Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
Laatst bijgewerkt 2026-05-14
State In force
Source BWB
artikelen 3776
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

Ter ondersteuning van de lading mag de laadvloer worden verlengd, voor zover daardoor de afmetingen, bedoeld in de artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a, 5.7a.6, eerste lid, onderdeel a, 5.8.6, eerste lid, onderdeel a, 5.12.6, eerste lid, onderdeel a, 5.14.6, eerste lid, onderdeel a, en 5.18.20, niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de laadvloerverlenging rusten.

4.

De stootbalk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,20 m smaller zijn dan:

  • a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel
  • b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.
5.

De stootbalk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.

6.

Indien gebruikt gemaakt wordt van het gele zwaai-, flits, of knipperlicht ingevolge artikel 5.7.57a of 5.8.57a moet het licht zodanig gemonteerd zijn dat het signaal kan worden waargenomen rondom het voertuig vanaf een afstand van 20 m vanaf het voertuig, gemeten op 1,5 m boven het wegdek.

Artikel 5.18.21a
1.

De lengte van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines, landbouw- of bosbouwaanhangwagens of verwisselbare getrokken uitrustingsstukken, mag, met inbegrip van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan is bepaald in onderscheidenlijk de artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a, 5.7a.6, eerste lid, onderdeel a, 5.8.6, eerste lid, onderdeel a, en 5.14.6, eerste lid, onderdeel a, waarbij:

  • a. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken zoveel mogelijk moeten zijn ingeschoven, ingetrokken dan wel in- of opgeklapt en deugdelijk vergrendeld;
  • b. geen lading op de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken mag rusten die niet gerelateerd is aan de functie van het verwisselbaar gedragen uitrustingsstuk;
  • c. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd;
  • d. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133;
  • e. voertuigdelen en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken niet meer dan 3,50 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig of, indien het voertuig geen stuurwiel heeft, voor het midden van de bestuurdersstoel, wanneer deze in de middelste stand gepositioneerd is, mogen uitsteken;
  • f. een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden als bedoeld in artikel 5.8.49, niet meer dan 4,00 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mag uitsteken;
  • g. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, moeten aan de zijkant zijn voorzien van een zijmarkeringslicht of een ambergele retroreflector of ambergele opvallende markering, die is aangebracht op een afstand van niet meer dan 1,00 m van de uiterste voor- of achterzijde.
2.

Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, indien aan de achterzijde van de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of kentekenplaat zijn aangebracht.

3.

Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing, indien er maatregelen zijn getroffen die bewerkstelligen dat gezichtsveldbeperkingen bij kruisingen, verkeersknooppunten en uitritten worden opgeheven.

Artikel 5.18.22
1.

De breedte van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid of mobiele machines en daardoor voortbewogen aanhangwagens, mag, met inbegrip van de lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan 3,00 m.

2.

Lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 132 en 133.

3.

Landbouw- of bosbouwtrekkers, mobiele machines, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2020 en daardoor voortbewogen aanhangwagens die, met inbegrip van de lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, meer dan 2,55 m breed zijn, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 132 en 133.

Artikel 5.18.23

De hoogte van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines en daardoor voortbewogen aanhangwagens, mag, met inbegrip van de lading en één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan 4,00 m.

Artikel 5.18.24
1.

De last onder de bestuurde as of assen van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig.

2.

De last onder de bestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van de door landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines voortbewogen autonome aanhangwagens, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand.

Artikel 5.18.25
1.

De op de kentekencard, in het kentekenregister of op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine vermelde technisch toegestane maximummassa mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand mag niet meer bedragen dan de vermelde technisch toegestane maximummassa van het voertuig, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden.

2.

De toegestane maximummassa of de som van de aslasten van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines in beladen toestand, mag niet meer bedragen dan:

  • a. 50.000 kg;
  • b. de technisch toegestane maximummassa van het voertuig.
3.

In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van:

  • a. landbouw- of bosbouwtrekkers die:
  • 1°. zijn voorzien van metalen rupsbanden niet meer bedragen dan 10.000 kg;
  • 2°. twee-assig zijn niet meer bedragen dan 18.000 kg;
  • 3°. drie-assig zijn niet meer bedragen dan 24.000 kg;
  • b. motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines die:
  • 1°. zijn voorzien van metalen rupsbanden niet meer bedragen dan 10.000 kg;
  • 2°. zijn ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen niet meer bedragen dan 60.000 kg.

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.25a
1.

Van een samenstel van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine met één of meer aanhangwagens, mag:

  • a. de op de kentekencard, in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximummassa van het samenstel niet worden overschreden;
  • b. de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand niet meer bedragen dan de vermelde technisch toegestane maximummassa van het samenstel; en
  • c. het draagvermogen van de gemonteerde banden niet worden overschreden.
2.

De toegestane maximummassa van een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en één of meer aanhangwagens of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand, mag niet meer bedragen dan:

  • a. 50.000 kg;
  • b. de technisch toegestane maximummassa van het samenstel.
3.

In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa van een samenstel of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand van een motorrijtuig met beperkte snelheid dat of mobiele machine die is ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen met een aanhangwagen niet meer bedragen dan 60.000 kg.

Artikel 5.18.26
1.

Bromfietsen op twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,00 m.

2.

Bromfietsen op meer dan twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 2,00 m.

Artikel 5.18.27
1.

Bromfietsaanhangwagens achter tweewielige bromfietsen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:

  • a. de breedte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
  • b. de hoogte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
  • c. de totale massa van het voertuig mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de trekkende bromfiets;
  • d. de afstand van de achteras van de trekkende bromfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,00 m.
2.

Bromfietsaanhangwagens achter bromfietsen op meer dan twee wielen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:

  • a. de breedte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,00 m;
  • b. de hoogte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,50 m;
  • c. de totale massa van het voertuig mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de trekkende bromfiets;
  • d. de afstand van de achteras van de trekkende bromfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,50 m.

