Wijzigingsgeschiedenis
Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 4 november 2005, nr. TRCJZ/2005/3295, houdende regels ter uitvoering van de Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling Meststoffenwet)
97 versions
· 2026-03-19
2026-03-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 3, 103, 54 y 10 más
2026-02-11
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 3, 103, 54 y 10 más
2026-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 15477 y 231 más
2025-04-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 2, 99020 y 8 más
2025-03-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 2 y 19 más
2025-01-29
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 2 y 19 más
2025-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 17020 y 30 más
2024-12-21
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 2 y 19 más
2024-10-02
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 17020, 17020 y 30 más
2024-03-28
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 17020, 2, 99020 y 8 más
2024-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 15477 y 229 más
2023-11-02
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 12 más
2023-10-02
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 1, 3 y 27 más
2023-07-21
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 12 más
2023-07-15
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 123 más
2023-06-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 13 más
2023-05-13
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 3, 5 y 13 más
2023-05-10
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99020, 5315, 2 y 247 más
2023-03-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 9 y 256 más
2023-02-15
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 9 y 256 más
2023-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 756 más
2022-11-17
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99025, 99026, 99027 y 10 más
2022-07-16
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99025, 99026, 99027 y 10 más
2022-07-15
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 2, 15477 y 249 más
2022-05-05
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 14, 99025, 89 y 9 más
2022-04-27
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 1 y 262 más
2022-04-16
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 99023, 7 y 21 más
2022-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 99023, 99023 y 33 más
2021-02-18
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 99027, 99029 y 222 má
2021-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 5, 5 y 17 más
2020-10-08
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 5, 5 y 7 más
2020-08-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 5, 5 y 7 más
2020-04-16
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 5, 5 y 7 más
2020-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 4, 99023 y 370 más
2019-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 8, 4 y 5 más
2019-07-23
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 8, 4 y 5 más
2019-04-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 8, 4 y 5 más
2019-03-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 8, 4 y 5 más
2019-02-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 17025, 17020 y 265 más
2019-01-31
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 3 y 400 más
2019-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99020, 4, 99023 y 398 más
2018-06-06
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 1 y 395 más
2018-04-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 1, 84 y 2 más
2018-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 3 y 314 más
2017-11-10
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99020, 3, 3 y 400 más
2017-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 8, 17025, 17020 y 273 más
2017-08-31
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 89, 6, 7 y 3 más
2017-04-07
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 3 y 285 más
2017-02-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7, 6, 7431 y 4 más
2017-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 1, 3 y 328 más
2016-09-16
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7, 06, 17025 y 6 más
2016-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 15477 y 129 más
2015-07-03
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 12945, 12945 y 277 má
2015-05-28
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 13 y 312 más
2015-04-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 3, 4 y 214 más
2015-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 99023 y 270 más
2014-11-29
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7, 89, 6 y 4 más
2014-08-05
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7, 7, 89 y 11 más
2014-07-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 474 más
2014-06-27
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 318 más
2014-05-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 317 más
2014-02-25
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 317 más
2014-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 5315 y 629 más
2013-07-25
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 5315, 99020 y 311 más
2013-06-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 2, 103 y 6 más
2013-02-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 2, 103 y 6 más
2013-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 5315 y 307 más
Wijzigingen op 2013-01-01
@@ -36,17 +36,17 @@
##### Artikel 122
1. De in [artikel 26, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26) en de in de [artikelen 25, eerste, tweede, derde, vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=32&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [35a, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [37, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [45, eerste, tweede en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [50, eerste, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [103b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103b&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [104, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=1&artikel=104&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [artikel 110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=3&artikel=110&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [artikel 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=114&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [artikel 115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=115&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [artikel 119, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=119&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde meldingen, verklaringen, verstrekking van gegevens, kennisgevingen, aanmeldingen ter registratie en aanvragen tot ontheffing geschieden door indiening bij de Dienst Regelingen van het ingevulde en ondertekende daartoe bestemde formulier, dat door deze dienst wordt verstrekt.
1. De in [artikel 26, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26) en de in de [artikelen 25, eerste, tweede, derde, vierde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=32&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [35a, derde, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [37, eerste, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [45, eerste, tweede en achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [50, eerste, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [103b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103b&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [104, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=1&artikel=104&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [artikel 110, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=3&artikel=110&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [artikel 114](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=114&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [artikel 115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=115&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [artikel 119, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=119&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde meldingen, verklaringen, verstrekking van gegevens, kennisgevingen, aanmeldingen ter registratie en aanvragen tot ontheffing geschieden door indiening bij de Dienst Regelingen van het ingevulde en ondertekende daartoe bestemde formulier, dat door deze dienst wordt verstrekt.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde handelingen op elektronische wijze geschieden, wordt gebruik gemaakt van het door de Dienst Regelingen daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal.
3. De in de [artikelen 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=56&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en [92b, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde elektronische verzending van gegevens, de in de [artikelen 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57a&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=58&z=2012-10-06&g=2012-10-06) bedoelde elektronische mededelingen en verstrekkingen van gegevens, de in de artikelen [28a, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en [35f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35f&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde elektronische aanmelding en de in de [artikelen 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=64&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [69a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde elektronische indiening van gegevens geschieden met gebruikmaking van het door de Dienst Regelingen daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal.
4. De elektronische verzending wordt door de vervoerder ondertekend door middel van een persoonlijke gebruikerscode, die overeenkomstig [artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=123&z=2012-10-06&g=2012-10-06) door de minister op naam van de desbetreffende vervoerder is geregistreerd.
3. De in de [artikelen 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=56&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [92b, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde elektronische verzending van gegevens, de in de [artikelen 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [57a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57a&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=58&z=2013-01-01&g=2013-01-01) bedoelde elektronische mededelingen en verstrekkingen van gegevens, de in de artikelen [28a, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [35f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35f&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde elektronische aanmelding en de in de [artikelen 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=64&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [69a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde elektronische indiening van gegevens geschieden met gebruikmaking van het door de Dienst Regelingen daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal.
4. De elektronische verzending wordt door de vervoerder ondertekend door middel van een persoonlijke gebruikerscode, die overeenkomstig [artikel 123](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=123&z=2013-01-01&g=2013-01-01) door de minister op naam van de desbetreffende vervoerder is geregistreerd.
##### Artikel 123
1. De aanvraag tot registratie van een persoonlijke gebruikerscode als bedoeld in [artikel 122, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=122&z=2012-10-06&g=2012-10-06), geschiedt bij de Dienst Regelingen.
1. De aanvraag tot registratie van een persoonlijke gebruikerscode als bedoeld in [artikel 122, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=122&z=2013-01-01&g=2013-01-01), geschiedt bij de Dienst Regelingen.
2. De Dienst Regelingen zendt de aanvrager een bevestiging van de registratie.
@@ -60,29 +60,25 @@
##### Artikel 125
Met een laboratorium als bedoeld in de [artikelen 17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=18&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=19&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=20&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=22&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=32&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [81, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [92a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=99&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en [103a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2012-10-06&g=2012-10-06) wordt gelijk gesteld een vergelijkbare instelling, gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel in een andere staat die partij is bij een daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, die een verklaring verstrekt op basis van onderzoekingen die voldoen aan een kwaliteitsborgingniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
Met een laboratorium als bedoeld in de [artikelen 17, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [18, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=18&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [19, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=19&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [20, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=20&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [21, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=22&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [27, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=32&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [81, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [92a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=99&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [103a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2013-01-01&g=2013-01-01) wordt gelijk gesteld een vergelijkbare instelling, gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel in een andere staat die partij is bij een daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, die een verklaring verstrekt op basis van onderzoekingen die voldoen aan een kwaliteitsborgingniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
##### Artikel 126
1. Het verbod, bedoeld in [artikel 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=7), is niet van toepassing op bedrijven, of delen van bedrijven, waarop de verbruiksdoelstellingen voor stikstof en fosfaat als bedoeld in [bijlage 1 van het Besluit glastuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013430&bijlage=1) van toepassing zijn.
1. Het verbod, bedoeld in [artikel 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=7), is niet van toepassing op bedrijven, waarop [artikel 3.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022762&artikel=3.65) of [3.70 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022762&artikel=3.70) van toepassing is.
2. Op het bedrijf, of deel van het bedrijf, bedoeld in het eerste lid, wordt ten hoogste 170 kilogram stikstof in de vorm van dierlijke meststoffen op of in de bodem gebracht.
3. Op bedrijven met open grondteelt die mede glastuinbouwactiviteiten als bedoeld in [artikel 2, onderdeel d, van het Besluit glastuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013430&artikel=2), uitoefenen op een kleiner oppervlak dan 2500 m2 aan permanente opstand van glas of kunststof is voor deze glastuinbouwactiviteiten het verbod, bedoeld in [artikel 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=7), niet van toepassing.
4. Op bedrijven als bedoeld in het derde lid, zijn voor de glastuinbouwactiviteiten de verbruiksdoelstellingen voor stikstof en fosfaat, genoemd in [bijlage 1, van het Besluit glastuinbouw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013430&bijlage=1), van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 127
De voldoening aan de voorwaarden [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=4&artikel=35&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=44&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [92a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en [126, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=126&z=2012-10-06&g=2012-10-06), wordt desgevraagd ten genoegen van de minister gestaafd met bewijsstukken.
De voldoening aan de voorwaarden [30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=4&artikel=35&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=44&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [92a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [126, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=126&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt desgevraagd ten genoegen van de minister gestaafd met bewijsstukken.
##### Artikel 128
1. Ter uitvoering van:
- a. de[artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) en[45, eerste en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=45) en de [artikelen 50, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en [74, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor zover deze artikelen betrekking hebben op ondernemers in het kader van wier onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt, en
- b. [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2012-10-06&g=2012-10-06),
- a. de[artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) en[45, eerste en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=45) en de [artikelen 50, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [74, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor zover deze artikelen betrekking hebben op ondernemers in het kader van wier onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt, en
- b. [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2013-01-01&g=2013-01-01),
wordt medewerking gevorderd van het bestuur van het Productschap Zuivel.
@@ -90,7 +86,7 @@
- a. het registreren van de in het eerste lid bedoelde ondernemers en het ten behoeve van deze registratie inwinnen van de in de [artikelen 43 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) bedoelde gegevens; en
- b. het vaststellen van de totale hoeveelheid in een kalenderjaar op een bedrijf geproduceerde koemelk, bedoeld in de [artikelen 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en [74, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en het gemiddelde ureumgehalte van deze hoeveelheid koemelk en het ten behoeve van deze vaststelling inwinnen van de noodzakelijke gegevens.
- b. het vaststellen van de totale hoeveelheid in een kalenderjaar op een bedrijf geproduceerde koemelk, bedoeld in de [artikelen 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [74, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en het gemiddelde ureumgehalte van deze hoeveelheid koemelk en het ten behoeve van deze vaststelling inwinnen van de noodzakelijke gegevens.
3. De in het eerste lid bedoelde medewerking bestaat voorts uit het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden en het ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde ondernemers bij verordening stellen van nadere regels, inzake:
@@ -100,9 +96,9 @@
- c. de overige gegevens die de administratie, bedoeld in de [artikelen 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33) en [44 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), bevat;
- d. de gegevens die ingevolge [artikel 45, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=45) en [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2012-10-06&g=2012-10-06), verstrekt worden, de wijze waarop en de termijn waarbinnen deze gegevens verstrekt worden;
- e. de wijze waarop de op het bedrijf, bedoeld in [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2012-10-06&g=2012-10-06), geproduceerde hoeveelheid koemelk wordt bepaald;
- d. de gegevens die ingevolge [artikel 45, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=45) en [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2013-01-01&g=2013-01-01), verstrekt worden, de wijze waarop en de termijn waarbinnen deze gegevens verstrekt worden;
- e. de wijze waarop de op het bedrijf, bedoeld in [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2013-01-01&g=2013-01-01), geproduceerde hoeveelheid koemelk wordt bepaald;
- f. de wijze waarop de door de in het eerste lid bedoelde ondernemers van bedrijven afgenomen hoeveelheden koemelk in kilogrammen per bedrijf per kalenderjaar en het ureumgehalte van deze hoeveelheden worden bepaald; en
@@ -128,7 +124,7 @@
##### Artikel 130
De hoogte van de bestuurlijke boete die overeenkomstig [artikel 51 van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=51) kan worden opgelegd, wordt vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat in [bijlage M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=M&z=2012-10-06&g=2012-10-06) voor de desbetreffende overtreding is vermeld.
De hoogte van de bestuurlijke boete die overeenkomstig [artikel 51 van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=51) kan worden opgelegd, wordt vastgesteld overeenkomstig het bedrag dat in [bijlage M](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=M&z=2013-01-01&g=2013-01-01) voor de desbetreffende overtreding is vermeld.
##### Artikel 131
@@ -164,7 +160,7 @@
##### Artikel 133
Indien een hypotheekhouder een bedrijf voor 1 januari 2006 heeft aangemeld overeenkomstig [artikel 5 van de Regeling leges en blokkade Wet herstructurering varkenshouderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009801&artikel=5) of [artikel 3 van de Regeling leges en blokkade pluimveerechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012009&artikel=3), zoals deze artikelen luidden op 31 december 2005, wordt dit bedrijf in afwijking van [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=106&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor de toepassing van [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2012-10-06&g=2012-10-06), zonder voorafgaand verzoek daartoe geregistreerd bij de Dienst Regelingen.
Indien een hypotheekhouder een bedrijf voor 1 januari 2006 heeft aangemeld overeenkomstig [artikel 5 van de Regeling leges en blokkade Wet herstructurering varkenshouderij](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009801&artikel=5) of [artikel 3 van de Regeling leges en blokkade pluimveerechten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012009&artikel=3), zoals deze artikelen luidden op 31 december 2005, wordt dit bedrijf in afwijking van [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=106&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor de toepassing van [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2013-01-01&g=2013-01-01), zonder voorafgaand verzoek daartoe geregistreerd bij de Dienst Regelingen.
##### Artikel 134
@@ -172,7 +168,7 @@
##### Artikel 135
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006, met uitzondering van [artikel 134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=134&z=2012-10-06&g=2012-10-06), dat in werking treedt met ingang van 1 december 2005.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006, met uitzondering van [artikel 134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=134&z=2013-01-01&g=2013-01-01), dat in werking treedt met ingang van 1 december 2005.
##### Artikel 136
@@ -252,7 +248,7 @@
- d. derogatiebeschikking: beschikking nr. 2005/880/EG van de Europese Commissie van 8 december 2005 tot verlening van een door Nederland gevraagde derogatie op grond van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PbEU L 324), zoals gewijzigd bij besluit nr. 2010/65/EU van de Europese Commissie van 5 februari 2010 (PbEG L35);
- e. gewasperceel: perceel of deel van een perceel met een minimale omvang van twee hectare waarop één en hetzelfde gewas als bedoeld in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2012-10-06&g=2012-10-06), wordt geteeld;
- e. gewasperceel: perceel of deel van een perceel met een minimale omvang van twee hectare waarop één en hetzelfde gewas als bedoeld in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt geteeld;
- f. vloeibaar zuiveringsslib: zuiveringsslib dat verpompbaar is;
@@ -266,19 +262,19 @@
- k. vaste mest: dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn;
- l. automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur: apparatuur als bedoeld in [artikel 49, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2012-10-06&g=2012-10-06), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2012-10-06&g=2012-10-06);
- l. automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur: apparatuur als bedoeld in [artikel 49, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2013-01-01&g=2013-01-01), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2013-01-01&g=2013-01-01);
- m. AGR-apparatuur: apparatuur voor automatische gegevensregistratie;
- n. vervoersbewijs dierlijke meststoffen: vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 53 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) in samenhang met [artikel 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=60&z=2012-10-06&g=2012-10-06);
- o. vervoersbewijs zuiveringsslib en compost: vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 55 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) in samenhang met [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2012-10-06&g=2012-10-06);
- n. vervoersbewijs dierlijke meststoffen: vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 53 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) in samenhang met [artikel 60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=60&z=2013-01-01&g=2013-01-01);
- o. vervoersbewijs zuiveringsslib en compost: vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 55 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) in samenhang met [artikel 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2013-01-01&g=2013-01-01);
- p. mestkorrels: dierlijke meststoffen die in een overeenkomstig artikel 24, eerste lid, onderdeel f, van verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (PbEU L 300) erkende inrichting of bedrijf zodanig zijn bewerkt dat het drogestofgehalte ervan ten minste 90% bedraagt;
- q. mengvoeder: mengvoeder als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Kaderwet diervoeders](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015764&artikel=1);
- r. combinatienummer: nummer dat door de Dienst Regelingen ter identificatie van een transportmiddel voor drijfmest is verstrekt en dat bij vervoer middels een transportvoertuig is samengesteld uit de op grond van [artikel 45, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2012-10-06&g=2012-10-06), verstrekte gegevens en in het geval van vervoer door middel van een pijpleiding is samengesteld uit de op grond van artikel 45, vierde lid, verstrekte gegevens;
- r. combinatienummer: nummer dat door de Dienst Regelingen ter identificatie van een transportmiddel voor drijfmest is verstrekt en dat bij vervoer middels een transportvoertuig is samengesteld uit de op grond van [artikel 45, vierde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2013-01-01&g=2013-01-01), verstrekte gegevens en in het geval van vervoer door middel van een pijpleiding is samengesteld uit de op grond van artikel 45, vierde lid, verstrekte gegevens;
- s. champost: product van paardenmest, ponymest, pluimveemest of een mengsel daarvan waarop champignons zijn geteeld;
@@ -294,11 +290,11 @@
- y. verordening (EG) nr. 1069/2009: verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (PbEU L 300).
2. Voor de toepassing van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&z=2012-10-06&g=2012-10-06) wordt onder graasdieren, perceel, zuiveringsslib en compost verstaan hetgeen daaronder in [artikel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=1) wordt verstaan.
2. Voor de toepassing van [hoofdstuk 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3&z=2013-01-01&g=2013-01-01) wordt onder graasdieren, perceel, zuiveringsslib en compost verstaan hetgeen daaronder in [artikel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=1) wordt verstaan.
##### Artikel 2
Voor de toepassing van deze regeling, met uitzondering van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&z=2012-10-06&g=2012-10-06), worden de hoeveelheden meststoffen en de hoeveelheden diervoeders uitgedrukt in kilogrammen of liters alsmede in kilogrammen stikstof en kilogrammen fosfaat.
Voor de toepassing van deze regeling, met uitzondering van [hoofdstuk 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&z=2013-01-01&g=2013-01-01), worden de hoeveelheden meststoffen en de hoeveelheden diervoeders uitgedrukt in kilogrammen of liters alsmede in kilogrammen stikstof en kilogrammen fosfaat.
##### Artikel 3
@@ -308,13 +304,13 @@
Voor zover zij voldoen aan de [artikelen 9 tot en met 15 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=9) zijn aangewezen:
- a. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de in [bijlage Aa, onder I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2012-10-06&g=2012-10-06), opgenomen stoffen;
- b. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de stoffen die behoren tot de in [bijlage Aa, onder II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2012-10-06&g=2012-10-06), opgenomen categorieën afvalstoffen of reststoffen;
- c. als afvalstoffen of reststoffen die bij de productie van de daarbij genoemde meststoffen kunnen worden gebruikt, de in [bijlage Aa, onder III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2012-10-06&g=2012-10-06), opgenomen stoffen; en
- d. als eindproducten die als meststof kunnen worden verhandeld, de in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2012-10-06&g=2012-10-06), opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés.
- a. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de in [bijlage Aa, onder I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2013-01-01&g=2013-01-01), opgenomen stoffen;
- b. als afvalstoffen of reststoffen die als meststof kunnen worden verhandeld, de stoffen die behoren tot de in [bijlage Aa, onder II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2013-01-01&g=2013-01-01), opgenomen categorieën afvalstoffen of reststoffen;
- c. als afvalstoffen of reststoffen die bij de productie van de daarbij genoemde meststoffen kunnen worden gebruikt, de in [bijlage Aa, onder III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2013-01-01&g=2013-01-01), opgenomen stoffen; en
- d. als eindproducten die als meststof kunnen worden verhandeld, de in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2013-01-01&g=2013-01-01), opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés.
##### Artikel 5
@@ -322,13 +318,13 @@
##### Artikel 6
1. Het is niet toegestaan zuiveringsslib, de in [bijlage Aa, onder I en II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2012-10-06&g=2012-10-06), opgenomen stoffen of de in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2012-10-06&g=2012-10-06), opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés, onderling of met andere meststoffen te mengen.
2. In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib onderling te mengen, mits de gehalten stikstof en fosfaat in de afzonderlijke partijen zijn vastgesteld overeenkomstig de [artikelen 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en deze afzonderlijke partijen overigens voldoen aan de bij of krachtens [hoofdstuk III van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=III) ter zake van zuiveringsslib gestelde regels.
1. Het is niet toegestaan zuiveringsslib, de in [bijlage Aa, onder I en II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2013-01-01&g=2013-01-01), opgenomen stoffen of de in [bijlage Aa, onder IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2013-01-01&g=2013-01-01), opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingsprocédés, onderling of met andere meststoffen te mengen.
2. In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib onderling te mengen, mits de gehalten stikstof en fosfaat in de afzonderlijke partijen zijn vastgesteld overeenkomstig de [artikelen 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en deze afzonderlijke partijen overigens voldoen aan de bij of krachtens [hoofdstuk III van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=III) ter zake van zuiveringsslib gestelde regels.
3. Het is slechts toegestaan andere dan in het eerste lid bedoelde meststoffen te mengen, indien deze meststoffen afzonderlijk voldoen aan de bij of krachtens [hoofdstuk III van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=III) ter zake van die meststoffen gestelde regels en het mengsel voldoet aan de bij of krachtens [hoofdstuk III van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=III) ter zake van die meststoffen gestelde regels.
4. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan de in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2012-10-06&g=2012-10-06), onder IV, opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingprocedés, die zijn gebruikt als strooisel in stallen te mengen met dierlijke mest in de mestkelder.
4. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan de in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2013-01-01&g=2013-01-01), onder IV, opgenomen eindproducten van de aldaar omschreven bewerkingprocedés, die zijn gebruikt als strooisel in stallen te mengen met dierlijke mest in de mestkelder.
##### Artikel 7
@@ -346,17 +342,17 @@
##### Artikel 8
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren, overschrijden niet de in [bijlage Ab, onder tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2012-10-06&g=2012-10-06), opgenomen maximale waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren, overschrijden niet de in [bijlage Ab, onder tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2013-01-01&g=2013-01-01), opgenomen maximale waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
##### Artikel 9
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren en die organisch materiaal van dierlijke of plantaardige oorsprong bevatten, overschrijden niet de in [bijlage Ab, onder tabel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2012-10-06&g=2012-10-06), opgenomen maximale waarden voor organische microverontreinigingen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
Overige anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om secundaire nutriënten te leveren en die organisch materiaal van dierlijke of plantaardige oorsprong bevatten, overschrijden niet de in [bijlage Ab, onder tabel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2013-01-01&g=2013-01-01), opgenomen maximale waarden voor organische microverontreinigingen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel.
##### Artikel 10
In geval het betreft anorganische meststoffen die niet alleen hoofdzakelijk zijn bedoeld om primaire of secundaire nutriënten te leveren, maar ook om de micronutriënten koper en zink te leveren, is [artikel 14 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=14), voor zover het betreft de in [bijlage II, onder tabel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II), opgenomen maximale waarden voor koper en zink onderscheidenlijk [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor zover het betreft de in [bijlage Ab, onder tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2012-10-06&g=2012-10-06), opgenomen maximale waarden voor koper en zink, niet van toepassing, voor zover:
- a. de meststoffen overeenkomstig [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=14&z=2012-10-06&g=2012-10-06) zijn voorzien van de gehalten aan koper onderscheidenlijk zink; en
In geval het betreft anorganische meststoffen die niet alleen hoofdzakelijk zijn bedoeld om primaire of secundaire nutriënten te leveren, maar ook om de micronutriënten koper en zink te leveren, is [artikel 14 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=14), voor zover het betreft de in [bijlage II, onder tabel 1 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II), opgenomen maximale waarden voor koper en zink onderscheidenlijk [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor zover het betreft de in [bijlage Ab, onder tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ab&z=2013-01-01&g=2013-01-01), opgenomen maximale waarden voor koper en zink, niet van toepassing, voor zover:
- a. de meststoffen overeenkomstig [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=14&z=2013-01-01&g=2013-01-01) zijn voorzien van de gehalten aan koper onderscheidenlijk zink; en
- b. zowel de hoeveelheden primaire of secundaire nutriënten als de hoeveelheden koper of zink die met de desbetreffende meststof worden opgebracht, passen binnen het totale bemestingsadvies.
@@ -368,7 +364,7 @@
1. De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), worden voor stikstof uitsluitend in de vorm van het element (N) en voor fosfaat in de vorm van het oxide (P2O5) en desgewenst in de vorm van het element (P) uitgedrukt
2. De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), met uitzondering van stikstof en fosfaat behoeven uitsluitend te worden vermeld voor zover deze de in de [artikelen 9 tot en met 12 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=9) en de in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2012-10-06&g=2012-10-06) van deze regeling bedoelde minimale hoeveelheden te boven gaan.
2. De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), met uitzondering van stikstof en fosfaat behoeven uitsluitend te worden vermeld voor zover deze de in de [artikelen 9 tot en met 12 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=9) en de in [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=7&z=2013-01-01&g=2013-01-01) van deze regeling bedoelde minimale hoeveelheden te boven gaan.
3. De in het tweede lid bedoelde gegevens worden voor kalium, calcium, magnesium, natrium en zwavel in de vorm van het oxide (K2O; CaO; MgO; Na2O; onderscheidenlijk SO3) en desgewenst in de vorm van het element (K; Ca; Mg; Na onderscheidenlijk S) uitgedrukt.
@@ -376,11 +372,11 @@
##### Artikel 13
1. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19) zijn overige organische meststoffen en overige anorganische meststoffen die bestaan uit de in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2012-10-06&g=2012-10-06) opgenomen stoffen, voorzien van het nummer waaronder de desbetreffende stof op deze [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2012-10-06&g=2012-10-06) is vermeld.
1. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19) zijn overige organische meststoffen en overige anorganische meststoffen die bestaan uit de in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2013-01-01&g=2013-01-01) opgenomen stoffen, voorzien van het nummer waaronder de desbetreffende stof op deze [bijlage](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2013-01-01&g=2013-01-01) is vermeld.
2. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19) zijn mengsels van meststoffen voorzien van gegevens over de meststoffen waaruit het mengsel bestaat en de verhouding waarin deze in het mengsel voorkomen.
3. Indien het mengsel mede bestaat uit ingevolge [artikel 4, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2012-10-06&g=2012-10-06), aangewezen stoffen, wordt bij de in het tweede lid bedoelde vermelding over de samenstelling en verhouding tevens vermeld het nummer waaronder de desbetreffende stof op [bijlage Aa, onder III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2012-10-06&g=2012-10-06), is vermeld.
3. Indien het mengsel mede bestaat uit ingevolge [artikel 4, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2013-01-01&g=2013-01-01), aangewezen stoffen, wordt bij de in het tweede lid bedoelde vermelding over de samenstelling en verhouding tevens vermeld het nummer waaronder de desbetreffende stof op [bijlage Aa, onder III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2013-01-01&g=2013-01-01), is vermeld.
##### Artikel 14
@@ -394,53 +390,53 @@
##### Artikel 16
1. De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), worden in gewichtsprocenten vermeld en komen overeen met de gehalten stikstof en fosfaat zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2012-10-06&g=2012-10-06), dan wel [artikel 92a tot en met 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2012-10-06&g=2012-10-06) voor zover het zuiveringsslib of compost betreft, zijn vastgesteld
1. De gehalten stikstof en fosfaat in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel d van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), worden in gewichtsprocenten vermeld en komen overeen met de gehalten stikstof en fosfaat zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2013-01-01&g=2013-01-01), dan wel [artikel 92a tot en met 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2013-01-01&g=2013-01-01) voor zover het zuiveringsslib of compost betreft, zijn vastgesteld
2. De waardegevende bestanddelen in meststoffen, bedoeld in [artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=19), met uitzondering van stikstof en fosfaat worden in gewichtsprocenten of op gewichtsbasis vermeld en komen overeen met:
- a. de gehalten aan overige nutriënten zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2012-10-06&g=2012-10-06) zijn vastgesteld;
- b. het organischestofgehalte zoals dit voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=18&z=2012-10-06&g=2012-10-06) is vastgesteld; of
- c. de neutraliserende waarde zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=19&z=2012-10-06&g=2012-10-06) is vastgesteld.
- a. de gehalten aan overige nutriënten zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2013-01-01&g=2013-01-01) zijn vastgesteld;
- b. het organischestofgehalte zoals dit voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=18&z=2013-01-01&g=2013-01-01) is vastgesteld; of
- c. de neutraliserende waarde zoals deze voor de desbetreffende meststof overeenkomstig [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=19&z=2013-01-01&g=2013-01-01) is vastgesteld.
##### Artikel 17
1. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de gehalten aan overige nutriënten in meststoffen worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2012-10-06&g=2012-10-06), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2013-01-01&g=2013-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 18
1. Het organischestofgehalte in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2012-10-06&g=2012-10-06), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2013-01-01&g=2013-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 19
1. De neutraliserende waarde van meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2012-10-06&g=2012-10-06), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2013-01-01&g=2013-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 20
1. Het drogestofgehalte in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2012-10-06&g=2012-10-06), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2013-01-01&g=2013-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 21
1. De hoeveelheden zware metalen in meststoffen worden vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De bemonstering van zuiveringsslib geschiedt ten minste in de frequentie, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2012-10-06&g=2012-10-06), in samenhang met bijlage IIA, van richtlijn nr. 86/278/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986, betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PbEG L 181).
3. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2012-10-06&g=2012-10-06), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De bemonstering van zuiveringsslib geschiedt ten minste in de frequentie, bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2013-01-01&g=2013-01-01), in samenhang met bijlage IIA, van richtlijn nr. 86/278/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986, betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PbEG L 181).
3. De analyse van het monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2013-01-01&g=2013-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 22
1. De hoeveelheden organische microverontreinigingen in meststoffen wordt vastgesteld door middel van analyse van een uit de desbetreffende meststoffen volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes genomen representatief monster.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2012-10-06&g=2012-10-06), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. De analyse van dit monster geschiedt overeenkomstig het protocol, dat voor de te onderscheiden categorieën meststoffen is opgenomen in [bijlage Ac, onderdeel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ac&z=2013-01-01&g=2013-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat, door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 23
@@ -452,31 +448,33 @@
##### Artikel 24
1. De gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), is 250 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, indien wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27a&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
1. De gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel a, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), is 250 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, indien wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de [artikelen 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27a&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. De in het eerste lid bedoelde gebruiksnorm is uitsluitend van toepassing op dierlijke meststoffen afkomstig van graasdieren.
##### Artikel 25
1. Uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2012-10-06&g=2012-10-06), wordt toegepast, meldt de landbouwer het bedrijf voor de toepassing van artikel 24, eerste lid, aan bij de Dienst Regelingen.
2. Bij de melding doet de landbouwer opgave van de oppervlakte landbouwgrond die naar verwachting op 15 mei van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2012-10-06&g=2012-10-06), wordt toegepast, tot het desbetreffende bedrijf behoort.
3. Met de melding verklaart de landbouwer dat hij [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=10&z=2012-10-06&g=2012-10-06) in samenhang met de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=7) en [8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), de bij of krachtens de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&z=2012-10-06&g=2012-10-06) in samenhang met de [hoofdstukken IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=IV), [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=VI) en [X van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=X) gestelde regels, de [artikelen 4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=4b) en [8a van het Besluit gebruik meststoffen, het vijfde tot en met het zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=8a) en de [artikelen 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), naleeft en ten aanzien van zijn bedrijf doet naleven.
4. De landbouwer betaalt ten behoeve van ’s Rijks kas een geldsom ter dekking van de kosten die samenhangen met de monitoringswerkzaamheden, bedoeld in artikel 8 van de derogatiebeschikking, ter hoogte van het bij zijn oppervlakte landbouwgrond behorende tarief, bedoeld in [Bijlage Ad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ad&z=2012-10-06&g=2012-10-06). Bij de melding stelt de landbouwer door middel van het afgeven van een machtiging tot betaling de Dienst Regelingen in staat dit bedrag te innen.
5. In het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2012-10-06&g=2012-10-06), wordt toegepast, wordt gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september ten minste zeventig procent van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond onafgebroken beteeld met gras dat is bestemd om te worden gebruikt als ruwvoer.
6. De landbouwer verleent desgevraagd zijn medewerking aan monitoringwerkzaamheden als bedoeld in artikel 8 van de derogatiebeschikking, in opdracht van de minister, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, of de Minister van Verkeer en Waterstaat.
1. Uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt toegepast, meldt de landbouwer het bedrijf voor de toepassing van artikel 24, eerste lid, aan bij de Dienst Regelingen.
2. Bij de melding doet de landbouwer opgave van de oppervlakte landbouwgrond die naar verwachting op 15 mei van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt toegepast, tot het desbetreffende bedrijf behoort.
3. Met de melding verklaart de landbouwer dat hij de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), de bij of krachtens de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9&z=2013-01-01&g=2013-01-01) in samenhang met de [hoofdstukken IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=IV), [VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=VI) en [X van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&hoofdstuk=X) gestelde regels, de [artikelen 4b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=4b) en [8a van het Besluit gebruik meststoffen, het vijfde tot en met het zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=8a) en de [artikelen 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), naleeft en ten aanzien van zijn bedrijf doet naleven.
4. De landbouwer voldoet aan de gebruiksnormen, bedoeld in [artikel 8 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8).
5. De landbouwer betaalt ten behoeve van ’s Rijks kas een geldsom ter dekking van de kosten die samenhangen met de monitoringswerkzaamheden, bedoeld in artikel 8 van de derogatiebeschikking, ter hoogte van het bij zijn oppervlakte landbouwgrond behorende tarief, bedoeld in [Bijlage Ad](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ad&z=2013-01-01&g=2013-01-01). Bij de melding stelt de landbouwer door middel van het afgeven van een machtiging tot betaling de Dienst Regelingen in staat dit bedrag te innen.
6. In het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt toegepast, wordt gedurende de periode van 15 mei tot en met 15 september ten minste zeventig procent van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond onafgebroken beteeld met gras dat is bestemd om te worden gebruikt als ruwvoer.
7. De landbouwer verleent desgevraagd zijn medewerking aan monitoringwerkzaamheden als bedoeld in artikel 8 van de derogatiebeschikking, in opdracht van de minister, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, of de Minister van Verkeer en Waterstaat.
##### Artikel 26
Indien uit de voor het desbetreffende kalenderjaar op grond van [artikel 26 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26) verstrekte gegevens blijkt dat de op 15 mei tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, afwijkt van de bij de melding, bedoeld in [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2012-10-06&g=2012-10-06), opgegeven oppervlakte landbouwgrond en als gevolg daarvan een ander tarief, bedoeld in artikel 25, vierde lid, geldt, vindt navordering dan wel terugbetaling plaats.
Indien uit de voor het desbetreffende kalenderjaar op grond van [artikel 26 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26) verstrekte gegevens blijkt dat de op 15 mei tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, afwijkt van de bij de melding, bedoeld in [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2013-01-01&g=2013-01-01), opgegeven oppervlakte landbouwgrond en als gevolg daarvan een ander tarief, bedoeld in artikel 25, vierde lid, geldt, vindt navordering dan wel terugbetaling plaats.
##### Artikel 27
1. De landbouwer stelt vóór 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2012-10-06&g=2012-10-06), wordt toegepast, voor het desbetreffende jaar een bemestingsplan op dat voldoet aan artikel 5 van de derogatiebeschikking.
1. De landbouwer stelt vóór 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt toegepast, voor het desbetreffende jaar een bemestingsplan op dat voldoet aan artikel 5 van de derogatiebeschikking.
2. De landbouwer herziet het bemestingsplan uiterlijk zeven dagen nadat zich een wijziging in de landbouwpraktijk heeft voorgedaan, indien dat noodzakelijk is om de consistentie van het bemestingsplan te waarborgen.
@@ -486,7 +484,7 @@
##### Artikel 28
1. Als hoeveelheid stikstof als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) wordt vastgesteld de hoeveelheid stikstof die in [bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bij het desbetreffende gewas onder het desbetreffende jaar is vermeld, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, zoals deze in voorkomend geval is onderscheiden naar de grondsoort van het perceel waarop de teelt plaatsvindt, het aantal voorafgaande teelten van hetzelfde gewas in het desbetreffende jaar, de in het desbetreffende jaar aan de betrokken teelt voorafgaande of op de betrokken teelt volgende teelt van andere gewassen, het tijdstip waarop het desbetreffende perceel is beteeld, alsmede de bij de teelt toegepaste landbouwpraktijk, met dien verstande dat:
1. Als hoeveelheid stikstof als bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) wordt vastgesteld de hoeveelheid stikstof die in [bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bij het desbetreffende gewas onder het desbetreffende jaar is vermeld, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, zoals deze in voorkomend geval is onderscheiden naar de grondsoort van het perceel waarop de teelt plaatsvindt, het aantal voorafgaande teelten van hetzelfde gewas in het desbetreffende jaar, de in het desbetreffende jaar aan de betrokken teelt voorafgaande of op de betrokken teelt volgende teelt van andere gewassen, het tijdstip waarop het desbetreffende perceel is beteeld, alsmede de bij de teelt toegepaste landbouwpraktijk, met dien verstande dat:
- a. de hoeveelheid stikstof die bij ‘tijdelijk grasland’ en bij ‘groenbemesters’ is vermeld, niet geldt voor tijdelijk grasland dat wordt, onderscheidenlijk groenbemesters die worden geteeld aansluitend op de teelt van maïs;
@@ -504,21 +502,21 @@
- e. de hoeveelheid stikstof die onder ‘lössgrond’ is vermeld, uitsluitend geldt indien het grond betreft die is ontstaan in eolisch materiaal en binnen 80 cm van het maaiveld voor meer dan de helft bestaat uit leem met een kleinere fractie dan 50 µm.
2. Indien het gewogen gemiddelde van de hoeveelheid stikstof van alle op de tot een bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond geteelde gewassen of gewasgroepen uit [Bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2012-10-06&g=2012-10-06), in een kalenderjaar ten minste 100 kilogram en ten hoogste 110 kilogram stikstof per hectare is, bedraagt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) in het desbetreffende kalenderjaar, in afwijking van het eerste lid, 110 kilogram stikstof per hectare van de tot dat bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.
2. Indien het gewogen gemiddelde van de hoeveelheid stikstof van alle op de tot een bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond geteelde gewassen of gewasgroepen uit [Bijlage A, tabel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2013-01-01&g=2013-01-01), in een kalenderjaar ten minste 100 kilogram en ten hoogste 110 kilogram stikstof per hectare is, bedraagt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10) in het desbetreffende kalenderjaar, in afwijking van het eerste lid, 110 kilogram stikstof per hectare van de tot dat bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.
##### Artikel 29
1. Bij de bepaling van de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=12) bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt de hoeveelheid stikstof in dierlijke en andere in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=B&z=2012-10-06&g=2012-10-06) vermelde organische meststoffen slechts in aanmerking genomen voor het percentage dat in de tabel van die bijlage is vermeld voor de desbetreffende meststof en, indien sprake is van dierlijke meststoffen die op bouwland op kleigrond of veengrond op of in de bodem zijn gebracht, voor de desbetreffende periode waarin de meststoffen op of in de bodem zijn gebracht, met dien verstande dat het bij de omstandigheid ‘op bedrijf met beweiding’ of ‘op bedrijf zonder beweiding’ vermelde percentage uitsluitend geldt indien op het desbetreffende bedrijf de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2012-10-06&g=2012-10-06), tabel 1, bij ‘grasland met beweiden’ onderscheidenlijk ‘grasland met volledig maaien’ vermelde hoeveelheid stikstof als stikstofgebruiksnorm wordt toegepast.
2. Indien het mengsels van organische meststoffen betreft, wordt bij de bepaling van de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=12) bedoelde hoeveelheid meststoffen de hoeveelheid stikstof in dat mengsel in aanmerking genomen voor het hoogste percentage dat in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=B&z=2012-10-06&g=2012-10-06) is vermeld bij de meststoffen die het mengsel bevat.
1. Bij de bepaling van de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=12) bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt de hoeveelheid stikstof in dierlijke en andere in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=B&z=2013-01-01&g=2013-01-01) vermelde organische meststoffen slechts in aanmerking genomen voor het percentage dat in de tabel van die bijlage is vermeld voor de desbetreffende meststof en, indien sprake is van dierlijke meststoffen die op bouwland op kleigrond of veengrond op of in de bodem zijn gebracht, voor de desbetreffende periode waarin de meststoffen op of in de bodem zijn gebracht, met dien verstande dat het bij de omstandigheid ‘op bedrijf met beweiding’ of ‘op bedrijf zonder beweiding’ vermelde percentage uitsluitend geldt indien op het desbetreffende bedrijf de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2013-01-01&g=2013-01-01), tabel 1, bij ‘grasland met beweiden’ onderscheidenlijk ‘grasland met volledig maaien’ vermelde hoeveelheid stikstof als stikstofgebruiksnorm wordt toegepast.
2. Indien het mengsels van organische meststoffen betreft, wordt bij de bepaling van de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=12) bedoelde hoeveelheid meststoffen de hoeveelheid stikstof in dat mengsel in aanmerking genomen voor het hoogste percentage dat in [bijlage B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=B&z=2013-01-01&g=2013-01-01) is vermeld bij de meststoffen die het mengsel bevat.
#### § 3. Fosfaatarme gronden
##### Artikel 30
1. In afwijking van [artikel 29a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=29a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), is de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), per hectare grasland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond voor elk perceel dan wel gewasperceel, waarvan blijkens de aan de Dienst Regelingen verstrekte gegevens de waarde van de fosfaattoestand van de bodem lager is dan het PAL-getal 16, 120 kilogram fosfaat in 2010, 2011, 2012 en 2013.
2. In afwijking van [artikel 29a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=29a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), is de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), per hectare bouwland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond voor elk perceel dan wel gewasperceel, waarvan blijkens de aan de Dienst Regelingen verstrekte gegevens de waarde voor de fosfaattoestand van de bodem lager is dan het Pw-getal 25, 120 kilogram fosfaat in 2010, 2011, 2012 en 2013, waarvan ten hoogste 85 kilogram fosfaat in de vorm van organische meststoffen.
1. In afwijking van [artikel 29a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=29a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), is de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), per hectare grasland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond voor elk perceel dan wel gewasperceel, waarvan blijkens de aan de Dienst Regelingen verstrekte gegevens de waarde van de fosfaattoestand van de bodem lager is dan het PAL-getal 16, 120 kilogram fosfaat in 2010, 2011, 2012 en 2013.
2. In afwijking van [artikel 29a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=29a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), is de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), per hectare bouwland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond voor elk perceel dan wel gewasperceel, waarvan blijkens de aan de Dienst Regelingen verstrekte gegevens de waarde voor de fosfaattoestand van de bodem lager is dan het Pw-getal 25, 120 kilogram fosfaat in 2010, 2011, 2012 en 2013, waarvan ten hoogste 85 kilogram fosfaat in de vorm van organische meststoffen.
3. De aan het slot van het tweede lid bedoelde beperking geldt niet indien het bouwland betreft dat behoort tot een bedrijf dat overeenkomstig [artikel 2, tweede lid, van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022543&artikel=2) is geregistreerd bij de Stichting Skal,
@@ -526,25 +524,25 @@
##### Artikel 31
1. De fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2012-10-06&g=2012-10-06), is uitsluitend van toepassing gedurende vier kalenderjaren, met ingang van het kalenderjaar waarin de melding, bedoeld in [artikel 32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=32&z=2012-10-06&g=2012-10-06), is gedaan, indien is voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 32 en [33, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=33&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
2. Indien de percelen dan wel de gewaspercelen, bedoeld in [artikel 30, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2012-10-06&g=2012-10-06), in de in het eerste lid bedoelde periode in gebruik zijn genomen door een andere landbouwer, is de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in artikel 30, gedurende het restant van die periode van toepassing, indien de landbouwer de ingebruikneming van de percelen dan wel de gewaspercelen onder opgave van de oppervlakte en de ligging ervan uiterlijk de eerstvolgende 15 mei na de datum van ingebruikneming heeft gemeld aan de Dienst Regelingen.
1. De fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2013-01-01&g=2013-01-01), is uitsluitend van toepassing gedurende vier kalenderjaren, met ingang van het kalenderjaar waarin de melding, bedoeld in [artikel 32, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=32&z=2013-01-01&g=2013-01-01), is gedaan, indien is voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 32 en [33, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=33&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. Indien de percelen dan wel de gewaspercelen, bedoeld in [artikel 30, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2013-01-01&g=2013-01-01), in de in het eerste lid bedoelde periode in gebruik zijn genomen door een andere landbouwer, is de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in artikel 30, gedurende het restant van die periode van toepassing, indien de landbouwer de ingebruikneming van de percelen dan wel de gewaspercelen onder opgave van de oppervlakte en de ligging ervan uiterlijk de eerstvolgende 15 mei na de datum van ingebruikneming heeft gemeld aan de Dienst Regelingen.
##### Artikel 32
1. Uiterlijk op 15 mei van het eerste kalenderjaar van de in [artikel 31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=31&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde periode van vier kalenderjaren waarin de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 30, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2012-10-06&g=2012-10-06), wordt toegepast, meldt de landbouwer bij de Dienst Regelingen:
- a. de oppervlakte en de ligging van de percelen dan wel gewaspercelen grasland waarop de landbouwer de in [artikel 30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde fosfaatgebruiksnorm toepast;
- b. de oppervlakte en de ligging van de percelen dan wel gewaspercelen bouwland waarop de landbouwer de in [artikel 30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde fosfaatgebruiksnorm toepast; en
- c. de naam en het adres van het laboratorium en de datum, waarop het analyserapport is opgesteld, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk in [artikel 33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=33&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
1. Uiterlijk op 15 mei van het eerste kalenderjaar van de in [artikel 31, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=31&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde periode van vier kalenderjaren waarin de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 30, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt toegepast, meldt de landbouwer bij de Dienst Regelingen:
- a. de oppervlakte en de ligging van de percelen dan wel gewaspercelen grasland waarop de landbouwer de in [artikel 30, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde fosfaatgebruiksnorm toepast;
- b. de oppervlakte en de ligging van de percelen dan wel gewaspercelen bouwland waarop de landbouwer de in [artikel 30, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde fosfaatgebruiksnorm toepast; en
- c. de naam en het adres van het laboratorium en de datum, waarop het analyserapport is opgesteld, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk in [artikel 33, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=33&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. De fosfaattoestand van het perceel dan wel gewasperceel is ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan de datum, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
##### Artikel 33
1. Het laboratorium, bedoeld in [artikel 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=32&z=2012-10-06&g=2012-10-06), verricht de bemonstering en analyse van de bodem van de desbetreffende percelen dan wel de desbetreffende gewaspercelen overeenkomstig het in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=C&z=2012-10-06&g=2012-10-06) opgenomen protocol en stelt een analyserapport op.
1. Het laboratorium, bedoeld in [artikel 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=32&z=2013-01-01&g=2013-01-01), verricht de bemonstering en analyse van de bodem van de desbetreffende percelen dan wel de desbetreffende gewaspercelen overeenkomstig het in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=C&z=2013-01-01&g=2013-01-01) opgenomen protocol en stelt een analyserapport op.
2. Het analyserapport bevat voor ieder bemonsterd perceel dan wel gewasperceel in ieder geval de volgende gegevens:
@@ -566,9 +564,9 @@
- i. bijzondere waarnemingen, die tijdens de analyse van het mengmonster van elk betrokken perceel dan wel gewasperceel zijn gedaan; en
- j. alle niet in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=C&z=2012-10-06&g=2012-10-06) voorgeschreven handelingen die het resultaat van de analyse van het mengmonster van elk betrokken perceel dan wel gewasperceel hebben beïnvloed.
3. De landbouwer bewaart een afschrift van het analyserapport gedurende vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 30, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2012-10-06&g=2012-10-06), wordt toegepast als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
- j. alle niet in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=C&z=2013-01-01&g=2013-01-01) voorgeschreven handelingen die het resultaat van de analyse van het mengmonster van elk betrokken perceel dan wel gewasperceel hebben beïnvloed.
3. De landbouwer bewaart een afschrift van het analyserapport gedurende vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 30, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt toegepast als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
#### § 4. Fosfaatvrije voet en fosfaatverrekening
@@ -590,7 +588,7 @@
##### Artikel 36
1. Als forfaitaire productienormen als bedoeld in [artikel 28, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=28) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld die zijn vermeld in [bijlage D, tabel I, kolom A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
1. Als forfaitaire productienormen als bedoeld in [artikel 28, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=28) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld die zijn vermeld in [bijlage D, tabel I, kolom A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. Indien de omschrijving behorende bij een diercategorie niet overeenkomt met de feitelijke situatie, worden de normen gehanteerd van de diercategorie waarvan de omschrijving het meest aansluit bij de feitelijke situatie.
@@ -614,11 +612,11 @@
1. De gegevens, bedoeld in [artikel 32, tweede lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), betreffen uitsluitend die percelen landbouwgrond die bij het bedrijf in het kader van normale bedrijfsvoering in gebruik zijn en die al dan niet gedeeltelijk zijn gelegen in Duitsland of in België, tot 20, onderscheidenlijk tot 25 kilometer uit de Nederlandse grens.
2. De gegevens, bedoeld in [artikel 32, tweede lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), worden onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort overeenkomstig de omschrijvingen in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
2. De gegevens, bedoeld in [artikel 32, tweede lid, onderdeel e, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), worden onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort overeenkomstig de omschrijvingen in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
3. De gegevens, bedoeld in [artikel 32, tweede lid, onderdeel g, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), worden per afzonderlijke opslagruimte weergegeven.
4. Indien op een bedrijf ‘covergiste mest’ als bedoeld in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2012-10-06&g=2012-10-06), onder IV wordt geproduceerd, worden de gegevens, bedoeld in [artikel 33, derde lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33), onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2012-10-06&g=2012-10-06), onder IV, en bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 33, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33), gegevens over het bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is vrijgekomen.
4. Indien op een bedrijf ‘covergiste mest’ als bedoeld in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2013-01-01&g=2013-01-01), onder IV wordt geproduceerd, worden de gegevens, bedoeld in [artikel 33, derde lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33), onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2013-01-01&g=2013-01-01), onder IV, en bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 33, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33), gegevens over het bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is vrijgekomen.
##### Artikel 39
@@ -632,7 +630,7 @@
1. Wijzigingen in de aantallen op het bedrijf gehouden dan wel anderszins aanwezige varkens, kippen, kalkoenen en runderen, worden binnen drie dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de overige gegevens die de administratie ingevolge de [artikelen 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), en[33 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33) en de [artikelen 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=39&z=2012-10-06&g=2012-10-06) bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de overige gegevens die de administratie ingevolge de [artikelen 32, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), en[33 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=33) en de [artikelen 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=39&z=2013-01-01&g=2013-01-01) bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, onder vermelding van de datum waarop deze wijziging zich heeft voorgedaan, in de administratie opgenomen.
##### Artikel 41
@@ -640,7 +638,7 @@
##### Artikel 42
1. De landbouwer, bedoeld in [artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=35), de landbouwer op wiens bedrijf in het voorgaande kalenderjaar de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2012-10-06&g=2012-10-06), is toegepast of de landbouwer wiens bedrijf daartoe voor het huidige kalenderjaar is aangemeld bij de Dienst Regelingen overeenkomstig [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2012-10-06&g=2012-10-06), verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de Dienst Regelingen met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar gegevens uit de administratie over:
1. De landbouwer, bedoeld in [artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=35), de landbouwer op wiens bedrijf in het voorgaande kalenderjaar de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2013-01-01&g=2013-01-01), is toegepast of de landbouwer wiens bedrijf daartoe voor het huidige kalenderjaar is aangemeld bij de Dienst Regelingen overeenkomstig [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2013-01-01&g=2013-01-01), verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de Dienst Regelingen met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar gegevens uit de administratie over:
- a. de aan het eind van het kalenderjaar op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen, onderscheiden naar:
@@ -654,29 +652,29 @@
- b. de hoeveelheden meststoffen, anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib en compost, die op of van het bedrijf zijn aangevoerd, onderscheidenlijk zijn afgevoerd;
- c. het gemiddelde aantal in het kalenderjaar op het bedrijf gehouden dieren, anders dan varkens, schapen, geiten en runderen, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2012-10-06&g=2012-10-06); en
- d. het aantal aan- of afgevoerde staldieren, anders dan varkens of vleeskalveren, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort, voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
2. De landbouwer op wiens bedrijf op 31 december 2005 pluimveerechten, varkensrechten of niet-gebonden mestproductierechten rustten of wiens bedrijf overeenkomstig [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2012-10-06&g=2012-10-06), is aangemeld voor toepassing in 2006 van de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2012-10-06&g=2012-10-06), verstrekt vóór 1 februari 2006 aan de Dienst Regelingen gegevens uit de administratie over de op 1 januari 2006 op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°.
- c. het gemiddelde aantal in het kalenderjaar op het bedrijf gehouden dieren, anders dan varkens, schapen, geiten en runderen, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2013-01-01&g=2013-01-01); en
- d. het aantal aan- of afgevoerde staldieren, anders dan varkens of vleeskalveren, onderscheiden naar diersoort en diercategorieën per soort, voor zover dit onderscheid wordt gemaakt in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. De landbouwer op wiens bedrijf op 31 december 2005 pluimveerechten, varkensrechten of niet-gebonden mestproductierechten rustten of wiens bedrijf overeenkomstig [artikel 25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2013-01-01&g=2013-01-01), is aangemeld voor toepassing in 2006 van de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2013-01-01&g=2013-01-01), verstrekt vóór 1 februari 2006 aan de Dienst Regelingen gegevens uit de administratie over de op 1 januari 2006 op het bedrijf aanwezige hoeveelheid meststoffen, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°.
3. De landbouwer die op het eigen bedrijf geproduceerde koemelk zelf verwerkt tot eindproducten en die 50 procent of meer van de geproduceerde koemelk levert aan een koper als bedoeld in de [Regeling superheffing en melkpremie 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016539), verstrekt aan de minister gegevens met betrekking tot de op het bedrijf geproduceerde hoeveelheid koemelk.
##### Artikel 43
1. De [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26) en [31 tot en met 35 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=31) en de [artikelen 37 tot en met 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2012-10-06&g=2012-10-06) zijn niet van toepassing ten aanzien van een bedrijf, indien op elk moment in het desbetreffende kalenderjaar wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
1. De [artikelen 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=26) en [31 tot en met 35 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=31) en de [artikelen 37 tot en met 42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=37&z=2013-01-01&g=2013-01-01) zijn niet van toepassing ten aanzien van een bedrijf, indien op elk moment in het desbetreffende kalenderjaar wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
- a. de som van de tot dan toe in dat jaar op het bedrijf aangevoerde dierlijke meststoffen en de productie van meststoffen door de op dat moment op het bedrijf gehouden dan wel anderszins aanwezige dieren op jaarbasis is ten hoogste 350 kilogram stikstof;
- b. de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond is niet groter dan drie hectare.
2. De [artikelen 32, tweede lid, onderdelen d, e, f en h en 33 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32) en de [artikelen 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en [42, eerste lid, onderdelen a, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2012-10-06&g=2012-10-06), zijn niet van toepassing ten aanzien van diersoorten als bedoeld in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2012-10-06&g=2012-10-06), waarvan de op enig moment op het bedrijf gehouden of anderszins aanwezige dieren tezamen op jaarbasis ten hoogste 350 kilogram stikstof produceren, onderscheidenlijk ten aanzien van de door deze dieren geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen.
3. De productie van dierlijke meststoffen op jaarbasis, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, wordt bepaald op basis van het aantal op het desbetreffende moment gehouden dieren, onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort, en op basis van de voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën in [bijlage D, tabel I, kolom B, en tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2012-10-06&g=2012-10-06) vermelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar.
2. De [artikelen 32, tweede lid, onderdelen d, e, f en h en 33 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32) en de [artikelen 40, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [42, eerste lid, onderdelen a, c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2013-01-01&g=2013-01-01), zijn niet van toepassing ten aanzien van diersoorten als bedoeld in [bijlage D, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2013-01-01&g=2013-01-01), waarvan de op enig moment op het bedrijf gehouden of anderszins aanwezige dieren tezamen op jaarbasis ten hoogste 350 kilogram stikstof produceren, onderscheidenlijk ten aanzien van de door deze dieren geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen.
3. De productie van dierlijke meststoffen op jaarbasis, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid, wordt bepaald op basis van het aantal op het desbetreffende moment gehouden dieren, onderscheiden naar diersoorten en diercategorieën per soort, en op basis van de voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën in [bijlage D, tabel I, kolom B, en tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2013-01-01&g=2013-01-01) vermelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar.
##### Artikel 44
De [artikelen 32, tweede lid, onderdelen e, g, en h, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32) en de [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [42, eerste lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2012-10-06&g=2012-10-06), zijn niet van toepassing ten aanzien van de in enig kalenderjaar op het bedrijf ingeschaarde schapen, onderscheidenlijk de door deze schapen geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, indien ten aanzien van dat bedrijf wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
De [artikelen 32, tweede lid, onderdelen e, g, en h, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32) en de [artikelen 40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=40&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [42, eerste lid, onderdelen a en c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2013-01-01&g=2013-01-01), zijn niet van toepassing ten aanzien van de in enig kalenderjaar op het bedrijf ingeschaarde schapen, onderscheidenlijk de door deze schapen geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, indien ten aanzien van dat bedrijf wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
- a. het aantal in dat kalenderjaar ingeschaarde schapen is niet groter dan 450;
@@ -700,7 +698,7 @@
5. De gegevens, bedoeld in [artikel 38, tweede lid, onderdeel h, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=38), worden, voor zover het opslagruimten voor drijfmest of vaste mest betreft, mede uitgedrukt in kubieke meters onderscheidenlijk in vierkante meters.
6. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 38, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=38), verstrekt de intermediair ter zake van de transportmiddelen die voor het vervoer van drijfmest exclusief bij de desbetreffende onderneming in gebruik zijn en waarop overeenkomstig [artikel 53, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2012-10-06&g=2012-10-06), automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, tenzij het vervoer van dierlijke meststoffen van een bedrijf naar een intermediaire onderneming plaatsvindt met behulp van een pijpleiding, tevens gegevens over:
6. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 38, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=38), verstrekt de intermediair ter zake van de transportmiddelen die voor het vervoer van drijfmest exclusief bij de desbetreffende onderneming in gebruik zijn en waarop overeenkomstig [artikel 53, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2013-01-01&g=2013-01-01), automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur is bevestigd, tenzij het vervoer van dierlijke meststoffen van een bedrijf naar een intermediaire onderneming plaatsvindt met behulp van een pijpleiding, tevens gegevens over:
- a. het kenteken en de meldcode, zoals deze zijn vermeld op het voor het betrokken voertuig afgegeven, geldige kentekenbewijs, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wegenverkeerswet 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1), voor zover het een motorrijtuig of aanhangwagen als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdelen c onderscheidenlijk d, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=1) betreft; of
@@ -730,7 +728,7 @@
- b. de hoeveelheid geproduceerd, bewerkt of verwerkt zuiveringsslib; en
- c. de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 2, bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib alsmede de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in [artikel 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
- c. de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 2, bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib alsmede de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in [artikel 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=21&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
7. Indien op een onderneming compost wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 39, tweede en derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) tevens gegevens over:
@@ -738,15 +736,15 @@
- b. de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 3, bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen.
8. Indien op een onderneming ‘covergiste mest’ als bedoeld in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2012-10-06&g=2012-10-06), onder IV wordt geproduceerd, worden de gegevens, bedoeld in [artikel 39, derde lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39), onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2012-10-06&g=2012-10-06), onder IV, en bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 39, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39), gegevens over het bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is vrijgekomen.
8. Indien op een onderneming ‘covergiste mest’ als bedoeld in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2013-01-01&g=2013-01-01), onder IV wordt geproduceerd, worden de gegevens, bedoeld in [artikel 39, derde lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39), onderscheiden naar de tezamen met de dierlijke meststoffen vergiste stoffen overeenkomstig de aanduiding en de daarbij behorende omschrijving van de desbetreffende stof in [bijlage Aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Aa&z=2013-01-01&g=2013-01-01), onder IV, en bevat de administratie behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 39, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39), gegevens over het bedrijf of de onderneming waar de desbetreffende stof als reststof is vrijgekomen.
##### Artikel 47
1. Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, aanhef en onderdelen a en c, en derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) en [artikel 46, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) bevat, worden, voor zover het dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de analyseresultaten, bedoeld in [artikel 81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2012-10-06&g=2012-10-06), van het laboratorium zijn ontvangen op het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde formulier verwerkt.
3. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) bevat, worden, voor zover het meststoffen anders dan dierlijke meststoffen betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de wijziging zich heeft voorgedaan op het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde formulier verwerkt.
1. Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, aanhef en onderdelen a en c, en derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) en [artikel 46, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen.
2. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) bevat, worden, voor zover het dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de analyseresultaten, bedoeld in [artikel 81, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2013-01-01&g=2013-01-01), van het laboratorium zijn ontvangen op het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde formulier verwerkt.
3. Wijzigingen in de gegevens, die de administratie ingevolge [artikel 39, tweede lid, onderdeel b, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) bevat, worden, voor zover het meststoffen anders dan dierlijke meststoffen betreft, binnen 24 uur na het tijdstip waarop de wijziging zich heeft voorgedaan op het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde formulier verwerkt.
##### Artikel 48
@@ -754,9 +752,9 @@
- a. de hoeveelheden meststoffen, anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib en compost, die in het kader van de onderneming zijn aan- en afgevoerd;
- b. de hoeveelheden meststoffen die bij de overdracht van een opslagruimte voor meststoffen aan of van een andere intermediair op het moment van overdracht in de desbetreffende opslagruimte aanwezig waren, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2012-10-06&g=2012-10-06), alsmede het door de Dienst Regelingen ter identificatie verstrekte relatienummer van bij deze overdracht betrokken andere intermediaire onderneming; en
- c. de aan het eind van het kalenderjaar op de onderneming aanwezige hoeveelheid meststoffen onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
- b. de hoeveelheden meststoffen die bij de overdracht van een opslagruimte voor meststoffen aan of van een andere intermediair op het moment van overdracht in de desbetreffende opslagruimte aanwezig waren, onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2013-01-01&g=2013-01-01), alsmede het door de Dienst Regelingen ter identificatie verstrekte relatienummer van bij deze overdracht betrokken andere intermediaire onderneming; en
- c. de aan het eind van het kalenderjaar op de onderneming aanwezige hoeveelheid meststoffen onderscheiden naar meststoffen als bedoeld in [artikel 42, eerste lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. De ondernemer in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de Dienst Regelingen gegevens uit de administratie over de in het voorgaande kalenderjaar in het zuiveringsslib gemiddeld aanwezige hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 2, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen.
@@ -764,7 +762,7 @@
4. De Dienst Regelingen is bevoegd de op grond van het tweede of derde lid verstrekte gegevens door te geven aan gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de desbetreffende onderneming is gevestigd.
5. De intermediair die verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib, waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2012-10-06&g=2012-10-06) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, verstrekt op elektronische wijze aan de Dienst Regelingen het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers is berekend.
5. De intermediair die verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib, waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2013-01-01&g=2013-01-01) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, verstrekt op elektronische wijze aan de Dienst Regelingen het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers is berekend.
##### Artikel 49
@@ -778,7 +776,7 @@
1. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming bij de Dienst Regelingen.
2. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming, overeenkomstig de krachtens [artikel 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=118&z=2012-10-06&g=2012-10-06) gestelde regels.
2. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), geschiedt binnen 30 dagen na oprichting van deze onderneming, overeenkomstig de krachtens [artikel 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=118&z=2013-01-01&g=2013-01-01) gestelde regels.
3. De aanmelding door de ondernemer in het kader van wiens onderneming meststoffen worden verhandeld, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), geschiedt binnen 30 dagen na 1 januari 2008 bij de Dienst Regelingen. Indien een onderneming als bedoeld in de vorige volzin wordt opgericht na 1 januari 2008, geschiedt de aanmelding uiterlijk 30 dagen na oprichting.
@@ -792,9 +790,9 @@
1. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 44, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), bevat de administratie van de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, bedoeld in [artikel 43, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43), gegevens over:
- a. de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in [artikel 98, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2012-10-06&g=2012-10-06); en
- b. de op het etiket of het begeleidend document, bedoeld in [artikel 99, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=99&z=2012-10-06&g=2012-10-06), vermelde droge stofgehalte dan wel het vochtgehalte en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de droge stof.
- a. de resultaten van de uitgevoerde bemonsteringen en analyses, bedoeld in [artikel 98, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2013-01-01&g=2013-01-01); en
- b. de op het etiket of het begeleidend document, bedoeld in [artikel 99, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=99&z=2013-01-01&g=2013-01-01), vermelde droge stofgehalte dan wel het vochtgehalte en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de droge stof.
2. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 44, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), bevat de administratie van de ondernemer, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44) voor zover hij compost produceert of anderszins bewerkt of verwerkt, gegevens over:
@@ -804,9 +802,9 @@
3. De gegevens, bedoeld in [artikel 44, vijfde lid, onderdeel c, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), betreffen de gehalten aan droge stof, fosfaat en stikstof, de pH-waarde, het organisch stofgehalte en de hoeveelheden van de in [bijlage II, onder tabel 2, bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen zware metalen in het zuiveringsslib.
4. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 44, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), bevat de administratie van de ondernemer, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) voor zover hij verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2012-10-06&g=2012-10-06) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, de hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en de hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib die uit die opslagruimte zijn afgevoerd, zodanig dat steeds blijkt welke hoeveelheid vloeibaar zuiveringsslib zich in de opslagruimte bevindt.
5. De gegevens, bedoeld in het vierde lid, worden bijgehouden op het daartoe door de Dienst Regelingen verstrekte formulier en worden overgenomen van het op de desbetreffende hoeveelheid betrekking hebbende vervoersbewijs zuiveringsslib en compost en op het ter zake door het laboratorium verstrekte overzicht van de analyseresultaten. [Artikel 46, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2012-10-06&g=2012-10-06), is van overeenkomstige toepassing.
4. Behalve de gegevens, bedoeld in [artikel 44, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44), bevat de administratie van de ondernemer, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) voor zover hij verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2013-01-01&g=2013-01-01) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, de hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en de hoeveelheden vloeibaar zuiveringsslib die uit die opslagruimte zijn afgevoerd, zodanig dat steeds blijkt welke hoeveelheid vloeibaar zuiveringsslib zich in de opslagruimte bevindt.
5. De gegevens, bedoeld in het vierde lid, worden bijgehouden op het daartoe door de Dienst Regelingen verstrekte formulier en worden overgenomen van het op de desbetreffende hoeveelheid betrekking hebbende vervoersbewijs zuiveringsslib en compost en op het ter zake door het laboratorium verstrekte overzicht van de analyseresultaten. [Artikel 46, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2013-01-01&g=2013-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
6. Wijzigingen in de gegevens die de administratie ingevolge [artikel 44 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=44) of het eerste tot en met het derde lid bevat, worden binnen 30 dagen na de datum waarop de wijziging zich heeft voorgedaan in de administratie opgenomen.
