Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij

Type Verdrag
Publication 2026-03-01
State In force
Source BWB
artikelen 20
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
    1. wordt onder Bijlage verstaan Bijlage VI bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (MARPOL), zoals gewijzigd bij het Protocol daarbij van 1978, en zoals gewijzigd bij het Protocol van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
    1. wordt ondereen soortgelijk bouwstadiumverstaan het stadium waarin:
  • .1. de bouw specifiek voor een bepaald schip aanvangt; en
  • .2. is begonnen met de montage van dat schip, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
    1. wordt onder verjaardatum verstaan de dag en de maand van elk jaar overeenkomend met de datum waarop het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging verstrijkt.
    1. wordt onder beheersingshulpvoorziening verstaan een systeem, functie of beheersingsstrategie die op een scheepsdieselmotor is geïnstalleerd om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken. Een beheersingshulpvoorziening kan eveneens een strategie of maatregel zijn waarvan afdoende is aangetoond dat zij geen manipulatievoorziening is.
    1. wordt doorlopende toevoer omschreven als het proces waarbij afval zonder menselijke tussenkomst naar een verbrandingskamer wordt gevoerd, terwijl de verbrandingsinrichting zich in de normale bedrijfstoestand bevindt met een bedrijfstemperatuur in de verbrandingskamer tussen 850°C en 1200°C.
    1. wordt onder manipulatievoorziening verstaan een voorziening die werkingsvariabelen (bijv. toerental van de motor, temperatuur, inlaatdruk of een andere parameter) meet of met een sensor bepaalt of daarop reageert voor het op zodanige wijze activeren, moduleren, vertragen of uitschakelen van een onderdeel of het functioneren van het emissiebeheersingssysteem, dat de doeltreffendheid van het emissiebeperkingssysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij normaal gebruik kunnen optreden, tenzij het gebruik van een dergelijke voorziening grotendeels in aanmerking wordt genomen in de toegepaste testprocedures voor emissiecertificatie.
    1. wordt onder emissie verstaan elk vrijkomen vanaf schepen in de atmosfeer of de zee van stoffen die onder de beheersing uit hoofde van deze Bijlage vallen.
    1. wordt onder gebied voor emissiebeheersing verstaan een gebied waar aanneming van bijzondere verplichte maatregelen voor emissies door schepen vereist is teneinde luchtverontreiniging door NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan en de daarmee gepaard gaande schadelijke invloed op de volksgezondheid en het milieu te voorkomen, beperken en beheersen. Gebieden voor emissiebeheersing omvatten de gebieden genoemd in of aangewezen conform de voorschriften 13 en 14 van deze Bijlage.
    1. wordt onder brandstofolie verstaan brandstof geleverd aan en gebruikt voor verbrandingsdoeleinden voor de voorstuwing of bedrijfsdoeleinden aan boord van een schip, met inbegrip van destillaten en residuale brandstof.
    1. wordt onder installaties met betrekking tot voorschrift 12 van deze Bijlage verstaan de installatie van systemen, uitrusting, met inbegrip van draagbare brandblusvoorzieningen, isolatie of ander materiaal op een schip, echter met uitzondering van het herstel of opnieuw vullen van eerder geïnstalleerde systemen, uitrusting, isolatie of ander materiaal of het opnieuw vullen van draagbare brandblusvoorzieningen.
    1. wordt onder geïnstalleerde motor verstaan een scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is of dient te worden op een schip, met inbegrip van verplaatsbare hulpscheepsdieselmotoren mits het brandstoftoevoer-, koelings- of uitlaatsysteem vast onderdeel uitmaakt van het schip. Een brandstoftoevoersysteem wordt uitsluitend als een vast onderdeel van het schip aangemerkt indien het duurzaam verbonden is met het schip. Deze omschrijving omvat mede scheepsdieselmotoren die worden gebruikt ter aanvulling of versterking van de geïnstalleerde capaciteit van het schip en beoogd zijn als een integrerend onderdeel ervan.
    1. wordt onder abnormale emissiebeheersingsstrategie verstaan elke strategie of maatregel die wanneer het schip onder normale bedrijfsomstandigheden wordt bestuurd de doelmatigheid van het emissiebeperkingssysteem beperkt tot een niveau onder dat hetgeen verwacht wordt bij de van toepassing zijnde emissietestprocedures.
    1. wordt onder scheepsdieselmotor verstaan een interne-zuigerverbrandingsmotor die op vloeibare brandstoffen of dual fuel functioneert en waarop voorschrift 13 van deze Bijlage van toepassing is, met inbegrip van eventueel toegepaste drukvullings- of compoundsystemen.
    1. wordt onder de NOx Technische Code verstaan de Technische code inzake de beheersing van de emissie van stikstofoxiden door scheepsdieselmotoren, aangenomen bij resolutie 2 van de MARPOLconferentie van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
    1. worden onder ozonafbrekende stoffen verstaan de gereguleerde stoffen omschreven in artikel 1, vierde lid, van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, 1987, genoemd in Bijlage A, B, C of E bij genoemd Protocol zoals van kracht ten tijde van de toepassing of uitlegging van deze Bijlage. Ozonafbrekende stoffen die aan boord van schepen kunnen worden aangetroffen omvatten, maar zijn niet beperkt tot:
  • halon 1211 broomchloordifluormethaan
  • halon 1301 broomtrifluormethaan
  • halon 2402 1, 2-dibroom-1, 1, 2, 2-tetrafluorethaan (ook bekend als halon 114B2)
  • CFK-11 trichloorfluormethaan
  • CFK-12 dichloordifluormethaan
  • CFK-113 1, 1, 2 – trichloor – 1, 2, 2 – trifluorethaan
  • CFK-114 1, 2 – dichloor –1, 1, 2, 2 – tetrafluorethaan
  • CFK-115 chloorpentafluorethaan
    1. wordt onder verbranding aan boord verstaan de verbranding van afval of andere stoffen aan boord van een schip, indien dit afval of deze andere stoffen zijn ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van dat schip.
    1. wordt onder verbrandingsinstallatie aan boord verstaan een voorziening ontworpen met verbranding als primair doel.
    1. worden onder schepen die worden gebouwd verstaan schepen waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt.
    1. wordt onder oliehoudend slik verstaan slik uit de afscheiders voor brandstof of smeerolie, afgewerkte smeerolie uit hoofd- of hulpwerktuigen, of afgewerkte olie uit lenswaterafscheiders, apparatuur voor het filtreren van olie of lekbakken.
    1. wordt onder tankschip verstaan een olietankschip als omschreven in voorschrift 1 van Bijlage I of een chemicaliëntankschip zoals omschreven in voorschrift 1van Bijlage II bij dit Verdrag.

Voorschrift 3. Uitzonderingen en vrijstellingen

1.

De voorschriften van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

  • .1. elke emissie die noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
  • .2. elke emissie ten gevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
  • .2.1. mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de emissie alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de emissie te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
  • .2.2. uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, ofwel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan.
2.