E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.28
1.

Fietsen op twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 0,75 m.

2.

Fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met zijspanwagen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,50 m.

Artikel 5.18.29
1.

Fietsaanhangwagens achter tweewielige fietsen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,00 m.

2.

Fietsaanhangwagens achter fietsen op meer dan twee wielen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,50 m.

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

Artikel 5.18.30
1.

De breedte van gehandicaptenvoertuigen mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,10 m.

2.

De breedte van wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,50 m.

3.

De breedte van bespannen wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,60 m. Indien de lading bestaat uit losse veldgewassen, mag de breedte van de lading niet meer bedragen dan 3,50 m.

4.

De hoogte van gehandicaptenvoertuigen mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,00 m.

5.

De hoogte van wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 4,00 m.

G. Middenasaanhangwagens

Artikel 5.18.31
1.

Middenasaanhangwagens van de voertuigcategorie O moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:

  • a. de som van de aslasten van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 12 000 kg mag niet meer bedragen dan 1,5 maal de som van de aslasten van het trekkend motorvoertuig;
  • b. de last onder de koppeling van een middenasaanhangwagen met een massa van niet meer dan 750 kg mag alleen in neerwaartse richting zijn gericht en mag niet meer dan 50 kg bedragen;
  • c. de last onder de koppeling van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg mag niet minder bedragen dan 1% van de toegestane maximummassa van het voertuig, doch behoeft niet meer dan 50 kg te bedragen.
2.

Het eerste lid, onderdelen a en c, zijn van overeenkomstige toepassing op een aanhangwagen met een stijve dissel van de voertuigcategorie O.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.18.32
1.

Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen behoeven in geval van nood niet te voldoen aan de artikelen 5.2.27, achtste lid, 5.3.27, negende lid, 5.3a.27, negende lid, en 5.5.27, achtste lid, mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast aan de door de fabrikant vastgestelde voorschriften.

2.

Mobiele machines en landbouw- of bosbouwtrekkers behoeven in geval van tijdelijke montage van bredere banden of dubbellucht banden niet te voldoen aan artikel 5.7a.48, zesde en zevende lid, respectievelijk artikel 5.8.48, zesde en zevende lid, mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast aan de door de fabrikant vastgestelde voorschriften.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

A. Aanhangwagens

Artikel 5.18.33

Aanhangwagens van de voertuigcategorie O, niet zijnde opleggers, met een totale massa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s of driewielige motorrijtuigen hoeven niet te zijn voorzien van een reminrichting, indien deze totale massa niet hoger is dan de helft van de massa in rijklare toestand van het trekkend voertuig.

B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

Artikel 5.18.34
1.

Bij samenstellen van voertuigen waarvan de aanhangwagen van een reminrichting is voorzien, moet de reminrichting van de aanhangwagen in werking treden bij het bedienen van de bedrijfsrem van het trekkend voertuig.

2.

Indien de aanhangwagen is voorzien van een losbreekreminrichting, moet deze zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat de inrichting slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling.

3.

Indien zowel het trekkend voertuig als de aanhangwagen zijn voorzien van een ABS- of EBS-systeem, moeten de daartoe bestemde ISO 7638-stekkers op beide voertuigen met elkaar verbonden worden. Indien deze voorziening op één van beide voertuigen ontbreekt, moeten de remsystemen zodanig zijn aangesloten dat het mogelijk blijft dat er met zowel het trekkend voertuig als met de aanhangwagen lastafhankelijk geremd kan worden.

4.

Bij een samenstel van voertuigen bestaande uit een bedrijfsauto en dolly met oplegger moeten alle voertuigen zijn voorzien van een EBS-remsysteem.

5.

Indien in het samenstel, bedoeld in het vijfde lid, de dolly is uitgerust met een voertuigstabiliteitssysteem, moet deze tevens beschikken over een voorziening die de remmen van de getrokken oplegger automatisch activeert zodra het voertuigstabiliteitssysteem van de dolly ingrijpt.

6.

Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, die in gebruik is genomen voor 1 januari 2022, en een aanhangwagen die afzonderlijk geremd kan worden.

Artikel 5.18.35
1.

De remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van trekkend voertuig en aanhangwagens moet, zowel beladen als onbeladen, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen.

2.

In afwijking van het eerste lid, moet de remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen voldoen aan de eisen die aan de remvertraging van het trekkende voertuig worden gesteld in de op die categorie voertuigen betrekking hebbende afdeling van dit hoofdstuk.

Artikel 5.18.35a

Dubbel uitgevoerde rempedalen van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines moeten zijn gekoppeld.

Artikel 5.18.36

De parkeerrem van het trekkend motorvoertuig van een samenstel van motorvoertuig en aanhangwagen moet het samenstel van voertuigen op een helling van 10,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedraagt.

§ 9. Carrosserie

Artikel 5.18.36a

Vervallen

Artikel 5.18.36b

Vervallen

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.37

Indien met een personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig een aanhangwagen wordt voortbewogen, moet het trekkende voertuig zijn voorzien van één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig.

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.38
1.

De verlichtingsinstallatie van aanhangwagens moet zodanig functioneren dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het trekkende voertuig.

2.

De verlichtingsinstallatie van verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers moet zodanig functioneren dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het voertuig.

Artikel 5.18.38a
1.

Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus die is voorzien van één of twee mistachterlichten, behoeven in afwijking van artikel 5.18.38, eerste lid, alleen de één of twee mistachterlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van de mistachterlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt.

2.

Indien een voertuig aan de achterzijde is voorzien van een lastdrager, behoeft in afwijking van artikel 5.18.38, tweede lid, alleen het mistachterlicht op de lastdrager te branden, mits de bediening van het mistachterlicht op de lastdrager vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt. Wanneer de lastdrager niet is voorzien van een mistachterlicht, dan behoeven de één of twee mistachterlichten op het voertuig niet te branden wanneer de verlichtingsinstallatie van de lastdrager is aangesloten.

