Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666113, op grond van artikel 3.121 van de Energiewet en artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet tot goedkeuring en vaststelling van de methoden en voorwaarden over het elektriciteitssysteem (Systeemcode elektriciteit 2026)
- 1°. Un plus of min 10% voor 95% van de over tien minuten gemiddelde waarden gedurende 1 week;
- 2°. Un plus 10% of min 15% voor alle over tien minuten gemiddelde waarden;
- b. de snelle spanningsvariatie is op het overdrachtspunt van de aansluiting als volgt begrensd:
- 1°. kleiner dan of gelijk aan 10% Un;
- 2°. kleiner dan of gelijk aan 3% Un in de situatie zonder grote uitval van invoeding, afname of transport;
- 3°. Plt is kleiner dan of gelijk 1 gedurende 95% van de over tien minuten voortschrijdende gemiddelde waarden gedurende een week;
- 4°. Plt is kleiner dan of gelijk 5 voor alle over tien minuten voortschrijdende gemiddelde waarden gedurende een week;
- c. de asymmetrie is op het overdrachtspunt van de aansluiting als volgt begrensd:
- 1°. de inverse component van de spanning ligt tussen 0 en 2% van de normale component gedurende 95% van de tien minuten meetperioden per week;
- 2°. de inverse component van de spanning ligt tussen 0 en 3% van de normale component voor alle meetperioden;
- d. de harmonische vervorming is op het overdrachtspunt van de aansluiting als volgt begrensd:
- 1°. de relatieve spanning per harmonische is kleiner dan het in de norm NEN-EN 50160: 2022 ‘Spanningskarakteristieken in openbare elektriciteitsnetten’ genoemde percentage voor 95% van de over tien minuten gemiddelde waarden. Voor harmonischen die niet vermeld zijn, geldt de kleinst vermelde waarde uit de norm;
- 2°. THD is kleiner dan of gelijk aan 8% voor alle harmonischen tot en met de 40e, gedurende 95% van de tijd;
- 3°. de relatieve spanning per harmonische is kleiner dan 1,5 vermenigvuldigd met het in de norm genoemde percentage voor 99,9% van de over tien minuten gemiddelde waarden;
- 4°. THD is kleiner dan of gelijk aan 12% voor alle harmonischen tot en met de 40e, gedurende 99,9% van de tijd.
De voorwaarden ten aanzien van spanningskwaliteit voor aansluitingen op distributiesystemen met een spanningsniveau Uc groter dan 1 kV en kleiner dan 35 kV zijn als volgt gedefinieerd:
- a. de langzame spanningsvariatie is op het overdrachtspunt van de aansluiting als volgt begrensd:
- 1°. Uc plus of min 10% voor 95% van de over tien minuten gemiddelde waarden gedurende 1 week;
- 2°. Uc plus 10% of min 15% voor alle over tien minuten gemiddelde waarden;
- b. de snelle spanningsvariatie is op het overdrachtspunt van de aansluiting als volgt begrensd:
- 1°. ΔUss is kleiner dan of gelijk aan 10% Un;
- 2°. ΔUss is kleiner dan of gelijk aan 3% Un in situatie zonder substantiële uitval van invoeding, afname of transport;
- 3°. ΔUmax is kleiner dan of gelijk aan 5% Un in situatie zonder substantiële uitval van invoeding, afname of transport;
- 4°. Plt is kleiner dan of gelijk 1 gedurende 95% van de over tien minuten voortschrijdende gemiddelde waarden gedurende een week;
- 5°. Plt is kleiner dan of gelijk 5 voor alle over tien minuten voortschrijdende gemiddelde waarden gedurende een beschouwingsperiode van een week;
- c. de asymmetrie is op het overdrachtspunt van de aansluiting als volgt begrensd:
- 1°. de inverse component van de spanning ligt tussen 0 en 2% van de normale component gedurende 95% van de 10 minuten meetperioden per week;
- 2°. de inverse component van de spanning ligt tussen 0 en 3% van de normale component voor alle meetperioden;
- d. de harmonische vervorming is op het overdrachtspunt van de aansluiting als volgt begrensd:
- 1°. de relatieve spanning per harmonische is kleiner dan het in de norm NEN-EN 50160: 2022 ‘Spanningskarakteristieken in openbare elektriciteitsnetten’ genoemde percentage voor 95% van de over tien minuten gemiddelde waarden. Voor harmonischen die niet vermeld zijn, geldt de kleinst vermelde waarde uit de norm;
- 2°. THD is kleiner dan of gelijk aan 8% voor alle harmonischen tot en met de 40e, gedurende 95% van de tijd;
- 3°. de relatieve spanning per harmonische is kleiner dan 1,5 vermenigvuldigd met het in de norm genoemde percentage voor 99,9% van de over tien minuten gemiddelde waarden;
- 4°. THD is kleiner dan of gelijk aan 12% voor alle harmonischen tot en met de 40e, gedurende 99,9% van de tijd;
- e. voor spanningsdips geldt dat het gemiddelde van het aantal opgetreden spanningsdips per aansluiting over de voorgaande vijf aaneengesloten kalenderjaren kleiner is dan of gelijk is aan:
- 1°. 3 voor spanningsdips met een duur groter dan of gelijk aan 10 milliseconden en kleiner dan of gelijk aan 200 milliseconden en een restspanning kleiner dan 40% (klasse B1);
- 2°. 4 voor spanningsdips met een duur groter dan 200 milliseconden en kleiner dan of gelijk aan 500 milliseconden en een restspanning kleiner dan 70% (klasse B2);
- 3°. 4 voor spanningsdips met een duur groter dan 500 milliseconden en kleiner dan of gelijk aan 5.000 milliseconden en een restspanning kleiner dan 80% (klasse C).
De voorwaarden ten aanzien van spanningskwaliteit voor aansluitingen op systemen met een spanningsniveau Uc groter dan of gelijk aan 35 kV zijn als volgt gedefinieerd:
- a. de langzame spanningsvariatie is op het overdrachtspunt van de aansluiting als volgt begrensd: Uc plus of min 10% voor 99,9% van de over 10 minuten gemiddelde waarden gedurende een week;
- b. de snelle spanningsvariatie is op het overdrachtspunt van de aansluiting als volgt begrensd:
- 1°. ΔUss is kleiner dan of gelijk aan 10% Un;
- 2°. ΔUss is kleiner dan of gelijk aan 3% Un in situatie zonder substantiële uitval van invoeding, afname of transport;
- 3°. ΔUmax is kleiner dan of gelijk aan 5% Un in situatie zonder substantiële uitval van invoeding, afname of transport;
- 4°. Plt is kleiner dan of gelijk 1 gedurende 95% van de over 10 minuten voortschrijdende gemiddelde waarden gedurende een week;
- 5°. Plt is kleiner dan of gelijk 5 voor alle over 10 minuten voortschrijdende gemiddelde waarden gedurende een beschouwingsperiode van een week;
- c. de asymmetrie is op het overdrachtspunt van de aansluiting als volgt begrensd: de inverse component is kleiner dan of gelijk aan 1% van de normale component gedurende 99,9% van de over 10 minuten gemiddelde waarden gedurende een week;
- d. de harmonische vervorming is op het overdrachtspunt van de aansluiting op een systeem met spanningsniveau Uc is groter dan 35 kV en kleiner dan 220 kV als volgt begrensd:
- 1°. THD is kleiner dan of gelijk aan 6% voor alle harmonische tot en met de 40e, gedurende 95% van de over 10 minuten gemiddelde waarden gedurende een week.;
- 2°. THD is kleiner dan of gelijk aan 7% voor alle harmonische tot en met de 40e, gedurende 99,9% van de over 10 minuten gemiddelde waarden gedurende een week;
- e. de harmonische vervorming is op het overdrachtspunt van de aansluiting op een systeem met spanningsniveau Uc is groter dan of gelijk aan 220 kV als volgt begrensd:
- 1°. THD is kleiner dan of gelijk aan 5% voor alle harmonische tot en met de 40e, gedurende 95% van de over 10 minuten gemiddelde waarden gedurende een week;
- 2°. THD is kleiner dan of gelijk aan 6% voor alle harmonische tot en met de 40e, gedurende 99,9% van de over 10 minuten gemiddelde waarden gedurende een week;
- f. voor spanningsdips geldt dat het gemiddelde van het aantal opgetreden spanningsdips per aansluiting over de voorgaande vijf aaneengesloten kalenderjaren kleiner is dan of gelijk is aan:
- 1°. 1,2 voor spanningsdips met een duur groter dan of gelijk aan 10 milliseconden en kleiner dan of gelijk aan 200 milliseconden en een restspanning kleiner dan 40% (klasse B1);
- 2°. 1,2 voor spanningsdips met een duur groter dan 200 milliseconden en kleiner dan of gelijk aan 500 milliseconden en een restspanning kleiner dan 70% (klasse B2);
- 3°. 0,4 voor spanningsdips met een duur groter dan 500 milliseconden en kleiner dan of gelijk aan 5.000 milliseconden en een restspanning kleiner dan 80% (klasse C).