@@ -814,7 +812,7 @@
##### Artikel 52
1. De ondernemer, bedoeld in [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2012-10-06&g=2012-10-06), verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de Dienst Regelingen per bedrijf met staldieren waaraan diervoeders worden geleverd, met betrekking tot het voorafgaande kalenderjaar elektronisch gegevens uit de administratie over:
1. De ondernemer, bedoeld in [artikel 50, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2013-01-01&g=2013-01-01), verstrekt jaarlijks vóór 1 februari aan de Dienst Regelingen per bedrijf met staldieren waaraan diervoeders worden geleverd, met betrekking tot het voorafgaande kalenderjaar elektronisch gegevens uit de administratie over:
- a. de naam, het adres en het door de Dienst Regelingen ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer van het bedrijf, waaraan diervoeder is geleverd;
@@ -828,7 +826,7 @@
4. De Dienst Regelingen is bevoegd de op grond van het tweede of derde lid verstrekte gegevens door te geven aan gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de desbetreffende onderneming is gevestigd.
5. De ondernemer, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) die verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2012-10-06&g=2012-10-06) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, verstrekt op elektronische wijze aan de Dienst Regelingen het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 51, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde formulier, of de in artikel 51, vijfde lid in samenhang met [artikel 46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2012-10-06&g=2012-10-06), genoemde andere gegevensdragers is berekend.
5. De ondernemer, bedoeld in [artikel 43, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=43) die verschillende partijen vloeibaar zuiveringsslib waarvoor op grond van [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2013-01-01&g=2013-01-01) een verschillend analysenummer is verstrekt, in één opslagruimte opslaat, verstrekt op elektronische wijze aan de Dienst Regelingen het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 51, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde formulier, of de in artikel 51, vijfde lid in samenhang met [artikel 46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2013-01-01&g=2013-01-01), genoemde andere gegevensdragers is berekend.
### Hoofdstuk 6. Administratieve verplichtingen intermediairs
@@ -836,7 +834,7 @@
##### Artikel 53
1. De AGR-apparatuur voldoet aan de prestatiekenmerken die, al naar gelang het vervoer van drijfmest of van vaste mest betreft, zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2012-10-06&g=2012-10-06), onderscheidenlijk in [bijlage E, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV, onderdeel van de Animal Sciences Group, te Lelystad is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
1. De AGR-apparatuur voldoet aan de prestatiekenmerken die, al naar gelang het vervoer van drijfmest of van vaste mest betreft, zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2013-01-01&g=2013-01-01), onderscheidenlijk in [bijlage E, onderdeel E](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV, onderdeel van de Animal Sciences Group, te Lelystad is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
2. Bij het vervoer van drijfmest is de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur onlosmakelijk op het transportmiddel bevestigd en zijn de in het eerste lid bedoelde apparatuur en de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de bemonsterings- en verpakkingsapparatuur verbonden.
@@ -844,11 +842,11 @@
##### Artikel 54
1. Het vervoer van dierlijke meststoffen vindt uitsluitend plaats, indien de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2012-10-06&g=2012-10-06) bedoelde apparatuur zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang adequaat functioneert.
1. Het vervoer van dierlijke meststoffen vindt uitsluitend plaats, indien de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2013-01-01&g=2013-01-01) bedoelde apparatuur zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang adequaat functioneert.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen middels een transportvoertuig, indien het niet adequaat functioneren van de apparatuur is veroorzaakt door een storing die door de vervoerder terstond telefonisch is gemeld aan meldkamer van de Algemene Inspectiedienst en indien de Algemene Inspectiedienst toestemming heeft verleend voor het vervoer.
3. De in het tweede lid bedoelde toestemming kan ten hoogste voor een periode van 24 uur worden verleend en kan de verplichting inhouden van het vervoer elektronisch of telefonisch mededeling te doen voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt, waarbij de gegevens, bedoeld in [artikel 58, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=58&z=2012-10-06&g=2012-10-06), worden verstrekt.
3. De in het tweede lid bedoelde toestemming kan ten hoogste voor een periode van 24 uur worden verleend en kan de verplichting inhouden van het vervoer elektronisch of telefonisch mededeling te doen voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt, waarbij de gegevens, bedoeld in [artikel 58, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=58&z=2013-01-01&g=2013-01-01), worden verstrekt.
##### Artikel 55
@@ -870,19 +868,19 @@
##### Artikel 56
1. [Artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2012-10-06&g=2012-10-06) is van overeenkomstige toepassing op het vervoer van vaste mest, met dien verstande dat:
- a. de gegevens, bedoeld in het [tweede lid, onderdeel b, van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2012-10-06&g=2012-10-06), niet automatisch door de AGR-apparatuur, maar door de vervoerder in de gegevensdrager van de AGR-apparatuur worden vastgelegd door deze gegevens elektronisch vanaf de monsterverpakking in te lezen;
- b. de gegevens, bedoeld in het [tweede lid, onderdeel c, van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2012-10-06&g=2012-10-06), niet behoeven te worden vastgelegd; en
- c. de gegevens, bedoeld in het [vierde lid, van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2012-10-06&g=2012-10-06), niet automatisch door de AGR-apparatuur, maar door de vervoerder elektronisch in de AGR-apparatuur worden vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen worden verzonden.
2. Indien een vracht dierlijke meststoffen buiten Nederland wordt gebracht, worden in plaats van de locatie, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel, bedoeld in [artikel 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2012-10-06&g=2012-10-06), de locatie, de datum en het tijdstip, waar onderscheidenlijk waarop het transportmiddel het Nederlandse grondgebied verlaat in de AGR-apparatuur vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen verzonden.
3. Indien een vracht dierlijke meststoffen binnen Nederland wordt gebracht, worden in plaats van de locatie, de datum en het tijdstip van het laden van het transportmiddel, bedoeld in [artikel 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2012-10-06&g=2012-10-06), de locatie waar en de datum en het tijdstip waarop het transportmiddel het Nederlandse grondgebied binnen komt in de AGR-apparatuur vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen verzonden.
4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing, indien door de vervoerder de plaats van de locatie en de datum en het tijdstip van het lossen, onderscheidenlijk van het laden van het transportmiddel, bedoeld in [artikel 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2012-10-06&g=2012-10-06), in de AGR-apparatuur worden vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen worden verzonden.
1. [Artikel 55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2013-01-01&g=2013-01-01) is van overeenkomstige toepassing op het vervoer van vaste mest, met dien verstande dat:
- a. de gegevens, bedoeld in het [tweede lid, onderdeel b, van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2013-01-01&g=2013-01-01), niet automatisch door de AGR-apparatuur, maar door de vervoerder in de gegevensdrager van de AGR-apparatuur worden vastgelegd door deze gegevens elektronisch vanaf de monsterverpakking in te lezen;
- b. de gegevens, bedoeld in het [tweede lid, onderdeel c, van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2013-01-01&g=2013-01-01), niet behoeven te worden vastgelegd; en
- c. de gegevens, bedoeld in het [vierde lid, van dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2013-01-01&g=2013-01-01), niet automatisch door de AGR-apparatuur, maar door de vervoerder elektronisch in de AGR-apparatuur worden vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen worden verzonden.
2. Indien een vracht dierlijke meststoffen buiten Nederland wordt gebracht, worden in plaats van de locatie, de datum en het tijdstip van het lossen van het transportmiddel, bedoeld in [artikel 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2013-01-01&g=2013-01-01), de locatie, de datum en het tijdstip, waar onderscheidenlijk waarop het transportmiddel het Nederlandse grondgebied verlaat in de AGR-apparatuur vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen verzonden.
3. Indien een vracht dierlijke meststoffen binnen Nederland wordt gebracht, worden in plaats van de locatie, de datum en het tijdstip van het laden van het transportmiddel, bedoeld in [artikel 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2013-01-01&g=2013-01-01), de locatie waar en de datum en het tijdstip waarop het transportmiddel het Nederlandse grondgebied binnen komt in de AGR-apparatuur vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen verzonden.
4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing, indien door de vervoerder de plaats van de locatie en de datum en het tijdstip van het lossen, onderscheidenlijk van het laden van het transportmiddel, bedoeld in [artikel 55, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2013-01-01&g=2013-01-01), in de AGR-apparatuur worden vastgelegd en elektronisch aan de Dienst Regelingen worden verzonden.
##### Artikel 57
@@ -894,7 +892,7 @@
- b. een overzicht van de buiten Nederland gevestigde leveranciers;
- c. het aantal voorgenomen transporten en de in tonnen uitgedrukte totale hoeveelheid te vervoeren dierlijke meststoffen onderscheiden naar mestcode zoals deze voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06);
- c. het aantal voorgenomen transporten en de in tonnen uitgedrukte totale hoeveelheid te vervoeren dierlijke meststoffen onderscheiden naar mestcode zoals deze voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01);
- d. een afschrift van het document waaruit blijkt dat de lidstaat van bestemming de zending aanvaardt, zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel b en c, van verordening (EG) nr. 1069/2009, voor zover een dergelijke aanvaarding ingevolge voornoemde verordening is vereist; en
@@ -902,7 +900,7 @@
##### Artikel 58
1. Indien de vervoerder ingevolge [artikel 51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2012-10-06&g=2012-10-06), van het besluit verplicht is van het vervoer mededeling te doen, geschiedt de mededeling uiterlijk 24 uur voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt aan de Dienst Regelingen.
1. Indien de vervoerder ingevolge [artikel 51, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2013-01-01&g=2013-01-01), van het besluit verplicht is van het vervoer mededeling te doen, geschiedt de mededeling uiterlijk 24 uur voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt aan de Dienst Regelingen.
2. Bij de mededeling van het vervoer worden de volgende gegevens verstrekt:
@@ -918,9 +916,9 @@
##### Artikel 59
De [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=48) en [49 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) en en de [artikelen 53 tot en met 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2012-10-06&g=2012-10-06) zijn niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen, indien:
- a. de hoeveelheid van die meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2012-10-06&g=2012-10-06) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten;
De [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=48) en [49 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) en en de [artikelen 53 tot en met 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2013-01-01&g=2013-01-01) zijn niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen, indien:
- a. de hoeveelheid van die meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2013-01-01&g=2013-01-01) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten;
- b. uitsluitend mestkorrels worden vervoerd;
@@ -932,7 +930,7 @@
- 1°. deze afvoer vindt plaats op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de leverancier en de afnemer die is afgesloten voordat het vervoer van de desbetreffende vracht plaatsvond; en
- 2°. het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen is overeenkomstig [artikel 66, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=66&z=2012-10-06&g=2012-10-06), ingevuld.
- 2°. het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen is overeenkomstig [artikel 66, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=66&z=2013-01-01&g=2013-01-01), ingevuld.
- f. verwerkte vaste dierlijke meststoffen die zijn geproduceerd in een overeenkomstig artikel 24, eerste lid, onderdeel f, van verordening (EG) nr. 1069/2009 erkende inrichting, worden overgebracht uit Nederland.
@@ -940,7 +938,7 @@
##### Artikel 60
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 53, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) wordt vastgesteld het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in [bijlage F, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=F&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 53, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53) wordt vastgesteld het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in [bijlage F, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=F&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. Het vervoersbewijs dierlijke meststoffen wordt door de Dienst Regelingen verstrekt en is voorzien van een uniek nummer.
@@ -948,7 +946,7 @@
- a. het referentienummer van het gezondheidscertificaat of handelsdocument, bedoeld in artikel 21, van verordening (EG) nr. 1069/2009, dat betrekking heeft op dezelfde vracht dierlijke meststoffen als het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, bedoeld in het tweede lid, vermeld op dat vervoersbewijs;
- b. indien de mededeling van het vervoer elektronisch is gedaan als bedoeld in [artikel 57b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2012-10-06&g=2012-10-06), gebruik gemaakt van een geprint exemplaar van het vervoersbewijs, zoals dit elektronisch is aangemaakt, en
- b. indien de mededeling van het vervoer elektronisch is gedaan als bedoeld in [artikel 57b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2013-01-01&g=2013-01-01), gebruik gemaakt van een geprint exemplaar van het vervoersbewijs, zoals dit elektronisch is aangemaakt, en
- c. indien de mededeling van het vervoer niet elektronisch is gedaan, het vervoersbewijs door de Voedsel en Waren Autoriteit verstrekt.
@@ -958,15 +956,15 @@
2. Uiterlijk bij het lossen van de dierlijke meststoffen worden onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op de postcode van de losplaats en op de datum en het tijdstip van het lossen, en onderdeel 5 van het op die vracht betrekking hebbende en overeenkomstig het eerste lid ingevulde vervoersbewijs ingevuld en wordt het vervoersbewijs door de vervoerder en de afnemer ondertekend.
3. Bij het invullen van de mestcode bij onderdeel 1 van het vervoersbewijs wordt gebruik gemaakt van de codes die voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
4. Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in [bijlage F, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=F&z=2012-10-06&g=2012-10-06), vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs ingevuld.
3. Bij het invullen van de mestcode bij onderdeel 1 van het vervoersbewijs wordt gebruik gemaakt van de codes die voor de desbetreffende mestsoort zijn opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
4. Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in [bijlage F, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=F&z=2013-01-01&g=2013-01-01), vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs ingevuld.
5. In zoverre in afwijking van de voorgaande leden, kunnen de gegevens op het vervoersbewijs worden vermeld door het printen van deze gegevens in een aan de invulvelden gerelateerde volgorde binnen de daarvoor op het vervoersbewijs bestemde vrije ruimte.
##### Artikel 62
In zoverre in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2012-10-06&g=2012-10-06):
In zoverre in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2013-01-01&g=2013-01-01):
- a. wordt, indien de weging van de dierlijke meststoffen na het laden van het transportmiddel plaatsvindt, terstond na de weging bij onderdeel 3b van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het nettogewicht van de dierlijke meststoffen ingevuld;
@@ -976,19 +974,19 @@
- d. wordt, indien de vracht uit vaste mest bestaat en de bemonstering van de vracht na het laden plaatsvindt, terstond na de bemonstering bij onderdeel 3c van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking ingevuld;
- e. kan bij onderdeel 3c, uiterlijk tot het moment waarop het uit de vracht genomen monster overeenkomstig [artikel 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2012-10-06&g=2012-10-06) aan het in dat artikel bedoelde laboratorium wordt verzonden, worden ingevuld of met het uit de vracht genomen monster een mengmonster samengesteld kan worden;
- f. worden, indien de hoeveelheid van de dierlijke meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2012-10-06&g=2012-10-06) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, bij onderdeel 3b en bij onderdeel 3c van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het nettogewicht van de dierlijke meststoffen, het combinatienummer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking en de code van het laboratorium niet ingevuld;
- e. kan bij onderdeel 3c, uiterlijk tot het moment waarop het uit de vracht genomen monster overeenkomstig [artikel 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2013-01-01&g=2013-01-01) aan het in dat artikel bedoelde laboratorium wordt verzonden, worden ingevuld of met het uit de vracht genomen monster een mengmonster samengesteld kan worden;
- f. worden, indien de hoeveelheid van de dierlijke meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2013-01-01&g=2013-01-01) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, bij onderdeel 3b en bij onderdeel 3c van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het nettogewicht van de dierlijke meststoffen, het combinatienummer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking en de code van het laboratorium niet ingevuld;
- g. behoeft, indien de dierlijke meststoffen buiten Nederland worden gebracht, het vervoersbewijs dierlijke meststoffen niet door de afnemer te worden ondertekend;
- h. behoeft in het geval, bedoeld in de [artikelen 50, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en [45, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bij de onderdelen 3a en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het relatienummer niet ingevuld te worden;
- h. behoeft in het geval, bedoeld in de [artikelen 50, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=50&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [45, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=45&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bij de onderdelen 3a en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen het relatienummer niet ingevuld te worden;
- i. behoeft het relatienummer bij de onderdelen 3a en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen niet ingevuld te worden, indien de afnemer geen bedrijf of onderneming voert in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld.
##### Artikel 63
De vervoerder van een vracht dierlijke meststoffen, onderscheidenlijk van meerdere vrachten dierlijke meststoffen als bedoeld in [artikel 62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=62a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), verstrekt uiterlijk tien werkdagen na het vervoer, onderscheidenlijk het laatste vervoer, de leverancier en de afnemer een afschrift van het op die vracht of vrachten betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen.
De vervoerder van een vracht dierlijke meststoffen, onderscheidenlijk van meerdere vrachten dierlijke meststoffen als bedoeld in [artikel 62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=62a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), verstrekt uiterlijk tien werkdagen na het vervoer, onderscheidenlijk het laatste vervoer, de leverancier en de afnemer een afschrift van het op die vracht of vrachten betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen.
##### Artikel 64
@@ -996,9 +994,9 @@
2. De elektronisch in te dienen gegevens bevatten mede de code van het laboratorium dat de analyse van de dierlijke meststoffen waarop het vervoersbewijs dierlijke meststoffen betrekking heeft, heeft uitgevoerd, en de op basis van deze analyse vastgestelde hoeveelheid dierlijke meststoffen.
3. Indien de hoeveelheid van de dierlijke meststoffen overeenkomstig de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2012-10-06&g=2012-10-06) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, worden de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht of vrachten dierlijke meststoffen bij de Dienst Regelingen ingediend.
4. In het in het derde lid bedoelde geval kan de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in afwijking van[artikel 53, zesde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), geschieden door middel van het indienen van het origineel van het door de vervoerder ondertekende vervoersbewijs dierlijke meststoffen bij de Dienst Regelingen, tenzij het een vervoersbewijs dierlijke meststoffen als bedoeld in [artikel 62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=62a&z=2012-10-06&g=2012-10-06) betreft.
3. Indien de hoeveelheid van de dierlijke meststoffen overeenkomstig de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2013-01-01&g=2013-01-01) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, worden de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht of vrachten dierlijke meststoffen bij de Dienst Regelingen ingediend.
4. In het in het derde lid bedoelde geval kan de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in afwijking van[artikel 53, zesde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), geschieden door middel van het indienen van het origineel van het door de vervoerder ondertekende vervoersbewijs dierlijke meststoffen bij de Dienst Regelingen, tenzij het een vervoersbewijs dierlijke meststoffen als bedoeld in [artikel 62a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=62a&z=2013-01-01&g=2013-01-01) betreft.
##### Artikel 65
@@ -1008,47 +1006,47 @@
- b. er wordt een schriftelijk bewijsstuk van de machtiging opgemaakt dat door de betrokken partijen is ondertekend en dat in ieder geval de datum en de duur van de machtiging en de door de Dienst Regelingen ter identificatie van de bedrijven of ondernemingen van de betrokken partijen verstrekte relatienummers bevat; en
- c. een afschrift van het bewijsstuk van de machtiging, bedoeld onder b, wordt tijdens het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen waarop de machtiging betrekking heeft desgevraagd aan een ambtenaar als bedoeld in [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2012-10-06&g=2012-10-06) verstrekt.
- c. een afschrift van het bewijsstuk van de machtiging, bedoeld onder b, wordt tijdens het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen waarop de machtiging betrekking heeft desgevraagd aan een ambtenaar als bedoeld in [artikel 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=129&z=2013-01-01&g=2013-01-01) verstrekt.
##### Artikel 66
1. In het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde geval:
- a. wordt, in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2012-10-06&g=2012-10-06), het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de afnemer ingevuld en ondertekend op het tijdstip waarop de kalvergier op de kalvergierbewerkingsinstallatie wordt aangevoerd en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de afnemer aan de leverancier toegezonden, waarna de leverancier het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ondertekent en terugzendt aan de afnemer; en
- b. kan, in afwijking van [artikel 53, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), de leverancier de afnemer ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen machtigen, onder de in [artikel 65, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=65&z=2012-10-06&g=2012-10-06), genoemde voorwaarden.
2. In het in [artikel 59, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde geval en onder de in dat onderdeel, onder 1°, genoemde voorwaarde:
- a. worden, in afwijking van [artikel 61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2012-10-06&g=2012-10-06), uiterlijk bij het laden van de kalvergier de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van het combinatienummer, het netto gewicht en het tijdstip van het lossen, en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, ingevuld en door de leverancier ondertekend;
- b. wordt, in afwijking van [artikel 61, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2012-10-06&g=2012-10-06), uiterlijk bij het lossen van de kalvergier, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het tijdstip van het lossen, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder ondertekend; en
1. In het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde geval:
- a. wordt, in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2013-01-01&g=2013-01-01), het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de afnemer ingevuld en ondertekend op het tijdstip waarop de kalvergier op de kalvergierbewerkingsinstallatie wordt aangevoerd en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de afnemer aan de leverancier toegezonden, waarna de leverancier het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ondertekent en terugzendt aan de afnemer; en
- b. kan, in afwijking van [artikel 53, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), de leverancier de afnemer ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen machtigen, onder de in [artikel 65, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=65&z=2013-01-01&g=2013-01-01), genoemde voorwaarden.
2. In het in [artikel 59, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde geval en onder de in dat onderdeel, onder 1°, genoemde voorwaarde:
- a. worden, in afwijking van [artikel 61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2013-01-01&g=2013-01-01), uiterlijk bij het laden van de kalvergier de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van het combinatienummer, het netto gewicht en het tijdstip van het lossen, en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, ingevuld en door de leverancier ondertekend;
- b. wordt, in afwijking van [artikel 61, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2013-01-01&g=2013-01-01), uiterlijk bij het lossen van de kalvergier, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het tijdstip van het lossen, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder ondertekend; en
- c. wordt terstond na de weging en na de bemonstering van de kalvergier, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het nettogewicht van de kalvergier, onderscheidenlijk onderdeel 3c, voor zover dit betrekking heeft op gegevens ter identificatie van de monsterverpakking, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en door de afnemer ondertekend.
3. In de in [artikel 59, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde gevallen:
- a. wordt een afschrift van het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=63&z=2012-10-06&g=2012-10-06), door de afnemer aan de leverancier en de vervoerder verstrekt; en
- b. geschiedt de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in zoverre in afwijking van [artikel 64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=64&z=2012-10-06&g=2012-10-06), door de afnemer.
4. In het in [artikel 59a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde geval en onder de in dat lid genoemde voorwaarden:
- a. worden, in afwijking van [artikel 61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2012-10-06&g=2012-10-06), uiterlijk bij het laden van de dierlijke meststoffen de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van het combinatienummer en het tijdstip van het lossen, en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, ingevuld, wordt bij onderdeel 4 de opmerkingscode ‘38’ ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier ondertekend;
- b. wordt, in afwijking van [artikel 61, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2012-10-06&g=2012-10-06), uiterlijk bij het lossen van de dierlijke meststoffen, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het tijdstip van het lossen, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder ondertekend; en
- c. bevatten de op grond van [artikel 64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=64&z=2012-10-06&g=2012-10-06), elektronisch in te dienen gegevens, in afwijking van [artikel 64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=64&z=2012-10-06&g=2012-10-06), de hoeveelheid dierlijke meststoffen die is vastgesteld overeenkomstig de voorschriften die zijn verbonden aan de aan de leverancier van de desbetreffende vracht verleende ontheffing van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
5. In het in [artikel 59b, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59b&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde geval:
- a. wordt, in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2012-10-06&g=2012-10-06), het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, met uitzondering van het CMR-nummer, het kenteken van het voertuig en het netto gewicht, door de vervoerder ingevuld en ondertekend op het tijdstip waarop de vracht dierlijke meststoffen wordt aangevoerd;
3. In de in [artikel 59, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde gevallen:
- a. wordt een afschrift van het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=63&z=2013-01-01&g=2013-01-01), door de afnemer aan de leverancier en de vervoerder verstrekt; en
- b. geschiedt de indiening van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens, in zoverre in afwijking van [artikel 64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=64&z=2013-01-01&g=2013-01-01), door de afnemer.
4. In het in [artikel 59a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde geval en onder de in dat lid genoemde voorwaarden:
- a. worden, in afwijking van [artikel 61, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2013-01-01&g=2013-01-01), uiterlijk bij het laden van de dierlijke meststoffen de onderdelen 1, 3a, met uitzondering van het CMR-nummer, 3b, met uitzondering van het combinatienummer en het tijdstip van het lossen, en 5 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, ingevuld, wordt bij onderdeel 4 de opmerkingscode ‘38’ ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier ondertekend;
- b. wordt, in afwijking van [artikel 61, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2013-01-01&g=2013-01-01), uiterlijk bij het lossen van de dierlijke meststoffen, onderdeel 3b, voor zover dit betrekking heeft op het tijdstip van het lossen, van het op die vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevuld en wordt het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder ondertekend; en
- c. bevatten de op grond van [artikel 64, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=64&z=2013-01-01&g=2013-01-01), elektronisch in te dienen gegevens, in afwijking van [artikel 64, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=64&z=2013-01-01&g=2013-01-01), de hoeveelheid dierlijke meststoffen die is vastgesteld overeenkomstig de voorschriften die zijn verbonden aan de aan de leverancier van de desbetreffende vracht verleende ontheffing van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
5. In het in [artikel 59b, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59b&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en het in [artikel 59c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59c&z=2013-01-01&g=2013-01-01) bedoelde geval:
- a. wordt, in afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2013-01-01&g=2013-01-01), het vervoersbewijs dierlijke meststoffen, met uitzondering van het CMR-nummer, het kenteken van het voertuig en het netto gewicht, door de vervoerder ingevuld en ondertekend op het tijdstip waarop de vracht dierlijke meststoffen wordt aangevoerd;
- b. wordt het vervoersbewijs door de vervoerder aan de leverancier toegezonden, waarna de leverancier het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ondertekent en terugzendt aan de vervoerder;
- c. wordt bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen de opmerkingscode ‘42’ ingevuld;
- d. kan, in afwijking van [artikel 53, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), de leverancier de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen machtigen, onder de in [artikel 65, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=65&z=2012-10-06&g=2012-10-06), genoemde voorwaarden.
- d. kan, in afwijking van [artikel 53, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=53), de leverancier de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen machtigen, onder de in [artikel 65, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=65&z=2013-01-01&g=2013-01-01), genoemde voorwaarden.
##### Artikel 67
@@ -1076,7 +1074,7 @@
##### Artikel 68
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 55, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) wordt vastgesteld het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in [bijlage G, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=G&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
1. Als vervoersbewijs als bedoeld in [artikel 55, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55) wordt vastgesteld het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost dat overeenkomt met het model dat is opgenomen in [bijlage G, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=G&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. Het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost wordt door de Dienst Regelingen verstrekt en is voorzien van een uniek nummer.
@@ -1084,7 +1082,7 @@
1. Uiterlijk bij het laden van meststoffen worden de onderdelen 1, 3a, 3b en 3c, met uitzondering van het gewicht van de vracht, de hoeveelheden fosfaat en stikstof en het drogestofgehalte, van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld en wordt het vervoersbewijs door de leverancier ondertekend. In voorkomend geval wordt bij onderdeel 1 het registratienummer van de desbetreffende opslag ingevuld.
2. Bij onderdeel 3c wordt als analysenummer ingevuld het bij de desbetreffende vracht behorende analysenummer, bedoeld in [artikel 92b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2012-10-06&g=2012-10-06), dan wel indien het een vracht vloeibaar zuiveringsslib betreft die afkomstig is uit een opslagruimte voor vloeibaar zuiveringsslib als bedoeld in [artikel 39, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) of in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2012-10-06&g=2012-10-06), het ter zake van de ontvangst van de overeenkomstig [artikel 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2012-10-06&g=2012-10-06), of [52, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2012-10-06&g=2012-10-06), verstrekte gegevens door de Dienst Regelingen uitgegeven samenstellingnummer.
2. Bij onderdeel 3c wordt als analysenummer ingevuld het bij de desbetreffende vracht behorende analysenummer, bedoeld in [artikel 92b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2013-01-01&g=2013-01-01), dan wel indien het een vracht vloeibaar zuiveringsslib betreft die afkomstig is uit een opslagruimte voor vloeibaar zuiveringsslib als bedoeld in [artikel 39, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) of in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2013-01-01&g=2013-01-01), het ter zake van de ontvangst van de overeenkomstig [artikel 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2013-01-01&g=2013-01-01), of [52, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2013-01-01&g=2013-01-01), verstrekte gegevens door de Dienst Regelingen uitgegeven samenstellingnummer.
3. Het netto gewicht van de vracht wordt terstond na de weging bij onderdeel 3 van het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld.
@@ -1092,7 +1090,7 @@
5. Met de ondertekening verklaren de leverancier en de vervoerder dat de desbetreffende vracht zuiveringsslib of compost voldoet aan [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=16) onderscheidenlijk [artikel 17 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=17).
6. Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in [bijlage G, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=G&z=2012-10-06&g=2012-10-06), vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld.
6. Indien zich ter zake van het vervoer één of meer van de in [bijlage G, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=G&z=2013-01-01&g=2013-01-01), vermelde omstandigheden voordoen, worden de hiermee corresponderende codes terstond bij onderdeel 4 van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevuld.
7. In zoverre in afwijking van de voorgaande leden, kunnen de gegevens op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost worden vermeld door het printen van deze gegevens in een aan de invulvelden gerelateerde volgorde binnen de daarvoor op het vervoersbewijs bestemde vrije ruimte.
@@ -1116,15 +1114,15 @@
##### Artikel 73
Als forfaitaire productienormen als bedoeld in [artikel 66, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld, die zijn vermeld in [bijlage D, tabel I, kolommen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
Als forfaitaire productienormen als bedoeld in [artikel 66, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën de normen vastgesteld, die zijn vermeld in [bijlage D, tabel I, kolommen B en C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
##### Artikel 74
1. Als forfaitaire productienormen per melkkoe als bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) worden voor de naar de gemiddelde melkproductie en naar het gemiddelde ureumgehalte in de geproduceerde melk onderscheiden melkkoeien vastgesteld de normen die zijn vermeld in [bijlage D, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
1. Als forfaitaire productienormen per melkkoe als bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) worden voor de naar de gemiddelde melkproductie en naar het gemiddelde ureumgehalte in de geproduceerde melk onderscheiden melkkoeien vastgesteld de normen die zijn vermeld in [bijlage D, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. De gemiddelde melkproductie per melkkoe, bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66), wordt bepaald door de hoeveelheid in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk te delen door het gemiddeld aantal in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden melkkoeien.
3. De totale hoeveelheid in een kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk en het gemiddelde ureumgehalte, bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66), worden vastgesteld overeenkomstig de krachtens [artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=128&z=2012-10-06&g=2012-10-06) gestelde regels.
3. De totale hoeveelheid in een kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk en het gemiddelde ureumgehalte, bedoeld in [artikel 66, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66), worden vastgesteld overeenkomstig de krachtens [artikel 128](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=128&z=2013-01-01&g=2013-01-01) gestelde regels.
4. In afwijking van het tweede en het derde lid zijn de gemiddelde melkproductie en het gemiddelde ureumgehalte van koemelk van melkkoeien van landbouwers die op het eigen bedrijf geproduceerde melk zelf verwerken tot eindproducten en landbouwers die minder dan 50 procent van de geproduceerde melk leveren aan een koper als bedoeld in de [Regeling superheffing en melkpremie 2004](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016539), 7500 kilogram, onderscheidenlijk 26 milligram per 100 gram.
@@ -1142,7 +1140,7 @@
2. De bepaling van het gewicht geschiedt op zodanige wijze dat daarbij het gewicht van het transportmiddel buiten beschouwing blijft. Hiertoe wordt per vracht dierlijke meststoffen het gewicht van het geladen transportmiddel verminderd met het gewicht van het ledige transportmiddel zoals dat direct voorafgaande aan of na het vervoer is bepaald. Indien een vracht dierlijke meststoffen wordt afgevoerd of aangevoerd in een container, kan het gewicht van die meststoffen worden bepaald door het gewicht van de gevulde container te verminderen met het gewicht van de lege container dat eenmalig is bepaald en dat duidelijk zichtbaar en niet verwijderbaar op de container is aangebracht.
3. Het gewicht van een hoeveelheid dierlijke meststoffen die ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2012-10-06&g=2012-10-06) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, wordt in afwijking van het eerste lid bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.
3. Het gewicht van een hoeveelheid dierlijke meststoffen die ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2013-01-01&g=2013-01-01) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, wordt in afwijking van het eerste lid bepaald op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de meststoffen.
##### Artikel 77
@@ -1154,11 +1152,11 @@
- b. het verschil in gewicht tussen de grootste en de kleinste vracht bedraagt bij drijfmest ten hoogste tien procent en bij vaste mest ten hoogste twintig procent.
3. Het nemen van een monster uit een hoeveelheid dierlijke meststoffen en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
3. Het nemen van een monster uit een hoeveelheid dierlijke meststoffen en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
##### Artikel 78
1. De bemonstering van een vracht drijfmest geschiedt automatisch tijdens het laden van het transportmiddel met behulp van bemonsteringsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV onderdeel van de Animal Sciences Group, te Lelystad of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
1. De bemonstering van een vracht drijfmest geschiedt automatisch tijdens het laden van het transportmiddel met behulp van bemonsteringsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV onderdeel van de Animal Sciences Group, te Lelystad of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
2. De bemonstering van een vracht vaste mest geschiedt door de vervoerder. Hij stelt een representatief monster samen met een gewicht van minimaal 500 gram en maximaal 800 gram, bestaande uit deelmonsters die handmatig evenredig verspreid uit de betrokken vracht meststoffen worden genomen.
@@ -1168,13 +1166,13 @@
##### Artikel 79
1. Een uit een vracht drijfmest genomen monster wordt automatisch verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2012-10-06&g=2012-10-06). De verpakking geschiedt met behulp van verpakkingsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV onderdeel van de Animal Sciences Group, te Lelystad of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
2. Een uit een vracht vaste mest genomen monster wordt door de vervoerder verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
1. Een uit een vracht drijfmest genomen monster wordt automatisch verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2013-01-01&g=2013-01-01). De verpakking geschiedt met behulp van verpakkingsapparatuur die voldoet aan de prestatiekenmerken die zijn vermeld in [bijlage E, onderdeel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en behoort tot een type waarvan bij keuring door Praktijkonderzoek Veehouderij BV onderdeel van de Animal Sciences Group, te Lelystad of een vergelijkbare instelling, is vastgesteld dat het voldoet aan die prestatiekenmerken.
2. Een uit een vracht vaste mest genomen monster wordt door de vervoerder verpakt in een monsterverpakking die voldoet aan [bijlage E, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=E&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
##### Artikel 80
1. Het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster wordt, onder vermelding van de betrokken leverancier en afnemer, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, door de vervoerder uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toegestuurd aan een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de accreditatienormen van hoofdstuk 3 van het accreditatie-programma AP05, dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
1. Het uit een vracht dierlijke meststoffen genomen monster wordt, onder vermelding van de betrokken leverancier en afnemer, alsmede van het nummer van het op deze vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen, door de vervoerder uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toegestuurd aan een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de accreditatienormen van hoofdstuk 3 van het accreditatie-programma AP05, dat is opgenomen in [bijlage H](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=H&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. De vervoerder bewaart de monsters totdat zij aan het laboratorium worden toegestuurd, zodanig dat zij in goede staat blijven verkeren.
@@ -1184,43 +1182,43 @@
2. Indien bij ontvangst van een toegezonden monster wordt geconstateerd dat de monsterverpakking is beschadigd, rapporteert het laboratorium aan de meldkamer van de Algemene Inspectiedienst de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking en het nummer van het op de desbetreffende vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen. Het laboratorium volgt de door de Algemene Inspectiedienst ter zake verstrekte aanwijzingen op.
3. Het laboratorium voldoet aan de overigens in het in [artikel 80, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde accreditatieprogramma gestelde eisen.
3. Het laboratorium voldoet aan de overigens in het in [artikel 80, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde accreditatieprogramma gestelde eisen.
4. Uiterlijk tien werkdagen na verzending van de analyseresultaten door het laboratorium, kan door de betrokkenen heranalyse worden aangevraagd. Er vindt ten hoogste éénmaal een heranalyse plaats die wordt uitgevoerd door het laboratorium dat de analyse heeft uitgevoerd.
5. Indien een laboratorium het fosfaatgehalte of stikstofgehalte van een monster niet kan vaststellen, omdat het monster na ontvangst door het laboratorium in het ongerede is geraakt, wordt de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) bepaald op basis van de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06) voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
5. Indien een laboratorium het fosfaatgehalte of stikstofgehalte van een monster niet kan vaststellen, omdat het monster na ontvangst door het laboratorium in het ongerede is geraakt, wordt de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) bepaald op basis van de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01) voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
##### Artikel 82
1. In het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde geval:
- a. wordt het gewicht van de hoeveelheid kalvergier in afwijking van [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2012-10-06&g=2012-10-06), door de afnemer bepaald met behulp van een in de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht apparaat ter bepaling van het volume dat voldoet aan de bij of krachtens de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) gestelde regels, waarbij één kubieke meter kalvergier overeenkomt met 1000 kilogram; en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in zoverre in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2012-10-06&g=2012-10-06), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2012-10-06&g=2012-10-06), onderscheidenlijk[79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2012-10-06&g=2012-10-06) door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht automatische bemonsteringsapparatuur waarmee uit het totale van één leverancier aangevoerde volume kalvergier een representatief monster wordt genomen.
2. In het in [artikel 59, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde geval:
- a. wordt het gewicht van de hoeveelheid kalvergier in afwijking van [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2012-10-06&g=2012-10-06), door de afnemer bepaald met behulp van een op de lokatie van de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht weegwerktuig; en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2012-10-06&g=2012-10-06), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2012-10-06&g=2012-10-06), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2012-10-06&g=2012-10-06) door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebrachte automatische bemonsteringsapparatuur en automatische verpakkingsapparatuur als bedoeld in [artikel 78, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2012-10-06&g=2012-10-06), onderscheidenlijk [artikel 79, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
3. In het [artikel 59b, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59b&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde geval:
- a. kan het gewicht van de hoeveelheid dierlijke mest, bedoeld in [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2012-10-06&g=2012-10-06), door de intermediair ook worden bepaald met behulp van een in de pijpleiding aangebracht apparaat ter bepaling van het volume dat voldoet aan de bij of krachtens de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) gestelde regels, waarbij het gemeten volume naar gewicht omgerekend wordt aan de hand van de dichtheid, en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2012-10-06&g=2012-10-06), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2012-10-06&g=2012-10-06), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2012-10-06&g=2012-10-06), door de vervoerder, met behulp van op de pijpleiding aangebrachte automatische bemonsteringsapparatuur, waarmee uit het totale van één leverancier aangevoerde volume drijfmest van maximaal 36 ton dat wordt vervoerd door de pijpleiding, een representatief monster wordt genomen.
4. In het in [artikel 59a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde geval, wordt het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, in afwijking van [artikel 77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bepaald door de leverancier overeenkomstig de voorschriften die zijn verbonden aan de aan hem verleende ontheffing van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
5. [Artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) in samenhang met de [artikelen 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2012-10-06&g=2012-10-06), is niet van toepassing op de van een tuincentrum of een hovenier afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen naar een afnemer, niet zijnde een landbouwer of een ondernemer.
1. In het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde geval:
- a. wordt het gewicht van de hoeveelheid kalvergier in afwijking van [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2013-01-01&g=2013-01-01), door de afnemer bepaald met behulp van een in de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht apparaat ter bepaling van het volume dat voldoet aan de bij of krachtens de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) gestelde regels, waarbij één kubieke meter kalvergier overeenkomt met 1000 kilogram; en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in zoverre in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2013-01-01&g=2013-01-01), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2013-01-01&g=2013-01-01), onderscheidenlijk[79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2013-01-01&g=2013-01-01) door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht automatische bemonsteringsapparatuur waarmee uit het totale van één leverancier aangevoerde volume kalvergier een representatief monster wordt genomen.
2. In het in [artikel 59, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde geval:
- a. wordt het gewicht van de hoeveelheid kalvergier in afwijking van [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2013-01-01&g=2013-01-01), door de afnemer bepaald met behulp van een op de lokatie van de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebracht weegwerktuig; en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2013-01-01&g=2013-01-01), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2013-01-01&g=2013-01-01), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2013-01-01&g=2013-01-01) door de afnemer met behulp van op de kalvergierbewerkingsinstallatie aangebrachte automatische bemonsteringsapparatuur en automatische verpakkingsapparatuur als bedoeld in [artikel 78, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2013-01-01&g=2013-01-01), onderscheidenlijk [artikel 79, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
3. In het [artikel 59b, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59b&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde geval:
- a. kan het gewicht van de hoeveelheid dierlijke mest, bedoeld in [artikel 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2013-01-01&g=2013-01-01), door de intermediair ook worden bepaald met behulp van een in de pijpleiding aangebracht apparaat ter bepaling van het volume dat voldoet aan de bij of krachtens de [Metrologiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019517) gestelde regels, waarbij het gemeten volume naar gewicht omgerekend wordt aan de hand van de dichtheid, en
- b. geschieden de bemonstering en de verpakking van de genomen monsters, in afwijking van [artikel 77, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2013-01-01&g=2013-01-01), in samenhang met [artikel 78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2013-01-01&g=2013-01-01), onderscheidenlijk [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2013-01-01&g=2013-01-01), door de vervoerder, met behulp van op de pijpleiding aangebrachte automatische bemonsteringsapparatuur, waarmee uit het totale van één leverancier aangevoerde volume drijfmest van maximaal 36 ton dat wordt vervoerd door de pijpleiding, een representatief monster wordt genomen.
4. In het in [artikel 59a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde geval, wordt het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, in afwijking van [artikel 77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bepaald door de leverancier overeenkomstig de voorschriften die zijn verbonden aan de aan hem verleende ontheffing van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
5. [Artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) in samenhang met de [artikelen 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2013-01-01&g=2013-01-01), is niet van toepassing op de van een tuincentrum of een hovenier afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen naar een afnemer, niet zijnde een landbouwer of een ondernemer.
##### Artikel 83
Indien een vracht bestaat uit mestkorrels, geldt dat het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, in afwijking van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2012-10-06&g=2012-10-06), onderscheidenlijk [77, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2012-10-06&g=2012-10-06), wordt bepaald op basis van het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals dat is vermeld op de verpakking van de mestkorrels of het begeleidende document bij de mestkorrels.
Indien een vracht bestaat uit mestkorrels, geldt dat het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, in afwijking van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2013-01-01&g=2013-01-01), onderscheidenlijk [77, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt bepaald op basis van het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals dat is vermeld op de verpakking van de mestkorrels of het begeleidende document bij de mestkorrels.
##### Artikel 84
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kunnen de in een kalenderjaar van het bedrijf afgevoerde dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06) voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kunnen de in een kalenderjaar van het bedrijf afgevoerde dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I,](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01) voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. het product van enerzijds het aantal hectaren landbouwgrond dat in dat kalenderjaar tot het bedrijf waarvan de meststoffen afkomstig zijn behoort en anderzijds het per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens [artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11), in de vorm van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm, bedraagt in de jaren 2011, 2012 en 2013 ten minste 80 procent en in de jaren 2014 en volgende ten minste 75 procent van de totale hoeveelheid op dat bedrijf in dat kalenderjaar geproduceerde dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat;
@@ -1232,7 +1230,7 @@
##### Artikel 85
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel dat voor de duur van ten hoogste één jaar in gebruik is gegeven aan een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel dat voor de duur van ten hoogste één jaar in gebruik is gegeven aan een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar de uit gebruik gegeven percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van enerzijds het aantal hectaren landbouwgrond dat in dat kalenderjaar uit gebruik is gegeven en anderzijds het per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens [artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11), in de vorm van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
@@ -1240,23 +1238,23 @@
- c. het perceel behoorde de voorafgaande twee jaren tot het bedrijf waarvan de dierlijke meststoffen afkomstig zijn;
- d. het perceel is overeenkomstig [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2012-10-06&g=2012-10-06) aangemeld als behorend tot het bedrijf dat het perceel tijdelijk in gebruik heeft; en
- d. het perceel is overeenkomstig [artikel 41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=41&z=2013-01-01&g=2013-01-01) aangemeld als behorend tot het bedrijf dat het perceel tijdelijk in gebruik heeft; en
- e. de overeenkomst tot ingebruikgeving is schriftelijk aangegaan.
##### Artikel 86
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een afnemer, die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een afnemer, die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar afnemers die geen bedrijf of onderneming voeren wordt afgevoerd bedraagt ten hoogste 250 kilogram fosfaat; en
- b. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar een afnemer die geen bedrijf of onderneming voert wordt afgevoerd bedraagt ten hoogste 20 kilogram fosfaat per afnemer.
2. Indien vaste dierlijke meststoffen van een intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een afnemer die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de voorwaarde dat de totale hoeveelheid vaste dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar een dergelijke afnemer wordt afgevoerd ten hoogste 20 kilogram fosfaat per afnemer bedraagt.
2. Indien vaste dierlijke meststoffen van een intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een afnemer die geen bedrijf of onderneming voert, kan de desbetreffende hoeveelheid meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de voorwaarde dat de totale hoeveelheid vaste dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar een dergelijke afnemer wordt afgevoerd ten hoogste 20 kilogram fosfaat per afnemer bedraagt.
##### Artikel 87
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel landbouwgrond dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of in België, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
1. Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een perceel landbouwgrond dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of in België, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar de in het eerste lid bedoelde percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal hectaren in Duitsland of in België gelegen landbouwgrond en het indien de landbouwgrond in Nederland zou zijn gelegen per hectare van die landbouwgrond bij of krachtens [artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11), in de vorm van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
@@ -1270,7 +1268,7 @@
- f. indien het perceel in Duitsland is gelegen, behoort dit perceel ingevolge eigendom of ingevolge een in Duitsland geregistreerde pachtovereenkomst toe aan het bedrijf.
2. Indien dierlijke meststoffen worden afgevoerd van een bedrijf dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of België, naar een perceel landbouwgrond dat is gelegen in Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
2. Indien dierlijke meststoffen worden afgevoerd van een bedrijf dat, al dan niet gedeeltelijk, is gelegen in Duitsland of België, naar een perceel landbouwgrond dat is gelegen in Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar de in de aanhef van dit lid bedoelde percelen wordt afgevoerd bedraagt, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal hectaren van die percelen en het bij of krachtens [artikel 11, eerste tot en met vijfde lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=11), in de vorm van dierlijke meststoffen vastgestelde deel van de fosfaatgebruiksnorm;
@@ -1284,25 +1282,25 @@
##### Artikel 88
Indien dierlijke meststoffen afkomstig van konijnen, met een drogestofgehalte van ten hoogste 2,5 procent naar of van een bedrijf of onderneming worden aangevoerd, onderscheidenlijk worden afgevoerd, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
Indien dierlijke meststoffen afkomstig van konijnen, met een drogestofgehalte van ten hoogste 2,5 procent naar of van een bedrijf of onderneming worden aangevoerd, onderscheidenlijk worden afgevoerd, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
##### Artikel 89
1. Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony's van een bedrijf worden afgevoerd naar een intermediaire onderneming waar tussenopslag van maximaal 48 uur van deze meststoffen plaatsvindt voordat deze meststoffen worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van dat substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde dierlijke meststoffen die in tussenopslag hebben gelegen van de intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van het in het eerst lid bedoelde substraat of grondstof, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
3. Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony's van een bedrijf worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
4. Indien het in het derde lid bedoelde substraat van een onderneming of een bedrijf wordt afgevoerd naar een bedrijf waar dit substraat wordt gebruikt voor de teelt van champignons, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
5. Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
6. Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt overgebracht uit Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
1. Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony's van een bedrijf worden afgevoerd naar een intermediaire onderneming waar tussenopslag van maximaal 48 uur van deze meststoffen plaatsvindt voordat deze meststoffen worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van dat substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde dierlijke meststoffen die in tussenopslag hebben gelegen van de intermediaire onderneming worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van het in het eerst lid bedoelde substraat of grondstof, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
3. Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony's van een bedrijf worden afgevoerd naar een onderneming waar deze meststoffen worden gebruikt voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of van een grondstof voor de productie van substraat, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
4. Indien het in het derde lid bedoelde substraat van een onderneming of een bedrijf wordt afgevoerd naar een bedrijf waar dit substraat wordt gebruikt voor de teelt van champignons, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
5. Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
6. Indien het in het vierde lid bedoelde substraat in de vorm van champost van een bedrijf wordt overgebracht uit Nederland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten.
##### Artikel 90
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf als bedoeld in [artikel 43, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2012-10-06&g=2012-10-06), worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf als bedoeld in [artikel 43, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2013-01-01&g=2013-01-01), worden afgevoerd naar een ander bedrijf, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de hoeveelheid dierlijke meststoffen is afkomstig van de op het bedrijf gehouden, dan wel anderszins aanwezige dieren;
@@ -1312,7 +1310,7 @@
##### Artikel 91
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een natuurterrein of overige grond als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel d, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=1), waarvan de desbetreffende landbouwer het exclusieve gebruiksrecht heeft, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
Indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een natuurterrein of overige grond als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk onderdeel d, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=1), waarvan de desbetreffende landbouwer het exclusieve gebruiksrecht heeft, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I, tabel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de totale hoeveelheid dierlijke meststoffen die in een kalenderjaar naar het natuurterrein wordt afgevoerd, bedraagt uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, ten hoogste het product van het aantal hectaren natuurterrein en de hoeveelheid fosfaat die ingevolge [artikel 2, derde en vierde lid, van het Besluit gebruik meststoffen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009066&artikel=2) per hectare van dat natuurterrein mag worden gebruikt; en
@@ -1324,13 +1322,13 @@
1. Het gewicht van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde, de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), wordt door de vervoerder van de desbetreffende meststoffen bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig.
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, afgevoerde, of de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komt overeen met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals dat voor de hoeveelheid zuiveringsslib of compost waaruit de desbetreffende vracht afkomstig is, overeenkomstig de [artikelen 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2012-10-06&g=2012-10-06) is vastgesteld.
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, afgevoerde, of de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld, aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komt overeen met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals dat voor de hoeveelheid zuiveringsslib of compost waaruit de desbetreffende vracht afkomstig is, overeenkomstig de [artikelen 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2013-01-01&g=2013-01-01) is vastgesteld.
##### Artikel 93
1. Het gewicht van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde, de op een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig.
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde of de op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2012-10-06&g=2012-10-06) door bemonstering en analyse.
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de van een bedrijf of onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld afgevoerde of de op een bedrijf of intermediaire onderneming aangevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald overeenkomstig [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2013-01-01&g=2013-01-01) door bemonstering en analyse.
3. In voorkomend geval geldt dat het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, van de in eerste en tweede lid bedoelde meststoffen overeenkomen met het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende meststoffen.
@@ -1344,7 +1342,7 @@
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 68, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een intermediaire onderneming opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 68, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komt overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2012-10-06&g=2012-10-06), genoemde formulier, respectievelijk in [artikel 46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2012-10-06&g=2012-10-06), genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een intermediaire onderneming opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in [artikel 68, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komt overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2013-01-01&g=2013-01-01), genoemde formulier, respectievelijk in [artikel 46, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2013-01-01&g=2013-01-01), genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
4. Onverminderd het eerste tot en met het derde lid, is de aan het begin van het kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, gelijk aan de aan het einde van het voorafgaande kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen.
@@ -1354,17 +1352,17 @@
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, vierde en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68) worden bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld opgeslagen hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komen overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2012-10-06&g=2012-10-06), of [artikel 51, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld opgeslagen hoeveelheid zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komen overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2013-01-01&g=2013-01-01), of [artikel 51, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
4. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf of een onderneming in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld opgeslagen meststoffen anders dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost, bedoeld in [artikel 68, vierde en vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), komen overeen met het gewicht onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende meststoffen. Ingeval van bulkopslag van de desbetreffende meststoffen wordt het gewicht bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze meststoffen
5. Onverminderd het eerste tot en met het vierde lid, is de aan het begin van het kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid in deze leden genoemde meststoffen, gelijk aan de aan het einde van het voorafgaande kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid in deze leden genoemde meststoffen.
#### § 4. Voorraden meststoffen
#### § 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen
##### Artikel 96
Als forfaitaire stikstofgehalten als bedoeld in [artikel 67, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) worden vastgesteld de gehalten, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, die in [bijlage D, tabel I, kolom D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën en toegepaste huisvestingssysteem zijn vermeld.
Als forfaitaire stikstofgehalten als bedoeld in [artikel 67, vijfde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) worden vastgesteld de gehalten, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, die in [bijlage D, tabel I, kolom D](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën en toegepaste huisvestingssysteem zijn vermeld.
#### § 5. Gasvormige verliezen
@@ -1374,15 +1372,15 @@
- a. bepaalt het gewicht van de desbetreffende hoeveelheid diervoeders door middel van weging met behulp van een weegwerktuig; en
- b. stelt het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en indien van toepassing het droge stofgehalte in de desbetreffende hoeveelheid diervoeders vast overeenkomstig [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
2. Indien het ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2012-10-06&g=2012-10-06) betreft, kunnen in afwijking van het eerste lid, het gewicht worden bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders en kunnen als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
- b. stelt het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte en indien van toepassing het droge stofgehalte in de desbetreffende hoeveelheid diervoeders vast overeenkomstig [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. Indien het ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2013-01-01&g=2013-01-01) betreft, kunnen in afwijking van het eerste lid, het gewicht worden bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders en kunnen als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
##### Artikel 98
1. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in diervoeders met een vochtgehalte groter dan veertien procent wordt vastgesteld overeenkomstig het protocol, opgenomen in [bijlage K, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=K&z=2012-10-06&g=2012-10-06), op basis van:
- a. de resultaten van de overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in [bijlage K, onderdeel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=K&z=2012-10-06&g=2012-10-06), uitgevoerde bemonstering en analyse van de diervoeders; of
1. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in diervoeders met een vochtgehalte groter dan veertien procent wordt vastgesteld overeenkomstig het protocol, opgenomen in [bijlage K, onderdeel I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=K&z=2013-01-01&g=2013-01-01), op basis van:
- a. de resultaten van de overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in [bijlage K, onderdeel II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=K&z=2013-01-01&g=2013-01-01), uitgevoerde bemonstering en analyse van de diervoeders; of
- b. indien het mengvoeder betreft, de berekeningen uitgaande van de bekende gehalten van de nutriënten in de grondstoffen waaruit de diervoeders zijn bereid en het aandeel van deze stoffen in het eindproduct en rekening houdend met de aard van het productieproces.
@@ -1398,13 +1396,13 @@
5. Het resultaat van de analyse wordt door het laboratorium beoordeeld in het licht van de herhaalbaarheid, aangegeven in de betreffende analysemethode. Indien de norm voor herhaalbaarheid wordt overschreden, voert het laboratorium een herhalingsonderzoek op het monster uit.
6. Het laboratorium zendt de resultaten van de analyse binnen één week na ontvangst van het monster naar de ondernemer, bedoeld in [artikel 97, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
6. Het laboratorium zendt de resultaten van de analyse binnen één week na ontvangst van het monster naar de ondernemer, bedoeld in [artikel 97, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
##### Artikel 99
1. De ondernemer, bedoeld in [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2012-10-06&g=2012-10-06), vermeldt bij aflevering van diervoeders aan een bedrijf op het etiket of het begeleidend document:
- a. het overeenkomstig [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2012-10-06&g=2012-10-06) in samenhang met [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2012-10-06&g=2012-10-06) vastgestelde stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het product;
1. De ondernemer, bedoeld in [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2013-01-01&g=2013-01-01), vermeldt bij aflevering van diervoeders aan een bedrijf op het etiket of het begeleidend document:
- a. het overeenkomstig [artikel 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2013-01-01&g=2013-01-01) in samenhang met [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2013-01-01&g=2013-01-01) vastgestelde stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het product;
- b. voor diervoeder met een vochtgehalte groter dan veertien procent, het droge stofgehalte dan wel het vochtgehalte en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de droge stof van het desbetreffende diervoeder;
@@ -1424,27 +1422,27 @@
##### Artikel 100
Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden diervoeders, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), anders dan ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2012-10-06&g=2012-10-06), komen overeen met het gewicht onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende diervoeders, bedoeld in [artikel 99, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=99&z=2012-10-06&g=2012-10-06), dan wel met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals deze ingevolge [artikel 99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=99&z=2012-10-06&g=2012-10-06), schriftelijk zijn verstrekt. Ingeval van bulkopslag van de desbetreffende diervoeders wordt het gewicht van de aanwezige voorraden diervoeders bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders.
Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden diervoeders, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), anders dan ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2013-01-01&g=2013-01-01), komen overeen met het gewicht onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte, zoals vermeld op de verpakking van of het begeleidende document bij de desbetreffende diervoeders, bedoeld in [artikel 99, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=99&z=2013-01-01&g=2013-01-01), dan wel met het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte zoals deze ingevolge [artikel 99, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=99&z=2013-01-01&g=2013-01-01), schriftelijk zijn verstrekt. Ingeval van bulkopslag van de desbetreffende diervoeders wordt het gewicht van de aanwezige voorraden diervoeders bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze diervoeders.
##### Artikel 101
1. Het gewicht van het in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) bedoelde op een bedrijf aan- of afgevoerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2012-10-06&g=2012-10-06), wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig, dan wel door middel van meting van het volume en het soortelijk gewicht.
2. Als het gewicht per hectare van het in [artikel 67, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) bedoelde op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2012-10-06&g=2012-10-06), wordt vastgesteld het gewicht dat voor de onderscheiden soorten ruwvoer en enkelvoudig diervoer in die bijlage is vermeld.
3. Als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), en het op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in[artikel 67, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
1. Het gewicht van het in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) bedoelde op een bedrijf aan- of afgevoerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig, dan wel door middel van meting van het volume en het soortelijk gewicht.
2. Als het gewicht per hectare van het in [artikel 67, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) bedoelde op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder zoals vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt vastgesteld het gewicht dat voor de onderscheiden soorten ruwvoer en enkelvoudig diervoer in die bijlage is vermeld.
3. Als het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in het op een bedrijf aan- of afgevoerde, dan wel de aanwezige voorraden ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in [artikel 67, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), en het op het bedrijf geproduceerde ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, bedoeld in[artikel 67, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), worden vastgesteld het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte per kilogram diervoeder, die voor de onderscheiden soorten ruwvoer of enkelvoudig diervoeder zijn vermeld in [bijlage J](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=J&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
#### § 3. Afgevoerde en aangevoerde andere meststoffen
##### Artikel 102
1. Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier of per kilogram levend gewicht als bedoeld in [artikel 67, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in [bijlage D, tabel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
1. Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier of per kilogram levend gewicht als bedoeld in [artikel 67, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67) worden voor de onderscheiden diersoorten en diercategorieën vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in [bijlage D, tabel III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. De bepaling van de hoeveelheden stikstof en fosfaat in staldieren, bedoeld in [artikel 67, derde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67), wordt gebaseerd op de in het eerste lid bedoelde forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per kilogram levend gewicht. Ingeval van een dier geen gegevens over het gewicht beschikbaar zijn, worden de hoeveelheden stikstof en fosfaat in dat dier bepaald op basis van de in het eerste lid bedoelde forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per dier.
##### Artikel 103
Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per kilogram eieren als bedoeld in [artikel 67, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67)worden voor de onderscheiden soorten eieren vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in [bijlage D, tabel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
Als forfaitaire stikstofgehalten en fosfaatgehalten per kilogram eieren als bedoeld in [artikel 67, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=67)worden voor de onderscheiden soorten eieren vastgesteld, de forfaitaire gehalten die zijn vermeld in [bijlage D, tabel IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=D&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht
@@ -1484,7 +1482,7 @@
##### Artikel 105
1. Alvorens de minister een kennisgeving van overgang in behandeling neemt, doet hij van deze kennisgeving schriftelijk mededeling aan iedere hypotheekhouder die het bedrijf van de vervreemder van het productierecht bij de minister voor de toepassing van deze paragraaf ter registratie heeft aangemeld, indien overeenkomstig [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=106&z=2012-10-06&g=2012-10-06), registratie door de minister daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De minister neemt de kennisgeving van overgang niet in behandeling gedurende 30 dagen na dagtekening van deze mededeling.
1. Alvorens de minister een kennisgeving van overgang in behandeling neemt, doet hij van deze kennisgeving schriftelijk mededeling aan iedere hypotheekhouder die het bedrijf van de vervreemder van het productierecht bij de minister voor de toepassing van deze paragraaf ter registratie heeft aangemeld, indien overeenkomstig [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=106&z=2013-01-01&g=2013-01-01), registratie door de minister daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De minister neemt de kennisgeving van overgang niet in behandeling gedurende 30 dagen na dagtekening van deze mededeling.
2. De termijn van 30 dagen wordt verlengd tot negentig dagen na dagtekening van de mededeling, indien een hypotheekhouder binnen de termijn van 30 dagen een verzoek aan de minister bij de Dienst Regelingen indient.
@@ -1500,7 +1498,7 @@
##### Artikel 106
1. De aanmelding ter registratie, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2012-10-06&g=2012-10-06), geschiedt bij de Dienst Regelingen.
1. De aanmelding ter registratie, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2013-01-01&g=2013-01-01), geschiedt bij de Dienst Regelingen.
2. Bij de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
@@ -1514,13 +1512,13 @@
##### Artikel 107
1. Indien de aanmelding, bedoeld in [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=106&z=2012-10-06&g=2012-10-06), niet voor akkoord is medeondertekend door degene op wiens bedrijf de aanmelding betrekking heeft, wordt het bedrijf slechts geregistreerd, indien de hypotheekhouder bij het verzoek tevens een uittreksel van het in [artikel 260, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=260) bedoelde openbare register overlegt, waaruit blijkt op welke registergoederen behorend tot het bedrijf een hypotheekrecht is gevestigd.
2. De minister doet van de registratie, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk mededeling aan degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft. Indien deze binnen 30 dagen na dagtekening van deze mededeling aan de minister verklaart dat de geregistreerde gegevens niet juist zijn, gelden in plaats van [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2012-10-06&g=2012-10-06) de volgende leden.
1. Indien de aanmelding, bedoeld in [artikel 106, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=106&z=2013-01-01&g=2013-01-01), niet voor akkoord is medeondertekend door degene op wiens bedrijf de aanmelding betrekking heeft, wordt het bedrijf slechts geregistreerd, indien de hypotheekhouder bij het verzoek tevens een uittreksel van het in [artikel 260, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=260) bedoelde openbare register overlegt, waaruit blijkt op welke registergoederen behorend tot het bedrijf een hypotheekrecht is gevestigd.
2. De minister doet van de registratie, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk mededeling aan degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft. Indien deze binnen 30 dagen na dagtekening van deze mededeling aan de minister verklaart dat de geregistreerde gegevens niet juist zijn, gelden in plaats van [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2013-01-01&g=2013-01-01) de volgende leden.
3. De minister neemt een kennisgeving van overgang, gedaan door degene op wiens bedrijf de registratie betrekking heeft, niet in behandeling zolang de hypotheekhouder de registratie niet laat doorhalen, doch hoogstens gedurende negentig dagen na dagtekening van de schriftelijke mededeling, bedoeld in het tweede lid.
4. De termijn, bedoeld in het derde lid, wordt eenmalig met negentig dagen verlengd indien de hypotheekhouder daartoe binnen de eerstgenoemde termijn een verzoek doet aan de minister bij de Dienst Regelingen, onder gelijktijdige overlegging van een rechterlijke uitspraak of een verklaring van een notaris als bedoeld in [artikel 105, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
4. De termijn, bedoeld in het derde lid, wordt eenmalig met negentig dagen verlengd indien de hypotheekhouder daartoe binnen de eerstgenoemde termijn een verzoek doet aan de minister bij de Dienst Regelingen, onder gelijktijdige overlegging van een rechterlijke uitspraak of een verklaring van een notaris als bedoeld in [artikel 105, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
5. De registratie wordt doorgehaald na afloop van de in het derde, dan wel in voorkomend geval in het vierde lid bedoelde termijn.
@@ -1544,11 +1542,11 @@
- b. gegevens over het aantal varkenseenheden, onderscheidenlijk pluimvee-eenheden waarop de kennisgeving betrekking heeft;
- c. de dagtekening van de mededeling, bedoeld in [artikel 107, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=107&z=2012-10-06&g=2012-10-06); en
- d. de indiening of het achterwege blijven van de verklaring bedoeld in [artikel 107, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=107&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
#### § 4. Voorraden meststoffen
- c. de dagtekening van de mededeling, bedoeld in [artikel 107, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=107&z=2013-01-01&g=2013-01-01); en
- d. de indiening of het achterwege blijven van de verklaring bedoeld in [artikel 107, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=107&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
#### § 3. Afgevoerde en aangevoerde andere meststoffen
##### Artikel 110
@@ -1564,9 +1562,9 @@
##### Artikel 111
1. Een kennisgeving van overgang, bedoeld in [artikel 104, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=1&artikel=104&z=2012-10-06&g=2012-10-06), wordt eerst geregistreerd nadat de verwerver een bedrag van € 250 aan de Dienst Regelingen heeft voldaan.
2. Een aanmelding ter registratie, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2012-10-06&g=2012-10-06), wordt voor de toepassing van [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&z=2012-10-06&g=2012-10-06) eerst in behandeling genomen nadat een bedrag van € 35 aan de Dienst Regelingen is voldaan.
1. Een kennisgeving van overgang, bedoeld in [artikel 104, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=1&artikel=104&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt eerst geregistreerd nadat de verwerver een bedrag van € 250 aan de Dienst Regelingen heeft voldaan.
2. Een aanmelding ter registratie, bedoeld in [artikel 105, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&artikel=105&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt voor de toepassing van [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=2&z=2013-01-01&g=2013-01-01) eerst in behandeling genomen nadat een bedrag van € 35 aan de Dienst Regelingen is voldaan.
3. Indien de minister op grond van [artikel 29, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=29) niet tot registratie overgaat, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, aan de betaler gerestitueerd.
@@ -1578,13 +1576,13 @@
1. De minister kan indien naar zijn oordeel is voldaan aan deze paragraaf ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=19) en [20, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=20).
2. De ontheffing geldt voor het overeenkomstig [artikel 113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=113&z=2012-10-06&g=2012-10-06) te bepalen gemiddeld aantal varkens onderscheidenlijk kippen en kalkoenen dat in een kalenderjaar ten hoogste mag worden gehouden.
2. De ontheffing geldt voor het overeenkomstig [artikel 113](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=113&z=2013-01-01&g=2013-01-01) te bepalen gemiddeld aantal varkens onderscheidenlijk kippen en kalkoenen dat in een kalenderjaar ten hoogste mag worden gehouden.
3. Het gemiddeld aantal varkens onderscheidenlijk kippen en kalkoenen, bedoeld in het tweede lid, wordt uitgedrukt in varkenseenheden onderscheidenlijk in pluimvee-eenheden, overeenkomstig de in [bijlage II van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&bijlage=II) daarvoor opgenomen normen.
##### Artikel 113
1. Het gemiddeld aantal varkens onderscheidenlijk kippen en kalkoenen, bedoeld in [artikel 112, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=112&z=2012-10-06&g=2012-10-06), komt overeen met het verschil in omvang van het op het bedrijf rustende productierecht op het tijdstip, bedoeld in [artikel 119, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=119&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en op het tijdstip waarop de ontheffing is verleend, verminderd met de omvang van de verkleiningen van het op het bedrijf rustende productierecht die in de periode vanaf het tijdstip waarop de ontheffing is verleend, hebben plaatsgevonden als gevolg van een registratie van een kennisgeving van een overgang van een productierecht, of gedeelte daarvan als bedoeld in [artikel 27, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=27), en bedraagt ten hoogste de ingevolge [artikel 115, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=115&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde omvang van de voorgenomen vergroting van het varkensrecht, onderscheidenlijk pluimveerecht.