E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.43
1.

Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:

  • a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;
  • b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel.
2.

Gehandicaptenvoertuigen zonder motor, die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:

  • a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;
  • b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel.
3.

Het tweede lid is niet van toepassing bij het gebruik maken van het voetpad of het trottoir of bij het oversteken van het ene naar het andere voetpad of trottoir.

Artikel 5.18.44
1.

De in artikel 5.18.43 bedoelde lichten moeten goed werken.

2.

De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.

3.

De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.

4.

Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.

5.

De in artikel 5.18.43 bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.

Artikel 5.18.45
1.

De lichten aan de voorzijde mogen niet anders dan wit of geel stralen.

2.

De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.

D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen

Artikel 5.18.46

Fietsaanhangwagens die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, dienen te zijn voorzien van een achterlicht.

Artikel 5.18.47
1.

Het achterlicht dient goed te werken.

2.

Het verlichtingsarmatuur en de onderdelen daarvan dienen deugdelijk aan het voertuig te zijn bevestigd.

3.

Het glas van de verlichtingsarmatuur mag niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt beïnvloed;

4.

Het achterlicht mag niet zijn afgeschermd.

Artikel 5.18.48

Het achterlicht mag niet anders dan rood stralen.

Artikel 5.18.49

Het achterlicht dient uiterst links aan de achterzijde van het voertuig te zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.

E. Wagens

Artikel 5.18.50

Wagens die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:

  • a. twee voorlichten;
  • b. twee achterlichten indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel ten minste één achterlicht indien het een wagen betreft waarvan de breedte niet meer dan 1,50 m bedraagt.
Artikel 5.18.51
1.

De in artikel 5.18.50 bedoelde lichten moeten goed werken.

2.

De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.

3.

De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt beïnvloed.

4.

Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur, en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten op gelijke hoogte symmetrisch links en rechts midden van het voertuig zijn bevestigd.

5.

De in artikel 5.18.50 bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.

Artikel 5.18.52
1.

De voorlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.

2.

De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.

Artikel 5.18.53
1.

De voorlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde.

2.

De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde en op een hoogte van niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.

3.

Indien één achterlicht is toegestaan, moet dit aan de achterzijde van de wagen zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m van de uiterste linkerzijde van het voertuig en op een hoogte van niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.54
1.

Bij samenstellen van voertuigen moet de aanhangwagen of het verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk door een enkele, passende en geschikte koppeling die niet kan lostrillen, geborgd zijn en moet deze zodanig aan het trekkende voertuig zijn verbonden dat zijdelings uitwijken van de aanhangwagen of het verwisselbaar uitrustingsstuk zoveel mogelijk wordt voorkomen.

2.

De totale speling in de verbinding tussen het trekkende en getrokken voertuig mag niet meer dan 3 mm bedragen.

C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines

Artikel 5.18.55

Aanhangwagens moeten zich zodanig ten opzichte van het trekkend voertuig kunnen bewegen dat de voertuigen in hun uiterste standen, met een maximum van 90°, niet worden begrensd door delen van de reminrichting, van de elektrische installatie en van de koppeling, alsmede, voor zover aanwezig, van de hulpkoppeling en van de besturingsonderdelen.

Artikel 5.18.56
1.

Bij samenstellen van voertuigen moet het trekoog of de kogelkoppeling van de aanhangwagen horizontaal of nagenoeg horizontaal liggen, indien het samenstel zich op een horizontaal wegdek bevindt.

2.

Bij gebruik van aanhangwagens voorzien van een trekdriehoek met verzet, moet de koppelinrichting op het trekkend voertuig van een type zijn dat in verticale richting niet beweegbaar is.

3.

Opleggers mogen alleen aan een opleggertrekker of een dolly zijn gekoppeld indien een hoekverdraaiing van de opleggerschotel naar boven en naar beneden mogelijk is, indien het samenstel van opleggertrekker en oplegger of het samenstel van dolly en oplegger zich op een horizontaal wegdek bevindt.

4.

Bij gebruik van aanhangwagens voorzien van een koppeling die om de horizontale as kan draaien, moet de koppelinrichting op het trekkende voertuig van een type zijn dat niet om de horizontale as kan draaien.

Artikel 5.18.57

Indien een aanhangwagen is voorzien van een hulpkoppeling moet deze zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekinrichting daarvan zijn verbonden, dat deze slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling.

C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen

Artikel 5.18.58

Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagen moeten zodanig aan een motorfiets onderscheidenlijk bromfiets zijn verbonden dat de koppeling zowel bewegingen toelaat om een horizontale as als om een verticale as, loodrecht op de lengte-as van de motorfiets onderscheidenlijk bromfiets. Indien de aanhangwagen meer dan één wiel heeft, moet de koppeling bovendien bewegingen om een as in de lengterichting van het trekkend voertuig toelaten.

D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen

Artikel 5.18.59

Een fietsaanhangwagen moet goed met de fiets zijn verbonden.

§ 5. Assen

Artikel 5.18.60
1.

Bromfietsen op drie of meer wielen met een carrosserie moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een rond bord of rond vlak met een doorsnede van ten minste 0,20 m, wit van kleur met een rode rand en met in het witte vlak duidelijk leesbaar de aanduiding ‘45’ in zwarte kleur.

2.

Aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een rond bord of rond vlak met een doorsnede van ten minste 0,20 m, wit van kleur met een rode rand en met in het witte vlak duidelijk leesbaar de aanduiding ‘25’ in zwarte kleur.

