Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij

Type Verdrag
Publication 2026-03-01
State In force
Source BWB
artikelen 20
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • .1 Categorie X: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een groot gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve het verbod van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
  • .2 Categorie Y: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, of die ernstige schade zouden toebrengen aan de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve een kwalitatieve en kwantitatieve beperking van de lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
  • .3 Categorie Z: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een klein gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve minder strenge kwalitatieve en kwantitatieve beperkingen van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
  • .4 Andere stoffen die in de kolom verontreinigingscategorie van hoofdstuk 18 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk zijn aangeduid als OS (Other Substances) die zijn beoordeeld en waarvan is vastgesteld dat zij niet vallen onder categorie X, Y of Z zoals omschreven in voorschrift 6.1 van deze Bijlage, aangezien zij op het ogenblik niet schadelijk worden geacht voor de gezondheid van de mens, de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden en ander rechtmatig gebruik van de zee, wanneer zij in zee worden geloosd als gevolg van het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast. De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen van lenswater of ballastwater of andere residuen of mengsels die alleen stoffen bevatten waarnaar wordt verwezen als „Andere stoffen”.
    1. Richtlijnen voor de indeling in categorieën van schadelijke vloeistoffen worden gegeven in aanhangsel I van deze Bijlage.
    1. Wanneer wordt voorgesteld een vloeistof in bulk te vervoeren, die niet in een categorie is ingedeeld ingevolge het eerste lid van dit voorschrift, komen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag die bij het voorgestelde vervoer zijn betrokken een voorlopige indeling overeen voor het voorgestelde vervoer, zulks op grond van de richtlijnen bedoeld in lid 2 van dit voorschrift. Totdat de betrokken Regeringen volledige overeenstemming hebben bereikt, mag de stof niet worden vervoerd. Zo snel mogelijk, doch uiterlijk 30 dagen nadat overeenstemming is bereikt, stelt de Regering van het producerende of vervoerende land, die de aanzet tot de desbetreffende overeenkomst heeft gegeven, de Organisatie in kennis en verstrekt zij nadere gegevens met betrekking tot de stof en de voorlopige indeling ten behoeve van de jaarlijkse rondzending ter kennisgeving aan alle Partijen. De Organisatie houdt een register bij van al deze stoffen en de voorlopige indeling ervan totdat de stoffen officieel in de IBC-code worden opgenomen.

Voorschrift 7. Model van het certificaat

Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat

    1. Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgestelde termijn die evenwel niet langer is dan vijf jaar.
  • 2.
  • .1 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond binnen drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat, onverminderd de vereisten van punt 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
  • .2 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
  • .3 Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt afgerond, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond.
    1. Indien een certificaat wordt afgegeven voor een periode van minder dan vijf jaar, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen tot na de vervaldatum tot de maximumperiode genoemd in punt 1 van dit voorschrift.
    1. Indien een hernieuwd onderzoek is afgerond en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden geplaatst , kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig gedurende een nieuwe termijn die evenwel niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
    1. Indien een schip op het tijdstip waarop een certificaat vervalt zich niet in de haven bevindt waarin het dient te worden onderzocht, kan deAdministratie de geldigheidstermijn van het certificaat verlengen, maar verlenging mag alleen geschieden om het schip in staat te stellen de reis naar de haven waarin het dient te worden onderzocht te voltooien en zulks uitsluitend in gevallen waarin dat passend en redelijk lijkt. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
    1. Voor een certificaat afgegeven aan een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde vervaldatum. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
    1. Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de vervaldatum van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2 onder 5 of 6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
    1. Een certificaat afgegeven uit hoofde van voorschrift 5 of 6 is niet langer geldig in de volgende gevallen:
  • .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn afgerond binnen de termijnen vermeld in voorschrift 4.1 van deze Bijlage; of
  • .2 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 4.7 en 4.8 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.

HOOFDSTUK 4. ONTWERP, CONSTRUCTIE, VOORZIENINGEN EN UITRUSTING

Voorschrift 9. Afgifte van of aantekening op het certificaat

    1. Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 8 van deze Bijlage wordt een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan elk schip dat bestemd is om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
    1. Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
  • 3.1. De Regering van een Partij bij het Verdrag kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek doen onderwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgeven, of machtigen tot afgifte daarvan, en in voorkomend geval, een aantekening plaatsen, of machtigen tot plaatsing van een aantekening, op dat certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
  • 3.2. Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
  • 3.3. Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens lid 1 van dit voorschrift.
  • 3.4. Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
    1. Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel 3 bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.

Voorschrift 10. Geldigheidsduur en geldigheid van het certificaat

    1. Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat evenwel niet langer is dan vijf jaar.
  • 2.1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat, niettegenstaande het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat.
  • 2.2. Indien het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
  • 2.3. Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid.
    1. Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in lid 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 8.1.3 en 8.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar naar behoren worden verricht.
    1. Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en wordt dit certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de datum van verstrijken.
    1. Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het moet worden onderzocht gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
    1. Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
    1. Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2, onderdeel 5 of 6, van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
    1. Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 8 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
  • .1 wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
  • .2 wordt het in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
  • .3 kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
    1. Een ingevolge voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
  • .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 8.1 van deze Bijlage;
  • .2 indien er op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met voorschrift 8.1.3 of 8.1.4 van deze Bijlage;
  • .3 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 8.3.1 en 8.3.2 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van het certificaat die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.

Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval

    1. Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage is het lozen in zee van sanitair afval verboden, behalve wanneer:
  • .1 de lozing van het schip ofwel versneden en ontsmet sanitair afval betreft op een afstand van meer dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, waarbij een door de Administratie in overeenstemming met voorschrift 9.1.2 van deze Bijlage goedgekeurd systeem wordt gebruikt, ofwel het sanitair afval betreft dat niet is versneden of ontsmet op een afstand van meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, mits in elk geval het in verzameltanks opgeslagen sanitaire afval niet ineens wordt geloosd, doch in een matig tempo, terwijl het schip zijn vaarroute vervolgt met een snelheid van ten minste 4 knopen; het tempo van de lozing dient te worden goedgekeurd door de Administratie op grond van door de Organisatie ontwikkelde normen; of
  • .2 het schip gebruik maakt van een installatie voor het behandelen van sanitair afval, die volgens een certificaat, afgegeven door de Administratie, voldoet aan de operationele vereisten bedoeld in voorschrift 9.1.1 van deze Bijlage, en
  • .1 de resultaten van de beproevingen van dat systeem neergelegd zijn in het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval van het schip; en
  • .2 de geloosde vloeistof bovendien geen zichtbare drijvende vaste deeltjes in of verkleuring van het water in de omgeving ten gevolge heeft.
    1. Het bepaalde in punt 1 is niet van toepassing op schepen die zich bevinden in de wateren onder de rechtsmacht van een Staat en bezoekende schepen uit andere Staten terwijl zij zich in deze wateren bevinden en bezig zijn met het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de eventueel minder strikte eisen die door die Staat kunnen worden gesteld.
    1. Indien het sanitair afval wordt vermengd met afval of afvalwater waarop andere bijlagen van MARPOL 73/78 van toepassing zijn, dient behalve aan de vereisten van deze Bijlage tevens aan de vereisten van die Bijlagen te worden voldaan.

