Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666113, op grond van artikel 3.121 van de Energiewet en artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet tot goedkeuring en vaststelling van de methoden en voorwaarden over het elektriciteitssysteem (Systeemcode elektriciteit 2026)
De fault-ride-through-capaciteit in het geval van asymmetrische storingen, als bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdeel b, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), is identiek aan de fault-ride-through-capaciteit bij symmetrische storingen.
De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat om na een storing aan het systeem te koppelen, als bedoeld in artikel 14, vierde lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), indien:
- a. de spanning groter is dan of gelijk aan 0,90 pu en kleiner dan of gelijk aan 1,10 pu;
- b. de frequentie groter is dan of gelijk aan 47,5 Hz en kleiner dan of gelijk aan 51,0 Hz indien de koppeling handmatig plaatsvindt;
- c. de frequentie groter is dan of gelijk aan 49,9 Hz en kleiner dan of gelijk aan 50,1 Hz indien de koppeling automatisch plaatsvindt;
- d. de tijd dat de spanning en de frequentie zich beide gelijktijdig en ononderbroken binnen de in de onderdelen a en b genoemde bereiken bevinden tenminste 60 seconden is;
- e. de maximum gradiënt van het werkzaam vermogen 20% is van de maximumcapaciteit per minuut.
De tussen de systeembeheerder en de aangeslotene overeengekomen functionaliteiten van de besturingssystemen en instellingen en de wijzigingen daarop van de verschillende regelapparatuur van de elektriciteitsproductie-eenheid die vereist zijn voor de stabiliteit van het transmissiesysteem en voor het nemen van noodmaatregelen, als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
Ten aanzien van de beveiliging van de elektriciteitsproductie-eenheid en overige onderdelen van de elektrische installatie, als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, onderdeel b, subonderdeel i, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), is artikel 2.6 van overeenkomstige toepassing.
Indien de systeembeheerder specificaties voorschrijft voor het uitwisselen van informatie tussen de elektriciteitsproductie-installatie en de systeembeheerder als bedoeld in artikel 14, vijfde lid, onderdeel d, subonderdeel i, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), maakt hij deze eisen openbaar door publicatie op zijn website.
Artikel 3.16
De synchrone productie-eenheid is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. gelijk aan 0,33 bij een spanning van 0,9 pu tot 1,05 pu; en
- b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,33 en 0,0 bij een spanning tussen 1,05 pu en 1,1 pu.
De synchrone productie-eenheid is in staat bij variërende spanning maximaal blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. gelijk aan 0,33 bij een spanning van 0,95 pu tot 1,1 pu; en
- b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,0 en 0,33 bij een spanning tussen 0,9 en 0,95 pu.
In aanvulling op het eerste lid is het toegestaan het werkzame vermogen, zoveel als met het oog op de begrenzing door de maximale stroom technisch nodig is, te verminderen ten gunste van het leveren van blindvermogen binnen het deel van het U-Q/Pmax-profiel dat begrensd wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,2 en 0,33 bij een spanning tussen 0,90 pu en 0,95 pu en het profiel overeenkomstig het eerste lid.
De synchrone productie-eenheid is op grond van het eerste tot en met het derde lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde U-Q/Pmax-profiel in onderstaand diagram.
De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid is in staat om na een storing zo snel mogelijk de hoeveelheid werkzaam vermogen van voor de storing te leveren.
Artikel 3.17
De power park module is in staat bij zijn maximumcapaciteit en bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. gelijk aan 0,33 bij een spanning van 0,9 pu tot 1,05 pu; en
- b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,33 en 0,0 bij een spanning tussen 1,05 pu en 1,1 pu.
De power park module is in staat bij zijn maximumcapaciteit en bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. gelijk aan 0,33 bij een spanning van 0,95 pu tot 1,1 pu; en
- b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,0 en 0,33 bij een spanning tussen 0,9 pu en 0,95 pu.
In aanvulling op het eerste lid is het toegestaan het werkzame vermogen, zoveel als met het oog op de begrenzing door de maximale stroom technisch nodig is, te verminderen ten gunste van het leveren van blindvermogen binnen het deel van het U-Q/Pmax-profiel dat begrensd wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,2 en 0,33 bij een spanning tussen 0,90 pu en 0,95 pu en het profiel overeenkomstig het eerste lid.
De power park module is op grond van het eerste tot en met het derde lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde U-Q/Pmax-profiel in onderstaand diagram.
De power park module is in staat bij een werkzaam vermogen beneden de maximumcapaciteit maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. gelijk aan 0,33 bij een werkzaam vermogen van 0,2 pu tot 1 pu; en
- b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,0 en 0,33 bij een werkzaam vermogen van 0,0 pu tot 0,2 pu.
De power park module is in staat bij een werkzaam vermogen beneden de maximumcapaciteit maximaal een hoeveelheid blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. gelijk aan 0,33 bij een werkzaam vermogen van 0,2 pu tot 1 pu; en
- b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,0 en 0,33 bij een werkzaam vermogen van 0,0 pu tot 0,2 pu.
In aanvulling op het vijfde en zesde lid is het bij een werkzaam vermogen tussen 0,93 pu en 1,0 pu toegestaan om het werkzame vermogen zoveel als met het oog op de begrenzing door de maximale stroom technisch nodig is, te verminderen tot een werkzaam vermogen dat beschreven wordt door het lineaire verloop van Q/Pmax tussen respectievelijk 0,0 en 0,33 bij een werkzaam vermogen van 1,0 pu en 0,93 pu, ten gunste van het leveren van het blindvermogen.
In aanvulling op het vijfde en zesde lid is het toegestaan bij een uitgewisseld schijnbaar vermogen van minder dan 10% van het maximale schijnbare vermogen het gevraagde blindvermogen te leveren of op te nemen overeenkomstig de technische mogelijkheden en met een afwijking van maximaal 10% van het maximale schijnbare vermogen.
De power park module is op grond van het vijfde tot en met het achtste lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde P-Q/Pmax-profiel in onderstaand diagram.
Tenzij anders overeengekomen is de power park module in staat om snelle foutstroom op het overdrachtspunt van de aansluiting te leveren in het geval van symmetrische (driefasen) storingen, als bedoeld in artikel 20, tweede lid, onderdeel b, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG).
Ten aanzien van het leveren van snelle foutstroom op het overdrachtspunt van de aansluiting als bedoeld in het tiende lid, is de power park module die is aangesloten op een transmissiesysteem in staat om in bedrijf te zijn in één of twee van de volgende regelmodi:
- a. de snelle foutstroomregelmodus zonder voorgeschreven foutstroom waarbij de power park module in staat is om in het geval van symmetrische (driefasen) en asymmetrische storingen de spanningsverandering op het overdrachtspunt van de aansluiting van de power park module tegen te werken; of
- b. de snelle foutstroomregelmodus met voorgeschreven foutstroom.