Artikel 5.18.61

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5.3.1, 5.3a.1 en 5.12.1, moeten:

  • a. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en bestemd voor het vervoer van goederen,
  • b. bussen, en
  • c. aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, zijn voorzien van:
  • 1°. een constructieplaat, waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, en een plaat waarop zijn vermeld:
  • –. de naam van de fabrikant;
  • –. het voertuigidentificatienummer;
  • –. de lengte van het motorvoertuig of de aanhangwagen;
  • –. de breedte van het motorvoertuig of de aanhangwagen;
  • –. de afstand tussen de voorkant van het motorvoertuig en het middelpunt van de koppelinrichting ervan, en
  • –. de afstand tussen het middelpunt van de koppelinrichting van de aanhangwagen en de achterkant van de aanhangwagen, hetzij
  • 2°. één plaat waarop de gegevens van de onder 1° bedoelde platen zijn vermeld, hetzij
  • 3°. een door de Dienst Wegverkeer afgegeven document waarin de gegevens van de onder 1° bedoelde platen zijn vermeld.

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 6.1
1.

De in paragraaf 2 vermelde wijzigingen in de bouw of inrichting van geregistreerde voertuigen, moeten, voor zover niet anders is bepaald, zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg, waarbij moet worden voldaan aan de in paragraaf 2 ter zake van de betrokken wijziging vermelde eisen.

2.

Indien het voertuig gaat behoren tot een andere voertuigcategorie of een andere voertuigclassificatie dan die waarvoor het bij toelating tot het verkeer op de weg is goedgekeurd en het geen wijziging van voertuigcategorie betreft ten gevolge van het tijdelijk aanbrengen van rupsbanden, wordt het voertuig aangemerkt als reeds tot die nieuwe voertuigcategorie of voertuigclassificatie behorend en moet het voldoen aan de voor die voertuigcategorie of voertuigclassificatie geldende eisen.

3.

Indien een voertuig waarvoor een kenteken opgegeven dient te zijn wordt gewijzigd in een voertuig waarvoor dat niet het geval is, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 5 gestelde eisen en, voor zover van toepassing, aan de eisen voor goedkeuring, bedoeld in hoofdstuk 3, zoals deze luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.

4.

De in het tweede en derde lid bedoelde voertuigen moeten zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg.

Artikel 6.2
1.

Op de wijziging in de bouw of inrichting van een geregistreerd voertuig, met uitzondering van de inbouw van een elektrische aandrijflijn of een brandstofsysteem voor al dan niet tot vloeistof verdicht gas, zijn de eisen van toepassing zoals die luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.

2.

Op de inbouw van een elektrische aandrijflijn of een brandstofsysteem voor al dan niet tot vloeistof verdicht gas in een gekentekend voertuig zijn de eisen van toepassing zoals die luidden op de datum van de aanvraag van de goedkeuring.

§ 8. Reminrichting

Artikel 6.3
1.

Bij wijziging in de bouw of inrichting van een voertuig waardoor de onderstaande voertuiggegevens wijzigen en na deze wijziging niet meer overeenstemmen met het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:

  • a. het aantal assen;
  • b. het aantal wielen, niet zijnde het aanbrengen van een samenstel van wielen die op één wielnaaf zijn gemonteerd;
  • c. de wielbasis van voertuigen met kettingaandrijving, met uitzondering van bromfietsen, indien deze meer dan 60 mm afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde en van overige voertuigen, met uitzondering van bromfietsen, indien deze meer dan 2% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
  • d. een vergroting van de spoorbreedte van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, bussen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, indien deze meer dan 2% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
  • e. de lengte van voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde een personenauto, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, indien deze meer dan 1% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
  • f. de afstand voorzijde voertuig tot hart koppeling van een motorvoertuig met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde een personenauto, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, indien deze meer dan 1% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
  • g. de afstand hart koppeling tot de achterzijde van aanhangwagens van de voertuigcategorie O, indien deze meer dan 1% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
  • h. de breedte van bedrijfsauto’s, bussen, bijzondere bromfietsen, landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en aanhangwagens, indien deze meer dan 50 mm afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde en, voor zover het een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk betreft de afwijking, niet ontstaat door het aanbrengen van:
  • 1°. een samenstel van wielen die op één wielnaaf zijn gemonteerd;
  • 2°. bredere banden, en eventuele afscherming en markering hiervan;
  • 3°. lading; of
  • 4°. verwisselbare gedragen uitrustingsstukken;
  • i. de massa in rijklare toestand, indien deze meer dan 20% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
  • j. de massa ledig voertuig, indien deze meer dan 20% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
  • k. de technisch toegestane maximummassa’s van voertuigen, met uitzondering van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen;
  • l. het aanbrengen van een hefbare as op een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, dan wel aanhangwagen van de voertuigcategorie O3 of O4;
  • m. de technisch toegestane te trekken aanhangwagenmassa’s van voertuigen, met uitzondering van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen;
  • n. de motorcode of het motortype van motorvoertuigen;
  • o. het aantal cilinders van motorvoertuigen, met uitzondering van bromfietsen;
  • p. de cilinderinhoud van motorvoertuigen;
  • q. de brandstofsoort van motorvoertuigen;
  • r. het vermogen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen, bromfietsen en bijzondere bromfietsen, alsmede het vermogen van overige motorvoertuigen, indien deze meer dan 20% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
  • s. de vering van de aangedreven as van bedrijfsauto's en bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg;
  • t. de inrichtingsomschrijving van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens van de voertuigcategorie O;
  • u. de voertuigomschrijving van motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines en het geen wijziging betreft ten gevolge van het tijdelijk aanbrengen van een ander verwisselbaar uitrustingsstuk;
  • v. het type carrosserie van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens van de voertuigcategorie O;
  • w. de aanduiding voor speciale doeleinden van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens van de voertuigcategorie O;
  • x. het aantal zitplaatsen van motorvoertuigen en bijzondere bromfietsen, indien het aantal aanwezige zitplaatsen groter is dan het in het register vermelde aantal;
  • y. het aantal staanplaatsen van bussen;
  • z. de maximumconstructiesnelheid, indien geregistreerd in het kentekenregister, of, voor zover het bromfietsen en bijzondere bromfietsen betreft, de maximumsnelheid waarvoor de hulpaandrijving ondersteuning biedt; en
  • aa. het geluidsniveau bij stilstand en bijbehorend toerental van motorvoertuigen.
2.

