Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij

Type Verdrag
Publication 2026-03-01
State In force
Source BWB
artikelen 20
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Voor de toepassing van Hoofdstuk 4:

    1. wordt onder bestaand schip verstaan een schip dat geen nieuw schip is.
    1. wordt onder nieuw schip verstaan een schip:
  • .1. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 januari 2013; of
  • .2. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juli 2013; of
  • .3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 juli 2015.
    1. wordt onder belangrijke wijziging in verband met Hoofdstuk 4 verstaan een wijziging van een schip:
  • .1. waardoor de afmetingen, het laadvermogen of het motorvermogen van het schip in belangrijke mate veranderen; of
  • .2. waardoor het type van het schip verandert; of
  • .3. waarmee, naar het oordeel van de Administratie, voornamelijk beoogd wordt de levensduur van het schip te verlengen; of
  • .4. waardoor het schip anderszins zodanig verandert dat het, indien het een nieuw schip zou betreffen, zou worden onderworpen aan de relevante bepalingen van dit Verdrag die niet op een bestaand schip van toepassing zijn; of
  • .5. waardoor de energie-efficiëntie van het schip in belangrijke mate verandert en die gepaard gaat met aanpassingen waardoor het schip de van toepassing zijnde vereiste EEDI, zoals vervat in voorschrift 21, zou kunnen overschrijden.
    1. wordt onder bulkcarrier verstaan een schip dat hoofdzakelijk bedoeld is voor het vervoer van droge lading in bulk, met inbegrip van scheepstypen als ertsschepen zoals omschreven in SOLAS Hoofdstuk XII, voorschrift 1, maar uitgezonderd combinatietankers.
    1. wordt ondergastanker in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een vrachtschip, niet zijnde een lng-tanker als omschreven in paragraaf 38 van dit voorschrift, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van een vloeibaar gemaakt gas.
    1. wordt onder containerschip verstaan een schip dat uitsluitend ontworpen is voor het vervoer van containers in laadruimen of aan dek.
    1. wordt onder algemeen vrachtschip verstaan een schip met een of meerdere dekken dat hoofdzakelijk ontworpen is voor het vervoer van algemene lading. Onder deze begripsomschrijving vallen geen gespecialiseerde droge-ladingschepen, die niet zijn opgenomen in de berekening van de referentielijnen voor algemene vrachtschepen, te weten vrachtschepen voor vee, lichterschepen, zwaartransportschepen, jachttransportschepen en schepen voor het vervoer van splijtstoffen.
    1. wordt onder koelschip verstaan een schip dat uitsluitend ontworpen is voor het vervoer van gekoelde lading in laadruimen.
    1. wordt onder combinatietanker verstaan een schip dat ontworpen is om 100% van zijn draagvermogen te gebruiken voor het vervoer van zowel vloeibare als droge bulklading.
    1. wordt onder passagiersschip verstaan een schip dat meer dan 12 passagiers vervoert.
    1. wordt onder rorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) verstaan een rij-op-rij-af-vrachtschip met meerdere dekken dat ontworpen is voor het vervoer van lege voertuigen en vrachtvoertuigen.
    1. wordt onder rorovrachtschip verstaan een schip ontworpen voor het vervoer van rij-op-rij-af-ladingvervoerseenheden.
    1. wordt onder roropassagiersschip verstaan een passagiersschip met rij-op-rij-af-laadruimen.
    1. wordt onder bereikte EEDI verstaan de EEDI-waarde die door een individueel schip wordt behaald in overeenstemming met voorschrift 20 van Hoofdstuk 4.
    1. wordt onder vereiste EEDI verstaan de maximumwaarde van de bereikte EEDI die ingevolge voorschrift 21 van Hoofdstuk 4 is toegestaan voor het specifieke scheepstype en de omvang.
    1. wordt onder lng-tanker in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een vrachtschip gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van vloeibaar gemaakt aardgas (lng).
    1. wordt onder cruiseschip in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een passagiersschip zonder ladingdek dat uitsluitend is ontworpen voor het commercieel vervoer van passagiers in overnachtingsaccommodaties tijdens een zeereis.
    1. wordt onder conventionele voortstuwing in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een voortstuwingsmethode waarbij de primaire aandrijving wordt gevormd door een of meer hoofdzuigerverbrandingsmotoren die rechtstreeks of via een versnellingsbak gekoppeld zijn aan een aandrijfas.
    1. wordt onder niet-conventionele voortstuwing in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een voortstuwingsmethode anders dan conventionele voortstuwing, met inbegrip van diesel-elektrische voortstuwing, voorstuwing met turbines en hybride voortstuwing.
    1. wordt ondervrachtschip dat in staat is ijs te breken in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een vrachtschip dat is ontworpen om zelfstandig ijslagen te breken met een snelheid van ten minste 2 knopen waarbij de ijslaag een dikte heeft van 1.0 meter of meer en een buigsterkte van ten minste 500 kPa.
    1. wordt onder een schip opgeleverd op of na 1 september 2019 verstaan een schip:
  • .1. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 september 2015; of
  • .2. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 maart 2016; of
  • .3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 september 2019.
  • Voor de toepassing van deze Bijlage:
    1. wordt onder Audit verstaan: een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
    1. wordt onder Auditprogramma verstaan: het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
    1. wordt onder Implementatiecode verstaan: de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
    1. wordt onder Auditnorm verstaan: de Implementatiecode.

Voorschrift 3. Uitzonderingen en vrijstellingen

1.

