Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666113, op grond van artikel 3.121 van de Energiewet en artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet tot goedkeuring en vaststelling van de methoden en voorwaarden over het elektriciteitssysteem (Systeemcode elektriciteit 2026)

Type ZBO-regeling
Publication 2026-10-01
State In force
Source BWB
artikelen 390
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • d. het samengestelde draaiplan van de elektriciteitsproductie-eenheden, die zijn aangesloten op het betreffende systeem;
  • e. de geaggregeerde belasting;
  • f. de geaggregeerde productie per primaire energiebron;
  • g. het blindvermogen met richting.
2.

Van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met g, wordt jaarlijks, uiterlijk op 1 april, een zo goed mogelijke schatting voor de komende tien jaar ter beschikking gesteld.

3.

Van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e tot en met g, wordt jaarlijks, uiterlijk op 1 april, een zo goed mogelijke schatting voor het komende jaar ter beschikking gesteld.

4.

De gegevens, bedoeld in het tweede en derde lid worden verstrekt van elk afzonderlijk station dat direct gekoppeld is aan het transmissiesysteem, onder vermelding van de naam van het station.

5.

Van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e tot en met g, wordt maandelijks, uiterlijk op de vijfde dag van de maand, een zo goed mogelijke schatting voor de komende maand ter beschikking gesteld.

6.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e tot en met g, worden dagelijks, uiterlijk om 15:30 uur voor de komende dag ter beschikking gesteld en bestaan uit een prognose van de gemiddelde MW-waarde en Mvar-waarde per kwartier.

7.

Wijzigingen ten opzichte van de overeenkomstig het zesde lid ter beschikking gestelde prognose van de hoeveelheid met het systeem uit te wisselen werkzaam vermogen, worden direct na het bekend worden van die wijziging aan de transmissiesysteembeheerder ter beschikking gesteld, in geval van een maximaal met het systeem uit te wisselen werkzaam vermogen:

  • a. kleiner dan 200 MW als de wijziging groter is dan 5% van de maximaal met het systeem uit te wisselen werkzaam vermogen;
  • b. groter dan of gelijk aan 200 MW als de wijziging groter is dan 10 MW.
8.

De gegevens, bedoeld in het vijfde tot en met zevende lid, worden verstrekt van elk afzonderlijk overdrachtspunt van de koppeling met elk afzonderlijk distributiesysteem onder vermelding van:

  • a. de EAN-code van de systeemkoppeling;
  • b. de EAN-code van het desbetreffende overdrachtspunt.
9.

Het eerste tot en met achtste lid zijn van overeenkomstige toepassing op een beheerder van een gesloten systeem, aangesloten op het transmissiesysteem, waarbij voor systeemkoppeling aansluiting dient te worden gelezen:

  • a. tussen de transmissiesysteembeheerder en de desbetreffende beheerder van een gesloten systeem kan worden overeengekomen om op onderdelen af te wijken van het eerste tot en met het achtste lid;
  • b. de transmissiesysteembeheerder een verzoek van een beheerder van een gesloten systeem tot een andere overeenkomst niet op onredelijke gronden zal weigeren;
  • c. de overeenkomst, bedoeld in onderdeel b wordt vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst;
  • d. de gegevens, bedoeld in het eerste tot en met het achtste lid, op verzoek van de beheerder van het gesloten systeem worden aangeleverd door zijn balanceringsverantwoordelijke of indien het een beheerder van een gesloten systeem betreft als bedoeld in artikel 5.8 door de partij die in opdracht van de beheerder van het gesloten systeem namens hem deelneemt aan het elektronisch berichtenverkeer, bedoeld in paragraaf 12.5.
Artikel 12.16
1.

De transmissiesysteembeheerder verstrekt de distributiesysteembeheerder van een transmissiegekoppeld distributiesysteem van elk afzonderlijk overdrachtspunt van een systeemkoppeling de plannings- en prognosegegevens gegevens, van het achter het overdrachtspunt gelegen transmissiesysteem:

  • a. de topologie;
  • b. de voorziene niet beschikbaarheidsplanning;
  • c. indien de drempelwaarde, bedoeld in artikel 14, zesde lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC) overschreden wordt: het invoedend kortsluitvermogen (één- en driefase kortsluitstromen).
2.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt onder vermelding van:

  • a. de EAN-code van de systeemkoppeling;
  • b. de EAN-code van het desbetreffende overdrachtspunt.
3.

Van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks, uiterlijk op 1 april, een zo goed mogelijke schatting voor de komende tien jaar ter beschikking gesteld.

4.

Van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden wijzigingen ten opzichte van de gegevens, ter beschikking gesteld overeenkomstig het tweede lid, maandelijks, uiterlijk op de vijfde dag van de maand, voor de komende maand ter beschikking gesteld;

5.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden wekelijks, uiterlijk op woensdag voor de komende week ter beschikking gesteld.

6.

Van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden wijzigingen ten opzichte van de gegevens, ter beschikking gesteld overeenkomstig het vijfde lid, dagelijks, uiterlijk om 09:00 uur voor de komende dag ter beschikking gesteld.

7.

Het eerste lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op aangeslotenen die beschikken over een elektriciteitsproductie-eenheid, een verbruiksinstallatie of een gesloten systeem aangesloten op het transmissiesysteem.

Artikel 12.17
1.

Distributiesysteembeheerders van onderling gekoppelde distributiesystemen bepalen in onderling overleg en verstrekken vervolgens elkaar, van elk afzonderlijk station waarin de systemen worden gekoppeld, de uit te wisselen plannings- en prognosegegevens, jaarlijks, uiterlijk op 1 april, inhoudende een zo goed mogelijke schatting voor de komende tien jaar, van:

  • a. de ontwikkeling van de wintermaxima, de zomermaxima en de dalbelasting op jaarbasis;
  • b. een beschrijving van het belastingpatroon (bijvoorbeeld standaard dagcurve voor een werkdag, zaterdag en zondag);
  • c. de verdeling over de overdrachtspunten op de relevante stations;
  • d. de revisieplanning van de elektriciteitsproductie-eenheden groter dan 60 MW, die zijn aangesloten op het betreffende systeem;
  • e. het samengestelde draaiplan van de elektriciteitsproductie-eenheden, die zijn aangesloten op het betreffende systeem.
2.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt onder vermelding van de naam van het station.

3.

Distributiesysteembeheerders van onderling gekoppelde distributiesystemen bepalen in onderling overleg en verstrekken vervolgens elkaar, van elk achter een overdrachtspunt van een systeemkoppeling gelegen deelsysteem, de plannings- en prognosegegevens van het achter dat overdrachtspunt van een systeemkoppeling gelegen deelsysteem:

  • a. de geaggregeerde belasting (geldt alleen voor 'van onderliggend systeem, naar bovenliggend systeem);
  • b. de geaggregeerde productie per primaire energiebron (geldt alleen voor 'van onderliggend systeem, naar bovenliggend systeem);
  • c. het blindvermogen met richting.
4.

De gegevens, bedoeld in het derde lid, worden verstrekt onder vermelding van:

  • a. de EAN-code van de systeemkoppeling;
  • b. de EAN-code van het desbetreffende overdrachtspunt.
5.

Van de gegevens, bedoeld in het derde lid, wordt jaarlijks, uiterlijk op 1 april, een zo goed mogelijke schatting voor het komende jaar ter beschikking gesteld.

6.

Van de gegevens, bedoeld in het derde lid, worden wijzigingen ten opzichte van de gegevens, ter beschikking gesteld overeenkomstig het vijfde lid, maandelijks, uiterlijk op de vijfde dag van de maand, voor de komende maand ter beschikking gesteld.

7.