De power park module aangesloten op een distributiesysteem en de power park module die is aangesloten op een transmissiesysteem die de foutregelmodus als bedoeld in het elfde lid, onderdeel b toepast, is in staat snelle foutstroom te leveren in de snelle foutstroomregelmodus met voorgeschreven foutstroom. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
- a. additionele blindstroominjectie wordt geactiveerd indien op de aansluitklemmen van de afzonderlijke opwekkingseenheden van de power park module:
- 1°. een afwijking van meer dan 10% van de effectieve waarde van de nominale spanning plaatsvindt; of
- 2°. een sprongsgewijze verandering van de momentane sinusvormige spanning vóór het optreden van de fout ter grootte van tenminste 5% van de piekwaarde van de nominale spanning plaatsvindt;
- b. de spanningsregeling zorgt ervoor dat de aanvoer van additionele blindstroom, afkomstig van de aansluitklemmen van de afzonderlijke opwekkingseenheden van de power park module, met minimaal 2% en maximaal 6% van de nominale stroom per procent spanningsafwijking verzekerd is;
- c. de stijgtijd (de tijd vanaf de storingsaanvang die ervoor nodig is dat de te injecteren additionele blindstroom voor het eerst een waarde van 90% van de stabiele eindwaarde bereikt) is maximaal 30 ms; de inslingertijd (de tijd vanaf de storingsaanvang die ervoor nodig is dat de te injecteren additionele blindstroom blijvend tussen 90% en 110% van de stabiele eindwaarde is) is maximaal 60 ms;
- d. additionele blindstroominjectie wordt geleverd met een spanningslimiet van ten minste 120% van de nominale spanning op de aansluitklemmen van de afzonderlijke opwekkingseenheden van de power park module;
- e. de te injecteren additionele blindstroom DIB (gedefinieerd als het verschil van de blindstroom tijdens de storing (IB) en de blindstroom voor de storing (IB0)) is evenredig aan de spanningsafwijking als volgt: DIB = ( (U-U0) / UN ) * IN * k waarbij: DIB: additionele blindstroominjectie; (U-U0) / UN : relatieve spanningsafwijking in pu; U: spanning tijdens de storing; U0: spanning vóór de storing; UN: nominale spanning; IN: nominale stroom; k: helling voor de additionele blindstroominjectie;
- f. het aanpassingsbereik van k is: 2 ≤ k ≤ 6;
- g. de aanpassingsstap van k is kleiner dan of gelijk aan 0,5 pu;
- h. de standaardwaarde van k is 2 voor een power park module aangesloten op een systeem met een nominale spanning lager dan 66 kV en de standaardwaarde van k is 5 voor een power park module aangesloten op een systeem met een nominale spanning van 66 kV en hoger; indien een andere waarde dan de standaardwaarde wordt overeengekomen, wordt deze vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst;
- i. in geval van wijziging van het instelpunt geeft de systeembeheerder twee weken van tevoren een kennisgeving aan de aangeslotene;
- j. de additionele blindstroominjectie mag worden beëindigd bij terugkeer van de spanningsafwijking (van een waarde van meer dan 10%) naar een waarde van minder dan 10% van de effectieve nominale waarde op de aansluitklemmen van de afzonderlijke opwekkingseenheden van de power park module of na een tijdsbestek van vijf seconden na het begin van de fout; een herhaald activeren van de additionele blindstroominjectie nadat deze vanwege het bereiken van het einde van de fout is beëindigd, moet conceptueel worden vermeden;
- k. de te injecteren blindstroom bedraagt minimaal IN bij maximale spanningsdaling; een hogere waarde van de blindstroom dan IN wordt niet geëist;
- l. de tolerantie voor de grootte van de blindstroominjectie bij een spanningsverlaging is bepaald door lijnen boven en onder de karakteristiek die de grootte van de additionele blindstroominjectie als functie van de spanningsverandering beschrijft, met als parameters:
- 1°. de bovengrens voor de tolerantie is bepaald door een lijn met een hellingshoek van constante k gelijk aan de ingestelde waarde en met een verhoging van 10% ten opzichte van de lijn door de oorsprong met de zelfde hellingshoek;
- 2°. de ondergrens voor de tolerantie is bepaald door een lijn met een hellingshoek van constante k gelijk aan de ingestelde waarde en met een verlaging van 20% ten opzichte van de lijn door de oorsprong met de zelfde hellingshoek.
- m. bij een spanning lager dan 15% Uc is het leveren van stroom niet verplicht.
De systeembeheerder en de aangeslotene die beschikt over een power park module komen de reqelmodus of regelmodi, alsmede ingeval van de in het elfde lid, onderdeel a bedoelde reqelmodus, het principe en de prestatieparameters van de regelmodus, overeen en leggen dit vast in de aansluit- en transportovereenkomst.
De power park module is in staat in het geval van asymmetrische storingen de snelle foutstroom als volgt te leveren:
- a. de eisen zoals geformuleerd in het tiende lid zijn van overeenkomstige toepassing op de normale en de inverse componenten van de spanning en op de normale en de inverse componenten van de additionele blindstroominjectie;
- b. het aanpassingsbereik van k2 voor de inverse component van de additionele blindstroominjectie is: 2 ≤ k2 ≤ 6;
- c. de aanpassingsstap van k2 is kleiner dan of gelijk aan 0,5 pu;
- d. de standaardwaarde van k2 is gelijk aan k;
- e. voor opwekkingseenheden die gebaseerd zijn op een dubbelgevoede inductiemachine wordt een specifieke instelling van k2 niet geëist;
- f. voor de inverse component van de spanningsverandering is de additionele inverse component van de stroominjectie alleen vereist als de inverse component van de spanning voldoende groot is voor een betrouwbare fasehoekdetectie;
- g. indien de maximale waarde van de blindstroom is bereikt, is deze naar rato van de instellingen van k en k2 verdeeld over de normale en inverse componenten van de additionele blindstroominjectie;
- h. de tolerantie voor de grootte van de inverse component van de blindstroominjectie bij een spanningsverhoging van de inverse component is bepaald door lijnen boven en onder de karakteristiek die de grootte van de additionele blindstroominjectie als functie van de spanningsverandering beschrijft, met als parameters:
- 1°. de bovengrens voor de tolerantie is bepaald door een lijn met een hellingshoek van constante k2 gelijk aan 6 en met een verhoging van 20% ten opzichte van de lijn door de oorsprong met de zelfde hellingshoek;
- 2°. de ondergrens voor de tolerantie is bepaald door een lijn met een hellingshoek van constante k2 gelijk aan de ingestelde waarde en met een verlaging van 10% ten opzichte van de lijn door de oorsprong met de zelfde hellingshoek.
Voor zover overeengekomen tussen de relevante systeembeheerder en de transmissiesysteembeheerder, wordt de eis tot het leveren van snelle foutstroom door een power park module in geval van symmetrische storingen vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
De power park module is in staat om na een fout het werkzame vermogen zo snel mogelijk te herstellen. De minimale eisen zijn:
- a. het herstel van het werkzame vermogen begint op een spanningsniveau van 90% van de spanning vóór de fout;
- b. de maximale toegestane tijd voor het herstel van het werkzame vermogen is tussen 0,5 en 10 seconden;
- c. de grootte voor het herstel van het werkzame vermogen is 90% van het vermogen vóór de fout;
- d. de nauwkeurigheid van het herstelde werkzame vermogen is 10% van het vermogen vóór de fout.