Voor de overige voorwaarden ten aanzien van spanningskwaliteit geldt de norm NEN-EN 50160: 2022 'Spanningskarakteristieken in openbare elektriciteitsnetten'.
De voorwaarden ten aanzien van spanningskwaliteit van de transportdienst zoals genoemd in het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op systeemkoppelingen.
De voorwaarden ten aanzien van spanningskwaliteit als bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing onder abnormale omstandigheden, te weten lijndansen, natuurrampen en overmacht.
Bij de registratie van en de rapportage over de spanningsdips als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, en het derde lid, onderdeel f, maakt de systeembeheerder bij de hinderlijke spanningsdip onderscheid naar de volgende oorzaken:
- a. handeling van een systeembeheerder;
- b. handeling van een aangeslotene;
- c. kortsluiting in het systeem;
- d. kortsluiting in de installatie van een aangeslotene;
- e. abnormale omstandigheden genoemd in het zesde lid;
- f. overige en onbekende oorzaken.
Indien bij de registratie van en de rapportage over de spanningsdips als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, en het derde lid, onderdeel f, geen meetgegevens over tenminste vijf volledige kalenderjaren beschikbaar zijn, wordt het gemiddelde genomen over een zo groot mogelijk aantal wel beschikbare volledige jaren.
In geval van een aansluiting op het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee kan in overleg met alle aangeslotenen op het desbetreffende platform worden afgeweken van de eisen in het derde en vierde lid mits op de aansluiting van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee op het transmissiesysteem wel aan de eisen in het derde en vierde lid wordt voldaan.
Artikel 8.4
De systeembeheerder bewaakt de kwaliteit van het transport en registreert afwijkingen van de eisen aan de kwaliteit van het transport.
Een systeembeheerder past een uniforme, door de gezamenlijke systeembeheerders overeengekomen werkwijze toe voor de registratie van de afwijkingen van de eisen aan de kwaliteit van het transport van elektriciteit, bedoeld in artikel 3.36 van het Energiebesluit, alsmede van de vaststelling van de prestatie-indicatoren, als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, onderdeel c, van de Energieregeling.
De gezamenlijke systeembeheerders maken de in het tweede lid bedoelde werkwijze openbaar.
De meting ten behoeve van de registratie van de kwaliteit van transport van elektriciteit en de in het in het eerste lid genoemde registratie van de afwijkingen van de eisen aan de kwaliteit van het transport van elektriciteit vindt plaats op de volgende meetlocaties:
- a. in geval van een laagspanningssysteem bij een steekproef van minstens 250 aselect gekozen aansluitingen gedurende één week in het overdrachtspunt van de aansluiting;
- b. in geval van een middenspanningssysteem:
- 1°. voor het aspect spanningsdips op een door de systeembeheerders gezamenlijk bepaalde representatieve selectie van minstens 200 middenspanningsstations op de rail van het middenspanningsstation, of indien dat niet mogelijk is, in het afgaande veld door middel van continu meting;
- 2°. voor alle voorwaarden voor spanningskwaliteit bij een steekproef van minstens 250 aselect gekozen aansluitingen gedurende één week in het overdrachtspunt van de aansluiting;
- c. in geval van een hoogspanningsysteem:
- 1°. in het overdrachtspunt van de aansluiting door middel van continu meting; of
- 2°. indien de spanningstransformatoren in het veld van de aansluiting niet geschikt zijn voor de meting van de afwijkingen van de eisen aan de kwaliteit van transport van elektriciteit en er geen fysieke ruimte aanwezig is om de spanningstransformatoren aan te passen, op de rail, in een ander veld of in een voedende verbinding van respectievelijk naar het station waarop de desbetreffende aansluiting is aangesloten door middel van continu meting.
De metingen bedoeld in het vierde lid omvatten voor de aansluitingen bedoeld in de bijlage bij het besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 17 maart 2009 met kenmerk 102971_1/24 tevens de meting van transiënte overspanningen.
Op de metingen, bedoeld in het vierde lid, is de internationale norm IEC 61000-4-30:2015-10 'Electromagnetic compatibility (EMC) – Part 4-30 Testing and measurement techniques – Power quality measurement methods' van toepassing.
De systeembeheerder stelt de meetresultaten van de in het vierde lid bedoelde metingen, betrekking hebbend op een bepaalde aansluiting, desgevraagd ter beschikking aan de desbetreffende aangeslotene.
Indien de resultaten van de in het vierde lid bedoelde metingen betrekking hebben op spanningsdips in middenspanningssystemen, stelt de systeembeheerder desgevraagd de meetresultaten beschikbaar van de spanningsdipmeting in het dichtstbijzijnde middenspanningsstation waar zich een spanningsdipmeting bevindt.
Artikel 8.5
De systeembeheerder evalueert binnen drie maanden na afloop van elk kalenderjaar per meetlocatie het aantal opgetreden hinderlijke spanningsdips over de voorafgaande periode van vijf aaneengesloten kalenderjaren en de oorzaken van deze spanningsdips en maakt de resultaten van deze evaluatie openbaar binnen drie maanden na het begin van de evaluatie.
Indien het vijfjaargemiddelde van het jaarlijks op een meetlocatie gemeten aantal hinderlijke spanningsdips, niet zijnde spanningsdips ten gevolge van omstandigheden als bedoeld in artikel 8.3, zesde lid, hoger is dan het in artikel 7.8, tweede en derde lid, vermelde aantal voor de desbetreffende categorie, doet de systeembeheerder binnen drie maanden na de in het eerste lid bedoelde evaluatie een onderzoek naar de fysieke oorzaak en duur van deze spanningsdips en maakt de resultaten van dit onderzoek openbaar behoudens informatie die tot een individuele aansluiting herleidbaar is.
Het in het tweede lid bedoelde onderzoek wordt uitgevoerd door:
- a. de systeembeheerder indien uit de in het eerste lid bedoelde evaluatie blijkt dat de vermoedelijke oorzaak van de opgetreden hinderlijke spanningsdips zich in het systeem van de systeembeheerder bevindt:
- b. een door de systeembeheerder aan te wijzen onafhankelijke deskundige indien:
- 1°. uit de in het eerste lid bedoelde evaluatie blijkt dat de vermoedelijke oorzaak van de opgetreden hinderlijke spanningsdips zich niet in het systeem van de systeembeheerder bevindt;
- 2°. een aangeslotene de uitvoering of resultaten van het door de systeembeheerder uitgevoerde onderzoek als bedoeld in onderdeel a betwist.
