Wet van 15 januari 1921

Type Wet
Publication 2026-01-01
Laatst bijgewerkt 2026-04-18
State In force
Source BWB
artikelen 1923
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

Artikel 23, vijfde lid, is van toepassing.

Artikel 29f
1.

Wordt eene vervolging niet voortgezet, dan kan het gerecht in feitelijken aanleg, voor hetwelk de zaak het laatst werd vervolgd, op het verzoek van den verdachte of op voordracht van de rechter-commissaris op de voet van artikel 180, verklaren dat de zaak geëindigd is.

2.

Het gerecht is bevoegd, de beslissing op het verzoek telkens gedurende een bepaalden tijd aan te houden, indien het openbaar ministerie aannemelijk maakt dat alsnog verdere vervolging zal plaats vinden.

3.

Alvorens het gerecht zijn beslissing neemt, roept het de rechtstreeks belanghebbende die hem bekend is op om te worden gehoord over het verzoek van de verdachte.

4.

De beschikking wordt onverwijld aan den verdachte beteekend.

Titel IIb. Kennisgeving van gerechtelijke mededelingen

Artikel 36f
1.

Voor de elektronische overdracht, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een bericht gezonden aan degene voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd.

2.

Betekening door elektronische overdracht geldt als betekening in persoon als degene voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening, bedoeld in artikel 36d, tweede lid.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

Artikel 36g
1.

In de volgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:

  • a. indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
  • b. indien de verdachte bij het begin van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
  • c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
2.

De verdachte kan het adres, bedoeld in het eerste lid, wijzigen.

3.

Verzending van een afschrift als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven indien:

  • a. het opgegeven adres gelijk is aan het adres waaraan de dagvaarding of oproeping ingevolge artikel 36e wordt uitgereikt;
  • b. de verdachte, nadat hij bij een eerdere gelegenheid als bedoeld in het eerste lid een adres heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, bij een volgende gelegenheid uitdrukkelijk te kennen geeft dit adres niet te willen handhaven;
  • c. de geadresseerde nadat hij een adres als bedoeld in het eerste lid heeft opgegeven, het adres waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen wijzigt;
  • d. de dagvaarding of oproeping inmiddels aan de verdachte in persoon is betekend.
4.

Bij de verzending, bedoeld in het eerste lid, wordt de voor de dagvaarding of oproeping geldende termijn in acht genomen.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

Artikel 36h
1.

Van iedere uitreiking als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:

  • a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;
  • b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;
  • c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;
  • d. de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt;
  • e. de plaats van uitreiking;
  • f. de dag en het uur van uitreiking.
2.

Wordt met de gerechtelijke mededeling gehandeld overeenkomstig de tweede volzin van artikel 36e, tweede lid, aanhef en onder b, dan vermeldt de akte de dag van aanbieding van het stuk aan het adres van degene voor wie het is bestemd.

3.

De akte wordt door hen die met de uitreiking zijn belast, ieder voor zover het zijn bevindingen en handelingen betreft, van die bevindingen en handelingen naar waarheid opgemaakt en ondertekend. Zo mogelijk wordt de identiteit van de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder d, vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

4.

De vastlegging in een proces-verbaal van de mondelinge mededeling, bedoeld in artikel 36b, vierde lid, vermeldt in elk geval de in het eerste lid bedoelde gegevens.

5.

Het model van de akte wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. Hierbij kunnen in het belang van een goede uitvoering van dit artikel nadere voorschriften worden gegeven.

Artikel 36i
1.

Van iedere elektronische overdracht als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt langs elektronische weg vastgelegd:

  • a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;
  • b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;
  • c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;
  • d. de wijze, de dag en het uur waarop de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd, zich toegang tot de elektronische voorziening heeft verschaft.
2.

De eisen waaraan de vastlegging van de elektronische overdracht moet voldoen, worden bij ministeriële regeling vastgesteld. Hierbij kunnen in het belang van een goede uitvoering van dit artikel nadere voorschriften worden gegeven.

Artikel 36j
1.

De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan een rechtspersoon, als voorzien in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht, geschiedt aan:

  • a. de woonplaats van de rechtspersoon, dan wel
  • b. de plaats van het kantoor van de rechtspersoon, dan wel
  • c. de woonplaats van een van de bestuurders.
2.

Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door uitreiking aan een van de bestuurders, dan wel aan een persoon die door de rechtspersoon is gemachtigd het stuk in ontvangst te nemen. De uitreiking geldt in deze gevallen als betekening in persoon. Uitreiking aan deze personen kan geschieden op een andere plaats dan bedoeld in het eerste lid.

3.

De uitreiking van een gerechtelijke mededeling als bedoeld in het tweede lid kan eveneens geschieden op een van de plaatsen omschreven in het eerste lid, aan ieder die in dienstbetrekking is van de rechtspersoon en die zich bereid verklaart de gerechtelijke mededeling te bezorgen.

Artikel 36k
1.

De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan een maatschap of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, als voorzien in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht, geschiedt aan:

  • a. de plaats van het kantoor van de maatschap of vennootschap, dan wel
  • b. de woonplaats van een van de aansprakelijke vennoten.
2.

Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door uitreiking aan een van de aansprakelijke vennoten dan wel aan een persoon die door een of meer van hen is gemachtigd het stuk in ontvangst te nemen. De uitreiking geldt in deze gevallen als betekening in persoon. Uitreiking aan deze personen kan geschieden op een andere plaats dan bedoeld in het eerste lid.

3.

De uitreiking van een gerechtelijke mededeling als bedoeld in het tweede lid kan eveneens geschieden op een van de plaatsen, omschreven in het eerste lid, aan ieder die in dienstbetrekking is van de maatschap of vennootschap of van een aansprakelijke vennoot en die zich bereid verklaart de gerechtelijke mededeling te bezorgen.

4.

Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing bij de vervolging van een doelvermogen of rederij. In dit geval treden de bestuurders dan wel de boekhouder en de leden van de rederij in de plaats van de aansprakelijke vennoten.

Artikel 36l

Heeft de uitreiking niet overeenkomstig artikel 36j, tweede of derde lid, of artikel 36k, tweede of derde lid, kunnen geschieden, dan wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Deze autoriteit zendt alsdan een afschrift van de mededeling onverwijld toe aan het in de mededeling vermelde adres, van welk feit aantekening wordt gedaan op de akte van uitreiking.

Artikel 36m

Op de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan een rechtspersoon, maatschap of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, een doelvermogen of rederij zijn de artikelen 36b, 36c, 36d, 36e, derde en vierde lid, 36f, 36g, 36h, eerste, derde en vijfde lid, 36i, 36n, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 36n
1.

