Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens. |
Artikel 5.13.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De markeringslichten en de staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | |
| 3. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. | |
| 4 | De extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 5. | De mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. |
Artikel 5.13.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.13.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.13.60
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De achteruitrijlichten mogen niet lager dan 0,25 m en niet hoger dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De markeringslichten moeten zijn aangebracht: | Visuele controle. |
| a. zo hoog mogelijk boven het wegdek, en | ||
| b. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig. | ||
| 3. | Het mistachterlicht of de mistachterlichten moeten zijn aangebracht: | Leden 3 tot en met 6: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. op ten minste 0,10 m afstand van de remlichten, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek. | ||
| Indien slechts één mistachterlicht aanwezig is, moet dit licht links van het middenlangsvlak van het voertuig zijn aangebracht. | ||
| 4. | De zijmarkeringslichten moeten zijn aangebracht: | |
| a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 5. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d. | |
| 6. | De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig voor de eerste as zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. |
Artikel 5.13.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, de waarschuwingsknipperlichten en de remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.13.65
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.13.51, 5.13.57 en 5.13.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Aanhangwagens niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.13.66
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De koppeling van aanhangwagens moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 129, van toepassing. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle. |
| 2. | De koppeling en de trekdriehoek of trekboom van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, ernstig vervormd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 3. | De trekdriehoek of trekboom mag niet zijn doorgeroest. | |
| 4. | Aanhangwagens die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling. De hulpkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 5. | Aanhangwagens die zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen niet tevens zijn voorzien van een hulpkoppeling. | |
| 6. | Delen van de koppeling van aanhangwagens mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken. |
Artikel 5.13.67
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling: a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren, en b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. | Visuele controle, waarbij de sluit- en borginrichting met behulp van de koppelingskogel wordt gecontroleerd. |
Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
Artikel 5.14.0
Een landbouw- of bosbouwaanhangwagen en een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk achter een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, moeten voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
In afwijking van het eerste lid, moet een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat niet om een verticale as kan draaien ten opzichte van het trekkende voertuig, voldoen aan het bepaalde in afdeling 18.
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.14.3
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | Visuele controle. |
Artikel 5.14.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. |
Artikel 5.14.5
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.14.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, dan wel niet breder dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden en de daarvoor noodzakelijk aangebrachte wielafscherming en markering. Uitrusting breder dan 2,55 m vallende binnen het breedste punt van de banden wordt niet in aanmerking genomen, indien deze te demonteren is en niet leidt tot extra laadruimte; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. – Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, mogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens in gebruik genomen vóór 1 januari 2022 niet breder zijn dan 3,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 3. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. | – |
| 4. | Verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. – Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| 5. | Van landbouw- of bosbouwaanhangwagens, zijnde opleggers, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,17 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,12 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van overeenkomstige toepassing is. |
Artikel 5.14.7
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De totale massa, de som van de aslasten, de last onder de assen en de last onder de koppeling van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister vermelde technisch toegestane maximummassa’s. Indien deze massa’s niet geregistreerd zijn, mogen ze niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximummassa’s. | Leden 1 tot en met 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. |
| 2. | Indien van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen die of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat in gebruik genomen is na 30 juni 2021, de technisch toegestane maximummassa’s niet met behulp van het eerste lid kunnen worden vastgesteld, geldt voor dit voertuig een technisch toegestane maximummassa van 750 kg. | |
| 3. | Indien er geen constructieplaat aanwezig is en het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2018, geldt dat de totale last onder de wielen op één aslijn niet meer mag bedragen dan 10.000 kg. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.14.9
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact ingeschakeld moet zijn. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
§ 5. Assen
Artikel 5.14.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. |
Artikel 5.14.19
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels, alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging, mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.14.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.14.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.14.26
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle. |
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
