Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij
- (4). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie D zoals bedoeld in Voorschrift 3 (1) (d) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). deze mengsels hebben een concentratie die niet groter is dan een deel stof op tien delen water; en
- (c). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land.
- (5). mogen voor het verwijderen van ladingrestanten uit een tank ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Deze methoden dienen te zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, wordt als schoon aangemerkt en daarop is het bepaalde in lid (1), (2), (3) of (4) van dit Voorschrift niet van toepassing.
- (6). zal het lozen in zee verboden zijn van stoffen die niet in een categorie zijn ingedeeld, niet voorlopig zijn ingedeeld, of niet zijn ingedeeld zoals bedoeld in Voorschrift 4 (1) van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater, of van andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten. Stoffen van de categorieën A, B en C, binnen bijzondere gebieden Behoudens het bepaalde in lid 14 van dit Voorschrift en van Voorschrift 6 van deze Bijlage,
- (7). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie A zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (a) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten. Ingeval tanks die dergelijke stoffen of mengsels bevatten, moeten worden gewassen, dienen de aldus ontstane restanten in een ontvangstinstallatie te worden geloosd, waarvoor de Staten wier grondgebied aan het bijzondere gebied grenst, zorg moeten dragen ingevolge het bepaalde in Voorschrift 7 van deze Bijlage, totdat de concentratie van de stof in de in deze installatie uitstromende vloeistof is gedaald tot of onder 0,05 gewichtsprocent en totdat de tank leeg is, met uitzondering van fosfor, geel of wit, waarvoor de concentratie in de resterende vloeistof 0,005 gewichtsprocent dient te zijn. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, mag in zee worden geloosd, wanneer ook aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan.
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (c). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (8). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie B zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (b) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). de tank heeft een voorwas ondergaan overeenkomstig de methode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en het aldus ontstane tankwaswater is afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- (b). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (c). de werkwijzen en voorzieningen voor het lozen en schoonmaken zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijzen en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat de per tijdseenheid uitstromende hoeveelheid vloeistof en de concentratie van de stof daarin zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 1 deel per miljoen niet overschrijdt;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (9). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie C zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (c) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). de werkwijzen en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijzen en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat de per tijdseenheid uitstromende vloeistof en de concentratie van de stof daarin zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 1 deel per miljoen niet overschrijdt;
- (c). de maximum hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximum hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijzen bedoeld onder (b) van deze paragraaf, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud in m3, al naar gelang welke de grootste is;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (10). mogen voor het verwijderen van ladingrestanten uit een tank ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Deze methoden dienen te zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, wordt als schoon aangemerkt en daarop is het bepaalde in lid (7), (8) of (9) van dit Voorschrift niet van toepassing.
- (11). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen die niet in een categorie zijn ingedeeld, niet voorlopig zijn beoordeeld, of niet zijn beoordeeld zoals bedoeld in Voorschrift 4 (1) van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die deze stoffen bevatten.
- (12). Niets in dit Voorschrift zal verhinderen dat een schip de restanten van een lading van klasse B of C aan boord houdt en deze restanten in zee loost buiten een bijzonder gebied ingevolge het bepaalde in onderscheidenlijk paragraaf (2) of (3) van dit Voorschrift.
- (13).
- (a). De Regeringen van Partijen bij dit Verdrag, wier kust grenst aan een bijzonder gebied moeten tezamen een datum overeenkomen vóór welke aan het bepaalde in Voorschrift 7 (1) van deze Bijlage dient te zijn voldaan en waarop het bepaalde in de paragrafen (7), (8), (9) en (10) van dit Voorschrift met betrekking tot dat gebied van kracht wordt en zij moeten de Organisatie ten minste zes maanden voor die datum in kennis stellen van de aldus vastgestelde datum. De Organisatie moet alle Partijen onverwijld in kennis stellen van die datum.
- (b). Ingeval de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag eerder valt dan de datum, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde onder (a) van deze paragraaf, zal gedurende de tussenliggende termijn het bepaalde in de paragrafen (1), (2) en (3) van dit Voorschrift van toepassing zijn.
-
- Wat het Antarctisch gebied betreft, zijn lozingen in de zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die zodanige stoffen bevatten verboden.
Voorschrift 6. Uitzonderingen
Voorschrift 5 van deze Bijlage is niet van toepassing op:
- (a). het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of mensenlevens op zee te redden; of
- (b). het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, ten gevolge van schade aan het schip of aan de uitrusting daarvan:
- (i). mits na optreden van de beschadiging of na het ontdekken van het lozen alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of zo gering mogelijk te doen zijn; en
- (ii). behalve in geval de eigenaar of de kapitein handelde met het voornemen schade te veroorzaken, dan wel op roekeloze wijze en in de wetenschap, dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- (c). het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, welke zijn goedgekeurd door de Administratie, indien dit gebeurt ter bestrijding van bepaalde gevallen van verontreiniging ten einde de schade door de verontreiniging te beperken. Elke lozing van dien aard behoeft de goedkeuring van elke Regering binnen wier rechtsgebied wordt overwogen de lozing te laten plaatsvinden.
Voorschrift 7. Ontvangstvoorzieningen en voorzieningen voor laad- en losplaatsen en overslagplaatsen
- (1). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe, zorg te dragen voor de installatie van ontvangstinrichtingen al naar de behoeften van schepen, die gebruik maken van haar havens, laad- en losplaatsen of scheepsreparatiehavens, en wel als volgt:
- (a). laad- en loshavens en overslagplaatsen moeten zijn uitgerust met inrichtingen, toereikend om – zonder onnodig oponthoud voor schepen – die schadelijke vloeistoffen bevattende residuen en mengsels in ontvangst te nemen, welke voor afgifte door schepen die deze vervoeren zouden overblijven ten gevolge van de toepassing van deze Bijlage; en
- (b). scheepsreparatiehavens waar herstelwerkzaamheden aan chemicaliëntankschepen worden ondernomen, moeten zijn uitgerust met inrichtingen geschikt voor het in ontvangst nemen van schadelijke vloeistoffen bevattende residuen en mengsels.
- (2). De Regering van elke Partij moet de soorten van inrichtingen bepalen die, ter toepassing van het bepaalde onder (1) van dit Voorschrift, in elke laad- en loshaven, overslagplaats, en scheepsreparatiehaven binnen haar grondgebied zijn geïnstalleerd en de Organisatie daarvan in kennis stellen.