De rechter kan, indien de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling, de betekening nietig verklaren.

2.

Indien de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, doch ter terechtzitting blijkt dat hij feitelijk op een ander adres verblijft, kan de rechter de oproeping van de niet verschenen verdachte bevelen.

3.

Indien aan de verzendplicht ingevolge artikel 36g niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de rechter de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting tenzij:

  • a. zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, dan wel
  • b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid.

afdeling Tweede. Rechten van het slachtoffer

Titel IIIC. : De deskundige

Titel IV. Eenige bijzondere dwangmiddelen

afdeeling Eerste. Aanhouding en inverzekeringstelling

afdeeling Tweede. Voorloopige hechtenis

§ 2. Het hooren van den in voorloopige hechtenis gestelden verdachte

§ 3. Inhoud der bevelen en hunne beteekening

§ 4. Schorsing der voorloopige hechtenis

Tweede afdeling A. Schadevergoeding

afdeeling Derde. Inbeslagneming

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2a. Inbeslagneming op grond van artikel 94a

§ 3. Inbeslagneming door den rechter-commissaris

§ 4. Teruggave en bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen

Titel VB. Bijzondere bevoegdheden tot opsporing van terroristische misdrijven

Titel VB. Bijzondere bevoegdheden tot opsporing van terroristische misdrijven

afdeling Derde. De bewaring en de vernietiging van processen-verbaal en andere voorwerpen, het gebruik van gegevens voor een ander doel en de ontoegankelijkmaking en vernietiging van gegevens

Titel VE. Verkennend onderzoek

Titel VI. Beteekenis van sommige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen

Artikel 127a

Onder Onze Minister wordt verstaan Onze Minister van Justitie en Veiligheid.

Artikel 135a
1.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen, gesteld in de artikelen 46, eerste lid, tweede volzin, 345, 379 en 396.

2.

Voor de toepassing van de Algemene termijnenwet worden de termijnen, gesteld in de artikelen 265, eerste lid, 370, eerste lid, en 398, sub 1°, als termijnen in de zin van artikel 1, tweede lid, van die wet aangemerkt.

Boek Tweede. Strafvordering in eersten aanleg

Titel III. Onderzoek door de rechter-commissaris

afdeeling Derde. Het verhoor van den verdachte

Slotbepalingen betreffende het voorbereidend onderzoek

afdeling Vijfde. Het doen van verzet

afdeling Zesde. De behandeling van het verzet

afdeling Zevende. Openbaarheid

Titel VI. Behandeling van de zaak door de rechtbank

afdeling Eerste. Onderzoek op de terechtzitting

afdeeling Tweede. Onderzoek van de vordering van de benadeelde partij op de terechtzitting

afdeeling Vierde. Beraadslaging en uitspraak

Artikel 366b
1.

De griffier verstrekt uit eigen beweging kosteloos een afschrift van het onherroepelijke vonnis of arrest aan de benadeelde partij die zich in het geding over de strafzaak heeft gevoegd. De benadeelde partij doet zelf het vonnis of arrest, voor zover dit haar vordering aangaat, ten uitvoer leggen op de wijze bepaald voor vonnissen in burgerlijke zaken. Indien het een mondeling vonnis geldt, geschiedt de tenuitvoerlegging uit kracht van een mededeling van de griffier, houdende afschrift van de aantekening van het vonnis, vermeldende de benadeelde partij, degene tegen wie en de rechter door wie het vonnis is gewezen, met aan het hoofd de woorden: «In naam van de Koning».

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de rechter de schadevergoedingsmaatregel, bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, heeft opgelegd en er bij gebreke aan voldoening van het verschuldigde bedrag gijzeling is toegepast terwijl de staat het resterende bedrag of een deel daarvan niet heeft uitgekeerd aan het slachtoffer dat geen rechtspersoon is.

Titel II. Hooger beroep van uitspraken

Boek Derde. Rechtsmiddelen

A. Gewone rechtsmiddelen

B. Buitengewone rechtsmiddelen

Boek Vierde. Eenige rechtsplegingen van bijzonderen aard

Titel IIB. Rechtsplegingen in verband met de terbeschikkingstelling en de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis

afdeling Tweede. Toepassing van de artikelen 38b, 38c, 38i, 38k of 38la, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht

Titel IID. Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast

Titel IIIb. Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

Titel VIII. Bijzondere bepalingen omtrent opsporing van feiten, strafbaar gesteld bij het Wetboek van Strafrecht

Titel VIII. Bijzondere bepalingen omtrent opsporing van feiten, strafbaar gesteld bij het Wetboek van Strafrecht

Titel X. Internationale rechtshulp

Titel X. Internationale rechtshulp

Eerste afdeling A. Internationale gemeenschappelijke onderzoeksteams

§ 2. Overdracht van strafvervolging door de officier van justitie

§ 2. Bevelen uitgevaardigd door Nederland

§ 2. Europees bewijsverkrijgingsbevel uitgevaardigd door Nederland

§ 2. Europees bewijsverkrijgingsbevel uitgevaardigd door Nederland

Boek Vijfde. Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking

Titel 3. Overdracht en overname van strafvervolging

§ 2. Overdracht van strafvervolging door de officier van justitie

§ 2. Overname van strafvervolging door de officier van justitie

§ 3. Overname van strafvervolging van een internationaal gerecht

Titel 5. Europees bevriezingsbevel

titel Tweede. Voorwaardelijke invrijheidstelling

(Gereserveerd)

Titel 7. Wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van bevelen betreffende de voorlopige hechtenis tussen de lidstaten van de Europese Unie

afdeling Derde. Europees beschermingsbevel uitgevaardigd door de bevoegde autoriteit van Nederland

Boek 6. Tenuitvoerlegging

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

titel Eerste. Taken en bevoegdheden

Artikel 6:1:1
1.

De tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en strafbeschikkingen geschiedt door Onze Minister.

2.

Het openbaar ministerie verstrekt daartoe de beslissing aan Onze Minister, uiterlijk veertien dagen nadat deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.

3.

Het openbaar ministerie voegt daarbij, in voorkomende gevallen, het advies van de rechter omtrent de tenuitvoerlegging.

Artikel 6:1:2

Voor zover de tenuitvoerlegging is toegelaten, wordt de beslissing zo spoedig mogelijk ten uitvoer gelegd.

Artikel 6:1:4
1.

De uitoefening van een of meer bevoegdheden van Onze Minister kan schriftelijk door Onze Minister worden opgedragen aan een ambtenaar die werkzaam is onder zijn verantwoordelijkheid.

