Wet van 15 januari 1921

Type Wet
Publication 2026-01-01
Laatst bijgewerkt 2026-04-18
State In force
Source BWB
artikelen 1923
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

afdeling Tweede. Het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris

afdeeling Vijfde. Beslissingen omtrent vervolging

afdeling Eerste. Aanleiding tot het verrichten van onderzoekshandelingen

afdeeling Derde. Het verhoor van den verdachte

Vierde afdeling B. Toezeggingen aan getuigen die tevens verdachte zijn

Vierde Afdeling A. Bedreigde getuigen

Vierde Afdeling A. Bedreigde getuigen

Vierde afdeling D. Maatregelen tot bescherming van getuigen

Vierde afdeling B. Toezeggingen aan getuigen die tevens verdachte zijn

Vierde afdeling C. Toezeggingen aan getuigen die reeds veroordeeld zijn

Vierde Afdeling A. Bedreigde getuigen

Vierde afdeling D. Maatregelen tot bescherming van getuigen

Titel IV. Beslissingen omtrent verdere vervolging

Slotbepalingen betreffende het voorbereidend onderzoek

Titel IVa. Vervolging door een strafbeschikking

afdeling Achtste. Geen beroep in cassatie voor het openbaar ministerie

afdeling Zevende. Bevoegdheden van de raadsman

Titel IV. Beslissingen omtrent verdere vervolging

Titel VI. Behandeling van de zaak door de rechtbank

afdeling Derde. Waarborgen bij de oplegging

afdeeling Tweede. Onderzoek van de vordering van de benadeelde partij op de terechtzitting

afdeeling Tweede. Onderzoek van de vordering van de benadeelde partij op de terechtzitting

afdeeling Derde. Bewijs

afdeeling Vierde. Beraadslaging en uitspraak

Titel VII. Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de politierechter

Boek Derde. Rechtsmiddelen

A. Gewone rechtsmiddelen

Titel VIII. Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de kantonrechter

Titel V. Aanwenden van gewone rechtsmiddelen

B. Buitengewone rechtsmiddelen

Titel II. Hooger beroep van uitspraken

Titel II. Hooger beroep van uitspraken

Boek Vierde. Eenige rechtsplegingen van bijzonderen aard

Artikel 482

Vervallen

afdeling Tweede. Strafvordering in zaken betreffende personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt

Artikel 496a

Vervallen

afdeling Tweede. Strafvordering in zaken betreffende personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt

Afdeling Tweede. Herziening ten nadele van de gewezen verdachte

afdeling Tweede. Toepassing van de artikelen 38b, 38c, 38i, 38k of 38la, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht

TITEL IIC. Rechtsplegingen in verband met de plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

Titel IIA. Berechting van verdachten bij wie een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap wordt vermoed

Titel VI. Vervolging en berechting van rechtspersonen

afdeling Tweede. Toepassing van de artikelen 38b, 38c, 38i, 38k of 38la, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht

Titel IIIb. Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

Titel IID. Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast

Titel VIII. Bijzondere bepalingen omtrent opsporing van feiten, strafbaar gesteld bij het Wetboek van Strafrecht

afdeling Derde. Verplichtingen van de schipper

afdeling Derde. Opnamen van beeld, geluid of beeld en geluid als onderdeel van de verslaglegging en als wettig bewijsmiddel

§ 1. Algemene bepaling

§ 1a. Overdracht van strafvervolging door de officier van justitie

§ 2. Overname van strafvervolging door Onze Minister van Justitie

§ 2a. Overname van strafvervolging door de officier van justitie

Titel IX. Beklag

afdeling Zesde. Toepassing

afdeling Eerste. Algemene bepalingen

Boek Vijfde. Tenuitvoerlegging en kosten

Titel I. Tenuitvoerlegging

afdeling Tweede. Erkenning en tenuitvoerlegging van Nederlandse strafvorderlijke bevelen

afdeling Eerste. Verzoeken om internationale rechtshulp in strafzaken

afdeling Derde. Overdracht en overname van strafvervolging

afdeling Eerste. Bevriezingsbevel

afdeling Tweede. Europees bewijsverkrijgingsbevel

Titel II. Kosten

§ 2b. Overname van strafvervolging van een internationaal gerecht

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 509jbis

Vervallen

Artikel 509hh
1.

De officier van justitie is bevoegd de verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan een gedragsaanwijzing te geven in geval van verdenking van een strafbaar feit:

  • a. waardoor de openbare orde, gelet op de aard van het strafbare feit of de samenhang met andere strafbare feiten, dan wel de wijze waarop het strafbare feit is gepleegd, ernstig is verstoord, en waarbij grote vrees voor herhaling bestaat, dan wel
  • b. in verband waarmee vrees bestaat voor ernstig belastend gedrag van de verdachte jegens een persoon of personen, dan wel
  • c. in verband waarmee vrees bestaat voor gedrag van de verdachte dat herhaald gevaar voor goederen oplevert, dan wel
  • d. in verband waarmee vrees bestaat voor gedrag van de verdachte dat herhaald gevaar voor de gezondheid of het welzijn van een of meer dieren oplevert.
2.

De gedragsaanwijzing kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:

  • a. zich niet op te houden in een bepaald gebied,
  • b. zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen,
  • c. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar,
  • d. zich te doen begeleiden bij hulpverlening die van invloed kan zijn op het plegen van strafbare feiten door de verdachte,
  • e. geen of minder dieren te houden, dan wel bepaalde diersoorten niet te houden.
3.

