Wet van 15 januari 1921
De rechter-commissaris is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie nemen van spoedeisende, tijdelijke en voorlopige beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke en vrijheidsbeperkende straffen en maatregelen. Dit betreft de beslissingen tot:
- a. de voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf of maatregel;
- b. de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de in het vonnis bepaalde vervangende hechtenis die ten uitvoer wordt gelegd iedere keer dat de veroordeelde zich niet houdt aan de vrijheidsbeperkende maatregel;
- c. de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de in het vonnis bepaalde vervangende jeugddetentie of hechtenis voor het geval dat de veroordeelde zich niet houdt aan de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige.
Een vordering als bedoeld in het eerste lid wordt onverwijld ingediend indien de veroordeelde is aangehouden op grond van artikel 6:3:15. Tegelijk met de vordering, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt een vordering ingediend als bedoeld in artikel 6:6:21, eerste lid.
De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na de indiening van de vordering. De veroordeelde wordt zo mogelijk door de rechter-commissaris gehoord. De artikelen 39 en 191 zijn van overeenkomstige toepassing.
Hangende de beslissing van de rechter-commissaris wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
De beslissing van de rechter-commissaris is dadelijk uitvoerbaar.
Indien de rechter-commissaris de vordering afwijst, beveelt hij de invrijheidstelling van de aangehouden veroordeelde.
Indien vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie wordt bevolen, wordt de vrijheidsbeneming hangende de beslissing van de rechter-commissaris geheel in mindering gebracht op de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie.
Artikel 6:6:21
De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden.
In plaats van het op grond van het eerste lid bevelen van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, kan de rechter de tenuitvoerlegging van een taakstraf gelasten. Artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6:1:15, 6:3:1 tot en met 6:3:6, 6:3:14 en 6:6:23 van dit wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.
Een vordering als bedoeld in het eerste lid, kan worden ingediend indien het openbaar ministerie oordeelt dat de veroordeelde een gestelde voorwaarde of opgelegde maatregel niet naleeft of niet heeft nageleefd, en er niet met een waarschuwing kan worden volstaan.
Het onderzoek vindt zo spoedig mogelijk plaats. Indien de rechter-commissaris op grond van artikel 6:6:20, eerste lid, een beslissing heeft genomen, vindt het onderzoek in elk geval plaats binnen een maand na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde vordering.
Indien het onderzoek volgt op een aanhouding, hoort de rechter de veroordeelde alvorens te beslissen. De artikelen 39 en 191 zijn van overeenkomstige toepassing.
De rechter kan het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging, verleend door de rechter-commissaris, opheffen.
Bij toepassing van het eerste lid, onder a, of het tweede lid beveelt de rechter dat de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 6:6:20, eerste lid, onder a, geheel in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf. Indien hij dit bevel geeft ter zake van een taakstraf, bepaalt hij in zijn uitspraak volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.
In het geval dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen nadat zij is geschorst, wordt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf geacht te zijn hervat op de dag van de aanhouding, bedoeld in artikel 6:3:15.
Artikel 6:6:22
Het openbaar ministerie en de veroordeelde kunnen beroep instellen tegen:
- a. de beslissingen, bedoeld in artikel 6:6:20, eerste lid, onder b en c;
- b. de beslissing, bedoeld in artikel 6:6:21, eerste lid, voor zover deze deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit.
De voorzitter kan hangende de beslissing het bevel tot tenuitvoerlegging ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, opheffen.
De artikelen 6:6:15, tweede en vierde lid, 6:6:16, eerste lid, en 6:6:17 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6:6:23
Tegen de kennisgevingen, gegeven krachtens de artikelen 6:3:3, 6:3:9 en 6:3:10, kan de veroordeelde binnen veertien dagen na de betekening daarvan een bezwaarschrift indienen bij de rechter.
De rechter kan de beslissing van het openbaar ministerie wijzigen. Indien de rechter het bezwaarschrift gegrond verklaart, geeft hij in zijn beslissing het aantal uren taakstraf aan dat nog moet worden verricht en binnen welke termijn de taakstraf moet worden voltooid. Artikel 6:3:1, tweede lid, is van toepassing.
Artikel 6:6:23a
De maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan niet ten uitvoer worden gelegd, tenzij het openbaar ministerie een vordering tot tenuitvoerlegging indient bij de rechter die in eerste aanleg heeft kennisgenomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd.
De vordering moet worden ingediend uiterlijk dertig dagen voor de beëindiging van de terbeschikkingstelling dan wel dertig dagen voor ommekomst van de termijn, bedoeld in artikel 6:1:18, dan wel dertig dagen voordat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt beëindigd. Het openbaar ministerie is in een later ingediende vordering niettemin ontvankelijk indien het aannemelijk maakt dat de grond, bedoeld in artikel 6:6:23b, eerste lid, zich eerst nadien heeft voorgedaan.
Bij de vordering legt het openbaar ministerie een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies over van een reclasseringsinstelling. Indien de gevorderde voorwaarde betrekking heeft op behandeling of opname in een zorginstelling, wordt tevens een medische verklaring overgelegd waaruit de noodzaak van behandeling of opname blijkt.
Indien de vordering achterwege blijft, vervalt de maatregel van rechtswege op het moment van beëindiging van de terbeschikkingstelling dan wel bij ommekomst van de termijn, bedoeld in artikel 6:1:18, dan wel indien voorwaardelijke invrijheidstelling niet heeft plaatsgevonden op het moment dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt beëindigd.
Artikel 6:6:23b
De rechter kan de tenuitvoerlegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking gelasten indien:
- a. er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan waarvoor de rechter een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan opleggen; of
- b. dit noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen.
