Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
Laatst bijgewerkt 2026-05-14
State In force
Source BWB
artikelen 3776
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

Artikel 5.17.0

Een wagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.17.3
Eisen Wijze van keuren
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van wagens mogen: Visuele controle.
a. geen breuken of scheuren vertonen, en
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht.
Artikel 5.17.4
Eisen Wijze van keuren
1. De bovenbouw van wagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn.

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.17.6
Eisen Wijze van keuren
1. Wagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,60 m, en b. niet hoger zijn dan 4,00 m. Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mogen onbespannen wagens niet breder zijn dan 1,50 m.
Artikel 5.17.7
Eisen Wijze van keuren
1. De last onder enig wiel van wagens mag niet meer bedragen dan 2.400 kg. Een samenstel van wielen dat op één wielnaaf is gemonteerd, wordt als één wiel beschouwd. Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt het voertuig gewogen.
2. In afwijking van het eerste lid, mag de last onder een wiel dat niet is voorzien van een rubberen band, niet meer bedragen dan 120 kg per cm bandbreedte.
Artikel 5.17.24
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen onderscheidenlijk velgen van wagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.17.27
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen van wagens mogen niet zijn voorzien van metalen banden met uitstekende delen. Visuele controle.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op wagens met een massa van ten hoogste 750 kg, ingericht als landbouwwerktuig. In geval van twijfel wordt het voertuig gewogen.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.17.40
Eisen Wijze van keuren
Handwagens met motorvermogen moeten zodanig zijn ingericht dat, indien de bestuurder het bedieningstoestel loslaat, het voertuig onmiddellijk tot stilstand wordt gebracht. Visuele controle.

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.17.48
Eisen Wijze van keuren
1. Wagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van wagens die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.17.51
Eisen Wijze van keuren
Wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van: a. twee rode retroreflectoren indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel één rode retroreflector indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt; b. één rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is. Visuele controle.
Artikel 5.17.54
Eisen Wijze van keuren
1. De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig op gelijke hoogte zijn aangebracht: Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
a. niet meer dan 0,45 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
2. Indien één retroreflector is voorgeschreven, moet deze zijn aangebracht:
a. aan de uiterste linkerzijde van het voertuig, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
Artikel 5.17.55
Eisen Wijze van keuren
1. De rode retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
Artikel 5.17.57
Eisen Wijze van keuren
1. Wagens mogen zijn voorzien van: Leden 1 en 2: visuele controle.
a. twee lichten aan de voorzijde;
b. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig.
c. twee achterlichten indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel ten minste één achterlicht indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt;
d. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
e. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
2. Wagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
Artikel 5.17.59
Eisen Wijze van keuren
1. De lichten aan de voorzijde mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 3: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.
3. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
Artikel 5.17.59a
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.17.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
3. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.17.64
Eisen Wijze van keuren
1. Wagens mogen niet zijn voorzien van verblindende verlichting. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Wagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.17.65
Eisen Wijze van keuren
1. Wagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in artikelen 5.17.51 en 5.17.57 is voorgeschreven of toegestaan. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Wagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. Visuele controle.

Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.18.0

Verwisselbare gedragen uitrustingsstukken mogen slechts worden gebruikt door:

  • a. landbouw- of bosbouwtrekkers;
  • b. landbouw- of bosbouwaanhangwagens;
  • c. motorrijtuigen met beperkte snelheid;
  • d. mobiele machines;
  • e. bedrijfsauto’s die worden ingezet voor werkzaamheden ten behoeve van wegen, werken of inrichtingen op, aan, in of boven wegen, daaronder begrepen gladheidsbestrijding of sneeuwruimen; en
  • f. verwisselbare getrokken uitrustingsstukken.
Artikel 5.18.1
1.

Met een motorvoertuig mag niet meer dan één aanhangwagen worden voortbewogen.

2.

Met een gelede bus, een gehandicaptenvoertuig of een motorfiets met zijspanwagen waarvan het wiel van de zijspanwagen ongeremd is, mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.

3.

Met een motorvoertuig, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, mag geen landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk worden getrokken.

4.

Met een bijzondere bromfiets mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.

5.

Een samenstel van een motorvoertuig en één aanhangwagen heeft ten hoogste twee draaipunten.

6.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

  • a. een personenauto, bedrijfsauto of bus met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h;
  • b. een landbouw- of bosbouwtrekker;
  • c. een motorrijtuig met beperkte snelheid; of
  • d. een motorvoertuig waarmee meerdere aanhangwagens worden voortbewogen en waarbij de samenstelling van deze aanhangwagens blijkens het kentekenregister wordt beschouwd als één aanhangwagen.
7.

Met motorvoertuigen als bedoeld in het zesde lid, onderdelen a, b en c, mogen niet meer dan drie aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen worden getrokken.

8.

In afwijking van het eerste lid mag met een bedrijfsauto, landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid als bedoeld in artikel 1b, eerste lid, van het Kentekenreglement, een samenstel van dolly en oplegger worden voortbewogen.

9.

Met een motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine als bedoeld in artikel 1b, eerste lid, onderdelen a, b of d, van het Kentekenreglement mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.

10.

Met een motorvoertuig mag geen aanhangwagen worden voortbewogen indien de lengte van het samenstel de toegestane lengte van het samenstel overschrijdt.

Artikel 5.18.2
1.

Met een motorvoertuig mag niet meer dan één motorvoertuig worden gesleept.

2.

Voertuigen voorzien van een drukluchtremsysteem mogen alleen met behulp van een sleepstang worden gesleept.

3.

Het drukluchtremsysteem van het gesleepte voertuig dient te zijn aangesloten op het drukluchtremsysteem van het trekkende voertuig.

4.

Een dolly of afsleepas en een zich daarop bevindend motorvoertuig worden als één motorvoertuig beschouwd. De dolly of afsleepas dient in dat geval te zijn voorzien van een reminrichting.

5.

Een afsleepas mag slechts gebruikt worden, indien zich daarop een motorvoertuig bevindt.

6.

Met een motorvoertuig mag geen tweewielig motorvoertuig of samenstel van voertuigen worden gesleept.

7.