HOOFDSTUK 4. ONTWERP, CONSTRUCTIE, VOORZIENINGEN EN UITRUSTING

Voorschrift 12. Pompen, pijpleidingen, losvoorzieningen en sloptanks

    1. Elk schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 900 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
    1. Elk schip dat is gebouwd op of na 1 juli 1986, maar vóór 1 juli 2007, dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 100 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
    1. Elk schip dat is gebouwd op of na 1 januari 2007 dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z een residu achterblijft van meer dan 75 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
    1. Voor andere schepen dan chemicaliëntankschepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die niet kunnen voldoen aan de vereisten van de pomp- en pijpleidingvoorzieningen voor de in lid 1 en 2 van dit voorschrift bedoelde stoffen van categorie Z, zijn geen kwantitatieve vereisten van toepassing. Naleving wordt geacht te zijn gerealiseerd indien de tank zoveel mogelijk is geleegd.
    1. De in lid 1, 2 en 3 van dit voorschrift bedoelde werkingsproeven van de pompen moeten door de Administratie worden goedgekeurd. Bij de pompwerkingsproeven moet water als beproevingsmiddel worden gebruikt.
    1. Schepen gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z, dienen een of meerdere onderwateruitlaat of -uitlaten te hebben.
    1. Voor schepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die zijn gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z, is een onderwateruitlaat als vereist in lid 6 van dit voorschrift niet verplicht.
    1. De onderwateruitlaat (of uitlaten) dient (dienen) zich te bevinden in het ladinggedeelte, nabij de ronding van de kim, en dient (dienen) zodanig te zijn aangebracht dat wordt vermeden dat residu-watermengsels weer naar binnen worden gezogen via de zeewaterinlaten van het schip.
    1. De voorziening van de onderwateruitlaat dient zodanig te zijn dat de geloosde residu-watermengsels niet door de huidbeplating van het schip lopen. Daarom dient, wanneer de lozing loodrecht op de huidbeplating plaatsvindt, de lozingsuitlaat minimaal een diameter te hebben die wordt berekend met de volgende formule: waarbij: d = de minimum diameter van de uitlaat (m) Ld = de afstand van de voorloodlijn tot de uitlaat (m) Qd = de geselecteerde maximum snelheid waarbij het schip een residu-watermengsel kan lozen via de uitlaat (m3/u).
    1. Wanneer de lozing plaatsvindt bij een hoek ten opzichte van de huidbeplating van het schip, dient bovenstaande verhouding te worden veranderd door Qd te vervangen door de component van Qd loodrecht op de huidbeplating.
    1. Sloptanks In deze Bijlage wordt het aanbrengen van afzonderlijke sloptanks weliswaar niet verplicht gesteld, maar voor bepaalde wasprocedures kunnen sloptanks toch noodzakelijk zijn. In dat geval kunnen ladingtanks als sloptanks worden gebruikt.

Voorschrift 1. Omschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

  • (1). wordt onder „vuilnis” verstaan alle soorten etensresten, huishoudelijk afval en afval voortvloeiende uit de bedrijfsvoering, met uitzondering van verse vis en gedeelten daarvan, ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van het schip en die voortdurend of regelmatig worden verwijderd van het schip, met uitzondering van de stoffen omschreven of opgesomd in andere Bijlagen bij dit Verdrag;
  • (2). „Dichtstbijzijnde land”. De uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: „van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op 11°00' zuiderbreedte en 142°08' oosterlengte, naar een punt op 10°35' zuiderbreedte en 141°55' oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°00' zuiderbreedte en 142°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°10' zuiderbreedte en 143°52' oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°00' zuiderbreedte en 144°30' oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°41' zuiderbreedte en 145°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 13°00' zuiderbreedte en 145°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 15°00' zuiderbreedte en 146°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 17°30' zuiderbreedte en 147°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 21°00' zuiderbreedte en 152°55' oosterlengte, vandaar naar een punt op 24°30' zuiderbreedte en 154°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op de kust van Australië op 24°42' zuiderbreedte en 153°15' oosterlengte;
  • (3). wordt onder „bijzonder gebied” verstaan een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, het volgen van bijzondere noodzakelijke methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door vuilnis moeten worden genomen. Onder deze bijzondere gebieden worden begrepen de gebieden genoemd in Voorschrift 5 van deze Bijlage.

Voorschrift 2. Toepassing

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.

Voorschrift 3. Storten van vuilnis buiten bijzondere gebieden

  • (1). Behoudens de bepalingen van de Voorschriften 4, 5 en 6 van deze Bijlage:
  • (a). is het storten in zee van alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden;
  • (b). dient het storten in zee van de volgende vuilnis zover mogelijk van het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch het storten is in elk geval verboden indien de afstand tot het dichtstbijzijnde land kleiner is dan:
  • (i). 25 zeemijlen, in geval van stuwhout, bekledings- en verpakkingsmateriaal dat blijft drijven;
  • (ii). 12 zeemijlen, in geval van voedselresten en alle andere vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk en soortgelijk afval;
  • (c). kan het storten in zee, van vuilnis als omschreven in letter (b) onder (ii) van deze paragraaf worden toegestaan, indien de vuilnis door een afbreek- of maalinstallatie is gevoerd en indien het storten zover als mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land geschiedt, doch het storten is in elk geval verboden indien de afstand tot het dichtstbijzijnde land kleiner is dan 3 zeemijlen. Deze afgebroken of gemalen vuilnis moet een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee kunnen passeren.
  • (2). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot verwijderen of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.

Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis

  • (1). Behoudens de bepalingen van paragraaf (2) van dit Voorschrift is het storten van stoffen waarop dit Voorschrift van toepassing is, verboden vanaf vaste of drijvende platforms buitengaats gebezigd bij de exploratie, exploitatie en daarbij behorende verwerking van minerale zeebodemschatten, alsmede vanaf alle andere schepen, wanneer deze zich langszij of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden.
  • (2). Het storten in zee van voedselresten vanaf vaste of drijvende platforms kan worden toegestaan, ingeval deze door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd en deze platforms zich meer dan 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land bevinden, alsmede van alle andere schepen, ingeval deze zich langszij of binnen 500 meter van zulke platforms bevinden. Deze afgebroken of gemalen voedselresten moeten een rooster met gaten van maximaal 25 mm kunnen passeren.

Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden

  • (1). Voor de toepassing van deze Bijlage worden onder bijzondere gebieden verstaan de gebieden van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de „Golf”, de Noordzee, de Zuidpool en het Caraïbisch Gebied, met inbegrip van de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee, die als volgt worden omschreven:
  • (a). Onder het gebied van de Middellandse Zee wordt verstaan de Middellandse Zee zelf, alsmede de Golven en Zeeën daarin, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte en de westelijke grens wordt gevormd door de Straat van Gibraltar op de meridiaan van 5°36' westerlengte.
  • (b). Onder het gebied van de Oostzee wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golf en de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57°44'.8 noorderbreedte.
  • (c). Onder het gebied van de Zwarte Zee wordt verstaan de Zwarte Zee zelf, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte.
  • (d). Onder het gebied van de Rode Zee wordt verstaan de Rode Zee zelf met inbegrip van de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, in het zuiden begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12°8'.5 noorderbreedte, 43°19'.6 oosterlengte) en Hasn Murad 12°40'.4 noorderbreedte, 43°30'.2 oosterlengte).
  • (e). Onder het gebied van de Perzische Golf wordt verstaan het zeegebied ten noordwesten van de loxodroom tussen Ras al Hadd (22°30' noorderbreedte, 59°48' oosterlengte) en Ras al Fasteh (25°04' noorderbreedte, 61°25' oosterlengte).
  • (f). Onder het gebied van de Noordzee wordt verstaan de Noordzee zelf met inbegrip van de zeeën daarin, waarbij de grens wordt gevormd door:
  • i. de Noordzee ten zuiden van 62° noorderbreedte en ten oosten van 4° westerlengte;
  • ii. het Skagerrak, waarvan de zuidelijke grens wordt bepaald ten oosten van Kaap Skagen door 57°44.8' noorderbreedte; en
  • iii. het Kanaal en de toegangen daartoe ten oosten van 5° westerlengte en ten noorden van 48° 30' noorderbreedte.
  • (g). Onder het Antarctisch gebied wordt verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
  • (h). Onder het Caraïbisch Gebied, zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, van het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch Gebied (Cartagena de Indias, 1983), wordt verstaan de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee zelf met inbegrip van de baaien en zeeën daarin, en het gedeelte van de Atlantische Oceaan binnen de grens die wordt gevormd door de parallel van 30° noorderbreedte van Florida naar het oosten tot de meridiaan van 77° 30' westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 20° noorderbreedte en de meridiaan van 59° westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 7° 20' noorderbreedte en de meridaan van 50° westerlengte, en vanaf dat punt naar het zuidwesten een loxodroom tot de oostelijke grens van Frans Guyana.
  • (2). Onverlet de bepalingen van Voorschrift 6 van deze Bijlage:
  • (a). is het storten van de volgende stoffen in zee verboden:
  • (i). alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden; en
  • (ii). alle overige vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk, stuwhout, bekledings- en verpakkingsmaterialen;
  • (b). dient, behoudens het bepaalde onder letter c van dit lid, het storten in zee van voedselresten zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval niet binnen 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land.
  • (c). dient het storten in het Caraïbisch gebied van voedselresten die door een machine voor verpulveren of vermalen zijn gehaald, zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval dat niet onder voorschrift 4 valt niet binnen 3 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land. Verpulverde of vermalen voedselresten dienen door een zeef met openingen van maximaal 25 mm te kunnen worden gevoerd.
  • (3). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot storten of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.
  • (4). Ontvangstinrichtingen in bijzondere gebieden:
  • (a). de Regering van elke Partij bij dit Verdrag, wier kustlijn grenst aan een bijzonder gebied, verbindt zich ertoe te verzekeren dat zo spoedig mogelijk in alle havens in een bijzonder gebied toereikende ontvangstinrichtingen worden geïnstalleerd, overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 7 van deze Bijlage, rekening houdende met de bijzondere behoefte van in deze gebieden opererende schepen.
  • (b). De Regering van elke betrokken Partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen getroffen ingevolge letter (a) van dit Voorschrift. Na ontvangst van voldoende mededelingen stelt de Organisatie een tijdstip vast, waarop de bepalingen van dit Voorschrift ten aanzien van het betrokken gebied in werking treden. De Organisatie stelt alle Partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum.
  • (c). Na de aldus vastgestelde datum dienen ook schepen die havens aanlopen in deze bijzondere gebieden, waar deze inrichtingen nog niet beschikbaar zijn, volledig te voldoen aan de bepalingen van dit Voorschrift.
  • (5). Niettegenstaande het vierde lid van dit Voorschrift zijn de volgende regels van toepassing op het Antarctisch gebied:
  • a. De Regering van elke Partij bij het Verdrag waarvan de havens worden gebruikt door schepen op weg naar of komend uit het Antarctisch gebied, verbindt zich ertoe zo spoedig mogelijk de aanleg te verzekeren van toereikende inrichtingen bestemd voor de ontvangst van alle vuilnis van alle schepen zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken en naar de behoeften van de schepen die daarvan gebruik maken.
  • b. De Regering van elke Partij bij het Verdrag verzekert dat alle schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren, alvorens het Antarctisch gebied binnen te varen zijn uitgerust met een tank of tanks van voldoende capaciteit aan boord voor het aan boord houden van alle vuilnis terwijl zij in bedrijf zijn in het gebied en regelingen hebben gesloten om dit vuilnis af te geven aan een ontvangstinrichting na het verlaten van het gebied.

Voorschrift 6. Uitzonderingen

De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

  • (a). het storten van vuilnis van een schip, indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van schip en opvarenden te verzekeren, of mensenlevens op zee te redden; of
  • (b). het ontsnappen van vuilnis tengevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen vóór en na het ontstaan van de schade, om het ontsnappen te voorkomen of tot een minimum te beperken; of
  • (2c). het toevallige verlies van synthetische visnetten, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen om dit verlies te voorkomen.

Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen

  • (1). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich tot het installeren, in havens en laad- en losplaatsen, van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van vuilnis, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, en die toereikend zijn om te voldoen aan de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
  • (2). De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de inrichtingen welke ingevolge de bepalingen van dit Voorschrift zijn aangebracht als ontoereikend worden aangemerkt, dit ter mededeling aan de betrokken Partijen.

Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord

    1. Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door vuilnis te voorkomen.
    1. In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
    1. De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
    1. Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.

Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis

  • 1.
  • a. Elk schip met een volle lengte van 12 meter of meer moet zijn voorzien van informatieborden die de bemanning en de passagiers informeren over de eisen inzake het storten van vuilnis van Voorschrift 3 en 5 van deze Bijlage, voor zover van toepassing.
  • b. De informatie op de borden wordt geschreven in de voertaal van de bemanning van het schip en, ten aanzien van schepen die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag, tevens in het Engels, Frans of Spaans.
    1. Elk schip met een bruto tonnage van 400 ton en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren heeft een vuilnisbeheerplan, dat de bemanning dient na te komen. Dit plan voorziet in geschreven procedures voor de verzameling, opslag, verwerking en verwijdering van vuilnis, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan wordt tevens de persoon aangewezen die belast is met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de richtlijnen die zijn opgesteld door de Organisatie en dient te zijn geschreven in de werktaal van de bemanning.
    1. Elk schip met een bruto tonnage van 400 en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag en elk vast en drijvend platform gebruikt voor de exploratie en exploitatie van de zeebodem moet zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het vuilnisjournaal moet, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, hetzij anderszins, zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in het Aanhangsel bij deze Bijlage;
  • a. Van elke lozing of voltooide verbranding dient melding te worden gemaakt in het vuilnisjournaal, en deze melding dient te worden ondertekend op de dag van de verbranding of lozing door de officier belast met de handeling. Elke ingevulde bladzijde van het vuilnisjournaal moet worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het vuilnisjournaal dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze aantekeningen doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid;
  • b. De aantekening van elke verbranding of lozing omvat mede de datum en het tijdstip, de positie van het schip, een beschrijving van de vuilnis en de geschatte verbrande of geloosde hoeveelheid;
  • c. Het vuilnisjournaal moet aan boord worden bewaard en op een plaats waar het binnen een redelijke tijd beschikbaar is voor raadpleging. Het document moet gedurende een termijn van twee jaar na de laatste aantekening worden bewaard;
  • d. In geval van lozing, ontsnapping of toevallig verlies als bedoeld in Voorschrift 6 van deze Bijlage dient in het vuilnisjournaal melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom het verlies geschiedde.
    1. De Administratie kan ontheffing verlenen van de eisen voor vuilnisjournaals voor:
  • i. schepen die reizen maken van 1 uur of korter en die gecertificeerd zijn 15 personen of meer te vervoeren; of
  • ii. vaste of drijvende platforms tijdens de exploratie en exploitatie van de zeebodem.
    1. De bevoegde instantie van de Regering van een Partij bij het Verdrag heeft het recht het vuilnisjournaal te controleren aan boord van elk schip waarop dit Voorschrift van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van die Staat bevindt en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de desbetreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het vuilnisjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, moet bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een vuilnisjournaal en het maken van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie in overeenstemming met de bepalingen van deze paragraaf dient zo snel mogelijk te geschieden zonder aan het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
    1. Ten aanzien van schepen die vóór 1 juli 1997 zijn gebouwd, is dit voorschrift van toepassing met ingang van 1 juli 1998.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.

DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.