De gedragsaanwijzing wordt schriftelijk aan de verdachte bekend gemaakt, onder vermelding van de datum van ingang en de periode gedurende welke de gedragsaanwijzing van kracht blijft, alsmede de redenen die tot de gedragsaanwijzing hebben geleid.

4.

De gedragsaanwijzing blijft maximaal 90 dagen van kracht dan wel, indien dit een kortere periode betreft, totdat het ter zake van het strafbare feit gewezen vonnis onherroepelijk is geworden. Wordt niet tijdig een onherroepelijk vonnis verkregen, dan kan de gedragsaanwijzing maximaal drie keer worden verlengd met een periode van maximaal 90 dagen. Verlenging is niet mogelijk indien tegen de verdachte geen vervolging is ingesteld. De rechter voor wie de verdachte gedagvaard is te verschijnen, kan de gedragsaanwijzing wijzigen. De rechter kan de gedragsaanwijzing opheffen indien hij van oordeel is dat niet of niet langer wordt voldaan aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden voor het geven van de gedragsaanwijzing.

5.

De verdachte kan tegen de gedragsaanwijzing en een verlenging daarvan in beroep komen bij de rechtbank, die zo spoedig mogelijk beslist. De verdachte kan zich door een raadsman laten bijstaan.

6.

De officier van justitie wijzigt de gedragsaanwijzing of trekt die in indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Titel IIA. Berechting van verdachten bij wie een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap wordt vermoed

Titel IIIb. Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

afdeling Derde. Verplichtingen van de schipper

Titel IID. Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast

Artikel 551a
1.

In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 138, 138a en 139 van het Wetboek van Strafrecht kan de officier van justitie, na een daartoe door de rechter-commissaris schriftelijk verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar alle personen die wederrechtelijk vertoeven op een plaats als in die artikelen bedoeld, alsmede alle voorwerpen die daar ter plaatse worden aangetroffen, verwijdert of doet verwijderen. De opsporingsambtenaar kan daartoe de desbetreffende plaats betreden.

2.

De machtiging van de rechter-commissaris wordt verleend op schriftelijke vordering van de officier van justitie. Bij dringende noodzaak kan de vordering van de officier van justitie mondeling worden gedaan. De officier van justitie stelt in dat geval de vordering zo spoedig mogelijk op schrift.

3.

De rechter-commissaris beslist binnen drie maal vierentwintig uur na de indiening van de vordering van de officier van justitie, bedoeld in het tweede lid. De personen, bedoeld in het eerste lid, worden zo mogelijk door de rechter-commissaris gehoord. Bij dringende noodzaak beslist de rechter-commissaris zonder de personen te hebben gehoord.

4.

Van een dringende noodzaak als bedoeld in het derde lid is in elk geval sprake in de situatie dat een verdachte van het misdrijf als omschreven in artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht:

5.

De beschikking van de rechter-commissaris is met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend en wordt onverwijld schriftelijk ter kennis gebracht van de officier van justitie en de personen, bedoeld in het eerste lid.

6.

Het bevel van de officier van justitie, bedoeld in het eerste lid, is dadelijk uitvoerbaar.

Tegen de beschikking van de rechter-commissaris staat voor de personen, bedoeld in het eerste lid, binnen veertien dagen na dagtekening van de beslissing hoger beroep open bij de rechtbank. Het hoger beroep heeft geen schorsende werking.

Titel IX. Beklag

afdeling Eerste. Algemeen

afdeling Derde. Verplichtingen van de schipper

afdeling Eerste. Algemeen

§ 1. Overdracht van strafvervolging door Onze Minister van Justitie

§ 4. Behandeling van de zaak in hoger beroep door het gerechtshof

§ 2. Overname van strafvervolging door Onze Minister van Justitie

Titel VII. Rechterlijke bevelen tot handhaving der openbare orde

afdeling Tweede. Feiten begaan aan boord van luchtvaartuigen

afdeling Derde. Verplichtingen van de schipper

Boek Vijfde. Tenuitvoerlegging en kosten

Titel XI. Wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van strafvorderlijke bevelen

afdeling Tweede. Europees bewijsverkrijgingsbevel

Eerste afdeling A. Internationale gemeenschappelijke onderzoeksteams

afdeeling Eerste. Algemeene bepalingen

afdeling Eerste. Overdracht van strafvervolging

afdeling Eerste. Overdracht van strafvervolging

afdeling Eerste. Algemene bepalingen

Titel II. Kosten

§ 3. Overname van strafvervolging van een internationaal gerecht

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

afdeling Eerste. Rechten van het slachtoffer

afdeeling Derde. Bevoegdheden van den raadsman betreffende het verkeer met den verdachte en de kennisneming van processtukken

Artikel 51g
1.

Bij de mededeling op grond van artikel 51ac, tweede lid, dat vervolging tegen een verdachte wordt ingesteld, zendt de officier van justitie een formulier voor voeging toe. Voor de aanvang van de terechtzitting geschiedt de voeging door een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust, bij de officier van justitie die met de vervolging van het strafbare feit is belast. Deze opgave vindt plaats door middel van een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie vastgesteld formulier of een elektronische voorziening, als bedoeld in artikel 51ac, achtste lid.

2.

De officier van justitie doet van de voeging zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de verdachte en, in het in het vierde lid bedoelde geval, aan diens ouders of voogd.

3.

Ter terechtzitting geschiedt de voeging door de opgave, bedoeld in het eerste lid, bij de rechter uiterlijk voordat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld overeenkomstig artikel 311 het woord te voeren. Deze opgave kan ook mondeling worden gedaan.

4.