De gegevens, bedoeld in het derde lid, worden dagelijks uiterlijk om 15:00 uur voor de komende dag ter beschikking gesteld en bestaan uit een prognose van de gemiddelde MW-waarde en Mvar-waarde per kwartier.

8.

Wijzigingen ten opzichte van de overeenkomstig het zevende lid ter beschikking gestelde prognose van de hoeveelheid met het systeem uit te wisselen werkzaam vermogen, worden direct na het bekend worden van die wijziging aan de systeembeheerder ter beschikking gesteld, in geval van een maximaal met het systeem uit te wisselen werkzaam vermogen:

  • a. kleiner dan 200 MW als de wijziging groter is dan 5% van het maximaal met het systeem uit te wisselen werkzaam vermogen;
  • b. groter dan of gelijk aan 200 MW als de wijziging groter is dan 10 MW.
9.

Het eerste tot en met achtste lid zijn van overeenkomstige toepassing op een beheerder van een gesloten systeem, aangesloten op een distributiesysteem, waarbij voor systeemkoppeling aansluiting dient te worden gelezen:

  • a. tussen de distributiesysteembeheerder en de desbetreffende beheerder van een gesloten systeem kan worden overeengekomen om op onderdelen af te wijken van het eerste tot en met het achtste lid;
  • b. de distributiesysteembeheerder een verzoek van een beheerder van een gesloten systeem tot een andere overeenkomst niet op onredelijke gronden zal weigeren;
  • c. de overeenkomst, bedoeld in onderdeel b wordt vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
Artikel 12.18
1.

Een aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem of een DC-aangesloten power park module, aangesloten op het transmissiesysteem, verstrekt de tranmissiesysteembeheerder de plannings- en prognosegegevens van dat HVDC-systeem of die DC-aangesloten power park module:

  • a. de niet-beschikbaarheidsplanning van het HVDC-systeem of de DC-aangesloten power park module;
  • b. de geplande niet-beschikbaarheid van de aansluiting waarachter het HVDC-systeem of de DC-aangesloten power park module zich bevindt;
  • c. de test-profielen;
  • d. de beperkingen van de beschikbaarheid van het werkzaam vermogen ten opzichte van de maximale HVDC-transportcapaciteit van werkzaam vermogen of de maximumcapaciteit;
  • e. de prognose van de hoeveelheid op het systeem in te voeden of van het systeem af te nemen werkzaam vermogen;
  • f. de eventuele beperkingen in de regelcapaciteit voor blindvermogen.
2.

De aangeslotene verstrekt de plannings- en prognosegegevens, bedoeld in het eerste lid, onder vermelding van:

  • a. de EAN-code van de aansluiting waarachter dat HVDC-systeem of die DC-aangesloten power park module zich bevindt;
  • b. de EAN-code van het overdrachtspunt waarachter dat HVDC-systeem of die DC-aangesloten power park module zich bevindt, indien het een aansluiting betreft die meer dan één overdrachtspunt heeft.
3.

Van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, d, e en f, wordt jaarlijks, uiterlijk op 1 april, een zo goed mogelijke schatting voor de komende tien jaar ter beschikking gesteld, met inachtneming van het volgende:

  • a. van tijdens de zichtperiode nieuw in bedrijf te nemen HVDC-systemen of DC-aangesloten power park modules tevens de verwachte datum van inbedrijfname;
  • b. van tijdens de zichtperiode te amoveren HVDC-systemen of DC-aangesloten power park modules tevens de verwachte datum van amovering.
4.

Van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt jaarlijks, uiterlijk op 1 april, een zo goed mogelijke schatting voor de komende drie jaar ter beschikking gesteld overeenkomstig de specificaties uit artikel 9, eerste lid, van Verordening (EU) 543/2013.

5.

Van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, wordt jaarlijks, uiterlijk op 1 april, een zo goed mogelijke schatting voor het komende jaar ter beschikking gesteld.

6.

Tenzij anders overeengekomen, maken de gegevens, bedoeld in het vierde en vijfde lid, deel uit van de gegevens in het derde lid.

7.

Van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, worden wijzigingen ten opzichte van de gegevens, ter beschikking gesteld overeenkomstig het vijfde lid, maandelijks, uiterlijk op de vijfde dag van de maand, voor de komende maand ter beschikking gesteld.

8.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, worden dagelijks, uiterlijk om 15:30 uur voor de komende dag ter beschikking gesteld en bestaan uit een prognose van de gemiddelde MW-waarde per kwartier.

9.

Wijzigingen ten opzichte van de overeenkomstig het achtste lid ter beschikking gestelde prognose van de hoeveelheid op het systeem in te voeden of van het systeem af te nemen werkzaam vermogen, stelt de aangeslotene direct na het bekend worden van die wijziging ter beschikking aan de transmissiesysteembeheerder in geval van een HVDC-systeem of een DC-aangesloten power park module met een maximumcapaciteit:

  • a. kleiner dan 200 MW als de wijziging groter is dan 5% van de maximumcapaciteit;
  • b. groter dan of gelijk aan 200 MW als de wijziging groter is dan 10 MW.
Artikel 12.19

De systeembeheerder publiceert dagelijks een wekelijks voortschrijdend totaal van de prognoses en de daadwerkelijke transporten per deelsysteem op zijn website.

§ 12.3. Realtimegegevens

Artikel 12.20

Waar in deze paragraaf sprake is van een grenswaarde van 1 MW, kan de systeembeheerder per bepaling een hogere grenswaarde vaststellen.

Artikel 12.21
1.

Een aangeslotene die beschikt over een elektriciteitsproductie-eenheid aangesloten op het transmissiesysteem verstrekt de transmissiesysteembeheerder van elk afzonderlijk overdrachtspunt van een aansluiting waarachter zich een elektriciteitsproductie-eenheid bevindt de realtimegegevens:

  • a. de standmeldingen van de vermogensschakelaars behorend bij het overdrachtspunt van de aansluiting;
  • b. de richting en grootte van het uitgewisseld werkzaam vermogen en blindvermogen;
  • c. het spanningsniveau.
2.

De transmissiesysteembeheerder stelt aan de aangeslotene die beschikt over een elektriciteitsproductie-eenheid aangesloten op het transmissiesysteem de volgende realtimegegevens ter beschikking:

  • a. standmeldingen van de vermogensschakelaars en spanning- en stroommetingen die voor een adequate beveiliging van de elektriciteitsproductie-eenheid bij storingen vanuit het systeem noodzakelijk zijn;
  • b. standmeldingen van de vermogensschakelaars zodat op een juiste wijze gesignaleerd kan worden of de elektriciteitsproductie-eenheid met het systeem is verbonden.
Artikel 12.22
1.

Een aangeslotene die beschikt over een elektriciteitsproductie-eenheid met een maximumcapaciteit groter dan of gelijk aan 1 MW aangesloten op een distributiesysteem verstrekt de systeembeheerder van elk afzonderlijk overdrachtspunt van een aansluiting waarachter zich die elektriciteitsproductie-eenheid bevindt de realtimegegevens:

  • a. de standmeldingen van de vermogensschakelaars;
  • b. de stroomsterkte;
  • c. de richting en de grootte van het werkzaam vermogen en het blindvermogen; en
  • d. het spanningsniveau.
2.

