Wet van 15 januari 1921
Indien de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, doch ter terechtzitting blijkt dat hij feitelijk op een ander adres verblijft, kan de rechter de oproeping van de niet verschenen verdachte bevelen.
Indien aan de verzendplicht ingevolge artikel 588a niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de rechter de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting tenzij:
- a. zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, dan wel
- b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid.
TITEL IIC. Rechtsplegingen in verband met de plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
Artikel 591
Aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen wordt uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor de kosten, welke ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover de aanwending dier kosten het belang van het onderzoek heeft gediend of door de intrekking van dagvaardingen of rechtsmiddelen door het openbaar ministerie nutteloos is geworden.
Het bedrag van de vergoeding wordt op verzoek van de gewezen verdachte of zijn erfgenamen vastgesteld. Het verzoek moet worden ingediend binnen drie maanden na het eindigen van de zaak. De vaststelling geschiedt bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd, en wel door de rechter of raadsheer in de enkelvoudige kamer die de zaak heeft behandeld of, indien de behandeling van de zaak plaatsvond door een meervoudige kamer, door de voorzitter daarvan. De rechter of raadsheer geeft voor het bedrag van de vergoeding een bevelschrift van tenuitvoerlegging af.
De behandeling van het verzoek door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.
Uitbetaling geschiedt door de griffier.
Een en ander vindt overeenkomstige toepassing op rechtsgedingen tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen, op de behandeling van vorderingen als bedoeld in de artikelen 509j en 509o of het beroep als bedoeld in artikel
509v en op de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a tot en met 552b.
Artikel 591a
Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde.
Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens voorzover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is, in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan voorts worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.
De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing voor ouders van een minderjarige verdachte, die zijn opgeroepen ingevolge artikel 496, eerste lid.
De artikelen 90, 91 en 591, tweede tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Indien de gewezen verdachte na het indienen van zijn verzoek overleden is, geschiedt de toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.
Artikel 592
De kosten van uitlevering of overbrenging van voorwerpen ingevolge een bevel van de rechter-commissaris of van de officier van justitie kunnen de betrokken persoon op de begroting van de rechter-commissaris of van de officier van justitie uit ’s Rijks kas worden vergoed.
De kosten van het nakomen van een vordering tot het verstrekken van gegevens of tot het medewerking verlenen aan het ontsleutelen van gegevens krachtens de artikelen 125k, 126m, 126n, 126na, 126nc tot en met 126ni, 126t, 126u, 126ua, 126uc tot en met 126ui, 126zg, 126zh, 126zi en 126zja tot en met 126zp kunnen de betrokkene uit ’s Rijks kas worden vergoed. Hierbij kan een lager bedrag worden vergoed voor zover degene tot wie het bevel zich richt, niet de administratie heeft gevoerd en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers heeft bewaard als voorgeschreven in artikel 10 van Boek 2 en artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.
De rechter-commissaris of de officier van justitie geeft een bevelschrift van tenuitvoerlegging af.
Artikel 592a
Indien een benadeelde partij zich in het geding heeft gevoegd, beslist de rechter die een uitspraak als bedoeld in artikel 333 of 335 doet, over de kosten door de benadeelde partij, de verdachte en, in het in artikel 51g, vierde lid bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
§ 2a. Overname van strafvervolging door de officier van justitie
Artikel 593
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen, gesteld in de artikelen 46, eerste lid, tweede volzin, 345, 379 en 396.
Voor de toepassing van de Algemene termijnenwet worden de termijnen, gesteld in de artikelen 265, eerste lid, 370, eerste lid, en 398, sub 1°, als termijnen in de zin van artikel 1, tweede lid, van die wet aangemerkt.
Slotbepaling
Het in werking treden van het Wetboek van Strafvordering wordt nader bij de wet geregeld.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 167a
Terzake van een misdrijf, omschreven in artikel 245 tot en met 248 en 251 van het Wetboek van Strafrecht en gepleegd ten aanzien van een minderjarige die twaalf jaren of ouder is, stelt het openbaar ministerie de minderjarige zo mogelijk in de gelegenheid zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken.