De voorschriften van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

  • .1. elke emissie die noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
  • .2. elke emissie ten gevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
  • .2.1. mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de emissie alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de emissie te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
  • .2.2. uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, ofwel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan.
2.

De Administratie van een Partij kan in samenwerking met andere Administraties als dat van toepassing is, een schip vrijstellen van specifieke bepalingen van deze Bijlage ten behoeve van de uitvoering van testen en onderzoek voor de ontwikkeling van emissiereductie- en beheersingstechnologieën alsmede ontwerpprogramma's voor scheepsmotoren. Dergelijke vrijstellingen worden uitsluitend verleend indien de toepassing van specifieke bepalingen van de Bijlage of de herziene NOx Technische Code 2008 ten koste zou gaan van onderzoek naar de ontwikkeling van dergelijke technologieën of programma's. Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend voor het minimum aantal benodigde schepen, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:

  • .1. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderinhoud van ten hoogste 30 liter, waarbij de test op zee ten hoogste 18 maanden mag duren. Indien meer tijd vereist is, kan of kunnen de Administratie of Administraties die vrijstelling verleent of verlenen een verlenging toestaan met eenmaal 18 maanden; of
  • .2. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderhoud van 30 liter of meer mag een test of onderzoek ten hoogste 5 jaar duren en dient de voortgang bij elk tussentijds onderzoek te worden getoetst door de Administratie of Administraties die de vrijstelling heeft of hebben verleend. Op grond van deze toetsing kan de vrijstelling worden ingetrokken indien de test of het onderzoek niet voldeed aan de voorwaarden voor de vrijstelling of indien wordt vastgesteld dat de technologie of het programma naar verwachting geen doeltreffende resultaten zal opleveren voor de beperking en beheersing van emissies door schepen. Indien de toetsende Administratie of Administraties vaststelt of vaststellen dat meer tijd nodig is voor een test of onderzoek met een bepaalde technologie of bepaald programma kan de vrijstelling met ten hoogste vijf jaar worden verlengd.

3.1. Emissies die direct voortvloeien uit de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem zijn, overeenkomstig artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder ii, van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten het volgende:

  • .1. emissies die voortvloeien uit de verbranding van stoffen die uitsluitend en direct het gevolg zijn van de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem, met inbegrip van maar niet beperkt tot het affakkelen van koolwaterstoffen en de verbranding van boorgruis, slijk en/of stimuleringsspoelingen bij de afwerking van de put en testoperaties en het affakkelen als gevolg van het spoelen naar de oppervlakte;
  • .2. het vrijkomen van gassen en vluchtige stoffen die worden meegevoerd met boorspoelingen en gruis;
  • .3. emissies die uitsluitend en direct verband houden met de bewerking, behandeling of opslag van mineralen uit de zeebodem; en
  • .4. emissies van scheepsdieselmotoren die uitsluitend worden gebruikt voor de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem.

3.2. De vereisten van voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.

Voorschrift 4. Gelijkwaardige voorzieningen

1.

De Administratie van een Partij kan toestaan dat installaties, materialen, middelen of toestellen worden aangebracht op een schip of dat er andere procedures, brandstofolie of methodes worden gebruikt dan degene die worden vereist door deze Bijlage, indien dergelijke installaties, materialen, middelen of toestellen, procedures, brandstofolie of methoden wat betreft emissiebeperking ten minste even doeltreffend zijn als degene die door deze Bijlage, met inbegrip van de normen vervat in de voorschriften 13 en 14, worden vereist.

2.

De Administratie van een Partij die het aanbrengen in een schip toestaat van andere installaties, materialen, middelen of toestellen of andere procedures, brandstofolie of methodes dan degene die in deze Bijlage worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen vervolgens aan de Partijen.

3.

De Administratie van een Partij neemt eventueel door de Organisatie ontwikkelde relevante richtlijnen met betrekking tot de in dit voorschrift voorziene gelijkwaardige voorzieningen in aanmerking.

4.

De Administratie van een Partij die het gebruik van een gelijkwaardige voorziening als omschreven in het eerste lid van dit voorschrift toestaat, spant zich in om schade aan het milieu, de volksgezondheid, goederen of hulpmiddelen van die of andere Staten te voorkomen.

5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing

5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren van het gebied.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.

DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.

Voorschrift 13. Ontvangstinrichtingen voor passagiersschepen in bijzondere gebieden

1.

Elke partij waarvan de kustlijn grenst aan een bijzonder gebied verbindt zich ertoe te waarborgen dat:

  • .1. voorzien wordt in inrichtingen voor het in ontvangst nemen van sanitair afval in havens en laad- en losplaatsen in een bijzonder gebied die door passagiersschepen worden gebruikt;
  • .2. de inrichtingen toereikend zijn voor de behoeften van deze passagiersschepen; en
  • .3. de inrichtingen zodanig worden geëxploiteerd dat zij geen onnodig oponthoud van deze passagiersschepen veroorzaken.
2.

De Regering van elke betrokken partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen die zijn getroffen ingevolge subparagraaf .1 van dit voorschrift. Na ontvangst van voldoende kennisgevingen in overeenstemming met subparagraaf .1 stelt de Organisatie een datum vast waarop de vereisten van voorschrift 11.3 ten aanzien van het betreffende gebied van kracht worden. De Organisatie stelt alle partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum. Tot de aldus vastgestelde datum moeten schepen die in een bijzonder gebied varen voldoen aan de vereisten van voorschrift 11.1 van deze Bijlage.

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Voorschrift 14. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord

1.

Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de vereisten uit hoofde van deze Bijlage met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door sanitair afval te voorkomen.

2.

In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.

3.