Met een tweewielig motorvoertuig, een bijzondere bromfiets, een gelede bus of een samenstel van voertuigen mag geen motorvoertuig worden gesleept.

Artikel 5.18.3
1.

De bestuurder mag bij het besturen van het voertuig niet door passagiers, lading of op andere wijze worden gehinderd.

2.

In een voertuig waarin vervoer van een passagier in een rolstoel plaatsvindt, zijn geen losse voorwerpen aanwezig die het risico op letsel bij een noodstop, een aanrijding of een botsing kunnen verhogen.

Artikel 5.18.4

De bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen moet:

  • a. voldoende zicht naar voren en opzij hebben door de voorruit en de voorste zijruiten, en
  • b. voldoende zicht hebben op het naast en achter hem gelegen weggedeelte met behulp van de voor dat voertuig of samenstel van voertuigen voorgeschreven spiegels dan wel een camera-monitorsysteem.
Artikel 5.18.5
1.

De spiegels, gezichtsveldverbeterende voorzieningen of camera-monitorsystemen van bedrijfsauto’s, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6, kan overzien.

2.

Indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels of camera-monitorsystemen wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen, met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel of camera-monitorsystemen waarmee de bestuurder een in bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6, vastgesteld weggedeelte kan overzien.

Artikel 5.18.6
1.

De lading of delen daarvan moeten zodanig zijn gezekerd dat deze onder normale verkeerssituaties, waaronder begrepen volle remmingen, plotselinge uitwijkmanoeuvres en slecht wegdek, niet van het voertuig kunnen vallen of de stabiliteit van het voertuig niet in gevaar kunnen brengen. Om hieraan te voldoen moet de lading of delen daarvan zodanig worden vastgezet dat minimaal de volgende versnellings- of vertragingskrachten kunnen worden weerstaan:

  • a. in de rijrichting: 0,8 maal het gewicht van de lading;
  • b. in de zijwaartse richting: 0,5 maal het gewicht van de lading en bij kantelgevaar 0,6 maal het gewicht van de lading;
  • c. in de achterwaarts richting: 0,5 maal het gewicht van de lading;

In aanvulling hierop moet lading zodanig zijn gezekerd dat deze door opwaartse krachten niet van het voertuig kan vallen.

2.

Losse lading die naar haar aard niet op of aan het voertuig bevestigd kan worden, moet deugdelijk zijn afgedekt indien gevaar of hinder ontstaat of kan ontstaan als gevolg van afvallende of wegwaaiende lading.

3.

In afwijking van het eerste lid, moet voertuiggebonden lading, zoals voertuiguitrustingsstukken, voertuiggereedschappen en stuwagemiddelen, zodanig zijn bevestigd dat deze niet van het voertuig kan vallen.

4.

In afwijking van het eerste lid, moeten verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, afneembare bovenbouwen, gestandaardiseerde laadstructuren en meeneemheftrucks deugdelijk zijn bevestigd met geschikte vastzetsystemen, zekeringssystemen en stuwagemiddelen.

5.

Vastzetsystemen, zekeringssystemen, stuwagemiddelen en onderdelen daarvan moeten goed functioneren en geschikt zijn voor het doel waarvoor ze gebruikt worden.

Artikel 5.18.7
1.

Bij het vervoer van goederen aan de voor- of achterzijde van het voertuig moet worden voldaan aan de volgende eisen:

  • a. de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
  • b. de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
  • c. de lastdrager mag met inbegrip van de goederen niet meer dan 0,20 m buiten de zijkanten van het voertuig uitsteken;
  • d. indien de lastdrager is geconstrueerd voor het vervoer van specifieke goederen, mogen geen andere én niet meer van deze goederen worden vervoerd dan waarvoor de constructie is bestemd;
  • e. indien de verlichting en retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig door de lastdrager of de goederen worden afgeschermd, moet de lastdrager aan de achterzijde zijn voorzien van twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers, die moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig met inbegrip van de lastdrager;
  • f. indien de op het voertuig aangebrachte kentekenplaat door de lastdrager of de goederen wordt afgeschermd, moet de lastdrager zijn voorzien van een kentekenplaat met het kenteken van het voertuig waarop de lastdrager is aangebracht, alsmede van achterkentekenplaatverlichting, indien deze verplicht is voor het desbetreffende voertuig; het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en mag niet zijn afgeschermd;
  • g. indien de lastdrager is bevestigd op een trekhaak aan de achterzijde:
  • 1°. mag de door de fabrikant van de trekhaak vastgestelde maximale verticale last onder de koppeling niet worden overschreden; indien de trekhaak hieromtrent geen gegevens vermeldt, mag de verticale last niet meer dan 75 kg bedragen;
  • 2°. mag de lastdrager met inbegrip van de bevestigingsdelen onder normale gebruiksomstandigheden het wegdek niet kunnen raken;
  • 3°. mogen bevestigingsdelen, die na het gedeeltelijk verwijderen van de lastdrager op de trekhaak achterblijven, de bewegingsvrijheid van een aangekoppelde aanhangwagen niet beperken;
  • h. indien de lastdrager is bevestigd op de voorzijde van de aanhangwagen:
  • 1°. mag de door de fabrikant van de trekhaak vastgestelde maximumlast onder de koppeling niet worden overschreden; indien dit gegeven niet bekend is, mag de maximumlast onder de koppeling niet meer dan 75 kg bedragen;
  • 2°. mag de lastdrager met inbegrip van de lading op de trekdriehoek of trekboom de bewegingsvrijheid van de aanhangwagen niet beperken.
2.

Bij het vervoer van goederen op het dak moet worden voldaan aan de volgende eisen:

  • a. de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
  • b. de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
  • c. de door de fabrikant van het voertuig vastgestelde maximale daklast mag niet worden overschreden;
  • d. indien de lastdrager is geconstrueerd voor het vervoer van specifieke goederen, mogen geen andere én niet meer van deze goederen worden vervoerd dan waarvoor de constructie is bestemd.
3.