Titel VC. Bijstand aan opsporing van terroristische misdrijven door burgers
Titel VE. Verkennend onderzoek
afdeling Tweede. Kennisgeving aan betrokkene
afdeling Vierde. Onderzoek van voorwerpen, vervoermiddelen en kleding
afdeeling Tweede. Instellen van het gerechtelijk vooronderzoek
afdeeling Eerste. Algemeene bepalingen
afdeeling Vijfde. Beslissingen omtrent vervolging
afdeling Derde. Verslaglegging door opsporingsambtenaren
afdeling Derde. Verslaglegging door opsporingsambtenaren
afdeeling Vijfde. Beslissingen omtrent vervolging
afdeeling Vijfde. Beslissingen omtrent vervolging
afdeling Derde. Verslaglegging door opsporingsambtenaren
Titel IV. Beslissingen omtrent verdere vervolging
Slotbepalingen betreffende het voorbereidend onderzoek
Titel II. De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken
Titel VI. Behandeling van de zaak door de rechtbank
afdeling Tweede. Het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris
Vierde afdeling B. Toezeggingen aan getuigen die tevens verdachte zijn
Vierde afdeling D. Maatregelen tot bescherming van getuigen
Vierde Afdeling A. Bedreigde getuigen
Titel VII. Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de politierechter
Titel IV. Beslissingen omtrent verdere vervolging
Boek Derde. Rechtsmiddelen
A. Gewone rechtsmiddelen
Titel I. Verzet tegen einduitspraken
Titel VI. Behandeling van de zaak door de rechtbank
Titel III. Beroep in cassatie van uitspraken
Titel III. Beroep in cassatie van uitspraken
Titel III. Beroep in cassatie van uitspraken
Titel VII. Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de politierechter
B. Buitengewone rechtsmiddelen
Titel VII. Cassatie "in het belang der wet"
Titel VII. Cassatie "in het belang der wet"
Boek Derde. Rechtsmiddelen
Titel V. Aanwenden van gewone rechtsmiddelen
Artikel 482
Vervallen
Titel IV. Hooger beroep en beroep in cassatie van beschikkingen. Bezwaarschriften
Tweede Afdeling A. Verklaring van het slachtoffer of diens nabestaande op de terechtzitting
afdeeling Derde. Bewijs
Artikel 488a
Vervallen
Artikel 488a
Vervallen
Titel I. Verzet tegen einduitspraken
Titel I. Verzet tegen einduitspraken
afdeling Eerste. Inleidende bepalingen
afdeling Tweede. Toepassing van de artikelen 38b, 38c, 38i of 38k van het Wetboek van Strafrecht
afdeling Derde. Verlenging van de terbeschikkingstelling
afdeling Tweede. Toepassing van de artikelen 38b, 38c, 38i of 38k van het Wetboek van Strafrecht
Titel II. Strafvordering in zaken betreffende jeugdige personen
Titel VIII. Herziening van arresten en vonnissen
Titel IV. Hooger beroep en beroep in cassatie van beschikkingen. Bezwaarschriften
Titel VIII. Herziening van arresten en vonnissen
Titel IV. Hooger beroep en beroep in cassatie van beschikkingen. Bezwaarschriften
Titel IV. Hooger beroep en beroep in cassatie van beschikkingen. Bezwaarschriften
Titel VII. Cassatie "in het belang der wet"
Titel IV. Wraking en verschoning van rechters
afdeling Eerste. Algemeen
afdeling Eerste. Algemene bepalingen
afdeling Eerste. Algemene bepalingen
Titel VII. Rechterlijke bevelen tot handhaving der openbare orde
Titel IIA. Berechting van verdachten bij wie een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt vermoed
Titel IIIA. Strafvordering ter zake van strafbare feiten waarvan de burgerlijke rechter kennis neemt
Titel IIB. Rechtsplegingen in verband met de terbeschikkingstelling en de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis
afdeling Eerste. Inleidende bepalingen
afdeling Tweede. Strafvordering in zaken betreffende personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt
afdeling Derde. Verlenging van de terbeschikkingstelling
§ 1. Overdracht van strafvervolging
§ 2. Overname van strafvervolging
Boek Vijfde. Tenuitvoerlegging en kosten
Titel IIA. Berechting van verdachten bij wie een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt vermoed
afdeeling Eerste. Algemeene bepalingen
afdeling Eerste. Inleidende bepalingen
afdeling Eerste. Inleidende bepalingen
Artikel 567
De hoofden van gevangenissen, tuchtscholen en inrichtingen, waarin de straf van arrest wordt ten uitvoer gelegd, zijn verplicht een register te houden volgens een door den Minister van Justitie vast te stellen model.
Artikel 568
In het register worden bij de opneming van een persoon tegen wien een bevel tot vrijheidsbeneming of veroordeelend vonnis of arrest wordt ten uitvoer gelegd, diens naam, voornaam, beroep, geboorteplaats en woon- of verblijfplaats ingeschreven. Indien het een of ander onbekend is, wordt daarvan melding gemaakt.
De inschrijving wijst verder aan:
den rechter of den ambtenaar, wiens beslissing wordt ten uitvoer gelegd;
de dagteekening van die beslissing;
den dag en het uur, waarop de opneming geschiedt, en zoo mogelijk het oogenblik waarop de vrijheidsbeneming is aangevangen;
bij veroordeeling, den duur der straf.