De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.

4.

Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag voorziene vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.

Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat

    1. Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage aan elk schip dat reizen maakt naar havens of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag. Ten aanzien van bestaande schepen zal dit vereiste vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage van toepassing worden.
    1. Deze certificaten worden afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie1)Zie de door de Organisatie bij resolutie A.739(18) aangenomen Richtlijnen voor de bevoegdverklaring van organisaties die optreden namens Administraties en de door de Organisatie bij resolutie A.789(19) aangenomen Specificaties inzake de onderzoeks- en certificeringsfuncties van erkende organisaties die optreden namens de Administratie.. In alle gevallen neemt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.

Voorschrift 6. Afgifte of aantekening op een certificaat door de Regering van een ander land

    1. Op verzoek van de Administratie kan de Regering van een Partij bij het Verdrag een schip doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van dit Verdrag wordt voldaan, geeft zij het certificaat af of geeft zij toestemming voor afgifte van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval aan het schip, en waar van toepassing plaatst zij een aantekening op het certificaat of geeft zij toestemming voor het plaatsen van een aantekening op dat certificaat van het schip in overeenstemming met deze Bijlage.
    1. Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die om het onderzoek heeft verzocht.
    1. Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde geldigheid en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 5 van deze Bijlage.
    1. Er wordt geen internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door sanitair afval afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.

Voorschrift 7. Model van het certificaat

Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat

    1. Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgestelde termijn die evenwel niet langer is dan vijf jaar.
  • 2.
  • .1 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond binnen drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat, onverminderd de vereisten van punt 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
  • .2 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
  • .3 Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt afgerond, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond.
    1. Indien een certificaat wordt afgegeven voor een periode van minder dan vijf jaar, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen tot na de vervaldatum tot de maximumperiode genoemd in punt 1 van dit voorschrift.
    1. Indien een hernieuwd onderzoek is afgerond en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden geplaatst , kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig gedurende een nieuwe termijn die evenwel niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
    1. Indien een schip op het tijdstip waarop een certificaat vervalt zich niet in de haven bevindt waarin het dient te worden onderzocht, kan deAdministratie de geldigheidstermijn van het certificaat verlengen, maar verlenging mag alleen geschieden om het schip in staat te stellen de reis naar de haven waarin het dient te worden onderzocht te voltooien en zulks uitsluitend in gevallen waarin dat passend en redelijk lijkt. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
    1. Voor een certificaat afgegeven aan een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde vervaldatum. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
    1. Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de vervaldatum van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2 onder 5 of 6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
    1. Een certificaat afgegeven uit hoofde van voorschrift 5 of 6 is niet langer geldig in de volgende gevallen:
  • .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn afgerond binnen de termijnen vermeld in voorschrift 4.1 van deze Bijlage; of
  • .2 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 4.7 en 4.8 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.

Voorschrift 9. Havenstaatcontrole op operationele vereisten

1.

Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere partij wordt onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door bedoelde partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de in deze Bijlage bedoelde operationele vereisten, wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door vuilnis te voorkomen.

2.

In de omstandigheden bedoeld in de eerste paragraaf van dit voorschrift, neemt de partij de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat het schip niet uitvaart totdat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.

3.

De procedures betreffende havenstaatcontrole voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.

4.

Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde operationele vereisten aan boord controleert, worden beperkt.

Voorschrift 10. Plakkaten, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van het vuilnisjournaal

  • .1. Elk schip met een lengte over alles van 12 meter of meer en elk vast of drijvend platform dient plakkaten te tonen die de bemanning en de passagiers informeren over de lozingsvoorwaarden in de voorschriften 3, 4, 5 en 6 van deze Bijlage, voor zover van toepassing.
  • .2. De informatie op de plakkaten wordt geschreven in de werktaal van de bemanning van het schip en, ten aanzien van schepen die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere partijen bij het Verdrag, tevens in het Engels, Frans of Spaans.
2.

Ieder schip met een brutotonnage van 100 of meer en ieder schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren alsmede vaste of drijvende platforms moeten een vuilnisbeheerplan hebben, dat de bemanning dient na te komen. Dit plan voorziet in schriftelijke procedures voor het minimaliseren, verzamelen, opslaan, verwerken en verwijderen van vuilnis, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan worden tevens de persoon of personen aangewezen die belast zijn met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de richtsnoeren die zijn ontwikkeld door de Organisatie2 en dient te zijn geschreven in de werktaal van de bemanning.

3.

Ieder schip met een brutotonnage van 400 of meer en ieder schip dat gecertificeerd is om 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van een andere partij bij het Verdrag en elk vast of drijvend platform dient te zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het vuilnisjournaal dient, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, hetzij anderszins, te zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in het aanhangsel bij deze Bijlage:

  • .1. Elke lozing in zee of naar een ontvangstinstallatie of een volledige verbranding dient onmiddellijk te worden aangetekend in het vuilnisjournaal, en deze aantekening dient te worden ondertekend op de datum van de lozing of verbranding door de verantwoordelijke officier. Elke ingevulde bladzijde van het vuilnisjournaal dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het vuilnisjournaal dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn de aantekeningen in die taal doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid;
  • .2. De aantekening van elke lozing of verbranding omvat mede de datum en het tijdstip, de positie van het schip, de categorie van het vuilnis en de geschatte geloosde of verbrande hoeveelheid;
  • .3. Het vuilnisjournaal dient aan boord van het schip of het vaste of drijvende platform te worden bewaard en op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie op elk redelijk tijdstip. Het document dient gedurende een termijn van ten minste twee jaar na de laatste aantekening te worden bewaard;
  • .4. In geval van lozing of onbedoeld verlies als bedoeld in voorschrift 7 van deze Bijlage dient in het vuilnisjournaal of, bij schepen van minder dan 400 brutoton in het scheepsjournaal, een aantekening te worden gemaakt van de locatie, de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing of het verlies geschiedde en welke redelijke voorzorgsmaatregelen zijn genomen om een dergelijke lozing of dergelijk verlies te voorkomen of tot een minimum te beperken.
4.