Artikel 3.18
Indien de elektriciteitsproductie-eenheid met een maximumcapaciteit groter dan 5 MW, aangesloten op een midden- of hoogspanningssysteem, door een kortsluiting in het systeem van het systeem gescheiden wordt en de systeemspanning binnen 60 minuten wederkeert, is de elektriciteitsproductie-eenheid binnen 30 minuten nadat de systeemspanning is teruggekeerd, in staat stabiel bedrijf te voeren parallel aan het systeem met alle generatoren in bedrijf.
Indien de in het eerste lid genoemde periode van 30 minuten technisch niet mogelijk is, dient desbetreffende aangeslotene dit aan de transmissiesysteembeheerder toe te lichten. Tevens dient vermeld te worden aan de transmissiesysteembeheerder binnen welke tijd het in het eerste lid genoemde stabiel bedrijf in dat geval mogelijk is.
Artikel 3.19
Indien het feitelijke gedrag van de elektriciteitsproductie-eenheid met een maximumcapaciteit groter dan 5 MW tijdens een storingssituatie daartoe aanleiding geeft, kan de transmissiesysteembeheerder aan de betrokken aangeslotene verzoeken aan te tonen dat de elektriciteitsproductie-eenheid voldoet aan de technische eisen in artikel 3.18.
De aangeslotene toont binnen twee maanden na het in het eerste lid bedoelde verzoek aan dat de elektriciteitsproductie-eenheid voldoet aan de technische eisen in artikel 3.18.
Op verzoek van de aangeslotene kan de transmissiesysteembeheerder een langere termijn vaststellen dan de in het tweede lid genoemde termijn en kan hij de in het tweede lid genoemde termijn of de met toepassing van dit artikel vastgestelde langere termijn verlengen.
Artikel 3.20
De beproevingen, waarmee aan een verzoek als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid, kan worden voldaan, de wijze van uitvoering daarvan alsmede de wijze van rapporteren over en de beoordeling door de transmissiesysteembeheerder van de beproevingen worden gespecificeerd door de transmissiesysteembeheerder en gepubliceerd op diens website.
Indien uit de beproevingsresultaten blijkt dat de elektriciteitsproductie-eenheid niet aan de eisen voldoet, verplicht de transmissiesysteembeheerder de aangeslotene om maatregelen te nemen. De transmissiesysteembeheerder stelt, na de aangeslotene daarover te hebben gehoord, een termijn voor het uitvoeren van de maatregelen vast. Nadat de maatregelen genomen zijn, wordt de beproeving herhaald.
De in dit artikel bedoelde beproevingen worden uitgevoerd door en op kosten van de aangeslotene.
§ 3.5. Aansluitvoorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden van het type C als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG)
Artikel 3.21
Elektriciteitsproductie-eenheden van het type C voldoen aan de in deze paragraaf gestelde voorwaarden.
Elektriciteitsproductie-eenheden van het type C voldoen tevens aan de in paragraaf 3.3 gestelde voorwaarden, met uitzondering van artikel 3.11, zesde lid, en artikel 3.12.
Elektriciteitsproductie-eenheden van het type C voldoen tevens aan de in paragraaf 3.4 gestelde voorwaarden, met uitzondering van artikel 3.15, eerste lid.
Artikel 3.22
De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat een referentiewaarde van het werkzaam vermogen te ontvangen en te volgen op aangeven van de distributie- of transmissiesysteembeheerder. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. Het regelbereik ligt tussen het technisch minimum vermogen en het actuele maximum vermogen, tenzij anders overeengekomen is door de distributie- of transmissiesysteembeheerder en de aangeslotene.
- b. De tijdsperiode, waarbinnen de aangepaste referentiewaarde voor het werkzaam vermogen moet worden bereikt, wordt vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
- c. De tolerantie voor de nieuwe referentiewaarde bedraagt 2% van de maximumcapaciteit.
Onverminderd artikel 3.11, vijfde lid, is de elektriciteitsproductie-eenheid is in staat voor de gelimiteerde frequentiegevoelige modus – onderfrequentie de levering van de frequentierespons voor het werkzaam vermogen te activeren overeenkomstig de volgende parameters, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel c, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. de frequentiedrempelwaarde is instelbaar tussen 49,5 en 49,8 Hz;
- b. de instelling van de frequentiedrempelwaarde is: 49,8 Hz;
- c. de statiek is instelbaar tussen 4 en 12%;
- d. de default instelling van de statiek is: 5%;
- e. in geval van een power park module is Pref als bedoeld in figuur 4 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) gelijk aan het feitelijk gegenereerde werkzame vermogen op het moment dat de drempelwaarde van de gelimiteerde frequentiegevoelige modus – onderfrequentie is bereikt.
De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat, wanneer de frequentiegevoelige modus in bedrijf is, de frequentierespons voor het werkzaam vermogen te leveren, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel d, subonderdeel i, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), overeenkomstig de volgende parameters:
- a. het bereik van het werkzaam vermogen in verhouding tot de maximumcapaciteit: range is: 1,5%–10%;
- b. de ongevoeligheid van de frequentierespons is: 10 mHz;
- c. de dode band van de frequentierespons is instelbaar tussen 0 en 500 mHz;
- d. de statiek is instelbaar tussen 4% en 12%;
- e. in geval van een power park module is Pref, als bedoeld in figuur 5 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) gelijk aan het feitelijk gegenereerde werkzame vermogen op het moment dat de drempelwaarde van de frequentiegevoelige modus is bereikt.
De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat de volledige frequentierespons te leveren, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel d, subonderdeel iii, en tabel 5 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), overeenkomstig de volgende parameters:
- a. het bereik van het werkzaam vermogen in verhouding tot de maximumcapaciteit ligt tussen de 1,5% en 10%; de waarde van het bereik wordt per elektriciteitsproductie-eenheid vastgelegd in de overeenkomst voor de levering van reservecapaciteit;
- b. de maximaal toegestane tijd t2 voor elektriciteitsproductie-eenheden is: 30 seconden.
De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat om, na activering van de frequentiegevoelige modus een volledige frequentierespons te leveren gedurende ten minste 15 minuten, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel d, subonderdeel v, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG).
De elektriciteitsproductie-eenheid heeft functionaliteiten, als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel e van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), die voldoen aan de specificaties van de artikelen 158 en 159 van Verordening (EU) 2017/1485 (GL SO).
De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat automatisch te ontkoppelen indien de spanning op het overdrachtspunt van de aansluiting kleiner is dan 0,85 pu of groter dan 1,15 pu. De instelling, waarbij automatische ontkoppeling plaatsvindt, kan door de aangeslotene worden bepaald, mits deze instelling niet conflicteert met de eisen uit Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) met betrekking tot bedrijfsperiodes voor spanningen en met betrekking tot fault-ride-trough capaciteit.