1. Het gemiddeld aantal varkens onderscheidenlijk kippen en kalkoenen, bedoeld in [artikel 112, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=112&z=2013-01-01&g=2013-01-01), komt overeen met het verschil in omvang van het op het bedrijf rustende productierecht op het tijdstip, bedoeld in [artikel 119, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=119&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en op het tijdstip waarop de ontheffing is verleend, verminderd met de omvang van de verkleiningen van het op het bedrijf rustende productierecht die in de periode vanaf het tijdstip waarop de ontheffing is verleend, hebben plaatsgevonden als gevolg van een registratie van een kennisgeving van een overgang van een productierecht, of gedeelte daarvan als bedoeld in [artikel 27, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=27), en bedraagt ten hoogste de ingevolge [artikel 115, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=115&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde omvang van de voorgenomen vergroting van het varkensrecht, onderscheidenlijk pluimveerecht.
2. Het totale aantal diereenheden, waarvoor ingevolge deze paragraaf ontheffing wordt verleend bedraagt ten hoogste 270.270. Van dit aantal zijn 135.135 diereenheden gereserveerd voor ontheffingen in het kader van mestverbranding en het resterende aantal is gereserveerd voor ontheffingen in het kader van mestverwerking. Van het laatstbedoelde aantal is 81.081 gereserveerd voor varkenseenheden.
@@ -1634,7 +1632,7 @@
1. De minister beslist in volgorde van de datum van ontvangst op de volledig ingediende aanvragen.
2. Indien dit noodzakelijk is in verband met het bereiken van de in [artikel 113, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=113&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde aantallen wordt door middel van loting beslist over de rangschikking van de op één datum ontvangen aanvragen.
2. Indien dit noodzakelijk is in verband met het bereiken van de in [artikel 113, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=113&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde aantallen wordt door middel van loting beslist over de rangschikking van de op één datum ontvangen aanvragen.
##### Artikel 117
@@ -1656,7 +1654,7 @@
- b. ten aanzien van de installatie is een vergunning als bedoeld in [artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.1) of een omgevingsvergunning als bedoeld in [artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024779&artikel=2.1) afgegeven;
- c. de installatie voldoet steeds aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 117, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=117&z=2012-10-06&g=2012-10-06);
- c. de installatie voldoet steeds aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 117, onderdelen c en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=117&z=2013-01-01&g=2013-01-01);
- d. de totale hoeveelheid in een kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde dierlijke meststoffen afkomstig van de diersoort waarop de ontheffing betrekking heeft, wordt uiterlijk in het daarop volgende kalenderjaar in de installatie verbrand of verwerkt en in datzelfde jaar worden de eindproducten die bij de mestverbranding of de mestverwerking ontstaan afgezet;
@@ -1670,7 +1668,7 @@
- i. indien de verbranding of de verwerking van de dierlijke meststoffen niet op een adequate wijze kan geschieden als gevolg van een storing van de installatie, doet de landbouwer hiervan binnen drie dagen melding aan de Dienst Regelingen; en
- j. Wijzigingen in de ingevolge [artikel 115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=115&z=2012-10-06&g=2012-10-06) verstrekte gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging, onder vermelding van het door de Dienst Regelingen ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer, gemeld aan deze dienst..
- j. Wijzigingen in de ingevolge [artikel 115](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=115&z=2013-01-01&g=2013-01-01) verstrekte gegevens worden uiterlijk 30 dagen na de datum van de wijziging, onder vermelding van het door de Dienst Regelingen ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer, gemeld aan deze dienst..
2. De landbouwer bewaart een afschrift van de overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen f en g, als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
@@ -1680,11 +1678,11 @@
1. De ontheffing geldt voor een periode van 10 jaar.
2. De periode vangt aan op het tijdstip waarop blijkens een aan de Dienst Regelingen te overleggen verklaring voldaan wordt aan de voorschriften, bedoeld in [artikel 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=118&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
2. De periode vangt aan op het tijdstip waarop blijkens een aan de Dienst Regelingen te overleggen verklaring voldaan wordt aan de voorschriften, bedoeld in [artikel 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=118&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
##### Artikel 120
1. De ontheffing kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken indien in strijd wordt gehandeld met één of meer bij of krachtens [artikel 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=118&z=2012-10-06&g=2012-10-06) gestelde voorschriften of indien overigens in strijd wordt gehandeld met de bij of krachtens de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054).
1. De ontheffing kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken indien in strijd wordt gehandeld met één of meer bij of krachtens [artikel 118](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=5&artikel=118&z=2013-01-01&g=2013-01-01) gestelde voorschriften of indien overigens in strijd wordt gehandeld met de bij of krachtens de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054).
2. De ontheffing wordt ingetrokken indien de producent, die de aanvraag om ontheffing heeft ingediend, het bedrijf ten aanzien waarvan de ontheffing is verleend, niet langer voert.
@@ -2059,86 +2057,88 @@
### **14. Zink (Zn)**
ISO 5315 – Fertilizers – Determination of total nitrogen – Titrimetric method after distillation.
Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
CSS 99020: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method (Dumas) (www.ecn.nl/horizontal).
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
Voor overige organische stoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge. (www.ecn.nl/horizontal).
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
EN 15477: Fertilizers – Determination of the water-soluble potassium content.
Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
Methode BNL-K-1: Bepaling van kalium, oplosbaar in water, in aanwezigheid van organische stof.
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
Horizontal methoden: (www.ecn/nl/horizontal):
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
CSS 99026: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – optical emissions spectrometry (ICP OES) method.
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
Voor overige organische stoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge. (www.ecn.nl/horizontal).
Methode BNL-K-1: Bepaling van kalium, oplosbaar in water, in aanwezigheid van organische stof.
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99022: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99022: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method (www.ecn.nl/horizontal).
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
### **IV. Protocol analyse droge stofgehalte in meststoffen**
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
EN 15477: Fertilizers – Determination of the water-soluble potassium content.
Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
Methode BNL-K-1: Bepaling van kalium, oplosbaar in water, in aanwezigheid van organische stof.
CSS 99022: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99026: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – optical emissions spectrometry (ICP OES) method.
NEN 6961: 2005
NEN 6961: 2005
Milieu – Ontsluiting met salpeterzuur en zoutzuur (koningswater) voor de bepaling van geselecteerde elementen in water, waterbodem, slib, slibhoudend water, luchtstof, grond en bouwstoffen.
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99025B Soil, sludge and treated biowaste – Digestion for the extraction of aqua regia soluble fraction of trace elements (www.ecn.nl/horizontal).
Horizontal methoden: (www.ecn/nl/horizontal):
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
Horizontal methoden: (www.ecn/nl/horizontal):
CSS 99026: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – optical emissions spectrometry (ICP OES) method.
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststoffen van anorganische oorsprong:
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99022: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99022: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method (www.ecn.nl/horizontal).
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
CSS 99023 Sludge, treated biowaste and soil – Determination of loss on ignition. (www.ecn.nl/horizontal).
Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
EN 12945: Liming materials – Determination of neutralizing value – Titrimetric methods.
NEN 6961: 2005
### **1. Ontsluiting en extractie Cd, Cr, Cu, Hg, Ni, Pb, Zn en As**
Voor overige organische meststoffen en kalkmeststoffen van organische oorsprong:
CSS 99022: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99025B Soil, sludge and treated biowaste – Digestion for the extraction of aqua regia soluble fraction of trace elements (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99026: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – optical emissions spectrometry (ICP OES) method.
NEN 6961: 2005
Milieu – Ontsluiting met salpeterzuur en zoutzuur (koningswater) voor de bepaling van geselecteerde elementen in water, waterbodem, slib, slibhoudend water, luchtstof, grond en bouwstoffen.
CSS 99025B Soil, sludge and treated biowaste – Digestion for the extraction of aqua regia soluble fraction of trace elements (www.ecn.nl/horizontal).
CSS 99027: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – mass spectrometry (ICP MS) method.
CSS 99028: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Flame atomic absorption spectrometry method.
Horizontal methoden: (www.ecn/nl/horizontal):
CSS 99026: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – optical emissions spectrometry (ICP OES) method.
CSS 99027: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Inductively coupled plasma – mass spectrometry (ICP MS) method.
CSS 99028: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Flame atomic absorption spectrometry method.
CSS 99029: Soil, sludge and treated biowaste – Determination of elements in aqua regia and nitric acid digests – Graphite furnace atomic absorption spectrometry method.
Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met grafietoventechniek.
@@ -2147,11 +2147,9 @@
Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma.
CSS 99016 Soils, sludges and treated bio-waste – Determination of polychlorinated biphenyls – Method by GC-MS and GC-ECD (www.ecn.nl/horizontal);
CSS 99030 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of mercury in aqua regia and nitric acid digests – Cold vapour atomic absorption spectrometry and cold vapour atomic fluorescence spectrometry methods
Bodem – Kwantitatieve bepaling van het gehalte van Organochloor Bestrijdingsmiddelen (OCB), polychloorbifenylen (PCB) en matig-vluchtige chloorbenzenen met gaschromatografie
CSS 99030 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of mercury in aqua regia and nitric acid digests – Cold vapour atomic absorption spectrometry and cold vapour atomic fluorescence spectrometry methods
CSS 99045 Soils, sludges and treated biowaste – Determination of dioxins and furans and dioxin-like polychlorinated biphenyls by gas chromatography with high resolution mass spectrometry (GC/HRMS). (www.ecn.nl/horizontal)
@@ -2375,6 +2373,8 @@
### Principe
in combinatie met NEN 6980 : 2006
Bodem – Kwantitatieve bepaling van het gehalte van Organochloor Bestrijdingsmiddelen (OCB), polychloorbifenylen (PCB) en matig-vluchtige chloorbenzenen met gaschromatografie
CSS 99015 Soils, sludges and traeted bio-waste – Polycyclic aromatic hydrocarbons (PAH) – Method by gas chromatography (GC) and high performance liquid chromatography (HPLC) (www.ecn.nl/horizontal).
@@ -2387,11 +2387,229 @@
Bodem – Kwantitatieve bepaling van het gehalte aan minerale olie met gaschromatografie.
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. In onderdeel I van dit protocol wordt aangegeven hoe de bemonstering van een perceel bouwland of grasland dient plaats te vinden. De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal, die respectievelijk staan omschreven in onderdeel II en III van dit protocol. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test die vergeleken moet worden met de waarden die opgenomen zijn in artikel 30, eerste en tweede lid van de regeling. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw monster gestoken te worden om het mengmonster te verkrijgen.
Bemonster met een geschikte boor grond tot 10 centimeter diepte op zowel grasland als bouwland dan wel tot 25 centimeter diepte op bouwland. Tot de aangegeven diepte dient de boor volledig met grond gevuld te zijn. Mijd bij bemonstering meststofresten.
## Bijlage B. , behorende bij [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=29&z=2012-10-06&g=2012-10-06) van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet: Werkingscoëfficiënt
## Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2013-01-01&g=2013-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
| grondsoort | kleigrond | kleigrond | zandgrond | zandgrond | lössgrond | lössgrond | veengrond | veengrond |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| jaar | 2010/2011 | 2012/2013 | 2010/2011 | 2012/2013 | 2010/2011 | 2012/2013 | 2010/2011 | 2012/2013 |
| **Gewas** | | | | | | | | |
| **Grasland (kg N per ha per jaar)** | | | | | | | | |
| Grasland met beweiden | 310 | 310 | 250 | 250 | 250 | 250 | 265 | 265 |
| Grasland met volledig maaien1 | 350 | 350 | 320 | 320 | 320 | 320 | 300 | 300 |
| | | | | | | | | |
| **Tijdelijk grasland (kg N per ha per periode)** | | | | | | | | |
| van 1 januari tot minstens 15 april | 60 | 60 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 |
| van 1 januari tot minstens 15 mei | 110 | 110 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 |
| van 1 januari tot minstens 15 augustus | 250 | 250 | 210 | 210 | 210 | 210 | 210 | 210 |
| van 1 januari tot minstens 15 september | 280 | 280 | 235 | 235 | 235 | 235 | 235 | 235 |
| van 1 januari tot minstens 15 oktober | 310 | 310 | 250 | 250 | 250 | 250 | 265 | 265 |
| vanaf 15 april tot minstens 15 oktober | 310 | 310 | 250 | 250 | 250 | 250 | 265 | 265 |
| vanaf 15 mei tot minstens 15 oktober | 280 | 280 | 235 | 235 | 235 | 235 | 235 | 235 |
| vanaf 15 augustus tot minstens 15 oktober | 95 | 95 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 |
| vanaf 15 september tot minstens 15 oktober | 30 | 30 | 25 | 25 | 25 | 25 | 25 | 25 |
| vanaf 15 oktober | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| | | | | | | | | |
| **Akkerbouwgewassen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Consumptieaardappelrassen hoge norm (**zie tabel 2**) | 275 | 275 | 270 | 260 | 265 | 255 | 270 | 270 |
| Consumptieaardappelrassen overig | 250 | 250 | 245 | 235 | 240 | 230 | 245 | 245 |
| Consumptieaardappelrassen lage norm (**zie tabel 2**) | 225 | 225 | 220 | 210 | 215 | 205 | 220 | 220 |
| Consumptieaardappel, vroeg | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 |
| Pootaardappelrassen hoge norm (**zie tabel 3**) | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Pootaardappelrassen overig | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 |
| Pootaardappelrassen lage norm (**zie tabel 3**) | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| Pootaardappelen, uitgroeiteelt | 180 | 180 | 170 | 165 | 170 | 165 | 170 | 170 |
| Zetmeelaardappelen | 240 | 240 | 230 | 230 | 230 | 230 | 230 | 230 |
| Suikerbieten | 150 | 150 | 145 | 145 | 145 | 145 | 145 | 145 |
| Cichorei | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 |
| Voederbieten | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 |
| Wintertarwe | 245 | 245 | 160 | 160 | 195 | 190 | 160 | 160 |
| Zomertarwe | 150 | 150 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Wintergerst | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Zomergerst | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 |
| Triticale | 160 | 160 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 |
| Winterrogge | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Haver | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| Maïs, bedrijven met derogatie | 160 | 160 | 150 | 140 | 150 | 140 | 150 | 150 |
| Maïs, bedrijven zonder derogatie | 185 | 185 | 150 | 140 | 150 | 140 | 150 | 150 |
| Luzerne, eerste jaar | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 |
| Luzerne, volgende jaren | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Graszaad, Engels raaigras, 1e jaars | 165 | 165 | 155 | 150 | 155 | 150 | 155 | 155 |
| Graszaad, Engels raaigras, overjarig | 200 | 200 | 190 | 185 | 190 | 185 | 190 | 190 |
| Graszaad, rietzwenkgras | 140 | 140 | 135 | 130 | 135 | 130 | 135 | 135 |
| Graszaad, rietzwenkgras, volgteelt | 60 | 60 | 55 | 50 | 55 | 50 | 55 | 55 |
| Graszaad, veldbeemd | 110 | 110 | 105 | 100 | 105 | 100 | 105 | 105 |
| Graszaad, veldbeemd, volgteelt | 60 | 60 | 55 | 50 | 55 | 50 | 55 | 55 |
| Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars | 85 | 85 | 80 | 75 | 80 | 75 | 80 | 80 |
| Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars, volgteelt | 35 | 35 | 35 | 35 | 35 | 35 | 35 | 35 |
| Graszaad, roodzwenkgras, overjarig | 115 | 115 | 110 | 105 | 110 | 105 | 110 | 110 |
| Graszaad, roodzwenkgras, overjarig, volgteelt | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 |
| Graszaad, westerwolds | 110 | 110 | 105 | 100 | 105 | 100 | 105 | 105 |
| Graszaad, Italiaans | 130 | 130 | 125 | 120 | 125 | 120 | 125 | 125 |
| Graszaad, overig | 90 | 90 | 85 | 80 | 85 | 80 | 85 | 85 |
| Graszaad, overig, volgteelt | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 |
| Graszoden | 340 | 340 | 340 | 340 | 340 | 340 | 340 | 340 |
| Ui, overig | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 |
| Zaaiui | 170 | 170 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 |
| Winterui, 2e jaars plantui | 170 | 170 | 160 | 155 | 160 | 155 | 160 | 160 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 130 | 130 | 125 | 120 | 125 | 120 | 125 | 125 |
| Blauwmaanzaad | 110 | 110 | 105 | 100 | 105 | 100 | 105 | 105 |
| Karwij | 150 | 150 | 145 | 140 | 145 | 140 | 145 | 145 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 90 | 90 | 85 | 80 | 85 | 80 | 85 | 85 |
| Koolzaad, winter | 205 | 205 | 195 | 190 | 195 | 190 | 195 | 195 |
| waarvan ten hoogste voor 31/12 (winterteelt) | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 |
| Koolzaad, zomer | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 |
| Vlas | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 |
| Akkerbouw overig | 200 | 200 | 190 | 185 | 190 | 185 | 190 | 190 |
| | | | | | | | | |
| **Bladgewassen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Spinazie, 1e teelt | 260 | 260 | 200 | 190 | 200 | 190 | 200 | 200 |
| Spinazie, volgteelt | 185 | 185 | 150 | 145 | 150 | 145 | 150 | 150 |
| Slasoorten, 1e teelt | 180 | 180 | 170 | 165 | 170 | 165 | 170 | 170 |
| Slasoorten, volgteelt | 105 | 105 | 105 | 105 | 105 | 105 | 105 | 105 |
| Andijvie, 1e teelt | 180 | 180 | 170 | 170 | 170 | 170 | 170 | 170 |
| Andijvie, volgteelt | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 |
| Selderij, bleek/groen | 200 | 200 | 190 | 185 | 190 | 185 | 190 | 190 |
| Prei | 245 | 245 | 235 | 225 | 235 | 225 | 235 | 235 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 100 | 100 | 95 | 90 | 95 | 90 | 95 | 95 |
| Bladgewassen, overig, eenmalige oogst | 150 | 150 | 145 | 140 | 145 | 140 | 145 | 145 |
| Bladgewassen, overig, meermalige oogst | 275 | 275 | 260 | 250 | 260 | 250 | 260 | 260 |
| | | | | | | | | |
| **Koolgewassen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Spruitkool | 290 | 290 | 275 | 265 | 275 | 265 | 275 | 275 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 |
| Witte kool | 320 | 320 | 305 | 290 | 305 | 290 | 305 | 305 |
| Rode kool | 285 | 285 | 270 | 260 | 270 | 260 | 270 | 270 |
| Savooiekool | 285 | 285 | 270 | 260 | 270 | 260 | 270 | 270 |
| Spitskool | 285 | 285 | 270 | 260 | 270 | 260 | 270 | 270 |
| Bloemkool | 230 | 230 | 220 | 210 | 220 | 210 | 220 | 220 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 120 | 120 | 115 | 110 | 115 | 110 | 115 | 115 |
| Broccoli | 270 | 270 | 245 | 235 | 245 | 235 | 245 | 245 |
| Chinese kool | 180 | 180 | 160 | 155 | 160 | 155 | 160 | 160 |
| Boerenkool | 170 | 170 | 160 | 155 | 160 | 155 | 160 | 160 |
| Paksoi | 180 | 180 | 170 | 165 | 170 | 165 | 170 | 170 |
| Raapstelen | 140 | 140 | 135 | 130 | 135 | 130 | 135 | 135 |
| | | | | | | | | |
| **Kruiden (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Kruiden, bladgewas, eenmalige oogst | 150 | 150 | 145 | 140 | 145 | 140 | 145 | 145 |
| Kruiden, bladgewas, meermalig oogsten | 275 | 275 | 260 | 250 | 260 | 250 | 260 | 260 |
| Kruiden, wortelgewassen | 200 | 200 | 190 | 185 | 190 | 185 | 190 | 190 |
| Kruiden, zaadgewassen | 100 | 100 | 95 | 90 | 95 | 90 | 95 | 95 |
| | | | | | | | | |
| **Vruchtgewassen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Aardbei (wachtbed, vermeerdering) | 120 | 120 | 115 | 110 | 115 | 110 | 115 | 115 |
| Aardbei (productie) | 170 | 170 | 160 | 155 | 160 | 155 | 160 | 160 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 80 | 80 | 75 | 70 | 75 | 70 | 75 | 75 |
| Komkommerachtigen (augurk, courgette, meloen, pompoen) | 190 | 190 | 180 | 175 | 180 | 175 | 180 | 180 |
| Komkommerachtigen (augurk, courgette, meloen, pompoen) | 190 | 190 | 180 | 175 | | | 180 | 180 |
| Suikermaïs | 200 | 200 | 190 | 185 | 190 | 185 | 190 | 190 |
| Stam/stokboon, vers | 120 | 120 | 115 | 110 | 115 | 110 | 115 | 115 |
| Landbouwstambonen, rijp zaad | 135 | 135 | 135 | 135 | 135 | 135 | 135 | 135 |
| Veld- en tuinbonen, vers + rijp zaad | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 |
| Tuinbonen, vers/peulen | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 |
| Erwt, vers + rijp zaad | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 |
| Peul | 90 | 90 | 85 | 85 | 85 | 85 | 85 | 85 |
| | | | | | | | | |
| **Stengel/knol/wortelgewassen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Asperge (excl. opkweek) | 85 | 85 | 80 | 75 | 80 | 75 | 80 | 80 |
| Knolselderij | 200 | 200 | 190 | 185 | 190 | 185 | 190 | 190 |
| Knolvenkel/venkel | 180 | 180 | 170 | 165 | 170 | 165 | 170 | 170 |
| Koolraap | 170 | 170 | 160 | 155 | 160 | 155 | 160 | 160 |
| Koolrabi | 180 | 180 | 170 | 165 | 170 | 165 | 170 | 170 |
| Kroten/rode bieten | 185 | 185 | 175 | 170 | 175 | 170 | 175 | 175 |
| Winterpeen/waspeen | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 |
| Bospeen | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 |
| Rabarber | 250 | 250 | 240 | 230 | 240 | 230 | 240 | 240 |
| Radijs | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 |
| Schorseneer | 170 | 170 | 170 | 170 | 170 | 170 | 170 | 170 |
| Witlof | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| Vollegrondsgroenten, overig | 200 | 200 | 190 | 185 | 190 | 185 | 190 | 190 |
| | | | | | | | | |
| **Groenbemesters (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Niet-vlinderbloemige groenbemesters (bladrammenas, gele mosterd, gras/granen) | 60 | 60 | 50 | 50 | 50 | 50 | 60 | 60 |
| Vlinderbloemige groenbemesters (wikke) | 30 | 30 | 25 | 25 | 25 | 25 | 30 | 30 |
| Tagetes | 90 | 90 | 80 | 80 | 80 | 80 | 90 | 90 |
| | | | | | | | | |
| **Bloembollengewassen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Acidanthera | 255 | 255 | 240 | 240 | 240 | 240 | 240 | 240 |
| Anemone coronaria | 130 | 130 | 125 | 125 | 125 | 125 | 125 | 125 |
| Fritillaria imperialis | 135 | 135 | 130 | 130 | 130 | 130 | 130 | 130 |
| Hyacint | 220 | 220 | 210 | 210 | 210 | 210 | 210 | 210 |
| Iris, grofbollig | 170 | 170 | 160 | 160 | 160 | 160 | 160 | 160 |
| Iris, fijnbollig | 140 | 140 | 135 | 135 | 135 | 135 | 135 | 135 |
| Krokus, grote gele | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 |
| Krokus, overig | 90 | 90 | 85 | 85 | 85 | 85 | 85 | 85 |
| Narcis | 145 | 145 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Tulp | 200 | 200 | 190 | 190 | 190 | 190 | 190 | 190 |
| Dahlia | 110 | 110 | 105 | 105 | 105 | 105 | 105 | 105 |
| Gladiool, pitten | 260 | 260 | 245 | 245 | 245 | 245 | 245 | 245 |
| Gladiool, kralen | 190 | 190 | 180 | 180 | 180 | 180 | 180 | 180 |
| Knolbegonia | 150 | 150 | 145 | 145 | 145 | 145 | 145 | 145 |
| Lelie | 155 | 155 | 145 | 145 | 145 | 145 | 145 | 145 |
| Zantedeschia | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 |
| Overige bolgewassen | 165 | 165 | 155 | 155 | 155 | 155 | 155 | 155 |
| | | | | | | | | |
| **Fruitteeltgewassen (kg N per ha per jaar)** | | | | | | | | |
| Appel | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 |
| Blauwe bes | 100 | 100 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 |
| Braam | 150 | 150 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Framboos | 150 | 150 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Kers | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 |
| Peer | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 |
| Pruim | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 |
| Rode bes | 150 | 150 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Wijnbouw | 100 | 100 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 |
| Zwarte bes | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 |
| | | | | | | | | |
| **Buitenbloemen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Buitenbloemen hoge norm (**zie tabel 4**) | 200 | 200 | 200 | 200 | 200 | 200 | 200 | 200 |
| Buitenbloemen overig | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 |
| | | | | | | | | |
| **Boomkwekerijgewassen (kg N per ha per jaar)** | | | | | | | | |
| Laanbomen: onderstammen | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 |
| Laanbomen: spillen | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 |
| Laanbomen: opzetters | 115 | 115 | 115 | 115 | 115 | 115 | 115 | 115 |
| Sierheesters | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 |
| Coniferen (inclusief kerstsparren en dennen) | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 |
| Rozen (incl. zaailingen, onderstammen) | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 |
| Bos- en Haagplantsoen | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 |
| Vaste planten | 175 | 175 | 175 | 175 | 175 | 175 | 175 | 175 |
| Vruchtbomen: onderstammen | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 |
| Vruchtbomen: moerbomen | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 |
| Vruchtbomen | 135 | 135 | 105 | 105 | 105 | 105 | 105 | 105 |
| Trek- en besheesters | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 |
| Snijgroen | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 |
| Ericaceae | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 |
| Buxus | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 |
| | | | | | | | | |
| **Bosbouw (kg N per ha per jaar)** | | | | | | | | |
| Snelgroeiende houtsoorten voor biomassaproductie | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 |
1 Onder ‘grasland met volledig maaien’ wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voor zover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren of waar hobbymatig gehouden dieren worden geweid.
| Consumptieaardappelrassen met een hoge stikstofnorm | Consumptieaardappelrassen met een lage stikstofnorm |
| --- | --- |
| Adora Annabelle Bintje Carlita Courage Draga Felsina Fontane Innovator Inova Jaerla Lady Blanca Lady Olympia Lady Rosetta Liseta Maritiema Marlen Miranda Ramos Redstar Sante Satellite Victoria VR 808 Zorba | Agria Allure Alpha Aprilia Asterix Aziza Ballys Baraka Bartina Caesar Dore Eigenheimer El Paso Futura Gloria Irene Maradonna Markies Milva Minerva Mondial Morene Mozart Producent Remarka Rodeo Safari Saphire Simply Red Spirit Terra Gold Ukama Vision |
| Pootaardappelrassen met een hoge stikstofnorm | Pootaardappelrassen met een lage stikstofnorm |
| --- | --- |
| Adora Agata Annabelle Arinda Berber Binella Climax Donald Elisabeth Fontane Gloria Inova Jaerla Junior Lady Rosetta Lady Olympia Leyla Linzer Delikatess Miriam Orinana Premiere Primura Prior Rikea Romano Satellite Sirco Sirtema Sofia (AR 93-272) Tresor Ukama | Arcade Astarte Asterix Baraka Bartina Diamant Dolce Vita Elles Elvira Everest Florijn Kardal Karnico Maradonna Mondial Morene Mozart Picasso Remarka Resonant Rodeo Saphire Sifra Simply Red Spirit Van Gogh Vebesta Vento Voyager |
| Alchemilla mollis |
| --- |
| Carthamus |
| Gypsophila paniculata |
| Lymonium |
| Lysimachia |
| Paeonia |
| Solidago |
| Veronica |
| Accord Agria Amora Anosta Arcade Asterix Bintje Challenger Daisy Dolce Vita Donald Fianna Felsina Florida | Fresco Fontane Frieslander Innovator Kennebec Lady Amarilla Lady Blanca Lady Olympia Marijke Maritiema Markies Miranda Miriam Premiere | Ramos Remarka Russet Burbank Sagitta Santana Shepody Spirit Sinora Ukama Umatilla Russet Van Gogh Victoria Zorba |
| --- | --- | --- |
## Bijlage B. , behorende bij [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=29&z=2013-01-01&g=2013-01-01) van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet: Werkingscoëfficiënt
| Soort/herkomst meststof ¹ | Toepassing ¹ | WC |
| --- | --- | --- |
@@ -2423,20 +2641,20 @@
¹ Zonder nadere vermelding geldt de genoemde coëfficiënt voor alle grondsoorten, ongeacht herkomst en voor het gehele jaar, tenzij aanwenden op basis van het Besluit gebruik meststoffen is verboden
## Bijlage C. behorende bij de [artikelen 30 tot en met 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2012-10-06&g=2012-10-06)
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal voor de toepassing van reparatiebemesting op fosfaatarme of fosfaatfixerende gronden
### Principe
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal voor de toepassing van reparatiebemesting op fosfaatarme of fosfaatfixerende gronden
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. In onderdeel I van dit protocol wordt aangegeven hoe de bemonstering van een perceel bouwland of grasland dient plaats te vinden. De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal, die respectievelijk staan omschreven in onderdeel II en III van dit protocol. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test die vergeleken moet worden met de waarden die opgenomen zijn in artikel 30, eerste en tweede lid van de regeling. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw monster gestoken te worden om het mengmonster te verkrijgen.
### Onderdeel I. Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
### Onderdeel I. Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
Voor de bemonstering van een perceel landbouwgrond dan wel gewasperceel dienen de volgende stappen uitgevoerd te worden. Markeer de vormbepalende hoekpunten en leg met een Global Positioning System (GPS) de omvang en vorm van het perceel vast. Bij niet rechthoekige percelen dienen zoveel extra punten meegenomen te worden dat de contouren van het perceel vastgelegd zijn. De afwijking van de GPS mag niet groter zijn dan 5 meter. De bemestingsvrije zones dienen bij deze bepaling niet meegenomen te worden. Indien het perceel verdeeld is onder meerdere gebruikers, dan wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd.
Voor de bemonstering van een perceel landbouwgrond dan wel gewasperceel dienen de volgende stappen uitgevoerd te worden. Markeer de vormbepalende hoekpunten en leg met een Global Positioning System (GPS) de omvang en vorm van het perceel vast. Bij niet rechthoekige percelen dienen zoveel extra punten meegenomen te worden dat de contouren van het perceel vastgelegd zijn. De afwijking van de GPS mag niet groter zijn dan 5 meter. De bemestingsvrije zones dienen bij deze bepaling niet meegenomen te worden. Indien het perceel verdeeld is onder meerdere gebruikers, dan wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd.
Bepaal de grootte van het perceel. Het perceel dient onderverdeeld te worden in blokken (stratificatie) aan de hand van het speciaal daarvoor opgestelde software programma. Het softwareprogramma dient geïnstalleerd te worden op een computer1Handheld, desktop of laptop. . De blokken zijn dan van gelijke grootte, zo compact mogelijk samengesteld en de bemonsteringspunten zo goed mogelijk verdeeld over het perceel. Het aantal blokken is dan gelijk aan het aantal bemonsteringspunten. Het aantal bemonsteringspunten neemt toe met de oppervlakte van het perceel (tabel 1). Op elk bemonsteringspunt wordt grond bemonsterd van de voorgeschreven bodemlaag. De hoeveelheid (volume) gestoken grond is gelijk voor alle bemonsteringspunten. Bemonstering van het betreffende perceel dient minimaal twee maanden na bekalking plaats te vinden.
Selecteer per blok volledig aselect met behulp van het software programma één bemonsteringspunt. Lokaliseer deze punten met GPS. Indien een gelokaliseerd bemonsteringspunt buiten het perceel valt, bemonster dan het meest dichtbij gelegen punt binnen het perceel.
@@ -2449,8 +2667,6 @@
Eventueel wordt op een bemonsteringspunt tweemaal een monster gestoken om de minimale hoeveelheid grond te verzamelen, maar dit dient dan op alle bemonsteringspunten te gebeuren.
Breng het monster over naar het laboratorium voor verdere behandeling. Droog het grondmonster binnen drie dagen. Indien drogen van het mengmonster binnen de genoemde termijn niet mogelijk is dient het grondmonster in een niet-luchtdicht afgesloten plastic zak bij 5°C ± 3°C in het donker bewaard te worden. Het monster mag maximaal drie maanden worden bewaard. Indien het monster niet binnen deze drie maanden geanalyseerd wordt, dient een nieuw (meng)monster genomen te worden.
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
Behandel het grondmonster voor volgens de norm NEN 5709. De voorbehandeling resulteert na drogen bij 40°C ± 2°C en breken van de grond in deeltjes kleiner dan 2 mm (D95 < 2 mm). Verdere verkleining van de deeltjesgrootte van 2 mm tot fijnere fracties dient zoveel mogelijk te worden voorkomen.
@@ -2461,482 +2677,486 @@
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing met een pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauwmethode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing met een pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauwmethode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
### 2. Benodigde reagentia
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
2.1 Azijnzuur 100% pro analyse
2.2 Melkzuur, soortelijk gewicht 1,2 gram/centimeter3
2.3 Ammonia 25%
2.4 Actieve kool (zie opmerking 5.2)
2.5 Moederoplossing voor extractievloeistof.
Geef eerst het melkzuur een voorbehandeling om de lactiden, die altijd aanwezig zijn, door hydrolyse om te zetten in melkzuur (zie ook opmerking 5.1). Handel daarvoor als volgt: verdun 1 liter melkzuur met een soortelijk gewicht van 1,2 gram/centimeter3 met 2 liter water. Dek de kolf af met een horlogeglas en zet deze gedurende 48 uur in de stoof bij 95°C. Laat de oplossing daarna aan de lucht afkoelen. Bepaal van dit ‘verdunde melkzuur’ de normaliteit. Pipetteer daarvoor 100 milliliter in een maatkolf van 100 milliliter, en vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met 0,1 N NaOH en met phenolphtalein (of fenolftaline) als indicator.
Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.
Stel de gevonden normaliteit van het ‘verdunde melkzuur’ = a.
Stel de gevonden normaliteit van de ijsazijn = b.
Bepaal de normaliteit van de ammonia. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de geconcentreerde ammonia in een maatkolf van 500 milliliter, waarin zich al 400 milliliter water bevindt; vul aan met water tot de maatstreep en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde HCl 0,1N met methyloranje als indicator.
Stel de gevonden normaliteit van de ammonia = c.
Breng voor het bereiden van de moederoplossing de genoemde vloeistoffen respectievelijk 10000/a milliliter ‘verdund melkzuur’, 40000/b milliliter ijsazijn en 10000/c milliliter geconcentreerde ammonia in een fles van 10 liter, waarin zich circa 3 liter water bevindt. Meng, koel af aan de lucht, vul met water aan tot 10 liter en meng weer.
Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.
Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.
De volgende drie oplossingen dienen samengesteld te worden. De oplossingen zijn nodig voor de bepaling van het fosfaatgehalte.
De volgende drie oplossingen dienen samengesteld te worden. De oplossingen zijn nodig voor de bepaling van het fosfaatgehalte.
Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.
Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.
Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 - zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.
Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 - zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.
Oplossing III.
Los 3900 gram natriumacetaat (NaC2H3O2.3H2O) op inwater (of 3400 gram watervrij natriumacetaat) vul aan met water tot 10 liter en meng.
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter= 1 milligram fosfaat (P2O5).
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter= 1 milligram fosfaat (P2O5).
Verdun de standaardoplossing 20 keer. Pipetteer hiervoor 50 milliliter standaardoplossing in een maatkolf van 1 liter. Vul aan met water tot de maatstreep en meng. Conserveer met enkele druppels koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 0,05 milligram P2O5. Bewaar de standaardoplossing in de koelkast.
### 3. Werkwijze
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
Voeg anders aan het filtraat opnieuw actieve kool toe, schud even flink en filtreer opnieuw. Handel voor de blanco bepalingen op geheel dezelfde wijze als bij het monsteronderzoek. Vergeet daarbij dus ook niet de toevoeging van de actieve kool.
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
Zwenk om en voeg na een kwartier wachten 20 milliliter van oplossing III toe.
Neem op deze wijze ook een tweetal standaardbepalingen mee, die 0,5 milligram P2O5 bevatten. Vul de kolfjes aan met water tot de maatstreep, meng goed en meet in de spectrofotometer de extinctie in een cuvet van 10 millimeter doorsnede, bij een golflengte van 735 nanometer. Stel voor de berekening van het fosfaatgehalte als volgt de ijkfactor vast.
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
De bepaling van het fosforgehalte in het waterig extract kan ook uitgevoerd worden door middel van een spectrofotometrische bepaling in een doorstroomanalysesysteem bij toepassing van een identieke molybdeenblauwkleuring.
Als Ea de extinctie is, gemeten voor het monster, Eb die van de blanco-bepaling dan wordt de berekening als volgt:
Als Ea de extinctie is, gemeten voor het monster, Eb die van de blanco-bepaling dan wordt de berekening als volgt:
(Ea–Eb) x (50/milliliter filtraat) x F x 100/2,5 = milligram P2O5 per 100 gram luchtdroge grond.
Voor 25 milliliter filtraat wordt de berekeningsformule dan:
(Ea – Eb) x 2 x 1,9 x 100/2,5 = (Ea - Eb) x 152 = milligram P2O5 per 100 gram grond
Hierin is:
5.1 Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.
### 1. Abstract
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing met een pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauwmethode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
Bij de bepaling van het PAL-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p.19–22.
### 2. Benodigde reagentia
5.2 De kool dient voor de ontkleuring van het grondextract, dat door humeuze verbindingen meer of minder bruin gekleurd kan zijn. Het preparaat mag dus geen kationen of anionen aan het extract afgeven of er uit adsorberen.
5.3 Het verdunnen en verhitten van het melkzuur dient om de lactiden, die altijd aanwezig zijn door hydrolyse om te zetten in melkzuur. In sommige preparaten kan de concentratie aan lactiden 20% bedragen. De verdunde oplossing wordt hierdoor instabiel, tenzij men de lactiden vooraf hydrolyseert. De reactie die zich onder de voorgeschreven omstandigheden voltrekt, is onomkeerbaar. Geconcentreerd melkzuur bevat:
Titreert men een dergelijk mengsel, na verdunning met water en natronloog van bekende sterkte onder toevoeging van phenolphtalein (fenolftaline) als indicator, dan bepaalt men slechts het melkzuur. Geeft men vervolgens een bekende overmaat natronloog en laat men de oplossing nu gedurende een half uur staan, dan worden eventueel aanwezige lactiden in melkzuur omgezet, waardoor natronloog wordt verbruikt. De resterende hoeveelheid loog wordt met zoutzuur van bekende sterkte teruggetitreerd. Blijkt dat van de overmaat aan loog niets is verbruikt, dan bevatte de onderzochte oplossing enkel melkzuur.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
2.1 Azijnzuur 100% pro analyse
2.2 Melkzuur, soortelijk gewicht 1,2 gram/centimeter3
2.3 Ammonia 25%
2.4 Actieve kool (zie opmerking 5.2)
2.5 Moederoplossing voor extractievloeistof.
Geef eerst het melkzuur een voorbehandeling om de lactiden, die altijd aanwezig zijn, door hydrolyse om te zetten in melkzuur (zie ook opmerking 5.1). Handel daarvoor als volgt: verdun 1 liter melkzuur met een soortelijk gewicht van 1,2 gram/centimeter3 met 2 liter water. Dek de kolf af met een horlogeglas en zet deze gedurende 48 uur in de stoof bij 95°C. Laat de oplossing daarna aan de lucht afkoelen. Bepaal van dit ‘verdunde melkzuur’ de normaliteit. Pipetteer daarvoor 100 milliliter in een maatkolf van 100 milliliter, en vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met 0,1 N NaOH en met phenolphtalein (of fenolftaline) als indicator.
Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.
Stel de gevonden normaliteit van het ‘verdunde melkzuur’ = a.
Stel de gevonden normaliteit van de ijsazijn = b.
Bepaal de normaliteit van de ammonia. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de geconcentreerde ammonia in een maatkolf van 500 milliliter, waarin zich al 400 milliliter water bevindt; vul aan met water tot de maatstreep en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde HCl 0,1N met methyloranje als indicator.
Stel de gevonden normaliteit van de ammonia = c.
Breng voor het bereiden van de moederoplossing de genoemde vloeistoffen respectievelijk 10000/a milliliter ‘verdund melkzuur’, 40000/b milliliter ijsazijn en 10000/c milliliter geconcentreerde ammonia in een fles van 10 liter, waarin zich circa 3 liter water bevindt. Meng, koel af aan de lucht, vul met water aan tot 10 liter en meng weer.
Los 3900 gram natriumacetaat (NaC2H3O2.3H2O) op inwater (of 3400 gram watervrij natriumacetaat) vul aan met water tot 10 liter en meng.
Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.
Oplossing III.
De volgende drie oplossingen dienen samengesteld te worden. De oplossingen zijn nodig voor de bepaling van het fosfaatgehalte.
Oplossing III.
Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.
Romano
Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 - zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.
Oplossing III.
Los 3900 gram natriumacetaat (NaC2H3O2.3H2O) op inwater (of 3400 gram watervrij natriumacetaat) vul aan met water tot 10 liter en meng.
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter= 1 milligram fosfaat (P2O5).
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
Verdun de standaardoplossing 20 keer. Pipetteer hiervoor 50 milliliter standaardoplossing in een maatkolf van 1 liter. Vul aan met water tot de maatstreep en meng. Conserveer met enkele druppels koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 0,05 milligram P2O5. Bewaar de standaardoplossing in de koelkast.
### 3. Werkwijze
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
Voeg anders aan het filtraat opnieuw actieve kool toe, schud even flink en filtreer opnieuw. Handel voor de blanco bepalingen op geheel dezelfde wijze als bij het monsteronderzoek. Vergeet daarbij dus ook niet de toevoeging van de actieve kool.
Vul een buret met de verdunde standaardoplossing. Laat hieruit in maatkolfjes van 100 milliliter respectievelijk 0, 2, 4, 6, 8, 10, 20 en 30 milliliter vloeien. Deze reeks bevat dan respectievelijk 0; 0,1; 0,2; 0,3; 0,4; 0,5; 1,0 en 1,5 milligram P2O5. Vul het volume aan met water tot circa 40 milliliter. Voeg vervolgens 10 milliliter toe van oplossing I, zwenk om, voeg daarna 10 milliliter van oplossing II toe, zwenk weer om en voeg na 20 minuten wachten 20 milliliter van oplossing III toe. Zwenk om, vul aan met water tot de maatstreep en meng. Meet de extinctie in een cuvet van 10 millimeter in de spectrofotometer bij een golflengte van 735 nanometer. Bereken de ijkfactor door de som van de P2O5 dosering van de reeks 4,0 milligram P2O5 te delen door de som van de netto-extincties (dit zijn de extincties die verminderd zijn met de extinctie van de 0-proef van de reeks). De waarde van de ijkfactor bedraagt ongeveer 1,90.
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
Zwenk om en voeg na een kwartier wachten 20 milliliter van oplossing III toe.
Neem op deze wijze ook een tweetal standaardbepalingen mee, die 0,5 milligram P2O5 bevatten. Vul de kolfjes aan met water tot de maatstreep, meng goed en meet in de spectrofotometer de extinctie in een cuvet van 10 millimeter doorsnede, bij een golflengte van 735 nanometer. Stel voor de berekening van het fosfaatgehalte als volgt de ijkfactor vast.
Vul een buret met de verdunde standaardoplossing. Laat hieruit in maatkolfjes van 100 milliliter respectievelijk 0, 2, 4, 6, 8, 10, 20 en 30 milliliter vloeien. Deze reeks bevat dan respectievelijk 0; 0,1; 0,2; 0,3; 0,4; 0,5; 1,0 en 1,5 milligram P2O5. Vul het volume aan met water tot circa 40 milliliter. Voeg vervolgens 10 milliliter toe van oplossing I, zwenk om, voeg daarna 10 milliliter van oplossing II toe, zwenk weer om en voeg na 20 minuten wachten 20 milliliter van oplossing III toe. Zwenk om, vul aan met water tot de maatstreep en meng. Meet de extinctie in een cuvet van 10 millimeter in de spectrofotometer bij een golflengte van 735 nanometer. Bereken de ijkfactor door de som van de P2O5 dosering van de reeks 4,0 milligram P2O5 te delen door de som van de netto-extincties (dit zijn de extincties die verminderd zijn met de extinctie van de 0-proef van de reeks). De waarde van de ijkfactor bedraagt ongeveer 1,90.
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
(Ea – Eb) x 2 x 1,9 x 100/2,5 = (Ea - Eb) x 152 = milligram P2O5 per 100 gram grond
Als Ea de extinctie is, gemeten voor het monster, Eb die van de blanco-bepaling dan wordt de berekening als volgt:
(Ea–Eb) x (50/milliliter filtraat) x F x 100/2,5 = milligram P2O5 per 100 gram luchtdroge grond.
Voor 25 milliliter filtraat wordt de berekeningsformule dan:
(Ea – Eb) x 2 x 1,9 x 100/2,5 = (Ea - Eb) x 152 = milligram P2O5 per 100 gram grond
### 1. Abstract
### 2.4. Ascorbinezuur-oplossing 1,75%
Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23–26.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
### 2.1. Zwavelzuur 5N
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50°C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50°C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.
Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcilinder) wordt de volgende oplossing bereid.
Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcilinder) wordt de volgende oplossing bereid.
In een maatkolf van 200 milliliter 0,550 gram kaliumantimonyltartraat (KSb OC4H4O6.½H2O) in gedestilleerd water oplossen en verdunnen tot 200 milliliter.
Deze oplossing moet binnen een week worden gebruikt en worden bewaard bij kamertemperatuur, in een koelkast bij enkele graden boven 0ºC langer.
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
Laat het mengreagens ongeveer 20 minuten staan en, indien noodzakelijk, filtreer het mengreagens ter verwijdering van een soms gevormd blauw colloïdaal neerslag. Het blauw colloïdaal neerslag kan hoge blancowaarden geven bij de bepaling.
Los 1,9167 gram KH2PO4(volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedestilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.
Los 1,9167 gram KH2PO4(volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedestilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.
Verdun 10 milliliter voorraadoplossing tot 1 liter. 10 milliliter van deze gebruiksoplossing bevat 100 microgram P2O5.
Pipetteer in maatkolven van 200 milliliter: 10, 20, 40, 60, 80 milliliter gebruiksoplossing en vul aan tot 200 milliliter. Deze standaardoplossing bevat per 20 milliliter respectievelijk: 10, 20, 40, 60, 80 microgram P2O5.
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 milliliter:
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 milliliter:
20 milliliter mengreagens 6) + 20 milliliter standaardoplossingen en meng goed.
Meet, nadat de oplossing 20 minuten heeft gestaan, de lichtabsorptie van de oplossing in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij golflengte 882 nanometer of bij 720 nanometer.
De droge, tot een doorsnede van kleiner dan 2 millimeter verkleinde, gezeefde grond wordt geschept met een cilindrisch vaatje met bolvormige bodem, met een inhoud van 1,2 centimeter3. Door drie maal zacht aankloppen wordt de grond in dichte pakking gebracht en vervolgens dient de overmaat afgestreken te worden tot het niveau gelijk is aan de rand van het vaatje. Daarna wordt het afgemeten volume grond kwantitatief overgebracht in een schudfles van 125 centimeter3 inhoud.
### 4. Berekening
De schudflessen met grond worden gedurende één nacht in een droogstoof gezet bij circa 40°C. Na afkoeling wordt dan 2 milliliter gedestilleerd water toegevoegd en even met de hand geschud om water en grond te mengen. Daarna de flesjes afsluiten en gedurende 22 uren bij een temperatuur van 20°C laten staan. Vervolgens wordt 70 milliliter gedestilleerd water van 20°C toegevoegd en aansluitend gedurende 1 uur geschud bij 20°C met een schudsnelheid van 160–170 slagen per minuut.
Na het schudden wordt gefiltreerd door een dubbelfilter (hard en asvrij). Tussen het schudden en het filtreren een vaste wachttijd (bijvoorbeeld 10 minuten) in acht nemen. De eerste doorlopende milliliters filtraat – in 4 minuten –, die vaak troebel zijn, worden afgevoerd of opnieuw op het filter gebracht. Daarna loopt het filtraat meestal helder door. Zie ook opmerking 5.1.
In erlenmeyers of flesjes van circa 100 milliliter wordt dan 20 milliliter mengreagens (zie 2.6) gepipetteerd en daarna 20 milliliter filtraat. Meng goed en laat 20 minuten staan. Meet de lichtabsorptie van de oplossingen in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij een golflengte van 882 nanometer.
De bepaling van het fosforgehalte in het waterig extract kan ook uitgevoerd worden door middel van een spectrofotometrische bepaling in een doorstroomanalysesysteem bij toepassing van een identieke molybdeenblauwkleuring
### 4. Berekening
De uitkomst van de bepaling, het Pw-getal bij volumeverhouding 1:60 wordt uitgedrukt in microgram P2O5 in het filtraat per 1 centimeter3 grond
(Ea - Eb) x F x 3 = aantal microgram P2O5/centimeter3 grond = aantal milligram P2O5/liter grond.
Hierin is:
Titreert men een dergelijk mengsel, na verdunning met water en natronloog van bekende sterkte onder toevoeging van phenolphtalein (fenolftaline) als indicator, dan bepaalt men slechts het melkzuur. Geeft men vervolgens een bekende overmaat natronloog en laat men de oplossing nu gedurende een half uur staan, dan worden eventueel aanwezige lactiden in melkzuur omgezet, waardoor natronloog wordt verbruikt. De resterende hoeveelheid loog wordt met zoutzuur van bekende sterkte teruggetitreerd. Blijkt dat van de overmaat aan loog niets is verbruikt, dan bevatte de onderzochte oplossing enkel melkzuur.
5.1 Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.
### 1. Abstract
5.3 Het verdunnen en verhitten van het melkzuur dient om de lactiden, die altijd aanwezig zijn door hydrolyse om te zetten in melkzuur. In sommige preparaten kan de concentratie aan lactiden 20% bedragen. De verdunde oplossing wordt hierdoor instabiel, tenzij men de lactiden vooraf hydrolyseert. De reactie die zich onder de voorgeschreven omstandigheden voltrekt, is onomkeerbaar. Geconcentreerd melkzuur bevat:
Titreert men een dergelijk mengsel, na verdunning met water en natronloog van bekende sterkte onder toevoeging van phenolphtalein (fenolftaline) als indicator, dan bepaalt men slechts het melkzuur. Geeft men vervolgens een bekende overmaat natronloog en laat men de oplossing nu gedurende een half uur staan, dan worden eventueel aanwezige lactiden in melkzuur omgezet, waardoor natronloog wordt verbruikt. De resterende hoeveelheid loog wordt met zoutzuur van bekende sterkte teruggetitreerd. Blijkt dat van de overmaat aan loog niets is verbruikt, dan bevatte de onderzochte oplossing enkel melkzuur.
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50°C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
### 2.1. Zwavelzuur 5N
### 2.4. Ascorbinezuur-oplossing 1,75%
In een maatkolf van 200 milliliter 0,550 gram kaliumantimonyltartraat (KSb OC4H4O6.½H2O) in gedestilleerd water oplossen en verdunnen tot 200 milliliter.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
### 2.1. Zwavelzuur 5N
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
Laat het mengreagens ongeveer 20 minuten staan en, indien noodzakelijk, filtreer het mengreagens ter verwijdering van een soms gevormd blauw colloïdaal neerslag. Het blauw colloïdaal neerslag kan hoge blancowaarden geven bij de bepaling.
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50°C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
In een maatkolf van 200 milliliter 0,550 gram kaliumantimonyltartraat (KSb OC4H4O6.½H2O) in gedestilleerd water oplossen en verdunnen tot 200 milliliter.
Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.
In een maatkolf van 200 milliliter 0,550 gram kaliumantimonyltartraat (KSb OC4H4O6.½H2O) in gedestilleerd water oplossen en verdunnen tot 200 milliliter.
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
Laat het mengreagens ongeveer 20 minuten staan en, indien noodzakelijk, filtreer het mengreagens ter verwijdering van een soms gevormd blauw colloïdaal neerslag. Het blauw colloïdaal neerslag kan hoge blancowaarden geven bij de bepaling.
Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcilinder) wordt de volgende oplossing bereid.
In een maatkolf van 200 milliliter 0,550 gram kaliumantimonyltartraat (KSb OC4H4O6.½H2O) in gedestilleerd water oplossen en verdunnen tot 200 milliliter.
Deze oplossing moet binnen een week worden gebruikt en worden bewaard bij kamertemperatuur, in een koelkast bij enkele graden boven 0ºC langer.
Los 1,9167 gram KH2PO4(volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedestilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
Laat het mengreagens ongeveer 20 minuten staan en, indien noodzakelijk, filtreer het mengreagens ter verwijdering van een soms gevormd blauw colloïdaal neerslag. Het blauw colloïdaal neerslag kan hoge blancowaarden geven bij de bepaling.
20 milliliter mengreagens 6) + 20 milliliter standaardoplossingen en meng goed.
Los 1,9167 gram KH2PO4(volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedestilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.
Verdun 10 milliliter voorraadoplossing tot 1 liter. 10 milliliter van deze gebruiksoplossing bevat 100 microgram P2O5.
Pipetteer in maatkolven van 200 milliliter: 10, 20, 40, 60, 80 milliliter gebruiksoplossing en vul aan tot 200 milliliter. Deze standaardoplossing bevat per 20 milliliter respectievelijk: 10, 20, 40, 60, 80 microgram P2O5.
De schudflessen met grond worden gedurende één nacht in een droogstoof gezet bij circa 40°C. Na afkoeling wordt dan 2 milliliter gedestilleerd water toegevoegd en even met de hand geschud om water en grond te mengen. Daarna de flesjes afsluiten en gedurende 22 uren bij een temperatuur van 20°C laten staan. Vervolgens wordt 70 milliliter gedestilleerd water van 20°C toegevoegd en aansluitend gedurende 1 uur geschud bij 20°C met een schudsnelheid van 160–170 slagen per minuut.
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 milliliter:
20 milliliter mengreagens 6) + 20 milliliter standaardoplossingen en meng goed.
Meet, nadat de oplossing 20 minuten heeft gestaan, de lichtabsorptie van de oplossing in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij golflengte 882 nanometer of bij 720 nanometer.
In erlenmeyers of flesjes van circa 100 milliliter wordt dan 20 milliliter mengreagens (zie 2.6) gepipetteerd en daarna 20 milliliter filtraat. Meng goed en laat 20 minuten staan. Meet de lichtabsorptie van de oplossingen in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij een golflengte van 882 nanometer.
De droge, tot een doorsnede van kleiner dan 2 millimeter verkleinde, gezeefde grond wordt geschept met een cilindrisch vaatje met bolvormige bodem, met een inhoud van 1,2 centimeter3. Door drie maal zacht aankloppen wordt de grond in dichte pakking gebracht en vervolgens dient de overmaat afgestreken te worden tot het niveau gelijk is aan de rand van het vaatje. Daarna wordt het afgemeten volume grond kwantitatief overgebracht in een schudfles van 125 centimeter3 inhoud.
### 4. Berekening
Na het schudden wordt gefiltreerd door een dubbelfilter (hard en asvrij). Tussen het schudden en het filtreren een vaste wachttijd (bijvoorbeeld 10 minuten) in acht nemen. De eerste doorlopende milliliters filtraat – in 4 minuten –, die vaak troebel zijn, worden afgevoerd of opnieuw op het filter gebracht. Daarna loopt het filtraat meestal helder door. Zie ook opmerking 5.1.
In erlenmeyers of flesjes van circa 100 milliliter wordt dan 20 milliliter mengreagens (zie 2.6) gepipetteerd en daarna 20 milliliter filtraat. Meng goed en laat 20 minuten staan. Meet de lichtabsorptie van de oplossingen in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij een golflengte van 882 nanometer.
De bepaling van het fosforgehalte in het waterig extract kan ook uitgevoerd worden door middel van een spectrofotometrische bepaling in een doorstroomanalysesysteem bij toepassing van een identieke molybdeenblauwkleuring
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg stikstof resp. kg fosfaat per jaar) en in m3 mest per zes maanden
### Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2011-05-18&g=2011-05-18), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2011-05-18&g=2011-05-18), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2011-05-18&g=2011-05-18), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2011-05-18&g=2011-05-18), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2011-05-18&g=2011-05-18) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=5&artikel=96&z=2011-05-18&g=2011-05-18)
(Ea - Eb) x F x 3 = aantal microgram P2O5/centimeter3 grond = aantal milligram P2O5/liter grond.
Hierin is:
De stikstofexcreties van staldieren moeten berekend worden conform de stalbalans. In deze tabel zijn voor staldieren wel excretieforfaits opgenomen (schuingedrukt) als hulpmiddel om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2011-10-01&g=2011-10-01).
### Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2011-05-18&g=2011-05-18) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2011-05-18&g=2011-05-18)
bBehorende bij [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2011-10-01&g=2011-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
### 5. Opmerkingen
5.1. Filtraten die ondanks de bij het filtreren in acht genomen voorzorgen troebel zijn, worden op de volgende wijze geklaard. Per 50 milliliter filtraat ongeveer 1,5 gram vast natriumchloride (NaCI) toevoegen en laten oplossen. Dan opnieuw filtreren. De nu uitgevlokte colloïdale bestanddelen laten zich gemakkelijk affiltreren. De NaCI-concentratie van ongeveer 0,5N stoort de fosfaatbepaling niet.
## Bijlage D. Diergebonden normen
### Tabel I. : Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=5&artikel=96&z=2013-01-01&g=2013-01-01)
De stikstofexcreties van staldieren moeten berekend worden conform de stalbalans. In deze tabel zijn voor staldieren wel excretieforfaits opgenomen (schuingedrukt) als hulpmiddel om te bepalen of gebruik gemaakt kan worden van [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
### **A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur**
2 Behorende bij [artikel 96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=5&artikel=96&z=2013-01-01&g=2013-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
### Tabel II A. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2011-10-01&g=2011-10-01) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
4 Behorende bij de [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2013-01-01&g=2013-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
### Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2011-10-01&g=2011-10-01) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2006-01-01&g=2006-01-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2006-01-01&g=2006-01-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2006-01-01&g=2006-01-01)
### Tabel II A. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2012-10-06&g=2012-10-06)
### Tabel II A. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2013-01-01&g=2013-01-01)
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg stikstof resp. kg fosfaat per jaar) en in m3 per zeven maanden
### Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2013-01-01&g=2013-01-01)
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
4.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen op het transportmiddel automatisch het moment van laden, onderscheidenlijk het moment van lossen wordt onderkend alsmede over een voorziening waarmee de op voornoemde momenten door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de bemonsterings- en verpakkingsapparatuur alsmede de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden zijn.
1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.
### **B. Eisen monsterverpakking**
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
2.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen automatisch en op elektronische wijze vanaf dit bewijs wordt ingelezen.
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur**
1.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het unieke serienummer automatisch wordt vastgelegd en aan elk elektronisch databericht wordt meegegeven.
2.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen automatisch en op elektronische wijze vanaf dit bewijs wordt ingelezen.
2.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen automatisch en op elektronische wijze vanaf dit bewijs wordt ingelezen.
2.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het combinatienummer automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen.
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur**
3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de bemonsterings- en verpakkingsapparatuur, in het geval van vervoer door middel van een pijpleiding, de in het leidingstelsel opgenomen afsluitkleppen alsmede de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden zijn.
### **4. Automatische positiebepaling van het transportmiddel met satellietvolgapparatuur**
4.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald voortdurend en automatisch worden vastgelegd.
4.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald voortdurend en automatisch worden vastgelegd.
4.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen op het transportmiddel automatisch het moment van laden, onderscheidenlijk het moment van lossen wordt onderkend alsmede over een voorziening waarmee de op voornoemde momenten door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
4.6. De AGR-apparatuur beschikt in het geval van vervoer door middel van een pijpleiding over een voorziening waarmee, indien de hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt bepaald met behulp van het apparaat, als bedoeld in [artikel 82, derde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=82&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en de dichtheid van de mest niet gelijk is aan 1, de meetwaarde van de debietmeter gecorrigeerd kan worden. Deze correctie kan automatisch uitgevoerd worden door en vastgelegd worden in de AGR-apparatuur. Voor het bepalen van de dichtheid wordt gebruik gemaakt van de publicatie van de Wageningen Universiteit uit de Kwantitatieve Informatie voor de Veehouderij (KWIN) (www.livestockresearch.wur.nl).
5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
6.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee terstond nadat de gegevens in de AGR-apparatuur zijn geregistreerd, zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd. Het tijdens het laden te versturen elektronisch databericht ‘laden van mest’ bevat de volgende gegevens:
6.2. Het tijdens het lossen te versturen elektronisch databericht ‘lossen van mest’ bevat de volgende gegevens:
6.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee elektronische databerichten behouden blijven indien er een storing optreedt in de mobiele datacommunicatie en waarmee de elektronische databerichten alsnog worden verstuurd zodra de storing is opgeheven.
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
6.5. De AGR-apparatuur sluit op elektronische wijze, overeenkomstig de technische specificaties die op verzoek door de Dienst Regelingen worden verstrekt, aan op het ontvangstportaal bij Dienst Regelingen.
7.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee wordt zichtbaar gemaakt of elke te onderscheiden functie van de AGR-apparatuur en de satellietvolgapparatuur correct functioneert.
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
7.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee in het elektronische databericht ‘lossen van mest’ automatisch wordt aangegeven of er gedurende het desbetreffende transport een storing is opgetreden.
### **E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest**
1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.
1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.
1.2. Indien de AGR-apparatuur uit verschillende onderdelen bestaat is ieder te onderscheiden onderdeel zichtbaar voorzien van de in onderdeel 1.1. genoemde kenmerken.
1.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het unieke serienummer automatisch wordt vastgelegd en aan elk elektronisch databericht wordt meegegeven.
### **2. Inlezen gegevens**
2.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen automatisch en op elektronische wijze vanaf dit bewijs wordt ingelezen.
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur**
3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden is.
3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden is.
4.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald voortdurend en automatisch worden vastgelegd.
4.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald voortdurend en automatisch worden vastgelegd.
4.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
4.5. In het geval van vervoer door middel van een vaste transportband kunnen de onder 4.1 tot en met 4.4 bedoelde positiegegevens voorgeprogrammeerd zijn.
6.5. De AGR-apparatuur maakt voor het versturen van elektronische databerichten uitsluitend gebruik van een infrastructuur die wordt beheerd door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijk partij, waarbij gewaarborgd is dat de met het databericht verzonden gegevens die bestemd zijn voor het ministerie van LNV, uitsluitend door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijke partij worden beheerd.
## Bijlage F
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
## Bijlage D. Diergebonden normen
## Bijlage F
### onderdeel A
### **7. Signalering van storingen**
6.6. De AGR-apparatuur sluit op elektronische wijze, overeenkomstig de technische specificaties die op verzoek door de Dienst Regelingen worden verstrekt, aan op het ontvangstportaal bij Dienst Regelingen.
7.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee in het databericht ‘lossen van mest’ automatisch wordt aangegeven of er gedurende het desbetreffende transport een storing is opgetreden.
7.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee wordt zichtbaar gemaakt of elke te onderscheiden functie van de AGR-apparatuur en de satellietvolgapparatuur correct functioneert.
7.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee in het databericht ‘lossen van mest’ automatisch wordt aangegeven of er gedurende het desbetreffende transport een storing is opgetreden.
2.3. Een laboratorium kan voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ worden geaccrediteerd, indien dit laboratorium met historische gegevens, verkregen volgens de procedure beschreven in hoofdstuk 10, kan aantonen dat aan de in het accreditatieprogramma gedefinieerde kwaliteitseisen wordt voldaan.
### onderdeel A
Dit accreditatieprogramma is geschreven voor de uitvoering van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het komt niet in de plaats van voornoemde accreditatie, maar vormt een voor de markt eenvoudig te herkennen onderdeel hiervan. Het schept duidelijkheid voor opdrachtgevers over de aard en omvang van de accreditatie.
Dit accreditatieprogramma dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van metingen van stikstof en fosfaat in dierlijke mest zowel binnen een laboratorium als tussen laboratoria op langere termijn te waarborgen en dient een stimulans te zijn voor prestatieverbetering.
In hoofdstuk 2 van dit document zijn de algemene eisen vermeld waaraan een laboratorium moet voldoen om in aanmerking komen voor accreditatie door de Raad van Accreditatie. De verrichtingen die onder het accreditatieprogramma vallen zijn in hoofdstuk 3 vermeld. In hoofdstuk 4 zijn de monsteroverdracht en de daarbij horende verantwoordelijkheden beschreven.
De technische beschrijvingen van de verrichtingen en het maken van mengmonsters is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is kwaliteitsborging middels de eerste-, tweede- en derdelijnscontrole omschreven die minimaal moet worden toegepast tijdens de uitvoering van verrichtingen die onder dit accreditatieprogramma vallen. Hoofdstuk 7 beschrijft de rapportage van de resultaten en de aspecten die verband houden met heranalyse.
In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.
Dit accreditatieprogramma is geschreven voor de uitvoering van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het komt niet in de plaats van voornoemde accreditatie, maar vormt een voor de markt eenvoudig te herkennen onderdeel hiervan. Het schept duidelijkheid voor opdrachtgevers over de aard en omvang van de accreditatie.
Dit accreditatieprogramma dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van metingen van stikstof en fosfaat in dierlijke mest zowel binnen een laboratorium als tussen laboratoria op langere termijn te waarborgen en dient een stimulans te zijn voor prestatieverbetering.
### **Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103**
1 Als de omschrijving van de categorieën niet aansluit bij de voorkomende situatie dienen de forfaits gehanteerd te worden van de categorie die het best aansluit bij de voorkomende situatie.
### **A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur**
3 Behorende bij [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2012-10-06&g=2012-10-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
### Tabel II A. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2011-10-01&g=2011-10-01) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
Met betrekking tot [artikel 73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2012-10-06&g=2012-10-06) alleen relevant voor de graasdieren en daarmee niet van toepassing op diercategorieën die vallen onder de staldieren.
### Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2011-10-01&g=2011-10-01) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2006-01-01&g=2006-01-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2006-01-01&g=2006-01-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2006-01-01&g=2006-01-01)
### Tabel II A. Excretieforfaits per melkkoe drijfmest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2012-10-06&g=2012-10-06)
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
2.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de unieke identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen. Dit is zowel tijdens laden als tijdens het lossen mogelijk.
### **B. Eisen monsterverpakking**
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
### **Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103**
4.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen op het transportmiddel automatisch het moment van laden, onderscheidenlijk het moment van lossen wordt onderkend alsmede over een voorziening waarmee de op voornoemde momenten door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de bemonsterings- en verpakkingsapparatuur alsmede de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden zijn.
1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.
Dit accreditatieprogramma dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van metingen van stikstof en fosfaat in dierlijke mest zowel binnen een laboratorium als tussen laboratoria op langere termijn te waarborgen en dient een stimulans te zijn voor prestatieverbetering.