De rechter kan bij de last één of meer van de volgende voorwaarden opnemen:
- a. een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;
- b. opneming van de veroordeelde in een zorginstelling;
- c. een verplichting zich onder behandeling te stellen van een deskundige of zorginstelling;
- d. het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
- e. het deelnemen aan een gedragsinterventie;
- f. een verbod vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten;
- g. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende;
- h. een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaalde locatie te bevinden;
- i. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaalde personen of instellingen;
- j. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;
- k. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
- l. een beperking van het recht om Nederland te verlaten;
- m. een verbod zich te vestigen in een bepaald gebied;
- n. de plicht te verhuizen uit een bepaald gebied.
Indien de rechter een bijzondere voorwaarde opneemt, zijn daaraan van rechtswege de voorwaarden verbonden dat de veroordeelde:
- a. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en
- b. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 6:3:14, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, kan elektronisch toezicht worden verbonden.
De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten voor een periode van twee, drie, vier of vijf jaren. De termijn vangt aan op de dag waarop de rechter de tenuitvoerlegging heeft gelast.
Bij de tenuitvoerlegging zijn artikel 38w van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 537, 6:3:15, 6:6:20 en 6:6:22 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6:6:23c
De termijn van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan telkens op vordering van het openbaar ministerie met twee, drie, vier of vijf jaren worden verlengd indien:
- a. er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan waarvoor de rechter een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan opleggen; of
- b. dit noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen.
De vordering moet uiterlijk dertig dagen voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen worden ingediend bij de rechter, bedoeld in artikel 6:6:23a, eerste lid. Het openbaar ministerie is in een later ingediende vordering niettemin ontvankelijk indien het aannemelijk maakt dat de grond, bedoeld in het eerste lid, zich eerst nadien heeft voorgedaan.
Bij de vordering legt de officier van justitie een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies over van een reclasseringsinstelling. Indien de gevorderde voorwaarde betrekking heeft op behandeling of opname in een zorginstelling, wordt tevens een medische verklaring overgelegd waaruit de noodzaak van die behandeling of opname blijkt.
De termijn loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen en gedurende de tijd dat hij uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig was.
Artikel 6:6:23d
De maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking of de voorwaarden daarbij kunnen door de rechter, bedoeld in artikel 6:6:23a, eerste lid, ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie worden gewijzigd of opgeheven.
Artikel 6:6:23e
De maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking vervalt bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij:
- a. dezelfde persoon ter beschikking wordt gesteld; of
- b. dezelfde persoon wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf en in de rechterlijke uitspraak een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking is opgelegd.
Indien de maatregel van rechtswege eindigt, wordt dit zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht aan de betrokkene.
Artikel 6:6:23f
Het openbaar ministerie en de veroordeelde kunnen beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen:
- a. de beslissing ter zake van tenuitvoerlegging van de maatregel;
- b. de beslissing ter zake van verlenging van de termijn van de maatregel; en
- c. de beslissing ter zake van opheffing of wijziging van de maatregel of de voorwaarden daarbij.
De artikelen 6:6:15, tweede en vierde lid, 6:6:16, eerste lid, en 6:6:17 zijn van overeenkomstige toepassing.
De beslissingen, bedoeld in het eerste lid, zijn dadelijk uitvoerbaar.
Artikel 6:6:24
Binnen veertien dagen nadat de gewezen verdachte of veroordeelde kennis heeft gekregen van de beslissing op een overeenkomstig artikel 6:3:7, tweede lid, gedaan verzoek, kan hij een bezwaarschrift indienen bij het gerecht ter griffie waarvan het bedrag is voldaan of het voorwerp is overgedragen.
Het bezwaarschrift kan ook worden ingediend nadat dertig dagen zijn verstreken sedert de indiening van het verzoek, waarop nog niet is beslist.
Indien de rechter het bezwaarschrift gegrond acht, beveelt hij de teruggave van het verschil bedoeld in artikel 6:3:7, tweede lid. Indien het te betalen bedrag was verhoogd omdat het bedrag niet binnen de daarvoor gestelde termijn geheel was voldaan, vervalt deze verhoging van rechtswege.
titel Vierde. Geldelijke straffen en maatregelen
Artikel 6:6:25
Het openbaar ministerie kan een vordering instellen om te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling jegens de veroordeelde toe te passen indien volledig verhaal overeenkomstig de artikelen 6:4:4, 6:4:5 en 6:4:6 niet mogelijk blijkt bij:
- a. een in een strafbeschikking opgelegde geldboete;
- b. een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt ingesteld bij de kantonrechter in het arrondissement waar het adres is van degene aan wie in een strafbeschikking de geldboete is opgelegd, waarvoor verhaal is gezocht. Als het adres van degene aan wie de geldboete is opgelegd, wordt aangemerkt het in de basisregistratie personen vermelde adres alsmede het adres dat de verdachte bij het doen van verzet tegen verhaal overeenkomstig de artikelen 6:4:5 en 6:4:6 heeft opgegeven. Indien degene aan wie de geldboete is opgelegd niet als ingezetene staat ingeschreven in de basisregistratie personen, kan de vordering tevens worden ingesteld bij de rechtbank Noord-Nederland.
Indien de veroordeelde bekend is met de vervolging wordt de oproeping in afwijking van artikel 6:6:3, tweede lid, toegezonden aan het in de basisregistratie personen vermelde adres. Indien degene niet staat ingeschreven in de basisregistratie personen en geen adres heeft opgegeven bij het doen van verzet tegen verhaal overeenkomstig de artikelen 6:4:5 en 6:4:6, vindt de oproeping plaats in de Staatscourant.