Indien de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft op een als doen te beschouwen gedraging van een verdachte die de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt en aan wie deze gedraging als een onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan, wordt zij geacht te zijn gericht tegen diens ouders of voogd.

Artikel 51h
1.

Het openbaar ministerie bevordert dat de politie in een zo vroeg mogelijk stadium het slachtoffer en de verdachte mededeling doet van de mogelijkheden tot herstelrechtvoorzieningen waaronder bemiddeling.

2.

Indien een bemiddeling tussen het slachtoffer en de verdachte tot een overeenkomst heeft geleid, houdt de rechter, indien hij een straf en maatregel oplegt, daarmee rekening.

3.

Het openbaar ministerie bevordert bemiddeling tussen het slachtoffer en de verdachte of veroordeelde, nadat het zich ervan heeft vergewist dat dit de instemming heeft van het slachtoffer.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld betreffende herstelrechtvoorzieningen waaronder bemiddeling tussen het slachtoffer en de verdachte of tussen het slachtoffer en de veroordeelde.

Titel IIIA. Het slachtoffer

Titel IV. Eenige bijzondere dwangmiddelen

afdeling Tweede. Schadevergoeding

afdeeling Tweede. Voorloopige hechtenis

§ 1. Bevelen tot voorloopige hechtenis

§ 2. Het hooren van den in voorloopige hechtenis gestelden verdachte

§ 2. Het hooren van den in voorloopige hechtenis gestelden verdachte

§ 3. Inhoud der bevelen en hunne beteekening

Tweede afdeling A. Schadevergoeding

afdeeling Derde. Inbeslagneming

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2a. Inbeslagneming op grond van artikel 94a

§ 2a. Inbeslagneming op grond van artikel 94a

afdeeling Vierde. Handhaving der orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen

afdeeling Vierde. Handhaving der orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen

Titel IVA. Bijzondere bevoegdheden tot opsporing

afdeling Vierde. Stelselmatige inwinning van informatie

afdeling Zesde

afdeling Zevende. Onderzoek van communicatie door middel van geautomatiseerde werken

Titel V. Bijzondere bevoegdheden tot opsporing voor het onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband

Titel V. Bijzondere bevoegdheden tot opsporing voor het onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband

afdeling Tweede. Burgerinfiltratie

afdeling Derde. Burgerpseudo-koop of -dienstverlening

afdeling Tweede. Stelselmatige observatie, pseudo-koop of -dienstverlening, stelselmatige inwinning van informatie, bevoegdheden in een besloten plaats en infiltratie

Titel VC. Bijstand aan opsporing van terroristische misdrijven door burgers

Titel VC. Bijstand aan opsporing van terroristische misdrijven door burgers

Titel VC. Bijstand aan opsporing van terroristische misdrijven door burgers

Boek Tweede. Strafvordering in eersten aanleg

afdeling Vierde. Technische hulpmiddelen

afdeling Vierde. Technische hulpmiddelen

Titel II. De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken

Titel III. Gang van het gerechtelijk vooronderzoek

Vierde Afdeling A. Bedreigde getuigen

Vierde Afdeling A. Bedreigde getuigen

Vierde afdeling E. Afgeschermde getuigen

Vierde afdeling B. Toezeggingen aan getuigen die tevens verdachte zijn

Titel IV. Beslissingen omtrent verdere vervolging

Slotbepalingen betreffende het voorbereidend onderzoek

Titel IVa. Vervolging door een strafbeschikking

afdeling Achtste. Geen beroep in cassatie voor het openbaar ministerie

Titel V. Aanhangig maken der zaak ter terechtzitting

Titel V. Aanhangig maken der zaak ter terechtzitting

afdeling Vijfde. Het doen van verzet

afdeeling Tweede. Onderzoek van de vordering van de benadeelde partij op de terechtzitting

Tweede Afdeling A. Verklaring van het slachtoffer of diens nabestaande op de terechtzitting

afdeeling Derde. Bewijs

Tweede Afdeling A. Verklaring van het slachtoffer of diens nabestaande op de terechtzitting

Titel VIII. Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de kantonrechter

Boek Derde. Rechtsmiddelen

A. Gewone rechtsmiddelen

B. Buitengewone rechtsmiddelen

Titel III. Beroep in cassatie van uitspraken

Boek Vierde. Eenige rechtsplegingen van bijzonderen aard

Titel VIII. Herziening van arresten en vonnissen

Artikel 482

Vervallen

Afdeling Eerste. Herziening ten voordele van de gewezen verdachte

Afdeling Eerste. Herziening ten voordele van de gewezen verdachte

Artikel 496a
1.

Indien de ouders of voogd van een van misdrijf verdachte minderjarige in gebreke blijven op de terechtzitting te verschijnen beveelt het gerecht de aanhouding van de zaak tegen een bepaalde dag en beveelt het tevens hun oproeping. Het gerecht stelt voorafgaand aan zijn beslissing de verdachte, de officier van justitie en het slachtoffer dat ter terechtzitting aanwezig is, in de gelegenheid zich uit te laten over de wenselijkheid van aanhouding.

2.

Het gerecht kan bij het bevel tot oproeping een bevel tot medebrenging verlenen, indien het de aanwezigheid van een of beide ouders dan wel de voogd bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting noodzakelijk acht. Het gerecht kan dit bevel ook geven in het geval van de behandeling van de zaak van een van overtreding verdachte minderjarige.

3.

Het gerecht kan slechts bevelen dat het onderzoek niet wordt aangehouden, en dat een bevel tot medebrenging niet wordt verleend indien:

  • b. de ouders of voogd geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland hebben, of
  • c. de aanwezigheid van een of beide ouders niet in het belang van de minderjarige wordt geacht.