In hoofdstuk 2 van dit document zijn de algemene eisen vermeld waaraan een laboratorium moet voldoen om in aanmerking komen voor accreditatie door de Raad van Accreditatie. De verrichtingen die onder het accreditatieprogramma vallen zijn in hoofdstuk 3 vermeld. In hoofdstuk 4 zijn de monsteroverdracht en de daarbij horende verantwoordelijkheden beschreven.
De technische beschrijvingen van de verrichtingen en het maken van mengmonsters is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is kwaliteitsborging middels de eerste-, tweede- en derdelijnscontrole omschreven die minimaal moet worden toegepast tijdens de uitvoering van verrichtingen die onder dit accreditatieprogramma vallen. Hoofdstuk 7 beschrijft de rapportage van de resultaten en de aspecten die verband houden met heranalyse.
In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.
Indien in dit document de Raad voor Accreditatie wordt genoemd kan dit ook een accreditatieorganisatie zijn waarmee de Raad voor Accreditatie een Multi Lateral Agreement MLA {EA}, MRA {ILAC} heeft gesloten.
2.1. Een laboratorium dat op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet analyse uitvoert naar de gehalten stikstof en fosfaat van uit een vracht dierlijke meststoffen genomen mestmonster is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’.
Indien in dit document de Raad voor Accreditatie wordt genoemd kan dit ook een accreditatieorganisatie zijn waarmee de Raad voor Accreditatie een Multi Lateral Agreement MLA {EA}, MRA {ILAC} heeft gesloten.
2.2. Om voor accreditatie voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ in aanmerking te komen, moet het laboratorium door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025: IDT (general requirements for the competence of testing and calibration laboratories).
2.3. Een laboratorium kan voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ worden geaccrediteerd, indien dit laboratorium met historische gegevens, verkregen volgens de procedure beschreven in hoofdstuk 10, kan aantonen dat aan de in het accreditatieprogramma gedefinieerde kwaliteitseisen wordt voldaan.
2.4. Een laboratorium moet alle verrichtingen die in hoofdstuk 3 van het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ zijn vermeld altijd kunnen aanbieden. Uitzondering hierop is de analyse van vaste mest met een voorbehandeling conform NEN 7431 indien het laboratorium geen monsters vaste mest ontvangt en hiervoor ook geen accreditatie nastreeft. Deze uitzondering blijkt uit de accreditatie
2.5. De monstervoorbehandeling volgens NEN 7430 of 7431 en de hierop aansluitende ontsluiting volgens NEN 7433 worden dwingend voorgeschreven. Voor de andere verrichtingen (NEN 7434 en ontwerp NEN 7435) wordt de referentiemethode met een norm gedefinieerd. Hierbij kan een andere meetmethode worden gehanteerd indien wordt aangetoond dat de meetresultaten aan minimaal dezelfde eisen voldoen als de referentiemethode.
2.6. Indien het accreditatieprogramma wordt gewijzigd, dient het laboratorium zich daaraan binnen 6 maanden te conformeren, tenzij anders bepaald.
### **3. Verrichtingen van het accreditatieprogramma**
In het accreditatieprogramma zijn alle verrichtingen, die in het kader van het stelsel van gebruiksnormen kunnen worden gebruikt, opgenomen.
De volgende verrichtingen zijn voorgeschreven:
De volgende verrichtingen zijn als referentieverrichting opgenomen:
De volgende verrichting is optioneel:
– NEN 7437: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof.
• Noot: Als deze verrichting voor een laboratorium niet onder de accreditatie van de Raad van Accreditatie valt, , dan dient deze in voorkomende gevallen te worden uitbesteed aan een laboratorium waarbij deze verrichting wél onder het accreditatieprogramma valt.
3.1. Validatie van een verrichting
Bij de introductie van een verrichting of bij invoering van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting dient binnen het laboratorium een validatie-onderzoek te worden uitgevoerd. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan dient in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid te worden getoetst. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 5 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
De herhaalbaarheid wordt getoetst op monsters die representatief zijn voor de mestsoorten die het laboratorium ontvangt. Indien een laboratorium alleen monsters stapelbare mest of alleen monsters drijfmest ontvangt kan volstaan worden met het vaststellen van de herhaalbaarheid in de desbetreffende mestsoort. Het aantal monsters dat onderzocht moet worden bedraagt minimaal 200. Deze monsters moeten een representatieve steekproef zijn van het hele concentratiegebied waarin stikstof en fosfaat in mest voorkomen. De concentratiegebieden van stikstof en fosfaat voor drijfmest en vaste mest zijn in Tabel 1 aangegeven. De monsters dienen afkomstig te zijn van verschillende locaties (producenten).
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
1.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het unieke serienummer automatisch wordt vastgelegd en aan elk elektronisch databericht wordt meegegeven.
4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
2.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen automatisch en op elektronische wijze vanaf dit bewijs wordt ingelezen.
Het is toegestaan binnen dit accreditatieprogramma om in plaats van de referentiemethode een huismethode te gebruiken. Aangetoond moet worden via een gelijkwaardigheidsonderzoek dat de gebruikte huismethode gelijk of beter dan de referentiemethode is. Het gelijkwaardigheidsonderzoek dient uitgevoerd te worden met minimaal 200 verschillende monsters afkomstig van verschillende locaties en gespreid over het hele concentratiegebied (zie Tabel 1). De gelijkwaardigheid dient te worden aangetoond voor stikstof en fosfaat. Om de gelijkwaardigheid te kunnen aantonen dient eerst nagegaan te worden of de standaardafwijking onder herhaalbaarheidscondities verkregen met de huismethode niet significant afwijkt van die van de referentiemethode (F-toets). Is dit het geval dan moet getoetst worden of het met de huismethode gevonden gemiddelde niveau niet significant afwijkt van dat van de referentiemethode. Deze toetsing vindt plaats door middel van de gepaarde Student’s t-toets. Nulhypothese hierbij is dat er geen verandering in analyseresultaat optreedt, indien de alternatieve methode wordt gebruikt (2-zijdige toetsing, overschrijdingskans 5%).
Bij zeer nauwkeurige uitvoering van de referentiemethode en de alternatieve methode kan snel een significant verschil worden gevonden. Daarom wordt in alle gevallen een relatief verschil van 2% toegestaan. De meetresultaten mogen op generlei wijze voor systematische verschillen gecorrigeerd worden.
Het laboratorium controleert of de verpakking van een monster voldoet aan de eisen. Gecontroleerd moet worden of de verpakking nog gesloten is. Verder dient gelet te worden op beschadigingen aan de verpakking die wijzen op mogelijke fraude. De verpakking dient in dusdanige staat te verkeren dat geen vermoeden bestaat dat het monster toegankelijk is geweest. Bij evidente ondeugdelijkheid van de verpakking wordt het monster niet in bewerking genomen. In geval van een mengmonster worden ook de bijbehorende monsters niet in bewerking genomen. Binnen 24 uur wordt melding gedaan aan de Algemene Inspectiedienst (AID) en het monster of de monsters worden gedurende maximaal 28 dagen gekoeld opgeslagen. De AID beslist wat verder met de monsters dient te gebeuren.
4.1. Controle monsterverpakking
Het laboratorium controleert of de verpakking van een monster voldoet aan de eisen. Gecontroleerd moet worden of de verpakking nog gesloten is. Verder dient gelet te worden op beschadigingen aan de verpakking die wijzen op mogelijke fraude. De verpakking dient in dusdanige staat te verkeren dat geen vermoeden bestaat dat het monster toegankelijk is geweest. Bij evidente ondeugdelijkheid van de verpakking wordt het monster niet in bewerking genomen. In geval van een mengmonster worden ook de bijbehorende monsters niet in bewerking genomen. Binnen 24 uur wordt melding gedaan aan de Algemene Inspectiedienst (AID) en het monster of de monsters worden gedurende maximaal 28 dagen gekoeld opgeslagen. De AID beslist wat verder met de monsters dient te gebeuren.
4..2 Controle hoeveelheid monster
Het laboratorium controleert of de inkomende monsters de vereiste minimale hoeveelheid mest bevatten.
Elk monster dient gewogen te worden. Het gewicht wordt geregistreerd en tegelijk met de analyseresultaten gerapporteerd aan de vervoerder en in de periodieke rapportage aan Dienst Regelingen.
4.3. Registratie van gegevens
Het laboratorium registreert van elk inkomende monster de volgende gegevens:
4.4. Monsteropslag en conservering
Het laboratorium dient inkomende monsters gekoeld bij 4 ± 3°C te bewaren. Wanneer de monsters op de dag van ontvangst of de daarop volgende dag in bewerking worden genomen behoeft koeling niet plaats te vinden.
Als sprake is van het maken van een mengmonster dan wordt dit aangegeven op een begeleidingsformulier dat de vervoerder met de betreffende monsters meestuurt. Voor het maken van mengmonsters moet wat betreft de te volgen procedure onderscheid gemaakt worden tussen drijfmest en stapelbare mest.
5.1. Maken van mengmonsters
Als sprake is van het maken van een mengmonster dan wordt dit aangegeven op een begeleidingsformulier dat de vervoerder met de betreffende monsters meestuurt. Voor het maken van mengmonsters moet wat betreft de te volgen procedure onderscheid gemaakt worden tussen drijfmest en stapelbare mest.
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
1.2. Indien de AGR-apparatuur uit verschillende onderdelen bestaat is ieder te onderscheiden onderdeel zichtbaar voorzien van de in onderdeel 1.1. genoemde kenmerken.
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur**
3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de bemonsterings- en verpakkingsapparatuur, in het geval van vervoer door middel van een pijpleiding, de in het leidingstelsel opgenomen afsluitkleppen alsmede de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden zijn.
2.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen automatisch en op elektronische wijze vanaf dit bewijs wordt ingelezen.
2.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het combinatienummer automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen.
2.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de unieke identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen. Dit is zowel tijdens laden als tijdens het lossen mogelijk.
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur**
3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de bemonsterings- en verpakkingsapparatuur, in het geval van vervoer door middel van een pijpleiding, de in het leidingstelsel opgenomen afsluitkleppen alsmede de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden zijn.
### **4. Automatische positiebepaling van het transportmiddel met satellietvolgapparatuur**
4.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald voortdurend en automatisch worden vastgelegd.
4.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen op het transportmiddel automatisch het moment van laden, onderscheidenlijk het moment van lossen wordt onderkend alsmede over een voorziening waarmee de op voornoemde momenten door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4.5. In het geval van vervoer door middel van een vaste pijpleiding kunnen de onder 4.1 tot en met 4.4 bedoelde positiegegevens voorgeprogrammeerd zijn.
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
6.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee elektronische databerichten behouden blijven indien er een storing optreedt in de mobiele datacommunicatie en waarmee de elektronische databerichten alsnog worden verstuurd zodra de storing is opgeheven.
5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
### **7. Signalering van storingen**
6.2. Het tijdens het lossen te versturen elektronisch databericht ‘lossen van mest’ bevat de volgende gegevens:
6.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee elektronische databerichten behouden blijven indien er een storing optreedt in de mobiele datacommunicatie en waarmee de elektronische databerichten alsnog worden verstuurd zodra de storing is opgeheven.
6.4. De AGR-apparatuur maakt voor het versturen van elektronische databerichten uitsluitend gebruik van een infrastructuur die wordt beheerd door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijk partij, waarbij gewaarborgd is dat de met het databericht verzonden gegevens die bestemd zijn voor het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, uitsluitend door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijke partij worden beheerd.
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.
7.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee wordt zichtbaar gemaakt of elke te onderscheiden functie van de AGR-apparatuur en de satellietvolgapparatuur correct functioneert.
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.
1.2. Indien de AGR-apparatuur uit verschillende onderdelen bestaat is ieder te onderscheiden onderdeel zichtbaar voorzien van de in onderdeel 1.1. genoemde kenmerken.
1.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het unieke serienummer automatisch wordt vastgelegd en aan elk elektronisch databericht wordt meegegeven.
6.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee elektronische databerichten behouden blijven indien er een storing optreedt in de mobiele datacommunicatie en waarmee de elektronische databerichten alsnog worden verstuurd zodra de storing is opgeheven.
### onderdeel A
2.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de unieke identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, op elektronische wijze wordt ingelezen.
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur**
3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden is.
7.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee in het databericht ‘lossen van mest’ automatisch wordt aangegeven of er gedurende het desbetreffende transport een storing is opgetreden.
4.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald voortdurend en automatisch worden vastgelegd.
4.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen het moment van laden, onderscheidenlijk het moment van lossen kenbaar gemaakt kan worden alsmede over een voorziening waarmee de op voornoemde momenten door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.
6.5. De AGR-apparatuur maakt voor het versturen van elektronische databerichten uitsluitend gebruik van een infrastructuur die wordt beheerd door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijk partij, waarbij gewaarborgd is dat de met het databericht verzonden gegevens die bestemd zijn voor het ministerie van LNV, uitsluitend door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijke partij worden beheerd.
## Bijlage F
### **7. Signalering van storingen**
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
## Bijlage D. Diergebonden normen
## Bijlage F
### onderdeel A
### **7. Signalering van storingen**
7.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee wordt zichtbaar gemaakt of elke te onderscheiden functie van de AGR-apparatuur en de satellietvolgapparatuur correct functioneert.
7.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee in het databericht ‘lossen van mest’ automatisch wordt aangegeven of er gedurende het desbetreffende transport een storing is opgetreden.
Indien in dit document de Raad voor Accreditatie wordt genoemd kan dit ook een accreditatieorganisatie zijn waarmee de Raad voor Accreditatie een Multi Lateral Agreement MLA {EA}, MRA {ILAC} heeft gesloten.
2.2. Om voor accreditatie voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ in aanmerking te komen, moet het laboratorium door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025: IDT (general requirements for the competence of testing and calibration laboratories).
2.3. Een laboratorium kan voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ worden geaccrediteerd, indien dit laboratorium met historische gegevens, verkregen volgens de procedure beschreven in hoofdstuk 10, kan aantonen dat aan de in het accreditatieprogramma gedefinieerde kwaliteitseisen wordt voldaan.
### **1. Introductie**
Dit accreditatieprogramma is geschreven voor de uitvoering van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het komt niet in de plaats van voornoemde accreditatie, maar vormt een voor de markt eenvoudig te herkennen onderdeel hiervan. Het schept duidelijkheid voor opdrachtgevers over de aard en omvang van de accreditatie.
Dit accreditatieprogramma dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van metingen van stikstof en fosfaat in dierlijke mest zowel binnen een laboratorium als tussen laboratoria op langere termijn te waarborgen en dient een stimulans te zijn voor prestatieverbetering.
In hoofdstuk 2 van dit document zijn de algemene eisen vermeld waaraan een laboratorium moet voldoen om in aanmerking komen voor accreditatie door de Raad van Accreditatie. De verrichtingen die onder het accreditatieprogramma vallen zijn in hoofdstuk 3 vermeld. In hoofdstuk 4 zijn de monsteroverdracht en de daarbij horende verantwoordelijkheden beschreven.
De technische beschrijvingen van de verrichtingen en het maken van mengmonsters is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is kwaliteitsborging middels de eerste-, tweede- en derdelijnscontrole omschreven die minimaal moet worden toegepast tijdens de uitvoering van verrichtingen die onder dit accreditatieprogramma vallen. Hoofdstuk 7 beschrijft de rapportage van de resultaten en de aspecten die verband houden met heranalyse.
In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.
Dit accreditatieprogramma is geschreven voor de uitvoering van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het komt niet in de plaats van voornoemde accreditatie, maar vormt een voor de markt eenvoudig te herkennen onderdeel hiervan. Het schept duidelijkheid voor opdrachtgevers over de aard en omvang van de accreditatie.
Dit accreditatieprogramma dient de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van metingen van stikstof en fosfaat in dierlijke mest zowel binnen een laboratorium als tussen laboratoria op langere termijn te waarborgen en dient een stimulans te zijn voor prestatieverbetering.
### **Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103**
De technische beschrijvingen van de verrichtingen en het maken van mengmonsters is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is kwaliteitsborging middels de eerste-, tweede- en derdelijnscontrole omschreven die minimaal moet worden toegepast tijdens de uitvoering van verrichtingen die onder dit accreditatieprogramma vallen. Hoofdstuk 7 beschrijft de rapportage van de resultaten en de aspecten die verband houden met heranalyse.
In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.
2.4. Een laboratorium moet alle verrichtingen die in hoofdstuk 3 van het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ zijn vermeld altijd kunnen aanbieden. Uitzondering hierop is de analyse van vaste mest met een voorbehandeling conform NEN 7431 indien het laboratorium geen monsters vaste mest ontvangt en hiervoor ook geen accreditatie nastreeft. Deze uitzondering blijkt uit de accreditatie
2.1. Een laboratorium dat op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet analyse uitvoert naar de gehalten stikstof en fosfaat van uit een vracht dierlijke meststoffen genomen mestmonster is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’.
Indien in dit document de Raad voor Accreditatie wordt genoemd kan dit ook een accreditatieorganisatie zijn waarmee de Raad voor Accreditatie een Multi Lateral Agreement MLA {EA}, MRA {ILAC} heeft gesloten.
2.2. Om voor accreditatie voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ in aanmerking te komen, moet het laboratorium door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd zijn voor de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025: IDT (general requirements for the competence of testing and calibration laboratories).
2.3. Een laboratorium kan voor het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ worden geaccrediteerd, indien dit laboratorium met historische gegevens, verkregen volgens de procedure beschreven in hoofdstuk 10, kan aantonen dat aan de in het accreditatieprogramma gedefinieerde kwaliteitseisen wordt voldaan.
2.4. Een laboratorium moet alle verrichtingen die in hoofdstuk 3 van het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ zijn vermeld altijd kunnen aanbieden. Uitzondering hierop is de analyse van vaste mest met een voorbehandeling conform NEN 7431 indien het laboratorium geen monsters vaste mest ontvangt en hiervoor ook geen accreditatie nastreeft. Deze uitzondering blijkt uit de accreditatie
2.5. De monstervoorbehandeling volgens NEN 7430 of 7431 en de hierop aansluitende ontsluiting volgens NEN 7433 worden dwingend voorgeschreven. Voor de andere verrichtingen (NEN 7434 en ontwerp NEN 7435) wordt de referentiemethode met een norm gedefinieerd. Hierbij kan een andere meetmethode worden gehanteerd indien wordt aangetoond dat de meetresultaten aan minimaal dezelfde eisen voldoen als de referentiemethode.
2.6. Indien het accreditatieprogramma wordt gewijzigd, dient het laboratorium zich daaraan binnen 6 maanden te conformeren, tenzij anders bepaald.
– NEN 7437: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof.
In het accreditatieprogramma zijn alle verrichtingen, die in het kader van het stelsel van gebruiksnormen kunnen worden gebruikt, opgenomen.
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
Voor het mengen van monsters drijfmest geldt de volgende procedure:
5.1.2. Mengen van monsters stapelbare mest
Voor het mengen van monsters stapelbare mest geldt de volgende procedure:
5.2. Monstervoorbehandeling
De monstervoorbehandeling van drijfmest moet uitgevoerd worden conform NEN 7430: ‘Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest’. Het aldus verkregen analysemonster drijfmest (minimale omvang ca. 250 ml) dient bij 4 ± 3°C bewaard te worden.
Drijfmest met een geschat drogestofgehalte groter dan 15% wordt verdund met water. Hierbij dient de hoeveelheid in bewerking genomen mest en de toegevoegde hoeveelheid water gewogen te worden voor berekening van de verdunningsfactor. De mest dient zo nodig uit de monsterverpakking gespoeld te worden. Ook hierbij moet de verdunningsfactor worden berekend. De totale hoeveelheid mest wordt vastgesteld door begin- en eindgewicht van de monsterverpakkingen te registreren.
De monstervoorbehandeling van stapelbare mest en gedroogde mest moet uitgevoerd worden conform de procedure onder 5.1.2. en aansluitend volgens het betreffende onderdeel van NEN 7431 (volg protocol met toevoeging van wijnsteenzuur).
5.3. Bepaling van stikstof en fosfor in mestmonsters
De dierlijke mest wordt ontsloten volgens NEN 7433 met een mengsel van zwavelzuur, waterstofperoxyde en kopersulfaat, waarbij stikstof en fosfor in een zodanige chemische vorm in oplossing worden gebracht, dat zonder verdere voorbehandeling (behalve verdunnen en het toevoegen van reagentia) een bepaling van stikstof en fosfor met instrumentele methoden mogelijk is. Van de mest wordt, indien gehomogeniseerd volgens NEN 7430, een hoeveelheid tussen 4 en 6 ml in bewerking genomen of, indien gedroogd en gemalen volgens NEN 7431, een hoeveelheid van ca 1 gram.
De ontsluitingsmethode kan worden toegepast op alle soorten dierlijke mest, met uitzondering van die soorten mest waarin stikstof aanwezig is in de vorm van nitraat. Onbehandelde dierlijke mest bevat geen nitraat. Nitraat kan echter wel zijn toegevoegd (aanzuren met salpeterzuur) of tijdens bepaalde behandelingen (beluchten) zijn gevormd. Bij dierlijke mest waarvan zeker dat nitraat is toegevoegd dient NEN 7437 ‘Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof’ te worden toegepast. Hierbij wordt de dierlijke mest ontsloten met een mengsel van geconcentreerd zwavelzuur/salicylzuur en kaliumsulfaat met koper als katalysator. Door toevoeging van salicylzuur vormen aanwezige nitraten en nitrieten met salicylzuur nitroverbindingen. Tevens wordt natriumthiosulfaat toegevoegd om de reductie van het genitreerde salicylzuur te bevorderen en omzetting tot ammoniumionen te versnellen. De eisen gesteld aan deze bepaling van totaal stikstof zijn gelijk aan die voor de bepaling van stikstof volgens NEN 7434.
De volgende verrichtingen zijn als referentieverrichting opgenomen:
De volgende verrichting is optioneel:
– NEN 7437: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof.
• Noot: Als deze verrichting voor een laboratorium niet onder de accreditatie van de Raad van Accreditatie valt, , dan dient deze in voorkomende gevallen te worden uitbesteed aan een laboratorium waarbij deze verrichting wél onder het accreditatieprogramma valt.
3.1. Validatie van een verrichting
Bij de introductie van een verrichting of bij invoering van wijzigingen die invloed hebben op een verrichting dient binnen het laboratorium een validatie-onderzoek te worden uitgevoerd. Indien een verrichting conform een referentieverrichting wordt uitgevoerd dan dient in dit validatie-onderzoek op zijn minst de herhaalbaarheid te worden getoetst. Deze moet gelijk of beter zijn dan de in hoofdstuk 5 vermelde herhaalbaarheid voor de betreffende verrichting.
De herhaalbaarheid wordt getoetst op monsters die representatief zijn voor de mestsoorten die het laboratorium ontvangt. Indien een laboratorium alleen monsters stapelbare mest of alleen monsters drijfmest ontvangt kan volstaan worden met het vaststellen van de herhaalbaarheid in de desbetreffende mestsoort. Het aantal monsters dat onderzocht moet worden bedraagt minimaal 200. Deze monsters moeten een representatieve steekproef zijn van het hele concentratiegebied waarin stikstof en fosfaat in mest voorkomen. De concentratiegebieden van stikstof en fosfaat voor drijfmest en vaste mest zijn in Tabel 1 aangegeven. De monsters dienen afkomstig te zijn van verschillende locaties (producenten).
3.2. Gelijkwaardigheidsonderzoek van een huismethode
Het is toegestaan binnen dit accreditatieprogramma om in plaats van de referentiemethode een huismethode te gebruiken. Aangetoond moet worden via een gelijkwaardigheidsonderzoek dat de gebruikte huismethode gelijk of beter dan de referentiemethode is. Het gelijkwaardigheidsonderzoek dient uitgevoerd te worden met minimaal 200 verschillende monsters afkomstig van verschillende locaties en gespreid over het hele concentratiegebied (zie Tabel 1). De gelijkwaardigheid dient te worden aangetoond voor stikstof en fosfaat. Om de gelijkwaardigheid te kunnen aantonen dient eerst nagegaan te worden of de standaardafwijking onder herhaalbaarheidscondities verkregen met de huismethode niet significant afwijkt van die van de referentiemethode (F-toets). Is dit het geval dan moet getoetst worden of het met de huismethode gevonden gemiddelde niveau niet significant afwijkt van dat van de referentiemethode. Deze toetsing vindt plaats door middel van de gepaarde Student’s t-toets. Nulhypothese hierbij is dat er geen verandering in analyseresultaat optreedt, indien de alternatieve methode wordt gebruikt (2-zijdige toetsing, overschrijdingskans 5%).
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
Elk monster dient gewogen te worden. Het gewicht wordt geregistreerd en tegelijk met de analyseresultaten gerapporteerd aan de vervoerder en in de periodieke rapportage aan Dienst Regelingen.
4.1. Controle monsterverpakking
Het laboratorium controleert of de verpakking van een monster voldoet aan de eisen. Gecontroleerd moet worden of de verpakking nog gesloten is. Verder dient gelet te worden op beschadigingen aan de verpakking die wijzen op mogelijke fraude. De verpakking dient in dusdanige staat te verkeren dat geen vermoeden bestaat dat het monster toegankelijk is geweest. Bij evidente ondeugdelijkheid van de verpakking wordt het monster niet in bewerking genomen. In geval van een mengmonster worden ook de bijbehorende monsters niet in bewerking genomen. Binnen 24 uur wordt melding gedaan aan de Algemene Inspectiedienst (AID) en het monster of de monsters worden gedurende maximaal 28 dagen gekoeld opgeslagen. De AID beslist wat verder met de monsters dient te gebeuren.
4..2 Controle hoeveelheid monster
Het laboratorium controleert of de inkomende monsters de vereiste minimale hoeveelheid mest bevatten.
Elk monster dient gewogen te worden. Het gewicht wordt geregistreerd en tegelijk met de analyseresultaten gerapporteerd aan de vervoerder en in de periodieke rapportage aan Dienst Regelingen.
4.3. Registratie van gegevens
Het laboratorium registreert van elk inkomende monster de volgende gegevens:
4.4. Monsteropslag en conservering
Het laboratorium dient inkomende monsters gekoeld bij 4 ± 3°C te bewaren. Wanneer de monsters op de dag van ontvangst of de daarop volgende dag in bewerking worden genomen behoeft koeling niet plaats te vinden.
5.1.2. Mengen van monsters stapelbare mest
5.1. Maken van mengmonsters
Als sprake is van het maken van een mengmonster dan wordt dit aangegeven op een begeleidingsformulier dat de vervoerder met de betreffende monsters meestuurt. Voor het maken van mengmonsters moet wat betreft de te volgen procedure onderscheid gemaakt worden tussen drijfmest en stapelbare mest.
5.1.1. Mengen van monsters drijfmest
Voor het mengen van monsters drijfmest geldt de volgende procedure:
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
Voor het mengen van monsters stapelbare mest geldt de volgende procedure:
5.2. Monstervoorbehandeling
De monstervoorbehandeling van drijfmest moet uitgevoerd worden conform NEN 7430: ‘Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest’. Het aldus verkregen analysemonster drijfmest (minimale omvang ca. 250 ml) dient bij 4 ± 3°C bewaard te worden.
Drijfmest met een geschat drogestofgehalte groter dan 15% wordt verdund met water. Hierbij dient de hoeveelheid in bewerking genomen mest en de toegevoegde hoeveelheid water gewogen te worden voor berekening van de verdunningsfactor. De mest dient zo nodig uit de monsterverpakking gespoeld te worden. Ook hierbij moet de verdunningsfactor worden berekend. De totale hoeveelheid mest wordt vastgesteld door begin- en eindgewicht van de monsterverpakkingen te registreren.
De monstervoorbehandeling van stapelbare mest en gedroogde mest moet uitgevoerd worden conform de procedure onder 5.1.2. en aansluitend volgens het betreffende onderdeel van NEN 7431 (volg protocol met toevoeging van wijnsteenzuur).
5.3. Bepaling van stikstof en fosfor in mestmonsters
De dierlijke mest wordt ontsloten volgens NEN 7433 met een mengsel van zwavelzuur, waterstofperoxyde en kopersulfaat, waarbij stikstof en fosfor in een zodanige chemische vorm in oplossing worden gebracht, dat zonder verdere voorbehandeling (behalve verdunnen en het toevoegen van reagentia) een bepaling van stikstof en fosfor met instrumentele methoden mogelijk is. Van de mest wordt, indien gehomogeniseerd volgens NEN 7430, een hoeveelheid tussen 4 en 6 ml in bewerking genomen of, indien gedroogd en gemalen volgens NEN 7431, een hoeveelheid van ca 1 gram.
De ontsluitingsmethode kan worden toegepast op alle soorten dierlijke mest, met uitzondering van die soorten mest waarin stikstof aanwezig is in de vorm van nitraat. Onbehandelde dierlijke mest bevat geen nitraat. Nitraat kan echter wel zijn toegevoegd (aanzuren met salpeterzuur) of tijdens bepaalde behandelingen (beluchten) zijn gevormd. Bij dierlijke mest waarvan zeker dat nitraat is toegevoegd dient NEN 7437 ‘Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof’ te worden toegepast. Hierbij wordt de dierlijke mest ontsloten met een mengsel van geconcentreerd zwavelzuur/salicylzuur en kaliumsulfaat met koper als katalysator. Door toevoeging van salicylzuur vormen aanwezige nitraten en nitrieten met salicylzuur nitroverbindingen. Tevens wordt natriumthiosulfaat toegevoegd om de reductie van het genitreerde salicylzuur te bevorderen en omzetting tot ammoniumionen te versnellen. De eisen gesteld aan deze bepaling van totaal stikstof zijn gelijk aan die voor de bepaling van stikstof volgens NEN 7434.
De volgende verrichtingen zijn als referentieverrichting opgenomen:
Alle verrichtingen in dit accreditatieprogramma, met uitzondering van NEN 7430 & NEN 7431, worden onder herhaalbaarheidscondities in duplo uitgevoerd.
Eerstelijnscontrole – Interne controle door de uitvoerenden van de verrichting zelf.
De kwaliteitsborging van een verrichting bestaat uit de volgende onderdelen:
Eerstelijnscontrole – Interne controle door de uitvoerenden van de verrichting zelf.
Tweedelijnscontrole – Interne controle onafhankelijk van de uitvoerenden.
Derdelijnscontrole – Externe controle door onafhankelijke instantie(s).
De kwaliteitsborging van het laboratorium dient te zijn vastgelegd in eerste, tweede en derdelijnsdocumenten, waarin de volgende aspecten dienen te worden ondergebracht:
De kwaliteitsborging van een verrichting bestaat uit de volgende onderdelen:
Eerstelijnscontrole – Interne controle door de uitvoerenden van de verrichting zelf.
Tweedelijnscontrole – Interne controle onafhankelijk van de uitvoerenden.
Derdelijnscontrole – Externe controle door onafhankelijke instantie(s).
De kwaliteitsborging van het laboratorium dient te zijn vastgelegd in eerste, tweede en derdelijnsdocumenten, waarin de volgende aspecten dienen te worden ondergebracht:
De eerste-, tweede- en derdelijnscontrole vormen géén additionele kwaliteitsborging maar de minimale kwaliteitsborging die dient te worden toegepast.
De kwaliteitsborging is vastgelegd in de herhaalbaarheid. Voor stikstof en fosfor in dierlijke mest is deze, afhankelijk van het niveau, als volgt:
@@ -3033,11 +3253,11 @@
6.3.1.2. Evaluatie van ringonderzoekresultaten
De resultaten van een ringonderzoek worden door de uitvoerende instantie als volgt geëvalueerd. Van elke parameter van elk monster wordt de z-score berekend:
### **7. Rapportage van resultaten**
z = (Xlab. – Xgem.) / s
### **7. Rapportage van resultaten**
Waarbij:
Xlab. = de door het laboratorium gemeten waarde van het monster;
@@ -3079,284 +3299,280 @@
Een laboratorium voldoet niet aan de norm als:
Geef een waarschuwing als de berekende mediaan boven 2s of beneden -2s uitkomt.
### **8. Archivering van gegevens**
De meetresultaten dienen te allen tijde te worden berekend op productbasis. Stapelbare mest wordt met de droogfactor die bepaald is bij de voorbehandeling volgens NEN 7431 omgerekend naar product.
7.1. Uitdrukking van meetresultaten
### **8. Archivering van gegevens**
Het resultaat van fosfor moet worden uitgedrukt op oxide basis, omrekeningsfactor hiervoor is:
fosfor (P) naar fosforpentoxide (P2O5): 2,29
Fosforpentoxide (P2O5) wordt in de praktijk en de mestwetgeving aangeduid met fosfaat.
### **8. Archivering van gegevens**
De meetresultaten dienen te allen tijde te worden berekend op productbasis. Stapelbare mest wordt met de droogfactor die bepaald is bij de voorbehandeling volgens NEN 7431 omgerekend naar product.
Het resultaat van fosfor moet worden uitgedrukt op oxide basis, omrekeningsfactor hiervoor is:
### **8. Archivering van gegevens**
Fosforpentoxide (P2O5) wordt in de praktijk en de mestwetgeving aangeduid met fosfaat.
De meetresultaten voor stikstof en fosfaat worden bij een gehalte <10 g/kg afgerond op 2 decimalen, bij een gehalte ≥10 g/kg op 1 decimaal, en bij een gehalte ≥100 g/kg op 0 decimaal.
### **9. Controle op naleving**
De minimale rapporteringswaarde bedraagt voor stikstof 0,10 g/kg en voor fosfaat 0,07 g/kg.
De berekende hoeveelheden fosfaat en stikstof – gebaseerd op het gehalte maal de vrachtomvang – wordt uitgedrukt in kilogrammen en afgerond op hele getallen.
### **10. Toetredingsprocedure**
Het analyserapport moet voldoen aan de volgende algemene voorwaarden:
Het analyserapport dient minimaal de volgende gegevens te bevatten:
Het laboratorium stuurt het analyserapport aan de vervoerder van de vracht of partij mest waar de analyse betrekking op heeft. Dit kan op papier of elektronisch.
7.3. Heranalyse
De bewaartermijn van de analysemonsters is 14 dagen na verzending van het analyserapport aan de leverancier, vervoerder en afnemer van de vracht of partij mest. Producenten en afnemers van de mest kunnen tot tien dagen na verzending van het analyserapport bij het laboratorium een verzoek indienen om heranalyse(s) uit te voeren. Dit verzoek moet schriftelijk via de vervoerder worden ingediend. Heranalyse is slechts één maal mogelijk en vindt in hetzelfde laboratorium plaats als waar het monster voor analyse is aangeboden.
Heranalyse vindt plaats in duplo onder herhaalbaarheidscondities, op het gekoeld bewaarde analysemonster, binnen 21 dagen na de eerste verslaglegging.
De duploresultaten van de heranalyse dienen te voldoen aan de eisen voor de herhaalbaarheid, voor stikstof 4% en voor fosfor 6%. Voldoet een monster niet aan deze eisen dan wordt de analyse opnieuw uitgevoerd in duplo. Voldoet het monster bij herhaling wel aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend van de laatste 2 meetresultaten. De eerder gevonden duploresultaten worden dan verworpen.
Voldoet het monster bij herhaling wederom niet aan de gestelde herhaalbaarheidseisen dan wordt het gemiddelde berekend van de 4 meetresultaten. Bij de eventuele rapportage wordt hiervan melding gemaakt.
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
### **9. Controle op naleving**
7.2. Analyserapport
Het analyserapport moet voldoen aan de volgende algemene voorwaarden:
### **10. Toetredingsprocedure**
Het laboratorium stuurt het analyserapport aan de vervoerder van de vracht of partij mest waar de analyse betrekking op heeft. Dit kan op papier of elektronisch.
7.3. Heranalyse
De bewaartermijn van de analysemonsters is 14 dagen na verzending van het analyserapport aan de leverancier, vervoerder en afnemer van de vracht of partij mest. Producenten en afnemers van de mest kunnen tot tien dagen na verzending van het analyserapport bij het laboratorium een verzoek indienen om heranalyse(s) uit te voeren. Dit verzoek moet schriftelijk via de vervoerder worden ingediend. Heranalyse is slechts één maal mogelijk en vindt in hetzelfde laboratorium plaats als waar het monster voor analyse is aangeboden.
Heranalyse vindt plaats in duplo onder herhaalbaarheidscondities, op het gekoeld bewaarde analysemonster, binnen 21 dagen na de eerste verslaglegging.
De duploresultaten van de heranalyse dienen te voldoen aan de eisen voor de herhaalbaarheid, voor stikstof 4% en voor fosfor 6%. Voldoet een monster niet aan deze eisen dan wordt de analyse opnieuw uitgevoerd in duplo. Voldoet het monster bij herhaling wel aan de gestelde eisen dan wordt het gemiddelde berekend van de laatste 2 meetresultaten. De eerder gevonden duploresultaten worden dan verworpen.
Voldoet het monster bij herhaling wederom niet aan de gestelde herhaalbaarheidseisen dan wordt het gemiddelde berekend van de 4 meetresultaten. Bij de eventuele rapportage wordt hiervan melding gemaakt.
Indien het gemiddelde meetresultaat van de heranalyse voor stikstof en fosfor niet meer dan 6,4% resp. 9,8% afwijkt van het resultaat de eerste analyse, is er sprake van een bevestiging van het resultaat.
De aanvrager van de heranalyse ontvangt in dat geval van het laboratorium bericht van de bevestiging waarbij aangegeven wordt dat het eerder gerapporteerde resultaat onverkort van toepassing blijft.
### **3. Fosfaat (P2O5)**
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2010-10-01&g=2010-10-01)
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### **9. Controle op naleving**
### **3. Fosfaat (P2O5)**
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2010-10-01&g=2010-10-01)
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2011-05-18&g=2011-05-18)
De resultaten van de ringtesten zullen door de uitvoerende instantie of instanties aan de minister van LNV gerapporteerd worden. Mochten de resultaten van de ringtesten aanleiding geven tot vragen betreffende de kwaliteit van een laboratorium dan zal op verzoek van de minister de ringtest gedecodeerd worden. Indien gewenst kan de minister de RvA opdracht geven een extra onderzoek in te stellen.
### Tabel III behorend bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2011-05-18&g=2011-05-18)
De resultaten van de ringtesten zullen door de uitvoerende instantie of instanties aan de minister van LNV gerapporteerd worden. Mochten de resultaten van de ringtesten aanleiding geven tot vragen betreffende de kwaliteit van een laboratorium dan zal op verzoek van de minister de ringtest gedecodeerd worden. Indien gewenst kan de minister de RvA opdracht geven een extra onderzoek in te stellen.
### **A. Protocol analyse gehalten stikstof, fosfaat en drogestof zuiveringsslib en compost**
Kwalificatieprocedure voor het verkrijgen van de accrediatieAP05:
Laboratoria die wensen deel te nemen aan het Accreditatieprogramma AP05 dienen zich aan te melden bij de Raad voor Accreditatie. Het laboratorium dient aan te tonen dat het bekend is met de specifieke kenmerken van de matrix dierlijke mest en dat de voorgeschreven analysemethoden goed kunnen worden uitgevoerd. Hiervoor moet vooraf een groot aantal monsters (200) onder beheerste condities geanalyseerd worden. Reden voor dit grote aantal analyses vooraf, is de diversiteit in de matrix mest (diersoorten, stalsystemen) en de daarbij behorende effecten op de gehalten. Als aangetoond is dat aan de kwaliteitseisen van AP05 kan worden voldaan wordt het laboratorium geaccrediteerd. Vóórdat monsters in het kader van het stelsel van gebruiksnormen geanalyseerd mogen worden, dient ook de kwaliteitsbewaking opgestart te zijn, in de vorm van controlemonsters met de bijbehorende controlekaarten.
### **2. Stikstof (N)**
### **11. Literatuur**
NEN 7430: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest.
NEN 7431: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door mengen, drogen en malen. Stapelbare mest
NEN 7433: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling voor de bepaling van stikstof, fosfor en kalium. Ontsluiting met zwavelzuur, waterstofperoxyde en kopersulfaat.
NEN 7434: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan stikstof in destruaten.
NEN 7435: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan fosfor in destruaten.
NEN 7437: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof.
Opzet van ringonderzoeken en interpretatie van resultaten, R94.012 (3de versie), Kwaliteitsdienst Landbouwkundige Laboratoria, TNO voeding.
Eindrapportage bemonstering en analyse van dierlijke mest, Projectgroep Bemonstering en Analyse, april 1995.
CSS 99022 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method. (www.ecn.nl/horizontal).
Bestaand product
CSS 99020 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method. (www.ecn.nl/horizontal).
In [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2011-05-18&g=2011-05-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:
Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge (www.ecn.nl/horizontal).
### **A. Protocol analyse gehalten stikstof, fosfaat en drogestof zuiveringsslib en compost**
Wanneer in één maand één monster wordt aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt de berekening van het twaalf-maandsgemiddelde gemaakt op basis van het analyseresultaat van dit monster.
CSS 99022 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method. (www.ecn.nl/horizontal).
Door het aldus verkregen analyseresultaat (fosfaatgehalte en stikstofgehalte en drogestofgehalte afzonderlijk) toe te voegen aan de som van de analyseresultaten van de voorgaande maanden (maximaal 11) en deze som te delen door het totale aantal maanden (maximaal 12), wordt het nieuwe twaalf-maandsgemiddelde berekend.
CSS 99020 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method. (www.ecn.nl/horizontal).
4.1.2. Voor een nieuw product gebeurt dit als volgt:
Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge (www.ecn.nl/horizontal).
Wanneer in één maand meerdere monsters worden aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt eerst het gemiddelde analyseresultaat van die maand berekend op basis van de analyseresultaten van die monsters. Vervolgens wordt de berekening van het twaalf-maansgemiddelde gemaakt op basis van de het gemiddelde analyseresultaat van die maand.
Wanneer in één maand één monster wordt aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt de berekening van het twaalf-maandsgemiddelde gemaakt op basis van het analyseresultaat van dit monster.
Wanneer in één maand meerdere monsters worden aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt eerst het gemiddelde analyseresultaat van die maand berekend op basis van de analyseresultaten van die monsters. Vervolgens wordt de berekening van het twaalf-maansgemiddelde gemaakt op basis van de het gemiddelde analyseresultaat van die maand.
Door het aldus verkregen analyseresultaat (fosfaatgehalte en stikstofgehalte en drogestofgehalte afzonderlijk) toe te voegen aan de som van de analyseresultaten van de voorgaande maanden (maximaal 11) en deze som te delen door het totale aantal maanden (maximaal 12), wordt het nieuwe twaalf-maandsgemiddelde berekend.
Dit protocol vermeldt voor vochtrijke voedermiddelen (> 14% vocht) de uitgangspunten die gelden voor de vaststelling van de te vermelden gehalten en voor de minimumfrequentie van analytisch onderzoek. Tevens wordt aangegeven hoe de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het gehalte moet vaststellen en welke minimumfrequentie van onderzoek hij moet hanteren.
4.1.2.4. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
Het uitgangspunt is dat de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd per gehalte met een voortschrijdend gemiddeld gehalte werkt. Dit gemiddelde gehalte wordt berekend per product per locatie (Dit betekent dat een product, afkomstig van 1 leverancier maar geleverd vanaf meerdere locaties, per locatie beschouwd moet worden. Zie echter ook 4.1.4 en 4.1.5) uit een aantal waarnemingen. Hij stelt hiertoe eerst het gemiddelde gehalte vast (aanvangsgemiddelde). Vervolgens onderhoudt hij dit gemiddelde gehalte door regelmatig monsters te (laten) analyseren en de analyseresultaten toe te voegen aan de gegevens, die nodig zijn om de gemiddelde gehalten te berekenen. De oudste gegevens worden telkens verwijderd (voorschrijdend gemiddelde).
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
In [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2013-01-01&g=2013-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:
4.1.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd definieert zijn product(en) en legt dit vast. Belangrijk zijn uiteraard de voor de controle op de gebruiksnormen belangrijke parameters vocht/ds, ruw eiwit en fosfor. Van deze gehalten stelt de ondernemer de gemiddelde waarde en de standaarddeviatie (sd) vast.
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
### **3. Uitgangspunten**
Het uitgangspunt is dat de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd per gehalte met een voortschrijdend gemiddeld gehalte werkt. Dit gemiddelde gehalte wordt berekend per product per locatie (Dit betekent dat een product, afkomstig van 1 leverancier maar geleverd vanaf meerdere locaties, per locatie beschouwd moet worden. Zie echter ook 4.1.4 en 4.1.5) uit een aantal waarnemingen. Hij stelt hiertoe eerst het gemiddelde gehalte vast (aanvangsgemiddelde). Vervolgens onderhoudt hij dit gemiddelde gehalte door regelmatig monsters te (laten) analyseren en de analyseresultaten toe te voegen aan de gegevens, die nodig zijn om de gemiddelde gehalten te berekenen. De oudste gegevens worden telkens verwijderd (voorschrijdend gemiddelde).
De analysefrequentie hangt af van:
### **4. Werkwijze**
Nieuw product
### **2. Doel**
Nieuw product
4.1.2. Voor een nieuw product gebeurt dit als volgt:
4.1.2.1. Het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor berekent de ondernemer op basis van minimaal 5 analyse-uitslagen, verkregen in de eerste 3 maanden.
### **9. Controle op naleving**
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2011-05-18&g=2011-05-18)
De resultaten van de ringtesten zullen door de uitvoerende instantie of instanties aan de minister van LNV gerapporteerd worden. Mochten de resultaten van de ringtesten aanleiding geven tot vragen betreffende de kwaliteit van een laboratorium dan zal op verzoek van de minister de ringtest gedecodeerd worden. Indien gewenst kan de minister de RvA opdracht geven een extra onderzoek in te stellen.
### Tabel III behorend bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2011-05-18&g=2011-05-18)
NEN 7431: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door mengen, drogen en malen. Stapelbare mest
### **A. Protocol analyse gehalten stikstof, fosfaat en drogestof zuiveringsslib en compost**
Kwalificatieprocedure voor het verkrijgen van de accrediatieAP05:
NEN 7435: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan fosfor in destruaten.
### **2. Stikstof (N)**
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
NEN 7433: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling voor de bepaling van stikstof, fosfor en kalium. Ontsluiting met zwavelzuur, waterstofperoxyde en kopersulfaat.
NEN 7434: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan stikstof in destruaten.
NEN 7435: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan fosfor in destruaten.
NEN 7437: Dierlijke mest en mestproducten. Bepaling van het gehalte aan totaal stikstof.
Opzet van ringonderzoeken en interpretatie van resultaten, R94.012 (3de versie), Kwaliteitsdienst Landbouwkundige Laboratoria, TNO voeding.
Eindrapportage bemonstering en analyse van dierlijke mest, Projectgroep Bemonstering en Analyse, april 1995.
4.1.2.2. Gedurende de daarop volgende 6 maanden onderzoekt de ondernemer nogmaals minimaal 5 monsters van het product op vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.
4.1.2.3. Deze gegevens voegt hij toe aan de dataset, verkregen bij 4.1.2.1. Hij berekent opnieuw op basis van minimaal 10 analyse-uitslagen het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.
CSS 99022 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method. (www.ecn.nl/horizontal).
### **3. Plaats bemonstering**
4.1.2.4. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
Bestaand product
CSS 99020 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method. (www.ecn.nl/horizontal).
In [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2011-05-18&g=2011-05-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:
Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge (www.ecn.nl/horizontal).
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
Wanneer in één maand één monster wordt aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt de berekening van het twaalf-maandsgemiddelde gemaakt op basis van het analyseresultaat van dit monster.
CSS 99020 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of total nitrogen – Dry combustion method. (www.ecn.nl/horizontal).
Door het aldus verkregen analyseresultaat (fosfaatgehalte en stikstofgehalte en drogestofgehalte afzonderlijk) toe te voegen aan de som van de analyseresultaten van de voorgaande maanden (maximaal 11) en deze som te delen door het totale aantal maanden (maximaal 12), wordt het nieuwe twaalf-maandsgemiddelde berekend.
Total phosphorous in soil, biowaste and sewage sludge (www.ecn.nl/horizontal).
4.1.2. Voor een nieuw product gebeurt dit als volgt:
Wanneer in één maand één monster wordt aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt de berekening van het twaalf-maandsgemiddelde gemaakt op basis van het analyseresultaat van dit monster.
Wanneer in één maand meerdere monsters worden aangeboden ten behoeve van het twaalf-maandsgemiddelde, wordt eerst het gemiddelde analyseresultaat van die maand berekend op basis van de analyseresultaten van die monsters. Vervolgens wordt de berekening van het twaalf-maansgemiddelde gemaakt op basis van de het gemiddelde analyseresultaat van die maand.
Door het aldus verkregen analyseresultaat (fosfaatgehalte en stikstofgehalte en drogestofgehalte afzonderlijk) toe te voegen aan de som van de analyseresultaten van de voorgaande maanden (maximaal 11) en deze som te delen door het totale aantal maanden (maximaal 12), wordt het nieuwe twaalf-maandsgemiddelde berekend.
In [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2011-10-01&g=2011-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:
4.1.2.2. Gedurende de daarop volgende 6 maanden onderzoekt de ondernemer nogmaals minimaal 5 monsters van het product op vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.
Dit protocol vermeldt voor vochtrijke voedermiddelen (> 14% vocht) de uitgangspunten die gelden voor de vaststelling van de te vermelden gehalten en voor de minimumfrequentie van analytisch onderzoek. Tevens wordt aangegeven hoe de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het gehalte moet vaststellen en welke minimumfrequentie van onderzoek hij moet hanteren.
4.1.2.4. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
Het uitgangspunt is dat de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd per gehalte met een voortschrijdend gemiddeld gehalte werkt. Dit gemiddelde gehalte wordt berekend per product per locatie (Dit betekent dat een product, afkomstig van 1 leverancier maar geleverd vanaf meerdere locaties, per locatie beschouwd moet worden. Zie echter ook 4.1.4 en 4.1.5) uit een aantal waarnemingen. Hij stelt hiertoe eerst het gemiddelde gehalte vast (aanvangsgemiddelde). Vervolgens onderhoudt hij dit gemiddelde gehalte door regelmatig monsters te (laten) analyseren en de analyseresultaten toe te voegen aan de gegevens, die nodig zijn om de gemiddelde gehalten te berekenen. De oudste gegevens worden telkens verwijderd (voorschrijdend gemiddelde).
4.1.3. Van een bestaand product (d.w.z. reeds langer op de markt) berekent de ondernemer op basis van de meest recente 10 analyse-uitslagen het gemiddelde gehalte en de sd
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
Dit protocol vermeldt voor vochtrijke voedermiddelen (> 14% vocht) de uitgangspunten die gelden voor de vaststelling van de te vermelden gehalten en voor de minimumfrequentie van analytisch onderzoek. Tevens wordt aangegeven hoe de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het gehalte moet vaststellen en welke minimumfrequentie van onderzoek hij moet hanteren.
4.1.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd definieert zijn product(en) en legt dit vast. Belangrijk zijn uiteraard de voor de controle op de gebruiksnormen belangrijke parameters vocht/ds, ruw eiwit en fosfor. Van deze gehalten stelt de ondernemer de gemiddelde waarde en de standaarddeviatie (sd) vast.
Opmerkingen
4.1.4. Uitgangspunt is definiëring per product per locatie, tenzij de ondernemer kan aantonen dat er geen verschil is tussen eenzelfde product van diverse locaties.
4.1.5. De ondernemer dient 1 keer per 3 jaar aan te tonen dat er geen sprake is van een verschil tussen een zelfde product van diverse locaties. Er is geen verschil tussen een zelfde product van meerdere locaties indien het verschil (berekend uit minimaal 5 analyse-uitslagen) tussen de gemiddelde waarden kleiner is dan de helft van de toegestane afwijking (tolerantie), die is vastgelegd in het onderdeel III van deze bijlage.
4.2.1. Nadat de onderneming volgens de onder 4.1 beschreven werkwijze per product per locatie het gemiddelde gehalte en de sd voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor heeft vastgesteld, dient hij dit gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij volgt daartoe de hieronder beschreven werkwijze.
Onderhoud t.b.v. voortschrijdend gemiddelde gehalte
4.2.1. Nadat de onderneming volgens de onder 4.1 beschreven werkwijze per product per locatie het gemiddelde gehalte en de sd voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor heeft vastgesteld, dient hij dit gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij volgt daartoe de hieronder beschreven werkwijze.
4.2.2. Het bedrijf stelt op basis van de sd en de tolerantie met behulp van figuur 1 vast hoeveel monsteronderzoek in de komende 12 maanden noodzakelijk zijn om het gemiddelde gehalte te kunnen onderhouden. (De in deze figuur genoemde frequenties voor jaarlijks monsteronderzoek zijn vastgesteld op basis van een 95% betrouwbaarheidsinterval, dwz de kans is 95% dat de afwijking van het werkelijke gemiddelde van het product t.o.v. het berekende gemiddelde binnen de toleranties valt.) Het minimale aantal analyse-uitslagen is 6 per jaar.
### **2. Doel**
4.2.4. Na elk monsteronderzoek stelt de onderneming uiterlijk binnen 2 weken opnieuw het gemiddelde gehalte vast. Hij doet dit op basis van de meest recente 10 waarnemingen. Dit gemiddelde gehalte hanteert het bedrijf vervolgens t.b.v. de administratie en -etikettering.
4.2.5. Na afloop van de periode van 12 maanden stelt de onderneming opnieuw vast hoeveel monsters voor de komende 12 maanden onderzocht moeten worden om het gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij gaat hierbij uit van de meest recente 10 waarnemingen en volgt werkwijze vanaf 4.2.1.
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
### **4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)**
4.1.2.1. Het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor berekent de ondernemer op basis van minimaal 5 analyse-uitslagen, verkregen in de eerste 3 maanden.
4.1.2.2. Gedurende de daarop volgende 6 maanden onderzoekt de ondernemer nogmaals minimaal 5 monsters van het product op vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.
4.2.6. Voor producten met minder dan 75 gram ruw eiwit per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
4.2.7. Voor producten met minder dan 2 gram fosfor per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
Opmerkingen m.b.t. producten die niet gedurende het hele jaar beschikbaar komen
### **II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders**
Nieuw product
– Gehalten van producten die vermeld worden in tabel J (gehaltes in ruwvoer en enkelvoudig diervoer) kunnen worden overgenomen.
4.2.8. Voor de bepaling van het stikstofgehalte dient het gehalte aan ruw eiwit gedeeld te worden door 6,25 en voor bepaling van het fosfaatgehalte dient het gehalte fosfor vermenigvuldigd te worden met 2,29 kg.
Ook het gemiddelde van een reeks analyses kent een zekere spreiding die de betrouwbaarheid bepaalt. Een manier om de betrouwbaarheid van het gemiddelde te definiëren is het geven van een betrouwbaarheidsinterval. Deze is gelijk aan het berekende gemiddelde ± t*sd/√n, waarbij t de waarde is uit de t-tabel bij een bepaalde kanswaarde (bijvoorbeeld 95%) en n het aantal analyses. Het betrouwbaarheidsinterval is dus afhankelijk van het aantal analyses dat gebruikt is voor het berekenen van het gemiddelde: hoe groter het aantal waarnemingen hoe groter de betrouwbaarheid.
### **2. Doel**
4.1.2.1. Het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor berekent de ondernemer op basis van minimaal 5 analyse-uitslagen, verkregen in de eerste 3 maanden.
4.1.2.2. Gedurende de daarop volgende 6 maanden onderzoekt de ondernemer nogmaals minimaal 5 monsters van het product op vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.
4.1.2.3. Deze gegevens voegt hij toe aan de dataset, verkregen bij 4.1.2.1. Hij berekent opnieuw op basis van minimaal 10 analyse-uitslagen het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.
### **9. Controle op naleving**
### **3. Plaats bemonstering**
4.1.3. Van een bestaand product (d.w.z. reeds langer op de markt) berekent de ondernemer op basis van de meest recente 10 analyse-uitslagen het gemiddelde gehalte en de sd
voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
Opmerkingen
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
4.1.5. De ondernemer dient 1 keer per 3 jaar aan te tonen dat er geen sprake is van een verschil tussen een zelfde product van diverse locaties. Er is geen verschil tussen een zelfde product van meerdere locaties indien het verschil (berekend uit minimaal 5 analyse-uitslagen) tussen de gemiddelde waarden kleiner is dan de helft van de toegestane afwijking (tolerantie), die is vastgelegd in het onderdeel III van deze bijlage.
4.2.4. Na elk monsteronderzoek stelt de onderneming uiterlijk binnen 2 weken opnieuw het gemiddelde gehalte vast. Hij doet dit op basis van de meest recente 10 waarnemingen. Dit gemiddelde gehalte hanteert het bedrijf vervolgens t.b.v. de administratie en -etikettering.
Onderhoud t.b.v. voortschrijdend gemiddelde gehalte
4.2.1. Nadat de onderneming volgens de onder 4.1 beschreven werkwijze per product per locatie het gemiddelde gehalte en de sd voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor heeft vastgesteld, dient hij dit gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij volgt daartoe de hieronder beschreven werkwijze.
4.2.2. Het bedrijf stelt op basis van de sd en de tolerantie met behulp van figuur 1 vast hoeveel monsteronderzoek in de komende 12 maanden noodzakelijk zijn om het gemiddelde gehalte te kunnen onderhouden. (De in deze figuur genoemde frequenties voor jaarlijks monsteronderzoek zijn vastgesteld op basis van een 95% betrouwbaarheidsinterval, dwz de kans is 95% dat de afwijking van het werkelijke gemiddelde van het product t.o.v. het berekende gemiddelde binnen de toleranties valt.) Het minimale aantal analyse-uitslagen is 6 per jaar.
4.2.3. De benodigde aantallen legt de onderneming vast in een bedrijfsintern monsteronderzoeksprogramma. De monsters worden verspreid over deze 12 maanden genomen en onderzocht.
4.2.4. Na elk monsteronderzoek stelt de onderneming uiterlijk binnen 2 weken opnieuw het gemiddelde gehalte vast. Hij doet dit op basis van de meest recente 10 waarnemingen. Dit gemiddelde gehalte hanteert het bedrijf vervolgens t.b.v. de administratie en -etikettering.
### **2. Doel**
Producten met een gering gehalte aan ruw eiwit en fosfor
4.2.6. Voor producten met minder dan 75 gram ruw eiwit per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
Opmerkingen m.b.t. producten die niet gedurende het hele jaar beschikbaar komen
Opmerkingen m.b.t. ruwvoer en enkelvoudig diervoer
– Gehalten van producten die vermeld worden in tabel J (gehaltes in ruwvoer en enkelvoudig diervoer) kunnen worden overgenomen.
Ook het gemiddelde van een reeks analyses kent een zekere spreiding die de betrouwbaarheid bepaalt. Een manier om de betrouwbaarheid van het gemiddelde te definiëren is het geven van een betrouwbaarheidsinterval. Deze is gelijk aan het berekende gemiddelde ± t*sd/√n, waarbij t de waarde is uit de t-tabel bij een bepaalde kanswaarde (bijvoorbeeld 95%) en n het aantal analyses. Het betrouwbaarheidsinterval is dus afhankelijk van het aantal analyses dat gebruikt is voor het berekenen van het gemiddelde: hoe groter het aantal waarnemingen hoe groter de betrouwbaarheid.
Omgekeerd kan uit dezelfde formule berekend worden hoeveel analyses nodig zijn bij een gewenst betrouwbaarheidsinterval. Bijvoorbeeld om met een zekerheid van 95% te kunnen zeggen of het werkelijke gemiddelde en het opgegeven gemiddelde niet meer verschillen van elkaar dan de in onderdeel IV bepaalde tolerantie (maximaal toelaatbare afwijking). In de onderstaande grafiek is de relatie weergegeven tussen het aantal analyses (n) en het quotiënt sd/tolerantie. Wanneer de sd van een product is vastgesteld en de tolerantie is bekend, kan via de curve op de Y-as het benodigde aantal analyses worden opgezocht.
### **II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders**
1.2. De onderneming moet de eisen en voorwaarden uit dit protocol verwerken in een eigen bemonsteringsprotocol.
1.1. Dit protocol richt zich op de bemonstering van vloeibare voeders en van steekvaste producten met een vochtgehalte van meer dan 14%. De diervoederleverancier dient de eisen en voorwaarden uit dit protocol minimaal te hanteren als zij in het kader van de hoeveelheidsbepalingen van stikstof en fosfaat monsters neemt van voedermiddelen met meer dan 14% vocht om de gehalten aan stikstof, fosfaat, droge stof, ruw eiwit en fosfor vast te stellen.
1.2. De onderneming moet de eisen en voorwaarden uit dit protocol verwerken in een eigen bemonsteringsprotocol.
4.2.7. Ook kan – naar analogie van het bemonsteren van mest – gebruik worden gemaakt van speciale apparatuur waarmee tijdens het laden regelmatig ondermonsters genomen kunnen worden.
2.1. Doel van monstername is het verkrijgen van een zo goed mogelijk representatief monster, overeenkomend met de gemiddelde samenstelling van de hele partij. De samenstelling van het product bij het afleveren aan de veehouder is hierbij het referentiepunt.
3.2. Niet in alle gevallen kan tijdens het laden een representatief monster worden genomen (bijvoorbeeld bij stapelbare producten). In voorkomende gevallen mag dan bij het bedrijf waaraan geleverd wordt de partij worden bemonsterd tijdens of direct na het lossen. Het monster dient uiteraard betrekking te hebben op de afgeleverde partij.
3.1. Het monster wordt genomen tijdens het laden van de (vracht)auto voor aflevering aan één veehouder. Daarbij gelden de volgende aandachtspunten:
3.2. Niet in alle gevallen kan tijdens het laden een representatief monster worden genomen (bijvoorbeeld bij stapelbare producten). In voorkomende gevallen mag dan bij het bedrijf waaraan geleverd wordt de partij worden bemonsterd tijdens of direct na het lossen. Het monster dient uiteraard betrekking te hebben op de afgeleverde partij.
3.3. In het onder 1.2 vereiste eigen bemonsteringsprotocol dient per product aangegeven te zijn, waar de bemonstering plaatsvindt.
4.1.1. De bemonstering wordt uitgevoerd door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd of namens de ondernemer door een gemachtigd monsternemer (zie punt 5).
Analysegegevens van een product vertonen een zekere spreiding. Wanneer we een gemiddelde berekenen uit de afzonderlijke analysegegevens zal ook aangegeven moeten worden hoe groot de spreiding is. Dit kan het beste met de standaarddeviatie (sd) gebeuren: sd = het totaal van de afwijkingen/(n-1).
Ook het gemiddelde van een reeks analyses kent een zekere spreiding die de betrouwbaarheid bepaalt. Een manier om de betrouwbaarheid van het gemiddelde te definiëren is het geven van een betrouwbaarheidsinterval. Deze is gelijk aan het berekende gemiddelde ± t*sd/√n, waarbij t de waarde is uit de t-tabel bij een bepaalde kanswaarde (bijvoorbeeld 95%) en n het aantal analyses. Het betrouwbaarheidsinterval is dus afhankelijk van het aantal analyses dat gebruikt is voor het berekenen van het gemiddelde: hoe groter het aantal waarnemingen hoe groter de betrouwbaarheid.
### **2. Doel**
2.1. Doel van monstername is het verkrijgen van een zo goed mogelijk representatief monster, overeenkomend met de gemiddelde samenstelling van de hele partij. De samenstelling van het product bij het afleveren aan de veehouder is hierbij het referentiepunt.
4.1.2. Het monster wordt genomen door een aantal ondermonsters te verzamelen, hiervan een zgn. verzamelmonster te maken en hieruit eindmonsters te bereiden.
4.1.1. De bemonstering wordt uitgevoerd door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd of namens de ondernemer door een gemachtigd monsternemer (zie punt 5).
4.1.2. Het monster wordt genomen door een aantal ondermonsters te verzamelen, hiervan een zgn. verzamelmonster te maken en hieruit eindmonsters te bereiden.
4.1.3. De monsternemer werkt met schoon materiaal zodat er geen beïnvloeding van de te meten parameters kan plaatsvinden.
4.2.2. De monsternemer neemt minimaal 5 ondermonsters. De tussentijd tussen 2 opeenvolgende te nemen ondermonsters wordt berekend door de totale laadtijd te delen door het aantal te nemen ondermonsters + 1. Het eerste ondermonster neemt de monsternemer kort nadat begonnen is met laden. Er wordt doorgegaan met het verzamelen van ondermonsters totdat de auto geladen is.
### Tabel II behorend bij [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=89&z=2009-07-25&g=2009-07-25)
1.2. De onderneming moet de eisen en voorwaarden uit dit protocol verwerken in een eigen bemonsteringsprotocol.
3.3. In het onder 1.2 vereiste eigen bemonsteringsprotocol dient per product aangegeven te zijn, waar de bemonstering plaatsvindt.
2.1. Doel van monstername is het verkrijgen van een zo goed mogelijk representatief monster, overeenkomend met de gemiddelde samenstelling van de hele partij. De samenstelling van het product bij het afleveren aan de veehouder is hierbij het referentiepunt.
4.2.1. Tijdens het laden van de auto neemt de monsternemer met vaste tussenpozen een ondermonster.
4.2.2. De monsternemer neemt minimaal 5 ondermonsters. De tussentijd tussen 2 opeenvolgende te nemen ondermonsters wordt berekend door de totale laadtijd te delen door het aantal te nemen ondermonsters + 1. Het eerste ondermonster neemt de monsternemer kort nadat begonnen is met laden. Er wordt doorgegaan met het verzamelen van ondermonsters totdat de auto geladen is.
4.2.3. Indien het een homogeen product betreft kan volstaan worden met minder ondermonsters. Het bedrijf dient zelf door middel van analytisch onderzoek ten genoegen van de Minister aan te tonen dat het product zodanig homogeen is dat minder ondermonsters voldoende zijn voor het verkrijgen van een representatief verzamel- en eindmonster.
### **4.4. Labelgegevens**
4.2.5. Indien een steekvast product wordt bemonsterd, dienen de ondermonsters te worden genomen op verschillende plekken verspreid over de partij. Een ondermonster is hierbij een hoeveelheid product, die op een bepaald punt uit de partij wordt genomen.
4.2.6. De ondermonsters worden (allemaal even groot; minimaal een halve liter) genomen d.m.v. een kunststof monsterpot o.i.d. Deze monsterpot wordt iedere keer na het nemen van een ondermonster geleegd in een schoon verzamelvat (emmer, vat, bak o.i.d.).
4.2.7. Ook kan – naar analogie van het bemonsteren van mest – gebruik worden gemaakt van speciale apparatuur waarmee tijdens het laden regelmatig ondermonsters genomen kunnen worden.
3.1. Het monster wordt genomen tijdens het laden van de (vracht)auto voor aflevering aan één veehouder. Daarbij gelden de volgende aandachtspunten:
3.2. Niet in alle gevallen kan tijdens het laden een representatief monster worden genomen (bijvoorbeeld bij stapelbare producten). In voorkomende gevallen mag dan bij het bedrijf waaraan geleverd wordt de partij worden bemonsterd tijdens of direct na het lossen. Het monster dient uiteraard betrekking te hebben op de afgeleverde partij.
3.3. In het onder 1.2 vereiste eigen bemonsteringsprotocol dient per product aangegeven te zijn, waar de bemonstering plaatsvindt.
4.3.2. Het verzamelmonster wordt in het verzamelvat goed gemengd (homogeniseren) waarna één of meerdere eindmonsters uit de emmer geschept worden. Een eindmonster is minimaal 0,5 liter resp. 0,5 kg groot.
