Wijzigingsgeschiedenis

Regeling van 21 december 2005, nr. DJZ/BR/1307-2005, houdende nadere regels met betrekking tot de verstrekking van subsidies door de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking (Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006)

31 versions · 2026-04-21
2026-04-21
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006
2026-04-20
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006
2026-04-19
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006
2025-07-24
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 — arts. 2, 9, 9
2024-07-11
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 — arts. 2, 9, 9
2023-07-01
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006
2022-07-01
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 — arts. 2, 9, 9
2021-10-16
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 — arts. 2, 9, 9
2019-12-03
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006

Wijzigingen op 2019-12-03

@@ -42,7 +42,7 @@
##### Artikel 2.3
Met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.2&z=2017-12-06&g=2017-12-06), komen voor subsidie in aanmerking activiteiten gericht op of ter bevordering van:
Met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in [artikel 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=2&paragraaf=2&artikel=2.2&z=2019-12-03&g=2019-12-03), komen voor subsidie in aanmerking activiteiten gericht op of ter bevordering van:
- a. de mondigheid en organisatiegraad van burgers, de pluriformiteit van maatschappelijke organisaties, de mogelijkheden tot betrokkenheid van burgers bij de inrichting van hun maatschappij en het particulier initiatief;
@@ -76,7 +76,7 @@
##### Artikel 3.2
Met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=3.1&z=2017-12-06&g=2017-12-06), komen voor subsidie in aanmerking activiteiten gericht op of ter bevordering van:
Met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in [artikel 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=3.1&z=2019-12-03&g=2019-12-03), komen voor subsidie in aanmerking activiteiten gericht op of ter bevordering van:
- a. directe hulpverlening ter voorziening van de primaire behoeften van slachtoffers, meer in het bijzonder de meest kwetsbaren onder hen, op het terrein van :
@@ -114,7 +114,7 @@
- –. het genereren van inkomen als voornaamste doelstelling hebben en
- c. aanvragen voor een bedrag lager dan € 300.000, uitgezonderd aanvragen met betrekking tot activiteiten, bedoeld in [artikel 3.2, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=3.2&z=2017-12-06&g=2017-12-06).
- c. aanvragen voor een bedrag lager dan € 300.000, uitgezonderd aanvragen met betrekking tot activiteiten, bedoeld in [artikel 3.2, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=3.2&z=2019-12-03&g=2019-12-03).
##### Artikel 3.4
@@ -134,7 +134,7 @@
##### Artikel 3.5
In aanvulling op de [artikelen 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=3.2&z=2017-12-06&g=2017-12-06) en [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=3.3&z=2017-12-06&g=2017-12-06) blijkt uit aanvragen om subsidie op grond van deze afdeling dat:
In aanvulling op de [artikelen 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=3.2&z=2019-12-03&g=2019-12-03) en [3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=3&paragraaf=1&artikel=3.3&z=2019-12-03&g=2019-12-03) blijkt uit aanvragen om subsidie op grond van deze afdeling dat:
- a. de activiteiten voldoen aan internationaal gangbare humanitaire hulpprincipes;
@@ -172,47 +172,29 @@
##### Artikel 4.1
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaand onder:
- –. **strategisch partnerschap:** een in een samenwerkingsovereenkomst verankerd samenwerkingsverband van de minister met een maatschappelijke organisatie of meer maatschappelijke organisaties verenigd in een alliantie;
- –. **alliantie:** een samenwerkingsverband van maatschappelijke organisaties die onderling een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten en waarvan ten minste een organisatie beschikt over rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht;
- –. **maatschappelijke organisatie:** een niet op winst gerichte en niet door een overheidsinstantie opgerichte of aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie die beschikt over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht;
- –. **penvoerder:** een van de partijen in een alliantie die voor de alliantie als subsidieaanvrager optreedt;
- –. **lage en laagmiddeninkomenslanden:** landen als zodanig aangeduid in de door het Development Assistence Committee (DAC) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) meest recent vastgestelde List of Recipients of Official Development Assistence.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
- –. **SDG’s:** door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 25 september 2015 in resolutie A/RES/70/1 vastgestelde duurzame ontwikkelingsdoelen;
- –. **strategisch partnerschap:** een in een partnerschapsovereenkomst verankerd samenwerkingsverband van de minister met maatschappelijke organisaties verenigd in een alliantie;
- –. **alliantie:** een samenwerkingsverband van maatschappelijke organisaties die onderling een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten;
- –. **maatschappelijke organisatie:** een niet op winst gerichte, niet aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie met een maatschappelijk oogmerk, beschikkend over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht, die niet door een overheidsinstantie is opgericht, dan wel die na oprichting door een overheidsinstantie geheel verzelfstandigd is;
- –. **penvoerder:** één van de alliantiepartners die namens de alliantie een subsidieaanvraag indient.
#### Paragraaf 1. Medefinanciering; activiteiten
##### Artikel 4.2
1. De minister kan binnen het raam van een strategisch partnerschap subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan duurzame groei en inclusieve ontwikkeling in lage en laagmiddeninkomenslanden door de ondersteuning van maatschappelijke organisaties bij activiteiten op het terrein van pleiten en beïnvloeden.
2. Subsidie wordt niet verleend voor activiteiten die in hoofdzaak gericht zijn op dienstverlening, het leveren van basisvoorzieningen of daarmee samenhangende activiteiten.
De minister kan met het oog op de bevordering van de SDG’s, het naleven van internationale mensenrechtenstandaarden en de versterking van democratie en rechtsstatelijkheid subsidie verlenen aan maatschappelijke organisaties voor activiteiten op het terrein van capaciteitsversterking van maatschappelijke organisaties in hun rol als pleiter en beïnvloeder verricht in het kader van een strategisch partnerschap.
#### Paragraaf 2. Personele veiligheid
##### Artikel 4.3
1. Voor subsidie op grond van deze afdeling komen uitsluitend in aanmerking maatschappelijke organisaties die deel uitmaken van een strategisch partnerschap en die statutair zijn gevestigd in Nederland of in een laag of laagmiddeninkomensland en die:
- a. zich in samenwerking met maatschappelijke organisaties in lage en laagmiddeninkomenslanden inzetten voor inclusieve groei en ontwikkeling voor iedereen, voor bestrijding van armoede en onrecht;
- b. beschikken over relevante ervaring, capaciteiten en expertise;
- c. een zodanig beloningsbeleid voeren dat de honorering van bestuurders en medewerkers niet uitstijgt boven de in de rijksdienst gebruikelijke honorering.
2. De ontvanger dan wel de alliantie betrekt ten minste 25% van haar inkomsten uit andere bronnen dan:
- a. door de minister verleende subsidies en bijdragen en
- b. bijdragen, verstrekt door ten laste van de begroting van Buitenlandse Zaken of Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking gesubsidieerde organisaties, ten laste van die subsidie.