De distributiesysteembeheerder stelt aan de aangeslotene die beschikt over een elektriciteitsproductie-eenheid met een maximumcapaciteit groter dan of gelijk aan 1 MW aangesloten op het distributiesysteem de volgende realtimegegevens ter beschikking:

  • a. standmeldingen van de vermogenschakelaars en spanning- en stroommetingen die voor een adequate beveiliging van de elektriciteitsproductie-eenheid bij storingen vanuit het systeem noodzakelijk zijn;
  • b. standmeldingen van de vermogenschakelaars zodat op een juiste wijze gesignaleerd kan worden of de elektriciteitsproductie-eenheid met het systeem is verbonden.
Artikel 12.23

Een aangeslotene die beschikt over een verbruiksinstallatie aangesloten op het transmissiesysteem verstrekt de transmissiesysteembeheerder van elk afzonderlijk overdrachtspunt van de aansluiting waarachter zich die verbruiksinstallatie bevindt de realtimegegevens:

  • a. de standmeldingen van de vermogensschakelaars behorend bij het overdrachtspunt van de aansluiting;
  • b. de richting en de grootte van het werkzaam vermogen en het blindvermogen; en
  • c. de minimale en maximale inperking van het vermogen.
Artikel 12.24
1.

Een aangeslotene die beschikt over een verbruiksinstallatie aangesloten op een distributiesysteem met een maximaal af te nemen werkzaam vermogen groter dan of gelijk aan 1 MW verstrekt, indien de verbruiksinstallatie een verbruikseenheid omvat die deelneemt aan vraagsturing, aan de distributiesysteembeheerder van elk afzonderlijk overdrachtspunt van de aansluiting waarachter zich de verbruiksinstallatie bevindt de realtimegegevens:

  • a. de standmeldingen van de vermogensschakelaars behorend bij het overdrachtspunt van de aansluiting;
  • b. de richting en de grootte van het werkzaam vermogen en het blindvermogen; en
  • c. de minimale en maximale inperking van het vermogen.
2.

Indien sprake is van vraagsturing door middel van een derde partij als bedoeld in de artikelen 27 tot en met 29 van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), draagt de aangeslotene er zorg voor dat de derde partij de realtimegegevens kan verstrekken aan de systeembeheerder:

  • a. het werkzame vermogen; en
  • b. de richting en de grootte van het blindvermogen.
Artikel 12.25
1.

De systeembeheerder van een transmissiegekoppeld distributiesysteem verstrekt de transmissiesysteembeheerder per overdrachtspunt de realtimegegevens:

  • a. de benodigde standmeldingen voor het realiseren van de vergrendelingen;
  • b. indien van toepassing de informatie op veldniveau zoals vastgelegd in de uniforme door de gezamenlijke systeembeheerders overeengekomen werkwijze voor secundaire interfacing van transformatorvelden richting de distributiesystemen;
  • c. ten behoeve van de actuele bedrijfsvoering:
  • 1°. de best beschikbare gegevens voor de som van de productie in het deelsysteem per primaire energiebron;
  • 2°. de best beschikbare gegevens voor de som van het verbruik in het deelsysteem;
  • 3°. productie van alle elektriciteitsproductie-eenheden groter dan 60 MW;
  • 4°. schakelsituatie systeem (status), belasting en spanningen op overdrachtspunten met het bovenliggende systeem, belangrijke maascircuits en overdrachtspunten tussen deelsystemen;
  • d. op verzoek de navolgende bedrijfsmetingen in het transformatorveld:
  • 1°. 1*Ug gekoppelde spanning primaire zijde;
  • 2°. 1*If fasestroom, primaire zijde;
  • 3°. het werkzaam vermogen aan de primaire zijde met de richting;
  • 4°. blindvermogen aan de primaire zijde met de richting;
  • 5°. werkzaam vermogen aan de secundaire zijde met de richting;
  • 6°. blindvermogen aan de secundaire zijde met de richting;
  • 7°. werkzaam vermogen aan de tertiaire zijde met de richting;
  • 8°. blindvermogen aan de tertiaire zijde met de richting.
2.

Het eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing op een beheerder van een gesloten systeem, aangesloten op het transmissiesysteem.

Artikel 12.26

De transmissiesysteembeheerder verstrekt de systeembeheerder van een transmissiegekoppeld distributiesysteem per overdrachtspunt de realtimegegevens:

  • a. de benodigde standmeldingen voor het realiseren van de vergrendelingen;
  • b. indien van toepassing de informatie op veldniveau zoals vastgelegd in de uniforme door de gezamenlijke systeembeheerders overeengekomen werkwijze voor secundaire interfacing van transformatorvelden richting de distributiesystemen;
  • c. ten behoeve van de actuele bedrijfsvoering de schakelsituatie systeem (status);
  • d. de trapstanden van de transformatoren;
  • e. indien van toepassing op verzoek de navolgende bedrijfsmetingen in het transformatorveld:
  • 1°. 1*Ug gekoppelde spanning primaire zijde;
  • 2°. 1*If fasestroom, primaire zijde;
  • 3°. het werkzaam vermogen aan de primaire zijde met de richting;
  • 4°. blindvermogen aan de primaire zijde met de richting;
  • 5°. werkzaam vermogen aan de secundaire zijde met de richting;
  • 6°. blindvermogen aan de secundaire zijde met de richting;
  • 7°. werkzaam vermogen aan de tertiaire zijde met de richting;
  • 8°. blindvermogen aan de tertiaire zijde met de richting;
  • f. het blindvermogen in het reactor- en condensatorveld;
  • g. de gegevens van de state estimator van de transmissiesysteembeheerder: de amplitude en de fase van de spanning (complexe lijnspanning).
Artikel 12.27
1.

Distributiesysteembeheerders met onderling gekoppelde distributiesystemen bepalen in onderling overleg en verstrekken vervolgens elkaar de uit te wisselen realtimegegevens:

  • a. de benodigde standmeldingen voor het realiseren van de vergrendelingen;
  • b. ten behoeve van de actuele bedrijfsvoering:
  • 1°. de best beschikbare gegevens voor de som van de productie in het deelsysteem per primaire energiebron (geldt alleen voor 'van onderliggend systeem, naar bovenliggend systeem’);
  • 2°. de best beschikbare gegevens voor de som van het verbruik in het deelsysteem (geldt alleen voor 'van onderliggend systeem, naar bovenliggend systeem’);
  • 3°. productie van alle elektriciteitsproductie-eenheden groter dan 60 MW;
  • 4°. schakelsituatie systeem (status), belasting en spanningen op overdrachtspunten met het bovenliggende systeem, belangrijke maascircuits en overdrachtspunten tussen deelsystemen;
  • c. op verzoek de navolgende bedrijfsmetingen in het transformatorveld:
  • 1°. 1*Ug gekoppelde spanning primaire zijde;
  • 2°. 1*If fasestroom, primaire zijde;
  • 3°. het werkzaam vermogen aan de primaire zijde met de richting;
  • 4°. blindvermogen aan de primaire zijde met de richting;
  • 5°. werkzaam vermogen aan de secundaire zijde met de richting;
  • 6°. blindvermogen aan de secundaire zijde met de richting;
  • 7°. werkzaam vermogen aan de tertiaire zijde met de richting;
  • 8°. blindvermogen aan de tertiaire zijde met de richting;
  • d. het werkzame vermogen en blindvermogen in het eventueel op het desbetreffende station aanwezige elektriciteitsproductie-installatieveld;
  • e. het blindvermogen in het op het desbetreffende station eventueel aanwezige reactor- en condensatorveld;
  • f. bij koppeling op gelijk spanningsniveau stellen de betrokken systeembeheerders elkaar op verzoek de stationsspanning ter beschikking.
2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een beheerder van een gesloten systeem dat is aangesloten op een distributiesysteem, tenzij anders overgekomen tussen de systeembeheerder van dat distributiesysteem en de desbetreffende beheerder van een gesloten systeem.

Artikel 12.28
1.