Afdeling Tweede. Herziening ten nadele van de gewezen verdachte

afdeling Tweede. Strafvordering in zaken betreffende personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt

afdeling Tweede. Toepassing van de artikelen 38b, 38c, 38i, 38k of 38la, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht

Titel IV. Wraking en verschoning van rechters

Titel IIB. Rechtsplegingen in verband met de terbeschikkingstelling en de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis

Titel III. Vervolging en berechting van rechterlijke ambtenaren

Titel IV. Wraking en verschoning van rechters

afdeling Derde. Opnamen van beeld, geluid of beeld en geluid als onderdeel van de verslaglegging en als wettig bewijsmiddel

afdeling Tweede. Feiten begaan aan boord van luchtvaartuigen

§ 1. Overdracht van strafvervolging door Onze Minister van Justitie

§ 1a. Overdracht van strafvervolging door de officier van justitie

§ 1. Overdracht van strafvervolging door Onze Minister van Justitie

§ 2a. Overname van strafvervolging door de officier van justitie

Titel VII. Rechterlijke bevelen tot handhaving der openbare orde

afdeling Eerste. Erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvorderlijke bevelen

Boek Vijfde. Tenuitvoerlegging en kosten

Titel I. Tenuitvoerlegging

Eerste afdeling A. Internationale gemeenschappelijke onderzoeksteams

afdeling Tweede. Feiten begaan aan boord van luchtvaartuigen

afdeling Derde. Overdracht en overname van strafvervolging

afdeeling Vierde. Rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen

afdeling Tweede. Europees bewijsverkrijgingsbevel

Titel XI. Wederzijdse erkenning

§ 1. Bevelen uitgevaardigd door een andere lidstaat van de Europese Unie

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 126fa
1.

Behoudens in de gevallen, bedoeld in artikel 126f, vierde lid, kan op vordering van de officier van justitie een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld of heropend, indien een einduitspraak op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht is gedaan.

2.

De officier van justitie sluit het onderzoek zodra de uitspraak in kracht van gewijsde gaat.

afdeeling Vierde. Handhaving der orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen

afdeling Eerste. Stelselmatige observatie

afdeling Tweede. Infiltratie

Titel V. Bijzondere bevoegdheden tot opsporing voor het onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband

afdeling Tweede. Burgerinfiltratie

Titel VB. Bijzondere bevoegdheden tot opsporing van terroristische misdrijven

afdeling Tweede. Stelselmatige observatie, pseudo-koop of -dienstverlening, stelselmatige inwinning van informatie, bevoegdheden in een besloten plaats en infiltratie

Titel VA. Bijstand aan opsporing door burgers

afdeling Eerste. Verzoek informatie in te winnen

Titel VI. Beteekenis van sommige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen

Boek Tweede. Strafvordering in eersten aanleg

afdeeling Tweede. De officieren van justitie

afdeeling Vierde. Aangiften en klachten

Titel I. Het opsporingsonderzoek

Titel III. Gang van het gerechtelijk vooronderzoek

afdeeling Derde. Het verhoor van den verdachte

afdeling Tweede. Het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris

Vierde afdeling B. Toezeggingen aan getuigen die tevens verdachte zijn

afdeeling Vierde. Het verhoor van den getuige

afdeeling Vierde. Het verhoor van den getuige

Vierde afdeling B. Toezeggingen aan getuigen die tevens verdachte zijn

Titel IV. Beslissingen omtrent verdere vervolging

Slotbepalingen betreffende het voorbereidend onderzoek

Titel IV. Beslissingen omtrent verdere vervolging

afdeling Zevende. Bevoegdheden van de raadsman

afdeling Achtste. Geen beroep in cassatie voor het openbaar ministerie

Titel V. Aanhangig maken der zaak ter terechtzitting

Titel VI. Behandeling van de zaak door de rechtbank

afdeling Vierde. Uitreiken en toezenden van de strafbeschikking

afdeeling Tweede. Onderzoek van de vordering van de benadeelde partij op de terechtzitting

afdeeling Tweede. Onderzoek van de vordering van de benadeelde partij op de terechtzitting

afdeeling Derde. Bewijs

A. Gewone rechtsmiddelen

Titel I. Verzet tegen einduitspraken

Titel I. Verzet tegen einduitspraken

Titel IV. Hooger beroep en beroep in cassatie van beschikkingen. Bezwaarschriften

B. Buitengewone rechtsmiddelen

Boek Vierde. Eenige rechtsplegingen van bijzonderen aard

Artikel 482

Vervallen

afdeling Eerste. Algemene bepalingen

Afdeling Eerste. Herziening ten voordele van de gewezen verdachte

Afdeling Tweede. Herziening ten nadele van de gewezen verdachte

Titel IIA. Berechting van verdachten bij wie een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt vermoed

Titel IIIa. Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren

Titel IV. Wraking en verschoning van rechters

Titel IID. Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast

Titel IV. Wraking en verschoning van rechters

afdeling Eerste. Algemeen

afdeling Tweede. Toepassing van enige bijzondere dwangmiddelen

§ 4. Behandeling van de zaak in hoger beroep door het gerechtshof

§ 1. Overdracht van strafvervolging door Onze Minister van Justitie

§ 1. Bevelen uitgevaardigd door een andere lidstaat van de Europese Unie

Titel X. Internationale rechtshulp

afdeling Tweede. Europees bewijsverkrijgingsbevel

Boek Vijfde. Tenuitvoerlegging en kosten

Titel IX. Beklag

afdeling Derde. Verzoeken tot rechtshulp gericht aan Nederland

Artikel 577ba
1.