De elektriciteitsproductie-eenheid met black-start-capaciteit is in staat om vanuit stilstand op te starten overeenkomstig de door de transmissiesysteembeheerder vastgestelde en gepubliceerde specificaties, als bedoeld in artikel 15, vijfde lid, onderdeel a, subonderdeel iii, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG).
De elektriciteitsproductie-eenheid met black-start-capaciteit is in staat tot synchronisatie overeenkomstig de door de transmissiesysteembeheerder vastgestelde en gepubliceerde specificaties, als bedoeld in artikel 15, vijfde lid, onderdeel a, subonderdeel iv, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG).
De elektriciteitsproductie-eenheid is in staat zich automatisch van het systeem te ontkoppelen in geval van verlies van rotorhoekstabiliteit bij een synchrone elektriciteitsproductie-eenheid of verlies van besturing, als bedoeld in artikel 15, zesde lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG). De criteria hiervoor worden opgenomen in de aansluit- en transportovereenkomst.
Indien van toepassing leggen de aangeslotene en de systeembeheerder de instellingen van de storingsregistratieapparatuur, inclusief de startcriteria en bemonsteringsfrequenties, als bedoeld in artikel 15, zesde lid, onderdeel b, subonderdeel ii, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), vast in de aansluit- en transportovereenkomst.
De aangeslotene en de systeembeheerder leggen een startcriterium voor de oscillatie, als bedoeld in artikel 15, zesde lid, onderdeel b, subonderdeel iii, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), vast in de aansluit- en transportovereenkomst.
De aangeslotene en de systeembeheerder leggen, in overleg met de transmissiesysteembeheerder, de communicatieprotocollen voor geregistreerde gegevens vast in de aansluit- en transportovereenkomst als bedoeld in artikel 15, zesde lid, onderdeel b, subonderdeel iv, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG).
Indien van toepassing leggen aangeslotene en de systeembeheerder de installatie van apparatuur voor bedrijfsvoering en veiligheid van het systeem vast in de aansluit- en transportovereenkomst, als bedoeld in artikel 15, zesde lid, onderdeel d, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG).
Zoals bedoeld in artikel 15, zesde lid, onderdeel e, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) is:
- a. het minimum van de op- en afregelsnelheid van het werkzame vermogen 1% van de maximumcapaciteit per minuut;
- b. het maximum van de regelsnelheid van het werkzame vermogen 20% van de maximumcapaciteit per minuut.
De aangeslotene legt het aardingsconcept van de sterpunten aan de systeemzijde van de machinetransformatoren, als bedoeld in artikel 15, zesde lid, onderdeel f, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), vast in de aansluit- en transportovereenkomst.
Artikel 3.23
De synchrone productie-eenheid is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel b, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. gelijk aan 0,55 bij een spanning van 0,9 pu tot 1,05 pu; en
- b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,55 en 0,3 bij een spanning tussen 1,05 pu en 1,1 pu.
De synchrone productie-eenheid is in staat bij variërende spanning maximaal blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel b, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. gelijk aan 0,4 bij een spanning van 1,0 pu tot 1,1 pu; en
- b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,1 en 0,4 bij een spanning tussen 0,9 en 1,0 pu.
De synchrone productie-eenheid is op grond van het eerste tot en met het tweede lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde U-Q/Pmax-profiel in onderstaand diagram.
De tijdperiode voor de synchrone elektriciteitsproductie-eenheid om over te gaan tot elk bedrijfspunt binnen zijn U-Q/Pmax-profiel, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel iv, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), is niet meer dan 15 minuten. Afwijkingen worden overeengekomen en vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst of, waar van toepassing, in de overeenkomst voor blindvermogensuitwisseling.
De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid is in staat om na een storing zo snel mogelijk de hoeveelheid werkzaam vermogen van voor de storing te leveren.
Artikel 3.24
Het U-Q/Pmax-profiel, als bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel b, subonderdeel i, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), waarbinnen een power park module blindvermogen moet kunnen leveren en opnemen, is gelijk aan het U-Q/Pmax-profiel als bedoeld in artikel 3.17, eerste tot en met vierde lid.
Het P-Q/Pmax-profiel, als bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel c, subonderdeel i, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), waarbinnen een power park module blindvermogen moet kunnen leveren en opnemen, is gelijk aan het P-Q/Pmax-profiel als bedoeld in artikel 3.17, vijfde tot en met negende lid.
De tijdsperiodes voor een power park module om over te gaan tot elk bedrijfspunt binnen zijn P-Q/Pmax-profiel worden overeengekomen tussen de aangeslotene en de distributiesysteembeheerder, in overleg met de transmissiesysteembeheerder. De overeengekomen tijdsperiodes worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
Voor de power park module worden de tijden t1 (voor verandering van 90% van het blindvermogen) en t2 (voor het stabiliseren van het blindvermogen) overeengekomen tussen de systeembeheerder en de aangeslotene, in overleg met de transmissiesysteembeheerder. De waarden worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
Voor de parameters van de arbeidsfactor-regelmodus van power park modules, als bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel d, subonderdeel vi, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), geldt dat:
- a. de gewenste waarde van de arbeidsfactor overeengekomen wordt tussen de systeembeheerder en de aangeslotene, in overleg met de transmissiesysteembeheerder. De overeengekomen waarde wordt vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst;
- b. de tolerantie van de gewenste waarde van de arbeidsfactor plus of min 0,005 is. Bij een arbeidsfactor van 1 is de tolerantie op het blindvermogen 10% van het maximale blindvermogen;
- c. de tijdsperiode voor het bereiken van de gewenste waarde van de arbeidsfactor na een abrupte verandering van het werkzame vermogen overeengekomen wordt tussen de systeembeheerder en de aangeslotene, in overleg met de transmissiesysteembeheerder. De overeengekomen waarde wordt vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
In de aansluit- en transportovereenkomst is vastgelegd of automatisch blindvermogen door de power park module, als bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel d, subonderdeel vii, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), wordt geleverd door middel van:
- a. spannings-regelmodus (sub mode 1) waarbij het uitgewisselde blindvermogen zich bevindt in een overeengekomen bandbreedte, die ook wordt opgenomen in de aansluit- en transportovereenkomst;
- b. spannings-regelmodus (sub mode 2) zonder eis ten aanzien van het uitgewisselde blindvermogen;
- c. blindvermogen-regelmodus; of
- d. arbeidsfactor-regelmodus.
Welke aanvullende apparatuur vereist is om de aanpassing van de overeenkomstig het zesde lid van toepassing zijnde referentiewaarden op afstand te kunnen uitvoeren, wordt overeengekomen en vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
De overeenkomstig het zesde lid van toepassing zijnde referentiewaarden of gewenste waarden worden door de systeembeheerder gespecificeerd en wordt via telefonisch contact of digitaal bericht ingesteld.