Een aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem of een DC-aangesloten power park module, aangesloten op het transmissiesysteem verstrekt de transmissiesysteembeheerder van elk afzonderlijk overdrachtspunt van een aansluiting waarachter zich een HVDC-systeem of een DC-aangesloten power park module bevindt de realtimegegevens:

  • a. de operationele signalen, waaronder ten minste:
  • 1°. de opstartsignalen;
  • 2°. de wisselspannings- en gelijkspanningsmetingen;
  • 3°. de wisselstroom- en gelijkstroommetingen;
  • 4°. de metingen van het werkzaam en het blindvermogen aan de wisselstroomzijde;
  • 5°. de metingen van het gelijkstroomvermogen aan de gelijkstroomzijde;
  • 6°. de bedrijfsvoering op het niveau van HVDC-convertoreenheden in een HVDC-convertor van het multi-pooltype;
  • 7°. de status van de elementen en de topologie;
  • 8°. het bereik van het werkzaam vermogen in frequentiegevoelige modus, gelimiteerde frequentiegevoelige modus – overfrequentie en gelimiteerde frequentiegevoelige modus – onderfrequentie;
  • b. de alarmsignalen, waaronder ten minste:
  • 1°. de noodblokkering;
  • 2°. de op- en afregelblokkering;
  • 3°. de snelle omkering van het werkzaam vermogen.
2.

De transmissiesysteembeheerder stelt aan de aangeslotene die beschikt over een HVDC-systeem of een DC-aangesloten power park module aangesloten op het transmissiesysteem de volgende realtimegegevens ter beschikking:

  • a. standmeldingen van de vermogensschakelaars en spanning- en stroommetingen die voor een adequate beveiliging van het HVDC-systeem of de DC-aangesloten power park module bij storingen vanuit het systeem noodzakelijk zijn;
  • b. standmeldingen van de vermogensschakelaars zodat op een juiste wijze gesignaleerd kan worden of het HVDC-systeem of de DC-aangesloten power park module met het systeem is verbonden.
Artikel 12.29

In de artikelen 12.21 tot en met 12.28, wordt met realtime bedoeld een representatie van de momentane status van de elektriciteitsproductie-installaties, de verbruikseenheden en de systeemelementen, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de methodologie met de belangrijkste organisatorische vereisten, taken en verantwoordelijkheden ten aanzien van gegevensuitwisseling in verband met de operationele veiligheid, bedoeld in artikel 40, zesde lid, van Verordening (EU) 2017/1485 (GL SO).

§ 12.4. Door de systeembeheerder te registreren gegevens

Artikel 12.30

De systeembeheerder registreert per aansluiting de volgende gegevens en geeft de desbetreffende aangeslotene desgevraagd inzage in de omtrent zijn aansluiting en aangesloten installatie vastgelegde gegevens:

  • a. van elke aansluiting waarachter zich een of meer elektriciteitsproductie-eenheden bevinden, per elektriciteitsproductie-eenheid de gegevens genoemd in de artikelen 12.1 of 12.2;
  • b. van elke aansluiting waarachter zich een of meer verbruikseenheden bevinden, per verbruikseenheid de gegevens genoemd in de artikelen 12.3 of 12.4;
  • c. van elke aansluiting waarachter zich een systeem of een gesloten systeem bevindt, per overdrachtspunt van de aansluiting de gegevens genoemd in de artikelen 12.5 tot en met 12.8.

§ 12.5. Beheer en organisatie van het berichtenverkeer ten behoeve van gegevensuitwisseling

Artikel 12.31
1.

Ten behoeve van de gegevensuitwisseling, bedoeld in de artikelen 10.11 tot en met 10.27, 10.36, en 12.1 tot en met 12.8 en 12.11 tot en met 12.18, stellen de systeembeheerders gezamenlijk in onderling overleg regels vast ten aanzien van hetgeen tussen de systeembeheerders onderling alsmede tussen hen en balanceringsverantwoordelijken, balanceringsdienstverleners, congestiebeheersdienstverleners en voor zover van toepassing aangeslotenen en partijen die namens andere partijen deelnemen aan het in het eerder genoemde berichtenverkeer en die op grond van artikel 12.32 zijn gecertificeerd voor het gebruik van de desbetreffende berichten geldt omtrent:

  • a. berichtspecificaties voor de (elektronische) berichtenuitwisseling waaronder mede begrepen gegevensuitwisseling via een webportal;
  • b. procedures en specificaties van het te gebruiken centrale communicatiesysteem voor de geautomatiseerde berichtenuitwisseling waaronder mede begrepen gegevensuitwisseling via een webportal;
  • c. communicatieprotocollen voor de dagelijkse gegevensuitwisseling;
  • d. specificaties waaraan de energieprogramma’s en daarmee verband houdende berichten voldoen;
  • e. specificaties waaraan de prognoses voldoen;
  • f. het tijdschema waarbinnen het aanleveren en wijzigen van prognoses geschiedt;
  • g. specificaties waaraan de kwaliteitscontrole van de gegevensuitwisseling voldoet;
  • h. de bewaartermijn voor de verschillende soorten berichten, waarbij rekening wordt gehouden met wettelijke bewaartermijnen en met het doel van het desbetreffende bericht;
  • i. specificaties waaraan de balanceringinformatie en daarmee verband houdende berichten voldoen.
2.

Het in het eerste lid bedoelde centrale communicatiesysteem wordt beheerd door de transmissiesysteembeheerder.

3.

De transmissiesysteembeheerder stelt iedere balanceringsverantwoordelijke, balanceringsdienstverlener, congestiebeheersdienstverlener en voor zover van toepassing de relevante aangeslotenen en partijen die namens andere partijen deelnemen of willen deelnemen aan het in het eerste lid bedoelde berichtenverkeer op de hoogte van de in het eerste lid bedoelde regels door toezending daarvan.

Artikel 12.32
1.

Het is de gebruiker van het centrale communicatiesysteem slechts toegestaan berichten uit te wisselen, als die gebruiker voor ieder uit te wisselen bericht in het bezit is van een door de transmissiesysteembeheerder uitgegeven testcertificaat. Het certificaat is maximaal twaalf maanden geldig.

2.

De transmissiesysteembeheerder kan de toegang tot het gezamenlijke communicatiesysteem weigeren indien:

  • a. een gebruiker van het centrale communicatiesysteem in strijd met het eerste lid berichten uitwisselt waarvoor hij geen door de transmissiesysteembeheerder uitgegeven testcertificaat bezit;
  • b. hij na daartoe uitgenodigd door de transmissiesysteembeheerder niet direct een test aanvraagt; en
  • c. hij binnen twee weken na de hiervoor bedoelde uitnodiging nog geen testcertificaat in het bezit heeft.
Artikel 12.33
1.

Onverminderd artikel 12.31, eerste lid, stelt de transmissiesysteembeheerder het elektronische berichtenverkeer, bedoeld in artikel 12.31, eerste lid, open voor berichtenverkeer ten behoeve van gesloten systemen. Daarbij stelt de transmissiesysteembeheerder de beheerder van het desbetreffende gesloten systeem op de hoogte van de in artikel 12.31, eerste lid, bedoelde regels door toezending daarvan.

2.

Alvorens de transmissiesysteembeheerder het elektronische berichtenverkeer, bedoeld in artikel 12.31, eerste lid, open stelt voor de beheerder van een gesloten systeem, verstrekt deze beheerder aan de transmissiesysteembeheerder een afschrift van de hem krachtens artikel 3.6 van de Energiewet verleende aanwijzing en de krachtens artikel 3.7 van de Energiewet verleende erkenning.

3.

Indien de transmissiesysteembeheerder verneemt dat een aanwijzing krachtens artikel 3.6 van de Energiewet of een erkenning krachtens artikel 3.7 van de Energiewet vervalt dan wel wordt ingetrokken, stelt de transmissiesysteembeheerder het elektronische berichtenverkeer, bedoeld in artikel 12.31, eerste lid, niet langer open voor het desbetreffende gesloten systeem.

4.