De Administratie van een Partij kan in samenwerking met andere Administraties als dat van toepassing is, een schip vrijstellen van specifieke bepalingen van deze Bijlage ten behoeve van de uitvoering van testen en onderzoek voor de ontwikkeling van emissiereductie- en beheersingstechnologieën alsmede ontwerpprogramma's voor scheepsmotoren. Dergelijke vrijstellingen worden uitsluitend verleend indien de toepassing van specifieke bepalingen van de Bijlage of de herziene NOx Technische Code 2008 ten koste zou gaan van onderzoek naar de ontwikkeling van dergelijke technologieën of programma's. Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend voor het minimum aantal benodigde schepen, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:

  • .1. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderinhoud van ten hoogste 30 liter, waarbij de test op zee ten hoogste 18 maanden mag duren. Indien meer tijd vereist is, kan of kunnen de Administratie of Administraties die vrijstelling verleent of verlenen een verlenging toestaan met eenmaal 18 maanden; of
  • .2. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderhoud van 30 liter of meer mag een test of onderzoek ten hoogste 5 jaar duren en dient de voortgang bij elk tussentijds onderzoek te worden getoetst door de Administratie of Administraties die de vrijstelling heeft of hebben verleend. Op grond van deze toetsing kan de vrijstelling worden ingetrokken indien de test of het onderzoek niet voldeed aan de voorwaarden voor de vrijstelling of indien wordt vastgesteld dat de technologie of het programma naar verwachting geen doeltreffende resultaten zal opleveren voor de beperking en beheersing van emissies door schepen. Indien de toetsende Administratie of Administraties vaststelt of vaststellen dat meer tijd nodig is voor een test of onderzoek met een bepaalde technologie of bepaald programma kan de vrijstelling met ten hoogste vijf jaar worden verlengd.

3.1. Emissies die direct voortvloeien uit de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem zijn, overeenkomstig artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder ii, van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten het volgende:

  • .1. emissies die voortvloeien uit de verbranding van stoffen die uitsluitend en direct het gevolg zijn van de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem, met inbegrip van maar niet beperkt tot het affakkelen van koolwaterstoffen en de verbranding van boorgruis, slijk en/of stimuleringsspoelingen bij de afwerking van de put en testoperaties en het affakkelen als gevolg van het spoelen naar de oppervlakte;
  • .2. het vrijkomen van gassen en vluchtige stoffen die worden meegevoerd met boorspoelingen en gruis;
  • .3. emissies die uitsluitend en direct verband houden met de bewerking, behandeling of opslag van mineralen uit de zeebodem; en
  • .4. emissies van scheepsdieselmotoren die uitsluitend worden gebruikt voor de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem.

3.2. De vereisten van voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.

Voorschrift 4. Gelijkwaardige voorzieningen

1.

De Administratie van een Partij kan toestaan dat installaties, materialen, middelen of toestellen worden aangebracht op een schip of dat er andere procedures, brandstofolie of methodes worden gebruikt dan degene die worden vereist door deze Bijlage, indien dergelijke installaties, materialen, middelen of toestellen, procedures, brandstofolie of methoden wat betreft emissiebeperking ten minste even doeltreffend zijn als degene die door deze Bijlage, met inbegrip van de normen vervat in de voorschriften 13 en 14, worden vereist.

2.

De Administratie van een Partij die het aanbrengen in een schip toestaat van andere installaties, materialen, middelen of toestellen of andere procedures, brandstofolie of methodes dan degene die in deze Bijlage worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen vervolgens aan de Partijen.

3.

De Administratie van een Partij neemt eventueel door de Organisatie ontwikkelde relevante richtlijnen met betrekking tot de in dit voorschrift voorziene gelijkwaardige voorzieningen in aanmerking.

4.

De Administratie van een Partij die het gebruik van een gelijkwaardige voorziening als omschreven in het eerste lid van dit voorschrift toestaat, spant zich in om schade aan het milieu, de volksgezondheid, goederen of hulpmiddelen van die of andere Staten te voorkomen.

HOOFDSTUK 4. ONTVANGSTINRICHTINGEN

Voorschrift 5. Onderzoeken

1.

Alle schepen met een brutotonnage van 400 ton en meer, alsmede alle vaste en drijvende boorinstallaties en andere platforms worden onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:

  • .1. Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, vereist volgens voorschrift 6 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage;
  • .2. Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 9.2, 9.5, 9.6 of 9.7 van deze Bijlage van toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage;
  • .3. Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1.4 van dit voorschrift. Het tussentijdse onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de uitrusting en voorzieningen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage en in goede bedrijfstoestand verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage;
  • .4. Een jaarlijks onderzoek binnen drie maanden voor of na elke verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in lid 1.1 van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met het vierde lid van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip bestemd is. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage; en
  • .5. Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek dient, al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een belangrijke reparatie of vervanging als voorgeschreven door het vierde lid van dit voorschrift of na een reparatie naar aanleiding van in het vijfde lid van dit voorschrift vereiste onderzoeken. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de noodzakelijke reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid van deze reparaties of vervangingen in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van deze Bijlage.
2.

In het geval van schepen met een brutotonnage van minder dan 400 ton, kan de Administratie passende maatregelen vaststellen teneinde te verzekeren dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan.

3.

Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie.

  • .1. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen hetzij aan daartoe benoemde inspecteurs, hetzij aan door haar erkende organisaties. Deze organisaties dienen te voldoen aan de door de Organisatie aangenomen richtlijnen.
  • .2. Het onderzoek van de scheepsdieselmotoren en uitrusting ten behoeve van naleving van voorschrift 13 van deze Bijlage wordt uitgevoerd in overeenstemming met de herziene NOx Technische Code 2008;
  • .3. Wanneer een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie vaststelt dat de toestand van de uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat, dient deze te verzekeren dat hierin verbetering wordt gebracht en te zijner tijd de Administratie in te lichten. Indien dergelijke verbeteringen niet worden aangebracht, wordt het certificaat door de Administratie ingetrokken. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen; en
  • .4. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
4.

De uitrusting dient te worden onderhouden in overeenstemming met het bepaalde in deze Bijlage en er mogen geen wijzigingen worden aangebracht in de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking heeft gehad, zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de Administratie. Onmiddellijke vervanging van deze uitrusting en installaties door uitrusting en installaties die voldoen aan het bepaalde in deze Bijlage is toegestaan.

5.

Wanneer een schip bij een ongeval betrokken raakt, of er gebreken worden geconstateerd waardoor de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is, wezenlijk worden beïnvloed, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, een aangewezen inspecteur of erkende organisatie die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten.

Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op een certificaat

1.

Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven na een eerste of hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5 van deze Bijlage aan:

  • .1. elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer, dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen; en
  • .2. platforms en boorinstallaties die reizen maken naar wateren onder de soevereiniteit of de rechtsmacht van andere Partijen.
2.