2.

De opgedragen bevoegdheid wordt in naam en onder verantwoordelijkheid van Onze Minister uitgeoefend.

Artikel 6:1:5
1.

Onze Minister kan voor de tenuitvoerlegging de nodige algemene of bijzondere lasten geven aan de gerechtsdeurwaarders en aan de ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de militairen van de Koninklijke marechaussee, dan wel aan andere ambtenaren of functionarissen, voor zover zij door Onze Minister daartoe zijn aangewezen.

2.

Voor de tenuitvoerlegging aan boord van een Nederlands schip of zeevissersvaartuig dan wel op een overeenkomstig artikel 136a, tweede lid, aangewezen installatie kan de in het eerste lid bedoelde bijzondere last worden gegeven aan de schipper.

3.

Voor de tenuitvoerlegging van bevelen tot inbeslagneming van aandelen en effecten op naam en tot inbeslagneming en teruggave van onroerende registergoederen wordt de in het eerste lid bedoelde bijzondere last gericht tot de gerechtsdeurwaarder.

4.

Artikel 146, tweede lid, is van toepassing ten aanzien van alle ambtenaren die de last geven en ten aanzien van alle ambtenaren die de gegeven last uitvoeren.

Artikel 6:1:6
1.

Een door Onze Minister gegeven last tot tenuitvoerlegging die strekt tot aanhouding van een verdachte of veroordeelde bevat:

  • a. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de aan te houden persoon;
  • b. een opgave van de beslissing of het bevel waarop de aanhouding steunt;
  • c. een vermelding van de plaats waarheen de aangehouden persoon moet worden overgebracht, of van de rechter of ambtenaar voor wie hij moet worden geleid.
2.

Degene die overeenkomstig de last een persoon heeft aangehouden, geleidt de aangehouden persoon onverwijld naar de plaats of voor de rechter of ambtenaar, in de last vermeld.

3.

Onze Minister wordt door degene die de aanhouding heeft verricht onverwijld in kennis gesteld van de aanhouding. Indien de aangehouden persoon beweert niet de persoon te zijn tegen wie het bevel is gericht, zorgt Onze Minister voor eenduidige vaststelling van de identiteit van de persoon.

4.

De aan te houden persoon kan buiten het rechtsgebied van een rechtbank worden aangehouden. De artikelen 539n en 539o zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:1:7
1.

De met de tenuitvoerlegging belaste ambtenaar kan ter aanhouding elke plaats betreden en doorzoeken.

2.

Met het oog op de vaststelling van de verblijfplaats van de aan te houden persoon kan de officier van justitie, of, indien de artikelen de hulpofficier of de opsporingsambtenaar als bevoegd aanwijzen, deze ambtenaar, de in de artikelen 96 tot en met 102a, 125i tot en met 125m, 126g, 126j tot en met 126ni en 126ui bedoelde bevoegdheden toepassen, en kan de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de bevoegdheden van artikel 110 toepassen, met dien verstande dat:

  • a. een bevoegdheid slechts met het oog op de vaststelling van de verblijfplaats van de aan te houden persoon wordt toegepast in geval de aan te houden persoon wordt vervolgd of is veroordeeld tot een vrijheidsstraf dan wel hem een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd voor een misdrijf van dezelfde ernst als waarvoor de bevoegdheid ingevolge het desbetreffende artikel mag worden toegepast;
  • b. een bevoegdheid die ingevolge het desbetreffende artikel alleen na een machtiging door de rechter-commissaris kan worden toegepast, met het oog op de vaststelling van de verblijfplaats van de aan te houden persoon eveneens slechts na schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris, wordt toegepast;
  • c. indien voor de toepassing van een bevoegdheid ingevolge het desbetreffende artikel een bevel of vordering is vereist, in geval van toepassing met het oog op de vaststelling van de verblijfplaats van de aan te houden persoon het bevel of de vordering, voor zover relevant de gegevens bevat die daarin volgens de desbetreffende wetsartikelen moeten zijn opgenomen.
Artikel 6:1:8

De ambtenaar die is belast met de aanhouding van een persoon of met de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, stelt na aanhouding de identiteit van de persoon vast op de wijze bedoeld in artikel 27a.

Artikel 6:1:10
1.

Het openbaar ministerie kan bij of onverwijld na het verstrekken van een beslissing als bedoeld in artikel 6:1:1, tweede lid, advies geven aan Onze Minister over tijdens de tenuitvoerlegging te nemen besluiten. Het advies wordt uitgebracht vanwege het belang van de resocialisatie van de veroordeelde, de belangen van het slachtoffer en zijn nabestaanden, de veiligheid van de samenleving of een ander zwaarwegend algemeen belang.

2.

Indien omstandigheden tijdens de tenuitvoerlegging daartoe aanleiding geven, kan het openbaar ministerie ambtshalve of op verzoek van Onze Minister een advies als bedoeld in het eerste lid alsnog uitbrengen of een uitgebracht advies aanvullen.

Artikel 6:1:11
1.

Onze Minister is bevoegd de tenuitvoerlegging van geldboeten waarvoor geen gratie kan worden verleend te beëindigen indien hij van oordeel is dat met de voortzetting daarvan geen redelijk doel wordt gediend.

2.

Indien Onze Minister hiertoe besluit wordt dit schriftelijk medegedeeld aan de veroordeelde.

Artikel 6:1:12
1.

Alle kosten van de tenuitvoerlegging komen ten laste van de staat, voor zover niet bij of krachtens enige wet anders is bepaald.

2.

Al hetgeen door de tenuitvoerlegging wordt verkregen, komt ten bate van de staat, met uitzondering van hetgeen door de tenuitvoerlegging van de maatregel, genoemd in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, wordt verkregen.

Artikel 6:1:13
1.

Onze Minister verrekent een aan een verdachte of veroordeelde uit te keren bedrag met aan de staat dan wel een slachtoffer of diens nabestaanden verschuldigde geldsommen, tot betaling waarvan de veroordeelde bij onherroepelijk geworden vonnis of arrest in een strafzaak is veroordeeld of tot betaling waartoe de veroordeelde op grond van een jegens hem uitgevaardigde, onherroepelijk geworden strafbeschikking verplicht is, een en ander voor zover die nog niet door hem zijn voldaan.

2.

Indien Onze Minister toepassing geeft aan het bepaalde in het eerste lid, stelt hij de veroordeelde hiervan in kennis.

Artikel 6:1:14
1.

Voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald zijn de bepalingen uit dit boek van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en strafbeschikkingen die op grond van titel VIII A van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht zijn opgelegd aan jeugdige personen.