4.3.1. Het verzamelmonster bestaat uit alle ondermonsters.
4.3.2. Het verzamelmonster wordt in het verzamelvat goed gemengd (homogeniseren) waarna één of meerdere eindmonsters uit de emmer geschept worden. Een eindmonster is minimaal 0,5 liter resp. 0,5 kg groot.
4.4.2. De label wordt op een deugdelijk wijze aan de pot gehecht.
4.4.1. Elk eindmonster wordt voorzien van een label waarop minimaal staat vermeld
4.4.2. De label wordt op een deugdelijk wijze aan de pot gehecht.
4.4.3. Bovenstaande vermeldingen mogen ook (gedeeltelijk) vervangen worden door andere vermeldingen, mits deze eenduidig kunnen leiden naar bovengenoemde gegevens.
4.2.1. Tijdens het laden van de auto neemt de monsternemer met vaste tussenpozen een ondermonster.
4.1.1. De bemonstering wordt uitgevoerd door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd of namens de ondernemer door een gemachtigd monsternemer (zie punt 5).
4.1.2. Het monster wordt genomen door een aantal ondermonsters te verzamelen, hiervan een zgn. verzamelmonster te maken en hieruit eindmonsters te bereiden.
4.1.3. De monsternemer werkt met schoon materiaal zodat er geen beïnvloeding van de te meten parameters kan plaatsvinden.
4.2.5. Indien een steekvast product wordt bemonsterd, dienen de ondermonsters te worden genomen op verschillende plekken verspreid over de partij. Een ondermonster is hierbij een hoeveelheid product, die op een bepaald punt uit de partij wordt genomen.
4.2.1. Tijdens het laden van de auto neemt de monsternemer met vaste tussenpozen een ondermonster.
4.2.2. De monsternemer neemt minimaal 5 ondermonsters. De tussentijd tussen 2 opeenvolgende te nemen ondermonsters wordt berekend door de totale laadtijd te delen door het aantal te nemen ondermonsters + 1. Het eerste ondermonster neemt de monsternemer kort nadat begonnen is met laden. Er wordt doorgegaan met het verzamelen van ondermonsters totdat de auto geladen is.
4.2.3. Indien het een homogeen product betreft kan volstaan worden met minder ondermonsters. Het bedrijf dient zelf door middel van analytisch onderzoek ten genoegen van de Minister aan te tonen dat het product zodanig homogeen is dat minder ondermonsters voldoende zijn voor het verkrijgen van een representatief verzamel- en eindmonster.
4.2.4. Indien de monsternemer de ondermonsters via een aftapkraan neemt die in de te lossen stroom is gemonteerd, dient deze kraan groot genoeg te zijn om ‘uitzeven’ van eventuele vaste bestanddelen uit het product te voorkomen (b.v. ½'' of ¾'' kogelkraan).
4.2.5. Indien een steekvast product wordt bemonsterd, dienen de ondermonsters te worden genomen op verschillende plekken verspreid over de partij. Een ondermonster is hierbij een hoeveelheid product, die op een bepaald punt uit de partij wordt genomen.
### **4.4. Labelgegevens**
4.2.7. Ook kan – naar analogie van het bemonsteren van mest – gebruik worden gemaakt van speciale apparatuur waarmee tijdens het laden regelmatig ondermonsters genomen kunnen worden.
4.4.2. De label wordt op een deugdelijk wijze aan de pot gehecht.
4.3.1. Het verzamelmonster bestaat uit alle ondermonsters.
4.3.2. Het verzamelmonster wordt in het verzamelvat goed gemengd (homogeniseren) waarna één of meerdere eindmonsters uit de emmer geschept worden. Een eindmonster is minimaal 0,5 liter resp. 0,5 kg groot.
4.5.2. Het eindmonster wordt binnen 24 uur afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor. Indien dit niet mogelijk is, vriest de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het monster direct in. Het monster wordt vervolgens in bevroren toestand afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.
4.5.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd stuurt minimaal 1 monster voor onderzoek naar het laboratorium. Een tweede monster kan voor eigen doeleinden worden bewaard. Het laboratorium moet voldoen aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of een hieraan gelijkwaardige norm.
4.4.1. Elk eindmonster wordt voorzien van een label waarop minimaal staat vermeld
4.4.2. De label wordt op een deugdelijk wijze aan de pot gehecht.
4.4.3. Bovenstaande vermeldingen mogen ook (gedeeltelijk) vervangen worden door andere vermeldingen, mits deze eenduidig kunnen leiden naar bovengenoemde gegevens.
4.6.1. Van elk monster worden de volgende gegevens vastgelegd
4.5.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd stuurt minimaal 1 monster voor onderzoek naar het laboratorium. Een tweede monster kan voor eigen doeleinden worden bewaard. Het laboratorium moet voldoen aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 of een hieraan gelijkwaardige norm.
4.5.2. Het eindmonster wordt binnen 24 uur afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor. Indien dit niet mogelijk is, vriest de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het monster direct in. Het monster wordt vervolgens in bevroren toestand afgeleverd op het laboratorium. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.
4.5.3. Indien de gehalten aan droge stof, ruw eiwit en fosfor in het product niet veranderen tijdens het bewaren, mag het bedrijf afwijken van bovengenoemde voorwaarde. Het bedrijf dient wel ten genoegen van de Minister aan te tonen dat dit zo is. Het eindmonster dient binnen 1 week op het laboratorium te worden afgeleverd. Dit laboratorium vriest het monster direct in of droogt het monster direct voor.
1.2. Te hanteren tolerantie bij nader onderzoek en meerdere monsters:
4.6.1. Van elk monster worden de volgende gegevens vastgelegd
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 69a
@@ -3365,7 +3581,7 @@
2. De op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevulde gegevens worden door de vervoerder uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht zuiveringsslib of compost op elektronische wijze bij de Dienst Regelingen ingediend.
3. In afwijking van [artikel 55, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55), kunnen de leverancier of de afnemer, de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost machtigen. [Artikel 65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=65&z=2012-10-06&g=2012-10-06) is op deze machtiging van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van [artikel 55, vierde lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=55), kunnen de leverancier of de afnemer, de vervoerder ter zake van de ondertekening van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost machtigen. [Artikel 65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=65&z=2013-01-01&g=2013-01-01) is op deze machtiging van overeenkomstige toepassing.
#### § 2. Vervoersbewijs dierlijke meststoffen
@@ -3751,7 +3967,7 @@
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststof van anorganische oorsprong:
ISO 5315 – Fertilizers – Determination of total nitrogen – Titrimetric method after distillation.
Voor overige anorganische meststoffen en kalkmeststof van anorganische oorsprong:
## Bijlage A.2. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2006-07-01&g=2007-01-01): Pootaardappelrassen
@@ -3761,9 +3977,9 @@
### **V. Protocol analyse zware metalen en arseen**
CSS 99045 Soils, sludges and treated biowaste – Determination of dioxins and furans and dioxin-like polychlorinated biphenyls by gas chromatography with high resolution mass spectrometry (GC/HRMS). (www.ecn.nl/horizontal)
CSS 99016 Soils, sludges and treated bio-waste – Determination of polychlorinated biphenyls – Method by GC-MS and GC-ECD (www.ecn.nl/horizontal);
in combinatie met NEN 6980 : 2006
## Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2011-05-18&g=2011-05-18) en [28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2011-05-18&g=2011-05-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -4019,39 +4235,39 @@
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing met een pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauwmethode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing met een pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauwmethode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
### **2. Voorbehandeling van de grondmonsters**
2.1 Azijnzuur 100% pro analyse
Breng het monster over naar het laboratorium voor verdere behandeling. Droog het grondmonster binnen drie dagen. Indien drogen van het mengmonster binnen de genoemde termijn niet mogelijk is dient het grondmonster in een niet-luchtdicht afgesloten plastic zak bij 5°C ± 3°C in het donker bewaard te worden. Het monster mag maximaal drie maanden worden bewaard. Indien het monster niet binnen deze drie maanden geanalyseerd wordt, dient een nieuw (meng)monster genomen te worden.
Behandel het grondmonster voor volgens de norm NEN 5709. De voorbehandeling resulteert na drogen bij 40°C ± 2°C en breken van de grond in deeltjes kleiner dan 2 mm (D95 < 2 mm). Verdere verkleining van de deeltjesgrootte van 2 mm tot fijnere fracties dient zoveel mogelijk te worden voorkomen.
### 3. Analyse van grondmonsters
Het mengmonster wordt volgens de voorgeschreven methoden van grondonderzoek (zie onderdeel II en III) voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal (voor grasland) of het Pw-getal (voor bouwland). Het gemiddelde van de duplo bepalingen is de uitslag van de test. Een heranalyse van het geanalyseerde grondmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw grondmonster gestoken te worden. Het genomen grondmonster dient door het laboratorium minimaal 2 jaar na de analyse bewaard te worden.
### **3. Analyse van grondmonsters**
### **2. Benodigde reagentia**
Zwenk om en voeg na een kwartier wachten 20 milliliter van oplossing III toe.
Verdun de standaardoplossing 20 keer. Pipetteer hiervoor 50 milliliter standaardoplossing in een maatkolf van 1 liter. Vul aan met water tot de maatstreep en meng. Conserveer met enkele druppels koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 0,05 milligram P2O5. Bewaar de standaardoplossing in de koelkast.
### **Buitenbloemen hoge norm**
De bepaling van het fosforgehalte in het waterig extract kan ook uitgevoerd worden door middel van een spectrofotometrische bepaling in een doorstroomanalysesysteem bij toepassing van een identieke molybdeenblauwkleuring.
Vul een buret met de verdunde standaardoplossing. Laat hieruit in maatkolfjes van 100 milliliter respectievelijk 0, 2, 4, 6, 8, 10, 20 en 30 milliliter vloeien. Deze reeks bevat dan respectievelijk 0; 0,1; 0,2; 0,3; 0,4; 0,5; 1,0 en 1,5 milligram P2O5. Vul het volume aan met water tot circa 40 milliliter. Voeg vervolgens 10 milliliter toe van oplossing I, zwenk om, voeg daarna 10 milliliter van oplossing II toe, zwenk weer om en voeg na 20 minuten wachten 20 milliliter van oplossing III toe. Zwenk om, vul aan met water tot de maatstreep en meng. Meet de extinctie in een cuvet van 10 millimeter in de spectrofotometer bij een golflengte van 735 nanometer. Bereken de ijkfactor door de som van de P2O5 dosering van de reeks 4,0 milligram P2O5 te delen door de som van de netto-extincties (dit zijn de extincties die verminderd zijn met de extinctie van de 0-proef van de reeks). De waarde van de ijkfactor bedraagt ongeveer 1,90.
### 5. Opmerkingen
5.2 De kool dient voor de ontkleuring van het grondextract, dat door humeuze verbindingen meer of minder bruin gekleurd kan zijn. Het preparaat mag dus geen kationen of anionen aan het extract afgeven of er uit adsorberen.
5.1 Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23–26.
### 2.5. Kaliumantimonyltartraat-oplossing 0,275%
### 2.7. IJkoplossingen
De schudflessen met grond worden gedurende één nacht in een droogstoof gezet bij circa 40°C. Na afkoeling wordt dan 2 milliliter gedestilleerd water toegevoegd en even met de hand geschud om water en grond te mengen. Daarna de flesjes afsluiten en gedurende 22 uren bij een temperatuur van 20°C laten staan. Vervolgens wordt 70 milliliter gedestilleerd water van 20°C toegevoegd en aansluitend gedurende 1 uur geschud bij 20°C met een schudsnelheid van 160–170 slagen per minuut.
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
### 2. Benodigde reagentia
### 2.2. Molybdaat-oplossing 4%
De droge, tot een doorsnede van kleiner dan 2 millimeter verkleinde, gezeefde grond wordt geschept met een cilindrisch vaatje met bolvormige bodem, met een inhoud van 1,2 centimeter3. Door drie maal zacht aankloppen wordt de grond in dichte pakking gebracht en vervolgens dient de overmaat afgestreken te worden tot het niveau gelijk is aan de rand van het vaatje. Daarna wordt het afgemeten volume grond kwantitatief overgebracht in een schudfles van 125 centimeter3 inhoud.
### Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
@@ -4067,136 +4283,136 @@
### **B. Eisen monsterverpakking**
4 Behorende bij de [artikelen 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2012-10-06&g=2012-10-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
3 Behorende bij [artikel 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2013-01-01&g=2013-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
### **C. Prestatiekenmerken verpakkingsapparatuur**
5 Behorende bij [artikel 73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2012-10-06&g=2012-10-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Alleen relevant voor de graasdieren en daarmee niet van toepassing op diercategorieën die vallen onder de staldieren.
7 Gasvormig verlies van overige knaagdieren en overig pluimvee bedraagt 50% van de N-excretie, die volgens de stalbalans is berekend.
Met betrekking tot [artikel 73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2013-01-01&g=2013-01-01) alleen relevant voor de graasdieren en daarmee niet van toepassing op diercategorieën die vallen onder de staldieren.
6 De mestproductie van deze dieren is reeds verrekend in het forfait van de fokschapen.
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2006-07-01&g=2007-01-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2006-07-01&g=2007-01-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2006-07-01&g=2007-01-01)
2.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de unieke identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen. Dit is zowel tijdens laden als tijdens het lossen mogelijk.
### **Tabel IV. Aan- en afvoer van eieren, behorende bij artikel 103**
### **A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur**
### **A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur**
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
### **D. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van drijfmest**
### **A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur**
### **B. Eisen monsterverpakking**
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.
1.2. Indien de AGR-apparatuur uit verschillende onderdelen bestaat is ieder te onderscheiden onderdeel zichtbaar voorzien van de in onderdeel 1.1. genoemde kenmerken.
### **2. Inlezen gegevens**
### **E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest**
2.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de unieke identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, automatisch en op elektronische wijze uit de verpakkingsapparatuur wordt ingelezen. Dit is zowel tijdens laden als tijdens het lossen mogelijk.
3.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de bemonsterings- en verpakkingsapparatuur, in het geval van vervoer door middel van een pijpleiding, de in het leidingstelsel opgenomen afsluitkleppen alsmede de satellietvolgapparatuur elektronisch aan de AGR-apparatuur verbonden zijn.
### **4. Automatische positiebepaling van het transportmiddel met satellietvolgapparatuur**
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
1.1. De AGR-apparatuur is zichtbaar voorzien van een typeaanduiding, een versienummer, een uniek serienummer en een identificatie van de fabrikant.
1.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het unieke serienummer automatisch wordt vastgelegd en aan elk elektronisch databericht wordt meegegeven.
### **2. Inlezen gegevens**
4.5. In het geval van vervoer door middel van een vaste pijpleiding kunnen de onder 4.1 tot en met 4.4 bedoelde positiegegevens voorgeprogrammeerd zijn.
6.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee terstond nadat de gegevens in de AGR-apparatuur zijn geregistreerd, zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd. Het tijdens het laden te versturen elektronisch databericht ‘laden van mest’ bevat de volgende gegevens:
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
### **E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest**
4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
4.5. In het geval van vervoer door middel van een vaste pijpleiding kunnen de onder 4.1 tot en met 4.4 bedoelde positiegegevens voorgeprogrammeerd zijn.
### **2. Inlezen gegevens**
6.4. De AGR-apparatuur maakt voor het versturen van elektronische databerichten uitsluitend gebruik van een infrastructuur die wordt beheerd door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijk partij, waarbij gewaarborgd is dat de met het databericht verzonden gegevens die bestemd zijn voor het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, uitsluitend door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijke partij worden beheerd.
2.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen automatisch en op elektronische wijze vanaf dit bewijs wordt ingelezen.
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
4.6. De AGR-apparatuur beschikt in het geval van vervoer door middel van een pijpleiding over een voorziening waarmee, indien de hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt bepaald met behulp van het apparaat, als bedoeld in [artikel 82, derde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=82&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en de dichtheid van de mest niet gelijk is aan 1, de meetwaarde van de debietmeter gecorrigeerd kan worden. Deze correctie kan automatisch uitgevoerd worden door en vastgelegd worden in de AGR-apparatuur. Voor het bepalen van de dichtheid wordt gebruik gemaakt van de publicatie van de Wageningen Universiteit uit de Kwantitatieve Informatie voor de Veehouderij (KWIN) (www.livestockresearch.wur.nl).
6.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee terstond nadat de gegevens in de AGR-apparatuur zijn geregistreerd, zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd. Het tijdens het laden te versturen elektronisch databericht ‘laden van mest’ bevat de volgende gegevens:
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur**
2.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen automatisch en op elektronische wijze vanaf dit bewijs wordt ingelezen.
2.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee de unieke identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, op elektronische wijze wordt ingelezen.
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur**
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
### **E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest**
6.5. De AGR-apparatuur sluit op elektronische wijze, overeenkomstig de technische specificaties die op verzoek door de Dienst Regelingen worden verstrekt, aan op het ontvangstportaal bij Dienst Regelingen.
2.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen automatisch en op elektronische wijze vanaf dit bewijs wordt ingelezen.
4.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen het moment van laden, onderscheidenlijk het moment van lossen kenbaar gemaakt kan worden alsmede over een voorziening waarmee de op voornoemde momenten door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; samenstelling AP05
6.2. Het tijdens het laden te versturen elektronisch databericht ‘laden van mest’ bevat de volgende gegevens:
6.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd terstond nadat de desbetreffende gegevens door de AGR-apparatuur zijn geregistreerd.
### **2. Algemene eisen**
## Bijlage G
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2011-10-01&g=2011-10-01) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2011-10-01&g=2011-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **7. Signalering van storingen**
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur**
2.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee het nummer van het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen automatisch en op elektronische wijze vanaf dit bewijs wordt ingelezen.
4.3. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee direct na het inlezen van de identificatie van de monsterverpakking, dan wel de onderdelen waaruit de monsterverpakking bestaat, de door de satellietvolgapparatuur gegenereerde gegevens inzake de positie van het transportmiddel alsmede de datum en het tijdstip waarop de positiegegevens zijn bepaald, worden vastgelegd.
### **B. opmerkingscodes**
2.4. Een laboratorium moet alle verrichtingen die in hoofdstuk 3 van het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ zijn vermeld altijd kunnen aanbieden. Uitzondering hierop is de analyse van vaste mest met een voorbehandeling conform NEN 7431 indien het laboratorium geen monsters vaste mest ontvangt en hiervoor ook geen accreditatie nastreeft. Deze uitzondering blijkt uit de accreditatie
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
### **5. Opmerkingen**
6.3. Het tijdens het lossen te versturen databericht ‘lossen van mest’ bevat de volgende gegevens:
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; samenstelling AP05
6.2. Het tijdens het laden te versturen elektronisch databericht ‘laden van mest’ bevat de volgende gegevens:
6.3. Het tijdens het lossen te versturen databericht ‘lossen van mest’ bevat de volgende gegevens:
Dit accreditatieprogramma is geschreven voor de uitvoering van analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en beschrijft een set van verrichtingen die alle onder de scope van de accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17025 moeten vallen. Het komt niet in de plaats van voornoemde accreditatie, maar vormt een voor de markt eenvoudig te herkennen onderdeel hiervan. Het schept duidelijkheid voor opdrachtgevers over de aard en omvang van de accreditatie.
### **2. Algemene eisen**
## Bijlage G
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2011-10-01&g=2011-10-01) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2011-10-01&g=2011-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
### **B. opmerkingscodes**
2.4. Een laboratorium moet alle verrichtingen die in hoofdstuk 3 van het accreditatieprogramma ‘Dierlijke mest; samenstelling’ zijn vermeld altijd kunnen aanbieden. Uitzondering hierop is de analyse van vaste mest met een voorbehandeling conform NEN 7431 indien het laboratorium geen monsters vaste mest ontvangt en hiervoor ook geen accreditatie nastreeft. Deze uitzondering blijkt uit de accreditatie
### **3. Verrichtingen van het accreditatieprogramma**
In hoofdstuk 2 van dit document zijn de algemene eisen vermeld waaraan een laboratorium moet voldoen om in aanmerking komen voor accreditatie door de Raad van Accreditatie. De verrichtingen die onder het accreditatieprogramma vallen zijn in hoofdstuk 3 vermeld. In hoofdstuk 4 zijn de monsteroverdracht en de daarbij horende verantwoordelijkheden beschreven.
### **2. Algemene eisen**
De volgende verrichtingen zijn voorgeschreven:
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
Bij zeer nauwkeurige uitvoering van de referentiemethode en de alternatieve methode kan snel een significant verschil worden gevonden. Daarom wordt in alle gevallen een relatief verschil van 2% toegestaan. De meetresultaten mogen op generlei wijze voor systematische verschillen gecorrigeerd worden.
3.2. Gelijkwaardigheidsonderzoek van een huismethode
### **4. Controle en registratie inkomende monsters**
5.1.1. Mengen van monsters drijfmest
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
5.1.2. Mengen van monsters stapelbare mest
### **4. Automatische positiebepaling van het transportvoertuig met satellietvolgapparatuur**
Waarbij:
De resultaten van een ringonderzoek worden door de uitvoerende instantie als volgt geëvalueerd. Van elke parameter van elk monster wordt de z-score berekend:
### **7. Rapportage van resultaten**
7.1. Uitdrukking van meetresultaten
Geef een waarschuwing als de berekende mediaan boven 2s of beneden -2s uitkomt.
### **8. Archivering van gegevens**
De berekende hoeveelheden fosfaat en stikstof – gebaseerd op het gehalte maal de vrachtomvang – wordt uitgedrukt in kilogrammen en afgerond op hele getallen.
De meetresultaten voor stikstof en fosfaat worden bij een gehalte <10 g/kg afgerond op 2 decimalen, bij een gehalte ≥10 g/kg op 1 decimaal, en bij een gehalte ≥100 g/kg op 0 decimaal.
### **10. Toetredingsprocedure**
Indien het gemiddelde meetresultaat van de heranalyse voor stikstof en fosfor niet meer dan 6,4% resp. 9,8% afwijkt van het resultaat de eerste analyse, is er sprake van een bevestiging van het resultaat.
De aanvrager van de heranalyse ontvangt in dat geval van het laboratorium bericht van de bevestiging waarbij aangegeven wordt dat het eerder gerapporteerde resultaat onverkort van toepassing blijft.
Wanneer de analyseresultaten niet worden bevestigd, wordt door het laboratorium een gewijzigd analyserapport verzonden aan de leverancier, vervoerder en afnemer van de vracht of partij mest en daarmee vervalt het eerste analyseresultaat. Op het analyserapport wordt aangegeven dat het een heranalyse betreft.
7.4. Rapportage aan Dienst Regelingen
Periodiek moet het laboratorium in ieder geval de volgende gegevens aan Dienst Regelingen rapporteren:
### **8. Archivering van gegevens**
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### **10. Toetredingsprocedure**
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
De RvA zal in een jaarlijkse geanonimiseerde rapportage aan de minister van LNV haar bevindingen weergeven. Tevens zullen de branchebreed waargenomen afwijkingen/tekortkomingen worden behandeld. Hiermee kunnen mogelijke knelpunten die zich in de praktijk voordoen worden opgespoord en zonodig worden aangepast in het accreditatieprogramma.
### **10. Toetredingsprocedure**
Laboratoria die wensen deel te nemen aan het Accreditatieprogramma AP05 dienen zich aan te melden bij de Raad voor Accreditatie. Het laboratorium dient aan te tonen dat het bekend is met de specifieke kenmerken van de matrix dierlijke mest en dat de voorgeschreven analysemethoden goed kunnen worden uitgevoerd. Hiervoor moet vooraf een groot aantal monsters (200) onder beheerste condities geanalyseerd worden. Reden voor dit grote aantal analyses vooraf, is de diversiteit in de matrix mest (diersoorten, stalsystemen) en de daarbij behorende effecten op de gehalten. Als aangetoond is dat aan de kwaliteitseisen van AP05 kan worden voldaan wordt het laboratorium geaccrediteerd. Vóórdat monsters in het kader van het stelsel van gebruiksnormen geanalyseerd mogen worden, dient ook de kwaliteitsbewaking opgestart te zijn, in de vorm van controlemonsters met de bijbehorende controlekaarten.
### **1. Droge stof**
NEN 7431: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door mengen, drogen en malen. Stapelbare mest
### 4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).
@@ -4205,63 +4421,63 @@
CSS 99022 Soil, sludge and treated biowaste – Determination of dry matter – Gravimetric method. (www.ecn.nl/horizontal).
### **3. Fosfaat (P2O5)**
### **2. Stikstof (N)**
In [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2012-10-06&g=2012-10-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet staat dat de ondernemer, in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd, het gehalte aan stikstof, fosfaat en droge stof baseert op:
### **2. Doel**
Dit protocol vermeldt voor vochtrijke voedermiddelen (> 14% vocht) de uitgangspunten die gelden voor de vaststelling van de te vermelden gehalten en voor de minimumfrequentie van analytisch onderzoek. Tevens wordt aangegeven hoe de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd het gehalte moet vaststellen en welke minimumfrequentie van onderzoek hij moet hanteren.
De analysefrequentie hangt af van:
### 4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).
4.1.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd definieert zijn product(en) en legt dit vast. Belangrijk zijn uiteraard de voor de controle op de gebruiksnormen belangrijke parameters vocht/ds, ruw eiwit en fosfor. Van deze gehalten stelt de ondernemer de gemiddelde waarde en de standaarddeviatie (sd) vast.
### **8. Archivering van gegevens**
### **2. Doel**
4.1.2.2. Gedurende de daarop volgende 6 maanden onderzoekt de ondernemer nogmaals minimaal 5 monsters van het product op vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.
4.1.2.3. Deze gegevens voegt hij toe aan de dataset, verkregen bij 4.1.2.1. Hij berekent opnieuw op basis van minimaal 10 analyse-uitslagen het gemiddelde gehalte en de sd voor vocht/ds, ruw eiwit en fosfor.
### **4.1. Algemeen**
### **10. Toetredingsprocedure**
voor ds/vocht, ruw eiwit en fosfor. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
### **9. Controle op naleving**
4.2.3. De benodigde aantallen legt de onderneming vast in een bedrijfsintern monsteronderzoeksprogramma. De monsters worden verspreid over deze 12 maanden genomen en onderzocht.
### **4. Monsternameprocedure**
Opmerkingen m.b.t. ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
Analysegegevens van een product vertonen een zekere spreiding. Wanneer we een gemiddelde berekenen uit de afzonderlijke analysegegevens zal ook aangegeven moeten worden hoe groot de spreiding is. Dit kan het beste met de standaarddeviatie (sd) gebeuren: sd = het totaal van de afwijkingen/(n-1).
### **4. Monsternameprocedure**
4.2.4. Indien de monsternemer de ondermonsters via een aftapkraan neemt die in de te lossen stroom is gemonteerd, dient deze kraan groot genoeg te zijn om ‘uitzeven’ van eventuele vaste bestanddelen uit het product te voorkomen (b.v. ½'' of ¾'' kogelkraan).
### **3. Uitgangspunten**
Het uitgangspunt is dat de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd per gehalte met een voortschrijdend gemiddeld gehalte werkt. Dit gemiddelde gehalte wordt berekend per product per locatie (Dit betekent dat een product, afkomstig van 1 leverancier maar geleverd vanaf meerdere locaties, per locatie beschouwd moet worden. Zie echter ook 4.1.4 en 4.1.5) uit een aantal waarnemingen. Hij stelt hiertoe eerst het gemiddelde gehalte vast (aanvangsgemiddelde). Vervolgens onderhoudt hij dit gemiddelde gehalte door regelmatig monsters te (laten) analyseren en de analyseresultaten toe te voegen aan de gegevens, die nodig zijn om de gemiddelde gehalten te berekenen. De oudste gegevens worden telkens verwijderd (voorschrijdend gemiddelde).
De analysefrequentie hangt af van:
### 4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).
4.1.2. Voor een nieuw product gebeurt dit als volgt:
### **8. Archivering van gegevens**
### **2. Doel**
4.1.2.4. Daarna volgt hij dit protocol vanaf 4.2.
Bestaand product
### **4.1. Algemeen**
### **10. Toetredingsprocedure**
4.1.4. Uitgangspunt is definiëring per product per locatie, tenzij de ondernemer kan aantonen dat er geen verschil is tussen eenzelfde product van diverse locaties.
### **9. Controle op naleving**
4.2.5. Na afloop van de periode van 12 maanden stelt de onderneming opnieuw vast hoeveel monsters voor de komende 12 maanden onderzocht moeten worden om het gemiddelde gehalte te onderhouden. Hij gaat hierbij uit van de meest recente 10 waarnemingen en volgt werkwijze vanaf 4.2.1.
### **4. Monsternameprocedure**
4.2.8. Voor de bepaling van het stikstofgehalte dient het gehalte aan ruw eiwit gedeeld te worden door 6,25 en voor bepaling van het fosfaatgehalte dient het gehalte fosfor vermenigvuldigd te worden met 2,29 kg.
### **2. Stikstof (N)**
Omgekeerd kan uit dezelfde formule berekend worden hoeveel analyses nodig zijn bij een gewenst betrouwbaarheidsinterval. Bijvoorbeeld om met een zekerheid van 95% te kunnen zeggen of het werkelijke gemiddelde en het opgegeven gemiddelde niet meer verschillen van elkaar dan de in onderdeel IV bepaalde tolerantie (maximaal toelaatbare afwijking). In de onderstaande grafiek is de relatie weergegeven tussen het aantal analyses (n) en het quotiënt sd/tolerantie. Wanneer de sd van een product is vastgesteld en de tolerantie is bekend, kan via de curve op de Y-as het benodigde aantal analyses worden opgezocht.
### **4. Monsternameprocedure**
4.2.6. De ondermonsters worden (allemaal even groot; minimaal een halve liter) genomen d.m.v. een kunststof monsterpot o.i.d. Deze monsterpot wordt iedere keer na het nemen van een ondermonster geleegd in een schoon verzamelvat (emmer, vat, bak o.i.d.).
### **3. Uitgangspunten**
Deze gegevens mogen op verschillende plaatsen geadministreerd en bewaard worden, mits de traceerbaarheid van de gegevens gewaarborgd is.
1.1.1. voor fosfor:
Iemand die werkzaam is bij een onderneming in het kader waarvan diervoeders worden afgeleverd, moet om als monsternemer in het kader van het protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen te kunnen optreden, daartoe door een bevoegde functionaris van de desbetreffende onderneming, schriftelijk zijn gemachtigd. De ondernemer bewaart de machtiging op de onderneming gedurende 5 jaar na afloop van het kalenderjaar, waarin de gemachtigde monsternemer zijn werkzaamheden heeft beëindigd.
4.6.1. Van elk monster worden de volgende gegevens vastgelegd
Deze gegevens mogen op verschillende plaatsen geadministreerd en bewaard worden, mits de traceerbaarheid van de gegevens gewaarborgd is.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 91b
Indien dezelfde vracht vaste dierlijke meststoffen binnen zeven dagen twee maal wordt vervoerd van of naar een bedrijf of een onderneming, kan de hoeveelheid meststoffen van het eerste vervoer, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), gelijkgesteld worden aan de hoeveelheid meststoffen van het tweede vervoer, onder voorwaarde dat tijdens het laden van zowel het eerste als het tweede vervoer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking als bedoeld in [artikel 55, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2012-10-06&g=2012-10-06), van het tweede vervoer worden ingelezen en vastgelegd.
Indien dezelfde vracht vaste dierlijke meststoffen binnen zeven dagen twee maal wordt vervoerd van of naar een bedrijf of een onderneming, kan de hoeveelheid meststoffen van het eerste vervoer, in zoverre in afwijking van [artikel 68, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), gelijkgesteld worden aan de hoeveelheid meststoffen van het tweede vervoer, onder voorwaarde dat tijdens het laden van zowel het eerste als het tweede vervoer, de gegevens ter identificatie van de monsterverpakking als bedoeld in [artikel 55, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2013-01-01&g=2013-01-01), van het tweede vervoer worden ingelezen en vastgelegd.
#### § 5. Gasvormige verliezen
@@ -4275,7 +4491,7 @@
#### § 4. Voorraden meststoffen
#### § 5. Gasvormige verliezen
#### § 4. Voorraden meststoffen
#### § 5. Gasvormige verliezen
@@ -4495,9 +4711,9 @@
## Bijlage A.2. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2007-02-09&g=2007-02-09): Pootaardappelrassen
### **7. Natriumoxide (Na2O)**
### **1. Ontsluiting en extractie Cd, Cr, Cu, Hg, Ni, Pb, Zn en As**
### **2. Fosfaat (P2O5)**
### **V. Protocol analyse zware metalen en arseen**
## Bijlage Ad. , behorende bij [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2011-10-01&g=2011-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -4608,15 +4824,15 @@
| | Veen | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Mengsels van meststoffen | Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. | Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. | Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. | Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. | Voor mengsels geldt de werkingscoëfficiënt van de meststof met de hoogste werkingscoëfficiënt die het mengsel bevat.5Indien een mengsel een meststof bevat die niet in deze tabel staat geldt een werkingscoëfficiënt van 100%. |
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
### **Pootaardappelrassen hoge norm**
### **Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal**
### 1. Abstract
### 2. Benodigde reagentia
### Oplossingen
@@ -4624,9 +4840,9 @@
### 2. Benodigde reagentia
### 1. Abstract
### **Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal**
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
### 2.1. Zwavelzuur 5N
### 2.3. Zwavelzure molybdaat-oplossing
@@ -4636,21 +4852,21 @@
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
2 Behorende bij [artikel 96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=5&artikel=96&z=2012-10-06&g=2012-10-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.
1 Als de omschrijving van de categorieën niet aansluit bij de voorkomende situatie dienen de forfaits gehanteerd te worden van de categorie die het best aansluit bij de voorkomende situatie.
## Bijlage D. Diergebonden normen
6 De mestproductie van deze dieren is reeds verrekend in het forfait van de fokschapen.
5 Behorende bij [artikel 73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2013-01-01&g=2013-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Alleen relevant voor de graasdieren en daarmee niet van toepassing op diercategorieën die vallen onder de staldieren.
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
1.2. Indien de AGR-apparatuur uit verschillende onderdelen bestaat is ieder te onderscheiden onderdeel zichtbaar voorzien van de in onderdeel 1.1. genoemde kenmerken.
7 Gasvormig verlies van overige knaagdieren en overig pluimvee bedraagt 50% van de N-excretie, die volgens de stalbalans is berekend.
### Tabel II B. Excretieforfaits per melkkoe vaste mest, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2012-10-06&g=2012-10-06)
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2007-02-09&g=2007-02-09), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2007-02-09&g=2007-02-09) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2007-02-09&g=2007-02-09)
### **4. Automatische positiebepaling van het transportmiddel met satellietvolgapparatuur**
### **2. Inlezen gegevens**
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
@@ -4658,9 +4874,9 @@
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
6.5. De AGR-apparatuur sluit op elektronische wijze, overeenkomstig de technische specificaties die op verzoek door de Dienst Regelingen worden verstrekt, aan op het ontvangstportaal bij Dienst Regelingen.
7.2. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee in het elektronische databericht ‘lossen van mest’ automatisch wordt aangegeven of er gedurende het desbetreffende transport een storing is opgetreden.
5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.
7.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee wordt zichtbaar gemaakt of elke te onderscheiden functie van de AGR-apparatuur en de satellietvolgapparatuur correct functioneert.
### **E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest**
@@ -4672,15 +4888,15 @@
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
6.1. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee zowel tijdens het laden als tijdens het lossen automatisch, zonder tussenkomst van menselijk handelen en zonder dat menselijk ingrijpen mogelijk is een elektronisch databericht naar de Dienst Regelingen wordt verstuurd terstond nadat de desbetreffende gegevens door de AGR-apparatuur zijn geregistreerd.
6.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee elektronische databerichten behouden blijven indien er een storing optreedt in de mobiele datacommunicatie en waarmee de elektronische databerichten alsnog worden verstuurd zodra de storing is opgeheven.
5.1. De door de AGR-apparatuur geregistreerde gegevens blijven ten minste in deze apparatuur vastgelegd tot het moment waarop deze gegevens succesvol met het elektronisch databericht zijn verzonden.
6.2. Het tijdens het laden te versturen elektronisch databericht ‘laden van mest’ bevat de volgende gegevens:
## Bijlage G
### onderdeel A
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; samenstelling AP05
### **B. opmerkingscodes**
### **C. Prestatiekenmerken verpakkingsapparatuur**
@@ -4692,51 +4908,51 @@
### **7. Rapportage van resultaten**
fosfor (P) naar fosforpentoxide (P2O5): 2,29
De meetresultaten dienen te allen tijde te worden berekend op productbasis. Stapelbare mest wordt met de droogfactor die bepaald is bij de voorbehandeling volgens NEN 7431 omgerekend naar product.
### **8. Archivering van gegevens**
Het analyserapport dient minimaal de volgende gegevens te bevatten:
7.2. Analyserapport
### Tabel III behorend bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
### **1. Droge stof**
De resultaten van de ringtesten zullen door de uitvoerende instantie of instanties aan de minister van LNV gerapporteerd worden. Mochten de resultaten van de ringtesten aanleiding geven tot vragen betreffende de kwaliteit van een laboratorium dan zal op verzoek van de minister de ringtest gedecodeerd worden. Indien gewenst kan de minister de RvA opdracht geven een extra onderzoek in te stellen.
7.4. Rapportage aan Dienst Regelingen
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2010-10-01&g=2010-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **9. Controle op naleving**
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2007-02-09&g=2007-02-09)
### **11. Literatuur**
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2007-02-09&g=2007-02-09)
### **11. Literatuur**
NEN 7430: Dierlijke mest en mestproducten. Monstervoorbehandeling door homogeniseren. Drijfmest.
Kwalificatieprocedure voor het verkrijgen van de accrediatieAP05:
### Tabel II behorend bij [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=89&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
### **4. Werkwijze**
### **II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders**
### 4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).
### **3. Plaats bemonstering**
### **II. Protocol bemonstering vochtrijke diervoeders**
4.2.7. Voor producten met minder dan 2 gram fosfor per kg droge stof mag de onderneming ook het gemiddelde gehalte onderhouden door per periode van 12 maanden minimaal 6 monsters te onderzoeken. Daarbij neemt het bedrijf 4.2.3 en 4.2.4 in acht.
### **4.2. Vaststelling van de analysefrequentie t.b.v. onderhoud van het gemiddelde gehalte (voortschrijdend gemiddelde)**
Producten met een gering gehalte aan ruw eiwit en fosfor
### **4.1. Algemeen**
1.1. Dit protocol richt zich op de bemonstering van vloeibare voeders en van steekvaste producten met een vochtgehalte van meer dan 14%. De diervoederleverancier dient de eisen en voorwaarden uit dit protocol minimaal te hanteren als zij in het kader van de hoeveelheidsbepalingen van stikstof en fosfaat monsters neemt van voedermiddelen met meer dan 14% vocht om de gehalten aan stikstof, fosfaat, droge stof, ruw eiwit en fosfor vast te stellen.
### Tabel III behorend bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2009-07-25&g=2009-07-25)
### **3. Plaats bemonstering**
### **4.5. Verzending**
### **1. Algemeen**
### **2. Doel**
### **4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster**
10,00% relatief voor gehalten van 1 tot 6%;
@@ -4744,13 +4960,13 @@
##### Artikel 57a
1. De vervoerder, die overeenkomstig [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57&z=2012-10-06&g=2012-10-06) mededeling heeft gedaan, doet ten minste twaalf uur voordat de dierlijke meststoffen daadwerkelijk binnen Nederland worden gebracht hiervan elektronisch mededeling aan de Dienst Regelingen.
1. De vervoerder, die overeenkomstig [artikel 57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57&z=2013-01-01&g=2013-01-01) mededeling heeft gedaan, doet ten minste twaalf uur voordat de dierlijke meststoffen daadwerkelijk binnen Nederland worden gebracht hiervan elektronisch mededeling aan de Dienst Regelingen.
2. Bij de in het eerste lid bedoelde mededeling worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
- a. naam, adres en voor zover van toepassing de door de Dienst Regelingen ter identificatie verstrekte relatienummers van de vervoerder en de afnemer van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen;
- b. de mestcode van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, zoals deze voor de desbetreffende mestsoort is opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06);
- b. de mestcode van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, zoals deze voor de desbetreffende mestsoort is opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01);
- c. de datum waarop het laden van de dierlijke meststoffen aanvangt; en
@@ -4766,7 +4982,7 @@
### Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
#### § 3. Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost
#### § 2. Vervoersbewijs dierlijke meststoffen
#### § 4. Grensoverschrijdende overbrenging
@@ -4780,7 +4996,7 @@
#### § 3. Afgevoerde en aangevoerde andere meststoffen
#### § 7. Staldieren en eieren
#### § 5. Gasvormige verliezen
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
@@ -4794,7 +5010,7 @@
### **8. Boor (B)**
### **Pootaardappelrassen lage norm**
### **1. Ontsluiting en extractie Cd, Cr, Cu, Hg, Ni, Pb, Zn en As**
## Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2011-10-01&g=2011-10-01) en [28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2011-10-01&g=2011-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -5022,21 +5238,21 @@
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
2.3 Ammonia 25%
Bij de bepaling van het PAL-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p.19–22.
### 2.6. Extractievloeistof
### 2.6. Extractievloeistof
### **3. Werkwijze**
### 3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
### Protocol voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal
Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcilinder) wordt de volgende oplossing bereid.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
### 2.2. Molybdaat-oplossing 4%
### **Principe**
### 2.3. Zwavelzure molybdaat-oplossing
### **4. Berekening**
@@ -5058,7 +5274,7 @@
### onderdeel B
6.5. De AGR-apparatuur maakt voor het versturen van elektronische databerichten uitsluitend gebruik van een infrastructuur die wordt beheerd door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijk partij, waarbij gewaarborgd is dat de met het databericht verzonden gegevens die bestemd zijn voor het ministerie van LNV, uitsluitend door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijke partij worden beheerd.
6.3. Het tijdens het lossen te versturen databericht ‘lossen van mest’ bevat de volgende gegevens:
## Bijlage F
@@ -5070,7 +5286,7 @@
### **1. Introductie**
### **4. Controle en registratie inkomende monsters**
### **2. Algemene eisen**
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
@@ -5088,7 +5304,7 @@
### **11. Literatuur**
De meetgegevens van het laboratorium dienen gedurende minimaal 5 jaar te worden gearchiveerd en wel zodanig dat de meetresultaten kunnen worden geherinterpreteerd en snel en handzaam terugvindbaar zijn. Dit geldt ook voor de validatiegegevens en de analyserapporten.
Periodiek moet het laboratorium in ieder geval de volgende gegevens aan Dienst Regelingen rapporteren:
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2011-05-18&g=2011-05-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -5096,7 +5312,7 @@
### Tabel III behorend bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
### **3. Fosfaat (P2O5)**
4.1.1. De ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd definieert zijn product(en) en legt dit vast. Belangrijk zijn uiteraard de voor de controle op de gebruiksnormen belangrijke parameters vocht/ds, ruw eiwit en fosfor. Van deze gehalten stelt de ondernemer de gemiddelde waarde en de standaarddeviatie (sd) vast.
@@ -5116,7 +5332,7 @@
### **4.4. Labelgegevens**
De in deze bijlage opgenomen toleranties betreft het maximale acceptabele verschil tussen het vastgestelde gehalte enerzijds, en het geanalyseerd gehalte anderzijds.
Iemand die werkzaam is bij een onderneming in het kader waarvan diervoeders worden afgeleverd, moet om als monsternemer in het kader van het protocol Bemonstering vochtrijke voedermiddelen te kunnen optreden, daartoe door een bevoegde functionaris van de desbetreffende onderneming, schriftelijk zijn gemachtigd. De ondernemer bewaart de machtiging op de onderneming gedurende 5 jaar na afloop van het kalenderjaar, waarin de gemachtigde monsternemer zijn werkzaamheden heeft beëindigd.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
@@ -5142,7 +5358,7 @@
2. De bemonstering van een hoeveelheid zuiveringsslib of compost geschiedt door de producent. Hij stelt per geproduceerde hoeveelheid van ten hoogste 2.000.000 kilogram, een representatief monster samen, bestaande uit deelmonsters die volgens algemeen geldende bemonsteringsprincipes evenredig verspreid uit de betrokken partij worden genomen. Indien de geproduceerde hoeveelheid groter is dan 2.000.000 kilogram, wordt deze allereerst verdeeld in partijen van ten hoogste 2.000.000 kilogram.
3. Indien zuiveringsslib of compost in een continu proces wordt geproduceerd, kan de desbetreffende producent ervoor kiezen dat het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte alsmede het drogestof gehalte ervan, in zoverre in afwijking van de voorgaande leden, overeen komen met het over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig [artikel 92b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2012-10-06&g=2012-10-06), berekende twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestof gehalte, mits:
3. Indien zuiveringsslib of compost in een continu proces wordt geproduceerd, kan de desbetreffende producent ervoor kiezen dat het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte alsmede het drogestof gehalte ervan, in zoverre in afwijking van de voorgaande leden, overeen komen met het over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig [artikel 92b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2013-01-01&g=2013-01-01), berekende twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestof gehalte, mits:
- a. de voor de productie van het zuiveringsslib of de compost gebruikte ingangsmaterialen van constante samenstelling zijn;
@@ -5154,13 +5370,13 @@
5. Het monster wordt door de producent uiterlijk tien werkdagen na bemonstering toegestuurd aan een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
6. Indien het monster afkomstig is uit een hoeveelheid die in een continu proces is geproduceerd, geeft de betrokken producent bij het verzenden ervan aan of de analyseresultaten van dit monster gebruikt moeten worden bij de in [artikel 92b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde berekening.
6. Indien het monster afkomstig is uit een hoeveelheid die in een continu proces is geproduceerd, geeft de betrokken producent bij het verzenden ervan aan of de analyseresultaten van dit monster gebruikt moeten worden bij de in [artikel 92b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde berekening.
##### Artikel 92b
1. Het laboratorium, bedoeld in [artikel 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), analyseert de monsters uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst overeenkomstig het protocol, dat is opgenomen in [bijlage Ia, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ia&z=2012-10-06&g=2012-10-06), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat.
2. Indien dit ten aanzien van het monster overeenkomstig [artikel 92a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), is aangegeven, berekent het laboratorium op basis van de meest recente analyseresultaten, het gemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig de in [bijlage Ia, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ia&z=2012-10-06&g=2012-10-06), opgenomen berekeningsmethode.
1. Het laboratorium, bedoeld in [artikel 92a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), analyseert de monsters uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst overeenkomstig het protocol, dat is opgenomen in [bijlage Ia, onderdeel A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ia&z=2013-01-01&g=2013-01-01), of door middel van een methode die tenminste dezelfde waarborgen omvat.
2. Indien dit ten aanzien van het monster overeenkomstig [artikel 92a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), is aangegeven, berekent het laboratorium op basis van de meest recente analyseresultaten, het gemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte over de afgelopen twaalf maanden overeenkomstig de in [bijlage Ia, onderdeel B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=Ia&z=2013-01-01&g=2013-01-01), opgenomen berekeningsmethode.
3. Het laboratorium voorziet de analyseresultaten dan wel de overeenkomstig het tweede lid berekende gemiddelde gehalten van een uniek analysenummer van ten hoogste twaalf posities.
@@ -5351,9 +5567,9 @@
### **3. Kaliumoxide (K2O)**
### **6. Zwaveltrioxide (SO3)**
### **8. Boor (B)**
### **5. Magnesiumoxide (MgO)**
### **7. Natriumoxide (Na2O)**
## Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2008-01-01&g=2008-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -5565,13 +5781,13 @@
## Bijlage A.1. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2008-01-01&g=2008-01-01): Consumptieaardappelrassen
### **12. Mangaan (Mn)**
### **11. IJzer (Fe)**
### **VI. protocol analyse organische microverontreinigingen**
### **Pootaardappelrassen hoge norm**
Selecteer per blok volledig aselect met behulp van het software programma één bemonsteringspunt. Lokaliseer deze punten met GPS. Indien een gelokaliseerd bemonsteringspunt buiten het perceel valt, bemonster dan het meest dichtbij gelegen punt binnen het perceel.
### Principe
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. In onderdeel I van dit protocol wordt aangegeven hoe de bemonstering van een perceel bouwland of grasland dient plaats te vinden. De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor de bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal, die respectievelijk staan omschreven in onderdeel II en III van dit protocol. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test die vergeleken moet worden met de waarden die opgenomen zijn in artikel 30, eerste en tweede lid van de regeling. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dient een nieuw monster gestoken te worden om het mengmonster te verkrijgen.
Selecteer een geschikte boor (steekguts of edelmanboor2NEN 5741 (2003), Bodem – Boorsystemen en monsternemingstoestellen voor grond, sediment, grondwater, die worden toegepast bij bodemverontreinigingsonderzoek. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft. ) om de grondmonstername mee uit te voeren. De te gebruiken boor dient grondig gereinigd te zijn alvorens deze wordt gebruikt. Grondresten van een ander perceel dienen afwezig te zijn.
@@ -5603,7 +5819,7 @@
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
### 5. Opmerkingen
### 2.5. Kaliumantimonyltartraat-oplossing 0,275%
@@ -5611,7 +5827,7 @@
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg stikstof resp. kg fosfaat per jaar) en in m3 per zeven maanden
De monsterverpakking voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:
Stikstofexcretie en fosfaatexcretie per koe (in kg stikstof resp. kg fosfaat per jaar) en in m3 per zeven maanden
### onderdeel B
@@ -5625,7 +5841,7 @@
### **B. opmerkingscodes**
### **2. Algemene eisen**
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; samenstelling AP05
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
@@ -5667,12 +5883,12 @@
Het is toegestaan de meetgegevens elektronisch op te slaan vermits voldaan wordt aan de relevante eisen uit de NEN-EN-ISO/IEC 17025.
Laboratoria die wensen deel te nemen aan het Accreditatieprogramma AP05 dienen zich aan te melden bij de Raad voor Accreditatie. Het laboratorium dient aan te tonen dat het bekend is met de specifieke kenmerken van de matrix dierlijke mest en dat de voorgeschreven analysemethoden goed kunnen worden uitgevoerd. Hiervoor moet vooraf een groot aantal monsters (200) onder beheerste condities geanalyseerd worden. Reden voor dit grote aantal analyses vooraf, is de diversiteit in de matrix mest (diersoorten, stalsystemen) en de daarbij behorende effecten op de gehalten. Als aangetoond is dat aan de kwaliteitseisen van AP05 kan worden voldaan wordt het laboratorium geaccrediteerd. Vóórdat monsters in het kader van het stelsel van gebruiksnormen geanalyseerd mogen worden, dient ook de kwaliteitsbewaking opgestart te zijn, in de vorm van controlemonsters met de bijbehorende controlekaarten.
De meetgegevens van het laboratorium dienen gedurende minimaal 5 jaar te worden gearchiveerd en wel zodanig dat de meetresultaten kunnen worden geherinterpreteerd en snel en handzaam terugvindbaar zijn. Dit geldt ook voor de validatiegegevens en de analyserapporten.
Het is toegestaan de meetgegevens elektronisch op te slaan vermits voldaan wordt aan de relevante eisen uit de NEN-EN-ISO/IEC 17025.
De jaarlijkse controle op de naleving van de eisen geformuleerd in dit Accreditatieprogramma wordt uitgevoerd door de Raad voor Accreditatie (RvA). In geval van een schorsing of intrekking van de accreditatie zal dit door de RvA worden gemeld aan de minister van LNV. Indien de accreditatie is ingetrokken, mag een laboratorium geen analyses van stikstof en fosfaat in dierlijke mest meer uitvoeren. In het kader van haar toezichthoudende taak zal de AID tevens de naleving van het voldoen aan de eisen uit het AP05 controleren.
De RvA zal in een jaarlijkse geanonimiseerde rapportage aan de minister van LNV haar bevindingen weergeven. Tevens zullen de branchebreed waargenomen afwijkingen/tekortkomingen worden behandeld. Hiermee kunnen mogelijke knelpunten die zich in de praktijk voordoen worden opgespoord en zonodig worden aangepast in het accreditatieprogramma.
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2012-10-06&g=2012-10-06)
### **4. Werkwijze**
@@ -5703,141 +5919,141 @@
### **1. Algemeen**
10,00% relatief voor gehalten van 1 tot 6%;
1.1.1. voor fosfor:
0,60% absoluut voor gehalten van meer dan 6%;
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
0,10% absoluut voor gehalten kleiner dan 1%;
### **4.3. Vaststelling van het benodigd aantal analyses voor onderhoud van het voortschrijdend gemiddelde gehalte**
### 2. Benodigde reagentia
1,80% absoluut voor gehalten hoger dan 20%;
### 2. Benodigde reagentia
9,00% relatief voor gehalten van 10 tot 20%;
0,90% absoluut voor gehalten kleiner dan 10%.
1.2. Te hanteren tolerantie bij nader onderzoek en meerdere monsters:
Wanneer bij nader onderzoek door de controle-instantie meerdere monsters worden genomen om te controleren of de juiste vermelding van fosfor respectievelijk ruw eiwit heeft plaatsgevonden kan in de keuring met de volgende tolerantie worden gewerkt:
### **4. Monsternameprocedure**
### 3. Analyse van grondmonsters
Bij n monsters kan de tolerantie, genoemd in punt 1.1 en 1.2 worden gedeeld door √n, bij n>5 mag de tolerantie worden gedeeld door maximaal √5.
Voorts dient de monstername uitgevoerd te worden binnen eenzelfde toepassingsgebied waarvoor een tolerantie, als genoemd in punt 1.1 en 1.2 is vastgesteld.
Bepaal de normaliteit van de ammonia. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de geconcentreerde ammonia in een maatkolf van 500 milliliter, waarin zich al 400 milliliter water bevindt; vul aan met water tot de maatstreep en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde HCl 0,1N met methyloranje als indicator.
### Protocol voor de bemonstering van de bodem ter bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal (fosfaattoestand gronden laag, neutraal, hoog; derogatie)
Indien geen gebruik gemaakt wordt van de gestratificeerde aselecte steekproef dient de bemonstering van een perceel dan wel perceelsdeel plaats te vinden volgens het onderhavige protocol.
De bouwvoor of zode van een perceel landbouwgrond wordt bij voorkeur volgens een gestratificeerde aselecte steekproef bemonsterd met behulp van een speciaal daarvoor opgesteld softwareprogramma dat digitaal te verkrijgen is bij het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Indien gebruik gemaakt wordt van de gestratificeerde aselecte steekproef dient de procedure gevolgd te worden zoals beschreven in [bijlage C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=C&z=2013-01-01&g=2013-01-01), onderdeel I, van onderhavige regeling.
Indien geen gebruik gemaakt wordt van de gestratificeerde aselecte steekproef dient de bemonstering van een perceel dan wel perceelsdeel plaats te vinden volgens het onderhavige protocol.
De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de onderdelen II en III van het onderhavige protocol. Het is toegestaan een afwijkende methode voor de bepaling van het PAL-getal (onderdeel II) en voor de bepaling van het Pw-getal (onderdeel III) te hanteren mits die methode ten minste dezelfde waarborgen omvat ten aanzien van betrouwbaarheid en nauwkeurigheid. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dienen nieuwe monsters te worden gestoken om het mengmonster te verkrijgen.
Voor de bemonstering van een perceel, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, hanteert het uitvoerende laboratorium het eigen, onder de accreditatie vallende, protocol. Dit kan een bemonsteringsprotocol zijn gebaseerd op de W-methode, zig-zag-methode of kruislingse bemonstering.
Uit een perceel dan wel een perceelsdeel met een maximale omvang van vijf hectare wordt één representatief mengmonster samengesteld. Aan elkaar grenzende percelen mogen worden samengevoegd tot een totale omvang van ten hoogste vijf hectare, waarbij de omvang van de individuele percelen die worden samengevoegd niet groter is dan 2,5 hectare. Indien een perceel groter is dan 5 hectare dienen er meerdere representatieve mengmonsters samengesteld te worden ter vaststelling van de fosfaattoestand van dat perceel. De fosfaattoestand wordt dan bepaald door het gewogen gemiddelde te berekenen van de analyseresultaten van de individuele mengmonsters.
Voor de bemonstering van een perceel, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, hanteert het uitvoerende laboratorium het eigen, onder de accreditatie vallende, protocol. Dit kan een bemonsteringsprotocol zijn gebaseerd op de W-methode, zig-zag-methode of kruislingse bemonstering.
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
Markeer de vormbepalende hoekpunten van het perceel en leg met een Global Positioning System (GPS) de omvang en vorm van dit perceel dan wel perceelsdeel vast. Bij niet rechthoekige percelen dan wel perceelsdelen worden zoveel extra punten meegenomen dat de contouren ervan vastgelegd zijn. De afwijking van de GPS mag niet groter zijn dan 5 meter. De bemestingsvrije zones worden bij deze bepaling buiten beschouwing gelaten. Indien het perceel dan wel perceelsdeel verdeeld is onder meerdere gebruikers, dan wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd. Het mengmonster wordt samengesteld uit een minimum van 40 deelmonsters die gestoken worden uit het gehele perceel dan wel perceelsdeel. Op elk bemonsteringspunt wordt grond bemonsterd van de voorgeschreven bodemlaag. De hoeveelheid (volume) gestoken grond is gelijk voor alle bemonsteringspunten. Bemonstering van het betreffende perceel dan wel perceelsdeel vindt minimaal twee maanden na bekalking plaats.
Selecteer een geschikte boor (steekguts of edelmanboor1NEN 5741 (2003), Bodem – Boorsystemen en monsternemingstoestellen voor grond, sediment, grondwater, die worden toegepast bij bodemverontreinigingsonderzoek. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft. ) om de grondmonstername mee uit te voeren. De te gebruiken boor is grondig gereinigd alvorens deze wordt gebruikt. Er zijn geen grondresten van een ander perceel aanwezig.
### Oplossing II.
Trek de boor met grond uit de bodem en breng met behulp van de bijbehorende duimspatel de grond over in een stevige plastic zak of papieren zak met polyethyleenbekleding. Verzamel op deze wijze grond op alle bemonsteringspunten en breng dit samen in een zak. De booromvang is zo groot dat het mengmonster minimaal 0,5 kilogram weegt. Op alle bemonsteringspunten wordt een gelijke hoeveelheid grond verzameld.
Eventueel wordt op een bemonsteringspunt tweemaal een monster gestoken om de minimale hoeveelheid grond te verzamelen, mits dit dan op alle bemonsteringspunten te gebeuren.
Breng het monster over naar het laboratorium voor verdere behandeling. Droog het grondmonster binnen drie dagen. Indien drogen van het mengmonster binnen de genoemde termijn niet mogelijk is wordt het grondmonster in een niet-luchtdicht afgesloten plastic zak bij 5°C ± 3°C in het donker bewaard. Het monster mag maximaal drie maanden worden bewaard. Indien het monster niet binnen deze drie maanden wordt geanalyseerd, wordt een nieuw (meng)monster genomen.
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
Behandel het grondmonster voor volgens de norm NEN 5709. De voorbehandeling resulteert na drogen bij 40°C ± 2°C en breken van de grond in deeltjes kleiner dan 2 mm (D95 < 2 mm). Verdere verkleining van de deeltjesgrootte van 2 mm tot fijnere fracties wordt zoveel mogelijk voorkomen.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia worden met gedestilleerd water bereid.
Het mengmonster wordt volgens de voorgeschreven methoden van grondonderzoek (zie onderdeel II en III) voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal (voor grasland) of het Pw-getal (voor bouwland). Het gemiddelde van de duplo bepalingen is de uitslag van de test. Een heranalyse van het geanalyseerde grondmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse wordt een nieuw grondmonster gestoken. Het genomen grondmonster wordt door het laboratorium minimaal 1 maand na de analyse bewaard.
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
Bij de bepaling van het PAL-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p.19–22.
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing van pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauw-methode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
### Oplossing II.
2.1 Azijnzuur 100% pro analyse
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia worden met gedestilleerd water bereid.
2.1 Azijnzuur 100% pro analyse
2.2 Melkzuur, soortelijk gewicht 1,2 gram/centimeter3
2.3 Ammonia 25%
2.4 Actieve kool (zie opmerking 5.2)
2.5 Moederoplossing voor extractievloeistof.
Geef eerst het melkzuur een voorbehandeling om de lactiden, die altijd aanwezig zijn, door hydrolyse om te zetten in melkzuur (zie ook opmerking 5.1). Handel daarvoor als volgt: verdun 1 liter melkzuur met een soortelijk gewicht van 1,2 gram/centimeter3 met 2 liter water. Dek de kolf af met een horlogeglas en zet deze gedurende 48 uur in de stoof bij 95°C. Laat de oplossing daarna aan de lucht afkoelen. Bepaal van dit ‘verdunde melkzuur’ de normaliteit. Pipetteer daarvoor 100 milliliter in een maatkolf van 100 milliliter, en vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met 0,1 N NaOH en met phenolphtalein (of fenolftaline) als indicator.
Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.
Stel de gevonden normaliteit van het ‘verdunde melkzuur’ = a.
Stel de gevonden normaliteit van de ijsazijn = b.
Bepaal de normaliteit van de ammonia. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de geconcentreerde ammonia in een maatkolf van 500 milliliter, waarin zich al 400 milliliter water bevindt; vul aan met water tot de maatstreep en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde HCl 0,1N met methyloranje als indicator.
### **4.2. Het nemen van de ondermonsters**
Indien geen gebruik gemaakt wordt van de gestratificeerde aselecte steekproef dient de bemonstering van een perceel dan wel perceelsdeel plaats te vinden volgens het onderhavige protocol.
De grond van de verschillende bemonsteringspunten wordt gemengd tot één mengmonster. Het mengmonster wordt vervolgens voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de onderdelen II en III van het onderhavige protocol. Het is toegestaan een afwijkende methode voor de bepaling van het PAL-getal (onderdeel II) en voor de bepaling van het Pw-getal (onderdeel III) te hanteren mits die methode ten minste dezelfde waarborgen omvat ten aanzien van betrouwbaarheid en nauwkeurigheid. Het gemiddelde van de duplo-bepalingen is de uitslag van de test. Een heranalyse van het genomen bodemmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse dienen nieuwe monsters te worden gestoken om het mengmonster te verkrijgen.
Selecteer een geschikte boor (steekguts of edelmanboor1NEN 5741 (2003), Bodem – Boorsystemen en monsternemingstoestellen voor grond, sediment, grondwater, die worden toegepast bij bodemverontreinigingsonderzoek. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft. ) om de grondmonstername mee uit te voeren. De te gebruiken boor is grondig gereinigd alvorens deze wordt gebruikt. Er zijn geen grondresten van een ander perceel aanwezig.
Bemonster met een geschikte boor grond tot 10 centimeter diepte op zowel grasland als bouwland. Op bouwland mag ook een bemonsteringsdiepte van 25 centimeter worden aangehouden. Tot de aangegeven diepte dient de boor volledig met grond gevuld te zijn. Bij bemonstering worden meststofresten vermeden.
Voor de bemonstering van een perceel, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, hanteert het uitvoerende laboratorium het eigen, onder de accreditatie vallende, protocol. Dit kan een bemonsteringsprotocol zijn gebaseerd op de W-methode, zig-zag-methode of kruislingse bemonstering.
Uit een perceel dan wel een perceelsdeel met een maximale omvang van vijf hectare wordt één representatief mengmonster samengesteld. Aan elkaar grenzende percelen mogen worden samengevoegd tot een totale omvang van ten hoogste vijf hectare, waarbij de omvang van de individuele percelen die worden samengevoegd niet groter is dan 2,5 hectare. Indien een perceel groter is dan 5 hectare dienen er meerdere representatieve mengmonsters samengesteld te worden ter vaststelling van de fosfaattoestand van dat perceel. De fosfaattoestand wordt dan bepaald door het gewogen gemiddelde te berekenen van de analyseresultaten van de individuele mengmonsters.
Markeer de vormbepalende hoekpunten van het perceel en leg met een Global Positioning System (GPS) de omvang en vorm van dit perceel dan wel perceelsdeel vast. Bij niet rechthoekige percelen dan wel perceelsdelen worden zoveel extra punten meegenomen dat de contouren ervan vastgelegd zijn. De afwijking van de GPS mag niet groter zijn dan 5 meter. De bemestingsvrije zones worden bij deze bepaling buiten beschouwing gelaten. Indien het perceel dan wel perceelsdeel verdeeld is onder meerdere gebruikers, dan wordt alleen het deel van het perceel dat in gebruik is door de aanvrager geregistreerd en bemonsterd. Het mengmonster wordt samengesteld uit een minimum van 40 deelmonsters die gestoken worden uit het gehele perceel dan wel perceelsdeel. Op elk bemonsteringspunt wordt grond bemonsterd van de voorgeschreven bodemlaag. De hoeveelheid (volume) gestoken grond is gelijk voor alle bemonsteringspunten. Bemonstering van het betreffende perceel dan wel perceelsdeel vindt minimaal twee maanden na bekalking plaats.
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
Bemonster met een geschikte boor grond tot 10 centimeter diepte op zowel grasland als bouwland. Op bouwland mag ook een bemonsteringsdiepte van 25 centimeter worden aangehouden. Tot de aangegeven diepte dient de boor volledig met grond gevuld te zijn. Bij bemonstering worden meststofresten vermeden.
Trek de boor met grond uit de bodem en breng met behulp van de bijbehorende duimspatel de grond over in een stevige plastic zak of papieren zak met polyethyleenbekleding. Verzamel op deze wijze grond op alle bemonsteringspunten en breng dit samen in een zak. De booromvang is zo groot dat het mengmonster minimaal 0,5 kilogram weegt. Op alle bemonsteringspunten wordt een gelijke hoeveelheid grond verzameld.
### Oplossing II.
Breng het monster over naar het laboratorium voor verdere behandeling. Droog het grondmonster binnen drie dagen. Indien drogen van het mengmonster binnen de genoemde termijn niet mogelijk is wordt het grondmonster in een niet-luchtdicht afgesloten plastic zak bij 5°C ± 3°C in het donker bewaard. Het monster mag maximaal drie maanden worden bewaard. Indien het monster niet binnen deze drie maanden wordt geanalyseerd, wordt een nieuw (meng)monster genomen.
Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.
Behandel het grondmonster voor volgens de norm NEN 5709. De voorbehandeling resulteert na drogen bij 40°C ± 2°C en breken van de grond in deeltjes kleiner dan 2 mm (D95 < 2 mm). Verdere verkleining van de deeltjesgrootte van 2 mm tot fijnere fracties wordt zoveel mogelijk voorkomen.
### 3. Analyse van grondmonsters
Het mengmonster wordt volgens de voorgeschreven methoden van grondonderzoek (zie onderdeel II en III) voorbehandeld en in duplo geanalyseerd op fosfaattoestand volgens de werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal (voor grasland) of het Pw-getal (voor bouwland). Het gemiddelde van de duplo bepalingen is de uitslag van de test. Een heranalyse van het geanalyseerde grondmonster is niet mogelijk. Voor een nieuwe analyse wordt een nieuw grondmonster gestoken. Het genomen grondmonster wordt door het laboratorium minimaal 1 maand na de analyse bewaard.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia worden met gedestilleerd water bereid.
2.1 Azijnzuur 100% pro analyse
### 2.6 Extractievloeistof
Bij de bepaling van het PAL-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p.19–22.