De Administratie kan ontheffing verlenen van de eisen voor vuilnisjournaals voor:

  • .1. schepen die reizen maken van een (1) uur of korter en die gecertificeerd zijn 15 personen of meer te vervoeren; of
  • .2. vaste of drijvende platforms.
5.

De bevoegde autoriteit van de Regering van een partij bij het Verdrag kan het vuilnisjournaal of het scheepsjournaal controleren aan boord van elk schip waarop dit voorschrift van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift maken van elke aantekening in deze journaals, en van de kapitein van het schip verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de betreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het vuilnisjournaal of het scheepsjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, dient bij alle gerechtelijke procedures te worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een vuilnisjournaal of scheepsjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde autoriteit ingevolge deze paragraaf dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder voor het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.

6.

Het onbedoelde verlies of lozen van vistuig zoals voorzien in de voorschriften 7.1.3 en 7.1.3bis dat een ernstige bedreiging vormt voor het mariene milieu of de scheepvaart wordt gemeld aan de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, en, wanneer het verlies of lozen plaatsvindt in wateren die vallen onder de rechtsmacht van een kuststaat, tevens aan deze kuststaat.

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Voorschrift 1. Toepassing

De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op alle schepen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in de voorschriften 3, 5, 6, 13, 15, 16, 18, 19, 20, 21 en 22 van deze Bijlage.

Voorschrift 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

    1. wordt onder Bijlage verstaan Bijlage VI bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (MARPOL), zoals gewijzigd bij het Protocol daarbij van 1978, en zoals gewijzigd bij het Protocol van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
    1. wordt ondereen soortgelijk bouwstadiumverstaan het stadium waarin:
  • .1. de bouw specifiek voor een bepaald schip aanvangt; en
  • .2. is begonnen met de montage van dat schip, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
    1. wordt onder verjaardatum verstaan de dag en de maand van elk jaar overeenkomend met de datum waarop het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging verstrijkt.
    1. wordt onder beheersingshulpvoorziening verstaan een systeem, functie of beheersingsstrategie die op een scheepsdieselmotor is geïnstalleerd om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken. Een beheersingshulpvoorziening kan eveneens een strategie of maatregel zijn waarvan afdoende is aangetoond dat zij geen manipulatievoorziening is.
    1. wordt doorlopende toevoer omschreven als het proces waarbij afval zonder menselijke tussenkomst naar een verbrandingskamer wordt gevoerd, terwijl de verbrandingsinrichting zich in de normale bedrijfstoestand bevindt met een bedrijfstemperatuur in de verbrandingskamer tussen 850°C en 1200°C.
    1. wordt onder manipulatievoorziening verstaan een voorziening die werkingsvariabelen (bijv. toerental van de motor, temperatuur, inlaatdruk of een andere parameter) meet of met een sensor bepaalt of daarop reageert voor het op zodanige wijze activeren, moduleren, vertragen of uitschakelen van een onderdeel of het functioneren van het emissiebeheersingssysteem, dat de doeltreffendheid van het emissiebeperkingssysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij normaal gebruik kunnen optreden, tenzij het gebruik van een dergelijke voorziening grotendeels in aanmerking wordt genomen in de toegepaste testprocedures voor emissiecertificatie.
    1. wordt onder emissie verstaan elk vrijkomen vanaf schepen in de atmosfeer of de zee van stoffen die onder de beheersing uit hoofde van deze Bijlage vallen.
    1. wordt onder gebied voor emissiebeheersing verstaan een gebied waar aanneming van bijzondere verplichte maatregelen voor emissies door schepen vereist is teneinde luchtverontreiniging door NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan en de daarmee gepaard gaande schadelijke invloed op de volksgezondheid en het milieu te voorkomen, beperken en beheersen. Gebieden voor emissiebeheersing omvatten de gebieden genoemd in of aangewezen conform de voorschriften 13 en 14 van deze Bijlage.
    1. wordt onder brandstofolie verstaan brandstof geleverd aan en gebruikt voor verbrandingsdoeleinden voor de voorstuwing of bedrijfsdoeleinden aan boord van een schip, met inbegrip van destillaten en residuale brandstof.
    1. wordt onder installaties met betrekking tot voorschrift 12 van deze Bijlage verstaan de installatie van systemen, uitrusting, met inbegrip van draagbare brandblusvoorzieningen, isolatie of ander materiaal op een schip, echter met uitzondering van het herstel of opnieuw vullen van eerder geïnstalleerde systemen, uitrusting, isolatie of ander materiaal of het opnieuw vullen van draagbare brandblusvoorzieningen.
    1. wordt onder geïnstalleerde motor verstaan een scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is of dient te worden op een schip, met inbegrip van verplaatsbare hulpscheepsdieselmotoren mits het brandstoftoevoer-, koelings- of uitlaatsysteem vast onderdeel uitmaakt van het schip. Een brandstoftoevoersysteem wordt uitsluitend als een vast onderdeel van het schip aangemerkt indien het duurzaam verbonden is met het schip. Deze omschrijving omvat mede scheepsdieselmotoren die worden gebruikt ter aanvulling of versterking van de geïnstalleerde capaciteit van het schip en beoogd zijn als een integrerend onderdeel ervan.
    1. wordt onder abnormale emissiebeheersingsstrategie verstaan elke strategie of maatregel die wanneer het schip onder normale bedrijfsomstandigheden wordt bestuurd de doelmatigheid van het emissiebeperkingssysteem beperkt tot een niveau onder dat hetgeen verwacht wordt bij de van toepassing zijnde emissietestprocedures.
    1. wordt onder scheepsdieselmotor verstaan een interne-zuigerverbrandingsmotor die op vloeibare brandstoffen of dual fuel functioneert en waarop voorschrift 13 van deze Bijlage van toepassing is, met inbegrip van eventueel toegepaste drukvullings- of compoundsystemen.
    1. wordt onder de NOx Technische Code verstaan de Technische code inzake de beheersing van de emissie van stikstofoxiden door scheepsdieselmotoren, aangenomen bij resolutie 2 van de MARPOLconferentie van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
  • halon 1211 broomchloordifluormethaan
  • halon 1301 broomtrifluormethaan
  • halon 2402 1, 2-dibroom-1, 1, 2, 2-tetrafluorethaan (ook bekend als halon 114B2)
  • CFK-11 trichloorfluormethaan
  • CFK-12 dichloordifluormethaan
  • CFK-113 1, 1, 2 – trichloor – 1, 2, 2 – trifluorethaan
  • CFK-114 1, 2 – dichloor –1, 1, 2, 2 – tetrafluorethaan
  • CFK-115 chloorpentafluorethaan
    1. wordt onder verbranding aan boord verstaan de verbranding van afval of andere stoffen aan boord van een schip, indien dit afval of deze andere stoffen zijn ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van dat schip.
    1. wordt onder verbrandingsinstallatie aan boord verstaan een voorziening ontworpen met verbranding als primair doel.
    1. worden onder schepen die worden gebouwd verstaan schepen waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt.
    1. wordt onder oliehoudend slik verstaan slik uit de afscheiders voor brandstof of smeerolie, afgewerkte smeerolie uit hoofd- of hulpwerktuigen, of afgewerkte olie uit lenswaterafscheiders, apparatuur voor het filtreren van olie of lekbakken.