Artikel 5.14.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De banden moeten zijn voorzien van een loopvlak dat niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 5. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 6. | De last onder de band mag niet groter zijn dan de op de banden vermelde loadindex. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50, van overeenkomstige toepassing. | Bij twijfel wordt het voertuig gewogen. |
| 7. | Het op de banden vermelde snelheidscategoriesymbool van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2020 moet verenigbaar zijn met de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50a, van toepassing. | Visuele controle. |
| 8. | Het zesde en zevende lid zijn niet van toepassing indien tijdelijk andere banden zijn gemonteerd en de last respectievelijk snelheid ten opzichte van de op de banden aangebrachte loadindex en rijsnelheid niet wordt overschreden. |
Artikel 5.14.28
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die zijn voorzien van gasvering of schroefveren, moeten zijn voorzien van schokdempers die deugdelijk zijn bevestigd en goed werken. |
Artikel 5.14.30
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De draaikransen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. | Visuele controle. |
| 2. | De axiale speling van de draaikransen mag: a. niet meer bedragen dan 3,5 mm; b. niet zodanig zijn dat de draaikranshelften op elkaar inslijten. | Visuele controle. Het zichtbaar maken van de speling geschiedt: a. door middel van een hefboom of koevoet, of b. door het chassis te heffen. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikransen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.14.31
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een massa in rijklare toestand van meer dan 3.500 kg, moeten zijn voorzien van een goed werkende reminrichting. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle. In geval van twijfel omtrent de massa, wordt het voertuig gewogen. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten landbouw- of bosbouwaanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2017 en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 1.500 kg, zijn voorzien van een goed werkende reminrichting. | |
| 3. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2017 en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 3.500 kg, zijn voorzien van een goed werkende reminrichting. | |
| 4. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 750 kg, zijn voorzien van een goed werkende reminrichting. | |
| 5. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 8.000 kg, zijn voorzien van een tweeleidingremsysteem, tenzij deze voertuigen in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 2018 en een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 40 km/h hebben. | |
| 6. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2017 mogen niet zijn voorzien van een éénleidingremsysteem. | |
| 7. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 3.500 kg, zijn voorzien van een antiblokkeersysteem tenzij deze voertuigen in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 2018 en een maximumconstructiesnelheid van meer dan 60 km/h hebben. | |
| 8. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van aanhangwagens mag geen defect aangeven. | Leden 8 en 9: visuele en auditieve controle. Wanneer een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven door een controlemiddel aangesloten op de stekker van het systeem, dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel worden de wielen, bijvoorbeeld met een wielspinner, op snelheid gebracht. |
| 9. | De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van aanhangwagens mag geen defect aangeven. | |
| 10. | Indien landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken zijn voorzien van een reminrichting: a. moeten de onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen de onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. mogen de onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. mogen de onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en e. mogen de remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat kans op breuk ontstaat. | – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdelen d en e: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk gezet. |
| 11. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren; en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | Visuele controle. |
| 12. | Remleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. |
| 13. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien. |
| 14. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 15. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Leden 15 tot en met 17: visuele controle. |
| 16. | Indien de oplooprem is voorzien van een automatische blokkering ten behoeve van het achteruitrijden, moet deze goed werken. | |
| 17. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd, gebroken; en d. mogen geen lekkage vertonen. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.14.41
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Het slot en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten. |
Artikel 5.14.48
| 1. | Scherpe of uitstekende delen aan de voor- en achterzijde van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd. | Visuele controle. |
|---|---|---|
| 2. | Scherpe of uitstekende delen aan de zijkanten van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij het beoordelingsgebied is gelegen aan beide zijkanten en wordt begrensd door de buitenrand van het voertuig uitgezonderd de delen die gelegen zijn op meer dan 80 mm vanaf de buitenrand van het voertuig in de richting van het middenlangsvlak. De buitenrand van het voertuig is de zijrand van het voertuig die met een verticale lijn met een lengte van 2 m, haaks op het middenlangsvlak van het voertuig, als eerste wordt geraakt. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. Voor de buitenrand van het beoordelingsgebied van het voertuig die in de lengterichting achter de grootste breedte is gelegen wordt de grootste breedte van het voertuig gehanteerd. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. De delen van het voertuig gelegen achter de grootste breedte van het voertuig en die een snij- of prikfunctie hebben en direct raakbaar zijn met de verticale 2 m lijn moeten zijn afgeschermd, ook als die zijn gelegen buiten het beoordelingsgebied. |
| 3. | Onverminderd het tweede lid mag het buitenoppervlak aan elke zijkant van de landbouw- of bosbouwaanhangwagen en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken geen naar buiten gerichte delen bevatten waaraan andere weggebruikers kunnen blijven haken. | Leden 3 en 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | |
| 5. | Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: a. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband; b. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak; c. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan; d. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan; e. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen; f. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen; g. antislipinrichtingen op de wielen; h. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en i. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek. | |
| 6. | De wielen onderscheidenlijk banden van landbouw- of bosbouwaanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, niet zijnde voertuigen breder dan 2,55 m waarbij de montage van afscherming onverenigbaar is in verband met de noodzakelijke bewegingsvrijheid van de wielen in ruw terrein, moeten aan de bovenzijde voor ten minste twee derde deel van de totale breedte van de banden zijn afgeschermd, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.32, tweede lid. De voorste en de achterste rand van de afscherming moeten een hoek van ten minste 90 graden afdekken. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 7. | De wielen onderscheidenlijk banden van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet aanlopen. | Leden 7 tot en met 9: visuele controle. |
| 8. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens waarvan de som van de technisch toegestane maximummassa’s per as meer dan 3.500 kg bedraagt, met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h en in gebruik genomen na 31 december 2017, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 110, van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het eerste lid, aanhef en onderdeel f. | |
| 9. | Geen deel van de buitenzijde van de landbouw- of bosbouwaanhangwagen en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.14.51
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken moeten zijn voorzien van: a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m en een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h heeft; b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; c. twee achterlichten; d. twee remlichten; e. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; f. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; h. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; i. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2,55 m en in gebruik is genomen na 31 december 2017; j. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig aan de achterzijde niet is voorzien van een kentekenplaat; k. zijmarkeringslichten indien het een landbouw- of bosbouwaanhangwagen betreft met de voertuigclassificatie R3 of R4, die langer is dan 4,60 m en in gebruik is genomen na 31 december 2021. | Onderdeel a: visuele controle, ingeval van twijfel wordt gemeten. Onderdelen b tot en met h: visuele controle. Onderdeel i: visuele controle, ingeval van twijfel wordt gemeten. Onderdelen j en k: visuele controle. |
Artikel 5.14.53
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De stadslichten mogen niet anders dan wit of geel licht uitstralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers en remlichten mogen niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit licht uitstralen en mag niet naar achteren uitstralen. | |
| 5. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel licht uitstralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood licht mag uitstralen. |
Artikel 5.14.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht: | Leden 1 tot en met 7 visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 2. | De richtingaanwijzers moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de richtingaanwijzers op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 3. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 4. | De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 5. | De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek; indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 6. | De witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig moeten zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 7. | De ambergele retroreflectoren aan elke zijkant en het voertuig moeten: | |
| a. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht; | ||
| b. zodanig zijn aangebracht dat: | ||
| 1°. één retroreflector zich bevindt in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen; | ||
| 2°. de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren niet meer dan 3,00 m bedraagt; | ||
| 3°. de afstand van de voorste retroreflector tot de voorzijde van de aanhangwagen niet meer dan 3,00 m; | ||
| 4°. de afstand van de achterste retroreflector tot de achterzijde van de aanhangwagen niet meer dan 1,00 m bedraagt, waarbij het voertuiggedeelte boven de 2,00 m buiten beschouwing wordt gelaten in de afstand tot de achterzijde. | ||
| 8. | De markeringslichten moeten zijn aangebracht: a. zo hoog mogelijk boven het wegdek, en b. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Visuele controle. |
Artikel 5.14.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.14.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in artikel 5.14.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De in artikel 5.14.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. |
Artikel 5.14.57
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen zijn voorzien van: a. twee stadslichten, indien deze verlichting niet reeds op grond van artikel 5.14.51, eerste lid, aanhef en onderdeel a, verplicht is; b. twee extra achterlichten; c. één of twee extra remlichten; d. één of twee achteruitrijlichten; e. één of twee mistachterlichten; f. twee extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; g. twee extra witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; h. extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; i. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; j. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig; l. zijmarkeringslichten; m. lijn- of contourmarkering aan de zijkant en achterzijde van het voertuig; n. twee staaklichten; o. werklichten; p. een licht aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft; q. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 januari 2021; r. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen; s. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van artikel 5.14.51, eerste lid, aanhef en onderdeel j, verplicht is. | Visuele controle. |
Artikel 5.14.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 8: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De achterlichten en mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De extra richtingaanwijzers en de waarschuwingslichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 4. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. | |