Voorschrift 13H. Voorkoming van verontreiniging door olie door olietankschepen die zware oliesoorten als vracht vervoeren

    1. Dit Voorschrift is:
  • a. van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 600 ton of meer die zware oliesoorten als vracht vervoeren, ongeacht hun datum van oplevering; en
  • b. niet van toepassing op onder onderdeel a hierboven vallende olietankschepen die voldoen aan Voorschrift 13F, derde lid, onderdelen a en b of aan 13F, vierde lid, of aan 13F, vijfde lid, van deze Bijlage, behalve dat niet in alle opzichten behoeft te worden voldaan aan het vereiste betreffende de minimumafstanden tussen begrenzingen van de ladingtank en de huid- en vlakbeplating van het schip. In dat geval mogen de afstanden voor de bescherming van de scheepshuid niet minder bedragen dan de afstanden die in de International Bulk Chemical Code worden genoemd voor de plaatsing van ladingtanks van type 2 en dient de bescherming van het vlak te voldoen aan Voorschrift 13E, vierde lid, onderdeel b, van deze Bijlage.
    1. Voor de toepassing van dit Voorschrift wordt onder ‘zware oliesoorten’ elk van de volgende soorten verstaan:
  • a. ruwe olie met een dichtheid bij 15° C van meer dan 900 kg/m3;
  • b. stookolie met hetzij een dichtheid bij 15° C van meer dan 900 kg/m3 hetzij een kinematische viscositeit bij 50° C van meer dan 180 mm2/s;
  • c. bitumen, teer en emulsies daarvan.
    1. Olietankschepen waarop dit Voorschrift van toepassing is dienen, naast aan de van toepassing zijnde bepalingen van Voorschrift 13G, te voldoen aan de bepalingen van het vierde tot en met het achtste lid van dit Voorschrift.
    1. Met inachtneming van de bepalingen van het vijfde, zesde en zevende lid van dit Voorschrift, dienen olietankschepen waarop dit Voorschrift van toepassing is:
  • a. met een draagvermogen van 5.000 ton of meer uiterlijk 5 april 2005 te voldoen aan de vereisten van Voorschrift 13F van deze Bijlage; of
  • b. met een draagvermogen van 600 ton of meer, maar minder dan 5.000 ton, uiterlijk op de verjaardatum van de oplevering van het schip in 2008 te worden voorzien van zowel tanks met dubbele bodems of ruimten die voldoen aan de bepalingen van Voorschrift 13F, zevende lid, onderdeel a, van deze Bijlage, als zijtanks of ruimten die zijn ingericht in overeenstemming met Voorschrift 13F, zevende lid, onderdeel a, en die voldoen aan de vereiste voor afstand wals bedoeld in Voorschrift 13F, zevende lid, onderdeel b.
    1. In het geval van olietankschepen met een draagvermogen van 5.000 ton of meer die zware oliesoorten als vracht vervoeren, die alleen voorzien zijn van dubbele bodems of dubbele zijwanden die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en die zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank of dubbelwandige ruimten die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank, maar niet voldoen aan de voorwaarden om te worden vrijgesteld van de bepalingen van het eerste lid, onderdeel b, van dit Voorschrift, kan de Administratie toestaan dat dergelijke vaartuigen na de in het vierde lid van dit Voorschrift vermelde datum in de vaart blijven, mits:
  • a. de schepen op 4 december 2003 in gebruik waren;
  • b. ten genoegen van de Administratie door verificatie van de officiële rapporten is vastgesteld dat de schepen aan de bovenomschreven voorwaarden voldeden;
  • c. de toestand van de bovenbedoelde schepen ongewijzigd blijft; en
  • d. de schepen uiterlijk in de vaart blijven tot de datum waarop zij 25 jaar oud zijn, te rekenen vanaf de datum van oplevering;
  • 6.
  • a. De Administratie kan toestaan dat een olietankschip met een draagvermogen van 5.000 ton of meer dat ruwe olie met een dichtheid bij 15° C van meer dan 900 kg/m3 maar minder dan 945 kg/m3 als vracht vervoert, in de vaart blijft na de in het vierde lid, onderdeel a, van dit Voorschrift vermelde datum, indien bevredigende resultaten van de CAS-inspectie als omschreven in Voorschrift 13G, zesde lid, naar het oordeel van de Administratie, rechtvaardigen dat het schip in de vaart blijft, rekening houdend met de omvang, de leeftijd, het werkgebied en de toestand van de constructie van het schip en mits dat uiterlijk duurt tot de datum waarop het schip 25 jaar oud is, te rekenen vanaf de datum van oplevering.
  • b. De Administratie kan toestaan dat een olietankschip met een draagvermogen van 600 ton of meer, maar minder dan 5.000 ton, dat zware oliesoorten als vracht vervoert in de vaart blijft na de in het vierde lid, onderdeel b, van dit Voorschrift vermelde datum, indien dat, naar het oordeel van de Administratie, mogelijk is, rekening houdend met de omvang, de leeftijd, het werkgebied en de toestand van de constructie van het schip en mits dat uiterlijk duurt tot de datum waarop het schip 25 jaar oud is, te rekenen vanaf de datum van oplevering.
    1. De Administratie van een Partij bij het Verdrag kan een olietankschip met een draagvermogen van 600 ton of meer dat zware oliesoorten als vracht vervoert vrijstelling verlenen van de bepalingen van dit Voorschrift indien het olietankschip:
  • a. ofwel uitsluitend reizen maakt binnen een gebied dat onder haar rechtsmacht valt, of dienst doet als drijvende opslageenheid voor zware oliesoorten in een gebied dat onder haar rechtsmacht valt; of
  • b. ofwel uitsluitend reizen maakt binnen een gebied dat onder de rechtsmacht van een andere Partij valt, of dienst doet als drijvende opslageenheid voor zware oliesoorten in een gebied dat onder de rechtsmacht van een andere Partij valt, mits de Partij in het rechtsgebied waarvan het olietankschip dienst zal doen ermee instemt dat het olietankschip in een gebied onder haar rechtsmacht dienst doet.
  • 8.
  • a. De Administratie van een Partij bij het Verdrag die de toepassing van het vijfde, zesde of zevende lid van dit Voorschrift toestaat, opschort, intrekt of afwijst, met betrekking tot een schip dat onder haar vlag mag varen, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden daarvan toekomen ter verspreiding aan de Partijen bij het Verdrag ter informatie en met het oog op zo nodig passende maatregelen.
  • b. Met inachtneming van de bepalingen van het internationale recht, heeft een Partij bij het Verdrag het recht olietankschepen die varen in overeenstemming met de bepalingen van het vijfde of zesde lid van dit Voorschrift de toegang tot de havens en offshoreterminals onder haar rechtsmacht te weigeren, of de overdracht van schip tot schip van zware oliesoorten in de gebieden die onder haar rechtsmacht vallen te weigeren, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden. In dergelijke gevallen stelt die Partij de Organisatie in kennis van de bijzonderheden daarvan ter verspreiding aan de Partijen bij het Verdrag ter informatie.

Voorschrift 14. Gescheiden houden van brandstofolie en waterballast

  • (1). Behalve zoals bepaald in lid (2) van dit Voorschrift, dient aan boord van nieuwe schepen anders dan olietankschepen, met een bruto tonnage van 4000 ton en meer en aan boord van nieuwe olietankschepen met een bruto tonnage van 150 ton en meer, geen ballastwater in enige brandstofolietank te worden vervoerd.
  • (2). Wanneer ongewone omstandigheden of de noodzaak om grote hoeveelheden brandstofolie mee te voeren, het meevoeren van ander ballastwater dan schoon ballastwater in enige brandstofolietank noodzakelijk maken, dient dit ballastwater te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen of te worden geloosd in zee volgens Voorschrift 9, met gebruikmaking van de uitrusting aangegeven in Voorschrift 16 (2) van deze Bijlage; hiervan dient aantekening te worden gehouden in het Oliejournaal.
  • (3). Alle andere schepen dienen zich, voor zover redelijk en praktisch uitvoerbaar, te houden aan de vereisten van paragraaf (1) van dit Voorschrift.

