Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij
- .1 reparaties van een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken te verrichten indien daarom wordt verzocht door de bevoegde autoriteiten van een havenstaat.
-
- Indien een aangewezen inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van het schip of zijn uitrusting niet in voldoende mate beantwoordt aan de gegevens op het certificaat of zodanig is dat het schip niet naar zee kan vertrekken zonder een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te bewerkstelligen dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien een dergelijke corrigerende maatregel niet wordt getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en dient de Administratie onverwijld te worden ingelicht en indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Indien van toepassing, dient de regering van de desbetreffende havenstaat maatregelen te treffen om te waarborgen dat het schip niet vaart voordat het geschikt is om naar zee te varen of de haven te verlaten teneinde naar de dichtstbijzijnde geschikte scheepswerf te gaan die beschikbaar is, zonder daarbij een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
-
- De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden gehandhaafd dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om naar zee te gaan zonder een bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- Zodra een onderzoek van het schip uit hoofde van punt 1 van dit voorschrift is afgerond dienen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen te worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of de materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
-
- Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of een defect wordt ontdekt waardoor de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat, die erop toeziet dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een inspectie als vereist op grond van punt 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, meldt de kapitein of eigenaar van het schip dit tevens onverwijld aan de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat en de aangewezen inspecteur of erkende organisatie dient vast te stellen of deze melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage aan elk schip dat reizen maakt naar havens of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag. Ten aanzien van bestaande schepen zal dit vereiste vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage van toepassing worden.
-
- Deze certificaten worden afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie1)Zie de door de Organisatie bij resolutie A.739(18) aangenomen Richtlijnen voor de bevoegdverklaring van organisaties die optreden namens Administraties en de door de Organisatie bij resolutie A.789(19) aangenomen Specificaties inzake de onderzoeks- en certificeringsfuncties van erkende organisaties die optreden namens de Administratie.. In alle gevallen neemt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Voorschrift 6. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen en andere stoffen
-
- Voor de toepassing van de voorschriften van deze Bijlage, worden schadelijke vloeistoffen ingedeeld in de volgende vier categorieën:
- .1 Categorie X: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een groot gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve het verbod van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .2 Categorie Y: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, of die ernstige schade zouden toebrengen aan de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve een kwalitatieve en kwantitatieve beperking van de lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .3 Categorie Z: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een klein gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve minder strenge kwalitatieve en kwantitatieve beperkingen van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .4 Andere stoffen die in de kolom verontreinigingscategorie van hoofdstuk 18 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk zijn aangeduid als OS (Other Substances) die zijn beoordeeld en waarvan is vastgesteld dat zij niet vallen onder categorie X, Y of Z zoals omschreven in voorschrift 6.1 van deze Bijlage, aangezien zij op het ogenblik niet schadelijk worden geacht voor de gezondheid van de mens, de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden en ander rechtmatig gebruik van de zee, wanneer zij in zee worden geloosd als gevolg van het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast. De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen van lenswater of ballastwater of andere residuen of mengsels die alleen stoffen bevatten waarnaar wordt verwezen als „Andere stoffen”.
-
- Richtlijnen voor de indeling in categorieën van schadelijke vloeistoffen worden gegeven in aanhangsel I van deze Bijlage.
-
- Wanneer wordt voorgesteld een vloeistof in bulk te vervoeren, die niet in een categorie is ingedeeld ingevolge het eerste lid van dit voorschrift, komen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag die bij het voorgestelde vervoer zijn betrokken een voorlopige indeling overeen voor het voorgestelde vervoer, zulks op grond van de richtlijnen bedoeld in lid 2 van dit voorschrift. Totdat de betrokken Regeringen volledige overeenstemming hebben bereikt, mag de stof niet worden vervoerd. Zo snel mogelijk, doch uiterlijk 30 dagen nadat overeenstemming is bereikt, stelt de Regering van het producerende of vervoerende land, die de aanzet tot de desbetreffende overeenkomst heeft gegeven, de Organisatie in kennis en verstrekt zij nadere gegevens met betrekking tot de stof en de voorlopige indeling ten behoeve van de jaarlijkse rondzending ter kennisgeving aan alle Partijen. De Organisatie houdt een register bij van al deze stoffen en de voorlopige indeling ervan totdat de stoffen officieel in de IBC-code worden opgenomen.
Voorschrift 7. Onderzoek van en afgifte van een certificaat aan chemicaliëntankschepen
Chemicaliëntankschepen die zijn onderzocht en waaraan een certificaat is afgegeven door Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomstig de bepalingen van de IBC-Code of de Code voor chemicaliën in bulk, al naar gelang van toepassing, worden niettegenstaande het bepaalde in de voorschriften 8, 9 en 10 van deze Bijlage geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in de genoemde voorschriften, en het krachtens deze Code afgegeven certificaat heeft dezelfde waarde en moet op dezelfde wijze worden erkend als het krachtens het bepaalde in voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat.