3. Indien subsidie wordt verleend ten behoeve van activiteiten verricht in een alliantie kan de subsidie uitsluitend worden verleend aan de penvoerder. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, onverschillig welk van de partijen in de alliantie feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.
4. Een maatschappelijke organisatie kan voor de toepassing van deze afdeling slechts eenmaal als penvoerder optreden en daarnaast als niet-penvoerder van ten hoogste een andere alliantie deel uitmaken. Maatschappelijke organisaties die zijn gevestigd in een laag of laagmiddeninkomensland kunnen uitsluitend in een alliantie voor subsidie in aanmerking komen.
Voor subsidie op grond van deze afdeling kunnen uitsluitend penvoerders van een alliantie in aanmerking komen.
#### Paragraaf 3. Uitgesloten activiteiten
@@ -220,11 +202,11 @@
1. Subsidie wordt met toepassing van [artikel 7, tweede lid, van het Subsidiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7) verleend.
2. In afwijking van [artikel 6, eerste lid, van het Subsidiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) maakt de minister uiterlijk twaalf maanden voorafgaand aan het subsidietijdvak zijn beleidsregels bekend. Ten hoogste vijfentwintig aanvragen kunnen voor subsidieverlening in aanmerking komen.
3. De beoordeling van de aanvragen vindt plaats in twee fasen. De eerste fase is gericht op de selectie van partners waarmee de minister een strategisch partnerschap wil aangaan. De tweede fase is gericht op de verstrekking van subsidie aan de maatschappelijke organisaties in de partnerschappen.
4. Na de eerste fase maakt de minister het subsidieplafond voor toepassing van deze afdeling bekend.
2. In afwijking van [artikel 6, eerste lid, van het Subsidiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6) maakt de minister uiterlijk twaalf maanden voorafgaand aan het subsidietijdvak zijn beleidsregels bekend.
3. De beoordeling van de aanvragen geschiedt in drie fasen, waarvan de eerste twee zijn gericht op de selectie van partners voor een strategisch partnerschap en de derde op de verstrekking van subsidie aan de alliantie, alsmede het sluiten van een partnerschapsovereenkomst.
4. Na de tweede fase maakt de minister het subsidieplafond voor toepassing van deze afdeling bekend.
#### Paragraaf 1. Algemeen
@@ -364,7 +346,7 @@
##### Artikel 5.1
De minister kan subsidie verlenen voor andere activiteiten, dan bedoeld in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=4&z=2017-12-06&g=2017-12-06), in of ten behoeve van ontwikkelingslanden op het terrein van een of meer van de volgende thema’s:
De minister kan subsidie verlenen voor andere activiteiten, dan bedoeld in [afdeling 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=4&z=2019-12-03&g=2019-12-03), in of ten behoeve van ontwikkelingslanden op het terrein van een of meer van de volgende thema’s:
- –. voedselzekerheid,
@@ -400,7 +382,7 @@
Vervallen
#### Paragraaf 4. Technische assistentie
#### Paragraaf 1. Cultuur en Sport
##### Artikel 5.6
@@ -414,562 +396,570 @@
Vervallen
#### Paragraaf 2. Regionale prioriteiten
##### Artikel 5.9
Vervallen
##### Artikel 5.10
Vervallen
##### Artikel 5.11
Vervallen
#### Paragraaf 2. Onderzoek
##### Artikel 5.12
Vervallen
### Afdeling 6. Onderwijs, onderzoek
#### Paragraaf 2. Regionale prioriteiten
##### Artikel 6.1
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan de uitvoering van internationaal onderwijs en -onderzoek dat een bijdrage levert aan de ontwikkeling en uitvoering van het beleid van de minister op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking.
#### Paragraaf 2. Onderzoek
##### Artikel 6.2
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan onderzoek en kennisontwikkeling, waarvan de uitkomsten effectief gebruikt kunnen worden voor het behalen van de Nederlandse doelstellingen van het buitenlands beleid op het terrein van armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling.
##### Artikel 6.3
Vervallen
#### Paragraaf 3. Hoger onderwijs
##### Artikel 6.4
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan:
- a. verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs;
- b. institutionele versterking van instellingen voor hoger onderwijs of
- c. het vergroten van de capaciteit en de kwaliteit van menselijke hulpbronnen, in ontwikkelingslanden.
##### Artikel 6.5
Met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in [artikel 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=6&paragraaf=3&artikel=6.4&z=2019-12-03&g=2019-12-03), komen voor subsidie in aanmerking activiteiten gericht op of ter bevordering van:
- a. samenwerking tussen Nederlandse onderwijsinstellingen en onderwijsinstellingen in ontwikkelingslanden;
- b. financiële ondersteuning van studerenden in of afkomstig uit ontwikkelingslanden of
- c. kennisoverdracht, zoals het ontwikkelen en uitvoeren van cursussen, trainingen en stages.
### Afdeling 7. Overheid en bedrijfsleven; rentelasten en garanties
#### Paragraaf 1. Overheid
##### Artikel 7.1
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan versterking van de positie van ontwikkelingslanden in het wereldhandelsverkeer door de beschikbaarstelling van deskundigheid en andere vormen van assistentie aan overheden van ontwikkelingslanden.
#### Paragraaf 2. Bedrijfsleven
##### Artikel 7.2
1. De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van:
- a. activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan bevordering van een duurzame vergroting van werkgelegenheid en economische groei in ontwikkelingslanden door versterking van het bedrijfsleven in die landen,
- b. transacties in het economisch verkeer met een vernieuwend of stimulerend effect op de verbetering van het milieu in ontwikkelingslanden, en
- c. activiteiten die strekken of dienstig zijn aan de bevordering van de internationale economische betrekkingen en de buitenlandse handel.
2. Voor subsidieverlening in het kader van deze paragraaf komen uitsluitend bedrijven en organisaties gericht op de behartiging van de belangen van het bedrijfsleven in aanmerking.
##### Artikel 7.3
Vervallen
#### Paragraaf 3. Rentelasten en garanties
##### Artikel 5.9
Vervallen
##### Artikel 5.10
Vervallen
##### Artikel 5.11
Vervallen
##### Artikel 7.4
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan de verstrekking van leningen aan ontwikkelingslanden ten behoeve van investeringen in die landen tegen een rente die lager ligt dan de marktrente, door rentesubsidies en garantstellingen.
### Afdeling 8. Cultuur en sport; regionale prioriteiten
#### Paragraaf 1. Cultuur en Sport
##### Artikel 8.1
De Minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan:
- a. bevordering van de internationale betrekkingen op cultureel gebied;
- b. bevorderen van sociale cohesie in het buitenland door middel van cultuur;
- c. versterking van de culturele sector in ontwikkelingslanden;
- d. bevordering van de kennis van en het begrip voor cultuuruitingen in ontwikkelingslanden, of
- e. versterking van de sportsector in ontwikkelingslanden.