Voorschrift 15. Het aan boord houden van olie

  • (1). Onverlet het bepaalde in lid (5) en lid (6) van dit Voorschrift worden olietankschepen met een bruto tonnage van 150 ton en meer uitgerust met voorzieningen overeenkomstig de vereisten van lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift, met dien verstande dat, in het geval van bestaande tankschepen, de vereisten inzake bewakings- en regelsystemen voor lozingen en voorzieningen voor sloptanks drie jaren na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag van toepassing zullen zijn.
  • (2).
  • (a). Er dient te worden voorzien in toereikende middelen voor het reinigen van de ladingtanks en het overbrengen van het verontreinigde ballastresidu en tankwaswater van de ladingtanks naar een door de Administratie goedgekeurde sloptank. Aan boord van bestaande olietankschepen mag elke ladingtank worden bestemd als sloptank.
  • (b). Hierbij dienen voorzieningen te worden aangebracht voor het overbrengen van oliehoudend afval naar een sloptank of een combinatie van sloptanks, zodanig dat elke vloeistof die in zee wordt geloosd, zal voldoen aan de bepalingen van Voorschrift 9 van deze Bijlage.
  • (c). De voorzieningen voor de sloptank of de combinatie van sloptanks dienen de nodige capaciteit te hebben om het tankwaswater ontstaan door tankwassen, alsmede de olieresiduen en verontreinigde ballastresiduen te bevatten, met dien verstande dat het totaal voor deze capaciteit niet minder dient te zijn dan 3% van het olielaadvermogen van het schip, behalve dat, waar gescheiden ballasttanks zijn aangebracht overeenkomstig Voorschrift 13 van deze Bijlage, of waar geen voorzieningen zijn aangebracht zoals eductors welke gebruik maken van water naast het tankwaswater, de Administratie 2% kan aanvaarden. Nieuwe olietankschepen met een draagvermogen van meer dan 70.000 ton dienen van ten minste twee sloptanks te zijn voorzien.
  • (d). De sloptanks dienen zo te zijn ontworpen, in het bijzonder met betrekking tot de plaats van in- en uitlaten, keerplaten en -schotten voorzover deze zijn aangebracht, dat overmatige turbulentie en het meevoeren van olie in het water of het vormen van emulsie met het water wordt vermeden.
  • (3).
  • (a). Er dient een door de Administratie goedgekeurd bewakings- en regelsysteem voor olielozingen te worden aangebracht. Bij beschouwing van het ontwerp van de oliegehaltemeter die in het systeem moet worden opgenomen, dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen*)Zie „Aanbeveling voor internationale specificatie-eisen voor de werking van olie-waterafscheiders en oliegehaltemeters”, door de Organisatie aangenomen bij Resolutie A.233 (VII). . Het systeem dient te zijn voorzien van apparatuur voor een doorlopende weergave van de lozing van olie in liters per zeemijl en de totale hoeveelheid geloosde olie, of het oliegehalte en de hoeveelheid geloosde vloeistof per tijdseenheid. Deze weergave dient aanduiding van tijd en datum te bevatten en dient ten minste drie jaren te worden bewaard. Het bewakings- en regelsysteem voor de olielozing dient in werking te treden wanneer er enige lozing van vloeistof in zee plaatsvindt en het dient zo te zijn ingericht dat het verzekert dat elke lozing van een oliehoudend mengsel automatisch wordt gestopt wanneer de hoeveelheid geloosde olie op elk moment van het lozen groter is dan toegestaan ingevolge Voorschrift 9, (1) (a), van deze Bijlage. Elke storing in dit bewakings- en regelsysteem dient de lozing te doen ophouden en dient te worden aangetekend in het Oliejournaal. Er dient in een andere op bediening met de hand gebaseerde methode te zijn voorzien welke gebruikt kan worden in geval van een dergelijke storing; het onklare gedeelte dient echter zo snel mogelijk weer bedrijfsklaar te worden gemaakt. De autoriteit van de Staat waarin de haven gelegen is, kan het tankschip toestaan met een onklaar gedeelte één reis in ballast te ondernemen voordat het een reparatiehaven aandoet. Bestaande olietankschepen dienen te voldoen aan alle hierboven omschreven bepalingen met dien verstande echter dat het stoppen van de lozing met de hand mag geschieden en de hoeveelheid geloosde olie geschat mag worden aan de hand van de pompkarakteristiek.
  • (b). Er dienen door de Administratie goedgekeurde, doelmatige detectoren van het olie-waterscheidingsvlak aanwezig te zijn ten behoeve van een snelle en nauwkeurige bepaling van het olie-waterscheidingsvlak in sloptanks; zij dienen beschikbaar te zijn voor gebruik in andere tanks waarin de scheiding van olie en water tot stand komt en van waaruit men lozing rechtstreeks in zee wil doen plaatsvinden.
  • (c). De richtlijnen met betrekking tot de werking van het systeem dienen in overeenstemming te zijn met een door de Administratie goedgekeurde bedrijfshandleiding. Zij dienen zowel op handbediening als op automatische werking betrekking te hebben en zij dienen erop gericht te zijn te verzekeren, dat er in geen geval olie wordt geloosd, anders dan in overeenstemming met de voorwaarden aangegeven in Voorschrift 9 van deze Bijlage*)Zie ook “Clean Seas Guide for Oil Tankers”, uitgegeven door de International Chamber of Shipping en het Oil Companies International Marine Forum. .
  • (4). De vereisten onder lid (1), lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift zijn niet van toepassing op olietankschepen met een bruto tonnage van minder dan 150 ton, waarbij de naleving van de Regeling van het lozen van olie krachtens Voorschrift 9 van deze Bijlage plaatsvindt door middel van het aan boord houden van olie en de latere afgifte van alle verontreinigd tankwaswater aan ontvangstinrichtingen. De totale hoeveelheid olie en waswater, teruggepompt in een opslagtank, dient te worden vermeld in het Oliejournaal. Deze totale hoeveelheid dient te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen, tenzij toereikende voorzieningen zijn getroffen om te verzekeren dat elke uitstroming van een vloeistof die in zee mag worden geloosd doelmatig wordt bewaakt, ten einde te verzekeren dat aan de bepalingen van Voorschrift 9 van deze Bijlage wordt voldaan.
  • (5). De Administratie kan de vereisten onder lid (1), lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift terzijde stellen voor elk olietankschip dat uitsluitend reizen maakt zowel van een duur van 72 uur of minder als binnen een afstand van 50 mijl vanaf het dichtstbijzijnde land, mits het olietankschip niet in het bezit behoeft te zijn en niet in het bezit is van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie. Elke zodanige terzijdestelling dient onderworpen te zijn aan de eis dat het olietankschip alle oliehoudende mengsels aan boord dient te houden ter latere afgifte aan ontvangstinrichtingen, en aan de bevinding van de Administratie, dat de beschikbare inrichtingen voor het ontvangen van deze oliehoudende mengsels toereikend zijn.
  • (6). In gevallen waarin, naar het oordeel van de Organisatie, de uitrusting voor bewaking van het lozen van geraffineerde lichte produkten (witte oliën), vereist ingevolge de bepalingen van Voorschrift 9 (1) (a) (vi) van deze Bijlage en omschreven onder (3) (a) van dit Voorschrift, niet verkrijgbaar is, kan de Administratie de verplichting tot nakoming van zulk een vereiste terzijde stellen, met dien verstande dat lozing alleen zal worden toegestaan in navolging van door de Organisatie vastgestelde procedures, die dienen te voldoen aan de voorwaarden van Voorschrift 9 (1) (a) van deze Bijlage, uitgezonderd de verplichting tot het in bedrijf hebben van een bewakings- en regelsysteem voor olielozingen. De Organisatie zal de beschikbaarheid van uitrusting nagaan met tussenpozen van niet langer dan twaalf maanden.
  • (7). De vereisten onder lid (1), lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift zijn niet van toepassing op olietankschepen die asfalt vervoeren; de naleving van de regeling van het lozen van asfalt krachtens Voorschrift 9 van deze Bijlage dient te geschieden door het aan boord houden van asfaltresiduen en het afgeven van alle verontreinigd waswater aan ontvangstinrichtingen.

Voorschrift 16. Bewakings- en regelsysteem voor olielozingen en apparatuur voor het filtreren van olie

1.

Elk schip met een bruto-inhoud van 400 ton of meer maar minder dan 10.000 ton dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 4 van dit Voorschrift. Elk zodanig schip dat grote hoeveelheden brandstof vervoert, dient te voldoen aan lid 2 van dit Voorschrift of aan lid 1 van Voorschrift 14.