Voorschrift 8. Onderzoeken
-
- Schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren, zijn onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 9 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 10.2, 10.5, 10.6 of 10.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1, punt 4, van dit voorschrift. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
- .4 Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in lid 1, punt 1, van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met lid 3 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
- .5 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in het derde lid van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
- 2.1. Onderzoeken van schepen, aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe benoemde inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
- 2.2. Deze organisaties, met inbegrip van classificatiebureaus, worden door de Administratie gemachtigd in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en met de Code voor Erkende Organisaties (RO-Code), die bestaat uit een deel 1 en deel 2 (waarvan de bepalingen als verplicht worden aangemerkt) en een deel 3 (waarvan de bepalingen als aanbeveling worden aangemerkt), zoals aangenomen door de Organisatie bij resolutie [MEPC.237(65)], eventueel als gewijzigd door de Organisatie, mits:
- .1. wijzigingen van deel 1 en deel 2 van de RO-Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op deze Bijlage;
- .2. wijzigingen van deel 3 van de RO-Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde; en
- .3. de in .1 en .2 bedoelde eventuele wijzigingen die worden aangenomen door de Maritieme Veiligheidscommissie en de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu identiek zijn en tegelijkertijd in werking treden of van kracht worden, al naargelang van toepassing.
- 2.3. Een Administratie die inspecteurs benoemt of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in lid 2.1 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid:
- .1 reparaties aan een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
- 2.4. De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de benoemde inspecteurs of erkende organisaties gedelegeerde bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- 2.5. Wanneer een benoemde inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van schip of uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te verzekeren dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien dergelijke corrigerende maatregelen niet worden getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en de Administratie onverwijld te worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een benoemde inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Wanneer toepasselijk dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet vertrekt alvorens het zonder onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee kan gaan dan wel de haven kan verlaten met het doel naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf te gaan.
- 2.6. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
- 3.1. De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden onderhouden dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
- 3.2. Nadat een onderzoek van het schip uit hoofde van lid 1 van dit voorschrift is voltooid mogen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
- 3.3. Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of gebreken worden geconstateerd waardoor de integriteit van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de benoemde inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat; deze ziet erop toe dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een onderzoek als vereist op grond van lid 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dient de kapitein of eigenaar van het schip eveneens onverwijld de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de benoemde inspecteur of erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.
HOOFDSTUK 8. ONTVANGSTINRICHTINGEN
Voorschrift 9. Afgifte van of aantekening op het certificaat
-
- Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 8 van deze Bijlage wordt een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan elk schip dat bestemd is om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
-
- Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
- 3.1. De Regering van een Partij bij het Verdrag kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek doen onderwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgeven, of machtigen tot afgifte daarvan, en in voorkomend geval, een aantekening plaatsen, of machtigen tot plaatsing van een aantekening, op dat certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
- 3.2. Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
- 3.3. Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens lid 1 van dit voorschrift.
- 3.4. Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
-
- Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel 3 bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
Voorschrift 10. Geldigheidsduur en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat, niettegenstaande het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat.
- 2.2. Indien het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- 2.3. Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in lid 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 8.1.3 en 8.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar naar behoren worden verricht.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en wordt dit certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de datum van verstrijken.
-
- Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het moet worden onderzocht gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2, onderdeel 5 of 6, van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 8 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- .1 wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2 wordt het in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
- .3 kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
-
- Een ingevolge voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 8.1 van deze Bijlage;
- .2 indien er op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met voorschrift 8.1.3 of 8.1.4 van deze Bijlage;
- .3 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 8.3.1 en 8.3.2 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van het certificaat die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 11. Ontwerp, constructie, uitrusting en bedrijfsvoering
-
- Van schepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, dienen het ontwerp, de constructie, de uitrusting en de bedrijfsvoering in overeenstemming met de volgende bepalingen te zijn, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt:
- .1 de Internationale code voor chemicaliën in bulk, wanneer het chemicaliëntankschip is gebouwd op of na 1 juli 1986; of
- .2 de Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.2 van die code voor:
- .1 schepen waarvoor het bouwcontract op of na 2 november 1973 is afgesloten, maar gebouwd vóór 1 juli 1986, en die reizen maken naar havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij het Verdrag zijn; en
- .2 schepen die op of na 1 juli 1983 zijn gebouwd, maar vóór 1 juli 1986, en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
- .3 De Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.3 van die code voor:
- .1 schepen waarvoor het bouwcontract vóór 2 november 1973 is afgesloten en die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- .2 schepen die vóór 1 juli 1983 zijn gebouwd en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
-
- Ten aanzien van andere schepen dan chemicaliëntankschepen of vloeibaar-gastankschepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, stelt de Administratie passende maatregelen op aan de hand van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt.
HOOFDSTUK 4. ONTVANGSTINRICHTINGEN
Voorschrift 12. Pompen, pijpleidingen, losvoorzieningen en sloptanks
-
- Elk schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 900 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Elk schip dat is gebouwd op of na 1 juli 1986, maar vóór 1 juli 2007, dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 100 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Elk schip dat is gebouwd op of na 1 januari 2007 dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z een residu achterblijft van meer dan 75 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Voor andere schepen dan chemicaliëntankschepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die niet kunnen voldoen aan de vereisten van de pomp- en pijpleidingvoorzieningen voor de in lid 1 en 2 van dit voorschrift bedoelde stoffen van categorie Z, zijn geen kwantitatieve vereisten van toepassing. Naleving wordt geacht te zijn gerealiseerd indien de tank zoveel mogelijk is geleegd.
-
- De in lid 1, 2 en 3 van dit voorschrift bedoelde werkingsproeven van de pompen moeten door de Administratie worden goedgekeurd. Bij de pompwerkingsproeven moet water als beproevingsmiddel worden gebruikt.