- (3). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat de losplaatsen beschikken over voorzieningen voor het vergemakkelijken van het nazuigen van de ladingtanks van schepen die schadelijke vloeistoffen lossen op deze losplaatsen. De nog in de laadslangen en leidingsystemen van de losplaats aanwezige schadelijke vloeistoffen, afkomstig van schepen die deze stoffen op de losplaats lossen, mogen niet terugstromen naar het schip.
- (4). Elke Partij geeft kennis aan de Organisatie, ter mededeling aan de betrokken Partijen, van ieder geval waarin wordt beweerd dat de krachtens het bepaalde in lid (1) van dit Voorschrift vereiste inrichtingen of de krachtens het bepaalde in lid (3) van dit Voorschrift vereiste voorzieningen ontoereikend zijn.
Voorschrift 8. Maatregelen ten behoeve van het toezicht
- (a). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag benoemt of machtigt inspecteurs, belast met de zorg voor de naleving van dit Voorschrift. De inspecteurs oefenen toezicht uit overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde controleprocedures.
- (b). De gezagvoerder van een schip dat schadelijke vloeistoffen in bulk vervoert, zorgt ervoor dat het bepaalde in Voorschrift 5 en in dit Voorschrift wordt nageleefd en dat het Ladingjournaal wordt ingevuld overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 9 van deze Bijlage, telkens wanneer de in dit Voorschrift bedoelde handelingen plaatsvinden.
- (c). Een in lid (2)(b), (5)(b), (6)(c) of (7)(c) van dit Voorschrift bedoelde vrijstelling kan slechts worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij aan een schip dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn. Wanneer een dergelijke vrijstelling is verleend, dient de in het Ladingjournaal gemaakte aantekening daarvan te worden bevestigd door de in letter (a) van dit lid bedoelde inspecteur.
(2). Met betrekking tot de stoffen van categorie A zijn de volgende bepalingen van toepassing in alle gebieden:
- (a). Een tank die is gelost dient, behoudens het bepaalde in letter (b) van dit lid, te worden schoongemaakt overeenkomstig de in lid (3) of (4) van dit Voorschrift gestelde eisen, alvorens het schip de loshaven verlaat.
- (b). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de in letter (a) van dit lid bedoelde eisen, indien zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en dat aan de bepalingen van lid (3) of (4) van dit Voorschrift wordt voldaan in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiemethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen.
(3). Indien de tank moet worden schoongemaakt in overeenstemming met lid 2, letter a, van dit Voorschrift dient de uitstromende vloeistof afkomstig van het tankwassen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, ten minste tot het tijdstip waarop de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters, is gedaald tot de in Voorschrift 5(1) of (7) van deze Bijlage voorgeschreven concentratie. Wanneer de vereiste concentratie is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gehouden in het Ladingjournaal en deze dient te worden bevestigd door de in lid (l)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur.
(4). In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent van die in lid (3) van dit Voorschrift, mits:
- (a). de tank een voorwas heeft ondergaan overeenkomstig een methode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen; en
- (b). de in lid (1)(a) bedoelde inspecteur in het Ladingjournaal bevestigt dat:
- (i). de tank en de bijbehorende pomp en pijpleidingen zijn geleegd; en
- (ii). de voorwas is uitgevoerd overeenkomstig de door de Administratie goedgekeurde voorwasprocedure voor deze tank en deze stof; en
- (iii). het tankwaswater, afkomstig van deze yoorwas, is afgegeven aan een ontvangstvoorziening en de tank leeg is.
(5). Met betrekking tot de stoffen van categorie B en C zijn de volgende bepalingen van toepassing buiten bijzondere gebieden:
- (a). Een tank die is gelost, dient, behoudens het bepaalde in letter (b) van dit lid, te worden voorgewassen, alvorens het schip de loshaven verlaat, indien: De gebruikte voorwasprocedure dient door de Administratie aan de hand van door de Organisatie opgestelde normen te worden goedgekeurd en het verkregen tankwaswater dient aan een ontvangstvoorziening in de loshaven te worden afgegeven.
- (i). de geloste stof is geïdentificeerd volgens de normen opgesteld door de Organisatie, tengevolge waarvan de resthoeveelheid groter is dan de maximale hoeveelheid die krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(2) of (3) van deze Bijlage in zee mag worden geloosd in het geval van stoffen van respectievelijk categorie B en C; of
- (ii). het lossen niet wordt uitgevoerd overeenkomstig de omstandigheden voor het pompen voor de tank die door de Administratie zijn goedgekeurd en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in lid (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (b). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip vrijstelling verlenen van de in letter (a) van dit lid gestelde eisen, mits zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en dat de tank aan een voorwas wordt onderworpen overeenkomstig een werkwijze die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en dat het verkregen tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat een daartoe geschikte ontvangstvoorziening in deze haven beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiemethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen.
(6). Met betrekking tot de stoffen van categorie B zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen bijzondere gebieden:
- (a). Een tank die is gelost, dient, behoudens het bepaalde in de letters (b) en (c), aan een voorwas te worden onderworpen, alvorens het schip de loshaven verlaat. De gebruikte voorwasmethode dient te worden goedgekeurd door de Administratie en te worden gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, terwijl het verkregen tankwaswater dient te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening in de loshaven.
- (b). De in lettter (a) van dit lid gestelde eisen zijn niet van toepassing, indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (i). bij de geloste stof van categorie B geïdentificeerd volgens de normen opgesteld door de Organisatie, tengevolge waarvan de resthoeveelheid groter is dan de maximale hoeveelheid die in zee mag worden geloosd buiten de bijzondere gebieden krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(2) van deze Bijlage, en de restanten aan boord van het schip worden gehouden ten einde op een later tijdstip in zee te worden geloosd buiten het bijzondere gebied overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(2) van deze Bijlage; en
- (ii). het lossen geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, of, indien niet aan de goedgekeurde omstandigheden voor het pompen kan worden voldaan, andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in lid (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (c). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip vrijstelling verlenen van de in letter (a) van dit lid gestelde eisen, mits zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en dat de tank aan een voorwas wordt onderworpen overeenkomstig een methode die door de Administratie is goedgekeurd en gebaseerd is op door de Organisatie opgestelde normen, en het verkregen tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat een daartoe geschikte ontvangstvoorziening in deze haven beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiémethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen.
(7). Met betrekking tot stoffen van categorie C zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen de bijzondere gebieden:
- (a). een tank die is gelost, dient, behoudens het bepaalde in de letters (b) en (c) van deze paragraaf, aan een voorwas te worden onderworpen, alvorens het schip de loshaven verlaat, indien: De gebruikte voorwasprocedure dient door de Administratie aan de hand van door de Organisatie opgestelde normen te worden goedgekeurd en het verkregen tankwaswater dient aan een ontvangstvoorziening in de loshaven te worden afgegeven.
