-19&g=2008-11-19), bedoelde aantallen wordt door middel van loting beslist over de rangschikking van de op één datum ontvangen aanvragen.
##### Artikel 117
@@ -1594,7 +1596,7 @@
- b. ten aanzien van de installatie is een milieuvergunning afgegeven;
- c. de installatie voldoet steeds aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 117, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=117&z=2008-07-13&g=2008-07-13);
- c. de installatie voldoet steeds aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 117, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=117&z=2008-11-19&g=2008-11-19);
- d. de totale hoeveelheid in een kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde dierlijke meststoffen afkomstig van de diersoort waarop de ontheffing betrekking heeft, wordt uiterlijk in het daarop volgende kalenderjaar in de installatie verbrand of verwerkt en in datzelfde jaar worden de eindproducten die bij de mestverbranding of de mestverwerking ontstaan afgezet;
@@ -1608,7 +1610,7 @@
- i. indien de verbranding of de verwerking van de dierlijke meststoffen niet op een adequate wijze kan geschieden als gevolg van een storing van de installatie, doet de landbouwer hiervan binnen drie dagen melding aan de Dienst Regelingen; en
- j. Wijzigingen in de ingevolge [artikel 115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=115&z=2008-07-13&g=2008-07-13) verstrekte gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging, onder vermelding van het door de Dienst Regelingen ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer, gemeld aan deze dienst..
- j. Wijzigingen in de ingevolge [artikel 115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=115&z=2008-11-19&g=2008-11-19) verstrekte gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging, onder vermelding van het door de Dienst Regelingen ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer, gemeld aan deze dienst..
2. De landbouwer bewaart een afschrift van de overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen f en g, als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
@@ -1618,11 +1620,11 @@
1. De ontheffing geldt voor een periode van 10 jaar.
2. De periode vangt aan op het tijdstip waarop blijkens een aan de Dienst Regelingen te overleggen verklaring voldaan wordt aan de voorschriften, bedoeld in [artikel 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=118&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
2. De periode vangt aan op het tijdstip waarop blijkens een aan de Dienst Regelingen te overleggen verklaring voldaan wordt aan de voorschriften, bedoeld in [artikel 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=118&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
##### Artikel 120
1. De ontheffing kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken indien in strijd wordt gehandeld met één of meer bij of krachtens [artikel 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=118&z=2008-07-13&g=2008-07-13) gestelde voorschriften of indien overigens in strijd wordt gehandeld met de bij of krachtens de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054).
1. De ontheffing kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken indien in strijd wordt gehandeld met één of meer bij of krachtens [artikel 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10&paragraaf=5&artikel=118&z=2008-11-19&g=2008-11-19) gestelde voorschriften of indien overigens in strijd wordt gehandeld met de bij of krachtens de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054).
2. De ontheffing wordt ingetrokken indien de producent, die de aanvraag om ontheffing heeft ingediend, het bedrijf ten aanzien waarvan de ontheffing is verleend, niet langer voert.
@@ -1945,18 +1947,166 @@
Voor overige organische stoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
### **Consumptieaardappelrassen lage norm**
Ramos
### **1. Stikstof (N)**
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststof van anorganische oorsprong:
ISO 5315 – Fertilizers – Determination of total nitrogen – Titrimetric method after distillation.
Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
CSS 99020: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method (Dumas) (www.ecn.nl/horizontal).
Methode BNL-K-1: Bepaling van kalium, oplosbaar in water, in aanwezigheid van organische stof.
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
Voor overige organische stoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge. (www.ecn.nl/horizontal).
Aziza
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
EN 15477: Fertilizers – Determination of the water-soluble potassium content.
Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
Methode BNL-K-1: Bepaling van kalium, oplosbaar in water, in aanwezigheid van organische stof.
Dore
Eigenheimer
Frieslander
Futura
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
Irene
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
Milva
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
## Bijlage A.2. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2006-01-01&g=2006-01-01): Pootaardappelrassen
### **II. Protocol analyse hoeveelheid organische stof in meststoffen**
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
NEN 6961: 2005
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
CSS 99025B Soil, sludge and treated biowaste – Digestion for the extraction of aqua regia soluble fraction of trace elements (www.ecn.nl/horizontal).
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
CSS 99022: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99027: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – mass spectrometry (ICP MS) method.
CSS 99028: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Flame atomic absorption spectrometry method.
NEN 6961: 2005
Milieu – Ontsluiting met salpeterzuur en zoutzuur (koningswater) voor de bepaling van geselecteerde elementen in water, waterbodem, slib, slibhoudend water, luchtstof, grond en bouwstoffen.
CSS 99025B Soil, sludge and treated biowaste – Digestion for the extraction of aqua regia soluble fraction of trace elements (www.ecn.nl/horizontal).
Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma.
Horizontal methoden: (www.ecn/nl/horizontal):
CSS 99026: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – optical emissions spectrometry (ICP OES) method.
CSS 99027: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – mass spectrometry (ICP MS) method.
CSS 99028: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Flame atomic absorption spectrometry method.
CSS 99029: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Graphite furnace atomic absorption spectrometry method.
Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met grafietoventechniek.
Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek.
Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma.
NEN 6970 : 2006
CSS 99030 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of mercury in aqua regia and nitric acid digests – Cold vapour atomic absorption spectrometry and cold vapour atomic fluorescence spectrometry methods
in combinatie met NEN-6978 : 2006
CSS 99045 Soils, sludges and treated biowaste – Determination of dioxins and furans and dioxin-like polychlorinated biphenyls by gas chromatography with high resolution mass spectrometry (GC/HRMS). (www.ecn.nl/horizontal)
CSS 99016 Soils, sludges and treated bio-waste – Determination of polychlorinated biphenyls – Method by GC-MS and GC-ECD (www.ecn.nl/horizontal);
in combinatie met NEN 6980 : 2006
### **Consumptieaardappelrassen hoge norm**
CSS 99015 Soils, sludges and traeted bio-waste – Polycyclic aromatic hydrocarbons (PAH) – Method by gas chromatography (GC) and high performance liquid chromatography (HPLC) (www.ecn.nl/horizontal).
NEN 6970 : 2006
Koepelnorm voor bepaling van organische componenten in grond, waterbodem en bouwstof(grond),
in combinatie met NEN-6978 : 2006
Bodem – Kwantitatieve bepaling van het gehalte aan minerale olie met gaschromatografie.
Lady Christl
Lady Claire
Lady Olympia
Berber
Bintje
Felsina
Fontane
Innovator
Lady Christl
Lady Claire
Lady Olympia
Lady Rosetta
Maritiema
Melody
Miriam
## Bijlage A.3. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2006-01-01&g=2006-01-01): Buitenbloemen
### **Buitenbloemen hoge norm**
Redstar
Sante
Victoria
Diamant
Accent
Agria
@@ -1964,154 +2114,6 @@
Asterix
Aziza
Ballys
Ceasar
Desiree
Diamant
Dore
Eigenheimer
Frieslander
Futura
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
Irene
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
Milva
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
## Bijlage A.2. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2006-01-01&g=2006-01-01): Pootaardappelrassen
### **V. Protocol analyse zware metalen en arseen**
Remarka
NEN 6961: 2005
Milieu – Ontsluiting met salpeterzuur en zoutzuur (koningswater) voor de bepaling van geselecteerde elementen in water, waterbodem, slib, slibhoudend water, luchtstof, grond en bouwstoffen.
CSS 99025B Soil, sludge and treated biowaste – Digestion for the extraction of aqua regia soluble fraction of trace elements (www.ecn.nl/horizontal).
Agata
Horizontal methoden: (www.ecn/nl/horizontal):
CSS 99026: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – optical emissions spectrometry (ICP OES) method.
CSS 99027: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – mass spectrometry (ICP MS) method.
CSS 99028: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Flame atomic absorption spectrometry method.
CSS 99029: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Graphite furnace atomic absorption spectrometry method.
Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met grafietoventechniek.
Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek.
Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma.
Donald
CSS 99030 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of mercury in aqua regia and nitric acid digests – Cold vapour atomic absorption spectrometry and cold vapour atomic fluorescence spectrometry methods
Fontana
CSS 99045 Soils, sludges and treated biowaste – Determination of dioxins and furans and dioxin-like polychlorinated biphenyls by gas chromatography with high resolution mass spectrometry (GC/HRMS). (www.ecn.nl/horizontal)
CSS 99016 Soils, sludges and treated bio-waste – Determination of polychlorinated biphenyls – Method by GC-MS and GC-ECD (www.ecn.nl/horizontal);
in combinatie met NEN 6980 : 2006
Bodem – Kwantitatieve bepaling van het gehalte van Organochloor Bestrijdingsmiddelen (OCB), polychloorbifenylen (PCB) en matig-vluchtige chloorbenzenen met gaschromatografie
CSS 99015 Soils, sludges and traeted bio-waste – Polycyclic aromatic hydrocarbons (PAH) – Method by gas chromatography (GC) and high performance liquid chromatography (HPLC) (www.ecn.nl/horizontal).
NEN 6970 : 2006
Koepelnorm voor bepaling van organische componenten in grond, waterbodem en bouwstof(grond),
in combinatie met NEN-6978 : 2006
Bodem – Kwantitatieve bepaling van het gehalte aan minerale olie met gaschromatografie.
Lady Christl
Lady Claire
### **Consumptieaardappelrassen hoge norm**
Berber
Bintje
Felsina
Fontane
Innovator
Lady Christl
Lady Claire
Lady Olympia
Lady Rosetta
Maritiema
Melody
Miriam
Premiere
Ramos
Redstar
Sante
Victoria
Diamant
Accent
Agria
## Bijlage A.3. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2006-01-01&g=2006-01-01): Buitenbloemen
### **Buitenbloemen hoge norm**
Ballys
Ceasar
Desiree
Diamant
Dore
Eigenheimer
Frieslander
Futura
## Bijlage B. behorende bij [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=29&z=2006-01-01&g=2006-01-01): Werkingscoëfficiënt
@@ -2139,815 +2141,831 @@
### **Principe**
Dore
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal
Futura
Gloria
Irene
Markies
Milva
Minerva
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal
Producent
Mondial
Morene
### **2. Voorbehandeling van de grondmonsters**
Remarka
Russet Burbank
### **3. Analyse van grondmonsters**
Ukama
### **2. Voorbehandeling van de grondmonsters**
### **Pootaardappelrassen hoge norm**
Agata
Alcmaria
### **Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal**
Arinda
Berber
Binella
Climax
Desiree
Agata
Alcmaria
Donald
Elisabeth
Fontana
Gloria
Innova/Innovator
Jaeral
Junior
Leyla
Linzer Delikatess
Miriam
Premiere
Prior
Rikea
Romano
Sirco
Sirtema
Sofia (AR 93-272)
Tresor
Ukama
Florijn
Arcade
Astarte
### **3. Werkwijze**
Baraka
Diamant
Elles
Elvira
Florijn
Kardal
Karnico
Kondor
### **4. Berekening**
Mondial
Morene
Picasso
Remarka
Resosant
Van Gogh
Vebesta
Vento
### **1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond**
Veronica
Alchemilla mollis
Carthamus
Gypsophila paniculata
### **Principe**
### **1. Abstract**
Paeonia
Solidago
### **2. Voorbehandeling van de grondmonsters**
Arinda
### **3. Analyse van grondmonsters**
Binella
### **2. Voorbehandeling van de grondmonsters**
### **2. Voorbehandeling van de grondmonsters**
Donald
Elisabeth
### **Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal**
Gloria
Innova/Innovator
Jaeral
Junior
Leyla
Linzer Delikatess
Miriam
Premiere
Prior
Rikea
Romano
Sirco
Sirtema
Sofia (AR 93-272)
Tresor
Ukama
Florijn
Arcade
Astarte
Asterix
Baraka
Diamant
Elles
Elvira
Florijn
Kardal
Karnico
Bepaal de grootte van het perceel. Het perceel dient onderverdeeld te worden in blokken (stratificatie) aan de hand van een speciaal daarvoor opgesteld software programma (PM naam programma). Het software programma is op CD-ROM te verkrijgen bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en dient geïnstalleerd te worden op een veldcomputer. De blokken dienen van gelijke grootte te zijn en zo compact mogelijk samengesteld, zodat de bemonsteringspunten zo goed mogelijk worden verdeeld over het perceel. Het aantal blokken dient overeen te komen met het aantal bemonsteringspunten overeenkomstig tabel I. Op elk bemonsteringspunt wordt grond bemonsterd van de voorgeschreven bodemlaag. De hoeveelheid (volume) gestoken grond is gelijk voor alle bemonsteringspunten.
Selecteer per blok volledig aselect met behulp van het software programma (PM naam programma) één bemonsteringspunt. Lokaliseer deze punten met GPS. Indien een gelokaliseerd bemonsteringspunt buiten het perceel valt, bemonster dan het meest dichtbij gelegen punt binnen het perceel.
Selecteer een geschikte boor (steekguts of edelmanboor) om de grondmonstername mee uit te voeren. De te gebruiken boor dient grondig gereinigd te zijn alvorens deze wordt gebruikt. Grondresten van een ander perceel dienen afwezig te zijn.
Bemonster met een geschikte boor grond tot 10 centimeter diepte op grasland of tot 10 centimeter dan wel tot 25 centimeter op bouwland. Tot de aangegeven diepte dient de boor volledig met grond gevuld te zijn. Mijd bij bemonstering meststofresten.
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld software programma (PM naam programma) dat op CD-ROM te verkrijgen is bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In onderdeel I van dit protocol wordt aangegeven hoe de bemonstering van een perceel bouwland of grasland dient plaats te vinden. De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal, die respectievelijk staan omschreven in onderdeel II en III van dit protocol. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test die vergeleken moet worden met de waarden die opgenomen zijn in [artikel 29, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=29&z=2008-11-19&g=2008-11-19) van de regeling. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw monster gestoken te worden om het mengmonster te verkrijgen.
Eventueel wordt op een bemonsteringspunt twee maal een monster gestoken om de minimale hoeveelheid grond te verzamelen, maar dit dient dan op alle bemonsteringspunten te gebeuren.
Breng de grondmonsters over naar het laboratorium voor verdere behandeling. Bewaar het grondmonster in een niet-luchtdicht afgesloten plastic zak bij 5 °C ± 3 °C in het donker. Het grondmonster mag maximaal drie maanden worden bewaard. Indien het grondmonster niet binnen deze drie maanden geanalyseerd wordt, dient een nieuw grondmonster genomen te worden.
Voor de bemonstering van een perceel landbouwgrond dienen de volgende stappen uitgevoerd te worden. Markeer de vormbepalende hoekpunten en leg met een Global Positioning System (GPS) de omvang en vorm van het perceel vast. De afwijking van de GPS mag niet groter zijn dan 5 meter. De bemestingsvrije zones dienen bij deze bepaling niet meegenomen te worden. Indien het perceel verdeeld is onder meerdere gebruikers, dan wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd.
Bepaal de grootte van het perceel. Het perceel dient onderverdeeld te worden in blokken (stratificatie) aan de hand van een speciaal daarvoor opgesteld software programma (PM naam programma). Het software programma is op CD-ROM te verkrijgen bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en dient geïnstalleerd te worden op een veldcomputer. De blokken dienen van gelijke grootte te zijn en zo compact mogelijk samengesteld, zodat de bemonsteringspunten zo goed mogelijk worden verdeeld over het perceel. Het aantal blokken dient overeen te komen met het aantal bemonsteringspunten overeenkomstig tabel I. Op elk bemonsteringspunt wordt grond bemonsterd van de voorgeschreven bodemlaag. De hoeveelheid (volume) gestoken grond is gelijk voor alle bemonsteringspunten.
Selecteer per blok volledig aselect met behulp van het software programma (PM naam programma) één bemonsteringspunt. Lokaliseer deze punten met GPS. Indien een gelokaliseerd bemonsteringspunt buiten het perceel valt, bemonster dan het meest dichtbij gelegen punt binnen het perceel.
Selecteer een geschikte boor (steekguts of edelmanboor) om de grondmonstername mee uit te voeren. De te gebruiken boor dient grondig gereinigd te zijn alvorens deze wordt gebruikt. Grondresten van een ander perceel dienen afwezig te zijn.
Bemonster met een geschikte boor grond tot 10 centimeter diepte op grasland of tot 10 centimeter dan wel tot 25 centimeter op bouwland. Tot de aangegeven diepte dient de boor volledig met grond gevuld te zijn. Mijd bij bemonstering meststofresten.
Trek de boor met grond uit de bodem en breng met behulp van de bijbehorende duimspatel de grond over in een stevige plastic zak of papieren zak met polyethyleen bekleding. Verzamel op deze wijze grond op alle bemonsteringspunten (zie tabel 1) en breng dit samen in een zak. De booromvang dient zo groot te zijn dat het mengmonster minimaal 1 kilogram weegt. Op alle bemonsteringspunten dient een gelijke hoeveelheid grond te worden verzameld.
Eventueel wordt op een bemonsteringspunt twee maal een monster gestoken om de minimale hoeveelheid grond te verzamelen, maar dit dient dan op alle bemonsteringspunten te gebeuren.
Breng de grondmonsters over naar het laboratorium voor verdere behandeling. Bewaar het grondmonster in een niet-luchtdicht afgesloten plastic zak bij 5 °C ± 3 °C in het donker. Het grondmonster mag maximaal drie maanden worden bewaard. Indien het grondmonster niet binnen deze drie maanden geanalyseerd wordt, dient een nieuw grondmonster genomen te worden.
Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van het ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.
Behandel het grondmonster voor volgens de norm NEN 5751. Bij de bepaling van het Pw-getal dient van de norm NEN 5751 te worden afgeweken. Er dient te worden gewerkt met een fractie van het grondmonster dat over 2 millimeter is gezeefd.
2.1. Azijnzuur 100% pro analyse
Het mengmonster wordt volgens de voorgeschreven methoden van grondonderzoek (zie onderdeel II en III) voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal (voor grasland) of het Pw-getal (voor bouwland). Het gemiddelde van de duplo bepalingen is de uitslag van de test, welke vergeleken moet worden met de waarde die opgenomen is in [artikel 29, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=29&z=2008-11-19&g=2008-11-19) van de regeling. Een heranalyse van het geanalyseerde grondmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw grondmonster gestoken te worden. Het genomen grondmonster dient door het laboratorium minimaal 2 jaar na de analyse bewaard te worden.
2.3. Ammonia 25%
2.4. Actieve kool (zie opmerking 5.2)
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing van pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauw methode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per 100 gram grond.
Bij de bepaling van het PAL-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p.19–22.
Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van het ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.
### **3.Werkwijze**
2.1. Azijnzuur 100% pro analyse
2.2. Melkzuur, soortelijk gewicht 1,2 gram/centimeter3
2.3. Ammonia 25%
2.4. Actieve kool (zie opmerking 5.2)
### **3.Werkwijze**
Geef eerst het melkzuur een voorbehandeling om de lactiden, die altijd aanwezig zijn, door hydrolyse om te zetten in melkzuur (zie ook opmerking 5.1). Handel daarvoor als volgt: verdun 1 liter melkzuur met een soortelijk gewicht van 1,2 gram/centimeter3 met 2 liter water. Dek de kolf af met een horlogeglas en zet deze gedurende 48 uur in de stoof bij 95°C. Laat de oplossing daarna aan de lucht afkoelen. Bepaal van dit ‘verdunde melkzuur’ de normaliteit. Pipetteer daarvoor 100 milliliter in een maatkolf van 100 milliliter, en vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met 0,1 N NaOH en met phenolphtalein (of fenolftaline) als indicator.
Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van het ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.
Stel de gevonden normaliteit van het ‘verdunde melkzuur’ = a.
### **4. Berekening**
Bepaal de normaliteit van de ammonia. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de geconcentreerde ammonia in een maatkolf van 500 milliliter, waarin zich al 400 milliliter water bevindt; vul aan met water tot de maatstreep en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde HCl 0,1N met methyloranje als indicator.
## Bijlage D. Diergebonden normen
### **5. Opmerkingen**
2.6. Extractievloeistof
### **5. Opmerkingen**
2.7. Oplossingen
### Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2007-02-09&g=2007-02-09), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2007-02-09&g=2007-02-09), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2007-02-09&g=2007-02-09), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2007-02-09&g=2007-02-09), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2007-02-09&g=2007-02-09) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=5&artikel=96&z=2007-02-09&g=2007-02-09)
Oplossing I
### Tabel II A. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2007-02-09&g=2007-02-09) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2007-02-09&g=2007-02-09)
### **3. Werkwijze**
Marfona
Mondial
Morene
Picasso
Remarka
Resosant
Van Gogh
Vebesta
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2006-01-01&g=2006-01-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2006-01-01&g=2006-01-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2006-01-01&g=2006-01-01)
### Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2007-07-22&g=2007-07-22) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
2.8. Standaardoplossing
### **Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103**
### **A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur**
### **A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur**
Vul een buret met de verdunde standaardoplossing. Laat hieruit in maatkolfjes van 100 milliliter respectievelijk 0, 2, 4, 6, 8, 10, 20 en 30 milliliter vloeien. Deze reeks bevat dan respectievelijk 0; 0,1; 0,2; 0,3; 0,4; 0,5; 1,0 en 1,5 milligram P2O5. Vul het volume aan met water tot circa 40 milliliter. Voeg vervolgens 10 milliliter toe van oplossing I, zwenk om, voeg daarna 10 milliliter van oplossing II toe, zwenk weer om en voeg na 20 minuten wachten 20 milliliter van oplossing III toe. Zwenk om, vul aan met water tot de maatstreep en meng. Meet de extinctie in een cuvet van 10 millimeter in de spectrofotometer bij een golflengte van 735 nanometer. Bereken de ijkfactor door de som van de P2O5 dosering van de reeks 4,0 milligram P2O5 te delen door de som van de netto-extincties (dit zijn de extincties die verminderd zijn met de extinctie van de 0-proef van de reeks). De waarde van de ijkfactor bedraagt ongeveer 1,90.
3.1. Bereiding van het extract
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22 °C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
### **D. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van drijfmest**
3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
Zwenk om en voeg na een kwartier wachten 20 milliliter van oplossing III toe.
### **Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal**
Vul een buret met de verdunde standaardoplossing. Laat hieruit in maatkolfjes van 100 milliliter respectievelijk 0, 2, 4, 6, 8, 10, 20 en 30 milliliter vloeien. Deze reeks bevat dan respectievelijk 0; 0,1; 0,2; 0,3; 0,4; 0,5; 1,0 en 1,5 milligram P2O5. Vul het volume aan met water tot circa 40 milliliter. Voeg vervolgens 10 milliliter toe van oplossing I, zwenk om, voeg daarna 10 milliliter van oplossing II toe, zwenk weer om en voeg na 20 minuten wachten 20 milliliter van oplossing III toe. Zwenk om, vul aan met water tot de maatstreep en meng. Meet de extinctie in een cuvet van 10 millimeter in de spectrofotometer bij een golflengte van 735 nanometer. Bereken de ijkfactor door de som van de P2O5 dosering van de reeks 4,0 milligram P2O5 te delen door de som van de netto-extincties (dit zijn de extincties die verminderd zijn met de extinctie van de 0-proef van de reeks). De waarde van de ijkfactor bedraagt ongeveer 1,90.
### **4. Berekening**
Solidago
Veronica
Alchemilla mollis
Carthamus
Gypsophila paniculata
Lymonium
Lysimachia
Paeonia
### **1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond**
Veronica
Bepaal de grootte van het perceel. Het perceel dient onderverdeeld te worden in blokken (stratificatie) aan de hand van een speciaal daarvoor opgesteld software programma (PM naam programma). Het software programma is op CD-ROM te verkrijgen bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en dient geïnstalleerd te worden op een veldcomputer. De blokken dienen van gelijke grootte te zijn en zo compact mogelijk samengesteld, zodat de bemonsteringspunten zo goed mogelijk worden verdeeld over het perceel. Het aantal blokken dient overeen te komen met het aantal bemonsteringspunten overeenkomstig tabel I. Op elk bemonsteringspunt wordt grond bemonsterd van de voorgeschreven bodemlaag. De hoeveelheid (volume) gestoken grond is gelijk voor alle bemonsteringspunten.
Selecteer per blok volledig aselect met behulp van het software programma (PM naam programma) één bemonsteringspunt. Lokaliseer deze punten met GPS. Indien een gelokaliseerd bemonsteringspunt buiten het perceel valt, bemonster dan het meest dichtbij gelegen punt binnen het perceel.
Selecteer een geschikte boor (steekguts of edelmanboor) om de grondmonstername mee uit te voeren. De te gebruiken boor dient grondig gereinigd te zijn alvorens deze wordt gebruikt. Grondresten van een ander perceel dienen afwezig te zijn.
### **Principe**
Als Ea de extinctie is, gemeten voor het monster, Eb die van de blanco-bepaling dan wordt de berekening als volgt:
(Ea – Eb) x (50/milliliter filtraat) x F x 100/2,5 = milligram P2O5 per 100 gram luchtdroge grond.
Voor 25 milliliter filtraat wordt de berekeningsformule dan:
(Ea – Eb) x 2 x 1,9 x 100/2,5 = (Ea – Eb) x 152 = milligram P2O5 per 100 gram grond
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
Ea = extinctie van de analyse-meetvloeistof
### **1. Abstract**
Eventueel wordt op een bemonsteringspunt twee maal een monster gestoken om de minimale hoeveelheid grond te verzamelen, maar dit dient dan op alle bemonsteringspunten te gebeuren.
Breng de grondmonsters over naar het laboratorium voor verdere behandeling. Bewaar het grondmonster in een niet-luchtdicht afgesloten plastic zak bij 5 °C ± 3 °C in het donker. Het grondmonster mag maximaal drie maanden worden bewaard. Indien het grondmonster niet binnen deze drie maanden geanalyseerd wordt, dient een nieuw grondmonster genomen te worden.
### **2. Voorbehandeling van de grondmonsters**
Bepaal de grootte van het perceel. Het perceel dient onderverdeeld te worden in blokken (stratificatie) aan de hand van een speciaal daarvoor opgesteld software programma (PM naam programma). Het software programma is op CD-ROM te verkrijgen bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en dient geïnstalleerd te worden op een veldcomputer. De blokken dienen van gelijke grootte te zijn en zo compact mogelijk samengesteld, zodat de bemonsteringspunten zo goed mogelijk worden verdeeld over het perceel. Het aantal blokken dient overeen te komen met het aantal bemonsteringspunten overeenkomstig tabel I. Op elk bemonsteringspunt wordt grond bemonsterd van de voorgeschreven bodemlaag. De hoeveelheid (volume) gestoken grond is gelijk voor alle bemonsteringspunten.
Selecteer per blok volledig aselect met behulp van het software programma (PM naam programma) één bemonsteringspunt. Lokaliseer deze punten met GPS. Indien een gelokaliseerd bemonsteringspunt buiten het perceel valt, bemonster dan het meest dichtbij gelegen punt binnen het perceel.
Selecteer een geschikte boor (steekguts of edelmanboor) om de grondmonstername mee uit te voeren. De te gebruiken boor dient grondig gereinigd te zijn alvorens deze wordt gebruikt. Grondresten van een ander perceel dienen afwezig te zijn.
Bemonster met een geschikte boor grond tot 10 centimeter diepte op grasland of tot 10 centimeter dan wel tot 25 centimeter op bouwland. Tot de aangegeven diepte dient de boor volledig met grond gevuld te zijn. Mijd bij bemonstering meststofresten.
Trek de boor met grond uit de bodem en breng met behulp van de bijbehorende duimspatel de grond over in een stevige plastic zak of papieren zak met polyethyleen bekleding. Verzamel op deze wijze grond op alle bemonsteringspunten (zie tabel 1) en breng dit samen in een zak. De booromvang dient zo groot te zijn dat het mengmonster minimaal 1 kilogram weegt. Op alle bemonsteringspunten dient een gelijke hoeveelheid grond te worden verzameld.
Eventueel wordt op een bemonsteringspunt twee maal een monster gestoken om de minimale hoeveelheid grond te verzamelen, maar dit dient dan op alle bemonsteringspunten te gebeuren.
Breng de grondmonsters over naar het laboratorium voor verdere behandeling. Bewaar het grondmonster in een niet-luchtdicht afgesloten plastic zak bij 5 °C ± 3 °C in het donker. Het grondmonster mag maximaal drie maanden worden bewaard. Indien het grondmonster niet binnen deze drie maanden geanalyseerd wordt, dient een nieuw grondmonster genomen te worden.
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
Behandel het grondmonster voor volgens de norm NEN 5751. Bij de bepaling van het Pw-getal dient van de norm NEN 5751 te worden afgeweken. Er dient te worden gewerkt met een fractie van het grondmonster dat over 2 millimeter is gezeefd.
2.1. Azijnzuur 100% pro analyse
Het mengmonster wordt volgens de voorgeschreven methoden van grondonderzoek (zie onderdeel II en III) voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal (voor grasland) of het Pw-getal (voor bouwland). Het gemiddelde van de duplo bepalingen is de uitslag van de test, welke vergeleken moet worden met de waarde die opgenomen is in [artikel 29, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=29&z=2008-07-13&g=2008-07-13) van de regeling. Een heranalyse van het geanalyseerde grondmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw grondmonster gestoken te worden. Het genomen grondmonster dient door het laboratorium minimaal 2 jaar na de analyse bewaard te worden.