| 5. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 6. | De remlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 7. | De lijn- of contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- of contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel. | |
| 8. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. |
Artikel 5.14.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.14.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.14.60
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Op de stadslichten en markeringslichten is artikel 5.14.54, eerste lid, onderscheidenlijk achtste lid, van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Mistachterlicht of de mistachterlichten moeten zijn aangebracht: | Leden 3 tot en met 5: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. op ten minste 0,10 m afstand van de remlichten, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek. | ||
| Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. | ||
| 4. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d. Indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd mogen twee extra remlichten worden aangebracht. | |
| 5. | De zijmarkeringslichten moeten zijn aangebracht: | |
| a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. |
Artikel 5.14.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen, met uitzondering van werklichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten en remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | |
| 3. | In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen. |
Artikel 5.14.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.14.51, 5.14.57 en 5.14.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.14.66
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De koppeling en trekinrichting moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig zijn gesleten. | Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. |
| 2. | De trekdriehoek, alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van verschijnselen van corrosie van het oppervlak. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De dissel, alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
| 4. | De trekdriehoek mag niet zodanig zijn vervormd dat een langsbeen, gemeten over een afstand van 0,90 m, een uitwijking heeft van meer dan 18 mm ten opzichte van de rechte lijn. Een dissel mag niet overmatig zijn vervormd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei gemeten. |
| 5. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van niet meer dan 3.500 kg, die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling, indien deze aanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken voertuigen worden gekoppeld door middel van één koppelpunt. | Leden 5 tot en met 8: visuele controle. |
| 6. | De hulpkoppeling, bedoeld in het vijfde lid, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 7. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen niet tevens zijn voorzien van een hulpkoppeling. | |
| 8. | Delen van de koppeling van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken. |
Artikel 5.14.67
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Indien landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken zijn voorzien van een koppeling: a. moet de sluit- en borginrichting goed werken, en b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. | Visuele controle. |
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
Artikel 5.15.0
Een motorfietsaanhangwagen en een bromfietsaanhangwagen moeten voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 6. Ophanging
Artikel 5.15.2
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen slechts éénassig zijn. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Bij éénwielige motorfietsaanhangwagens en éénwielige bromfietsaanhangwagens moet het wiel zodanig zijn bevestigd dat het uitsluitend draaibaar is om de eigen horizontale as. |
Artikel 5.15.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie mogen: | Visuele controle. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. |
Artikel 5.15.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. |
Artikel 5.15.5
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.15.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,00 m b. niet hoger zijn dan 1,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mogen bromfietsaanhangwagens achter een bromfiets op twee wielen niet breder zijn dan 1,00 m. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.15.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De as moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mag geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De as mag niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De as magen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De as mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. |
Artikel 5.15.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.15.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.15.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle. |
| 2. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 3. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | |
| 4. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 5. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting. | |
| 6. | Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn. | |
| 7. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.15.41
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De sloten en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten. |
Artikel 5.15.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | De wielen onderscheidenlijk banden moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. | |
| 4. | Geen deel van de buitenzijde van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
Artikel 5.15.50
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. | Visuele controle. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.15.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van: | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien de trekkende motorfiets van richtingaanwijzers is voorzien; | ||
| b. één of twee achterlichten; | ||
| c. één of twee remlichten, indien de trekkende motorfiets van een remlicht is voorzien; | ||
| d. achterkentekenplaatverlichting; | ||
| e. één of twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| f. ten minste één ambergele retroreflector aan elke zijkant van het voertuig. | ||
| 2. | Bromfietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van: | |
| a. één of twee achterlichten; | ||
| b. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| c. ten minste één ambergele retroreflector aan elke zijkant van het voertuig, en | ||
| d. achterkentekenplaatverlichting. |
Artikel 5.15.53
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De achterlichten en de remlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. |