- (i). de geloste stof van categorie C is geïdentificeerd volgens de normen opgesteld door de Organisatie, ten gevolge waarvan de resthoeveelheid groter is dan de maximale hoeveelheid die in zee mag worden geloosd krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(9) van deze Bijlage; of
- (ii). het lossen niet geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in lid (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (b). De in letter (a) van dit lid gestelde eisen zijn niet van toepassing, wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (i). de geloste stof van categorie C is geïdentificeerd volgens normen opgesteld door de Organisatie ten gevolge waarvan de resthoeveelheid niet groter is dan de maximale hoeveelheid die buiten de bijzondere gebieden in zee mag.worden geloosd krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(3) van deze Bijlage en de restanten worden aan boord van het schip gehouden, ten einde op een later tijdstip buiten het bijzondere gebied in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(3) van deze Bijlage; en
- (ii). het lossen geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, of, indien niet aan de goedgekeurde omstandigheden voor het pompen kan worden voldaan, andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in paragraaf (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (c). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de in letter (a) van dit lid gestelde eisen, mits zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en de tank aan een voorwas wordt onderworpen overeenkomstig een methode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en het verkregen tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat een daartoe geschikte ontvangstvoorziening in deze haven beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiemethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde nonnen.
(8). Met betrekking tot de stoffen van categorie D dient een tank die is gelost, òf te worden schoongemaakt en het verkregen tankwaswater te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening, òf de overblijvende restanten in de tank dienen te worden verdund en in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(4) van deze Bijlage.
(9). Alle restanten die aan boord worden gehouden in een sloptank, met inbegrip van lenswater uit ladingpompkamers, en die een stof van categorie A bevatten of, binnen een bijzonder gebied, een stof van categorie A of categorie B bevatten, dienen te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(1), (7) of (8) van deze Bijlage, al naar gelang van toepassing.
Voorschrift 9. Ladingjournaal
- (1). Elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is dient te zijn voorzien van een Ladingjournaal, al dan niet als onderdeel van het voorgeschreven scheepsdagboek, in de vorm als omschreven in Aanhangsel IV bij deze Bijlage.
- (2). Het Ladingjournaal dient te worden ingevuld, voor elke tank afzonderlijk, telkens wanneer een van de volgende handelingen, die een schadelijke vloeistof betreft, aan boord van het schip plaatsvindt:
- (i). het innemen van lading
- (ii). het aan boord overbrengen van lading
- (iii). het lossen van lading
- (iv). het schoonmaken van ladingtanks
- (v). het ballasten van ladingtanks
- (vi). het lozen van ballastwater uit ladingtanks
- (vii). het afgeven van restanten aan ontvangstvoorzieningen
- (viii). het lozen in zee of het verwijderen door ventilatie, overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5 van deze Bijlage.
- (3). Van elk lozen zoals bedoeld in artikel 8 van dit Verdrag en in Voorschrift 6 van deze Bijlage, hetzij opzettelijk, hetzij toevallig, van een schadelijke vloeistof of van een mengsel dat een dergelijke stof bevat, dient aantekening te worden gehouden in het Ladingjournaal onder vermelding van de omstandigheden waaronder en de reden waarom het lozen geschiedde.
- (4). Wanneer een inspecteur, benoemd of gemachtigd door de Regering van een Partij bij dit Verdrag tot toezicht op alle handelingen waarop deze Bijlage van toepassing is, een schip heeft geinspecteerd, dient deze inspecteur daarvan aantekening te doen in het Ladingjournaal.
- (5). Elke handeling zoals bedoeld in de leden (2) en (3) van dit Voorschrift dient onverwijld volledig te worden aangetekend in het Ladingjournaal, en wel zodanig dat alle in het dagboek vereiste aantekeningen, die betrekking hebben op die handeling, volledig worden ingeschreven. Elke aantekening dient te worden ondertekend door de officier of officieren belast met de betrokken handeling en dient elke bladzijde door de kapitein van het schip te worden getekend. De aantekeningen in het Ladingjournaal worden gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren en, voor schepen die in het bezit zijn van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in Bulk of een in Voorschrift 12A van deze Bijlage bedoeld Certificaat, in de Engelse of de Franse taal. In geval van geschil of tegenstrijdigheid zijn de aantekeningen in een officiële nationale taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, bepalend.
- (6). Het Ladingjournaal wordt bewaard op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie en wel, derhalve in het geval van onbemande gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het dient gedurende een termijn van drie jaren na dagtekening van de laatste aantekening te worden bewaard.
- (7). De bevoegde instantie van de Regering van een Partij heeft het recht het Ladingjournaal in te zien aan boord van alle schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een van haar havens bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein van het schip te verlangen, het afschrift te waarmerken als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift, dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Ladingjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, zal bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een Ladingjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde instantie ingevolge het bepaalde in deze paragraaf dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
Voorschrift 10. Onderzoeken
-
- Schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren, zijn onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
- a. Een eerste onderzoek voordat een schip in dienst wordt gesteld of voordat het Certificaat, als vereist ingevolge Voorschrift 11 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven; dit omvat een volledig onderzoek van de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen, voor zover het schip valt onder deze Bijlage. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de bouw, de uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage.
- b. Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen, die niet langer mogen zijn dan vijf jaar, behalve wanneer Voorschrift 12, tweede lid, vijfde lid, zesde lid of zevende lid, van deze Bijlage van toepassing is. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de bouw, de uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage.
- c. Een tussentijds onderzoek binnen 3 maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen 3 maanden voor of na de derde verjaardatum van het Certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in het eerste lid, letter d, van dit Voorschrift. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het Certificaat afgegeven krachtens Voorschrift 11 van deze Bijlage.
- d. Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het Certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in het eerste lid, letter a, van dit Voorschrift, ten einde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met het derde lid van dit Voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het Certificaat afgegeven krachtens Voorschrift 11 van deze Bijlage.
- e. Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek moet, al naar gelang de omstandigheden, worden uitgevoerd na reparaties voortvloeiend uit de onderzoeken voorgeschreven in het derde lid van dit Voorschrift of telkens wanneer belangrijke reparaties of vernieuwingen zijn verricht. Het onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de noodzakelijke reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de uitvoering van zulke reparaties of vernieuwingen in alle opzichten bevredigend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van deze Bijlage.
- 2.