2.4 Actieve kool (zie opmerking 5.2)
### Oplossing II.
2.1 Azijnzuur 100% pro analyse
2.2 Melkzuur, soortelijk gewicht 1,2 gram/centimeter3
2.3 Ammonia 25%
2.4 Actieve kool (zie opmerking 5.2)
2.5 Moederoplossing voor extractievloeistof.
Geef eerst het melkzuur een voorbehandeling om de lactiden, die altijd aanwezig zijn, door hydrolyse om te zetten in melkzuur (zie ook opmerking 5.1). Handel daarvoor als volgt: verdun 1 liter melkzuur met een soortelijk gewicht van 1,2 gram/centimeter3 met 2 liter water. Dek de kolf af met een horlogeglas en zet deze gedurende 48 uur in de stoof bij 95°C. Laat de oplossing daarna aan de lucht afkoelen. Bepaal van dit ‘verdunde melkzuur’ de normaliteit. Pipetteer daarvoor 100 milliliter in een maatkolf van 100 milliliter, en vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met 0,1 N NaOH en met phenolphtalein (of fenolftaline) als indicator.
Bepaal de normaliteit van het azijnzuur. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de ijsazijn in een maatkolf van 500 milliliter. Vul aan met water en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde 0,1N NaOH.
Stel de gevonden normaliteit van het ‘verdunde melkzuur’ = a.
Stel de gevonden normaliteit van de ijsazijn = b.
Bepaal de normaliteit van de ammonia. Pipetteer daarvoor 10 milliliter van de geconcentreerde ammonia in een maatkolf van 500 milliliter, waarin zich al 400 milliliter water bevindt; vul aan met water tot de maatstreep en meng. Titreer hiervan 10 milliliter met gestelde HCl 0,1N met methyloranje als indicator.
Stel de gevonden normaliteit van de ammonia = c.
Breng voor het bereiden van de moederoplossing de genoemde vloeistoffen respectievelijk 10000/a milliliter ‘verdund melkzuur’, 40000/b milliliter ijsazijn en 10000/c milliliter geconcentreerde ammonia in een fles van 10 liter, waarin zich reeds circa 3 liter water bevindt. Meng, koel af aan de lucht, vul met water aan tot 10 liter en meng weer.
Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 – zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.
Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.
Los 3900 gram natriumacetaat (NaC2H3O2.3H2O) op inwater (of 3400 gram watervrij natriumacetaat) vul aan met water tot 10 liter en meng.
De volgende drie oplossingen dienen samengesteld te worden. De oplossingen zijn nodig voor de bepaling van het fosfaatgehalte.
### Oplossing I.
Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.
Verdun 1 liter van de moederoplossing met water tot een volume van 10 liter. Controleer de pH; deze dient 3,75 (± 0,05) te zijn.
Verdun de standaardoplossing 20 keer. Pipetteer hiervoor 50 milliliter standaardoplossing in een maatkolf van 1 liter. Vul aan met water tot de maatstreep en meng. Conserveer met enkele druppels koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 0,05 milligram P2O5. Bewaar de standaardoplossing in de koelkast.
Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 – zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.
De volgende drie oplossingen dienen samengesteld te worden. De oplossingen zijn nodig voor de bepaling van het fosfaatgehalte.
(Ea–Eb) x (50/milliliter filtraat) x F x 100/2,5 = milligram P2O5 per 100 gram luchtdroge grond.
Los 3900 gram natriumacetaat (NaC2H3O2.3H2O) op inwater (of 3400 gram watervrij natriumacetaat) vul aan met water tot 10 liter en meng.
Los op in een fles van 10 liter, 10 gram metol, 50 gram natriumsulfiet (Na2SO3) en 1500 gram natriumbisulfiet (NaHSO3). Vul aan met water tot 10 liter en meng. Gesloten en koel weggezet is deze oplossing lange tijd houdbaar.
### Oplossing II.
Los 500 gram ammoniummolybdaat op in 4,5 liter heet water. Kook even door. Laat afkoelen. Giet de oplossing onder roeren bij 3,75 – zwavelzuur 10 N. Voer de laatstgenoemde handelwijze niet omgekeerd uit. Vul aan met water tot 10 liter en meng. Filtreer als dit nodig blijkt. Bewaar de oplossing op een koele plaats.
Voeg anders aan het filtraat opnieuw actieve kool toe, schud even flink en filtreer opnieuw. Handel voor de blanco bepalingen op geheel dezelfde wijze als bij het monsteronderzoek. Vergeet daarbij dus ook niet de toevoeging van de actieve kool.
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter= 1 milligram fosfaat (P2O5).
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
Verdun de standaardoplossing 20 keer. Pipetteer hiervoor 50 milliliter standaardoplossing in een maatkolf van 1 liter. Vul aan met water tot de maatstreep en meng. Conserveer met enkele druppels koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 0,05 milligram P2O5. Bewaar de standaardoplossing in de koelkast.
Los 3900 gram natriumacetaat (NaC2H3O2.3H2O) op inwater (of 3400 gram watervrij natriumacetaat) vul aan met water tot 10 liter en meng.
(Ea–Eb) x (50/milliliter filtraat) x F x 100/2,5 = milligram P2O5 per 100 gram luchtdroge grond.
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter= 1 milligram fosfaat (P2O5).
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
Voeg anders aan het filtraat opnieuw actieve kool toe, schud even flink en filtreer opnieuw. Handel voor de blanco bepalingen op geheel dezelfde wijze als bij het monsteronderzoek. Vergeet daarbij dus ook niet de toevoeging van de actieve kool.
Verdun de standaardoplossing 20 keer. Pipetteer hiervoor 50 milliliter standaardoplossing in een maatkolf van 1 liter. Vul aan met water tot de maatstreep en meng. Conserveer met enkele druppels koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter = 0,05 milligram P2O5. Bewaar de standaardoplossing in de koelkast.
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
Zwenk om en voeg na een kwartier wachten 20 milliliter van oplossing III toe.
Breng 2,5 gram droge grond in een erlenmeyer van 200 milliliter, voeg 50 milliliter extractievloeistof en 350 milligram actieve kool toe. Schud dit mengsel 4 uur bij een kamertemperatuur van 18–22°C. Filtreer daarna af met behulp van een vouwfilter mesh 640 met een diameter van ¼ en een doorsnede van 15 centimeter. Het filtraat moet helder en kleurloos zijn.
Voeg anders aan het filtraat opnieuw actieve kool toe, schud even flink en filtreer opnieuw. Handel voor de blanco bepalingen op geheel dezelfde wijze als bij het monsteronderzoek. Vergeet daarbij dus ook niet de toevoeging van de actieve kool.
De bepaling van het fosforgehalte in het waterig extract kan ook uitgevoerd worden door middel van een spectrofotometrische bepaling in een doorstroomanalysesysteem bij toepassing van een identieke molybdeenblauwkleuring
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
Zwenk om en voeg na een kwartier wachten 20 milliliter van oplossing III toe.
@@ -6070,17 +6286,17 @@
## Bijlage A.1. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2008-07-13&g=2008-07-13): Consumptieaardappelrassen
### **Consumptieaardappelrassen lage norm**
### **3. Instrumentele analyse Hg**
## Bijlage A.2. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2008-07-13&g=2008-07-13): Pootaardappelrassen
### **Pootaardappelrassen hoge norm**
### 3.1. Bereiding van het extract
### Oplossingen
## Bijlage A.3. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2008-07-13&g=2008-07-13): Buitenbloemen
### **Buitenbloemen hoge norm**
### 4. Berekening
## Bijlage B. behorende bij [artikel 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=29&z=2008-07-13&g=2008-07-13): Werkingscoëfficiënt
@@ -6122,60 +6338,60 @@
### 2.6. Mengreagens
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
### **2. Voorbehandeling van de grondmonsters**
### 2.6. Mengreagens
### 2.7. IJkoplossingen
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur**
6.4. De AGR-apparatuur beschikt over een voorziening waarmee elektronische databerichten behouden blijven indien er een storing optreedt in de mobiele datacommunicatie en waarmee de elektronische databerichten alsnog worden verstuurd zodra de storing is opgeheven.
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2012-10-06&g=2012-10-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### onderdeel B
### **4. Controle en registratie inkomende monsters**
### **3. Verrichtingen van het accreditatieprogramma**
### **4. Controle en registratie inkomende monsters**
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
### **E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest**
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur**
## Bijlage F
### **6. Kwaliteitsborging**
### onderdeel B
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2008-07-13&g=2008-07-13) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
### **7. Signalering van storingen**
6.6. De AGR-apparatuur sluit op elektronische wijze, overeenkomstig de technische specificaties die op verzoek door de Dienst Regelingen worden verstrekt, aan op het ontvangstportaal bij Dienst Regelingen.
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2012-10-06&g=2012-10-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; samenstelling AP05
### **1. Introductie**
### **2. Algemene eisen**
### **4. Controle en registratie inkomende monsters**
### **3. Verrichtingen van het accreditatieprogramma**
### **4. Controle en registratie inkomende monsters**
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
### **1. Uiterlijke aanduidingen AGR-apparatuur**
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
### **E. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van vaste mest**
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan satellietvolgapparatuur**
## Bijlage F
### onderdeel A
### onderdeel B
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2008-07-13&g=2008-07-13) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
### **7. Signalering van storingen**
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; samenstelling AP05
### **1. Introductie**
### **2. Algemene eisen**
### **4. Controle en registratie inkomende monsters**
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
### **7. Rapportage van resultaten**
### 4.1. Definiëring van een voedermiddel: vaststelling van het gemiddelde gehalte (als beginwaarde).
@@ -6190,29 +6406,29 @@
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
### **4. Monsternameprocedure**
### **4.5. Verzending**
### Behorende bij de [artikelen 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2009-07-25&g=2009-07-25), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=100&z=2009-07-25&g=2009-07-25) en [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=101&z=2009-07-25&g=2009-07-25)
### **4.2. Het nemen van de ondermonsters**
### **4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster**
### **5. machtiging als monsternemers**
1.1.1. voor fosfor:
0,60% absoluut voor gehalten van meer dan 6%;
9,00% relatief voor gehalten van 10 tot 20%;
### **4.5. Verzending**
De in deze bijlage opgenomen toleranties betreft het maximale acceptabele verschil tussen het vastgestelde gehalte enerzijds, en het geanalyseerd gehalte anderzijds.
1.1. Diervoeders met meer dan 14 % vocht
1.1.2. voor ruw eiwit:
### Protocol voor de bemonstering van de bodem ter bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal (fosfaattoestand gronden laag, neutraal, hoog; derogatie)
### Principe
Bij n monsters kan de tolerantie, genoemd in punt 1.1 en 1.2 worden gedeeld door √n, bij n>5 mag de tolerantie worden gedeeld door maximaal √5.
Voorts dient de monstername uitgevoerd te worden binnen eenzelfde toepassingsgebied waarvoor een tolerantie, als genoemd in punt 1.1 en 1.2 is vastgesteld.
1.2. Te hanteren tolerantie bij nader onderzoek en meerdere monsters:
Wanneer bij nader onderzoek door de controle-instantie meerdere monsters worden genomen om te controleren of de juiste vermelding van fosfor respectievelijk ruw eiwit heeft plaatsgevonden kan in de keuring met de volgende tolerantie worden gewerkt:
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
@@ -6224,15 +6440,15 @@
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
Eventueel wordt op een bemonsteringspunt tweemaal een monster gestoken om de minimale hoeveelheid grond te verzamelen, mits dit dan op alle bemonsteringspunten te gebeuren.
Bemonster met een geschikte boor grond tot 10 centimeter diepte op zowel grasland als bouwland. Op bouwland mag ook een bemonsteringsdiepte van 25 centimeter worden aangehouden. Tot de aangegeven diepte dient de boor volledig met grond gevuld te zijn. Bij bemonstering worden meststofresten vermeden.
Bij de bepaling van het PAL-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p.19–22.
### 2. Benodigde reagentia
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia worden met gedestilleerd water bereid.
### Oplossing I.
Bij de bepaling van het PAL-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p.19–22.
### 2. Benodigde reagentia
### Oplossing III.
@@ -6240,7 +6456,11 @@
Los 1,9166 gram dikaliumwaterstoffosfaat (KH2PO4) pro analyse (p.a.) dat boven geconcentreerd zwavelzuur is gedroogd op in water, vul aan tot 1 liter en meng. Conserveer met een kleine hoeveelheid koolstoftetrachloride (CCl4). Van deze oplossing is 1 milliliter= 1 milligram fosfaat (P2O5).
### 3. Werkwijze
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
Breng van het filtraat 25 milliliter of meer in een maatkolf van 100 milliliter. Vul aan met water tot een volume van circa 40 milliliter. Voeg van oplossing I 10 milliliter toe, zwenk om, voeg daarna van oplossing II ook 10 milliliter toe.
Zwenk om en voeg na een kwartier wachten 20 milliliter van oplossing III toe.
Neem op deze wijze ook een tweetal standaardbepalingen mee, die 0,5 milligram P2O5 bevatten. Vul de kolfjes aan met water tot de maatstreep, meng goed en meet in de spectrofotometer de extinctie in een cuvet van 10 millimeter doorsnede, bij een golflengte van 735 nanometer. Stel voor de berekening van het fosfaatgehalte als volgt de ijkfactor vast.
@@ -6248,16 +6468,12 @@
De bepaling van het fosforgehalte in het waterig extract kan ook uitgevoerd worden door middel van een spectrofotometrische bepaling in een doorstroomanalysesysteem bij toepassing van een identieke molybdeenblauwkleuring
Hierin is:
(Ea–Eb) x (50/milliliter filtraat) x F x 100/2,5 = milligram P2O5 per 100 gram luchtdroge grond.
Als Ea de extinctie is, gemeten voor het monster, Eb die van de blanco-bepaling dan wordt de berekening als volgt:
(Ea–Eb) x (50/milliliter filtraat) x F x 100/2,5 = milligram P2O5 per 100 gram luchtdroge grond.
Voor 25 milliliter filtraat wordt de berekeningsformule dan:
(Ea–Eb) x 2 x 1,9 x 100/2,5 = (Ea - Eb) x 152 = milligram P2O5 per 100 gram grond
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### § 5. Tijdelijke vrijstelling mineralenconcentraat
@@ -6278,7 +6494,7 @@
- b. het adres van de bedrijfsgebouwen waar mineralenconcentraat wordt geproduceerd;
- c. de kadastrale aanduiding van de onderscheiden locaties van de tot het bedrijf behorende opslagruimten voor mineralenconcentraat, dan wel, ingeval de producent een intermediair is, het registratienummer van de opslagruimte voor mineralenconcentraat, bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=49&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
- c. de kadastrale aanduiding van de onderscheiden locaties van de tot het bedrijf behorende opslagruimten voor mineralenconcentraat, dan wel, ingeval de producent een intermediair is, het registratienummer van de opslagruimte voor mineralenconcentraat, bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=49&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
6. Bij de aanmelding overlegt de producent voorts een beschrijving van:
@@ -6298,7 +6514,7 @@
1. De minister wijst een producent van mineralenconcentraat aan als deelnemer indien:
- a. de producent zich overeenkomstig [artikel 35a, derde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), heeft aangemeld;
- a. de producent zich overeenkomstig [artikel 35a, derde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), heeft aangemeld;
- b. de producent de volledige zeggenschap over de gehele installatie en het productieproces heeft;
@@ -6306,51 +6522,51 @@
- d. de installatie uiterlijk 1 oktober 2012 volledig operationeel is;
- e. de producent daadwerkelijk mineralenconcentraat produceert, overeenkomstig de beschrijvingen, bedoeld in [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
- e. de producent daadwerkelijk mineralenconcentraat produceert, overeenkomstig de beschrijvingen, bedoeld in [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
2. De minister kan aan de aanwijzing nadere voorschriften verbinden. De aan de aanwijzing verbonden voorschriften kunnen worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken.
##### Artikel 35c
1. Indien meer dan twee producenten, bedoeld in [artikel 35a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 35b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35b&z=2012-10-06&g=2012-10-06), wijst de minister ten hoogste twee producenten aan. De aanwijzing geschiedt zodanig dat in het onderzoek primair een zo groot mogelijke spreiding wordt bereikt naar de te verwerken mestsoort en de vestigingsplaats van de installatie. Bij de aanwijzing zal voorts worden gelet op een zo groot mogelijke spreiding in het onderzoek naar de gebruikte technieken en de omvang van de jaarlijkse productie.
1. Indien meer dan twee producenten, bedoeld in [artikel 35a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in [artikel 35b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35b&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wijst de minister ten hoogste twee producenten aan. De aanwijzing geschiedt zodanig dat in het onderzoek primair een zo groot mogelijke spreiding wordt bereikt naar de te verwerken mestsoort en de vestigingsplaats van de installatie. Bij de aanwijzing zal voorts worden gelet op een zo groot mogelijke spreiding in het onderzoek naar de gebruikte technieken en de omvang van de jaarlijkse productie.
##### Artikel 35d
1. Een aangewezen producent verleent indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking aan het in [artikel 35a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde onderzoek.
2. Een aangewezen producent produceert overeenkomstig de op grond van [artikel 35a, vijfde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), overgelegde gegevens en beschrijvingen.
3. De aangewezen producent meldt de wijzigingen in de gegevens, bedoeld in [artikel 35a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), binnen 30 dagen aan de Dienst Regelingen.
4. Wijzigingen in de elementen, bedoeld in [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), vinden niet plaats dan na instemming van de minister.
5. De aangewezen producent draagt er zorg voor dat op het vervoersbewijs dierlijke mest uitsluitend de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06) voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode wordt vermeld, indien het mineralenconcentraat is vervaardigd overeenkomstig de op grond van [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), overgelegde beschrijving van het productieproces, en indien het mineralenconcentraat wordt afgevoerd naar een gebruiker waarmee hij een overeenkomst tot afname van het mineralenconcentraat heeft gesloten.
6. Het gewicht van en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de van het bedrijf of van de onderneming van de producent afgevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
1. Een aangewezen producent verleent indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking aan het in [artikel 35a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde onderzoek.
2. Een aangewezen producent produceert overeenkomstig de op grond van [artikel 35a, vijfde tot en met zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), overgelegde gegevens en beschrijvingen.
3. De aangewezen producent meldt de wijzigingen in de gegevens, bedoeld in [artikel 35a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), binnen 30 dagen aan de Dienst Regelingen.
4. Wijzigingen in de elementen, bedoeld in [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), vinden niet plaats dan na instemming van de minister.
5. De aangewezen producent draagt er zorg voor dat op het vervoersbewijs dierlijke mest uitsluitend de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01) voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode wordt vermeld, indien het mineralenconcentraat is vervaardigd overeenkomstig de op grond van [artikel 35a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), overgelegde beschrijving van het productieproces, en indien het mineralenconcentraat wordt afgevoerd naar een gebruiker waarmee hij een overeenkomst tot afname van het mineralenconcentraat heeft gesloten.
6. Het gewicht van en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de van het bedrijf of van de onderneming van de producent afgevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat wordt bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
7. Ingeval de aangewezen producent een intermediair is, heeft de in [artikel 14, eerste lid, van de Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=14) bedoelde verantwoording betrekking op zowel de hoeveelheid fosfaat als de hoeveelheid stikstof.
8. Indien de aangewezen producent niet voldoet aan dit artikel of aan de ingevolge [artikel 35b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35b&z=2012-10-06&g=2012-10-06), gestelde voorschriften, kan de minister de aanwijzing als deelnemer voor een bepaalde periode schorsen of intrekken.
8. Indien de aangewezen producent niet voldoet aan dit artikel of aan de ingevolge [artikel 35b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35b&z=2013-01-01&g=2013-01-01), gestelde voorschriften, kan de minister de aanwijzing als deelnemer voor een bepaalde periode schorsen of intrekken.
##### Artikel 35e
De landbouwer die op zijn bedrijf mineralenconcentraat gebruikt, is voor wat betreft het gebruik van het mineralenconcentraat, voor de jaren 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013 vrijgesteld van [artikel 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=7), voor zover het gebruik van de totale hoeveelheid meststoffen op zijn bedrijf de stikstofgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 8, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), en de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), niet overschrijdt, en indien is voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in [artikel 35f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35f&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
De landbouwer die op zijn bedrijf mineralenconcentraat gebruikt, is voor wat betreft het gebruik van het mineralenconcentraat, voor de jaren 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013 vrijgesteld van [artikel 7 van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=7), voor zover het gebruik van de totale hoeveelheid meststoffen op zijn bedrijf de stikstofgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 8, onderdeel b, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), en de fosfaatgebruiksnorm, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), niet overschrijdt, en indien is voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in [artikel 35f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35f&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
##### Artikel 35f
1. De landbouwer heeft met een overeenkomstig [artikel 35b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35b&z=2012-10-06&g=2012-10-06) aangewezen producent van mineralenconcentraat een schriftelijke overeenkomst gesloten tot afname van het mineralenconcentraat.
2. Het desbetreffende bedrijf van de landbouwer is voor de toepassing van [artikel 35e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35e&z=2012-10-06&g=2012-10-06) elektronisch bij de Dienst Regelingen aangemeld, onder vermelding van het door de Dienst Regelingen ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer. Deze aanmelding geschiedt voordat de eerste vracht mineralenconcentraat op het bedrijf wordt aangevoerd.
1. De landbouwer heeft met een overeenkomstig [artikel 35b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35b&z=2013-01-01&g=2013-01-01) aangewezen producent van mineralenconcentraat een schriftelijke overeenkomst gesloten tot afname van het mineralenconcentraat.
2. Het desbetreffende bedrijf van de landbouwer is voor de toepassing van [artikel 35e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35e&z=2013-01-01&g=2013-01-01) elektronisch bij de Dienst Regelingen aangemeld, onder vermelding van het door de Dienst Regelingen ter identificatie van het bedrijf verstrekte relatienummer. Deze aanmelding geschiedt voordat de eerste vracht mineralenconcentraat op het bedrijf wordt aangevoerd.
3. Het mineralenconcentraat is rechtstreeks vanaf het bedrijf of de onderneming van de in het eerste lid bedoelde producent op het bedrijf van de landbouwer aangevoerd.
4. Het gewicht van en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op het bedrijf van de landbouwer aangevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat worden bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
5. Op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat de desbetreffende aangevoerde vracht vergezelt, is de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06) voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode vermeld.
4. Het gewicht van en het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op het bedrijf van de landbouwer aangevoerde hoeveelheid mineralenconcentraat worden bepaald door middel van weging met behulp van een weegwerktuig onderscheidenlijk door middel van analyse van een uit de desbetreffende hoeveelheid genomen monster. Het nemen van dit monster en de analyse van dit monster geschieden overeenkomstig de [artikelen 78 tot en met 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
5. Op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat de desbetreffende aangevoerde vracht vergezelt, is de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01) voor mineralenconcentraat opgenomen mestcode vermeld.
6. De landbouwer houdt in de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), de gegevens bij over de oppervlakte en de ligging van de percelen van zijn bedrijf waarop mineralenconcentraat op of in de bodem is gebracht.
7. De landbouwer verleent indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking aan het in [artikel 35a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde onderzoek.
7. De landbouwer verleent indien door of namens de minister daartoe verzocht alle noodzakelijke medewerking aan het in [artikel 35a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=5&artikel=35a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde onderzoek.
8. Bij de bepaling van de in [artikel 12, tweede lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=12) bedoelde hoeveelheid meststoffen wordt voor het desbetreffende bedrijf de hoeveelheid stikstof in het mineralenconcentraat voor 100 procent in aanmerking genomen.
@@ -6631,21 +6847,21 @@
### **I. Protocol analyse stikstofgehalte, fosfaatgehalte en droge stofgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de hoeveelheden overige nutriënten**
### **I. Protocol analyse stikstofgehalte, fosfaatgehalte en droge stofgehalte in meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib of compost, alsmede de hoeveelheden overige nutriënten**
### **1. Stikstof (N)**
### **2. Fosfaat (P2O5)**
### **5. Magnesiumoxide (MgO)**
### **3. Kaliumoxide (K2O)**
### **5. Magnesiumoxide (MgO)**
### **4. Calciumoxide (CaO)**
### **5. Magnesiumoxide (MgO)**
### **5. Magnesiumoxide (MgO)**
### **14. Zink (Zn)**
### **VI. protocol analyse organische microverontreinigingen**
### **13. Molybdeen (Mo)**
### **II. Protocol analyse hoeveelheid organische stof in meststoffen**
## Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2009-01-29&g=2009-01-29) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
@@ -7101,7 +7317,7 @@
## Bijlage A.2. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2009-01-29&g=2009-01-29): Pootaardappelrassen
### 3.1. Bereiding van het extract
### 2.7. Standaardoplossing.
## Bijlage A.3. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2009-01-29&g=2009-01-29): Buitenbloemen
@@ -7175,433 +7391,433 @@
### 2.4. Ascorbinezuur-oplossing 1,75%
### 2.4. Ascorbinezuur-oplossing 1,75%
### **3. Analyse van grondmonsters**
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
### **3. Analyse van grondmonsters**
### 5. Opmerkingen
### 3. Werkwijze
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
6.5. De AGR-apparatuur maakt voor het versturen van elektronische databerichten uitsluitend gebruik van een infrastructuur die wordt beheerd door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijk partij, waarbij gewaarborgd is dat de met het databericht verzonden gegevens die bestemd zijn voor het ministerie van LNV, uitsluitend door een ten opzichte van de intermediair onafhankelijke partij worden beheerd.
## Bijlage F
### **1. Introductie**
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2009-01-29&g=2009-01-29), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2009-01-29&g=2009-01-29) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2009-01-29&g=2009-01-29)
### **A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur**
### **2. Inlezen gegevens**
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur**
### **2. Inlezen gegevens**
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
## Bijlage F
### onderdeel A
### onderdeel A
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2009-01-29&g=2009-01-29) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2009-01-29&g=2009-01-29) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2009-01-29&g=2009-01-29) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2009-01-29&g=2009-01-29)
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; samenstelling AP05
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; samenstelling AP05
### **3. Verrichtingen van het accreditatieprogramma**
### **4. Controle en registratie inkomende monsters**
### **6. Kwaliteitsborging**
### Behorende bij de [artikelen 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=100&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=101&z=2012-10-06&g=2012-10-06)
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2008-11-19&g=2008-11-19) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **3. Plaats bemonstering**
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### **4.2. Het nemen van de ondermonsters**
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### **III. Toleranties**
### Protocol voor de bemonstering van de bodem ter bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal (fosfaattoestand gronden laag, neutraal, hoog; derogatie)
### Principe
10,00% relatief voor gehalten van 1 tot 6%;
### Principe
### 1. Abstract
### Onderdeel I Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
### Oplossingen
Uit een perceel dan wel een perceelsdeel met een maximale omvang van vijf hectare wordt één representatief mengmonster samengesteld. Aan elkaar grenzende percelen mogen worden samengevoegd tot een totale omvang van ten hoogste vijf hectare, waarbij de omvang van de individuele percelen die worden samengevoegd niet groter is dan 2,5 hectare. Indien een perceel groter is dan 5 hectare dienen er meerdere representatieve mengmonsters samengesteld te worden ter vaststelling van de fosfaattoestand van dat perceel. De fosfaattoestand wordt dan bepaald door het gewogen gemiddelde te berekenen van de analyseresultaten van de individuele mengmonsters.
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing van pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauw-methode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
### Oplossing III.
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
### 2.6 Extractievloeistof
### Oplossing III.
### 2.1. Zwavelzuur 5N
Voor 25 milliliter filtraat wordt de berekeningsformule dan:
(Ea–Eb) x 2 x 1,9 x 100/2,5 = (Ea - Eb) x 152 = milligram P2O5 per 100 gram grond
Hierin is:
5.2 De kool dient voor de ontkleuring van het grondextract, dat door humeuze verbindingen meer of minder bruin gekleurd kan zijn. Het preparaat mag dus geen kationen of anionen aan het extract afgeven of er uit adsorberen.
5.1 Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.
5.2 De kool dient voor de ontkleuring van het grondextract, dat door humeuze verbindingen meer of minder bruin gekleurd kan zijn. Het preparaat mag dus geen kationen of anionen aan het extract afgeven of er uit adsorberen.
5.3 Het verdunnen en verhitten van het melkzuur dient om de lactiden, die altijd aanwezig zijn door hydrolyse om te zetten in melkzuur. In sommige preparaten kan de concentratie aan lactiden 20% bedragen. De verdunde oplossing wordt hierdoor in stabiel, tenzij men de lactiden vooraf hydrolyseert. De reactie die zich onder de voorgeschreven omstandigheden voltrekt, is onomkeerbaar. Geconcentreerd melkzuur bevat:
Titreert men een dergelijk mengsel, na verdunning met water en natronloog van bekende sterkte onder toevoeging van phenolphtalein (fenolftaline) als indicator, dan bepaalt men slechts het melkzuur. Geeft men vervolgens een bekende overmaat natronloog en laat men de oplossing nu gedurende een half uur staan, dan worden eventueel aanwezige lactiden in melkzuur omgezet, waardoor natronloog wordt verbruikt. De resterende hoeveelheid loog wordt met zoutzuur van bekende sterkte teruggetitreerd. Blijkt dat van de overmaat aan loog niets is verbruikt, dan bevatte de onderzochte oplossing enkel melkzuur.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2009-01-29&g=2009-01-29) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **4.1. Algemeen**
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### Behorende bij de [artikelen 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2009-01-29&g=2009-01-29), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=100&z=2009-01-29&g=2009-01-29) en [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=101&z=2009-01-29&g=2009-01-29)
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2009-01-29&g=2009-01-29)
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
### **4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster**
### Onderdeel I Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
### **III. Toleranties**
### Protocol voor de bemonstering van de bodem ter bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal (fosfaattoestand gronden laag, neutraal, hoog; derogatie)
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### 3. Analyse van grondmonsters
### Oplossing II.
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
### Oplossingen
### Oplossing II.
### Oplossingen
### 2. Benodigde reagentia
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 59a
1. [Artikel 53, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [artikel 54, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=54&z=2013-01-01&g=2013-01-01), voor zover dat lid betrekking heeft op de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur, [artikel 55, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2013-01-01&g=2013-01-01), aanhef in samenhang met de onderdelen b en c, en artikel 56, eerste lid, voor zover dat lid betrekking heeft op het vastleggen van de in [artikel 55, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde gegevens, zijn niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen, indien de dierlijke meststoffen worden afgevoerd van een bedrijf ten aanzien waarvan ontheffing is verleend van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en rechtstreeks, zonder tussenopslag, worden vervoerd naar een bedrijf ten aanzien waarvan eveneens ontheffing is verleend van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2013-01-01&g=2013-01-01) onder de volgende voorwaarden:
- a. de afvoer vindt plaats op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de leverancier en de afnemer die is afgesloten voordat het vervoer van de desbetreffende vracht plaatsvond;
- b. de hoeveelheid van de desbetreffende vracht meststoffen wordt bepaald overeenkomstig de aan de ontheffing verbonden voorschriften; en
- c. het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen is overeenkomstig [artikel 66, vierde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=66&z=2013-01-01&g=2013-01-01), ingevuld.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vracht dierlijke meststoffen op grond van de voorschriften die zijn verbonden aan de aan de leverancier van de desbetreffende vracht verleende ontheffing wordt vervoerd overeenkomstig de [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=48) en [49 van het Uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) en de [artikelen 53 tot en met 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
### Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
#### § 3. Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost
#### § 4. Grensoverschrijdende overbrenging
#### § 4. Voorraden meststoffen
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht
#### § 6. Diervoeders
#### § 7. Staldieren en eieren
#### § 9. Gewasopbrengst
#### § 8. Fosfaattoestand van de bodem
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
## bijlage Ac. , behorende bij de [artikelen 17 tot en met 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2009-07-25&g=2009-07-25) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **6. Zwaveltrioxide (SO3)**
### **14. Zink (Zn)**
### **III. Protocol analyse neutraliserende waarde**
## Bijlage A.1. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2009-07-25&g=2009-07-25): Consumptieaardappelrassen
### **2. Instrumentele analyse Cd, Cr, Cu, Ni, Pb, Zn en As**
## Bijlage A.2. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2009-07-25&g=2009-07-25): Pootaardappelrassen
### 2.8 Verdunde standaardoplossing.
## Bijlage A.3. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2009-07-25&g=2009-07-25): Buitenbloemen
### 2.2. Molybdaat-oplossing 4%
## Bijlage C. behorende bij de [artikelen 30 tot en met 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2009-07-25&g=2009-07-25)
### 3. Werkwijze
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
### **1. Abstract**
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2009-07-25&g=2009-07-25), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2009-07-25&g=2009-07-25) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2009-07-25&g=2009-07-25)
### **3. Verrichtingen van het accreditatieprogramma**
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
### **7. Signalering van storingen**
### **2. Inlezen gegevens**
## Bijlage F
### onderdeel B
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2009-07-25&g=2009-07-25) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2009-07-25&g=2009-07-25) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2009-07-25&g=2009-07-25) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2009-07-25&g=2009-07-25)
### **1. Introductie**
### **2. Algemene eisen**
### **3. Verrichtingen van het accreditatieprogramma**
### **7. Rapportage van resultaten**
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
### **9. Controle op naleving**
### **7. Rapportage van resultaten**
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2009-07-25&g=2009-07-25) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2009-07-25&g=2009-07-25)
### **4.4. Labelgegevens**
### Oplossing I.
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
### 1. Abstract
### 2.8 Standaardoplossing
### 2.8 Standaardoplossing
### 3. Werkwijze
### 2.6 Extractievloeistof
### 2.8 Standaardoplossing
### 4. Berekening
### 5. Opmerkingen
### Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2010-01-01&g=2010-01-01), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2010-01-01&g=2010-01-01) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=5&artikel=96&z=2010-01-01&g=2010-01-01)
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
### **Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal**
In hoofdstuk 8, 9 en 10 zijn respectievelijk de richtlijnen voor de archivering van gegevens, de controle op naleving en de toetredingsprocedure voor nieuwe laboratoria beschreven.
## Bijlage D. Diergebonden normen
### **Tabel III. Aan- en afvoer van staldieren, behorende bij artikel 102**
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2009-01-29&g=2009-01-29), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2009-01-29&g=2009-01-29) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2009-01-29&g=2009-01-29)
### **A. Prestatiekenmerken bemonsteringsapparatuur**
### **2. Inlezen gegevens**
### **3. Koppeling AGR-apparatuur aan verpakkingsapparatuur en satellietvolgapparatuur**
### **2. Inlezen gegevens**
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
## Bijlage F
### onderdeel A
### onderdeel A
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2009-01-29&g=2009-01-29) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2009-01-29&g=2009-01-29) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
### **A. Model vervoersbewijs zuiveringsslib en compost**
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2009-01-29&g=2009-01-29) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2009-01-29&g=2009-01-29)
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; samenstelling AP05
### Accreditatieprogramma dierlijke mest; samenstelling AP05
### **3. Verrichtingen van het accreditatieprogramma**
### **4. Controle en registratie inkomende monsters**
### **6. Kwaliteitsborging**
### Behorende bij de [artikelen 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=100&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=101&z=2012-10-06&g=2012-10-06)
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2008-11-19&g=2008-11-19) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **2. Stikstof (N)**
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### **4.2. Het nemen van de ondermonsters**
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### **III. Toleranties**
### Protocol voor de bemonstering van de bodem ter bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal (fosfaattoestand gronden laag, neutraal, hoog; derogatie)
### Principe
1.1.2. voor ruw eiwit:
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
### 1. Abstract
### 2. Benodigde reagentia
### Oplossingen
Selecteer een geschikte boor (steekguts of edelmanboor1NEN 5741 (2003), Bodem – Boorsystemen en monsternemingstoestellen voor grond, sediment, grondwater, die worden toegepast bij bodemverontreinigingsonderzoek. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft. ) om de grondmonstername mee uit te voeren. De te gebruiken boor is grondig gereinigd alvorens deze wordt gebruikt. Er zijn geen grondresten van een ander perceel aanwezig.
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt het mengmonster geëxtraheerd met een bufferoplossing van pH (zuurtegraad) van 3,75, die 0,10 N (normaal) is aan ammoniumlactaat en 0,40 N aan azijnzuur. In het extract wordt het fosfaatgehalte fotometrisch bepaald volgens de molybdeenblauw-methode en hieruit wordt het PAL-getal berekend. Het PAL-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5per 100 gram grond.
### Oplossing III.
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
### 2.6 Extractievloeistof
### Oplossing III.
### 2.1. Zwavelzuur 5N
Hierin is:
Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.
5.1 Voor de bereiding van het extractiemiddel kan men niet uitgaan van technisch ammoniumlactaat, omdat dit meestal donkerbruin of zwart gekleurd is.
5.2 De kool dient voor de ontkleuring van het grondextract, dat door humeuze verbindingen meer of minder bruin gekleurd kan zijn. Het preparaat mag dus geen kationen of anionen aan het extract afgeven of er uit adsorberen.
5.3 Het verdunnen en verhitten van het melkzuur dient om de lactiden, die altijd aanwezig zijn door hydrolyse om te zetten in melkzuur. In sommige preparaten kan de concentratie aan lactiden 20% bedragen. De verdunde oplossing wordt hierdoor in stabiel, tenzij men de lactiden vooraf hydrolyseert. De reactie die zich onder de voorgeschreven omstandigheden voltrekt, is onomkeerbaar. Geconcentreerd melkzuur bevat:
Titreert men een dergelijk mengsel, na verdunning met water en natronloog van bekende sterkte onder toevoeging van phenolphtalein (fenolftaline) als indicator, dan bepaalt men slechts het melkzuur. Geeft men vervolgens een bekende overmaat natronloog en laat men de oplossing nu gedurende een half uur staan, dan worden eventueel aanwezige lactiden in melkzuur omgezet, waardoor natronloog wordt verbruikt. De resterende hoeveelheid loog wordt met zoutzuur van bekende sterkte teruggetitreerd. Blijkt dat van de overmaat aan loog niets is verbruikt, dan bevatte de onderzochte oplossing enkel melkzuur.
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
Deze oplossing moet binnen een week worden gebruikt en worden bewaard bij kamertemperatuur, in een koelkast bij enkele graden boven 0°C langer.
Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23–26.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2009-01-29&g=2009-01-29) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **4.1. Algemeen**
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### Behorende bij de [artikelen 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2009-01-29&g=2009-01-29), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=100&z=2009-01-29&g=2009-01-29) en [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=101&z=2009-01-29&g=2009-01-29)
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2009-01-29&g=2009-01-29)
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
### **4.3. Het verzamelmonster en het eindmonster**
### Onderdeel I Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
### Onderdeel I Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
### Protocol voor de bemonstering van de bodem ter bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal (fosfaattoestand gronden laag, neutraal, hoog; derogatie)
### Oplossing I.
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### Onderdeel II, werkvoorschriften voor bepaling van het PAL-getal
### Oplossing II.
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
### Oplossingen
### Oplossing II.
### Oplossing I.
### 2. Benodigde reagentia
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 59a
1. [Artikel 53, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [artikel 54, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=54&z=2012-10-06&g=2012-10-06), voor zover dat lid betrekking heeft op de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur, [artikel 55, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2012-10-06&g=2012-10-06), aanhef in samenhang met de onderdelen b en c, en artikel 56, eerste lid, voor zover dat lid betrekking heeft op het vastleggen van de in [artikel 55, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=55&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde gegevens, zijn niet van toepassing op het vervoer van dierlijke meststoffen, indien de dierlijke meststoffen worden afgevoerd van een bedrijf ten aanzien waarvan ontheffing is verleend van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en rechtstreeks, zonder tussenopslag, worden vervoerd naar een bedrijf ten aanzien waarvan eveneens ontheffing is verleend van de [artikelen 76, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=76&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en [77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=77&z=2012-10-06&g=2012-10-06) onder de volgende voorwaarden:
- a. de afvoer vindt plaats op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de leverancier en de afnemer die is afgesloten voordat het vervoer van de desbetreffende vracht plaatsvond;
- b. de hoeveelheid van de desbetreffende vracht meststoffen wordt bepaald overeenkomstig de aan de ontheffing verbonden voorschriften; en
- c. het op de vracht betrekking hebbende vervoersbewijs dierlijke meststoffen is overeenkomstig [artikel 66, vierde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=66&z=2012-10-06&g=2012-10-06), ingevuld.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de vracht dierlijke meststoffen op grond van de voorschriften die zijn verbonden aan de aan de leverancier van de desbetreffende vracht verleende ontheffing wordt vervoerd overeenkomstig de [artikelen 48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=48) en [49 van het Uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=49) en de [artikelen 53 tot en met 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
##### Artikel 28a
1. In afwijking van [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2013-01-01&g=2013-01-01) bedraagt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10), voor suikerbieten en voor de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2013-01-01&g=2013-01-01), tabel 5, vermelde consumptieaardappelrassen, voor zover de teelt van deze gewassen op kleigrond plaatsvindt, de hoeveelheid stikstof die in bijlage A, tabel 1, bij het desbetreffende gewas onder het desbetreffende jaar is vermeld, vermeerderd met 15 kilogrammen onderscheidenlijk 30 kilogrammen stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, indien:
- a. voor zover het het gewas suikerbieten betreft, de gemiddelde opbrengst van het totale areaal suikerbieten dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 75 ton per hectare bedroeg;
- b. voor zover het de in [bijlage A, tabel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2013-01-01&g=2013-01-01), genoemde consumptieaardappelrassen betreft, de gemiddelde opbrengst van het totale areaal van deze consumptieaardappelrassen dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 50 ton per hectare bedroeg;
- c. de landbouwer de in het tweede lid bedoelde afnemers heeft gemachtigd om desgevraagd gegevens over de afgenomen hoeveelheden suikerbieten of consumptieaardappelen te verstrekken aan de Dienst Regelingen;
- d. de landbouwer het desbetreffende bedrijf uiterlijk op 15 mei van het desbetreffende kalenderjaar heeft aangemeld bij de Dienst Regelingen;
- e. de landbouwer bij de melding, bedoeld in onderdeel d, heeft verklaard dat ten aanzien van het desbetreffende bedrijf is voldaan aan de onderdelen a, b, in samenhang met het tweede lid, en aan onderdeel c;
- f. de landbouwer als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), gegevens bewaart waaruit in voorkomend geval ter zake van elk van de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren blijkt:
- 1°. welke consumptieaardappelrassen op zijn bedrijf werden geteeld;
- 2°. het aantal hectaren kleigrond dat met de desbetreffende consumptieaardappelrassen of suikerbieten is beteeld;
- 3°. de hoogte van de gewasopbrengst; en
- 4°. de afnemers van de desbetreffende gewassen.
2. Voor de bepaling van de gewasopbrengst, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt uitsluitend in aanmerking genomen de hoeveelheid suikerbieten, onderscheidenlijk consumptieaardappelen die door de desbetreffende landbouwer rechtstreeks dan wel door tussenkomst van een daartoe gespecialiseerd bedrijf dat zich toelegt op het sorteren van suikerbieten of consumptieaardappelen, zijn afgeleverd aan afnemers die de suikerbieten onderscheidenlijk de consumptieaardappelen tot voor menselijke consumptie geschikte producten verwerken.
#### § 3. Fosfaatgebruiksnorm voor grond met lage fosfaattoestand
##### Artikel 29a
1. De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), is per hectare grasland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond voor zover het grond met lage fosfaattoestand betreft, 100 kilogram fosfaat per jaar.
2. De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), is per hectare bouwland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond voor zover het grond met lage fosfaattoestand betreft, 85 kilogram fosfaat per jaar.
#### § 4. Fosfaatvrije voet en fosfaatverrekening
#### § 5. Tijdelijke vrijstelling mineralenconcentraat
### Hoofdstuk 5. Administratieve verplichtingen landbouwers
### Hoofdstuk 7. Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers
##### Artikel 51a
1. Op de opslagruimten voor vloeibaar zuiveringsslib, bedoeld in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2013-01-01&g=2013-01-01), worden de door de Dienst Regelingen verstrekte registratienummers ter identificatie van de afzonderlijke opslagruimten aangebracht, op zodanige wijze dat het nummer steeds duidelijk zichtbaar en leesbaar is.
2. De opslagruimten voor vloeibaar zuiveringsslib worden in de administratie en bij de verstrekking van gegevens mede aangeduid met het registratienummer van de opslagruimte, bedoeld in het eerste lid.
### Hoofdstuk 8. Vervoer van meststoffen
#### § 1. Vervoer van dierlijke meststoffen
#### § 3. Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost
### Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
#### § 4. Grensoverschrijdende overbrenging
#### § 4. Grensoverschrijdende overbrenging
#### § 4. Voorraden meststoffen
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht
#### § 7. Staldieren en eieren
##### Artikel 74a
Voor zover het graasdieren betreft die worden gehouden op een bedrijf dat is geregistreerd overeenkomstig [artikel 2, eerste lid, van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022543&artikel=2) en die behoren tot de in [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022543&bijlage=I) bij die regeling onderscheiden categorieën dieren, zijn de in [artikel 66, eerste en tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) bedoelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, in afwijking van de [artikelen 73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2013-01-01&g=2013-01-01), de normen die bij de desbetreffende categorie dieren in die bijlage zijn vermeld.
#### § 1. Mestproductie
##### Artikel 92c
Ingeval een hoeveelheid vloeibaar zuiveringsslib die afkomstig is uit een opslagruimte voor vloeibaar zuiveringsslib als bedoeld in [artikel 39, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) of in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en die rechtstreeks van de desbetreffende onderneming wordt afgevoerd naar een bedrijf, komt het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte alsmede het drogestofgehalte van de desbetreffende hoeveelheid zuiveringsslib, in afwijking van [artikel 68, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), overeen met het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte onderscheidenlijk het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2013-01-01&g=2013-01-01), of artikel 51, vijfde lid, bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers is berekend en zoals dat voordat de afvoer plaatsvond, overeenkomstig [artikel 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2013-01-01&g=2013-01-01), of [52, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2013-01-01&g=2013-01-01), aan de Dienst Regelingen is verstrekt.
#### § 5. Gasvormige verliezen
#### § 8. Fosfaattoestand van de bodem
##### Artikel 103a
1. De fosfaattoestand van de bodem, bedoeld in [artikel 69a van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=69a), wordt vastgesteld door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025, door middel van bemonstering en analyse van de bodem overeenkomstig het in bijlage L opgenomen protocol.
2. Het laboratorium stelt ter zake van de bemonstering en analyse een analyserapport op, dat voor ieder bemonsterd perceel in ieder geval de volgende gegevens bevat:
- a. de naam en het adres van de landbouwer wiens perceel is bemonsterd;
- b. de datum van de monstername;
- c. het gehanteerde bemonsteringsprotocol;
- d. de exacte locatie van het bemonsterde perceel dan wel de delen van het perceel, vastgesteld met behulp van GPS-gegevens;
- e. het aantal steken dat uit de bodemlaag werd genomen;
- f. de diepte waarop de bodemmonsters zijn gestoken;
- g. een schema of een tekening van de locaties waar de bodemmonsters zijn gestoken;
- h. het codenummer van het mengmonster dan wel de mengmonsters dat is onderscheidenlijk die zijn samengesteld uit de bodemmonsters;
- i. de waarnemingen tijdens de monstername die mogelijk van invloed zijn op de uitkomsten van de vaststelling;
- j. de gebruikte analysemethode;
- k. de analysedatum van het mengmonster dan wel de mengmonsters;
- l. de resultaten van de analyses;
- m. bijzondere waarnemingen, die tijdens de analyse van het mengmonster dan wel de mengmonsters zijn gedaan; en
- n. alle niet in bijlage L voorgeschreven handelingen die het resultaat van de analyse van het mengmonster dan wel de mengmonsters hebben beïnvloed.
3. Het analyserapport is geldig tot vier jaar na de datum van de monstername, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
4. Als vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem als bedoeld in het eerste lid, wordt tevens aangemerkt de vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem die is verricht door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 door middel van:
- a. analyse van monsters die in de periode van 16 mei 2006 tot 1 november 2009 uit de desbetreffende bodem zijn genomen door dat laboratorium of onder de verantwoordelijkheid van dat laboratorium door een monsternemer die een onafhankelijke positie heeft ten opzichte van het bedrijf waar de monsters worden genomen; of
- b. bemonstering en analyse van de bodem overeenkomstig het in bijlage L opgenomen protocol met uitzondering van de in onderdeel I, paragraaf 1, voorgeschreven vastlegging van de omvang en vorm van het te bemonsteren perceel dan wel perceelsdeel met een Global Positioning System, voor zover het betreft monsters die in de periode van 1 november 2009 tot 1 januari 2010 uit de desbetreffende bodem zijn genomen.
##### Artikel 103b
1. Het laboratorium dat de in [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2013-01-01&g=2013-01-01) bedoelde vaststelling heeft verricht, verstrekt de landbouwer het analyserapport en verstrekt desgevraagd gegevens over die vaststelling aan de Dienst Regelingen.
2. De landbouwer meldt de fosfaattoestand van het desbetreffende perceel gebaseerd op het op grond van [artikel 103a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), geldige analyserapport, uiterlijk 15 mei van het desbetreffende kalenderjaar.
3. De landbouwer bewaart het analyserapport als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
##### Artikel 103c
1. In afwijking van [artikel 103a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), kan het laboratorium het nemen van monsters uit de bodem van een perceel uitbesteden aan een derde indien:
- a. de monstername geschiedt onder verantwoordelijkheid van het laboratorium dat de analyse uitvoert;
- b. het laboratorium zorg draagt voor de kwaliteitseisen conform NEN-EN-ISO/IEC 17025;
- c. de uitbesteding van de werkzaamheden schriftelijk is overeengekomen;
- d. de derde een onafhankelijke positie heeft ten opzichte van het bedrijf waar de monsters worden genomen;
- e. degene die de monstername verricht, daartoe is geschoold en door het laboratorium is voorzien van deugdelijke instructies; en
- f. het laboratorium in het analyserapport de naam vermeldt van degene die de werkzaamheden heeft verricht.
##### Artikel 103d
1. De gewasopbrengst in een kalenderjaar wordt bepaald door de hoeveelheid van het gewas die in dat jaar is geoogst van de met het desbetreffende gewas beteelde oppervlakte tot het bedrijf behorende landbouwgrond, te verminderen met het door de afnemer van het desbetreffende gewas vastgestelde tarragewicht.
2. De gewasopbrengst wordt uitgedrukt in tonnen per hectare per jaar.
#### § 9. Gewasopbrengst
#### § 9. Gewasopbrengst
#### § 5. Uitbreiding buiten rechten
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
## bijlage Ac. , behorende bij de [artikelen 17 tot en met 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2009-07-25&g=2009-07-25) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **6. Zwaveltrioxide (SO3)**
### **II. Protocol analyse hoeveelheid organische stof in meststoffen**
### **III. Protocol analyse neutraliserende waarde**
## Bijlage A.1. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2009-07-25&g=2009-07-25): Consumptieaardappelrassen
### **Consumptieaardappelrassen hoge norm**
## Bijlage A.2. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2009-07-25&g=2009-07-25): Pootaardappelrassen
### 2.8 Verdunde standaardoplossing.
## Bijlage A.3. behorende bij [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2009-07-25&g=2009-07-25): Buitenbloemen
### 2.2. Molybdaat-oplossing 4%
## Bijlage C. behorende bij de [artikelen 30 tot en met 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2009-07-25&g=2009-07-25)
### 3. Werkwijze
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
### **1. Abstract**
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2009-07-25&g=2009-07-25), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2009-07-25&g=2009-07-25) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2009-07-25&g=2009-07-25)
### **3. Verrichtingen van het accreditatieprogramma**
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
### **7. Signalering van storingen**
### **2. Inlezen gegevens**
## Bijlage F
### onderdeel B
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2009-07-25&g=2009-07-25) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2009-07-25&g=2009-07-25) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2009-07-25&g=2009-07-25) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2009-07-25&g=2009-07-25)
### **1. Introductie**
### **2. Algemene eisen**
### **3. Verrichtingen van het accreditatieprogramma**
### **7. Rapportage van resultaten**
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
### **9. Controle op naleving**
### **7. Rapportage van resultaten**
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2009-07-25&g=2009-07-25) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2009-07-25&g=2009-07-25)
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
### Oplossing I.
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
### 1. Abstract
### 2.8 Standaardoplossing
### 2.8 Standaardoplossing
### 3. Werkwijze
### Oplossingen
### 2.8 Standaardoplossing
### 4. Berekening
Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23–26.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 28a
1. In afwijking van [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2012-10-06&g=2012-10-06) bedraagt de hoeveelheid stikstof, bedoeld in [artikel 10, eerste lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=10), voor suikerbieten en voor de in [bijlage A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2012-10-06&g=2012-10-06), tabel 5, vermelde consumptieaardappelrassen, voor zover de teelt van deze gewassen op kleigrond plaatsvindt, de hoeveelheid stikstof die in bijlage A, tabel 1, bij het desbetreffende gewas onder het desbetreffende jaar is vermeld, vermeerderd met 15 kilogrammen onderscheidenlijk 30 kilogrammen stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, indien:
- a. voor zover het het gewas suikerbieten betreft, de gemiddelde opbrengst van het totale areaal suikerbieten dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 75 ton per hectare bedroeg;
- b. voor zover het de in [bijlage A, tabel 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=A&z=2012-10-06&g=2012-10-06), genoemde consumptieaardappelrassen betreft, de gemiddelde opbrengst van het totale areaal van deze consumptieaardappelrassen dat op het desbetreffende bedrijf op kleigrond werd geteeld, gemeten over de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren, ten minste 50 ton per hectare bedroeg;
- c. de landbouwer de in het tweede lid bedoelde afnemers heeft gemachtigd om desgevraagd gegevens over de afgenomen hoeveelheden suikerbieten of consumptieaardappelen te verstrekken aan de Dienst Regelingen;
- d. de landbouwer het desbetreffende bedrijf uiterlijk op 15 mei van het desbetreffende kalenderjaar heeft aangemeld bij de Dienst Regelingen;
- e. de landbouwer bij de melding, bedoeld in onderdeel d, heeft verklaard dat ten aanzien van het desbetreffende bedrijf is voldaan aan de onderdelen a, b, in samenhang met het tweede lid, en aan onderdeel c;
- f. de landbouwer als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32), gegevens bewaart waaruit in voorkomend geval ter zake van elk van de drie aan het desbetreffende jaar voorafgaande jaren blijkt:
- 1°. welke consumptieaardappelrassen op zijn bedrijf werden geteeld;
- 2°. het aantal hectaren kleigrond dat met de desbetreffende consumptieaardappelrassen of suikerbieten is beteeld;
- 3°. de hoogte van de gewasopbrengst; en
- 4°. de afnemers van de desbetreffende gewassen.
2. Voor de bepaling van de gewasopbrengst, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt uitsluitend in aanmerking genomen de hoeveelheid suikerbieten, onderscheidenlijk consumptieaardappelen die door de desbetreffende landbouwer rechtstreeks dan wel door tussenkomst van een daartoe gespecialiseerd bedrijf dat zich toelegt op het sorteren van suikerbieten of consumptieaardappelen, zijn afgeleverd aan afnemers die de suikerbieten onderscheidenlijk de consumptieaardappelen tot voor menselijke consumptie geschikte producten verwerken.
#### § 3. Fosfaatgebruiksnorm voor grond met lage fosfaattoestand
##### Artikel 29a
1. De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), is per hectare grasland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond voor zover het grond met lage fosfaattoestand betreft, 100 kilogram fosfaat per jaar.
2. De fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, bedoeld in [artikel 8, onderdeel c, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=8), is per hectare bouwland van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond voor zover het grond met lage fosfaattoestand betreft, 85 kilogram fosfaat per jaar.
#### § 4. Fosfaatvrije voet en fosfaatverrekening
#### § 5. Tijdelijke vrijstelling mineralenconcentraat
### Hoofdstuk 5. Administratieve verplichtingen landbouwers
### Hoofdstuk 7. Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers
##### Artikel 51a
1. Op de opslagruimten voor vloeibaar zuiveringsslib, bedoeld in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2012-10-06&g=2012-10-06), worden de door de Dienst Regelingen verstrekte registratienummers ter identificatie van de afzonderlijke opslagruimten aangebracht, op zodanige wijze dat het nummer steeds duidelijk zichtbaar en leesbaar is.
2. De opslagruimten voor vloeibaar zuiveringsslib worden in de administratie en bij de verstrekking van gegevens mede aangeduid met het registratienummer van de opslagruimte, bedoeld in het eerste lid.
### Hoofdstuk 8. Vervoer van meststoffen
#### § 1. Vervoer van dierlijke meststoffen
#### § 3. Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost
### Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
##### Artikel 74a
Voor zover het graasdieren betreft die worden gehouden op een bedrijf dat is geregistreerd overeenkomstig [artikel 2, eerste lid, van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022543&artikel=2) en die behoren tot de in [Bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022543&bijlage=I) bij die regeling onderscheiden categorieën dieren, zijn de in [artikel 66, eerste en tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=66) bedoelde forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar, in afwijking van de [artikelen 73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=74&z=2012-10-06&g=2012-10-06), de normen die bij de desbetreffende categorie dieren in die bijlage zijn vermeld.
#### § 1. Mestproductie
##### Artikel 92c
Ingeval een hoeveelheid vloeibaar zuiveringsslib die afkomstig is uit een opslagruimte voor vloeibaar zuiveringsslib als bedoeld in [artikel 39, tweede lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=39) of in [artikel 51, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=51&z=2012-10-06&g=2012-10-06), en die rechtstreeks van de desbetreffende onderneming wordt afgevoerd naar een bedrijf, komt het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte alsmede het drogestofgehalte van de desbetreffende hoeveelheid zuiveringsslib, in afwijking van [artikel 68, eerste lid van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), overeen met het stikstofgehalte, het fosfaatgehalte onderscheidenlijk het drogestofgehalte zoals dat voor de in de desbetreffende opslag aanwezige hoeveelheid zuiveringsslib met gebruikmaking van het in [artikel 46, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=46&z=2012-10-06&g=2012-10-06), of artikel 51, vijfde lid, bedoelde formulier, of de in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers is berekend en zoals dat voordat de afvoer plaatsvond, overeenkomstig [artikel 48, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=6&artikel=48&z=2012-10-06&g=2012-10-06), of [52, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=7&artikel=52&z=2012-10-06&g=2012-10-06), aan de Dienst Regelingen is verstrekt.
#### § 5. Gasvormige verliezen
#### § 8. Fosfaattoestand van de bodem
##### Artikel 103a
1. De fosfaattoestand van de bodem, bedoeld in [artikel 69a van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=69a), wordt vastgesteld door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025, door middel van bemonstering en analyse van de bodem overeenkomstig het in bijlage L opgenomen protocol.
2. Het laboratorium stelt ter zake van de bemonstering en analyse een analyserapport op, dat voor ieder bemonsterd perceel in ieder geval de volgende gegevens bevat:
- a. de naam en het adres van de landbouwer wiens perceel is bemonsterd;
- b. de datum van de monstername;
- c. het gehanteerde bemonsteringsprotocol;
- d. de exacte locatie van het bemonsterde perceel dan wel de delen van het perceel, vastgesteld met behulp van GPS-gegevens;
- e. het aantal steken dat uit de bodemlaag werd genomen;
- f. de diepte waarop de bodemmonsters zijn gestoken;
- g. een schema of een tekening van de locaties waar de bodemmonsters zijn gestoken;
- h. het codenummer van het mengmonster dan wel de mengmonsters dat is onderscheidenlijk die zijn samengesteld uit de bodemmonsters;
- i. de waarnemingen tijdens de monstername die mogelijk van invloed zijn op de uitkomsten van de vaststelling;
- j. de gebruikte analysemethode;
- k. de analysedatum van het mengmonster dan wel de mengmonsters;
- l. de resultaten van de analyses;
- m. bijzondere waarnemingen, die tijdens de analyse van het mengmonster dan wel de mengmonsters zijn gedaan; en
- n. alle niet in bijlage L voorgeschreven handelingen die het resultaat van de analyse van het mengmonster dan wel de mengmonsters hebben beïnvloed.
3. Het analyserapport is geldig tot vier jaar na de datum van de monstername, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
4. Als vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem als bedoeld in het eerste lid, wordt tevens aangemerkt de vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem die is verricht door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025 door middel van:
- a. analyse van monsters die in de periode van 16 mei 2006 tot 1 november 2009 uit de desbetreffende bodem zijn genomen door dat laboratorium of onder de verantwoordelijkheid van dat laboratorium door een monsternemer die een onafhankelijke positie heeft ten opzichte van het bedrijf waar de monsters worden genomen; of
- b. bemonstering en analyse van de bodem overeenkomstig het in bijlage L opgenomen protocol met uitzondering van de in onderdeel I, paragraaf 1, voorgeschreven vastlegging van de omvang en vorm van het te bemonsteren perceel dan wel perceelsdeel met een Global Positioning System, voor zover het betreft monsters die in de periode van 1 november 2009 tot 1 januari 2010 uit de desbetreffende bodem zijn genomen.
##### Artikel 103b
1. Het laboratorium dat de in [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2012-10-06&g=2012-10-06) bedoelde vaststelling heeft verricht, verstrekt de landbouwer het analyserapport en verstrekt desgevraagd gegevens over die vaststelling aan de Dienst Regelingen.
2. De landbouwer meldt de fosfaattoestand van het desbetreffende perceel gebaseerd op het op grond van [artikel 103a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), geldige analyserapport, uiterlijk 15 mei van het desbetreffende kalenderjaar.
3. De landbouwer bewaart het analyserapport als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
##### Artikel 103c
1. In afwijking van [artikel 103a, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), kan het laboratorium het nemen van monsters uit de bodem van een perceel uitbesteden aan een derde indien:
- a. de monstername geschiedt onder verantwoordelijkheid van het laboratorium dat de analyse uitvoert;
- b. het laboratorium zorg draagt voor de kwaliteitseisen conform NEN-EN-ISO/IEC 17025;
- c. de uitbesteding van de werkzaamheden schriftelijk is overeengekomen;
- d. de derde een onafhankelijke positie heeft ten opzichte van het bedrijf waar de monsters worden genomen;
- e. degene die de monstername verricht, daartoe is geschoold en door het laboratorium is voorzien van deugdelijke instructies; en
- f. het laboratorium in het analyserapport de naam vermeldt van degene die de werkzaamheden heeft verricht.
##### Artikel 103d
1. De gewasopbrengst in een kalenderjaar wordt bepaald door de hoeveelheid van het gewas die in dat jaar is geoogst van de met het desbetreffende gewas beteelde oppervlakte tot het bedrijf behorende landbouwgrond, te verminderen met het door de afnemer van het desbetreffende gewas vastgestelde tarragewicht.
2. De gewasopbrengst wordt uitgedrukt in tonnen per hectare per jaar.
#### § 9. Gewasopbrengst
#### § 3. Vervallen van een productierecht
#### § 1. Kennisgeving van overgang
#### § 2. Blokkaderecht
@@ -7882,7 +8098,7 @@
### **4. Calciumoxide (CaO)**
### **13. Molybdeen (Mo)**
### **12. Mangaan (Mn)**
### **3. Instrumentele analyse Hg**
@@ -8277,57 +8493,57 @@
### **5. machtiging als monsternemers**
### **III. Toleranties**
### **5. machtiging als monsternemers**
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
### 3. Analyse van grondmonsters
### Oplossing I.
### 1. Abstract
### Oplossing II.
### Oplossing III.
### 2.8 Standaardoplossing
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
### 3. Werkwijze
### 3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
### 2.2. Molybdaatoplossing 4%
### 1. Abstract
### Onderdeel III, werkvoorschriften voor bepaling van het Pw-getal
### 1. Abstract
### 2.2. Molybdaatoplossing 4%
### 1. Abstract
### 2.6. Mengreagens
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50°C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
Ter bepaling van een voor het gewas beschikbaar deel van het bodemfosfaat wordt een op volume afgemeten hoeveelheid grond eerst met weinig water bevochtigd. Na een tijd van inwerking wordt meer water toegediend tot een totale volumeverhouding tussen water en grond als 60:1. Na schudden en filtreren wordt in het filtraat van de grondsuspensie de fosfaatconcentratie bepaald en hieruit het Pw-getal berekend. Het Pw-getal wordt uitgedrukt in milligram P2O5 per liter grond. De fosfaatanalyse van het filtraat wordt uitgevoerd volgens de colorimetrische methode van Murphy en Riley.
Bij de bepaling van het Pw-getal wordt uitgegaan van de analysevoorschriften zoals neergelegd in het boek ‘Analysemethoden voor grond, rioolslib, gewas en vloeistof’, Vierveijzer, H.C., Lepelaar, A. en Dijkstra, J. Instituut voor Bodemvruchtbaarheid, Haren, 1979, p. 23–26.
### 2. Benodigde reagentia
De hieronder beschreven reagentia en oplossingen zijn nodig bij het volgen van de werkwijze zoals omschreven in punt 3 ‘Werkwijze’. Alle reagentia dienen met gedestilleerd water bereid te worden.
### 2.1. Zwavelzuur 5N
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 27a
1. Ten hoogste vier jaren voorafgaand aan 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2012-10-06&g=2012-10-06), wordt toegepast, zijn de waarde van de fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverende vermogen van de bodem van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond vastgesteld en vastgelegd in een analyserapport door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. Het laboratorium stelt de fosfaattoestand van de bodem vast door middel van bemonstering en analyse van de bodem van de desbetreffende percelen overeenkomstig [artikel 103a, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
1. Ten hoogste vier jaren voorafgaand aan 1 februari van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt toegepast, zijn de waarde van de fosfaattoestand en de waarde van het stikstofleverende vermogen van de bodem van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond vastgesteld en vastgelegd in een analyserapport door een laboratorium dat blijkens accreditatie door de Raad aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
2. Het laboratorium stelt de fosfaattoestand van de bodem vast door middel van bemonstering en analyse van de bodem van de desbetreffende percelen overeenkomstig [artikel 103a, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
3. De landbouwer bewaart het analyserapport als onderdeel van de administratie, bedoeld in [artikel 32 van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=32).
4. Indien een perceel door de landbouwer in gebruik wordt genomen na 1 februari en vóór 15 mei van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2012-10-06&g=2012-10-06), wordt toegepast, vindt de waardevaststelling, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 7 dagen na de ingebruikname plaats.
4. Indien een perceel door de landbouwer in gebruik wordt genomen na 1 februari en vóór 15 mei van het kalenderjaar waarin de gebruiksnorm, bedoeld in [artikel 24, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=24&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt toegepast, vindt de waardevaststelling, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk 7 dagen na de ingebruikname plaats.
##### Artikel 27b
Als vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem, bedoeld in [artikel 27a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27a&z=2012-10-06&g=2012-10-06), wordt tevens aangemerkt de vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem:
- a. die tot en met 31 oktober 2009 is verricht overeenkomstig [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27&z=2012-10-06&g=2012-10-06) zoals dit artikel luidde op 31 december 2009; of
- b. bemonstering en analyse van de bodem overeenkomstig het in [bijlage L](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=L&z=2012-10-06&g=2012-10-06) opgenomen protocol met uitzondering van de in onderdeel I, paragraaf 1, voorgeschreven vastlegging van de omvang en vorm van het te bemonsteren perceel dan wel perceelsdeel met een Global Positioning System, voor zover het monsters betreft die in de periode van 1 november 2009 tot 1 januari 2010 uit de desbetreffende bodem zijn genomen.