-
- Schepen gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z, dienen een of meerdere onderwateruitlaat of -uitlaten te hebben.
-
- Voor schepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die zijn gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z, is een onderwateruitlaat als vereist in lid 6 van dit voorschrift niet verplicht.
-
- De onderwateruitlaat (of uitlaten) dient (dienen) zich te bevinden in het ladinggedeelte, nabij de ronding van de kim, en dient (dienen) zodanig te zijn aangebracht dat wordt vermeden dat residu-watermengsels weer naar binnen worden gezogen via de zeewaterinlaten van het schip.
-
- De voorziening van de onderwateruitlaat dient zodanig te zijn dat de geloosde residu-watermengsels niet door de huidbeplating van het schip lopen. Daarom dient, wanneer de lozing loodrecht op de huidbeplating plaatsvindt, de lozingsuitlaat minimaal een diameter te hebben die wordt berekend met de volgende formule: waarbij: d = de minimum diameter van de uitlaat (m) Ld = de afstand van de voorloodlijn tot de uitlaat (m) Qd = de geselecteerde maximum snelheid waarbij het schip een residu-watermengsel kan lozen via de uitlaat (m3/u).
-
- Wanneer de lozing plaatsvindt bij een hoek ten opzichte van de huidbeplating van het schip, dient bovenstaande verhouding te worden veranderd door Qd te vervangen door de component van Qd loodrecht op de huidbeplating.
-
- Sloptanks In deze Bijlage wordt het aanbrengen van afzonderlijke sloptanks weliswaar niet verplicht gesteld, maar voor bepaalde wasprocedures kunnen sloptanks toch noodzakelijk zijn. In dat geval kunnen ladingtanks als sloptanks worden gebruikt.
Voorschrift 1. Omschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
- (1). wordt onder „vuilnis” verstaan alle soorten etensresten, huishoudelijk afval en afval voortvloeiende uit de bedrijfsvoering, met uitzondering van verse vis en gedeelten daarvan, ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van het schip en die voortdurend of regelmatig worden verwijderd van het schip, met uitzondering van de stoffen omschreven of opgesomd in andere Bijlagen bij dit Verdrag;
- (2). „Dichtstbijzijnde land”. De uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: „van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op 11°00' zuiderbreedte en 142°08' oosterlengte, naar een punt op 10°35' zuiderbreedte en 141°55' oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°00' zuiderbreedte en 142°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°10' zuiderbreedte en 143°52' oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°00' zuiderbreedte en 144°30' oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°41' zuiderbreedte en 145°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 13°00' zuiderbreedte en 145°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 15°00' zuiderbreedte en 146°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 17°30' zuiderbreedte en 147°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 21°00' zuiderbreedte en 152°55' oosterlengte, vandaar naar een punt op 24°30' zuiderbreedte en 154°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op de kust van Australië op 24°42' zuiderbreedte en 153°15' oosterlengte;
- (3). wordt onder „bijzonder gebied” verstaan een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, het volgen van bijzondere noodzakelijke methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door vuilnis moeten worden genomen. Onder deze bijzondere gebieden worden begrepen de gebieden genoemd in Voorschrift 5 van deze Bijlage.
Voorschrift 2. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.
Voorschrift 3. Storten van vuilnis buiten bijzondere gebieden
- (1). Behoudens de bepalingen van de Voorschriften 4, 5 en 6 van deze Bijlage:
- (a). is het storten in zee van alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden;
- (b). dient het storten in zee van de volgende vuilnis zover mogelijk van het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch het storten is in elk geval verboden indien de afstand tot het dichtstbijzijnde land kleiner is dan:
- (i). 25 zeemijlen, in geval van stuwhout, bekledings- en verpakkingsmateriaal dat blijft drijven;
- (ii). 12 zeemijlen, in geval van voedselresten en alle andere vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk en soortgelijk afval;
- (c). kan het storten in zee, van vuilnis als omschreven in letter (b) onder (ii) van deze paragraaf worden toegestaan, indien de vuilnis door een afbreek- of maalinstallatie is gevoerd en indien het storten zover als mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land geschiedt, doch het storten is in elk geval verboden indien de afstand tot het dichtstbijzijnde land kleiner is dan 3 zeemijlen. Deze afgebroken of gemalen vuilnis moet een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee kunnen passeren.
- (2). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot verwijderen of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.
Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis
- (1). Behoudens de bepalingen van paragraaf (2) van dit Voorschrift is het storten van stoffen waarop dit Voorschrift van toepassing is, verboden vanaf vaste of drijvende platforms buitengaats gebezigd bij de exploratie, exploitatie en daarbij behorende verwerking van minerale zeebodemschatten, alsmede vanaf alle andere schepen, wanneer deze zich langszij of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden.
- (2). Het storten in zee van voedselresten vanaf vaste of drijvende platforms kan worden toegestaan, ingeval deze door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd en deze platforms zich meer dan 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land bevinden, alsmede van alle andere schepen, ingeval deze zich langszij of binnen 500 meter van zulke platforms bevinden. Deze afgebroken of gemalen voedselresten moeten een rooster met gaten van maximaal 25 mm kunnen passeren.
Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden
- (1). Voor de toepassing van deze Bijlage worden onder bijzondere gebieden verstaan de gebieden van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de „Golf”, de Noordzee, de Zuidpool en het Caraïbisch Gebied, met inbegrip van de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee, die als volgt worden omschreven:
- (a). Onder het gebied van de Middellandse Zee wordt verstaan de Middellandse Zee zelf, alsmede de Golven en Zeeën daarin, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte en de westelijke grens wordt gevormd door de Straat van Gibraltar op de meridiaan van 5°36' westerlengte.
- (b). Onder het gebied van de Oostzee wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golf en de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57°44'.8 noorderbreedte.
- (c). Onder het gebied van de Zwarte Zee wordt verstaan de Zwarte Zee zelf, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte.
- (d). Onder het gebied van de Rode Zee wordt verstaan de Rode Zee zelf met inbegrip van de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, in het zuiden begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12°8'.5 noorderbreedte, 43°19'.6 oosterlengte) en Hasn Murad 12°40'.4 noorderbreedte, 43°30'.2 oosterlengte).
- (e). Onder het gebied van de Perzische Golf wordt verstaan het zeegebied ten noordwesten van de loxodroom tussen Ras al Hadd (22°30' noorderbreedte, 59°48' oosterlengte) en Ras al Fasteh (25°04' noorderbreedte, 61°25' oosterlengte).
- (f). Onder het gebied van de Noordzee wordt verstaan de Noordzee zelf met inbegrip van de zeeën daarin, waarbij de grens wordt gevormd door:
- i. de Noordzee ten zuiden van 62° noorderbreedte en ten oosten van 4° westerlengte;
- ii. het Skagerrak, waarvan de zuidelijke grens wordt bepaald ten oosten van Kaap Skagen door 57°44.8' noorderbreedte; en
- iii. het Kanaal en de toegangen daartoe ten oosten van 5° westerlengte en ten noorden van 48° 30' noorderbreedte.
- (g). Onder het Antarctisch gebied wordt verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- (h). Onder het Caraïbisch Gebied, zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, van het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch Gebied (Cartagena de Indias, 1983), wordt verstaan de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee zelf met inbegrip van de baaien en zeeën daarin, en het gedeelte van de Atlantische Oceaan binnen de grens die wordt gevormd door de parallel van 30° noorderbreedte van Florida naar het oosten tot de meridiaan van 77° 30' westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 20° noorderbreedte en de meridiaan van 59° westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 7° 20' noorderbreedte en de meridaan van 50° westerlengte, en vanaf dat punt naar het zuidwesten een loxodroom tot de oostelijke grens van Frans Guyana.
- (2). Onverlet de bepalingen van Voorschrift 6 van deze Bijlage:
- (a). is het storten van de volgende stoffen in zee verboden:
- (i). alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden; en
- (ii). alle overige vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk, stuwhout, bekledings- en verpakkingsmaterialen;
- (b). dient, behoudens het bepaalde onder letter c van dit lid, het storten in zee van voedselresten zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval niet binnen 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land.
- (c). dient het storten in het Caraïbisch gebied van voedselresten die door een machine voor verpulveren of vermalen zijn gehaald, zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval dat niet onder voorschrift 4 valt niet binnen 3 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land. Verpulverde of vermalen voedselresten dienen door een zeef met openingen van maximaal 25 mm te kunnen worden gevoerd.
- (3). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot storten of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.
- (4). Ontvangstinrichtingen in bijzondere gebieden:
- (a). de Regering van elke Partij bij dit Verdrag, wier kustlijn grenst aan een bijzonder gebied, verbindt zich ertoe te verzekeren dat zo spoedig mogelijk in alle havens in een bijzonder gebied toereikende ontvangstinrichtingen worden geïnstalleerd, overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 7 van deze Bijlage, rekening houdende met de bijzondere behoefte van in deze gebieden opererende schepen.
- (b). De Regering van elke betrokken Partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen getroffen ingevolge letter (a) van dit Voorschrift. Na ontvangst van voldoende mededelingen stelt de Organisatie een tijdstip vast, waarop de bepalingen van dit Voorschrift ten aanzien van het betrokken gebied in werking treden. De Organisatie stelt alle Partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum.
- (c). Na de aldus vastgestelde datum dienen ook schepen die havens aanlopen in deze bijzondere gebieden, waar deze inrichtingen nog niet beschikbaar zijn, volledig te voldoen aan de bepalingen van dit Voorschrift.
- (5). Niettegenstaande het vierde lid van dit Voorschrift zijn de volgende regels van toepassing op het Antarctisch gebied:
- a. De Regering van elke Partij bij het Verdrag waarvan de havens worden gebruikt door schepen op weg naar of komend uit het Antarctisch gebied, verbindt zich ertoe zo spoedig mogelijk de aanleg te verzekeren van toereikende inrichtingen bestemd voor de ontvangst van alle vuilnis van alle schepen zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken en naar de behoeften van de schepen die daarvan gebruik maken.
- b. De Regering van elke Partij bij het Verdrag verzekert dat alle schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren, alvorens het Antarctisch gebied binnen te varen zijn uitgerust met een tank of tanks van voldoende capaciteit aan boord voor het aan boord houden van alle vuilnis terwijl zij in bedrijf zijn in het gebied en regelingen hebben gesloten om dit vuilnis af te geven aan een ontvangstinrichting na het verlaten van het gebied.