De rechter bepaalt de duur van de gijzeling, die ten minste één dag beloopt. Bij een vordering bedoeld in het eerste lid, onder a, is de duur ten hoogste een week per strafbaar feit. Bij een vordering bedoeld in het eerste lid, onder b, is de duur ten hoogste hetgeen door de rechter is bepaald bij het opleggen van de maatregel. Voor elke volle € 25 van het bedrag waarvoor verhaal is gezocht, wordt niet meer dan één dag opgelegd.
Bij de beoordeling van de vordering houdt de rechter rekening met gedeeltelijke betalingen die door de veroordeelde zijn verricht en verhaal dat reeds ingevolge de artikelen 6:4:4, 6:4:5 en 6:4:6 is genomen.
De vordering wordt niet toegewezen indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling.
De gijzeling eindigt indien de veroordeelde alsnog het verschuldigde bedrag volledig voldoet. De gijzeling kan te allen tijde worden beëindigd door Onze Minister.
De toepassing van gijzeling heft de verschuldigdheid niet op.
Artikel 6:6:26
De rechter kan op vordering van het openbaar ministerie, of op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde of van een benadeelde derde, het in de opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden. Is het bedrag reeds betaald of verhaald, dan kan de rechter bevelen dat het geheel of gedeeltelijk zal worden teruggegeven of aan een door hem aangewezen derde zal worden uitgekeerd. Het bevel laat ieders recht op het teruggegeven of uitgekeerde bedrag onverlet.
Indien blijkt dat een hoger bedrag is vastgesteld dan de som van het werkelijke voordeel, geeft de rechter een beschikking strekkende tot vermindering of teruggave, ten minste gelijk aan het verschil.
Het openbaar ministerie en de verdachte onderscheidenlijk de benadeelde derde worden gehoord, althans hiertoe opgeroepen, tenzij – bij een tweede of volgende verzoek van de verdachte onderscheidenlijk de benadeelde derde – dit verzoek kennelijk ongegrond is.
De vordering en het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kunnen niet meer worden gedaan nadat drie jaren zijn verstreken sedert de dag waarop het bedrag, of het laatste gedeelte daarvan, is betaald of verhaald.
De rechter kan ambtshalve bevelen dat de maatregel, hangende zijn beslissing, niet ten uitvoer zal worden gelegd. Het bevel wordt onverwijld ter kennis gebracht van Onze Minister.
Artikel 6:6:27
Binnen veertien dagen nadat de gewezen verdachte of veroordeelde kennis heeft gekregen van de beslissing op een overeenkomstig artikel 6:4:18, tweede lid gedaan verzoek, kan hij een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank waarbij de officier van justitie is geplaatst.
Het bezwaarschrift kan ook worden ingediend wanneer dertig dagen zijn verstreken sedert de indiening van het verzoek en inmiddels daarop niet is beslist.
Acht de rechtbank het bezwaarschrift gegrond, dan beveelt zij de teruggave van betaalde geldbedragen of overgedragen voorwerpen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
De behandeling van het bezwaarschrift vindt plaats in het openbaar.
titel Vijfde. Jeugd
Artikel 6:6:28
De rechter die de straf heeft opgelegd kan te allen tijde de veroordeelde aan wie een jeugddetentie is opgelegd, voorwaardelijk in vrijheid stellen.
In geval van een voorwaardelijke invrijheidstelling wordt een proeftijd bepaald van ten hoogste twee jaren. De duur van de proeftijd en de gestelde voorwaarden worden de veroordeelde in persoon betekend. Artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6:1:18, derde lid, 6:3:14, 6:6:19 en 6:6:21 van dit wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6:6:29
De straf van jeugddetentie kan door de rechter geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een van de straffen genoemd in artikel 9, eerste lid, van het Wetboek van het Strafrecht indien de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf geheel of gedeeltelijk zou moeten plaatsvinden nadat de veroordeelde de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt en deze naar het oordeel van de rechter niet meer voor een zodanige straf in aanmerking komt.
Artikel 6:6:30
Indien geen of geen volledige betaling van het bedrag van een geldboete heeft plaatsgevonden en geen of geen volledig verhaal mogelijk is, kan de rechter die de straf heeft opgelegd het nog te betalen bedrag op vordering van het openbaar ministerie vervangen door jeugddetentie of op verzoek van de veroordeelde vervangen door een taakstraf. Indien de rechter gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid van het tweede lid van artikel 77l van het Wetboek van Strafrecht, kan hij de duur van de eerder opgelegde vervangende jeugddetentie ook wijzigen, tenzij deze reeds is aangevangen.
De taakstraf, bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd in evenredigheid met het nog verschuldigde bedrag. De artikelen 6:3:2, 6:3:5, 6:3:8 tot en met 6:3:11 en 6:3:13, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing. De straf kan slechts worden opgelegd zolang de veroordeelde de leeftijd van achttien jaren niet heeft bereikt.
Indien de veroordeelde bij aanvang van de tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, kan deze worden ten uitvoer gelegd als vervangende hechtenis, indien het vonnis of de beslissing op grond van het eerste lid dit bepaalt.