2.

Onze Minister kan voor de tenuitvoerlegging van de in het eerste lid bedoelde beslissingen het advies van de raad voor de kinderbescherming inwinnen omtrent de plaats van de tenuitvoerlegging.

Artikel 6:1:15
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze titel. Deze nadere regels zien in elk geval op:

  • a. het geven van een last tot aanhouding;
  • b. het uit te oefenen toezicht op de naleving;
  • c. het advies van het openbaar ministerie over tijdens de tenuitvoerlegging te nemen besluiten.
2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de toepassing van bevoegdheden die door Onze Minister zijn opgedragen aan ambtenaren die werkzaam zijn onder zijn verantwoordelijkheid.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften tot nadere regeling van de werkzaamheden van reclasseringsinstellingen met betrekking tot de naleving van bij of krachtens de wet aan verdachten en veroordeelden opgelegde voorwaarden vastgesteld.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de staat geldbedragen, verkregen uit de tenuitvoerlegging van geldboetes, op een daarbij vast te stellen grondslag en naar daarbij vast te stellen regelen ten goede laat komen aan een rechtspersoon die krachtens het publiekrecht is ingesteld.

titel Derde. Bevel gijzeling

Artikel 6:1:16
1.

Voor zover niet anders is bepaald, mag geen rechterlijke beslissing ten uitvoer worden gelegd, zolang daartegen nog enig gewoon rechtsmiddel openstaat en, zo dit is aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist.

2.

Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie tot oplegging van de verplichting een geldbedrag aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, kan ten uitvoer worden gelegd nadat de veroordeling, als bedoeld in artikel 36e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, onherroepelijk is geworden.

3.

Is een mededeling als bedoeld in artikel 366 voorgeschreven, dan kan de tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest geschieden na de betekening van die mededeling. Bij vonnissen of arresten bij verstek gewezen, waarbij zodanige mededeling niet behoeft te geschieden, kan de tenuitvoerlegging geschieden na de uitspraak. Door hoger beroep of beroep in cassatie wordt de tenuitvoerlegging geschorst of opgeschort.

4.

De laatste volzin van het derde lid geldt niet:

  • a. voor bevelen bij het vonnis of arrest verleend die dadelijk uitvoerbaar zijn;
  • b. indien naar het oordeel van het openbaar ministerie vaststaat dat het rechtsmiddel na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is aangewend, tenzij op verzoek van degene die het middel heeft aangewend, en na zijn verhoor, indien hij dit bij het verzoek heeft gevraagd, de voorzieningenrechter van het gerechtshof of de rechtbank anders bepaalt.
Artikel 6:1:17
1.

De tenuitvoerlegging van de strafbeschikking kan pas geschieden veertien dagen na de uitreiking in persoon of toezending van het afschrift van de strafbeschikking, tenzij afstand wordt gedaan van de bevoegdheid verzet te doen.

2.

Door verzet tegen de strafbeschikking wordt de tenuitvoerlegging geschorst of opgeschort, tenzij naar het oordeel van het openbaar ministerie vaststaat dat het verzet na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is gedaan. Bij de behandeling van het verzet kan de rechter op verzoek van de verdachte bepalen dat de tenuitvoerlegging van de strafbeschikking wordt geschorst of opgeschort. De schorsing of opschorting van de tenuitvoerlegging neemt een einde indien het verzet niet ontvankelijk wordt verklaard.

3.

De proeftijd van een aanwijzing het gedrag van de verdachte betreffend loopt niet gedurende de tijd dat degene rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

Artikel 6:1:18
1.

De proeftijd van een voorwaarde bij een veroordeling waarbij de rechter heeft bepaald dat een door hem opgelegde straf geheel of gedeeltelijk niet zal worden tenuitvoergelegd, begint op de dag dat het vonnis of arrest onherroepelijk is geworden danwel op de dag van de uitspraak indien de rechter dadelijke uitvoerbaarheid beveelt. Indien de veroordeelde en het openbaar ministerie voor de dag dat het vonnis of arrest onherroepelijk is geworden aangeven af te zien van aanwending van een rechtsmiddel, gaat de proeftijd in op de vijftiende dag nadat de uitspraak is gedaan.

2.

De proeftijd van een voorwaarde bij een voorwaardelijke invrijheidstelling gaat in op de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De proeftijd is gelijk aan de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, maar bedraagt ten minste een jaar. Op vordering van het openbaar ministerie kan de rechter de proeftijd met ten hoogste twee jaren verlengen. Indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde, bedoeld in artikel 38z, eerste lid, aanhef en onder b en c, van het Wetboek van Strafrecht, wederom een misdrijf zal begaan waarvoor de rechter een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan opleggen of indien dit ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen noodzakelijk is, kan de rechter, op vordering van het openbaar ministerie, de proeftijd telkens met ten hoogste twee jaren verlengen.

3.

De in het eerste en tweede lid bedoelde proeftijden lopen niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

Artikel 6:1:19
1.

De termijn van de terbeschikkingstelling loopt niet gedurende de tijd dat:

  • a. de ter beschikking gestelde die van overheidswege wordt verpleegd uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is;
  • b. de ter beschikking gestelde met voorwaarden rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is;
  • c. de ter beschikking gestelde die van overheidswege wordt verpleegd, langer dan een week achtereen ongeoorloofd afwezig is uit de instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden;
  • d. de ter beschikking gestelde met voorwaarden langer dan een week achtereen ongeoorloofd afwezig is uit de instelling waarin hij krachtens de voorwaarde is opgenomen;
  • e. de ter beschikking gestelde waarvan de verpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd, rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is;
  • f. de ter beschikking gestelde waarvan de verpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd langer dan een week achtereen ongeoorloofd afwezig is uit de instelling waarin hij krachtens de voorwaarde is opgenomen.
2.

In afwijking van het eerste lid, onder a, loopt de termijn van de terbeschikkingstelling wel indien de ter beschikking gestelde:

  • a. krachtens een last als bedoeld in artikel 6:2:8 of ingevolge het bepaalde bij of krachtens de Penitentiaire beginselenwet in een instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden of in een ander psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen, tenzij hij langer dan een week ongeoorloofd afwezig is uit die instelling of dat ziekenhuis;
  • b. nadat de termijn van de terbeschikkingstelling een aanvang heeft genomen, in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen, tenzij hij langer dan een week ongeoorloofd afwezig is uit dat ziekenhuis.
Artikel 6:1:20

De termijn van de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders loopt niet:

  • a. gedurende de tijd dat aan degene aan wie deze is opgelegd, uit anderen hoofde zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is;
  • b. zodra degene die in een inrichting geplaatst is, langer dan een dag ongeoorloofd afwezig is.
Artikel 6:1:21

Een straf of maatregel wordt niet ten uitvoer gelegd na de dood van de veroordeelde, met uitzondering van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Artikel 6:1:22
1.