2.3. Ammonia 25%
2.4. Actieve kool (zie opmerking 5.2)
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing van pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauw methode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per 100 gram grond.
Bij de bepaling van het PAL-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p.19–22.
Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van het ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.
F = waarde van de ijkfactor verkregen uit de ijklijn = ongeveer 1,9
Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23-26.
5.1. Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.
5.2. De kool dient voor de ontkleuring van het grondextract, dat door humeuze verbindingen meer of minder bruin gekleurd kan zijn. Het preparaat mag dus geen kationen of anionen aan het extract afgeven of er uit adsorberen.
5.3. Het verdunnen en verhitten van het melkzuur dient om de lactiden, die altijd aanwezig zijn door hydrolyse om te zetten in melkzuur. In sommige preparaten kan de concentratie aan lactiden 20% bedragen. De verdunde oplossing wordt hierdoor in stabiel, tenzij men de lactiden vooraf hydrolyseert. De reactie die zich onder de voorgeschreven omstandigheden voltrekt, is onomkeerbaar. Geconcentreerd melkzuur bevat:
### **7. Signalering van storingen**
2.2. Molybdaat oplossing 4%
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50 °C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
### **7. Signalering van storingen**
### **7. Signalering van storingen**
2.4. Ascorbinezuur oplossing 1,75%
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
2.1. Azijnzuur 100% pro analyse
2.2. Melkzuur, soortelijk gewicht 1,2 gram/centimeter3
2.3. Ammonia 25%
2.4. Actieve kool (zie opmerking 5.2)
2.5. Moederoplossing voor extractievloeistof
Geef eerst het melkzuur een voorbehandeling om de lactiden, die altijd aanwezig zijn, door hydrolyse om te zetten in melkzuur (zie ook opmerking 5.1). Handel daarvoor als volgt: verdun 1 liter melkzuur met een soortelijk gewicht van 1,2 gram/centimeter3 met 2 liter water. Dek de kolf af met een horlogeglas en zet deze gedurende 48 uur in de stoof bij 95°C. Laat de oplossing daarna aan de lucht afkoelen. Bepaal van dit ‘verdunde melkzuur’ de normaliteit. Pipetteer daarvoor 100 milliliter in een maatkolf van 100 milliliter, en vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met 0,1 N NaOH en met phenolphtalein (of fenolftaline) als indicator.
Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van het ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.
### **3.Werkwijze**
Stel de gevonden normaliteit van het ijsazijn = b.
Bepaal de normaliteit van de ammonia. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de geconcentreerde ammonia in een maatkolf van 500 milliliter, waarin zich al 400 milliliter water bevindt; vul aan met water tot de maatstreep en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde HCl 0,1N met methyloranje als indicator.
Stel de gevonden normaliteit van de ammonia = c.
Breng voor het bereiden van de moederoplossing de genoemde vloeistoffen respectievelijk 10000/a milliliter ‘verdund melkzuur’, 40000/b milliliter ijsazijn en 10000/c milliliter geconcentreerde ammonia in een fles van 10 liter, waarin zich reeds circa 3 liter water bevindt. Meng, koel af aan de lucht, vul met water aan tot 10 liter en meng weer.
### **3.Werkwijze**
Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.
2.7. Oplossingen
De volgende drie oplossingen dienen samengesteld te worden. De oplossingen zijn nodig voor de bepaling van het fosfaatgehalte.
2.1. Zwavelzuur 5N
### **E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest**
2.2. Molybdaat oplossing 4%
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50 °C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
### **2. Inlezen gegevens**
Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.
### **2. Inlezen gegevens**
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
2.5. Kaliumantimonyltartraat oplossing 0,275%
Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcylinder) wordt de volgende oplossing bereid.
In een maatkolf van 200 milliliter 0,550 gram kaliumantimonyltartraat (KSb OC4H4O6.½H2O) in gedestilleerd water oplossen en verdunnen tot 200 milliliter.
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
2.6. Mengreagens
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
Laat het mengreagens ongeveer 20 minuten staan en, indien noodzakelijk, filtreer het mengreagens ter verwijdering van een soms gevormd blauw colloïdaal neerslag. Het blauw colloïdaal neerslag kan hoge blancowaarden geven bij de bepaling.
2.7. IJkoplossingen
Los 1,9167 gram KH2PO4 (volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedistilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.
Verdun 10 milliliter voorraadoplossing tot 1 liter. 10 milliliter van deze gebruiksoplossing bevat 100 microgram P2O5.
Pipetteer in maatkolven van 200 milliliter: 10, 20, 40, 60, 80 milliliter gebruiksoplossing en vul aan tot 200 milliliter. Deze standaardoplossing bevat per 20 milliliter respectievelijk: 10, 20, 40, 60, 80 microgram P2O5.
2.8. Vaststellen van de ijklijn:
### **4. Berekening**
Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO 3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.
20 milliliter mengreagens 6) + 20 milliliter standaardoplossingnen en meng goed.
Meet, nadat de oplossing 20 minuten heeft gestaan, de lichtabsorptie van de oplossing in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij golflengte 882 nanometer of bij 720 nanometer.
## Bijlage F
### **5. Opmerkingen**
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
## Bijlage D. Diergebonden normen
### **5. Opmerkingen**
Oplossing III
### **5. Opmerkingen**
2.8. Standaardoplossing
### Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2007-02-09&g=2007-02-09), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2007-02-09&g=2007-02-09), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2007-02-09&g=2007-02-09), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2007-02-09&g=2007-02-09), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2007-02-09&g=2007-02-09) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=5&artikel=96&z=2007-02-09&g=2007-02-09)
2.9. Verdunde standaardoplossing
### Tabel II A. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2007-02-09&g=2007-02-09) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2007-02-09&g=2007-02-09)
### **3. Werkwijze**
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2006-01-01&g=2006-01-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2006-01-01&g=2006-01-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2006-01-01&g=2006-01-01)
### Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2007-07-22&g=2007-07-22) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
### **Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103**
### **A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur**
### **A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur**
Vul een buret met de verdunde standaardoplossing. Laat hieruit in maatkolfjes van 100 milliliter respectievelijk 0, 2, 4, 6, 8, 10, 20 en 30 milliliter vloeien. Deze reeks bevat dan respectievelijk 0; 0,1; 0,2; 0,3; 0,4; 0,5; 1,0 en 1,5 milligram P2O5. Vul het volume aan met water tot circa 40 milliliter. Voeg vervolgens 10 milliliter toe van oplossing I, zwenk om, voeg daarna 10 milliliter van oplossing II toe, zwenk weer om en voeg na 20 minuten wachten 20 milliliter van oplossing III toe. Zwenk om, vul aan met water tot de maatstreep en meng. Meet de extinctie in een cuvet van 10 millimeter in de spectrofotometer bij een golflengte van 735 nanometer. Bereken de ijkfactor door de som van de P2O5 dosering van de reeks 4,0 milligram P2O5 te delen door de som van de netto-extincties (dit zijn de extincties die verminderd zijn met de extinctie van de 0-proef van de reeks). De waarde van de ijkfactor bedraagt ongeveer 1,90.
F = waarde van de ijkfactor verkregen uit de ijklijn = ongeveer 1,9
Als Ea de extinctie is, gemeten voor het monster, Eb die van de blanco-bepaling dan wordt de berekening als volgt:
### **D. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van drijfmest**
Voor 25 milliliter filtraat wordt de berekeningsformule dan:
(Ea – Eb) x 2 x 1,9 x 100/2,5 = (Ea – Eb) x 152 = milligram P2O5 per 100 gram grond
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2008-01-01&g=2008-01-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2008-01-01&g=2008-01-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2008-01-01&g=2008-01-01)
### **4. Berekening**
### Tabel II A. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
(Ea – Eb) x F x 3 = aantal microgram P2O5/centimeter3 grond = aantal milligram P2O5/liter grond.
Hierin is:
### **Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal**
Eb = extinctie van de blanco
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg stikstof resp. kg fosfaat per jaar) en in m3 mest per zes maanden
5.1. Filtraten die ondanks de bij het filtreren in acht genomen voorzorgen troebel zijn, worden op de volgende wijze geklaard. Per 50 milliliter filtraat ongeveer 1,5 gram vast natriumchloride (NaCI) toevoegen en laten oplossen. Dan opnieuw filtreren. De nu uitgevlokte colloïdale bestanddelen laten zich gemakkelijk affiltreren. De NaCI-coneentratie van ongeveer 0,5N stoort de fosfaatbepaling niet.
1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.
### Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=5&artikel=96&z=2008-11-19&g=2008-11-19)
De stikstofexcreties van staldieren moeten berekend worden conform de stalbalans. In deze tabel zijn voor staldieren wel excretieforfaits opgenomen (schuingedrukt) als hulpmiddel om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
In hoofdstuk 2 van dit document zijn de algemene eisen vermeld waaraan een laboratorium moet voldoen om in aanmerking komen voor accreditatie door de Raad van Accreditatie. De verrichtingen die onder het accreditatieprogramma vallen zijn in hoofdstuk 3 vermeld. In hoofdstuk 4 zijn de monsteroverdracht en de daarbij horende verantwoordelijkheden beschreven.
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg stikstof resp. kg fosfaat per jaar) en in m3 per zes maanden
2.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het combinatienummer automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen.
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg stikstof resp. kg fosfaat per jaar) en in m3 mest per zes maanden
2.1. Een laboratorium dat op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet analyse uitvoert naar de gehalten stikstof en fosfaat van uit een vracht dierlijke meststoffen genomen mestmonster is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’.
1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23-26.
5.1. Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.
5.2. De kool dient voor de ontkleuring van het grondextract, dat door humeuze verbindingen meer of minder bruin gekleurd kan zijn. Het preparaat mag dus geen kationen of anionen aan het extract afgeven of er uit adsorberen.
5.3. Het verdunnen en verhitten van het melkzuur dient om de lactiden, die altijd aanwezig zijn door hydrolyse om te zetten in melkzuur. In sommige preparaten kan de concentratie aan lactiden 20% bedragen. De verdunde oplossing wordt hierdoor in stabiel, tenzij men de lactiden vooraf hydrolyseert. De reactie die zich onder de voorgeschreven omstandigheden voltrekt, is onomkeerbaar. Geconcentreerd melkzuur bevat:
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
2.2. Molybdaat oplossing 4%
### **1. Abstract**
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23-26.
2.4. Ascorbinezuur oplossing 1,75%
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
2.1. Zwavelzuur 5N
### **7. Signalering van storingen**
2.2. Molybdaat oplossing 4%
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50 °C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
### **7. Signalering van storingen**
### **7. Signalering van storingen**
2.4. Ascorbinezuur oplossing 1,75%
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
2.5. Kaliumantimonyltartraat oplossing 0,275%
### **E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest**
In een maatkolf van 200 milliliter 0,550 gram kaliumantimonyltartraat (KSb OC4H4O6.½H2O) in gedestilleerd water oplossen en verdunnen tot 200 milliliter.
Deze oplossing moet binnen een week worden gebruikt en worden bewaard bij kamertemperatuur, in een koelkast bij enkele graden boven 0 °C langer.
### **2. Inlezen gegevens**
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
### **2. Inlezen gegevens**
2.7. IJkoplossingen
Los 1,9167 gram KH2PO4 (volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedistilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.
Verdun 10 milliliter voorraadoplossing tot 1 liter. 10 milliliter van deze gebruiksoplossing bevat 100 microgram P2O5.
Pipetteer in maatkolven van 200 milliliter: 10, 20, 40, 60, 80 milliliter gebruiksoplossing en vul aan tot 200 milliliter. Deze standaardoplossing bevat per 20 milliliter respectievelijk: 10, 20, 40, 60, 80 microgram P2O5.
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 millliliter:
1.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het unieke serienummer automatisch wordt vastgelegd en aan elk elektronisch databericht wordt meegegeven.
4.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
2.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het combinatienummer automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen.
2.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de unieke identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen. Dit is zowel tijdens laden als tijdens het lossen mogelijk.
5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.
1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.
1.2. Indien de AGR-apparatuur uit verschillende onderdelen bestaat is ieder te onderscheiden onderdeel zichtbaar voorzien van de in onderdeel 1.1. genoemde kenmerken.
1.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het unieke serienummer automatisch wordt vastgelegd en aan elk elektronisch databericht wordt meegegeven.
4.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
2.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen automatisch en op elektronische wijze vanaf dit bewijs wordt ingelezen.
2.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het combinatienummer automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen.
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.
3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de bemonsterings- en verpakkingsapparatuur alsmede de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden zijn.
6.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee terstond nadat de gegevens in de AGR-apparatuur zijn geregistreerd, zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd. Het tijdens het laden te versturen elektronisch databericht ‘laden van mest’ bevat de volgende gegevens:
4.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald voortdurend en automatisch worden vastgelegd.
4.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen op het transportmiddel automatisch het moment van laden, onderscheidenlijk het moment van lossen wordt onderkend alsmede over een voorziening waarmee de op voornoemde momenten door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4..2 Controle hoeveelheid monster
5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
Meet, nadat de oplossing 20 minuten heeft gestaan, de lichtabsorptie van de oplossing in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij golflengte 882 nanometer of bij 720 nanometer.
Hierin is:
De droge, tot een doorsnede van kleiner dan 2 millimeter verkleinde, gezeefde grond wordt geschept met een cilindrisch vaatje met bolvormige bodem, met een inhoud van 1,2 centimeter3. Door drie maal zacht aankloppen wordt de grond in dichte pakking gebracht en vervolgens dient de overmaat afgestreken te worden tot het niveau gelijk is aan de rand van het vaatje. Daarna wordt het afgemeten volume grond kwantitatief overgebracht in een schudfles van 125 centimeter3 inhoud.
De schudflessen met grond worden gedurende één nacht in een droogstoof gezet bij circa 40°C. Na afkoeling wordt dan 2 milliliter gedistilleerd water toegevoegd en even met de hand geschud om water en grond te mengen. Daarna de flesjes afsluiten en gedurende 22 uren bij een temperatuur van 20°C laten staan. Vervolgens wordt 70 milliliter gedistilleerd water van 20°C toegevoegd en aansluitend gedurende 1 uur geschud bij 20°C met een schudsnelheid van 160–170 slagen per minuut.
Na het schudden wordt gefiltreerd door een dubbelfilter (hard en asvrij). Tussen het schudden en het filtreren een vaste wachttijd (bijvoorbeeld 10 minuten) in acht nemen. De eerste doorlopende milliliters filtraat – in 4 minuten –, die vaak troebel zijn, worden afgevoerd of opnieuw op het filter gebracht. Daarna loopt het filtraat meestal helder door. Zie ook opmerking 5.1.
In erlenmeyers of flesjes van circa 100 milliliter wordt dan 20 milliliter mengreagens (zie 2.6) gepipetteerd en daarna 20 milliliter filtraat. Meng goed en laat 20 minuten staan. Meet de lichtabsorptie van de oplossingen in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij een golflengte van 882 nanometer.
### **4. Berekening**
De uitkomst van de bepaling, het Pw-getal bij volumeverhouding 1:60 wordt uitgedrukt in microgram P2O5 in het filtraat per 1 centimeter3 grond
(Ea – Eb) x F x 3 = aantal microgram P2O5/centimeter3 grond = aantal milligram P2O5/liter grond.
## Bijlage F
### **5. Opmerkingen**
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
## Bijlage D. Diergebonden normen
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2008-01-01&g=2008-01-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2008-01-01&g=2008-01-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2008-01-01&g=2008-01-01)
### **A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur**
### Tabel II A. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg stikstof resp. kg fosfaat per jaar) en in m3 per zes maanden
6.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee terstond nadat de gegevens in de AGR-apparatuur zijn geregistreerd, zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd. Het tijdens het laden te versturen elektronisch databericht ‘laden van mest’ bevat de volgende gegevens:
6.2. Het tijdens het lossen te versturen elektronisch databericht ‘lossen van mest’ bevat de volgende gegevens:
6.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee elektronische databerichten behouden blijven indien er een storing optreedt in de mobiele datacommunicatie en waarmee de elektronische databerichten alsnog worden verstuurd zodra de storing is opgeheven.
6.4. De AGR-apparatuur maakt voor het versturen van elektronische databerichten uitsluitend gebruik van een infrastructuur die wordt beheerd door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijk partij, waarbij gewaarborgd is dat de met het databericht verzonden gegevens die bestemd zijn voor het ministerie van LNV, uitsluitend door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijke partij worden beheerd.
6.5. De AGR-apparatuur sluit op elektronische wijze, overeenkomstig de technische specificaties die op verzoek door de Dienst Regelingen worden verstrekt, aan op het ontvangstportaal bij Dienst Regelingen.
4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
7.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee wordt zichtbaar gemaakt of elke te onderscheiden functie van de AGR-apparatuur en de satellietvolgapparatuur correct functioneert.
7.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee in het elektronische databericht ‘lossen van mest’ automatisch wordt aangegeven of er gedurende het desbetreffende transport een storing is opgetreden.
5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.
3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden is.
1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.
1.2. Indien de AGR-apparatuur uit verschillende onderdelen bestaat is ieder te onderscheiden onderdeel zichtbaar voorzien van de in onderdeel 1.1. genoemde kenmerken.
1.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het unieke serienummer automatisch wordt vastgelegd en aan elk elektronisch databericht wordt meegegeven.
4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
2.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen automatisch en op elektronische wijze vanaf dit bewijs wordt ingelezen.
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.
3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden is.
6.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd terstond nadat de desbetreffende gegevens door de AGR-apparatuur zijn geregistreerd.
4.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald voortdurend en automatisch worden vastgelegd.
4.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen het moment van laden, onderscheidenlijk het moment van lossen kenbaar gemaakt kan worden alsmede over een voorziening waarmee de op voornoemde momenten door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
6.6. De AGR-apparatuur sluit op elektronische wijze, overeenkomstig de technische specificaties die op verzoek door de Dienst Regelingen worden verstrekt, aan op het ontvangstportaal bij Dienst Regelingen.
5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.
7.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee wordt zichtbaar gemaakt of elke te onderscheiden functie van de AGR-apparatuur en de satellietvolgapparatuur correct functioneert.
6.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd terstond nadat de desbetreffende gegevens door de AGR-apparatuur zijn geregistreerd.
6.2. Het tijdens het laden te versturen elektronisch databericht ‘laden van mest’ bevat de volgende gegevens:
6.3. Het tijdens het lossen te versturen databericht ‘lossen van mest’ bevat de volgende gegevens:
6.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee elektronische databerichten behouden blijven indien er een storing optreedt in de mobiele datacommunicatie en waarmee de elektronische databerichten alsnog worden verstuurd zodra de storing is opgeheven.
6.5. De AGR-apparatuur maakt voor het versturen van elektronische databerichten uitsluitend gebruik van een infrastructuur die wordt beheerd door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijk partij, waarbij gewaarborgd is dat de met het databericht verzonden gegevens die bestemd zijn voor het ministerie van LNV, uitsluitend door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijke partij worden beheerd.
6.6. De AGR-apparatuur sluit op elektronische wijze, overeenkomstig de technische specificaties die op verzoek door de Dienst Regelingen worden verstrekt, aan op het ontvangstportaal bij Dienst Regelingen.
In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.
7.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee wordt zichtbaar gemaakt of elke te onderscheiden functie van de AGR-apparatuur en de satellietvolgapparatuur correct functioneert.
7.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee in het databericht ‘lossen van mest’ automatisch wordt aangegeven of er gedurende het desbetreffende transport een storing is opgetreden.
Indien in dit document de Raad voor Accreditatie wordt genoemd kan dit ook een accreditatieorganisatie zijn waarmee de Raad voor Accreditatie een Multi Lateral Agreement MLA {EA}, MRA {ILAC} heeft gesloten.
Dit accreditatieprogramma is geschreven voor de uitvoering van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het komt niet in de plaats van voornoemde accreditatie, maar vormt een voor de markt eenvoudig te herkennen onderdeel hiervan. Het schept duidelijkheid voor opdrachtgevers over de aard en omvang van de accreditatie.
Dit accreditatieprogramma dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van metingen van stikstof en fosfaat in dierlijke mest zowel binnen een laboratorium als tussen laboratoria op langere termijn te waarborgen en dient een stimulans te zijn voor prestatieverbetering.
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg stikstof resp. kg fosfaat per jaar) en in m3 mest per zes maanden
In hoofdstuk 2 van dit document zijn de algemene eisen vermeld waaraan een laboratorium moet voldoen om in aanmerking komen voor accreditatie door de Raad van Accreditatie. De verrichtingen die onder het accreditatieprogramma vallen zijn in hoofdstuk 3 vermeld. In hoofdstuk 4 zijn de monsteroverdracht en de daarbij horende verantwoordelijkheden beschreven.
De technische beschrijvingen van de verrichtingen en het maken van mengmonsters is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is kwaliteitsborging middels de eerste-, tweede- en derdelijnscontrole omschreven die minimaal moet worden toegepast tijdens de uitvoering van verrichtingen die onder dit accreditatieprogramma vallen. Hoofdstuk 7 beschrijft de rapportage van de resultaten en de aspecten die verband houden met heranalyse.
In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.
Wanneer meer gegevens van het controlemonster beschikbaar komen uit analyse van volgende series kan het zijn dat de schatting van de gemiddelde waarde uit de testgegevens afwijkt van die uit de aanvullende gegevens. In dat geval mag na 15 series opnieuw het gemiddelde en de bijbehorende 2s en 3s grenzen worden berekend. De reden van verandering van deze grenzen dient gedocumenteerd te worden.
2.1. Een laboratorium dat op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet analyse uitvoert naar de gehalten stikstof en fosfaat van uit een vracht dierlijke meststoffen genomen mestmonster is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’.
Indien in dit document de Raad voor Accreditatie wordt genoemd kan dit ook een accreditatieorganisatie zijn waarmee de Raad voor Accreditatie een Multi Lateral Agreement MLA {EA}, MRA {ILAC} heeft gesloten.
Dit accreditatieprogramma is geschreven voor de uitvoering van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het komt niet in de plaats van voornoemde accreditatie, maar vormt een voor de markt eenvoudig te herkennen onderdeel hiervan. Het schept duidelijkheid voor opdrachtgevers over de aard en omvang van de accreditatie.
1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.
### **2. Algemene eisen**
1.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het unieke serienummer automatisch wordt vastgelegd en aan elk elektronisch databericht wordt meegegeven.
Dit accreditatieprogramma dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van metingen van stikstof en fosfaat in dierlijke mest zowel binnen een laboratorium als tussen laboratoria op langere termijn te waarborgen en dient een stimulans te zijn voor prestatieverbetering.
In hoofdstuk 2 van dit document zijn de algemene eisen vermeld waaraan een laboratorium moet voldoen om in aanmerking komen voor accreditatie door de Raad van Accreditatie. De verrichtingen die onder het accreditatieprogramma vallen zijn in hoofdstuk 3 vermeld. In hoofdstuk 4 zijn de monsteroverdracht en de daarbij horende verantwoordelijkheden beschreven.
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
2.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het combinatienummer automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen.
2.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de unieke identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen. Dit is zowel tijdens laden als tijdens het lossen mogelijk.
De technische beschrijvingen van de verrichtingen en het maken van mengmonsters is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is kwaliteitsborging middels de eerste-, tweede- en derdelijnscontrole omschreven die minimaal moet worden toegepast tijdens de uitvoering van verrichtingen die onder dit accreditatieprogramma vallen. Hoofdstuk 7 beschrijft de rapportage van de resultaten en de aspecten die verband houden met heranalyse.
In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.
Bij de introductie van een verrichting of bij invoering van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting dient binnen het laboratorium een validatie-onderzoek te worden uitgevoerd. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan dient in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid te worden getoetst. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 5 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
2.1. Een laboratorium dat op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet analyse uitvoert naar de gehalten stikstof en fosfaat van uit een vracht dierlijke meststoffen genomen mestmonster is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’.
1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
1.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het unieke serienummer automatisch wordt vastgelegd en aan elk elektronisch databericht wordt meegegeven.
4.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
2.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen automatisch en op elektronische wijze vanaf dit bewijs wordt ingelezen.
2.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het combinatienummer automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen.
2.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de unieke identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen. Dit is zowel tijdens laden als tijdens het lossen mogelijk.
5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.
3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de bemonsterings- en verpakkingsapparatuur alsmede de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden zijn.
6.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee terstond nadat de gegevens in de AGR-apparatuur zijn geregistreerd, zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd. Het tijdens het laden te versturen elektronisch databericht ‘laden van mest’ bevat de volgende gegevens:
4.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald voortdurend en automatisch worden vastgelegd.
4.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen op het transportmiddel automatisch het moment van laden, onderscheidenlijk het moment van lossen wordt onderkend alsmede over een voorziening waarmee de op voornoemde momenten door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.
7.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee in het elektronische databericht ‘lossen van mest’ automatisch wordt aangegeven of er gedurende het desbetreffende transport een storing is opgetreden.
6.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee terstond nadat de gegevens in de AGR-apparatuur zijn geregistreerd, zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd. Het tijdens het laden te versturen elektronisch databericht ‘laden van mest’ bevat de volgende gegevens:
6.2. Het tijdens het lossen te versturen elektronisch databericht ‘lossen van mest’ bevat de volgende gegevens:
6.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee elektronische databerichten behouden blijven indien er een storing optreedt in de mobiele datacommunicatie en waarmee de elektronische databerichten alsnog worden verstuurd zodra de storing is opgeheven.
6.4. De AGR-apparatuur maakt voor het versturen van elektronische databerichten uitsluitend gebruik van een infrastructuur die wordt beheerd door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijk partij, waarbij gewaarborgd is dat de met het databericht verzonden gegevens die bestemd zijn voor het ministerie van LNV, uitsluitend door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijke partij worden beheerd.
6.5. De AGR-apparatuur sluit op elektronische wijze, overeenkomstig de technische specificaties die op verzoek door de Dienst Regelingen worden verstrekt, aan op het ontvangstportaal bij Dienst Regelingen.
Indien in dit document de Raad voor Accreditatie wordt genoemd kan dit ook een accreditatieorganisatie zijn waarmee de Raad voor Accreditatie een Multi Lateral Agreement MLA {EA}, MRA {ILAC} heeft gesloten.
2.2. Om voor accreditatie voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ in aanmerking te komen, moet het laboratorium door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025: IDT (general requirements for the competence of testing and calibration laboratories).
2.3. Een laboratorium kan voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ worden geaccrediteerd, indien dit laboratorium met historische gegevens, verkregen volgens de procedure beschreven in hoofdstuk 10, kan aantonen dat aan de in het accreditatieprogramma gedefinieerde kwaliteitseisen wordt voldaan.
2.4. Een laboratorium moet alle verrichtingen die in hoofdstuk 3 van het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ zijn vermeld altijd kunnen aanbieden. Uitzondering hierop is de analyse van vaste mest met een voorbehandeling conform NEN 7431 indien het laboratorium geen monsters vaste mest ontvangt en hiervoor ook geen accreditatie nastreeft. Deze uitzondering blijkt uit de accreditatie
2.5. De monstervoorbehandeling volgens NEN 7430 of 7431 en de hierop aansluitende ontsluiting volgens NEN 7433 worden dwingend voorgeschreven. Voor de andere verrichtingen (NEN 7434 en ontwerp NEN 7435) wordt de referentiemethode met een norm gedefinieerd. Hierbij kan een andere meetmethode worden gehanteerd indien wordt aangetoond dat de meetresultaten aan minimaal dezelfde eisen voldoen als de referentiemethode.
2.6. Indien het accreditatieprogramma wordt gewijzigd, dient het laboratorium zich daaraan binnen 6 maanden te conformeren, tenzij anders bepaald.
Bij de introductie van een verrichting of bij invoering van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting dient binnen het laboratorium een validatie-onderzoek te worden uitgevoerd. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan dient in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid te worden getoetst. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 5 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
In het accreditatieprogramma zijn alle verrichtingen, die in het kader van het stelsel van gebruiksnormen kunnen worden gebruikt, opgenomen.
De volgende verrichtingen zijn voorgeschreven:
De volgende verrichtingen zijn als referentieverrichting opgenomen:
De volgende verrichting is optioneel:
– NEN 7437: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof.
• Noot: Als deze verrichting voor een laboratorium niet onder de accreditatie van de Raad van Accreditatie valt, , dan dient deze in voorkomende gevallen te worden uitbesteed aan een laboratorium waarbij deze verrichting wél onder het accreditatieprogramma valt.
3.1. Validatie van een verrichting
Bij de introductie van een verrichting of bij invoering van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting dient binnen het laboratorium een validatie-onderzoek te worden uitgevoerd. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan dient in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid te worden getoetst. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 5 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
De herhaalbaarheid wordt getoetst op monsters die representatief zijn voor de mestsoorten die het laboratorium ontvangt. Indien een laboratorium alleen monsters stapelbare mest of alleen monsters drijfmest ontvangt kan volstaan worden met het vaststellen van de herhaalbaarheid in de desbetreffende mestsoort. Het aantal monsters dat onderzocht moet worden bedraagt minimaal 200. Deze monsters moeten een representatieve steekproef zijn van het hele concentratiegebied waarin stikstof en fosfaat in mest voorkomen. De concentratiegebieden van stikstof en fosfaat voor drijfmest en vaste mest zijn in Tabel 1 aangegeven. De monsters dienen afkomstig te zijn van verschillende locaties (producenten).