In afwijking van het tweede lid overlegt de beheerder van een recreatiesysteem als bedoeld in artikel 5.8, tweede lid, een afschrift van het respectievelijk de in de begripsomschrijving van recreatiesysteem in de Begrippencode elektriciteit 2026 bedoelde bestemmingsplan, WOZ-beschikking of notariële akte alvorens de transmissiesysteembeheerder het elektronische berichtenverkeer, bedoeld in artikel 12.31, eerste lid, open stelt voor de beheerder van dat recreatiesysteem.

Artikel 12.34
1.

Ten behoeve van beheer en onderhoud van de specificaties en protocollen, bedoeld in artikel 12.31, eerste lid, organiseren de systeembeheerders gezamenlijk een overlegplatform, waarin zitting hebben een delegatie van de gezamenlijke systeembeheerders en van representatieve organisaties van partijen op de elektriciteitsmarkt, die op basis van deze code gebruik maken van de bedoelde elektronische datacommunicatiemiddelen.

2.

De kosten van het overlegplatform ten behoeve van beheer en onderhoud zullen door het in het eerste lid bedoelde platform ten laste worden gebracht van de systeembeheerders.

Artikel 12.35
1.

Registraties van berichten die zijn verzonden overeenkomstig de in artikel 12.31, eerste lid, vastgestelde regels, leveren, behoudens tegenbewijs, bewijs op van de in die berichten vervatte gegevens.

2.

Een bericht behoeft slechts met ontvangstbevestiging te worden verzonden wanneer de in het eerste lid genoemde regels dat voorschrijven, in welk geval die regels tevens de procedure voor de verzending met ontvangstbevestiging en de verzending van het ontvangstbericht voorschrijven.

3.

Indien de in het eerste lid genoemde regels verzending van een bericht met ontvangstbevestiging voorschrijven, is een dergelijk bericht ongeldig indien de ontvangst ervan niet binnen de in die regels daartoe gestelde termijn wordt bevestigd en de verzender de geadresseerde daarvan in kennis heeft gesteld, tenzij in overeenstemming met die regels een herstelprocedure in gang is gezet, bij gebreke of falen waarvan het bericht ongeldig is vanaf het moment waarop de eerder genoemde termijn is verstreken.

4.

De transmissiesysteembeheerder verstrekt overeenkomstig de regels, bedoeld in het eerste lid, een toegangscode en versleutelingsmethode aan degenen die gebruik maken van het in artikel 12.31, eerste lid, bedoelde gezamenlijke communicatiesysteem.

5.

Gebruikers van het in artikel 12.31, eerste lid, bedoelde gezamenlijke communicatiesysteem zijn gehouden tot de uitvoering en instandhouding van beveiligingsprocedures en -maatregelen om berichten te beschermen tegen verlies en tegen ongeautoriseerde kennisneming, wijziging of vernietiging.

6.

De in het vijfde lid bedoelde procedures en maatregelen hebben mede betrekking op de verificatie van de oorsprong en de volledigheid van een bericht.

7.

Indien beveiligingsprocedures of -maatregelen leiden tot de afwijzing van een bericht of een fout in het bericht aan het licht brengen, stelt de ontvanger de verzender hiervan in overeenstemming met het daaromtrent bepaalde in de regels, bedoeld in het eerste lid, op de hoogte. De ontvanger geeft aan het bericht geen gevolg totdat hij door de verzender is geïnstrueerd. In geval de verzender het bericht opnieuw verzendt, is daarbij ondubbelzinnig aangegeven dat het een gecorrigeerd bericht betreft.

8.

De inhoud van de in dit artikel bedoelde berichten is vertrouwelijk en mag slechts worden gebruikt voor het doel waarvoor zij worden verzonden, tenzij de daarin vervatte gegevens algemeen toegankelijk zijn.

9.

Van berichten die via het in artikel 12.31, eerste lid, bedoelde gezamenlijke communicatiesysteem zijn uitgewisseld wordt door iedere ontvanger en verzender een tegen verlies, tenietgaan of wijziging beschermde chronologische registratie bijgehouden, met inachtneming van een termijn die op grond van de regels, bedoeld in het eerste lid, of op grond van enige wettelijke bepaling aangewezen is.

10.

De verzender bewaart door hem verzonden berichten in het formaat van verzending. De ontvanger bewaart de ontvangen berichten in het formaat van ontvangst.

Artikel 12.36

Ten behoeve van de gegevensuitwisseling, bedoeld in de artikelen 12.21 tot en met 12.28, worden de op die gegevensuitwisseling van toepassing zijnde delen van de internationale normreeks IEC 61850: ‘Communication networks and systems for power utility automation’ toegepast.

Hoofdstuk 13. Voorwaarden voor bestaande installaties

§ 13.1. Bestaande elektriciteitsproductie-eenheden

Artikel 13.1
1.

Op elektriciteitsproductie-eenheden die overeenkomstig de criteria van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 als type A zouden worden geclassificeerd maar waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) niet van toepassing is, is artikel 3.11 niet van toepassing.

2.

Op elektriciteitsproductie-eenheden die overeenkomstig de criteria van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 als type B zouden worden geclassificeerd maar waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) niet van toepassing is, zijn de artikelen 3.11 en 3.15 tot en met 3.17 niet van toepassing.

3.

Op elektriciteitsproductie-eenheden die overeenkomstig de criteria van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 als type C zouden worden geclassificeerd maar waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) niet van toepassing is, zijn de artikelen 3.11, 3.15 tot en met 3.17 en 3.22 tot en met 3.24 niet van toepassing.

4.

Op elektriciteitsproductie-eenheden die overeenkomstig de criteria van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 als type D zouden worden geclassificeerd maar waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) niet van toepassing is, zijn de artikelen 3.11, 3.15 tot en met 3.17 en 3.22 tot en met 3.24 en 3.26 tot en met 3.29 niet van toepassing.

5.

Bij een elektriciteitsproductie-eenheid kleiner dan 800 W die voor 1 januari 2021 op het distributiesysteem is aangesloten spreekt de in artikel 3.6, tweede lid, onderdeel c bedoelde frequentiebeveiliging aan bij 48 en 51 Hz.

Artikel 13.2
1.

Onverminderd artikel 13.1, eerste lid, voldoen elektriciteitsproductie-eenheden die overeenkomstig de criteria van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 als type A zouden worden geclassificeerd maar waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) niet van toepassing is en die zijn aangesloten op een laagspanningssysteem, in aanvulling op paragraaf 3.3 aan het tweede en derde lid.

2.

Het parallel schakelen van de elektriciteitsproductie-eenheid dient automatisch te verlopen.

3.

De beveiliging van de elektriciteitsproductie-eenheid is voorzien van een frequentiebeveiliging met een aanspreeksnelheid van 2 seconden bij 48 en 51 Hz.

Artikel 13.3
1.

Onverminderd artikel 13.1, eerste lid, voldoen elektriciteitsproductie-eenheden die overeenkomstig de criteria van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 als type A zouden worden geclassificeerd maar waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) niet van toepassing is en die zijn aangesloten op een middenspanningssysteem, in aanvulling op paragraaf 3.3 aan het tweede tot en met het zevende lid.

2.

Van de plicht tot het aanbieden van frequentiebegrenzingsreserves en blindvermogen zijn uitgezonderd elektriciteitsproductie-eenheden die uitsluitend afhankelijk zijn van één of meer niet-regelbare energiebronnen.

3.

Alle elektriciteitsproductie-eenheden aangesloten op middenspanningssystemen kunnen bedrijf voeren met een arbeidsfactor tussen 1,0 en 0,85 (inductief) gemeten op de generatorklemmen.

4.