##### Artikel 8.2
1. Voor subsidie met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in [artikel 8.1, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=8&paragraaf=1&artikel=8.1&z=2019-12-03&g=2019-12-03), komen in aanmerking:
- a. bezoekersprogramma’s voor buitenlandse cultuurdeskundigen;
- b. gebundelde of sectorale presentaties van Nederlandse cultuuruitingen in het buitenland;
- c. activiteiten met het oog op de uitvoering van culturele verdragen of internationale afspraken op het terrein van de cultuur, en
- d. kleinschalige lokale culturele projecten in het buitenland, gericht op de plaatselijke bevolking met een herkenbare Nederlandse component.
2. Voor subsidie met het oog op en binnen het raam van de doelstelling, genoemd in [artikel 8.1, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=8&paragraaf=1&artikel=8.1&z=2019-12-03&g=2019-12-03), komen in aanmerking activiteiten gericht op:
- a. een krachtiger lokale cultuursector gericht op maatschappelijke innovatie;
- b. meer cultuurparticipatie door jongeren;
- c. een veiliger en duurzamer leefomgeving in steden;
- d. duurzaam behoud van lokaal cultureel erfgoed.
3. Subsidies verstrekt namens de Minister door een Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland met het oog op de doelstelling, genoemd in [artikel 8.1, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=8&paragraaf=1&artikel=8.1&z=2019-12-03&g=2019-12-03), hebben betrekking op kleinschalige lokale culturele projecten, gericht op de plaatselijke bevolking.
4. Subsidie voor activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, kan uitsluitend worden verleend aan sectorinstituten met een internationale taak die door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zijn aangewezen en aan fondsen, bedoeld in [artikel 9 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=9).
#### Paragraaf 1. Cultuur
##### Artikel 8.3
1. Voor subsidie met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in [artikel 8.1, onder c, d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=8&paragraaf=1&artikel=8.1&z=2019-12-03&g=2019-12-03), komen in aanmerking:
- a. activiteiten gericht op de totstandkoming van cultuuruitingen met name in ontwikkelingslanden door kunstenaars en culturele instellingen afkomstig uit of werkzaam in ontwikkelingslanden,
- b. stageprogramma’s gericht op kunstenaars of sporters afkomstig uit ontwikkelingslanden en
- c. initiatieven gericht op totstandkoming van sportactiviteiten in ontwikkelingslanden en op vergroting van sportparticipatie, vooral voor jongeren, vrouwen en gehandicapten.
2. Subsidie voor activiteiten, bedoeld in het eerste lid, kan uitsluitend worden verleend aan instellingen die naar doelstelling en werkwijze geheel of overwegend zijn gericht op de bevordering en verspreiding van cultuuruitingen met name in ontwikkelingslanden door kunstenaars of culturele instellingen afkomstig uit of werkzaam in ontwikkelingslanden en aan samenwerkingsverbanden van sportinstellingen met ervaring in ontwikkelingslanden.
### Afdeling 9. Meningsvorming, voorlichting, draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen
#### Paragraaf 2. Regionale prioriteiten
##### Artikel 9.1
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan:
- a. bevordering van kennis en inzicht in en de meningsvorming over aangelegenheden met betrekking tot ontwikkelingsamenwerking, of
- b. bevordering van het draagvlak voor het beleid inzake ontwikkelingsamenwerking.
##### Artikel 9.2
Met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in [artikel 9.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=9&paragraaf=1&artikel=9.1&z=2019-12-03&g=2019-12-03), komen voor subsidie in aanmerking activiteiten gericht op of ter bevordering van:
- a. publieksvoorlichting in brede zin en voorlichting gericht op specifieke doelgroepen;
- b. themabijeenkomsten, congressen, discussiebijeenkomsten, internationale evenementen en manifestaties;
- c. de totstandkoming en distributie van publicaties; of
- d. onderwijsactiviteiten die strekken tot of dienstig zijn aan het vergroten van de kennis over ontwikkelingslanden in Nederland.
#### Paragraaf 1. Ontwikkelingssamenwerking
##### Artikel 9.3
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan:
- a. bevordering van kennis en inzicht in en de meningsvorming over aangelegenheden met betrekking tot de buitenlandse betrekkingen;
- b. bevordering van het draagvlak voor het beleid inzake de buitenlandse betrekkingen; of
- c. bevordering van een positieve beeldvorming over Nederland in het buitenland.
##### Artikel 9.4
Met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in [artikel 9.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=9&paragraaf=2&artikel=9.3&z=2019-12-03&g=2019-12-03), komen voor subsidie in aanmerking activiteiten gericht op of ter bevordering van:
- a. publieksvoorlichting in brede zin en voorlichting gericht op specifieke doelgroepen;
- b. themabijeenkomsten, congressen, discussiebijeenkomsten, internationale evenementen en manifestaties;
- c. de totstandkoming en distributie van publicaties; of
- d. onderwijsactiviteiten die strekken tot of dienstig zijn aan het vergroten van de kennis van, inzicht in en de meningsvorming over aangelegenheden met betrekking tot de buitenlandse betrekkingen.
### Afdeling 9. Meningsvorming, voorlichting, draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen
#### Paragraaf 2. Buitenlandse betrekkingen
##### Artikel 10.1
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder publiek private samenwerking verstaan: een samenwerkingsverband van enerzijds een of meer partijen afkomstig uit de kring van de overheid en anderzijds een of meer particuliere organisaties zonder winstoogmerk of partijen uit de kring van het bedrijfsleven, gericht op de realisering van gezamenlijk onderschreven doelstellingen door uitvoering van activiteiten op een zodanige wijze dat elk van de partijen een deel van de daartoe benodigde inspanningen levert en een deel van de daarmee gepaard gaande risico’s draagt.
##### Artikel 10.2
1. De minister kan subsidie verlenen met het oog op de uitvoering van activiteiten, bedoeld in deze regeling, verricht in het kader van publiek private samenwerking.
2. De minister kan daarbij buiten toepassing laten het ten aanzien van subsidiëring van de desbetreffende activiteiten vastgestelde subsidieplafond, het bepaalde ingevolge [artikel 7, tweede lid, van het Subsidiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7) alsmede bepalingen van deze regeling.
3. De subsidie wordt in de vorm van een activiteitensubsidie verleend, in voorkomend geval in aanvulling op een reeds aan dezelfde ontvanger verleende instellingssubsidie. De subsidieontvanger draagt zorg voor een zodanig beheer van de desbetreffende subsidiegelden dat gewaarborgd is dat de subsidie uitsluitend wordt besteed voor de activiteiten waarvoor zij is bestemd en dat daarvan afzonderlijk verslag kan worden gedaan.