Voor de power park module is de prioriteit van de bijdrage van het werkzaam vermogen dan wel het blindvermogen gedurende storingen waarbij fault-ride-through capaciteit vereist is, locatie-specifiek. Deze optie wordt overeengekomen tussen de systeembeheerder en de aangeslotene, in overleg met de transmissiesysteembeheerder, en wordt vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
§ 3.6. Aansluitvoorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden van het type D als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG)
Artikel 3.25
Elektriciteitsproductie-eenheden van het type D voldoen aan de in deze paragraaf gestelde voorwaarden.
Elektriciteitsproductie-eenheden van het type D voldoen tevens aan de in paragraaf 3.3 gestelde voorwaarden, met uitzondering van artikel 3.11, zesde lid en zevende lid, en artikel 3.12.
Elektriciteitsproductie-eenheden van het type D voldoen tevens aan de in paragraaf 3.4 gestelde voorwaarden, met uitzondering van artikel 3.15, eerste lid en waarbij voor de k-factor, bedoeld in artikel 3.17, twaalfde lid, onderdeel f, het aanpassingsbereik 0 ≤ k ≤ 6 bedraagt en voor k2 als bedoeld in artikel 3.17, veertiende lid, onderdeel b, het aanpassingsbereik eveneens 0 ≤ k2 ≤ 6 bedraagt.
Elektriciteitsproductie-eenheden van het type D voldoen tevens aan de in paragraaf 3.5 gestelde voorwaarden, met uitzondering van artikel 3.22, zevende lid.
Artikel 3.26
De tijdsduur van de bedrijfsperiode voor spanningen tussen 1,118 pu en 1,15 pu in transmissiesystemen met een nominale spanning tot 300 kV (exclusief) en voor spanningen tussen 1,05 pu en 1,10 pu in transmissiesystemen met nominale spanning tussen 300 kV (inclusief) en 400 kV, als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel a, subonderdeel i, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), is 20 minuten.
De parameters voor de fault-ride-through-capaciteit van de synchrone elektriciteitsproductie-eenheid, als bedoeld in artikel 16, derde lid, onderdeel a, subonderdeel i, en tabel 7.1 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) zijn:
- a. de spanningsparameters:
- 1°. Uret is 0 pu;
- 2°. Uclear is 0,25 pu;
- 3°. Urec1 is 0,70 pu;
- 4°. Urec2 is 0,85 pu;
- b. de tijdsparameters:
- 1°. tclear is 0,15 s;
- 2°. trec1 is 0,3 s;
- 3°. trec2 is trec1;
- 4°. trec3 is 1,5 s.
De parameters voor de fault-ride-through-capaciteit van de power park module, als bedoeld in artikel 16, derde lid, onderdeel a, onderdeel i, en tabel 7.2 van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) zijn:
- a. de spanningsparameters:
- 1°. Uret is 0 pu;
- 2°. Uclear is Uret;
- 3°. Urec1 is Uclear;
- 4°. Urec2 is 0,85 pu;
- b. de tijdsparameters:
- 1°. tclear is 0,25 s;
- 2°. trec1 is tclear;
- 3°. trec2 is trec1;
- 4°. trec3 is 3,0 s.
De beveiliging van de elektriciteitsproductie-eenheid, in relatie tot de fault-ride-through-capaciteit, wordt dusdanig ingesteld dat de elektriciteitsproductie-eenheid zo lang mogelijk aan het systeem gekoppeld blijft.
De fault-ride-through-capaciteit in het geval van asymmetrische storingen, als bedoeld in artikel 16, derde lid, onderdeel c, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), is identiek aan de fault-ride-through bij symmetrische storingen.
De aangeslotene en de transmissiesysteembeheerder bereiken overeenstemming over de instellingen van de synchronisatieapparatuur, als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG). De overeenstemming wordt vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
De combinatie van spanningseisen als bedoeld in het eerste lid en de frequentie-eisen als bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, gelden bij een spanningsgradiënt van maximaal 0,05 pu/min en een frequentiegradiënt van maximaal 0,5 %/min.
Artikel 3.27
De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid aangesloten op een systeem met een spanningsniveau lager dan 300 kV is in staat blindvermogen te leveren, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel i, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), overeenkomstig artikel 3.23, eerste en tweede lid.
De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid aangesloten op een transmissiesysteem met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300 kV is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel i, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. gelijk aan 0,3 bij een spanning van 1,05 pu;
- b. gelijk aan 0,55 bij een spanning van 0,9 pu tot 1 pu;
- c. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,55 en 0,3 bij een spanning van 1 pu tot 1,05 pu.
De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid aangesloten op een transmissiesysteem met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300 kV is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel i, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. gelijk aan 0,1 bij een spanning van 0,9 pu;
- b. gelijk aan 0,4 bij een spanning van 1 pu tot 1,05 pu;
- c. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,1 en 0,4 bij een spanning van 0,9 pu tot 1 pu.
De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid aangesloten op een transmissiesysteem met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300 kV is op grond van het tweede en het derde lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde profiel in onderstaand U-Q/Pmax-diagram:
De tussen de aangeslotene en de transmissiesysteembeheerder overeengekomen parameters en instellingen van de componenten van het spanningsregel-systeem van de synchrone elektriciteitsproductie-eenheid, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
De synchrone elektriciteitsproductie-eenheid die is aangesloten op transmissiesystemen met een spanningsniveau van 220 kV en hoger worden uitgerust met een PSS-functie om vermogensoscillaties te dempen, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel b, subonderdeel v, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG).
De tussen de transmissiesysteembeheerder en de aangeslotene overeengekomen technische capaciteit van de elektriciteitsproductie-eenheid om bij te dragen tot de rotorhoekstabiliteit onder storingsomstandigheden, als bedoeld in artikel 19, derde lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
Artikel 3.28
In afwijking van artikel 3.24, eerste lid, is de power park module aangesloten op een transmissiesysteem met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300 kV is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel b, subonderdeel i, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. gelijk aan 0,33 bij een spanning van 0,9 pu tot 1 pu; en
- b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,33 en 0,0 bij een spanning tussen 1 pu en 1,05 pu.
In afwijking van artikel 3.24, eerste lid, is de power park module aangesloten op een transmissiesysteem met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300 kV is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel b, subonderdeel i, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. gelijk aan 0,33 bij een spanning van 0,95 pu tot 1,05 pu; en
- b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,33 en 0,0 bij een spanning tussen 0,95 pu en 0,9 pu.
In aanvulling op het eerste lid is het toegestaan het werkzame vermogen, zoveel als met het oog op de begrenzing door de maximale stroom technisch nodig is, te verminderen ten gunste van het leveren van blindvermogen binnen het deel van het U-Q/Pmax-profiel dat begrensd wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,2 en 0,33 bij een spanning tussen 0,90 pu en 0,95 pu en het profiel overeenkomstig het eerste lid.
In afwijking van artikel 3.24, eerste lid, is de power park module aangesloten op een transmissiesysteem met een spanningsniveau gelijk aan of groter dan 300 kV is op grond van het eerste tot en met het derde lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde U-Q/Pmax-profiel in onderstaand diagram:
Indien de power park module via een transformator met een onder belasting verstelbare trappenschakelaar (on-line step changer) is aangesloten op een transmissiesysteem is de afwijking bedoeld in het derde lid en in artikel 3.17, derde en zevende lid, uitsluitend toegestaan gedurende de regelactie van de trappenschakelaar van de transformator.