Over de grenswaarden van de arbeidsfactor zoals genoemd in het derde lid vindt tijdig overleg plaats met de systeembeheerder, zodat in overleg besloten kan worden tot afwijkende waarden, zodat ook capacitief draaien mogelijk is.

5.

De aandrijvende machine van de elektriciteitsproductie-eenheid vertoont een rustig gedrag.

6.

Indien de elektriciteitsproductie-eenheid niet direct is aangesloten op het systeem van de systeembeheerder, is de bij het ontwerp aan de generator of de machinetransformator toe te kennen spanning afgestemd op de te verwachten gemiddelde bedrijfsspanning op het overdrachtspunt van de aansluiting en het gemiddelde spanningsverlies tussen de generator en het overdrachtspunt van de aansluiting. De spanningsafwijking ter plaatse van de generator is een afgeleide van de spanningsafwijking op het overdrachtspunt van de aansluiting.

7.

Indien de systeembeheerder verwacht dat de gemiddelde bedrijfsspanning in de toekomst beduidend zal wijzigen wordt hiermee bij het ontwerp van de installatie rekening gehouden.

Artikel 13.4
1.

Onverminderd artikel 13.1, tweede en derde lid, voldoen elektriciteitsproductie-eenheden die overeenkomstig de criteria van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 als type B of C zouden worden geclassificeerd maar waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) niet van toepassing is, en die zijn aangesloten op een middenspanningssysteem, in aanvulling op paragraaf 3.4 aan artikel 13.3 en aan het tweede tot en met achtste lid.

2.

Elektriciteitsproductie-eenheden aangesloten op hoogspanningssystemen kunnen bedrijf voeren met een arbeidsfactor tussen 1,0 en 0,8 (inductief) gemeten op de generatorklemmen.

3.

Voor elektriciteitsproductie-eenheden met een maximumcapaciteit groter dan 5 MW en aangesloten op systemen met een spanning groter dan of gelijk aan 1 kV gelden de technische eisen die:

  • a. met betrekking tot de robuustheid van de elektriciteitsproductie-eenheid zijn bepaald in het vijfde tot en met het achtste lid;
4.

Het vijfde lid en artikel 13.5, tweede tot en met zevende lid, zijn niet van toepassing op elektriciteitsproductie-eenheden die uitsluitend afhankelijk zijn van één of meer niet-regelbare energiebronnen. Beproevingen als bedoeld in artikel 13.5, elfde lid, voor zover ze betrekking hebben op voorgaande uitzonderingen zijn niet van toepassing op voornoemde elektriciteitsproductie-eenheden.

5.

Een elektriciteitsproductie-eenheid is in staat om overeenkomstig de vier gebieden die in bijlage 26 zijn gedefinieerd voor elektriciteitsproductie-eenheden die zijn aangesloten op distributiesystemen onderscheidenlijk elektriciteitsproductie-eenheden die zijn aangesloten op transmissiesystemen:

  • a. nominaal vermogen te leveren gedurende een onbeperkte tijd;
  • b. nominaal vermogen te leveren gedurende 15 minuten, vervolgens gedurende 5 minuten parallel aan het systeem in bedrijf te blijven;
  • c. tenzij de elektriciteitsproductie-eenheid ingevolge onderdeel b reeds in uitsluitend parallelbedrijf is gegaan, 90% van nominaal vermogen te leveren gedurende 10 seconden en vervolgens gedurende 5 minuten parallel aan het systeem in bedrijf te blijven;
  • d. parallel aan het systeem gedurende 5 minuten in bedrijf te blijven.
6.

Een elektriciteitsproductie-eenheid moet in staat zijn om in de in bijlage 26 gedefinieerde gebieden het blindvermogen te leveren overeenkomstig de artikelen 3.13, zesde lid, 13.3, derde en vierde lid en 13.4, tweede lid.

7.

Indien een elektriciteitsproductie-installatie bestaat uit meerdere elektriciteitsproductie-eenheden die invoeden op systemen met verschillende spanningsniveaus gelden de eisen die van toepassing zijn voor het hoogste spanningsniveau waarop de elektriciteitsproductie-eenheid invoedt.

8.

In geval van kortsluitingen in een systeem geldt:

  • a. Voor elektriciteitsproductie-eenheden die zijn gekoppeld aan een distributiesysteem, is ontkoppeling toegestaan bij een spanningsdip, waarbij de restspanning een waarde heeft tussen 0,8 Un en 0,7 Un, na 300 ms. Indien de restspanning een waarde heeft kleiner dan 0,7 Un mag ontkoppeld worden na 300 ms of na 90% van de kritische kortsluittijd indien 300 ms groter is dan 90% van de kritische kortsluittijd.
  • b. Voor elektriciteitsproductie-eenheden die zijn gekoppeld aan een transmissiesysteem is ontkoppeling toegestaan bij een spanningsdip, waarbij de restspanning een waarde heeft kleiner dan 0,7 Un, na 300 ms of na 90% van de kritische kortsluittijd indien 300 ms groter is dan 90% van de kritische kortsluittijd.
9.

Tenzij sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) zijn de artikelen 3.16 en 3.23 niet van toepassing op de elektriciteitsproductie-eenheden:

  • a. die voor 9 september 2021 op het systeem zijn aangesloten, of
  • b. waarvan de eigenaar van de elektriciteitsproductie-eenheid voor 9 september 2021 een definitief en bindend contract heeft gesloten voor de aankoop van het belangrijkste onderdeel van de elektriciteitsproductie-eenheid binnen een tijdsbestek van twee jaar na het sluiten van het contract.
Artikel 13.5
1.

Onverminderd artikel 13.1, vierde lid, voldoen elektriciteitsproductie-eenheden die overeenkomstig de criteria van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 als type D zouden worden geclassificeerd maar waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) niet van toepassing is, in aanvulling op paragraaf 3.4 aan de artikelen 13.3 en 13.4 en aan het tweede tot en met dertiende lid.

2.

De activering van de frequentiebegrenzingsreserves dient:

  • a. automatisch plaats te vinden,
  • b. te voldoen aan de volgende karakteristieken:
  • 1°. de statiek is instelbaar tussen 4 en 20%;
  • 2°. een dode band van de frequentierespons van 500 mHz is toegestaan behoudens bij door de transmissiesysteembeheerder gecontracteerde elektriciteitsproductie-eenheden;
  • 3°. de maximaal toelaatbare ongevoeligheid bedraagt ± 10 mHz.
  • c. na activering gedurende ten minste 15 minuten gehandhaafd te blijven.
3.

Indien ten gevolge van een momentane frequentieafwijking de volledige frequentiebegrenzingsreserves gevraagd wordt, moet deze binnen 30 seconden na het begin van de momentane frequentieafwijking gerealiseerd zijn.

4.

Indien de gevraagde bijdrage aan het frequentiestabiliseringsproces tussen 50% en 100% van de op de desbetreffende elektriciteitsproductie-eenheid beschikbare frequentiebegrenzingsreserves bedraagt, moet deze binnen een evenredige tijd tussen 15 en 30 seconden na het begin van de momentane frequentieafwijking gerealiseerd zijn.

5.

Indien de gevraagde bijdrage aan het frequentiestabiliseringsproces 50% of minder van de op de desbetreffende elektriciteitsproductie-eenheid frequentiebegrenzingsreserves bedraagt, moet deze binnen 15 seconden na het begin van de momentane frequentieafwijking gerealiseerd zijn.

6.

Een momentane frequentieafwijking is gelijk aan de afwijking ten opzichte van de nominale frequentie van 50 Hz.

7.