Bij vervoer van glas, plaatmateriaal of soortgelijke goederen aan één of beide zijkanten van een bedrijfsauto of aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moet worden voldaan aan de volgende eisen:

  • a. de lading moet deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
  • b. de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
  • c. de lastdrager met inbegrip van de lading mag niet meer dan 0,35 m buiten de zijkanten van het voertuig uitsteken, met dien verstande dat de totale breedte van het voertuig inclusief de lastdrager en de lading niet meer mag bedragen dan 2,75 m;
  • d. de lading mag niet meer dan 1,00 m achter de achterzijde van het voertuig uitsteken;
  • e. de lastdrager die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt dient aan de voor- en achterzijde te zijn voorzien van een markering die voldoet aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen.
Artikel 5.18.8
1.

Scherpe of uitstekende delen aan de voor- en achterzijde van de lading van voertuigen en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd.

2.

Scherpe of uitstekende delen aan de zijkanten van de lading van voertuigen en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd.

3.

Onverminderd het tweede lid mag het buitenoppervlak aan elke zijkant van de lading van voertuigen en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken geen naar buiten gerichte delen bevatten waaraan andere weggebruikers kunnen blijven haken.

4.

Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op lading, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken of delen daarvan die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.

5.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op:

  • a. buitenachteruitkijkspiegels, met inbegrip van de steunen ervan;
  • b. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband;
  • c. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak;
  • d. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan;
  • e. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan;
  • f. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen;
  • g. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen;
  • h. antislipinrichtingen op de wielen;
  • i. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en
  • j. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek.
6.

Geen deel van de buitenzijde van verwisselbare gedragen uitrustingsstukken mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.

Artikel 5.18.9
1.

Opklapbare delen aan de buitenzijde van voertuigen moeten tijdens het transport van het voertuig over de weg in opgeklapte toestand deugdelijk zijn vergrendeld.

2.

Tenzij voor het gebruik op de weg noodzakelijk, moeten opklapbare delen van verwisselbare uitrustingsstukken tijdens het transport van het voertuig in opgeklapte toestand deugdelijk zijn vergrendeld.

3.

Aerodynamische voorzieningen aan de achterzijde van bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens die intrekbaar of inklapbaar zijn, moeten zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand deugdelijk zijn vergrendeld.

4.

Uitklapbare aerodynamische voorzieningen aan de achterzijde van bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens moeten op wegen waar een maximumsnelheid geldt van 50 km/h of minder en voetgangers, fietsers of bromfietsers van de rijbaan gebruik dienen te maken, zijn ingetrokken of ingeklapt.

Artikel 5.18.10
1.

Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg, aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg afkomstig uit een land waar voor deze aanhangwagens geen afzonderlijk kenteken is opgegeven en landbouw- en bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken waarvoor geen afzonderlijk kenteken is opgegeven, moeten, indien zij zijn gekoppeld aan een motorvoertuig waarvoor een kenteken is opgegeven en landbouw- en bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken waarvoor geen afzonderlijk kenteken is opgegeven, zijn voorzien van het kenteken van het trekkend motorvoertuig. Indien meerdere aanhangwagens zijn gekoppeld aan een motorvoertuig, geldt de eerste zin alleen voor de achterste aanhangwagen.

2.

In afwijking van het eerste lid mogen aanhangwagens als bedoeld in het eerste lid zijn voorzien van een kenteken dat op naam van de eigenaar van het trekkend motorvoertuig is gesteld, indien het trekkend motorvoertuig een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine is.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg die afkomstig zijn uit een land waar voor deze aanhangwagen een afzonderlijk kenteken is opgegeven, indien de bij het kenteken behorende kentekenplaat wordt gevoerd.

4.

De kentekenplaat, bedoeld in het eerste en tweede lid, moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van de aanhangwagen zijn bevestigd.

5.

Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.

§ 3. Brandstofsystemen en milieu

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.11
1.

De lengte van een samenstel van opleggertrekker en oplegger mag niet meer bedragen dan 16,50 m.

2.

Van een samenstel van bedrijfsauto en autonome aanhangwagen, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel, niet zijnde een samenstel van opleggertrekker en oplegger, mag:

  • a. de lengte niet meer bedragen dan 18,75 m;
  • b. de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt aan de buitenzijde van de aanhangwagen niet meer dan 16,40 m bedragen;
  • c. de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt aan de buitenzijde van de aanhangwagen, verminderd met de afstand tussen de achterzijde van de laadruimte van het motorvoertuig en de voorzijde van de laadruimte van de aanhangwagen, niet meer dan 15,65 m bedragen.
3.

In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen, gestandaardiseerde laadstructuren en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken begrepen.

4.

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een samenstel van bedrijfsauto en dolly met oplegger, waarbij de lengte van het samenstel van dolly met oplegger niet meer mag bedragen dan 12,00 m.

5.

In afwijking van het eerste en vierde lid, mag bij het gebruik van een gestandaardiseerde laadstructuur in de vorm van een 45 voet-container met een lengte van maximaal 13,72 m en een breedte van maximaal 2,55 m, dan wel 2,60 m in het geval van een geconditioneerde gestandaardiseerde laadstructuur, indien deze container stapelbaar is en geschikt is voor het vervoer op een zeeschip, de lengte van het samenstel niet meer bedragen dan 17,30 m.

6.

Bij een samenstel van bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, en een aanhangwagen of samenstel van dolly met oplegger met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde een samenstel van opleggertrekker en oplegger, mag de afstand tussen de achterste as van de bedrijfsauto en de voorste as van de aanhangwagen of dolly niet minder bedragen dan 3,00 m.

7.

De lengte van samenstellen van personenauto of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen, mag niet meer bedragen dan 18,00 m.

8.

De lengte van een samenstel van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen, mag niet meer bedragen dan 24,00 m.

9.

In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, mag de lengte van een samenstel van rijdend werktuig en aanhangwagen niet meer bedragen dan 20,00 m.

10.

De lengte van een samenstel van een bus en een aanhangwagen mag niet meer bedragen dan 18,75 m.

11.

Een uitschuifbaar voertuig is in onbeladen toestand geheel ingeschoven, tenzij de uitgeschoven delen zijn voorzien van zijdelingse afscherming als bedoeld in artikel 5.12.48, vijfde lid, in welk geval het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111, met uitzondering van de artikelen 109, tweede lid, en 110, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is.

12.

