Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij

Type Verdrag
Publication 2026-03-01
State In force
Source BWB
artikelen 20
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Een schip waarop deze Bijlage van toepassing is, kan in elke haven of op elke laad- of losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien bij een inspectie blijkt dat deze Bijlage is overtreden, wordt de Administratie een rapport toegezonden ten behoeve van het nemen van passende maatregelen.

3.

Iedere Partij verschaft de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien praktisch mogelijk stelt de bevoegde autoriteit van deze Partij de kapitein van het schip in kennis van de vermeende overtreding.

4.

Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de vermeende overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om rechtsvervolging in te stellen ter zake van de vermeende overtreding, stelt zij ten spoedigste rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd alsmede de Organisatie onverwijld in kennis van de genomen stappen.

5.

Een Partij kan een schip waarop deze Bijlage van toepassing is tevens inspecteren wanneer dit de havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek tot het instellen van een onderzoek van een Partij is ontvangen, tezamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip een van de stoffen vallend onder deze Bijlage op een plaats heeft uitgestoten in strijd met deze Bijlage. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die om het onderzoek heeft verzocht en aan de Administratie, zodat krachtens dit Verdrag passende maatregelen kunnen worden genomen.

6.

De internationale wetgeving inzake de voorkoming, beperking en bestrijding van vervuiling van het mariene milieu door schepen, met inbegrip van de wetgeving inzake handhaving en voorzorgsmaatregelen die geldt op het tijdstip van toepassing of uitlegging van deze Bijlage, is van overeenkomstige toepassing op de regels en normen genoemd in deze Bijlage.

HOOFDSTUK 3. VEREISTEN VOOR BEHEERSING VAN EMISSIES DOOR SCHEPEN

Voorschrift 12. Ozonafbrekende stoffen

1.

Dit voorschrift is niet van toepassing op permanent verzegelde uitrusting indien er geen aansluitingen zijn voor de toevoer van koelvloeistof of verwijderbare onderdelen die ozonafbrekende stoffen bevatten.

2.

Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3.1 is elke opzettelijke emissie van ozonafbrekende stoffen verboden. Tot opzettelijke emissies worden tevens gerekend emissies die plaatsvinden tijdens het onderhoud, de revisie, de reparatie of het verwijderen van systemen of uitrusting, met dien verstande dat tot opzettelijke emissies niet behoort het vrijkomen van minimale hoeveelheden waarmee de terugwinning of recycling van een ozonafbrekende stof gepaard gaat. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, kunnen door de Partijen regels worden gesteld.

3.1. Installaties die ozonafbrekende stoffen anders dan hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:

    1. op schepen gebouwd op of na 19 mei 2005; of
    1. in het geval van schepen gebouwd vóór 19 mei 2005 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005.

3.2. Installaties die hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:

    1. op schepen gebouwd op of na 1 januari 2020; of
    1. in het geval van schepen gebouwd vóór 1 januari 2020 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020.
4.

De stoffen bedoeld in dit voorschrift en uitrusting die deze stoffen bevat, dienen te worden ingeleverd bij de desbetreffende ontvangstvoorzieningen wanneer zij worden verwijderd van schepen.

5.

Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat.

6.

Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat houdt een journaal bij van ozonafbrekende stoffen. Dit journaal kan deel uitmaken van een bestaand logboek of van een door de Administratie goedgekeurd elektronisch journaal. Een elektronisch registratiesysteem, bedoeld in voorschrift 12.6, zoals aangenomen bij resolutie MEPC.176(58), wordt beschouwd als elektronisch journaal mits het elektronisch registratiesysteem door de Administratie wordt goedgekeurd bij of vóór het eerste hernieuwde onderzoek voor het IAPP-certificaat dat wordt uitgevoerd op of na 1 oktober 2020, maar niet later dan 1 oktober 2025, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.

7.

Vermeldingen in het journaal van ozonafbrekende stoffen gaan vergezeld van het gewicht (in kg) van de stof en worden bij elke gelegenheid onverwijld geactualiseerd in het geval van:

    1. volledige of gedeeltelijke navulling van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
    1. reparatie of onderhoud van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
    1. vrijkomen van ozonafbrekende stoffen in de atmosfeer:
  • 3.1. opzettelijk; en
  • 3.2. onopzettelijk;
    1. afgifte van ozonafbrekende stoffen bij ontvangstinrichtingen op het land; en
    1. levering van ozonafbrekende stoffen aan het schip.

Voorschrift 13. Stikstofoxiden (NOx)

1.1. Dit voorschrift is van toepassing op:

    1. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die is geïnstalleerd op een schip; en
    1. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die op of na 1 januari 2000 een belangrijke wijziging ondergaat, tenzij ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat deze motor identiek is aan de vervangen motor en voor het overige niet valt onder paragraaf 1.1.1 van dit voorschrift.

1.2. Dit voorschrift is niet van toepassing op:

    1. een scheepsdieselmotor die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen of uitsluitend voor de aandrijving van elke apparatuur of uitrusting die uitsluitend bedoeld is te worden gebruikt voor noodgevallen op het schip waarop zij is geïnstalleerd, of een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een reddingsboot die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen; en
    1. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip dat uitsluitend reizen maakt in wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren, mits deze motor valt onder een door de Administratie vastgestelde alternatieve maatregel voor de beheersing van NOx-emissies.

1.3. Onverminderd het bepaalde onder paragraaf 1.1 van dit voorschrift, kan de Administratie uitsluiting van de toepassing van dit voorschrift toestaan voor elke scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is op een schip dat voor 19 mei 2005 gebouwd is of een belangrijke wijziging ondergaat, mits het schip waarop de motor geïnstalleerd wordt uitsluitend reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.

2.1. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt onder belangrijke wijziging verstaan een wijziging van een scheepsdieselmotor op of na 1 januari 2000 die niet reeds gecertificeerd is volgens de normen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift, indien:

    1. de motor vervangen wordt door een scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor wordt geïnstalleerd, of
    1. een aanmerkelijke aanpassing, zoals omschreven in de NOx Technische Code 2008, plaatsvindt van de motor, of
    1. het maximumtoerental van de motor met meer dan 10% verhoogd wordt ten opzichte van het maximumtoerental op het oorspronkelijke certificaat van de motor.

2.2. Voor een belangrijke wijziging waarbij een scheepsdieselmotor vervangen wordt door een niet-identieke scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor geïnstalleerd wordt, zijn de normen in dit voorschrift van kracht die gelden op het tijdstip van de vervanging of toevoeging van de motor. Ten behoeve van dit voorschrift wordt een scheepsdieselmotor die wordt geïnstalleerd ter vervanging van een stoomsysteem geacht een vervangende motor te zijn. Indien het, uitsluitend in het geval van vervangende motoren, niet mogelijk is te voldoen aan de normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift (generatie III, naargelang van toepassing), dienen zij te voldoen aan de normen vervat in paragraaf 4 van dit voorschrift (generatie II), rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Administratie stelt de Organisatie in kennis in het geval dat op of na 1 augustus 2025 een motor van generatie II wordt geïnstalleerd in plaats van een motor van generatie III in overeenstemming met de bepalingen van deze paragraaf.

2.3. Een scheepsdieselmotor bedoeld in de paragrafen 2.1.2 of 2.1.3 dient te voldoen aan de volgende normen:

    1. voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2000 gelden de normen vervat in de derde paragraaf van dit voorschrift; en
    1. voor schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 gelden de normen die van kracht waren ten tijde van de bouw van het schip.
3.

Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2), door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):

    1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
    1. 45 • n(–0.2) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm;
    1. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
4.

Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut)

    1. 14,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
    1. 44 • n(-0.23) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm;
    1. 7,7 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.