3.2. Gelijkwaardigheidsonderzoek van een huismethode
Het is toegestaan binnen dit accreditatieprogramma om in plaats van de referentiemethode een huismethode te gebruiken. Aangetoond moet worden via een gelijkwaardigheidsonderzoek dat de gebruikte huismethode gelijk of beter dan de referentiemethode is. Het gelijkwaardigheidsonderzoek dient uitgevoerd te worden met minimaal 200 verschillende monsters afkomstig van verschillende locaties en gespreid over het hele concentratiegebied (zie Tabel 1). De gelijkwaardigheid dient te worden aangetoond voor stikstof en fosfaat. Om de gelijkwaardigheid te kunnen aantonen dient eerst nagegaan te worden of de standaardafwijking onder herhaalbaarheidscondities verkregen met de huismethode niet significant afwijkt van die van de referentiemethode (F-toets). Is dit het geval dan moet getoetst worden of het met de huismethode gevonden gemiddelde niveau niet significant afwijkt van dat van de referentiemethode. Deze toetsing vindt plaats door middel van de gepaarde Student’s t-toets. Nulhypothese hierbij is dat er geen verandering in analyseresultaat optreedt, indien de alternatieve methode wordt gebruikt (2-zijdige toetsing, overschrijdingskans 5%).
Bij zeer nauwkeurige uitvoering van de referentiemethode en de alternatieve methode kan snel een significant verschil worden gevonden. Daarom wordt in alle gevallen een relatief verschil van 2% toegestaan. De meetresultaten mogen op generlei wijze voor systematische verschillen gecorrigeerd worden.
4.4. Monsteropslag en conservering
4.1. Controle monsterverpakking
Het laboratorium controleert of de verpakking van een monster voldoet aan de eisen. Gecontroleerd moet worden of de verpakking nog gesloten is. Verder dient gelet te worden op beschadigingen aan de verpakking die wijzen op mogelijke fraude. De verpakking dient in dusdanige staat te verkeren dat geen vermoeden bestaat dat het monster toegankelijk is geweest. Bij evidente ondeugdelijkheid van de verpakking wordt het monster niet in bewerking genomen. In geval van een mengmonster worden ook de bijbehorende monsters niet in bewerking genomen. Binnen 24 uur wordt melding gedaan aan de Algemene Inspectiedienst (AID) en het monster of de monsters worden gedurende maximaal 28 dagen gekoeld opgeslagen. De AID beslist wat verder met de monsters dient te gebeuren.
4..2 Controle hoeveelheid monster
7.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee wordt zichtbaar gemaakt of elke te onderscheiden functie van de AGR-apparatuur en de satellietvolgapparatuur correct functioneert.
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
Het laboratorium controleert of de inkomende monsters de vereiste minimale hoeveelheid mest bevatten.
Elk monster dient gewogen te worden. Het gewicht wordt geregistreerd en tegelijk met de analyseresultaten gerapporteerd aan de vervoerder en in de periodieke rapportage aan Dienst Regelingen.
4.3. Registratie van gegevens
3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden is.
1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.
1.2. Indien de AGR-apparatuur uit verschillende onderdelen bestaat is ieder te onderscheiden onderdeel zichtbaar voorzien van de in onderdeel 1.1. genoemde kenmerken.
1.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het unieke serienummer automatisch wordt vastgelegd en aan elk elektronisch databericht wordt meegegeven.
4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
2.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen automatisch en op elektronische wijze vanaf dit bewijs wordt ingelezen.
2.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de unieke identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, op elektronische wijze wordt ingelezen.
5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.
3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden is.
6.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd terstond nadat de desbetreffende gegevens door de AGR-apparatuur zijn geregistreerd.
4.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald voortdurend en automatisch worden vastgelegd.
4.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen het moment van laden, onderscheidenlijk het moment van lossen kenbaar gemaakt kan worden alsmede over een voorziening waarmee de op voornoemde momenten door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.
7.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee wordt zichtbaar gemaakt of elke te onderscheiden functie van de AGR-apparatuur en de satellietvolgapparatuur correct functioneert.
6.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd terstond nadat de desbetreffende gegevens door de AGR-apparatuur zijn geregistreerd.
6.2. Het tijdens het laden te versturen elektronisch databericht ‘laden van mest’ bevat de volgende gegevens:
6.3. Het tijdens het lossen te versturen databericht ‘lossen van mest’ bevat de volgende gegevens:
6.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee elektronische databerichten behouden blijven indien er een storing optreedt in de mobiele datacommunicatie en waarmee de elektronische databerichten alsnog worden verstuurd zodra de storing is opgeheven.
6.5. De AGR-apparatuur maakt voor het versturen van elektronische databerichten uitsluitend gebruik van een infrastructuur die wordt beheerd door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijk partij, waarbij gewaarborgd is dat de met het databericht verzonden gegevens die bestemd zijn voor het ministerie van LNV, uitsluitend door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijke partij worden beheerd.
6.6. De AGR-apparatuur sluit op elektronische wijze, overeenkomstig de technische specificaties die op verzoek door de Dienst Regelingen worden verstrekt, aan op het ontvangstportaal bij Dienst Regelingen.
Het laboratorium registreert van elk inkomende monster de volgende gegevens:
4.4. Monsteropslag en conservering
Het laboratorium dient inkomende monsters gekoeld bij 4 ± 3°C te bewaren. Wanneer de monsters op de dag van ontvangst of de daarop volgende dag in bewerking worden genomen behoeft koeling niet plaats te vinden.
De monstervoorbehandeling van drijfmest moet uitgevoerd worden conform NEN 7430: ‘Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest’. Het aldus verkregen analysemonster drijfmest (minimale omvang ca. 250 ml) dient bij 4 ± 3°C bewaard te worden.
5.1. Maken van mengmonsters
### **7. Rapportage van resultaten**
5.1.1. Mengen van monsters drijfmest
Voor het mengen van monsters drijfmest geldt de volgende procedure:
5.1.2. Mengen van monsters stapelbare mest
Voor het mengen van monsters stapelbare mest geldt de volgende procedure:
5.2. Monstervoorbehandeling
De monstervoorbehandeling van drijfmest moet uitgevoerd worden conform NEN 7430: ‘Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest’. Het aldus verkregen analysemonster drijfmest (minimale omvang ca. 250 ml) dient bij 4 ± 3°C bewaard te worden.
Drijfmest met een geschat drogestofgehalte groter dan 15% wordt verdund met water. Hierbij dient de hoeveelheid in bewerking genomen mest en de toegevoegde hoeveelheid water gewogen te worden voor berekening van de verdunningsfactor. De mest dient zo nodig uit de monsterverpakking gespoeld te worden. Ook hierbij moet de verdunningsfactor worden berekend. De totale hoeveelheid mest wordt vastgesteld door begin- en eindgewicht van de monsterverpakkingen te registreren.
De monstervoorbehandeling van stapelbare mest en gedroogde mest moet uitgevoerd worden conform de procedure onder 5.1.2. en aansluitend volgens het betreffende onderdeel van NEN 7431 (volg protocol met toevoeging van wijnsteenzuur).
5.3. Bepaling van stikstof en fosfor in mestmonsters
De dierlijke mest wordt ontsloten volgens NEN 7433 met een mengsel van zwavelzuur, waterstofperoxyde en kopersulfaat, waarbij stikstof en fosfor in een zodanige chemische vorm in oplossing worden gebracht, dat zonder verdere voorbehandeling (behalve verdunnen en het toevoegen van reagentia) een bepaling van stikstof en fosfor met instrumentele methoden mogelijk is. Van de mest wordt, indien gehomogeniseerd volgens NEN 7430, een hoeveelheid tussen 4 en 6 ml in bewerking genomen of, indien gedroogd en gemalen volgens NEN 7431, een hoeveelheid van ca 1 gram.
De ontsluitingsmethode kan worden toegepast op alle soorten dierlijke mest, met uitzondering van die soorten mest waarin stikstof aanwezig is in de vorm van nitraat. Onbehandelde dierlijke mest bevat geen nitraat. Nitraat kan echter wel zijn toegevoegd (aanzuren met salpeterzuur) of tijdens bepaalde behandelingen (beluchten) zijn gevormd. Bij dierlijke mest waarvan zeker dat nitraat is toegevoegd dient NEN 7437 ‘Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof’ te worden toegepast. Hierbij wordt de dierlijke mest ontsloten met een mengsel van geconcentreerd zwavelzuur/salicylzuur en kaliumsulfaat met koper als katalysator. Door toevoeging van salicylzuur vormen aanwezige nitraten en nitrieten met salicylzuur nitroverbindingen. Tevens wordt natriumthiosulfaat toegevoegd om de reductie van het genitreerde salicylzuur te bevorderen en omzetting tot ammoniumionen te versnellen. De eisen gesteld aan deze bepaling van totaal stikstof zijn gelijk aan die voor de bepaling van stikstof volgens NEN 7434.
De volgende verrichtingen zijn als referentieverrichting opgenomen:
Alle verrichtingen in dit accreditatieprogramma, met uitzondering van NEN 7430 & NEN 7431, worden onder herhaalbaarheidscondities in duplo uitgevoerd.
Drijfmest, die verdund is met water voor het verkrijgen van een goed analysemonster, wordt getoetst op herhaalbaarheid in het analysemonster vóórdat het in het analysemonster verkregen gehalte teruggerekend wordt naar het oorspronkelijke monster. Dit geldt ook voor de stapelbare mest die al dan niet voorbehandeld is met wijnsteenzuur en gemalen teneinde een geschikt analysemonster te verkrijgen.
De kwaliteitsborging van een verrichting bestaat uit de volgende onderdelen:
Eerstelijnscontrole – Interne controle door de uitvoerenden van de verrichting zelf.
Tweedelijnscontrole – Interne controle onafhankelijk van de uitvoerenden.
Derdelijnscontrole – Externe controle door onafhankelijke instantie(s).
7.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee wordt zichtbaar gemaakt of elke te onderscheiden functie van de AGR-apparatuur en de satellietvolgapparatuur correct functioneert.
7.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee in het databericht ‘lossen van mest’ automatisch wordt aangegeven of er gedurende het desbetreffende transport een storing is opgetreden.
De kwaliteitsborging van het laboratorium dient te zijn vastgelegd in eerste, tweede en derdelijnsdocumenten, waarin de volgende aspecten dienen te worden ondergebracht:
De eerste-, tweede- en derdelijnscontrole vormen géén additionele kwaliteitsborging maar de minimale kwaliteitsborging die dient te worden toegepast.
De kwaliteitsborging is vastgelegd in de herhaalbaarheid. Voor stikstof en fosfor in dierlijke mest is deze, afhankelijk van het niveau, als volgt:
Dit accreditatieprogramma is geschreven voor de uitvoering van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het komt niet in de plaats van voornoemde accreditatie, maar vormt een voor de markt eenvoudig te herkennen onderdeel hiervan. Het schept duidelijkheid voor opdrachtgevers over de aard en omvang van de accreditatie.
Dit accreditatieprogramma dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van metingen van stikstof en fosfaat in dierlijke mest zowel binnen een laboratorium als tussen laboratoria op langere termijn te waarborgen en dient een stimulans te zijn voor prestatieverbetering.
In hoofdstuk 2 van dit document zijn de algemene eisen vermeld waaraan een laboratorium moet voldoen om in aanmerking komen voor accreditatie door de Raad van Accreditatie. De verrichtingen die onder het accreditatieprogramma vallen zijn in hoofdstuk 3 vermeld. In hoofdstuk 4 zijn de monsteroverdracht en de daarbij horende verantwoordelijkheden beschreven.
De technische beschrijvingen van de verrichtingen en het maken van mengmonsters is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is kwaliteitsborging middels de eerste-, tweede- en derdelijnscontrole omschreven die minimaal moet worden toegepast tijdens de uitvoering van verrichtingen die onder dit accreditatieprogramma vallen. Hoofdstuk 7 beschrijft de rapportage van de resultaten en de aspecten die verband houden met heranalyse.
In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.
Drijfmest, die verdund is met water voor het verkrijgen van een goed analysemonster, wordt getoetst op herhaalbaarheid in het analysemonster vóórdat het in het analysemonster verkregen gehalte teruggerekend wordt naar het oorspronkelijke monster. Dit geldt ook voor de stapelbare mest die al dan niet voorbehandeld is met wijnsteenzuur en gemalen teneinde een geschikt analysemonster te verkrijgen.
### **8. Archivering van gegevens**
De eerstelijnscontrole is opgebouwd uit de beoordeling van de analyseresultaten van het controlemonster en van het analysemonster. In het kader van de kwaliteitsborging worden alle analyses in duplo onder herhaalbaarheidscondities uitgevoerd.
6.1.1. Controlemonster eerste lijn
### **8. Archivering van gegevens**
6.1.1.1. Omvang serie
2.1. Een laboratorium dat op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet analyse uitvoert naar de gehalten stikstof en fosfaat van uit een vracht dierlijke meststoffen genomen mestmonster is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’.
Indien in dit document de Raad voor Accreditatie wordt genoemd kan dit ook een accreditatieorganisatie zijn waarmee de Raad voor Accreditatie een Multi Lateral Agreement MLA {EA}, MRA {ILAC} heeft gesloten.
Dit accreditatieprogramma is geschreven voor de uitvoering van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het komt niet in de plaats van voornoemde accreditatie, maar vormt een voor de markt eenvoudig te herkennen onderdeel hiervan. Het schept duidelijkheid voor opdrachtgevers over de aard en omvang van de accreditatie.
Dit accreditatieprogramma dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van metingen van stikstof en fosfaat in dierlijke mest zowel binnen een laboratorium als tussen laboratoria op langere termijn te waarborgen en dient een stimulans te zijn voor prestatieverbetering.
In hoofdstuk 2 van dit document zijn de algemene eisen vermeld waaraan een laboratorium moet voldoen om in aanmerking komen voor accreditatie door de Raad van Accreditatie. De verrichtingen die onder het accreditatieprogramma vallen zijn in hoofdstuk 3 vermeld. In hoofdstuk 4 zijn de monsteroverdracht en de daarbij horende verantwoordelijkheden beschreven.
De technische beschrijvingen van de verrichtingen en het maken van mengmonsters is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is kwaliteitsborging middels de eerste-, tweede- en derdelijnscontrole omschreven die minimaal moet worden toegepast tijdens de uitvoering van verrichtingen die onder dit accreditatieprogramma vallen. Hoofdstuk 7 beschrijft de rapportage van de resultaten en de aspecten die verband houden met heranalyse.
In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.
Door het laboratorium dient de omvang van de serie te worden vastgelegd. Per serie wordt het desbetreffende controlemonster in tweevoud onder herhaalbaarheidscondities geanalyseerd. Minimaal één controlemonster (drijfmest of stapelbare mest) per analysedag is vereist.
6.1.1.2. Eisen controlemonster eerste lijn
### **9. Controle op naleving**
De eisen gesteld aan de herhaalbaarheid van het controlemonster zijn gelijk aan die van de monsters, dus voor stikstof 4% en voor fosfor 6%.
6.1.1.3. Opstellen controlekaart
### **10. Toetredingsprocedure**
Een nieuwe controlekaart wordt opgestart door minimaal vijf maal de verrichting uit te voeren in het nieuwe materiaal in verschillende al dan niet opeenvolgende series. Uit de testgegevens wordt berekend of het monstermateriaal voldoet aan de gestelde eisen voor gemiddelde en de herhaalbaarheid. Is dit het geval dan wordt de gemiddelde waarde van deze 10 waarnemingen (5 maal 2) genomen als startpunt van de controlekaart. Aan de hand van dit gemiddelde en de relatieve waarde van de toegestane standaardafwijking worden de 2s en 3s grenzen berekend en weergegeven in de kaart. De gegevens dienen van een periode te zijn dat de bepaling beheerst werd uitgevoerd, d.w.z. uit goedgekeurde series.
Wanneer meer gegevens van het controlemonster beschikbaar komen uit analyse van volgende series kan het zijn dat de schatting van de gemiddelde waarde uit de testgegevens afwijkt van die uit de aanvullende gegevens. In dat geval mag na 15 series opnieuw het gemiddelde en de bijbehorende 2s en 3s grenzen worden berekend. De reden van verandering van deze grenzen dient gedocumenteerd te worden.
2.1. Een laboratorium dat op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet analyse uitvoert naar de gehalten stikstof en fosfaat van uit een vracht dierlijke meststoffen genomen mestmonster is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’.
Indien in dit document de Raad voor Accreditatie wordt genoemd kan dit ook een accreditatieorganisatie zijn waarmee de Raad voor Accreditatie een Multi Lateral Agreement MLA {EA}, MRA {ILAC} heeft gesloten.
2.2. Om voor accreditatie voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ in aanmerking te komen, moet het laboratorium door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025: IDT (general requirements for the competence of testing and calibration laboratories).
2.3. Een laboratorium kan voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ worden geaccrediteerd, indien dit laboratorium met historische gegevens, verkregen volgens de procedure beschreven in hoofdstuk 10, kan aantonen dat aan de in het accreditatieprogramma gedefinieerde kwaliteitseisen wordt voldaan.
2.4. Een laboratorium moet alle verrichtingen die in hoofdstuk 3 van het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ zijn vermeld altijd kunnen aanbieden. Uitzondering hierop is de analyse van vaste mest met een voorbehandeling conform NEN 7431 indien het laboratorium geen monsters vaste mest ontvangt en hiervoor ook geen accreditatie nastreeft. Deze uitzondering blijkt uit de accreditatie
2.5. De monstervoorbehandeling volgens NEN 7430 of 7431 en de hierop aansluitende ontsluiting volgens NEN 7433 worden dwingend voorgeschreven. Voor de andere verrichtingen (NEN 7434 en ontwerp NEN 7435) wordt de referentiemethode met een norm gedefinieerd. Hierbij kan een andere meetmethode worden gehanteerd indien wordt aangetoond dat de meetresultaten aan minimaal dezelfde eisen voldoen als de referentiemethode.
2.6. Indien het accreditatieprogramma wordt gewijzigd, dient het laboratorium zich daaraan binnen 6 maanden te conformeren, tenzij anders bepaald.
Bij de introductie van een verrichting of bij invoering van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting dient binnen het laboratorium een validatie-onderzoek te worden uitgevoerd. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan dient in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid te worden getoetst. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 5 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
In het accreditatieprogramma zijn alle verrichtingen, die in het kader van het stelsel van gebruiksnormen kunnen worden gebruikt, opgenomen.
De volgende verrichtingen zijn voorgeschreven:
De volgende verrichtingen zijn als referentieverrichting opgenomen:
De volgende verrichting is optioneel:
– NEN 7437: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof.
• Noot: Als deze verrichting voor een laboratorium niet onder de accreditatie van de Raad van Accreditatie valt, , dan dient deze in voorkomende gevallen te worden uitbesteed aan een laboratorium waarbij deze verrichting wél onder het accreditatieprogramma valt.
3.1. Validatie van een verrichting
Bij de introductie van een verrichting of bij invoering van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting dient binnen het laboratorium een validatie-onderzoek te worden uitgevoerd. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan dient in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid te worden getoetst. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 5 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
De herhaalbaarheid wordt getoetst op monsters die representatief zijn voor de mestsoorten die het laboratorium ontvangt. Indien een laboratorium alleen monsters stapelbare mest of alleen monsters drijfmest ontvangt kan volstaan worden met het vaststellen van de herhaalbaarheid in de desbetreffende mestsoort. Het aantal monsters dat onderzocht moet worden bedraagt minimaal 200. Deze monsters moeten een representatieve steekproef zijn van het hele concentratiegebied waarin stikstof en fosfaat in mest voorkomen. De concentratiegebieden van stikstof en fosfaat voor drijfmest en vaste mest zijn in Tabel 1 aangegeven. De monsters dienen afkomstig te zijn van verschillende locaties (producenten).
3.2. Gelijkwaardigheidsonderzoek van een huismethode
Het is toegestaan binnen dit accreditatieprogramma om in plaats van de referentiemethode een huismethode te gebruiken. Aangetoond moet worden via een gelijkwaardigheidsonderzoek dat de gebruikte huismethode gelijk of beter dan de referentiemethode is. Het gelijkwaardigheidsonderzoek dient uitgevoerd te worden met minimaal 200 verschillende monsters afkomstig van verschillende locaties en gespreid over het hele concentratiegebied (zie Tabel 1). De gelijkwaardigheid dient te worden aangetoond voor stikstof en fosfaat. Om de gelijkwaardigheid te kunnen aantonen dient eerst nagegaan te worden of de standaardafwijking onder herhaalbaarheidscondities verkregen met de huismethode niet significant afwijkt van die van de referentiemethode (F-toets). Is dit het geval dan moet getoetst worden of het met de huismethode gevonden gemiddelde niveau niet significant afwijkt van dat van de referentiemethode. Deze toetsing vindt plaats door middel van de gepaarde Student’s t-toets. Nulhypothese hierbij is dat er geen verandering in analyseresultaat optreedt, indien de alternatieve methode wordt gebruikt (2-zijdige toetsing, overschrijdingskans 5%).
Bij zeer nauwkeurige uitvoering van de referentiemethode en de alternatieve methode kan snel een significant verschil worden gevonden. Daarom wordt in alle gevallen een relatief verschil van 2% toegestaan. De meetresultaten mogen op generlei wijze voor systematische verschillen gecorrigeerd worden.
4.4. Monsteropslag en conservering
4.1. Controle monsterverpakking
Het laboratorium controleert of de verpakking van een monster voldoet aan de eisen. Gecontroleerd moet worden of de verpakking nog gesloten is. Verder dient gelet te worden op beschadigingen aan de verpakking die wijzen op mogelijke fraude. De verpakking dient in dusdanige staat te verkeren dat geen vermoeden bestaat dat het monster toegankelijk is geweest. Bij evidente ondeugdelijkheid van de verpakking wordt het monster niet in bewerking genomen. In geval van een mengmonster worden ook de bijbehorende monsters niet in bewerking genomen. Binnen 24 uur wordt melding gedaan aan de Algemene Inspectiedienst (AID) en het monster of de monsters worden gedurende maximaal 28 dagen gekoeld opgeslagen. De AID beslist wat verder met de monsters dient te gebeuren.
4..2 Controle hoeveelheid monster
Het laboratorium controleert of de inkomende monsters de vereiste minimale hoeveelheid mest bevatten.
Elk monster dient gewogen te worden. Het gewicht wordt geregistreerd en tegelijk met de analyseresultaten gerapporteerd aan de vervoerder en in de periodieke rapportage aan Dienst Regelingen.
4.3. Registratie van gegevens
Het laboratorium registreert van elk inkomende monster de volgende gegevens:
4.4. Monsteropslag en conservering
Het laboratorium dient inkomende monsters gekoeld bij 4 ± 3°C te bewaren. Wanneer de monsters op de dag van ontvangst of de daarop volgende dag in bewerking worden genomen behoeft koeling niet plaats te vinden.
De monstervoorbehandeling van drijfmest moet uitgevoerd worden conform NEN 7430: ‘Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest’. Het aldus verkregen analysemonster drijfmest (minimale omvang ca. 250 ml) dient bij 4 ± 3°C bewaard te worden.
5.1. Maken van mengmonsters
Als sprake is van het maken van een mengmonster dan wordt dit aangegeven op een begeleidingsformulier dat de vervoerder met de betreffende monsters meestuurt. Voor het maken van mengmonsters moet wat betreft de te volgen procedure onderscheid gemaakt worden tussen drijfmest en stapelbare mest.
5.1.1. Mengen van monsters drijfmest
Voor het mengen van monsters drijfmest geldt de volgende procedure:
5.1.2. Mengen van monsters stapelbare mest
Voor het mengen van monsters stapelbare mest geldt de volgende procedure:
5.2. Monstervoorbehandeling
De monstervoorbehandeling van drijfmest moet uitgevoerd worden conform NEN 7430: ‘Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest’. Het aldus verkregen analysemonster drijfmest (minimale omvang ca. 250 ml) dient bij 4 ± 3°C bewaard te worden.
Drijfmest met een geschat drogestofgehalte groter dan 15% wordt verdund met water. Hierbij dient de hoeveelheid in bewerking genomen mest en de toegevoegde hoeveelheid water gewogen te worden voor berekening van de verdunningsfactor. De mest dient zo nodig uit de monsterverpakking gespoeld te worden. Ook hierbij moet de verdunningsfactor worden berekend. De totale hoeveelheid mest wordt vastgesteld door begin- en eindgewicht van de monsterverpakkingen te registreren.
### **7. Rapportage van resultaten**
5.3. Bepaling van stikstof en fosfor in mestmonsters
De dierlijke mest wordt ontsloten volgens NEN 7433 met een mengsel van zwavelzuur, waterstofperoxyde en kopersulfaat, waarbij stikstof en fosfor in een zodanige chemische vorm in oplossing worden gebracht, dat zonder verdere voorbehandeling (behalve verdunnen en het toevoegen van reagentia) een bepaling van stikstof en fosfor met instrumentele methoden mogelijk is. Van de mest wordt, indien gehomogeniseerd volgens NEN 7430, een hoeveelheid tussen 4 en 6 ml in bewerking genomen of, indien gedroogd en gemalen volgens NEN 7431, een hoeveelheid van ca 1 gram.
De ontsluitingsmethode kan worden toegepast op alle soorten dierlijke mest, met uitzondering van die soorten mest waarin stikstof aanwezig is in de vorm van nitraat. Onbehandelde dierlijke mest bevat geen nitraat. Nitraat kan echter wel zijn toegevoegd (aanzuren met salpeterzuur) of tijdens bepaalde behandelingen (beluchten) zijn gevormd. Bij dierlijke mest waarvan zeker dat nitraat is toegevoegd dient NEN 7437 ‘Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof’ te worden toegepast. Hierbij wordt de dierlijke mest ontsloten met een mengsel van geconcentreerd zwavelzuur/salicylzuur en kaliumsulfaat met koper als katalysator. Door toevoeging van salicylzuur vormen aanwezige nitraten en nitrieten met salicylzuur nitroverbindingen. Tevens wordt natriumthiosulfaat toegevoegd om de reductie van het genitreerde salicylzuur te bevorderen en omzetting tot ammoniumionen te versnellen. De eisen gesteld aan deze bepaling van totaal stikstof zijn gelijk aan die voor de bepaling van stikstof volgens NEN 7434.
De volgende verrichtingen zijn als referentieverrichting opgenomen:
Alle verrichtingen in dit accreditatieprogramma, met uitzondering van NEN 7430 & NEN 7431, worden onder herhaalbaarheidscondities in duplo uitgevoerd.
Drijfmest, die verdund is met water voor het verkrijgen van een goed analysemonster, wordt getoetst op herhaalbaarheid in het analysemonster vóórdat het in het analysemonster verkregen gehalte teruggerekend wordt naar het oorspronkelijke monster. Dit geldt ook voor de stapelbare mest die al dan niet voorbehandeld is met wijnsteenzuur en gemalen teneinde een geschikt analysemonster te verkrijgen.
De kwaliteitsborging van een verrichting bestaat uit de volgende onderdelen:
Eerstelijnscontrole – Interne controle door de uitvoerenden van de verrichting zelf.
Tweedelijnscontrole – Interne controle onafhankelijk van de uitvoerenden.
Derdelijnscontrole – Externe controle door onafhankelijke instantie(s).
De kwaliteitsborging van het laboratorium dient te zijn vastgelegd in eerste, tweede en derdelijnsdocumenten, waarin de volgende aspecten dienen te worden ondergebracht:
De eerste-, tweede- en derdelijnscontrole vormen géén additionele kwaliteitsborging maar de minimale kwaliteitsborging die dient te worden toegepast.
De kwaliteitsborging is vastgelegd in de herhaalbaarheid. Voor stikstof en fosfor in dierlijke mest is deze, afhankelijk van het niveau, als volgt:
Drijfmest, die verdund is met water voor het verkrijgen van een goed analysemonster, wordt getoetst op herhaalbaarheid in het analysemonster vóórdat het in het analysemonster verkregen gehalte teruggerekend wordt naar het oorspronkelijke monster. Dit geldt ook voor de stapelbare mest die al dan niet voorbehandeld is met wijnsteenzuur en gemalen teneinde een geschikt analysemonster te verkrijgen.
6.1. Eerstelijnscontrole
De eerstelijnscontrole is opgebouwd uit de beoordeling van de analyseresultaten van het controlemonster en van het analysemonster. In het kader van de kwaliteitsborging worden alle analyses in duplo onder herhaalbaarheidscondities uitgevoerd.
6.1.1. Controlemonster eerste lijn
Het controlemonster van de eerstelijn dient om het niveau van een serie monsters te bewaken. Uitgangspunt is dat het gebruikte monstermateriaal gedurende de gebruiksperiode niet verandert van samenstelling. Om te garanderen dat het controlemonster drijfmest over lange periode stabiel blijft dient het te worden bewaard bij een temperatuur van 4°C of lager. Het (met wijnsteenzuur behandelde en gedroogde) controlemonster vaste mest dient bij kamertemperatuur bewaard te worden.