Na het verstrijken van de tenuitvoerleggingstermijn wordt de straf of maatregel niet ten uitvoer gelegd.

2.

De tenuitvoerleggingstermijn is een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering.

Artikel 6:1:23
1.

De tenuitvoerleggingstermijn gaat in op de dag na die waarop de rechterlijke uitspraak of de strafbeschikking ten uitvoer kan worden gelegd.

2.

Bij ongeoorloofde afwezigheid van een veroordeelde die zijn straf in een inrichting of instelling ondergaat, begint een nieuwe tenuitvoerleggingstermijn op de dag na die waarop de ongeoorloofde afwezigheid aanving. Bij herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling begint een nieuwe tenuitvoerleggingstermijn op de dag na die van de herroeping.

3.

De tenuitvoerleggingstermijn loopt niet gedurende de bij de wet bevolen schorsing of opschorting van de tenuitvoerlegging, noch gedurende de tijd dat de veroordeelde, zij het ook ter zake van een andere strafrechtelijke beslissing, rechtens zijn vrijheid is ontnomen, noch gedurende de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

4.

Indien een geldboete wegens een overtreding is opgelegd en in de uitspraak dan wel de strafbeschikking is bepaald dat het bedrag daarvan in gedeelten mag worden voldaan, dan wel Onze Minister aan de veroordeelde op diens verzoek uitstel van betaling heeft verleend of betaling in termijnen heeft toegestaan, wordt de tenuitvoerleggingstermijn voor deze geldboete verlengd met twee jaren.

5.

De tenuitvoerleggingstermijn loopt niet gedurende de tijd dat de tenuitvoerlegging aan een vreemde staat is overgedragen, zolang Onze Minister van de autoriteiten van die staat geen mededeling, houdende een beslissing omtrent de overname van de tenuitvoerlegging, heeft ontvangen.

6.

Indien, nadat de tenuitvoerlegging door een vreemde staat is overgenomen, die staat afstand doet van zijn recht tot tenuitvoerlegging ten behoeve van Nederland, begint een nieuwe tenuitvoerleggingstermijn op de dag waarop Onze Minister de mededeling van de autoriteiten van die staat omtrent de afstand heeft ontvangen.

7.

De tenuitvoerleggingstermijn loopt ten aanzien van veroordelingen tot betaling als bedoeld in artikel 358, vierde lid, onder a tot en met c, van de Faillissementswet niet gedurende de tijd dat de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op de veroordeelde van toepassing is.

8.

De tenuitvoerleggingstermijn loopt ten aanzien van geldsommen, tot betaling waarvan de veroordeelde op grond van een vonnis, arrest of strafbeschikking verplicht is, niet gedurende de tijd dat op grond van artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening een afkoelingsperiode is afgekondigd voor de veroordeelde.

Artikel 6:1:24

Een straf of maatregel mag niet ten uitvoer worden gelegd na overdracht van de strafvervolging aan een vreemde staat overeenkomstig de bepalingen van Titel 3 van het Vijfde Boek, tenzij de autoriteiten van de staat die de strafvervolging had overgenomen op die beslissing terugkomen of mededelen dat geen strafvervolging wordt ingesteld dan wel een ingestelde vervolging is gestaakt.

titel Eerste. Opneming, aanvang, onderbreking en invrijheidstelling

Artikel 6:1:25
1.

De raad voor de kinderbescherming heeft tot taak toezicht te houden op de uitvoering van reclasseringswerkzaamheden met betrekking tot jeugdigen, en is in dat kader bevoegd de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet danwel, indien het minderjarigen betreft, een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht aanwijzingen te geven.

2.

In door Onze Minister aan te wijzen gevallen kan de raad voor de kinderbescherming de gecertificeerde instelling inschakelen voor vrijwillige begeleiding van een jeugdige of de jongvolwassene die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit waar hij van verdacht wordt, de leeftijd van achttien jaren maar nog niet die van drieëntwintig jaren heeft bereikt.

Hoofdstuk 2. Vrijheidsbenemende straffen en maatregelen

titel Eerste. Opneming, aanvang, onderbreking en invrijheidstelling

Artikel 6:2:1
1.

De opneming van een persoon tegen wie een bevel tot vrijheidsbeneming of een veroordelend vonnis of arrest ten uitvoer wordt gelegd, in een daartoe bestemde inrichting of instelling als bedoeld in artikel 1 van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 1.1 van de Wet forensische zorg danwel artikel 1 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen geschiedt op grond van:

  • a. hetzij het bevel tot aanhouding, inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis,
  • b. hetzij het veroordelend vonnis of arrest of een uittreksel daarvan,
  • c. hetzij de last tot tenuitvoerlegging van Onze Minister.
2.

In het geval, bedoeld in het eerste lid, onder c, doet de ambtenaar, die de last heeft gegeven, het bevel tot voorlopige hechtenis of inverzekeringstelling of, ingeval van tenuitvoerlegging van vrijheidsstraf, het veroordelend vonnis of arrest of een uittreksel daarvan ten spoedigste toekomen aan het hoofd of de directeur van de in het eerste lid bedoelde inrichting of instelling.

3.

In geval van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, opgelegd bij een mondeling vonnis, geschiedt de in het eerste lid bedoelde opneming op grond van:

  • a. hetzij het proces-verbaal van de terechtzitting, dan wel een afschrift daarvan of uittreksel daaruit;
  • b. hetzij het aan de kopie van de dagvaarding of de oproeping gehechte stuk, dan wel een afschrift daarvan, houdende aantekening van het mondelinge vonnis;
  • c. hetzij de last tot tenuitvoerlegging van Onze Minister, dan wel een afschrift daarvan.
4.

In het geval, bedoeld in het derde lid, onder c, doet de ambtenaar die de last heeft gegeven, hetzij het proces-verbaal van de terechtzitting, dan wel een afschrift daarvan of uittreksel daaruit, hetzij het aan de kopie van de dagvaarding of oproeping gehechte stuk, dan wel een afschrift daarvan, houdende aantekening van het mondelinge vonnis, ten spoedigste toekomen aan het hoofd of de directeur van de inrichting of instelling.