Elektriciteitsproductie-eenheden die niet bijdragen aan het frequentiestabiliseringsproces dienen wel te beschikken over een regeling van de frequentiebegrenzingsreserves en dienen deze actief te houden en in te stellen zoals beschreven in het negende lid. De in het negende lid genoemde bijdrage hoeft alleen geleverd te worden indien en voor zover de productiesituatie van de elektriciteitsproductie-eenheid dit technisch toelaat en wanneer een bijdrage van de elektriciteitsproductie-eenheid niet verstorend werkt in een afhankelijk productieproces. Indien sprake is van een dergelijke verstoring moet dit in voorkomende gevallen op verzoek van de transmissiesysteembeheerder aangetoond worden.

8.

De aangeslotene toont voorafgaand aan de aansluiting van de elektriciteitsproductie-eenheid en voorts telkens wanneer de regeling van de frequentiebegrenzingsreserves van een elektriciteitsproductie-eenheid een wijziging ondergaat, door middel van beproeving ten genoege van de transmissiesysteembeheerder aan dat de elektriciteitsproductie-eenheid voldoet aan het tweede tot en met zevende lid.

9.

Bij elektriciteitsproductie-eenheden die niet bijdragen aan het frequentiestabiliseringsproces is het toegestaan een dode band van de frequentiesrespons van 500 mHz aan te houden en wordt de statiek ingesteld op 8%.

10.

De aangeslotene met een elektriciteitsproductie-eenheid die is aangesloten op een transmissiesysteem toont voorafgaand aan de aansluiting en voorts telkens wanneer de eigen bedrijfsinstallatie van een elektriciteitsproductie-eenheid een belangrijke wijziging ondergaat door middel van beproeving ten genoegen van de transmissiesysteembeheerder aan dat de elektriciteitsproductie-eenheid voldoet aan artikel 13.4, vijfde tot en met achtste lid.

11.

De beproevingen, de wijze van uitvoering daarvan alsmede de wijze van rapporteren over en de beoordeling door de transmissiesysteembeheerder van de beproevingen zijn beschreven in bijlage 27.

12.

Indien uit de beproevingsresultaten blijkt dat een elektriciteitsproductie-eenheid niet aan de eisen voldoet, verplicht de transmissiesysteembeheerder de aangeslotene om maatregelen te nemen. De transmissiesysteembeheerder stelt, na de aangeslotene daarover te hebben gehoord, een termijn voor het uitvoeren van de maatregelen vast. Nadat de maatregelen genomen zijn, wordt de beproeving herhaald.

13.

Tenzij sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) zijn de artikelen 3.17, 3.24 en 3.28 niet van toepassing op de elektriciteitsproductie-eenheden die:

  • a. voor 1 juli 2021 op het systeem zijn aangesloten; of
  • b. na 1 juli 2021 maar voor 1 januari 2024 op het systeem zijn aangesloten, indien de eigenaar voor 1 juli 2021 een definitief en bindend contract heeft gesloten voor de aankoop van het belangrijkste onderdeel van de elektriciteitsproductie-eenheid en hij de transmissiesysteembeheerder uiterlijk 30 september 2021 op de hoogte heeft gesteld van dat contract.
14.

Tenzij sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) is artikel 3.27 niet van toepassing op de elektriciteitsproductie-eenheden:

  • a. die voor 9 september 2021 op het systeem zijn aangesloten, of
  • b. waarvan de eigenaar van de elektriciteitsproductie-eenheid voor 9 september 2021 een definitief en bindend contract heeft gesloten voor de aankoop van het belangrijkste onderdeel van de elektriciteitsproductie-eenheid binnen een tijdsbestek van twee jaar na het sluiten van het contract.
15.

Tenzij sprake is van de situatie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) is artikel 3.11, tweede lid, niet van toepassing op de elektriciteitsproductie-eenheden:

  • a. die voor 9 september 2021 op het systeem zijn aangesloten, of
  • b. waarvan de eigenaar van de elektriciteitsproductie-eenheid voor 9 september 2021 een definitief en bindend contract heeft gesloten voor de aankoop van het belangrijkste onderdeel van de elektriciteitsproductie-eenheid. De eigenaar van de elektriciteitsproductie-eenheid stelt de transmissiesysteembeheerder binnen een termijn van 6 maanden na het afsluiten van het contract uit de eerste volzin op hoogte van het afsluiten van dat contract.

§ 13.2. Bestaande verbruiksinstallaties en gesloten systemen

Artikel 13.6
1.

Op verbruiksinstallaties waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC) niet van toepassing is, is hoofdstuk 4 niet van toepassing.

2.

Op gesloten systemen waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC) niet van toepassing is, zijn artikel 5.1, tweede lid, en artikel 5.7, tweede lid, niet van toepassing.

§ 13.3. Bestaande HVDC-systemen

Artikel 13.7
1.

Op HVDC-systemen waarop, overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC), uitsluitend de artikelen 26, 31, 33 en 50 van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) van toepassing zijn, zijn van hoofdstuk 6 uitsluitend de artikelen 6.15, 6.19, 6.21 en 6.38 van toepassing.

2.

In afwijking van artikel 6.15, eerste lid, is de maximale toegestane tijd voor het herstel van het werkzame vermogen gelijk aan 0,3 seconden voor de verbinding Eemshaven-Denemarken, 0,35 seconden voor de verbinding Maasvlakte-Groot-Brittannië en 0,6 seconden voor de verbinding Eemshaven-Noorwegen.

§ 13.4. Bestaande distributiesystemen

Artikel 13.8

Voor distributiesystemen waarop overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC) niet van toepassing is, zijn de volgende aanvullingen op artikel 9.49 van toepassing:

  • a. het frequentierelais is zodanig ingesteld, dat:
  • 1°. binnen 100 ms na het overschrijden van de in artikel 9.49, eerste lid, genoemde frequentiegrenzen een uitschakelbevel volgt;
  • 2°. de werking van het frequentierelais wordt geblokkeerd als de meetspanning daalt tot beneden 70% van de nominale spanning;
  • b. de meetonnauwkeurigheid van het frequentierelais bedraagt maximaal 10 mHz; en
  • c. de storingsgevoeligheid van het frequentierelais is afgestemd op het transmissiegekoppelde distributiesysteem waarin het wordt toegepast, maar voldoet ten minste aan klasse 3 uit de normreeks IEC 61000-4 “Elektromagnetische compatibiliteit (EMC) – Deel 4: Beproevingen en meettechnieken”.

Hoofdstuk 14. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 14.1

Als door een wijziging van deze code aan een of meer bepalingen van deze code op het tijdstip van inwerkingtreding ervan redelijkerwijs niet wordt voldaan en de systeembeheerder daardoor zijn wettelijke taken niet kan uitvoeren, treedt de systeembeheerder met de aangeslotene, of treden de systeembeheerders onderling, in overleg om vast te stellen welke aanpassingen noodzakelijk zijn en binnen welke termijn deze dienen te zijn doorgevoerd.

Artikel 14.2
1.

De systeembeheerder stelt na overleg met de aangeslotene vast in hoeverre zoveel als technisch, economisch en binnen welke termijn aan deze code kan worden voldaan bij renovaties en modificaties van:

  • a. aansluitingen;
  • b. elektriciteitsproductie-eenheden;
  • c. verbruiksinstallaties;
  • d. distributiesystemen en gesloten systemen;
  • e. overige installaties.
2.

Het eerste lid is niet van toepassing wanneer artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), of artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/1447 (NC HVDC) van toepassing is.

Artikel 14.3
1.

Indien op grond van artikel 7.23, tweede lid, van de Energiewet op een overdrachtspunt van een systeemkoppeling tussen het transmissiesysteem en een distributiesysteem geen comptabele meetinrichting aanwezig is, wordt de totale hoeveelheid uitgewisselde energie in alle overdrachtspunten van één systeemkoppeling gezamenlijk met behulp van de I2R-methode aantoonbaar vastgesteld met een onnauwkeurigheid kleiner dan of gelijk aan 0,55%.