6.1.1.1. Omvang serie
Door het laboratorium dient de omvang van de serie te worden vastgelegd. Per serie wordt het desbetreffende controlemonster in tweevoud onder herhaalbaarheidscondities geanalyseerd. Minimaal één controlemonster (drijfmest of stapelbare mest) per analysedag is vereist.
6.1.1.2. Eisen controlemonster eerste lijn
Het gehalte aan stikstof en fosfor van het controlemonster drijfmest dient te liggen tussen 4 en 12 g/kg resp. 1 en 5 g/kg. Het gehalte aan stikstof en fosfor van het al dan niet voorbehandelde gedroogde en gemalen controlemonster stapelbare mest dient te liggen tussen 25 en 75 g/kg resp. 4 en 20 g/kg.
6.1.1.4. Dagelijkse toetsing controlekaart
Van onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) is sprake in de volgende gevallen:
Bij onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) moeten de volgende maatregelen worden genomen:
6.1.2. Duplo-analyse monsters
Alle mestmonsters worden, na de voorgeschreven monstervoorbehandeling, in duplo onder herhaalbaarheidscondities geanalyseerd. Indien de serie waarin het desbetreffende monster zich bevindt aan de eisen voldoet, worden vervolgens de meetresultaten van het individuele mestmonster beoordeeld aan de hand van de herhaalbaarheidseisen. Voldoet een monster aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend en geregistreerd.
Voldoet een monster niet aan de gestelde eisen dan wordt de analyse opnieuw uitgevoerd in duplo. Voldoet het monster bij herhaling wel aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend van de laatste 2 meetresultaten en geregistreerd. De eerder gevonden resultaten worden verworpen.
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
### **Tabel I behorende bij de artikelen 84 t/m 91**
### **Tabel II behorend bij artikel 89**
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
### **Tabel I behorende bij de artikelen 84 t/m 91**
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
### Tabel II behorend bij [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=89&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
De eisen gesteld aan de herhaalbaarheid van het controlemonster zijn gelijk aan die van de monsters, dus voor stikstof 4% en voor fosfor 6%.
### Behorende bij de [artikelen 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2007-07-22&g=2007-07-22), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=100&z=2007-07-22&g=2007-07-22) en [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=101&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
Idem 6.1.1.3
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
De resultaten worden beoordeeld door een persoon die onafhankelijk is van de uitvoerende laboratoriumafdeling.
Van onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) is sprake in de volgende gevallen:
### **2. Doel**
### **3. Uitgangspunten**
6.2.2. Procedurele aspecten
Voor de tweedelijnscontrole dienen de volgende procedurele aspecten in een apart document of in het kwaliteitssysteem van het laboratorium te zijn opgenomen:
6.3. Derdelijnscontrole
Doel van de derdelijnscontrole is o.a. het stimuleren van een prestatieverbetering van de laboratoria.
De derdelijnscontrole bestaat uit twee onderdelen:
6.3.1. Ringonderzoek
6.3.1.1. Procedurele aspecten
Het laboratorium dient minimaal drie keer per jaar voor zijn geaccrediteerde verrichtingen aan ringonderzoeken deel te nemen. Deze ringonderzoeken worden in opdracht van het Ministerie van LNV uitgevoerd door daartoe door de minister van LNV aangewezen instantie of instanties. Monsters die in het kader van ringonderzoeken worden aangeboden zijn als zodanig herkenbaar.
Ten aanzien van ringonderzoeken dienen de volgende procedurele aspecten in een apart document of in het kwaliteitssysteem van het laboratorium te zijn opgenomen.
6.3.1.2. Evaluatie van ringonderzoekresultaten
De resultaten van een ringonderzoek worden door de uitvoerende instantie als volgt geëvalueerd. Van elke parameter van elk monster wordt de z-score berekend:
z = (Xlab. – Xgem.) / s
Waarbij:
### **4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)**
Xgem. = de toegekende gemiddelde waarde van het monster (na verwijdering van uitbijters);
s = de onzekerheid in deze toegekende waarde als standaarddeviatie van het labgemiddelde (na verwijdering van uitbijters).
Het resultaat van een parameter is significant afwijkend t.a.v. de toegekende waarde indien:
Per parameter wordt een toets op systematische afwijkingen uitgevoerd. Hiervoor wordt na elk ringonderzoek per parameter het gemiddelde van de z-scores van de laatste drie ringonderzoeken berekend. Deze gemiddelde z-waarde dient tussen +1 en –1 te liggen.
Tevens dient het aantal significant afwijkende waarden per parameter te worden beoordeeld. Bij 2 of meer is de kwaliteit onvoldoende.
6.3.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
De resultaten van de ringonderzoeken en de evaluatie worden door de uitvoerende instantie aan het laboratorium en aan de minister van LNV gerapporteerd.
6.3.2. Steekproef
Een aantal keren per jaar worden op het laboratorium reeds geanalyseerde monsters verzameld ten behoeve van analyse door RIKILT – Instituut voor Voedselveiligheid, onderdeel van Wageningen UR te Wageningen. Het aantal te verzamelen monsters bedraagt 0,5% van het totaal met een minimum van 50 per jaar. Dit gebeurt onaangekondigd. Het laboratorium is verplicht reeds vastgelegde analyseresultaten van de betreffende monsters aan RIKILT – Instituut voor Voedselveiligheid, onderdeel van Wageningen UR te Wageningen beschikbaar te stellen. Beide reeksen analyseresultaten worden met elkaar vergeleken middels een paarsgewijze t-toets. De resultaten van de toets worden binnen 30 dagen gerapporteerd aan het laboratorium en aan de minister van LNV.
De berekende hoeveelheden fosfaat en stikstof – gebaseerd op het gehalte maal de vrachtomvang – wordt uitgedrukt in kilogrammen en afgerond op hele getallen.
7.1. Uitdrukking van meetresultaten
De meetresultaten dienen te allen tijde te worden berekend op productbasis. Stapelbare mest wordt met de droogfactor die bepaald is bij de voorbehandeling volgens NEN 7431 omgerekend naar product.
Het resultaat van fosfor moet worden uitgedrukt op oxide basis, omrekeningsfactor hiervoor is:
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
Fosforpentoxide (P2O5) wordt in de praktijk en de mestwetgeving aangeduid met fosfaat.
De meetresultaten voor stikstof en fosfaat worden bij een gehalte <10 g/kg afgerond op 2 decimalen, bij een gehalte ≥10 g/kg op 1 decimaal, en bij een gehalte ≥100 g/kg op 0 decimaal.
De minimale rapporteringswaarde bedraagt voor stikstof 0,10 g/kg en voor fosfaat 0,07 g/kg.
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
Het analyserapport moet voldoen aan de volgende algemene voorwaarden:
Het analyserapport dient minimaal de volgende gegevens te bevatten:
### **II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders**
7.3. Heranalyse
### **10. Toetredingsprocedure**
Heranalyse vindt plaats in duplo onder herhaalbaarheidscondities, op het gekoeld bewaarde analysemonster, binnen 21 dagen na de eerste verslaglegging.
De duploresultaten van de heranalyse dienen te voldoen aan de eisen voor de herhaalbaarheid, voor stikstof 4% en voor fosfor 6%. Voldoet een monster niet aan deze eisen dan wordt de analyse opnieuw uitgevoerd in duplo. Voldoet het monster bij herhaling wel aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend van de laatste 2 meetresultaten. De eerder gevonden duploresultaten worden dan verworpen.
Voldoet het monster bij herhaling wederom niet aan de gestelde herhaalbaarheidseisen dan wordt het gemiddelde berekend van de 4 meetresultaten. Bij de eventuele rapportage wordt hiervan melding gemaakt.
### **9. Controle op naleving**
### **3. Plaats bemonstering**
Wanneer de analyseresultaten niet worden bevestigd, wordt door het laboratorium een gewijzigd analyserapport verzonden aan de leverancier, vervoerder en afnemer van de vracht of partij mest en daarmee vervalt het eerste analyseresultaat. Op het analyserapport wordt aangegeven dat het een heranalyse betreft.
7.4. Rapportage aan Dienst Regelingen
Periodiek moet het laboratorium in ieder geval de volgende gegevens aan Dienst Regelingen rapporteren:
### **8. Archivering van gegevens**
6.1.1.3. Opstellen controlekaart
Er wordt een controlekaart voor stikstof en voor fosfor opgesteld waarbij de standaardafwijking van de gemiddelde waarde van het controlemonster voor stikstof 2,29% bedraagt en voor fosfor 3,42%. (Toelichting: Deze percentages zijn berekend aan de hand van de herhaalbaarheid, waarbij de vereiste herhaalbaarheid gedeeld wordt door 2,8 en vervolgens met 1,6 wordt vermenigvuldigd teneinde de lange termijneffecten op de gemiddelde waarde van het controlemonster in de controlekaart mee te nemen.)
### **8. Archivering van gegevens**
Wanneer meer gegevens van het controlemonster beschikbaar komen uit analyse van volgende series kan het zijn dat de schatting van de gemiddelde waarde uit de testgegevens afwijkt van die uit de aanvullende gegevens. In dat geval mag na 15 series opnieuw het gemiddelde en de bijbehorende 2s en 3s grenzen worden berekend. De reden van verandering van deze grenzen dient gedocumenteerd te worden.
6.1.1.4. Dagelijkse toetsing controlekaart
Van onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) is sprake in de volgende gevallen:
### **9. Controle op naleving**
6.1.2. Duplo-analyse monsters
Alle mestmonsters worden, na de voorgeschreven monstervoorbehandeling, in duplo onder herhaalbaarheidscondities geanalyseerd. Indien de serie waarin het desbetreffende monster zich bevindt aan de eisen voldoet, worden vervolgens de meetresultaten van het individuele mestmonster beoordeeld aan de hand van de herhaalbaarheidseisen. Voldoet een monster aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend en geregistreerd.
### **10. Toetredingsprocedure**
Voldoet het monster bij herhaling wederom niet aan de gestelde herhaalbaarheidseisen dan wordt het gemiddelde berekend van de 4 meetresultaten. Bij de rapportage wordt hiervan melding gemaakt: ‘gemiddelde van 4 waarnemingen’.
6.2. Tweedelijnscontrole
De tweedelijnscontrole omvat de beoordeling van de onder herhaalbaarheidsomstandigheden verkregen analyseresultaten van het tweedelijnscontrolemonster teneinde het niveau van de analysemethode voor de desbetreffende tijdsperiode te bewaken. Het gaat dus om de langere termijn bewaking van het analyseniveau.
6.2.1. Controlemonster tweede lijn
Het laboratorium dient een tweedelijnscontrolemonster te analyseren met een frequentie van eenmaal per 2 weken. Hierbij doorloopt het monster zo veel mogelijk de gehele procedure van alle in dit accreditatieprogramma genoemde parameters.
6.2.1.1. Eisen controlemonster tweede lijn
Het tweedelijnscontrolemonster dient een ander monster te zijn dan het controlemonster dat gebruikt wordt voor de eerstelijnscontrole en dient – voor zover mogelijk – onherkenbaar bepaald te worden.
Het controlemonster dient bij voorkeur te bestaan uit een mengsel van met wijnsteenzuur voorbehandelde, gedroogde en gemalen stapelbare mest. Het gehalte aan stikstof en fosfor dient te liggen tussen 25 en 75 g/kg resp. 4 en 20 g/kg. De aangemaakte hoeveelheid monster dient voldoende te zijn voor een periode van 10 jaar. (Toelichting: Uitgaande van een maximale frequentie van een maal per twee weken betekent dit een hoeveelheid monster van 1 (gram: inweeg) * 2 (duplo) * 26 (weken) * 10 (jaar) * 1,1 (marge) ≈ 600 gram.)
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
### **Tabel I behorende bij de artikelen 84 t/m 91**
### **Tabel II behorend bij artikel 89**
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
### **Tabel I behorende bij de artikelen 84 t/m 91**
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
### Tabel II behorend bij [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=89&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
6.2.2. Procedurele aspecten
### Behorende bij de [artikelen 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2007-07-22&g=2007-07-22), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=100&z=2007-07-22&g=2007-07-22) en [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=101&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
6.3. Derdelijnscontrole
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
De derdelijnscontrole bestaat uit twee onderdelen:
6.3.1. Ringonderzoek
### **2. Doel**
### **3. Uitgangspunten**
Ten aanzien van ringonderzoeken dienen de volgende procedurele aspecten in een apart document of in het kwaliteitssysteem van het laboratorium te zijn opgenomen.
6.3.1.2. Evaluatie van ringonderzoekresultaten
De resultaten van een ringonderzoek worden door de uitvoerende instantie als volgt geëvalueerd. Van elke parameter van elk monster wordt de z-score berekend:
z = (Xlab. – Xgem.) / s
Waarbij:
Xlab. = de door het laboratorium gemeten waarde van het monster;
Xgem. = de toegekende gemiddelde waarde van het monster (na verwijdering van uitbijters);
s = de onzekerheid in deze toegekende waarde als standaarddeviatie van het labgemiddelde (na verwijdering van uitbijters).
Het resultaat van een parameter is significant afwijkend t.a.v. de toegekende waarde indien:
Per parameter wordt een toets op systematische afwijkingen uitgevoerd. Hiervoor wordt na elk ringonderzoek per parameter het gemiddelde van de z-scores van de laatste drie ringonderzoeken berekend. Deze gemiddelde z-waarde dient tussen +1 en –1 te liggen.
Tevens dient het aantal significant afwijkende waarden per parameter te worden beoordeeld. Bij 2 of meer is de kwaliteit onvoldoende.
6.3.1.3. Rapportage van ringonderzoekresultaten
De resultaten van de ringonderzoeken en de evaluatie worden door de uitvoerende instantie aan het laboratorium en aan de minister van LNV gerapporteerd.
### **4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)**
Een aantal keren per jaar worden op het laboratorium reeds geanalyseerde monsters verzameld ten behoeve van analyse door RIKILT – Instituut voor Voedselveiligheid, onderdeel van Wageningen UR te Wageningen. Het aantal te verzamelen monsters bedraagt 0,5% van het totaal met een minimum van 50 per jaar. Dit gebeurt onaangekondigd. Het laboratorium is verplicht reeds vastgelegde analyseresultaten van de betreffende monsters aan RIKILT – Instituut voor Voedselveiligheid, onderdeel van Wageningen UR te Wageningen beschikbaar te stellen. Beide reeksen analyseresultaten worden met elkaar vergeleken middels een paarsgewijze t-toets. De resultaten van de toets worden binnen 30 dagen gerapporteerd aan het laboratorium en aan de minister van LNV.
De berekende hoeveelheden fosfaat en stikstof – gebaseerd op het gehalte maal de vrachtomvang – wordt uitgedrukt in kilogrammen en afgerond op hele getallen.
7.1. Uitdrukking van meetresultaten
De meetresultaten dienen te allen tijde te worden berekend op productbasis. Stapelbare mest wordt met de droogfactor die bepaald is bij de voorbehandeling volgens NEN 7431 omgerekend naar product.
Het resultaat van fosfor moet worden uitgedrukt op oxide basis, omrekeningsfactor hiervoor is:
fosfor (P) naar fosforpentoxide (P2O5): 2,29
Fosforpentoxide (P2O5) wordt in de praktijk en de mestwetgeving aangeduid met fosfaat.
De meetresultaten voor stikstof en fosfaat worden bij een gehalte <10 g/kg afgerond op 2 decimalen, bij een gehalte ≥10 g/kg op 1 decimaal, en bij een gehalte ≥100 g/kg op 0 decimaal.
De minimale rapporteringswaarde bedraagt voor stikstof 0,10 g/kg en voor fosfaat 0,07 g/kg.
De berekende hoeveelheden fosfaat en stikstof – gebaseerd op het gehalte maal de vrachtomvang – wordt uitgedrukt in kilogrammen en afgerond op hele getallen.
7.2. Analyserapport
Het analyserapport moet voldoen aan de volgende algemene voorwaarden:
Het analyserapport dient minimaal de volgende gegevens te bevatten:
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
7.3. Heranalyse
De bewaartermijn van de analysemonsters is 14 dagen na verzending van het analyserapport aan de leverancier, vervoerder en afnemer van de vracht of partij mest. Producenten en afnemers van de mest kunnen tot tien dagen na verzending van het analyserapport bij het laboratorium een verzoek indienen om heranalyse(s) uit te voeren. Dit verzoek moet schriftelijk via de vervoerder worden ingediend. Heranalyse is slechts één maal mogelijk en vindt in hetzelfde laboratorium plaats als waar het monster voor analyse is aangeboden.
Heranalyse vindt plaats in duplo onder herhaalbaarheidscondities, op het gekoeld bewaarde analysemonster, binnen 21 dagen na de eerste verslaglegging.
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
Indien het gemiddelde meetresultaat van de heranalyse voor stikstof en fosfor niet meer dan 6,4% resp. 9,8% afwijkt van het resultaat de eerste analyse, is er sprake van een bevestiging van het resultaat.
De aanvrager van de heranalyse ontvangt in dat geval van het laboratorium bericht van de bevestiging waarbij aangegeven wordt dat het eerder gerapporteerde resultaat onverkort van toepassing blijft.
### **II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders**
7.4. Rapportage aan Dienst Regelingen
### **10. Toetredingsprocedure**
Laboratoria die wensen deel te nemen aan het Accreditatieprogramma AP05 dienen zich aan te melden bij de Raad voor Accreditatie. Het laboratorium dient aan te tonen dat het bekend is met de specifieke kenmerken van de matrix dierlijke mest en dat de voorgeschreven analysemethoden goed kunnen worden uitgevoerd. Hiervoor moet vooraf een groot aantal monsters (200) onder beheerste condities geanalyseerd worden. Reden voor dit grote aantal analyses vooraf, is de diversiteit in de matrix mest (diersoorten, stalsystemen) en de daarbij behorende effecten op de gehalten. Als aangetoond is dat aan de kwaliteitseisen van AP05 kan worden voldaan wordt het laboratorium geaccrediteerd. Vóórdat monsters in het kader van het stelsel van gebruiksnormen geanalyseerd mogen worden, dient ook de kwaliteitsbewaking opgestart te zijn, in de vorm van controlemonsters met de bijbehorende controlekaarten.
De meetgegevens van het laboratorium dienen gedurende minimaal 5 jaar te worden gearchiveerd en wel zodanig dat de meetresultaten kunnen worden geherinterpreteerd en snel en handzaam terugvindbaar zijn. Dit geldt ook voor de validatiegegevens en de analyserapporten.
Het is toegestaan de meetgegevens elektronisch op te slaan vermits voldaan wordt aan de relevante eisen uit de NEN-EN-ISO/IEC 17025.
### **9. Controle op naleving**
### **3. Plaats bemonstering**
NEN 7430: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest.
De jaarlijkse controle op de naleving van de eisen geformuleerd in dit Accreditatieprogramma wordt uitgevoerd door de Raad voor Accreditatie (RvA). In geval van een schorsing of intrekking van de accreditatie zal dit door de RvA worden gemeld aan de minister van LNV. Indien de accreditatie is ingetrokken, mag een laboratorium geen analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest meer uitvoeren. In het kader van haar toezichthoudende taak zal de AID tevens de naleving van het voldoen aan de eisen uit het AP05 controleren.
De resultaten van de ringtesten zullen door de uitvoerende instantie of instanties aan de minister van LNV gerapporteerd worden. Mochten de resultaten van de ringtesten aanleiding geven tot vragen betreffende de kwaliteit van een laboratorium dan zal op verzoek van de minister de ringtest gedecodeerd worden. Indien gewenst kan de minister de RvA opdracht geven een extra onderzoek in te stellen.
@@ -2955,13 +2973,13 @@
NEN 7435: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan fosfor in destruaten.
### **4. Monsternameprocedure**
### **1. Droge stof**
Kwalificatieprocedure voor het verkrijgen van de accrediatieAP05:
Eindrapportage bemonstering en analyse van dierlijke mest, Projectgroep Bemonstering en Analyse, april 1995.
NEN 7430: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest.
### **4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster**
NEN 7431: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door mengen, drogen en malen. Stapelbare mest
@@ -2969,37 +2987,37 @@
NEN 7434: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan stikstof in destruaten.
NEN 7435: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan fosfor in destruaten.
### **1. Droge stof**
### **A. Protocol analyse gehalten stikstof, fosfaat en drogestof zuiveringsslib en compost**
NEN 7437: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof.
Opzet van ringonderzoeken en interpretatie van resultaten, R94.012 (3de versie), Kwaliteitsdienst Landbouwkundige Laboratoria, TNO voeding.
Eindrapportage bemonstering en analyse van dierlijke mest, Projectgroep Bemonstering en Analyse, april 1995.
### **4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster**
4.2.7. Ook kan – naar analogie van het bemonsteren van mest – gebruik worden gemaakt van speciale apparatuur waarmee tijdens het laden regelmatig ondermonsters genomen kunnen worden.
### Behorende bij de [artikelen 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2008-01-01&g=2008-01-01), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=100&z=2008-01-01&g=2008-01-01) en [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=101&z=2008-01-01&g=2008-01-01)
4.5.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd stuurt minimaal 1 monster voor onderzoek naar het laboratorium. Een tweede monster kan voor eigen doeleinden worden bewaard. Het laboratorium moet voldoen aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of een hieraan gelijkwaardige norm.
Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge (www.ecn.nl/horizontal).
4.3.1. Het verzamelmonster bestaat uit alle ondermonsters.
### **A. Protocol analyse gehalten stikstof, fosfaat en drogestof zuiveringsslib en compost**
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
Wanneer in één maand één monster wordt aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt de berekening van het twaalf-maandsgemiddelde gemaakt op basis van het analyseresultaat van dit monster.
Wanneer in één maand meerdere monsters worden aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt eerst het gemiddelde analyseresultaat van die maand berekend op basis van de analyseresultaten van die monsters. Vervolgens wordt de berekening van het twaalf-maansgemiddelde gemaakt op basis van de het gemiddelde analyseresultaat van die maand.
CSS 99022 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method. (www.ecn.nl/horizontal).
4.4.2. De label wordt op een deugdelijk wijze aan de pot gehecht.
### Behorende bij de [artikelen 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2008-01-01&g=2008-01-01), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=100&z=2008-01-01&g=2008-01-01) en [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=101&z=2008-01-01&g=2008-01-01)
4.5.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd stuurt minimaal 1 monster voor onderzoek naar het laboratorium. Een tweede monster kan voor eigen doeleinden worden bewaard. Het laboratorium moet voldoen aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of een hieraan gelijkwaardige norm.
Deze gegevens mogen op verschillende plaatsen geadministreerd en bewaard worden, mits de traceerbaarheid van de gegevens gewaarborgd is.
CSS 99020 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method. (www.ecn.nl/horizontal).
De analysefrequentie hangt af van:
Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge (www.ecn.nl/horizontal).
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
Hierbij verzoekt
Wanneer in één maand één monster wordt aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt de berekening van het twaalf-maandsgemiddelde gemaakt op basis van het analyseresultaat van dit monster.
@@ -3007,21 +3025,21 @@
Door het aldus verkregen analyseresultaat (fosfaatgehalte en stikstofgehalte en drogestofgehalte afzonderlijk) toe te voegen aan de som van de analyseresultaten van de voorgaande maanden (maximaal 11) en deze som te delen door het totale aantal maanden (maximaal 12), wordt het nieuwe twaalf-maandsgemiddelde berekend.
Deze gegevens mogen op verschillende plaatsen geadministreerd en bewaard worden, mits de traceerbaarheid van de gegevens gewaarborgd is.
4.1.2.1. Het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor berekent de ondernemer op basis van minimaal 5 analyse-uitslagen, verkregen in de eerste 3 maanden.
Het uitgangspunt is dat de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd per gehalte met een voortschrijdend gemiddeld gehalte werkt. Dit gemiddelde gehalte wordt berekend per product per locatie (Dit betekent dat een product, afkomstig van 1 leverancier maar geleverd vanaf meerdere locaties, per locatie beschouwd moet worden. Zie echter ook 4.1.4 en 4.1.5) uit een aantal waarnemingen. Hij stelt hiertoe eerst het gemiddelde gehalte vast (aanvangsgemiddelde). Vervolgens onderhoudt hij dit gemiddelde gehalte door regelmatig monsters te (laten) analyseren en de analyseresultaten toe te voegen aan de gegevens, die nodig zijn om de gemiddelde gehalten te berekenen. De oudste gegevens worden telkens verwijderd (voorschrijdend gemiddelde).
De analysefrequentie hangt af van:
Verzoek tot machtiging als monsternemer
Hierbij verzoekt
In [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2008-07-13&g=2008-07-13) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:
4.1.2.4. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
Bestaand product
In [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2008-11-19&g=2008-11-19) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:
Nieuw product
Dit protocol vermeldt voor vochtrijke voedermiddelen (> 14% vocht) de uitgangspunten die gelden voor de vaststelling van de te vermelden gehalten en voor de minimumfrequentie van analytisch onderzoek. Tevens wordt aangegeven hoe de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het gehalte moet vaststellen en welke minimumfrequentie van onderzoek hij moet hanteren.
### **III. Toleranties**
4.1.2.1. Het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor berekent de ondernemer op basis van minimaal 5 analyse-uitslagen, verkregen in de eerste 3 maanden.
@@ -3037,7 +3055,7 @@
Nieuw product
### **III. Toleranties**
4.1.2. Voor een nieuw product gebeurt dit als volgt:
4.1.2.1. Het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor berekent de ondernemer op basis van minimaal 5 analyse-uitslagen, verkregen in de eerste 3 maanden.
@@ -3051,22 +3069,6 @@
4.1.3. Van een bestaand product (d.w.z. reeds langer op de markt) berekent de ondernemer op basis van de meest recente 10 analyse-uitslagen het gemiddelde gehalte en de sd
voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
Opmerkingen
4.1.4. Uitgangspunt is definiëring per product per locatie, tenzij de ondernemer kan aantonen dat er geen verschil is tussen eenzelfde product van diverse locaties.
4.1.5. De ondernemer dient 1 keer per 3 jaar aan te tonen dat er geen sprake is van een verschil tussen een zelfde product van diverse locaties. Er is geen verschil tussen een zelfde product van meerdere locaties indien het verschil (berekend uit minimaal 5 analyse-uitslagen) tussen de gemiddelde waarden kleiner is dan de helft van de toegestane afwijking (tolerantie), die is vastgelegd in het onderdeel III van deze bijlage.
4.2.6. Voor producten met minder dan 75 gram ruw eiwit per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
Onderhoud t.b.v. voortschrijdend gemiddelde gehalte
4.2.1. Nadat de onderneming volgens de onder 4.1 beschreven werkwijze per product per locatie het gemiddelde gehalte en de sd voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor heeft vastgesteld, dient hij dit gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij volgt daartoe de hieronder beschreven werkwijze.
4.2.2. Het bedrijf stelt op basis van de sd en de tolerantie met behulp van figuur 1 vast hoeveel monsteronderzoek in de komende 12 maanden noodzakelijk zijn om het gemiddelde gehalte te kunnen onderhouden. (De in deze figuur genoemde frequenties voor jaarlijks monsteronderzoek zijn vastgesteld op basis van een 95% betrouwbaarheidsinterval, dwz de kans is 95% dat de afwijking van het werkelijke gemiddelde van het product t.o.v. het berekende gemiddelde binnen de toleranties valt.) Het minimale aantal analyse-uitslagen is 6 per jaar.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 69a
@@ -3075,13 +3077,13 @@
2. De op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevulde gegevens worden door de vervoerder uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht zuiveringsslib en compost op elektronische wijze bij de Dienst Regelingen ingediend.
3. In afwijking van [artikel 55, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55), kunnen de leverancier of de afnemer, de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost machtigen. [Artikel 65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=65&z=2008-07-13&g=2008-07-13) is op deze machtiging van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van [artikel 55, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55), kunnen de leverancier of de afnemer, de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost machtigen. [Artikel 65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=2&artikel=65&z=2008-11-19&g=2008-11-19) is op deze machtiging van overeenkomstige toepassing.
#### § 4. Grensoverschrijdende overbrenging
### Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
#### § 1. Mestproductie
#### § 3. Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost
#### § 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen
@@ -3107,11 +3109,11 @@
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht
#### § 5. Gasvormige verliezen
#### § 6. Diervoeders
#### § 7. Staldieren en eieren
#### § 1. Kennisgeving van overgang
#### § 3. Vervallen van een productierecht
#### § 3. Vervallen van een productierecht
@@ -3467,23 +3469,23 @@
### **Pootaardappelrassen hoge norm**
Lady Olympia
Bodem – Kwantitatieve bepaling van het gehalte van Organochloor Bestrijdingsmiddelen (OCB), polychloorbifenylen (PCB) en matig-vluchtige chloorbenzenen met gaschromatografie
### **Pootaardappelrassen lage norm**
Asterix
Aziza
Premiere
Ramos
## Bijlage A.3. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2006-07-01&g=2007-01-01): Buitenbloemen
### **Buitenbloemen hoge norm**
Gloria
Irene
Markies
Ballys
Ceasar
Desiree
## Bijlage A.2. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2008-01-01&g=2008-01-01): Pootaardappelrassen
@@ -3511,9 +3513,9 @@
### **Onderdeel I. Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland**
Annabel
Berber
Producent
Russet Burbank
### **2. Voorbehandeling van de grondmonsters**
@@ -3523,11 +3525,11 @@
### **2. Benodigde reagentia**
Kondor
Asterix
### **Buitenbloemen hoge norm**
Vento
Marfona
### **4. Berekening**
@@ -3535,110 +3537,110 @@
### **5. Opmerkingen**
Bemonster met een geschikte boor grond tot 10 centimeter diepte op zowel grasland als bouwland. Tot de aangegeven diepte dient de boor volledig met grond gevuld te zijn. Mijd bij bemonstering meststofresten.