5.1. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is in een gebied voor emissiebeheersing dat is aangewezen voor NOx-controle voor generatie III krachtens paragraaf 6 van dit voorschrift (NOx generatie III gebied voor emissiebeheersing), het gebruik van een scheepsdieselmotor die in een schip is geïnstalleerd:

    1. verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental (krukasomwentelingen per minuut): indien
    1. 3,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
    1. 9 • n(-0.2) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm;
    1. 2,0 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm;
    1. dat schip is gebouwd op of na:
    1. 1 januari 2016 en vaart in het Noord-Amerikaanse gebied voor emissiebeheersing of in het in de Caribische Zee van de Verenigde Staten gelegen gebied voor emissiebeheersing;
    1. 1 januari 2021 en vaart in het in de Baltische Zee gelegen gebied voor emissiebeheersing of in het in de Noordzee gelegen gebied voor emissiebeheersing;
    1. 1 maart 2026 en vaart in het in de Noorse Zee gelegen gebied voor emissiebeheersing. Wat betreft het in de Noorse Zee gelegen gebied voor emissiebeheersing wordt verstaan onder „schip gebouwd op of na 1 maart 2026” een schip:
    1. waarvoor het bouwcontract wordt afgesloten op of na 1 maart 2026; of
    1. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 september 2026; of
    1. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 maart 2030.
  • indien
    1. het schip vaart in een gebied voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III, anders dan een gebied voor emissiebeheersing beschreven in paragraaf 5.1.2 van dit voorschrift, en dat is gebouwd op of na de datum waarop dit gebied voor emissiebeheersing is aangenomen, of op een latere datum vermeld in de wijziging waarin het gebied voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III is aangewezen, naargelang van welke datum de laatste is:
    1. dat het schip is gebouwd op of na 1 januari 2025 en vaart in het Canadees Arctisch gebied voor emissiebeheersing.

5.2. De normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op:

    1. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een lengte (L), als omschreven in voorschrift 1.19 van Bijlage I bij dit Verdrag, van minder dan 24 meter wanneer het specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden; of
    1. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een volgens het identificatieplaatje van de scheepsdieselmotor totaal voortstuwingsvermogen van minder dan 750 kW indien ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat het schip vanwege de beperkingen van zijn ontwerp of constructie niet kan voldoen aan de normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift; of
    1. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip gebouwd vóór 1 januari 2021 met een brutotonnage van minder dan 500, met een lengte (L), als omschreven in voorschrift 1.19 van Bijlage I bij dit Verdrag, van 24 meter of meer wanneer deze specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden.

5.3. De generatie en aan/uit-status van scheepsdieselmotoren die geïnstalleerd zijn aan boord van een schip waarop paragraaf 5.1 van dit voorschrift van toepassing is en die zijn gecertificeerd zowel conform generatie II als generatie III of uitsluitend conform generatie II, worden geregistreerd in een dergelijk door de Administratie voorgeschreven logboek of elektronisch journaal op het moment van binnenkomst in en vertrek uit een gebied voor emissiebeheersing dat is aangewezen voor NOx-controle voor generatie III, of wanneer de aan/uit-status verandert binnen een dergelijk gebied, tezamen met de datum, tijd en positie van het schip.

5.4. Emissies van stikstofoxiden door een scheepsdieselmotor waarop paragraaf 5.1 van dit voorschrift van toepassing is, die plaatsvinden onmiddellijk volgend op bouw- en zeeproeven met een nieuw gebouwd schip, of voorafgaand en volgend op het wijzigen, repareren en/of onderhouden van het schip, of het onderhouden of repareren van een motor van generatie II of een dual fuelmotor wanneer er vanwege veiligheidsvoorschriften geen gas als brandstof of lading aan boord mag zijn, waarbij activiteiten plaatsvinden op een scheepswerf of een andere reparatiefaciliteit gelegen in een gebied voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III, geldt een tijdelijke vrijstelling mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    1. de motor voldoet aan de NOx-grens voor generatie II; en
    1. het schip vaart rechtstreeks naar of van de scheepswerf of een andere reparatiefaciliteit, laadt of lost geen lading tijdens de duur van de vrijstelling en houdt zich, indien van toepassing, aan alle aanvullende specifieke voorwaarden betreffende de route die worden aangegeven door de havenstaat waarin de scheepswerf of een andere reparatiefaciliteit is gelegen.

5.5. De vrijstelling die in paragraaf 5.4 van dit voorschrift is beschreven geldt uitsluitend voor het volgende tijdvak:

    1. voor een nieuw gebouwd schip, het tijdvak dat begint op het moment dat het schip wordt opgeleverd door de scheepswerf, met inbegrip van de zeeproeven, en eindigt op het moment dat het schip rechtstreeks het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III verlaat of, met betrekking tot schepen uitgerust met een dual fuelmotor, dat het schip rechtstreeks het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III verlaat of rechtstreeks naar de dichtstbijzijnde voor het schip geschikte bunkerfaciliteit voor gasbrandstof in een gebied (of gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III vaart;
    1. voor een schip met een motor van generatie II dat gewijzigd, onderhouden of gerepareerd wordt, het tijdvak dat begint op het moment dat het schip het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III binnenvaart en rechtstreeks naar de scheepswerf of andere reparatiefaciliteit gaat, en eindigt op het moment dat het schip wordt vrijgegeven door de scheepswerf of andere reparatiefaciliteit en na het uitvoeren van zeeproeven, indien van toepassing, rechtstreeks het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III verlaat; of
    1. voor een schip met een dual fuelmotor dat gewijzigd, onderhouden of gerepareerd wordt, wanneer er vanwege veiligheidsvoorschriften geen gas als brandstof of lading aan boord mag zijn, het tijdvak dat begint op het moment dat het schip het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III binnenvaart of wanneer het wordt ontgast in het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III en rechtstreeks naar de scheepswerf of een andere reparatiefaciliteit gaat, en eindigt op het moment waarop het schip wordt vrijgegeven door de scheepswerf of een andere reparatiefaciliteit en rechtstreeks het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III verlaat of rechtstreeks naar de dichtstbijzijnde voor het schip geschikte bunkerfaciliteit voor gasbrandstof in een gebied (of gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III vaart.
6.

Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder een gebied voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III, elk door de Organisatie volgens de criteria en procedures vervat in Aanhangsel III bij deze Bijlage aangewezen zeegebied, met inbegrip van havengebieden. De gebieden voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III zijn:

    1. het Noord-Amerikaanse gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage;
    1. het in de Caribische Zee van de Verenigde Staten gelegen gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage;
    1. het in de Baltische Zee gelegen gebied voor emissiebeheersing zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van Bijlage I bij dit Verdrag;
    1. het in de Noordzee gelegen gebied voor emissiebeheersing zoals omschreven in voorschrift 1.14.6 vanBijlage V bij dit Verdrag;
    1. het Canadees Arctisch gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage; en

7.1. Onverminderd paragraaf 1.1.1 van dit voorschrift dient een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 en vóór 1 januari 2000 te voldoen aan de emissiegrenzen vervat in paragraaf 7.4 van dit voorschrift, mits een goedgekeurde methode voor die motor is gecertificeerd door een Administratie van een Partij en de certificerende Administratie een kennisgeving van die certificering heeft ingediend bij de Organisatie. Voldoening aan dit lid wordt aangetoond door:

    1. installatie van de gecertificeerde methode als bevestigd door een onderzoek met behulp van de verificatieprocedure omschreven in het dossier van de goedgekeurde methode, met inbegrip van correcte vermelding op het IAPP-certificaat van het schip dat de goedgekeurde methode aanwezig is; of
    1. certificering van de motor ter bevestiging dat deze functioneert binnen de grenzen vervat in de paragrafen 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift en correcte vermelding van de certificering van de motor op het IAPP-certificaat van het schip.