- a. Onderzoeken van schepen moeten voor zover het de toepassing van de Voorschriften van deze Bijlage betreft, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan echter deze onderzoeken toevertrouwen hetzij aan deskundigen die voor dat doel zijn aangewezen, hetzij aan door haar erkende organisaties.
- b. Een Administratie die deskundigen aanwijst of organisaties erkent voor het uitvoeren van onderzoeken zoals aangegeven onder a van dit lid, dient iedere aangewezen deskundige of erkende organisatie ten minste te machtigen om: De Administratie licht de Organisatie in betreffende de bijzondere verantwoordelijkheden en voorwaarden verbonden aan de bevoegdheden die zijn opgedragen aan de aangewezen deskundigen of erkende organisaties, ter verspreiding onder de Partijen bij dit Protocol ter informatie van hun ambtenaren.
- i. reparaties aan een schip te verlangen; en
- ii. onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
- c. Wanneer een aangewezen deskundige of erkende organisatie beslist dat de toestand van schip of uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het Certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient deze deskundige of organisatie onmiddellijk te verzekeren dat hierin verbetering wordt gebracht en te zijner tijd de Administratie in te lichten. Indien dergelijke verbeteringen niet worden aangebracht moet het Certificaat worden ingetrokken en de Administratie onmiddellijk worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, moeten ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onmiddellijk worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen deskundige of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun uit dit Voorschrift voortvloeiende plicht te doen. Wanneer toepasselijk dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet vertrekt alvorens het zonder onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee kan gaan dan wel de haven kan verlaten met het doel naar een geschikte reparatiewerf te gaan.
- d. In elk geval garandeert de betrokken Administratie geheel de volledigheid en doeltreffendheid van de onderzoeken en dient zij de nodige maatregelen te nemen om ervan verzekerd te zijn dat aan deze verplichting wordt voldaan.
- 3.
- a. De toestand van schip en uitrusting dient te worden gehandhaafd in overeenstemming met het bepaalde in dit Verdrag om zeker te stellen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
- b. Nadat een onderzoek van het schip krachtens het eerste lid van dit Voorschrift is voltooid, mag zonder toestemming van de Administratie geen verandering worden aangebracht in de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen die door het onderzoek worden gedekt, behalve indien het gaat om onmiddellijke vervanging van dergelijke uitrusting en installaties.
- c. Wanneer een schip een ongeval overkomt, of gebreken worden geconstateerd die de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting, vallende onder de bepalingen van deze Bijlage, in belangrijke mate beïnvloeden, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen deskundige die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken Certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten. In een dergelijk geval dient door laatstgenoemden te worden onderzocht of een onderzoek als bedoeld in het eerste lid van dit Voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich in een haven van een andere Partij bevindt, dient de kapitein of de eigenaar eveneens onmiddellijk de bevoegde autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de aangewezen deskundige of de erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 11. Afgifte van of aantekening op het Certificaat
-
- Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 10 van deze Bijlage wordt een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgegeven aan elk schip dat schadelijke vloeistoffen in bulk vervoert en dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
-
- Dit Certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het Certificaat op zich.
- 3.
- a. De Regering van een Partij bij het Verdrag kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek onderwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgeven, of machtigen tot afgifte daarvan, en in voorkomend geval, een aantekening plaatsen, of machtigen tot plaatsing van een aantekening, op dat Certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
- b. Een afschrift van het Certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
- c. Een aldus afgegeven Certificaat moet een verklaring bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het zal dezelfde waarde hebben en het moet op dezelfde wijze worden erkend als een Certificaat dat is afgegeven krachtens het eerste lid van dit Voorschrift.
- d. Er wordt geen Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
-
- Het Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk wordt opgesteld naar het model opgenomen in Aanhangsel V van deze Bijlage. Ingeval de gebruikte taal een andere is dan de Engelse of de Franse taal, gaat de tekst vergezeld van een vertaling in een van deze talen.
-
- Niettegenstaande andere bepalingen van de wijzigingen op deze Bijlage die bij resolutie MEPC.39(29) zijn aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene milieu blijft een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk dat geldig is wanneer deze wijzigingen van kracht worden, geldig totdat de geldigheid afloopt op grond van deze Bijlage zoals deze luidt voordat de wijzigingen van kracht zijn geworden.
Voorschrift 12. Looptijd en geldigheid van het Certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat niet langer is dan vijf jaar.
- 2.
- a. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat, niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid van dit Voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
- b. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
- c. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid meer dan 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het Certificaat tot na de vervaldatum verlengen tot het in het eerste lid van dit Voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in Voorschrift 10, eerste lid, letters c en d, van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar naar behoren worden verricht.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw Certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de vervaldatum van het bestaande Certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het Certificaat plaatsen en wordt dit Certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
-
- Indien een schip zich op het tijdstip waarop een Certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het Certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Een Certificaat mag niet worden verlengd voor een tijdvak langer dan 3 maanden en een schip ten behoeve waarvan een verlenging is verleend, is bij zijn aankomst in de haven waar het moet worden onderzocht, niet gerechtigd uit hoofde van een zodanige verlenging die haven te verlaten zonder een nieuw Certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Een Certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd ingevolge de voorgaande bepalingen van dit Voorschrift kan door de Administratie worden verlengd met een gedoogperiode van ten hoogste één maand na de op het Certificaat vermelde vervaldatum. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- In bijzondere omstandigheden, zoals bepaald door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd te rekenen van de vervaldatum van het bestaande Certificaat zoals voorgeschreven in het tweede lid, letter b, vijfde of zesde lid van dit Voorschrift. In deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in Voorschrift 10 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- a. wordt de verjaardatum op het Certificaat door een aantekening gewijzigd in een datum ten hoogste 3 maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- b. wordt het in Voorschrift 10 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat Voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
- c. kan de vervaldatum onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in Voorschrift 10 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
-
- Een ingevolge Voorschrift 11 van deze Bijlage afgegeven Certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- a. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de in Voorschrift 10, eerste lid, van deze Bijlage aangegeven tijdvakken;
- b. indien er op het Certificaat geen aantekening is geplaatst overeenkomstig Voorschrift 10, eerste lid, letter c of d, van deze Bijlage;
- c. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw Certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe Certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van Voorschrift 10, vierde lid, letters a en b, van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen 3 maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het Certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 13. Eisen ter beperking van verontreiniging door een ongeval
(1). Van schepen die schadelijke vloeistoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dienen het ontwerp, de bouw, de uitrusting en de bedrijfsvoering zodanig te zijn, dat het ongecontroleerd lozen van deze stoffen in zee tot een minimum wordt beperkt.