De inschrijving wordt mede onderteekend door den ambtenaar die het bevel, vonnis of arrest ten uitvoer legt. Deze ontvangt van het hoofd van het gesticht de schriftelijke verklaring dat de opneming heeft plaats gehad, welke verklaring hij overlegt aan den ambtenaar op wiens last de tenuitvoerlegging is geschied.
Artikel 576a
Vervallen
afdeling Derde. Verlenging van de terbeschikkingstelling
afdeling Eerste. Algemeen
Artikel 588
De uitreiking geschiedt:
- a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
- b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
- 1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, dan wel,
- 2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde, dan wel,
- 3°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend.
De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is geschiedt door toezending van de mededeling door het openbaar ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken.
Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 2°,
- a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
- b. niemand wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan de geadresseerde of aan een door deze gemachtigde op de plaats die vermeld wordt in een schriftelijk bericht dat op het in de mededeling vermelde adres wordt achtergelaten. Uitreiking aan een door de geadresseerde schriftelijk gemachtigde geldt als betekening in persoon;
- c. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de mededeling teruggezonden aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt de mededeling vervolgens uitgereikt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. De griffier zendt alsdan de mededeling onverwijld als gewone brief over de post aan dat adres en tekent zulks aan op de akte van uitreiking, bedoeld in artikel 589.
In het belang van een goede uitvoering van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
TITEL IIC. Rechtsplegingen in verband met de plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
§ 2a. Overname van strafvervolging door de officier van justitie
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 151d
De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bevelen dat een DNA-onderzoek plaatsvindt dat gericht is op het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van de onbekende verdachte of het onbekende slachtoffer. Artikel 151a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Het DNA-onderzoek kan slechts gericht zijn op het vaststellen van het geslacht, het ras of andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen uiterlijk waarneembare persoonskenmerken.
De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Het DNA-onderzoek kan slechts worden bevolen in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van uitvoering van het DNA-onderzoek.
afdeling Derde. Burgerpseudo-koop of -dienstverlening
afdeling Eerste. Voeging bij de processtukken
afdeling Eerste. Algemene bepalingen
Titel II. De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken
Titel VC. Bijstand aan opsporing van terroristische misdrijven door burgers
afdeling Derde. De bewaring en de vernietiging van processen-verbaal en andere voorwerpen en het gebruik van gegevens voor een ander doel
afdeling Tweede. Kennisgeving aan betrokkene
Artikel 195f
De rechter-commissaris kan in het belang van het onderzoek bevelen dat een DNA-onderzoek plaatsvindt dat gericht is op het vaststellen van uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van de onbekende verdachte of het onbekende slachtoffer. Artikel 195a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Het DNA-onderzoek kan slechts gericht zijn op het vaststellen van het geslacht, het ras of andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen uiterlijk waarneembare persoonskenmerken.
De voordracht voor een krachtens het tweede lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Het DNA-onderzoek kan slechts worden bevolen in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van uitvoering van het DNA-onderzoek.
afdeeling Eerste. Algemeene bepalingen
afdeeling Derde. Het verhoor van den verdachte
afdeeling Eerste. De vordering van den officier van justitie
afdeeling Vijfde. Beslissingen omtrent vervolging
Vierde afdeling B. Toezeggingen aan getuigen die tevens verdachte zijn
afdeling Eerste. Aanleiding tot het verrichten van onderzoekshandelingen
Titel IV. Beslissingen omtrent verdere vervolging
Slotbepalingen betreffende het voorbereidend onderzoek
Titel IV. Beslissingen omtrent verdere vervolging
Titel II. De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken
afdeeling Vierde. Het verhoor van den getuige
afdeeling Vijfde. Deskundigen
Vierde afdeling E. Afgeschermde getuigen
afdeeling Tweede. Onderzoek van de vordering van de benadeelde partij op de terechtzitting
Titel V. Aanhangig maken der zaak ter terechtzitting
Titel VIII. Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de kantonrechter
Boek Derde. Rechtsmiddelen
A. Gewone rechtsmiddelen
Titel VI. Behandeling van de zaak door de rechtbank
Titel II. Hooger beroep van uitspraken
Titel III. Beroep in cassatie van uitspraken
Titel IV. Hooger beroep en beroep in cassatie van beschikkingen. Bezwaarschriften