In afwijking van het eerste, tweede en achtste lid, mag de lengte van een samenstel van opleggertrekker en oplegger en een samenstel van bedrijfsauto en autonome aanhangwagen, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel waarvan het trekkende voertuig is uitgerust met een verlengde cabine, de maximaal toegestane lengte voor dergelijke samenstellen overschrijden, zolang de extra lengte blijkt uit de voor de lengte vermelde gegevens op de voor de voertuigen afgegeven kentekencards, dan wel het kentekenbewijzen en het kentekenregister.

Artikel 5.18.12
1.

Bij het vervoer van lading met een voertuig of samenstel van voertuigen:

  • a. mag de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteken;
  • b. mag de lading niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van het voertuig uitsteken;
  • c. moet een deugdelijke stootbalk zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading, indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m. Een stootbalk die is uitgeschoven vanwege uitstekende lading wordt niet meegerekend voor de afmetingen opgenomen in de artikelen 5.3.6, eerste lid onderdeel a, 5.12.6, eerste lid, en 5.18.11, eerste en tweede lid;
  • d. mag de lading niet voor het voertuig uitsteken;
  • e. mag het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat van het voertuig niet worden belemmerd.
2.

Het eerste lid, met uitzondering van onderdeel e, is niet van toepassing op samenstellen van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen.

3.

Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op:

  • a. voertuigen of samenstellen van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1996;
  • b. voertuigen in gebruik genomen vóór 1 januari 2018, indien aan de achterzijde een meeneemheftruck is bevestigd waarbij de afstand tussen de onderzijde van het achterste wiel van de meeneemheftruck en het wegdek niet meer bedraagt dan 0,50 m; en
  • c. voertuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, indien aan de achterzijde een meeneemheftruck is bevestigd waarbij de afstand tussen de onderzijde van de achterste rand van de meeneemheftruck en het wegdek niet meer bedraagt dan 0,65 m en deze rand zodanig vormvast is dat deze als stootbalk kan fungeren.
4.

Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing, indien aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig zijn aangebracht.

5.

Ter ondersteuning van de lading mag de laadvloer worden verlengd voor zover daardoor de in de artikelen 5.3.6, eerste lid, onderdeel a, 5.12.6, eerste lid, en 5.18.11, eerste en tweede lid, opgenomen afmetingen niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de laadvloerverlenging rusten.

6.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mag een meeneemheftruck bevestigd aan de achterzijde van een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van goederen:

  • a. meer dan 1,00 m doch niet meer dan 1,20 m achter het voertuig uitsteken;
  • b. meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m achter het voertuig uitsteken, mits met een door de fabrikant van het voertuig of van de meeneemheftruck of met een door een carrosseriebouwer afgegeven verklaring, aanwezig op het voertuig, wordt aangetoond dat de aslasten en de last onder de koppeling van het voertuig bij belading met uitsluitend de meeneemheftruck voldoen aan artikel 5.18.18, tweede, derde of vierde lid. De verklaring bevat een aanduiding van het type meeneemheftruck.
7.

In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, mag de uitsteek van een afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer dan 0,5 maal de lengte van het voertuig bedragen, zoals vermeld in het kentekenregister of na meting vastgesteld, met een maximum van 5,00 m, waarbij voor een oplegger geldt dat de uitsteek van de afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer mag zijn dan 0,5 maal de afstand van hart koppeling tot achterzijde met eveneens een maximum van 5,00 m.

8.

De stootbalk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,20 m smaller zijn dan:

  • a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel
  • b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.

De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.

Artikel 5.18.12a
1.

De lengte van een bedrijfsauto, met inbegrip van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, mag niet meer bedragen dan in artikel 5.3.6, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, is bepaald, waarbij:

  • a. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken zoveel mogelijk moeten zijn ingeschoven, ingetrokken dan wel in- of opgeklapt en deugdelijk vergrendeld;
  • b. geen lading op de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken mag rusten die niet gerelateerd is aan de functie van het verwisselbaar gedragen uitrustingsstuk;
  • c. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren of de richtingaanwijzers van het voertuig niet mag worden belemmerd;
  • d. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133; en
  • e. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de zijkant moeten zijn voorzien van een zijmarkeringslicht of een ambergele retroreflector of ambergele opvallende markering, die is aangebracht op een afstand van niet meer dan 1,00 m van de uiterste voor- of achterzijde.
2.

Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, indien op het voertuig of aan de voor- of achterzijde van de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren of richtingaanwijzers zijn aangebracht.

Artikel 5.18.13
1.

In afwijking van artikel 5.18.12 mag, voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van voertuigen dan wel voor zover niet binnen de afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading:

  • 1°. de lading aan de achterzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken;
  • 2°. de uitsteek van de lading achter het hart van de achterste as van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en aanhangwagens niet meer dan 0,5 maal de lengte van het voertuig mag bedragen, zoals vermeld in het kentekenregister of na meting is vastgesteld, met een maximum van 5,00 m, waarbij voor een oplegger geldt dat de uitsteek van de lading achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer mag zijn dan 0,5 maal de afstand van hart koppeling tot achterzijde met eveneens een maximum van 5,00 m;
  • 3°. de lading aan de voorzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen niet meer dan 1,00 m voor het voertuig mag uitsteken;
  • 4°. de lading aan de voorzijde van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg niet meer dan 4,30 m voor het hart van de voorste as van het voertuig mag uitsteken;
  • 5°. de lading niet voor de voorzijde van de aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, mag uitsteken;
  • 6°. de lading die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de voorzijde respectievelijk aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133;
  • 7°. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, moeten aan de zijkant zijn voorzien van een zijmarkeringslicht of een ambergele retroreflector of ambergele opvallende markering, die is aangebracht op een afstand van niet meer dan 1,00 m van de uiterste voor- of achterzijde;
  • 8°. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd, tenzij aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als het betrokken voertuig zijn aangebracht verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig;
  • b. onverminderd het bepaalde in onderdeel a, de lengte van een trekker en oplegger, met inbegrip van de lading, indien de volledige lengte van de laadvloer wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading, uitgezonderd het verhoogde laadvloerdeel van een semi-dieplader, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.11, eerste lid, is toegestaan, doch niet meer dan voor dat vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 22,00 m;
  • c. eveneens onverminderd het bepaalde in onderdeel a, de lengte van een oplegger, met inbegrip van de lading, indien de volledige lengte van de laadvloer wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading, uitgezonderd het verhoogde laadvloerdeel van een semi-dieplader, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.12.6, derde en vierde lid, is toegestaan, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum combinatielengte van 22,00 m.
2.