Aan schepen gebouwd voor de datum van inwerkingtreding van Bijlage VI voor de Administratie van die schepen dient uiterlijk op de datum van de eerstvolgende geplande droogzetting in een dok na de inwerkingtreding ervan maar in geen geval later dan drie jaar na die datum, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging in overeenstemming met het eerste lid van dit voorschrift te worden afgegeven.

3.

Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening gemaakt hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie. In alle gevallen aanvaardt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat.

Voorschrift 7. Afgifte van een certificaat door een andere Partij

1.

Een Partij kan een schip op verzoek van de Administratie doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging aan het schip afgeven of hiervoor toestemming geven, en waar van toepassing een aantekening op het certificaat van het schip plaatsen of hiervoor toestemming geven, in overeenstemming met deze Bijlage.

2.

Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.

3.

Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 6 van deze Bijlage.

4.

Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.

Voorschrift 8. Model van het certificaat

Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel I bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 9. Looptijd en geldigheid van het certificaat

1.

Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak van ten hoogste vijf jaar.

2.

Niettegenstaande de vereisten van het eerste lid van dit voorschrift:

  • .1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voordat het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt;
  • .2. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt; en
  • .3. Wanneer het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooing van het hernieuwde onderzoek.
3.

Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in het eerste lid van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 5.1.3 en 5.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.

4.

Indien het hernieuwde onderzoek is voltooid en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden genomen, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig voor een volgende periode die zich evenwel niet mag uitstrekken tot vijf maanden na de datum van verstrijken.

5.

Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het dient te worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het dient te worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.

6.

Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste één maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.

7.

Onder bijzondere omstandigheden, vast te stellen door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in lid 2.1.5 of 2.1.6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.

8.

Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 5 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:

  • .1. wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
  • .2. wordt het in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum; en
  • .3. kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
9.

Een ingevolge de voorschriften 6 of 7 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:

  • .1. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 5.1 van deze Bijlage;
  • .2. indien op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met de voorschriften 5.1.3 of 5.1.4 van deze Bijlage; en
  • .3. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van voorschrift 5.4 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.

Voorschrift 10. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord

1.

Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord dienen te worden toegepast om luchtverontreiniging door schepen te voorkomen.

2.

In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.

3.

De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.

4.

Niets in dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.

Voorschrift 11. Opsporing van overtredingen en handhaving

1.

De Partijen werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, daarbij gebruikmakend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en verzamelen van bewijsmateriaal.

2.

Een schip waarop deze Bijlage van toepassing is, kan in elke haven of op elke laad- of losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien bij een inspectie blijkt dat deze Bijlage is overtreden, wordt de Administratie een rapport toegezonden ten behoeve van het nemen van passende maatregelen.

3.

Iedere Partij verschaft de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien mogelijk stelt de bevoegde autoriteit van deze Partij de kapitein van het schip in kennis van de vermeende overtreding.

4.

Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de aldus geïnformeerde Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de vermeende overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om rechtsvervolging in te stellen ter zake van de vermeende overtreding, stelt zij ten spoedigste rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd alsmede de Organisatie onverwijld in kennis van de genomen stappen.

5.

Een Partij kan een schip waarop deze Bijlage van toepassing is tevens inspecteren wanneer dit de havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek om een onderzoek van een Partij is ontvangen, tezamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip een van de stoffen vallend onder deze Bijlage op een plaats heeft uitgestoten in strijd met deze Bijlage. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die om het onderzoek heeft verzocht en aan de Administratie, zodat krachtens dit Verdrag passende maatregelen kunnen worden genomen.

6.

De internationale wetgeving inzake de voorkoming, beperking en bestrijding van vervuiling van het mariene milieu door schepen, met inbegrip van de wetgeving inzake handhaving en voorzorgsmaatregelen die geldt op het tijdstip van toepassing of uitlegging van deze Bijlage, is van overeenkomstige toepassing op de regels en normen genoemd in deze Bijlage.

HOOFDSTUK 7. INTERNATIONALE CODE VOOR SCHEPEN DIE IN POLAIRE WATEREN VAREN

Voorschrift 12. Ozonafbrekende stoffen

1.

Dit voorschrift is niet van toepassing op permanent verzegelde uitrusting indien er geen aansluitingen zijn voor de toevoer van koelvloeistof of verwijderbare onderdelen die ozonafbrekende stoffen bevatten.

2.

Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3.1 is elke opzettelijke emissie van ozonafbrekende stoffen verboden. Tot opzettelijke emissies worden tevens gerekend emissies die plaatsvinden tijdens het onderhoud, de revisie, de reparatie of het verwijderen van systemen of uitrusting, met dien verstande dat tot opzettelijke emissies niet behoort het vrijkomen van minimale hoeveelheden waarmee de terugwinning of recycling van een ozonafbrekende stof gepaard gaat. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, kunnen door de Partijen regels worden gesteld.

3.1. Installaties die ozonafbrekende stoffen anders dan hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:

  • .1. op schepen gebouwd op of na 19 mei 2005; of
  • .2. in het geval van schepen gebouwd vóór 19 mei 2005 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005.

3.2. Installaties die hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:

  • .1. op schepen gebouwd op of na 1 januari 2020; of
  • .2. in het geval van schepen gebouwd vóór 1 januari 2020 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020.
4.

De stoffen bedoeld in dit voorschrift en uitrusting die deze stoffen bevat, dienen te worden ingeleverd bij de desbetreffende ontvangstvoorzieningen wanneer zij worden verwijderd van schepen.

5.

Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat.

6.

Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat houdt een journaal bij van ozonafbrekende stoffen. Dit journaal kan deel uitmaken van een bestaand logboek of van een door de Administratie goedgekeurd elektronisch registratiesysteem.

7.

Vermeldingen in het journaal van ozonafbrekende stoffen gaan vergezeld van het gewicht (in kg) van de stof en worden bij elke gelegenheid onverwijld geactualiseerd in het geval van:

  • .1. volledige of gedeeltelijke navulling van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
  • .2. reparatie of onderhoud van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
  • .3. vrijkomen van ozonafbrekende stoffen in de atmosfeer:
  • .3.1. opzettelijk; en
  • .3.2. onopzettelijk;
  • .4. afgifte van ozonafbrekende stoffen bij ontvangstinrichtingen op het land; en
  • .5. levering van ozonafbrekende stoffen aan het schip.

Voorschrift 13. Stikstofoxiden (NOx)

1.1. Dit voorschrift is van toepassing op:

  • .1. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die is geïnstalleerd op een schip; en
  • .2. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die op of na 1 januari 2000 een belangrijke wijziging ondergaat, tenzij ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat deze motor identiek is aan de vervangen motor en voor het overige niet valt onder lid 1.1.1 van dit voorschrift.

1.2. Dit voorschrift is niet van toepassing op:

  • .1. een scheepsdieselmotor die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen of uitsluitend voor de aandrijving van elke apparatuur of uitrusting die uitsluitend bedoeld is te worden gebruikt voor noodgevallen op het schip waarop zij is geïnstalleerd, of een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een reddingsboot die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen; en
  • .2. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip dat uitsluitend reizen maakt in wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren, mits deze motor valt onder een door de Administratie vastgestelde alternatieve maatregel voor de beheersing van NOx-emissies.