##### Artikel 10.3
Indien de publiek private samenwerking niet over rechtspersoonlijkheid beschikt, kan de subsidie uitsluitend worden verleend aan een van de partijen in het samenwerkingsverband die wel over rechtspersoonlijkheid beschikt, onderverminderd [artikel 4, eerste lid, van het Subsidiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=4). Op deze subsidieontvanger rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, onverschillig welk van de partijen in het samenwerkingsverband feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.
##### Artikel 10.4
1. De subsidieaanvraag omvat mede een beschrijving van de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van de publiek private samenwerking en van de wijze waarop de besluitvorming in de publiek private samenwerking plaats vindt.
2. Indien de publiek private samenwerking niet beschikt over rechtspersoonlijkheid omvat de subsidieaanvraag mede een overeenkomst tussen partijen op grond waarvan de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen jegens de minister is gewaarborgd.
#### Paragraaf 2. Buitenlandse betrekkingen
##### Artikel 10.5
1. De minister kan in bijzondere gevallen binnen het raam van [artikel 2 van de Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010178&artikel=2) subsidie verlenen
- a. ten behoeve van andere activiteiten dan bedoeld in deze regeling, of
- b. in afwijking van een of meer bepalingen van deze regeling, daaronder begrepen de met het oog daarop bekendgemaakte beleidsregels op grond van [artikel 6 van het Subsidiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6);
indien te subsidiëren activiteiten naar het oordeel van de minister een betekenisvolle bijdrage leveren aan de realisering van de beleidsdoelstellingen van de minister.
2. Een beschikking tot subsidiëring in afwijking van een of meer bepalingen van deze regeling vermeldt de bepalingen waarvan wordt afgeweken.
### Afdeling 10. Publiek private samenwerking; bijzondere gevallen
##### Artikel 11.1
De [Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173) en de [Subsidieregeling Algemene organisaties voor ontwikkelingssamenwerking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013208) worden ingetrokken.
##### Artikel 11.2
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006 en vervalt met ingang van 1 juli 2022. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 december 2005, treedt deze regeling in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 2006.
##### Artikel 11.3
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
##### Artikel 6.6
Vervallen
### Afdeling 11. Slotbepalingen
#### Paragraaf 2. Bedrijfsleven
#### Paragraaf 3. Rentelasten en garanties
### Afdeling 8. Cultuur; regionale prioriteiten
#### Paragraaf 1. Cultuur
#### Paragraaf 3. Rentelasten en garanties
### Afdeling 8. Cultuur; regionale prioriteiten
#### Paragraaf 1. Cultuur
#### Paragraaf 1. Publiek private samenwerking
### Afdeling 9. Meningsvorming, voorlichting, draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen
#### Paragraaf 1. Ontwikkelingssamenwerking
#### Paragraaf 2. Buitenlandse betrekkingen
### Afdeling 11. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### Paragraaf 2. Buitenlandse betrekkingen
##### Artikel 5.13
Vervallen
##### Artikel 5.14
Vervallen
##### Artikel 5.15
Vervallen
##### Artikel 5.16
Vervallen
### Afdeling 6. Onderwijs, onderzoek
#### Paragraaf 2. Onderzoek
##### Artikel 5.12
Vervallen
#### Paragraaf 1. Publiek private samenwerking
### Afdeling 7. Overheid en bedrijfsleven; rentelasten en garanties
#### Paragraaf 2. Regionale prioriteiten
#### Paragraaf 2. Regionale prioriteiten
### Afdeling 9. Meningsvorming, voorlichting, draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen
#### Paragraaf 1. Ontwikkelingssamenwerking
#### Paragraaf 2. Buitenlandse betrekkingen
#### Paragraaf 1. Publiek private samenwerking
### Afdeling 10. Publiek private samenwerking; bijzondere gevallen
#### Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
### Afdeling 11. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 4.18
De Minister kan in beleidsregels als bedoeld in [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6), bepalen dat in aanvulling op de toepassing van [artikel 4.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=4&paragraaf=6&artikel=4.12&z=2008-11-13&g=2008-11-13) voor een in de beleidsregels te bepalen tijdvak subsidie kan worden verleend voor activiteiten, gericht op of dienstig aan structurele armoedebestrijding in ontwikkelingslanden, met betrekking tot een of meer van de thema’s, genoemd in deze afdeling. De Minister kan in de beleidsregels bepalen dat een of meer van de artikelen van deze afdeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven.
### Afdeling 5. Bijzondere financieringsprogramma’s
#### Paragraaf 2. Bedrijfsleven
#### Paragraaf 3. Rentelasten en garanties
#### Paragraaf 2. Bedrijfsleven
#### Paragraaf 6. Politieke en interparlementaire samenwerking
#### Paragraaf 5. Gemeentelijke samenwerking; kleinschalige plaatselijke activiteiten; particuliere initiatieven
### Afdeling 7. Overheid en bedrijfsleven; rentelasten en garanties
#### Paragraaf 2. Buitenlandse betrekkingen
### Afdeling 10. Publiek private samenwerking; bijzondere gevallen
#### Paragraaf 1. Publiek private samenwerking
#### Paragraaf 1. Publiek private samenwerking
#### Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
#### Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
### Afdeling 11. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### Paragraaf 2. Buitenlandse betrekkingen
##### Artikel 8.4
De Minister kan subsidie verlenen voor activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan bevordering van de sociale en politieke banden en de economische samenwerking tussen Nederland en landen waarmee Nederland door nabuurschap, door culturele en historische betrekkingen, door hun betekenis als land van herkomst van in Nederland levende migranten of anderszins een bijzondere band heeft.
### Afdeling 11. Slotbepalingen
#### Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
#### Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
### Afdeling 11. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### Paragraaf 5. Gedetineerdenbegeleiding in het buitenland
##### Artikel 2.6
De Minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aanhet verlenen van bijstand op maatschappelijk, sociaal dan wel geestelijk vlak aan Nederlandse gedetineerden in het buitenland.
### Afdeling 3. Noodhulp en personele veiligheid
### Afdeling 4. Medefinancieringsstelsel
#### Paragraaf 5. Thema’s
#### Paragraaf 2. Vakbeweging
#### Paragraaf 1. Overheid
### Afdeling 5. Bijzondere financieringsprogramma’s
#### Paragraaf 1. Overheid
#### Paragraaf 5. Gemeentelijke samenwerking; kleinschalige plaatselijke activiteiten; particuliere initiatieven
#### Paragraaf 1. Ontwikkelingssamenwerking
### Afdeling 6. Onderwijs, onderzoek
#### Paragraaf 2. Regionale prioriteiten
##### Artikel 6.1
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan de uitvoering van internationaal onderwijs en -onderzoek dat een bijdrage levert aan de ontwikkeling en uitvoering van het beleid van de minister op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking.