De duur van de vervangende jeugddetentie of vervangende hechtenis is ten minste één dag en ten hoogste drie maanden. Voor elke volle € 15 van de nog te betalen geldboete wordt niet meer dan één dag opgelegd. Door betaling van het nog te betalen bedrag vervalt de vervangende jeugddetentie of de vervangende hechtenis. Artikel 6:4:7, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 27, derde en vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht is bij veroordeling tot een geldboete van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6:6:31
De rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, kan op vordering van het openbaar ministerie de termijn, bedoeld in artikel 6:2:22, eerste lid, telkens met ten hoogste twee jaren verlengen. Niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel voorwaardelijk eindigt, kan het openbaar ministerie een vordering indienen tot verlenging van de maatregel. Artikel 6:6:11 is van overeenkomstige toepassing.
Verlenging van de termijn van de maatregel is slechts mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat. In de gevallen waarin de maatregel is verlengd, eindigt de maatregel voorwaardelijk een jaar voordat de maximale duur van de maatregel wordt bereikt. De rechter geeft in de beslissing tot verlenging van de maatregel aan wanneer de maatregel, behoudens verdere verlenging, onvoorwaardelijk eindigt. Artikel 6:2:22, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Op de beslissing tot verlenging van de maatregel waarbij de maximale duur van de maatregel zal worden bereikt, is artikel 77s, tweede en vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing.
De verlenging is slechts mogelijk, indien de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Artikel 77s, eerste lid, onder b en c, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
Een vordering tot verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt bij de rechtbank behandeld door de meervoudige kamer.
Bij de vordering worden overgelegd:
- a. een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies afkomstig van het hoofd of de directeur van de inrichting, en
- b. een afschrift van de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de veroordeelde.
De maatregel kan zonder advies, bedoeld in het vijfde lid, onder a, worden verlengd indien dit advies door gebrek aan medewerking van de veroordeelde niet kan worden uitgebracht.
Artikel 6:1:1, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6:6:32
De voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen kan door de rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd, ambtshalve, of op vordering van het openbaar ministerie, worden verlengd. De rechter bepaalt de duur van de verlenging. Niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de voorwaardelijke beëindiging eindigt, kan het openbaar ministerie een vordering indienen tot verlenging van de maatregel. Artikel 6:6:11 is van overeenkomstige toepassing.
De totale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel bedraagt ten hoogste twee jaar. De termijn van de voorwaardelijke beëindiging loopt niet wanneer de veroordeelde zich langer dan een week onttrekt aan het toezicht.
Tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel kan de in het eerste lid bedoelde rechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde:
- a. bijzondere voorwaarden stellen die het gedrag van de veroordeelde betreffen;
- b. aan een andere instelling dan die welke daarmee tevoren was belast, de begeleiding van de veroordeelde opdragen;
- c. indien de veroordeelde zich niet heeft gedragen naar de aanwijzingen bedoeld in artikel 77t, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafrecht bevelen dat de veroordeelde tijdens de voorwaardelijke beëindiging wordt teruggeplaatst in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, dan wel, indien de veroordeelde inmiddels de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in een penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Penitentiaire beginselenwet dan wel een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.
De rechter bepaalt de duur van een terugplaatsing als bedoeld in het derde lid, onderdeel c. Deze duur kan de duur van de voorwaardelijke beëindiging niet overschrijden en bedraagt ten hoogste een jaar. Bij herhaalde terugplaatsing kan de totale duur van de terugplaatsingen de maximale duur van een jaar niet overstijgen. Een terugplaatsing kan maximaal twee keer worden toegepast.
Indien de rechter bijzondere voorwaarden stelt, als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, is artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter de werking van de bijzondere voorwaarden kan beperken tot een in de beslissing te bepalen tijdsduur binnen de termijn waarmee de voorwaardelijke beëindiging wordt verlengd. Het slachtoffer, bedoeld in artikel 51e, tweede lid, wordt in de gelegenheid gesteld een verklaring af te leggen. De verklaring ziet uitsluitend op de voorwaarden die direct de belangen van het slachtoffer raken. De verklaring kan ook worden afgelegd door de personen, bedoeld in artikel 51e, derde, vierde, zevende en achtste lid.
De rechter die voorwaarden heeft gesteld in het verband van een voorwaardelijk opgelegde maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, kan op vordering van het openbaar ministerie, indien een gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, alsnog de tenuitvoerlegging van de maatregel bevelen.
Indien ten aanzien van de veroordeelde een rechterlijke machtiging op grond van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten of een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg is gegeven, eindigt de maatregel onvoorwaardelijk.
De artikelen 6:3:15, 6:6:20, 6:6:21 en 6:6:22 zijn van overeenkomstige toepassing. Indien het openbaar ministerie de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, dient het onverwijld een vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging in bij de rechter-commissaris en een vordering als bedoeld in het derde lid, bij de rechter.
Artikel 6:6:33
De maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen die is verlengd tot de in artikel 6:6:31, tweede lid, bedoelde duur van zeven jaren, kan door de rechter ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie worden omgezet in de maatregel, bedoeld in artikel 37a, van het Wetboek van Strafrecht, indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de omzetting in die maatregel eist.
De beslissing tot omzetting geldt als een last als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. De rechter geeft daarbij het bevel, bedoeld in artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 37a, eerste, derde en vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.
Met de omzetting eindigt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen onvoorwaardelijk.
De beslissing, bedoeld in het eerste lid, wordt genomen:
- a. voordat de maatregel voorwaardelijk eindigt op de wijze, bedoeld in artikel 6:6:31, tweede lid;
- b. tijdens de voorwaardelijke beëindiging, bedoeld in artikel 6:6:32, eerste en tweede lid.
Bij de beslissing betrekt de rechter:
- a. een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies afkomstig van het hoofd of de directeur van de inrichting, en
- b. een afschrift van de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de veroordeelde.