1.3. Onverminderd het bepaalde onder 1.1 van dit lid, kan de Administratie uitsluiting van de toepassing van dit voorschrift toestaan voor elke scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is op een schip dat voor 19 mei 2005 gebouwd is of een belangrijke wijziging ondergaat, mits het schip waarop de motor geïnstalleerd wordt uitsluitend reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.

2.1. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt onder belangrijke wijziging verstaan een wijziging van een scheepsdieselmotor op of na 1 januari 2000 die niet reeds gecertificeerd is volgens de normen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift, indien:

  • .1. de motor vervangen wordt door een scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor wordt geïnstalleerd, of
  • .2. een aanmerkelijke aanpassing, zoals omschreven in de herziene NOx Technische Code 2008, plaatsvindt van de motor, of
  • .3. het maximumtoerental van de motor met meer dan 10% verhoogd wordt ten opzichte van het maximumtoerental op het oorspronkelijke certificaat van de motor.

2.2. Voor een belangrijke wijziging waarbij een scheepsdieselmotor vervangen wordt door een niet-identieke scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor geïnstalleerd wordt, zijn de normen van kracht die gelden op het tijdstip van de vervanging of toevoeging van de motor.

Indien het op of na 1 januari 2016, uitsluitend in het geval van vervangende motoren, niet mogelijk is te voldoen aan de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift (generatie III), dienen zij te voldoen aan de normen vervat in het vierde lid van dit voorschrift (generatie II). De Organisatie dient richtlijnen op te stellen met de criteria wanneer een vervangende motor niet kan voldoen aan de normen van lid 5.1.1 van dit voorschrift.

2.3. Een scheepsdieselmotor bedoeld in de leden 2.1.2 of 2.1.3 dient te voldoen aan de volgende normen:

  • .1. voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2000 gelden de normen vervat in het derde lid van dit voorschrift; en
  • .2. voor schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 gelden de normen die van kracht waren ten tijde van de bouw van het schip.
3.

Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):

  • .1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
  • .2. 45·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm
  • .3. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
4.

Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):

  • .1. 14,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
  • .2. 44·n(-0,23) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm;
  • .3. 7,7 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.

5.1. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2016:

  • .1. verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
  • .1.1. 3,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
  • .1.2. 9·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm; en
  • .1.3. 2,0 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm;
  • .2. zijn de normen vervat in lid 5.1.1 van dit lid van toepassing wanneer het schip vaart in een ingevolge het zesde lid van dit voorschrift aangewezen gebied voor emissiebeheersing; en
  • .3. zijn de normen vervat in het vierde lid van dit voorschrift van toepassing wanneer het schip vaart in een ingevolge het zesde lid van dit voorschrift aangewezen gebied voor emissiebeheersing.

5.2. Onverminderd de toetsing vervat in het tiende lid van dit voorschrift zijn de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift niet van toepassing op:

  • .1. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een lengte (L), als omschreven in voorschrift 1.19 van Bijlage I bij dit Verdrag, van minder dan 24 meter wanneer het specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden; of
  • .2. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een volgens het identificatieplaatje van de scheepsdieselmotor totaal voortstuwingsvermogen van minder dan 750 kW indien ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat het schip vanwege de beperkingen van zijn ontwerp of constructie niet kan voldoen aan de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift.
6.

Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder gebieden voor emissiebeheersing:

  • .1. het Noord-Amerikaanse gebied, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage; en
  • .2. elk ander zeegebied, met inbegrip van havengebieden die door de Organisatie zijn aangewezen in overeenstemming met de criteria en procedures vervat in Aanhangsel III bij deze Bijlage.

7.1. Onverminderd lid 1.1.1 van dit voorschrift dient een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 en vóór 1 januari 2000 te voldoen aan de emissiegrenzen vervat in lid 7.4 van dit lid, mits een goedgekeurde methode voor die motor is gecertificeerd door een Administratie van een Partij en de certificerende Administratie een kennisgeving van die certificering heeft ingediend bij de Organisatie. Voldoening aan dit lid wordt aangetoond door:

  • .1. installatie van de gecertificeerde goedgekeurde methode als bevestigd door een onderzoek met behulp van de verificatieprocedure omschreven in het dossier van de goedgekeurde methode, met inbegrip van correcte vermelding op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging van het schip dat de goedgekeurde methode aanwezig is; of
  • .2. certificering van de motor ter bevestiging dat deze functioneert binnen de grenzen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift en correcte vermelding van de certificering van de motor op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging van het schip.

7.2. De bepalingen van lid 7.1 zijn tot uiterlijk het eerste hernieuwde onderzoek van toepassing dat ten minste 12 maanden na de indiening van de kennisgeving bedoeld in lid 7.1 plaatsvindt. Indien een reder van een schip waarop een goedgekeurde methode geïnstalleerd dient te worden ten genoegen van de Administratie kan aantonen dat de goedgekeurde methode ondanks redelijke pogingen tot aankoop niet op de markt verkrijgbaar was, dient deze goedgekeurde methode uiterlijk bij het volgende jaarlijkse onderzoek van het schip nadat de goedgekeurde methode op de markt beschikbaar is te worden geïnstalleerd.

7.3. Ten aanzien van een schip met een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 maar vóór 1 januari 2000 dient op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor een scheepsdieselmotor waarop lid 7.1 van dit voorschrift van toepassing is te worden aangegeven dat hetzij een goedgekeurde methode is toegepast ingevolge lid 7.1.1 van dit voorschrift, hetzij dat de motor is gecertificeerd ingevolge lid 7.1.2 van dit voorschrift, hetzij dat een goedgekeurde methode nog niet bestaat, hetzij dat deze nog niet op de markt verkrijgbaar is zoals omschreven in lid 7.2 van dit voorschrift.

7.4. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor als omschreven in lid 7.1 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):

  • .1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
  • .2. 45·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm; en
  • .3. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.

7.5. De certificering van een goedgekeurde methode dient in overeenstemming te zijn met hoofdstuk 7 van de herziene NOx Technische Code 2008 en gepaard te gaan met verificatie:

  • .1. door de ontwerper van de oorspronkelijke scheepsdieselmotor waarop de goedgekeurde methode van toepassing is dat de goedgekeurde methode er volgens berekeningen niet toe zal leiden dat het toerental van de motor met meer dan 1% afneemt, het brandstofgebruik met meer dan 2% toeneemt als gemeten bij de desbetreffende testcyclus vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 of dat de duurzaamheid of betrouwbaarheid van de motor nadelig wordt beïnvloed; en
  • .2. dat de kosten van de goedgekeurde methode niet buitensporig zijn, hetgeen wordt bepaald door een vergelijking met de hoeveelheid NOx-emissie die verminderd wordt door de goedgekeurde methode om te voldoen aan de norm vervat in lid 7.4 van dit lid en de kosten van de aanschaf en het installeren van deze goedgkeurde methode.
8.