### Afdeling 9. Meningsvorming, voorlichting, draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen
### Afdeling 10. Publiek private samenwerking; bijzondere gevallen
### Afdeling 11. Slotbepalingen
#### Paragraaf 1. Publiek private samenwerking
#### Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
### Afdeling 11. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### Paragraaf 2. Organisaties
#### Paragraaf 3. Procedurele bepalingen; aanvraag
#### Paragraaf 2. Subsidieontvangers
### Afdeling 6. Onderwijs, onderzoek
#### Paragraaf 1. Internationaal onderwijs en -onderzoek
#### Paragraaf 5. Gemeentelijke samenwerking; kleinschalige plaatselijke activiteiten; particuliere initiatieven
### Afdeling 6. Onderwijs, onderzoek
#### Paragraaf 6. Politieke en interparlementaire samenwerking
#### Paragraaf 1. Publiek private samenwerking
### Afdeling 8. Cultuur; regionale prioriteiten
### Afdeling 9. Meningsvorming, voorlichting, draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen
### Afdeling 10. Publiek private samenwerking; bijzondere gevallen
### Afdeling 11. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### Paragraaf 1. Noodhulp
##### Artikel 3.7
Subsidie kan worden verleend voor activiteiten waarmee reeds een aanvang is gemaakt indien:
- a. de activiteiten zo spoedeisend zijn dat van de aanvrager in redelijkheid niet gevergd kan worden dat deze zijn aanvraag voor aanvang daarvan had ingediend;
- b. de aanvrager bij aanvang van de activiteiten de minister daarvan in kennis heeft gesteld onder mededeling van het voornemen om een subsidieaanvraag in te dienen, en
- c. de subsidieaanvraag binnen vier weken na aanvang van de activiteiten is ingediend.
##### Artikel 3.8
1. Af- en overschrijvingen tussen posten op de begroting voor activiteiten waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie is verleend, behoeven niet ter goedkeuring aan de minister te worden voorgelegd, indien:
- a. de af- en overschrijdingen het gevolg zijn van gewijzigde of onvoorziene omstandigheden in een situatie van acute nood;
- b. de af- en overschrijdingen niet meer bedragen dan 25% van de desbetreffende posten, en
- c. het totaal van de begroting niet wordt overschreden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op vergoedingen voor expatriates en de aanschaf van transportmiddelen en van communicatieapparatuur.
##### Artikel 3.9
De minister kan subsidie verleden ten behoeve van
- a. het volgen van veiligheidstrainingen en
- b. ondersteuning bij het ontwikkelen van een veiligheidsbeleid.
##### Artikel 3.10
1. Subsidie op grond van paragraaf 2 kan uitsluitend worden verleend aan particuliere organisaties die in risicovolle gebieden activiteiten ontplooien die ten laste van de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken worden bekostigd.
2. Subsidie kan worden verleend tot ten hoogste 50% van de kosten van de voor subsidie in aanmerking komende activiteiten. Subsidie wordt niet verleend voor reiskosten.
3. Subsidieaanvragen bevatten in elk geval:
- a. een lijst met deelnemers;
- b. vermelding van de landen of regio’s waar deze deelnemers werkzaam zijn of zullen zijn;
- c. een omschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
- d. in voorkomend geval de beoogde aanbieders van de activiteiten en
- e. een duidelijke en sluitende begroting die gekoppeld is aan de activiteiten.
### Afdeling 4. Mensenrechten, SDG’s; strategische partnerschappen
#### Paragraaf 3. Beoordeling
#### Paragraaf 2. Onderzoek
##### Artikel 6.2
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan onderzoek en kennisontwikkeling, waarvan de uitkomsten effectief gebruikt kunnen worden voor het behalen van de Nederlandse doelstellingen van het buitenlands beleid op het terrein van armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling.
##### Artikel 6.3
Vervallen
### Afdeling 5. Bijzondere financieringsprogramma’s
#### Paragraaf 1. Personele samenwerking met ontwikkelingslanden
### Afdeling 6. Onderwijs, onderzoek
#### Paragraaf 1. Internationaal onderwijs en -onderzoek
### Afdeling 7. Overheid en bedrijfsleven; rentelasten en garanties
#### Paragraaf 1. Overheid
### Afdeling 8. Cultuur; regionale prioriteiten
### Afdeling 11. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Afdeling 5. Thematische financiering
#### Paragraaf 3. Hoger onderwijs
##### Artikel 6.4
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan:
- a. verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs;
- b. institutionele versterking van instellingen voor hoger onderwijs of
- c. het vergroten van de capaciteit en de kwaliteit van menselijke hulpbronnen, in ontwikkelingslanden.
##### Artikel 6.5
Met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in [artikel 6.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=6&paragraaf=3&artikel=6.4&z=2017-12-06&g=2017-12-06), komen voor subsidie in aanmerking activiteiten gericht op of ter bevordering van:
- a. samenwerking tussen Nederlandse onderwijsinstellingen en onderwijsinstellingen in ontwikkelingslanden;
- b. financiële ondersteuning van studerenden in of afkomstig uit ontwikkelingslanden of
- c. kennisoverdracht, zoals het ontwikkelen en uitvoeren van cursussen, trainingen en stages.
#### Paragraaf 2. Vakbeweging
#### Paragraaf 3. Hoger onderwijs
### Afdeling 9. Meningsvorming, voorlichting, draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen
### Afdeling 10. Publiek private samenwerking; bijzondere gevallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Afdeling 6. Onderwijs, onderzoek
### Afdeling 7. Overheid en bedrijfsleven; rentelasten en garanties
#### Paragraaf 1. Overheid
##### Artikel 7.1
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan versterking van de positie van ontwikkelingslanden in het wereldhandelsverkeer door de beschikbaarstelling van deskundigheid en andere vormen van assistentie aan overheden van ontwikkelingslanden.
#### Paragraaf 2. Bedrijfsleven
##### Artikel 7.2
1. De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van:
- a. activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan bevordering van een duurzame vergroting van werkgelegenheid en economische groei in ontwikkelingslanden door versterking van het bedrijfsleven in die landen,
- b. transacties in het economisch verkeer met een vernieuwend of stimulerend effect op de verbetering van het milieu in ontwikkelingslanden, en
- c. activiteiten die strekken of dienstig zijn aan de bevordering van de internationale economische betrekkingen en de buitenlandse handel.
2. Voor subsidieverlening in het kader van deze paragraaf komen uitsluitend bedrijven en organisaties gericht op de behartiging van de belangen van het bedrijfsleven in aanmerking.