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld software programma (PM naam programma) dat op CD-ROM te verkrijgen is bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In onderdeel I van dit protocol wordt aangegeven hoe de bemonstering van een perceel bouwland of grasland dient plaats te vinden. De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal, die respectievelijk staan omschreven in onderdeel II en III van dit protocol. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test die vergeleken moet worden met de waarden die opgenomen zijn in [artikel 29, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=29&z=2008-07-13&g=2008-07-13) van de regeling. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw monster gestoken te worden om het mengmonster te verkrijgen.
Lymonium
Lysimachia
### **1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond**
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
### **3.Werkwijze**
2.5. Moederoplossing voor extractievloeistof
### **4. Berekening**
Stel de gevonden normaliteit van het ijsazijn = b.
Stel de gevonden normaliteit van de ammonia = c.
## Bijlage D. Diergebonden normen
### Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2006-07-01&g=2007-01-01), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2006-07-01&g=2007-01-01), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2006-07-01&g=2007-01-01), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2006-07-01&g=2007-01-01), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2006-07-01&g=2007-01-01) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=5&artikel=96&z=2006-07-01&g=2007-01-01).
De volgende drie oplossingen dienen samengesteld te worden. De oplossingen zijn nodig voor de bepaling van het fosfaatgehalte.
### Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2007-07-22&g=2007-07-22), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2007-07-22&g=2007-07-22), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2007-07-22&g=2007-07-22), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2007-07-22&g=2007-07-22), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2007-07-22&g=2007-07-22) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=5&artikel=96&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO 3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.
Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 – zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2006-07-01&g=2007-01-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2006-07-01&g=2007-01-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2006-07-01&g=2007-01-01)
Verdun de standaardoplossing 20 keer. Pipetteer hiervoor 50 milliliter standaardoplossing in een maatkolf van 1 liter. Vul aan met water tot de maatstreep en meng. Conserveer met enkele druppels koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 0,05 milligram P2O5. Bewaar de standaardoplossing in de koelkast.
### **3. Werkwijze**
### **4. Berekening**
### **5. Opmerkingen**
Voeg anders aan het filtraat opnieuw actieve kool toe, schud even flink en filtreer opnieuw. Handel voor de blanco bepalingen op geheel dezelfde wijze als bij het monsteronderzoek. Vergeet daarbij dus ook niet de toevoeging van de actieve kool.
### **2. Inlezen gegevens**
Neem op deze wijze ook een tweetal standaardbepalingen mee, die 0,5 milligram P2O5 bevatten. Vul de kolfjes aan met water tot de maatstreep, meng goed en meet in de spectrofoto meter de extinctie in een cuvet van 10 millimeter doorsnede, bij een golflengte van 735 nanometer. Stel voor de berekening van het fosfaatgehalte als volgt de ijkfactor vast.
F = waarde van de ijkfactor verkregen uit de ijklijn = ongeveer 1,9
### **5. Opmerkingen**
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur**
Hierin is:
Eb = extinctie van de blanco
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
### **2. Reagentia**
Stel de gevonden normaliteit van het ‘verdunde melkzuur’ = a.
Titreert men een dergelijk mengsel, na verdunning met water en natronloog van bekende sterkte onder toevoeging van phenolphtalein (fenolftaline) als indicator, dan bepaalt men slechts het melkzuur. Geeft men vervolgens een bekende overmaat natronloog en laat men de oplossing nu gedurende een half uur staan, dan worden eventueel aanwezige lactiden in melkzuur omgezet, waardoor natronloog wordt verbruikt. De resterende hoeveelheid loog wordt met zoutzuur van bekende sterkte teruggetitreerd. Blijkt dat van de overmaat aan loog niets is verbruikt, dan bevatte de onderzochte oplossing enkel melkzuur.
Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23-26.
### **E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest**
### **E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest**
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
2.4. Ascorbinezuur oplossing 1,75%
### **3.Werkwijze**
2.6. Extractievloeistof
### **4. Berekening**
Oplossing I
Oplossing II
## Bijlage D. Diergebonden normen
### Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2006-07-01&g=2007-01-01), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2006-07-01&g=2007-01-01), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2006-07-01&g=2007-01-01), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2006-07-01&g=2007-01-01), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2006-07-01&g=2007-01-01) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=5&artikel=96&z=2006-07-01&g=2007-01-01).
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 1 millligram fosfaat (P2O5).
### Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2007-07-22&g=2007-07-22), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2007-07-22&g=2007-07-22), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2007-07-22&g=2007-07-22), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2007-07-22&g=2007-07-22), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2007-07-22&g=2007-07-22) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=5&artikel=96&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
Verdun de standaardoplossing 20 keer. Pipetteer hiervoor 50 milliliter standaardoplossing in een maatkolf van 1 liter. Vul aan met water tot de maatstreep en meng. Conserveer met enkele druppels koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 0,05 milligram P2O5. Bewaar de standaardoplossing in de koelkast.
3.1. Bereiding van het extract
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2006-07-01&g=2007-01-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2006-07-01&g=2007-01-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2006-07-01&g=2007-01-01)
Neem op deze wijze ook een tweetal standaardbepalingen mee, die 0,5 milligram P2O5 bevatten. Vul de kolfjes aan met water tot de maatstreep, meng goed en meet in de spectrofoto meter de extinctie in een cuvet van 10 millimeter doorsnede, bij een golflengte van 735 nanometer. Stel voor de berekening van het fosfaatgehalte als volgt de ijkfactor vast.
### **B. Eisen monsterverpakking**
### **4. Berekening**
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur**
Deze oplossing moet binnen een week worden gebruikt en worden bewaard bij kamertemperatuur, in een koelkast bij enkele graden boven 0 °C langer.
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
### **5. Opmerkingen**
(Ea – Eb) x (50/milliliter filtraat) x F x 100/2,5 = milligram P2O5 per 100 gram luchtdroge grond.
### **2. Inlezen gegevens**
Ea = extinctie van de analyse-meetvloeistof
F = waarde van de ijkfactor verkregen uit de ijklijn = ongeveer 1,9
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 millliliter:
### **3.Werkwijze**
De droge, tot een doorsnede van kleiner dan 2 millimeter verkleinde, gezeefde grond wordt geschept met een cilindrisch vaatje met bolvormige bodem, met een inhoud van 1,2 centimeter3. Door drie maal zacht aankloppen wordt de grond in dichte pakking gebracht en vervolgens dient de overmaat afgestreken te worden tot het niveau gelijk is aan de rand van het vaatje. Daarna wordt het afgemeten volume grond kwantitatief overgebracht in een schudfles van 125 centimeter3 inhoud.
De schudflessen met grond worden gedurende één nacht in een droogstoof gezet bij circa 40°C. Na afkoeling wordt dan 2 milliliter gedistilleerd water toegevoegd en even met de hand geschud om water en grond te mengen. Daarna de flesjes afsluiten en gedurende 22 uren bij een temperatuur van 20°C laten staan. Vervolgens wordt 70 milliliter gedistilleerd water van 20°C toegevoegd en aansluitend gedurende 1 uur geschud bij 20°C met een schudsnelheid van 160–170 slagen per minuut.
### Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=5&artikel=96&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
## Bijlage G
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2006-07-01&g=2007-01-01) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2006-07-01&g=2007-01-01)
### Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
### **5. Opmerkingen**
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur**
Titreert men een dergelijk mengsel, na verdunning met water en natronloog van bekende sterkte onder toevoeging van phenolphtalein (fenolftaline) als indicator, dan bepaalt men slechts het melkzuur. Geeft men vervolgens een bekende overmaat natronloog en laat men de oplossing nu gedurende een half uur staan, dan worden eventueel aanwezige lactiden in melkzuur omgezet, waardoor natronloog wordt verbruikt. De resterende hoeveelheid loog wordt met zoutzuur van bekende sterkte teruggetitreerd. Blijkt dat van de overmaat aan loog niets is verbruikt, dan bevatte de onderzochte oplossing enkel melkzuur.
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50 °C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
### **2. Reagentia**
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.
### **E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest**
### **E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest**
Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcylinder) wordt de volgende oplossing bereid.
Laat het mengreagens ongeveer 20 minuten staan en, indien noodzakelijk, filtreer het mengreagens ter verwijdering van een soms gevormd blauw colloïdaal neerslag. Het blauw colloïdaal neerslag kan hoge blancowaarden geven bij de bepaling.
### **3.Werkwijze**
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur**
2.8. Vaststellen van de ijklijn:
20 milliliter mengreagens 6) + 20 milliliter standaardoplossingnen en meng goed.
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
### **5. Opmerkingen**
De stikstofexcreties van staldieren moeten berekend worden conform de stalbalans. In deze tabel zijn voor staldieren wel excretieforfaits opgenomen (schuingedrukt) als hulpmiddel om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2008-01-01&g=2008-01-01).
### Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2008-01-01&g=2008-01-01) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2008-01-01&g=2008-01-01)
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg stikstof resp. kg fosfaat per jaar) en in m3 mest per zes maanden
5.1. Filtraten die ondanks de bij het filtreren in acht genomen voorzorgen troebel zijn, worden op de volgende wijze geklaard. Per 50 milliliter filtraat ongeveer 1,5 gram vast natriumchloride (NaCI) toevoegen en laten oplossen. Dan opnieuw filtreren. De nu uitgevlokte colloïdale bestanddelen laten zich gemakkelijk affiltreren. De NaCI-coneentratie van ongeveer 0,5N stoort de fosfaatbepaling niet.
### Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=73&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=5&artikel=96&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
## Bijlage G
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2006-07-01&g=2007-01-01) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2006-07-01&g=2007-01-01)
### Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
### **D. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van drijfmest**
1.2. Indien de AGR-apparatuur uit verschillende onderdelen bestaat is ieder te onderscheiden onderdeel zichtbaar voorzien van de in onderdeel 1.1. genoemde kenmerken.
### **2. Algemene eisen**
@@ -3647,35 +3649,35 @@
### **3. Verrichtingen van het accreditatieprogramma**
Bij de introductie van een verrichting of bij invoering van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting dient binnen het laboratorium een validatie-onderzoek te worden uitgevoerd. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan dient in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid te worden getoetst. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 5 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
### **E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest**
2.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de unieke identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen. Dit is zowel tijdens laden als tijdens het lossen mogelijk.
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
7.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee in het elektronische databericht ‘lossen van mest’ automatisch wordt aangegeven of er gedurende het desbetreffende transport een storing is opgetreden.
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
6.6. De AGR-apparatuur sluit op elektronische wijze, overeenkomstig de technische specificaties die op verzoek door de Dienst Regelingen worden verstrekt, aan op het ontvangstportaal bij Dienst Regelingen.
### **6. Kwaliteitsborging**
De monstervoorbehandeling van stapelbare mest en gedroogde mest moet uitgevoerd worden conform de procedure onder 5.1.2. en aansluitend volgens het betreffende onderdeel van NEN 7431 (volg protocol met toevoeging van wijnsteenzuur).
2.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de unieke identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, op elektronische wijze wordt ingelezen.
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
Als sprake is van het maken van een mengmonster dan wordt dit aangegeven op een begeleidingsformulier dat de vervoerder met de betreffende monsters meestuurt. Voor het maken van mengmonsters moet wat betreft de te volgen procedure onderscheid gemaakt worden tussen drijfmest en stapelbare mest.
### **7. Rapportage van resultaten**
De eisen gesteld aan de herhaalbaarheid van het controlemonster zijn gelijk aan die van de monsters, dus voor stikstof 4% en voor fosfor 6%.
6.1. Eerstelijnscontrole
### **9. Controle op naleving**
Bij onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) moeten de volgende maatregelen worden genomen:
Het gehalte aan stikstof en fosfor van het controlemonster drijfmest dient te liggen tussen 4 en 12 g/kg resp. 1 en 5 g/kg. Het gehalte aan stikstof en fosfor van het al dan niet voorbehandelde gedroogde en gemalen controlemonster stapelbare mest dient te liggen tussen 25 en 75 g/kg resp. 4 en 20 g/kg.
### **11. Literatuur**
De eisen gesteld aan de herhaalbaarheid van het controlemonster zijn gelijk aan die van de monsters, dus voor stikstof 4% en voor fosfor 6%.
6.2.1.2. Opstellen controlekaart
Idem 6.1.1.3
Voldoet het monster bij herhaling wederom niet aan de gestelde herhaalbaarheidseisen dan wordt het gemiddelde berekend van de 4 meetresultaten. Bij de rapportage wordt hiervan melding gemaakt: ‘gemiddelde van 4 waarnemingen’.
6.2. Tweedelijnscontrole
De tweedelijnscontrole omvat de beoordeling van de onder herhaalbaarheidsomstandigheden verkregen analyseresultaten van het tweedelijnscontrolemonster teneinde het niveau van de analysemethode voor de desbetreffende tijdsperiode te bewaken. Het gaat dus om de langere termijn bewaking van het analyseniveau.
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2007-02-09&g=2007-02-09)
@@ -3685,39 +3687,39 @@
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
Doel van de derdelijnscontrole is o.a. het stimuleren van een prestatieverbetering van de laboratoria.
6.2.1.3. Toetsing controlekaart
### **1. Algemeen**
Het laboratorium dient minimaal drie keer per jaar voor zijn geaccrediteerde verrichtingen aan ringonderzoeken deel te nemen. Deze ringonderzoeken worden in opdracht van het Ministerie van LNV uitgevoerd door daartoe door de minister van LNV aangewezen instantie of instanties. Monsters die in het kader van ringonderzoeken worden aangeboden zijn als zodanig herkenbaar.
Jaarlijks worden de resultaten van de tweedelijnscontrole intern geëvalueerd en vastgelegd.
### **4. Werkwijze**
### **4. Werkwijze**
6.3.2. Steekproef
Xlab. = de door het laboratorium gemeten waarde van het monster;
### **4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)**
Het laboratorium stuurt het analyserapport aan de vervoerder van de vracht of partij mest waar de analyse betrekking op heeft. Dit kan op papier of elektronisch.
fosfor (P) naar fosforpentoxide (P2O5): 2,29
### **8. Archivering van gegevens**
De duploresultaten van de heranalyse dienen te voldoen aan de eisen voor de herhaalbaarheid, voor stikstof 4% en voor fosfor 6%. Voldoet een monster niet aan deze eisen dan wordt de analyse opnieuw uitgevoerd in duplo. Voldoet het monster bij herhaling wel aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend van de laatste 2 meetresultaten. De eerder gevonden duploresultaten worden dan verworpen.
Voldoet het monster bij herhaling wederom niet aan de gestelde herhaalbaarheidseisen dan wordt het gemiddelde berekend van de 4 meetresultaten. Bij de eventuele rapportage wordt hiervan melding gemaakt.
De berekende hoeveelheden fosfaat en stikstof – gebaseerd op het gehalte maal de vrachtomvang – wordt uitgedrukt in kilogrammen en afgerond op hele getallen.
7.2. Analyserapport
### **II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders**
Periodiek moet het laboratorium in ieder geval de volgende gegevens aan Dienst Regelingen rapporteren:
De bewaartermijn van de analysemonsters is 14 dagen na verzending van het analyserapport aan de leverancier, vervoerder en afnemer van de vracht of partij mest. Producenten en afnemers van de mest kunnen tot tien dagen na verzending van het analyserapport bij het laboratorium een verzoek indienen om heranalyse(s) uit te voeren. Dit verzoek moet schriftelijk via de vervoerder worden ingediend. Heranalyse is slechts één maal mogelijk en vindt in hetzelfde laboratorium plaats als waar het monster voor analyse is aangeboden.
### **8. Archivering van gegevens**
### **11. Literatuur**
NEN 7430: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest.
De jaarlijkse controle op de naleving van de eisen geformuleerd in dit Accreditatieprogramma wordt uitgevoerd door de Raad voor Accreditatie (RvA). In geval van een schorsing of intrekking van de accreditatie zal dit door de RvA worden gemeld aan de minister van LNV. Indien de accreditatie is ingetrokken, mag een laboratorium geen analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest meer uitvoeren. In het kader van haar toezichthoudende taak zal de AID tevens de naleving van het voldoen aan de eisen uit het AP05 controleren.
Indien het gemiddelde meetresultaat van de heranalyse voor stikstof en fosfor niet meer dan 6,4% resp. 9,8% afwijkt van het resultaat de eerste analyse, is er sprake van een bevestiging van het resultaat.
De aanvrager van de heranalyse ontvangt in dat geval van het laboratorium bericht van de bevestiging waarbij aangegeven wordt dat het eerder gerapporteerde resultaat onverkort van toepassing blijft.
### **4. Monsternameprocedure**
@@ -3725,13 +3727,13 @@
Laboratoria die wensen deel te nemen aan het Accreditatieprogramma AP05 dienen zich aan te melden bij de Raad voor Accreditatie. Het laboratorium dient aan te tonen dat het bekend is met de specifieke kenmerken van de matrix dierlijke mest en dat de voorgeschreven analysemethoden goed kunnen worden uitgevoerd. Hiervoor moet vooraf een groot aantal monsters (200) onder beheerste condities geanalyseerd worden. Reden voor dit grote aantal analyses vooraf, is de diversiteit in de matrix mest (diersoorten, stalsystemen) en de daarbij behorende effecten op de gehalten. Als aangetoond is dat aan de kwaliteitseisen van AP05 kan worden voldaan wordt het laboratorium geaccrediteerd. Vóórdat monsters in het kader van het stelsel van gebruiksnormen geanalyseerd mogen worden, dient ook de kwaliteitsbewaking opgestart te zijn, in de vorm van controlemonsters met de bijbehorende controlekaarten.
### **4.2. Het nemen van de ondermonsters**
NEN 7437: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof.
### **9. Controle op naleving**
Laboratoria die wensen deel te nemen aan het Accreditatieprogramma AP05 dienen zich aan te melden bij de Raad voor Accreditatie. Het laboratorium dient aan te tonen dat het bekend is met de specifieke kenmerken van de matrix dierlijke mest en dat de voorgeschreven analysemethoden goed kunnen worden uitgevoerd. Hiervoor moet vooraf een groot aantal monsters (200) onder beheerste condities geanalyseerd worden. Reden voor dit grote aantal analyses vooraf, is de diversiteit in de matrix mest (diersoorten, stalsystemen) en de daarbij behorende effecten op de gehalten. Als aangetoond is dat aan de kwaliteitseisen van AP05 kan worden voldaan wordt het laboratorium geaccrediteerd. Vóórdat monsters in het kader van het stelsel van gebruiksnormen geanalyseerd mogen worden, dient ook de kwaliteitsbewaking opgestart te zijn, in de vorm van controlemonsters met de bijbehorende controlekaarten.
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
Wanneer in één maand één monster wordt aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt de berekening van het twaalf-maandsgemiddelde gemaakt op basis van het analyseresultaat van dit monster.
NEN 7435: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan fosfor in destruaten.
### **2. Stikstof (N)**
@@ -3739,21 +3741,21 @@
### **5. Machtiging als monsternemer**
4.1.2. Voor een nieuw product gebeurt dit als volgt:
Dit protocol vermeldt voor vochtrijke voedermiddelen (> 14% vocht) de uitgangspunten die gelden voor de vaststelling van de te vermelden gehalten en voor de minimumfrequentie van analytisch onderzoek. Tevens wordt aangegeven hoe de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het gehalte moet vaststellen en welke minimumfrequentie van onderzoek hij moet hanteren.
### **4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)**
4.2.3. De benodigde aantallen legt de onderneming vast in een bedrijfsintern monsteronderzoeksprogramma. De monsters worden verspreid over deze 12 maanden genomen en onderzocht.
4.2.4. Na elk monsteronderzoek stelt de onderneming uiterlijk binnen 2 weken opnieuw het gemiddelde gehalte vast. Hij doet dit op basis van de meest recente 10 waarnemingen. Dit gemiddelde gehalte hanteert het bedrijf vervolgens t.b.v. de administratie en -⁠etikettering.
4.2.5. Na afloop van de periode van 12 maanden stelt de onderneming opnieuw vast hoeveel monsters voor de komende 12 maanden onderzocht moeten worden om het gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij gaat hierbij uit van de meest recente 10 waarnemingen en volgt werkwijze vanaf 4.2.1.
voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
Opmerkingen
4.1.4. Uitgangspunt is definiëring per product per locatie, tenzij de ondernemer kan aantonen dat er geen verschil is tussen eenzelfde product van diverse locaties.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 91b
Indien dezelfde vracht vaste dierlijke meststoffen binnen zeven dagen twee maal wordt vervoerd van of naar een bedrijf of een onderneming, kan de hoeveelheid meststoffen van het eerste vervoer, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), gelijkgesteld worden aan de hoeveelheid meststoffen van het tweede vervoer, onder voorwaarde dat tijdens het laden van zowel het eerste als het tweede vervoer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking als bedoeld in [artikel 55, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-07-13&g=2008-07-13), van het tweede vervoer worden ingelezen en vastgelegd.
Indien dezelfde vracht vaste dierlijke meststoffen binnen zeven dagen twee maal wordt vervoerd van of naar een bedrijf of een onderneming, kan de hoeveelheid meststoffen van het eerste vervoer, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), gelijkgesteld worden aan de hoeveelheid meststoffen van het tweede vervoer, onder voorwaarde dat tijdens het laden van zowel het eerste als het tweede vervoer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking als bedoeld in [artikel 55, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=55&z=2008-11-19&g=2008-11-19), van het tweede vervoer worden ingelezen en vastgelegd.
#### § 5. Gasvormige verliezen
@@ -3769,7 +3771,7 @@
#### § 4. Leges
#### § 3. Vervallen van een productierecht
#### § 1. Kennisgeving van overgang
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
@@ -3987,15 +3989,15 @@
## Bijlage A.2. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2007-02-09&g=2007-02-09): Pootaardappelrassen
### **Pootaardappelrassen hoge norm**
### **IV. Protocol analyse droge stofgehalte in meststoffen**
### **Pootaardappelrassen lage norm**
## Bijlage A.3. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2007-02-09&g=2007-02-09): Buitenbloemen
### **Buitenbloemen hoge norm**
Milva
### **Consumptieaardappelrassen lage norm**
Diamant
## Bijlage B. behorende bij [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=29&z=2007-07-22&g=2007-07-22): Werkingscoëfficiënt
@@ -4037,147 +4039,295 @@
### **Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal**
### **Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal**
### **Principe**
### **3.Werkwijze**
Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 – zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.
Breng voor het bereiden van de moederoplossing de genoemde vloeistoffen respectievelijk 10000/a milliliter ‘verdund melkzuur’, 40000/b milliliter ijsazijn en 10000/c milliliter geconcentreerde ammonia in een fles van 10 liter, waarin zich reeds circa 3 liter water bevindt. Meng, koel af aan de lucht, vul met water aan tot 10 liter en meng weer.
### **5. Opmerkingen**
Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.
## Bijlage D. Diergebonden normen
Oplossing II
### **4. Berekening**
Oplossing III
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2007-02-09&g=2007-02-09), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2007-02-09&g=2007-02-09) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2007-02-09&g=2007-02-09)
### **2. Reagentia**
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
### **5. Opmerkingen**
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
2.3. Zwavelzure molybdaat oplossing
### **2. Inlezen gegevens**
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur**
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
### **3.Werkwijze**
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
Hierin is:
Na het schudden wordt gefiltreerd door een dubbelfilter (hard en asvrij). Tussen het schudden en het filtreren een vaste wachttijd (bijvoorbeeld 10 minuten) in acht nemen. De eerste doorlopende milliliters filtraat – in 4 minuten –, die vaak troebel zijn, worden afgevoerd of opnieuw op het filter gebracht. Daarna loopt het filtraat meestal helder door. Zie ook opmerking 5.1.
## Bijlage G
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
### Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2008-11-19&g=2008-11-19)
### **C. Prestatiekenmerken verpakkingsapparatuur**
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
### **6. Kwaliteitsborging**
### **7. Rapportage van resultaten**
Het controlemonster van de eerstelijn dient om het niveau van een serie monsters te bewaken. Uitgangspunt is dat het gebruikte monstermateriaal gedurende de gebruiksperiode niet verandert van samenstelling. Om te garanderen dat het controlemonster drijfmest over lange periode stabiel blijft dient het te worden bewaard bij een temperatuur van 4°C of lager. Het (met wijnsteenzuur behandelde en gedroogde) controlemonster vaste mest dient bij kamertemperatuur bewaard te worden.
### **8. Archivering van gegevens**
Er wordt een controlekaart voor stikstof en voor fosfor opgesteld waarbij de standaardafwijking van de gemiddelde waarde van het controlemonster voor stikstof 2,29% bedraagt en voor fosfor 3,42%. (Toelichting: Deze percentages zijn berekend aan de hand van de herhaalbaarheid, waarbij de vereiste herhaalbaarheid gedeeld wordt door 2,8 en vervolgens met 1,6 wordt vermenigvuldigd teneinde de lange termijneffecten op de gemiddelde waarde van het controlemonster in de controlekaart mee te nemen.)
### **10. Toetredingsprocedure**
### **11. Literatuur**
6.2.1. Controlemonster tweede lijn
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### Behorende bij de [artikelen 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2007-02-09&g=2007-02-09), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=100&z=2007-02-09&g=2007-02-09) en [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=101&z=2007-02-09&g=2007-02-09)
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2007-02-09&g=2007-02-09)
### **2. Doel**
Wanneer sprake is van onbeheerste kwaliteit moet het laboratorium een onderzoek instellen naar de oorzaak. In het geval sprake is van niet voldoen aan de herhaalbaarheidseis, dan dient het tweedelijnscontrolemonster in een volgende serie opnieuw geanalyseerd te worden. De conclusies betreffende het onderzoek worden vermeld bij de kwaliteitscontrolekaart.
### **4. Werkwijze**
### **4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)**
### **II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders**
### **2. Doel**
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2008-01-01&g=2008-01-01)
NEN 7430: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest.
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
4.5.2. Het eindmonster wordt binnen 24 uur afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor. Indien dit niet mogelijk is, vriest de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het monster direct in. Het monster wordt vervolgens in bevroren toestand afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.
### **A. Protocol analyse gehalten stikstof, fosfaat en drogestof zuiveringsslib en compost**
### **2. Stikstof (N)**
### **4. Werkwijze**
4.1.5. De ondernemer dient 1 keer per 3 jaar aan te tonen dat er geen sprake is van een verschil tussen een zelfde product van diverse locaties. Er is geen verschil tussen een zelfde product van meerdere locaties indien het verschil (berekend uit minimaal 5 analyse-uitslagen) tussen de gemiddelde waarden kleiner is dan de helft van de toegestane afwijking (tolerantie), die is vastgelegd in het onderdeel III van deze bijlage.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 57a
1. De vervoerder, die overeenkomstig [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57&z=2008-11-19&g=2008-11-19) mededeling heeft gedaan, doet ten minste drie werkdagen voordat de dierlijke meststoffen daadwerkelijk buiten of binnen Nederland worden gebracht hiervan elektronisch mededeling aan de Dienst Regelingen.
2. Bij de in het eerste lid bedoelde mededeling worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
- a. naam, adres en voor zover van toepassing de door de Dienst Regelingen ter identificatie verstrekte relatienummers van de vervoerder en de leverancier onderscheidenlijk afnemer van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen;
- b. de mestcode van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, zoals deze voor de desbetreffende mestsoort is opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19); en
- c. de postcode van de laadplaats van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen.
3. Ten minste twaalf uur voordat de overbrenging daadwerkelijk plaatsvindt, bevestigt de vervoerder de in het eerste lid bedoelde mededeling elektronisch aan de Dienst Regelingen.
4. Bij de in het derde lid bedoelde bevestiging van de mededeling worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
- a. de datum waarop het laden van de dierlijke meststoffen aanvangt; en
- b. het kenteken van het motorrijtuig, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1).
5. Indien de meststoffen binnen Nederland worden gebracht of indien de vracht bestaat uit dierlijke meststoffen waarvoor ingevolge Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (PbEG L 273) geen gezondheidscertificaat is voorgeschreven, kan de in het eerste lid bedoelde mededeling en de in het derde lid bedoelde bevestiging gelijktijdig geschieden, ten minste twaalf uur voordat de overbrenging daadwerkelijk plaatsvindt.
6. Indien het vervoer, nadat de in het derde lid bedoelde bevestiging is gedaan, niet dan wel niet overeenkomstig de verstrekte gegevens plaatsvindt, trekt de desbetreffende vervoerder, de in het eerste lid bedoelde mededeling onverwijld elektronisch in.