Bij gebreke van volledige betaling binnen de ingevolge artikel 561, tweede lid, bedoelde termijn kan krachtens een met redenen omklede machtiging van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie, een onderzoek worden ingesteld naar het vermogen van de veroordeelde.

2.

Het onderzoek is gericht op de vaststelling van de omvang van het vermogen van de veroordeelde waarop verhaal kan worden genomen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de maatregel, bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

3.

De vordering is met redenen omkleed en vermeldt de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, het bedrag dat de veroordeelde ter voldoening daarvan reeds heeft betaald en of er een vordering als bedoeld in artikel 577b, tweede lid, is gedaan.

4.

De rechter-commissaris verleent de machtiging, bedoeld in het eerste lid, indien:

  • a. de hoogte van de resterende betalingsverplichting van aanzienlijk belang is, en;
  • b. er aanwijzingen bestaan dat aan de veroordeelde voorwerpen toebehoren waarop krachtens artikel 577b verhaal kan worden genomen.
5.

De machtiging geldt voor ten hoogste zes maanden en kan op vordering van de officier van justitie telkens met een zelfde duur worden verlengd, totdat de maximale duur van twee jaren is bereikt.

6.

De rechter-commissaris waakt tegen nodeloze vertraging van het onderzoek. De officier van justitie verschaft eigener beweging of op verzoek van de rechter-commissaris de benodigde inlichtingen.

7.

Indien de officier van justitie oordeelt dat het onderzoek is voltooid of dat er voor de voortzetting daarvan geen grond bestaat, sluit hij het onderzoek bij schriftelijk gedagtekende beschikking. Een afschrift van de beschikking wordt aan de veroordeelde tegen wie het onderzoek was gericht betekend. De officier van justitie stelt de rechter-commissaris van het eindigen van het onderzoek op de hoogte.

8.

Het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde eindigt voorts:

  • a. indien de geldigheidsduur van een ingevolge het eerste lid verleende machtiging is verstreken;
  • b. indien de veroordeelde alsnog aan diens betalingsverplichting heeft voldaan.
Artikel 577bb
1.

Ten behoeve van het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde is de opsporingsambtenaar bevoegd, bij bevel daartoe van de officier van justitie, in het belang van het onderzoek:

  • a. van eenieder te vorderen op te geven of, en zo ja welke, vermogensbestanddelen hij onder zich heeft of heeft gehad, die toebehoren of hebben toebehoord aan degene tegen wie het onderzoek is gericht;
  • b. van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, te vorderen bepaalde opgeslagen of vastgelegde identificerende gegevens, in de zin van artikel 126nc, tweede lid, van een persoon te verstrekken;
  • c. aan iedere aanbieder van een communicatiedienst een vordering te doen gegevens te verstrekken terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruik van een communicatiedienst in de zin van artikel 138g;
  • d. een persoon stelselmatig te volgen of stelselmatig de aanwezigheid of het gedrag van een persoon waar te nemen;
  • e. zonder toestemming van de rechthebbende een besloten plaats, niet zijnde een woning, te betreden dan wel een technisch hulpmiddel aan te wenden teneinde die plaats op te nemen, aldaar sporen veilig te stellen of aldaar een technisch hulpmiddel te plaatsen teneinde de aanwezigheid of verplaatsing van een goed vast te kunnen stellen.
2.

Op de vordering bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is artikel 126a, derde en vijfde lid van overeenkomstige toepassing.

3.

Op de vordering bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is artikel 126nc, derde tot en met vijfde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

4.

De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat bij de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder d, een technisch hulpmiddel kan worden aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie wordt opgenomen. Een technisch hulpmiddel wordt niet op een persoon bevestigd, tenzij met diens toestemming.

5.

De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat bij de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder d, een besloten plaats, niet zijnde een woning, kan worden betreden zonder toestemming van de rechthebbende.

6.

Op het bevel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, is artikel 126g, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

7.

De opsporingsambtenaar kan in afwachting van de komst van de deurwaarder de maatregelen nemen die redelijkerwijs nodig zijn om voor verhaal vatbare voorwerpen veilig te stellen. Deze maatregelen kunnen de vrijheid van personen die zich ter plaatse bevinden beperken.

Artikel 577bc
1.

Een bevel van de officier van justitie als bedoeld in artikel 577bb alsmede een wijziging, aanvulling, verlenging of intrekking daarvan, wordt schriftelijk gegeven. Aan een schriftelijk bevel staat gelijk een mondeling bevel dat onverwijld op schrift is gesteld.

2.

Een bevel kan worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of ingetrokken.

3.

Het bevel vermeldt:

  • a. de naam van de veroordeelde;
  • b. de geldigheidsduur van het bevel;
  • c. voor zover nodig, de wijze waarop aan het bevel toepassing wordt gegeven.
4.

Indien een besloten plaats wordt betreden, vermeldt het bevel voorts:

  • a. de plaats waarop het bevel betrekking heeft;
5.

De opsporingsambtenaar maakt van de uitvoering van het bevel proces-verbaal op. Het proces-verbaal vermeldt:

  • a. de gegevens, bedoeld in het derde en vierde lid;
  • b. de wijze waarop aan het bevel uitvoering is gegeven;
  • c. de gegevens die naar aanleiding van een bevel of op een vordering zijn verstrekt;
  • d. de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat aan de voorwaarden genoemd in artikel 577bb is voldaan.
6.

Indien een bevel mondeling is gegeven en een wijziging, aanvulling, verlenging of intrekking van een bevel, als bedoeld in het tweede lid, niet op schrift is gesteld, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.