De herziene NOx Technische Code 2008 wordt ten behoeve van de normen vervat in dit voorschrift toegepast bij de certificerings-, test- en meetprocedures.

9.

De procedures voor het vaststellen van de NOx-emissie vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 dienen representatief te zijn voor het normale functioneren van de motor. Manipulatievoorzieningen en abnormale emissiebeperkende strategieën ondermijnen dat doel en zijn niet toegestaan. Dit voorschrift belet niet het gebruik van beheersingshulpvoorzieningen die worden gebruikt om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken.

10.

Tussen 2012 en uiterlijk 2013 zal de Organisatie de status van de technologische ontwikkelingen voor de implementatie van de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift toetsen en wanneer dat nodig blijkt, de daarin voorziene termijnen aanpassen.

Voorschrift 14. Zwaveloxides (SOx) en fijnstof

1.

Het zwavelgehalte van brandstofolie die wordt gebruikt aan boord van schepen mag niet hoger zijn dan:

  • .1. 4,5% m/m vóór 1 januari 2012;
  • .2. 3,5% m/m op of na 1 januari 2012; en
  • .3. 0,5% m/m op of na 1 januari 2020.
2.

Het mondiale gemiddelde zwavelgehalte van brandstofolieresiduen geleverd voor gebruik aan boord van schepen dient te worden bewaakt, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.

3.

Voor de toepassing van dit voorschrift omvatten de gebieden voor emissiebeheersing:

  • .2. het Noord-Amerikaanse gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage; en
  • .3. elk ander zeegebied, met inbegrip van havengebieden die door de Organisatie zijn aangewezen in overeenstemming met de criteria en procedures vervat in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
4.

Wanneer schepen varen binnen een gebied voor emissiebeheersing, mag het zwavelgehalte van de brandstofolie gebruikt aan boord van schepen niet hoger zijn dan:

  • .1. 1,5% m/m vóór 1 juli 2010;
  • .2. 1,0% m/m op of na 1 juli 2010; en
  • .3. 0,1% m/m op of na 1 januari 2015.
5.

Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in het eerste en vierde lid van dit voorschrift wordt aangetoond door de leverancier ervan zoals vereist in voorschrift 18 van deze Bijlage.

6.

Schepen waarop afzonderlijke brandstofolie wordt gebruikt teneinde te voldoen aan het vierde lid van dit voorschrift die een gebied voor emissiebeheersing zoals voorzien in het derde lid van dit voorschrift binnenvaren of verlaten, hebben een schriftelijke procedure aan boord waaruit blijkt hoe de overschakeling tussen de soorten olie dient te verlopen, waarbij voldoende tijd is gereserveerd om de olie met een hoger zwavelgehalte dan toegestaan volgens het vierde lid van dit voorschrift volledig uit het brandstofolieservicesysteem te laten verdwijnen voordat het gebied voor emissiebeheersing wordt binnengevaren. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte in elke tank alsmede de datum en de positie van het schip op het tijdstip waarop de overschakeling naar de andere brandstofolie is voltooid alvorens een gebied voor emissiebeheersing binnen te varen of wordt begonnen na het verlaten van een dergelijk gebied worden vastgelegd in een door de Administratie voorgeschreven logboek.

7.

Gedurende de eerste twaalf maanden onmiddellijk na een wijziging waarbij een specifiek beheersgebied voor emissies ingevolge lid 3.2 van dit voorschrift wordt aangewezen, zijn schepen die in dat gebied voor emissiebeheersing varen vrijgesteld van de vereisten van het vierde en zesde lid van dit voorschrift alsmede van de vereisten van het vijfde lid van dit voorschrift voorzover zij betrekking hebben op het vierde lid van dit voorschrift.

8.

In 2018 dient de toetsing van de norm vervat in lid 1.3 van dit voorschrift te zijn afgerond om de beschikbaarheid van brandstofolie vast te stellen waarmee voldaan wordt aan de in dat lid vervatte brandstofolienormen; hierbij dienen de volgende elementen in aanmerking te worden genomen:

  • .1. aanbod en vraag op het tijdstip waarop de toetsing plaatsvindt op de wereldmarkt voor brandstolie waarmee voldaan wordt aan lid 1.3 van dit voorschrift;
  • .2. een analyse van de ontwikkelingen op de brandstofoliemarkten; en
  • .3. overige relevante aangelegenheden.
9.

De Organisatie roept een groep van deskundigen in het leven, bestaande uit vertegenwoordigers met relevante expertise op het gebied van brandstofoliemarkten alsmede maritieme, wetenschappelijke en juridische expertise en kennis op milieugebied voor het uitvoeren van de toetsing bedoeld in het achtste lid van dit voorschrift. De deskundigengroep stelt relevante informatie samen ter onderbouwing van het door de Partijen te nemen besluit.

10.

Op grond van de door de deskundigengroep samengestelde informatie beslissen de Partijen of het voor schepen mogelijk is te voldoen aan de termijn vervat in lid 1.3 van dit voorschrift. Indien besloten wordt dat schepen daar niet aan kunnen voldoen, wordt de in dat lid vervatte norm van kracht vanaf 1 januari 2025.

Voorschrift 15. Vluchtige organische stoffen (VOS)

1.

Indien de emissie van VOS door tankschepen binnen een haven of havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van een Partij dient te worden gereguleerd, geschiedt dat in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift.

2.

Een partij die de emissie van VOS door tankschepen reguleert dient een kennisgeving in bij de Organisatie. Deze kennisgeving bevat informatie inzake de afmetingen van de te reguleren tankschepen, inzake vrachten waarvoor dampemissiebeheersingssystemen vereist zijn, en de datum waarop dit vereiste in werking treedt. De kennisgeving wordt ten minste zes maanden voor de datum van inwerkingtreding ingediend.

3.

Een partij die havens of laad- en losplaatsen aanwijst waarin VOS-emissies van tankschepen dienen te worden gereguleerd waarborgt dat door die Partij goedgekeurde dampemissiebeheersingssystemen, overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen, beschikbaar worden gesteld in de aangewezen havens en laad- en losplaatsen, en veilig worden gebruikt en op een wijze waardoor onnodig oponthoud van schepen wordt voorkomen.

4.

De Organisatie doet ter kennisgeving een lijst van door Partijen aangewezen havens en laad- en losplaatsen toekomen aan andere Partijen en lidstaten van de Organisatie.

5.

Een tankschip waarop het eerste lid van dit voorschrift van toepassing is wordt aangesloten op een door de Administratie overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen voor dergelijke systemen goedgekeurd dampemissiebeheersingsysteem en gebruikt dit systeem tijdens het laden van daarvoor in aanmerking komende ladingen. Een haven of laad- of losplaatsen waar dampemissiebeheersingssystemen zijn geïnstalleerd in overeenstemming met dit voorschrift kunnen gedurende een tijdvak van drie jaar na de in het tweede lid van dit voorschrift genoemde datum van inwerkingtreding bestaande tankschepen toelaten die niet zijn voorzien van dampopvangsystemen.