In afwijking van artikel 5.18.12, mag de lengte van een samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, met inbegrip van de lading, dat is ingericht voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan, doch niet meer dan 20,75 m, waarbij:

  • a. de lading niet meer dan 2,00 m achter de aanhangwagen en niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van de aanhangwagen mag uitsteken;
  • b. de lading niet meer dan 0,50 m voor de voorzijde van de bedrijfsauto mag uitsteken;
  • c. de lading die achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133.
Artikel 5.18.14
1.

De breedte van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, mag met inbegrip van de lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken niet meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen.

2.

Met inbegrip van de lading mag de breedte van voertuigen waarvan de lading bestaat uit in de breedte ondeelbare lading, meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 3,00 m.

3.

Lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 132 en 133.

4.

Het derde lid is niet van toepassing op lading van personenauto’s en driewielige motorrijtuigen.

5.

Lading van personenauto’s en driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.

Artikel 5.18.15

De hoogte van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, met inbegrip van de lading, mag niet meer bedragen dan 4,00 m.

Artikel 5.18.16
1.

Een bedrijfsauto, bus of een samenstel van voertuigen moet in elke gebruikstoestand naar beide zijden een volledige cirkel kunnen beschrijven binnen een ruimte die wordt begrensd door twee concentrische cirkels, waarvan de buitenste een straal van 12,50 m en de binnenste een straal van 5,30 m heeft, zonder dat een van de buitenpunten van het voertuig buiten de omtrek van de cirkels komt.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien het een oplegger betreft waarvan het laadvlak zich geheel of grotendeels op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte als of lager dan de assen boven het wegdek bevindt, de oplegger wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading en de oplegger vóór 1 april 1983 in gebruik is genomen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van kermis- en circusvoertuigen, rijdende werktuigen en samenstellen van rijdende werktuigen en aanhangwagens.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van trekker en oplegger als bedoeld in artikel 5.18.13, eerste lid, onderdeel b.

5.

Ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid, moet bij een stilstaande bus op de bodem met een lijn het loodrechte vlak worden aangegeven dat raakt aan de buitenzijde van het voertuig ten opzichte van de cirkel. Bij een gelede bus worden de twee stijve delen langs het vlak opgesteld. Wanneer het voertuig de cirkelvormige ruimte, bedoeld in het eerste lid, in rechte lijn binnenrijdt, mag geen voertuigdeel meer dan 0,60 m buiten het vermelde loodrecht vlak komen.

6.

De maximale uitzwaai van een bedrijfsauto mag niet meer bedragen dan:

  • a. 0,80 m;
  • b. 1,00 m, indien:
  • 1°. het voertuig met een ashefinrichting is uitgerust en de as van de grond is opgetrokken; of
  • 2°. de achterste as een gestuurde as is.
Artikel 5.18.17a
1.

De op de kentekencard of het kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand mag niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa van het voertuig.

2.

Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of in het kentekenregister de toegestane maximummassa niet is vermeld dan wel indien de bedrijfsauto of bus niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand niet meer bedragen dan:

  • a. 50.000 kg;
  • b. de technisch toegestane maximummassa van het voertuig;
  • c. vijfmaal de toegestane maximumlast onder de aangedreven as of assen, en
  • d. indien de bedrijfsauto na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, de uitkomst van de som: het vermogen van de motor in kW, gedeeld door 0,00368 kW/kg.
3.

In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand van een rijdend werktuig niet meer bedragen dan 60.000 kg.

4.

Het tweede lid, aanhef en onderdeel d, is niet van toepassing op de puur elektrische rijmodus van hybride elektrische bedrijfsauto’s en bussen van de voertuigcategorie M2, M3, N2 of N3.

5.

In aanvulling op en met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid mag de toegestane maximummassa bij een door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuig met maximaal 1.000 kg of bij een bedrijfsauto of een bus met emissievrije aandrijving met maximaal 2.000 kg verhoogd zijn, indien dit blijkt uit de voertuigdocumenten en vermelding van het symbool ‘96/53/EC ARTICLE 10B COMPLIANT – XXXX KG ’ onder of naast de verplichte opschriften op de voorgeschreven constructieplaat.

Artikel 5.18.17b
1.

De op de kentekencard of het kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa van het samenstel van een bedrijfsauto of bus met een aanhangwagen mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand mag niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa van het samenstel.

2.

Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus de toegestane maximummassa van het samenstel van een bedrijfsauto of bus met een aanhangwagen of in het kentekenregister niet is vermeld dan wel indien de bedrijfsauto of bus niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximummassa van het samenstel of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand niet meer bedragen dan:

  • a. 50.000 kg;
  • b. de technisch toegestane maximummassa van het samenstel van de bus of bedrijfsauto met een aanhangwagen;
  • c. vijfmaal de toegestane maximumlast onder de aangedreven as of assen, en
  • d. de uitkomst van de som: het vermogen van de motor in kW, gedeeld door 0,002 kW/kg.
3.

In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa van een samenstel of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand van een rijdend werktuig met een aanhangwagen niet meer bedragen dan 60.000 kg.

4.

Het tweede lid, aanhef en onderdeel d, is niet van toepassing op de puur elektrische rijmodus van hybride elektrische bedrijfsauto’s en bussen van de voertuigcategorie M2, M3, N2 of N3.

5.

In aanvulling op en met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid mag de toegestane maximummassa bij een door alternatieve brandstoffen aangedreven samenstel van een bedrijfsauto of een bus met een aanhangwagen met maximaal 1.000 kg of bij een samenstel van een bedrijfsauto of een bus met een aanhangwagen met emissievrije aandrijving met maximaal 2.000 kg verhoogd zijn, indien dit blijkt uit de voertuigdocumenten en uit de vermelding van het symbool ‘96/53/EC ARTICLE 10B COMPLIANT – XXXX KG ’ onder of naast de verplichte opschriften op de voorgeschreven constructieplaat.