Titel VII. Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de politierechter
Titel V. Aanwenden van gewone rechtsmiddelen
B. Buitengewone rechtsmiddelen
Titel III. Beroep in cassatie van uitspraken
Boek Vierde. Eenige rechtsplegingen van bijzonderen aard
Titel VII. Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de politierechter
Artikel 482
Vervallen
Titel II. Hooger beroep van uitspraken
afdeling Tweede. Strafvordering in zaken betreffende personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt
Artikel 488a
Vervallen
Artikel 482
Vervallen
Titel IIA. Berechting van verdachten bij wie een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt vermoed
Titel VIII. Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de kantonrechter
afdeling Eerste. Inleidende bepalingen
afdeling Tweede. Toepassing van de artikelen 38b, 38c, 38i of 38k van het Wetboek van Strafrecht
afdeling Derde. Verlenging van de terbeschikkingstelling
afdeling Vierde. Beroep
Titel III. Beroep in cassatie van uitspraken
Titel VII. Cassatie "in het belang der wet"
Titel IV. Hooger beroep en beroep in cassatie van beschikkingen. Bezwaarschriften
Titel VI. Intrekking en afstand van gewone rechtsmiddelen
Titel V. Aanwenden van gewone rechtsmiddelen
Titel V. Aanwenden van gewone rechtsmiddelen
afdeling Eerste. Inleidende bepalingen
Afdeling Tweede. Herziening ten nadele van de gewezen verdachte
afdeling Vierde. Beroep
Titel I. Strafvordering ter zake van strafbare feiten waarvan de Hooge Raad in eersten aanleg kennis neemt
Titel IIB. Rechtsplegingen in verband met de terbeschikkingstelling en de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis
Titel IIB. Rechtsplegingen in verband met de terbeschikkingstelling en de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis
afdeling Eerste. Inleidende bepalingen
afdeling Derde. Verlenging van de terbeschikkingstelling
§ 1. Overdracht van strafvervolging
§ 2. Overname van strafvervolging
Boek Vijfde. Tenuitvoerlegging en kosten
Titel IIA. Berechting van verdachten bij wie een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt vermoed
afdeling Tweede. Toepassing van de artikelen 38b, 38c, 38i, 38k of 38la, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht
afdeling Eerste. Inleidende bepalingen
afdeling Derde. Verlenging van de terbeschikkingstelling
Artikel 569
In het bovengemeld register wordt ter zijde van de inschrijving aangeteekend de dag en het uur waarop het verblijf van den gevangene of verpleegde in het gesticht ophoudt, met vermelding van de beslissing krachtens welke, of van eenige andere oorzaak ten gevolge waarvan dit plaats heeft.
Het hoofd van het gesticht onderteekent de inschrijving alsmede de aanteekeningen in dit artikel bedoeld.
Artikel 570
De invrijheidstelling geschiedt door het hoofd van het gesticht:
- a. op de laatste dag van de straftijd, indien de duur van de straf niet meer is dan drie dagen;
- b. op de laatste dag van de straftijd die geen zondag of algemeen erkende feestdag is, indien de duur van de straf meer dan drie dagen en minder dan twee maanden is;
- c. in andere gevallen van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, op de laatste dag van de straftijd die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is;
- d. zodra de geldigheid van het bevel tot vrijheidsbeneming ophoudt;
- e. zodra het bevoegd gezag de last tot invrijheidstelling aan het hoofd van het gesticht verstrekt.
De invrijheidstelling vindt in geen geval plaats na het ogenblik waarop de straftijd verstrijkt.
Indien de invrijheidstelling ingevolge het eerste lid, aanhef en onder a, b of c, geschiedt alvorens de straftijd geheel is verstreken, vervalt het recht van tenuitvoerlegging voor het nog resterende gedeelte van de straf.
Voor de toepassing van de vorige leden van dit artikel wordt, in gevallen waarin ten aanzien van een gedeelte van de straf een bevel als bedoeld in artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht is gegeven, met dat gedeelte alleen rekening gehouden voor zover de tenuitvoerlegging daarvan door de rechter is gelast.
Artikel 576a
Vervallen
Artikel 577d
Indien, bij een strafbeschikking of een bevel als bedoeld in artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht, storting van een waarborgsom als aanwijzing of bijzondere voorwaarde is gesteld, vinden de artikelen 561, tweede lid, en derde lid, eerste zin en 572, eerste, tweede en vierde lid overeenkomstige toepassing.
Voor de storting wordt in geen geval een langere termijn gesteld dan drie maanden, te rekenen van de dag waarop het vonnis, het arrest of de strafbeschikking voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.
Teruggave van de waarborgsom geschiedt op last van het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van het vonnis, het arrest of de strafbeschikking is belast.
afdeling Tweede. Toepassing van de artikelen 38b, 38c, 38i, 38k of 38la, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht
afdeling Vierde. Beroep
Artikel 590
De rechter kan, indien de uitreiking niet heeft plaats gehad overeenkomstig het bepaalde in artikel 588, eerste en derde lid, en 589, de betekening nietig verklaren.