#### § 2. Vervoersbewijs dierlijke meststoffen
#### § 3. Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost
#### § 4. Grensoverschrijdende overbrenging
### Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
#### § 1. Mestproductie
#### § 4. Grensoverschrijdende overbrenging
#### § 3. Afgevoerde en aangevoerde andere meststoffen
#### § 4. Voorraden meststoffen
#### § 6. Diervoeders
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht
#### § 2. Blokkaderecht
#### § 5. Uitbreiding buiten rechten
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
## Bijlage A.1. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2007-07-22&g=2007-07-22): Consumptieaardappelrassen
### **Consumptieaardappelrassen hoge norm**
### **2. Fosfaat (P2O5)**
## Bijlage A.2. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2007-07-22&g=2007-07-22): Pootaardappelrassen
### **2. Instrumentele analyse Cd, Cr, Cu, Ni, Pb, Zn en As**
### **Pootaardappelrassen lage norm**
## Bijlage A.3. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2007-07-22&g=2007-07-22): Buitenbloemen
### **Buitenbloemen hoge norm**
## Bijlage C. behorende bij de [artikelen 30 tot en met 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
### **1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond**
Annabel
### **1. Abstract**
### **2. Benodigde reagentia**
### **3. Werkwijze**
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal
Veronica
### **3. Analyse van grondmonsters**
### **1. Abstract**
### **4. Berekening**
## Bijlage D. Diergebonden normen
Los 3900 gram natriumacetaat (NaC2H3O2.3H2O) op in water (of 3400 gram watervrij natriumacetaat) vul aan met water tot 10 liter en meng.
## Bijlage D. Diergebonden normen
Vul een buret met de verdunde standaardoplossing. Laat hieruit in maatkolfjes van 100 milliliter respectievelijk 0, 2, 4, 6, 8, 10, 20 en 30 milliliter vloeien. Deze reeks bevat dan respectievelijk 0; 0,1; 0,2; 0,3; 0,4; 0,5; 1,0 en 1,5 milligram P2O5. Vul het volume aan met water tot circa 40 milliliter. Voeg vervolgens 10 milliliter toe van oplossing I, zwenk om, voeg daarna 10 milliliter van oplossing II toe, zwenk weer om en voeg na 20 minuten wachten 20 milliliter van oplossing III toe. Zwenk om, vul aan met water tot de maatstreep en meng. Meet de extinctie in een cuvet van 10 millimeter in de spectrofotometer bij een golflengte van 735 nanometer. Bereken de ijkfactor door de som van de P2O5 dosering van de reeks 4,0 milligram P2O5 te delen door de som van de netto-extincties (dit zijn de extincties die verminderd zijn met de extinctie van de 0-proef van de reeks). De waarde van de ijkfactor bedraagt ongeveer 1,90.
### **4. Berekening**
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22 °C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2007-02-09&g=2007-02-09), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2007-02-09&g=2007-02-09) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2007-02-09&g=2007-02-09)
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2007-07-22&g=2007-07-22), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2007-07-22&g=2007-07-22) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
### **1. Abstract**
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
### **2. Reagentia**
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
2.3. Zwavelzure molybdaat oplossing
2.6. Mengreagens
### **2. Inlezen gegevens**
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur**
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
### **3.Werkwijze**
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
Hierin is:
7.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee wordt zichtbaar gemaakt of elke te onderscheiden functie van de AGR-apparatuur en de satellietvolgapparatuur correct functioneert.
## Bijlage G
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
### **C. Prestatiekenmerken verpakkingsapparatuur**
### **3. Verrichtingen van het accreditatieprogramma**
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
In erlenmeyers of flesjes van circa 100 milliliter wordt dan 20 milliliter mengreagens (zie 2.6) gepipetteerd en daarna 20 milliliter filtraat. Meng goed en laat 20 minuten staan. Meet de lichtabsorptie van de oplossingen in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij een golflengte van 882 nanometer.
## Bijlage F
### onderdeel B
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2007-07-22&g=2007-07-22) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
### **Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103**
### **D. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van drijfmest**
### **D. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van drijfmest**
### **4. Controle en registratie inkomende monsters**
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
### **6. Kwaliteitsborging**
### onderdeel A
### **7. Rapportage van resultaten**
Een nieuwe controlekaart wordt opgestart door minimaal vijf maal de verrichting uit te voeren in het nieuwe materiaal in verschillende al dan niet opeenvolgende series. Uit de testgegevens wordt berekend of het monstermateriaal voldoet aan de gestelde eisen voor gemiddelde en de herhaalbaarheid. Is dit het geval dan wordt de gemiddelde waarde van deze 10 waarnemingen (5 maal 2) genomen als startpunt van de controlekaart. Aan de hand van dit gemiddelde en de relatieve waarde van de toegestane standaardafwijking worden de 2s en 3s grenzen berekend en weergegeven in de kaart. De gegevens dienen van een periode te zijn dat de bepaling beheerst werd uitgevoerd, d.w.z. uit goedgekeurde series.
### **8. Archivering van gegevens**
Voldoet een monster niet aan de gestelde eisen dan wordt de analyse opnieuw uitgevoerd in duplo. Voldoet het monster bij herhaling wel aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend van de laatste 2 meetresultaten en geregistreerd. De eerder gevonden resultaten worden verworpen.
### **9. Controle op naleving**
### **10. Toetredingsprocedure**
### **11. Literatuur**
6.2.1.3. Toetsing controlekaart
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### Behorende bij de [artikelen 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2007-02-09&g=2007-02-09), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=100&z=2007-02-09&g=2007-02-09) en [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=101&z=2007-02-09&g=2007-02-09)
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2007-02-09&g=2007-02-09)
### **2. Doel**
6.3.1.1. Procedurele aspecten
### **4. Werkwijze**
Het laboratorium dient een tweedelijnscontrolemonster te analyseren met een frequentie van eenmaal per 2 weken. Hierbij doorloopt het monster zo veel mogelijk de gehele procedure van alle in dit accreditatieprogramma genoemde parameters.
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
### **3. Uitgangspunten**
### 4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).
### **4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)**
### **II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders**
### **2. Doel**
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2008-01-01&g=2008-01-01)
CSS 99020 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method. (www.ecn.nl/horizontal).
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
4.5.2. Het eindmonster wordt binnen 24 uur afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor. Indien dit niet mogelijk is, vriest de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het monster direct in. Het monster wordt vervolgens in bevroren toestand afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.
### **4.6. Monsteradministratie**
### **3. Uitgangspunten**
### **III. Toleranties**
Producten met een gering gehalte aan ruw eiwit en fosfor
Het laboratorium stuurt het analyserapport aan de vervoerder van de vracht of partij mest waar de analyse betrekking op heeft. Dit kan op papier of elektronisch.
### **4.1. Algemeen**
### Tabel II behorend bij [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=89&z=2008-01-01&g=2008-01-01)
### Tabel II behorend bij [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=89&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
### **1. Droge stof**
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=84&z=2008-11-19&g=2008-11-19)
### **1. Droge stof**
### Behorende bij de [artikelen 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=100&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=101&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
### 4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).
4.2.6. Voor producten met minder dan 75 gram ruw eiwit per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 57a
1. De vervoerder, die overeenkomstig [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=57&z=2008-07-13&g=2008-07-13) mededeling heeft gedaan, doet ten minste drie werkdagen voordat de dierlijke meststoffen daadwerkelijk buiten of binnen Nederland worden gebracht hiervan elektronisch mededeling aan de Dienst Regelingen.
2. Bij de in het eerste lid bedoelde mededeling worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
- a. naam, adres en voor zover van toepassing de door de Dienst Regelingen ter identificatie verstrekte relatienummers van de vervoerder en de leverancier onderscheidenlijk afnemer van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen;
- b. de mestcode van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, zoals deze voor de desbetreffende mestsoort is opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-07-13&g=2008-07-13); en
- c. de postcode van de laadplaats van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen.
3. Ten minste twaalf uur voordat de overbrenging daadwerkelijk plaatsvindt, bevestigt de vervoerder de in het eerste lid bedoelde mededeling elektronisch aan de Dienst Regelingen.
4. Bij de in het derde lid bedoelde bevestiging van de mededeling worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
- a. de datum waarop het laden van de dierlijke meststoffen aanvangt; en
- b. het kenteken van het motorrijtuig, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1).
5. Indien de meststoffen binnen Nederland worden gebracht of indien de vracht bestaat uit dierlijke meststoffen waarvoor ingevolge Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (PbEG L 273) geen gezondheidscertificaat is voorgeschreven, kan de in het eerste lid bedoelde mededeling en de in het derde lid bedoelde bevestiging gelijktijdig geschieden, ten minste twaalf uur voordat de overbrenging daadwerkelijk plaatsvindt.
6. Indien het vervoer, nadat de in het derde lid bedoelde bevestiging is gedaan, niet dan wel niet overeenkomstig de verstrekte gegevens plaatsvindt, trekt de desbetreffende vervoerder, de in het eerste lid bedoelde mededeling onverwijld elektronisch in.
#### § 2. Vervoersbewijs dierlijke meststoffen
#### § 3. Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost
##### Artikel 69b
[Artikel 55 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) is niet van toepassing op het vervoer van:
- a. compost verpakt in eenheden van ten hoogste 25 kilogram; en
- b. compost naar een particulier in leveringen tot een maximum van 1000 kilogram per levering.
#### § 4. Grensoverschrijdende overbrenging
@@ -4187,195 +4337,47 @@
#### § 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen
##### Artikel 92a
1. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in zuiveringsslib en compost, alsmede het droge stofgehalte in zuiveringsslib en compost wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster.
2. De bemonstering van een hoeveelheid zuiveringsslib of compost geschiedt door de producent. Hij stelt per geproduceerde hoeveelheid van ten hoogste 2.000.000 kilogram, een representatief monster samen, bestaande uit deelmonsters die volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes evenredig verspreid uit de betrokken partij worden genomen. Indien de geproduceerde hoeveelheid groter is dan 2.000.000 kilogram, wordt deze allereerst verdeeld in partijen van ten hoogste 2.000.000 kilogram.
3. Indien zuiveringsslib of compost in een continu proces wordt geproduceerd, kan de desbetreffende producent ervoor kiezen dat het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte alsmede het drogestof gehalte ervan, in zoverre in afwijking van de voorgaande leden, overeen komen met het over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig [artikel 92b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2008-11-19&g=2008-11-19), berekende twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestof gehalte, mits:
- a. de voor de productie van het zuiveringsslib of de compost gebruikte ingangsmaterialen van constante samenstelling zijn;
- b. de productie van zuiveringsslib of compost onafgebroken gedurende het gehele jaar plaatsvindt; en
- c. het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte alsmede het drogestofgehalte ten minste eenmaal per kalendermaand wordt vastgesteld door middel van analyse van een representatief monster bestaande uit deelmonsters die volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes evenredig verspreid uit de in die kalendermaand geproduceerde hoeveelheid zijn genomen.
4. Het monster wordt verpakt in een monsterverpakking die het monster niet verontreinigt of de samenstelling ervan anderszins beïnvloedt.
5. Het monster wordt door de producent uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toegestuurd aan een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
6. Indien het monster afkomstig is uit een hoeveelheid die in een continu proces is geproduceerd, geeft de betrokken producent bij het verzenden ervan aan of de analyseresultaten van dit monster gebruikt moeten worden bij de in [artikel 92b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2008-11-19&g=2008-11-19), bedoelde berekening.
##### Artikel 92b
1. Het laboratorium, bedoeld in [artikel 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2008-11-19&g=2008-11-19), analyseert de monsters uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst overeenkomstig het protocol, dat is opgenomen in [bijlage Ia, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ia&z=2008-11-19&g=2008-11-19), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat.
2. Indien dit ten aanzien van het monster overeenkomstig [artikel 92a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2008-11-19&g=2008-11-19), is aangegeven, berekent het laboratorium op basis van de meest recente analyseresultaten, het gemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig de in [bijlage Ia, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ia&z=2008-11-19&g=2008-11-19), opgenomen berekeningsmethode.
3. Het laboratorium voorziet de analyseresultaten dan wel de overeenkomstig het tweede lid berekende gemiddelde gehalten van een uniek analysenummer van ten hoogste twaalf posities.
4. Indien het monster afkomstig is uit een afzonderlijk geproduceerde partij zendt het laboratorium de analyseresultaten uiterlijk tien werkdagen na analyse elektronisch aan de Dienst Regelingen en aan de producent van de desbetreffende meststof, onder vermelding van het unieke analysenummer, bedoeld in het derde lid.
5. Indien het monster afkomstig is uit een hoeveelheid die in een continu proces is geproduceerd, zendt het laboratorium de in het derde lid bedoelde gemiddelde gehaltes, uiterlijk tien werkdagen na afloop van de desbetreffende kalendermaand elektronisch aan de Dienst Regelingen en aan de producent van de desbetreffende meststof, onder vermelding van het unieke analysenummer, bedoeld in het derde lid en het unieke analysenummer dat betrekking heeft op het in voorgaande kalendermaand met betrekking tot de desbetreffende hoeveelheid berekende gemiddelde.
6. Het laboratorium bewaart de monsters totdat tien werkdagen na verzending van de analyseresultaten door het laboratorium zijn verstreken.
#### § 3. Afgevoerde en aangevoerde andere meststoffen
#### § 4. Voorraden meststoffen
#### § 6. Diervoeders
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht
#### § 2. Blokkaderecht
#### § 5. Uitbreiding buiten rechten
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
## Bijlage A.1. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2007-07-22&g=2007-07-22): Consumptieaardappelrassen
### **Consumptieaardappelrassen hoge norm**
### **Consumptieaardappelrassen lage norm**
## Bijlage A.2. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2007-07-22&g=2007-07-22): Pootaardappelrassen
### **2. Instrumentele analyse Cd, Cr, Cu, Ni, Pb, Zn en As**
### **Pootaardappelrassen lage norm**
## Bijlage A.3. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2007-07-22&g=2007-07-22): Buitenbloemen
### **Buitenbloemen hoge norm**
## Bijlage C. behorende bij de [artikelen 30 tot en met 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
### **1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond**
Fontana
### **1. Abstract**
### **2. Benodigde reagentia**
### **3. Werkwijze**
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal
Voor de bemonstering van een perceel landbouwgrond dienen de volgende stappen uitgevoerd te worden. Markeer de vormbepalende hoekpunten en leg met een Global Positioning System (GPS) de omvang en vorm van het perceel vast. De afwijking van de GPS mag niet groter zijn dan 5 meter. De bemestingsvrije zones dienen bij deze bepaling niet meegenomen te worden. Indien het perceel verdeeld is onder meerdere gebruikers, dan wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd.
### **3. Analyse van grondmonsters**
### **1. Abstract**
### **4. Berekening**
## Bijlage D. Diergebonden normen
Voeg anders aan het filtraat opnieuw actieve kool toe, schud even flink en filtreer opnieuw. Handel voor de blanco bepalingen op geheel dezelfde wijze als bij het monsteronderzoek. Vergeet daarbij dus ook niet de toevoeging van de actieve kool.
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2007-07-22&g=2007-07-22), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2007-07-22&g=2007-07-22) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
### **1. Abstract**
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
### **7. Signalering van storingen**
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
7.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee in het databericht ‘lossen van mest’ automatisch wordt aangegeven of er gedurende het desbetreffende transport een storing is opgetreden.
## Bijlage F
### onderdeel B
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2007-07-22&g=2007-07-22) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
### **Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103**
### **D. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van drijfmest**
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
### **4. Controle en registratie inkomende monsters**
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
### onderdeel A
### **7. Rapportage van resultaten**
### **8. Archivering van gegevens**
### **9. Controle op naleving**
### **10. Toetredingsprocedure**
### **11. Literatuur**
De resultaten worden beoordeeld door een persoon die onafhankelijk is van de uitvoerende laboratoriumafdeling.
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2007-07-22&g=2007-07-22)
### **3. Uitgangspunten**
### 4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).
### **4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)**
Wanneer de analyseresultaten niet worden bevestigd, wordt door het laboratorium een gewijzigd analyserapport verzonden aan de leverancier, vervoerder en afnemer van de vracht of partij mest en daarmee vervalt het eerste analyseresultaat. Op het analyserapport wordt aangegeven dat het een heranalyse betreft.
### **4.1. Algemeen**
### Tabel II behorend bij [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=89&z=2008-01-01&g=2008-01-01)
### Tabel II behorend bij [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=89&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
### **1. Droge stof**
### **3. Fosfaat (P2O5)**
### **2. Doel**
### Behorende bij de [artikelen 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=100&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=101&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
### **III. Toleranties**
4.2.6. Voor producten met minder dan 75 gram ruw eiwit per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 69b
[Artikel 55 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) is niet van toepassing op het vervoer van:
- a. compost verpakt in eenheden van ten hoogste 25 kilogram; en
- b. compost naar een particulier in leveringen tot een maximum van 1000 kilogram per levering.
#### § 4. Grensoverschrijdende overbrenging
### Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
#### § 1. Mestproductie
#### § 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen
##### Artikel 92a
1. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in zuiveringsslib en compost, alsmede het droge stofgehalte in zuiveringsslib en compost wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster.
2. De bemonstering van een hoeveelheid zuiveringsslib of compost geschiedt door de producent. Hij stelt per geproduceerde hoeveelheid van ten hoogste 2.000.000 kilogram, een representatief monster samen, bestaande uit deelmonsters die volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes evenredig verspreid uit de betrokken partij worden genomen. Indien de geproduceerde hoeveelheid groter is dan 2.000.000 kilogram, wordt deze allereerst verdeeld in partijen van ten hoogste 2.000.000 kilogram.
3. Indien zuiveringsslib of compost in een continu proces wordt geproduceerd, kan de desbetreffende producent ervoor kiezen dat het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte alsmede het drogestof gehalte ervan, in zoverre in afwijking van de voorgaande leden, overeen komen met het over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig [artikel 92b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2008-07-13&g=2008-07-13), berekende twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestof gehalte, mits:
- a. de voor de productie van het zuiveringsslib of de compost gebruikte ingangsmaterialen van constante samenstelling zijn;
- b. de productie van zuiveringsslib of compost onafgebroken gedurende het gehele jaar plaatsvindt; en
- c. het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte alsmede het drogestofgehalte ten minste eenmaal per kalendermaand wordt vastgesteld door middel van analyse van een representatief monster bestaande uit deelmonsters die volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes evenredig verspreid uit de in die kalendermaand geproduceerde hoeveelheid zijn genomen.
4. Het monster wordt verpakt in een monsterverpakking die het monster niet verontreinigt of de samenstelling ervan anderszins beïnvloedt.
5. Het monster wordt door de producent uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toegestuurd aan een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
6. Indien het monster afkomstig is uit een hoeveelheid die in een continu proces is geproduceerd, geeft de betrokken producent bij het verzenden ervan aan of de analyseresultaten van dit monster gebruikt moeten worden bij de in [artikel 92b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2008-07-13&g=2008-07-13), bedoelde berekening.
##### Artikel 92b
1. Het laboratorium, bedoeld in [artikel 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2008-07-13&g=2008-07-13), analyseert de monsters uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst overeenkomstig het protocol, dat is opgenomen in [bijlage Ia, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ia&z=2008-07-13&g=2008-07-13), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat.
2. Indien dit ten aanzien van het monster overeenkomstig [artikel 92a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92a&z=2008-07-13&g=2008-07-13), is aangegeven, berekent het laboratorium op basis van de meest recente analyseresultaten, het gemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig de in [bijlage Ia, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ia&z=2008-07-13&g=2008-07-13), opgenomen berekeningsmethode.
3. Het laboratorium voorziet de analyseresultaten dan wel de overeenkomstig het tweede lid berekende gemiddelde gehalten van een uniek analysenummer van ten hoogste twaalf posities.
4. Indien het monster afkomstig is uit een afzonderlijk geproduceerde partij zendt het laboratorium de analyseresultaten uiterlijk tien werkdagen na analyse elektronisch aan de Dienst Regelingen en aan de producent van de desbetreffende meststof, onder vermelding van het unieke analysenummer, bedoeld in het derde lid.
5. Indien het monster afkomstig is uit een hoeveelheid die in een continu proces is geproduceerd, zendt het laboratorium de in het derde lid bedoelde gemiddelde gehaltes, uiterlijk tien werkdagen na afloop van de desbetreffende kalendermaand elektronisch aan de Dienst Regelingen en aan de producent van de desbetreffende meststof, onder vermelding van het unieke analysenummer, bedoeld in het derde lid en het unieke analysenummer dat betrekking heeft op het in voorgaande kalendermaand met betrekking tot de desbetreffende hoeveelheid berekende gemiddelde.
6. Het laboratorium bewaart de monsters totdat tien werkdagen na verzending van de analyseresultaten door het laboratorium zijn verstreken.
#### § 5. Gasvormige verliezen
#### § 6. Diervoeders
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht
#### § 4. Leges
#### § 5. Uitbreiding buiten rechten
@@ -4526,27 +4528,27 @@
### **6. Zwaveltrioxide (SO3)**
### **3. Kaliumoxide (K2O)**
### **8. Boor (B)**
### **9. Kobalt (Co)**
### **10. Koper (Cu)**
### **11. IJzer (Fe)**
### **4. Calciumoxide (CaO)**
### **5. Magnesiumoxide (MgO)**
### **6. Zwaveltrioxide (SO3)**
### **7. Natriumoxide (Na2O)**
### **8. Boor (B)**
### **9. Kobalt (Co)**
### **10. Koper (Cu)**
### **11. IJzer (Fe)**
### **12. Mangaan (Mn)**
### **13. Molybdeen (Mo)**
### **14. Zink (Zn)**
### **II. Protocol analyse hoeveelheid organische stof in meststoffen**
### **III. Protocol analyse neutraliserende waarde**
### **IV. Protocol analyse droge stofgehalte in meststoffen**
### **1. Ontsluiting en extractie Cd, Cr, Cu, Hg, Ni, Pb, Zn en As**
@@ -4770,9 +4772,9 @@
### **Pootaardappelrassen hoge norm**
Mondial
Morene
Eigenheimer
Frieslander
### **Pootaardappelrassen lage norm**
@@ -4808,9 +4810,9 @@
### **3. Werkwijze**
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
Zwenk om en voeg na een kwartier wachten 20 milliliter van oplossing III toe.
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 1 millligram fosfaat (P2O5).
2.9. Verdunde standaardoplossing
### **4. Berekening**
@@ -4822,32 +4824,32 @@
### **Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103**
### **B. Eisen monsterverpakking**
### Tabel II A. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=1&artikel=74&z=2008-11-19&g=2008-11-19)
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
### **E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest**
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur**
## Bijlage F
### onderdeel B
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2008-01-01&g=2008-01-01) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69&z=2008-01-01&g=2008-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
### **7. Signalering van storingen**
### **E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest**
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
### **7. Signalering van storingen**
## Bijlage F
### onderdeel B
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2008-01-01&g=2008-01-01) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69&z=2008-01-01&g=2008-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
### **7. Signalering van storingen**
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2008-01-01&g=2008-01-01) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2008-01-01&g=2008-01-01)
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; samenstelling AP05
@@ -4862,15 +4864,15 @@
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
### **6. Kwaliteitsborging**
Van onbeheerste kwaliteit (‘out of control’) is sprake in de volgende gevallen:
Wanneer sprake is van onbeheerste kwaliteit moet het laboratorium een onderzoek instellen naar de oorzaak. In het geval sprake is van niet voldoen aan de herhaalbaarheidseis, dan dient het tweedelijnscontrolemonster in een volgende serie opnieuw geanalyseerd te worden. De conclusies betreffende het onderzoek worden vermeld bij de kwaliteitscontrolekaart.
Jaarlijks worden de resultaten van de tweedelijnscontrole intern geëvalueerd en vastgelegd.
Voor de tweedelijnscontrole dienen de volgende procedurele aspecten in een apart document of in het kwaliteitssysteem van het laboratorium te zijn opgenomen:
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
6.2.1.1. Eisen controlemonster tweede lijn
Het tweedelijnscontrolemonster dient een ander monster te zijn dan het controlemonster dat gebruikt wordt voor de eerstelijnscontrole en dient – voor zover mogelijk – onherkenbaar bepaald te worden.
Het controlemonster dient bij voorkeur te bestaan uit een mengsel van met wijnsteenzuur voorbehandelde, gedroogde en gemalen stapelbare mest. Het gehalte aan stikstof en fosfor dient te liggen tussen 25 en 75 g/kg resp. 4 en 20 g/kg. De aangemaakte hoeveelheid monster dient voldoende te zijn voor een periode van 10 jaar. (Toelichting: Uitgaande van een maximale frequentie van een maal per twee weken betekent dit een hoeveelheid monster van 1 (gram: inweeg) * 2 (duplo) * 26 (weken) * 10 (jaar) * 1,1 (marge) ≈ 600 gram.)
6.2.1.2. Opstellen controlekaart
### **7. Rapportage van resultaten**
@@ -4880,85 +4882,101 @@
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2008-01-01&g=2008-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **A. Protocol analyse gehalten stikstof, fosfaat en drogestof zuiveringsslib en compost**
### **2. Stikstof (N)**
### **10. Toetredingsprocedure**
### **11. Literatuur**
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2008-01-01&g=2008-01-01)
### Tabel II behorend bij [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=89&z=2008-11-19&g=2008-11-19)
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
Onderhoud t.b.v. voortschrijdend gemiddelde gehalte
### **II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders**
### **1. Algemeen**
4.2.3. De benodigde aantallen legt de onderneming vast in een bedrijfsintern monsteronderzoeksprogramma. De monsters worden verspreid over deze 12 maanden genomen en onderzocht.
4.2.4. Na elk monsteronderzoek stelt de onderneming uiterlijk binnen 2 weken opnieuw het gemiddelde gehalte vast. Hij doet dit op basis van de meest recente 10 waarnemingen. Dit gemiddelde gehalte hanteert het bedrijf vervolgens t.b.v. de administratie en -⁠etikettering.
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
Producten met een gering gehalte aan ruw eiwit en fosfor
### **3. Plaats bemonstering**
4.2.7. Voor producten met minder dan 2 gram fosfor per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
### **II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders**
### **1. Algemeen**
– Gehalten van producten die vermeld worden in tabel J (gehaltes in ruwvoer en enkelvoudig diervoer) kunnen worden overgenomen.
4.2.8. Voor de bepaling van het stikstofgehalte dient het gehalte aan ruw eiwit gedeeld te worden door 6,25 en voor bepaling van het fosfaatgehalte dient het gehalte fosfor vermenigvuldigd te worden met 2,29 kg.
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
Opmerkingen m.b.t. producten die niet gedurende het hele jaar beschikbaar komen
Opmerkingen m.b.t. ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### **4. Monsternameprocedure**
### **4.1. Algemeen**
4.1.1. De bemonstering wordt uitgevoerd door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd of namens de ondernemer door een gemachtigd monsternemer (zie punt 5).
Analysegegevens van een product vertonen een zekere spreiding. Wanneer we een gemiddelde berekenen uit de afzonderlijke analysegegevens zal ook aangegeven moeten worden hoe groot de spreiding is. Dit kan het beste met de standaarddeviatie (sd) gebeuren: sd = het totaal van de afwijkingen/(n-1).
### **3. Plaats bemonstering**
Omgekeerd kan uit dezelfde formule berekend worden hoeveel analyses nodig zijn bij een gewenst betrouwbaarheidsinterval. Bijvoorbeeld om met een zekerheid van 95% te kunnen zeggen of het werkelijke gemiddelde en het opgegeven gemiddelde niet meer verschillen van elkaar dan de in onderdeel IV bepaalde tolerantie (maximaal toelaatbare afwijking). In de onderstaande grafiek is de relatie weergegeven tussen het aantal analyses (n) en het quotiënt sd/tolerantie. Wanneer de sd van een product is vastgesteld en de tolerantie is bekend, kan via de curve op de Y-as het benodigde aantal analyses worden opgezocht.
Ook het gemiddelde van een reeks analyses kent een zekere spreiding die de betrouwbaarheid bepaalt. Een manier om de betrouwbaarheid van het gemiddelde te definiëren is het geven van een betrouwbaarheidsinterval. Deze is gelijk aan het berekende gemiddelde ± t*sd/√n, waarbij t de waarde is uit de t-tabel bij een bepaalde kanswaarde (bijvoorbeeld 95%) en n het aantal analyses. Het betrouwbaarheidsinterval is dus afhankelijk van het aantal analyses dat gebruikt is voor het berekenen van het gemiddelde: hoe groter het aantal waarnemingen hoe groter de betrouwbaarheid.
### **4.2. Het nemen van de ondermonsters**
3.2. Niet in alle gevallen kan tijdens het laden een representatief monster worden genomen (bijvoorbeeld bij stapelbare producten). In voorkomende gevallen mag dan bij het bedrijf waaraan geleverd wordt de partij worden bemonsterd tijdens of direct na het lossen. Het monster dient uiteraard betrekking te hebben op de afgeleverde partij.
3.3. In het onder 1.2 vereiste eigen bemonsteringsprotocol dient per product aangegeven te zijn, waar de bemonstering plaatsvindt.