Als vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem, bedoeld in [artikel 27a, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27a&z=2013-01-01&g=2013-01-01), wordt tevens aangemerkt de vaststelling van de fosfaattoestand van de bodem:
- a. die tot en met 31 oktober 2009 is verricht overeenkomstig [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=27&z=2013-01-01&g=2013-01-01) zoals dit artikel luidde op 31 december 2009; of
- b. bemonstering en analyse van de bodem overeenkomstig het in [bijlage L](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=L&z=2013-01-01&g=2013-01-01) opgenomen protocol met uitzondering van de in onderdeel I, paragraaf 1, voorgeschreven vastlegging van de omvang en vorm van het te bemonsteren perceel dan wel perceelsdeel met een Global Positioning System, voor zover het monsters betreft die in de periode van 1 november 2009 tot 1 januari 2010 uit de desbetreffende bodem zijn genomen.
#### § 2. Stikstofgebruiksnorm
@@ -8347,9 +8563,9 @@
### Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
#### § 4. Grensoverschrijdende overbrenging
#### § 1. Mestproductie
#### § 2. Afgevoerde en aangevoerde dierlijke meststoffen
#### § 8. Fosfaattoestand van de bodem
@@ -8478,7 +8694,7 @@
| Artikel [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) | | Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet |
| 64 | | 134 |
### **10. Koper (Cu)**
### **9. Kobalt (Co)**
### **IV. Protocol analyse droge stofgehalte in meststoffen**
@@ -8602,72 +8818,72 @@
### Oplossing II.
### 2.7. Standaardoplossing.
### 2.6. Extractievloeistof
### Oplossing I.
### 3.1. Bereiding van het extract
### 3. Werkwijze
### 5. Opmerkingen
### 5. Opmerkingen
### 3. Werkwijze
## Bijlage D. Diergebonden normen
### 5. Opmerkingen
## Bijlage D. Diergebonden normen
### **7. Signalering van storingen**
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2011-05-18&g=2011-05-18) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2011-05-18&g=2011-05-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **7. Rapportage van resultaten**
### **9. Controle op naleving**
### **11. Literatuur**
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2010-03-06&g=2010-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **8. Archivering van gegevens**
### **2. Stikstof (N)**
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2010-03-06&g=2010-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **4.5. Verzending**
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
### Onderdeel I Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
### 3. Werkwijze
### 5. Opmerkingen
### 3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
### 3.1. Bereiding van het extract
### 3.1. Bereiding van het extract
### 4. Berekening
### 4. Berekening
### 5. Opmerkingen
### 5. Opmerkingen
### 3. Werkwijze
## Bijlage D. Diergebonden normen
### 5. Opmerkingen
## Bijlage D. Diergebonden normen
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2011-05-18&g=2011-05-18) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2011-05-18&g=2011-05-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **7. Rapportage van resultaten**
### **9. Controle op naleving**
### **11. Literatuur**
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2010-03-06&g=2010-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **8. Archivering van gegevens**
### **2. Stikstof (N)**
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2010-03-06&g=2010-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **4.5. Verzending**
### 1. Bemonstering van een perceel landbouwgrond
### Onderdeel I Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
### 3. Werkwijze
### 5. Opmerkingen
### 3.2. De bepaling van het fosfaatgehalte
### 3.1. Bereiding van het extract
### 1. Abstract
### 4. Berekening
### 2. Benodigde reagentia
### 2.3. Zwavelzure molybdaatoplossing
### 5. Opmerkingen
### 2. Benodigde reagentia
### 2.3. Zwavelzure molybdaatoplossing
Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
@@ -8684,46 +8900,46 @@
### **A. Protocol analyse gehalten stikstof, fosfaat en drogestof zuiveringsslib en compost**
### Tabel III behorend bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2012-10-06&g=2012-10-06)
### **A. Protocol analyse gehalten stikstof, fosfaat en drogestof zuiveringsslib en compost**
### **2. Stikstof (N)**
### Tabel I behorende bij de [artikelen 84 t/m 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2013-01-01&g=2013-01-01)
### Tabel III behorend bij [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2013-01-01&g=2013-01-01)
### **1. Droge stof**
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2010-10-01&g=2010-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### Protocol voor de bemonstering van de bodem ter bepaling van het PAL-getal en het Pw-getal (fosfaattoestand gronden laag, neutraal, hoog; derogatie)
### **4.6. Monsteradministratie**
### Oplossing I.
### 2.4. Ascorbinezuuroplossing 1,75%
In een 2 liter maatkolf aan ongeveer 1500 milliliter water 280 milliliter geconcentreerd zwavelzuur (H2SO4) p.a. toevoegen, mengen en afkoelen. Dan water toevoegen tot 2000 milliliter en goed mengen.
### 2.2. Molybdaatoplossing 4%
In een 1 liter maatkolf 40 gram molybdaat (NH4)MO7O24.H2O oplossen in warm water van ongeveer 50°C, afkoelen en verdunnen tot 1 liter In het donker, bijvoorbeeld met gebruikmaking van een bruin glas, bewaren.
### 2.3. Zwavelzure molybdaatoplossing
Deze oplossing moet binnen een week worden gebruikt en worden bewaard bij kamertemperatuur, in een koelkast bij enkele graden boven 0°C langer.
Meng 1 liter zwavelzuur 5N met 312,5 milliliter molybdaat oplossing 4%. De oplossing is, mits in het donker bewaard, onbeperkt houdbaar.
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
### 2.5. Kaliumantimonyltartraatoplossing 0,275%
Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcilinder) wordt de volgende oplossing bereid.
In een maatkolf van 200 milliliter 0,550 gram kaliumantimonyltartraat (KSb OC4H4O6.½H2O) in gedestilleerd water oplossen en verdunnen tot 200 milliliter.
Deze oplossing moet binnen een week worden gebruikt en worden bewaard bij kamertemperatuur, in een koelkast bij enkele graden boven 0°C langer.
Daar deze oplossing slechts één dag houdbaar is, wordt niet meer bereid dan voor één dag nodig is. De afgewogen hoeveelheid ascorbinezuur wordt in water opgelost. Zie het mengschema zoals vermeld onder 2.6 voor de bereiding van het mengreagens.
### 2.6. Mengreagens
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
Voor ruim 500 bepalingen per week (inclusief het voorspoelen van de maatcilinder) wordt de volgende oplossing bereid.
### 2.7. IJkoplossingen
Deze oplossing moet binnen een week worden gebruikt en worden bewaard bij kamertemperatuur, in een koelkast bij enkele graden boven 0°C langer.
Verdun 10 milliliter voorraadoplossing tot 1 liter. 10 milliliter van deze gebruiksoplossing bevat 100 microgram P2O5.
Op de dag van gebruik bereiden. In de aangegeven volgorde (van links naar rechts) worden zorgvuldig gemengd:
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 milliliter:
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 57b
@@ -8734,7 +8950,7 @@
- a. naam, adres en indien van toepassing de door een kamer van koophandel en fabrieken, als bedoeld in de [Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009276), verstrekte KvK-nummers van de betrokken vervoerder en van de leveranciers;
- b. de mestcode van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, zoals deze voor de desbetreffende mestsoort is opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06);
- b. de mestcode van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, zoals deze voor de desbetreffende mestsoort is opgenomen in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01);
- c. de postcode van de laadplaats van de desbetreffende vracht dierlijke meststoffen, en
@@ -8748,23 +8964,23 @@
##### Artikel 57c
1. In afwijking van [artikel 57b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2012-10-06&g=2012-10-06), kan de mededeling op niet elektronische wijze geschieden, indien deze mededeling ten minste dertig werkdagen, voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt gedaan.
2. In afwijking van [artikel 57b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2012-10-06&g=2012-10-06), kan de wijziging op niet elektronische wijze geschieden, indien deze wijziging ten minste veertien werkdagen voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt doorgegeven.
3. In afwijking van [artikel 57b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2012-10-06&g=2012-10-06), geldt een termijn van ten minste veertien werkdagen, indien de mededeling op niet elektronische wijze geschiedt.
4. In afwijking van [artikel 57b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2012-10-06&g=2012-10-06), kan de intrekking van de mededeling op niet elektronische wijze geschieden, indien deze intrekking ten minste veertien werkdagen voordat vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt gedaan.
1. In afwijking van [artikel 57b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2013-01-01&g=2013-01-01), kan de mededeling op niet elektronische wijze geschieden, indien deze mededeling ten minste dertig werkdagen, voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt gedaan.
2. In afwijking van [artikel 57b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2013-01-01&g=2013-01-01), kan de wijziging op niet elektronische wijze geschieden, indien deze wijziging ten minste veertien werkdagen voordat de vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt doorgegeven.
3. In afwijking van [artikel 57b, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2013-01-01&g=2013-01-01), geldt een termijn van ten minste veertien werkdagen, indien de mededeling op niet elektronische wijze geschiedt.
4. In afwijking van [artikel 57b, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=57b&z=2013-01-01&g=2013-01-01), kan de intrekking van de mededeling op niet elektronische wijze geschieden, indien deze intrekking ten minste veertien werkdagen voordat vracht dierlijke meststoffen wordt geladen, wordt gedaan.
##### Artikel 62a
1. Het vervoersbewijs dierlijke meststoffen kan voor meerdere vrachten dierlijke meststoffen op eenzelfde dag worden gebruikt, indien:
- a. het gaat om vrachten dierlijke meststoffen, met uitzondering van champost, waarbij de hoeveelheid dierlijke meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2012-10-06&g=2012-10-06) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten;
- a. het gaat om vrachten dierlijke meststoffen, met uitzondering van champost, waarbij de hoeveelheid dierlijke meststoffen ingevolge de [artikelen 84 tot en met 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=84&z=2013-01-01&g=2013-01-01) wordt bepaald op basis van de in die artikelen bedoelde forfaitaire stikstofgehalten, onderscheidenlijk fosfaatgehalten;
- b. bij elke vracht dierlijke meststoffen dezelfde leverancier, vervoerder en afnemer zijn betrokken;
- c. de vrachten dierlijke meststoffen betrekking hebben op één mestcode als bedoeld in [artikel 61, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2012-10-06&g=2012-10-06), of gemengde mest van één of meer diersoorten uit één opslagruimte;
- c. de vrachten dierlijke meststoffen betrekking hebben op één mestcode als bedoeld in [artikel 61, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2013-01-01&g=2013-01-01), of gemengde mest van één of meer diersoorten uit één opslagruimte;
- d. de vrachten dierlijke meststoffen worden vervoerd door hetzelfde voertuig;
@@ -8774,7 +8990,7 @@
- g. een bijlage wordt opgemaakt overeenkomstig het tweede lid, waarop het nummer van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen is vermeld.
2. In afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2012-10-06&g=2012-10-06), worden:
2. In afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2013-01-01&g=2013-01-01), worden:
- a. het tijdstip van laden en het geschat gewicht van elke vracht dierlijke meststoffen, uiterlijk bij het laden, en
@@ -8782,7 +8998,7 @@
op een bij het vervoersbewijs dierlijke meststoffen behorende bijlage ingevuld.
3. In afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2012-10-06&g=2012-10-06):
3. In afwijking van [artikel 61, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=2&artikel=61&z=2013-01-01&g=2013-01-01):
- a. wordt bij onderdeel 3b van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen uiterlijk bij het lossen van de laatste vracht dierlijke meststoffen het totale geschatte gewicht ingevuld van alle vervoerde vrachten dierlijke meststoffen;
@@ -8800,15 +9016,15 @@
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht
#### § 9. Gewasopbrengst
#### § 1. Kennisgeving van overgang
#### § 1. Kennisgeving van overgang
#### § 3. Vervallen van een productierecht
#### § 3. Vervallen van een productierecht
#### § 4. Leges
#### § 3. Vervallen van een productierecht
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
@@ -9115,13 +9331,13 @@
| **F** | **Hulpstoffen of toevoegmiddelen** |
| 1 | Slib of steekvast slib dat vrijkomt bij de bereiding van drinkwater uit grondwater of oppervlaktewater en dat bestaat uit ijzer(III)hydroxide en water (ijzerwater). |
### **7. Natriumoxide (Na2O)**
### **9. Kobalt (Co)**
### **11. IJzer (Fe)**
### **1. Ontsluiting en extractie Cd, Cr, Cu, Hg, Ni, Pb, Zn en As**
### **6. Zwaveltrioxide (SO3)**
### **8. Boor (B)**
### **10. Koper (Cu)**
### **III. Protocol analyse neutraliserende waarde**
### **2. Instrumentele analyse Cd, Cr, Cu, Ni, Pb, Zn en As**
@@ -9141,49 +9357,49 @@
### 2.8 Verdunde standaardoplossing.
### 2.5. Kaliumantimonyltartraat-oplossing 0,275%
### 3. Werkwijze
## Bijlage D. Diergebonden normen
### Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2011-10-01&g=2011-10-01), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2011-10-01&g=2011-10-01), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2011-10-01&g=2011-10-01), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2011-10-01&g=2011-10-01), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2011-10-01&g=2011-10-01) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=5&artikel=96&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2011-05-18&g=2011-05-18), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2011-05-18&g=2011-05-18) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2011-05-18&g=2011-05-18)
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2011-05-18&g=2011-05-18) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2011-05-18&g=2011-05-18)
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
### Tabel II behorend bij [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=89&z=2013-01-01&g=2013-01-01)
### **1. Droge stof**
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2011-05-18&g=2011-05-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### 2. Benodigde reagentia
### 5. Opmerkingen
### 2.3. Zwavelzure molybdaatoplossing
### 2.5. Kaliumantimonyltartraatoplossing 0,275%
### 2.6. Mengreagens
In een maatkolf van 200 milliliter 0,550 gram kaliumantimonyltartraat (KSb OC4H4O6.½H2O) in gedestilleerd water oplossen en verdunnen tot 200 milliliter.
### 4. Berekening
Laat het mengreagens ongeveer 20 minuten staan en, indien noodzakelijk, filtreer het mengreagens ter verwijdering van een soms gevormd blauw colloïdaal neerslag. Het blauw colloïdaal neerslag kan hoge blancowaarden geven bij de bepaling.
Laat het mengreagens ongeveer 20 minuten staan en, indien noodzakelijk, filtreer het mengreagens ter verwijdering van een soms gevormd blauw colloïdaal neerslag. Het blauw colloïdaal neerslag kan hoge blancowaarden geven bij de bepaling.
### 2.7. IJkoplossingen
### 3. Werkwijze
## Bijlage D. Diergebonden normen
### Tabel I: Excretieforfaits en stikstofcorrectie, behorende bij de [artikelen 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=4&artikel=36&z=2011-10-01&g=2011-10-01), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=38&z=2011-10-01&g=2011-10-01), [42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=42&z=2011-10-01&g=2011-10-01), [43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=5&artikel=43&z=2011-10-01&g=2011-10-01), [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=1&artikel=73&z=2011-10-01&g=2011-10-01) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=5&artikel=96&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2011-05-18&g=2011-05-18), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2011-05-18&g=2011-05-18) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2011-05-18&g=2011-05-18)
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2011-05-18&g=2011-05-18) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2011-05-18&g=2011-05-18)
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2011-05-18&g=2011-05-18)
### **1. Algemeen**
### **1. Droge stof**
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2011-05-18&g=2011-05-18) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### 2. Benodigde reagentia
### 5. Opmerkingen
### 2.3. Zwavelzure molybdaatoplossing
### 2.5. Kaliumantimonyltartraatoplossing 0,275%
### 2.6. Mengreagens
In een maatkolf van 200 milliliter 0,550 gram kaliumantimonyltartraat (KSb OC4H4O6.½H2O) in gedestilleerd water oplossen en verdunnen tot 200 milliliter.
### 4. Berekening
Laat het mengreagens ongeveer 20 minuten staan en, indien noodzakelijk, filtreer het mengreagens ter verwijdering van een soms gevormd blauw colloïdaal neerslag. Het blauw colloïdaal neerslag kan hoge blancowaarden geven bij de bepaling.
Los 1,9167 gram KH2PO4(volgens de methode van Sörensen) tot 1 liter op in gedestilleerd water. De concentratie van deze voorraadoplossing is 1 milligram P2O5 per milliliter.
### 5. Opmerkingen
Pipetteer in maatkolven van 200 milliliter: 10, 20, 40, 60, 80 milliliter gebruiksoplossing en vul aan tot 200 milliliter. Deze standaardoplossing bevat per 20 milliliter respectievelijk: 10, 20, 40, 60, 80 microgram P2O5.
## Bijlage M. behorende bij [artikel 130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=130&z=2011-05-18&g=2011-05-18)
@@ -9517,11 +9733,11 @@
Meststoffen worden uitsluitend door middel van een pijpleiding vervoerd:
- a. in het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2012-10-06&g=2012-10-06), bedoelde geval, of
- a. in het in [artikel 59, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=59&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde geval, of
- b. indien dierlijke meststoffen van een bedrijf worden afgevoerd naar een intermediaire onderneming en er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- 1. de pijpleiding en de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2012-10-06&g=2012-10-06) genoemde apparatuur die wordt gebruikt bij het vervoer behoort tot de intermediaire onderneming;
- 1. de pijpleiding en de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2013-01-01&g=2013-01-01) genoemde apparatuur die wordt gebruikt bij het vervoer behoort tot de intermediaire onderneming;
- 2. de pijpleiding wordt uitsluitend gebruikt voor de afvoer van meststoffen van één bedrijf, en
@@ -9531,7 +9747,7 @@
##### Artikel 89a
Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony’s van een bedrijf in de gemeente Vlieland worden afgevoerd naar een ander bedrijf in de gemeente Vlieland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2012-10-06&g=2012-10-06), tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
Indien dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony’s van een bedrijf in de gemeente Vlieland worden afgevoerd naar een ander bedrijf in de gemeente Vlieland, kan de desbetreffende hoeveelheid dierlijke meststoffen, in afwijking van [artikel 68, eerste lid, van het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&artikel=68), worden bepaald op basis van de in [bijlage I](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&bijlage=I&z=2013-01-01&g=2013-01-01), tabel I, voor de desbetreffende mestsoort vermelde forfaitaire stikstofgehalten onderscheidenlijk fosfaatgehalten, onder de volgende voorwaarden:
- a. de hoeveelheid dierlijke meststoffen is afkomstig van de op het bedrijf gehouden, dan wel anderszins aanwezige dieren;
@@ -9543,7 +9759,7 @@
#### § 2. Blokkaderecht
#### § 5. Uitbreiding buiten rechten
#### § 4. Leges
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
@@ -9643,79 +9859,79 @@
### Onderdeel I. Protocol voor bemonstering van een perceel bouwland of grasland
### 2. Voorbehandeling van de grondmonsters
### 2.7. Standaardoplossing.
### 4. Berekening
### 2.7. IJkoplossingen
## Bijlage D. Diergebonden normen
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2011-10-01&g=2011-10-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2011-10-01&g=2011-10-01), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=82&z=2011-10-01&g=2011-10-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
### **C. Prestatiekenmerken verpakkingsapparatuur**
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2011-10-01&g=2011-10-01) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
### **4. Controle en registratie inkomende monsters**
### **7. Rapportage van resultaten**
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
### **B. Berekening twaalf-maandsgemiddelde stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte in zuiveringsslib en compost**
### **1. Algemeen**
### Behorende bij de [artikelen 97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=97&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=100&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [101](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=101&z=2013-01-01&g=2013-01-01)
### **1. Algemeen**
### **4.6. Monsteradministratie**
### **4.6. Monsteradministratie**
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2011-10-01&g=2011-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
### 1. Abstract
### 2.7. Standaardoplossing.
### 1. Abstract
### 2.4. Ascorbinezuuroplossing 1,75%
Verdun 10 milliliter voorraadoplossing tot 1 liter. 10 milliliter van deze gebruiksoplossing bevat 100 microgram P2O5.
### 3. Werkwijze
Verdun 10 milliliter voorraadoplossing tot 1 liter. 10 milliliter van deze gebruiksoplossing bevat 100 microgram P2O5.
Pipetteer in maatkolven van 200 milliliter: 10, 20, 40, 60, 80 milliliter gebruiksoplossing en vul aan tot 200 milliliter. Deze standaardoplossing bevat per 20 milliliter respectievelijk: 10, 20, 40, 60, 80 microgram P2O5.
20 milliliter mengreagens 6) + 20 milliliter standaardoplossingen en meng goed.
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 milliliter:
20 milliliter mengreagens 6) + 20 milliliter standaardoplossingen en meng goed.
### 4. Berekening
### 2.7. IJkoplossingen
## Bijlage D. Diergebonden normen
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2011-10-01&g=2011-10-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2011-10-01&g=2011-10-01), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=82&z=2011-10-01&g=2011-10-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
### **D. Prestatiekenmerken AGR-apparatuur voor het vervoer van drijfmest**
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2011-10-01&g=2011-10-01) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
### **4. Controle en registratie inkomende monsters**
### **7. Rapportage van resultaten**
## Bijlage I. Forfaitaire mineralengehalten in dierlijke mest
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
### **1. Algemeen**
### **I. Protocol vaststelling gehalten vochtrijke voedermiddelen**
### **2. Doel**
### **4.6. Monsteradministratie**
### **4.6. Monsteradministratie**
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2011-10-01&g=2011-10-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### 2.9 Verdunde standaardoplossing
### 1. Abstract
### 2.2. Molybdaatoplossing 4%
### 2.4. Ascorbinezuuroplossing 1,75%
Verdun 10 milliliter voorraadoplossing tot 1 liter. 10 milliliter van deze gebruiksoplossing bevat 100 microgram P2O5.
### 3. Werkwijze
De schudflessen met grond worden gedurende één nacht in een droogstoof gezet bij circa 40°C. Na afkoeling wordt dan 2 milliliter gedestilleerd water toegevoegd en even met de hand geschud om water en grond te mengen. Daarna de flesjes afsluiten en gedurende 22 uren bij een temperatuur van 20°C laten staan. Vervolgens wordt 70 milliliter gedestilleerd water van 20°C toegevoegd en aansluitend gedurende 1 uur geschud bij 20°C met een schudsnelheid van 160–170 slagen per minuut.
De droge, tot een doorsnede van kleiner dan 2 millimeter verkleinde, gezeefde grond wordt geschept met een cilindrisch vaatje met bolvormige bodem, met een inhoud van 1,2 centimeter3. Door drie maal zacht aankloppen wordt de grond in dichte pakking gebracht en vervolgens dient de overmaat afgestreken te worden tot het niveau gelijk is aan de rand van het vaatje. Daarna wordt het afgemeten volume grond kwantitatief overgebracht in een schudfles van 125 centimeter3 inhoud.
Pipetteer in erlenmeyers (of flesjes) van ongeveer 100 milliliter:
20 milliliter mengreagens 6) + 20 milliliter standaardoplossingen en meng goed.
Meet, nadat de oplossing 20 minuten heeft gestaan, de lichtabsorptie van de oplossing in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij golflengte 882 nanometer of bij 720 nanometer.
De bepaling van het fosforgehalte in het waterig extract kan ook uitgevoerd worden door middel van een spectrofotometrische bepaling in een doorstroomanalysesysteem bij toepassing van een identieke molybdeenblauwkleuring
### 4. Berekening
De schudflessen met grond worden gedurende één nacht in een droogstoof gezet bij circa 40°C. Na afkoeling wordt dan 2 milliliter gedestilleerd water toegevoegd en even met de hand geschud om water en grond te mengen. Daarna de flesjes afsluiten en gedurende 22 uren bij een temperatuur van 20°C laten staan. Vervolgens wordt 70 milliliter gedestilleerd water van 20°C toegevoegd en aansluitend gedurende 1 uur geschud bij 20°C met een schudsnelheid van 160–170 slagen per minuut.
Na het schudden wordt gefiltreerd door een dubbelfilter (hard en asvrij). Tussen het schudden en het filtreren een vaste wachttijd (bijvoorbeeld 10 minuten) in acht nemen. De eerste doorlopende milliliters filtraat – in 4 minuten –, die vaak troebel zijn, worden afgevoerd of opnieuw op het filter gebracht. Daarna loopt het filtraat meestal helder door. Zie ook opmerking 5.1.
### 5. Opmerkingen
In erlenmeyers of flesjes van circa 100 milliliter wordt dan 20 milliliter mengreagens (zie 2.6) gepipetteerd en daarna 20 milliliter filtraat. Meng goed en laat 20 minuten staan. Meet de lichtabsorptie van de oplossingen in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij een golflengte van 882 nanometer.
### 5. Opmerkingen
5.1. Filtraten die ondanks de bij het filtreren in acht genomen voorzorgen troebel zijn, worden op de volgende wijze geklaard. Per 50 milliliter filtraat ongeveer 1,5 gram vast natriumchloride (NaCI) toevoegen en laten oplossen. Dan opnieuw filtreren. De nu uitgevlokte colloïdale bestanddelen laten zich gemakkelijk affiltreren. De NaCI-concentratie van ongeveer 0,5N stoort de fosfaatbepaling niet.
## Bijlage M. behorende bij [artikel 130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=130&z=2011-10-01&g=2011-10-01)
@@ -10049,7 +10265,7 @@
##### Artikel 104a
Voor de toepassing van [artikel 26, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=26) geeft het bedrijf waarbinnen de verplaatsing van de varkens-, kippen- of kalkoenhouderij plaatsvindt, van de verplaatsing vooraf kennis aan de Dienst Regelingen en verstrekt de overeenkomstige gegevens bedoeld, in [artikel 104, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=1&artikel=104&z=2012-10-06&g=2012-10-06).
Voor de toepassing van [artikel 26, zevende lid, van de wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&artikel=26) geeft het bedrijf waarbinnen de verplaatsing van de varkens-, kippen- of kalkoenhouderij plaatsvindt, van de verplaatsing vooraf kennis aan de Dienst Regelingen en verstrekt de overeenkomstige gegevens bedoeld, in [artikel 104, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=10¶graaf=1&artikel=104&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
#### § 3. Vervallen van een productierecht
@@ -10152,7 +10368,70 @@
| Artikel [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) | | Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet |
| 64 | | 134 |
## bijlage Aa. , behorende bij [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2012-10-06&g=2012-10-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage
Tabel met de verschillende rechtsgrondslagen in de [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054), de [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) en het [Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031) van de artikelen van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
| Artikel [meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054) | Artikelen [Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031) | Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet |
| --- | --- | --- |
| 1, eerste lid, onderdeel f | | 3 |
| 5d (10 nieuw), eerste lid | | 28 |
| 5f (12 nieuw), derde lid | | 29 |
| 5e (11 nieuw), vijfde lid | | 30 tot en met 33 |
| 5f (12 nieuw), vijfde lid | | 34 |
| 5e (11 nieuw), zesde lid | | 35 |
| | 28, tweede lid, onderdeel b | 36 |
| | 36, onderdeel a | 37 |
| | 36, onderdeel b | 38, 40 |
| | 36, onderdeel c | 39 |
| | 26, tweede lid, onderdeel b | 41 |
| | 36, onderdeel d, 35, tweede lid | 42 |
| 59d (38 nieuw) | 36, onderdeel e | 43, 44 |
| | 41, onderdeel a | 45 |
| | 41, onderdelen b en c | 46, 51 |
| | 41, onderdeel b | 47, 49 |
| | 41, onderdelen d en e | 48 |
| | 46, onderdeel a | 50 |
| | 46, onderdeel d | 52 |
| | 52, eerste lid, onderdelen c en d, 70, vierde lid, onderdeel b | 53 |
| | 52, eerste lid, onderdelen a, c en d | 54 |
| | 52, eerste lid, onderdeel e | 55, 56 |
| | 52, eerste lid, onderdeel a | 57, 59 |
| | 51, 52, eerste lid, onderdeel b | 58 |
| | 52, derde lid | 60 |
| | 54, onderdeel b | 61 tot en met 63, 66 |
| | 54, onderdelen d en e | 64, eerste tot en met derde lid |
| | 54, onderdeel c | 64, vierde lid, 65, 67 |
| | 55, derde lid | 68 |
| | 56, onderdelen b en c | 69 |
| | 61, derde lid, 64, tweede lid, onderdeel c | 70 |
| | 64, eerste lid | 71 |
| | 64, tweede lid, onderdeel b | 72 |
| | 70, eerste lid, onderdeel a en derde lid | 73, 74, eerste lid |
| | 70, vierde lid, onderdeel a | 74, tweede lid, 83, 92, 93, eerste en tweede lid, 94 en 95 |
| | 70, vierde lid, onderdeel c | 74, derde lid, 80 en 125 |
| 59d (38 nieuw) | | 74, vierde en vijfde lid, 75, 82, derde lid, 93, derde lid, en 126 |
| | 70, vierde lid, onderdelen a en c | 76, 77 en 98 |
| | 70, vierde lid, onderdelen a tot en met d | 78, 79 en 82, eerste en tweede lid |
| | 70, vierde lid, onderdelen c tot en met e | 81 |
| | 70, tweede lid, onderdeel b | 84 tot en met 91 |
| | 70, eerste lid, onderdeel c | 96, 102 en 103 |
| | 70, vierde lid, onderdelen a t/m c | 98, 100 en 101, eerste lid |
| | 70, vierde lid, onderdeel e | 99 |
| | 70, eerste lid, onderdeel b | 101, tweede lid |
| | 70, eerste lid, onderdeel c en tweede lid, onderdeel a | 101, derde lid |
| 58f (27 nieuw), derde lid | | 104 |
| 58i (30 nieuw), tweede en derde lid | | 105 t/m 109 |
| 58j (31 nieuw), derde lid | | 110 |
| 60, tweede en derde lid | | 111 |
| | 36, onderdeel d, 41, onderdeel d en 46, onderdeel d | 122, 123 en 127 |
| | 36, onderdelen b en d, 41 onderdelen b en d, 46, onderdelen b en d | 124 |
| | 71 | 128 |
| 69 (47 nieuw) | | 129 |
| Artikel [Wet bodembescherming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003994) | | Artikelen Uitvoeringsregeling Meststoffenwet |
| 64 | | 134 |
## bijlage Aa. , behorende bij [artikel 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=4&z=2013-01-01&g=2013-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
I. Stoffen die als meststof kunnen worden verhandeld
@@ -10202,15 +10481,17 @@
- 23. Reststof die is vrijgekomen bij de fabrieksmatige verwerking van uien en dat uitsluitend bestaat uit het perssap van pulp van vermalen en gekookte uien, dat resteert na het kook- en destillatieproces ten behoeve van de winning van uienolie (uienperssap).
- 24. Reststof die vrijkomt door hydrolyse van schaafsel, snippers, schilfers en vergelijkbaar materiaal resterend bij de bewerking van gelooid leer en bestaat uit een amberkleurige vloeistof met daarin dierlijke aminozuren en peptiden (Vloeistof van aminozuren en peptiden verkregen door hydrolyse van restanten van gelooid leer).
II. Stoffen die als meststof kunnen worden verhandeld
(Categorieën afvalstoffen of reststoffen)
- 1. Reststof die is vrijgekomen bij de chemische reiniging van stallucht van veehouderijbedrijven door het wassen van de stallucht met ammoniak in een verdunde oplossing van zwavelzuur en die bestaat uit een ammoniumsulfaatoplossing in water (spuiwater uit luchtwassers met een chemische wasstap).
- 2. Reststof die is vrijgekomen bij de biologische reiniging van stallucht van veehouderijbedrijven door het wassen van stallucht met water en geleid over materiaal met een ruimtelijke structuur waarop nitrificerende bacteriën ammonium omzetten in nitriet en vervolgens in nitraat en die bestaat uit een zeer sterk verdunde pH-neutrale zwavel- en stikstofhoudende oplossing in water (spuiwater luchtwassers met een biologische wasstap).
- 3. reststof die is vrijgekomen bij de reiniging van stallucht van veehouderijbedrijven door het wassen van stallucht met water (spuiwater uit luchtwassers met een water wasstap).
- 2. vervallen.
- 3. vervallen.
III. Stoffen die bij de productie van meststoffen kunnen worden gebruikt
@@ -10282,97 +10563,84 @@
| 1 | Slib of steekvast slib dat vrijkomt bij de bereiding van drinkwater uit grondwater of oppervlaktewater en dat bestaat uit ijzer(III)hydroxide en water (ijzerwater). |
| **G** | Stoffen waar de in [bijlage II, onder tabel 1, bij het besluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031&bijlage=II) opgenomen maximale waarden voor zware metalen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel en de in bijlage II, onder tabel 4, bij het besluit opgenomen maximale waarden voor organische microverontreinigingen, uitgedrukt in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel voor gelden. |
| **G1** | Plantaardige stoffen en stoffen afkomstig van de verwerking van plantaardige producten |
| 1. | Reststof die verkregen wordt bij de verwerking van aardappelen dat in hoofdzaak uit aardappel Solanum tuberosum. L. en aardappelresten bestaat en vrij is van verpakkingsmateriaal. Dierlijke vetten kunnen aanwezig zijn (aardappelrestanten) |
| 2. | Reststof verkregen bij de verwerking van groenten bestemd voor levensmiddelenproducten en resteert na het snijden, wassen en of blancheren. Dierlijke vetten kunnen aanwezig (groentenrestanten). |
| 3. | Reststof bestaande uit zaad van de zonnebloem Helianthus annuus L. (zonnebloemzaad). |
| 4. | Reststof die vrijkomt bij het winnen van olie door persing uit zaad van zonnebloemen Helianthus annuus L. (zonnebloemzaadschilfers). |
| 5. | Reststof die vrijkomt bij het schillen van zonnebloemzaad Helianthus annuus L. (zonnebloemzaadschillen). |
| 6. | Reststof van de winning van olie door extractie en geschikte hittebehandeling van zonnebloemzaadschilfers Helianthus annuus L. die maximaal 1% bleekaarde bevat (zonnebloemzaad, geextraheerd). |
| 7. | Reststof die vrijkomt bij de winning van olie door extractie en geschikte hittebehandeling van schilfers van zonnebloemzaden Helianthus annuus L. waarvan de doppen gedeeltelijk of volledig zijn verwijderd en die maximaal 1% bleekaarde bevat (zonnebleomzaadschroot, ontdopt). |
| 8. | Reststof die vrijkomt bij het maaien van randen langs akkers en bestaat uit de vegetatieresten met onder andere zonnebloemen Helianthus annuus L. (maaisel van zonnebloemen). |
| 9. | Reststof bestaande uit graankorrels van Tricticum aestivum L., Triticum durum Dosf. en andere gecultiveerde tarwesoorten (tarwe). |
| 10. | Reststof verkregen door het kiemen van brouwtarwe en het schonen van mout, bestaande uit kiemwortels, graankorrels, doppen en kleine gebroken gemoute tarwekorrels (tarwekiemwortels). |
| 11. | Reststof verkregen door gemalen of gebroken tarwe in vochtige, warme omstandigheden onder druk te behandelen en is afgescheiden van voorverstijfselde tarwe (tarwe, voorverstijfseld). |
| 12. | Reststof verkregen door uit geschoonde tarwekorrels of ontdopte spelt bloemt te bereiden en waaruit bloem is verwijderd en dat in hoofdzaak bestaat uit fijne schilddelen en enkele andere delen van de korrel (tarwevoerbloem). |
| 13. | Reststof verkregen bij de productie van tarwevlokken door gepelde tarwe te stomen en te pletten en dat bestaat uit resten tarwedoppen en tarwevlokken (tarwevlokken). |
| 14. | Reststof verkregen bij de productie van bloem of mout uit geschoonde tarwekorrels of ontdopte spelt en dat overwegend bestaat uit deeltjes van de schil en voorts uit korreldeeltjes waaruit minder endosperm is verwijder dan bij tarwegries (tarwevoer). |
| 15. | Reststof verkregen bij de bereiding van bloem of mout uit geschoonde tarwekorrels of ontdopte spelt en waaruit tarwegries is verwijderd dat overwegend bestaat uit resten deeltjes van de schil, stof en endosperm (tarwegries). |
| 16. | Reststof verkregen door een gecombineerd procedé van het mouten en gisten van tarwe en tarwezemelengrint en dat is gedroogd en gemalen (gemoute en gegiste tarwedeeltjes). |
| 17. | Reststof verkregen bij de verwerking van tarwe en die in hoofdzaak bestaat uit vezels (tarwevezel). |
| 18. | Reststof verkregen bij de bereiding van bloem, en dat overwegend bestaat uit al dan niet geplette tarwekiemen, waaraan eventueel nog delen van het endosperm en van de schil hechten (tarwekiemen). |
| 19. | Reststof verkregen door het gisten van tarwekiemen en waarvan de micro-organismen zijn geïnactiveerd (tarwekiemen, gegist). |
| 20 | Reststof van de productie van zetmeel of ethanol uit tarwe en bestaat uit geëxtraheerd tarweeiwit, eventueel gehydrolyseerd (tarwe-eiwit). |
| 21. | Reststof van de productie van tarwezetmeel en gluten en bestaat uit gries waarvan de kiemen eventueel gedeeltelijk zijn verwijderd en waaraan tarwepersspa, gebroken tarwe en andere reststoffen van tarwezetmeel en het raffineren van zetmeelproducten kunnen zijn toegevoegd (tarweglutenvoer). |
| 22. | Reststof verkregen bij de productie van zetmeel/glucose en gluten uit tarwe (tarwezetmeel, vloeibaar). |
| 23. | Reststof verkregen na natte extractie van eiwit en zetmeel dat eventueel gehydrolyseerd is (tarweperssap). |
| 24. | Reststof verkregen na gisting van tarwezetmeel na productie van alcohol (tarweconcentraat). |
| 25. | Reststof verkregen na het schonen van brouwtarwe bestaande uit kleine brouwtarwekorrels en fracties van gebroken brouwtarwekorrels die vóór het brouwprocedé zijn gescheiden (brouwtarwevoermeel). |
| 26. | Reststof die verkregen is door opzuiging zijn verkregen tijdens korreloverdracht (brouwtarwe en moutkorrel). |
| 27. | Reststof verkregen door het schonen van brouwtarwe, en bestaat uit fracties van doppen en korrels (brouwtarwedoppen). |
| 28. | Reststof verkregen uit gekiemde granen, gedroogd, gemalen en/of geëxtraheerd (moutkiemen). |
| 29 | Reststof verkregen door het kiemen van brouwgranen en het schonen van mout, bestaande uit kiemwortels, graankorrels, doppen en kleine gebroken gemoute graankorrels en dat eventueel gemalen is (moutkiemwortels). |
| 30. | Reststof verkregen door de bereiding van maïszetmeel en dat hoofdzakelijk uit gluten bestaat verkregen door afscheiden van het zetmeel (maisgluten) |
| 31. | Reststof verkregen bij de verwerking van groenten bestemd voor levensmiddelenproducten en resteert na het snijden, wassen en of blancheren (groentenresiduen). |
| 32. | Reststof verkregen bij de oogst van bloembollen en bestaat uit restmateriaal van de teelt; dit zijn bollen (inclusief kralen) of knollen die niet goed gegroeid zijn, zieke bollen of knollen, bolhuiden en pelresten (bloembollen). |
| 33. | Reststof verkregen bij het in bloei trekken van bollen en knollen, bloembollenloof en/of bestaat uit halve of hele bollen en niet marktbare bloemtakken (waterbloeitulpen) |
| 34. | Reststof verkregen bij het sorteren van bloembollen en bestaat uit restmateriaal; dit zijn te kleine en/of beschadigde bollen (inclusief kralen) of knollen, bolhuiden en pelresten (afval bij het sorteren van bloembollen). |
| 35. | Reststof verkregen bij de oogst van bloembollen afkomstig van biologische productiemethoden en bestaat uit restmateriaal van de teelt; dit zijn bollen (inclusief kralen) of knollen die niet goed gegroeid zijn, zieke bollen of knollen, bolhuiden en pelresten (biologische bloembollen). |
| 36. | Reststof verkregen bij winning van olie door persing uit het gedroogde, door de zaadhuid bedekte endosperm van het zaad van de kokospalm Cocos Nucifera L. (kokosschilfers). |
| 37. | Reststof verkregen bij winning van olie door persing uit kool- en raapzaad (raapzaadolie). |
| 38. | Reststof verkregen bij winning van olie door persing uit zoveel mogelijk van de steenschaal ontdane zaden van de volgende soorten oliepalm: Elaes guineensis Jacq., Coroza oleifera (HBK), L., H. Baily (Elaeis melanococca auct.) (palmolie) |
| 39. | Reststof verkregen door het malen van voederrijst, bestaande uit de buitenste lagen van de korrel (zaadhuid, zaadvlies, kern, aleuron) met een deel van de kiem (rijstevoermeel). |
| 40. | Reststof verkregen bij de verwerking van onbehandeld hout en in hoofdzaak bestaat uit poeder of schilfers hout (zaagsel). |
| 41. | Reststof verkregen bij winning van olie door persing uit zaad van zonnenbloemen Helianthus annuus L. (zonnebloemolie). |
| 42. | Enkelvoudige concentraten en grondstoffen die bij de VGI of diervoederindustrie wegens non-conformiteiten als niet GMP-waardig werden afgekeurd. |
| 43. | Reststof die vrijgekomen is bij de oogst van tarwe en bestaat uit stof van tarwe, kaf, kafdeeltjes, tarwekorrel, delen van tarwekorrels en stroresten (kaf, stro van kaf en koren). |
| 44. | Resten van granen welke door middel van een zeef ontdaan worden van vreemde bestanddelen (zeefresten graanverwerkende industrie). |
| 45. | Reststof die vrijgekomen is bij de verwerking van suikerbieten of suikerriet en in hoofdzaak bestaat uit suikers die resteren na suikerproductie (melasse). |
| 46. | Reststof die vrijgekomen is bij de verwerking van sojabonen en in hoofdzaak uit suikers bestaat (sojasuiker). |
| 47. | Reststof die vrijgekomen is bij de verwerking van sojabonen en in hoofdzaak uit het extract van onthulde en ontvette sojabonen dat vrijkomt bij de productie van soja-eiwitconcentraten (sojamelasse). |
| 48. | Product bestaande uit het stroopachtige residu, dat verkregen wordt bij het bereiden of het raffineren van de suikerfractie van citrusvruchten (cirtusmelasse). |
| 49. | Reststof verkregen bij de bereiding van inuline uit wortels van Cichorium intybus L., en hoofdzakelijk bestaat uit geschoonde delen cichorei en delen van het loof (staartjes en blad van cichoreiwortelen). |
| 50. | Reststof verkregen bij het schillen van schorseneren Scorzonera hispanica L. en verkregen via een stoombehandeling en in hoofdzaak bestaat uit gestoomde schillen in water waarna eventueel gepureerd is (stoomschillen van schorseneren). |
| 51. | Reststof verkregen bij het ontdoppen van gegiste en vervolgens geroosterde cacaobonen van de vrucht van Theobroma cacao L. en dat in hoofdzaak bestaat uit gebroken doppen (cacaodoppen). |
| 52. | Reststof verkregen van de productie van aardappellen tot frites bestemd voor levensmiddel en bestaat uit gefrituurde aardappelresten (voorgebakken frites). |
| 53. | Reststof verkregen bij de bierbereiding en bestaat uit bier dat niet als een drank voor menselijke consumptie kan worden verkocht (voerbier). |
| 54. | Rest product welke vrijkomt bij het drogen en algemeen malen van complete kruidenplanten of delen daarvan zonder extractie of toevoeging van andere stoffen (kruidenresten). |
| 55. | Reststof die verkregen wordt bij de productie van sap van Malus domestica L. of ciderproductie en hoofdzakelijk bestaat uit geperste inwendige pulp en schillen die eventueel gedroogd zijn en eventueel pectinevrij gemaakt is (appelpulp). |
| 56. | Reststof die verkregen wordt bij het sorteren van groenten bestemd voor levensmiddelen en vrij is van verpakkingsmateriaal. (sorteerafval van groenten). |
| 57. | Reststof die verkregen wordt bij de verwerking van aardappelen en dat in hoofdzaak uit aardappel Solanum tuberosum. L. en aardappelresten bestaat en vrij is van verpakkingsmateriaal (aardappelrestanten). |
| 58. | Reststof die vrijgekomen is bij de verwerking van aardappeleiwit afkomstig van zetmeelaardappelen en dat resteert na wassen en opwerking van het aardappeleiwit tot diervoeder en als slib wordt weggevangen uit afvalwater (slib dat vrijkomt bij de productie van aardappeleiwit). |
| 59. | Reststof verkregen bij de verwerking van groenten bestemd voor levensmiddelenproducten en resteert na het snijden, wassen en of blancheren (groentenrestanten). |
| 60. | Reststof verkregen bij de versnijding van groenten en fruit bestemd voor levensmiddelenproducten en resteert na het het snijden, wassen en of blancheren (snijafval van groenten en fruit). |
| 61. | Reststof die is vrijgekomen bij de productie van alcohol uit vergist beslag van graan nadat de alcohol (ethanol, bioethanol) door destillatie is verwijderd en dat in hoofdzaak bestaat uit de vaste residuen van granen al dan niet gedroogd (graanspoeling, gedroogde graanspoeling) (graanspoeling). |
| 62. | Reststof van de alcoholdistilleerderij, verkregen door het drogen van de vaste residuen van gegiste granen, waaraan een deel van de spelingsiroop of de geëvaporeerde draf is toegevoegd (donker gedroogde spoeling) |
| 63. | Restproduct van de alcoholdistilleerderij verkregen door het drogen van vaste residuen van gegiste granen (gedroogde spoeling). |
| 64. | Restproduct van de alcoholdistilleerderij verkregen door het drogen van vaste residuen van gegiste granen (concentrated distillers solubles). |
| 65. | Reststof verkregen door het evaporeren van het concentraat van de bostel na gisting en distillatie van graan gebruik bij de productie van alcohol uit graan (graanbostelsiroop) |
| 66. | Reststof verkregen als de vaste fractie door het centrifugeren en/of filteren van de bostel uit gegiste en gedistilleerde granen gebruikt bij de productie van alcohol uit granen (graanbostel). |
| 67. | Reststof dat achterblijft in de kolf na de eerste (draf-) distillatie van een moutdistilleerderij (spoeling). |
| 68. | Reststof verkregen na de eerste (draf-)distillatie van een moutdistilleerderij, geproduceerd door het evaporeren van de spoeling die in de kolf achterblijft (spoelingsiroop). |
| 69. | Reststof van de moutwhiskyproductie en dat bestaat uit de residuen van de extractie van gemoute gerst met heet water (draf). |
| 70. | Reststof verkregen door de productie van bier, moutextract en whisky spirit en dat bestaat uit residuen van de extractie van gemalen mout met heet water en eventueel andere suiker- of zetmeelrijke toevoegsels (maischefiltergranen). |
| 71. | Reststof verkregen uit gekiemde granen, gedroogd, gemalen en/of geëxtraheerd (moutkiemen). |
| 72. | Reststof die is vrijgekomen bij het brouwen van bier en bestaat uit uitgetrokken en afgewerkte mout en dat uitsluitend bestaat uit het omhulsel van kaf, vruchtwand of zaadhuid en niet in warm water oplosbare bestanddelen van gerst of tarwe (bierbostel). |
| 73. | Residuen van plantaardige oliën die vrijkomen bij de productie van glycerinen welke niet meer food- of feedwaardig zijn. |
| 74. | Reststof die vrijkomt bij het beheer van wegbermen en bestaat uit de gemaaide vegetatie van grassen en kruiden en vrij is van hout, houtresten en zwerfvuil (bermmaaisel). |
| 75. | Reststof die vrijkomt bij het beheer van slootkanten en bestaat uit de gemaaide vegetatie van grassen en kruiden en vrij is van hout, zwerfvuil en bagger (slootmaaisel). |
| 1. | Reststof die is verkregen bij de verwerking van aardappelen en die in hoofdzaak uit bestaat uit aardappel (Solanum tuberosum. L.) en aardappelresten en die vrij is van verpakkingsmateriaal. (aardappelrestanten). |
| 2. | Reststof die is verkregen bij het snijden, wassen of blancheren van groenten en fruit bestemd voor levensmiddelenproducten (groenten- en fruitrestanten). |
| 3. | Reststof die is verkregen bij de bewerking van zaad van de zonnebloem (Helianthus annuus L.) en die bestaat uit uitgesorteerde zaden (zonnebloemzaden, uitgesorteerd). |
| 4. | Reststof die is verkregen bij het winnen van olie door persing uit zaad van zonnebloemen (Helianthus annuus L.) (zonnebloemzaadschilfers). |
| 5. | Reststof die is verkregen bij het schillen van zonnebloemzaad (Helianthus annuus L.) (zonnebloemzaadschillen). |
| 6. | Reststof die is verkregen bij de winning van olie door extractie en geschikte hittebehandeling van zonnebloemzaadschilfers (Helianthus annuus L.) en die maximaal 1% bleekaarde bevat (zonnebloemzaad, geëxtraheerd). |
| 7. | Reststof die is verkregen bij de winning van olie door extractie en geschikte hittebehandeling van schilfers van zonnebloemzaden (Helianthus annuus L.) waarvan de doppen gedeeltelijk of volledig zijn verwijderd en die maximaal 1% bleekaarde bevat (zonnebloemzaadschroot, ontdopt). |
| 8. | Reststof die is verkregen bij het maaien van randen langs akkers en die bestaat uit vegetatieresten met onder andere zonnebloemen (Helianthus annuus L.) (maaisel van akkerranden met zonnebloemen). |
| 9. | Reststof die is verkregen bij de bewerking van graankorrels van Tricticum aestivum L., Triticum durum Dosf. en andere gecultiveerde tarwesoorten en die bestaat uit uitgesorteerde zaden (tarwe, uitgesorteerd). |
| 10. | Reststof die is verkregen bij het kiemen van brouwtarwe en het schonen van mout en die bestaat uit kiemwortels, graankorrels, doppen en kleine gebroken gemoute tarwekorrels (tarwekiemwortels). |
| 11. | Reststof die is verkregen door gemalen of gebroken tarwe in vochtige, warme omstandigheden onder druk te behandelen en die is afgescheiden van voorverstijfselde tarwe (tarwe, voorverstijfseld). |
| 12. | Reststof die is verkregen door uit geschoonde tarwekorrels of ontdopte spelt bloem te bereiden en waaruit bloem is verwijderd en die in hoofdzaak bestaat uit fijne schilddelen en enkele andere delen van de korrel (tarwevoerbloem). |
| 13. | Reststof die is verkregen bij de productie van tarwevlokken door gepelde tarwe te stomen en te pletten en die bestaat uit resten tarwedoppen en tarwevlokken (tarwevlokken). |
| 14. | Reststof die is verkregen bij de productie van bloem of mout uit geschoonde tarwekorrels of ontdopte spelt en die overwegend bestaat uit deeltjes van de schil en voorts uit korreldeeltjes waaruit minder endosperm is verwijderd dan bij tarwegries (tarwevoer). |
| 15. | Reststof die is verkregen bij de bereiding van bloem of mout uit geschoonde tarwekorrels of ontdopte spelt en waaruit tarwegries is verwijderd en die overwegend bestaat uit resten van de schil, stof en endosperm (tarwegries). |
| 16. | Reststof die is verkregen door een gecombineerd procedé van het mouten en gisten van tarwe en tarwezemelengrind en dat is gedroogd en gemalen (gemoute en gegiste tarwedeeltjes). |
| 17. | Reststof die is verkregen bij de verwerking van tarwe en die in hoofdzaak bestaat uit vezels (tarwevezel). |
| 18. | Reststof die is verkregen bij de bereiding van bloem en die overwegend bestaat uit al dan niet geplette tarwekiemen, waaraan eventueel nog delen van het endosperm en van de schil hechten (tarwekiemen). |
| 19. | Reststof die is verkregen bij het gisten van tarwekiemen en waarvan de micro-organismen zijn geïnactiveerd (tarwekiemen, gegist). |
| 20. | Reststof die is verkregen bij de productie van zetmeel of ethanol uit tarwe en die bestaat uit geëxtraheerd en al dan niet gehydrolyseerd tarweëiwit (tarwe-eiwit). |
| 21. | Reststof die is verkregen bij de productie van tarwezetmeel en gluten en die bestaat uit gries waarvan de kiemen eventueel gedeeltelijk zijn verwijderd en waaraan tarweperssap, gebroken tarwe en andere reststoffen van tarwezetmeel en van het raffineren van zetmeelproducten kunnen zijn toegevoegd (tarweglutenvoer). |
| 22. | Reststof die is verkregen bij de productie van zetmeel/glucose en gluten uit tarwe (tarwezetmeel, vloeibaar). |
| 23. | Reststof die is verkregen bij natte extractie van al dan niet gehydrolyseerd tarwe-eiwit en tarwezetmeel (tarweperssap). |
| 24. | Reststof die is verkregen bij de productie van alcohol uit vergist beslag van graan nadat de alcohol (ethanol, bioethanol) door destillatie is verwijderd en die in hoofdzaak bestaat uit het vloeibare residu van granen (dunne fractie graanspoeling). |
| 25. | Reststof die is verkregen bij het schonen van brouwtarwe, bestaande uit kleine brouwtarwekorrels en fracties van gebroken brouwtarwekorrels die vóór het brouwprocedé zijn gescheiden (brouwtarwevoermeel). |
| 26. | Reststof die tijdens korreloverdracht is verkregen bij het opzuigen van brouwtarwe en tarwemout (brouwtarwe en moutkorrel). |
| 27. | Reststof die is verkregen bij het schonen van brouwtarwe en die bestaat uit fracties van doppen en korrels (brouwtarwedoppen). |
| 28. | Reststof die is verkregen bij het kiemen van brouwgranen en het schonen van mout en die bestaat uit kiemwortels, graankorrels, doppen en kleine gebroken gemoute graankorrels en dat eventueel gemalen is (resten moutproces). |
| 29. | Reststof die is verkregen bij de bereiding van maïszetmeel en die hoofdzakelijk bestaat uit gluten verkregen door afscheiden van het zetmeel (maïsgluten) |
| 30. | Reststof die is verkregen bij de oogst van bloembollen en die bestaat uit restmateriaal van de teelt, in het bijzonder dit zijn bollen (inclusief kralen) of knollen die niet goed gegroeid zijn, zieke bollen of knollen, bolhuiden en pelresten (bloembollen). |
| 31. | Reststof die is verkregen bij het in bloei trekken van bollen en knollen en bloembollenloof en die bestaat uit halve of hele bollen en niet marktbare bloemtakken (waterbloeitulpen) |
| 32. | Reststof die is verkregen bij het sorteren van bloembollen en die bestaat uit restmateriaal, in het bijzonder te kleine en/of beschadigde bollen (inclusief kralen) of knollen, bolhuiden en pelresten (afval bij het sorteren van bloembollen). |
| 33. | Reststof die is verkregen bij de oogst van bloembollen afkomstig van biologische productiemethoden en die bestaat uit restmateriaal van de teelt, in het bijzonder dit zijn bollen (inclusief kralen) of knollen die niet goed gegroeid zijn, zieke bollen of knollen, bolhuiden en pelresten (biologische bloembollen). |
| 34. | Reststof die is verkregen bij winning van olie door persing uit het gedroogde, door de zaadhuid bedekte endosperm van het zaad van de kokospalm (Cocos Nucifera L.) (kokosschilfers). |
| 35. | Reststof die is verkregen bij winning van olie door persing uit kool- en raapzaad (raapzaadolie). |
| 36. | Reststof die is verkregen bij winning van olie door persing uit zoveel mogelijk van de steenschaal ontdane zaden van de volgende soorten oliepalm: (Elaeis guineensis Jacq., Coroza oleifera (HBK), L., H. Bailey (Elaeis melanococca auct.) (palmolie) |
| 37. | Reststof die is verkregen bij het malen van voederrijst en die bestaat uit de buitenste lagen van de korrel (zaadhuid, zaadvlies, kern, aleuron) met een deel van de kiem (rijstevoermeel). |
| 38. | Reststof die is verkregen bij de verwerking van onbehandeld hout en die in hoofdzaak bestaat uit poeder of schilfers van hout (zaagsel). |
| 39. | Reststof die is verkregen bij winning van olie door persing uit zaad van zonnebloemen (Helianthus annuus L.) (zonnebloemolie). |
| 40. | Reststof afkomstig van de voedings-, genotmiddelen- of diervoederindustrie die bestaat uit een enkelvoudig concentraat of een enkelvoudige grondstof die wegens non-conformiteiten niet GMP+-waardig is. |
| 41. | Reststof die is verkregen bij de oogst van tarwe en bestaande uit stof van tarwe, kaf, kafdeeltjes, tarwekorrel, delen van tarwekorrels en stroresten (kaf, stro van kaf en koren). |
| 42. | Reststof die is verkregen bij het schonen van granen door zeven (zeefresten graanverwerkende industrie). |
| 43. | Reststof die is verkregen bij de verwerking van suikerbieten of suikerriet en die in hoofdzaak bestaat uit suikers die resteren na suikerproductie (melasse). |
| 44. | Reststof die is verkregen bij de verwerking van sojabonen en die in hoofdzaak bestaat uit suikers (sojasuiker). |
| 45. | Reststof die is verkregen bij de verwerking van sojabonen en in die hoofdzaak bestaat uit het extract van onthulde en ontvette sojabonen en die vrijkomt bij de productie van soja-eiwitconcentraten (sojamelasse). |
| 46. | Reststof die is verkregen bij het bereiden of het raffineren van de suikerfractie van citrusvruchten en die bestaat uit het stroopachtige residu (citrusmelasse). |
| 47. | Reststof die is verkregen bij de bereiding van inuline uit wortels van cichorei (Cichorium intybus L)., en die hoofdzakelijk bestaat uit geschoonde delen cichorei en delen van het loof (staartjes en blad van cichoreiwortelen). |
| 48. | Reststof die is verkregen bij het schillen van schorseneren (Scorzonera hispanica L.) en die is verkregen via een stoombehandeling en die in hoofdzaak bestaat uit gestoomde schillen in water waarna eventueel gepureerd is (stoomschillen van schorseneren). |
| 49. | Reststof die is verkregen bij het ontdoppen van gegiste en vervolgens geroosterde cacaobonen (Theobroma cacao L.) en die in hoofdzaak bestaat uit gebroken doppen (cacaodoppen). |
| 50. | Reststof die is verkregen bij de productie van aardappelen tot frites bestemd voor levensmiddel en bestaat uit gefrituurde aardappelresten (voorgebakken frites). |
| 51. | Reststof die is verkregen bij de bierbereiding en die bestaat uit bier dat niet voor menselijke consumptie kan worden verkocht (voerbier). |
| 52. | Reststof die is verkregen bij het drogen en malen van complete kruidenplanten of delen daarvan zonder extractie of toevoeging van andere stoffen (kruidenresten). |
| 53. | Reststof die is verkregen bij de productie van sap van appelen (Malus domestica L.) of cider en die in hoofdzaak bestaat uit geperste inwendige pulp en schillen die eventueel gedroogd en pectinevrij gemaakt is (appelpulp). |
| 54. | Reststof die is verkregen bij het sorteren van groenten bestemd voor levensmiddelen en die vrij is van verpakkingsmateriaal. (sorteerafval van groenten). |
| 55. | Reststof die is verkregen bij de verwerking van aardappeleiwit afkomstig van zetmeelaardappelen en die resteert na wassen en opwerken van het aardappeleiwit tot diervoeder en als slib wordt weggevangen uit afvalwater (slib dat vrijkomt bij de productie van aardappeleiwit). |
| 56. | Reststof die is verkregen door het drogen van de vaste resten van gegiste granen, waaraan een deel van de spoelingsiroop of de geëvaporeerde draf is toegevoegd (donker gedroogde spoeling) |
| 57. | Reststof die is verkregen bij het evaporeren van het concentraat van de bostel na gisting en distillatie van graan gebruikt bij de productie van alcohol uit graan (graanbostelsiroop) |
| 58. | Reststof die is verkregen bij de eerste (draf-)distillatie van een moutdistilleerderij (spoeling). |
| 59. | Reststof die is verkregen bij de eerste (draf-)distillatie van een moutdistilleerderij, geproduceerd door het evaporeren van de spoeling die in de kolf achterblijft (spoelingsiroop). |
| 60. | Reststof die is verkregen bij de moutwhiskyproductie en die bestaat uit de resten van de extractie van gemoute gerst met heet water (draf). |
| 61. | Reststof die is verkregen bij de productie van bier, moutextract en whisky spirit en die bestaat uit resten van de extractie van gemalen mout met heet water en eventueel andere suiker- of zetmeelrijke toevoegsels (maischfiltergranen). |
| 62. | Reststof die is vrijgekomen bij het beheer van wegbermen en die bestaat uit de gemaaide vegetatie van grassen en kruiden en vrij is van hout, houtresten en zwerfvuil (bermmaaisel). |
| 63. | Reststof die is vrijgekomen bij het beheer van slootkanten en die bestaat uit de gemaaide vegetatie van grassen en kruiden en vrij is van hout, zwerfvuil en bagger (slootmaaisel). |
| **G2** | Stoffen van dierlijke herkomst al dan niet gecombineerd met stoffen van plantaardige herkomst en stoffen afkomstig van de verwerking van dierlijke producten |
| 1. | Reststof die vrijkomt bij de productie van biodiesel uit dierlijke vetten en oliën en in hoofdzaak bestaat uit glycerine (glycerine). |
| 2. | Reststof die vrijkomt bij de productie van diervoeders bestemd voor gezelschapsdieren en bestaat uit resten van mengsels van voedermiddelen. Dierlijke vetten kunnen aanwezig zijn (petfood). |
| 3. | Reststof die vrijkomt bij de zuivering van afvalwater van een slachterij en bestaat uit dierlijk weefsel en ongeboren mest (slib van slachterij). |
| 4. | Reststof die vrijkomt bij de melkproductie en bestaat uit rauwe melk die door de aanwezigheid van residuen antibiotica niet meer geschikt zijn voor gebruik als levensmiddel (rauwe boerderijmelk met resten antibiotica). |
| 5. | Niet meer GMP+ waardige producten welke afgekeurd zijn wegens non-conformiteiten (voerresten). |
| 6. | Permeaat van bewerking van wei waaruit lactose is verwijderd (weipermeaat). |
| 7. | Reststof die is vrijgekomen bij de bereiding van kaas, kwark of caseïne en hoofdzakelijk bestaat uit melksuiker (lactose), resten eiwit en resten melkvet en mineralen van melk. De reststof kan geconcentreerd of gedroogd zijn (wei, weiconcentraat of gedroogde wei). |
| 1. | Reststof die is vrijgekomen bij de fabrieksmatige winning van biodiesel uit dierlijke vetten en oliën door omestering met methanol en scheiding onder invloed van de zwaartekracht, uitgezonderd categorie 1 (glycerine van dierlijke herkomst). |
| 2. | Reststof die is verkregen bij de productie van diervoeders bestemd voor gezelschapsdieren en die bestaat uit resten van mengsels van voedermiddelen. Materiaal van dierlijke oorsprong kan aanwezig zijn (petfood). |
| 3. | Reststof die is verkregen bij de zuivering van afvalwater van een slachterij en bestaande uit dierlijk weefsel en ongeboren mest (slib van slachterij). |
| 4. | Reststof die is verkregen bij de melkproductie en die bestaat uit rauwe melk die door de aanwezigheid van resten antibiotica niet meer geschikt is voor gebruik als levensmiddel (rauwe boerderijmelk met resten antibiotica). |
| 5. | Reststof die is verkregen bij de productie van diervoeders bestemd voor landbouwhuisdieren en die bestaat uit resten van mengsels van voedermiddelen. Dierlijk materiaal kan aanwezig zijn (voerresten van landbouwhuisdieren). |
| 6. | Reststof die is verkregen bij de verwerking van groenten bestemd voor levensmiddelenproducten en die resteert na het snijden, wassen en of blancheren. Dierlijke vetten kunnen aanwezig zijn (groenterestanten met dierlijk vet). |
| 7. | Reststof die is verkregen bij de verwerking van aardappelen en die in hoofdzaak bestaat uit aardappel (Solanum tuberosum. L.) en aardappelresten en die vrij is van verpakkingsmateriaal. Dierlijke vetten kunnen aanwezig zijn (aardappelrestanten met dierlijk vet) |
| 8. | Reststof die is verkregen bij de productie van aardappelen tot frites bestemd voor levensmiddel en die bestaat uit gefrituurde aardappelresten (voorgebakken frites met dierlijk vet). |
| 9. | Reststof die is verkregen bij de productie van biodiesel (methyl- of ethylesters van vetzuren), verkregen door omestering van oliën en vetten van onbepaalde dierlijke herkomst of een reststof verkregen bij oleochemische verwerking van minerale vetten en oliën van dierlijke herkomst, inclusief omestering, hydrolyse of verzeping (reststoffen biodieselproductie). |
| **G3** | Stoffen afkomstig uit overige bronnen |
| 1. | Slib welke vrijkomt bij het reinigen van de bekkens in de waterzuivering (flotatieslib). |
| 2. | Rest-oliën welke worden ingezameld bij restaurants, hotels, cafetaria’s etc. en welke alleen nog geschikt zijn voor technische toepassing (frituurolie) |
| 3. | Residu van bewerkte ontoliede bleekaarde.Bleekaarde is een fossiele kaolienklei (montmorilloniet) die zeer poreus van structuur is (ontoliede bleekaarde). |
| 4. | Reststof die als mengsel is vrijgekomen bij het fabrieksmatig uitpakken door een daartoe gespecialiseerd bedrijf van uitsluitend verpakte voedingsmiddelen die afkomstig zijn van detailhandel, groothandel of producenten en uitsluitend wegens overschrijding van de houdbaarheidsdatum, verpakkingsfouten of verkeerde bewaring ongeschikt zijn geworden voor humane consumptie. Het mengsel bestaat uit uitgepakte voedingsmiddelen die oorspronkelijk bestemd waren voor humane consumptie en is vrij van verpakkingsmateriaal en reinigingswater (uitgepakte voedingsmiddelen voor humane consumptie). |
| 5. | Reststof die is vrijgekomen bij de productie van brood en banket en die bestaat uit resten brood, koek, banket en deegresten en die zijn uitgevallen bij het productieproces en oorspronkelijk bestemd waren om in voedingsmiddelen te verwerken en niet bestaan uit veegvuil, productievreemde delen, keukenafval en etensresten (bakkerijrestproducten). |
## bijlage Ab. behorende bij de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2012-10-06&g=2012-10-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
| 1. | Restoliën die zijn verkregen bij inzamelen bij restaurants, hotels, cafetaria’s etc. en niet geschikt zijn voor consumptie (frituurolie). |
| 2. | Reststof die is verkregen bij de raffinage van oliën en vetten in de voedings- en genotsmiddelen- en veevoedingsindustrie en die bestaat uit bleekaarde van bentoniet of montmorilloniet (ontoliede bleekaarde). |
## bijlage Ab. behorende bij de [artikelen 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=8&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=9&z=2013-01-01&g=2013-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
| Zware metalen | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel | Maximale waarden in milligrammen per kilogram van het desbetreffende waardegevende bestanddeel |
| --- | --- | --- | --- | --- |
@@ -10425,8 +10693,6 @@
| Minerale olie | 997333 | 997333 | 1246667 | 74800 |
Voor de toepassing van deze tabel zijn de maximale waarden van toepassing die behoren bij dat waardegevende bestanddeel waarvan bij het toedienen van een toenemende hoeveelheid van de meststof, de hoeveelheden van 75 kilogram magnesiumoxide, 75 kilogram zwaveltrioxide of 60 kilogram natriumoxide het éérst wordt bereikt. Voor calsiumsulfaat gelden de vermelde maximale waarden.