##### Artikel 7.3
Vervallen
#### Paragraaf 3. Rentelasten en garanties
##### Artikel 7.4
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan de verstrekking van leningen aan ontwikkelingslanden ten behoeve van investeringen in die landen tegen een rente die lager ligt dan de marktrente, door rentesubsidies en garantstellingen.
### Afdeling 9. Meningsvorming, voorlichting, draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen
### Afdeling 10. Publiek private samenwerking; bijzondere gevallen
### Afdeling 10. Publiek private samenwerking; bijzondere gevallen
#### Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
### Afdeling 11. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Afdeling 5. Thematische financiering
### Afdeling 7. Overheid en bedrijfsleven; rentelasten en garanties
### Afdeling 8. Cultuur en sport; regionale prioriteiten
#### Paragraaf 1. Cultuur en Sport
##### Artikel 8.1
De Minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan:
- a. bevordering van de internationale betrekkingen op cultureel gebied;
- b. bevorderen van sociale cohesie in het buitenland door middel van cultuur;
- c. versterking van de culturele sector in ontwikkelingslanden;
- d. bevordering van de kennis van en het begrip voor cultuuruitingen in ontwikkelingslanden, of
- e. versterking van de sportsector in ontwikkelingslanden.
##### Artikel 8.2
1. Voor subsidie met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in [artikel 8.1, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=8&paragraaf=1&artikel=8.1&z=2017-12-06&g=2017-12-06), komen in aanmerking:
- a. bezoekersprogramma’s voor buitenlandse cultuurdeskundigen;
- b. gebundelde of sectorale presentaties van Nederlandse cultuuruitingen in het buitenland;
- c. activiteiten met het oog op de uitvoering van culturele verdragen of internationale afspraken op het terrein van de cultuur, en
- d. kleinschalige lokale culturele projecten in het buitenland, gericht op de plaatselijke bevolking met een herkenbare Nederlandse component.
2. Voor subsidie met het oog op en binnen het raam van de doelstelling, genoemd in [artikel 8.1, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=8&paragraaf=1&artikel=8.1&z=2017-12-06&g=2017-12-06), komen in aanmerking activiteiten gericht op:
- a. een krachtiger lokale cultuursector gericht op maatschappelijke innovatie;
- b. meer cultuurparticipatie door jongeren;
- c. een veiliger en duurzamer leefomgeving in steden;
- d. duurzaam behoud van lokaal cultureel erfgoed.
3. Subsidies verstrekt namens de Minister door een Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland met het oog op de doelstelling, genoemd in [artikel 8.1, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=8&paragraaf=1&artikel=8.1&z=2017-12-06&g=2017-12-06), hebben betrekking op kleinschalige lokale culturele projecten, gericht op de plaatselijke bevolking.
4. Subsidie voor activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, kan uitsluitend worden verleend aan sectorinstituten met een internationale taak die door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zijn aangewezen en aan fondsen, bedoeld in [artikel 9 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005904&artikel=9).
#### Paragraaf 1. Cultuur
##### Artikel 8.3
1. Voor subsidie met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in [artikel 8.1, onder c, d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=8&paragraaf=1&artikel=8.1&z=2017-12-06&g=2017-12-06), komen in aanmerking:
- a. activiteiten gericht op de totstandkoming van cultuuruitingen met name in ontwikkelingslanden door kunstenaars en culturele instellingen afkomstig uit of werkzaam in ontwikkelingslanden,
- b. stageprogramma’s gericht op kunstenaars of sporters afkomstig uit ontwikkelingslanden en
- c. initiatieven gericht op totstandkoming van sportactiviteiten in ontwikkelingslanden en op vergroting van sportparticipatie, vooral voor jongeren, vrouwen en gehandicapten.
2. Subsidie voor activiteiten, bedoeld in het eerste lid, kan uitsluitend worden verleend aan instellingen die naar doelstelling en werkwijze geheel of overwegend zijn gericht op de bevordering en verspreiding van cultuuruitingen met name in ontwikkelingslanden door kunstenaars of culturele instellingen afkomstig uit of werkzaam in ontwikkelingslanden en aan samenwerkingsverbanden van sportinstellingen met ervaring in ontwikkelingslanden.
### Afdeling 9. Meningsvorming, voorlichting, draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen
#### Paragraaf 2. Regionale prioriteiten
##### Artikel 9.1
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan:
- a. bevordering van kennis en inzicht in en de meningsvorming over aangelegenheden met betrekking tot ontwikkelingsamenwerking, of
- b. bevordering van het draagvlak voor het beleid inzake ontwikkelingsamenwerking.
##### Artikel 9.2
Met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in [artikel 9.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=9&paragraaf=1&artikel=9.1&z=2017-12-06&g=2017-12-06), komen voor subsidie in aanmerking activiteiten gericht op of ter bevordering van:
- a. publieksvoorlichting in brede zin en voorlichting gericht op specifieke doelgroepen;
- b. themabijeenkomsten, congressen, discussiebijeenkomsten, internationale evenementen en manifestaties;
- c. de totstandkoming en distributie van publicaties; of
- d. onderwijsactiviteiten die strekken tot of dienstig zijn aan het vergroten van de kennis over ontwikkelingslanden in Nederland.
#### Paragraaf 1. Ontwikkelingssamenwerking
##### Artikel 9.3
De minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan:
- a. bevordering van kennis en inzicht in en de meningsvorming over aangelegenheden met betrekking tot de buitenlandse betrekkingen;
- b. bevordering van het draagvlak voor het beleid inzake de buitenlandse betrekkingen; of
- c. bevordering van een positieve beeldvorming over Nederland in het buitenland.
##### Artikel 9.4
Met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in [artikel 9.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=9&paragraaf=2&artikel=9.3&z=2017-12-06&g=2017-12-06), komen voor subsidie in aanmerking activiteiten gericht op of ter bevordering van:
- a. publieksvoorlichting in brede zin en voorlichting gericht op specifieke doelgroepen;
- b. themabijeenkomsten, congressen, discussiebijeenkomsten, internationale evenementen en manifestaties;
- c. de totstandkoming en distributie van publicaties; of
- d. onderwijsactiviteiten die strekken tot of dienstig zijn aan het vergroten van de kennis van, inzicht in en de meningsvorming over aangelegenheden met betrekking tot de buitenlandse betrekkingen.
### Afdeling 9. Meningsvorming, voorlichting, draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen
#### Paragraaf 2. Buitenlandse betrekkingen
##### Artikel 10.1
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder publiek private samenwerking verstaan: een samenwerkingsverband van enerzijds een of meer partijen afkomstig uit de kring van de overheid en anderzijds een of meer particuliere organisaties zonder winstoogmerk of partijen uit de kring van het bedrijfsleven, gericht op de realisering van gezamenlijk onderschreven doelstellingen door uitvoering van activiteiten op een zodanige wijze dat elk van de partijen een deel van de daartoe benodigde inspanningen levert en een deel van de daarmee gepaard gaande risico’s draagt.