2.

De in het eerste lid bedoelde I2R-methode houdt in dat de hoeveelheid in het (de) overdrachtspunt(en) uitgewisselde energie wordt berekend uit de vijftienminutenwaarden van de comptabele meetinrichtingen in het bovenliggende 110 of 150 kV-systeem, gecorrigeerd met de Ohmse verliezen in het tussenliggende deel van het desbetreffende 110 of 150 kV-systeem.

3.

De in het tweede lid bedoelde correctie met de Ohmse verliezen treedt voor de in het eerste lid bedoelde systeemkoppelingen in de plaats van de in artikel 4.3.1.3 van de Meetcode elektriciteit bedoelde correctie in geval van plaatsing van de comptabele meetinrichting op een andere locatie dan het overdrachtspunt van de systeemkoppeling.

4.

Ten behoeve van de uitvoering van de in het tweede lid bedoelde correctie met de Ohmse verliezen, worden de in het tweede lid bedoelde vijftienminutenwaarden van comptabele meetinrichtingen alsmede gegevens van bedrijfsmetingen door de transmissiesysteembeheerder verzameld, gearchiveerd en uitgewisseld met de desbetreffende distributiesysteembeheerder.

5.

De transmissiesysteembeheerder voert de in het tweede lid bedoelde berekeningen uit overeenkomstig het KEMA-rapport 30913271-Consulting 09-2489 “Bepaling van de netverliezen in het 110 en 150 kV net” inclusief de bij dat rapport behorende addenda met kenmerk 30913271-Consulting 09-2635 en 30913271-Consulting 10-0152. Deze documenten worden openbaar gemaakt op de website van de transmissiesysteembeheerder.

6.

In een overdrachtspunt van een systeemkoppeling tussen het transmissiesysteem en een distributiesysteem, als bedoeld in het eerste lid, wordt het primaire deel van de comptabele meetinrichting aangepast aan de eisen uit artikel 4.3.2 van de Meetcode elektriciteit, eventueel met inachtneming van artikel 2.2.2 van de Meetcode elektriciteit, indien:

  • a. de meettransformator defect raakt;
  • b. een of meer primaire meetcomponenten in het veld gerenoveerd, vervangen, aangepast of gemoderniseerd worden;
  • c. de populatie van het type meettransformator onbetrouwbaar blijkt te functioneren;
  • d. het een nieuw overdrachtspunt is dat aan de desbetreffende systeemkoppeling wordt toegevoegd;
  • e. op ten minste 75% van de overige overdrachtspunten van de desbetreffende systeemkoppeling het primaire deel van de comptabele meetinrichting voldoet aan de eisen uit artikel 4.3.2 van de Meetcode elektriciteit.
7.

In een overdrachtspunt van een systeemkoppeling tussen het transmissiesysteem en een distributiesysteem, als bedoeld in het eerste lid, wordt het secundaire deel van de comptabele meetinrichting aangepast aan de eisen uit de artikelen 4.3.5 tot en met 4.3.7 van de Meetcode elektriciteit, zodra op alle overdrachtspunten van de desbetreffende systeemkoppeling het primaire deel van de comptabele meetinrichting voldoet aan de eisen uit artikel 4.3.2 van de Meetcode elektriciteit, eventueel met inachtneming van artikel 2.2.2 van de Meetcode elektriciteit.

Artikel 14.4

Uiterlijk vijf jaar na inwerkingtreding van de regeling, bedoeld in artikel 7.6 en artikel 3.14, tweede lid, van de Tarievencode elektriciteit 2026 doet de transmissiesysteembeheerder, in samenwerking met de aangeslotenen die gebruik maken van bedoelde regeling een onderzoek naar de wenselijkheid van continuering, wijziging of opheffen per 1 april 2040 van bedoelde regeling.

Artikel 14.5

De volgende besluiten worden ingetrokken:

Artikel 14.6

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Artikel 14.7

Dit besluit wordt aangehaald als: Systeemcode elektriciteit 2026.

Bijlage 1. bij de artikelen 7.5 tot en met 7.7: Productvoorwaarden alternatieve transportrechten

    1. In de overeenkomsten voor een volledig variabel transportrecht en voor een tijdsduurgebonden transportrecht worden tenminste de volgende productvoorwaarden vastgelegd:
  • a. de omstandigheden waarin de transportdienst beschikbaar is;
  • b. de wijze waarop bepaald wordt of en de mate waarin de transportdienst beschikbaar is;
  • c. de wijze waarop vrijgave van de beschikbaarheid van de transportdienst door de systeembeheerder wordt aangekondigd en geactiveerd;
  • d. vervallen;
  • e. dat de vrijgave van de beschikbaarheid van de transportdienst voor het volledig variabele transportrecht en voor het tijdsduurgebonden transportrecht uiterlijk om 07:00 uur op de dag voorafgaande aan de dag waarop het beoogde transport zal plaatsvinden;
  • f. vervallen;
  • g. de wijze waarop de systeembeheerder de aan de aangeslotene daadwerkelijk ter beschikking gestelde transportdienst valideert;
  • h. de looptijd van de overeenkomst;
  • i. de wijze waarop de balanceringsverantwoordelijke op de allocatiepunten en voor zover van toepassing de balanceringsdienstverlener of congestiebeheersdienstverlener worden geïnformeerd;
  • j. of de systeembeheerder een boetebeding en de hoogte daarvan van toepassing verklaart voor het gebruik maken van de transportdienst buiten de tijden waarop of hoeveelheden waarvoor die door de systeembeheerder is vrijgegeven; en
  • k. of de systeembeheerder de aangeslotene verplicht stelt dat de aangeslotene op eigen kosten technische voorzieningen treft in zijn aansluiting die gebruikmaking van de transportdienst voorkomt buiten de tijden waarop of hoeveelheden waarvoor die door de systeembeheerder is vrijgegeven.
    1. In de overeenkomsten voor tijdsblokgebonden transportrecht worden tenminste de volgende productvoorwaarden vastgelegd:
  • a. start- en eindtijd van elk blok plus de dagen van het jaar waarop elk blok beschikbaar is;
  • b. het deel van het op de aansluiting gecontracteerde transportvermogen waarvoor per blok de transportdienst ter beschikking wordt gesteld;
  • c. of de systeembeheerder een boetebeding en de hoogte daarvan van toepassing verklaart voor het gebruik maken van de transportdienst buiten de tijden waarop de transportdienst ter beschikking wordt gesteld; en
  • d. of de systeembeheerder de aangeslotene verplicht stelt dat de aangeslotene op eigen kostentechnische voorzieningen treft in zijn aansluiting die gebruikmaking van de transportdienst voorkomt buiten de tijden waarop de transportdienst ter beschikking wordt gesteld.
    1. Ten aanzien van het boetebeding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, en in het tweede lid, onderdeel c en de technische voorziening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, en in het tweede lid, onderdeel d geldt dat:
  • a. de systeembeheerder niet zowel een boetebeding als een technische voorziening kan vereisen; en
  • b. de afnemer als alternatief voor het boetebeding de technische voorziening kan treffen.

Bijlage 2. bij artikel 7.19, derde lid: onderzoeksrapport congestiemanagement

    1. Ten behoeve van de technische analyse van het congestiegebied, neemt de systeembeheerder tenminste de volgende elementen op in het onderzoeksrapport:
  • a. een overzicht van de ontwikkeling van de aanwezige transportcapaciteit in het deelsysteem of de deelsystemen, tot het moment waarop het systeem of de systemen zodanig verzwaard, gewijzigd of uitgebreid is (zijn) dat er geen sprake meer is van een tekort aan aanwezige transportcapaciteit;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)