(2). Chemicaliëntankschepen die op of na 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de eisen van de „Internationale chemicaliën Code”.
(3). Chemicaliëntankschepen die voor 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de volgende eisen:
- (a). De volgende chemicaliëntankschepen dienen te voldoen aan de eisen van de „Bulk chemicaliën Code” die van toepassing zijn op de in 1.7.2 van deze Code bedoelde schepen:
- (i). schepen waarvoor het bouwcontract op of na 2 november 1973 is geplaatst en die reizen maken naar havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- (ii). schepen die op of na 1 juli 1983 zijn gebouwd en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren:
- (b). De volgende chemicaliëntankschepen dienen te voldoen aan de eisen van de „Bulk chemicaliën Code” die van toepassing zijn op de in 1.7.3 van deze Code bedoelde schepen:
- (i). schepen waarvoor het bouwcontract vóór 2 november 1973 is geplaatst en die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- (ii). schepen die vóór 1 juli 1983 zijn gebouwd en die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, met dien verstande dat voor schepen van minder dan 1600 brutoregisterton de bepalingen van de Code met betrekking tot de bouw en de uitrusting uiterlijk 1 juli 1994 van kracht worden.
(4). Met betrekking tot andere schepen dan chemicaliëntankschepen die schadelijke stoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dient de Administratie passende maatregelen gebaseerd op door de Organisatie vastgestelde Richtlijnen te nemen, ten einde te verzekeren dat aan het bepaalde in lid (1) van dit Voorschrift wordt voldaan.
Voorschrift 14. Vervoer en lozing van olieachtige stoffen
Schadelijke vloeistoffen die blijkens Aanhangsel II van deze Bijlage onder categorie C of D vallen en door de Organisatie worden aangemerkt als olieachtige stoffen aan de hand van de door de Organisatie opgestelde criteria, mogen niettegenstaande het bepaalde in andere Voorschriften van deze Bijlage worden vervoerd in een in Bijlage I van het Verdrag omschreven olietankschip en worden geloosd in overeenstemming met het bepaalde in Bijlage I bij dit Verdrag, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip voldoet aan de bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag, voor zover deze van toepassing zijn op de in deze Bijlage omschreven produkttankschepen;
- (b). ten behoeve van het schip is een „Internationaal Certificaat ter Voorkoming van Verontreiniging” met bijbehorend Supplement B afgegeven en dit Certificaat is voorzien van de aantekening dat het schip olieachtige stoffen mag vervoeren in overeenstemming met het bepaalde in dit Voorschrift, terwijl deze aantekening tevens een opsomming bevat van de olieachtige stoffen die het schip mag vervoeren;
- (c). in het geval van stoffen van categorie C voldoet het schip aan de eisen betreffende de lekstabiliteit van scheepstype 3 van
- (i). de „Internationale Chemicaliën Code” in het geval van een schip dat op of na 1 juli 1986 is gebouwd; of
- (ii). de „Bulk chemicaliën Code”, voor zover van toepassing krachtens het bepaalde in Voorschrift 13 van deze Bijlage, in het geval van een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd; en
- (d). de oliegehaltemeter in het bewakings- en regelsysteem van het schip voor olielozingen wordt door de Administratie goedgekeurd voor gebruik bij de controle van de te vervoeren olieachtige stoffen.
Voorschrift 15. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke vloeistoffen te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 16. Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen
-
- Elk schip met een brutotonnage van 150 ton of meer bestemd voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen dient een door de Administratie goedgekeurd scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen aan boord te hebben. Dit vereiste is uiterlijk 1 januari 2003 van toepassing op al deze schepen.
-
- Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de Richtlijnen*Verwezen wordt naar de „Richtlijnen voor de ontwikkeling van rampenplannen voor verontreiniging door olie en/of schadelijke vloeistoffen aan boord van schepen”. die door de Organisatie zijn opgesteld en die zijn gesteld in een voertaal of in voertalen die door de kapitein en zijn officieren worden begrepen. Het plan omvat ten minste:
- a. de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen, zoals vereist volgens artikel 8 en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen**Verwezen wordt naar de door de Organisatie bij resolutie A.851(20) aangenomen „Algemene beginselen voor het systeem voor meldingen van schepen en de desbetreffende vereisten, met inbegrip van Richtlijnen voor het melden van voorvallen waarbij gevaarlijke goederen, schadelijke stoffen en/of de zee verontreinigende stoffen een rol spelen”.;
- b. de lijst van autoriteiten of personen met wie contact moet worden opgenomen in het geval van een voorval van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen;
- c. een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door personen aan boord om de lozing van schadelijke vloeistoffen als gevolg van het voorval te beperken of te beteugelen; en
- d. de procedures en de contactpersoon aan boord van het schip voor de coördinatie tussen maatregelen aan boord en maatregelen van de nationale en lokale autoriteiten ter bestrijding van de verontreiniging.
-
- In het geval van schepen waarop Voorschrift 26 van Bijlage I bij het Verdrag ook van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het scheepsnoodplan voor olieverontreiniging dat vereist is ingevolge Voorschrift 26 van Bijlage I bij het Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Rampenplan aan boord van schepen voor verontreiniging van de zee."
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder verjaardatum verstaan de dag en maand van elk jaar overeenkomend met de datum van verstrijken van het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- wordt onder bijbehorende pijpleidingen verstaan de pijpleiding van het aanzuigpunt in een ladingtank naar de walaansluiting die wordt gebruikt voor het lossen van de lading en waaronder zijn begrepen alle pijpleidingen, pompen en filters van het schip die een open verbinding hebben met de ladingloslijn.
-
- Ballastwater wordt onder schone ballast verstaan ballastwater in een tank die, nadat er voor het laatst een lading in werd vervoerd die een stof bevatte van de categorie X, Y of Z, grondig is schoongemaakt en waaruit de als gevolg daarvan overgebleven residuen zijn geloosd en welke tank is geleegd overeenkomstig de desbetreffende vereisten van deze Bijlage. wordt onder gescheiden ballast verstaan ballastwater dat wordt ingenomen in een tank, die permanent is bestemd voor het vervoeren van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke vloeistoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag, en die volledig gescheiden is van de lading en het brandstofoliesysteem.
-
- Chemicaliëncodes wordt onder Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.20(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage. wordt onder Internationale Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.19(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
-
- wordt onder waterdiepte verstaan de diepte zoals op de kaart aangegeven.