Voorschrift 6. Uitzonderingen
De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- (a). het storten van vuilnis van een schip, indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van schip en opvarenden te verzekeren, of mensenlevens op zee te redden; of
- (b). het ontsnappen van vuilnis tengevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen vóór en na het ontstaan van de schade, om het ontsnappen te voorkomen of tot een minimum te beperken; of
- (2c). het toevallige verlies van synthetische visnetten, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen om dit verlies te voorkomen.
Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen
- (1). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich tot het installeren, in havens en laad- en losplaatsen, van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van vuilnis, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, en die toereikend zijn om te voldoen aan de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- (2). De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de inrichtingen welke ingevolge de bepalingen van dit Voorschrift zijn aangebracht als ontoereikend worden aangemerkt, dit ter mededeling aan de betrokken Partijen.
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door vuilnis te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis
- 1.
- a. Elk schip met een volle lengte van 12 meter of meer moet zijn voorzien van informatieborden die de bemanning en de passagiers informeren over de eisen inzake het storten van vuilnis van Voorschrift 3 en 5 van deze Bijlage, voor zover van toepassing.
- b. De informatie op de borden wordt geschreven in de voertaal van de bemanning van het schip en, ten aanzien van schepen die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag, tevens in het Engels, Frans of Spaans.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 ton en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren heeft een vuilnisbeheerplan, dat de bemanning dient na te komen. Dit plan voorziet in geschreven procedures voor de verzameling, opslag, verwerking en verwijdering van vuilnis, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan wordt tevens de persoon aangewezen die belast is met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de richtlijnen die zijn opgesteld door de Organisatie en dient te zijn geschreven in de werktaal van de bemanning.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag en elk vast en drijvend platform gebruikt voor de exploratie en exploitatie van de zeebodem moet zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het vuilnisjournaal moet, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, hetzij anderszins, zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in het Aanhangsel bij deze Bijlage;
- a. Van elke lozing of voltooide verbranding dient melding te worden gemaakt in het vuilnisjournaal, en deze melding dient te worden ondertekend op de dag van de verbranding of lozing door de officier belast met de handeling. Elke ingevulde bladzijde van het vuilnisjournaal moet worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het vuilnisjournaal dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze aantekeningen doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid;
- b. De aantekening van elke verbranding of lozing omvat mede de datum en het tijdstip, de positie van het schip, een beschrijving van de vuilnis en de geschatte verbrande of geloosde hoeveelheid;
- c. Het vuilnisjournaal moet aan boord worden bewaard en op een plaats waar het binnen een redelijke tijd beschikbaar is voor raadpleging. Het document moet gedurende een termijn van twee jaar na de laatste aantekening worden bewaard;
- d. In geval van lozing, ontsnapping of toevallig verlies als bedoeld in Voorschrift 6 van deze Bijlage dient in het vuilnisjournaal melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom het verlies geschiedde.
-
- De Administratie kan ontheffing verlenen van de eisen voor vuilnisjournaals voor:
- i. schepen die reizen maken van 1 uur of korter en die gecertificeerd zijn 15 personen of meer te vervoeren; of
- ii. vaste of drijvende platforms tijdens de exploratie en exploitatie van de zeebodem.
-
- De bevoegde instantie van de Regering van een Partij bij het Verdrag heeft het recht het vuilnisjournaal te controleren aan boord van elk schip waarop dit Voorschrift van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van die Staat bevindt en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de desbetreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het vuilnisjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, moet bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een vuilnisjournaal en het maken van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie in overeenstemming met de bepalingen van deze paragraaf dient zo snel mogelijk te geschieden zonder aan het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
-
- Ten aanzien van schepen die vóór 1 juli 1997 zijn gebouwd, is dit voorschrift van toepassing met ingang van 1 juli 1998.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.
HOOFDSTUK 2. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN
Voorschrift 6. Onderzoeken
-
- Alle olietankschepen met een brutotonnage van 150 of meer, alsmede alle andere schepen met een brutotonnage van 400 of meer, dienen de hieronder aangegeven onderzoeken te ondergaan:
- .1 een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist ingevolge voorschrift 7 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven; dit omvat een volledig onderzoek van de constructie, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voor zover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de constructie, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage;
- .2 een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen, die niet langer mogen zijn dan vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 10.2.2, 10.5, 10.6 of 10.7 van deze Bijlage van toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek moet zodanig zijn dat gewaarborgd wordt dat de constructie, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage;
- .3 een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1.4 van dit voorschrift. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen, met inbegrip van de systemen voor het bewaken en regelen van het lozen van olie en voor het wassen van tanks met ruwe olie, de olie-waterafscheider en de oliefiltersystemen, volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 7 of 8 van deze Bijlage;
- .4 een jaarlijks onderzoek binnen drie maanden voor of na elke verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de constructie, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen als bedoeld in lid 1.1 van dit voorschrift teneinde vast te stellen of de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met de leden 4.1 en 4.2 van dit voorschrift en of zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 7 of 8 van deze Bijlage; en
- .5 een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek dient, al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in lid 4.3 van dit voorschrift voorgeschreven onderzoeken, of telkens wanneer belangrijke reparaties of vervangingen zijn verricht. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de noodzakelijke reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van deze Bijlage.
-
- De Administratie stelt passende maatregelen vast voor schepen die niet vallen onder de bepalingen van lid 1 van dit voorschrift teneinde te verzekeren dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan.