1.1. Dit protocol richt zich op de bemonstering van vloeibare voeders en van steekvaste producten met een vochtgehalte van meer dan 14%. De diervoederleverancier dient de eisen en voorwaarden uit dit protocol minimaal te hanteren als zij in het kader van de hoeveelheidsbepalingen van stikstof en fosfaat monsters neemt van voedermiddelen met meer dan 14% vocht om de gehalten aan stikstof, fosfaat, droge stof, ruw eiwit en fosfor vast te stellen.
1.2. De onderneming moet de eisen en voorwaarden uit dit protocol verwerken in een eigen bemonsteringsprotocol.
4.1.1. De bemonstering wordt uitgevoerd door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd of namens de ondernemer door een gemachtigd monsternemer (zie punt 5).
2.1. Doel van monstername is het verkrijgen van een zo goed mogelijk representatief monster, overeenkomend met de gemiddelde samenstelling van de hele partij. De samenstelling van het product bij het afleveren aan de veehouder is hierbij het referentiepunt.
4.1.3. De monsternemer werkt met schoon materiaal zodat er geen beïnvloeding van de te meten parameters kan plaatsvinden.
### **4.2. Het nemen van de ondermonsters**
3.2. Niet in alle gevallen kan tijdens het laden een representatief monster worden genomen (bijvoorbeeld bij stapelbare producten). In voorkomende gevallen mag dan bij het bedrijf waaraan geleverd wordt de partij worden bemonsterd tijdens of direct na het lossen. Het monster dient uiteraard betrekking te hebben op de afgeleverde partij.
3.3. In het onder 1.2 vereiste eigen bemonsteringsprotocol dient per product aangegeven te zijn, waar de bemonstering plaatsvindt.
### **4. Monsternameprocedure**
### **4.1. Algemeen**
4.2.4. Indien de monsternemer de ondermonsters via een aftapkraan neemt die in de te lossen stroom is gemonteerd, dient deze kraan groot genoeg te zijn om ‘uitzeven’ van eventuele vaste bestanddelen uit het product te voorkomen (b.v. ½'' of ¾'' kogelkraan).
4.1.1. De bemonstering wordt uitgevoerd door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd of namens de ondernemer door een gemachtigd monsternemer (zie punt 5).
2.1. Doel van monstername is het verkrijgen van een zo goed mogelijk representatief monster, overeenkomend met de gemiddelde samenstelling van de hele partij. De samenstelling van het product bij het afleveren aan de veehouder is hierbij het referentiepunt.
4.1.3. De monsternemer werkt met schoon materiaal zodat er geen beïnvloeding van de te meten parameters kan plaatsvinden.
### **4.2. Het nemen van de ondermonsters**
3.2. Niet in alle gevallen kan tijdens het laden een representatief monster worden genomen (bijvoorbeeld bij stapelbare producten). In voorkomende gevallen mag dan bij het bedrijf waaraan geleverd wordt de partij worden bemonsterd tijdens of direct na het lossen. Het monster dient uiteraard betrekking te hebben op de afgeleverde partij.
3.3. In het onder 1.2 vereiste eigen bemonsteringsprotocol dient per product aangegeven te zijn, waar de bemonstering plaatsvindt.
4.2.3. Indien het een homogeen product betreft kan volstaan worden met minder ondermonsters. Het bedrijf dient zelf door middel van analytisch onderzoek ten genoegen van de Minister aan te tonen dat het product zodanig homogeen is dat minder ondermonsters voldoende zijn voor het verkrijgen van een representatief verzamel- en eindmonster.
4.1.2. Het monster wordt genomen door een aantal ondermonsters te verzamelen, hiervan een zgn. verzamelmonster te maken en hieruit eindmonsters te bereiden.
### **4.5. Verzending**
4.5.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd stuurt minimaal 1 monster voor onderzoek naar het laboratorium. Een tweede monster kan voor eigen doeleinden worden bewaard. Het laboratorium moet voldoen aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of een hieraan gelijkwaardige norm.
4.2.1. Tijdens het laden van de auto neemt de monsternemer met vaste tussenpozen een ondermonster.
4.2.2. De monsternemer neemt minimaal 5 ondermonsters. De tussentijd tussen 2 opeenvolgende te nemen ondermonsters wordt berekend door de totale laadtijd te delen door het aantal te nemen ondermonsters + 1. Het eerste ondermonster neemt de monsternemer kort nadat begonnen is met laden. Er wordt doorgegaan met het verzamelen van ondermonsters totdat de auto geladen is.
### **4.4. Labelgegevens**
4.2.4. Indien de monsternemer de ondermonsters via een aftapkraan neemt die in de te lossen stroom is gemonteerd, dient deze kraan groot genoeg te zijn om ‘uitzeven’ van eventuele vaste bestanddelen uit het product te voorkomen (b.v. ½'' of ¾'' kogelkraan).
4.1.1. De bemonstering wordt uitgevoerd door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd of namens de ondernemer door een gemachtigd monsternemer (zie punt 5).
4.1.2. Het monster wordt genomen door een aantal ondermonsters te verzamelen, hiervan een zgn. verzamelmonster te maken en hieruit eindmonsters te bereiden.
4.1.3. De monsternemer werkt met schoon materiaal zodat er geen beïnvloeding van de te meten parameters kan plaatsvinden.
### **4.2. Het nemen van de ondermonsters**
4.2.1. Tijdens het laden van de auto neemt de monsternemer met vaste tussenpozen een ondermonster.
4.2.2. De monsternemer neemt minimaal 5 ondermonsters. De tussentijd tussen 2 opeenvolgende te nemen ondermonsters wordt berekend door de totale laadtijd te delen door het aantal te nemen ondermonsters + 1. Het eerste ondermonster neemt de monsternemer kort nadat begonnen is met laden. Er wordt doorgegaan met het verzamelen van ondermonsters totdat de auto geladen is.
### **4.4. Labelgegevens**
4.2.4. Indien de monsternemer de ondermonsters via een aftapkraan neemt die in de te lossen stroom is gemonteerd, dient deze kraan groot genoeg te zijn om ‘uitzeven’ van eventuele vaste bestanddelen uit het product te voorkomen (b.v. ½'' of ¾'' kogelkraan).
4.2.5. Indien een steekvast product wordt bemonsterd, dienen de ondermonsters te worden genomen op verschillende plekken verspreid over de partij. Een ondermonster is hierbij een hoeveelheid product, die op een bepaald punt uit de partij wordt genomen.
4.2.6. De ondermonsters worden (allemaal even groot; minimaal een halve liter) genomen d.m.v. een kunststof monsterpot o.i.d. Deze monsterpot wordt iedere keer na het nemen van een ondermonster geleegd in een schoon verzamelvat (emmer, vat, bak o.i.d.).
### **4.5. Verzending**
### **5. Machtiging als monsternemer**
4.2.7. Ook kan – naar analogie van het bemonsteren van mest – gebruik worden gemaakt van speciale apparatuur waarmee tijdens het laden regelmatig ondermonsters genomen kunnen worden.
4.5.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd stuurt minimaal 1 monster voor onderzoek naar het laboratorium. Een tweede monster kan voor eigen doeleinden worden bewaard. Het laboratorium moet voldoen aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of een hieraan gelijkwaardige norm.
@@ -4966,13 +4984,13 @@
4.3.2. Het verzamelmonster wordt in het verzamelvat goed gemengd (homogeniseren) waarna één of meerdere eindmonsters uit de emmer geschept worden. Een eindmonster is minimaal 0,5 liter resp. 0,5 kg groot.
### **4.4. Labelgegevens**
Adres
4.4.1. Elk eindmonster wordt voorzien van een label waarop minimaal staat vermeld
4.4.2. De label wordt op een deugdelijk wijze aan de pot gehecht.
### **5. Machtiging als monsternemer**
4.4.3. Bovenstaande vermeldingen mogen ook (gedeeltelijk) vervangen worden door andere vermeldingen, mits deze eenduidig kunnen leiden naar bovengenoemde gegevens.
Om als monsternemer in het kader van het protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen te kunnen optreden, moet een daartoe bevoegde functionaris van de onderneming in het kader waarvan diervoeders worden afgeleverd een verzoek indienen. De ondernemer en de gemachtigde monsternemer dienen daartoe samen onderstaand formulier volledig in te vullen. De ondernemer bewaart de machtiging met een kopie van identiteitsbewijs van de monsternemer op de onderneming gedurende 5 jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de machtiging betrekking heeft.
@@ -4994,7 +5012,7 @@
Verzoek tot machtiging als monsternemer
Hierbij verzoekt
### **III. Toleranties**
Bedrijfsnaam
@@ -5010,7 +5028,7 @@
Voorna(a)m(en) (voluit):
### **III. Toleranties**
Adres:
Postcode + Plaats:
@@ -5023,22 +5041,6 @@
Soort identiteitsbewijs (kopie meesturen)
Nummer identiteitsbewijs
Ondergetekenden verklaren bovengenoemde gegevens naar waarheid te hebben ingevuld. Tevens verklaren ondergetekenden volledig op de hoogte te zijn van de inhoud van het Protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen en dienovereenkomstig te zullen handelen.
1,80% absoluut voor gehalten hoger dan 20%;
De in deze bijlage opgenomen toleranties betreft het maximale acceptabele verschil tussen het vastgestelde gehalte enerzijds, en het geanalyseerd gehalte anderzijds.
1.1. Diervoeders met meer dan 14 % vocht
1.1.1. voor fosfor:
0,60% absoluut voor gehalten van meer dan 6%;
10,00% relatief voor gehalten van 1 tot 6%;
0,10% absoluut voor gehalten kleiner dan 1%;
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
@@ -5323,13 +5325,697 @@
### **1. Abstract**
### **2. Voorbehandeling van de grondmonsters**
### **Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal**
De stikstofexcreties van staldieren moeten berekend worden conform de stalbalans. In deze tabel zijn voor staldieren wel excretieforfaits opgenomen (schuingedrukt) als hulpmiddel om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
### **A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur**
### **B. Eisen monsterverpakking**
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
### **7. Signalering van storingen**
### **E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest**
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
## Bijlage F
### onderdeel A
### onderdeel B
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69&z=2008-07-13&g=2008-07-13) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
### **7. Signalering van storingen**
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; samenstelling AP05
### **1. Introductie**
### **2. Algemene eisen**
### **4. Controle en registratie inkomende monsters**
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
### **6. Kwaliteitsborging**
### **7. Rapportage van resultaten**
### **11. Literatuur**
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2008-07-13&g=2008-07-13) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
### **2. Doel**
### **3. Uitgangspunten**
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
### **1. Algemeen**
### **4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)**
4.2.1. Nadat de onderneming volgens de onder 4.1 beschreven werkwijze per product per locatie het gemiddelde gehalte en de sd voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor heeft vastgesteld, dient hij dit gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij volgt daartoe de hieronder beschreven werkwijze.
4.2.2. Het bedrijf stelt op basis van de sd en de tolerantie met behulp van figuur 1 vast hoeveel monsteronderzoek in de komende 12 maanden noodzakelijk zijn om het gemiddelde gehalte te kunnen onderhouden. (De in deze figuur genoemde frequenties voor jaarlijks monsteronderzoek zijn vastgesteld op basis van een 95% betrouwbaarheidsinterval, dwz de kans is 95% dat de afwijking van het werkelijke gemiddelde van het product t.o.v. het berekende gemiddelde binnen de toleranties valt.) Het minimale aantal analyse-uitslagen is 6 per jaar.
4.2.6. Voor producten met minder dan 75 gram ruw eiwit per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
### **II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders**
### **1. Algemeen**
– Gehalten van producten die vermeld worden in tabel J (gehaltes in ruwvoer en enkelvoudig diervoer) kunnen worden overgenomen.
4.2.8. Voor de bepaling van het stikstofgehalte dient het gehalte aan ruw eiwit gedeeld te worden door 6,25 en voor bepaling van het fosfaatgehalte dient het gehalte fosfor vermenigvuldigd te worden met 2,29 kg.
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
### **3. Plaats bemonstering**
Omgekeerd kan uit dezelfde formule berekend worden hoeveel analyses nodig zijn bij een gewenst betrouwbaarheidsinterval. Bijvoorbeeld om met een zekerheid van 95% te kunnen zeggen of het werkelijke gemiddelde en het opgegeven gemiddelde niet meer verschillen van elkaar dan de in onderdeel IV bepaalde tolerantie (maximaal toelaatbare afwijking). In de onderstaande grafiek is de relatie weergegeven tussen het aantal analyses (n) en het quotiënt sd/tolerantie. Wanneer de sd van een product is vastgesteld en de tolerantie is bekend, kan via de curve op de Y-as het benodigde aantal analyses worden opgezocht.
### **4. Monsternameprocedure**
### **4.1. Algemeen**
4.2.3. Indien het een homogeen product betreft kan volstaan worden met minder ondermonsters. Het bedrijf dient zelf door middel van analytisch onderzoek ten genoegen van de Minister aan te tonen dat het product zodanig homogeen is dat minder ondermonsters voldoende zijn voor het verkrijgen van een representatief verzamel- en eindmonster.
4.1.3. De monsternemer werkt met schoon materiaal zodat er geen beïnvloeding van de te meten parameters kan plaatsvinden.
### **4.2. Het nemen van de ondermonsters**
4.2.6. De ondermonsters worden (allemaal even groot; minimaal een halve liter) genomen d.m.v. een kunststof monsterpot o.i.d. Deze monsterpot wordt iedere keer na het nemen van een ondermonster geleegd in een schoon verzamelvat (emmer, vat, bak o.i.d.).
### **4.5. Verzending**
### **4.4. Labelgegevens**
### **5. Machtiging als monsternemer**
Hierbij verzoekt
### **III. Toleranties**
Ondergetekenden verklaren bovengenoemde gegevens naar waarheid te hebben ingevuld. Tevens verklaren ondergetekenden volledig op de hoogte te zijn van de inhoud van het Protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen en dienovereenkomstig te zullen handelen.
1,80% absoluut voor gehalten hoger dan 20%;
De in deze bijlage opgenomen toleranties betreft het maximale acceptabele verschil tussen het vastgestelde gehalte enerzijds, en het geanalyseerd gehalte anderzijds.
1.1. Diervoeders met meer dan 14 % vocht
1.1.1. voor fosfor:
0,60% absoluut voor gehalten van meer dan 6%;
10,00% relatief voor gehalten van 1 tot 6%;
0,10% absoluut voor gehalten kleiner dan 1%;
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### § 5. Tijdelijke vrijstelling mineralenconcentraat
##### Artikel 35a
1. In de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 vindt een onderzoek plaats naar de landbouwkundige en milieukundige effecten met betrekking tot de productie, de afzet en het gebruik van mineralenconcentraat.
2. Aan het onderzoek kan worden deelgenomen door ten hoogste tien producenten van mineralenconcentraat.
3. Een producent van mineralenconcentraat die wil deelnemen aan het onderzoek kan zich hiertoe, onder vermelding van het door de Dienst Regelingen ter identificatie van het bedrijf of de onderneming van de producent verstrekte relatienummer, uiterlijk 1 december 2008 aanmelden bij de Dienst Regelingen.
4. Bij de aanmelding overlegt de producent gegevens over:
- a. de naam, het correspondentie- en e-mailadres van de contactpersoon;
- b. het adres van de bedrijfsgebouwen waar mineralenconcentraat wordt geproduceerd;
- c. de kadastrale aanduiding van de onderscheiden locaties van de tot het bedrijf behorende opslagruimten voor mineralenconcentraat, dan wel, ingeval de producent een intermediair is, het registratienummer van de opslagruimte voor mineralenconcentraat, bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=49&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
5. Bij de aanmelding overlegt de producent voorts een beschrijving van:
- a. de installatie;
- b. de mestsoorten die worden verwerkt, de hoeveelheden daarvan, uitgedrukt in tonnen en in kilogrammen stikstof en fosfaat per jaar, en de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van de eventueel tezamen met de dierlijke meststoffen bewerkte of verwerkte stoffen;
- c. het productieproces, waaronder de gebruikte technieken, de volgorde waarin deze worden toegepast en de capaciteit per uur van de desbetreffende apparatuur;
- d. de eindproducten van het productieproces, de hoeveelheden daarvan, uitgedrukt in tonnen per jaar, en de verwachte samenstelling ervan, onderscheiden naar de verschillende eindproducten;
- e. de maximale verwerkingscapaciteit van de installatie in tonnen per jaar.
##### Artikel 35b
1. De minister wijst een producent van mineralenconcentraat aan als deelnemer indien:
- a. de producent zich overeenkomstig [artikel 35a, derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2008-11-19&g=2008-11-19), heeft aangemeld;
- b. de producent de volledige zeggenschap over de gehele installatie en het productieproces heeft;
- c. de bedrijfsgebouwen waar het mineralenconcentraat wordt geproduceerd, behoren tot het bedrijf of de onderneming van de producent;
- d. de installatie uiterlijk 1 december 2008 volledig operationeel is;
- e. de producent daadwerkelijk mineralenconcentraat produceert, overeenkomstig de beschrijvingen, bedoeld in [artikel 35a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
2. De minister kan aan de aanwijzing nadere voorschriften verbinden. De aan de aanwijzing verbonden voorschriften kunnen worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken.
##### Artikel 35c
Indien meer dan tien producenten voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 35b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35b&z=2008-11-19&g=2008-11-19), wijst de minister ten hoogste tien producenten aan. De aanwijzing geschiedt zodanig dat een zo groot mogelijke spreiding wordt bereikt naar de gebruikte technieken, de te verwerken mestsoort, de vestigingsplaats van de installatie en de omvang van de jaarlijkse productie.
##### Artikel 35d
1. Een aangewezen producent verleent indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking aan het in [artikel 35a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2008-11-19&g=2008-11-19), bedoelde onderzoek.
2. Een aangewezen producent produceert overeenkomstig de op grond van [artikel 35a, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2008-11-19&g=2008-11-19), overgelegde gegevens en beschrijvingen.
3. De aangewezen producent meldt de wijzigingen in de gegevens, bedoeld in [artikel 35a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2008-11-19&g=2008-11-19), binnen 30 dagen aan de Dienst Regelingen.
4. Wijzigingen in de elementen, bedoeld in [artikel 35a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2008-11-19&g=2008-11-19), vinden niet plaats dan na instemming van de minister.
5. De aangewezen producent draagt er zorg voor dat op het vervoersbewijs dierlijke mest uitsluitend de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2008-11-19&g=2008-11-19) voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode wordt vermeld, indien het mineralenconcentraat is vervaardigd overeenkomstig de op grond van [artikel 35a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35a&z=2008-11-19&g=2008-11-19), overgelegde beschrijving van het productieproces, en indien het mineralenconcentraat wordt afgevoerd naar een gebruiker waarmee hij een overeenkomst tot afname van het mineralenconcentraat heeft gesloten.
6. Het gewicht van en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de van het bedrijf of van de onderneming van de producent afgevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2008-11-19&g=2008-11-19).
7. Ingeval de aangewezen producent een intermediair is, heeft de in [artikel 14, eerste lid, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=14) bedoelde verantwoording betrekking op zowel de hoeveelheid fosfaat als de hoeveelheid stikstof.
8. Indien de aangewezen producent niet voldoet aan dit artikel of aan de ingevolge [artikel 35b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=5&artikel=35b&z=2008-11-19&g=2008-11-19), gestelde voorschriften, kan de minister de aanwijzing als deelnemer voor een bepaalde periode schorsen of intrekken.
##### Artikel 35e
[gereserveerd]
##### Artikel 35f
[gereserveerd]
##### Artikel 35g
Deze paragraaf vervalt met ingang van 1 januari 2011.
### Hoofdstuk 4. Opslagcapaciteit dierlijke meststoffen
### Hoofdstuk 5. Administratieve verplichtingen landbouwers
### Hoofdstuk 6. Administratieve verplichtingen intermediairs
### Hoofdstuk 7. Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers
### Hoofdstuk 8. Vervoer van meststoffen
### Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
#### § 1. Mestproductie
#### § 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht
#### § 3. Vervallen van een productierecht
#### § 4. Leges
#### § 5. Uitbreiding buiten rechten
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
## Bijlage
Tabel met de verschillende rechtsgrondslagen in de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054), de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) en het [Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031) van de artikelen van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
| Artikel [meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054) | Artikelen [Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031) | Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet |
| --- | --- | --- |
| 1, eerste lid, onderdeel f | | 3 |
| 5d (10 nieuw), eerste lid | | 28 |
| 5f (12 nieuw), derde lid | | 29 |
| 5e (11 nieuw), vijfde lid | | 30 tot en met 33 |
| 5f (12 nieuw), vijfde lid | | 34 |
| 5e (11 nieuw), zesde lid | | 35 |
| | 28, tweede lid, onderdeel b | 36 |
| | 36, onderdeel a | 37 |
| | 36, onderdeel b | 38, 40 |
| | 36, onderdeel c | 39 |
| | 26, tweede lid, onderdeel b | 41 |
| | 36, onderdeel d, 35, tweede lid | 42 |
| 59d (38 nieuw) | 36, onderdeel e | 43, 44 |
| | 41, onderdeel a | 45 |
| | 41, onderdelen b en c | 46, 51 |
| | 41, onderdeel b | 47, 49 |
| | 41, onderdelen d en e | 48 |
| | 46, onderdeel a | 50 |
| | 46, onderdeel d | 52 |
| | 52, eerste lid, onderdelen c en d, 70, vierde lid, onderdeel b | 53 |
| | 52, eerste lid, onderdelen a, c en d | 54 |
| | 52, eerste lid, onderdeel e | 55, 56 |
| | 52, eerste lid, onderdeel a | 57, 59 |
| | 51, 52, eerste lid, onderdeel b | 58 |
| | 52, derde lid | 60 |
| | 54, onderdeel b | 61 tot en met 63, 66 |
| | 54, onderdelen d en e | 64, eerste tot en met derde lid |
| | 54, onderdeel c | 64, vierde lid, 65, 67 |
| | 55, derde lid | 68 |
| | 56, onderdelen b en c | 69 |
| | 61, derde lid, 64, tweede lid, onderdeel c | 70 |
| | 64, eerste lid | 71 |
| | 64, tweede lid, onderdeel b | 72 |
| | 70, eerste lid, onderdeel a en derde lid | 73, 74, eerste lid |
| | 70, vierde lid, onderdeel a | 74, tweede lid, 83, 92, 93, eerste en tweede lid, 94 en 95 |
| | 70, vierde lid, onderdeel c | 74, derde lid, 80 en 125 |
| 59d (38 nieuw) | | 74, vierde en vijfde lid, 75, 82, derde lid, 93, derde lid, en 126 |
| | 70, vierde lid, onderdelen a en c | 76, 77 en 98 |
| | 70, vierde lid, onderdelen a tot en met d | 78, 79 en 82, eerste en tweede lid |
| | 70, vierde lid, onderdelen c tot en met e | 81 |
| | 70, tweede lid, onderdeel b | 84 tot en met 91 |
| | 70, eerste lid, onderdeel c | 96, 102 en 103 |
| | 70, vierde lid, onderdelen a t/m c | 98, 100 en 101, eerste lid |
| | 70, vierde lid, onderdeel e | 99 |
| | 70, eerste lid, onderdeel b | 101, tweede lid |
| | 70, eerste lid, onderdeel c en tweede lid, onderdeel a | 101, derde lid |
| 58f (27 nieuw), derde lid | | 104 |
| 58i (30 nieuw), tweede en derde lid | | 105 t/m 109 |
| 58j (31 nieuw), derde lid | | 110 |
| 60, tweede en derde lid | | 111 |
| | 36, onderdeel d, 41, onderdeel d en 46, onderdeel d | 122, 123 en 127 |
| | 36, onderdelen b en d, 41 onderdelen b en d, 46, onderdelen b en d | 124 |
| | 71 | 128 |
| 69 (47 nieuw) | | 129 |
| Artikel [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) | | Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet |
| 64 | | 134 |
## bijlage Aa. , behorende bij [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2008-11-19&g=2008-11-19) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
I. Stoffen die als meststof kunnen worden verhandeld
II. Stoffen die als meststof kunnen worden verhandeld
(Categorieën afvalstoffen of reststoffen)
III. Stoffen die bij de productie van meststoffen kunnen worden gebruikt
IV. Eindproducten van bewerkingsprocédés die als meststof kunnen worden verhandeld
## bijlage Ab. behorende bij de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2008-11-19&g=2008-11-19) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
| Zware metalen | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| | MgO | SO3 | Na2O | CaO in CaSO4-meststof |
| Cd | 33 | 33 | 42 | 2,5 |
| Cr | 2000 | 2000 | 2500 | 150 |
| Cu | 2000 | 2000 | 2500 | 150 |
| Hg | 20 | 20 | 25 | 1,5 |
| Ni | 800 | 800 | 1000 | 60 |
| Pb | 2667 | 2667 | 3333 | 200 |
| Zn | 8000 | 8000 | 10000 | 600 |
| As | 400 | 400 | 500 | 30 |
Voor de toepassing van deze tabel zijn de maximale waarden van toepassing die behoren bij dat waardegevende bestanddeel waarvan bij het toedienen van een toenemende hoeveelheid van de meststof, de hoeveelheden van 75 kilogram magnesiumoxide, 75 kilogram zwaveltrioxide of 60 kilogram natriumoxide het éérst wordt bereikt. Voor calsiumsulfaat gelden de vermelde maximale waarden.
| | Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligram per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| Organische microverontreinigingen | MgO | SO3 | Na2O | CaO in CaSO4-meststof |
| Σ PCDD/PCDF | 0,020 | 0,020 | 0,025 | 0,00152 |
| α-ΗCH | 331 | 331 | 413 | 24,8 |
| β-ΗCH | 12,8 | 12,8 | 16 | 0,96 |
| γ-ΗCΗ (lindaan) | 1,3 | 1,3 | 1,6 | 0,10 |
| HCB | 41,6 | 41,6 | 52,0 | 3,12 |
| Aldrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Dieldrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Σ aldrin/dieldrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Endrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Isodrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Σ endrin/isodrin | 7,5 | 7,5 | 9,3 | 0,56 |
| Σ DDT + DDD + DDE | 24,5 | 24,5 | 30,7 | 1,84 |
| PCB-28 | 19,7 | 19,7 | 24,7 | 1,48 |
| PCB-52 | 19,7 | 19,7 | 24,7 | 1,48 |
| PCB-101 | 80 | 80 | 100 | 6 |
| PCB-118 | 80 | 80 | 100 | 6 |
| PCB – 138 | 80 | 80 | 100 | 6 |
| PCB – 153 | 80 | 80 | 100 | 6 |
| PCB – 180 | 80 | 80 | 100 | 6 |
| Σ 6-PCB (excl. PCB-118) | 400 | 400 | 500 | 30 |
| Naftaleen | 640 | 640 | 800 | 48 |
| Fenanthreen | 800 | 800 | 1000 | 60 |
| Antraceen | 640 | 640 | 800 | 48 |
| Fluoranteen | 197 | 197 | 247 | 15 |
| Benzo(a)antraceen | 245 | 245 | 307 | 18 |
| Chryseen | 245 | 245 | 307 | 18 |
| Benzo(k)fluoranteen | 288 | 288 | 360 | 22 |
| Benzo(a)pyreen | 309 | 309 | 387 | 23 |
| Benzo(g,h,i)peryleen | 224 | 224 | 280 | 17 |
| Indeno(1,2,3-c,d)pyreen | 251 | 251 | 313 | 19 |
| Σ 10-PAK | 12267 | 12267 | 15333 | 920 |
| Minerale olie | 997333 | 997333 | 1246667 | 74800 |
Voor de toepassing van deze tabel zijn de maximale waarden van toepassing die behoren bij dat waardegevende bestanddeel waarvan bij het toedienen van een toenemende hoeveelheid van de meststof, de hoeveelheden van 75 kilogram magnesiumoxide, 75 kilogram zwaveltrioxide of 60 kilogram natriumoxide het éérst wordt bereikt. Voor calsiumsulfaat gelden de vermelde maximale waarden.