-
- wordt onder onderweg verstaan dat het schip onderweg is op zee op een of meerdere koersen, met inbegrip van afwijking van de kortste rechtstreekse route, voor zover met het oog op de navigatie praktisch uitvoerbaar, waarbij elke of iedere lozing, over een uit redelijk en praktisch oogpunt zo groot mogelijk gebied van de zee wordt verspreid.
-
- wordt onder vloeistoffen verstaan stoffen die een dampspanning hebben van ten hoogste 0,28 MPa bij een temperatuur van 37,8°C.
-
- wordt onder Handboek verstaan het Handboek voor procedures en voorzieningen in overeenstemming met het in aanhangsel 6 van deze Bijlage weergegeven model.
-
- Dichtstbijzijnde land wordt onder de uitdrukking van het dichtstbijzijnde land verstaan: van de basislijn van waaruit de betrokken territoriale zee wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag onder van het dichtstbijzijnde land onder de noordoostkust van Australië wordt verstaan: van de lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op:
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- wordt onder onder schadelijke vloeistof verstaan iedere stof die is vermeld in de kolom Verontreinigingscategorie van hoofdstuk 17 of 18 van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk of die ingevolge de bepalingen van voorschrift 6.3voorlopig is ingedeeld in categorie X, Y of Z.
-
- wordt onder PPM verstaan ml/m3.
-
- wordt onder residu verstaan elke schadelijke vloeistof die overblijft waarvan men zich nog moet voldoen.
-
- wordt onder residu-watermengsel verstaan residu waaraan voor enig doel water is toegevoegd (bijv. tankreiniging, ballasten, lenswater).
-
- Bouw schip
- 14.1. wordt onder schip dat wordt gebouwd verstaan een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt. Een schip dat verbouwd is tot chemicaliëntankschip, wordt, ongeacht de datum van de bouw, beschouwd als een chemicaliëntankschip dat gebouwd is op de datum waarop met deze verbouw is begonnen. Deze bepaling inzake de verbouw van schepen is niet van toepassing op de wijziging van een schip dat aan alle volgende voorwaarden voldoet:
- .1 het schip is gebouwd vóór 1 juli 1986; en
- .2 met betrekking tot het schip is krachtens de Code voor chemicaliën in bulk een certificaat afgegeven voor het uitsluitend vervoer van die producten welke in de Code zijn aangemerkt als stoffen die uitsluitend een verontreinigingsrisico opleveren.
- 14.2. wordt onder soortgelijk stadium van aanbouwverstaan het stadium waarin:
- .1 de bouw als die van een bepaald schip herkenbaar is; en
- .2 met de samenbouw van dat schip is begonnen, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
-
- Stollend/niet-stollend
- 15.1. wordt onder stollende stof verstaan een schadelijke vloeistof die:
- .1 in het geval van een stof met een smeltpunt van minder dan 15°C een temperatuur heeft van minder dan 5°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen; of
- .2 in het geval van een stof met een smeltpunt van 15°C of meer een temperatuur heeft van minder dan 10°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen.
- 15.2. wordt onder niet-stollende stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen stollende stof is.
-
- Tankschip
- .1 wordt onder chemicaliëntankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van een vloeibaar product dat staat vermeld in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk;
- .2 wordt onder NLS-tankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen, alsmede een „olietankschip” als omschreven in Bijlage I van dit Verdrag wanneer dit schip is gecertificeerd voor het vervoer van lading of deellading van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Viscositeit
- .1 wordt onder hoogvisceuze stof verstaan een schadelijke vloeistof van categorie X of Y met een viscositeit van 50 mPa.s of meer bij de lostemperatuur.
- .2 wordt onder laagvisceuze stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen hoogvisceuze stof is.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- Tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die gecertificeerd zijn voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Wanneer een lading waarop de bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag van toepassing zijn, wordt vervoerd in een laadruim van een NLS-tankschip, zijn de desbetreffende bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag ook van toepassing.
Voorschrift 3. Uitzonderingen
-
- De lozingsvereisten van deze Bijlage zijn niet van toepassing op de lozing in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die deze stoffen bevatten wanneer een dergelijke lozing:
- .1 noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2 het gevolg is van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- .1 mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- .2 uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, of wel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- .3 wordt goedgekeurd door de Administratie, wanneer de lozing wordt gebruikt met het oog op de bestrijding van specifieke verontreinigingsvoorvallen of ter minimalisering van de door verontreiniging veroorzaakte schade. Dergelijke lozingen moeten worden goedgekeurd door de Regering in wier rechtsgebied de lozing naar verwachting zal plaatsvinden.
Voorschrift 4. Ontheffingen
-
- Ten aanzien van de vervoersvereisten als gevolg van de indeling van de stof in een strengere categorie, is het volgende van toepassing:
- .1 Indien een wijziging van deze Bijlage en van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk en de Code voor chemicaliën in bulk veranderingen inhoudt voor de bouw of de uitrusting en de installaties als gevolg van het aanscherpen van de vereisten voor het vervoer van bepaalde stoffen, kan de Administratie de toepassing van deze wijziging voor een omschreven periode aanpassen of uitstellen voor schepen gebouwd vóór de datum waarop deze wijziging van kracht wordt, indien de onmiddellijke toepassing van deze wijziging onredelijk of onuitvoerbaar wordt geacht. De mate van versoepeling wordt ten aanzien van elke stof afzonderlijk bepaald;
- .2 de Administratie die uit hoofde van dit lid een versoepeling van de toepassing van een wijziging toestaat, dient bij de Organisatie een rapport in dat bijzonderheden bevat van het desbetreffende schip of de desbetreffende schepen, de ladingen die het op grond van het certificaat mag of mogen vervoeren, de vaart waarin elk schip wordt gebruikt, en de gronden voor de versoepeling, ter verspreiding onder de Partijen bij het Verdrag te hunner informatie en ten behoeve van eventuele passende maatregelen, en waarin wordt aangegeven welke ontheffingen voor het certificaat gelden als bedoeld in voorschrift 7 of 9 van deze Bijlage;
- .3 Niettegenstaande het bovenstaande kan een Administratie vrijstelling van de in voorschrift 11 bedoelde vervoersvoorwaarden, verlenen aan schepen die afzonderlijk benoemde plantaardige oliën op grond van het certificaat mogen vervoeren als genoemd in de desbetreffende voetnoot in hoofdstuk 17 van de IBC-code, mits het schip aan de volgende vereisten voldoet:
- .1 Onverminderd dit voorschrift dient een NLS-tankschip te voldoen aan alle vereisten voor scheepstype 3 als omschreven in de IBC-code, behoudens wat betreft de plaats van de ladingtank;
- .2 ingevolge dit voorschrift dienen ladingtanks op de volgende afstanden binnenboord te zijn geplaatst. De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of ruimten, die geen brandstoftanks zijn:
- .1 zijtanks of ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de ladingtanks zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op minder dan 760 mm;
- .2 dubbele-bodemtanks of -ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de afstand tussen de bodem van de ladingtanks en de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating van het schip, gemeten in een rechte hoek met de vlakbeplating, niet minder is dan B/15 (m) of 2,0 m op de middenlijn, naar gelang van welke afstand kleiner is. De minimum afstand dient 1,0 m te bedragen; en
- .3 op het desbetreffende certificaat dient de verleende ontheffing te zijn vermeld.