6.

Aan boord van tankschepen die ruwe olie vervoeren dient een door de Administratie goedgekeurd VOS-managementplan aanwezig te zijn en geïmplementeerd te worden. Deze plannen worden opgesteld aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het plan dient toegesneden te zijn op het schip en ten minste:

  • .1. schriftelijke procedures te bevatten voor het minimaliseren van VOS-emissies tijdens het laden en lossen van de vracht en tijdens de zeereis;
  • .2. betrekking te hebben op de extra VOS die ontstaan bij wassen met ruwe olie;
  • .3. te vermelden wie verantwoordelijk is voor de implementatie van het plan; en
  • .4. voor schepen op internationale reizen opgesteld te zijn in de werktaal van de kapitein en officieren en indien deze niet het Engels, Frans of Spaans is, een vertaling te omvatten in een van deze talen.
7.

Dit voorschrift is alleen mede van toepassing op gasschepen wanneer het type laad-, en opslagsystemen voor de veilige opslag aan boord of het veilig terugbrengen aan land van VOS (met uitzondering van methaan) mogelijk maakt.

Voorschrift 16. Verbranding aan boord

1.

Behalve zoals bepaald in het vierde lid van dit voorschrift is verbranding aan boord alleen toegestaan in een verbrandingsinstallatie aan boord.

2.

Verbranding aan boord van de volgende stoffen is verboden:

  • .1. residuen van vrachten waarop Bijlage I, II, of III van toepassing is of bijbehorend vervuild verpakkingsmateriaal;
  • .2. polychloorbifenylen (PCB’s);
  • .3. afval zoals omschreven in Bijlage V dat meer dan sporen bevat van zware metalen;
  • .4. geraffineerde aardolieproducten die halogeenverbindingen bevatten;
  • .5. zuiveringsslib en oliehoudend slik die niet aan boord van het schip zijn ontstaan; en
  • .6. residuen van uitlaatgasreinigingssystemen.
3.

Verbranding aan boord van polyvinylchloriden (PVC’s) is verboden behalve in verbrandingsinstallaties aan boord waarvoor typegoedkeuringscertificaten van de IMO zijn afgegeven.

4.

Verbranding aan boord van zuiveringsslib en oliehoudend slik ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip kan ook plaatsvinden in de hoofd- of hulpmotoren of ketels, maar is in die gevallen niet toegestaan binnen havens, havenbekkens en estuaria.

5.

Niets in dit voorschrift:

  • .2. vormt het een beletsel voor het ontwikkelen, installeren en gebruiken van alternatieve thermische afvalbehandelingsvoorzieningen aan boord die voldoen aan de vereisten van dit voorschrift of aan strengere vereisten.

6.1. Behalve zoals voorzien in lid 6.2 van dit voorschrift dienen alle verbrandingsinstallaties aan boord van schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 en alle verbrandingsinstallaties op of na 1 januari 2000 geïnstalleerd aan boord van schepen te voldoen aan de vereisten vervat in aanhangsel IV bij deze Bijlage. Iedere verbrandingsinstallatie waarop dit lid van toepassing is dient te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde standaardspecificaties voor verbrandingsinstallaties aan boord; of

6.2. De Administratie kan uitsluiting van de toepassing van lid 6.1 toestaan op elke verbrandingsinstallatie die vóór 19 mei 2005 is geïnstalleerd aan boord van een schip, mits het schip uitsluitend reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.

7.

Verbrandingsinstallaties die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift dienen te worden geleverd met een bedieningshandleiding van de producent die bij de eenheid bewaard dient te worden. Daarin dient vermeld te zijn hoe de verbrandingsinstallatie binnen de grenzen omschreven in het tweede lid van aanhangsel IV bij deze Bijlage bediend dient te worden.

8.

De verantwoordelijken voor de bediening van een in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallatie dienen te worden getraind in de uitvoering van de instructies uit de bedieningshandleiding van de producent zoals vereist volgens het zevende lid van dit voorschrift.

9.

Voor in overeenstemming met lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallaties dient de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer voortdurend te worden gemeten wanneer de eenheid in bedrijf is. Indien de verbrandingsinstallatie voorzien is van doorlopende toevoer, mag er geen afval aan de installatie worden toegevoerd wanneer de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer lager is dan 850°C. Bij verbrandingsinstallaties met toevoer in partijen, dient de eenheid zodanig te zijn ontworpen dat de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer binnen vijf minuten na inschakeling 600°C heeft bereikt om vervolgens te stijgen tot en stabiel te blijven op ten minste 850°C.

Voorschrift 17. Ontvangstinrichtingen

1.

Elke Partij verbindt zich ertoe zorg te dragen voor het beschikbaar zijn van toereikende inrichtingen die voorzien in de:

  • .1. behoefte van schepen die gebruikmaken van haar reparatiehavens aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die deze stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd;
  • .2. behoefte van schepen die gebruikmaken van haar havens, laad- en losplaatsen of reparatiehavens aan de ontvangst van residuen van uitlaatgasreinigingssystemen uit een uitlaatgasreinigingssysteem, zonder onnodige vertraging te veroorzaken voor schepen; en
  • .3. behoefte van scheepssloopinrichtingen aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die dergelijke stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd.
2.

Indien een specifieke haven of laad- of losplaats van een Partij – rekening houdend met de door de Organisatie op te stellen richtlijnen – ver afgelegen is van de industriële infrastructuur noodzakelijk voor het beheer en behandelen van de stoffen bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift of deze ontbeert en dergelijke stoffen daarom niet in ontvangst kan nemen, stelt de Partij de Organisatie daarvan in kennis zodat deze informatie ter kennisgeving aan alle Partijen en lidstaten van de Organisatie kan worden toegezonden ten behoeve van passende maatregelen. Elke Partij die de Organisatie dergelijke informatie heeft doen toekomen stelt de Organisatie tevens in kennis van haar havens en laad- en losplaatsen waar wel ontvangstvoorzieningen aanwezig zijn voor het beheer en behandelen van dergelijke stoffen.

3.

Elke Partij stelt de Organisatie ter mededeling aan de leden van de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende voorzieningen niet beschikbaar zijn of als ontoereikend worden aangemerkt.

Voorschrift 18. Beschikbaarheid en kwaliteit van brandstofolie

1.

Elke Partij neemt alle redelijke stappen om de beschikbaarheid van brandstofolie die voldoet aan deze Bijlage te bevorderen en stelt de Organisatie in kennis van de beschikbaarheid van geschikte brandstofolie in haar havens en laad- en losplaatsen.