Voor de toepassing van Hoofdstuk 4:

    1. wordt onder bestaand schip verstaan een schip dat geen nieuw schip is.
    1. wordt onder nieuw schip verstaan een schip:
  • .1. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 januari 2013; of
  • .2. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juli 2013; of
  • .3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 juli 2015.
    1. wordt onder belangrijke wijziging in verband met Hoofdstuk 4 verstaan een wijziging van een schip:
  • .1. waardoor de afmetingen, het laadvermogen of het motorvermogen van het schip in belangrijke mate veranderen; of
  • .2. waardoor het type van het schip verandert; of
  • .3. waarmee, naar het oordeel van de Administratie, voornamelijk beoogd wordt de levensduur van het schip te verlengen; of
  • .4. waardoor het schip anderszins zodanig verandert dat het, indien het een nieuw schip zou betreffen, zou worden onderworpen aan de relevante bepalingen van dit Verdrag die niet op een bestaand schip van toepassing zijn; of
  • .5. waardoor de energie-efficiëntie van het schip in belangrijke mate verandert en die gepaard gaat met aanpassingen waardoor het schip de van toepassing zijnde vereiste EEDI, zoals vervat in voorschrift 21, zou kunnen overschrijden.
    1. wordt onder bulkcarrier verstaan een schip dat hoofdzakelijk bedoeld is voor het vervoer van droge lading in bulk, met inbegrip van scheepstypen als ertsschepen zoals omschreven in SOLAS Hoofdstuk XII, voorschrift 1, maar uitgezonderd combinatietankers.
    1. wordt ondergastanker in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een vrachtschip, niet zijnde een lng-tanker als omschreven in paragraaf 38 van dit voorschrift, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van een vloeibaar gemaakt gas.
    1. wordt onder containerschip verstaan een schip dat uitsluitend ontworpen is voor het vervoer van containers in laadruimen of aan dek.
    1. wordt onder algemeen vrachtschip verstaan een schip met een of meerdere dekken dat hoofdzakelijk ontworpen is voor het vervoer van algemene lading. Onder deze begripsomschrijving vallen geen gespecialiseerde droge-ladingschepen, die niet zijn opgenomen in de berekening van de referentielijnen voor algemene vrachtschepen, te weten vrachtschepen voor vee, lichterschepen, zwaartransportschepen, jachttransportschepen en schepen voor het vervoer van splijtstoffen.
    1. wordt onder koelschip verstaan een schip dat uitsluitend ontworpen is voor het vervoer van gekoelde lading in laadruimen.
    1. wordt onder combinatietanker verstaan een schip dat ontworpen is om 100% van zijn draagvermogen te gebruiken voor het vervoer van zowel vloeibare als droge bulklading.
    1. wordt onder passagiersschip verstaan een schip dat meer dan 12 passagiers vervoert.
    1. wordt onder rorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) verstaan een rij-op-rij-af-vrachtschip met meerdere dekken dat ontworpen is voor het vervoer van lege voertuigen en vrachtvoertuigen.
    1. wordt onder rorovrachtschip verstaan een schip ontworpen voor het vervoer van rij-op-rij-af-ladingvervoerseenheden.
    1. wordt onder roropassagiersschip verstaan een passagiersschip met rij-op-rij-af-laadruimen.
    1. wordt onder bereikte EEDI verstaan de EEDI-waarde die door een individueel schip wordt behaald in overeenstemming met voorschrift 20 van Hoofdstuk 4.
    1. wordt onder vereiste EEDI verstaan de maximumwaarde van de bereikte EEDI die ingevolge voorschrift 21 van Hoofdstuk 4 is toegestaan voor het specifieke scheepstype en de omvang.
    1. wordt onder lng-tanker in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een vrachtschip gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van vloeibaar gemaakt aardgas (lng).
    1. wordt onder cruiseschip in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een passagiersschip zonder ladingdek dat uitsluitend is ontworpen voor het commercieel vervoer van passagiers in overnachtingsaccommodaties tijdens een zeereis.
    1. wordt onder conventionele voortstuwing in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een voortstuwingsmethode waarbij de primaire aandrijving wordt gevormd door een of meer hoofdzuigerverbrandingsmotoren die rechtstreeks of via een versnellingsbak gekoppeld zijn aan een aandrijfas.
    1. wordt onder niet-conventionele voortstuwing in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een voortstuwingsmethode anders dan conventionele voortstuwing, met inbegrip van diesel-elektrische voortstuwing, voorstuwing met turbines en hybride voortstuwing.
    1. wordt ondervrachtschip dat in staat is ijs te breken in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een vrachtschip dat is ontworpen om zelfstandig ijslagen te breken met een snelheid van ten minste 2 knopen waarbij de ijslaag een dikte heeft van 1.0 meter of meer en een buigsterkte van ten minste 500 kPa.
    1. wordt onder een schip opgeleverd op of na 1 september 2019 verstaan een schip:
  • .1. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 september 2015; of
  • .2. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 maart 2016; of
  • .3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 september 2019.