-
- Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift zijn de bepalingen van voorschrift 12.1 niet van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd en dat door de Administratie te bepalen reizen in een beperkt vaargebied maakt tussen:
- .1 havens of laad- en losplaatsen binnen een Staat die Partij bij dit Verdrag is; of
- .2 havens of laad- en losplaatsen van Staten die Partij bij dit Verdrag zijn.
-
- De bepalingen van het tweede lid van dit voorschrift zijn uitsluitend van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd indien:
- .1 elke keer dat een tank die stoffen of mengsels van categorie X, Y of Z bevat, dient te worden gewassen of geballast, deze tank wordt gewassen overeenkomstig een voorwasprocedure die is goedgekeurd door de Administratie overeenkomstig aanhangsel 6 van deze Bijlage, en het tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- .2 het daarna ontstane waswater of ballastwater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening of in zee wordt geloosd overeenkomstig de overige bepalingen van deze Bijlage;
- .3 de geschiktheid van de ontvangstvoorzieningen in de hierboven bedoelde havens of laad- en losplaatsen voor de toepassing van het bepaalde in dit lid is goedgekeurd door de Regeringen van de Staten die Partij bij dit Verdrag zijn en binnen welker grondgebied deze havens of laad- en losplaatsen zijn gelegen;
- .4. in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen; en
- .5 op het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt aangetekend dat het schip uitsluitend deze beperkte reizen maakt.
-
- Met betrekking tot een schip waarvan de constructie-eisen en de bedrijfsvoering zodanig zijn, dat het ballasten van de ladingtanks niet is vereist en het wassen van de ladingtanks slechts is vereist voor reparatie of voor het droog zetten, kan de Administratie vrijstelling van het bepaalde in voorschrift 12 verlenen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- .1 het ontwerp, de constructie en de uitrusting van het schip worden door de Administratie goedgekeurd, rekening houdend met de reizen welke het schip gaat maken;
- .2 ieder effluent, afkomstig van het wassen van de tanks vóór de uitvoering van de reparatie of vóór het droogzetten, wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening waarvan de geschiktheid door de Administratie is verzekerd;
- .3 in het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt het volgende aangetekend:
- .1 dat in elke ladingtank een beperkt aantal vergelijkbare stoffen mag worden vervoerd die beurtelings in dezelfde tank kunnen worden vervoerd zonder tussentijdse reiniging; en
- .2 de bijzonderheden omtrent de ontheffing;
- .4 aan boord van het schip is een door de Administratie goedgekeurd Handboek aanwezig; en
- .5 in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen.
Voorschrift 5. Gelijkwaardige voorzieningen
-
- De Administratie kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage worden voorgeschreven, op een schip toestaan, mits deze onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele methoden voor de beheersing van de lozing van schadelijke vloeistoffen als equivalent van de door de voorschriften in deze Bijlage voorgeschreven ontwerp- en constructievormen.
-
- De Administratie die het aanbrengen toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage, krachtens lid 1 van dit voorschrift, worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij het Verdrag, ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
-
- Niettegenstaande het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit voorschrift worden de constructie en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren die gecertificeerd zijn om de in de toepasselijke Gas Carrier Code vermelde schadelijke vloeistoffen te vervoeren, geacht gelijkwaardig te zijn aan de in de voorschriften 11 en 12 van deze Bijlage vervatte constructie en uitrustingsvereisten, mits het gastankschip aan alle volgende vereisten voldoet:
- .1 het heeft een certificaat van geschiktheid overeenkomstig de desbetreffende Gas Carrier Code voor schepen die gecertificeerd zijn om vloeibare gassen in bulk te vervoeren;
- .2 het heeft een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk aan boord, waarin wordt verklaard dat het gastankschip uitsluitend die schadelijke vloeistoffen mag vervoeren welke in de desbetreffende Gas Carrier Code zijn geïdentificeerd en vermeld;
- .3 het is uitgerust met gescheiden ballastvoorzieningen;
- .4 het is uitgerust met pompen en pijpleidingen die, ten genoegen van de Administratie, waarborgen dat de hoeveelheid ladingresiduen die na het lossen in de tank en bijbehorende pijpleidingen achterblijven, niet meer bedraagt dan de desbetreffende hoeveelheid residuen als vereist in voorschrift 12.1, 12.2 of 12.3; en
- .5 het is uitgerust met een, door de Administratie goedgekeurd, Handboek zodat wordt gewaarborgd dat geen bedrijfsmatige vermenging van ladingsresiduen en water plaatsvindt en dat geen ladingresiduen in de tank achterblijven na toepassing van de in het Handboek voorgeschreven ventilatieprocedures.
Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid
Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient goede aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.
Voorschrift 7. Uitzonderingen
Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de natuurkundige, scheikundige en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke stoffen te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
HOOFDSTUK 1. – ALGEMEEN
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder verjaardatum verstaan de dag en maand van elk jaar overeenkomend met de datum van verstrijken van het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- wordt onder bijbehorende pijpleidingen verstaan de pijpleiding van het aanzuigpunt in een ladingtank naar de walaansluiting die wordt gebruikt voor het lossen van de lading en waaronder zijn begrepen alle pijpleidingen, pompen en filters van het schip die een open verbinding hebben met de ladingloslijn.
-
- Ballastwater wordt onder schone ballast verstaan ballastwater in een tank die, nadat er voor het laatst een lading in werd vervoerd die een stof bevatte van de categorie X, Y of Z, grondig is schoongemaakt en waaruit de als gevolg daarvan overgebleven residuen zijn geloosd en welke tank is geleegd overeenkomstig de desbetreffende vereisten van deze Bijlage. wordt onder gescheiden ballast verstaan ballastwater dat wordt ingenomen in een tank, die permanent is bestemd voor het vervoeren van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke vloeistoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag, en die volledig gescheiden is van de lading en het brandstofoliesysteem.