Indien de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, doch ter terechtzitting blijkt dat hij feitelijk op een ander adres verblijft, kan de rechter de oproeping van de niet verschenen verdachte bevelen.
Titel IV. Wraking en verschoning van rechters
Algemene bepaling
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 126nb
Teneinde toepassing te kunnen geven aan artikel 126m of artikel 126n kan de officier van justitie met inachtneming van artikel 3.22 eerste en vierde lid, van de Telecommunicatiewet bevelen dat met behulp van in dat artikel bedoelde apparatuur het nummer waarmee de gebruiker van een communicatiedienst kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen.
Het bevel wordt gegeven aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 3.22, vierde lid, van de Telecommunicatiewet en is schriftelijk. Bij dringende noodzaak kan het bevel mondeling worden gegeven. In dat geval stelt de officier van justitie het bevel binnen drie dagen op schrift.
Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste een week en vermeldt:
- a. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 126m of artikel 126n en
- b. de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de gebruiker van een communicatiedienst van wie het nummer moet worden verkregen.
De officier van justitie doet te zijnen overstaan de processen-verbaal of andere voorwerpen, waaraan een gegeven kan worden ontleend dat is verkregen door toepassing van het eerste lid vernietigen indien dat gegeven niet gebruikt wordt voor de toepassing van artikel 126m of artikel 126n.
afdeling Zesde
Titel IVA. Bijzondere bevoegdheden tot opsporing
Artikel 126ub
Teneinde toepassing te kunnen geven aan artikel 126t of artikel 126u kan de officier van justitie met inachtneming van artikel 3.22, eerste lid, van de Telecommunicatiewet bevelen dat met behulp van in dat artikel bedoelde apparatuur het nummer waarmee een gebruiker van een communicatiedienst kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen. Artikel 126nb, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126uc
In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, kan de opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen bepaalde opgeslagen of vastgelegde identificerende gegevens van een persoon te verstrekken.
Artikel 126nc, tweede tot en met vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Van de verstrekking van identificerende gegevens maakt de opsporingsambtenaar proces-verbaal op, waarin hij vermeldt:
- a. de gegevens, bedoeld in artikel 126nc, vierde lid;
- b. de verstrekte gegevens;
- c. een omschrijving van het georganiseerd verband;
- d. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld.
Artikel 126ud
In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.
Artikel 126nd, tweede tot en met vierde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. Indien de vordering, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op een persoon die aanspraak kan maken op bronbescherming, kan deze slechts worden gedaan na schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. Artikel 218a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
De officier van justitie doet van de verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:
- a. de gegevens, bedoeld in artikel 126nd, derde lid;
- b. de verstrekte gegevens;
- c. een omschrijving van het georganiseerd verband;
- d. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld;
- e. de reden waarom de gegevens in het belang van het onderzoek worden gevorderd.
Artikel 126ue
In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bepalen dat een vordering als bedoeld in artikel 126ud, eerste lid, van degene die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, betrekking kan hebben op gegevens die eerst na het tijdstip van de vordering worden verwerkt. De periode waarover de vordering zich uitstrekt is maximaal vier weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering. De artikelen 126nd, tweede tot en met vierde lid en zevende lid, en 126ud, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
In een geval als bedoeld in het eerste lid bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van de vordering wordt beëindigd zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 126ud, eerste lid. Een wijziging, aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering vindt schriftelijk plaats. Artikel 126nd, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, kan de officier van justitie in een geval als bedoeld in het eerste lid in de vordering bepalen dat degene tot wie de vordering is gericht de gegevens direct na de verwerking verstrekt, dan wel telkens binnen een bepaalde periode na de verwerking verstrekt. De officier van justitie behoeft hiervoor een voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn vordering te verlenen door de rechter-commissaris, evenals voor een wijziging, aanvulling of verlenging van de vordering. Artikel 126l, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126uf
In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens als bedoeld in artikel 126nd, tweede lid, derde volzin, deze gegevens vorderen.
De artikelen 126nf, tweede en derde lid, en 126nd, derde, vierde en zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
De officier van justitie doet van de verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:
- a. de gegevens, bedoeld in artikel 126nd, derde lid;
- b. de verstrekte gegevens;
- c. een omschrijving van het georganiseerd verband;
- d. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld;
- e. de reden waarom de gegevens in het belang van het onderzoek worden gevorderd.