Artikel 3.29
De beproevingen, de wijze van uitvoering daarvan alsmede de wijze van rapporteren over en de beoordeling door de transmissiesysteembeheerder van de beproevingen als bedoeld in Titel IV van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG) worden gespecificeerd door de transmissiesysteembeheerder en gepubliceerd op zijn website.
§ 3.7. Aansluitvoorwaarden voor offshore-power park modules
Artikel 3.30
Offshore-power park modules voldoen aan de in deze paragraaf gestelde voorwaarden.
Offshore-power park modules voldoen tevens aan de in artikel 3.11, eerste tot en met vijfde lid, en artikel 3.13, achtste lid, gestelde voorwaarden.
Offshore-power park modules voldoen tevens aan de in artikel 3.15, met uitzondering van het eerste en zevende lid, artikel 3.17, tiende tot en met zestiende lid, en artikel 3.18, eerste en tweede lid, gestelde voorwaarden, waarbij voor de k-factor, bedoeld in artikel 3.17, twaalfde lid, onderdeel f, het aanpassingsbereik 0 ≤ k ≤ 6 bedraagt en voor k2 als bedoeld in artikel 3.17, veertiende lid, onderdeel b het aanpassingsbereik eveneens 0 ≤ k2 ≤ 6 bedraagt.
Offshore-power park modules voldoen tevens aan de in artikel 3.22, met uitzondering van het zevende lid, en artikel 3.24 met uitzondering van het eerste en tweede lid, gestelde voorwaarden.
Offshore-power park modules voldoen tevens aan de in artikel 3.26, zesde lid, en artikel 3.28, eerste, derde en vierde lid, gestelde voorwaarden.
Artikel 3.31
De offshore-power park module, aangesloten op een systeem met een spanningsniveau lager dan 300 kV is in staat aan het systeem gekoppeld en in bedrijf te blijven gedurende de volgende tijdsperioden, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. onbeperkt bij een spanning kleiner 1,118 pu en groter dan of gelijk aan 0,9 pu;
- b. 60 minuten bij een spanning kleiner dan 0,9 pu en groter dan of gelijk aan 0,85 pu;
- c. 60 minuten bij een spanning kleiner dan 1,15 pu en groter dan of gelijk aan 1,118 pu.
De offshore-power park module, aangesloten op een systeem met een spanningsniveau lager dan 300 kV is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. gelijk aan 0,1 bij een spanning van 1,06 pu;
- b. gelijk aan 0,35 bij een spanning van 0,92 pu tot 1 pu;
- c. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,35 en 0,0 bij een spanning van 1 pu tot 1,06 pu.
De offshore-power park module, aangesloten op een systeem met een spanningsniveau lager dan 300 kV is in staat bij variërende spanning maximaal een hoeveelheid blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. gelijk aan 0,1 bij een spanning van 0,92 pu;
- b. gelijk aan 0,4 bij een spanning van 1 pu tot 1,06 pu;
- c. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,1 en 0,4 bij een spanning van 0,92 pu tot 1 pu.
De offshore-power park module, aangesloten op een systeem met een spanningsniveau lager dan 300 kV is op grond van het tweede en het derde lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde profiel in onderstaand U-Q/Pmax-diagram:
Ten aanzien van het leveren van snelle foutstroom op het overdrachtspunt van de aansluiting, is artikel 3.17, achtste en tiende tot en met zestiende lid, behalve het twaalfde lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, van overeenkomstige toepassing op offshore-power park modules. In het geval dat de vereiste waarde van sprongsgewijze verandering van de momentane sinusvormige spanning, als bedoeld in artikel 3.17, twaalfde lid, onderdeel a, subonderdeel 2°, leidt tot ongewenste activering van extra blindstroominjectie, kan de systeembeheerder een andere waarde overeenkomen met de aangeslotene die beschikt over een offshore-power park module en deze vastleggen in de aansluit- en transportovereenkomst.
Artikel 3.32
De offshore-power park module voldoet aan de volgende eisen ten aanzien van de spanningsstabiliteit:
- a. als een offshore-power park module meer blindvermogen kan opwekken dan de minimum eisen, wordt het vermogen niet opzettelijk beperkt;
- b. de offshore-power park module is in staat om automatisch blindvermogen te leveren in de spanningsregelmodus, blindvermogen-regelmodus of de arbeidsfactor-regelmodus;
- c. de ingestelde punten en het verval (spannings-droop) kunnen gedurende normaal bedrijf aangepast worden;
- d. ingestelde puntwaarden hebben betrekking op het overdrachtspunt van de aansluiting van de offshore-power park module naar het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee;
- e. de parameters voor de regelsnelheid van de blindvermogen-regelaar worden ten minste zes maanden voor het op spanning brengen in onderling overleg afgesproken tussen de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee en de aangeslotene, met inachtneming van de feitelijke systeemkarakteristieken;
- f. de blindvermogen-regelmodus spanning leidt tot stabiel en gedempt gedrag van de spanning op het overdrachtspunt van de aansluiting van de offshore-power park module. Als de blindvermogen-regelmodus spanning is, is het mogelijk het werkpunt van de helling binnen 15 minuten aan te passen, om de uitwisseling van het blindvermogen op het overdrachtspunt van de aansluiting aan te passen;
- g. als de blindvermogen-regelmodus blindvermogen is, valt de aanpassing van het instelpunt binnen de definitie van frequentie en juistheid van de onshore spanningsregelaar (die het blindvermogen instelpunt op het overdrachtspunt van de aansluiting van de offshore-power park module vaststelt).
De offshore-power park module is in staat bij een werkzaam vermogen beneden de maximumcapaciteit maximaal een hoeveelheid blindvermogen te leveren dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel c, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. gelijk aan 0,1 bij een werkzaam vermogen van 0 tot 0,1 pu;
- b. dat bepaald wordt door het lineaire verloop tussen respectievelijk 0,1 en 0,35 bij een werkzaam vermogen van 0,1 pu tot 0,2 pu;
- c. gelijk aan 0,35 bij een werkzaam vermogen van 0,2 pu tot 1 pu.
De offshore-power park module is in staat bij een werkzaam vermogen beneden de maximumcapaciteit maximaal een hoeveelheid blindvermogen op te nemen dat gekenschetst wordt door een verhouding van blindvermogen tot maximumcapaciteit, bedoeld in artikel 21, derde lid, onderdeel c, van Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG):
- a. gelijk aan 0,1 bij een werkzaam vermogen van 0 tot 0,1 pu;
- b. gelijk aan 0,4 bij een werkzaam vermogen van 0,1 pu tot 1 pu.