Artikel 577bd
1.

De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.

3.

De officier van justitie doet van de verstrekking van gegevens proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:

  • b. de naar aanleiding van de vordering verstrekte gegevens;
  • c. de reden waarom de gegevens in het belang van het onderzoek worden gevorderd.
4.

De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat een vordering als bedoeld in het eerste lid, betrekking kan hebben op gegevens die eerst na het tijdstip van de vordering worden verwerkt. De periode waarover de vordering zich uitstrekt is maximaal vier weken en kan telkens met maximaal vier weken worden verlengd. De officier van justitie vermeldt deze periode in de vordering. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

5.

Indien een vordering betrekking heeft op gegevens die na het tijdstip van de vordering worden verwerkt, wordt de vordering beëindigd zodra de verwerking niet meer in het belang van het onderzoek is. Van een wijziging, aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering doet de officier van justitie proces-verbaal opmaken.

6.

De officier van justitie kan indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert bepalen dat degene tot wie de vordering is gericht de gegevens direct na de verwerking verstrekt, dan wel telkens binnen een bepaalde periode na de verwerking verstrekt. De officier van justitie behoeft hiervoor voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris.

7.

De officier van justitie kan indien het belang van het onderzoek dit vordert bij of terstond na de toepassing van het eerste of het vierde lid, degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de in het eerste en vierde lid bedoelde gegevens, bevelen medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door de versleuteling ongedaan te maken dan wel deze kennis ter beschikking te stellen. Dit bevel wordt niet gegeven aan de veroordeelde. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 577be
1.

De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken over een gebruiker van een communicatiedienst en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker in de zin van artikel 138h.

3.

De officier van justitie doet van de vordering, bedoeld in het eerste lid, proces-verbaal opmaken, waarin worden vermeld:

  • a. de naam van de veroordeelde;
  • b. indien bekend, de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de persoon omtrent wie gegevens worden gevorderd;
  • c. de gegevens die worden gevorderd;
  • d. indien de vordering betrekking heeft op gegevens die na het tijdstip van de vordering worden verwerkt, de periode waarover de vordering zich uitstrekt.
4.

Artikel 126n, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 577bf
1.

De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek aan een opsporingsambtenaar bevelen dat met een technisch hulpmiddel niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst, in de zin van artikel 138g, wordt opgenomen.

2.

Het bevel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden gegeven na voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. De artikelen 126m, derde en vierde lid, en 126ma zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

Het bevel wordt gegeven voor een duur van ten hoogste vier weken. Naast de gegevens bedoeld in artikel 577bc, derde lid, vermeldt het bevel:

  • a. zo mogelijk het nummer of een andere aanduiding waarmee de individuele gebruiker van de communicatiedienst wordt geïdentificeerd, en:
  • b. voor zover bekend, de naam en het adres van de gebruiker, en:
  • c. de aard van het technisch hulpmiddel of de technische hulpmiddelen waarmee de communicatie wordt opgenomen.
4.

De officier van justitie kan, indien de in het eerste lid bedoelde communicatie wordt opgenomen, indien het belang van het onderzoek dit vordert, tot degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de communicatie, de vordering richten medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door hetzij deze kennis ter beschikking te stellen, hetzij de versleuteling ongedaan te maken. De vordering wordt niet gericht tot de veroordeelde. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

5.

De vordering, bedoeld in het vierde lid, kan slechts worden gedaan na voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris.

6.

Artikel 577bc, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 577bg
1.

Indien het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde is geëindigd, zijn de artikelen 126bb en 126dd van overeenkomstige toepassing.

2.

Zodra twee maanden zijn verstreken nadat het onderzoek is geëindigd en aan de betrokkenen mededeling, bedoeld in artikel 126bb is gedaan, draagt de officier van justitie ervoor zorg dat processen-verbaal en voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend en die zijn verkregen met toepassing van de in de artikelen 577ba tot en met 577bf genoemde bevoegdheden, worden vernietigd. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt.

Derde afdeling A. Gijzeling

afdeling Tweede. Europees bewijsverkrijgingsbevel

afdeling Eerste. Bevriezingsbevel

Titel 4. Europees onderzoeksbevel

§ 1. Bevelen uitgevaardigd door een andere lidstaat van de Europese Unie

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 146a

Ter plaatse waar en binnen de grenzen binnen welke zij bevoegd zijn tot opsporing, zijn hulpofficier van justitie:

  • a. de door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;
  • b. de officieren van de Koninklijke marechaussee;
  • c. de door Onze Minister van Veiligheid en Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen onderofficieren van de Koninklijke marechaussee;
Artikel 149a
1.

De officier van justitie is tijdens het opsporingsonderzoek verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken.

2.

Tot de processtukken behoren alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens het bepaalde in artikel 149b.

3.

In de processtukken en in stukken waarvan de kennisneming ingevolge dit wetboek wordt toegestaan blijven in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen bepaalde daarin aan te wijzen gegevens in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer onvermeld, tenzij deze gegevens voor door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn.

4.

Van een processtuk in elektronische vorm kan de integriteit worden nagegaan doordat iedere wijziging daarvan kan worden vastgesteld.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gesteld over de wijze waarop de processtukken worden samengesteld en ingericht.

6.

De voordracht voor een krachtens het derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 149b
1.

De officier van justitie is bevoegd, indien hij dit met het oog op de in artikel 187d, eerste lid, vermelde belangen noodzakelijk acht, de voeging van bepaalde stukken of gedeelten daarvan bij de processtukken achterwege te laten. Hij behoeft daartoe een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de rechter-commissaris. De vordering en de beschikking worden bij de processtukken gevoegd.