##### Artikel 10.2
1. De minister kan subsidie verlenen met het oog op de uitvoering van activiteiten, bedoeld in deze regeling, verricht in het kader van publiek private samenwerking.
2. De minister kan daarbij buiten toepassing laten het ten aanzien van subsidiëring van de desbetreffende activiteiten vastgestelde subsidieplafond, het bepaalde ingevolge [artikel 7, tweede lid, van het Subsidiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=7) alsmede bepalingen van deze regeling.
3. De subsidie wordt in de vorm van een activiteitensubsidie verleend, in voorkomend geval in aanvulling op een reeds aan dezelfde ontvanger verleende instellingssubsidie. De subsidieontvanger draagt zorg voor een zodanig beheer van de desbetreffende subsidiegelden dat gewaarborgd is dat de subsidie uitsluitend wordt besteed voor de activiteiten waarvoor zij is bestemd en dat daarvan afzonderlijk verslag kan worden gedaan.
##### Artikel 10.3
Indien de publiek private samenwerking niet over rechtspersoonlijkheid beschikt, kan de subsidie uitsluitend worden verleend aan een van de partijen in het samenwerkingsverband die wel over rechtspersoonlijkheid beschikt, onderverminderd [artikel 4, eerste lid, van het Subsidiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=4). Op deze subsidieontvanger rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, onverschillig welk van de partijen in het samenwerkingsverband feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.
##### Artikel 10.4
1. De subsidieaanvraag omvat mede een beschrijving van de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van de publiek private samenwerking en van de wijze waarop de besluitvorming in de publiek private samenwerking plaats vindt.
2. Indien de publiek private samenwerking niet beschikt over rechtspersoonlijkheid omvat de subsidieaanvraag mede een overeenkomst tussen partijen op grond waarvan de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen jegens de minister is gewaarborgd.
#### Paragraaf 2. Buitenlandse betrekkingen
##### Artikel 10.5
1. De minister kan in bijzondere gevallen binnen het raam van [artikel 2 van de Kaderwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010178&artikel=2) subsidie verlenen
- a. ten behoeve van andere activiteiten dan bedoeld in deze regeling, of
- b. in afwijking van een of meer bepalingen van deze regeling, daaronder begrepen de met het oog daarop bekendgemaakte beleidsregels op grond van [artikel 6 van het Subsidiebesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6);
indien te subsidiëren activiteiten naar het oordeel van de minister een betekenisvolle bijdrage leveren aan de realisering van de beleidsdoelstellingen van de minister.
2. Een beschikking tot subsidiëring in afwijking van een of meer bepalingen van deze regeling vermeldt de bepalingen waarvan wordt afgeweken.
### Afdeling 10. Publiek private samenwerking; bijzondere gevallen
##### Artikel 11.1
De [Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010173) en de [Subsidieregeling Algemene organisaties voor ontwikkelingssamenwerking](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013208) worden ingetrokken.
##### Artikel 11.2
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006 en vervalt met ingang van 1 juli 2022. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 december 2005, treedt deze regeling in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 2006.
##### Artikel 11.3
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### Paragraaf 4. Toepassingsgericht onderzoek drinkwater en sanitatie
##### Artikel 6.6
Vervallen
### Afdeling 7. Overheid en bedrijfsleven; rentelasten en garanties
#### Paragraaf 2. Bedrijfsleven
#### Paragraaf 3. Rentelasten en garanties
### Afdeling 8. Cultuur; regionale prioriteiten
#### Paragraaf 1. Cultuur
#### Paragraaf 3. Rentelasten en garanties
### Afdeling 8. Cultuur; regionale prioriteiten
#### Paragraaf 1. Cultuur
#### Paragraaf 1. Publiek private samenwerking
### Afdeling 9. Meningsvorming, voorlichting, draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen
#### Paragraaf 1. Ontwikkelingssamenwerking
#### Paragraaf 2. Buitenlandse betrekkingen
### Afdeling 11. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### Paragraaf 6. Politieke en interparlementaire samenwerking
##### Artikel 5.13
Vervallen
##### Artikel 5.14
Vervallen
##### Artikel 5.15
Vervallen
##### Artikel 5.16
Vervallen
### Afdeling 6. Onderwijs, onderzoek
#### Paragraaf 2. Onderzoek
#### Paragraaf 1. Publiek private samenwerking
### Afdeling 7. Overheid en bedrijfsleven; rentelasten en garanties
#### Paragraaf 2. Regionale prioriteiten
#### Paragraaf 2. Regionale prioriteiten
### Afdeling 9. Meningsvorming, voorlichting, draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen
#### Paragraaf 1. Ontwikkelingssamenwerking
#### Paragraaf 2. Buitenlandse betrekkingen
#### Paragraaf 1. Publiek private samenwerking
### Afdeling 10. Publiek private samenwerking; bijzondere gevallen
#### Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
### Afdeling 11. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
##### Artikel 4.18
De Minister kan in beleidsregels als bedoeld in [artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018039&artikel=6), bepalen dat in aanvulling op de toepassing van [artikel 4.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019366&afdeling=4&paragraaf=6&artikel=4.12&z=2008-11-13&g=2008-11-13) voor een in de beleidsregels te bepalen tijdvak subsidie kan worden verleend voor activiteiten, gericht op of dienstig aan structurele armoedebestrijding in ontwikkelingslanden, met betrekking tot een of meer van de thema’s, genoemd in deze afdeling. De Minister kan in de beleidsregels bepalen dat een of meer van de artikelen van deze afdeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven.
### Afdeling 5. Bijzondere financieringsprogramma’s
#### Paragraaf 4. Technische assistentie
#### Paragraaf 2. Vakbeweging
#### Paragraaf 2. Bedrijfsleven
#### Paragraaf 6. Politieke en interparlementaire samenwerking
#### Paragraaf 5. Gemeentelijke samenwerking; kleinschalige plaatselijke activiteiten; particuliere initiatieven
### Afdeling 7. Overheid en bedrijfsleven; rentelasten en garanties
#### Paragraaf 2. Buitenlandse betrekkingen
### Afdeling 10. Publiek private samenwerking; bijzondere gevallen
#### Paragraaf 1. Publiek private samenwerking
#### Paragraaf 1. Publiek private samenwerking
#### Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
#### Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
### Afdeling 11. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### Paragraaf 2. Buitenlandse betrekkingen
##### Artikel 8.4
De Minister kan subsidie verlenen voor activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan bevordering van de sociale en politieke banden en de economische samenwerking tussen Nederland en landen waarmee Nederland door nabuurschap, door culturele en historische betrekkingen, door hun betekenis als land van herkomst van in Nederland levende migranten of anderszins een bijzondere band heeft.