7.2. Paragraaf 7.1 van dit voorschrift is tot uiterlijk het eerste hernieuwde onderzoek van toepassing dat ten minste 12 maanden na de indiening van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 7.1 plaatsvindt. Indien de reder van een schip waarop een goedgekeurde methode geïnstalleerd dient te worden ten genoegen van de Administratie kan aantonen dat de goedgekeurde methode ondanks redelijke pogingen tot aankoop niet op de markt verkrijgbaar was, dient deze goedgekeurde methode uiterlijk bij het volgende jaarlijkse onderzoek van dat schip nadat de goedgekeurde methode op de markt beschikbaar is te worden geïnstalleerd.

7.3. Ten aanzien van scheepsdieselmotoren met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op schepen gebouwd op of na 1 januari 1990 maar vóór 1 januari 2000 dient op het IAPP certificaat voor scheepsdieselmotoren waarop paragraaf 7.1 van dit voorschrift van toepassing is, een van de volgende omstandigheden te worden aangegeven:

    1. er is een goedgekeurde methode toegepast ingevolge paragraaf 7.1.1 van dit voorschrift;
    1. de motor is gecertificeerd ingevolge paragraaf 7.1.2 van dit voorschrift;
    1. een goedgekeurde methode is nog niet op de markt verkrijgbaar zoals omschreven in paragraaf 7.2 van dit voorschrift; of
    1. er is nog geen goedgekeurde methode van toepassing.

7.4. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor als omschreven in paragraaf 7.1 van dit voorschrift verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):

    1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
    1. 45•n(-0.2)) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm; en
    1. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.

7.5. De certificering van een goedgekeurde methode dient in overeenstemming te zijn met hoofdstuk 7 van de herziene NOx Technische Code 2008 en gepaard te gaan met verificatie:

    1. door de ontwerper van de oorspronkelijke scheepsdieselmotor waarop de goedgekeurde methode van toepassing is dat de goedgekeurde methode er volgens berekeningen niet toe zal leiden dat het toerental van de motor met meer dan 1% afneemt, het brandstofgebruik met meer dan 2% toeneemt als gemeten bij de desbetreffende testcyclus vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 of dat de duurzaamheid of betrouwbaarheid van de motor nadelig wordt beïnvloed; en
    1. dat de kosten van de goedgekeurde methode niet buitensporig zijn, hetgeen wordt bepaald door een vergelijking met de hoeveelheid NOx-emissie die verminderd wordt door de goedgekeurde methode om te voldoen aan de norm vervat in paragraaf 7.4 van dit voorschrift en de kosten van de aanschaf en het installeren van deze goedgekeurde methode.
8.

De herziene NOx Technische Code 2008 wordt ten behoeve van de normen vervat in dit voorschrift toegepast bij de certificerings-, test- en meetprocedures.

9.

De procedures voor het vaststellen van de NOx-emissie vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 dienen representatief te zijn voor het normale functioneren van de motor. Manipulatievoorzieningen en abnormale emissiebeperkende strategieën ondermijnen dat doel en zijn niet toegestaan. Dit voorschrift belet niet het gebruik van beheersingshulpvoorzieningen die worden gebruikt om de motor en/of de hulpapparatuur ervan te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken.

Voorschrift 14. Zwaveloxides (SOx) en fijnstof

1.

Het zwavelgehalte van brandstofolie die wordt gebruikt aan boord van schepen of daarvoor bestemd is mag niet hoger zijn dan 0,5% m/m.

2.

Het mondiale gemiddelde zwavelgehalte van brandstofolieresiduen geleverd voor gebruik aan boord van schepen dient te worden bewaakt, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.

3.

Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder gebied voor emissiebeheersing, elk door de Organisatie volgens de criteria en procedures vervat in Aanhangsel III bij deze Bijlage aangewezen zeegebied, met inbegrip van havengebieden. De onder dit voorschrift vallende gebieden voor emissiebeheersing zijn:

    1. het Baltische Zeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van Bijlage I bij dit Verdrag;
    1. het Noordzeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.14.6 van Bijlage V bij dit Verdrag;.
    1. het Noord-Amerikaanse gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage;
    1. het in de Caribische Zee van de Verenigde Staten gelegen gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage;
    1. het in de Middellandse Zee gelegen gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage;
    1. het Canadees Arctisch gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage; en
4.

Wanneer een schip vaart binnen een gebied voor emissiebeheersing, mag het zwavelgehalte van de brandstofolie gebruikt aan boord van dat schip niet hoger zijn dan 0,1% m/m.

5.

Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in de eerste en vierde paragraaf van dit voorschrift wordt aangetoond door de leverancier ervan zoals vereist in voorschrift 18 van deze Bijlage.

6.

Schepen waarop afzonderlijke brandstofolie wordt gebruikt teneinde te voldoen aan de vierde paragraaf van dit voorschrift die een gebied voor emissiebeheersing zoals voorzien in de derde paragraaf van dit voorschrift binnenvaren of verlaten, hebben een schriftelijke procedure aan boord waaruit blijkt hoe de overschakeling tussen de soorten olie dient te verlopen, waarbij voldoende tijd is gereserveerd om de olie met een hoger zwavelgehalte dan toegestaan volgens de vierde paragraaf van dit voorschrift volledig uit het brandstofolieservicesysteem te laten verdwijnen voordat het gebied voor emissiebeheersing wordt binnengevaren. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte in elke tank alsmede de datum en de positie van het schip op het tijdstip waarop de overschakeling naar de andere brandstofolie is voltooid alvorens een gebied voor emissiebeheersing binnen te varen of wordt begonnen na het verlaten van een dergelijk gebied worden vastgelegd in een door de Administratie voorgeschreven logboek of elektronisch journaal.

7.

Gedurende de eerste twaalf maanden onmiddellijk na de inwerkingtreding van een wijziging waarbij een specifiek gebied voor emissiebeheersing ingevolge paragraaf 3 van dit voorschrift wordt aangewezen, zijn schepen die in dat gebied voor emissiebeheersing varen vrijgesteld van de vereisten van de paragrafen 4 en 6 van dit voorschrift alsmede van de vereisten van paragraaf 5 van dit voorschrift voor zover zij betrekking hebben op paragraaf 4 van dit voorschrift.

8.

Indien de bevoegde autoriteit van een Partij vereist dat het in-gebruik-monster of het aan-boord-monster wordt geanalyseerd, geschiedt dit in overeenstemming met de verificatieprocedure zoals vervat in Aanhangsel VI bij deze Bijlage om vast te stellen of de brandstofolie die gebruikt wordt aan boord of daarvoor bestemd is, voldoet aan de vereisten van de eerste of vierde paragraaf van dit voorschrift. Het aan-boord-monster wordt genomen rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen. Het aan-boord-monster wordt genomen rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.

9.

Het monster dient te worden verzegeld door de vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit met een uniek identificatiemiddel dat wordt aangebracht in aanwezigheid van de vertegenwoordiger van het schip. De mogelijkheid wordt geboden een duplicaatmonster op het schip te bewaren.

10.

Voor elk schip waarop de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage van toepassing zijn, wordt een bemonsteringspunt of worden bemonsteringspunten aangebracht of aangewezen ten behoeve van het nemen van representatieve monsters van de brandstofolie die aan boord wordt gebruikt, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.

11.

Voor een schip gebouwd voor 1 april 2022 dient het in paragraaf 10 bedoelde bemonsteringspunt of dienen de in paragraaf 10 bedoelde bemonsteringspunten te worden aangebracht of aangewezen niet later dan het eerste hernieuwde onderzoek zoals voorzien in voorschrift 5.1.2 van deze Bijlage op of na 1 april 2023.