Artikel 6:2:2

De gevangenisstraf en de hechtenis gaan in:

  • a. ten aanzien van veroordeelden die zich in voorlopige hechtenis bevinden ter zake van het feit waarvoor zij veroordeeld zijn, op de dag waarop de rechterlijke beslissing onherroepelijk is geworden;
  • b. ten aanzien van andere veroordeelden, op de dag van de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak.
Artikel 6:2:3
1.

Indien na de einduitspraak maar voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk geworden vonnis of arrest, houdende veroordeling tot vrijheidsstraf, de veroordeelde is gaan lijden aan een psychische stoornis, kan het gerecht opschorting van de tenuitvoerlegging bevelen.

2.

De opschorting wordt bevolen, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie, hetzij op het verzoekschrift van de raadsman van de veroordeelde. Ten aanzien van de raadsman gelden de bepalingen van de derde titel van het eerste boek.

3.

Na het herstel van de veroordeelde wordt op vordering van het openbaar ministerie het bevel tot opschorting door hetzelfde gerecht ingetrokken.

4.

Indien, ondanks de psychische stoornis van de veroordeelde, de tenuitvoerlegging van een andere straf mogelijk is, wordt de curator op de gewone wijze tot voldoening aan het vonnis of arrest uitgenodigd. Indien de veroordeelde nog geen curator heeft, wordt deze zo nodig voor dit doel benoemd op vordering van het openbaar ministerie.

5.

Ten aanzien van de vervangende straf zijn het eerste tot en met derde lid van toepassing.

Artikel 6:2:4
1.

Onze Minister kan in uitzonderlijke gevallen op verzoek van de betrokkene, het openbaar ministerie of ambtshalve de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf tijdelijk onderbreken. Deze onderbreking duurt niet langer dan noodzakelijk. Aan vreemdelingen die op grond van artikel 6:2:10, tweede lid, onder c, niet in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling, kan strafonderbreking voor onbepaalde tijd worden verleend.

2.

Ten aanzien van de beslissingen omtrent de onderbreking van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf is hoofdstuk XIII van de Penitentiaire beginselenwet van toepassing. Ten aanzien van de beslissingen omtrent de onderbreking van de tenuitvoerlegging van jeugddetentie is hoofdstuk XV van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing.

Artikel 6:2:5
1.

De invrijheidstelling geschiedt door de directeur van de inrichting:

  • a. op de laatste dag van de straftijd;
  • b. zodra de geldigheid van het bevel tot vrijheidsbeneming ophoudt;
  • c. op bevel tot invrijheidstelling van Onze Minister.
2.

Behoudens het bepaalde in het vierde lid vindt de invrijheidstelling in alle gevallen uiterlijk plaats op het ogenblik waarop de straftijd verstrijkt.

3.

Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt, in gevallen waarin ten aanzien van een gedeelte van de straf door de rechter is bepaald dat deze geheel of gedeeltelijk niet zal worden tenuitvoergelegd, met dat gedeelte alleen rekening gehouden voor zover de tenuitvoerlegging daarvan door de rechter is gelast.

4.

Invrijheidstelling geschiedt binnen drie uur na het tijdstip waarop het bevel van Onze Minister tot invrijheidstelling de directeur van de inrichting heeft bereikt. Indien de verdachte of veroordeelde op dat tijdstip nog niet in de penitentiaire inrichting is teruggekeerd, begint de termijn van drie uur te lopen vanaf het moment van terugkeer in de penitentiaire inrichting.

Artikel 6:2:6

Indien de veroordeelde meer dan één straf achtereenvolgens moet ondergaan, worden deze straffen zo enigszins mogelijk aaneensluitend ten uitvoer gelegd. In het geval meerdere straffen aaneensluitend ten uitvoer worden gelegd:

  • b. worden geheel onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen vrijheidsstraffen gezamenlijk, met uitzondering van vervangende hechtenis die moet worden ondergaan, als één vrijheidsstraf aangemerkt voor de toepassing van artikel 6:2:10.
Artikel 6:2:7
1.

De tijd die door de tot gevangenisstraf of hechtenis veroordeelde in het buitenland in verzekering, in voorlopige hechtenis of in detentie is doorgebracht ingevolge een Nederlands verzoek om overlevering of uitlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van deze straf, komt in mindering op de ten uitvoer te leggen straf.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een voorwaardelijke invrijheidstelling, tenzij die tijd, met toepassing van artikel 68, eerste lid, laatste volzin, reeds in mindering is gebracht op een andere straf die de veroordeelde heeft ondergaan.

Artikel 6:2:8
1.

Een veroordeelde tot gevangenisstraf die wegens een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap daarvoor in aanmerking komt, kan worden geplaatst in een instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden. In dat geval is artikel 6:2:16 van overeenkomstige toepassing.

2.

Indien een veroordeelde tot gevangenisstraf tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd, wordt op regelmatige tijdstippen beoordeeld of de veroordeelde dient te worden geplaatst in een instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden.

3.

De plaatsing, bedoeld in het eerste lid, gebeurt overeenkomstig de Wet forensische zorg.

4.

Tegen de beslissing tot plaatsing, de beslissing tot beëindiging daarvan en de beslissing tot niet plaatsing in afwijking van het advies van de rechter overeenkomstig het bepaalde in artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de veroordeelde binnen vier weken nadat die beslissing aan hem is medegedeeld beroep instellen bij de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming. Hoofdstuk XVI van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden is van overeenkomstige toepassing.

5.

De overplaatsing en het beroep daartegen van de veroordeelden geschieden overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op de overplaatsing en het beroep daartegen van ter beschikking gestelden ten aanzien van wie een bevel tot verpleging van overheidswege is gegeven.

6.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de tot hechtenis of vervangende hechtenis veroordeelde.

Artikel 6:2:9
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze titel.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het op last van Onze Minister plaatsen van een veroordeelde tot gevangenisstraf in een instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden, indien deze wegens een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap daarvoor in aanmerking komt, en de beëindiging daarvan.

3.

De in het eerste lid bedoelde nadere regels die worden gesteld met betrekking tot het onderbreken van de tenuitvoerlegging betreffen in elk geval de voorwaarden waaraan een betrokkene moet voldoen om hiervoor in aanmerking te komen, de bevoegdheid tot en de wijze van verlening alsmede de voorwaarden die hieraan kunnen worden verbonden.

4.