2.

De officier van justitie doet van de toepassing van het eerste lid en, voor zover de in artikel 187d, eerste lid, vermelde belangen dat toelaten, de redenen waarom, proces-verbaal opmaken. Dit proces-verbaal wordt bij de processtukken gevoegd.

3.

Zolang de zaak niet is geëindigd, bewaart de officier van justitie de in het eerste lid bedoelde stukken.

Artikel 151da
1.

Het verbod om genetische gegevens te verwerken is niet van toepassing, indien in het belang van het onderzoek een DNA-onderzoek wordt verricht dat gericht is op het vaststellen van verwantschap. De officier van justitie kan bevelen dat een zodanig DNA-onderzoek wordt verricht. Ingeval het DNA-onderzoek verricht wordt met behulp van de DNA-profielen, die overeenkomstig dit wetboek of een andere wet verwerkt zijn, kan het bevel slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie. Artikel 151a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

Celmateriaal dat ingevolge dit wetboek, of een andere wet is afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van een DNA-profiel, mag worden gebruikt voor het vaststellen van verwantschap. Celmateriaal van een derde kan, behoudens het geval, bedoeld in de volgende volzin, slechts met zijn schriftelijke toestemming worden afgenomen en gebruikt voor het vaststellen van verwantschap. Ingeval een derde minderjarig is en vermoed wordt dat hij voorwerp is van een misdrijf als omschreven in artikel 197a, 241, 243 en 245 tot en met 250, 256, 273f, 278, 287, 289, 290 of 291 van het Wetboek van Strafrecht, kan in het belang van het onderzoek celmateriaal bij de derde op bevel van de officier van justitie na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris worden afgenomen en gebruikt voor het vaststellen van verwantschap.

3.

Het DNA-onderzoek kan slechts worden verricht in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld en een van de misdrijven omschreven in de artikelen 109, 110, 141, tweede lid, onder 1°, 181, onder 2°, 182, 241, eerste lid, en 245, eerste lid, 281, eerste lid, onder 1°, 290, 300, tweede en derde lid, en 301, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 151a, eerste lid, leidt tot het vaststellen van verwantschap, kan de officier van justitie dit resultaat in het opsporingsonderzoek gebruiken.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van uitvoering van het DNA-onderzoek.

afdeeling Vierde. Aangiften en klachten

afdeeling Eerste. Algemeene bepalingen

Titel II. De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken

Titel III. Onderzoek door de rechter-commissaris

Artikel 195g
1.

Het verbod om genetische gegevens te verwerken is niet van toepassing, indien in het belang van het onderzoek een DNA-onderzoek wordt verricht dat gericht is op het vaststellen van verwantschap. De rechter-commissaris kan bevelen dat een zodanig DNA-onderzoek wordt verricht. Artikel 195a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

Celmateriaal dat ingevolge dit wetboek, of een andere wet is afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van een DNA-profiel, mag worden gebruikt voor het vaststellen van verwantschap. Celmateriaal van een derde kan, behoudens het geval, bedoeld in de volgende volzin, slechts met zijn schriftelijke toestemming worden afgenomen en gebruikt voor het vaststellen van verwantschap. Ingeval een derde minderjarig is en vermoed wordt dat hij voorwerp is van een misdrijf als omschreven in artikel 197a, 241, 243 en 245 tot en met 250256, 273f, 278, 287, 289, 290 of 291 van het Wetboek van Strafrecht, kan in het belang van het onderzoek celmateriaal bij de derde op bevel van de rechter-commissaris worden afgenomen en gebruikt voor het vaststellen van verwantschap.

3.

Het DNA-onderzoek kan slechts worden verricht in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld en een van de misdrijven omschreven in de artikelen 109, 110, 141, tweede lid, onder 1°, 181, onder 2°, 182, 241, eerste lid, en 245, eerste lid, 281, eerste lid, onder 1°, 290, 300, tweede en derde lid, en 301, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 195a, eerste lid, leidt tot het vaststellen van verwantschap, kan de rechter-commissaris dit resultaat gebruiken bij onderzoekshandelingen die hij uit hoofde van de artikelen 181 tot en met 183 verricht.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van uitvoering van het DNA-onderzoek.

afdeeling Derde. Het verhoor van den verdachte

afdeeling Vierde. Het verhoor van den getuige

afdeeling Derde. Het verhoor van den verdachte

Vierde afdeling C. Toezeggingen aan getuigen die reeds veroordeeld zijn

Vierde afdeling C. Toezeggingen aan getuigen die reeds veroordeeld zijn

afdeeling Vijfde. Deskundigen

Vierde Afdeling A. Bedreigde getuigen

Vierde afdeling C. Toezeggingen aan getuigen die reeds veroordeeld zijn

Titel IV. Beslissingen omtrent verdere vervolging

Slotbepalingen betreffende het voorbereidend onderzoek

Titel IVa. Vervolging door een strafbeschikking

afdeeling Vijfde. Deskundigen

afdeling Zesde. De behandeling van het verzet

Artikel 262a
1.

In geval van onbevoegdverklaring of buitenvervolgingstelling staat voor het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de beschikking hoger beroep bij het gerechtshof en daarna beroep in cassatie open.

2.

Tegen de beschikking van het gerechtshof staat voor de verdachte binnen veertien dagen na de betekening van die beschikking beroep in cassatie open.

3.

Het gerechtshof en de Hoge Raad beslissen zo spoedig mogelijk.