Het in het tweede en derde lid bedoelde onderzoek wordt afgerond en openbaar gemaakt binnen drie maanden nadat het is gestart.
Bij het in het tweede en derde lid bedoelde onderzoek wordt in ieder geval aandacht gegeven aan het functioneren van de beveiliging op het moment van optreden van de spanningsdips.
De in het eerste lid bedoelde evaluatie en de in het tweede en derde lid bedoelde onderzoek hebben tevens betrekking op spanningsdips met een duur van 150 tot 200 ms en een restspanning van 40 tot 70%.
Artikel 8.6
Indien uit het in artikel 8.5, tweede lid, bedoelde onderzoek blijkt dat er sprake is van één onomstotelijk aanwijsbare oorzaak van de spanningsdips in een systeem of een elektrische installatie, worden de kosten van het onderzoek in rekening gebracht bij de beheerder van het desbetreffende systeem of van de desbetreffende elektrische installatie, tenzij dat disproportioneel is.
In overige gevallen komen de kosten van het in artikel 8.5, tweede lid, bedoelde onderzoek voor rekening van de systeembeheerder.
Ten behoeve van het in artikel 8.5, tweede lid, bedoelde onderzoek naar spanningsdips zullen alle desbetreffende aangeslotenen meewerken met de systeembeheerder om de oorsprong van de spanningsdips te achterhalen en, indien technisch mogelijk, zo nodig mogelijkheden bieden om meetapparatuur, spannings- en stroomopnemers voor het onderzoek naar de spanningsdips te plaatsen.
Indien uit het in artikel 8.5, tweede lid bedoelde onderzoek blijkt dat sprake is geweest van spanningsdips afkomstig uit het systeem of uit een installatie van een aangeslotene, dan treft de systeembeheerder dan wel de aangeslotene maatregelen om deze spanningsdips te reduceren tot het niveau aangegeven in artikel 8.3, tweede lid, onderdeel e, en derde lid, onderdeel f, indien de maatregelen technisch, maatschappelijk en economisch verantwoord zijn.
§ 8.3. Veiligheid
Artikel 8.7
Een laagspanningswisselstroomsysteem overschrijdt niet een aanraakspanning van 50 V of wordt bij een optredende fout waarbij de aanraakspanning hoger wordt dan 50 V binnen 5 seconden uitgeschakeld.
In aanvulling op het eerste lid geldt voor risicogebieden: een laagspanningswisselstroomsysteem overschrijdt niet een aanraakspanning van 25 V of wordt bij een optredende fout waarbij de aanraakspanning hoger wordt dan 25 V binnen 5 seconden uitgeschakeld.
Artikel 8.8
De systeembeheerder baseert zich bij het vaststellen van risicogebieden op vastgestelde bestemmingsplannen (gemeente) en inpassingsplannen (rijk en provincie).
Voor het vaststellen van risicogebieden hanteert de systeembeheerder de hoofdgroepen van bestemmingen zoals vastgelegd in bijlage 5 bij de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
Een risicogebied is elk gebied met hoofdbestemming, Groen, Natuur, Recreatie of Sport als bedoeld in bijlage 5 bij de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
Artikel 8.9
Aan de in artikel 8.7, eerste lid, genoemde eis wordt voldaan wanneer het laagspanningswisselstroomsysteem zo is ontworpen en aangelegd dat een optredende foutspanning boven 66 V in uiterlijk 5 seconden wordt uitgeschakeld in het geval de aardingsvoorziening:
- a. aan de aangeslotene ter beschikking wordt gesteld als bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, of
- b. door de systeembeheerder wordt gebruikt voor de elektrische veiligheid van de laagspanningssystemen.
Aan de in artikel 8.7, tweede lid, genoemde eis wordt voldaan wanneer het laagspanningswisselstroomsysteem zo is ontworpen en aangelegd dat een optredende foutspanning boven 25 V in uiterlijk 5 seconden wordt uitgeschakeld in het geval de aardingsvoorziening:
- a. aan de aangeslotene ter beschikking wordt gesteld als bedoeld in artikel 2.24, tweede lid, of
- b. door de systeembeheerder wordt gebruikt voor de elektrische veiligheid van de laagspanningssystemen.
Een systeembeheerder kan ook andere maatregelen treffen dan beschreven in het eerste en tweede lid om te voldoen aan de eisen in artikel 8.7.
De laagspanningssystemen zijn kortsluitvast. Hiervan kan worden afgeweken mits dit niet leidt tot veiligheidsrisico’s ten gevolge van een kortsluiting.
Artikel 8.10
De systeembeheerder hanteert de eisen genoemd in de artikelen 8.7 tot en met 8.9 bij het ontwerp en de aanleg van laagspanningssystemen vanaf 1 april 2018.
De systeembeheerder hanteert de eisen genoemd in de artikelen 8.7 tot en met 8.9 bij de inspectie, de bedrijfsvoering en de herinspectie van laagspanningssystemen als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8.11
Laagspanningssystemen ontworpen en aangelegd voor 1 april 2018 voldoen uiterlijk 22 september 2027 aan de eisen genoemd in de artikelen 8.7 tot en met 8.9.
Onverlet het eerste lid spant de systeembeheerder zich er voor in die situaties als eerste aan te pakken die het totale veiligheidsrisico ten gevolge van aanraakspanning in het door hem beheerde laagspanningssysteem als snelste doen afnemen.
Op laagspanningssystemen die op grond van dit artikel aangepast zijn, is artikel 8.10, tweede lid van overeenkomstige toepassing.
§ 8.4. Servicekwaliteit
Artikel 8.12
Voor kleine aansluitingen en aansluitingen als bedoeld in artikel 1.3 van de Energiewet voor zover deze een doorlaatwaarde tot en met 3x80A hebben, geldt dat de systeembeheerder:
- a. binnen twee uur na een melding door een aangeslotene ter plaatse is, indien een storing aan de aansluiting van de aangeslotene is opgetreden, al dan niet gepaard gaand met een onderbreking in de transportdienst;
- b. correspondentie van een aangeslotene binnen tien werkdagen afhandelt. Indien een oplossing in deze periode niet mogelijk is, ontvangt de aangeslotene binnen vijf werkdagen bericht binnen welke termijn een adequate reactie kan worden verwacht;
- c. bij het maken van afspraken met de aangeslotene tijdsblokken van twee uur hanteert;
- d. met de aangeslotene overeengekomen werkzaamheden uitvoert:
- 1°. binnen drie werkdagen wanneer de transportdienst aan andere aangeslotenen niet hoeft te worden onderbroken en volgens de planning minder dan vier mensuur zijn gemoeid;
- 2°. binnen tien werkdagen wanneer de transportdienst aan andere aangeslotenen dient te worden onderbroken;
- 3°. binnen tien werkdagen wanneer volgens de planning meer dan vier mensuur zijn gemoeid;
- e. tenminste vijf werkdagen van tevoren schriftelijk of telefonisch een afspraak met de aangeslotene maakt, voor het uitvoeren van inpandige werkzaamheden op verzoek van de systeembeheerder;
- f. de aangeslotene tenminste drie werkdagen van tevoren op de hoogte stelt van door de systeembeheerder geplande werkzaamheden waarbij het noodzakelijk is dat de transportdienst bij de aangeslotene wordt onderbroken;
- g. offertes voor aansluitingen zo spoedig mogelijk verzendt, doch uiterlijk binnen tien werkdagen na ontvangst van een volledige aanvraag daarvoor.