12.

De vereisten van de bovenstaande paragrafen 10 en 11 zijn niet van toepassing op een brandstofolieservicesysteem gebruikt voor een brandstof met een laag vlampunt of een gasvormige brandstof.

13.

De bevoegde autoriteit van een Partij gebruikt, naargelang van toepassing, het bemonsteringspunt of de bemonsteringspunten dat is of die zijn aangewezen voor het nemen van representatieve monsters van de brandstofolie die aan boord wordt gebruikt teneinde te verifiëren of de brandstofolie voldoet aan dit voorschrift. Het nemen van brandstofoliemonsters door de bevoegde autoriteit van de Partij dient zo snel mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken.

Voorschrift 15. Vluchtige organische stoffen

1.

Indien de emissies van vluchtige organische stoffen (VOS) door tankschepen binnen een haven of havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van een Partij dient te worden gereguleerd, geschiedt dat in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift.

2.

Een Partij die de emissies van VOS door tankschepen reguleert dient een kennisgeving in bij de Organisatie. Deze kennisgeving bevat informatie inzake de afmetingen van de te reguleren tankschepen, inzake vrachten waarvoor dampemissiebeheersingssystemen vereist zijn, en de datum waarop dit vereiste in werking treedt. De kennisgeving wordt ten minste zes maanden voor de datum van inwerkingtreding ingediend.

3.

Een partij die havens of laad- en losplaatsen aanwijst waarin VOS-emissies van tankschepen dienen te worden gereguleerd waarborgt dat door die Partij goedgekeurde dampemissiebeheersingssystemen, overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen, beschikbaar worden gesteld in de aangewezen haven en laad- en losplaats, en veilig worden gebruikt en op een wijze waardoor onnodig oponthoud van schepen wordt voorkomen.

4.

De Organisatie doet ter kennisgeving een lijst van door Partijen aangewezen havens en laad- en losplaatsen toekomen aan andere Partijen en lidstaten van de Organisatie.

5.

Een tankschip waarop de eerste paragraaf van dit voorschrift van toepassing is wordt aangesloten op een door de Administratie overeenkomstig de door de Organisatie, opgestelde veiligheidsnormen voor dergelijke systemen goedgekeurd dampemissiebeheersingsysteem en gebruikt dit systeem tijdens het laden van daarvoor in aanmerking komende ladingen. Een haven of laad- of losplaatsen waar dampemissiebeheersingssystemen zijn geïnstalleerd in overeenstemming met dit voorschrift kunnen gedurende een tijdvak van drie jaar na de in de tweede paragraaf van dit voorschrift genoemde datum van inwerkingtreding bestaande tankschepen toelaten die niet zijn voorzien van dampopvangsystemen.

6.

Aan boord van tankschepen die ruwe olie vervoeren dient een door de Administratie goedgekeurd VOS-managementplan aanwezig te zijn en geïmplementeerd te worden. Deze plannen worden opgesteld aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het plan dient toegesneden te zijn op het schip en ten minste:

    1. schriftelijke procedures te bevatten voor het minimaliseren van VOS-emissies tijdens het laden en lossen van de vracht en tijdens de zeereis;
    1. betrekking te hebben op de extra VOS die ontstaan bij wassen met ruwe olie;
    1. te vermelden wie verantwoordelijk is voor de implementatie van het plan; en
    1. voor schepen op internationale reizen opgesteld te zijn in de werktaal van de kapitein en officieren en indien deze niet het Engels, het Frans of het Spaans is een vertaling te omvatten in een van deze talen.
7.

Dit voorschrift is alleen mede van toepassing op gasschepen wanneer het type laad-, los- en opslagsystemen voor de veilige opslag aan boord of het veilig terugbrengen aan land van VOS (met uitzondering van methaan) mogelijk maakt.

Voorschrift 16. Verbranding aan boord

1.

Behalve zoals bepaald in de vierde paragraaf van dit voorschrift is verbranding aan boord alleen toegestaan in een verbrandingsinstallatie aan boord.

2.

Verbranding aan boord van de volgende stoffen is verboden:

    1. residuen van vrachten waarop Bijlage I, II, of III van toepassing is of bijbehorend vervuild verpakkingsmateriaal;
    1. polychloorbifenylen (PCB’s);
    1. afval zoals omschreven in Bijlage V dat meer dan sporen bevat van zware metalen;
    1. geraffineerde aardolieproducten die halogeenverbindingen bevatten;
    1. zuiveringsslib en oliehoudend slik die niet aan boord van het schip zijn ontstaan; en
    1. residuen van uitlaatgasreinigingssystemen.
3.

Verbranding aan boord van polyvinylchloriden (PVC’s) is verboden behalve in verbrandingsinstallaties aan boord waarvoor typegoedkeuringscertificaten van de IMO zijn afgegeven.

4.

Verbranding aan boord van zuiveringsslib en oliehoudend slik ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip kan ook plaatsvinden in de hoofd- of hulpmotoren of ketels, maar is in die gevallen niet toegestaan binnen havens, havenbekkens of estuaria.

5.

Niets in dit voorschrift:

    1. vormt een beletsel voor het ontwikkelen, installeren en gebruiken van alternatieve thermische afvalbehandelingsvoorzieningen aan boord die voldoen aan de vereisten van dit voorschrift of aan strengere vereisten.

6.1. Behalve zoals voorzien in paragraaf 6.2 van dit voorschrift dienen alle verbrandingsinstallaties aan boord van schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 en alle verbrandingsinstallaties op of na 1 januari 2000 geïnstalleerd aan boord van schepen te voldoen aan de vereisten vervat in aanhangsel IV bij deze Bijlage. Iedere verbrandingsinstallatie waarop deze paragraaf van toepassing is dient te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde standaardspecificaties voor verbrandingsinstallaties aan boord;

6.2. De Administratie kan uitsluiting van de toepassing van paragraaf 6.1 van dit voorschrift toestaan op elke verbrander die vóór 19 mei 2005 is geïnstalleerd aan boord van een schip, mits het schip uitsluitend reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.

7.

Verbrandingsinstallaties die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met de vereisten van paragraaf 6.1 van dit voorschrift dienen te worden geleverd met een bedieningshandleiding van de producent die bij de eenheid bewaard dient te worden. Daarin dient vermeld te zijn hoe de verbrandingsinstallatie binnen de grenzen omschreven in het tweede lid van aanhangsel IV bij deze Bijlage bediend dient te worden.

8.

Het personeel verantwoordelijk voor de bediening van een in overeenstemming met de vereisten van paragraaf 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallatie dient te worden getraind in de uitvoering van de instructies uit de bedieningshandleiding van de producent zoals vereist volgens de zevende paragraaf van dit voorschrift.

9.

Voor in overeenstemming met paragraaf 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallaties dient de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer voortdurend te worden gemeten wanneer de eenheid in bedrijf is. Indien de verbrandingsinstallatie voorzien is van doorlopende toevoer, mag er geen afval aan de installatie worden toegevoerd wanneer de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer lager is dan 850°C. Bij verbrandingsinstallaties met toevoer in partijen, dient de eenheid zodanig te zijn ontworpen dat de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer binnen vijf minuten na inschakeling 600°C heeft bereikt om vervolgens te stijgen tot en stabiel te blijven op ten minste 850°C.

Voorschrift 17. Ontvangstinrichtingen

1.

Elke Partij verbindt zich ertoe zorg te dragen voor het beschikbaar zijn van toereikende inrichtingen die voorzien in de:

    1. behoefte van schepen die gebruikmaken van haar reparatiehavens aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die deze stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd;
    1. behoefte van schepen die gebruikmaken van haar havens, laad- en losplaatsen of reparatiehavens aan de ontvangst van residuen van uitlaatgasreinigingssystemen uit een uitlaatgasreinigingssysteem, zonder onnodige vertraging te veroorzaken voor schepen; en
    1. behoefte van scheepssloopinrichtingen aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die dergelijke stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd.
2.