- 3.1. Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe benoemde inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties. Deze organisaties, met inbegrip van classificatiebureaus, worden door de Administratie gemachtigd in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en met de Code voor Erkende Organisaties (RO-Code), die bestaat uit een deel 1 en deel 2 (waarvan de bepalingen als verplicht worden aangemerkt) en een deel 3 (waarvan de bepalingen als aanbeveling worden aangemerkt), zoals aangenomen door de Organisatie bij resolutie [MEPC.237(65)], eventueel als gewijzigd door de Organisatie, mits:
- .1. wijzigingen van deel 1 en deel 2 van de RO-Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op deze Bijlage;
- .2. wijzigingen van deel 3 van de RO-Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde; en
- .3. de in .1 en .2 bedoelde eventuele wijzigingen die worden aangenomen door de Maritieme Veiligheidscommissie en de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu identiek zijn en tegelijkertijd in werking treden of van kracht worden, al naargelang van toepassing.
- 3.2. Een Administratie die inspecteurs aanwijst of organisaties erkent voor het uitvoeren van onderzoeken als omschreven in lid 3.1 van dit voorschrift, dient iedere benoemde inspecteur of erkende organisatie ten minste te machtigen om: De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de benoemde inspecteurs of erkende organisaties gedelegeerde bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- .1 reparaties aan een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
- 3.3. Wanneer een benoemde inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van een schip of zijn uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient deze inspecteur of organisatie onverwijld te verzekeren dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien dergelijke corrigerende maatregelen niet worden getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en de Administratie onverwijld te worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een benoemde inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de Regering van de betrokken havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Wanneer toepasselijk, dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet naar zee vertrekt indien het een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu vormt noch de haven kan verlaten met het doel naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf te gaan.
- 3.4. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
- 4.1. De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden onderhouden dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
- 4.2. Nadat een onderzoek van het schip uit hoofde van lid 1 van dit voorschrift is voltooid, mogen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
- 4.3. Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of gebreken worden geconstateerd waardoor de integriteit van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is, wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de benoemde inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat; deze ziet erop toe dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een onderzoek als vereist op grond van lid 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dient de kapitein of de eigenaar eveneens onverwijld de bevoegde autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de benoemde inspecteur of de erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 7. Afgifte van of aantekening op het certificaat
-
- Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 6 van deze Bijlage wordt een Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie afgegeven aan elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer alsmede aan elk ander schip met een brutotonnage van 400 of meer, dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij dit Verdrag.
-
- Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar naar behoren gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Voorschrift 8. Afgifte van of aantekening op een certificaat door een andere Regering
-
- De Regering van een Partij bij het Verdrag kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek doen ontwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie afgeven, of machtigen tot afgifte hiervan en in voorkomend geval een aantekening plaatsen, of machtigen tot het plaatsen van een aantekening, op dat certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
-
- Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
-
- Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde kracht en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 7 van deze Bijlage.
-
- Er wordt geen Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie of Certificaat van vrijstelling voor UNSP-lichters afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.
Voorschrift 9. Model van het certificaat
Het Internationaal certificaat voor voorkoming van verontreiniging door olie wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel II bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Het Internationaal certificaat van vrijstelling voor onbemande lichters zonder eigen voortstuwing betreffende het voorkomen van verontreiniging door olie wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel IV bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 10. Geldigheidsduur en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak, dat evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat, niettegenstaande het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat.
- 2.2. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- 2.3. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid meer dan drie maanden voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in lid 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 6, leden 1.3 en 1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en wordt dit certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de datum van verstrijken.
-
- Indien een schip op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven ligt waar het dient te worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging geschiedt uitsluitend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het dient te worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat mag worden verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd, is na aankomst in de haven waar het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van deze verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging geschiedde.
-
- Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste één maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging geschiedde.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in de leden 2.2, 2.5 of 2.6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 6 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- .1 wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2 wordt het in voorschrift 6.1 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum; en
- .3 kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 6.1 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
-
- Een ingevolge de voorschriften 7 of 8 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 6.1 van deze Bijlage;
- .2 indien op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met de voorschriften 6.1.3 of 6.1.4 van deze Bijlage; of
- .3 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 6.4.1 en 6.4.2 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 11. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om luchtverontreiniging door schepen te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
-
- De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
HOOFDSTUK 3. VEREISTEN TEN AANZIEN VAN MACHINERUIMTEN VAN ALLE SCHEPEN
DEEL A. BOUW
Voorschrift 12. Tanks voor olierestanten (oliedrab)
-
- Tenzij anders bepaald is dit voorschrift van toepassing op elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer, met dien verstande dat paragraaf 3.5 van dit voorschrift uitsluitend hoeft te worden toegepast op schepen die op of vóór 31 december 1979 zijn opgeleverd, zoals omschreven in voorschrift 1.28.1, voor zover zulks redelijk en uitvoerbaar is.
-
- Olierestanten (oliedrab) kunnen door middel van de in voorschrift 13 bedoelde standaardaansluiting voor afgifte rechtstreeks uit de tank(s) voor olierestanten (oliedrab) worden verwijderd en naar ontvangstfaciliteiten worden overgebracht of naar een ander goedgekeurd middel voor het verwijderen van olierestanten (oliedrab), zoals een verbrandingsoven voor olieresiduen (oliedrab), hulpketel geschikt voor het verbranden van olierestanten (oliedrab) of overige aanvaardbare middelen, die worden vermeld onder punt 3.2 van de Aanvulling op het IOPP-certificaat formulier A of B.