Artikel 6:6:11, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6:6:34
Indien het gedrag van de veroordeelde daartoe aanleiding geeft of wijziging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige in het belang is van de ontwikkeling van de veroordeelde, kan de rechter, op vordering van het openbaar ministerie, beslissen dat de maatregel een andere invulling krijgt.
De rechter beslist slechts tot een andere invulling van de maatregel, nadat hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van de raad voor de kinderbescherming.
Artikel 77w, tweede lid, eerste volzin, en derde tot en met achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing op de beslissing tot wijziging van de maatregel, met dien verstande dat in het in artikel 77w, tweede lid, derde volzin, van dat wetboek bedoelde geval, voor de andere invulling van de maatregel advies wordt gevraagd van een gedragsdeskundige of van de reclasseringsinstelling die met de uitvoering van de maatregel is belast.
Artikel 6:6:35
Indien op grond van artikel 77wb van het Wetboek van Strafrecht vervangende jeugddetentie wordt toegepast en reeds een gedeelte van de maatregel ten uitvoer is gelegd, vermindert de duur van de vervangende jeugddetentie naar evenredigheid.
De artikelen 6:3:10 en 6:6:23 zijn van overeenkomstige toepassing.
De artikelen 6:3:15 en 6:6:20 zijn van overeenkomstige toepassing.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid kan de rechter op vordering van de officier van justitie de tijdelijke opneming in een justitiële jeugdinrichting bevelen in het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel meewerkt.
De tenuitvoerlegging van de tijdelijke opneming schorst de termijn van de maatregel. De maximale aaneengesloten duur van de tijdelijke opneming in de jeugdinrichting bedraagt vier weken. De tijdelijke opneming kan ten hoogste tweemaal tijdens de looptijd van de maatregel worden bevolen, ook in het geval waarin de maatregel is verlengd.
Artikel 6:6:36
Indien het gedrag van de veroordeelde daartoe aanleiding geeft en verlenging in het belang is van de ontwikkeling van de veroordeelde, kan de rechter de termijn van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige, op vordering van het openbaar ministerie, eenmaal verlengen voor ten hoogste dezelfde tijd als waarvoor de maatregel was opgelegd. Niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen, kan het openbaar ministerie een vordering indienen tot verlenging van de maatregel.
Een vordering als bedoeld in het eerste lid, die later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen, doch binnen een redelijke termijn is ingediend, is niettemin ontvankelijk, indien er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de verdere ontwikkeling van de veroordeelde de verlenging van de maatregel eist.
Bij de vordering worden overgelegd:
- a. een recent opgemaakt, met redenen omkleed advies, afkomstig van de raad voor de kinderbescherming;
- b. een afschrift van de aantekeningen omtrent het gedrag van de veroordeelde, afkomstig van de instelling of organisatie die belast is met de uitvoering van de maatregel.
In de beslissing omtrent de verlenging geeft de rechter aan waaruit de verlenging van de maatregel bestaat. De verlenging kan inhouden dat het programma waaraan de veroordeelde deelneemt wordt verlengd. De verlenging kan ook inhouden dat de veroordeelde deelneemt aan een door de rechter aan te wijzen programma in een daarbij aan te wijzen inrichting of dat de veroordeelde een door de rechter aan te wijzen ambulant programma zal volgen onder begeleiding van een in de beslissing aangewezen organisatie.
Artikel 77wa van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6:6:34 en 6:6:35 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6:6:37
De volgende beslissingen worden bij beschikking genomen, nadat de veroordeelde en indien deze minderjarig is, ook degenen die het gezag over hem uitoefenen, zijn gehoord of behoorlijk opgeroepen:
- a. de beslissing ter zake van verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
- b. de beslissing ter zake van verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
- c. de beslissing ter zake van tijdelijke opneming in een justitiële jeugdinrichting;
- d. de beslissing ter zake van verlenging van de termijn van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige.
Door vernummering vervallen.
Indien de rechter een beslissing, bedoeld in het eerste lid, onder b, overweegt, wordt het slachtoffer bedoeld in artikel 51e, tweede lid, in de gelegenheid gesteld een verklaring af te leggen, voor zover gedurende het onderzoek de voorwaarden waaronder een verlenging of beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting van jeugdigen kan worden opgelegd inhoudelijk worden besproken. De verklaring ziet uitsluitend op de voorwaarden die direct de belangen van het slachtoffer raken. De verklaring kan ook worden afgelegd door de personen, bedoeld in artikel 51e, derde, vierde, zevende en achtste lid.
Het openbaar ministerie en de veroordeelde kunnen beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen:
- a. de beslissingen, bedoeld in het eerste lid, onder a, b en d;
- b. de beslissing ter zake van terugplaatsing in een inrichting;
- c. de beslissing ter zake van omzetting van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in de maatregel tot terbeschikkingstelling.
De artikelen artikel 6:6:11, vierde lid, en 6:6:15 tot en met 6:6:17 zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 7. Gratie
Artikel 6:7:1
Gratie kan worden verzocht en verleend ter zake van door de Nederlandse strafrechter onherroepelijk opgelegde:
- a. hoofdstraffen en bijkomende straffen;
- b. maatregelen van onttrekking aan het verkeer, ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders en vrijheidsbeperking.
Gratie kan voorts worden verzocht en verleend ter zake van:
- a. een gevangenisstraf die door het Internationaal Strafhof is opgelegd wegens een misdrijf gericht tegen de rechtspleging van het Strafhof en waarvan de tenuitvoerlegging in Nederland geschiedt overeenkomstig artikel 67 of 68 van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof;
- b. een gevangenisstraf die krachtens een rechterlijke beslissing in een vreemde staat is opgelegd, en in Nederland ten uitvoer te leggen met toepassing van artikel 43 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen of na ongegrondverklaring van een bezwaarschrift ingediend krachtens artikel 35 van die wet;
- c. sancties opgelegd in een andere lidstaat van de Europese Unie en in Nederland ten uitvoer te leggen met toepassing van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie en de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties.