Artikel 8.13
Voor aansluitingen met een doorlaatwaarde groter dan 3x80A geldt dat de systeembeheerder:
- a. de aangeslotene op een laagspanningssysteem tenminste drie werkdagen van tevoren op de hoogte stelt van door de systeembeheerder geplande werkzaamheden waarbij de transportdienst aan de aangeslotene wordt onderbroken;
- b. de aangeslotene op een middenspanningssysteem of een hoogspanningssysteem met een spanningsniveau kleiner dan 110 kV tenminste tien werkdagen van tevoren op de hoogte stelt van door de systeembeheerder geplande werkzaamheden indien de transportdienst aan de aangeslotene wordt onderbroken en de datum van de genoemde werkzaamheden pas vaststelt na overleg met de daardoor getroffen aangeslotene, waarbij de systeembeheerder in redelijkheid belangen van de aangeslotenen weegt;
- c. met de aangeslotene op een hoogspanningssysteem met een spanningsniveau van 110 kV of 150 kV die beschikt over een elektriciteitsproductie-eenheid, de niet-beschikbaarheid afstemt overeenkomstig artikel 9.40;
- d. correspondentie van een aangeslotene binnen tien werkdagen afhandelt. Indien een oplossing in deze periode niet mogelijk is, ontvangt de aangeslotene binnen vijf werkdagen bericht binnen welke termijn een adequate reactie kan worden verwacht;
- e. een offerte voor een aansluiting met een aansluitcapaciteit tot en met 10 MVA verzendt binnen tien werkdagen na ontvangst van een volledige aanvraag daarvoor. In deze offerte is in ieder geval opgenomen:
- 1°. indien van toepassing de mededeling dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8.19, derde lid, onderdeel a;
- 2°. een verwijzing naar de relevante informatie over het offerte- en aansluitproces;
- 3°. de huidige dynamische regionale wachttijd als bedoeld in artikel 8.18; en
- 4°. informatie over de van toepassing zijnde annuleringsvoorwaarden;
- f. na een vooraankondiging die betrekking heeft op een gebied waarin de aanleg of wijziging van de aansluiting is aangevraagd als bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, door de systeembeheerder of de bovenliggende systeembeheerder, in afwijking van onderdeel e, de offerte verzendt 10 werkdagen na publicatie van het onderzoek, als bedoeld in artikel 7.19, indien de periode tot aan deze dag langer is dan de tien werkdagen bedoeld in onderdeel e;
- g. na ontvangst van een volledige aanvraag voor transportcapaciteit tot en met een capaciteit van 10 MVA, offertes, de mogelijkheid als bedoeld in artikel 7.15, derde lid, of afwijzingen als bedoeld in artikel 3.46, tweede lid, van de Energiewet, verzendt:
- 1°. binnen een periode van tien werkdagen;
- 2°. na een melding van een vooraankondiging als bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, door de systeembeheerder of de bovenliggende systeembeheerder, binnen de periode tot de publicatie van het onderzoek, als bedoeld in artikel 7.19, derde lid, indien deze periode langer is dan tien werkdagen; of
- 3°. in geval van een aanvraag voor een groepstransportovereenkomst, binnen een redelijke termijn;
- h. binnen tien werkdagen na ontvangst van een aanvraag daarvoor de aangeslotene bericht binnen welke termijn deze een offerte voor een aansluiting met een aansluitcapaciteit groter dan 10 MVA kan verwachten;
- i. indien de systeembeheerder in de tabel in bijlage 3 van de Tarievencode elektriciteit 2026 een afwijkende grens hanteert, die afwijkende grens eveneens hanteert bij de toepassing van onderdeel e;
- j. indicatieve tekeningen van het systeem aan offertes toevoegt waaruit de plaats in het systeem blijkt waarop het aansluittarief is gebaseerd en waaruit de plaats in het systeem blijkt waar de aangeslotene waarschijnlijk zal worden aangesloten;
- k. uiterlijk twee uur nadat een onderbreking van de transportdienst door een aangeslotene aan hem is gemeld, een begin maakt met de werkzaamheden die moeten leiden tot de opheffing van de onderbreking en aangeslotenen op systemen met een spanningsniveau van 25 kV of meer desgevraagd informeert over de omvang van de onderbreking, de te verwachten duur en de door de systeembeheerder te nemen maatregelen;
- l. aan door een onderbreking van de transportdienst getroffen aangeslotenen op hun verzoek binnen tien werkdagen een verklaring van het ontstaan van de onderbreking geeft. Indien dit binnen deze termijn niet mogelijk is, geeft de systeembeheerder binnen genoemde termijn aan wanneer de aangeslotene de verklaring van de systeembeheerder mag verwachten; en
- m. ondertekende offertes voor de aanleg of de wijziging van aansluitingen met een aansluitcapaciteit tot en met 10 MVA afhandelt overeenkomstig artikel 8.19.
Artikel 8.14
Indien de systeembeheerder in overleg met de aangeslotene voor een of meer van de in de artikelen 8.1, 8.12 en 8.13 genoemde kwaliteitscriteria afwijkende afspraken heeft gemaakt, zijn deze afspraken van toepassing in plaats van de desbetreffende in de artikelen 8.1, 8.12 en 8.13 genoemde kwaliteitscriteria.
Artikel 8.15
De systeembeheerder handelt een verzoek van een aangeslotene tot verstrekking van EAN-codes, als bedoeld in artikel 2.3, zevende en achtste lid, binnen tien werkdagen af. Indien afhandeling binnen deze periode niet mogelijk is, ontvangt de aangeslotene binnen vijf werkdagen bericht binnen welke termijn een reactie kan worden verwacht.
Artikel 8.16
Vanaf het moment dat een aangeslotene de systeembeheerder heeft verzocht geïnformeerd te worden over opgetreden spanningsdips, geeft de systeembeheerder, nadat een hinderlijke spanningsdip door de systeembeheerder is gesignaleerd of door een aangeslotene aan de systeembeheerder is gemeld:
- a. de aangeslotene binnen tien werkdagen een indicatie van de oorzaak van de hinderlijke spanningsdip;
- b. zo spoedig mogelijk aan welke maatregelen hij treft ter voorkoming van toekomstige hinderlijke spanningsdips dan wel beargumenteert hij waarom maatregelen niet nodig zijn.
De systeembeheerder maakt informatie omtrent de diepte en duur alsmede de vermoedelijke oorzaak van de in het eerste lid bedoelde spanningsdips zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 10 werkdagen, openbaar op zijn website.
Indien de spanningsdip zijn oorsprong vindt in de installatie van de aangeslotene is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de desbetreffende aangeslotene jegens de systeembeheerder.
Artikel 8.17
Indien een aangeslotene een distributiesysteembeheerder verzoekt om een kleine aansluiting op het door hem beheerde systeem, dan wel om een wijziging van een bestaande kleine aansluiting, realiseert de distributiesysteembeheerder deze aansluiting of wijziging binnen een redelijke termijn, tenzij er sprake is van overmacht.
Als er sprake is van overmacht, als bedoeld in het eerste lid, brengt de distributiesysteembeheerder de aangeslotene hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte.
Artikel 8.18
Indien de systeembeheerder een dynamische regionale wachttijd hanteert, berekent de systeembeheerder ieder kwartaal de dynamische regionale wachttijd volgens de methode in artikel 1 van bijlage 4.
De systeembeheerder publiceert de dynamische regionale wachttijd op de website als bedoeld in artikel 7.17.
De systeembeheerder spant zich ervoor in om de dynamische regionale wachttijd te verminderen.
Artikel 8.19
Na ontvangst van een ondertekende offerte voor de aanleg of wijziging van een grote aansluiting maar met een aansluitcapaciteit kleiner dan of gelijk aan 10 MVA als bedoeld in artikel 8.13, onderdeel e, realiseert de distributiesysteembeheerder de gevraagde aansluiting of wijziging uiterlijk in de laatste week van de realisatietermijn die wordt vastgesteld op grond van dit artikel, tenzij er sprake is van overmacht als bedoeld in artikel 6:75 van het Burgerlijk Wetboek, of omstandigheden die buiten de invloed van de distributiesysteembeheerder liggen die de distributiesysteembeheerder redelijkerwijs niet had kunnen voorzien, waaronder onder meer maar niet uitsluitend gerekend worden:
- a. niet tijdige verlening van vergunningen of toestemmingen van derden;
- b. weersomstandigheden (vorst); of
- c. omstandigheden die de aangeslotene zijn toe te rekenen zoals het niet tijdig beschikbaar hebben van een geschikte ruimte voor de aansluiting.