De power park module is op grond van het tweede en het derde lid in staat blindvermogen te leveren of op te nemen binnen en inclusief de grenzen van het rood gemarkeerde profiel in onderstaand P-Q/Pmax-diagram
Beperking van de mogelijkheid om blindvermogen op te wekken gebaseerd op het aantal actieve opwekkingseenheden mag niet van invloed zijn op het gedrag van de blindvermogen-regelaar binnen deze beperkte mogelijkheden.
Voor de aansluiting van de offshore-power park module op het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee kan, in afwijking van artikel 27 en artikel 15, vijfde lid, van Verordening (EU) 2016/631, de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee met de aangeslotene overeenkomen dat een black-start-mogelijkheid niet vereist is.
In aanvulling op de artikelen 2.7, 2.8 en 2.20 gelden voor een aansluiting van de offshore-power park module op het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee de volgende eisen ten aanzien van harmonische emissielimieten:
- a. Het compatibiliteitsniveau voor de totale harmonische vervorming (THD) op een (66 kV) overdrachtspunt van een aansluiting van een offshore-power park module bedraagt:
- 1°. THD < 5% gedurende 95% van de metingen van het tien minuten gemiddelde in een week;
- 2°. THD < 6% gedurende 99,9% van de metingen van het tien minuten gemiddelde in een week.
- b. Het planningsniveau voor de totale harmonische vervorming (THD) op een (66 kV) overdrachtspunt van een aansluiting van een offshore-power park module bedraagt:
- 1°. THD < 3%, gedurende 95% van de metingen van het tien minuten gemiddelde in een week;
- 2°. THD < 3,6%, gedurende 99,9% van de metingen van het tien minuten gemiddelde in een week.
- c. Indien er meer dan één offshore-power park module is aangesloten op één 66 kV railsysteem, wordt het geplande emissieniveau evenredig verdeeld over de offshore-power park modules naar rato van het vermogen dat aan elke offshore-power park module is toegekend.
Artikel 3.33
Indien de lokale systeemkenmerken daartoe aanleiding geven, kunnen de transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee en de aangeslotenen op een offshore-platform overeenkomen om voor alle offshore-power park modules aangesloten op dat offshore-platform af te wijken van één of meer van de in de artikelen 3.30 tot en met 3.32 bedoelde voorwaarden. In dat geval worden de afwijkende voorwaarden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
Hoofdstuk 4. Aansluitvoorwaarden voor verbruiksinstallaties
§ 4.1. Nadere voorwaarden voor verbruiksinstallaties aangesloten op het transmissiesysteem
Artikel 4.1
De tijdsduur van de bedrijfsperiode voor frequenties in de band van 47,5 Hz tot 48,5 Hz en de tijdsduur van de bedrijfsperiode voor frequenties in de band van 48,5 Hz tot 49,0 Hz, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), is 30 minuten.
Artikel 4.2
Voor verbruiksinstallaties met een nominale spanning kleiner dan 300 kV is de tijdsduur van de bedrijfsperiode voor spanningen in de band van 1,118 pu tot 1,15 pu, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), 60 minuten.
Voor verbruiksinstallaties met een nominale spanning groter dan of gelijk aan 300 kV is de tijdsduur van de bedrijfsperiode voor spanningen in de band van 1,05 pu tot 1,10 pu, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), 60 minuten.
De transmissiesysteembeheerder en de aangeslotene die beschikt over een verbruiksinstallatie komen voorwaarden en instellingen voor automatische ontkoppeling bij specifieke spanningswaarden, als bedoeld in artikel 13, zesde lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), overeen en deze worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
Artikel 4.3
De maximale kortsluitstroom, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), wordt in de aansluit- en transportovereenkomst vastgelegd.
In afwijking van artikel 2.6, derde lid, informeert de transmissiesysteembeheerder de aangeslotene die beschikt over een verbruiksinstallatie en overlegt met hem voor zover van toepassing bij eerste aansluiting en bij latere wijzigingen van het systeem omtrent:
- a. de minimum en maximum waarde van de kortsluitstroom, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), tijdens de normale bedrijfstoestand;
- b. de wijze van sterpuntsbehandeling;
- c. de isolatiecoördinatie;
- d. de systeemconfiguratie;
- e. de bedrijfsvoering.
De aangeslotene die beschikt over een verbruiksinstallatie specificeert de drempelwaarden, bedoeld in artikel 14, derde, vierde, vijfde en zesde lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC). Deze waarden worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
De transmissiesysteembeheerder specificeert de drempelwaarden, bedoeld in artikel 14, achtste en negende lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC). Deze waarden worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
Artikel 4.4
De arbeidsfactor, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), varieert, in afwijking van artikel 2.19, in het overdrachtspunt van de aansluiting van een verbruiksinstallatie:
- a. zonder lokale elektriciteitsproductie tussen 0,9 (inductief) en 1,0;
- b. met lokale elektriciteitsproductie tussen 0,9 (capacitief) en 0,9 (inductief).
Een tussen transmissiesysteembeheerder en de aangeslotene contractueel overeengekomen afwijking van het in het eerste lid bepaalde blindvermogensbereik wordt vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.
Het eerste lid is niet van toepassing indien sprake is van kortstondige afwijkingen en van perioden met zeer lage belasting,
Artikel 4.5
In afwijking van artikel 2.6 informeert de transmissiesysteembeheerder de aangeslotene en bereikt overeenstemming met hem voor zover van toepassing bij eerste aansluiting en bij latere wijziging van het systeem over de beveiligingsfilosofie, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC).
Voor zover de in het eerste lid genoemde gegevens nodig zijn voor de bedrijfsvoering van de aangeslotene, worden deze in de aansluit- en transportovereenkomst vastgelegd.
Artikel 4.6
In de aansluit- en transportovereenkomst worden concepten en instellingen van de verschillende regelingen van de verbruiksinstallatie die van belang zijn voor de systeemveiligheid, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), vastgelegd.
Artikel 4.7
Verbruiksinstallaties aangesloten op het transmissiesysteem beschikken over de mogelijkheid tot automatische belastingafschakeling bij lage frequentie, bedoeld in artikel 19 van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), op de wijze zoals gespecificeerd door de transmissiesysteembeheerder op grond van Verordening (EU) 2017/2196 (NC ER).
Het ontkoppelsignaal voor automatische belastingafschakeling bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), wordt gespecificeerd op basis van lage frequentie.
In de aansluit- en transportovereenkomst worden de functionele mogelijkheden voor het blokkeren van de trappenschakelaar bij lage spanning, bedoeld in artikel 19, derde lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), opgenomen.
In de aansluit- en transportovereenkomst worden de instellingen van synchronisatieapparaten, bedoeld in artikel 19, vierde lid, onderdeel b, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), vastgelegd.
In de aansluit- en transportovereenkomst worden de ontkoppelapparatuur en de vereiste tijd voor ontkoppeling op afstand, bedoeld in artikel 19, vierde lid, onderdeel c, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), vastgelegd.