Voorschrift 3. Uitzonderingen en vrijstellingen

1.

De voorschriften van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

  • .1. elke emissie die noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
  • .2. elke emissie ten gevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
  • .2.1. mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de emissie alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de emissie te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
  • .2.2. uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, ofwel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan.
2.

De Administratie van een Partij kan in samenwerking met andere Administraties als dat van toepassing is, een schip vrijstellen van specifieke bepalingen van deze Bijlage ten behoeve van de uitvoering van testen en onderzoek voor de ontwikkeling van emissiereductie- en beheersingstechnologieën alsmede ontwerpprogramma's voor scheepsmotoren. Dergelijke vrijstellingen worden uitsluitend verleend indien de toepassing van specifieke bepalingen van de Bijlage of de herziene NOx Technische Code 2008 ten koste zou gaan van onderzoek naar de ontwikkeling van dergelijke technologieën of programma's. Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend voor het minimum aantal benodigde schepen, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:

  • .1. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderinhoud van ten hoogste 30 liter, waarbij de test op zee ten hoogste 18 maanden mag duren. Indien meer tijd vereist is, kan of kunnen de Administratie of Administraties die vrijstelling verleent of verlenen een verlenging toestaan met eenmaal 18 maanden; of
  • .2. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderhoud van 30 liter of meer mag een test of onderzoek ten hoogste 5 jaar duren en dient de voortgang bij elk tussentijds onderzoek te worden getoetst door de Administratie of Administraties die de vrijstelling heeft of hebben verleend. Op grond van deze toetsing kan de vrijstelling worden ingetrokken indien de test of het onderzoek niet voldeed aan de voorwaarden voor de vrijstelling of indien wordt vastgesteld dat de technologie of het programma naar verwachting geen doeltreffende resultaten zal opleveren voor de beperking en beheersing van emissies door schepen. Indien de toetsende Administratie of Administraties vaststelt of vaststellen dat meer tijd nodig is voor een test of onderzoek met een bepaalde technologie of bepaald programma kan de vrijstelling met ten hoogste vijf jaar worden verlengd.

3.1. Emissies die direct voortvloeien uit de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem zijn, overeenkomstig artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder ii, van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten het volgende:

  • .1. emissies die voortvloeien uit de verbranding van stoffen die uitsluitend en direct het gevolg zijn van de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem, met inbegrip van maar niet beperkt tot het affakkelen van koolwaterstoffen en de verbranding van boorgruis, slijk en/of stimuleringsspoelingen bij de afwerking van de put en testoperaties en het affakkelen als gevolg van het spoelen naar de oppervlakte;
  • .2. het vrijkomen van gassen en vluchtige stoffen die worden meegevoerd met boorspoelingen en gruis;
  • .3. emissies die uitsluitend en direct verband houden met de bewerking, behandeling of opslag van mineralen uit de zeebodem; en
  • .4. emissies van scheepsdieselmotoren die uitsluitend worden gebruikt voor de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem.

3.2. De vereisten van voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.

Voorschrift 4. Gelijkwaardige voorzieningen

1.

De Administratie van een Partij kan toestaan dat installaties, materialen, middelen of toestellen worden aangebracht op een schip of dat er andere procedures, brandstofolie of methodes worden gebruikt dan degene die worden vereist door deze Bijlage, indien dergelijke installaties, materialen, middelen of toestellen, procedures, brandstofolie of methoden wat betreft emissiebeperking ten minste even doeltreffend zijn als degene die door deze Bijlage, met inbegrip van de normen vervat in de voorschriften 13 en 14, worden vereist.

2.

De Administratie van een Partij die het aanbrengen in een schip toestaat van andere installaties, materialen, middelen of toestellen of andere procedures, brandstofolie of methodes dan degene die in deze Bijlage worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen vervolgens aan de Partijen.

3.