De distributiesysteembeheerder bepaalt, behoudens de situatie als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, binnen 5 weken na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde ondertekende offerte, op basis van bijlage 5, de week waarin de aansluiting ten uiterste gerealiseerd is, waarbij geldt dat deze week, ten opzichte van het moment van ontvangst van de in het eerste lid bedoelde ondertekende offerte, niet verder in de toekomst ligt dan:
- a. 26 weken, vermeerderd met de eventueel van toepassing zijnde dynamische regionale wachttijd als bedoeld in artikel 8.18 zoals die gold op de datum van ontvangst van de in het eerste lid bedoelde ondertekende offerte, indien de complexiteitscategorie ‘laag’ is;
- b. 52 weken, vermeerderd met de eventueel van toepassing zijnde dynamische regionale wachttijd als bedoeld in artikel 8.18 zoals die gold op de datum van ontvangst van de in het eerste lid bedoelde ondertekende offerte, indien de complexiteitscategorie ‘midden’ is; en
- c. een door de distributiesysteembeheerder vast te stellen aantal weken, indien de complexiteitscategorie ‘hoog’ is waarbij de distributiesysteembeheerder inzichtelijk maakt dat deze vast te stellen termijn in redelijkheid niet korter kan zijn, vermeerderd met de eventueel van toepassing zijnde dynamische regionale wachttijd als bedoeld in artikel 8.18 zoals die gold op de datum van ontvangst van de in het eerste lid bedoelde ondertekende offerte.
Indien de distributiesysteembeheerder geen aanbod doet voor het uitvoeren van transport overeenkomstig de bepalingen van artikel 7.15, derde lid, en de periode tussen de in het eerste lid bedoelde ontvangst van de ondertekende offerte en het beschikbaar komen van transport:
- a. langer is dan twee jaar, bepaalt de distributiesysteembeheerder, in afwijking van de termijn genoemd in de aanhef van het tweede lid, uiterlijk twee jaar voor het geplande beschikbaar komen van transport de in het tweede lid bedoelde week waarin de aansluiting ten uiterste gerealiseerd is; of
- b. langer is dan de uit het tweede lid volgende week waarin de aansluiting ten uiterste gerealiseerd is, realiseert de distributiesysteembeheerder de aansluiting of de wijziging uiterlijk dertien weken na het beschikbaar komen van transport.
De distributiesysteembeheerder en de aangeslotene kunnen gezamenlijk een latere week van realisatie overeenkomen dan de week van realisatie bedoeld in het tweede lid.
Indien in de periode tussen de in het eerste lid bedoelde ontvangst van de ondertekende offerte en de op grond van het tweede, derde of vierde lid bepaalde week waarin de aansluiting ten uiterste gerealiseerd is, sprake is van overmacht of omstandigheden als bedoeld in het eerste lid:
- a. wordt de in het tweede, derde, of vierde lid bedoelde uiterste week van realisatie uitgesteld met de vertraging die het gevolg is van de situatie van overmacht of omstandigheden als bedoeld in het eerste lid; en
- b. spant de distributiesysteembeheerder zich in om het in onderdeel a bedoelde uitstel zo kort mogelijk te laten zijn.
De distributiesysteembeheerder:
- a. communiceert schriftelijk de op grond van het tweede, derde of vierde lid bepaalde uiterste week van realisatie aan de aangeslotene;
- b. draagt zorg voor transparante communicatie over de uitvoering van de bepalingen van dit artikel en informeert de aangeslotene op een toegankelijke wijze over de voortgang; en
- c. zal de aangeslotene adequaat en met een transparante onderbouwing informeren zodra er afwijkingen ontstaan op de gemaakte afspraken, bijvoorbeeld door overmacht of omstandigheden als bedoeld in het eerste lid.
§ 8.5. Vergoedingen
Artikel 8.20
De systeembeheerder betaalt, uitgezonderd de in het tweede lid genoemde omstandigheden, aan aangeslotenen op zijn systeem of aan een groep van aangeslotenen die deel uitmaakt van een groepstransportovereenkomst bij wie de transportdienst ten gevolge van een storing wordt onderbroken, een compensatievergoeding ter hoogte van het hieronder genoemde bedrag:
- a. ingeval van een onderbreking van de transportdienst ten gevolge van een storing in een systeem met een spanningsniveau tot en met 1 kV:
- 1°. Per aansluiting gelijk aan 1x10A op een systeem met een spanningsniveau tot en met 1 kV: € 0,– bij een onderbreking korter dan 4 uur dan wel € 10,– bij een onderbreking van 4 uur tot 8 uur, vermeerderd met € 5,– voor elke volgende aaneengesloten periode van 4 uur, uit te betalen binnen zes maanden na het herstel van de onderbreking.
- 2°. Per 1-fase aansluiting groter dan 1x10A en per 3-fase aansluiting kleiner dan of gelijk aan 3x25A op een systeem met een spanningsniveau tot en met 1 kV: € 0,– bij een onderbreking korter dan 4 uur dan wel € 35,– bij een onderbreking van 4 uur tot 8 uur, vermeerderd met € 20,– voor elke volgende aaneengesloten periode van 4 uur, uit te betalen binnen zes maanden na het herstel van de onderbreking.
- 3°. Per aansluiting groter dan 3x25A op een systeem met een spanningsniveau tot en met 1 kV: € 0,– bij een onderbreking korter dan 4 uur dan wel € 195,– bij een onderbreking van 4 uur tot 8 uur, vermeerderd met € 100,– voor elke volgende aaneengesloten periode van 4 uur, uit te betalen binnen zes maanden na het herstel van de onderbreking.
- b. ingeval van een onderbreking van de transportdienst ten gevolge van een storing in een systeem met een spanningsniveau van 1 kV tot 35 kV:
- 1°. Per aansluiting gelijk aan 1x10A op een systeem met een spanningsniveau tot en met 1 kV: € 0,– bij een onderbreking korter dan 4 uur dan wel € 10,– bij een onderbreking van 4 uur tot 8 uur, vermeerderd met € 5,– voor elke volgende aaneengesloten periode van 4 uur, uit te betalen binnen zes maanden na het herstel van de onderbreking.
- 2°. Per 1-fase aansluiting groter dan 1x10A en per 3-fase aansluiting kleiner dan of gelijk aan 3x25A op een systeem met een spanningsniveau tot en met 1 kV € 0,– bij een onderbreking korter dan 4 uur dan wel € 35,– bij een onderbreking van 4 uur tot 8 uur vermeerderd met € 20,– voor elke volgende aaneengesloten periode van 4 uur, uit te betalen binnen zes maanden na het herstel van de onderbreking.
- 3°. Per aansluiting groter dan 3x25A op een systeem met een spanningsniveau tot en met 1 kV: € 0,– bij een onderbreking korter dan 2 uur dan wel € 195,– bij een onderbreking van 2 uur tot 8 uur, vermeerderd met € 100,– voor elke volgende aaneengesloten periode van 4 uur, uit te betalen binnen zes maanden na het herstel van de onderbreking.
- 4°. Per aansluiting op een systeem met een spanningsniveau van 1 kV tot 35 kV: € 0,– bij een onderbreking korter dan 2 uur dan wel € 910,– bij een onderbreking van 2 uur tot 8 uur, vermeerderd met € 500,– voor elke volgende aaneengesloten periode van 4 uur, uit te betalen bij de eerstvolgende jaar- respectievelijk maandafrekening.