Geen gratie kan worden verleend van onvoorwaardelijke geldboeten tot en met een bedrag van € 340.
Artikel 6:7:2
Een verzoekschrift om gratie schort de tenuitvoerlegging of ingang van de straf waarvan gratie wordt verzocht en waarvan de tenuitvoerlegging nog niet is aangevangen, op in de gevallen, waarin het verzoek betrekking heeft op een onherroepelijk vonnis of arrest met een veroordeling tot:
- a. een vrijheidsstraf van zes maanden of minder;
- b. een vrijheidsstraf van zes maanden of minder die voorwaardelijk is opgelegd en waarvan de tenuitvoerlegging is bevolen ingevolge het niet naleven van een gestelde voorwaarde;
- c. een taakstraf.
Een verzoekschrift om gratie schort voorts de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel op in de gevallen, waarin een jaar na het onherroepelijk worden van de rechterlijke beslissing waarvan gratie wordt verzocht, de tenuitvoerlegging, anders dan op verzoek van de veroordeelde, nog niet is aangevangen.
Artikel 6:7:3
Artikel 6:7:2 blijft buiten toepassing indien:
- a. de veroordeelde ongeoorloofd afwezig is;
- b. de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen, hetzij uit hoofde van de rechterlijke beslissing waarbij de vrijheidsstraf waarvan gratie wordt verzocht werd opgelegd, hetzij uit anderen hoofde krachtens rechterlijke beslissing in Nederland of in een vreemde staat;
- c. het verzoekschrift om gratie betrekking heeft op een of meer straffen of maatregelen ten aanzien waarvan reeds eerder op een verzoekschrift om gratie is beschikt;
- d. het verzoekschrift wordt ingediend op het tijdstip dat de veroordeelde tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel zich bevindt op het grondgebied van een vreemde staat welke een Nederlands verzoek om zijn uitlevering in behandeling heeft genomen of met het oog daarop zijn voorlopige aanhouding heeft gelast;
- e. het verzoek betrekking heeft op straffen of maatregelen, waarvan de tenuitvoerlegging aan een vreemde staat is overgedragen.
Artikel 6:7:4
Onze Minister doet mededeling aan de veroordeelde van het ingaan van de opschorting van de tenuitvoerlegging die is verbonden aan het indienen van een verzoekschrift.
Indien een verzoekschrift om gratie van een vrijheidsstraf, van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege of van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is ingediend, zonder dat de wet daaraan de opschorting van de tenuitvoerlegging verbindt, kan Onze Minister niettemin bepalen dat de tenuitvoerlegging wordt opgeschort of geschorst zolang op het verzoek niet is beschikt. Hij doet daarvan mededeling aan de veroordeelde.
De opschorting of schorsing gaat in op het moment dat de veroordeelde kennis heeft gekregen van de mededeling, bedoeld in het eerste of het tweede lid. De opschorting of schorsing duurt totdat op het verzoekschrift is beslist.
Onze Minister draagt na de mededeling, bedoeld in het eerste of tweede lid, zorg dat de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel waarvan gratie is verzocht, wordt opgeschort of geschorst overeenkomstig de te dien aanzien geldende wettelijke voorschriften.
Artikel 6:7:5
Een verzoekschrift om gratie dat van een derde afkomstig is wordt buiten verdere behandeling gelaten, indien blijkt dat degene aan wie de straf of maatregel is opgelegd, niet met het verzoek instemt. Deze instemming is niet vereist voor een ambtshalve door het openbaar ministerie ingediend verzoekschrift om gratie.
Artikel 6:7:6
Verzoeken strekkende tot vermindering, verandering of kwijtschelding van andere door de Nederlandse strafrechter opgelegde maatregelen dan genoemd in artikel 6:7:1, eerste lid, onderdeel b, worden in handen gesteld van de autoriteit, die wettelijk bevoegd is de tenuitvoerlegging van die maatregelen te beëindigen of de daarbij opgelegde verplichtingen te wijzigen of te niet te doen, ten einde daarop te beslissen.
Artikel 6:7:7
Indien gunstig wordt beschikt op een verzoekschrift om gratie ter zake van een straf of maatregel, waarvan de tenuitvoerlegging reeds is aangevangen of voltooid, wordt het bedrag van de betaalde geldboete of van het reeds betaalde gedeelte van het door de rechter vastgestelde bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel teruggegeven.