2.

Elk schip met een bruto-inhoud van 10.000 ton of meer dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie, en met een inrichting voor een alarm en voor het automatisch stoppen van elke lozing van oliehoudende mengsels wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen.

  • a. De Administratie kan ontheffing verlenen van de vereisten van lid 1 en 2 van dit Voorschrift voor een schip dat uitsluitend reizen maakt binnen bijzondere gebieden, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
  • i. het schip is uitgerust met een verzameltank met een voldoende inhoud, naar genoegen van de Administratie, om al het oliehoudende lenswater aan boord te houden;
  • ii. al het oliehoudende lenswater wordt aan boord gehouden voor latere afgifte aan ontvangstvoorzieningen;
  • iii. de Administratie heeft vastgesteld dat voldoende ontvangstvoorzieningen beschikbaar zijn voor het ontvangen van dat oliehoudende lenswater in een voldoende aantal havens of plaatsen waarnaar het schip reizen maakt;
  • iv. het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie, indien vereist, bevat een aantekening waarin wordt verklaard dat het schip uitsluitend reizen maakt binnen bijzondere gebieden; en
  • v. de hoeveelheid, het tijdstip en de haven van afgifte worden aangetekend in het Oliejournaal.
  • b. De Administratie draagt er zorg voor dat schepen met een bruto-inhoud van minder dan 400 ton voor zover praktisch uitvoerbaar zijn uitgerust voor het aan boord houden van olie of oliehoudende mengsels of voor het lozen ervan overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 9, lid 1, letter b, van deze Bijlage.
4.

De in lid 1 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door de apparatuur is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.

5.

De in lid 2 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door het systeem of de systemen is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. De apparatuur dient te zijn voorzien van een alarminrichting die aangeeft wanneer dit gehalte wordt overschreden. Het systeem dient ook te zijn voorzien van een inrichting die verzekert dat elke lozing van oliehoudende mengsels automatisch wordt gestopt wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur en inrichtingen dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.

6.

Voor schepen die voor 6 juli 1993 worden opgeleverd, worden de vereisten van dit Voorschrift van toepassing op 6 juli 1998, mits deze schepen kunnen werken met olie-waterafscheiders (100 p.p.m apparatuur).

Voorschrift 17. Tanks voor olieresiduen (slik)

  • (1). Elk schip met een bruto tonnage van 400 ton en meer dient te worden uitgerust met een of meer tanks met een capaciteit die, gezien het type machines en de lengte van de reis, toereikend is voor het opvangen van olieresiduen (slik) die niet kunnen worden behandeld op enige andere wijze overeenkomstig de voorschriften van deze Bijlage, bijvoorbeeld residuen ontstaan bij het zuiveren van brandstof en smeeroliën en door olielekkages in de machineruimten.
  • (2). In nieuwe schepen dienen deze tanks zo ontworpen en gebouwd te worden dat zij hun reiniging en de afgifte van residuen aan ontvangstinrichtingen vergemakkelijken. Bestaande schepen dienen voorzover redelijk en praktisch uitvoerbaar aan dit vereiste te voldoen.
  • (3). Pijpleidingen naar en vanaf tanks voor slik dienen geen rechtstreekse aansluiting overboord te hebben behalve de in Voorschrift 19 bedoelde standaardaansluiting voor afgifte.

Voorschrift 18. Inrichtingen aan boord van olietankschepen voor pompen, pijpleidingen en lozen

  • (1). Aan boord van elk olietankschip dient op het open dek, aan beide zijden van het schip, een walaansluiting voor afgifte te zijn opgesteld, ter koppeling aan ontvangstinrichtingen voor afgifte van verontreinigd ballastwater of van door olie verontreinigd water.
  • (2). Aan boord van elk olietankschip dienen de pijpleidingen voor het lozen in zee van vloeistoffen, zoals kan worden toegestaan krachtens Voorschrift 9 van deze Bijlage, te worden geleid naar het open dek of naar de zijde van het schip, boven de waterlijn in de zwaarste ballasttoestand. Pijpleidingssystemen welke de handelingen mogelijk maken zoals deze zijn toegestaan onder lid (4) (a) en (b) van dit Voorschrift kunnen in verschillende uitvoeringen aanvaard worden.
  • (3). Aan boord van nieuwe olietankschepen dienen voorzieningen te worden getroffen voor het stoppen van de lozing van vloeistoffen in zee vanaf een plaats op het bovendek of hoger, op een zodanige plaats dat de gebruikte walaansluiting, als bedoeld in lid (1) van dit Voorschrift, en de vloeistof uit de pijpleidingen, als bedoeld in lid (2) van dit Voorschrift, met het oog waarneembaar is. Er behoeven geen voorzieningen voor het stoppen van de lozing bij de waarnemingsplaats te zijn aangebracht, indien een goed werkende verbinding, zoals een telefoon- of radiosysteem, beschikbaar is tussen de waarnemingsplaats en de regelpositie voor de lozing.
  • (4). Alle lozingen dienen boven de waterlijn te geschieden, behalve in de volgende gevallen:
  • (a). gescheiden ballast en schone ballast mogen onder de waterlijn worden geloosd in havens of bij laad- of losplaatsen buitengaats;
  • (b). bestaande schepen, die niet in staat zijn zonder verbouwing gescheiden ballast boven de waterlijn te lozen, mogen gescheiden ballast onder de waterlijn lozen, mits een onderzoek van de tank onmiddellijk voorafgaand aan de lozing heeft uitgewezen dat er geen verontreiniging van de ballast met olie heeft plaatsgevonden.
  • (5). Elk nieuw olietankschip dat moet zijn voorzien van gescheiden ballasttanks, of zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, dient te voldoen aan de navolgende vereisten:
  • (a). het schip moet zijn uitgerust met olieleidingen die zodanig zijn ontworpen en aangebracht dat het achterblijven van olie in de leidingen tot een minimum wordt teruggebracht; en
  • (b). voorzieningen dienen te zijn getroffen teneinde alle ladingpompen en alle ladingleidingen waar nodig na afloop van de lossing leeg te trekken door een stripping aansluiting. Het moet mogelijk zijn de stripping opbrengst zowel naar de wal als naar een ladingtank of sloptank over te brengen. Voor lossing naar de wal moet een aparte leiding met een kleine diameter zijn aangebracht die is verbonden aan de walzijde van de afsluiters in het scheepsmanifold.
  • (6). Elk bestaand olietankschip dat moet zijn voorzien van gescheiden ballasttanks, of moet zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, of aangewezen schone ballasttanks toepast moet voldoen aan de bepalingen onder b van het vijfde lid van dit Voorschrift.

Voorschrift 19. Standaardaansluiting voor afgifte

Ten einde leidingen van ontvangstinrichtingen te kunnen aansluiten op de scheepspijpleiding voor de afgifte van residuen afkomstig van machinekamerlensruimten, dienen beide leidingen te zijn uitgerust met een standaardaansluiting voor afgifte, overeenkomstig de volgende tabel:

Omschrijving Afmeting
uitwendige flensdiameter 215 mm
inwendige flensdiameter overeenkomstig de uitwendige flensdiameter van de pijp
diameter van de steekcirkel der bouten 183 mm
boutgaten 6 gaten van 22 mm middellijn, aangebracht op onderling gelijke afstanden op een steekcirkel van bovengenoemde diameter met sleuven die zijn doorgetrokken tot de omtrek; sleufbreedte: 22 mm
flensdikte 20 mm
bouten en moeren: aantal, diameter 6, elk van 20 mm middellijn en van voldoende lengte

De flens is zo ontworpen dat er pijpleidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm; de flens dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens dient, tezamen met een pakking van oliebestendig materiaal, geschikt te zijn voor een werkdruk van 6 kg/cm2.