De in het eerste lid bedoelde nadere regels die worden gesteld met betrekking tot de beoordeling of een veroordeelde tot gevangenisstraf alsmede tot de maatregel van ter beschikking stelling met bevel tot verpleging van overheidswege dient te worden geplaatst in een instelling voor verpleging van ter beschikking gestelden betreffen in elk geval de frequentie van de beoordelingen, de te volgen procedure, waaronder de advisering door gedragsdeskundigen, en de wijze waarop de beoordelingen dienen plaats te vinden.

titel Tweede. Vrijheidsbenemende straffen en maatregelen

Artikel 6:2:10
1.

Voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden verleend:

  • a. aan de veroordeelde tot vrijheidsstraf van meer dan een jaar en ten hoogste twee jaren wanneer de vrijheidsbeneming ten minste een jaar heeft geduurd en van het alsdan nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf een derde gedeelte is ondergaan;
  • b. aan de veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren wanneer hij twee derde gedeelte daarvan heeft ondergaan, met dien verstande dat de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, niet langer kan zijn dan twee jaren.
2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien:

  • a. de rechter heeft bepaald dat een gedeelte van de vrijheidsstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd;
  • b. de rechter heeft gelast dat de niet ten uitvoer gelegde straf of een gedeelte daarvan alsnog ten uitvoer wordt gelegd omdat enige gestelde voorwaarde niet is nageleefd;
3.

Bij de beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:

  • a. de mate waarin en de wijze waarop de veroordeelde door zijn gedrag heeft doen blijken van een bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving;
  • b. de mogelijkheden om eventuele aan de invrijheidstelling verbonden risico’s te beperken en beheersen;
  • c. de belangen van slachtoffers, nabestaanden en andere relevante personen, waaronder de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de door het strafbare feit veroorzaakte schade te vergoeden.
4.

In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister van Justitie en Veiligheid in het geval van de tenuitvoerlegging van een in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf in Nederland bepalen dat:

  • a. de voorwaardelijke invrijheidstelling op een eerder tijdstip kan plaatsvinden, indien de veroordeelde op dat eerdere tijdstip voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld, als de tenuitvoerlegging niet aan Nederland zou zijn overgedragen;
  • b. de voorwaardelijke invrijheidstelling op een later tijdstip kan plaatsvinden, voor zover de mogelijkheid van voorwaardelijke invrijheidstelling op dat latere tijdstip de instemming van de buitenlandse autoriteit met de overbrenging van de veroordeelde naar Nederland heeft bevorderd.
5.

Artikel 6:2:5 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:2:11
1.

De voorwaardelijke invrijheidstelling geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

2.

Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen daarnaast bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde worden gesteld. Indien aan de voorwaardelijke invrijheidstelling een bijzondere voorwaarde is gesteld, zijn daaraan van rechtswege de voorwaarden verbonden dat de veroordeelde:

  • a. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en
  • b. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
3.

De bijzondere voorwaarden kunnen inhouden:

  • a. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;
  • b. een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden of te vestigen;
  • c. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;
  • d. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
  • e. een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;
  • f. opneming van de veroordeelde in een zorginstelling gedurende een bepaalde termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd;
  • g. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling gedurende een bepaalde termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd;
  • h. het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang gedurende een bepaalde termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd;
  • i. het deelnemen aan een gedragsinterventie;
  • j. een verbod vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten;
  • k. een beperking van het recht om Nederland te verlaten;
  • l. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade of het treffen van een regeling voor het betalen van de schadevergoeding in termijnen;
  • m. de plicht te verhuizen uit een bepaald gebied;
  • n. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, waaraan deze gedurende de proeftijd heeft te voldoen.
4.

Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht worden verbonden.

Artikel 6:2:12
1.

Het openbaar ministerie beslist over het verlenen en herroepen van voorwaardelijke invrijheidstelling en over het stellen, wijzigen of opheffen van bijzondere voorwaarden. De beslissingen van het openbaar ministerie zijn met redenen omkleed. Het openbaar ministerie stelt de veroordeelde in kennis van zijn beslissingen.

2.

De directeur van de penitentiaire inrichting en de reclassering adviseren omtrent de beslissingen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 6:2:13
1.

Uiterlijk vier weken voor het in artikel 6:2:10, eerste of vierde lid, bedoelde tijdstip stelt het openbaar ministerie de veroordeelde in kennis van zijn beslissing over het al dan niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling. De beslissing kan ook inhouden dat een beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld voor een termijn van ten hoogste zes maanden. Indien voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, beslist het openbaar ministerie eveneens over de daaraan verbonden voorwaarden.

2.

Indien geen voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, kan de veroordeelde ten minste zes maanden na de daartoe strekkende beslissing, eenmaal verzoeken om alsnog voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld. Het openbaar ministerie beslist binnen twee maanden na de ontvangst van het verzoek en stelt de veroordeelde van zijn beslissing in kennis. Indien alsnog voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, bepaalt het openbaar ministerie de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling en beslist eveneens over de daaraan verbonden voorwaarden. Indien na het verzoek opnieuw geen voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, zijn de vorige volzinnen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:2:14

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze titel. Deze nadere regels betreffen in elk geval de totstandkoming van de beslissingen omtrent het stellen, aanvullen, wijzigen of opheffen van bijzondere voorwaarden.

titel Derde. Verpleging van overheidswege en terbeschikkingstelling

Artikel 6:2:15
1.

Ter beschikking gestelden kunnen worden verpleegd in door Onze Minister aangewezen particuliere instellingen, in beheer bij een in Nederland gevestigde rechtspersoon, danwel rijksinstellingen.

2.

De verpleging geschiedt bij voorkeur in een particuliere instelling.

Artikel 6:2:16

Onze Minister ziet erop toe dat de ter beschikking gestelde die van overheidswege wordt verpleegd de nodige behandeling krijgt; de veiligheid van de samenleving in acht wordt genomen en de belangen van slachtoffers worden gediend. Hij kan met betrekking tot bepaalde verpleegden aan het hoofd van de instelling bijzondere aanwijzingen geven in het belang van de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen of het belang van de slachtoffers.

Artikel 6:2:17
1.

Beëindiging door de rechter van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege vindt niet plaats dan nadat de verpleging van overheidswege gedurende minimaal een jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de rechter bij de beslissing de maatregel van terbeschikkingstelling niet te verlengen met toepassing van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:5, aanhef en onderdeel a, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, dan wel een rechterlijke machtiging voor opname en verblijf als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten afgeeft.

3.

Een terbeschikkingstelling vervalt bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij dezelfde persoon wederom ter beschikking wordt gesteld.

Artikel 6:2:18
1.

Onze Minister kan de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege beëindigen ten aanzien van de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.

2.