2.1. Indien een Partij constateert dat een schip niet voldoet aan de normen voor geschikte brandstofolie vervat in deze Bijlage, is de bevoegde autoriteit van deze Partij bevoegd ter zake van het schip te verlangen dat:

  • .1. een verslag wordt overgelegd van de maatregelen genomen teneinde te pogen aan de vereisten te voldoen; en
  • .2. bewijzen worden verschaft van pogingen tot aankoop van voor het reisschema geschikte brandstofolie en, indien deze niet op de geplande plaatsen beschikbaar was, dat gepoogd is alternatieve aanbieders van die brandstofolie te vinden, en dat men er ondanks alle redelijke inspanningen niet in geslaagd is geschikte brandstofolie in te kopen.

2.2. Van het schip mag niet verlangd worden dat hij afwijkt van de beoogde route of onredelijk veel vertraging oplopen om aan de vereisten te voldoen.

2.3. Indien ter zake van een schip de informatie bedoeld in lid 2.1 van dit voorschrift wordt verschaft, neemt een Partij alle relevante omstandigheden en het overgelegde bewijs in aanmerking teneinde te bepalen of en welke passende beheersmaatregelen worden genomen.

2.4. Een schip stelt zijn Administratie en de bevoegde autoriteit van de desbetreffende haven van bestemming in kennis wanneer het geen geschikte brandstofolie kan aankopen.

2.5. Een Partij stelt de Organisatie ervan in kennis wanneer een schip bewijs heeft overgelegd dat geschikte brandstofolie niet beschikbaar was.

3.

Brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden geleverd aan en gebruikt aan boord van schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te voldoen aan de volgende vereisten:

  • .1. behalve zoals voorzien in paragraaf 3.2 van dit voorschrift:
  • .1.1. dient de brandstofolie een mengsel te zijn van koolwaterstoffen afkomstig uit de raffinage van aardolie. Dit vormt geen beletsel voor de toevoeging van kleine hoeveelheden additieven ter verbetering van bepaalde aspecten van de prestaties;
  • .1.2. dient de brandstofolie geen anorganische zuren te bevatten; en
  • .1.3. dient de brandstofolie geen enkele toegevoegde stof of chemisch afval te bevatten die respectievelijk dat:
  • .1.3.1. de veiligheid van schepen in gevaar brengt of de prestaties van de machines nadelig beïnvloedt; of
  • .1.3.2. schadelijk is voor personeel, of
  • .1.3.3. in het algemeen bijdraagt aan extra luchtverontreiniging.
  • .2. brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden verkregen door methoden anders dan de raffinage van aardolie mag:
  • .2.1. het van toepassing zijnde zwavelgehalte vermeld in voorschrift 14 van deze Bijlage niet overschrijden;
  • .2.3. geen anorganische zuren bevatten; of
  • .2.3.1. de veiligheid van schepen niet in gevaar brengen en de prestaties van de machines niet nadelig beïnvloeden, of
  • .2.3.2. niet schadelijk zijn voor personeel, of
  • .2.3.3. niet in het algemeen bijdragen aan extra luchtverontreiniging.
4.

Dit voorschrift is niet van toepassing op steenkool in vaste vorm of op nucleaire brandstoffen. De leden 5, 6, 7.1, 7.2, 8.1, 8.2, 9.2, 9.3 en 9.4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op gasvormige brandstoffen als LPG, gecomprimeerd aardgas of vloeibaar gemaakt petroleumgas. Het zwavelgehalte van gasvormige brandstoffen die specifiek voor verbrandingsdoeleinden aan boord van dat schip worden geleverd dient te worden aangetoond door de leverancier.

5.

Voor ieder schip dat is onderworpen aan de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage dienen gegevens over voor verbrandingsdoeleinden geleverde en aan boord gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.

6.

De bunkerafleveringsbon dient aan boord te worden gehouden op een plaats die op elk redelijk tijdstip gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie. De bon dient te worden bewaard gedurende een tijdvak van drie jaar nadat de brandstofolie aan boord is afgeleverd.

7.1. De bevoegde autoriteit van een Partij kan de bunkerafleveringsbonnen aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is inspecteren, terwijl het schip in haar haven of laad- of losplaats buitengaats ligt, een afschrift van elke bunkerafleveringsbon maken en verlangen dat de kapitein of de persoon die verantwoordelijk is voor het schip elk afschrift van een dergelijke bunkerafleveringsbon voor eensluidend waarmerkt. De bevoegde autoriteit kan ook de inhoud van iedere bon verifiëren door overleg met de haven waar de bon werd afgegeven.

7.2. De controle van de bunkerafleveringsbonnen en het maken van gewaarmerkte afschriften door de bevoegde autoriteit in overeenstemming met dit lid dienen zo spoedig mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud voor het schip te veroorzaken.

8.1. De bunkerafleveringsbon gaat vergezeld van een representatief monster van de geleverde brandstofolie rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het monster dient te worden verzegeld en te worden getekend door de vertegenwoordiger van de leverancier en de kapitein of de officier die verantwoordelijk is voor het bunkeren bij de voltooiing van het bunkeren en aan boord van het schip te worden gehouden, totdat de brandstofolie grotendeels is verbruikt, maar in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste twaalf maanden vanaf het tijdstip van levering.

8.2. Indien een Administratie verlangt dat het representatieve monster wordt geanalyseerd, gebeurt dit in overeenstemming met de verificatieprocedure vervat in aanhangsel VI om te bepalen of de brandstofolie voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.

9.

Partijen verbinden zich ertoe te waarborgen dat de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten:

  • .1. een register bijhouden van plaatselijke leveranciers van brandstofolie;
  • .2. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een bunkerafleveringsbon en monster zoals vereist krachtens dit voorschrift verschaffen, gewaarmerkt door de leverancier van de brandstofolie dat de brandstofolie voldoet aan de vereisten van de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage;
  • .3. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een afschrift van de bunkerafleveringsbon gedurende ten minste drie jaar bewaren voor inspectie en verificatie door de havenstaat indien nodig;
  • .4. passende maatregelen treffen tegen brandstofolieleveranciers van wie is aangetoond dat zij brandstofolie leveren die niet overeenkomt met hetgeen vermeld is op de bunkerafleveringsbon;
  • .5. de Administratie informeren over elk schip dat brandstofolie ontvangt die niet blijkt te voldoen aan de vereisten van voorschrift 14 of 18 van deze Bijlage; en
  • .6. de Organisatie ter mededeling aan de Partijen en lidstaten van de Organisatie informeren over alle gevallen waarin brandstofolieleveranciers niet hebben voldaan aan de vereisten vermeld in de voorschriften 14 of 18 van deze Bijlage.
10.

Voorts verbinden de Partijen zich in verband met door Partijen verrichte inspecties van havenstaten ertoe:

  • .1. de Partij of een Staat die geen Partij is onder wiens rechtsmacht de bunkerafleveringsbon is afgegeven, te informeren over gevallen waarin brandstofolie is geleverd die niet voldoet, en daarbij alle relevante informatie te verstrekken; en
  • .2. te verzekeren dat passende herstelmaatregelen worden getroffen om brandstofolie waarvan ontdekt is dat deze niet aan de vereisten voldoet alsnog daaraan te laten voldoen.
11.