-
- Er wordt voorzien in (een) tank(s) voor olierestanten (oliedrab) en deze:
- .1. heeft/hebben een capaciteit die, gezien het type machines en de duur van de reis, toereikend is voor het opvangen van olierestanten (oliedrab) die niet op andere wijze kunnen worden behandeld overeenkomstig de voorschriften van deze Bijlage;
- .2. wordt/worden voorzien van een speciale afgiftepomp die rechtstreeks moet kunnen aanzuigen uit de tank(s) voor olierestanten (oliedrab) voor het verwijderen van olierestanten (oliedrab) op een in voorschrift 12.2 omschreven wijze;
- .3. heeft/hebben geen aansluitingen voor afgifte op het lenssysteem, de verzameltank(s) voor oliehoudend lenswater, de tanktop of de olie-waterafscheiders met dien verstande dat:
- .1. de tank(s) voorzien kan/kunnen zijn van aftappunten, met handmatig bediende zelfsluitende kleppen en inrichtingen voor een daaropvolgende visuele controle van het bezonken water, die op een verzameltank voor oliehoudend lenswater of lensput uitkomen, of een alternatieve inrichting, mits een dergelijke inrichting niet rechtstreeks op het lensleidingsysteem aansluit; en
- .2. de lozingspijpleidingen van de sliktank en de lenswaterpijpleidingen kunnen worden aangesloten op een gemeenschappelijke pijpleiding naar de in voorschrift 13 bedoelde standaardaansluiting voor afgifte; door de aansluiting van beide systemen op een eventuele gemeenschappelijke pijpleiding naar de in voorschrift 13 bedoelde standaardaansluiting voor afgifte mag het niet mogelijk zijn slik naar het lenssysteem over te brengen;
- .4. wordt/worden niet aangesloten op pijpleidingen die een rechtstreekse aansluiting overboord hebben anders dan de in voorschrift 13 bedoelde standaardaansluiting voor afgifte; en
- .5. wordt/worden zodanig ontworpen en gebouwd dat de reiniging ervan en de afgifte van restanten bij ontvangstinrichtingen worden vergemakkelijkt.
-
- De voorzieningen van schepen gebouwd vóór 1 januari 2017 dienen uiterlijk bij het eerste hernieuwde onderzoek dat op of na 1 januari 2017 wordt uitgevoerd aan paragraaf 3.3 van dit voorschrift te voldoen.
Voorschrift 13. Standaardaansluiting voor afgifte
Teneinde leidingen van de ontvangstinrichtingen te kunnen aansluiten op de scheepspijpleiding voor de afgifte van restanten afkomstig van machinekamerlensruimten en van sludgetanks, dienen beide leidingen te zijn voorzien van een standaardaansluiting voor afgifte overeenkomstig de volgende tabel:
| Omschrijving | Afmeting |
|---|---|
| Uitwendige flensdiameter | 215 mm |
| Inwendige flensdiameter | Overeenkomstig de uitwendige diameter van de pijp |
| Diameter van de steekcirkel van de bouten | 183 mm |
| Boutgaten | 6 gaten van 22 mm diameter, aangebracht op onderling gelijke afstanden op een steekcirkel van bovengenoemde diameter met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 22 mm breed te zijn. |
| Flensdikte | 20 mm |
| Bouten en moeren: aantal, diameter | 6, elk met een diameter van 20 mm en van voldoende lengte |
| De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm en dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens, tezamen met een geschikte pakking van oliebestendig materiaal, dient geschikt te zijn voor een werkdruk van 600 kPa. | De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm en dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens, tezamen met een geschikte pakking van oliebestendig materiaal, dient geschikt te zijn voor een werkdruk van 600 kPa. |
DEEL B. UITRUSTING
Voorschrift 14. Apparatuur voor het filtreren van olie
Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift dient elk schip met een brutotonnage van 400 of meer maar ten hoogste 10.000 te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 6 van dit voorschrift. Een dergelijk schip dat in overeenstemming met voorschrift 16.2 ballastwater dat in brandstofolietanks aan boord wordt gehouden in zee mag lozen, dient aan lid 2 van dit voorschrift te voldoen.
Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift dient elk schip met een brutotonnage van 10.000 of meer te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 7 van dit voorschrift.
Schepen zoals hotelschepen, opslagschepen, etc. die stilliggen, behoudens verplaatsingen van deze schepen waarbij geen lading wordt vervoerd, hoeven niet te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie. Dergelijke schepen worden uitgerust met een verzameltank die, ten genoegen van de Administratie, toereikend is voor het volledig aan boord houden van oliehoudend lenswater. Al het oliehoudend lenswater wordt aan boord gehouden om naderhand te worden afgegeven bij de ontvangstinrichtingen.
De Administratie waarborgt dat schepen met een brutotonnage van minder dan 400 zijn uitgerust, voor zover praktisch uitvoerbaar, met voorzieningen om olie of oliehoudende mengsels aan boord te houden of deze overeenkomstig de vereisten van voorschrift 15.6 van deze Bijlage te lozen.