- c. ingeval van een onderbreking van de transportdienst ten gevolge van een storing in een systeem met een spanningsniveau van 35 kV of hoger:
- 1°. Per aansluiting gelijk aan 1x10A op een systeem met een spanningsniveau tot en met 1 kV: € 0,– bij een onderbreking korter dan 4 uur dan wel € 10,– bij een onderbreking van 4 uur tot 8 uur, vermeerderd met € 5,– voor elke volgende aaneengesloten periode van 4 uur, uit te betalen binnen zes maanden na het herstel van de onderbreking.
- 2°. Per 1-fase aansluiting groter dan 1x10A en per 3-fase aansluiting kleiner dan of gelijk aan 3x25A op een systeem met een spanningsniveau tot en met 1 kV: € 0,– bij een onderbreking korter dan 4 uur dan wel € 35,– bij een onderbreking van 4 uur tot 8 uur, vermeerderd met € 20,– voor elke volgende aaneengesloten periode van 4 uur, uit te betalen binnen zes maanden na het herstel van de onderbreking.
- 3°. Per aansluiting groter dan 3x25A op een systeem met een spanningsniveau tot en met 1 kV: € 0,– bij een onderbreking korter dan 1 uur dan wel € 195,– bij een onderbreking van 1 uur tot 8 uur, vermeerderd met € 100,– voor elke volgende aaneengesloten periode van 4 uur, uit te betalen binnen zes maanden na het herstel van de onderbreking.
- 4°. Per aansluiting op een systeem met een spanningsniveau van 1 kV tot 35 kV: € 0,– bij een onderbreking korter dan 1 uur dan wel € 910,– bij een onderbreking van 1 uur tot 8 uur, vermeerderd met € 500,– voor elke volgende aaneengesloten periode van 4 uur, uit te betalen bij de eerstvolgende jaar- respectievelijk maandafrekening.
- 5°. Per aansluiting of, indien sprake is van een groepstransportovereenkomst, per groep van aansluitingen op een systeem met een spanningsniveau van 35 kV en hoger: € 0,– bij een onderbreking korter dan 1 uur dan wel € 0,35 per kW van de hoogste waarde van het gecontracteerd transportvermogen voor afname of het gecontracteerd transportvermogen voor invoeding bij een onderbreking van 1 uur tot 8 uur, vermeerderd met € 0,20 per kW van de hoogste waarde van het gecontracteerd transportvermogen voor afname of het gecontracteerd transportvermogen voor invoeding voor elke volgende aaneengesloten periode van 4 uur, uit te betalen bij de eerstvolgende jaar- respectievelijk maandafrekening.
De in het eerste lid genoemde verplichting geldt niet:
- a. wanneer een onderbreking van de transportdienst het gevolg is van een automatische afschakeling van belasting als bedoeld in artikel 18 van Verordening (EU) 2027/2196 (NC ER) of een handmatige afschakeling van belasting op verzoek van de transmissiesysteembeheerder als bedoeld in artikel 25 van Verordening (EU) 2017/1485 (GL SO);
- b. wanneer de systeembeheerder kan aantonen dat deze systeembeheerder als gevolg van een extreme situatie niet binnen de hersteltijden, als bedoeld in het eerste lid, een onderbreking kan herstellen. Met een extreme situatie wordt bedoeld een incident dat zo weinig voorkomt dat het oneconomisch zou zijn om daarmee rekening te houden in de reguleringssystematiek en dat bovendien niet beïnvloed kan worden door de systeembeheerder. Een incident is een niet te voorziene gebeurtenis of situatie die redelijkerwijs buiten de controle van een systeembeheerder ligt en niet te wijten is aan een fout van een systeembeheerder. Hierbij kan gedacht worden aan aardbevingen, overstromingen, uitzonderlijke weersomstandigheden, terroristische aanslagen en oorlog;
- c. wanneer een onderbreking van de transportdienst het gevolg is van een storing in een systeem met een spanningsniveau van 220 kV of hoger;
- d. voor aansluitingen ten behoeve van openbare verlichting alsmede voor (overige) aansluitingen in de categorie kleiner dan of gelijk aan 1x6A;
- e. voor aansluitingen op het systeem op zee; of
- f. wanneer een vergoeding wordt betaald op grond van artikel 8.21.
Indien een onderbreking van de transportdienst zijn oorsprong vindt in het systeem van een andere systeembeheerder, komen de in het eerste lid bedoelde compensatievergoedingen voor rekening van de systeembeheerder van het systeem waarin de onderbreking zijn oorsprong vindt.
De in het eerste lid genoemde termijnen vangen voor alle door de onderbreking van de transportdienst getroffen aangeslotenen aan op het moment dat de systeembeheerder de eerste melding van die onderbreking van een aangeslotene ontvangt of, indien dat eerder is, op het moment van vaststelling van de onderbreking door de systeembeheerder.
In aanvulling op het eerste lid geldt dat indien de aangeslotene en de systeembeheerder een transportrecht overeen zijn gekomen, als bedoeld in de artikelen 7.5, 7.6 of 7.7 voor de desbetreffende aansluiting alleen de uren waarvoor transport door de systeembeheerder aan de aangeslotene beschikbaar zou zijn gesteld, meetellen voor de bepaling van de compensatievergoeding.
Artikel 8.21
De systeembeheerder betaalt een vergoeding aan de aangeslotene die beschikt over een elektriciteitsproductie-eenheid of een elektriciteitsopslageenheid die met gebruikmaking van de vrijstellingen voor productie als bedoeld in artikel 3.5, onderdeel a, subonderdeel 2°, artikel 3.6, onderdeel a, subonderdeel 2°, artikel 3.7, onderdeel a, subonderdeel 2°, artikel 3.7, onderdeel b, subonderdeel 2°, artikel 3.8, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2° en artikel 3.8, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2°, van het Energiebesluit is aangesloten op een transmissiesysteem of op het onderliggende distributiesysteem, indien:
- a. er sprake is van een uitvalsituatie als bedoeld in de hiervoor genoemde onderdelen van het Energiebesluit; en
- b. de elektriciteitsproductie-eenheid of elektriciteitsopslageenheid ten gevolge van deze uitvalsituatie wordt afgeschakeld of afgeregeld; en
- c. de uitvalsituatie langer duurt dan de compensatievrije hersteltijden genoemd in de compensatieregeling in artikel 8.20, eerste lid.
Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij de elementen uit artikel 13, zevende lid, van Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit.
De kosten voor de vergoeding als bedoeld in het eerste lid komen voor rekening van de systeembeheerder in wiens systeem de oorzaak van de uitvalsituatie lag.
Hoofdstuk 9. Bedrijfsvoeringsvoorwaarden
§ 9.1. Voorwaarden met betrekking tot het oplossen van fysieke congestie
Artikel 9.1
Systeembeheerders stellen aangeslotenen in staat, vrijwillig tegen vooraf met de systeembeheerder overeengekomen voorwaarden overeenkomstig de specificaties in bijlage 6, een bijdrage te leveren aan het oplossen van fysieke congestie. Individuele aangeslotenen wijzen hiertoe desgewenst een congestiebeheersdienstverlener aan. Een groep van aangeslotenen wijst hiertoe een congestiebeheersdienstverlener aan.
Systeembeheerders stellen aangeslotenen die beschikken over een allocatiepunt waarvan de allocatiemethode de waarde “telemetrie” of “slimme-meter-allocatie” heeft, in staat dagelijks het vermogen dat de volgende dag of gedurende de dag meer of minder kan worden afgenomen, respectievelijk meer of minder kan worden geproduceerd, ter beschikking te stellen aan de systeembeheerder door middel van het indienen van biedingen, tegen door de systeembeheerder vast te stellen procedures en specificaties overeenkomstig bijlage 7. Aangeslotenen wijzen hiertoe een congestiebeheersdienstverlener aan.