Artikel 5.15.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht: | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. aan de uiterste zijden van het voertuig en op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,24 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | ||
| De lichten moeten zodanig zijn aangebracht dat zij waarneembaar zijn voor een waarnemer die zich in het mediaanvlak van het voertuig bevindt op een afstand van 10 m achter het voertuig. | ||
| 2. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | |
| 3. | Het remlicht of de remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. Indien één licht is aangebracht, is dit in het midden of links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. | |
| 4. | De rode retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan de uiterste zijden van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | |
| 5. | De in artikel 5.15.51 bedoelde ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant op een hoogte van niet minder dan 0,30 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Ten minste één retroreflector moet zich bevinden in het middelste derde gedeelte van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens met inbegrip van de dissel. |
Artikel 5.15.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.15.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn bevestigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in artikel 5.15.51 bedoelde lichten en retroreflectoren voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De in artikel 5.15.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. |
Artikel 5.15.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: a. één mistachterlicht; b. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, en; c. werklichten, en d. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: 1°. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.15.51, eerste lid, onder c. | Leden 1 en 2: – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Bromfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; b. één of twee remlichten, en c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, en d. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: 1°. dat licht zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in het tweede lid, onder b. | |
| 3. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: | Visuele controle. |
| a. extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, | ||
| b. extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde, en | ||
| c. extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste zijreflector, welke rood mag zijn. |
Artikel 5.15.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De remlichten en het mistachterlicht mogen niet anders dan rood stralen. |
Artikel 5.15.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.15.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.15.60
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. aan de uiterste zijden van het voertuig en op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,24 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | ||
| De lichten moeten zodanig zijn aangebracht dat zij waarneembaar zijn voor een waarnemer die zich in het mediaanvlak van het voertuig bevindt op een afstand van 10 m achter het voertuig. | ||
| 2. | Het mistachterlicht moet zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek, links van het midden van het voertuig op een afstand van niet minder dan 0,10 m van het remlicht. | |
| 3. | Het remlicht of de remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. Indien één licht is aangebracht, moet dit in het midden of links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. |
Artikel 5.15.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.15.65
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.15.51, 5.15.57 en 5.15.57a is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.15.66
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De koppeling onderscheidenlijk de dissel moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet zijn doorgeroest. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de koppeling onderscheidenlijk de dissel mogen niet gescheurd, ernstig vervormd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. |
Artikel 5.15.67
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Indien motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens zijn voorzien van een kogelkoppeling: a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren, en b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. | Visuele controle. |
Artikel 5.15.70
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De koppeling van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens met één wiel mag slechts bewegingen toelaten om een horizontale en een verticale as, loodrecht op de lengte-as van het trekkend motorvoertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De koppeling van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens met meer dan één wiel moet bewegingen om een as in de lengterichting van het trekkend motorvoertuig toelaten. |
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
Artikel 5.16.0
Een fietsaanhangwagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
Artikel 5.16.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Fietsaanhangwagens mogen niet breder zijn dan 1,00 m. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.16.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van: a. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, en b. witte of gele retroreflectoren aan de wielen. | Visuele controle. |
Artikel 5.16.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De rode retroreflector moet zijn aangebracht uiterst links aan de achterzijde van de fietsaanhangwagen, op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De witte of gele retroreflectoren moeten de omtrek van het wiel volgen en op of zo dicht mogelijk bij de velg zijn aangebracht, zodanig dat zij aan beide zijkanten van de fietsaanhangwagen zichtbaar zijn. | Visuele controle. |
Artikel 5.16.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.16.51 bedoelde retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 125 en 126, van toepassing. |
Artikel 5.16.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Fietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| b. één of twee achterlichten die zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 151, van toepassing; | ||
| c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 125 en 126, van toepassing, en | ||
| d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | ||
| 2. | Fietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. |
Artikel 5.16.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.16.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.16.51 en 5.16.57 is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)