De Administratie van een Partij neemt eventueel door de Organisatie ontwikkelde relevante richtlijnen met betrekking tot de in dit voorschrift voorziene gelijkwaardige voorzieningen in aanmerking.

4.

De Administratie van een Partij die het gebruik van een gelijkwaardige voorziening als omschreven in het eerste lid van dit voorschrift toestaat, spant zich in om schade aan het milieu, de volksgezondheid, goederen of hulpmiddelen van die of andere Staten te voorkomen.

Voorschrift 5. Onderzoeken

1.

Ieder schip met een brutotonnage van 400 of meer, alsmede iedere vaste en drijvende boorinstallatie en ander platform wordt onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken teneinde te waarborgen dat aan de vereisten van Hoofdstuk 3 wordt voldaan:

  • .1. Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat vereist volgens voorschrift 6 van deze Bijlage voor de eerste maal wordt afgegeven. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van Hoofdstuk 3;
  • .2. Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 9.2, 9.5, 9.6 of 9.7 van deze Bijlage van toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van Hoofdstuk 3;
  • .3. Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in paragraaf 1.4 van dit voorschrift. Het tussentijdse onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting en voorzieningen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van Hoofdstuk 3 en in goede bedrijfstoestand verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het IAPP-certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage;
  • .4. Een jaarlijks onderzoek binnen drie maanden voor of na elke verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in paragraaf 1.1 van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met paragraaf 5 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip bestemd is. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het IAPP-certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage; en
  • .5. Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek dat, al naargelang de omstandigheden, dient te worden uitgevoerd na een belangrijke reparatie of vervanging als voorgeschreven in paragraaf 5 van dit voorschrift of na een reparatie naar aanleiding van in paragraaf 6 van dit voorschrift voorgeschreven onderzoeken. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de noodzakelijke reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van Hoofdstuk 3.
2.

In het geval van schepen met een brutotonnage van minder dan 400, kan de Administratie passende maatregelen vaststellen teneinde te waarborgen dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van Hoofdstuk 3 wordt voldaan.

3.

Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie.

  • .1. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen hetzij aan daartoe benoemde inspecteurs, hetzij aan door haar erkende organisaties. Deze organisaties dienen te voldoen aan de door de Organisatie aangenomen richtlijnen.
  • .2. Het onderzoek van de scheepsdieselmotoren en uitrusting ten behoeve van naleving van voorschrift 13 van deze Bijlage wordt uitgevoerd in overeenstemming met de herziene NOx Technische Code 2008;
  • .3. Wanneer een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie vaststelt dat de toestand van de uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat, dient deze te verzekeren dat hierin verbetering wordt gebracht en te zijner tijd de Administratie in te lichten. Indien dergelijke verbeteringen niet worden aangebracht, wordt het certificaat door de Administratie ingetrokken. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen; en
  • .4. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
4.

Schepen waarop Hoofdstuk 4 van toepassing is worden tevens onderworpen aan de onderstaande onderzoeken, rekening houdend met de door de Organisatie aangenomen richtsnoeren:

  • .1. Een eerste onderzoek voordat een nieuw schip in dienst wordt gesteld en voordat het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie wordt afgegeven. Bij dit onderzoek wordt geverifieerd of de bereikte EEDI van het schip in overeenstemming is met de vereisten van Hoofdstuk 4 en dat het ingevolge voorschrift 22 vereiste SEEMP aan boord is;
  • .2. Een algeheel of gedeeltelijk onderzoek, al naargelang de omstandigheden, na een belangrijke wijziging van een nieuw schip waarop dit voorschrift van toepassing is. Bij het onderzoek dient gewaarborgd te worden dat de bereikte EEDI zo nodig wordt herberekend en voldoet aan het vereiste van voorschrift 21, waarbij de reductiefactor van toepassing is op het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip in de fase die overeenkomt met de datum van het bouwcontract of de kiellegging of oplevering die is vastgesteld voor het oorspronkelijke schip in overeenstemming met voorschrift 2.23;
  • .3. In gevallen waarin een belangrijke wijziging van een nieuw of bestaand schip zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, bepaalt de Administratie of een eerste onderzoek naar de bereikte EEDI noodzakelijk is. Met een dergelijk onderzoek, indien nodig geacht, wordt gewaarborgd dat de bereikte EEDI wordt berekend en voldoet aan het vereiste van voorschrift 21, waarbij de toepasselijke reductiefactor overeenkomt met het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip op de datum van het contract voor de wijziging, of bij ontbreken van een contract, de datum waarop met de wijziging is begonnen. Bij het onderzoek wordt tevens geverifieerd of het ingevolge voorschrift 22 vereiste SEEMP aan boord is; en
  • .4. Voor bestaande schepen vindt de verificatie of het overeenkomstig voorschrift 22 vereiste SEEMP aan boord is, plaats bij het eerste tussentijdse of hernieuwde onderzoek zoals vermeld in paragraaf 1 van dit voorschrift, al naargelang hetgeen het eerst plaatsvindt, op of na 1 januari 2013.
5.

De uitrusting dient te worden onderhouden in overeenstemming met het bepaalde in deze Bijlage en er mogen geen wijzigingen worden aangebracht in de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking heeft gehad, zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de Administratie. Onmiddellijke vervanging van deze uitrusting en installaties door uitrusting en installaties die voldoen aan het bepaalde in deze Bijlage is toegestaan.

6.

Wanneer een schip bij een ongeval betrokken raakt, of er gebreken worden geconstateerd waardoor de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is, wezenlijk worden beïnvloed, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, een aangewezen inspecteur of erkende organisatie die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten.

Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op certificaten

1.

Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven na een eerste of hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5 van deze Bijlage aan:

  • .1. elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer, dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen; en
  • .2. platforms en boorinstallaties die reizen maken naar wateren onder de soevereiniteit of de rechtsmacht van andere Partijen.
2.

Aan een schip gebouwd voor de datum van inwerkingtreding van Bijlage VI voor de Administratie van het betreffende schip dient uiterlijk op de datum van de eerstvolgende geplande droogzetting in een dok na de inwerkingtreding ervan maar in geen geval later dan drie jaar na die datum, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging in overeenstemming met paragraaf 1 van dit voorschrift te worden afgegeven.

3.

Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening gemaakt hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie. In alle gevallen aanvaardt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat.

4.

Een Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie voor het schip wordt na een onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5.4 afgegeven aan elk schip met een brutotonnage van 400 of meer voordat dit schip reizen mag maken naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere partijen.

5.

Het certificaat wordt afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde organisatie. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.

Voorschrift 7. Afgifte van een certificaat door een andere partij

1.

Een partij kan een schip op verzoek van de Administratie doen onderzoeken en, indien te haren genoegen vaststaat dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging of een Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie aan het schip afgeven of hiervoor toestemming geven, en waar van toepassing een aantekening op dergelijke certificaten van het schip plaatsen of hiervoor toestemming geven, in overeenstemming met deze Bijlage.

2.

Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.

3.

Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 6 van deze Bijlage.

4.

Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging of Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen partij is.

Voorschrift 8. Model van de certificaten

1.

Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel I bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

2.

Het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel VIII bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van de partij van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 9. Looptijd en geldigheid van de certificaten

1.

Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak van ten hoogste vijf jaar.

2.

Niettegenstaande de vereisten van het eerste lid van dit voorschrift:

  • .1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voordat het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt;
  • .2. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt; en
  • .3. Wanneer het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooing van het hernieuwde onderzoek.
3.

Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in het eerste lid van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 5.1.3 en 5.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.

4.

Indien het hernieuwde onderzoek is voltooid en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden genomen, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig voor een volgende periode die zich evenwel niet mag uitstrekken tot vijf maanden na de datum van verstrijken.

5.

Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het dient te worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het dient te worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.

6.

Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste één maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.

7.

Onder bijzondere omstandigheden, vast te stellen door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in lid 2.1.5 of 2.1.6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.

8.

Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 5 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:

  • .1. wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
  • .2. wordt het in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum; en
  • .3. kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
9.

Een ingevolge de voorschriften 6 of 7 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:

  • .1. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 5.1 van deze Bijlage;
  • .2. indien op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met de voorschriften 5.1.3 of 5.1.4 van deze Bijlage; en
  • .3. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van voorschrift 5.4 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
10.

Het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie blijft gedurende de levensduur van het schip geldig, met inachtneming van de bepalingen van onderstaande paragraaf 11.

11.

Een ingevolge deze Bijlage afgegeven Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:

  • .1. indien een schip uit de vaart wordt genomen of indien een nieuw certificaat wordt afgegeven na een belangrijke wijziging van het schip; of
  • .2. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Een nieuw certificaat wordt uitsluitend afgegeven wanneer ten genoegen van de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft vaststaat dat het schip voldoet aan de vereisten van Hoofdstuk 4. In het geval van een overdracht tussen partijen zendt de Regering van de partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien haar daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.

Voorschrift 10. Havenstaatcontrole op operationele vereisten

1.

Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord dienen te worden toegepast om luchtverontreiniging door schepen te voorkomen.

2.

In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.

3.

De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.

4.

Niets in dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.

5.

Met betrekking tot Hoofdstuk 4 is elke havenstaatinspectie beperkt tot het verifiëren, wanneer van toepassing, of er een geldig Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie aan boord is in overeenstemming met artikel 5 van het Verdrag.

Voorschrift 11. Opsporing van overtredingen en handhaving

1.

De Partijen werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, daarbij gebruikmakend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en verzamelen van bewijsmateriaal.

2.

Een schip waarop deze Bijlage van toepassing is, kan in elke haven of op elke laad- of losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien bij een inspectie blijkt dat deze Bijlage is overtreden, wordt de Administratie een rapport toegezonden ten behoeve van het nemen van passende maatregelen.

3.

Iedere Partij verschaft de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien mogelijk stelt de bevoegde autoriteit van deze Partij de kapitein van het schip in kennis van de vermeende overtreding.

4.

Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de aldus geïnformeerde Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de vermeende overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om rechtsvervolging in te stellen ter zake van de vermeende overtreding, stelt zij ten spoedigste rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd alsmede de Organisatie onverwijld in kennis van de genomen stappen.

5.

Een Partij kan een schip waarop deze Bijlage van toepassing is tevens inspecteren wanneer dit de havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek om een onderzoek van een Partij is ontvangen, tezamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip een van de stoffen vallend onder deze Bijlage op een plaats heeft uitgestoten in strijd met deze Bijlage. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die om het onderzoek heeft verzocht en aan de Administratie, zodat krachtens dit Verdrag passende maatregelen kunnen worden genomen.

6.

De internationale wetgeving inzake de voorkoming, beperking en bestrijding van vervuiling van het mariene milieu door schepen, met inbegrip van de wetgeving inzake handhaving en voorzorgsmaatregelen die geldt op het tijdstip van toepassing of uitlegging van deze Bijlage, is van overeenkomstige toepassing op de regels en normen genoemd in deze Bijlage.

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)