Onverminderd het bepaalde in artikel 9.42 zijn aangeslotenen, niet zijnde systeembeheerders, en groepen van aangeslotenen die een groepstransportovereenkomst hebben afgesloten, met een gecontracteerd transportvermogen, voor afname of voor invoeding van meer dan 60 MW verplicht om tegen vooraf met de systeembeheerder overeengekomen procedures en specificaties overeenkomstig bijlagen 6, zevende lid, en 7 een bijdrage te leveren aan het oplossen van fysieke congestie in het systeem waarop deze aangeslotenen zijn aangesloten of in een bovenliggend systeem, dan wel een bijdrage te leveren aan een tegengestelde redispatch-actie ten behoeve van het oplossen van een fysieke congestie elders, en wijzen hiertoe een congestiebeheersdienstverlener aan, of, in het geval van groepen van aangeslotenen die een groepstransportovereenkomst hebben afgesloten, één of meerdere congestiebeheersdienstverleners.
Indien sprake is van een congestiegebied als bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, kan de systeembeheerder aangeslotenen, niet zijnde systeembeheerders, en groepen van aangeslotenen die een groepstransportovereenkomst hebben afgesloten, op zijn systeem of op een onderliggend systeem, met een gecontracteerd transportvermogen, voor afname of voor invoeding van meer dan een door de systeembeheerder overeenkomstig artikel 9.3, vierde lid, te bepalen waarde tussen 1 en 60 MW verplichten om tegen met de systeembeheerder overeengekomen procedures en specificaties overeenkomstig bijlagen 6, zevende lid, en 7 een bijdrage te leveren aan het oplossen van fysieke congestie in het systeem waarop deze aangeslotenen zijn aangesloten of in een bovenliggend systeem. Aangeslotenen en groepen van aangeslotenen met een gecontracteerd transportvermogen voor invoeding op wie de hier bedoelde verplichting van toepassing is, laten de betreffende elektriciteitsproductie-eenheid of elektriciteitsopslageenheid binnen drie maanden na bekendmaking van de verplichting prekwalificeren. Aangeslotenen met een gecontracteerd transportvermogen voor afname op wie de hier bedoelde verplichting van toepassing is, laten de betreffende verbruiksinstallatie of elektriciteitsopslageenheid binnen zes maanden na bekendmaking van de verplichting prekwalificeren. Deze aangeslotenen wijzen hiertoe een congestiebeheersdienstverlener aan, of, in het geval van groepen van aangeslotenen die een groepstransportovereenkomst hebben afgesloten, één of meerdere congestiebeheersdienstverleners.
Aangesloten op wie de in het vierde lid bedoelde verplichting betrekking heeft, worden door de systeembeheerder schriftelijk en door middel van publicatie op een in artikel 7.17 bedoelde en door of namens de gezamenlijke systeembeheerders beheerde website geïnformeerd over de in het vierde lid bedoelde verplichting, procedures en specificaties, alsmede de overeenkomstig artikel 9.3, eerste tot en met vierde lid, door de systeembeheerder vastgestelde grenswaarde(n) en voorschriften en de verplichting om een congestiebeheersdienstverlener aan te wijzen overeenkomstig artikel 9.1, derde lid.
De systeembeheerder maakt, ten behoeve van de verificatie en de financiële afhandeling bij de uitvoering van het in het eerste en tweede lid bepaalde, gebruik van meetgegevens per onbalansverrekeningsperiode, geregistreerd door:
- a. meetinrichtingen bij het overdrachtspunt van aansluitingen en die hij op grond van paragraaf 6.2 van de Informatiecode elektriciteit en gas van de desbetreffende meetverantwoordelijke partijen ontvangen heeft;
- b. meetinrichtingen bij het overdrachtspunt van kleine aansluitingen en die hij uit die meetinrichting heeft uitgelezen.
De systeembeheerder stemt bij maatregelen, die de systemen van andere systeembeheerders beïnvloeden, de voorgenomen acties af met de desbetreffende systeembeheerders. Indien maatregelen worden gevraagd in een systeem van een andere systeembeheerder, is daarvoor instemming van de systeembeheerder van het desbetreffende systeem nodig.
De transmissiesysteembeheerder coördineert indien hij dit noodzakelijk acht uit hoofde van zijn wettelijke taken overeenkomstig artikel 3.23, eerste lid, van de Energiewet, dan wel op verzoek van andere relevante systeembeheerders, de te nemen maatregelen, als bedoeld in artikel 9.11, derde lid, onderdelen a en b, artikel 9.29, vierde, vijfde en zesde lid en artikel 9.33, vierde, vijfde en zesde lid. Hij maakt daarbij gebruik van het hem overeenkomstig artikel 9.1 ter beschikking gestelde vermogen.
Artikel 9.2
Onverminderd de mogelijkheid van vrijwillige deelname, is de verplichting als bedoeld in artikel 9.1, derde en vierde lid, en de uitvoering van congestiemanagement met inzet van capaciteitssturing en niet-marktgebaseerde redispatch als bedoeld in de artikelen 9.31 tot en met 9.34 niet van toepassing op:
- a. aansluitingen ten behoeve van vitale processen zoals gepubliceerd door de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid met uitzondering van elektriciteitsproductie-eenheden; en
- b. aansluitingen van de Dienst Justitiële Inrichtingen, ziekenhuizen en openbaar vervoersbedrijven, waarbij het door de systeembeheerder ingrijpen op het door de aangeslotene geplande systeemgebruik direct van invloed is op het functioneren van maatschappelijke voorzieningen.
Ten behoeve van een juiste uitvoering van het eerste lid brengen aangeslotenen die menen te beschikken over een aansluiting in het congestiegebied waarop het eerste lid van toepassing is, de systeembeheerder daarvan op de hoogte.
Artikel 9.3
De systeembeheerder kan voorschrijven dat de te leveren bijdrage aan het oplossen van fysieke congestie als bedoeld in artikel 9.1, derde of vierde lid, een bieding voor redispatch is als bedoeld in bijlage 7 of een aanbod voor capaciteitsbeperking als bedoeld in bijlage 6, zevende lid, of beide.
De systeembeheerder maakt in een voorschrift als bedoeld in het eerste lid bekend of de te leveren bijdrage aan het oplossen van fysieke congestie als bedoeld in artikel 9.1, derde of vierde lid, betrekking heeft op invoeding op het systeem of afname vanuit het systeem.
De systeembeheerder stelt de in artikel 9.1, vierde lid, bedoelde waarde tussen 1 en 60 MW niet lager vast dan noodzakelijk is voor het oplossen van fysieke congestie.
De in het derde lid bedoelde waarde kan verschillen per congestiegebied en kan verschillen voor biedingen voor redispatch overeenkomstig bijlage 7 en voor capaciteitsbeperking overeenkomstig bijlage 6, zevende lid.
Artikel 9.4
Indien een aangeslotene overeenkomstig bijlage 6, zevende lid, een capaciteitsbeperking aan een systeembeheerder heeft aangeboden en een systeembeheerder deze capaciteitsbeperking heeft afgeroepen, is deze aangeslotene voor de periode waarop de afroep van de capaciteitsbeperking betrekking heeft, vrijgesteld van de verplichting tot het doen van een bieding voor redispatch overeenkomstig bijlage 7, indien deze verplichting op de aangeslotene rust.
Op het volume dat door een aangeslotene overeenkomstig bijlage 6, zevende lid, als capaciteitsbeperking aan de systeembeheerder is aangeboden, maar dat niet door de systeembeheerder is afgeroepen voor de periode waarop de afroep van de capaciteitsbeperking betrekking heeft, is de verplichting tot het doen van een bieding voor redispatch overeenkomstig bijlage 7 onverkort van toepassing, indien deze verplichting op de aangeslotene rust.