Artikel 5.18.17c
1.

Indien voor een aanhangwagen een kentekencard of kentekenbewijs is afgegeven, mag de daarop of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa niet worden overschreden of mag de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand, uitgezonderd de aslasten van een niet autonome aanhangwagen, niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa. Bij middenasaanhangwagens en opleggers mag de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand in combinatie met een positieve last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan de toegestane maximummassa.

2.

Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een middenasaanhangwagen of in het kentekenregister geen toegestane maximummassa is vermeld dan wel indien de middenasaanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand in combinatie met een positieve last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan 20.000 kg. Indien de middenasaanhangwagen is voorzien van gasvering of van in EU-verband als gelijkwaardig aangemerkte vering en is voorzien van drie assen, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand in combinatie met een positieve last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan 24.000 kg.

3.

Indien van een aanhangwagen de toegestane maximummassa niet met behulp van het eerste en tweede lid kan worden vastgesteld, geldt voor deze aanhangwagen een toegestane maximummassa van 750 kg.

Artikel 5.18.17d
1.

De op het kentekenbewijs van de bedrijfsauto of bus of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de as, alsmede de toegestane maximumlast onder het asstel, mag niet worden overschreden.

2.

Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarden niet zijn vermeld, dan wel indien de bedrijfsauto of bus niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximumlast onder de as of asstel niet meer bedragen dan:

  • a. de voor het voertuig opgegeven technisch toegestane maximumlast onder de as of asstel;
  • b. voor enige as: 10.000 kg voor een niet-aangedreven as en 11.500 kg voor een aangedreven as;
  • c. voor voertuigen met een asstel met twee niet-aangedreven assen:
  • 1°. indien de onderlinge afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,00 m, 11.000 kg tezamen;
  • 2°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16.000 kg tezamen;
  • 3°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 18.000 kg tezamen;
  • d. voor voertuigen met een asstel met twee assen waarvan één of twee assen zijn aangedreven:
  • 1°. indien de onderlinge afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,00 m, 11.500 kg tezamen;
  • 2°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16.000 kg tezamen;
  • 3°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m:
  • –. 18.000 kg tezamen;
  • –. 19.000 kg tezamen indien de aangedreven as is voorzien van banden in dubbele montage alsmede van gasvering of van in EU-verband als gelijkwaardig aangemerkte vering;
  • –. 19.000 kg tezamen indien beide aangedreven assen zijn voorzien van banden in dubbele montage, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 9.500 kg;
  • e. voor voertuigen met een asstel met drie achter elkaar gelegen assen:
  • 1°. indien de onderlinge afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,30 m, 7.000 kg per as;
  • 2°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 8.000 kg per as;
  • 3°. de onder 2° vermelde maximale aslasten mogen, indien het een aangedreven as betreft, worden verhoogd tot: waarbij de last onder het asstel niet meer mag bedragen dan 24.000 kg tezamen;
  • –. 10.000 kg indien slechts één as van het asstel is aangedreven;
  • –. 9.000 kg indien twee assen van het asstel zijn aangedreven;
  • 4°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 9.000 kg per as, mits het asstel is voorzien van gasvering of van in EU-verband als gelijkwaardig aangemerkte vering, waarbij de last onder het asstel niet meer mag bedragen dan 27.000 kg tezamen;
  • 5°. de onder 4° vermelde maximale aslasten mogen, indien het een aangedreven as betreft die is voorzien van banden in dubbele montage, worden verhoogd tot: waarbij de last onder het asstel niet meer mag bedragen dan 27.000 kg tezamen.
  • –. 11.500 kg indien slechts één as van het asstel is aangedreven;
  • –. 9.500 kg indien twee assen van het asstel zijn aangedreven;
3.

In afwijking van het tweede lid, mag de last onder enige as van een rijdend werktuig niet meer bedragen dan:

  • a. de voor het voertuig opgegeven toegestane maximumlast onder de as of asstel, en
  • b. 12.000 kg per as.
Artikel 5.18.17e
1.

De op het kentekenbewijs van een aanhangwagen of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de as, alsmede de toegestane maximumlast onder het asstel, mag niet worden overschreden.

2.

Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een aanhangwagen of in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarden niet zijn vermeld, of indien de aanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximumlast onder de as of asstel niet meer mag bedragen dan:

  • a. de voor het voertuig opgegeven technische toegestane maximumlast;
  • b. voor enige as, 10.000 kg;
  • c. voor aanhangwagens met een asstel met twee achter elkaar gelegen enkele assen, indien de onderlinge afstand tussen de assen:
  • 1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 11.000 kg tezamen;
  • 2°. 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16.000 kg tezamen;
  • 3°. 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 18.000 kg tezamen;
  • d. voor aanhangwagens met een asstel met meer dan twee achter elkaar gelegen assen:
  • 1°. indien de afstand tot de dichtstbijzijnde naastgelegen as van dat asstel minder bedraagt dan 1,30 m, 7.000 kg per as;
  • 2°. indien de afstand tot de dichtstbijzijnde naastgelegen as van dat asstel 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 8.000 kg per as, dan wel 9.000 kg per as indien het asstel is voorzien van gasvering of van in EU-verband als gelijkwaardig aangemerkte vering;
  • e. voor aanhangwagens met één pendelas, 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg;
  • f. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met één pendelas, 16.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8.000 kg;
  • g. voor aanhangwagens met twee pendelassen, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen: waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg;
  • 1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 13.000 kg tezamen;
  • 2°. 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 17.000 kg tezamen;
  • 3°. 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 21.000 kg tezamen;
  • h. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met twee of meer pendelassen, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen: waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8.000 kg;
  • 1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 16.000 kg tezamen;
  • 2°. 1,00 m of meer bedraagt, 12.000 kg vermenigvuldigd met het aantal pendelassen;
  • i. voor aanhangwagens met meer dan twee pendelassen, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, het aantal pendelassen vermenigvuldigd met 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg, mits het asstel is voorzien van gasvering of van in EU-verband als gelijkwaardig aangemerkte vering;
  • j. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met twee of meer pendelassen als bedoeld onder e, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, het aantal pendelassen vermenigvuldigd met 16.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8.000 kg, mits het asstel is voorzien van gasvering of van in EU-verband als gelijkwaardig aangemerkte vering;
  • k. De last onder de assen van aanhangwagens bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, mag niet meer bedragen dan 24.000 kg tezamen indien het betreft aanhangwagens met een asstel bestaande uit:
  • 1°. een pendelas, en
  • 2°. een enkele as, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelas en de enkele as 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m.
Artikel 5.18.17f
1.