Titel VA. Bijstand aan opsporing door burgers
afdeling Tweede. Infiltratie
afdeling Derde. Pseudo-koop of -dienstverlening
Titel VA. Bijstand aan opsporing door burgers
afdeling Vierde. Stelselmatige inwinning van informatie
afdeling Zesde. Opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel
afdeling Eerste. Stelselmatige observatie
Titel VC. Verkennend onderzoek
Titel VI. Beteekenis van sommige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen
Boek Tweede. Strafvordering in eersten aanleg
Titel I. Het opsporingsonderzoek
afdeeling Eerste. Algemeene bepalingen
afdeling Tweede. Burgerinfiltratie
afdeling Tweede. Stelselmatige observatie, pseudo-koop of -dienstverlening, stelselmatige inwinning van informatie, bevoegdheden in een besloten plaats en infiltratie
afdeling Derde. De bewaring en de vernietiging van processen-verbaal en andere voorwerpen en het gebruik van gegevens voor een ander doel
afdeling Tweede. Kennisgeving aan betrokkene
Titel VC. Bijstand aan opsporing van terroristische misdrijven door burgers
Titel VE. Verkennend onderzoek
afdeling Derde. De bewaring en de vernietiging van processen-verbaal en andere voorwerpen, het gebruik van gegevens voor een ander doel en de ontoegankelijkmaking en vernietiging van gegevens
afdeling Vijfde. Verbod op doorlaten
afdeeling Eerste. Algemeene bepalingen
afdeling Derde. Verslaglegging door opsporingsambtenaren
afdeeling Vierde. Aangiften en klachten
afdeling Eerste. Aanleiding tot het verrichten van onderzoekshandelingen
afdeeling Vijfde. Beslissingen omtrent vervolging
afdeeling Vierde. Aangiften en klachten
Titel II. De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken
Slotbepalingen betreffende het voorbereidend onderzoek
Titel V. Aanhangig maken der zaak ter terechtzitting
Titel VI. Behandeling van de zaak door de rechtbank
afdeeling Vierde. Het verhoor van den getuige
afdeling Zesde. Beëindiging van het onderzoek
Artikel 354
Vervallen
Titel IVa. Vervolging door een strafbeschikking
Titel V. Aanhangig maken der zaak ter terechtzitting
Boek Derde. Rechtsmiddelen
A. Gewone rechtsmiddelen
Titel VIII. Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de kantonrechter
Titel II. Hooger beroep van uitspraken
Titel III. Beroep in cassatie van uitspraken
Titel VIII. Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de kantonrechter
B. Buitengewone rechtsmiddelen
Titel VII. Cassatie "in het belang der wet"
Titel VI. Intrekking en afstand van gewone rechtsmiddelen
Boek Vierde. Eenige rechtsplegingen van bijzonderen aard
Titel VII. Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de politierechter
Titel VIII. Herziening van arresten en vonnissen
afdeling Eerste. Algemene bepalingen
afdeeling Vierde. Beraadslaging en uitspraak
Artikel 482
Vervallen
Artikel 496a
Vervallen
Titel VIII. Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de kantonrechter
Titel III. Beroep in cassatie van uitspraken
afdeling Eerste. Inleidende bepalingen
afdeling Tweede. Toepassing van de artikelen 38b, 38c, 38i of 38k van het Wetboek van Strafrecht
afdeling Eerste. Inleidende bepalingen
Titel III. Beroep in cassatie van uitspraken
Titel V. Aanwenden van gewone rechtsmiddelen
Titel III. Beroep in cassatie van uitspraken
Titel VIII. Herziening van arresten en vonnissen
Titel IV. Hooger beroep en beroep in cassatie van beschikkingen. Bezwaarschriften
Titel VI. Intrekking en afstand van gewone rechtsmiddelen
Afdeling Eerste. Herziening ten voordele van de gewezen verdachte
Afdeling Tweede. Herziening ten nadele van de gewezen verdachte
Titel II. Strafvordering in zaken betreffende jeugdige personen
Titel IIA. Berechting van verdachten bij wie een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap wordt vermoed
Titel II. Strafvordering in zaken betreffende jeugdige personen
afdeling Eerste. Algemene bepalingen
Artikel 552ob
Vervallen
Artikel 552oc
Vervallen
afdeling Vierde. Beroep
afdeling Tweede. Feiten begaan aan boord van luchtvaartuigen
afdeling Vierde. Beroep
§ 1. Overdracht van strafvervolging
§ 1a. Overdracht van strafvervolging door de officier van justitie
§ 2. Overname van strafvervolging
§ 2a. Overname van strafvervolging door de officier van justitie
Boek Vijfde. Tenuitvoerlegging en kosten
Titel IIIb. Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
afdeling Tweede. Toepassing van de artikelen 38b, 38c, 38i, 38k of 38la, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht
afdeling Derde. Verlenging van de terbeschikkingstelling
afdeling Tweede. Toepassing van de artikelen 38b, 38c, 38i, 38k of 38la, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht
Artikel 576
Verhaal kan zonder dwangbevel worden genomen op:
- a. inkomsten in geld uit arbeid van de veroordeelde;
- b. pensioenen, wachtgelden en andere periodieke uitkeringen waarop de veroordeelde aanspraak heeft;
- c. het tegoed van een rekening bij een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (Stb. 1992, 722) waarover de veroordeelde ten eigen bate vermag te beschikken.