Titel IVa. Vervolging door een strafbeschikking

afdeling Eerste. De strafbeschikking

afdeeling Tweede. Onderzoek van de vordering van de benadeelde partij op de terechtzitting

afdeeling Tweede. Onderzoek van de vordering van de benadeelde partij op de terechtzitting

afdeeling Tweede. Onderzoek van de vordering van de benadeelde partij op de terechtzitting

afdeeling Tweede. Onderzoek van de vordering van de benadeelde partij op de terechtzitting

A. Gewone rechtsmiddelen

Titel VIII. Bijzondere bepalingen voor het rechtsgeding voor de kantonrechter

B. Buitengewone rechtsmiddelen

Boek Vierde. Eenige rechtsplegingen van bijzonderen aard

Artikel 482

Vervallen

Titel VIII. Herziening van arresten en vonnissen

Afdeling Eerste. Herziening ten voordele van de gewezen verdachte

Afdeling Tweede. Herziening ten nadele van de gewezen verdachte

Titel III. Vervolging en berechting van rechterlijke ambtenaren

Titel VIb. Strafvordering buiten het rechtsgebied van een rechtbank

afdeling Tweede. Toepassing van enige bijzondere dwangmiddelen

Titel X. Innovatie van verschillende onderwerpen

afdeling Vierde. Bevoegdheden van de hulpofficier van justitie

§ 1a. Overdracht van strafvervolging door de officier van justitie

§ 2. Bevelen uitgevaardigd door Nederland

§ 2. Overname van strafvervolging door Onze Minister van Justitie

Titel VIII. Bijzondere bepalingen omtrent opsporing van feiten, strafbaar gesteld bij het Wetboek van Strafrecht

afdeling Eerste. Erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvorderlijke bevelen

Boek Vijfde. Tenuitvoerlegging en kosten

Titel X. Internationale rechtshulp

afdeling Eerste. Algemene bepalingen

afdeling Eerste. Verzoeken om internationale rechtshulp in strafzaken

Eerste afdeling A. Internationale gemeenschappelijke onderzoeksteams

Artikel 572a

De officier van justitie kan van een ieder vorderen de gegevens te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van een vonnis, een arrest of een strafbeschikking houdende veroordeling tot geldboete of tot een maatregel als bedoeld in de artikelen 36e en 36f van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Derde afdeling A. Gijzeling

afdeling Eerste. Bevriezingsbevel

afdeling Eerste. Het Europees onderzoeksbevel

Titel II. Kosten

§ 1. Europees bewijsverkrijgingsbevel uitgevaardigd door een andere lidstaat van de Europese Unie

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 552iia

Vervallen

Artikel 552iib

Vervallen

Artikel 552iic

Vervallen

Artikel 552iid

Vervallen

Artikel 552iie

Vervallen

Boek Vijfde. Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking

Titel 1. Internationale rechtshulp in strafzaken

afdeling Vierde. Feiten begaan aan boord van luchtvaartuigen

afdeling Eerste. Bevriezingsbevel

afdeling Tweede. Europees bewijsverkrijgingsbevel

afdeling Tweede. Uitvoering van een Europees onderzoeksbevel

Titel II. Kosten

§ 2. Europees bewijsverkrijgingsbevel uitgevaardigd door Nederland

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 464a
1.

In gevallen waarin de Hoge Raad beslist op een herzieningsaanvraag die betrekking heeft op een uitspraak als bedoeld in artikel 457, eerste lid, waartegen beroep in cassatie als bedoeld in de Derde Titel van het Derde Boek is ingesteld, is hij samengesteld uit raadsheren die niet op het beroep in cassatie hebben beslist.

2.

In gevallen waarin de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal of een advocaat-generaal met betrekking tot een uitspraak als bedoeld in artikel 457, eerste lid, eerder bevoegdheden heeft uitgeoefend die op grond van de Derde Titel van het Derde Boek aan de procureur-generaal zijn toegekend, worden de bevoegdheden die in deze Titel aan de procureur-generaal zijn toegekend bij voorkeur uitgeoefend door:

  • a. in geval het de procureur-generaal betreft: de plaatsvervangend procureur-generaal of een advocaat-generaal;
  • b. in geval het de plaatsvervangend procureur-generaal betreft: een advocaat-generaal;
  • c. in geval het een advocaat-generaal betreft – een andere advocaat-generaal.
Artikel 482

Vervallen

Boek Vierde. Eenige rechtsplegingen van bijzonderen aard

Titel VII. Cassatie "in het belang der wet"

Afdeling Tweede. Herziening ten nadele van de gewezen verdachte

afdeling Tweede. Strafvordering in zaken betreffende personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt

Titel IID. Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast

Titel IIB. Rechtsplegingen in verband met de terbeschikkingstelling en de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis

Titel IIIa. Onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren

Titel IID. Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast

Titel V. Geschillen over rechtsmacht

Titel VIA. Strafvordering buiten het rechtsgebied van een rechtbank

Titel IV. Wraking en verschoning van rechters

Titel X. Internationale rechtshulp

afdeling Eerste. Algemene bepalingen

afdeling Vierde. Bevoegdheden van de hulpofficier van justitie

§ 1a. Overdracht van strafvervolging door de officier van justitie

§ 2. Bevelen uitgevaardigd door Nederland

§ 2. Bevelen uitgevaardigd door Nederland

Titel VIII. Bijzondere bepalingen omtrent opsporing van feiten, strafbaar gesteld bij het Wetboek van Strafrecht

Boek Vijfde. Tenuitvoerlegging en kosten

afdeling Tweede. Feiten begaan aan boord van luchtvaartuigen

afdeling Eerste. Algemene bepalingen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)