De volgende staten kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de eerste paragraaf van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten:

    1. kleine eilandstaten in ontwikkeling; en
    1. staten waarvan de kustlijn grenst aan Arctische wateren mits de regionale regelingen alleen betrekking hebben op de havens van die staten in de Arctische wateren.

Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstinrichtingen opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:

    1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstinrichtingen rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen;
    1. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstcentra voor afval van schepen rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
    1. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
3.

Indien een specifieke haven of laad- of losplaats van een Partij – rekening houdend met de door de Organisatie op te stellen richtlijnen – ver afgelegen is van de industriële infrastructuur noodzakelijk voor het beheer en behandelen van de stoffen bedoeld in de eerste paragraaf van dit voorschrift of deze ontbeert en dergelijke stoffen daarom niet in ontvangst kan nemen, stelt de Partij de Organisatie daarvan in kennis zodat deze informatie ter kennisgeving aan alle Partijen en lidstaten van de Organisatie kan worden toegezonden ten behoeve van passende maatregelen. Elke Partij die de Organisatie dergelijke informatie heeft doen toekomen stelt de Organisatie tevens in kennis van haar havens en laad- en losplaatsen waar wel ontvangstvoorzieningen aanwezig zijn voor het beheer en behandelen van dergelijke stoffen.

4.

Elke Partij stelt de Organisatie ter mededeling aan de leden van de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende voorzieningen niet beschikbaar zijn of als ontoereikend worden aangemerkt.

Voorschrift 18. Beschikbaarheid en kwaliteit van brandstofolie

1.

Elke Partij neemt alle redelijke stappen om de beschikbaarheid van brandstofolie die voldoet aan deze Bijlage te bevorderen en informeert de Organisatie over de beschikbaarheid van geschikte brandstofolie in haar havens en laad- en losplaatsen.

2.1. Indien een Partij constateert dat een schip niet voldoet aan de normen voor geschikte brandstofolie vervat in deze Bijlage, is de bevoegde autoriteit van deze Partij bevoegd ter zake van het schip te verlangen dat:

    1. een verslag wordt overgelegd van de maatregelen genomen teneinde te pogen aan de vereisten te voldoen; en
    1. bewijzen worden verschaft van pogingen tot aankoop van voor het reisschema geschikte brandstofolie en, indien deze niet op de geplande plaatsen beschikbaar was, dat gepoogd is alternatieve aanbieders van die brandstofolie te vinden, en dat men er ondanks alle redelijke inspanningen niet in geslaagd is geschikte brandstofolie in te kopen.

2.2. Van het schip mag niet verlangd worden dat hij afwijkt van de beoogde route of onredelijk veel vertraging oploopt om aan de vereisten te voldoen.

2.3. Indien ter zake van een schip de informatie bedoeld in paragraaf 2.1 van dit voorschrift wordt verschaft, neemt een Partij alle relevante omstandigheden en het overgelegde bewijs in aanmerking teneinde te bepalen of en welke passende beheersmaatregelen worden genomen.

2.4. Een schip stelt zijn Administratie en de bevoegde autoriteit van de desbetreffende haven van bestemming in kennis wanneer het geen geschikte brandstofolie kan aankopen.

2.5. Een Partij stelt de Organisatie ervan in kennis wanneer een schip bewijs heeft overgelegd dat geschikte brandstofolie niet beschikbaar was.

3.

Brandstofolie geleverd aan en gebruikt aan boord van schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te voldoen aan de volgende vereisten:

    1. behalve zoals voorzien in paragraaf 3.2 van dit voorschrift:
  • 1.1. dient de brandstofolie een mengsel te zijn van koolwaterstoffen afkomstig uit de raffinage van aardolie. Dit vormt geen beletsel voor de toevoeging van kleine hoeveelheden additieven ter verbetering van bepaalde aspecten van de prestaties;
  • 1.2. dient de brandstofolie geen anorganische zuren te bevatten; en
  • 1.3. dient de brandstofolie geen enkele toegevoegde stof of chemisch afval te bevatten die of dat:
    1. de veiligheid van schepen in gevaar brengt of de prestaties van de machines nadelig beïnvloedt; of
    1. schadelijk is voor personeel, of
    1. in het algemeen bijdraagt aan extra luchtverontreiniging.
    1. brandstofolie verkregen door methoden anders dan de raffinage van aardolie mag:
  • 2.1. het van toepassing zijnde zwavelgehalte vermeld in voorschrift 14 van deze Bijlage niet overschrijden;
  • 2.2. er niet toe leiden dat de motor de van toepassing zijnde NOx-emissiegrenswaarde vervat in de paragrafen 3, 4, 5.1.1 en 7.4 van voorschrift 13 overschrijdt;
  • 2.3. geen anorganische zuren bevatten; of
  • 2.4.1. de veiligheid van schepen niet in gevaar brengen of de prestaties van de machines niet nadelig beïnvloeden, of
  • 2.4.2. niet schadelijk zijn voor personeel, of
  • 2.4.3. niet in het algemeen bijdragen aan extra luchtverontreiniging.
4.

Dit voorschrift is niet van toepassing op steenkool in vaste vorm of op nucleaire brandstoffen. De paragrafen 5.1, 8.1 en 8.2 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op brandstoffen met een laag vlampunt of een gasvormige brandstof.

5.1. Voor elk schip dat is onderworpen aan de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage dienen gegevens over geleverde en aan boord van dat schip gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in Aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.

5.2. Voor elk schip waarop de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage van toepassing zijn, dienen gegevens over brandstof met een laag vlampunt of gasvormige brandstof die aan dat schip wordt geleverd en aan boord ervan wordt gebruikt, te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de in de punten 1 tot en met 6 van Aanhangsel V van deze Bijlage gespecificeerde informatie bevat, de dichtheid zoals bepaald volgens een voor het brandstoftype geschikte testmethode, samen met de bijbehorende temperatuur, en een door de vertegenwoordiger van de brandstofleverancier ondertekende en gecertificeerde verklaring dat de brandstofolie in overeenstemming is met paragraaf 3 van dit voorschrift. Daarnaast dient het zwavelgehalte van een brandstof met een laag vlampunt of een gasvormige brandstof die aan een schip wordt geleverd en specifiek bedoeld is voor gebruik aan boord van dat schip te worden gedocumenteerd op de bunkerafleveringsbon door de leverancier met vermelding van ofwel de feitelijke waarde zoals bepaald volgens een voor het brandstoftype geschikte testmethode of, met instemming van de juiste autoriteit in de haven van levering, een verklaring dat het zwavelgehalte, wanneer met een dergelijke methode getest, lager is dan 0,001% m/m.

6.

De bunkerafleveringsbon dient aan boord te worden gehouden op een plaats die op elk redelijk tijdstip gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie. De bon dient te worden bewaard gedurende een tijdvak van drie jaar nadat de brandstofolie aan boord is afgeleverd.

7.1. De bevoegde autoriteit van een Partij kan de bunkerafleveringsbonnen aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is inspecteren, terwijl het schip in haar haven of laad- of losplaats buitengaats ligt, een afschrift van elke bunkerafleveringsbon maken en verlangen dat de kapitein of de persoon die verantwoordelijk is voor het schip elk afschrift van een dergelijke bunkerafleveringsbon voor eensluidend waarmerkt. De bevoegde autoriteit kan ook de inhoud van iedere bon verifiëren door overleg met de haven waar de bon werd afgegeven.