Verhaal met toepassing van het vorige lid geschiedt door middel van een schriftelijke kennisgeving van het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest is belast. De kennisgeving bevat een voor de uitoefening van het verhaal voldoende aanduiding van de persoon van de veroordeelde, en vermeldt welk bedrag uit hoofde van de veroordeling nog verschuldigd is, bij welke rechterlijke uitspraak de geldboete is opgelegd, alsmede de plaats waar de betaling moet geschieden. Zij wordt betekend aan de veroordeelde en aan degene onder wie het verhaal wordt genomen. De artikelen 529 tot en met 532 zijn van overeenkomstige toepassing.
Door de betekening van de kennisgeving is degene onder wie het verhaal wordt genomen, verplicht tot betaling aan de Staat van het in de kennisgeving bedoelde bedrag voor zover de veroordeelde op hem een opeisbare vordering heeft of verkrijgt. Het openbaar ministerie bepaalt de termijn waarbinnen de betaling moet geschieden. De verplichting tot betaling vervalt zodra het uit hoofde van de veroordeling verschuldigde bedrag is betaald of verhaald en uiterlijk wanneer twee jaren na de dag van betekening zijn verstreken.
Degene onder wie het verhaal wordt genomen kan zich niet ten nadele van de Staat beroepen op het tenietgaan of de vermindering van zijn schuld door betaling of door verrekening met een tegenvordering dan in de gevallen waarin hij daartoe ook bevoegd zou zijn geweest bij een op het tijdstip van de betekening overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gelegd beslag onder derden. Indien een andere schuldeiser op de vordering waarop het verhaal wordt genomen, beslag heeft gelegd, is artikel 478 van dat Wetboek van overeenkomstige toepassing. Het verhaal wordt voor de toepassing van de artikelen 33 en 301 van de Faillissementswet met een beslag onder derden gelijkgesteld.
Indien verhaal is genomen op vordering van de veroordeelde tot periodieke betalingen als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, zijn de artikelen 475a tot en met 475g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
Iedere belanghebbende kan zich binnen zeven dagen na de betekening van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde kennisgeving bij met redenen omkleed bezwaarschrift verzetten tegen het verhaal. Artikel 575, derde lid, is op dit verzet van toepassing.
Een ieder, behoudens de veroordeelde, is verplicht desgevorderd aan het openbaar ministerie, dat met de tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest is belast, de inlichtingen te verstrekken welke naar het redelijk oordeel van het openbaar ministerie noodzakelijk zijn ten behoeve van de toepassing van het eerste lid van dit artikel. De artikelen 217 en 218 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 576a
Vervallen
Artikel 577
Indien niet in beslag genomen voorwerpen verbeurd zijn verklaard, dan wel openbaarmaking van de uitspraak op kosten van de veroordeelde is bevolen, vinden de artikelen 561, tweede, derde en vierde lid, en 572 overeenkomstige toepassing.
Wanneer binnen de daarvoor bepaalde termijn noch uitlevering van de voorwerpen noch betaling van de geschatte waarde plaats heeft, dan wel de kosten van openbaarmaking niet worden betaald, vinden de artikelen 573, 575 en 576 overeenkomstige toepassing.
afdeling Tweede. Toepassing van enige bijzondere dwangmiddelen
afdeling Eerste. Algemeen
Titel IIIa. Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren
Algemene bepaling
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 126nc
In geval van verdenking van een misdrijf kan de opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen bepaalde opgeslagen of vastgelegde identificerende gegevens van een persoon te verstrekken.
Onder identificerende gegevens wordt verstaan:
- a. naam, adres, woonplaats en postadres;
- b. geboortedatum en geslacht;
- c. administratieve kenmerken;
- d. in geval van een rechtspersoon, in plaats van de gegevens, bedoeld onder a en b: naam, adres, postadres, rechtsvorm en vestigingsplaats.
Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan niet worden gericht tot de verdachte. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. De vordering kan geen betrekking hebben op persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven of lidmaatschap van een vakvereniging.
Een vordering als bedoeld in het eerste lid is schriftelijk en vermeldt:
- a. een aanduiding van de persoon op wiens identificerende gegevens de vordering betrekking heeft;
- b. de identificerende gegevens die worden gevorderd;
- c. de termijn waarbinnen en de wijze waarop de gegevens dienen te worden verstrekt;
- d. de titel van de vordering.