De Administratie kan ontheffing van de vereisten van de leden 1 en 2 van dit voorschrift verlenen:
- .1 voor schepen die uitsluitend reizen maken binnen bijzondere gebieden, of
- .2 voor schepen die gecertificeerd zijn krachtens de internationale veiligheidscode voor hogesnelheidsvaartuigen (of die anderszins wat betreft omvang en ontwerp onder de reikwijdte van deze code vallen) die lijndiensten verrichten waarbij de heen- en terugreis in totaal niet meer dan 24 uur in beslag nemen, daaronder begrepen verplaatsingen van deze schepen waarbij geen passagiers of lading worden vervoerd,
- .3 waarbij met betrekking tot de bepalingen van de bovenstaande twee onderdelen, aan de volgende vereisten dient te worden voldaan:
- .1 de schepen zijn uitgerust met een verzameltank die, ten genoegen van de Administratie, toereikend is voor het volledig aan boord houden van oliehoudend lenswater;
- .2 al het oliehoudend lenswater wordt aan boord gehouden om naderhand te worden afgegeven bij ontvangstinrichtingen;
- .2 de Administratie heeft vastgesteld dat in een toereikend aantal havens of laad- of losplaatsen die de schepen aandoen, geschikte ontvangstinrichtingen beschikbaar zijn om dergelijk oliehoudend lenswater in ontvangst te nemen;
- .4 op het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie, indien vereist, is aangetekend dat het schip uitsluitend reizen maakt binnen bijzondere gebieden of dat het ten behoeve van dit voorschrift is aanvaard als hogesnelheidsvaartuig en de dienst is vastgesteld; en
- .5 de hoeveelheid, tijd en de haven van lossen zijn genoteerd in het Oliejournaal Deel I.
Het ontwerp van de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient door de Administratie te zijn goedgekeurd en zodanig te zijn dat het oliegehalte van elk oliehoudend mengsel dat na filtering in zee wordt geloosd niet meer bedraagt dan 15 eenheden per miljoen. Bij de beoordeling van het ontwerp van dergelijke apparatuur neemt de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht.
De in lid 2 van dit voorschrift genoemde apparatuur voor het filtreren van olie dient te voldoen aan lid 6 van dit voorschrift. De apparatuur dient daarnaast te worden voorzien van een alarmvoorziening die een signaal geeft wanneer dit gehalte niet gehandhaafd kan worden. Het systeem zal tevens worden uitgerust met voorzieningen die waarborgen dat de lozing van oliehoudende mengsels onmiddellijk wordt stopgezet wanneer het oliegehalte van het effluent meer bedraagt dan 15 eenheden per miljoen. Bij de beoordeling van het ontwerp van dergelijke apparatuur neemt de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht.
DEEL C. REGELING VAN BEDRIJFSMATIGE LOZINGEN VAN OLIE
Voorschrift 15. Regeling van het lozen van olie
Overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage en de leden 2, 3 en 6 van dit voorschrift, is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen verboden.
A. Lozingen buiten bijzondere gebieden
Elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen met een brutotonnage van 400 of meer is verboden, tenzij voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden:
- .1 het schip is onderweg;
- .2 het oliehoudend mengsel wordt behandeld door apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan de vereisten van voorschrift 14 van deze Bijlage;
- .3 het oliegehalte van het onverdunde effluent bedraagt niet meer dan 15 delen per miljoen;
- .4 het oliehoudend mengsel is niet afkomstig vanuit de lensruimten van ladingpompkamers in olietankers; en
- .5 het oliehoudend mengsel is, wanneer het olietankers betreft, niet vermengd met restanten van ladingolie.
B. Lozingen in bijzondere gebieden
Elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen met een brutotonnage van 400 of meer is verboden, tenzij voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden:
- .1 het schip vervolgt zijn vaarroute;
- .2 het oliehoudend mengsel wordt behandeld door apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan de vereisten van voorschrift 14.7 van deze Bijlage;
- .3 het oliegehalte van het onverdunde effluent bedraagt niet meer dan 15 delen per miljoen;
- .4 het oliehoudend mengsel is niet afkomstig vanuit de lensruimten van ladingpompkamers in olietankers; en
- .5 het oliehoudend mengsel is, wanneer het olietankers betreft, niet vermengd met restanten van ladingolie.
Ten aanzien van het Antarctisch gebied is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door welk schip dan ook verboden.
Geen enkele bepaling in dit voorschrift belet een schip dat slechts gedurende een deel van zijn reis door een bijzonder gebied vaart lozingen te verrichten buiten een bijzonder gebied in overeenstemming met lid 2 van dit voorschrift.
C. Vereisten voor schepen met een brutotonnage van minder dan 400 in alle gebieden uitgezonderd het Antarctisch gebied
Bij een schip met een brutotonnage van minder dan 400, dienen olie en oliehoudende mengsels aan boord te worden gehouden om naderhand bij ontvangstinrichtingen te worden afgegeven of in zee te worden geloosd in overeenstemming met de volgende voorwaarden:
- .1 het schip is onderweg;
- .2 op het schip wordt met apparatuur gewerkt, waarvan het ontwerp door de Administratie is goedgekeurd, die waarborgt dat het oliegehalte van het onverdunde effluent niet meer bedraagt dan 15 delen per miljoen;
- .3 het oliehoudend mengsel is niet afkomstig vanuit de lensruimten van ladingpompkamers in olietankers; en
- .4 het oliehoudend mengsel is, wanneer het olietankers betreft, niet vermengd met restanten van ladingolie.
D. Algemene vereisten
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)