7.2. De controle van de bunkerafleveringsbonnen en het maken van gewaarmerkte afschriften door de bevoegde autoriteit in overeenstemming met paragraaf 7.1 van dit voorschrift dienen zo spoedig mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud voor het schip te veroorzaken.

8.1. De bunkerafleveringsbon gaat vergezeld van een representatief monster van de geleverde brandstofolie rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het monster dient te worden verzegeld en te worden getekend door de vertegenwoordiger van de leverancier en de kapitein of de officier die verantwoordelijk is voor het bunkeren bij de voltooiing van het bunkeren en aan boord van het schip te worden gehouden, totdat de brandstofolie grotendeels is verbruikt, maar in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste twaalf maanden vanaf het tijdstip van levering.

8.2. Indien een Administratie verlangt dat het representatieve monster wordt geanalyseerd, gebeurt dit in overeenstemming met de verificatieprocedure vervat in Aanhangsel VI bij deze Bijlage om te bepalen of de brandstofolie voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.

9.

Partijen verbinden zich ertoe te waarborgen dat de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten:

    1. een register bijhouden van plaatselijke leveranciers van brandstofolie;
    1. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een bunkerafleveringsbon en, indien van toepassing het monster geleverd uit hoofde van MARPOL zoals vereist krachtens dit voorschrift verschaffen, gewaarmerkt door de leverancier van de brandstofolie dat de brandstofolie voldoet aan de vereisten van de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage;
    1. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een afschrift van de bunkerafleveringsbon gedurende ten minste drie jaar bewaren voor inspectie en verificatie door de havenstaat indien nodig;
    1. passende maatregelen treffen tegen brandstofolieleveranciers van wie is aangetoond dat zij brandstofolie leveren die niet overeenkomt met hetgeen vermeld is op de bunkerafleveringsbon;
    1. de Administratie informeren over elk schip dat brandstofolie ontvangt die niet blijkt te voldoen aan de vereisten van de voorschriften 14 of 18 van deze Bijlage; en
    1. de Organisatie ter mededeling aan de Partijen en lidstaten van de Organisatie informeren over alle gevallen waarin brandstofolieleveranciers niet hebben voldaan aan de vereisten vermeld in de voorschriften 14 of 18 van deze Bijlage.
10.

Voorts verbinden de Partijen zich in verband met door Partijen verrichte inspecties van havenstaten ertoe:

    1. de Partij of een staat die geen Partij is onder wiens rechtsmacht de bunkerafleveringsbon is afgegeven, te informeren over gevallen waarin brandstofolie is geleverd die niet voldoet, en daarbij alle relevante informatie te verstrekken; en
    1. te verzekeren dat passende herstelmaatregelen worden getroffen om brandstofolie waarvan ontdekt is dat deze niet aan de vereisten voldoet alsnog daaraan te laten voldoen.
11.

Voor elk schip met een brutotonnage van 400 en meer met geplande reizen waarbij frequent en regelmatig havens worden binnengelopen kan een Administratie op verzoek van en in overleg met de betrokken Staten besluiten dat op een alternatieve wijze aan de zesde paragraaf van dit voorschrift kan worden voldaan, indien deze leidt tot dezelfde zekerheid omtrent het voldoen aan de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage.

HOOFDSTUK 4. VOORSCHRIFTEN INZAKE KOOLSTOFINTENSITEIT VAN INTERNATIONALE SCHEEPVAART

Voorschrift 19. Toepassing

1.

Dit Hoofdstuk is van toepassing op alle schepen met een brutotonnage van 400 en meer.

2.

De bepalingen van dit Hoofdstuk zijn niet van toepassing op:

    1. schepen die uitsluitend reizen maken in wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren. Elke Partij dient evenwel door het aannemen van passende maatregelen te waarborgen dat dergelijke schepen worden gebouwd en geëxploiteerd op een wijze die verenigbaar is met de vereisten van Hoofdstuk 4 van deze Bijlage, voor zover dat redelijk en praktisch uitvoerbaar is.
    1. schepen die niet met mechanische middelen worden voortgestuwd en platforms, met inbegrip van drijvende productie- en overslageenheden (FPSO's), drijvende opslageenheden (FSU's) en boorplatforms, ongeacht de wijze van voortstuwing ervan.
3.

De voorschriften 22, 23, 24 en 25 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op schepen met niet-conventionele voortstuwing, met dien verstande dat de voorschriften 22 en 24 wel van toepassing zijn op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en LNG-tankers met conventionele of niet-conventionele voortstuwing, opgeleverd op of na 1 september 2019, zoals omschreven in voorschrift 2.2.1, en voorschriften 23 en 25 zijn van toepassing op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en LNG-tankers met conventionele of niet-conventionele voortstuwing. De voorschriften 22, 23, 24, 25 en 28 zijn niet van toepassing op schepen van categorie A zoals omschreven in de Polar Code.

4.

Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 van dit voorschrift, kan de Administratie ontheffing verlenen van de vereisten van voorschrift 22 en voorschrift 24 van deze Bijlage voor schepen met een brutotonnage van 400 en meer.

5.

De bepalingen van paragraaf 4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op schepen met een brutotonnage van 400 en meer:

    1. waarvoor het bouwcontract wordt afgesloten op of na 1 januari 2017; of
    1. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juli 2017; of
    1. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 juli 2019; of
    1. in geval van een belangrijke wijziging van een nieuw of bestaand schip, zoals omschreven in voorschrift 2.2.17 van deze Bijlage, op of na 1 januari 2017, en waarbij voorschrift 5.4.2 en voorschrift 5.4.3 van deze Bijlage van toepassing zijn.
6.

De Administratie van een Partij bij dit Verdrag die toepassing van paragraaf 4 toestaat, of de toepassing van deze paragraaf opschort, intrekt of afwijst, met betrekking tot een schip dat gerechtigd is haar vlag te voeren, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden daarvan toekomen voor toezending aan de Partijen bij dit Protocol ter informatie.

Voorschrift 20. Doel

Het doel van dit Hoofdstuk is het verminderen van de koolstofintensiteit van internationale scheepvaart, waarbij wordt toegewerkt naar de ambitieniveaus van de Initial IMO Strategy on reduction of GHG emissions from ships.

Voorschrift 21. Functionele vereisten

Om de doelstelling van voorschrift 20 van deze Bijlage te bereiken, moet een schip waarop dit Hoofdstuk van toepassing is, voor zover van toepassing, voldoen aan de volgende functionele vereisten om zijn koolstofintensiteit te verminderen:

    1. de technische koolstofintensiteitsvereisten in overeenstemming met de voorschriften 22, 23, 24 en 25 van deze Bijlage; en
    1. de operationele koolstofintensiteitsvereisten in overeenstemming met de voorschriften 26, 27 en 28 van deze Bijlage.

Voorschrift 22. Bereikte ontwerpindex voor energie-efficiëntie (Bereikte EEDI)

1.

De bereikte EEDI wordt berekend voor:

    1. elk nieuw schip;
    1. elk nieuw schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan; en
    1. elk nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip

dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.20, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29 van deze Bijlage valt. De bereikte EEDI dient voor elk afzonderlijk schip te worden berekend en dient te vermelden wat de geschatte prestatie van het schip is in termen van energie-efficiëntie, en dient vergezeld te gaan van het technisch dossier van de EEDI waarin de informatie staat die nodig is voor het berekenen van de bereikte EEDI alsmede de uitgevoerde berekening zelf. De bereikte EEDI dient te worden geverifieerd aan de hand van het technisch dossier bij de EEDI, hetzij door de Administratie hetzij door een door haar naar behoren gemachtigde organisatie.

2.

De bereikte EEDI wordt berekend aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

3.