Voor elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer met geplande reizen waarbij frequent en regelmatig havens worden binnengelopen kan een Administratie op verzoek van en in overleg met de desbetreffende Staten besluiten dat op een alternatieve wijze aan het zesde lid van dit voorschrift kan worden voldaan, indien deze leidt tot dezelfde zekerheid omtrent het voldoen aan de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage.

Voorschrift 1. Toepassing

De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op alle schepen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in de voorschriften 3, 5, 6, 13, 15, 16, 18, 19, 20, 21 en 22 van deze Bijlage.

Voorschrift 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

    1. wordt onder Bijlage verstaan Bijlage VI bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (MARPOL), zoals gewijzigd bij het Protocol daarbij van 1978, en zoals gewijzigd bij het Protocol van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
    1. wordt ondereen soortgelijk bouwstadiumverstaan het stadium waarin:
  • .1. de bouw specifiek voor een bepaald schip aanvangt; en
  • .2. is begonnen met de montage van dat schip, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
    1. wordt onder verjaardatum verstaan de dag en de maand van elk jaar overeenkomend met de datum waarop het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging verstrijkt.
    1. wordt onder beheersingshulpvoorziening verstaan een systeem, functie of beheersingsstrategie die op een scheepsdieselmotor is geïnstalleerd om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken. Een beheersingshulpvoorziening kan eveneens een strategie of maatregel zijn waarvan afdoende is aangetoond dat zij geen manipulatievoorziening is.
    1. wordt doorlopende toevoer omschreven als het proces waarbij afval zonder menselijke tussenkomst naar een verbrandingskamer wordt gevoerd, terwijl de verbrandingsinrichting zich in de normale bedrijfstoestand bevindt met een bedrijfstemperatuur in de verbrandingskamer tussen 850°C en 1200°C.
    1. wordt onder manipulatievoorziening verstaan een voorziening die werkingsvariabelen (bijv. toerental van de motor, temperatuur, inlaatdruk of een andere parameter) meet of met een sensor bepaalt of daarop reageert voor het op zodanige wijze activeren, moduleren, vertragen of uitschakelen van een onderdeel of het functioneren van het emissiebeheersingssysteem, dat de doeltreffendheid van het emissiebeperkingssysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij normaal gebruik kunnen optreden, tenzij het gebruik van een dergelijke voorziening grotendeels in aanmerking wordt genomen in de toegepaste testprocedures voor emissiecertificatie.
    1. wordt onder emissie verstaan elk vrijkomen vanaf schepen in de atmosfeer of de zee van stoffen die onder de beheersing uit hoofde van deze Bijlage vallen.
    1. wordt onder gebied voor emissiebeheersing verstaan een gebied waar aanneming van bijzondere verplichte maatregelen voor emissies door schepen vereist is teneinde luchtverontreiniging door NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan en de daarmee gepaard gaande schadelijke invloed op de volksgezondheid en het milieu te voorkomen, beperken en beheersen. Gebieden voor emissiebeheersing omvatten de gebieden genoemd in of aangewezen conform de voorschriften 13 en 14 van deze Bijlage.
    1. wordt onder brandstofolie verstaan brandstof geleverd aan en gebruikt voor verbrandingsdoeleinden voor de voortstuwing of bedrijfsdoeleinden aan boord van een schip, met inbegrip van gas, destillaten en residuale brandstoffen.
    1. wordt onder installaties met betrekking tot voorschrift 12 van deze Bijlage verstaan de installatie van systemen, uitrusting, met inbegrip van draagbare brandblusvoorzieningen, isolatie of ander materiaal op een schip, echter met uitzondering van het herstel of opnieuw vullen van eerder geïnstalleerde systemen, uitrusting, isolatie of ander materiaal of het opnieuw vullen van draagbare brandblusvoorzieningen.
    1. wordt onder geïnstalleerde motor verstaan een scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is of dient te worden op een schip, met inbegrip van verplaatsbare hulpscheepsdieselmotoren mits het brandstoftoevoer-, koelings- of uitlaatsysteem vast onderdeel uitmaakt van het schip. Een brandstoftoevoersysteem wordt uitsluitend als een vast onderdeel van het schip aangemerkt indien het duurzaam verbonden is met het schip. Deze omschrijving omvat mede scheepsdieselmotoren die worden gebruikt ter aanvulling of versterking van de geïnstalleerde capaciteit van het schip en beoogd zijn als een integrerend onderdeel ervan.
    1. wordt onder abnormale emissiebeheersingsstrategie verstaan elke strategie of maatregel die wanneer het schip onder normale bedrijfsomstandigheden wordt bestuurd de doelmatigheid van het emissiebeperkingssysteem beperkt tot een niveau onder dat hetgeen verwacht wordt bij de van toepassing zijnde emissietestprocedures.
    1. wordt onder scheepsdieselmotor verstaan een interne-zuigerverbrandingsmotor die op vloeibare brandstoffen of dual fuel functioneert en waarop voorschrift 13 van deze Bijlage van toepassing is, met inbegrip van eventueel toegepaste drukvullings- of compoundsystemen. Een door gas aangedreven motor die wordt geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 maart 2016 of een door gas aangedreven aanvullende of niet-identieke vervangende motor die op of na die datum wordt geïnstalleerd wordt eveneens als scheepsdieselmotor beschouwd.
    1. wordt onder de NOx Technische Code verstaan de Technische code inzake de beheersing van de emissie van stikstofoxiden door scheepsdieselmotoren, aangenomen bij resolutie 2 van de MARPOLconferentie van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
  • halon 1211 broomchloordifluormethaan
  • halon 1301 broomtrifluormethaan
  • halon 2402 1, 2-dibroom-1, 1, 2, 2-tetrafluorethaan (ook bekend als halon 114B2)
  • CFK-11 trichloorfluormethaan
  • CFK-12 dichloordifluormethaan
  • CFK-113 1, 1, 2 – trichloor – 1, 2, 2 – trifluorethaan
  • CFK-114 1, 2 – dichloor –1, 1, 2, 2 – tetrafluorethaan
  • CFK-115 chloorpentafluorethaan
    1. wordt onder verbranding aan boord verstaan de verbranding van afval of andere stoffen aan boord van een schip, indien dit afval of deze andere stoffen zijn ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van dat schip.
    1. wordt onder verbrandingsinstallatie aan boord verstaan een voorziening ontworpen met verbranding als primair doel.
    1. worden onder schepen die worden gebouwd verstaan schepen waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt.
    1. wordt onder oliehoudend slik verstaan slik uit de afscheiders voor brandstof of smeerolie, afgewerkte smeerolie uit hoofd- of hulpwerktuigen, of afgewerkte olie uit lenswaterafscheiders, apparatuur voor het filtreren van olie of lekbakken.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)