Bij dringende noodzaak kan een vordering als bedoeld het eerste lid mondeling worden gegeven. De opsporingsambtenaar stelt de vordering in dat geval achteraf op schrift en verstrekt deze binnen drie dagen nadat de vordering is gedaan aan degene tot wie de vordering is gericht.
Van de verstrekking van identificerende gegevens maakt de opsporingsambtenaar proces-verbaal op, waarin hij vermeldt:
- a. de gegevens, bedoeld in het vierde lid;
- b. de verstrekte gegevens;
- c. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte;
- d. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de opsporingsambtenaar die de gegevens vordert en de wijze waarop de gegevens worden gevorderd en verstrekt.
Artikel 126nd
In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.
Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan niet worden gericht tot de verdachte. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. De vordering kan niet betrekking hebben op persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven of lidmaatschap van een vakvereniging. Indien de vordering, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op een persoon die aanspraak kan maken op bronbescherming, kan deze slechts worden gedaan na schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. Artikel 218a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Een vordering als bedoeld in het eerste lid is schriftelijk en vermeldt:
- a. indien bekend, de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de persoon of de personen over wie gegevens worden gevorderd;
- b. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de gegevens die worden gevorderd en de termijn waarbinnen, alsmede de wijze waarop deze dienen te worden verstrekt;
- c. de titel van de vordering.
Bij dringende noodzaak kan de vordering mondeling worden gegeven. De officier van justitie stelt de vordering in dat geval achteraf op schrift en verstrekt deze binnen drie dagen nadat de vordering is gedaan aan degene tot wie de vordering is gericht.
De officier van justitie doet van de verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:
- a. de gegevens, bedoeld in het derde lid;
- b. de verstrekte gegevens;
- c. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte;
- d. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld;
- e. de reden waarom de gegevens in het belang van het onderzoek worden gevorderd.
In geval van verdenking van een ander strafbaar feit dan bedoeld in het eerste lid, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een vordering als bedoeld in dat lid doen met voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. De rechter-commissaris verleent de machtiging op vordering van de officier van justitie. Het tweede tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 126l, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de gegevens worden gevorderd en verstrekt.
Artikel 126ne
De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat een vordering als bedoeld in artikel 126nd, eerste lid, van degene die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, betrekking kan hebben op gegevens die eerst na het tijdstip van de vordering worden verwerkt. De periode waarover de vordering zich uitstrekt is maximaal vier weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering. Artikel 126nd, tweede tot en met vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
In een geval als bedoeld in het eerste lid bepaalt de officier van justitie dat de uitvoering van de vordering wordt beëindigd zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 126nd, eerste lid. Een wijziging, aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering vindt schriftelijk plaats. Artikel 126nd, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, kan de officier van justitie in een geval als bedoeld in het eerste lid in de vordering bepalen dat degene tot wie de vordering is gericht de gegevens direct na de verwerking verstrekt, dan wel telkens binnen een bepaalde periode na de verwerking verstrekt. De officier van justitie behoeft hiervoor een voorafgaande schriftelijke machtiging, op zijn vordering te verlenen door de rechter-commissaris, evenals voor een wijziging, aanvulling of verlenging van de vordering. Artikel 126l, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126nf
In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot gegevens als bedoeld in artikel 126nd, tweede lid, derde volzin, deze gegevens vorderen.
Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan niet worden gericht tot de verdachte. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden gedaan na voorafgaande schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. Artikel 126l, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 126nd, derde tot en met vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Titel IVA. Bijzondere bevoegdheden tot opsporing
Titel VA. Bijstand aan opsporing door burgers
Titel V. Bijzondere bevoegdheden tot opsporing voor het onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband
afdeling Vijfde. Bevoegdheden in een besloten plaats
afdeling Zesde. Opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel
afdeling Tweede. Infiltratie
afdeling Derde. Pseudo-koop of -dienstverlening
Titel VA. Bijstand aan opsporing door burgers
Titel VI. Beteekenis van sommige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen
Boek Tweede. Strafvordering in eersten aanleg
Titel VA. Bijstand aan opsporing door burgers
afdeling Derde. Opnemen en onderzoek communicatie
afdeling Vierde. Onderzoek van voorwerpen, vervoermiddelen en kleding
Derde afdeling B. Onderzoek in een geautomatiseerd werk
Titel VD. Algemene regels betreffende de bevoegdheden in de titels IVA tot en met VC
Titel VC. Bijstand aan opsporing van terroristische misdrijven door burgers
afdeeling Eerste. Algemeene bepalingen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)