In aanvulling op het eerste lid, moet bij voertuigen in gebruik genomen na 31 december 1997 voor de volgende wijzigingen in de bouw of inrichting tevens worden voldaan aan de in bijlage IX opgenomen eisen met betrekking tot deugdelijkheid en weggedrag, voor zover deze van toepassing zijn op de betreffende voertuigcategorie:

  • a. de vergroting van de wielbasis, indien het een personenauto met een volledig zelfdragende carrosserie, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een volledig zelfdragende carrosserie, bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een volledig zelfdragende carrosserie of motorfiets betreft;
  • b. de spoorbreedte, indien het een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft;
  • c. de inrichtingsomschrijving, voor zover naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer inbreuk is op de sterkte van de dragende constructie, indien het een personenauto, bedrijfsauto of bus betreft met een zelfdragende carrosserie, of
  • d. het type carrosserie, voor zover naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer inbreuk is op de sterkte van de dragende constructie, indien het een personenauto, bedrijfsauto of bus betreft met een zelfdragende carrosserie.
3.

Bij wijziging van de brandstofsoort van een voertuig, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas door inbouw van een LPG- of CNG-installatie, wordt in afwijking van de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met hoofdstuk 3, voldaan aan VN/ECE-reglement 115, voor zover die eisen onderwerpen betreffen die tevens zijn geregeld in VN/ECE-reglement 115 en er voor het voertuig, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, een LPG- of CNG-installatie beschikbaar is die aan VN/ECE-reglement 115 voldoet.

3a. In afwijking van het derde lid en van de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met hoofdstuk 3, van toepassing zijn en onderwerpen betreffen die tevens zijn geregeld in bijlage X, mag in een voertuig dat uiterlijk op 31 december 2014 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, mits voldaan wordt aan de eisen, genoemd in bijlage X, hoofdstuk 1, worden ingebouwd en gebruikt een LPG- of CNG-installatie waarvoor uiterlijk op 31 december 2014 een goedkeuring is verleend op grond van de eisen, bedoeld in de bijlage behorende bij artikel 3 van de Regeling keuringsvoorschriften motorrijtuigen luchtverontreiniging.

3b. In aanvulling op de in dit artikel gestelde eisen zijn voor landbouw- of bosbouwtrekkers, mobiele machines, motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken de eisen ten aanzien van specifieke onderdelen en de installatie voor in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas en elektrische veiligheid van overeenkomstige toepassing.

4.

In aanvulling op de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met hoofdstuk 3, van toepassing zijn, voldoen bij wijziging van de brandstofsoort in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas door uitbouw van een LPG- of CNG-installatie, de uitbouw en het voertuig aan de eisen in bijlage X, hoofdstuk 2.

5.

Een personenauto, bedrijfsauto of bus moet bij wijziging in de bouw of inrichting tevens voldoen aan de in bijlage IX, hoofdstuk 3, artikel 3, onderdeel b, opgenomen eisen ten aanzien van het weggedrag, voor zover dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het veilig gebruik van het voertuig.

6.

Een motorfiets moet bij wijziging in de bouw of inrichting tevens voldoen aan de in bijlage IX, hoofdstuk 5, titel 2, artikel 6, opgenomen eisen ten aanzien van het weggedrag voor zover dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het veilig gebruik van het voertuig.

7.

Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op bromfietsen, bijzondere bromfietsen en driewielige motorrijtuigen.

8.

In afwijking van artikel 6.1, eerste lid, mag een wijziging in de bouw of inrichting van motorfietsen waarbij het vermogen afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde worden aangetoond door middel van een verklaring, afgegeven door de fabrikant van het voertuig of de vertegenwoordiger van die fabrikant in Nederland, waaruit blijkt dat de wijziging volgens fabrieksvoorschriften is uitgevoerd en het gewijzigde vermogen voorkomt in een typegoedkeuring.

Artikel 6.4
1.

Bij wijziging van de onderstaande voertuigonderdelen, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:

  • a. het remsysteem van voertuigen, voor zover deze van invloed is op de bedieningsplaats, bedieningsmanier en bedieningskracht door de bestuurder;
  • b. de stuurinrichting van voertuigen, met uitzondering van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen, voor zover deze van invloed is op de bedieningsplaats, bedieningsmanier en bedieningskracht;
  • c. de bevestigingspunten van de zitplaatsen van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 28 april 2009;
  • d. de bevestigingspunten van de gordels van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 28 april 2009;
  • e. de rolstoelvastzetsystemen en veiligheidssystemen van personenauto’s en bedrijfsauto’s, ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, die in gebruik zijn genomen zijn na 1 september 2008;
  • f. de ligplaatsen van een personenauto; en
  • g. het laadplatform van een landbouw- of bosbouwtrekker in gebruik genomen na 31 december 2017, indien het niet meer voldoet aan het gestelde in bijlage XXVIII bij verordening (EU) 2015/208.
2.

Bij het aanbrengen van een knielsysteem moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

3.

Bij wijziging van de inrichting van een taxi moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen in bijlage VI, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

4.

Bij wijziging van de inrichting van een bus moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen in hoofdstuk 3, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

5.

Bij het aanbrengen van aerodynamische voorzieningen en uitrusting aan de achterzijde van bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 oktober 2019, moet het voertuig voldoen aan de eisen in hoofdstuk 3, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

Artikel 6.5

Indien een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht, afgesteld of verzegeld in bedrijfsauto’s of bussen van de categorieën, genoemd in de artikelen 5.3.15, tweede lid, respectievelijk 5.3a.15, tweede lid, moeten deze voertuigen voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

Artikel 6.6
1.