Toepassing van het eerste lid kan slechts geschieden ten aanzien van een vreemdeling voor wie door Onze Minister een passende voorziening in het land van herkomst is geregeld, gericht op in ieder geval vermindering van de stoornis en het daarmee samenhangende recidivegevaar en die daadwerkelijk uit Nederland is uitgezet.

3.

Aan de beëindiging wordt de voorwaarde verbonden dat de vreemdeling Nederland verlaat en niet naar Nederland terugkeert.

4.

Indien Onze Minister het voornemen heeft om toepassing te geven aan het bepaalde in het eerste lid, stelt hij de veroordeelde van dit voornemen in kennis. Onze Minister kan over het voornemen tot toepassing van het eerste lid advies vragen aan het openbaar ministerie. In dat geval wordt het advies gevoegd bij de kennisgeving van het voornemen aan de veroordeelde.

5.

Tegen het voornemen van Onze Minister bedoeld in het vierde lid, kan de veroordeelde binnen veertien dagen na ontvangst van de kennisgeving hiervan een bezwaarschrift indienen bij het gerecht, dat in hoogste feitelijke instantie de tot vrijheidsbeneming strekkende sanctie heeft opgelegd.

6.

Het in het vijfde lid bedoelde gerecht onderzoekt zo spoedig mogelijk na ontvangst van een tijdig ingediend bezwaarschrift of Onze Minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing kan komen. De veroordeelde wordt bij het onderzoek gehoord, althans opgeroepen. Indien de veroordeelde geen raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last tot aanwijzing van een raadsman. De artikelen 21 tot en met 25 zijn van overeenkomstige toepassing. Van zijn beslissing stelt het gerecht Onze Minister en de veroordeelde schriftelijk in kennis.

titel Vierde. Inrichting voor stelselmatige daders

Artikel 6:2:19
1.

Plaatsing van degene aan wie de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is opgelegd, geschiedt in een door Onze Minister aangewezen inrichting voor stelselmatige daders.

2.

De kosten van de tenuitvoerlegging van de laatste fase van de maatregel komen ten laste van gemeenten die deelnemen aan de tenuitvoerlegging daarvan.

Artikel 6:2:20

Onze Minister kan de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders te allen tijde beëindigen.

Artikel 6:2:21

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze titel. Deze nadere regels zien in elk geval op de kosten van de tenuitvoerlegging van de maatregel die ten laste van de gemeenten komen.

Artikel 6:2:22
1.

De maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eindigt voorwaardelijk na twee jaar, tenzij de maatregel wordt verlengd op de wijze als bedoeld in artikel 6:6:31. De termijn gaat in nadat de rechterlijke uitspraak onherroepelijk is geworden. De maatregel vervalt bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij aan de betrokkene wederom de maatregel of de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, wordt opgelegd.

2.

De termijn van de maatregel loopt niet:

  • a. gedurende de tijd dat aan de veroordeelde uit anderen hoofde rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is;
  • b. wanneer de veroordeelde langer dan een week ongeoorloofd afwezig is uit de plaats die voor de tenuitvoerlegging van de maatregel is aangewezen;
  • c. wanneer de maatregel voorwaardelijk is geëindigd als bedoeld in het eerste lid en artikel 6:6:31.
3.

Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, kan Onze Minister de maatregel te allen tijde, na advies te hebben ingewonnen van de raad voor de kinderbescherming, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk beëindigen.

Hoofdstuk 3. Vrijheidsbeperkende straffen, maatregelen en voorwaarden

titel Eerste. Taakstraffen

Artikel 6:3:1
1.

De termijn binnen welke de taakstraf moet worden voltooid bedraagt achttien maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis dan wel negen maanden na het onherroepelijk worden van de strafbeschikking.

2.

De termijn binnen welke de taakstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Artikel 6:3:2
1.

Het openbaar ministerie kan de opgelegde straf wijzigen wat betreft de aard van de te verrichten werkzaamheden, bedoeld in artikel 22c, eerste lid, derde volzin, van het Wetboek van Strafrecht, indien het van oordeel is dat de veroordeelde de taakstraf niet geheel overeenkomstig de opgelegde straf kan of heeft kunnen verrichten. Het openbaar ministerie benadert daarbij zo veel mogelijk de opgelegde straf. Het openbaar ministerie geeft hiervan kennis aan de veroordeelde.

2.

Het openbaar ministerie doet deze kennisgeving zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde betekenen. De kennisgeving behelst het aantal uren taakstraf dat naar het oordeel van het openbaar ministerie is verricht, alsmede de straf zoals deze voor het overige nader is vastgesteld.

Artikel 6:3:3
1.

Indien de tot een taakstraf veroordeelde niet aanvangt met de taakstraf, geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit of het openbaar ministerie van oordeel is dat de veroordeelde de opgelegde taakstraf niet naar behoren verricht of heeft verricht, wordt vervangende hechtenis toegepast, tenzij dit wegens uitzonderlijke omstandigheden die zich na het opleggen van de taakstraf hebben voorgedaan, zou leiden tot een onbillijkheid van zwaarwegende aard.

2.

Indien een gedeelte van de te verrichten taakstraf is voldaan, vermindert de duur van de vervangende hechtenis naar evenredigheid. Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een gedeelte van een dag vervangende hechtenis zou moeten worden ondergaan, dan vindt afronding naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen.

3.

Het openbaar ministerie geeft kennis aan de veroordeelde dat vervangende hechtenis wordt toegepast. Deze kennisgeving wordt zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde betekend. De kennisgeving behelst het aantal uren taakstraf dat naar het oordeel van het openbaar ministerie is verricht, alsmede het aantal dagen vervangende hechtenis.

Artikel 6:3:4

Een beslissing als bedoeld in de artikelen 6:3:2 en 6:3:3, eerste lid, kan worden genomen tot drie maanden na afloop van de termijn waarbinnen de taakstraf op grond van artikel 6:3:1 dan wel artikel 6:6:23, tweede lid, moet zijn voltooid.

Artikel 6:3:5

Indien naar het oordeel van Onze Minister de opgelegde taak naar behoren is verricht, stelt Onze Minister de veroordeelde hiervan zo spoedig mogelijk in kennis.

Artikel 6:3:6

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in deze titel. Deze nadere regels betreffen in elk geval de inhoud van de taakstraf, de tenuitvoerlegging van de taakstraf en de rechten en plichten van degene die een taakstraf moet verrichten.

titel Tweede. Gedragsaanwijzingen

Artikel 6:3:7
1.

Het openbaar ministerie kan de termijn verlengen die is gesteld bij een overeenkomstig artikel 257a gegeven aanwijzing.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)