-
- Chemicaliëncodes wordt onder Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.20(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage. wordt onder Internationale Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.19(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
-
- wordt onder waterdiepte verstaan de diepte zoals op de kaart aangegeven.
-
- wordt onder onderweg verstaan dat het schip onderweg is op zee op een of meerdere koersen, met inbegrip van afwijking van de kortste rechtstreekse route, voor zover met het oog op de navigatie praktisch uitvoerbaar, waarbij elke of iedere lozing, over een uit redelijk en praktisch oogpunt zo groot mogelijk gebied van de zee wordt verspreid.
-
- wordt onder vloeistoffen verstaan stoffen die een dampspanning hebben van ten hoogste 0,28 MPa bij een temperatuur van 37,8°C.
-
- wordt onder Handboek verstaan het Handboek voor procedures en voorzieningen in overeenstemming met het in aanhangsel 6 van deze Bijlage weergegeven model.
-
- Dichtstbijzijnde land wordt onder de uitdrukking van het dichtstbijzijnde land verstaan: van de basislijn van waaruit de betrokken territoriale zee wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag onder van het dichtstbijzijnde land onder de noordoostkust van Australië wordt verstaan: van de lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op:
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- wordt onder onder schadelijke vloeistof verstaan iedere stof die is vermeld in de kolom Verontreinigingscategorie van hoofdstuk 17 of 18 van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk of die ingevolge de bepalingen van voorschrift 6.3voorlopig is ingedeeld in categorie X, Y of Z.
-
- wordt onder PPM verstaan ml/m3.
-
- wordt onder residu verstaan elke schadelijke vloeistof die overblijft waarvan men zich nog moet voldoen.
-
- wordt onder residu-watermengsel verstaan residu waaraan voor enig doel water is toegevoegd (bijv. tankreiniging, ballasten, lenswater).
-
- Bouw schip
- 14.1. wordt onder schip dat wordt gebouwd verstaan een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt. Een schip dat verbouwd is tot chemicaliëntankschip, wordt, ongeacht de datum van de bouw, beschouwd als een chemicaliëntankschip dat gebouwd is op de datum waarop met deze verbouw is begonnen. Deze bepaling inzake de verbouw van schepen is niet van toepassing op de wijziging van een schip dat aan alle volgende voorwaarden voldoet:
- .1 het schip is gebouwd vóór 1 juli 1986; en
- .2 met betrekking tot het schip is krachtens de Code voor chemicaliën in bulk een certificaat afgegeven voor het uitsluitend vervoer van die producten welke in de Code zijn aangemerkt als stoffen die uitsluitend een verontreinigingsrisico opleveren.
- 14.2. wordt onder soortgelijk stadium van aanbouwverstaan het stadium waarin:
- .1 de bouw als die van een bepaald schip herkenbaar is; en
- .2 met de samenbouw van dat schip is begonnen, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
-
- Stollend/niet-stollend
- 15.1. wordt onder stollende stof verstaan een schadelijke vloeistof die:
- .1 in het geval van een stof met een smeltpunt van minder dan 15°C een temperatuur heeft van minder dan 5°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen; of
- .2 in het geval van een stof met een smeltpunt van 15°C of meer een temperatuur heeft van minder dan 10°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen.
- 15.2. wordt onder niet-stollende stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen stollende stof is.
-
- Tankschip
- .1 wordt onder chemicaliëntankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van een vloeibaar product dat staat vermeld in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk;
- .2 wordt onder NLS-tankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen, alsmede een „olietankschip” als omschreven in Bijlage I van dit Verdrag wanneer dit schip is gecertificeerd voor het vervoer van lading of deellading van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Viscositeit
- .1 wordt onder hoogvisceuze stof verstaan een schadelijke vloeistof van categorie X of Y met een viscositeit van 50 mPa.s of meer bij de lostemperatuur.
- .2 wordt onder laagvisceuze stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen hoogvisceuze stof is.
-
- wordt onder Audit verstaan: een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- wordt onder Auditprogramma verstaan: het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- wordt onder Implementatiecode verstaan: de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- wordt onder Auditnorm verstaan: de Implementatiecode.
-
- wordt onder elektronisch journaal verstaan, een door de Administratie goedgekeurd apparaat of systeem dat, in plaats van een papieren journaal, gebruikt wordt voor het elektronisch vastleggen van de vereiste aantekeningen voor lozingen, overbrengingen en overige operaties zoals vereist ingevolge deze Bijlage.
-
- wordt onder persistente drijver verstaan: een stof die een oppervlaktefilm vormt en de volgende eigenschappen heeft:
- –. Dichtheid: ≤ zeewater (1025 kg/m3 bij 20°C);
- –. Dampdruk: ≤ 0,3 kPa;
- –. Oplosbaarheid: ≤ 0,1% (voor vloeistoffen) ≤ 10% (voor vaste stoffen); en
- –. Kinematische viscositeit: > 10 cSt bij 20°C.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- Tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die gecertificeerd zijn voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Wanneer een lading waarop de bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag van toepassing zijn, wordt vervoerd in een laadruim van een NLS-tankschip, zijn de desbetreffende bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag ook van toepassing.
Voorschrift 3. Uitzonderingen
-
- De lozingsvereisten van deze Bijlage en hoofdstuk 2 van deel II-A van de Polar Code zijn niet van toepassing op de lozing in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die deze stoffen bevatten wanneer een dergelijke lozing:
- .1 noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2 het gevolg is van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- .1 mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- .2 uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, of wel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- .3 wordt goedgekeurd door de Administratie, wanneer de lozing wordt gebruikt met het oog op de bestrijding van specifieke verontreinigingsvoorvallen of ter minimalisering van de door verontreiniging veroorzaakte schade. Dergelijke lozingen moeten worden goedgekeurd door de Regering in wier rechtsgebied de lozing naar verwachting zal plaatsvinden.
HOOFDSTUK 3. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN
Voorschrift 4. Onderzoeken
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage dient de volgende onderzoeken te ondergaan:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 5 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 8.2, 8.5, 8.6 of 8.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in punt 4 van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
-
- De Administratie stelt passende maatregelen vast voor schepen die niet onder de bepalingen van punt 1 van dit voorschrift vallen om te waarborgen dat voldaan wordt aan de toepasselijke bepalingen van deze Bijlage.
-
- Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe aangewezen inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
-
- Een Administratie die inspecteurs aanwijst of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in punt 3 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid: De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de aangewezen inspecteurs of erkende organisaties opgedragen bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)