Indien voor een bus een goedkeuring als T100-bus wordt verzocht, moet deze bus voldoen aan de in bijlage XI opgenomen eisen.

2.

Indien de bouw of inrichting van een bus, ten aanzien waarvan tevens keuring als T100-bus is verzocht, wordt gewijzigd, moet deze bus voldoen aan de in hoofdstuk 5, afdeling 3a, opgenomen eisen en aan de in bijlage XI opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

Artikel 6.7

Indien een koppeling wordt aangebracht op bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, moeten deze voertuigen voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

Artikel 6.8

Indien de vering van een aanhangwagen, niet zijnde een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Artikel 7.0

Een schadevoertuig moet na herstel voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

Artikel 7.1
Eisen Wijze van keuren
1. Een schadevoertuig moet na herstel voldoen aan de in dit artikel vermelde eisen.
2. De voor het betreffende voertuig opgenomen eisen in hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10, zijn van toepassing. De in hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10, vermelde wijze van keuren is van toepassing.
3. Het chassis, frame dan wel de zelfdragende carrosserie moet de oorspronkelijke maatvoering hebben. De maatvoering van het chassis dan wel de bodemplaat van de zelfdragende carrosserie wordt met daartoe bestemde meetapparatuur gemeten. De relevante meetpunten aan de onderzijde van het voertuig worden gecontroleerd. De toegestane afwijking van de meetpunten van de voertuigbodem bedraagt 10 mm in zowel de lengte-, breedte-, als hoogterichting.
4. De wielstanden moeten overeenkomen met de fabrieksgegevens. De wielstanden worden met daartoe bestemde meetapparatuur gemeten. De volgende waarden worden vastgesteld: a. de totale sporing van de voorwielen; b. de totale sporing van de achterwielen; c. de wielvlucht van elk wiel; en d. de rijlijn van de achterwielen. Voor de sporing geldt een maximale afwijking van 0º30’ ten opzichte van de maximale fabriekstoleranties. Indien de fabriekstolerantie niet bekend is, mag de waarde links en rechts maximaal 1º verschillen. Voor de wielvlucht van elk wiel geldt een maximale afwijking van 0º30’ ten opzichte van de maximale fabriekstoleranties. Indien de fabriekstolerantie niet bekend is, mag de waarde links en rechts maximaal 1º verschillen. Voor de rijlijn geldt een maximale afwijking van 0º30’ ten opzichte van de maximale fabriekstoleranties. Indien de fabriekstolerantie niet bekend is, mag de waarde 1º zijn.
5. Indien elektronische veiligheidssystemen aanwezig zijn, moeten deze goed functioneren. Leden 5 en 6: visuele controle.
6. De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Indien gordelspanners geactiveerd zijn geweest, moeten deze zijn vervangen.
7. De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
8. Op plaatsen waar is aangegeven dat zich een airbag bevindt, moet een niet geactiveerde airbag aanwezig zijn. Visuele controle, indien mogelijk, door middel van het uitlezen van het elektronische systeem.
9. Het voertuig moet van deugdelijke bouw en inrichting zijn. Visuele controle.