Artikel 9.5
Indien systeembeheerders van ten opzichte van elkaar onderliggende en bovenliggende systemen beide een beroep wensen te doen op een op grond van artikel 9.1, derde of vierde lid, door een aangeslotene te leveren bijdrage aan het oplossen van fysieke congestie, stemmen de betrokken systeembeheerders de inzet van de door elk van hen benodigde bijdrage onderling af.
Indien een andere systeembeheerder dan de systeembeheerder van het systeem waarop de aangeslotenen zijn aangesloten, zich tegenover deze aangeslotenen beroept op de verplichting als bedoeld in artikel 9.1, derde lid, of aan deze aangeslotenen de verplichting oplegt als bedoeld in artikel 9.1, vierde lid, stelt de laatstgenoemde systeembeheerder al de benodigde gegevens ter uitvoering van de artikelen 9.2 tot en met 9.4, 9.6, 9.8 en 9.9 ter beschikking aan de eerstgenoemde systeembeheerder.
Artikel 9.6
Een bestaande aangeslotene met een gecontracteerd transportvermogen voor invoeding op wie de in artikel 9.1, vierde lid bedoelde verplichting van toepassing is, wijst binnen drie maanden na de in artikel 9.1, vijfde lid, bedoelde publicatie een congestiebeheersdienstverlener aan en doet binnen drie maanden na de publicatie een aanbod voor het leveren van een bijdrage aan het oplossen van fysieke congestie, zoals bedoeld in artikel 9.1, vierde lid.
Een bestaande aangeslotene met een gecontracteerd transportvermogen voor afname op wie de in artikel 9.1, vierde lid bedoelde verplichting van toepassing is, wijst binnen 6 maanden na de in artikel 9.1, vijfde lid, bedoelde publicatie een congestiebeheersdienstverlener aan en doet binnen zes maanden na de publicatie een aanbod voor het leveren van een bijdrage aan het oplossen van fysieke congestie, zoals bedoeld in artikel 9.1, vierde lid.
Voor nieuwe aansluitingen vindt de in artikel 9.1, vierde lid, bedoelde verplichting tot het aanwijzen van een congestiebeheersdienstverlener plaats voorafgaand aan de ingebruikname van de desbetreffende aansluiting.
In afwijking van artikel 9.1, vierde lid, hoeft een aangeslotene geen congestiebeheersdienstverlener aan te wijzen wanneer deze uitsluitend verplicht is om overeenkomstig bijlage 6, zevende lid, een bieding voor capaciteitsbeperking te doen.
Artikel 9.7
De in artikel 9.1, derde en vierde lid, bedoelde verplichting tot het leveren van een bijdrage aan het oplossen van fysieke congestie met behulp van redispatch overeenkomstig bijlage 7 of met behulp van capaciteitsbeperking overeenkomstig bijlage 6 betekent dat elke in artikel 9.1, derde en vierde lid, bedoelde aangeslotene al zijn beschikbare vermogen aanbiedt. De aangeslotene neemt hierbij de in het tweede lid bedoelde niet-bindende leidraad als uitgangspunt.
De gezamenlijke systeembeheerders stellen in samenspraak met de representatieve organisaties van partijen op de elektriciteitsmarkt, bedoeld in artikel 3.120, tweede lid, van de Energiewet, een niet-bindende leidraad op met daarin per type aangeslotene, onderscheiden naar aangeslotenen die beschikken over een elektriciteitsproductie-eenheid, een elektriciteitsopslageenheid, een verbruiksinstallatie of een gesloten systeem, een nadere indicatie van welk vermogen redelijkerwijs verstaan wordt onder het in het eerste lid bedoelde beschikbare vermogen, onderscheiden naar redispatch, overeenkomstig bijlage 7 en capaciteitsbeperking, overeenkomstig bijlage 6, zevende lid, alsmede onderscheiden naar op het systeem in te voeden vermogen en van het systeem af te nemen vermogen.
De gezamenlijke systeembeheerders publiceren de in het tweede lid bedoelde leidraad op een in artikel 7.17 bedoelde door of namens de gezamenlijke systeembeheerders beheerde website.
Een aangeslotene op wie de in artikel 9.1, derde en vierde lid, bedoelde verplichting betrekking heeft en die niet of slechts in beperktere mate dan volgt uit de in het tweede lid bedoelde leidraad in staat is om een bijdrage te leveren aan het oplossen van fysieke congestie stelt de systeembeheerder hier schriftelijk en onderbouwd van op de hoogte.
Artikel 9.8
Indien een aangeslotene niet heeft voldaan aan de verplichting overeenkomstig artikel 9.1, derde en vierde lid, tot het doen van een bieding voor redispatch overeenkomstig artikel 9.29, derde lid, ongeacht of de oorzaak voor dit nalaten bij de aangeslotene zelf of bij diens congestiebeheersdienstverlener ligt, stuurt de systeembeheerder de aangeslotene na de eerste constatering een schriftelijke herinnering, waarin de systeembeheerder minimaal:
- a. de aangeslotene wijst op de op hem rustende verplichting;
- b. aan de aangeslotene een hersteltermijn van vijf werkdagen na ontvangst van de schriftelijke herinnering gunt om alsnog te voldoen aan de op hem rustende verplichting; en
- c. de aangeslotene overeenkomstig het tweede lid wijst op de consequenties van het niet binnen de hersteltermijn nakomen van deze verplichting.
De in het eerste lid bedoelde aangeslotene is vanaf het verstrijken van de hersteltermijn een bedrag aan de systeembeheerder verschuldigd ter grootte van € 1,25 per MW gecontracteerd transportvermogen voor elke onbalansverrekeningsperiode dat niet aan de verplichting wordt voldaan, tenzij er sprake is van overmacht.
De systeembeheerder brengt het overeenkomstig het tweede lid verschuldigde bedrag binnen een maand na het niet nakomen van de verplichting voor een specifieke onbalansverrekeningsperiode in rekening bij de desbetreffende aangeslotene.
Artikel 9.9
Indien een aangeslotene niet heeft voldaan aan de verplichting overeenkomstig artikel 9.1, derde en vierde lid, tot het doen van een aanbod voor capaciteitsbeperking overeenkomstig bijlage 6, ongeacht of de oorzaak voor dit nalaten bij de aangeslotene zelf of bij diens congestiebeheersdienstverlener ligt, stuurt de systeembeheerder de aangeslotene na de eerste constatering een schriftelijke herinnering, waarin de systeembeheerder minimaal:
- a. de aangeslotene wijst op de op hem rustende verplichting;
- b. aan de aangeslotene een hersteltermijn van vijf werkdagen na ontvangst van de schriftelijke herinnering gunt om alsnog te voldoen aan de op hem rustende verplichting; en
- c. de aangeslotene overeenkomstig het tweede lid wijst op de consequenties van het niet binnen de hersteltermijn nakomen van deze verplichting.
De in het eerste lid bedoelde aangeslotene is vanaf het verstrijken van de hersteltermijn een bedrag aan de systeembeheerder verschuldigd ter grootte van € 120,– per MW gecontracteerd transportvermogen voor elke dag dat niet aan de verplichting wordt voldaan, tenzij er sprake is van overmacht.
De systeembeheerder brengt het overeenkomstig het tweede lid verschuldigde bedrag binnen een maand na het niet nakomen van de verplichting voor een specifieke dag in rekening bij de desbetreffende aangeslotene.
Artikel 9.10
De gezamenlijke systeembeheerders evalueren in afstemming met representatieve organisaties jaarlijks de hoogte van de in artikel 9.8, tweede lid, en artikel 9.9, tweede lid, genoemde bedragen op in ieder geval noodzakelijkheid en effectiviteit.
Artikel 9.11
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)