Voor elk schip dat is onderworpen aan voorschrift 24 van deze Bijlage meldt de Administratie of de door haar naar behoren gemachtigde organisatie aan de Organisatie de vereiste en bereikte EEDI-waarden en relevante informatie, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, via elektronische weg:

    1. binnen 7 maanden na afronding van het onderzoek zoals vereist door voorschrift 5.4 van deze Bijlage; of
    1. binnen 7 maanden na 1 april 2022 voor een schip opgeleverd vóór 1 april 2022.

Voorschrift 26. Energie-efficiëntiemanagementplan van het schip (SEEMP)

1.

Elk schip dient een op het schip van toepassing zijnde energie-efficiëntiemanagementplan (SEEMP) aan boord te hebben. Dit kan onderdeel vormen van het veiligheidsbeleidssysteem (SMS) van het schip. Het SEEMP dient te worden ontwikkeld en herzien met inachtneming van de door de Organisatie aangenomen richtlijnen.

2.

Voor een schip van 5.000 brutotonnage en meer dient het SEEMP een beschrijving te omvatten van de methodiek die wordt gebruikt om de door voorschrift 27.1 van deze Bijlage vereiste gegevens te verzamelen en van de processen die worden gebruikt om de gegevens aan de Administratie van het schip te rapporteren.

3.

Voor een schip van 5.000 brutotonnage en hoger dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29 van deze Bijlage valt:

    1. Bevat de SEEMP op of voor 1 januari 2023:
    1. een beschrijving van de methodiek die wordt gebruikt om de door voorschrift 28 van deze Bijlage vereiste bereikte jaarlijkse operationele KII van het schip te berekenen en van de processen die worden gebruikt om de gegevens aan de Administratie van het schip te rapporteren,
    1. de vereiste bereikte jaarlijkse operationele KII, zoals aangeduid in voorschrift 28 van deze Bijlage, voor de volgende drie jaar;
    1. een uitvoeringsplan waaruit blijkt hoe de vereiste jaarlijkse operationele KII wordt bereikt in de komende drie jaar; en
    1. een procedure voor zelf-evaluatie en verbetering.
    1. Voor een schip dat gedurende drie opeenvolgende jaren een D-classificatie heeft gekregen of dat overeenkomstig voorschrift 28 van deze Bijlage een E-classificatie heeft gekregen, wordt het SEEMP herzien in overeenstemming met voorschrift 28.8 van deze Bijlage waarbij een plan van corrigerende maatregelen wordt opgenomen om de vereiste jaarlijkse operationele KII te behalen.
    1. Het SEEMP is onderworpen aan verificatie en bedrijfsaudits met inachtneming van de door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.

Voorschrift 27. Verzamelen en rapporteren van gegevens over het brandstofolieverbruik van schepen

1.

Vanaf het kalenderjaar 2019 dienen voor elk schip van 5.000 brutotonnage en meer de in Aanhangsel IX van deze Bijlage genoemde gegevens te worden verzameld voor dat kalenderjaar en elk daaropvolgend kalenderjaar of deel daarvan, naargelang van toepassing, volgens de in het SEEMP opgenomen methodologie.

2.

Uitgezonderd zoals voorzien in de paragrafen 4, 5 en 6 van dit voorschrift, dienen aan het einde van elk kalenderjaar de voor het schip in dat kalenderjaar of deel daarvan verzamelde gegevens, naargelang van toepassing, te worden samengevoegd.

3.

Uitgezonderd zoals voorzien in de paragrafen 4, 5 en 6 van dit voorschrift dient voor elk schip binnen drie maanden na het einde van elk kalenderjaar, aan de Administratie van het schip of elke door haar naar behoren gemachtigde organisatie de samengestelde waarde voor elke in Aanhangsel IX bij deze Bijlage genoemde datum te worden gerapporteerd langs elektronische weg en met gebruikmaking van een door de Organisatie te ontwikkelen standaardformaat.

4.

Indien een schip van de ene naar de andere Administratie wordt overgedragen, dienen op de dag waarop de overdracht wordt afgerond of zo dicht daarop als praktisch mogelijk is aan de overdragende Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie de samengestelde gegevens te worden gerapporteerd die betrekking hebben op het deel van het kalenderjaar dat onder die Administratie valt, zoals vermeld in Aanhangsel IX bij deze Bijlage en, na voorafgaand verzoek van die Administratie, de uitgesplitste gegevens.

5.

Indien een schip overgaat van de ene naar de andere onderneming, dienen op de dag waarop de overgang wordt afgerond of zo dicht daarop als praktisch mogelijk is aan zijn Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie, de samengestelde gegevens te worden gerapporteerd die betrekking hebben op het deel van het kalenderjaar waarvoor de onderneming verantwoordelijk is, zoals vermeld in Aanhangsel IX bij deze Bijlage en, na verzoek van die Administratie, de uitgesplitste gegevens.

6.

Indien de verandering van Administratie samenvalt met de verandering van onderneming, is de vierde paragraaf van dit voorschrift van toepassing.

7.

De gegevens dienen te worden geverifieerd volgens door de Administratie in te stellen procedures, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.

8.

Uitgezonderd zoals voorzien in de paragrafen 4, 5 en 6 van dit voorschrift dienen de uitgesplitste gegevens die ten grondslag liggen aan de gerapporteerde gegevens die in Aanhangsel IX bij deze Bijlage worden vermeld ter zake van het voorafgaande kalenderjaar gemakkelijk toegankelijk te zijn gedurende een periode van ten minste 12 maanden te rekenen vanaf het einde van dat kalenderjaar en aan de Administratie op verzoek beschikbaar te worden gesteld.

9.

De Administratie waarborgt dat de gerapporteerde gegevens vermeld in Aanhangsel IX bij deze Bijlage ter zake van haar geregistreerde schepen van 5.000 brutotonnage en meer worden overgedragen aan de IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen langs elektronische weg en met gebruikmaking van een door de Organisatie te ontwikkelen standaardformaat en niet later dan één maand na afgifte van de conformverklaringen voor deze schepen.

10.

Op basis van de gerapporteerde gegevens die bij de IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen worden ingediend, stelt de Secretaris-Generaal van de Organisatie een jaarverslag op voor de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu waarin een beknopt overzicht wordt gegeven van de verzamelde gegevens, de status van de ontbrekende gegevens en overige relevante informatie waarom de Commissie kan verzoeken.

11.

De Secretaris-Generaal van de Organisatie verleent aan de Administratie van een schip waarop voorschrift 28 van deze Bijlage van toepassing is toegang tot alle verzamelde gegevens voor alle voorgaande kalenderjaren in de IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen voor dat schip.

12.

De Secretaris-Generaal van de Organisatie houdt een database bij die zodanig geanonimiseerd is dat individuele schepen niet geïdentificeerd kunnen worden. Partijen hebben uitsluitend toegang tot de geanonimiseerde gegevens ten behoeve van analyse en bestudering.

13.

De IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen wordt opgezet en beheerd door de Secretaris-Generaal van de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.

14.

Op ad-hoc basis mag de Secretaris-Generaal van de Organisatie gegevens delen met analytische adviesbureaus en onderzoeksinstellingen, met inachtneming van strikte vertrouwelijkheidsregels.

15.

De Secretaris-Generaal van de Organisatie verleent, op verzoek van een onderneming, het algemeen publiek toegang tot de brandstofolieverbruikrapporten, in niet geanonimiseerde vorm, van schepen die de onderneming in eigendom heeft.

Voorschrift 28. Operationele koolstofintensiteit

1.

Na het einde van het kalenderjaar 2023 en na het einde van elk daaropvolgend kalenderjaar berekent elk schip van 5.000 brutotonnage en meer dat onder één of meer van de categorieën van de voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22 en 2.2.26 tot en met 2.2.29 van deze Bijlage valt, de bereikte jaarlijkse operationele KII over een periode van twaalf maanden van 1 januari tot en met 31 december van het voorgaande kalenderjaar, met gebruikmaking van de gegevens die overeenkomstig voorschrift 27 van deze bijlage zijn verzameld, en met inachtneming van de door de Organisatie op te stellen richtlijnen.