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 8.1.1
1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • aanwijsbereik: bereik begrensd door de laagste en hoogste waarde waarvoor het instrument een meetwaarde presenteert of registreert;
  • afleeseenheid: waarde, uitgedrukt in de eenheid van de gemeten grootheid, van het verschil tussen de aanwijzingen bij naast elkaar liggende schaaldeelstrepen voor analoog aanwijzende instrumenten of van het kleinste verschil tussen de aanwijzingen bij digitaal aanwijzende meetinstrumenten;
  • analoge aanwijzing: aanwijzing die de gemeten waarde weergeeft als een continue of nagenoeg continue functie door middel van een index langs een schaalverdeling;
  • certificaat van eerste keuring: document afgegeven dan wel een melding in het Register Meetmiddelen naar aanleiding van de eerste keuring van een bepaald meetmiddel, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van het meetmiddel met het ingevolge dit hoofdstuk goedgekeurde type wordt bevestigd;
  • certificaat van herkeuring: document afgegeven dan wel een melding in het Register Meetmiddelen naar aanleiding van de herkeuring van een in gebruik genomen meetmiddel, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van het meetmiddel met de eisen uit dit hoofdstuk wordt herbevestigd;
  • controlecertificaat: document afgegeven dan wel een melding in het Register Meetmiddelen naar aanleiding van een eerste en periodieke controle van een in gebruik genomen hulpinrichting, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van de hulpinrichting met de eigenschappen uit deze regeling worden herbevestigd;
  • datum ingebruikname: datum waarop het meetmiddel aantoonbaar in gebruik is genomen ten behoeve van de controle van de in hoofdstuk 5 gestelde permanente eisen;
  • digitale aanwijzing: aanwijzing die de gemeten waarde uitsluitend getalsmatig weergeeft;
  • eerste keuring: keuring die voor de eerste maal wordt verricht aan een bepaald meetmiddel. Bij de eerste keuring wordt de overeenstemming met het goedgekeurde type onderzocht alsook de exemplaargebonden eigenschappen;
  • fout: afwijking in positieve of in negatieve zin van een aangewezen of geregistreerde waarde van de werkelijke waarde, welke kan zijn weergegeven als een vaste waarde, uitgedrukt in de meetgrootheid, dan wel zijn weergegeven als een relatieve fout, uitgedrukt in procenten van de werkelijke waarde van de gemeten grootheid;
  • herkeuring: keuring die na een vastgestelde periode, dan wel als gevolg van een reparatie of justering moet worden uitgevoerd, waarbij vooral de eigenschappen onderzocht worden die door gebruik en tijd kunnen wijzigen;
  • hulpinrichting: inrichting die in combinatie met het meetmiddel kan worden gebruikt, doch die voor de primaire meetfunctie van het meetmiddel niet nodig of voorgeschreven is;
  • invloedsfactor: invloedsgrootheid met een waarde liggend binnen de vastgelegde gebruiksomstandigheden;
  • invloedsgrootheid: grootheid die geen onderwerp van de meting is, maar die de waarde van de te meten grootheid of de aanwijzing van het instrument beïnvloedt, zoals de omgevingstemperatuur;
  • justering: handeling die is bedoeld om een instrument in een zodanige toestand te brengen dat het geschikt is voor gebruik;
  • keuring: aanduiding voor de typekeuring, de eerste keuring en de herkeuring;
  • keuringscertificaat: certificaat van eerste keuring, dan wel van herkeuring;
  • maximale fout: maximaal toelaatbare waarde van de fout geldend voor een bepaald soort meetmiddel;
  • onderzoeksgerechtigde: onderneming of instelling die op grond van afdeling 2, paragraaf 2, van dit hoofdstuk door een keuringsinstelling is erkend tot het mogen afgeven van certificaten van eerste keuring dan wel herkeuring ten aanzien van nader bepaalde categorieën in gebruik genomen meetmiddelen;
  • primair meetsignaal: in apparatuur met elektronische signaalverwerking aanwezig analoog of digitaal meetsignaal dat een getrouwe, niet beïnvloede weergave is van de gemeten grootheid. In dit meetsignaal zijn alle relevante dynamische verschijnselen van de gemeten grootheid proportioneel aanwezig;
  • Register Meetmiddelen: door de Dienst Wegverkeer gehouden register waarin de certificaten van eerste keuringen en de certificaten van herkeuringen van meetmiddelen ten behoeve van de periodieke keuring zijn geregistreerd;
  • registratie: vastlegging van een meetresultaat, hetzij getalsmatig of analoog;
  • registratie-inrichting: inrichting voor het vastleggen van meetresultaten, zoals een afdrukinrichting;
  • testaansluiting: voorziening in het meetmiddel, waardoor het mogelijk is bij de keuring zowel het primaire meetsignaal van praktijkmetingen te bemonsteren alsook gesimuleerde primaire meetsignalen aan te bieden aan het signaalverwerkende gedeelte van het instrument. Met eventueel noodzakelijke buffering is de testaansluiting opgenomen als een schakel in het normale signaalpad;
  • testcertificaat: certificaat afgegeven naar aanleiding van een typekeuring van een bepaalde hulpinrichting of onderdeel van een meetmiddel, waarin de karakteristieke eigenschappen van die hulpinrichting of dat onderdeel zijn vastgelegd en de overeenstemming van die eigenschappen met de eisen van deze regeling wordt bevestigd;
  • typekeuring: eenmalige keuring van een meetmiddel waarbij de typegebonden eigenschappen worden onderzocht;
  • typekeuringscertificaat: certificaat afgegeven naar aanleiding van een typekeuring van een bepaald meetmiddeltype, waarin de karakteristieke eigenschappen van het desbetreffende meetmiddel zijn vastgelegd en de overeenstemming van die eigenschappen met de eisen uit deze regeling wordt bevestigd;
  • vastgelegde gebruiksomstandigheden: gebruiksomstandigheden beschreven door vastgelegde maximale waarden van invloedsgrootheden waaronder het meetinstrument aan de maximaal fout moet voldoen;
  • verstoring: invloedsgrootheid met een waarde buiten de vastgelegde gebruiksomstandigheden, dan wel een invloedsgrootheid waarvoor de gebruiksomstandigheden niet zijn vastgelegd;
  • wegweerstand: sommatie van de bij een bepaalde snelheid optredende rolweerstand en luchtweerstand onder de condities als beschreven in bijlage I van Richtlijn 95/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 2 februari 1995 betreffende de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het maximumkoppel en het netto-maximumvermogen van twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG 1995, L 52).
2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • richtlijn 2014/32/EU: Richtlijn 2014/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van meetinstrumenten (PbEU 2014, L 96).
Artikel 8.1.2
1.

Met de in dit hoofdstuk opgenomen technische eisen worden gelijkgesteld de technische eisen die in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, zijn vastgesteld en die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

2.

Met de in dit hoofdstuk bedoelde certificaten van goedkeuring worden gelijkgesteld certificaten van goedkeuring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt en die voldoen aan de eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen

Artikel 8.1.3
1.

De meetmiddelen, genoemd onder a tot en met h, j en k, moeten zijn typegoedgekeurd:

  • a. roetmeter;
  • b. toerenteller;
  • c. olietemperatuurmeter;
  • d. manometer;
  • e. pedaalkrachtmeter;
  • f. remvertragingsmeter;
  • g. rollenremtestbank;
  • h. platenremtestbank;
  • i. uitlaatgastester;
  • j. deeltjesteller;
  • k. bromfietsrollentestbank;
  • l. geluidsniveaumeter.
2.

Ten bewijze van een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een typekeuringscertificaat verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de afdelingen 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op niet in roetmeters geïntegreerde toerentellers en olietemperatuurmeters die gebruikt worden ten behoeve van de periodieke keuring.

Artikel 8.1.4

Een uitlaatgastester als bedoeld in artikel 8.1.3, eerste lid, onder i:

  • a. ondergaat vóór ingebruikname een conformiteitsbeoordeling ingevolge richtlijn 2014/32/EU;
  • b. moet zijn voorzien zijn van de documenten als voorgeschreven in richtlijn 2014/32/EU waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de eisen van de bijlagen I en XII van richtlijn 2014/32/EU, en
  • c. moet zijn voorzien van een CE-markering, de aanvullende metrologische markering en het identificatienummer, bedoeld in artikel 22 van richtlijn 2014/32/EU.
Artikel 8.1.4a
1.

De meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met h, j, k en l, ondergaan vóór ingebruikname een eerste keuring.

2.

Ten bewijze van een keuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een certificaat van eerste keuring verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de afdelingen 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.

Artikel 8.1.5
1.

De meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, ondergaan na ingebruikname periodiek een herkeuring. Ten bewijze van de herkeuring wordt een herkeuringscertificaat afgegeven.

2.

Voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan aan de in de afdelingen 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op een uitlaatgastester. Een uitlaatgastester voldoet voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat aan de eisen opgenomen in de bijlagen I en XII van richtlijn 2014/32/EU.

Artikel 8.1.6
1.

Kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters is gecertificeerd op grond van de in afdeling 4, paragraaf 9.5, opgenomen specifieke eisen.

2.

Koplamptestapparaten voldoen aan de in afdeling 4 opgenomen specifieke eisen.

Artikel 8.1.7
1.

Indien ter uitvoering van de in deze paragraaf bedoelde keuringen bijzondere hulpmiddelen nodig zijn of informatie nodig is, kan degene die het meetmiddel ter keuring aanbiedt, worden verzocht deze ter beschikking te stellen.

2.

Het niet beschikbaar stellen van noodzakelijke hulpmiddelen of informatie kan leiden tot het niet goedkeuren van het meetmiddel.

§ 2.2. Certificaten

Artikel 8.1.8

Een typekeuringscertificaat verliest zijn geldigheid, indien:

  • a. een wijziging in het meetmiddel wordt aangebracht waardoor de meetwaarden zoals deze in de praktijk kunnen worden verkregen, niet meer voldoen aan de maximale fout;
  • b. een wijziging in het meetmiddel wordt aangebracht die in strijd is met het typekeuringscertificaat of de bijbehorende beschrijving;
  • c. de voorschriften worden gewijzigd en het meetmiddel niet meer voldoet aan de gewijzigde voorschriften.
Artikel 8.1.9
1.

De geldigheidsduur van een keuringscertificaat bedraagt:

  • a. 12 maanden voor de meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder a, b, c, i, j, k en l;
  • b. 24 maanden voor de meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder d, e, f, g en h;
2.

In afwijking van het eerste lid, kan bij de typegoedkeuring een kortere geldigheidsduur worden bepaald.

3.

De geldigheidsduur, bedoeld in het eerste lid:

  • a. vangt aan met ingang van de datum van afgifte van het keuringscertificaat, of;
  • b. eindigt op de vervaldatum, vermeld in het Register Meetmiddelen.
4.

Indien een keuringscertificaat wordt afgegeven binnen twee maanden vóór het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, verstrijkt, vangt in afwijking van het derde lid de geldigheidsduur van het keuringscertificaat aan met ingang van dat tijdstip.

5.

Een keuringscertificaat verliest zijn geldigheid, indien:

  • a. een wijziging of herstel van het meetmiddel heeft plaatsgevonden, waardoor de juistheid kan zijn veranderd;
  • b. de verzegeling is verbroken;
  • c. een zodanige mechanische of elektrische overbelasting is ontstaan, dat een juist functioneren niet meer gewaarborgd kan worden, of
  • d. de geldigheidsduur is verstreken.
6.

Specifieke gebruiksomstandigheden van belang bij de keuring en bij het gebruik van het meetmiddel, worden vermeld in het keuringscertificaat.

Artikel 8.1.10
1.

De aanvraag van een typekeuringscertificaat wordt, met inachtneming van de in de afdelingen 3 en 4 gestelde voorschriften, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.

2.

De aanvraag van een certificaat van eerste keuring dan wel een certificaat van herkeuring wordt voor wat betreft:

  • a. de meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met j, met inachtneming van de in afdelingen 3 en 4 gestelde voorschriften ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling of bij een onderzoeksgerechtigde;
3.

De aanvraag van een erkenning voor het certificeren van kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters wordt, met inachtneming van de in afdeling 4 gestelde voorschriften, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.

Artikel 8.1.11

Vervallen

D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen

Artikel 8.1.12
1.

Elk meetmiddel dat een keuring of herkeuring ondergaat, wordt na iedere keuring voorzien van de verzegelingen die in het typekeuringscertificaat zijn beschreven.

2.

Onder verzegeling wordt verstaan:

  • a. het aanbrengen van een beveiliging waardoor het verschaffen van toegang tot onderdelen of instellingen van een meetmiddel door een onbevoegde niet kan plaatsvinden zonder dat dit feit achteraf zichtbaar is door beschadiging van een aangebracht beveiligingsmiddel, zoals een loodzegel of een sticker;
  • b. een elektronische verzegeling die kan bestaan uit een in de programmatuur opgenomen niet-terugstelbare teller waarvan de inhoud automatisch wordt verhoogd, indien toegang wordt verschaft tot een routine waarin beveiligde parameters kunnen worden aangepast. De inhoud van deze teller moet eenvoudig kunnen worden uitgelezen en moet overeenkomen met de waarde die in het laatste keuringscertificaat is vermeld, zolang de verzegeling niet verbroken is.
3.

Na de eerste keuring, alsmede na de herkeuring, wordt op het meetmiddel een goedkeuringsmerk aangebracht door de keuringsinstelling of door een onderzoeksgerechtigde.

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 8.2.1
1.

De aanwijzing door de minister van een keuringsinstelling als bedoeld in artikel 8.1.10, eerste lid, kan beperkt blijven tot een of meerdere bevoegdheden, alsmede tot een of meerdere meetmiddelen.

2.

De keuringsinstelling, bedoeld in het eerste lid, beschikt over een kwaliteitssysteem waarin de procedures zijn vastgelegd voor:

  • a. het verstrekken van typekeuringscertificaten en certificaten van eerste keuring en herkeuring;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)