Voorschrift 20. Oliejournaal

  • (1). Elk olietankschip met een bruto-tonnage van 150 ton en meer en elk schip, geen olietankschip zijnde, met een bruto tonnage van 400 ton en meer, moet zijn voorzien van een Oliejournaal dat, hetzij als onderdeel van het scheepsdagboek, hetzij anderszins, moet zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
  • (2). Het Oliejournaal dient, voor elke tank afzonderlijk, te worden ingevuld telkens wanneer een van de volgende werkzaamheden aan boord plaatsvindt:
  • (a). Voor olietankschepen:
  • (i). het laden van olie;
  • (ii). het overbrengen van olie van de ene tank naar de andere gedurende de reis;
  • (iii). het openen of sluiten, voor of na het laden of lossen, van afsluiters of soortgelijke inrichtingen die ladingtanks onderling verbinden;
  • (iv). het openen of sluiten van verbindingen tussen lading- en ballastleidingen;
  • (v). het openen of sluiten van overboordafsluiters, tijdens en na laden en lossen;
  • (vi). het lossen van lading;
  • (vii). het ballasten van ladingtanks;
  • (viii). het schoonmaken van ladingtanks;
  • (ix). het lozen van ballast, behalve vanuit gescheiden ballasttanks;
  • (x). het lozen van water uit sloptanks;
  • (xi). het verwijderen van residuen;
  • (xii). het overboord lozen van lenswater dat zich in de ruimten voor machines heeft verzameld gedurende het verblijf in de haven, en de routine lozing op zee van lenswater dat zich heeft verzameld in ruimten voor machines.
  • (b). Voor schepen, geen olietankschepen zijnde:
  • (i). het ballasten of schoonmaken van brandstofolietanks of olielaadruimten;
  • (ii). het lozen van ballastwater of waswater uit tanks bedoeld onder (i) van dit lid;
  • (iii). het verwijderen van residuen;
  • (iv). het overboord lozen van lenswater dat zich in de ruimten voor machines heeft verzameld gedurende het verblijf in de haven, en de routine lozing op zee van lenswater dat zich heeft verzameld in de ruimten voor machines.
  • (3). In geval van lozing van olie of oliehoudende mengsels als bedoeld in Voorschrift 11 van deze Bijlage of in geval van toevallige of andere buitengewone lozing van olie die niet als uitzondering geldt volgens voornoemd Voorschrift, dient melding in het Oliejournaal te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing geschiedde.
  • (4). Elke handeling beschreven in paragraaf (2) van dit Voorschrift dient onverwijld volledig te worden vermeld, en wel zodanig dat alle rubrieken in het journaal die betrekking hebben op de handeling worden ingevuld. Elk deel van het journaal moet door de officier of officieren, belast met de betreffende handelingen, worden ondertekend en door de gezagvoerder worden gewaarmerkt. De aantekeningen in het Oliejournaal dienen in een officiële taal van de Staat welks vlag het schip gerechtigd is te voeren, te worden gesteld, en voor schepen in het bezit van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie, in de Engelse of Franse taal. In geval van een geschil of een tegenstrijdigheid zijn de aantekeningen in een officiële nationale taal van het land welks vlag het schip gerechtigd is te voeren, bepalend.
  • (5). Het Oliejournaal moet op een plaats worden bewaard waar het op elk redelijk tijdstip spoedig beschikbaar is voor raadpleging en het dient, behalve in het geval van onbemand gesleepte schepen, aan boord te worden bewaard. Het journaal moet gedurende een termijn van drie jaar na de laatste aantekening worden bewaard.
  • (6). De bevoegde instantie van de regering van een Verdragsstaat heeft het recht het Oliejournaal te controleren aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Oliejournaal van het schip heeft gewaarmerkt, moet bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een Oliejournaal en het maken van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie ingevolge de bepalingen van deze paragraaf dient zo snel mogelijk te geschieden zonder aan het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.

HOOFDSTUK III. BEPALINGEN TER BEPERKING VAN OLIEVERONTREINIGING DOOR OLIETANKSCHEPEN ALS GEVOLG VAN BESCHADIGINGEN VAN DE ZIJDEN EN HET VLAK VAN HET SCHIP

HOOFDSTUK IV. DE VOORKOMING VAN VERONTREINIGING ALS GEVOLG VAN VOORVALLEN VAN OLIEVERONTREINIGING

Voorschrift 1. Omschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

  • (1). wordt onder „chemicaliën-tankschip” verstaan een schip dat in de eerste plaats is gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen met inbegrip van een „olietankschip”, zoals omschreven in Bijlage I van dit Verdrag, ingeval hiermede een gehele of gedeeltelijke lading schadelijke vloeistoffen in bulk wordt vervoerd;
  • (2). wordt onder „schone ballast” verstaan ballast in een tank die, nadat er voor het laatst een lading in werd vervoerd, die een stof bevatte van de categorie A, B, C of D, grondig is schoongemaakt en waaruit de als gevolg daarvan overgebleven restanten zijn geloosd en welke tank is geleegd overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage;
  • (3). wordt onder „gescheiden ballast” verstaan ballastwater dat wordt ingenomen in een tank, die permanent is bestemd voor het vervoeren van ballast of voor het vervoeren van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke vloeistoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag, en die volledig gescheiden is van de lading en het brandstof oliesysteem;
  • (4). wordt onder „dichtstbijzijnde land” verstaan hetgeen is omschreven in Voorschrift 1 (9) van Bijlage I van dit Verdrag;
  • (5). wordt onder „vloeistoffen” verstaan vloeistoffen met een dampdruk van niet meer dan 2,8 kg/cm2 bij een temperatuur van 37,8 graden Celsius;
  • (6). wordt onder „schadelijke vloeistof” verstaan alle vloeistoffen waarnaar wordt verwezen in Aanhangsel II bij deze Bijlage, of die ingevolge de bepalingen van Voorschrift 3(4) voorlopig zijn ingedeeld in categorie A, B, C of D.
  • (7). wordt onder „bijzonder gebied” verstaan een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer in dat gebied, het volgen van bijzondere voorgeschreven methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen wordt vereist; Bijzondere gebieden zijn:
  • a. het Oostzeegebied,
  • b. het Zwarte-Zeegebied en
  • c. het Antarctisch gebied.
  • (8). wordt onder „het Baltische-Zeegebied” verstaan het gebied omschreven in Voorschrift 10 (1) (b) van Bijlage I van dit Verdrag;
  • (9). wordt onder „het Zwarte-Zeegebied” verstaan het gebied omschreven in Voorschrift 10 (1) (c) van Bijlage I van dit Verdrag.
  • (9A). wordt onder „het Antarctisch gebied” verstaan het gebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
  • (10). Onder „Internationale Code voor het vervoer van chemicaliën in bulk” wordt verstaan: de „Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen voor het vervoer van gevaarlijke chemicaliën in bulk”, zoals aanvaard door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie met Resolutie MEPC 19(22) en eventueel gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en in werking worden gesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een Aanhangsel van een Bijlage.
  • (11). Onder „Bulk chemicaliën Code” wordt verstaan: de „Code voor de bouw en uitrusting van schepen die chemicaliën in bulk vervoeren”, zoals aanvaard door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie met Resolutie MEPC 20(22) en eventueel gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en in werking worden gesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een Aanhangsel van een Bijlage.
  • (12). Onder „schip gebouwd” wordt verstaan: een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt. Een schip dat verbouwd is tot chemicaliëntanker, wordt, ongeacht de datum van de bouw, beschouwd als een chemicaliëntanker die gebouwd is op de datum waarop met deze verbouw is begonnen. Deze bepaling inzake de verbouw van schepen is niet van toepassing op de wijziging van een schip dat aan alle volgende voorwaarden voldoet:
  • (a). het schip is gebouwd vóór 1 juli 1986; en
  • (b). met betrekking tot het schip is krachtens de „Bulk Chemicaliën Code” een certificaat afgegeven voor het uitsluitende vervoer van die produkten welke door de Code zijn aangemerkt als stoffen die alleen kans op verontreiniging opleveren.
  • (13). Onder „soortgelijk stadium van aanbouw” wordt verstaan: het stadium waarin:
  • (a). de bouw als die van een bepaald schip herkenbaar is; en
  • (b). met de samenbouw van dit schip is begonnen, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, welke van deze twee de laagste is.
  • (14). ,Verjaardatum’ betekent de dag en de maand van elk jaar overeenkomend met de vervaldatum van het Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk.