2.

Binnen drie maanden na het einde van elk kalenderjaar, rapporteert het schip aan zijn Administratie of elke door haar naar behoren gemachtigde organisatie de bereikte jaarlijkse operationele KII langs elektronische weg en met gebruikmaking van een door de Organisatie te ontwikkelen standaardformaat.

3.

Onverminderd de punten 1 en 2 van dit voorschrift berekent en rapporteert een schip in geval van overdracht van een schip als bedoeld in de voorschriften 27.4, 27.5 of 27.6 na 1 januari 2023, na afloop van het kalenderjaar waarin de overdracht plaatsvindt, de bereikte jaarlijkse operationele KII voor de volledige periode van twaalf maanden van 1 januari tot en met 31 december van het kalenderjaar waarin de overdracht plaatsvond, overeenkomstig de voorschriften 28.1 en 28.2, ter verificatie overeenkomstig voorschrift 6.6 van deze Bijlage, rekening houdend met de door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen. Niets in dit voorschrift ontslaat een schip van zijn rapportageverplichtingen krachtens voorschrift 27 of dit voorschrift van deze Bijlage.

4.

Voor een schip van 5.000 brutotonnage en meer dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29 van deze Bijlage valt, wordt de vereiste jaarlijkse operationele KII als volgt bepaald:

waarbij

Z de jaarlijkse reductiefactor is die zorgt voor een voortdurende verbetering van de operationele koolstofintensiteit van het schip binnen een bepaald classificatieniveau; en

de referentiewaarde is.

5.

De jaarlijkse reductiefactor Z en de referentiewaarde

zijn de waarden die zijn vastgesteld met inachtneming van de door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.

6.

De bereikte jaarlijkse operationele KII wordt gedocumenteerd en geverifieerd ten opzichte van de vereiste jaarlijkse operationele KII om de operationele indicatorwaarde koolstofintensiteit A, B, C, D of E vast te stellen, waarbij een hoog, minder hoog, gemiddeld, minder laag of laag prestatieniveau wordt aangegeven, hetzij door de Administratie, hetzij door een door haar naar behoren gemachtigde organisatie, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen. Het middelste punt van indicatorwaarde C is de waarde die overeenstemt met de vereiste jaarlijkse operationele KII zoals vermeld in paragraaf 4 van dit voorschrift.

7.

Een schip dat gedurende drie opeenvolgende jaren een D-waarde heeft gekregen of een E-waarde heeft gekregen, moet een plan met corrigerende maatregelen opstellen om de vereiste jaarlijkse operationele KII te bereiken.

8.

Het SEEMP wordt herzien om het plan met corrigerende maatregelen dienovereenkomstig op te nemen, met inachtneming van de door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen. Het herziene SEEMP wordt ter verificatie voorgelegd aan de Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie, bij voorkeur samen met, maar in geen geval later dan één maand na de rapportage van de bereikte jaarlijkse operationele KII overeenkomstig paragraaf 2 van dit voorschrift

9.

Een schip dat gedurende drie opeenvolgende jaren een D-waarde heeft gekregen of een E-waarde heeft gekregen, moet het plan met corrigerende maatregelen uitvoeren in overeenstemming met het herziene SEEMP.

10.

Administraties, havenautoriteiten en andere belanghebbenden worden aangemoedigd om, waar nodig, stimulansen te geven aan schepen die als indicatorwaarde A of B hebben gekregen.

11.

Uiterlijk op 1 januari 2026 wordt door de Organisatie een evaluatie voltooid ter beoordeling van:

    1. de doeltreffendheid van dit voorschrift bij de vermindering van de koolstofintensiteit van de internationale scheepvaart;
    1. de noodzaak van aangescherpte corrigerende maatregelen of andere middelen, met inbegrip van eventuele aanvullende EEXI-vereisten;
    1. de behoefte aan versterking van het handhavingsmechanisme;
    1. de noodzaak van een verbetering van het systeem voor gegevensverzameling; en
    1. de herziening van de Z-factor en de CIIR -waarden.

Indien de Partijen op basis van de evaluatie besluiten wijzigingen van dit voorschrift aan te nemen, worden zij aangenomen en treden zij in werking in overeenstemming met de in artikel 16 van dit Verdrag vervatte bepalingen.

Voorschrift 29. Bevordering van technische samenwerking en overdracht van technologie met betrekking tot het verbeteren van de energie-efficiëntie van schepen

1.

In samenwerking met de Organisatie en andere internationale organen bevorderen en verstrekken Administraties, al naargelang van toepassing, rechtstreeks of via de Organisatie rechtstreekse steun aan Staten, met name Staten in ontwikkeling, die om technische bijstand verzoeken.

2.

De Administratie van een Partij werkt actief samen met andere Partijen, met inachtneming van haar nationale wet- en regelgeving en beleid, om de ontwikkeling en overdracht van technologie te bevorderen en informatie uit te wisselen met Staten die om technische bijstand verzoeken, met name Staten in ontwikkeling, met betrekking tot de implementatie van maatregelen om aan de vereisten van Hoofdstuk 4 van deze Bijlage te voldoen, met name voorschriften 19.4 tot en met 19.6.

HOOFDSTUK 5. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE

Voorschrift 30. Toepassing

De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.

Voorschrift 31. Verificatie van de naleving

1.

Elke Partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.

2.

De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van de auditregeling, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

3.

Elke Partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

4.

De audits van alle Partijen:

    1. zijn gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
    1. vinden periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

1. Doelstellingen

1.1. Doel van dit aanhangsel is de Partijen te voorzien van criteria en procedures voor het formuleren en indienen van voorstellen voor het aanwijzen van gebieden voor emissiebeheersing en de factoren te benoemen die bij de beoordeling van deze voorstellen door de Organisatie in aanmerking dienen te worden genomen.

1.2. De emissie van NOx, SOx en fijnstof door zeeschepen draagt overal ter wereld bij aan concentraties van luchtvervuiling in steden en kustgebieden. Tot de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu ten gevolge van luchtvervuiling behoren onder meer voortijdig overlijden, hart- en vaatziekten, longkanker, chronische luchtwegaandoeningen alsmede verzuring en eutrofiëring.

1.3. Aanneming van een gebied voor emissiebeheersing dient door de Organisatie te worden overwogen indien er een aantoonbare noodzaak bestaat tot preventie, reductie en beheersing van de emissie van NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan (hierna emissies) door schepen.

2. Procedure voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing

2.1. Een voorstel aan de Organisatie voor de aanwijzing van een gebied waar de emissie van NOx of SOx en fijnstof of alle drie de typen emissies dient te worden beheerst, kan uitsluitend door de Partijen worden ingediend. Indien twee of meer Partijen een gezamenlijk belang hebben in een specifiek gebied dienen ze gezamenlijk een voorstel in te dienen.

2.2. Voorstellen voor de aanwijzing van een bepaald gebied als gebied voor emissiebeheersing dienen te worden ingediend bij de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie vastgestelde regels en procedures.

3. Criteria voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing

3.1. Het voorstel dient te omvatten:

    1. een duidelijke afbakening van het voorgestelde toepassingsgebied, tezamen met een referentiekaart waarop het gebied is gemarkeerd;
    1. het soort of de soorten emissie waarvoor beheersing wordt voorgesteld (bijv. NOx of SOx en fijnstof of alle drie de typen emissies);
    1. een beschrijving van de bevolkingsgroepen en milieugebieden die bedreigd worden door de gevolgen van emissies door schepen;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)