### Afdeling 11. Slotbepalingen
#### Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
#### Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
### Afdeling 11. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### Paragraaf 5. Gedetineerdenbegeleiding in het buitenland
##### Artikel 2.6
De Minister kan subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aanhet verlenen van bijstand op maatschappelijk, sociaal dan wel geestelijk vlak aan Nederlandse gedetineerden in het buitenland.
### Afdeling 3. Noodhulp en personele veiligheid
### Afdeling 4. Medefinancieringsstelsel
#### Paragraaf 5. Thema’s
#### Paragraaf 2. Vakbeweging
#### Paragraaf 2. Onderzoek
### Afdeling 5. Bijzondere financieringsprogramma’s
#### Paragraaf 1. Overheid
#### Paragraaf 5. Gemeentelijke samenwerking; kleinschalige plaatselijke activiteiten; particuliere initiatieven
#### Paragraaf 1. Cultuur en Sport
### Afdeling 6. Onderwijs, onderzoek
### Afdeling 9. Meningsvorming, voorlichting, draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen
### Afdeling 10. Publiek private samenwerking; bijzondere gevallen
### Afdeling 11. Slotbepalingen
#### Paragraaf 1. Publiek private samenwerking
#### Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
### Afdeling 11. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### Paragraaf 2. Organisaties
#### Paragraaf 3. Procedurele bepalingen; aanvraag
#### Paragraaf 2. Subsidieontvangers
### Afdeling 5. Bijzondere financieringsprogramma’s
#### Paragraaf 2. Overige subsidies MFS-thema’s
#### Paragraaf 5. Gemeentelijke samenwerking; kleinschalige plaatselijke activiteiten; particuliere initiatieven
### Afdeling 6. Onderwijs, onderzoek
#### Paragraaf 6. Politieke en interparlementaire samenwerking
#### Paragraaf 1. Ontwikkelingssamenwerking
### Afdeling 8. Cultuur; regionale prioriteiten
### Afdeling 9. Meningsvorming, voorlichting, draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen
### Afdeling 10. Publiek private samenwerking; bijzondere gevallen
### Afdeling 11. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### Paragraaf 1. Noodhulp
##### Artikel 3.7
Subsidie kan worden verleend voor activiteiten waarmee reeds een aanvang is gemaakt indien:
- a. de activiteiten zo spoedeisend zijn dat van de aanvrager in redelijkheid niet gevergd kan worden dat deze zijn aanvraag voor aanvang daarvan had ingediend;
- b. de aanvrager bij aanvang van de activiteiten de minister daarvan in kennis heeft gesteld onder mededeling van het voornemen om een subsidieaanvraag in te dienen, en
- c. de subsidieaanvraag binnen vier weken na aanvang van de activiteiten is ingediend.
##### Artikel 3.8
1. Af- en overschrijvingen tussen posten op de begroting voor activiteiten waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie is verleend, behoeven niet ter goedkeuring aan de minister te worden voorgelegd, indien:
- a. de af- en overschrijdingen het gevolg zijn van gewijzigde of onvoorziene omstandigheden in een situatie van acute nood;
- b. de af- en overschrijdingen niet meer bedragen dan 25% van de desbetreffende posten, en
- c. het totaal van de begroting niet wordt overschreden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op vergoedingen voor expatriates en de aanschaf van transportmiddelen en van communicatieapparatuur.
##### Artikel 3.9
De minister kan subsidie verleden ten behoeve van
- a. het volgen van veiligheidstrainingen en
- b. ondersteuning bij het ontwikkelen van een veiligheidsbeleid.
##### Artikel 3.10
1. Subsidie op grond van paragraaf 2 kan uitsluitend worden verleend aan particuliere organisaties die in risicovolle gebieden activiteiten ontplooien die ten laste van de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken worden bekostigd.
2. Subsidie kan worden verleend tot ten hoogste 50% van de kosten van de voor subsidie in aanmerking komende activiteiten. Subsidie wordt niet verleend voor reiskosten.
3. Subsidieaanvragen bevatten in elk geval:
- a. een lijst met deelnemers;
- b. vermelding van de landen of regio’s waar deze deelnemers werkzaam zijn of zullen zijn;
- c. een omschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
- d. in voorkomend geval de beoogde aanbieders van de activiteiten en
- e. een duidelijke en sluitende begroting die gekoppeld is aan de activiteiten.
### Afdeling 4. Strategische partnerschappen pleiten en beïnvloeden
#### Paragraaf 3. Beoordeling
#### Paragraaf 4. Overige bepalingen
### Afdeling 5. Bijzondere financieringsprogramma’s
#### Paragraaf 1. Personele samenwerking met ontwikkelingslanden
### Afdeling 6. Onderwijs, onderzoek
#### Paragraaf 1. Internationaal onderwijs en -onderzoek
### Afdeling 7. Overheid en bedrijfsleven; rentelasten en garanties
#### Paragraaf 1. Overheid
### Afdeling 8. Cultuur; regionale prioriteiten
### Afdeling 11. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Afdeling 5. Thematische financiering
#### Paragraaf 1. Personele samenwerking met ontwikkelingslanden
#### Paragraaf 2. Vakbeweging
#### Paragraaf 3. Hoger onderwijs
### Afdeling 9. Meningsvorming, voorlichting, draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen
### Afdeling 10. Publiek private samenwerking; bijzondere gevallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
#### Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
### Afdeling 6. Onderwijs, onderzoek
### Afdeling 7. Overheid en bedrijfsleven; rentelasten en garanties
### Afdeling 8. Cultuur en sport; regionale prioriteiten
### Afdeling 9. Meningsvorming, voorlichting, draagvlakbevordering ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse betrekkingen
### Afdeling 10. Publiek private samenwerking; bijzondere gevallen
#### Paragraaf 2. Bijzondere gevallen
### Afdeling 11. Slotbepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
2017-12-06
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 — arts. 2, 9, 9
2017-06-15
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 — arts. 2, 9, 9
2015-10-17
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 — arts. 2, 9, 9
2014-08-01
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 — arts. 2, 9, 9
2014-07-01
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 — arts. 2, 2, 9
2014-05-15
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006
2013-01-01
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 — arts. 2, 9, 9
2012-08-01
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 — arts. 2, 9, 9
2012-07-28
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006
2012-07-01
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 — arts. 2, 2, 9
2011-01-01
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006
2010-02-17
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006
2009-07-30
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006
2008-11-13
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006
2008-10-10
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006
2008-05-23
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 — arts. 2, 3, 3
2007-11-27
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006
2007-09-22
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 — arts. 2, 3, 3
2006-07-21
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006
2006-04-20
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 — arts. 2, 3, 3
2006-01-01
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 — arts. 1, 1, 1
2006-01-01
Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 — versión or
original version Tekst op deze datum