Voorwerpen die verbeurd zijn verklaard of aan het verkeer zijn onttrokken, worden na een gunstige beslissing op een verzoekschrift om gratie van die straf of maatregel door de bewaarder teruggegeven. Artikel 119, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6:7:8
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in dit hoofdstuk. Deze nadere regels zien in elk geval op het tijdstip van de aanvang van de tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel 6:7:2.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Titel IIB. Rechtsplegingen in verband met de terbeschikkingstelling en de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis
Titel V. Geschillen over rechtsmacht
Titel V. Geschillen over rechtsmacht
Titel VI. Vervolging en berechting van rechtspersonen
§ 2. Bevelen uitgevaardigd door Nederland
§ 1. Europees bewijsverkrijgingsbevel uitgevaardigd door een andere lidstaat van de Europese Unie
§ 2. Europees bewijsverkrijgingsbevel uitgevaardigd door Nederland
Boek Vijfde. Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking
afdeling Eerste. Verzoeken om internationale rechtshulp in strafzaken
Titel 2. Internationale gemeenschappelijke onderzoeksteams
Titel 3. Overdracht en overname van strafvervolging
§ 2. Overdracht van strafvervolging door de officier van justitie
§ 1. Overname van strafvervolging door Onze Minister van Veiligheid en Justitie
§ 2. Overname van strafvervolging door de officier van justitie
Titel 5. Europees bevriezingsbevel
afdeling Tweede. Bevelen uitgevaardigd door Nederland
(Gereserveerd)
afdeling Derde. Erkenning en tenuitvoerlegging van Nederlandse bevelen tot schorsing van de voorlopige hechtenis in het buitenland
Boek 6. Tenuitvoerlegging
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
titel Vierde. Toezicht en aanhouding
titel Tweede. Aanvang, schorsing, beëindiging en tenuitvoerleggingstermijn
titel Vierde. Storting waarborgsom
Hoofdstuk 2. Vrijheidsbenemende straffen en maatregelen
titel Vierde. Storting waarborgsom
titel Eerste. Opneming, aanvang, onderbreking en invrijheidstelling
Artikel 6:2:13a
Voorwaardelijke invrijheidstelling kan geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien:
- a. er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat de veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- b. de veroordeelde een bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
De voorwaardelijke invrijheidstelling kan ook worden herroepen indien het gedrag van de veroordeelde, bedoeld in het eerste lid, zich heeft voorgedaan in de periode dat de proeftijd niet loopt op grond van artikel 6:1:18, derde lid.
De voorwaardelijke invrijheidstelling kan voorts worden herroepen indien de veroordeelde niet langer rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e of l, van de Vreemdelingenwet 2000.
Het openbaar ministerie ziet slechts af van de herroeping, indien naar zijn oordeel met het wijzigen van de voorwaarden of met een waarschuwing kan worden volstaan.
titel Tweede. Vrijheidsbenemende straffen en maatregelen
titel Vijfde. Maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen
Hoofdstuk 3. Vrijheidsbeperkende straffen, maatregelen en voorwaarden
titel Derde. Verpleging van overheidswege en terbeschikkingstelling
titel Derde. Vrijheidsbeperkende straffen, maatregelen en voorwaarden
titel Derde. Jeugd – taakstraf en gedragsbeïnvloedende maatregel
Hoofdstuk 4. Geldelijke straffen en maatregelen
titel Eerste. Inning van geldboetes en schadevergoedingsmaatregelen
titel Tweede. Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
titel Tweede. Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
titel Vierde. Storting waarborgsom
Hoofdstuk 5. Bijkomende straffen
Hoofdstuk 6. Rechterlijke beslissingen inzake de tenuitvoerlegging
titel Vierde. Storting waarborgsom
titel Tweede. Vrijheidsbenemende straffen en maatregelen
Artikel 6:6:10b
De rechter kan in afwijking van artikel 6:2:17, eerste lid, ten aanzien van een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege beëindigen onder de voorwaarde dat de vreemdeling Nederland verlaat en niet naar Nederland terugkeert.
De terbeschikkingstelling herleeft, indien de vreemdeling de voorwaarde niet naar Nederland terug te keren, bedoeld in het eerste lid en artikel 6:2:18, derde lid, niet naleeft. In dat geval kan de rechter een last tot hervatting van de verpleging van overheidswege geven. De termijn van de terbeschikkingstelling begint te lopen op het tijdstip waarop de vreemdeling is aangehouden. Indien tussen de datum van uitzetting van de veroordeelde en de datum van indiening van de vordering door het openbaar ministerie een periode van drie jaar of meer is gelegen, is artikel 37a, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing.
De terbeschikkingstelling die op grond van het tweede lid is herleefd, eindigt van rechtswege indien de officier van justitie een vordering als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend en de rechter deze heeft afgewezen.
titel Derde. Vrijheidsbeperkende straffen, maatregelen en voorwaarden
Artikel 6:6:22a
Het openbaar ministerie en de veroordeelde kunnen beroep in cassatie instellen tegen de beslissing van het gerechtshof, genomen op grond van artikel 6:6:22, eerste lid, onder b, voor zover deze deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit.
De artikelen 6:6:15, vierde lid, 6:6:16, eerste lid, en 6:6:17 zijn van overeenkomstige toepassing.
titel Vierde. Geldelijke straffen en maatregelen
titel Vijfde. Jeugd
Hoofdstuk 7. Gratie
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 5.5.14. (begripsbepalingen)
In deze afdeling wordt verstaan onder:
- a. Bevriezingsbevel: bevel als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van Verordening 2018/1805;
- b. Uitvaardigende autoriteit: de autoriteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel 8, subonderdeel a, van Verordening 2018/1805;
- c. Uitvoerende autoriteit: de autoriteit, bedoeld in artikel 2, onderdeel 9, van Verordening 2018/1805;
- d. Verordening 2018/1805: Verordening (EU) nr. 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (PbEU 2018, L 303/1).
Artikel 5.5.15. (inkomend bevriezingsbevel)
Een bevriezingsbevel van een uitvaardigende autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie die door Verordening 2018/1805 is gebonden, wordt door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd overeenkomstig die verordening.
Het bevriezingsbevel wordt ten uitvoer gelegd door inbeslagneming van voorwerpen, met overeenkomstige toepassing van de derde afdeling van titel IV van het Eerste Boek, tenzij in deze titel anders is bepaald.
Artikel 5.5.16. (weigeringsgronden)
De officier van justitie kan de erkenning of de tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel weigeren als één van de gronden, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Verordening 2018/1805, van toepassing is.