Voorschrift 2. Toepassing

  • (1). Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren.
  • (2). Wanneer een lading, waarvoor de bepalingen gelden van Bijlage I van dit Verdrag, in de laadruimte van een chemicaliën-tankschip wordt vervoerd, gelden tevens de desbetreffende voorschriften van Bijlage I van dit Verdrag.
  • (3). Voorschrift 13 van deze Bijlage is alleen van toepassing op schepen waarin stoffen worden vervoerd die ingedeeld zijn in de categorieën A, B of C, met het doel het lozen daarvan te beheersen.
  • (4). Voor schepen die vóór 1 juli 1986 zijn gebouwd, zijn de bepalingen van Voorschrift 5 van deze Bijlage met betrekking tot de eis inzake lozing onder de waterlijn en maximumconcentratie in de volgstroom van het schip met ingang van 1 januari 1988 van toepassing.
  • (5). De Administratie kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage worden voorgeschreven, op een schip toestaan, mits deze onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele methoden voor de beheersing van de lozing van schadelijke vloeistoffen als equivalent van de door Voorschriften in deze Bijlage voorgeschreven ontwerp- en constructievormen.
  • (6). De Administratie die krachtens het bepaalde in lid (5) van dit Voorschrift het aanbrengen toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage zijn voorgeschreven, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden daarvan, waarna de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen.
  • (7).
  • a. Indien een wijziging van deze Bijlage en van de IBC-Code en de Bulk Chemical Code veranderingen inhoudt voor de bouw of de uitrusting en de installaties als gevolg van het aanscherpen van de vereisten voor het vervoer van bepaalde stoffen, kan de Administratie de toepassing van deze wijziging voor een omschreven periode aanpassen of uitstellen voor schepen gebouwd voor de datum waarop deze wijziging van kracht wordt, indien de onmiddellijke toepassing van deze wijziging onredelijk of onuitvoerbaar wordt geacht. De mate van versoepeling wordt ten aanzien van elke stof afzonderlijk bepaald, met inachtneming van de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.1)Verwezen wordt naar de Richtlijnen voor de toepassing van wijzigingen van de lijst van stoffen in Bijlage II bij MARPOL 73/78 en de IBC-Code en de BCH-Code met betrekking tot verontreinigingsrisico's, goedgekeurd door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu en bekendgemaakt in MEPC/Circ. 266.
  • b. De Administratie die uit hoofde van dit lid een versoepeling van de toepassing van een wijziging toestaat, dient bij de Organisatie een rapport in dat bijzonderheden bevat van het desbetreffende schip of de desbetreffende schepen, de vervoerde ladingen, de handelstak waarin elk schip wordt gebruikt, en de gronden voor de versoepeling, ter verspreiding onder de Partijen bij het Verdrag te hunner informatie en ten behoeve van eventuele passende maatregelen.

Voorschrift 3. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen

  • (1). Voor de toepassing van de Voorschriften van deze Bijlage worden schadelijke vloeistoffen ingedeeld in de volgende vier categorieën:
  • (a). Categorie A - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een groot gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of die ernstige schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve de toepassing rechtvaardigen van strikte maatregelen Ier voorkoming van verontreiniging.
  • (b). Categorie B - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of die schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve de toepassing rechtvaardigen van bijzondere maatregelen ter voorkoming van verontreiniging.
  • (c). Categorie C - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een gering gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of die geringe schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve een bijzondere behandeling vereisen.
  • (d). Categorie D - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een waarneembaar gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of minimale schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve enige aandacht bij de behandeling ervan vergen.
  • (2). Richtlijnen voor de indeling in categorieën van schadelijke vloeistoffen worden gegeven in Aanhangsel I van deze Bijlage.
  • (3). Naar de in bulk vervoerde en tot nu toe in categorieën ingedeelde schadelijke vloeistoffen waarop de bepalingen van deze Bijlage van toepassing zijn, wordt verwezen in Aanhangsel II bij deze Bijlage.
  • (4). Wanneer wordt voorgesteld een vloeistof in bulk te vervoeren, die niet in een categorie is ingedeeld ingevolge paragraaf (1) van dit Voorschrift of die niet is beoordeeld zoals bedoeld in Voorschrift 4 (1) van deze Bijlage, komen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag die bij het voorgestelde vervoer zijn betrokken een voorlopige beoordeling overeen voor het voorgestelde vervoer, zulks op grond van de richtlijnen bedoeld in paragraaf (2) van dit Voorschrift. Totdat de betrokken Regeringen volledige overeenstemming hebben bereikt, wordt de stof vervoerd onder de strengste van de voorgestelde voorwaarden. Zo spoedig mogelijk, doch niet later dan negentig dagen na het eerste vervoer, stelt de Administratie de Organisatie daarvan in kennis en verschaft zij nadere bijzonderheden over de stof en voorlopige beoordeling ter onverwijlde toezending aan alle Partijen te hunner inlichting en overweging. De Regering van elke Partij heeft negentig dagen daaraanvolgend de tijd om haar opmerkingen aan de Organisatie toe te zenden, met betrekking tot de beoordeling van de stof.

Voorschrift 4. Overige vloeistoffen

  • (1). De stoffen waarnaar wordt verwezen in Aanhangsel III bij deze Bijlage zijn beoordeeld, en hierbij is vastgesteld dat zij niet vallen onder categorie A, B, C of D, zoals omschreven in Voorschrift 3(1) van deze Bijlage, aangezien zij op het ogenblik niet schadelijk worden geacht voor de gezondheid van de mens, de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden en ander rechtmatig gebruik van de zee, wanneer zij in zee worden geloosd als gevolg van het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast.
  • (2). De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen van lenswater of ballastwater of andere restanten of mengsels die alleen stoffen bevatten waarnaar wordt verwezen in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
  • (3). De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen in zee van schone ballast of gescheiden ballast.

Voorschrift 5. Het lozen van schadelijke vloeistoffen

Behoudens het bepaalde in lid 14 van dit Voorschrift en van Voorschrift 6 van deze Bijlage,

  • (1). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie A zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (a) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten. Ingeval tanks die dergelijke stoffen of mengsels bevatten, moeten worden gewassen, dienen de aldus ontstane restanten in een ontvangstinstallatie te worden geloosd, totdat de concentratie van de stof in de in deze installatie uitstromende vloeistof is gedaald tot of onder 0,1 gewichtsprocent en totdat de tank leeg is, met uitzondering van fosfor, geel of wit, waarvoor de concentratie in de resterende vloeistof 0,01 gewichtsprocent dient te zijn. Al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd, indien ook aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
  • (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
  • (b). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
  • (c). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
  • (2). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie B zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (b) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
  • (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
  • (b). de werkwijze en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijze en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op de door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat concentratie, snelheid en hoeveelheid van de uitstromende vloeistof zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 1 deel per miljoen niet overschrijdt;
  • (c). de maximum hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximum hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijzen bedoeld onder (b) van deze paragraaf, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud in m3;
  • (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
  • (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
  • (3). zal het lozen in zee verboden zijn van stoffen van categorie C zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (c) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of van andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
  • (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
  • (b). de werkwijze en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijzen en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op de door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat concentratie, snelheid en hoeveelheid van de uitstromende vloeistof zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 10 delen per miljoen niet overschrijdt;
  • (c). de maximum hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximum hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijzen bedoeld onder (b) van deze paragraaf, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 3 m3 of 1/1000ste van de tankinhoud in m3;
  • (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
  • (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)