## bijlage Ac. , behorende bij de [artikelen 17 tot en met 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2008-11-19&g=2008-11-19) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **I. Protocol analyse stikstofgehalte, fosfaatgehalte en droge stofgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de hoeveelheden overige nutriënten**
### **8. Boor (B)**
### **10. Koper (Cu)**
### **12. Mangaan (Mn)**
### **13. Molybdeen (Mo)**
### **14. Zink (Zn)**
### **III. Protocol analyse neutraliserende waarde**
### **V. Protocol analyse zware metalen en arseen**
### **1. Ontsluiting en extractie Cd, Cr, Cu, Hg, Ni, Pb, Zn en As**
### **2. Instrumentele analyse Cd, Cr, Cu, Ni, Pb, Zn en As**
### **3. Instrumentele analyse Hg**
### **VI. protocol analyse organische microverontreinigingen**
## Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2008-11-19&g=2008-11-19) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
| Gewas | Klei | Klei | Klei | Klei | Zand/löss en Veen | Zand/löss en Veen | Zand/löss en Veen | Zand/löss en Veen |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 |
| **Grasland (kg N per ha per jaar)** | | | | | | | | |
| Grasland met beweiden, klei | 345 | 345 | 325 | 310 | | | | |
| Grasland met beweiden, veen | | | | | 290 | 290 | 265 | 265 |
| Grasland met beweiden, zand/löss | | | | | 300 | 290 | 275 | 260 |
| Grasland met volledig maaien, klei*1 | 385 | 385 | 365 | 350 | | | | |
| Grasland met volledig maaien, veen*1 | | | | | 330 | 330 | 300 | 300 |
| Grasland met volledig maaien, zand/löss*1 | | | | | 355 | 350 | 345 | 340 |
| | | | | | | | | |
| **Tijdelijk Grasland (kg N per ha per periode)*2** | | | | | | | | |
| van 1 januari tot minstens 15 april | 70 | 70 | 65 | 60 | 60 | 60 | 55 | 50 |
| van 1 januari tot minstens 15 mei*3 | 120 | 120 | 115 | 110 | 105 | 100 | 95 | 90 |
| van 1 januari tot minstens 15 augustus*3 | 275 | 275 | 260 | 250 | 240 | 230 | 220 | 210 |
| van 1 januari tot minstens 15 september*3 | 310 | 310 | 295 | 280 | 270 | 260 | 250 | 235 |
| van 1 januari tot minstens 15 oktober*3 | 345 | 345 | 325 | 310 | 300 | 290 | 275 | 260 |
| | | | | | | | | |
| vanaf 15 april tot minstens 15 oktober | 345 | 345 | 325 | 310 | 300 | 290 | 275 | 260 |
| vanaf 15 mei tot minstens 15 oktober | 310 | 310 | 295 | 280 | 270 | 260 | 250 | 235 |
| vanaf 15 augustus tot minstens 15 oktober | 105 | 105 | 100 | 95 | 90 | 85 | 85 | 80 |
| vanaf 15 september tot minstens 15 oktober | 35 | 35 | 30 | 30 | 30 | 30 | 25 | 25 |
| vanaf 15 oktober | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| | | | | | | | | |
| **Akkerbouwgewassen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Consumptieaardappelrassen hoge norm*4 (zie [bijlage A.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A.1&z=2008-11-19&g=2008-11-19)) | 300 | 300 | 285 | 275 | 290 | 275 | 275 | 270 |
| Consumptieaardappelrassen overig*4 | 275 | 275 | 265 | 250 | 265 | 250 | 250 | 245 |
| Consumptieaardappelrassen lage norm*4 (zie [bijlage A.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A.1&z=2008-11-19&g=2008-11-19)) | 250 | 250 | 240 | 225 | 240 | 225 | 225 | 220 |
| Consumptieaardappel, vroeg (loofvernietiging voor 15 juli) | 130 | 130 | 125 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 |
| Pootaardappelenrassen hoge norm (zie [bijlage A.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A.2&z=2008-11-19&g=2008-11-19)) | 150 | 150 | 145 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Pootaardappelenrassen overig | 130 | 130 | 125 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 |
| Pootaardappelenrassen lage norm (zie [bijlage A.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A.2&z=2008-11-19&g=2008-11-19)) | 110 | 110 | 105 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| Pootaardappelen, uitgroeiteelt (loofvernietiging na 15 augustus) | 200 | 200 | 190 | 180 | 180 | 170 | 170 | 170 |
| Zetmeelaardappelen | 265 | 265 | 255 | 240 | 240 | 230 | 230 | 230 |
| Suikerbieten | 165 | 165 | 160 | 150 | 150 | 145 | 145 | 145 |
| Cichorei | 75 | 75 | 75 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 |
| Voederbieten | 180 | 180 | 175 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 |
| Wintertarwe*4 en 5 | 245 | 240 | 230 | 220 | 190 | 160 | 160 | 160 |
| Zomertarwe | 155 | 155 | 150 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Wintergerst*5 | 155 | 155 | 150 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Zomergerst | 90 | 90 | 85 | 80 | 90 | 80 | 80 | 80 |
| Triticale*5 | 175 | 175 | 170 | 160 | 160 | 150 | 150 | 150 |
| Winterrogge*5 | 155 | 155 | 150 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Haver*5 | 110 | 110 | 105 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| Maïs, bedrijven met derogatie*6 | 160 | 160 | 160 | 160 | 155 | 155 | 155 | 150 |
| Maïs, bedrijven zonder derogatie*6 | 205 | 205 | 195 | 185 | 185 | 175 | 175 | 150 |
| Luzerne, eerste jaar | 45 | 45 | 45 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 |
| Luzerne, volgende jaren | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Graszaad, Engels raaigras, 1e jaars | 180 | 180 | 175 | 165 | 165 | 155 | 155 | 155 |
| Graszaad, Engels raaigras, overjarig | 220 | 220 | 210 | 200 | 200 | 190 | 190 | 190 |
| Graszaad, rietzwenkgras | 155 | 155 | 150 | 140 | 140 | 135 | 135 | 135 |
| Graszaad, rietzwenkgras, volgteelt | 65 | 65 | 65 | 60 | 60 | 55 | 55 | 55 |
| Graszaad, veldbeemd | 120 | 120 | 115 | 110 | 110 | 105 | 105 | 105 |
| Graszaad, veldbeemd, volgteelt | 65 | 65 | 65 | 60 | 60 | 55 | 55 | 55 |
| Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars | 95 | 95 | 90 | 85 | 85 | 80 | 80 | 80 |
| Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars, volgteelt | 40 | 40 | 40 | 35 | 35 | 35 | 35 | 35 |
| Graszaad, roodzwenkgras, overjarig | 125 | 125 | 120 | 115 | 115 | 110 | 110 | 110 |
| Graszaad, roodzwenkgras, overjarig, volgteelt | 50 | 50 | 50 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 |
| Graszaad, westerwolds | 120 | 120 | 115 | 110 | 110 | 105 | 105 | 105 |
| Graszaad, Italiaans | 145 | 145 | 140 | 130 | 130 | 125 | 125 | 125 |
| Graszaad, overig | 100 | 100 | 95 | 90 | 90 | 85 | 85 | 85 |
| Graszaad, overig, volgteelt | 50 | 50 | 50 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 |
| Graszoden | 375 | 375 | 365 | 340 | 340 | 340 | 340 | 340 |
| Ui, zaaiui, overig | 130 | 130 | 125 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 |
| Winterui, 2e jaars plantui | 185 | 185 | 180 | 170 | 170 | 160 | 160 | 160 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 145 | 145 | 140 | 130 | 130 | 125 | 125 | 125 |
| Blauwmaanzaad | 120 | 120 | 115 | 110 | 110 | 105 | 105 | 105 |
| Karwij | 165 | 165 | 160 | 150 | 150 | 145 | 145 | 145 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 100 | 100 | 95 | 90 | 90 | 85 | 85 | 85 |
| Koolzaad, winter | 225 | 225 | 215 | 205 | 205 | 195 | 195 | 195 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 175 | 175 | 170 | 160 | 160 | 150 | 150 | 150 |
| Koolzaad, zomer | 130 | 130 | 125 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 |
| Vlas | 75 | 75 | 75 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 |
| Akkerbouw overig | 220 | 220 | 210 | 200 | 200 | 190 | 190 | 190 |
| | | | | | | | | |
| **Bladgewassen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Spinazie, 1e teelt | 285 | 285 | 275 | 260 | 210 | 200 | 200 | 200 |
| Spinazie, volgteelt | 205 | 205 | 195 | 185 | 160 | 150 | 150 | 150 |
| Slasoorten, 1e teelt | 200 | 200 | 190 | 180 | 180 | 170 | 170 | 170 |
| Slasoorten, volgteelt | 115 | 115 | 110 | 105 | 105 | 105 | 105 | 105 |
| Andijvie, 1e teelt | 200 | 200 | 190 | 180 | 180 | 170 | 170 | 170 |
| Andijvie, volgteelt | 100 | 100 | 95 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 |
| Selderij, bleek/groen | 220 | 220 | 210 | 200 | 200 | 190 | 190 | 190 |
| Prei | 270 | 270 | 260 | 245 | 245 | 235 | 235 | 235 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 110 | 110 | 105 | 100 | 100 | 95 | 95 | 95 |
| Bladgewassen, overig, eenmalige oogst | 165 | 165 | 160 | 150 | 150 | 145 | 145 | 145 |
| Bladgewassen, overig, meermalige oogst | 300 | 300 | 290 | 275 | 275 | 260 | 260 | 260 |
| | | | | | | | | |
| **Koolgewassen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Spruitkool | 320 | 320 | 305 | 290 | 290 | 275 | 275 | 275 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 55 | 55 | 55 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 |
| Wittekool | 350 | 350 | 335 | 320 | 320 | 305 | 305 | 305 |
| Rodekool | 315 | 315 | 300 | 285 | 285 | 270 | 270 | 270 |
| Savooiekool | 315 | 315 | 295 | 285 | 285 | 270 | 270 | 270 |
| Spitskool | 315 | 315 | 295 | 285 | 285 | 270 | 270 | 270 |
| Bloemkool | 255 | 255 | 245 | 230 | 230 | 220 | 220 | 220 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 130 | 130 | 125 | 120 | 120 | 115 | 115 | 115 |
| Broccoli | 295 | 295 | 285 | 270 | 270 | 255 | 255 | 245 |
| Chinese kool | 200 | 200 | 190 | 180 | 180 | 170 | 170 | 160 |
| Boerenkool | 185 | 185 | 180 | 170 | 170 | 160 | 160 | 160 |
| Paksoi | 200 | 200 | 190 | 180 | 180 | 170 | 170 | 170 |
| Raapstelen | 155 | 155 | 150 | 140 | 140 | 135 | 135 | 135 |
| | | | | | | | | |
| **Kruiden (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Kruiden, bladgewas, eenmalige oogst | 165 | 165 | 160 | 150 | 150 | 145 | 145 | 145 |
| Kruiden, bladgewas, meermalig oogsten | 300 | 300 | 290 | 275 | 275 | 260 | 260 | 260 |
| Kruiden, wortelgewassen | 220 | 220 | 210 | 200 | 200 | 190 | 190 | 190 |
| Kruiden, zaadgewassen | 110 | 110 | 105 | 100 | 100 | 95 | 95 | 95 |
| | | | | | | | | |
| **Vruchtgewassen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Aardbei (wachtbed, vermeerdering) | 130 | 130 | 125 | 120 | 120 | 115 | 115 | 115 |
| Aardbei (productie) | 185 | 185 | 180 | 170 | 170 | 160 | 160 | 160 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 90 | 90 | 85 | 80 | 80 | 75 | 75 | 75 |
| Komkommerachtigen (augurk, courgette, meloen, pompoen) | 210 | 210 | 200 | 190 | 190 | 180 | 180 | 180 |
| Suikermaïs | 220 | 220 | 210 | 200 | 200 | 190 | 190 | 190 |
| Stam/stokboon, vers | 130 | 130 | 125 | 120 | 120 | 115 | 115 | 115 |
| Landbouwstambonen, rijp zaad | 150 | 150 | 145 | 135 | 135 | 135 | 135 | 135 |
| Veld- en tuinbonen, vers +rijp zaad | 55 | 55 | 55 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 |
| Tuinbonen, vers/peulen | 80 | 80 | 80 | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 |
| Erwt, vers + rijp zaad | 35 | 35 | 35 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 |
| Peul | 100 | 100 | 95 | 90 | 90 | 85 | 85 | 85 |
| | | | | | | | | |
| **Stengel/knol/wortelgewassen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Asperge (excl. opkweek) | 95 | 95 | 90 | 85 | 85 | 80 | 80 | 80 |
| Knolselderij | 220 | 220 | 210 | 200 | 200 | 190 | 190 | 190 |
| Knolvenkel/venkel | 200 | 200 | 190 | 180 | 180 | 170 | 170 | 170 |
| Koolraap | 185 | 185 | 180 | 170 | 170 | 160 | 160 | 160 |
| Koolrabi | 200 | 200 | 190 | 180 | 180 | 170 | 170 | 170 |
| Kroten/rode bieten | 205 | 205 | 195 | 185 | 185 | 175 | 175 | 175 |
| Winterpeen/waspeen | 120 | 120 | 115 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 |
| Bospeen | 55 | 55 | 55 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 |
| Rabarber | 275 | 275 | 265 | 250 | 250 | 240 | 240 | 240 |
| Radijs | 90 | 90 | 85 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 |
| Schorseneer | 185 | 185 | 180 | 170 | 170 | 170 | 170 | 170 |
| Witlof | 110 | 110 | 105 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| Vollegrondsgroenten, overig | 220 | 220 | 210 | 200 | 200 | 190 | 190 | 190 |
| | | | | | | | | |
| **Groenbemesters (kg N per ha per teelt)*7** | | | | | | | | |
| Niet-vlinderbloemige groenbemesters (bladrammenas, gele mosterd, gras/granen) | 65 | 65 | 65 | 60 | 60 | 60 | 60 | 60 |
| Vlinderbloemige groenbemesters (wikke) | 35 | 35 | 35 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 |
| Tagetes | 100 | 100 | 95 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 |
| | | | | | | | | |
| **Bloembollengewassen (kg N per ha per teelt)*5** | | | | | | | | |
| Acidanthera | 280 | 280 | 270 | 255 | 255 | 240 | 240 | 240 |
| Anemone coronaria | 145 | 145 | 140 | 130 | 130 | 125 | 125 | 125 |
| Fritillaria imperialis | 150 | 150 | 145 | 135 | 135 | 130 | 130 | 130 |
| Hyacint | 240 | 240 | 230 | 220 | 220 | 210 | 210 | 210 |
| Iris, grofbollig | 185 | 185 | 180 | 170 | 170 | 160 | 160 | 160 |
| Iris, fijnbollig | 155 | 155 | 150 | 140 | 140 | 135 | 135 | 135 |
| Krokus, grote gele | 190 | 190 | 185 | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 |
| Krokus, overig | 100 | 100 | 95 | 90 | 90 | 85 | 85 | 85 |
| Narcis | 160 | 160 | 155 | 145 | 145 | 140 | 140 | 140 |
| Tulp | 220 | 220 | 210 | 200 | 200 | 190 | 190 | 190 |
| Dahlia | 120 | 120 | 115 | 110 | 110 | 105 | 105 | 105 |
| Gladiool, pitten | 285 | 285 | 275 | 260 | 260 | 245 | 245 | 245 |
| Gladiool, kralen | 210 | 210 | 200 | 190 | 190 | 180 | 180 | 180 |
| Knolbegonia | 165 | 165 | 160 | 150 | 150 | 145 | 145 | 145 |
| Lelie | 170 | 170 | 165 | 155 | 155 | 145 | 145 | 145 |
| Zantedeschia | 120 | 120 | 115 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 |
| Overige bolgewassen | 180 | 180 | 175 | 165 | 165 | 155 | 155 | 155 |
| | | | | | | | | |
| **Fruitteeltgewassen (kg N per ha per jaar)** | | | | | | | | |
| Appel | 195 | 195 | 185 | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 |
| Blauwe bes | 110 | 110 | 105 | 100 | 100 | 95 | 95 | 95 |
| Braam | 165 | 165 | 160 | 150 | 150 | 140 | 140 | 140 |
| Framboos | 165 | 165 | 160 | 150 | 150 | 140 | 140 | 140 |
| Kers | 195 | 195 | 185 | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 |
| Peer | 195 | 195 | 185 | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 |
| Pruim | 195 | 195 | 185 | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 |
| Rode bes | 165 | 165 | 160 | 150 | 150 | 140 | 140 | 140 |
| Wijnbouw | 110 | 110 | 105 | 100 | 100 | 95 | 95 | 95 |
| Zwarte bes | 195 | 195 | 185 | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 |
| | | | | | | | | |
| **Buitenbloemen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Buitenbloemen hoge norm (zie [bijlage A3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A.3&z=2008-11-19&g=2008-11-19)) | 220 | 220 | 210 | 200 | 200 | 200 | 200 | 200 |
| Buitenbloemen overig | 165 | 165 | 160 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 |
| | | | | | | | | |
| **Boomkwekerijgewassen (kg N per ha per jaar)** | | | | | | | | |
| Laanbomen: onderstammen | 45 | 45 | 45 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 |
| Laanbomen: spillen | 100 | 100 | 95 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 |
| Laanbomen: opzetters | 125 | 125 | 120 | 115 | 115 | 115 | 115 | 115 |
| Sierheesters | 85 | 85 | 80 | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 |
| Coniferen | 90 | 90 | 85 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 |
| Rozen (incl. zaailingen, onderstammen) | 75 | 75 | 75 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 |
| Bos- en Haagplantsoen | 105 | 105 | 100 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 |
| Vaste planten | 195 | 195 | 185 | 175 | 175 | 175 | 175 | 175 |
| Vruchtbomen: onderstammen | 35 | 35 | 35 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 |
| Vruchtbomen: moerbomen | 120 | 120 | 115 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 |
| Vruchtbomen | 100 | 100 | 95 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 |
| Trek- en besheesters | 90 | 90 | 85 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 |
| Snijgroen | 105 | 105 | 100 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 |
| Ericaceae | 75 | 75 | 75 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 |
| Buxus | 105 | 105 | 100 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 |
| | | | | | | | | |
| **Bosbouw (kg N per ha per jaar)** | | | | | | | | |
| Snelgroeiend houtsoorten voor biomassaproductie | 100 | 100 | 95 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 |
| | | | | | | | | |
| Vaste norm op bedrijfsniveau*8 (kg N per ha per jaar) | | | | | | | | |
| Vaste norm | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 |
*1 Onder grasland met volledig maaien wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voorzover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren. Daarnaast mogen hobbymatig gehouden dieren worden geweid.
*2 De normen gelden niet voor tijdelijk grasland dat aansluit op maïs.
*3 Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing voorzover ze zijn toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen.
*4 Voor consumptieaardappel en wintertarwe op lössgronden gelden de gebruiksnormen die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Lössgronden zijn gronden die zijn ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de halft bestaan uit leem (fractie kleiner dan 50 μm.
*5 De gebruiksnorm wordt volledig toegerekend aan het jaar van oogsten.
*6 De normen van maïs zijn inclusief de norm van de daarop aansluitend geteelde groenbemesters.
*7 Deze gebruiksnormen zijn alleen van toepassing indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden. Voor groenbemesters op zand/ löss en veen geldt: inzaaien voor 1 september en na 1 december ploegen. Op klei geldt: inzaaien voor 1 september en na 1 november ploegen. Een uitzondering wordt gemaakt voor groene braak en indien de groenbemester minimaal 10 weken in het groeiseizoen op het land staat indien aansluitend daarop een volggewas wordt geteeld. De normen gelden niet voor groenbemesters die aansluiten op maïs.
*8 Deze norm op bedrijfsniveau geldt als het gewogen gemiddelde van de gebruiksnormen van de geteelde gewassen of gewasgroepen uit tabel A op het bedrijf in dat kalenderjaar minstens 100 kg N/ha bedraagt.
| Akkerbouwgewassen op löss | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| Consumptieaardappelrassen hoge norm (zie [bijlage A.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A.1&z=2008-11-19&g=2008-11-19)) | 275 | 265 | 265 | 265 |
| Consumptieaardappelrassen overig | 250 | 240 | 240 | 240 |
| Consumptieaardappelrassen lage norm (zie [bijlage A.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A.1&z=2008-11-19&g=2008-11-19)) | 225 | 215 | 215 | 215 |
| Wintertarwe | 220 | 220 | 220 | 195 |
## Bijlage A.1. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2008-11-19&g=2008-11-19): Consumptieaardappelrassen
### **Consumptieaardappelrassen hoge norm**
## Bijlage A.2. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2008-11-19&g=2008-11-19): Pootaardappelrassen
### **Pootaardappelrassen lage norm**
## Bijlage A.3. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=28&z=2008-11-19&g=2008-11-19): Buitenbloemen
### **Buitenbloemen hoge norm**
## Bijlage B. behorende bij [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=2&artikel=29&z=2008-11-19&g=2008-11-19): Werkingscoëfficiënt
| Type meststof en omstandigheid | Type meststof en omstandigheid | Werkingscoëfficiënt In procenten | Werkingscoëfficiënt In procenten | Werkingscoëfficiënt In procenten | Werkingscoëfficiënt In procenten |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| | | 2006 | 2007 | 2008 | 2009 |
| Najaarsaanwending dierlijke mest op kleibouwland en veenbouwland1 | | | | | |
| Najaarsaanwending dierlijke mest op kleibouwland en veenbouwland1 | Aangevoerde en eigen drijfmest | 30 | 40 | 50 | verbod |
| Najaarsaanwending dierlijke mest op kleibouwland en veenbouwland1 | Aangevoerde en eigen vaste mest2 | 25/30 | 25/30 | 30/35 | 30/55 |
| Op het eigen bedrijf geproduceerde mest (drijfmest of vaste mest) van graasdieren | Op bedrijf met beweiding3 | 35 | 35 | 45 | 45 |
| Op het eigen bedrijf geproduceerde mest (drijfmest of vaste mest) van graasdieren | Op bedrijf zonder beweiding4 | 60 | 60 | 60 | 60 |
| Andere meststoffen en omstandigheden | Dunne fractie (na mestbewerking) en gier | 80 | 80 | 80 | 80 |
| Andere meststoffen en omstandigheden | Drijfmest op klei en veen | 60 | 60 | 60 | 60 |
| Andere meststoffen en omstandigheden | Drijfmest op zand en löss | 60 | 60 | 65 | 65 |
| Andere meststoffen en omstandigheden | Vaste mest van varkens, pluimvee en nertsen | 55 | 55 | 55 | 55 |
| Andere meststoffen en omstandigheden | Vaste mest van overige diersoorten | 40 | 40 | 40 | 40 |
| Andere meststoffen en omstandigheden | Champost | 25 | 25 | 25 | 25 |
| Andere meststoffen en omstandigheden | Compost | 10 | 10 | 10 | 10 |
| Andere meststoffen en omstandigheden | Zuiveringsslib | 40 | 40 | 40 | 40 |
| Andere meststoffen en omstandigheden | Overige organische meststoffen (meststoffen van dierlijk afval, zoals verenmeel en beendermeel, meststoffen van plantaardig afval, zoals cacaodoppen en moutscheuten, schuimaarde, vinasse, aardappel- en wortelstoomschillen) | 50 | 50 | 50 | 50 |
| | Veen | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Mengsels van meststoffen5 | Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat. | Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat. | Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat. | Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat. | Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat. |
1 Periode van 1 januari tot en met 31 januari en van 16 september tot en met 31 december. Deze werkingscoëfficiënt mag alleen worden toegepast voorzover het desbetreffende gebruik van dierlijke mest is toegestaan binnen de regels van het Besluit gebruik meststoffen.
2 Waar twee waarden worden genoemd, geldt de laatstgenoemde waarde voor de aanwending van vaste mest van varkens, pluimvee en nertsen, de eerstgenoemde voor de aanwending van vaste mest van overige diersoorten.
3 De werkingscoëfficiënten voor een bedrijf met beweiding mogen alleen worden toegepast op een bedrijf dat ook de stikstofgebruiksnorm voor beweid grasland toepast. Voor zover een bedrijf met beweiding najaarsaanwending op klei- of veenbouwland toepast, mag de werkingscoëfficiënt die past bij najaarsaanwending worden toegepast.
4 De werkingscoëfficiënten voor een bedrijf zonder beweiding moeten worden toegepast op een bedrijf dat ook de stikstofgebruiksnorm voor grasland zonder beweiding toepast. Voor de toepassing van de tabel wordt onder bedrijf zonder beweiding mede verstaan een bedrijf waar uitsluitend jongvee (jonger dan twee jaar) van runderen wordt geweid, voor zover het aantal van die dieren niet groter is dan het aantal op het bedrijf aanwezige ouderdieren, en/of hobbydieren worden geweid. Voor zover een bedrijf zonder beweiding najaarsaanwending op klei- of veenbouwland toepast, mag de werkingscoëfficiënt die past bij najaarsaanwending worden toegepast.
5 Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%.
## Bijlage C. behorende bij de [artikelen 30 tot en met 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&paragraaf=3&artikel=30&z=2008-11-19&g=2008-11-19)
### **Onderdeel I. Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland**
### **1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond**
### **3. Analyse van grondmonsters**
### **Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal**
### **1. Abstract**
### **2. Benodigde reagentia**
### **Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal**
De stikstofexcreties van staldieren moeten berekend worden conform de stalbalans. In deze tabel zijn voor staldieren wel excretieforfaits opgenomen (schuingedrukt) als hulpmiddel om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2008-07-13&g=2008-07-13), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
### **1. Abstract**
De uitkomst van de bepaling, het Pw-getal bij volumeverhouding 1:60 wordt uitgedrukt in microgram P2O5 in het filtraat per 1 centimeter3 grond
## Bijlage D. Diergebonden normen
### **Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103**
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=1&artikel=53&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=78&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=79&z=2008-11-19&g=2008-11-19)
### **A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur**
@@ -5337,33 +6023,23 @@
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur**
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
### **2. Inlezen gegevens**
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
### **2. Inlezen gegevens**
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur**
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
## Bijlage F
### onderdeel A
### onderdeel B
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69&z=2008-07-13&g=2008-07-13) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=68&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8&paragraaf=3&artikel=69&z=2008-11-19&g=2008-11-19) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
### **B. opmerkingscodes**
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=80&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=2&artikel=81&z=2008-11-19&g=2008-11-19)
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; samenstelling AP05
@@ -5373,72 +6049,52 @@
### **4. Controle en registratie inkomende monsters**
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
### **6. Kwaliteitsborging**
### **7. Rapportage van resultaten**
### **11. Literatuur**
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2008-07-13&g=2008-07-13) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=3&artikel=92b&z=2008-11-19&g=2008-11-19) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **3. Fosfaat (P2O5)**
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
### Behorende bij de [artikelen 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=97&z=2008-11-19&g=2008-11-19), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=100&z=2008-11-19&g=2008-11-19) en [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=101&z=2008-11-19&g=2008-11-19)
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&paragraaf=6&artikel=98&z=2008-11-19&g=2008-11-19)
### **2. Doel**
### **3. Uitgangspunten**
### **4. Werkwijze**
### 4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).
### **4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)**
Opmerkingen m.b.t. producten die niet gedurende het hele jaar beschikbaar komen
Opmerkingen m.b.t. ruwvoer en enkelvoudig diervoer
Ook het gemiddelde van een reeks analyses kent een zekere spreiding die de betrouwbaarheid bepaalt. Een manier om de betrouwbaarheid van het gemiddelde te definiëren is het geven van een betrouwbaarheidsinterval. Deze is gelijk aan het berekende gemiddelde ± t*sd/√n, waarbij t de waarde is uit de t-tabel bij een bepaalde kanswaarde (bijvoorbeeld 95%) en n het aantal analyses. Het betrouwbaarheidsinterval is dus afhankelijk van het aantal analyses dat gebruikt is voor het berekenen van het gemiddelde: hoe groter het aantal waarnemingen hoe groter de betrouwbaarheid.
4.2.5. Na afloop van de periode van 12 maanden stelt de onderneming opnieuw vast hoeveel monsters voor de komende 12 maanden onderzocht moeten worden om het gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij gaat hierbij uit van de meest recente 10 waarnemingen en volgt werkwijze vanaf 4.2.1.
### **II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders**
### **1. Algemeen**
1.1. Dit protocol richt zich op de bemonstering van vloeibare voeders en van steekvaste producten met een vochtgehalte van meer dan 14%. De diervoederleverancier dient de eisen en voorwaarden uit dit protocol minimaal te hanteren als zij in het kader van de hoeveelheidsbepalingen van stikstof en fosfaat monsters neemt van voedermiddelen met meer dan 14% vocht om de gehalten aan stikstof, fosfaat, droge stof, ruw eiwit en fosfor vast te stellen.
1.2. De onderneming moet de eisen en voorwaarden uit dit protocol verwerken in een eigen bemonsteringsprotocol.
### **2. Doel**
### **3. Plaats bemonstering**
3.1. Het monster wordt genomen tijdens het laden van de (vracht)auto voor aflevering aan één veehouder. Daarbij gelden de volgende aandachtspunten:
### **4. Monsternameprocedure**
### **4.1. Algemeen**
4.2.3. Indien het een homogeen product betreft kan volstaan worden met minder ondermonsters. Het bedrijf dient zelf door middel van analytisch onderzoek ten genoegen van de Minister aan te tonen dat het product zodanig homogeen is dat minder ondermonsters voldoende zijn voor het verkrijgen van een representatief verzamel- en eindmonster.
4.2.7. Ook kan – naar analogie van het bemonsteren van mest – gebruik worden gemaakt van speciale apparatuur waarmee tijdens het laden regelmatig ondermonsters genomen kunnen worden.
### **4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster**
4.4.3. Bovenstaande vermeldingen mogen ook (gedeeltelijk) vervangen worden door andere vermeldingen, mits deze eenduidig kunnen leiden naar bovengenoemde gegevens.
### **4.5. Verzending**
### **4.6. Monsteradministratie**
### **5. Machtiging als monsternemer**
Adres:
### **III. Toleranties**
1.1.2. voor ruw eiwit:
2008-07-13
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 99022, 5 y 4 más
2008-02-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 12945, 99023, 99023 y 259 má
2008-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 273 más
2007-07-22
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 103, 6, 6 y 2 más
2007-07-12
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 224 más
2007-02-09
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 6, 6, 102, 6
2007-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 213 más
2006-07-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 99020 y 212 más
2006-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 215 más
2005-12-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 2, 3 y 29 más
2005-12-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
original version Tekst op deze datum