Artikel 5.5.17. (prioritering)
Indien de officier van justitie twee of meer bevelen tot bevriezing of confiscatie uit verschillende lidstaten ontvangt die zijn uitgevaardigd tegen dezelfde persoon of betrekking hebben op hetzelfde voorwerp, beslist de officier van justitie welk van de bevelen ten uitvoer moet worden gelegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 26 van Verordening 2018/1805.
Artikel 5.5.18. (rechtsmiddelen)
Belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over de beslissing van de officier van justitie tot erkenning en tenuitvoerlegging van een bevriezingsbevel. De artikelen 552a, 552c tot en met 552d, eerste lid en 552e, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter niet treedt in een onderzoek naar de grondslag van het bevriezingsbevel. Het beklag heeft geen schorsende werking.
Artikel 5.5.19. (uitgaand bevriezingsbevel)
De officier van justitie kan een bevel tot inbeslagneming van voorwerpen als bedoeld in artikel 94, eerste of tweede lid of artikel 94a, tweede lid, overeenkomstig Verordening 2018/1805 toezenden aan de uitvoerende autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie die door deze verordening is gebonden, met het oog op de erkenning en tenuitvoerlegging van dat bevel.
Het eerste lid is tevens van toepassing op een bevel tot inbeslagneming van voorwerpen als bedoeld in artikel 94a, vierde en vijfde lid, voor zover het bevel ziet op voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in artikel 94a, tweede lid, bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen.
Titel 6
(Gereserveerd)
Titel 6
titel Vijfde. Maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen
afdeling Tweede. Europees beschermingsbevel uitgevaardigd door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van de Europese Unie
Boek 6. Tenuitvoerlegging
Hoofdstuk 4. Geldelijke straffen en maatregelen
titel Eerste. Inning van geldboetes en schadevergoedingsmaatregelen
titel Tweede. Aanvang, schorsing, beëindiging en tenuitvoerleggingstermijn
titel Derde. Toezicht op de tenuitvoerlegging
Hoofdstuk 2. Vrijheidsbenemende straffen en maatregelen
titel Eerste. Opneming, aanvang, onderbreking en invrijheidstelling
titel Derde. Verpleging van overheidswege en terbeschikkingstelling
Hoofdstuk 3. Vrijheidsbeperkende straffen, maatregelen en voorwaarden
titel Derde. Vrijheidsbeperkende straffen, maatregelen en voorwaarden
titel Tweede. Gedragsaanwijzingen
titel Derde. Jeugd – taakstraf en gedragsbeïnvloedende maatregel
titel Vierde. Geldelijke straffen en maatregelen
Hoofdstuk 4. Geldelijke straffen en maatregelen
titel Tweede. Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
titel Derde. Bevel gijzeling
titel Vierde. Storting waarborgsom
Hoofdstuk 5. Bijkomende straffen
titel Eerste. Algemeen
titel Tweede. Vrijheidsbenemende straffen en maatregelen
titel Derde. Vrijheidsbeperkende straffen, maatregelen en voorwaarden
titel Vierde. Geldelijke straffen en maatregelen
titel Vierde. Geldelijke straffen en maatregelen
Hoofdstuk 7. Gratie
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 258a
De verdachte is verplicht in persoon op de terechtzitting te verschijnen indien hij zich in voorlopige hechtenis bevindt in verband met de zaak en het bevel voorlopige hechtenis niet is geschorst of indien hij zich in detentie bevindt in verband met een andere zaak dan die op de terechtzitting wordt behandeld. Deze verplichting betreft alleen de terechtzitting waarop de zaak inhoudelijk wordt behandeld en voor zover het een misdrijf betreft:
- a. dat wordt genoemd in artikel 51e, eerste lid, of
- b. dat wordt genoemd in de artikelen 141, eerste lid en tweede lid, onder 1°, 151f, tweede lid, 181, eerste en tweede lid, 182, eerste lid en tweede lid, onder 1°, 253, 290, 296, eerste en tweede lid of 301, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De voorzitter van de rechtbank kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie, op verzoek van de verdachte of van het slachtoffer beslissen dat de verplichte verschijning van de verdachte achterwege blijft in verband met zwaarwegende belangen van de verdachte, het slachtoffer of een van de andere procesdeelnemers dan wel in het geval geen van de procesdeelnemers de verplichte verschijning wenselijk of noodzakelijk vindt.
afdeling Eerste. Onderzoek op de terechtzitting
afdeeling Tweede. Onderzoek van de vordering van de benadeelde partij op de terechtzitting
Titel VII. Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de politierechter
Boek Derde. Rechtsmiddelen
A. Gewone rechtsmiddelen
B. Buitengewone rechtsmiddelen
Titel VII. Cassatie "in het belang der wet"
Titel VIII. Herziening van arresten en vonnissen
Boek Vierde. Eenige rechtsplegingen van bijzonderen aard
afdeling Tweede. Toepassing van de artikelen 38b, 38c, 38i, 38k of 38la, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht
Titel VI. Vervolging en berechting van rechtspersonen
Titel VIII. Bijzondere bepalingen omtrent opsporing van feiten, strafbaar gesteld bij het Wetboek van Strafrecht
Eerste afdeling A. Internationale gemeenschappelijke onderzoeksteams
§ 2a. Overname van strafvervolging door de officier van justitie
§ 2. Bevelen uitgevaardigd door Nederland
§ 1. Europees bewijsverkrijgingsbevel uitgevaardigd door een andere lidstaat van de Europese Unie
Titel 3. Overdracht en overname van strafvervolging
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)