De in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de koppeling van een aanhangwagen mag niet worden overschreden.

2.

Indien van een middenasaanhangwagen in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarde niet is vermeld dan wel indien de middenasaanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane last onder de koppeling:

  • a. alleen in neerwaartse richting zijn gericht;
  • b. niet meer bedragen dan voor het voertuig opgegeven technisch toegestane maximumlast onder de koppeling;
  • c. niet meer bedragen dan 10,0% van de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen en niet meer dan 1.000 kg, en
  • d. niet minder bedragen dan 1,0% van de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen, doch de last behoeft niet meer te bedragen dan 50 kg.
Artikel 5.18.17g
1.

De op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van een bedrijfsauto, bus of dolly of in het kentekenregister vermelde toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van een aanhangwagen, alsmede van een samenstel van dolly en oplegger, mag niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximum te trekken massa aanhangwagen.

2.

Indien de bedrijfsauto, bus, dolly of aanhangwagen ingericht voor het vervoer van personen niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen, alsmede van een samenstel van een dolly met oplegger, niet meer bedragen dan de laagste van de volgende waarden:

  • a. indien een bedrijfsauto met een technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg of een bus een aanhangwagen voortbeweegt voorzien van een bedrijfsremsysteem:
  • 1°. de opgegeven technisch toegestane maximummassa van het trekkende voertuig vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt;
  • 2°. in afwijking van onderdeel 1°, 1,5 maal de technisch toegestane maximummassa van een bedrijfsauto vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt, indien de bedrijfsauto een aantekening op de kentekencard, het kentekenbewijs of in het kentekenregister ‘G’ heeft;
  • 3°. de ten aanzien van de constructiekenmerken van het trekkende voertuig opgegeven technisch toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen en de sterkte van de koppeling;
  • 4°. de daarvoor ten aanzien van het remsysteem van het trekkende voertuig opgegeven technisch toegestane maximummassa;
  • 5°. 3.500 kg vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt,
  • b. indien een bedrijfsauto met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg een aanhangwagen voortbeweegt voorzien van een bedrijfsremsysteem:
  • 1°. de ten aanzien van de constructiekenmerken van het trekkende voertuig opgegeven technisch toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen en de sterkte van de koppeling;
  • 2°. de daarvoor ten aanzien van het remsysteem van het trekkende voertuig opgegeven technisch toegestane maximummassa;
  • 3°. 3.500 kg, vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt indien het voertuig uitsluitend bestemd is voor het trekken van aanhangwagens die zijn voorzien van een oploopreminrichting;
  • 4°. de toegestane maximummassa van het samenstel van een bedrijfsauto met een aanhangwagen verminderd met de massa in rijklare toestand van het trekkende voertuig;
  • 5°. 24.000 kg vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt in het geval van een middenasaanhangwagen of een aanhangwagen met stijve dissel met een continureminrichting,
  • c. indien een bedrijfsauto of bus een ongeremde aanhangwagen voortbeweegt:
  • 1°. de ten aanzien van de constructiekenmerken van het trekkende voertuig opgegeven technisch toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen en de sterkte van de koppeling;
  • 2°. de helft van de massa in rijklare toestand van het trekkende voertuig vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt;
  • 3°. 750 kg, vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt,
  • d. in het geval van een dolly:
  • 1°. de ten aanzien van de constructiekenmerken van de dolly opgegeven technisch toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen en de sterkte van de koppeling;
  • 2°. de sterkte van de koppelingen in relatie tot de opgegeven technisch toegestane maximummassa van het trekkende motorvoertuig en de technisch toegestane maximummassa van de te trekken oplegger;
  • 3°. de daarvoor ten aanzien van het remsysteem van de dolly opgegeven technisch toegestane maximummassa;
  • 4°. het samenstel van een dolly en oplegger:
  • –. de technisch toegestane maximummassa van het trekkende motorvoertuig met een maximum van 3.500 kg vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt indien het trekkend voertuig een bedrijfsauto met een technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg is;
  • –. 1,5 maal de technisch toegestane maximummassa van het trekkende motorvoertuig met een maximum van 3.500 kg vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt indien het trekkend voertuig een bedrijfsauto met een technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg met een aantekening ‘G’ op de kentekencard, het kentekenbewijs of in het kentekenregister is of;
  • –. de toegestane maximummassa van het samenstel van een bedrijfsauto, dolly en oplegger met een aanhangwagen verminderd met de massa in rijklare toestand van het trekkende voertuig,
  • e. in het geval van een aanhangwagen ingericht voor het vervoer van personen:
  • 1°. de ten aanzien van de constructiekenmerken van de aanhangwagen opgegeven technisch toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen en de sterkte van de koppeling;
  • 2°. de sterkte van de koppelingen in relatie tot de opgegeven technisch toegestane maximummassa van het trekkende motorvoertuig en de technisch toegestane maximummassa van de te trekken aanhangwagen;
  • 3°. de daarvoor ten aanzien van het remsysteem van de aanhangwagen opgegeven technisch toegestane maximummassa;
  • 4°. de toegestane maximummassa van het samenstel van een bedrijfsauto en meer aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen verminderd met de massa in rijklare toestand van het trekkende voertuig.
3.

Indien in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van een bedrijfsauto, bus of dolly geen maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.

Artikel 5.18.17h
1.

Personenauto’s mogen niet zodanig zijn beladen dat de toegestane maximumlast van enige as of asstel, de maximumlast onder de koppeling, of de toegestane maximummassa van het voertuig wordt overschreden dan wel de som van de aslasten meer bedraagt dan de toegestane maximummassa.