§ 4.2. Nadere voorwaarden voor verbruiksinstallaties die vraagsturing leveren aan een systeembeheerder
Artikel 4.9
De tijdsperiode waarbinnen de vermogensaanpassing, na instructie door de distributiesysteembeheerder of de transmissiesysteembeheerder, wordt aangepast, als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel f, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), wordt vastgelegd in de overeenkomst met de aangeslotene of met de partij die vraagsturing aanbiedt namens verbruikseenheden gezamenlijk als onderdeel van een aggregatie.
De bijzonderheden van de kennisgeving waarmee de aanpassing van de capaciteit van de vraagsturing wordt medegedeeld, bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel i, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), worden vastgelegd in de overeenkomst met de aangeslotene of met de partij die vraagsturing aanbiedt namens verbruikseenheden gezamenlijk als onderdeel van een aggregatie.
De maximale waarde van de frequentiegradiënt waarbij niet van het systeem mag worden ontkoppeld, bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel k, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), is: 2 Hz/s.
Artikel 4.10
De bandbreedte van de dode band, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), is 0,2 Hz hoger en lager ten opzichte van de nominale systeemfrequentie. In afwijking hiervan is de bandbreedte van de dode band voor een vraagsturing leverende verbruikseenheid 0 Hz, indien een aangeslotene, of een balanceringsdienstverlener met de transmissiesysteembeheerder contractuele afspraken heeft gemaakt over het leveren van frequentiebegrenzingsreserves door middel van de desbetreffende verbruikseenheid.
De maximale frequentie-afwijking van de nominale waarde van 50,0 Hz, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel e, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), is 1,0 Hz voor frequenties lager dan 50,0 Hz en 1,5 Hz voor frequenties hoger dan 50,0 Hz.
De snelle respons bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel g, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), is 0,5 s.
Hoofdstuk 5. Voorwaarden voor aansluiting van distributiesystemen en gesloten systemen
§ 5.1. Voorwaarden voor de koppeling van een distributiesysteem met een ander systeem
Artikel 5.1
In aanvulling op de voorwaarden in de paragrafen 2.1, 2.3 en 2.5 gelden voor een aansluiting van een distributiesysteem op een ander systeem de voorwaarden van deze paragraaf.
De voorwaarden in paragraaf 4.1, met uitzondering van artikelen 4.4 en 4.5, zijn van overeenkomstige toepassing op distributiesystemen, als bedoeld in artikel 2, zevende lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC).
Artikel 5.2
De systeembeheerders bepalen in onderling overleg welke documentatie aan elkaar ter beschikking wordt gesteld.
De systeembeheerders bepalen in onderling overleg op welke wijze toegang tot elkaars terrein of installatie geregeld wordt.
Iedere systeembeheerder is gehouden om bij het nemen van besluiten en het verrichten van handelingen rekening te houden met de gevolgen daarvan voor de uitvoering van de wettelijke taken door andere systeembeheerders.
De systeembeheerders zijn gehouden om elkaar zo nodig en zo spoedig mogelijk te informeren en, afhankelijk van het onderwerp, met elkaar in overleg te treden en/of samen te werken.
De systeembeheerders zullen, ingeval er voor een adequate elektriciteitsinfrastructuur verschillende opties met aanzienlijk uiteenlopende kosten bestaan, zo mogelijk die optie realiseren die maatschappelijk gezien de laagste integrale kosten met zich meebrengt.
Artikel 5.3
Op het overdrachtspunt tussen twee systemen wordt blindvermogen gemeten, tenzij de betrokken systeembeheerders na onderling overleg anders overeenkomen.
Indien de gekoppelde systemen van verschillend spanningsniveau zijn, wordt het blindvermogen gemeten aan de laagspanningszijde van de transformator.
Op het overdrachtspunt van twee systemen van verschillend spanningsniveau is het transformatorveld voorzien van een bedrijfsmeting.
De vereiste nauwkeurigheid van de in het eerste en derde lid bedoelde metingen is klasse 0,5 tenzij anders door de systeembeheerders is overeengekomen. De nauwkeurigheid heeft betrekking op de primaire meetwaarde. De metingen van het werkzame vermogen en het blindvermogen zijn uitgevoerd met een vierleider meetsysteem met ongelijk belaste fase.
Artikel 5.4
De systeembeheerders bereiken, na onderling overleg, bij eerste aansluiting en bij latere wijziging van het systeem overeenstemming omtrent de toe te passen beveiligingsconcepten als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC).
De systeembeheerders stellen elkaar de uitschakelcommando’s voor het uitschakelen van de vermogenschakelaars aan weerszijden van de transformator ter beschikking. De voor het overbrengen van deze commando’s benodigde verbindingen met toebehoren zijn eigendom van de eigenaar van de transformator.
Instellingen van de beveiligingen, het type beveiliging en de inschakelvoorwaarden worden in de aansluit- en transportovereenkomst vastgelegd.
De eventuele regeling van de blusspoelinstelling, bedoeld in artikel 16, vierde lid, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC) wordt door de betrokken systeembeheerders in onderling overleg bepaald.
Ter voorkoming van schade ten gevolge van bedieningsfouten worden elektrische of mechanische vergrendelingen tussen scheiders en aarders en de vermogenschakelaars aangebracht.
Artikel 5.5
Het overdrachtspunt van de systeemkoppeling van het transmissiesysteem voor elektriciteit op zee met het transmissiesysteem bevindt zich aan de railzijde van de railscheider(s) van het desbetreffende afgaande veld in het station van het transmissiesysteem.
Artikel 5.6
Transmissiegekoppelde distributiesystemen zijn in staat de stationaire bedrijfstoestand op het overdrachtspunt van de aansluiting in stand te houden binnen het blindvermogensbereik, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), dat gespecificeerd is als:
- a. maximaal 48% van de maximale importcapaciteit of van de maximale exportcapaciteit, naar gelang welke het grootst is, tijdens de import van blindvermogen;
- b. maximaal 48% van de maximale importcapaciteit of van de maximale exportcapaciteit, naar gelang welke het grootst is, tijdens de export van blindvermogen.
§ 5.2. Voorwaarden voor aansluitingen van gesloten systemen
Artikel 5.7
In aanvulling op de voorwaarden in paragraaf 5.1 gelden voor een aansluiting van een gesloten systeem op een systeem de voorwaarden van deze paragraaf voor zover van toepassing op het spanningsniveau waarop het gesloten systeem aangesloten is op het systeem van de systeembeheerder. In paragraaf 5.1 dient dan in plaats van ‘de systeembeheerders’ gelezen te worden ‘de beheerder van het gesloten systeem en de systeembeheerder’.
De voorwaarden in paragraaf 4.2 zijn van overeenkomstige toepassing op gesloten systemen die vraagsturing leveren aan een systeembeheerder.
Artikel 5.8
De beheerder van een gesloten systeem draagt er ten behoeve van het gebruik van het elektronisch berichtenverkeer, bedoeld in paragraaf 12.5 van deze code en artikel 9.1.2 van de Informatiecode elektriciteit en gas, zorg voor dat hij:
- a. daartoe op grond van artikel 12.31, eerste lid, van deze code respectievelijk artikel 9.1.6 van de Informatiecode elektriciteit en gas gerechtigd is;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)