## bijlage Ac. , behorende bij de [artikelen 17 tot en met 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2012-10-06&g=2012-10-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **3. Instrumentele analyse Hg**
@@ -10517,229 +10783,94 @@
| 79 | 390,01 | 395 | € 2.170,53 |
| 80 | 395,01 | 400 | € 2.198,18 |
## Bijlage A. Stikstofgebruiksnormen behorende bij de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=2&artikel=28a&z=2012-10-06&g=2012-10-06) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
| grondsoort | kleigrond | kleigrond | zandgrond | zandgrond | lössgrond | lössgrond | veengrond | veengrond |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| jaar | 2010/2011 | 2012/2013 | 2010/2011 | 2012/2013 | 2010/2011 | 2012/2013 | 2010/2011 | 2012/2013 |
| **Gewas** | | | | | | | | |
| **Grasland (kg N per ha per jaar)** | | | | | | | | |
| Grasland met beweiden | 310 | 310 | 250 | 250 | 250 | 250 | 265 | 265 |
| Grasland met volledig maaien1 | 350 | 350 | 320 | 320 | 320 | 320 | 300 | 300 |
| | | | | | | | | |
| **Tijdelijk grasland (kg N per ha per periode)** | | | | | | | | |
| van 1 januari tot minstens 15 april | 60 | 60 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 |
| van 1 januari tot minstens 15 mei | 110 | 110 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 |
| van 1 januari tot minstens 15 augustus | 250 | 250 | 210 | 210 | 210 | 210 | 210 | 210 |
| van 1 januari tot minstens 15 september | 280 | 280 | 235 | 235 | 235 | 235 | 235 | 235 |
| van 1 januari tot minstens 15 oktober | 310 | 310 | 250 | 250 | 250 | 250 | 265 | 265 |
| vanaf 15 april tot minstens 15 oktober | 310 | 310 | 250 | 250 | 250 | 250 | 265 | 265 |
| vanaf 15 mei tot minstens 15 oktober | 280 | 280 | 235 | 235 | 235 | 235 | 235 | 235 |
| vanaf 15 augustus tot minstens 15 oktober | 95 | 95 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 |
| vanaf 15 september tot minstens 15 oktober | 30 | 30 | 25 | 25 | 25 | 25 | 25 | 25 |
| vanaf 15 oktober | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| | | | | | | | | |
| **Akkerbouwgewassen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Consumptieaardappelrassen hoge norm (**zie tabel 2**) | 275 | 275 | 270 | 260 | 265 | 255 | 270 | 270 |
| Consumptieaardappelrassen overig | 250 | 250 | 245 | 235 | 240 | 230 | 245 | 245 |
| Consumptieaardappelrassen lage norm (**zie tabel 2**) | 225 | 225 | 220 | 210 | 215 | 205 | 220 | 220 |
| Consumptieaardappel, vroeg | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 |
| Pootaardappelrassen hoge norm (**zie tabel 3**) | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Pootaardappelrassen overig | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 |
| Pootaardappelrassen lage norm (**zie tabel 3**) | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| Pootaardappelen, uitgroeiteelt | 180 | 180 | 170 | 165 | 170 | 165 | 170 | 170 |
| Zetmeelaardappelen | 240 | 240 | 230 | 230 | 230 | 230 | 230 | 230 |
| Suikerbieten | 150 | 150 | 145 | 145 | 145 | 145 | 145 | 145 |
| Cichorei | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 |
| Voederbieten | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 |
| Wintertarwe | 245 | 245 | 160 | 160 | 195 | 190 | 160 | 160 |
| Zomertarwe | 150 | 150 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Wintergerst | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Zomergerst | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 |
| Triticale | 160 | 160 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 |
| Winterrogge | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Haver | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| Maïs, bedrijven met derogatie | 160 | 160 | 150 | 140 | 150 | 140 | 150 | 150 |
| Maïs, bedrijven zonder derogatie | 185 | 185 | 150 | 140 | 150 | 140 | 150 | 150 |
| Luzerne, eerste jaar | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 |
| Luzerne, volgende jaren | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Graszaad, Engels raaigras, 1e jaars | 165 | 165 | 155 | 150 | 155 | 150 | 155 | 155 |
| Graszaad, Engels raaigras, overjarig | 200 | 200 | 190 | 185 | 190 | 185 | 190 | 190 |
| Graszaad, rietzwenkgras | 140 | 140 | 135 | 130 | 135 | 130 | 135 | 135 |
| Graszaad, rietzwenkgras, volgteelt | 60 | 60 | 55 | 50 | 55 | 50 | 55 | 55 |
| Graszaad, veldbeemd | 110 | 110 | 105 | 100 | 105 | 100 | 105 | 105 |
| Graszaad, veldbeemd, volgteelt | 60 | 60 | 55 | 50 | 55 | 50 | 55 | 55 |
| Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars | 85 | 85 | 80 | 75 | 80 | 75 | 80 | 80 |
| Graszaad, roodzwenkgras, 1e jaars, volgteelt | 35 | 35 | 35 | 35 | 35 | 35 | 35 | 35 |
| Graszaad, roodzwenkgras, overjarig | 115 | 115 | 110 | 105 | 110 | 105 | 110 | 110 |
| Graszaad, roodzwenkgras, overjarig, volgteelt | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 |
| Graszaad, westerwolds | 110 | 110 | 105 | 100 | 105 | 100 | 105 | 105 |
| Graszaad, Italiaans | 130 | 130 | 125 | 120 | 125 | 120 | 125 | 125 |
| Graszaad, overig | 90 | 90 | 85 | 80 | 85 | 80 | 85 | 85 |
| Graszaad, overig, volgteelt | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 |
| Graszoden | 340 | 340 | 340 | 340 | 340 | 340 | 340 | 340 |
| Ui, overig | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 |
| Zaaiui | 170 | 170 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 |
| Winterui, 2e jaars plantui | 170 | 170 | 160 | 155 | 160 | 155 | 160 | 160 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 130 | 130 | 125 | 120 | 125 | 120 | 125 | 125 |
| Blauwmaanzaad | 110 | 110 | 105 | 100 | 105 | 100 | 105 | 105 |
| Karwij | 150 | 150 | 145 | 140 | 145 | 140 | 145 | 145 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 90 | 90 | 85 | 80 | 85 | 80 | 85 | 85 |
| Koolzaad, winter | 205 | 205 | 195 | 190 | 195 | 190 | 195 | 195 |
| waarvan ten hoogste voor 31/12 (winterteelt) | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 | 45 |
| Koolzaad, zomer | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 | 120 |
| Vlas | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 |
| Akkerbouw overig | 200 | 200 | 190 | 185 | 190 | 185 | 190 | 190 |
| | | | | | | | | |
| **Bladgewassen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Spinazie, 1e teelt | 260 | 260 | 200 | 190 | 200 | 190 | 200 | 200 |
| Spinazie, volgteelt | 185 | 185 | 150 | 145 | 150 | 145 | 150 | 150 |
| Slasoorten, 1e teelt | 180 | 180 | 170 | 165 | 170 | 165 | 170 | 170 |
| Slasoorten, volgteelt | 105 | 105 | 105 | 105 | 105 | 105 | 105 | 105 |
| Andijvie, 1e teelt | 180 | 180 | 170 | 170 | 170 | 170 | 170 | 170 |
| Andijvie, volgteelt | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 |
| Selderij, bleek/groen | 200 | 200 | 190 | 185 | 190 | 185 | 190 | 190 |
| Prei | 245 | 245 | 235 | 225 | 235 | 225 | 235 | 235 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 100 | 100 | 95 | 90 | 95 | 90 | 95 | 95 |
| Bladgewassen, overig, eenmalige oogst | 150 | 150 | 145 | 140 | 145 | 140 | 145 | 145 |
| Bladgewassen, overig, meermalige oogst | 275 | 275 | 260 | 250 | 260 | 250 | 260 | 260 |
| | | | | | | | | |
| **Koolgewassen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Spruitkool | 290 | 290 | 275 | 265 | 275 | 265 | 275 | 275 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 |
| Witte kool | 320 | 320 | 305 | 290 | 305 | 290 | 305 | 305 |
| Rode kool | 285 | 285 | 270 | 260 | 270 | 260 | 270 | 270 |
| Savooiekool | 285 | 285 | 270 | 260 | 270 | 260 | 270 | 270 |
| Spitskool | 285 | 285 | 270 | 260 | 270 | 260 | 270 | 270 |
| Bloemkool | 230 | 230 | 220 | 210 | 220 | 210 | 220 | 220 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 120 | 120 | 115 | 110 | 115 | 110 | 115 | 115 |
| Broccoli | 270 | 270 | 245 | 235 | 245 | 235 | 245 | 245 |
| Chinese kool | 180 | 180 | 160 | 155 | 160 | 155 | 160 | 160 |
| Boerenkool | 170 | 170 | 160 | 155 | 160 | 155 | 160 | 160 |
| Paksoi | 180 | 180 | 170 | 165 | 170 | 165 | 170 | 170 |
| Raapstelen | 140 | 140 | 135 | 130 | 135 | 130 | 135 | 135 |
| | | | | | | | | |
| **Kruiden (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Kruiden, bladgewas, eenmalige oogst | 150 | 150 | 145 | 140 | 145 | 140 | 145 | 145 |
| Kruiden, bladgewas, meermalig oogsten | 275 | 275 | 260 | 250 | 260 | 250 | 260 | 260 |
| Kruiden, wortelgewassen | 200 | 200 | 190 | 185 | 190 | 185 | 190 | 190 |
| Kruiden, zaadgewassen | 100 | 100 | 95 | 90 | 95 | 90 | 95 | 95 |
| | | | | | | | | |
| **Vruchtgewassen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Aardbei (wachtbed, vermeerdering) | 120 | 120 | 115 | 110 | 115 | 110 | 115 | 115 |
| Aardbei (productie) | 170 | 170 | 160 | 155 | 160 | 155 | 160 | 160 |
| waarvan ten hoogste na 31/12 (winterteelt) | 80 | 80 | 75 | 70 | 75 | 70 | 75 | 75 |
| Komkommerachtigen (augurk, courgette, meloen, pompoen) | 190 | 190 | 180 | 175 | 180 | 175 | 180 | 180 |
| Komkommerachtigen (augurk, courgette, meloen, pompoen) | 190 | 190 | 180 | 175 | | | 180 | 180 |
| Suikermaïs | 200 | 200 | 190 | 185 | 190 | 185 | 190 | 190 |
| Stam/stokboon, vers | 120 | 120 | 115 | 110 | 115 | 110 | 115 | 115 |
| Landbouwstambonen, rijp zaad | 135 | 135 | 135 | 135 | 135 | 135 | 135 | 135 |
| Veld- en tuinbonen, vers + rijp zaad | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 |
| Tuinbonen, vers/peulen | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 |
| Erwt, vers + rijp zaad | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 |
| Peul | 90 | 90 | 85 | 85 | 85 | 85 | 85 | 85 |
| | | | | | | | | |
| **Stengel/knol/wortelgewassen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Asperge (excl. opkweek) | 85 | 85 | 80 | 75 | 80 | 75 | 80 | 80 |
| Knolselderij | 200 | 200 | 190 | 185 | 190 | 185 | 190 | 190 |
| Knolvenkel/venkel | 180 | 180 | 170 | 165 | 170 | 165 | 170 | 170 |
| Koolraap | 170 | 170 | 160 | 155 | 160 | 155 | 160 | 160 |
| Koolrabi | 180 | 180 | 170 | 165 | 170 | 165 | 170 | 170 |
| Kroten/rode bieten | 185 | 185 | 175 | 170 | 175 | 170 | 175 | 175 |
| Winterpeen/waspeen | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 |
| Bospeen | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 |
| Rabarber | 250 | 250 | 240 | 230 | 240 | 230 | 240 | 240 |
| Radijs | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 |
| Schorseneer | 170 | 170 | 170 | 170 | 170 | 170 | 170 | 170 |
| Witlof | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| Vollegrondsgroenten, overig | 200 | 200 | 190 | 185 | 190 | 185 | 190 | 190 |
| | | | | | | | | |
| **Groenbemesters (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Niet-vlinderbloemige groenbemesters (bladrammenas, gele mosterd, gras/granen) | 60 | 60 | 50 | 50 | 50 | 50 | 60 | 60 |
| Vlinderbloemige groenbemesters (wikke) | 30 | 30 | 25 | 25 | 25 | 25 | 30 | 30 |
| Tagetes | 90 | 90 | 80 | 80 | 80 | 80 | 90 | 90 |
| | | | | | | | | |
| **Bloembollengewassen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Acidanthera | 255 | 255 | 240 | 240 | 240 | 240 | 240 | 240 |
| Anemone coronaria | 130 | 130 | 125 | 125 | 125 | 125 | 125 | 125 |
| Fritillaria imperialis | 135 | 135 | 130 | 130 | 130 | 130 | 130 | 130 |
| Hyacint | 220 | 220 | 210 | 210 | 210 | 210 | 210 | 210 |
| Iris, grofbollig | 170 | 170 | 160 | 160 | 160 | 160 | 160 | 160 |
| Iris, fijnbollig | 140 | 140 | 135 | 135 | 135 | 135 | 135 | 135 |
| Krokus, grote gele | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 |
| Krokus, overig | 90 | 90 | 85 | 85 | 85 | 85 | 85 | 85 |
| Narcis | 145 | 145 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Tulp | 200 | 200 | 190 | 190 | 190 | 190 | 190 | 190 |
| Dahlia | 110 | 110 | 105 | 105 | 105 | 105 | 105 | 105 |
| Gladiool, pitten | 260 | 260 | 245 | 245 | 245 | 245 | 245 | 245 |
| Gladiool, kralen | 190 | 190 | 180 | 180 | 180 | 180 | 180 | 180 |
| Knolbegonia | 150 | 150 | 145 | 145 | 145 | 145 | 145 | 145 |
| Lelie | 155 | 155 | 145 | 145 | 145 | 145 | 145 | 145 |
| Zantedeschia | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 |
| Overige bolgewassen | 165 | 165 | 155 | 155 | 155 | 155 | 155 | 155 |
| | | | | | | | | |
| **Fruitteeltgewassen (kg N per ha per jaar)** | | | | | | | | |
| Appel | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 |
| Blauwe bes | 100 | 100 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 |
| Braam | 150 | 150 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Framboos | 150 | 150 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Kers | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 |
| Peer | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 |
| Pruim | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 |
| Rode bes | 150 | 150 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 | 140 |
| Wijnbouw | 100 | 100 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 |
| Zwarte bes | 175 | 175 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 | 165 |
| | | | | | | | | |
| **Buitenbloemen (kg N per ha per teelt)** | | | | | | | | |
| Buitenbloemen hoge norm (**zie tabel 4**) | 200 | 200 | 200 | 200 | 200 | 200 | 200 | 200 |
| Buitenbloemen overig | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 |
| | | | | | | | | |
| **Boomkwekerijgewassen (kg N per ha per jaar)** | | | | | | | | |
| Laanbomen: onderstammen | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 | 40 |
| Laanbomen: spillen | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 |
| Laanbomen: opzetters | 115 | 115 | 115 | 115 | 115 | 115 | 115 | 115 |
| Sierheesters | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 | 75 |
| Coniferen (inclusief kerstsparren en dennen) | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 |
| Rozen (incl. zaailingen, onderstammen) | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 |
| Bos- en Haagplantsoen | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 |
| Vaste planten | 175 | 175 | 175 | 175 | 175 | 175 | 175 | 175 |
| Vruchtbomen: onderstammen | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 |
| Vruchtbomen: moerbomen | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 | 110 |
| Vruchtbomen | 135 | 135 | 105 | 105 | 105 | 105 | 105 | 105 |
| Trek- en besheesters | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 |
| Snijgroen | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 |
| Ericaceae | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 | 70 |
| Buxus | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 | 95 |
| | | | | | | | | |
| **Bosbouw (kg N per ha per jaar)** | | | | | | | | |
| Snelgroeiende houtsoorten voor biomassaproductie | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 | 90 |
1 Onder ‘grasland met volledig maaien’ wordt mede verstaan grasland waar uitsluitend jongvee van runderen niet ouder dan 2 jaar wordt geweid, voor zover het aantal stuks jongvee in de wei niet groter is dan het aantal op het bedrijf gehouden ouderdieren of waar hobbymatig gehouden dieren worden geweid.
| Consumptieaardappelrassen met een hoge stikstofnorm | Consumptieaardappelrassen met een lage stikstofnorm |
| --- | --- |
| Adora Annabelle Bintje Carlita Courage Draga Felsina Fontane Innovator Inova Jaerla Lady Blanca Lady Olympia Lady Rosetta Liseta Maritiema Marlen Miranda Ramos Redstar Sante Satellite Victoria VR 808 Zorba | Agria Allure Alpha Aprilia Asterix Aziza Ballys Baraka Bartina Caesar Dore Eigenheimer El Paso Futura Gloria Irene Maradonna Markies Milva Minerva Mondial Morene Mozart Producent Remarka Rodeo Safari Saphire Simply Red Spirit Terra Gold Ukama Vision |
| Pootaardappelrassen met een hoge stikstofnorm | Pootaardappelrassen met een lage stikstofnorm |
| --- | --- |
| Adora Agata Annabelle Arinda Berber Binella Climax Donald Elisabeth Fontane Gloria Inova Jaerla Junior Lady Rosetta Lady Olympia Leyla Linzer Delikatess Miriam Orinana Premiere Primura Prior Rikea Romano Satellite Sirco Sirtema Sofia (AR 93-272) Tresor Ukama | Arcade Astarte Asterix Baraka Bartina Diamant Dolce Vita Elles Elvira Everest Florijn Kardal Karnico Maradonna Mondial Morene Mozart Picasso Remarka Resonant Rodeo Saphire Sifra Simply Red Spirit Van Gogh Vebesta Vento Voyager |
| Alchemilla mollis |
| --- |
| Carthamus |
| Gypsophila paniculata |
| Lymonium |
| Lysimachia |
| Paeonia |
| Solidago |
| Veronica |
| Accord Agria Amora Anosta Arcade Asterix Bintje Challenger Daisy Dolce Vita Donald Fianna Felsina Florida | Fresco Fontane Frieslander Innovator Kennebec Lady Amarilla Lady Blanca Lady Olympia Marijke Maritiema Markies Miranda Miriam Premiere | Ramos Remarka Russet Burbank Sagitta Santana Shepody Spirit Sinora Ukama Umatilla Russet Van Gogh Victoria Zorba |
| --- | --- | --- |
## Bijlage Ad. , behorende bij [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=1&artikel=25&z=2013-01-01&g=2013-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
| Klasse | Oppervlakte (in hectare) | Oppervlakte (in hectare) | Tarief |
| --- | --- | --- | --- |
| 1 | 0 | 5 | € 13,83 |
| 2 | 5,01 | 10 | € 41,48 |
| 3 | 10,01 | 15 | € 69,13 |
| 4 | 15,01 | 20 | € 96,78 |
| 5 | 20,01 | 25 | € 124,43 |
| 6 | 25,01 | 30 | € 152,08 |
| 7 | 30,01 | 35 | € 179,73 |
| 8 | 35,01 | 40 | € 207,38 |
| 9 | 40,01 | 45 | € 235,03 |
| 10 | 45,01 | 50 | € 262,68 |
| 11 | 50,01 | 55 | € 290,33 |
| 12 | 55,01 | 60 | € 317,98 |
| 13 | 60,01 | 65 | € 345,63 |
| 14 | 65,01 | 70 | € 373,28 |
| 15 | 70,01 | 75 | € 400,93 |
| 16 | 75,01 | 80 | € 428,58 |
| 17 | 80,01 | 85 | € 456,23 |
| 18 | 85,01 | 90 | € 483,88 |
| 19 | 90,01 | 95 | € 511,53 |
| 20 | 95,01 | 100 | € 539,18 |
| 21 | 100,01 | 105 | € 566,83 |
| 22 | 105,01 | 110 | € 594,48 |
| 23 | 110,01 | 115 | € 622,13 |
| 24 | 115,01 | 120 | € 649,78 |
| 25 | 120,01 | 125 | € 677,43 |
| 26 | 125,01 | 130 | € 705,08 |
| 27 | 130,01 | 135 | € 732,73 |
| 28 | 135,01 | 140 | € 760,38 |
| 29 | 140,01 | 145 | € 788,03 |
| 30 | 145,01 | 150 | € 815,68 |
| 31 | 150,01 | 155 | € 843,33 |
| 32 | 155,01 | 160 | € 870,98 |
| 33 | 160,01 | 165 | € 898,63 |
| 34 | 165,01 | 170 | € 926,28 |
| 35 | 170,01 | 175 | € 953,93 |
| 36 | 175,01 | 180 | € 981,58 |
| 37 | 180,01 | 185 | € 1.009,23 |
| 38 | 185,01 | 190 | € 1.036,88 |
| 39 | 190,01 | 195 | € 1.064,53 |
| 40 | 195,01 | 200 | € 1.092,18 |
| 41 | 200,01 | 205 | € 1.119,83 |
| 42 | 205,01 | 210 | € 1.147,48 |
| 43 | 210,01 | 215 | € 1.175,13 |
| 44 | 215,01 | 220 | € 1.202,78 |
| 45 | 220,01 | 225 | € 1.230,43 |
| 46 | 225,01 | 230 | € 1.258,08 |
| 47 | 230,01 | 235 | € 1.285,73 |
| 48 | 235,01 | 240 | € 1.313,38 |
| 49 | 240,01 | 245 | € 1.341,03 |
| 50 | 245,01 | 250 | € 1.368,68 |
| 51 | 250,01 | 255 | € 1.396,33 |
| 52 | 255,01 | 260 | € 1.423,98 |
| 53 | 260,01 | 265 | € 1.451,63 |
| 54 | 265,01 | 270 | € 1.479,28 |
| 55 | 270,01 | 275 | € 1.506,93 |
| 56 | 275,01 | 280 | € 1.534,58 |
| 57 | 280,01 | 285 | € 1.562,23 |
| 58 | 285,01 | 290 | € 1.589,88 |
| 59 | 290,01 | 295 | € 1.617,53 |
| 60 | 295,01 | 300 | € 1.645,18 |
| 61 | 300,01 | 305 | € 1.672,83 |
| 62 | 305,01 | 310 | € 1.700,48 |
| 63 | 310,01 | 315 | € 1.728,13 |
| 64 | 315,01 | 320 | € 1.755,78 |
| 65 | 320,01 | 325 | € 1.783,43 |
| 66 | 325,01 | 330 | € 1.811,08 |
| 67 | 330,01 | 335 | € 1.838,73 |
| 68 | 335,01 | 340 | € 1.866,38 |
| 69 | 340,01 | 345 | € 1.894,03 |
| 70 | 345,01 | 350 | € 1.921,68 |
| 71 | 350,01 | 355 | € 1.949,33 |
| 72 | 355,01 | 360 | € 1.976,98 |
| 73 | 360,01 | 365 | € 2.004,63 |
| 74 | 365,01 | 370 | € 2.032,28 |
| 75 | 370,01 | 375 | € 2.059,93 |
| 76 | 375,01 | 380 | € 2.087,58 |
| 77 | 380,01 | 385 | € 2.115,23 |
| 78 | 385,01 | 390 | € 2.142,88 |
| 79 | 390,01 | 395 | € 2.170,53 |
| 80 | 395,01 | 400 | € 2.198,18 |
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2012-10-06&g=2012-10-06), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=82&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2012-10-06&g=2012-10-06)
### **6. Versturen van mesttransportgegevens**
### **5. Opslag van gegevens van de AGR-apparatuur**
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2012-10-06&g=2012-10-06) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2012-10-06&g=2012-10-06)
@@ -10751,7 +10882,7 @@
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2012-10-06&g=2012-10-06)
## Bijlage J. Forfaitaire opbrengst en mineralengehalten ruwvoer en enkelvoudig diervoer
### **1. Algemeen**
@@ -10763,12 +10894,12 @@
### 2. Benodigde reagentia
### 2.2. Molybdaatoplossing 4%
### 2.1. Zwavelzuur 5N
### 2.3. Zwavelzure molybdaatoplossing
### 2.4. Ascorbinezuuroplossing 1,75%
### 2.5. Kaliumantimonyltartraatoplossing 0,275%
### 2.6. Mengreagens
### 2.7. IJkoplossingen
@@ -10777,21 +10908,21 @@
### 3. Werkwijze
De droge, tot een doorsnede van kleiner dan 2 millimeter verkleinde, gezeefde grond wordt geschept met een cilindrisch vaatje met bolvormige bodem, met een inhoud van 1,2 centimeter3. Door drie maal zacht aankloppen wordt de grond in dichte pakking gebracht en vervolgens dient de overmaat afgestreken te worden tot het niveau gelijk is aan de rand van het vaatje. Daarna wordt het afgemeten volume grond kwantitatief overgebracht in een schudfles van 125 centimeter3 inhoud.
Meet, nadat de oplossing 20 minuten heeft gestaan, de lichtabsorptie van de oplossing in een cuvet met 10 millimeter lichtweg in een spectrofotometer of colorimeter bij golflengte 882 nanometer of bij 720 nanometer.
Na het schudden wordt gefiltreerd door een dubbelfilter (hard en asvrij). Tussen het schudden en het filtreren een vaste wachttijd (bijvoorbeeld 10 minuten) in acht nemen. De eerste doorlopende milliliters filtraat – in 4 minuten –, die vaak troebel zijn, worden afgevoerd of opnieuw op het filter gebracht. Daarna loopt het filtraat meestal helder door. Zie ook opmerking 5.1.
### 4. Berekening
De bepaling van het fosforgehalte in het waterig extract kan ook uitgevoerd worden door middel van een spectrofotometrische bepaling in een doorstroomanalysesysteem bij toepassing van een identieke molybdeenblauwkleuring
### 4. Berekening
(Ea – Eb) x F x 3 = aantal microgram P2O5/centimeter3 grond = aantal milligram P2O5/liter grond.
De uitkomst van de bepaling, het Pw-getal bij volumeverhouding 1:60 wordt uitgedrukt in microgram P2O5 in het filtraat per 1 centimeter3 grond
(Ea – Eb) x F x 3 = aantal microgram P2O5/centimeter3 grond = aantal milligram P2O5/liter grond.
### 5. Opmerkingen
Hierin is:
### 5. Opmerkingen
5.1. Filtraten die ondanks de bij het filtreren in acht genomen voorzorgen troebel zijn, worden op de volgende wijze geklaard. Per 50 milliliter filtraat ongeveer 1,5 gram vast natriumchloride (NaCI) toevoegen en laten oplossen. Dan opnieuw filtreren. De nu uitgevlokte colloïdale bestanddelen laten zich gemakkelijk affiltreren. De NaCI-concentratie van ongeveer 0,5N stoort de fosfaatbepaling niet.
## Bijlage M. behorende bij [artikel 130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=130&z=2012-10-06&g=2012-10-06)
@@ -11122,3 +11253,403 @@
| | Art. 32, 39 en 44 | Art. 124 lid 3 | Wijzigen van (oorspronkelijke) gegevens in de administratie | M606 | € 300 |
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 59c
Vaste meststoffen kunnen door middel van een transportband worden vervoerd indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- a. de transportband is zodanig ingericht dat vervuiling van de getransporteerde mest uitgesloten is;
- b. de transportband heeft een vaste standplaats;
- c. de transportband en de in [artikel 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2013-01-01&g=2013-01-01) genoemde apparatuur die wordt gebruikt bij het vervoer behoort tot de intermediaire onderneming;
- d. de transportband wordt uitsluitend gebruikt voor de afvoer van meststoffen van één bedrijf, en
- e. de grootte van een vracht wordt vooraf aan het vervoer bepaald en is ten hoogste één lading van 36 ton en wordt binnen 24 uur vervoerd.
### Hoofdstuk 9. Hoeveelheidbepaling
### Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht en de verplaatsing van een varkens-, kippen- of kalkoenhouderij binnen een bedrijf
#### § 2. Blokkaderecht
#### § 4a. Versoepeling compartimentering bij mestverwerking of mestvergisting
#### § 5. Uitbreiding buiten rechten
### Hoofdstuk 11. Overige bepalingen
## bijlage Ac. , behorende bij de [artikelen 17 tot en met 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=2&artikel=17&z=2013-01-01&g=2013-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### **VI. protocol analyse organische microverontreinigingen**
## Bijlage C. behorende bij de [artikelen 30 tot en met 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=3¶graaf=3&artikel=30&z=2013-01-01&g=2013-01-01)
### Oplossing II.
### 2.8 Verdunde standaardoplossing.
### 3.1. Bereiding van het extract
## Bijlage E. behorende bij de [artikelen 53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=1&artikel=53&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=78&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [82](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=82&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [79](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=79&z=2013-01-01&g=2013-01-01)
## bijlage G. , behorende bij de [artikelen 68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=68&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=8¶graaf=3&artikel=69&z=2013-01-01&g=2013-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage H. behorende bij de [artikelen 80](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=80&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=2&artikel=81&z=2013-01-01&g=2013-01-01)
### **5. Technische beschrijving van verrichtingen**
### **7. Rapportage van resultaten**
## bijlage Ia. behorende bij [artikel 92b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=3&artikel=92b&z=2013-01-01&g=2013-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
## Bijlage K. behorende bij [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=6&artikel=98&z=2013-01-01&g=2013-01-01)
### **4.1. Algemeen**
## Bijlage L. behorende bij [artikel 103a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=9¶graaf=8&artikel=103a&z=2013-01-01&g=2013-01-01) van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
### 5. Opmerkingen
### 2.8. Vaststellen van de ijklijn:
### 3. Werkwijze
### 4. Berekening
(Ea – Eb) x F x 3 = aantal microgram P2O5/centimeter3 grond = aantal milligram P2O5/liter grond.
### 5. Opmerkingen
5.1. Filtraten die ondanks de bij het filtreren in acht genomen voorzorgen troebel zijn, worden op de volgende wijze geklaard. Per 50 milliliter filtraat ongeveer 1,5 gram vast natriumchloride (NaCI) toevoegen en laten oplossen. Dan opnieuw filtreren. De nu uitgevlokte colloïdale bestanddelen laten zich gemakkelijk affiltreren. De NaCI-concentratie van ongeveer 0,5N stoort de fosfaatbepaling niet.
## Bijlage M. behorende bij [artikel 130](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989&hoofdstuk=11&artikel=130&z=2013-01-01&g=2013-01-01)
| Wettelijke bepaling | Wettelijke bepaling | Wettelijke bepaling | Wettelijke bepaling | Wettelijke bepaling | Wettelijke bepaling |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| [Meststoffenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054) (Mw) | [Uitvoeringsbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019031) (UB) | [Uitvoeringsregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018989) (UR) | Omschrijving regelovertreding | Feitcode | Hoogte bestuurlijke boete |
| Administratieve verplichtingen landbouwers | Administratieve verplichtingen landbouwers | Administratieve verplichtingen landbouwers | Administratieve verplichtingen landbouwers | Administratieve verplichtingen landbouwers | Administratieve verplichtingen landbouwers |
| | | | | | |
| Art. 34 en 35 | Art. 26 lid 1 en 2 | Art. 3, art. 124 lid 1 | Niet verstrekken van gegevens over oppervlakte, gewasteelt en ligging van percelen op de verzamelaanvraag door de landbouwer | M100 | € 300 |
| | | | Niet tijdig verstrekken van gegevens over oppervlakte, gewasteelt en ligging van percelen op de verzamelaanvraag (opgave uiterlijk vóór 15 mei) door de landbouwer | M101 | € 100 |
| | | | Niet volledig verstrekken van gegevens over oppervlakte, gewasteelt en ligging van percelen op verzamelaanvraag door de landbouwer | M102 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid verstrekken van gegevens over oppervlakte, gewasteelt en ligging van percelen op de verzamelaanvraag door de landbouwer | M103 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 26 lid 2 | Art. 41 | Niet melden van een wijziging in de oppervlakte grond in de periode van 16 mei t/m 31 oktober door de landbouwer | M104 | € 300 |
| | | | Niet binnen 30 dagen melden van een wijziging in de oppervlakte grond door de landbouwer | M105 | € 100 |
| | | | Niet volledig melden van een wijziging in de oppervlakte grond door de landbouwer | M106 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid melden van een wijziging in de oppervlakte grond door de landbouwer | M107 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 31 lid 1 en lid 2 onderdeel a t/m f, art. 36 onderdeel a | Art. 37 lid 1 t/m 4, art. 124 lid 1 | Niet aanmelden van een bedrijf ter registratie door de landbouwer | M108 | € 300 |
| | | | Niet binnen 30 dagen aanmelden van een bestaand of nieuw bedrijf ter registratie door de landbouwer, dan wel niet binnen 30 dagen doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M109 | € 100 |
| | | | Niet volledig aanmelden van een bedrijf ter registratie door de landbouwer, dan wel niet volledig doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M110 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid aanmelden van een bedrijf ter registratie door de landbouwer, dan wel het niet of niet naar waarheid doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M111 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 32 lid 1 en 2, art. 33, art. 34, art. 36 onderdeel b en c | Art. 38, 39 | Niet bijhouden van een inzichtelijke administratie per bedrijf door de landbouwer (incl. wijzigingen in de administratie) | M116 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 34 lid 1, art. 36 onderdeel b, art. 69 | Art. 40, art. 124 lid 1 | Niet tijdig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de landbouwer (incl. wijzigingen in de administratie) | M117 | € 100 |
| | | | Niet volledig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de landbouwer (incl. wijzigingen in de administratie) | M118 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid bijhouden van een inzichtelijke administratie door de landbouwer (incl. wijzigingen in de administratie) | M119 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 35 lid 1 en 2, art. 36 onderdeel d | Art. 42, art. 124 lid 1 | Niet verstrekken van de gevraagde gegevens door de landbouwer | M120 | € 300 |
| | | | Niet verstrekken van de gevraagde gegevens vóór de gestelde uiterlijke inzenddatum of binnen de daartoe gestelde termijn door de landbouwer | M121 | € 100 |
| | | | Niet volledig verstrekken van de gevraagde gegevens door de landbouwer | M122 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid verstrekken van de gevraagde gegevens door de landbouwer | M123 | € 300 |
| | | | | | |
| Administratieve verplichtingen intermediairs | Administratieve verplichtingen intermediairs | Administratieve verplichtingen intermediairs | Administratieve verplichtingen intermediairs | Administratieve verplichtingen intermediairs | Administratieve verplichtingen intermediairs |
| | | | | | |
| Art. 34 en 35 | Art. 38 lid 1 en lid 2 onderdeel a t/m i, art. 41 onderdeel a | Art. 45 lid 1 t/m 6, art. 124 lid 1 | Niet aanmelden van een intermediaire onderneming ter registratie door de intermediair | M150 | € 300 |
| | | | Niet binnen 30 dagen aanmelden van een na 1 januari 2006 opgerichte intermediaire onderneming ter registratie door de intermediair, dan wel niet binnen 30 dagen doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M151 | € 100 |
| | | | Niet volledig aanmelden van een intermediaire onderneming ter registratie door de intermediair, dan wel niet volledig doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M152 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid aanmelden van een intermediaire onderneming ter registratie door de intermediair, dan wel het niet of niet naar waarheid doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M153 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 39, art. 41 onderdeel b en c, art. 34 lid 1 | Art. 2, art. 46, art. 47, art. 94 lid 3, art. 95 lid 3, art. 124 lid 1 | Niet bijhouden van een inzichtelijke administratie per onderneming door de intermediair, waaronder een administratie (H1-staat, formulier Dienst Regelingen) voor de hoeveelheden meststoffen die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en uit die opslagruimte zijn afgevoerd (incl. wijzigingen in de administratie) | M158 | € 300 |
| | | | Niet tijdig bijhouden van een inzichtelijke administratie per onderneming door de intermediair, waaronder een administratie (H1-staat, formulier Dienst Regelingen) voor de hoeveelheden meststoffen die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en uit die opslagruimte zijn afgevoerd (incl. wijzigingen in de administratie) | M159 | € 100 |
| | | | Niet volledig bijhouden van een inzichtelijke administratie per onderneming door de intermediair, waaronder een administratie (H1-staat, formulier Dienst Regelingen) voor de hoeveelheden meststoffen die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en uit die opslagruimte zijn afgevoerd (incl. wijzigingen in de administratie) | M160 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid bijhouden van een inzichtelijke administratie per onderneming door de intermediair, waaronder een administratie (H1-staat, formulier Dienst Regelingen) voor de hoeveelheden meststoffen die in iedere afzonderlijke opslagruimte zijn aangevoerd en uit die opslagruimte zijn afgevoerd (incl. wijzigingen in de administratie) | M161 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 40, art. 41 onderdeel d | Art. 48, art. 124 lid 1 | Niet verstrekken van de gevraagde gegevens door de intermediair | M162 | € 300 |
| | | | Niet verstrekken van de gevraagde gegevens vóór de gestelde uiterlijke inzenddatum of binnen de daartoe gestelde termijn door de intermediair | M163 | € 100 |
| | | | Niet volledig verstrekken van de gevraagde gegevens door de intermediair | M164 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid verstrekken van de gevraagde gegevens door de intermediair | M165 | € 300 |
| | | | | | |
| | art. 41 onderdeel f | Art. 49 lid 1, art. 124 lid 1 en 2 | Niet aanbrengen of aanbrengen van onjuist registratienummer per opslagruimte voor meststoffen door de intermediair | M166 | € 300 |
| | | | Niet op juiste of deugdelijke wijze aanbrengen van het registratienummer per opslagruimte voor meststoffen door de intermediair | M168 | € 200 |
| | | | | | |
| | | Art. 49 lid 2, art. 124 lid 2 | Niet aanduiden van opslagruimten voor meststoffen d.m.v. de registratienummers in de administratie van de intermediair en bij gegevensverstrekking door de intermediair | M169 | € 300 |
| | | | | | |
| Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven | Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven | Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven | Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven | Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven | Administratieve verplichtingen overige leveranciers en afnemers bedrijven |
| | | | | | |
| Art. 34, 35 en 37 | Art. 43 lid 1 en lid 2 en 3 onderdelen a t/m e, art. 46 onderdeel a | Art. 50 lid 1 t/m 4 | Niet aanmelden ter registratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden geproduceerd, verhandeld of anderszins bewerkt of verwerkt | M200 | € 300 |
| | | | Niet binnen 30 dagen aanmelden ter registratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, dan wel niet binnen 30 dagen doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M201 | € 100 |
| | | | Niet volledig aanmelden ter registratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, dan wel niet volledig doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M202 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid aanmelden ter registratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt, dan wel het niet of niet naar waarheid doorgeven van wijzigingen in de verstrekte registratiegegevens | M203 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 44 lid 1, 2, 6, 7 art. 46 onderdeel b en c, art. 34 | Art. 51, art. 124 lid 1 | Niet bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt (incl. wijzigingen in de administratie) | M208 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 44 lid 2 | | Niet tijdig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt (incl. wijzigingen in de administratie) | M209 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art. 44 lid 2 | | Niet volledig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt (incl. wijzigingen in de administratie) | M210 | € 200 |
| | | | | | |
| | Art. 44 lid 2 | | Niet naar waarheid bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren of in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt (incl. wijzigingen in de administratie) | M211 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 44 lid 3 t/m 7, art. 46 onderdeel b en c, art. 34 | | Niet bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld of in het kader waarvan staldieren aan bedrijven worden afgeleverd, dan wel staldieren of eieren van bedrijven worden afgenomen (incl. wijzigingen in de administratie) | M212 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 51, art. 124 lid 1 | Niet tijdig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld of in het kader waarvan staldieren aan bedrijven worden afgeleverd, dan wel staldieren of eieren van bedrijven worden afgenomen (incl. wijzigingen in de administratie) | M213 | € 100 |
| | | | Niet volledig bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld of in het kader waarvan staldieren aan bedrijven worden afgeleverd, dan wel staldieren of eieren van bedrijven worden afgenomen (incl. wijzigingen in de administratie) | M214 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid bijhouden van een inzichtelijke administratie door de ondernemer die een of meer ondernemingen voert, niet zijnde een bedrijf of een intermediaire onderneming, in het kader waarvan meststoffen worden verhandeld of in het kader waarvan staldieren aan bedrijven worden afgeleverd, dan wel staldieren of eieren van bedrijven worden afgenomen (incl. wijzigingen in de administratie) | M215 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 45 lid 1 en 5, art. 46 onderdeel d | Art. 52, art. 124 lid 1 | Niet verstrekken van de jaarlijkse gegevens door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt | M216 | € 300 |
| | | | Niet verstrekken van de jaarlijkse gegevens vóór de gestelde uiterlijke inzenddatum of binnen de daartoe gestelde termijn door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt | M217 | € 100 |
| | | | Niet volledig verstrekken van de jaarlijkse gegevens door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt | M218 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid verstrekken van de jaarlijkse gegevens door de ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, in het kader van wiens onderneming van bedrijven afgenomen koemelk wordt verwerkt of in het kader van wiens onderneming zuiveringsslib wordt geproduceerd of anderszins wordt bewerkt of verwerkt | M219 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 45 lid 2 | | Niet verstrekken aan een landbouwer van een begeleidend document door de buitenlandse ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren, met vermelding van het gewicht en de samenstelling van de diervoeders | M220 | € 300 |
| | | | Niet tijdig verstrekken aan een landbouwer van een begeleidend document door de buitenlandse ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren | M221 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 124 lid 1 | Verstrekken aan een landbouwer van een niet volledig begeleidend document door de buitenlandse ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren | M222 | € 200 |
| | | | Verstrekken aan een landbouwer van een niet naar waarheid opgemaakt begeleidend document door de buitenlandse ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren | M223 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 45 lid 3 | | Niet aanwezig zijn van het begeleidend document tijdens het vervoer van diervoeders door een buitenlandse ondernemer in het kader van wiens onderneming diervoeders worden afgeleverd aan een bedrijf met staldieren | M224 | € 300 |
| | | | | | |
| Vervoer van dierlijke meststoffen | Vervoer van dierlijke meststoffen | Vervoer van dierlijke meststoffen | Vervoer van dierlijke meststoffen | Vervoer van dierlijke meststoffen | Vervoer van dierlijke meststoffen |
| | | | | | |
| Art. 15 en 34 | Art. 48 | | Vervoer van dierlijke meststoffen door een niet geregistreerde intermediair | M250 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 49 lid 1, art. 52, art. 70 lid 4 onderdeel b | Art. 78 lid 1, art. 53 lid 2 | Transportmiddel voor drijfmest niet uitgerust met op naam van de intermediair geregistreerde automatische bemonsteringsapparatuur die onlosmakelijk is bevestigd op het transportmiddel, die voldoet aan de prestatiekenmerken en behoort tot een door ASG goedgekeurd type | M251 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 79 lid 1, art. 53, lid 2 | Transportmiddel voor drijfmest niet uitgerust met op naam van de intermediair geregistreerde automatische verpakkingsapparatuur die onlosmakelijk is bevestigd op het transportmiddel, die voldoet aan de prestatiekenmerken en behoort tot een door ASG goedgekeurd type | M253 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 49 lid 2, art. 52 lid 1 onderdeel c | Art. 53 lid 1 | Transportmiddel niet uitgerust met op naam van de intermediair geregistreerde apparatuur voor automatische gegevensregistratie die voldoet aan de prestatiekenmerken en behoort tot een door ASG goedgekeurd type | M255 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 49 lid 3 | | Transportmiddel niet uitgerust met satellietvolgapparatuur | M258 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 49 lid 4 | Art. 55 en 56 | Niet of niet op juiste wijze vastleggen van vervoersgegevens met behulp van apparatuur voor automatische gegevensregistratie of satellietvolgapparatuur door de vervoerder | M259 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 50 lid 1 | | Niet aanwezig zijn van een vervoersbewijs tijdens het vervoer van dierlijke meststoffen | M260 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 52 | Art. 53 lid 2 | Apparatuur voor automatische gegevensregistratie of satellietvolgapparatuur niet elektronisch verbonden aan de automatische bemonsterings- en verpakkingsapparatuur bij het vervoer van drijfmest | M262 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 53 lid 3 | Satellietvolgapparatuur niet elektronisch verbonden aan apparatuur voor automatische gegevensregistratie bij het vervoer van vaste mest | M263 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 54 lid 1 | Apparatuur genoemd in art. 53 UR functioneert niet op adequate wijze tijdens het vervoer van dierlijke meststoffen | M264 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 55, art. 122 lid 3 | Niet op voorgeschreven wijze vastleggen of elektronisch verzenden van AGR- en GPS-gegevens door de vervoerder bij het vervoer van drijfmest | M268 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 56, art. 122 lid 3 | Niet op voorgeschreven wijze vastleggen of elektronisch verzenden van AGR- en GPS-gegevens door de vervoerder bij het vervoer van vaste mest | M269 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 51 lid 2 en 3, art. 52 lid 1 onderdeel e | | Niet voldoen aan de opgelegde verplichting door de vervoerder om gedurende een bepaalde periode een voormelding te doen van het vervoer van dierlijke meststoffen | M276 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 58 lid 1 | Niet doen van de opgelegde voormelding door de vervoerder uiterlijk 24 uren voordat het laden van het transportmiddel plaatsvindt | M277 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 58 lid 2, art. 124 lid 1 | Niet volledig verstrekken van de gegevens inzake de voormelding door de vervoerder | M278 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid verstrekken van de gegevens inzake de voormelding door de vervoerder | M279 | € 300 |
| | | | | | |
| Vervoersbewijs dierlijke meststoffen | Vervoersbewijs dierlijke meststoffen | Vervoersbewijs dierlijke meststoffen | Vervoersbewijs dierlijke meststoffen | Vervoersbewijs dierlijke meststoffen | Vervoersbewijs dierlijke meststoffen |
| | | | | | |
| Art. 15 en 34 | Art. 53 lid 1 | | Niet opmaken van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M300 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 53 lid 2 en 3, art. 54 | Art. 61 en 62 | Niet tijdig opmaken van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M301 | € 100 |
| | | | Niet volledig opmaken van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder | M302 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid opmaken van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder | M303 | € 300 |
| | | | Niet ondertekenen van een vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M304 | € 200 |
| | | | | | |
| | Art. 53 lid 3 | Art. 60 lid 1 en 2 | Niet gebruikmaken door de leverancier, de vervoerder en de afnemer van het voorgeschreven model voor het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat door Dienst Regelingen is verstrekt en is voorzien van een uniek nummer | M306 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art. 53 lid 4 | | Wijzigen of onleesbaar maken van gegevens op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M305 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 60 lid 3 | Niet gebruikmaken door de leverancier, de vervoerder en de afnemer van een geprint exemplaar van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen dat elektronisch is aangemaakt en waarop het nummer van het begeleidende document is vermeld, indien de dierlijke meststoffen buiten Nederland worden gebracht. | M307 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art. 53 lid 6, art. 54 | | Indienen van het origineel van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen in plaats van de voorgeschreven elektronische indiening | M308 | € 50 |
| | | Art. 62a lid 2 en 3 | Niet invullen van gegevens op een vervoersbewijs dierlijke meststoffen of een bij het vervoersbewijs behorende bijlage door de leverancier, de vervoerder en de afnemer. | M316 | € 300 |
| | | Art. 62a lid 2 en 3 | Niet tijdig invullen van gegevens op een vervoersbewijs dierlijke meststoffen of een bij het vervoersbewijs behorende bijlage door de leverancier, de vervoerder en de afnemer. | M317 | € 100 |
| | | Art. 62a lid 2 en 3 | Niet volledig invullen van gegevens op een vervoersbewijs dierlijke meststoffen of een bij het vervoersbewijs behorende bijlage door de vervoerder | M318 | € 200 |
| | | Art. 62a lid 2 en 3 | Niet naar waarheid invullen van gegevens op een vervoersbewijs dierlijke meststoffen of een bij het vervoersbewijs behorende bijlage door de vervoerder | M319 | € 300 |
| | | Art. 64 lid 1 | Niet elektronisch indienen van de gegevens het vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder uiterlijk 30 werkdagen na het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen | M309 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 64 lid 2, art. 124 lid 1 | Gegevens elektronisch indienen van een niet volledig vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder | M310 | € 200 |
| | | | Gegevens elektronisch indienen van een onjuist vervoersbewijs dierlijke meststoffen door de vervoerder | M311 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 54 | Art. 63 | Niet verstrekken van een afschrift van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen aan de leverancier en de afnemer door de vervoerder na aflevering van de dierlijke meststoffen | M312 | € 300 |
| | | | Niet verstrekken van een afschrift van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen aan de leverancier en de afnemer door de vervoerder uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht of vrachten dierlijke meststoffen | M313 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art. 54 | Art. 64 lid 3 en 4 | Niet indienen van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens door de vervoerder na aflevering van de dierlijke meststoffen die niet zijn bemonsterd en geanalyseerd | M314 | € 300 |
| | | | Niet indienen van de op het vervoersbewijs dierlijke meststoffen ingevulde gegevens door de vervoerder uiterlijk tien werkdagen na het vervoer van de vracht dierlijke meststoffen die niet zijn bemonsterd en geanalyseerd | M315 | € 100 |
| | | | | | |
| Vervoer van zuiveringsslib en compost | Vervoer van zuiveringsslib en compost | Vervoer van zuiveringsslib en compost | Vervoer van zuiveringsslib en compost | Vervoer van zuiveringsslib en compost | Vervoer van zuiveringsslib en compost |
| | | | | | |
| Art. 34 | Art. 50 lid 2 | | Niet aanwezig zijn van een vervoersbewijs tijdens het vervoer van zuiveringsslib, compost, mengsels van zuiveringsslib en compost, of krachtens art. 55, eerste lid, aangewezen overige organische meststoffen | M350 | € 300 |
| | | | | | |
| Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost | Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost | Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost | Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost | Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost | Vervoersbewijs zuiveringsslib en compost |
| | | | | | |
| Art. 34 | Art. 55 lid 1 | | Niet opmaken van een vervoersbewijs zuiveringsslib en compost door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M400 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 55 lid 2, art. 56 | Art. 69 | Niet tijdig opmaken van een vervoersbewijs zuiveringsslib en compost door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M401 | € 100 |
| | | | Niet volledig opmaken of niet ondertekenen van een vervoersbewijs zuiveringsslib en compost door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M402 | € 200 |
| | | | Niet naar waarheid opmaken van een vervoersbewijs zuiveringsslib en compost door de leverancier, de vervoerder en de afnemer | M403 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 55 lid 3 | Art. 68 | Niet gebruikmaken van het voorgeschreven model voor het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost dat wordt verstrekt door Dienst Regelingen en is voorzien van een uniek nummer | M405 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art. 55 lid 4 | | Wijzigen of onleesbaar maken van gegevens op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost door de leverancier, de vervoerder of de afnemer | M406 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 56 | Art. 69a lid 1 | Niet verstrekken van een afschrift van het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost aan de leverancier en de afnemer door de vervoerder uiterlijk 10 werkdagen na vervoer van de vracht zuiveringsslib en compost | M410 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 55 lid 5, art. 56 onderdeel d | Art. 69a lid 2 | Niet indienen van de op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevulde gegevens door de vervoerder na het vervoer van zuiveringsslib of compost | M407 | € 300 |
| | | | Niet indienen van de op het vervoersbewijs zuiveringsslib en compost ingevulde gegevens door de vervoerder uiterlijk 10 werkdagen na het vervoer van zuiveringsslib of compost | M408 | € 100 |
| | | | | | |
| Grensoverschrijdende overbrenging | Grensoverschrijdende overbrenging | Grensoverschrijdende overbrenging | Grensoverschrijdende overbrenging | Grensoverschrijdende overbrenging | Grensoverschrijdende overbrenging |
| | | | | | |
| | | Art. 57 lid 1 | Niet doen van mededeling door vervoerder van voornemen om dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels te exporteren of importeren | M483 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 57 lid 2, art. 124 lid 1 | Niet volledig of niet naar waarheid verstrekken door vervoerder van gegevens inzake de mededeling door de vervoerder | M484 | € 200 |
| | | | | | |
| | | Art. 57a lid 1 Art. 57b lid 1 | Niet doen van mededeling door vervoerder van het daadwerkelijk exporteren of importeren van dierlijke meststoffen anders dan mestkorrels | M485 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 57a lid 2, Art. 57b lid 2 art. 124 lid 1 | Niet volledig of niet naar waarheid verstrekken van gegevens door vervoerder inzake de mededeling van de daadwerkelijke export of import | M486 | € 200 |
| | | | | | |
| | | Art. 57a lid 1 Art. 57b lid 1 | Niet tijdig (ten minste 12 uur respectievelijk 3 werkdagen van tevoren) doen van mededeling door vervoerder van de daadwerkelijke export of import | M487 | € 300 |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | | | | |
| | | Art. 57b lid 5 | Niet of niet onverwijld intrekken van de mededeling door vervoerder bij het niet plaatsvinden van de gemelde export of import | M491 | € 200 |
| | | | | | |
| Hoeveelheidsbepaling | Hoeveelheidsbepaling | Hoeveelheidsbepaling | Hoeveelheidsbepaling | Hoeveelheidsbepaling | Hoeveelheidsbepaling |
| | | | | | |
| Art. 35 t/m 37 | Art. 66 t/m 70 | Art. 76 lid 1 | Niet of niet op juiste wijze wegen van een vracht dierlijke meststoffen door de vervoerder | M500 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 76 lid 2 | Niet op juiste wijze bepalen van het gewicht van een vracht dierlijke meststoffen door de vervoerder op basis van het volume en het soortelijk gewicht van de dierlijke meststoffen, indien sprake is van een situatie genoemd in art. 84 t/m 91a UR | M501 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 77 lid 1 | Niet of niet op juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen, niet zijnde mineralenconcentraat, d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium | M502 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 78 lid 1 | Niet bemonsteren van een vracht drijfmest tijdens het laden van het transportmiddel door de vervoerder | M505 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 78 lid 2 | Niet of niet op juiste wijze bemonsteren van een vracht vaste mest door de vervoerder | M507 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 78 lid 3 | Niet bemonsteren tijdens het laden van een vracht vaste mest door de vervoerder, indien deze buiten Nederland wordt gebracht | M508 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 78 lid 4 | Niet bemonsteren tijdens het lossen van een vracht vaste mest door de vervoerder, indien deze binnen Nederland wordt gebracht | M509 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 79 lid 2 | Niet of niet op de juiste wijze verpakken van een monster vaste mest in een voorgeschreven monsterverpakking door de vervoerder | M511 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 80 lid 1, art. 81 lid 3, art. 124 lid 1, art. 125 | Niet toezenden door de vervoerder van het mestmonster ter analyse door een geaccrediteerd of gelijkwaardig laboratorium | M512 | € 300 |
| | | | Niet uiterlijk 10 werkdagen na bemonstering toezenden van het mestmonster aan een geaccrediteerd of gelijkwaardig laboratorium door de vervoerder | M513 | € 100 |
| | | | Niet meesturen van de juiste gegevens van de betrokken leverancier en afnemer en het nummer van het vervoersbewijs bij het toezenden van het mestmonster aan een geaccrediteerd of gelijkwaardig laboratorium door de vervoerder | M514 | € 300 |
| | | | Niet meesturen van de volledige gegevens van de betrokken leverancier en afnemer en van het vervoersbewijs bij het toezenden van het mestmonster aan een geaccrediteerd of gelijkwaardig laboratorium door de vervoerder | M515 | € 200 |
| | | | | | |
| | | Art. 80 lid 2 | Niet in goede staat bewaren van mestmonsters door de vervoerder | M517 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 81 lid 1 | Niet na ontvangst van het mestmonster analyseren van het monster door het laboratorium | M518 | € 300 |
| | | | | | |
| | | | Niet uiterlijk 5 werkdagen na ontvangst van het mestmonster analyseren van het monster door het laboratorium | M519 | € 100 |
| | | | Niet na analyse van het mestmonster toezenden van de analyseresultaten door het laboratorium aan de vervoerder, de leverancier, de afnemer en elektronisch aan Dienst Regelingen | M520 | € 300 |
| | | | Niet uiterlijk 5 werkdagen na analyse van het mestmonster toezenden van de analyseresultaten door het laboratorium aan de vervoerder, de leverancier, de afnemer en elektronisch aan Dienst Regelingen | M521 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 81 lid 2 | Niet rapporteren van beschadigingen m.b.t. de monsterverpakking door het laboratorium aan de AID | M522 | € 300 |
| | | | Niet opvolgen van de door de AID verstrekte aanwijzingen door het laboratorium | M523 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 81, lid 3, art. 125 | Niet voldoen door het laboratorium aan de in het accreditatieprogramma AP05 gestelde eisen | M524 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 82 | Niet op juiste wijze bepalen van het gewicht van drijfmest die met behulp van een pijpleiding is vervoerd door de afnemer | M525 | € 300 |
| | | | Niet op juiste wijze uitvoeren van de bemonstering en verpakking van monsters drijfmest die met behulp van een pijpleiding is vervoerd door de afnemer | M526 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 83 | Niet of niet op juiste wijze bepalen van het gewicht en het stikstof- en fosfaatgehalte van een vracht mestkorrels op basis van de verpakking of het begeleidend document | M527 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 84, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan boer-boer-transport van dierlijke meststoffen worden nageleefd | M528 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 85, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen naar tijdelijk uit gebruik gegeven percelen worden nageleefd (Vogelaar-variant) | M529 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 86, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen naar een afnemer, die geen bedrijf of onderneming voert, worden nageleefd | M530 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 87, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen naar grenspercelen in Duitsland en België worden nageleefd | M531 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 88, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de aan- en afvoer van konijnengier worden nageleefd | M532 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 89, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden worden nageleefd die zijn gesteld aan de afvoer van paardenmest bestemd voor de productie van substraat voor de teelt van champignons of voor de productie van een grondstof voor de productie van dat substraat | M533 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 89a, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen afkomstig van paarden of pony’s van een bedrijf in de gemeente Vlieland naar een ander bedrijf in de gemeente Vlieland worden nageleefd. | M548 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 90, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen door een klein bedrijf naar een ander bedrijf worden nageleefd | M534 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 91, art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen naar natuurterrein of overige grond worden nageleefd | M535 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 91a art. 77 lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde vaste meststoffen die ten hoogste 10% vaste dierlijke meststoffen of 10% champost bevat d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer worden nageleefd | M 559 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 91b | Niet of niet op de juiste wijze (laten) bepalen van het stikstof- en fosfaatgehalte van aan- en afgevoerde dierlijke meststoffen d.m.v. analyse van het monster door een laboratorium zonder dat de voorwaarden gesteld aan de afvoer van dierlijke meststoffen middels gesplitst vervoer worden nageleefd | M 561 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92 lid 1 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door de vervoerder van het gewicht van de aan- en afgevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost d.m.v. weging | M536 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92 lid 2 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf of de onderneming van het stikstof- en fosfaatgehalte van de aan- en afgevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid zuiveringsslib of compost overeenkomstig de artikelen 92a en 92b op basis van gewichtsprocenten in de droge stof. | M537 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92a lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze bepalen door het bedrijf of de onderneming van het stikstof- en fosfaatgehalte of het droge stofgehalte in zuiveringsslib of compost d.m.v. analyse van een monster | M562 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92a lid 2 | Niet of niet op de juiste wijzebemonsteren van zuiveringsslib of compost door de producent | M563 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92a lid 4 | Niet of niet op de juiste wijze verpakken van een monster zuiveringsslib of compost in een voorgeschreven monsterverpakking door de producent | M564 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92a lid 5 | Niet toezenden van het monster aan of niet laten analyseren van het monster door een geaccrediteerd laboratorium door de producent | M565 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92b lid 1 | Niet of niet op de juiste wijze na ontvangst van het monster analyseren van het monster door het laboratorium | M566 | € 300 |
| | | | Niet uiterlijk 5 werkdagen na ontvangst van het monster analyseren van het monster door het laboratorium | M567 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 92b lid 2 | Niet of niet op de juiste wijze berekenen van het stikstof-, fosfaat- en drogestofgehalte indien het monster betrekking heeft op een hoeveelheid die door middel van een continu proces geproduceerd wordt | M569 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92b lid 3 | Niet of niet op de juiste wijze voorzien van een analysenummer van de analyseresultaten door het laboratorium | M568 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 92b lid 4 en lid 5 | Niet na analyse van het monster toezenden van de analyseresultaten dan wel de overeenkomstig het tweede lid berekende gemiddelde gehalten door het laboratorium aan de producent en elektronisch aan Dienst Regelingen | M570 | € 300 |
| | | | Niet binnen 10 werkdagen na analyse dan wel 10 werkdagen na afloop van de kalendermaand toezenden van de analyseresultaten door het laboratorium aan de producent en elektronisch aan Dienst Regelingen | M571 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 92b lid 6 | Niet of niet lang genoeg bewaren van de monsters na verzending van de analyseresultaten | M572 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 93 lid 1 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf of de onderneming van het gewicht van de aan- en afgevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost d.m.v. weging | M538 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 93 lid 2 | Niet of niet op juiste wijze d.m.v. bemonstering en analyse laten bepalen door het bedrijf of de onderneming van het stikstof- en fosfaatgehalte van de aan- en afgevoerde en de binnen een intermediaire onderneming vervoerde hoeveelheid andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost | M539 | € 300 |
| | | Art. 94 lid 1, art. 94 lid 4 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf van het gewicht van de voorraad dierlijke meststoffen op basis van het gemeten volume en soortelijk gewicht | M540 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 94 lid 2, art. 94 lid 4 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf van het stikstof- en fosfaatgehalte van de voorraad dierlijke meststoffen | M541 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 95 lid 1 en 5 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf van het gewicht van de voorraad zuiveringsslib of compost op basis van het gemeten volume en het soortelijk gewicht | M542 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 95 lid 2 en 5 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf van het stikstof- en fosfaatgehalte van de voorraad zuiveringsslib of compost op basis van de best beschikbare gegevens | M543 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 95 lid 4 en 5 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door het bedrijf of de onderneming van het gewicht van de in bulk opgeslagen andere meststoffen dan dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost op basis van het gemeten volume en soortelijk gewicht | M544 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 2, art. 97 lid 1, art. 100 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door de leverancier van de diervoeders van het gewicht en het stikstof- en fosfaatgehalte van diervoeders afgeleverd aan een bedrijf met staldieren | M545 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 2, art. 97 lid 2, art. 101 | Niet of niet op juiste wijze bepalen door de leverancier van het ruwvoer en enkelvoudig diervoeder van de hoeveelheden ruwvoer en enkelvoudig diervoeder, zowel in gewicht of volume als in kilogrammen stikstof en fosfaat | M546 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 98 lid 1 en 2 | Niet of niet op juiste wijze vaststellen van het stikstof- en fosfaatgehalte in diervoeders | M547 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 98 lid 3 en 4, art. 125 | Analyse van het diervoedermonster op het stikstof- en fosfaatgehalte niet uitgevoerd door een geaccrediteerd of gelijkwaardig laboratorium, volgens de voorgeschreven of een gelijkwaardige onderzoeksmethode | M549 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 98 lid 3 en 4 | Niet binnen één week na ontvangst van het diervoedermonster analyseren van het diervoeder op het stikstof- en fosfaatgehalte volgens de voorgeschreven of een gelijkwaardige onderzoeksmethode | M551 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 98 lid 6 | Niet verzenden van de (juiste) analyseresultaten van het diervoedermonster door het laboratorium naar de leverancier van het diervoeder | M552 | € 300 |
| | | | Niet binnen één week na ontvangst van het diervoedermonster verzenden van de analyseresultaten door het laboratorium naar de leverancier van het diervoeder | M553 | € 100 |
| | | | | | |
| | | Art. 98 lid 6, art. 124 lid 1 | Verzenden van niet volledige analyseresultaten van het diervoedermonster door het laboratorium naar de leverancier van het diervoeder | M554 | € 200 |
| | | | Verzenden van niet naar waarheid opgemaakte analyseresultaten van het diervoedermonster door het laboratorium naar de leverancier van het diervoeder | M555 | € 300 |
| | | | | | |
| | | Art. 99 | Niet vermelden of bekendmaken van gegevens van de afgeleverde diervoeders op het etiket of begeleidend document door de leverancier van de diervoeders | M556 | € 300 |
| | | | Niet volledig of niet naar waarheid vermelden van gegevens van de diervoeders op het etiket of begeleidend document door de leverancier van de diervoeders | M560 | € 300 |
| | | | | | |
| Overige bepalingen | Overige bepalingen | Overige bepalingen | Overige bepalingen | Overige bepalingen | Overige bepalingen |
| | | | | | |
| Art. 34 en 37 | | Art. 122 lid 1 | Niet op voorgeschreven wijze doorgeven van gegevens en wijzigingen in gegevens aan Dienst Regelingen d.m.v. indiening van het daartoe bestemde formulier | M600 | € 50 |
| | | | | | |
| | | Art. 122 lid 2 en 3 | Niet op voorgeschreven wijze elektronisch doorgeven van gegevens en wijzigingen in gegevens aan Dienst Regelingen d.m.v. het daartoe ter beschikking gestelde elektronische portaal | M601 | € 50 |
| | | | | | |
| | | Art. 122 lid 4 | Niet ondertekenen van de elektronische verzending d.m.v. een persoonlijke gebruikerscode door de vervoerder | M602 | € 50 |
| | | | | | |
| | | Art. 124 lid 2 | Niet onverwijld gegevens opnemen in de administratie nadat deze bekend zijn geworden door degene die gegevens in de administratie moet opnemen, voor zover geen andere termijn is gesteld | M603 | € 100 |
| | | | Niet onverwijld gegevens verstrekken uit de administratie nadat deze bekend zijn geworden door degene die gegevens uit de administratie moet verstrekken, voor zover geen andere termijn is gesteld | M604 | € 100 |
| | | | | | |
| | Art 32, art. 34 lid 2, art. 39 lid 4, art. 44 lid 7 | Art. 124 lid 3 | Niet bewaren van documenten, gegevensdragers, administratie en bijbehorende bewijsstukken gedurende 5 jaren na afloop van het betreffende kalenderjaar | M605 | € 300 |
| | | | | | |
| | Art. 32, 39 en 44 | Art. 124 lid 3 | Wijzigen van (oorspronkelijke) gegevens in de administratie | M606 | € 300 |
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
2012-10-06
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 2, 103, 2 y 5 más
2012-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 2, 2, 103 y 13 más
2012-04-13
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 2, 103, 2 y 5 más
2012-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 5315 y 298 más
2011-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 295 más
2011-05-18
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 4, 6 y 6 más
2011-03-04
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 4, 4 y 15 más
2011-02-22
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 4, 4 y 15 más
2011-01-31
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 4, 4, 4 y 24 más
2011-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 99020 y 297 más
2010-10-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 6, 6, 6 y 11 más
2010-07-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 6, 6, 6 y 11 más
2010-03-06
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 7433, 6, 6 y 149 más
2010-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 5315, 5315 y 577 más
2009-07-25
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99027, 6970, 2 y 7 más
2009-04-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 15477 y 270 más
2009-01-29
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99026, 99015, 5 y 6 más
2009-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 99023, 99026, 99026 y 96 más
2008-11-19
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 15477, 1 y 262 más
2008-07-13
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5, 99022, 5 y 4 más
2008-02-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 12945, 99023, 99023 y 259 má
2008-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 273 más
2007-07-22
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 103, 6, 6 y 2 más
2007-07-12
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 224 más
2007-02-09
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 6, 6, 102, 6
2007-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 213 más
2006-07-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 99020 y 212 más
2006-01-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 5315, 99020, 5315 y 215 más
2005-12-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet — arts. 1, 2, 3 y 29 más
2005-12-01
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
original version
Tekst op deze datum