2.

Bussen mogen niet meer passagiers vervoeren dan het maximumaantal passagiers dat op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of in het kentekenregister, dan wel op de plaat als bedoeld in artikel 5.3a.1, zevende lid, is vermeld. Indien het maximumaantal passagiers niet op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs, in het kentekenregister, dan wel op de plaat als bedoeld in artikel 5.3a.1, zevende lid, is vermeld, wordt het maximumaantal passagiers vastgesteld door de toegestane maximummassa te verminderen met de massa in rijklare toestand gedeeld door 68 kg.

3.

Samenstellen van een trekkend voertuig en één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen mogen niet meer passagiers vervoeren dan het maximumaantal passagiers waarvoor het samenstel is ingericht en niet meer dan 75 passagiers vervoeren.

Artikel 5.18.18
1.

De totale massa of de som van de aslasten van aanhangwagens die worden voortbewogen door personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg, mag niet meer bedragen dan de maximummassa die volgt uit het op de koppeling van het trekkend voertuig aangebrachte identificatiekenmerk of goedkeuringsmerk. Indien de koppeling daaromtrent geen gegevens vermeldt, mag de totale massa of de som van de aslasten van de aanhangwagen niet meer bedragen dan 750 kg en niet meer dan:

  • a. de ledige massa van het trekkend motorvoertuig, of
  • b. de massa in rijklare toestand van het trekkend motorvoertuig.
2.

De last onder de bestuurde as of assen van motorvoertuigen in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig in beladen toestand. Indien het een gelede bus betreft, mag die last niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voorste deel van het motorvoertuig in beladen toestand.

3.

De last onder de gestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van autonome aanhangwagens in beladen toestand of samenstellen van een dolly met oplegger in beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen respectievelijk het samenstel van de dolly en de oplegger.

4.

De last onder de koppeling van opleggers in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de oplegger in beladen toestand.

Artikel 5.18.18a
1.

Indien in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag:

  • a. de totale massa van aanhangwagens met een bedrijfsrem,
  • b. de som van de aslasten van autonome aanhangwagens met een bedrijfsrem, of
  • c. de som van de aslasten of de aslast in combinatie met een positieve koppelingsdruk van middenasaanhangwagens met een bedrijfsrem,

achter die personenauto’s maximaal 3.500 kg bedragen en daarbij de laagste van de volgende waarden niet overschrijden:

  • 1°. de maximum te trekken massa aanhangwagen zoals die in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van het trekkende voertuig is vermeld;
  • 2°. de door de fabrikant bepaalde technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de constructie van het trekkend voertuig;
  • 3°. de door de fabrikant bepaalde technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de sterkte van de mechanische koppelinrichting;
  • 4°. de technisch toegestane maximummassa van het trekkend voertuig, of 1,5 maal de technisch toegestane maximummassa van de personenauto, voor zover de personenauto een aantekening op de kentekencard, dan wel het kentekenbewijs of in het kentekenregister ‘G’ heeft.
2.

Indien in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag:

  • a. de totale massa van aanhangwagens zonder een bedrijfsrem,
  • b. de som van de aslasten van autonome aanhangwagens zonder een bedrijfsrem, of
  • c. de som van de aslasten of de aslast in combinatie met een positieve koppelingsdruk van middenasaanhangwagens zonder een bedrijfsrem,

achter die personenauto’s maximaal 750 kg bedragen en daarbij de laagste van de volgende waarden niet overschrijden:

  • 1°. de maximum te trekken massa aanhangwagen zoals die in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van het trekkende voertuig is vermeld;
  • 2°. de door de fabrikant bepaalde technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de constructie van het trekkend voertuig;
  • 3°. de helft van de massa van het trekkende voertuig in rijklare toestand.
3.

De massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van aanhangwagens achter driewielige motorrijtuigen mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van het trekkende driewielige motorrijtuig.

4.

Indien in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van een personenauto geen maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.

B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.19
1.

Lading van motorfietsen op twee wielen mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.

2.

Motorfietsaanhangwagens moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:

  • a. de breedte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,00 m;
  • b. de hoogte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
  • c. de totale massa van het voertuig mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de trekkende motorfiets;
  • d. de afstand van de achteras van de trekkende motorfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,50 m.

C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.20
1.

De lengte van een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en één of meer aanhangwagens, mag niet meer bedragen dan 18,75 m.

2.

In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, zijn afneembare bovenbouwen, gestandaardiseerde laadstructuren en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken begrepen.

3.

In afwijking van het eerste lid, mag de lengte van een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat niet om een verticale as kan draaien ten opzichte van het trekkende voertuig, niet meer bedragen dan 12 m.

4.

In afwijking van in het eerste lid, mag de lengte van een samenstel van motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, met inbegrip van de lading, niet meer dan 20,75 m, waarbij:

  • a. de lading op de aanhangwagen een verwisselbaar uitrustingsstuk betreft dat noodzakelijk is om het voertuig te kunnen gebruiken; of
  • b. de aanhangwagen onbeladen is.
Artikel 5.18.21
1.

Bij het vervoer van lading met een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine of een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en één of meer aanhangwagens:

  • a. mag de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteken;
  • b. mag de lading niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van het voertuig uitsteken;
  • c. moet een deugdelijke stootbalk zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading, indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m;
  • d. mag de lading niet voor het voertuig uitsteken;
  • e. mag het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde niet worden belemmerd, tenzij aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of kentekenplaat zijn aangebracht.
2.

In afwijking van het eerste lid, mag voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van voertuigen, of voor zover niet binnen de bestaande afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading, met uitzondering van afneembare bovenbouwen of gestandaardiseerde laadstructuren, de lengte van de vervoerde lading meer bedragen dan ingevolge het eerste lid is toegestaan, waarbij:

  • 1°. de lading niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
  • 2°. de lading niet meer dan 3,50 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mag uitsteken;
  • 3°. de lading die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133;
  • 4°. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de zijkant moeten zijn voorzien van een zijmarkeringslicht of een ambergele retroreflector of ambergele opvallende markering, die is aangebracht op een afstand van niet meer dan 1,00 m van de uiterste voor- of achterzijde.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)