Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag)

Type Verdrag
Publication 2025-04-01
Laatst bijgewerkt 2026-08-20
State In force
Source BWB
artikelen 522
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
4.

In de zin van dit Protocol wordt onder officiële werkzaamheden van de Organisatie die werkzaamheden verstaan welke strikt noodzakelijk zijn voor de administratieve en technische uitvoering van haar taken zoals die zijn vastgesteld in het Verdrag.

Artikel 4

1.

Binnen het raam van haar officiële werkzaamheden zijn de Organisatie, haar bezittingen en haar inkomsten vrijgesteld van alle directe belastingen.

2.

Wanneer de Organisatie voor het verrichten van haar officiële werkzaamheden belangrijke aankopen doet in de prijs waarvan belastingen of rechten zijn begrepen, worden door de Verdragsluitende Staten zo mogelijk passende maatregelen genomen om het met deze belastingen of rechten gemoeide bedrag terug te betalen of de Organisatie van de verplichting tot betaling daarvan te ontheffen.

3.

Geen vrijstelling wordt verleend ten aanzien van belastingen en rechten, die in feite niet anders zijn dan een vergoeding voor openbare diensten verleend door openbare nutsbedrijven.

Artikel 5

Goederen die door de Organisatie worden ingevoerd of uitgevoerd voor het verrichten van haar officiële werkzaamheden, zijn vrijgesteld van alle in- en uitvoerrechten en andere heffingen, andere dan rechten of heffingen die betrekking hebben op verleende diensten, alsmede van alle in- en uitvoerverboden en -beperkingen.

Artikel 6

Geen vrijstelling op grond van de artikelen 4 en 5 wordt verleend ten aanzien van goederen die worden aangekocht en ingevoerd ten gerieve van de personeelsleden van het Europees Octrooibureau persoonlijk.

Artikel 7

1.

Aan de Organisatie toebehorende goederen die zijn verworven of ingevoerd overeenkomstig artikel 4 of 5, mogen uitsluitend worden verkocht of weggegeven overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld door de Verdragsluitende Staten die de vrijstellingen hebben verleend.

2.

De overdracht van goederen en het verlenen van diensten tussen de verschillende gebouwen van de Organisatie zijn vrij van alle heffingen of beperkingen; in voorkomende gevallen nemen de Verdragsluitende Staten alle passende maatregelen om het met deze heffingen gemoeide bedrag terug te betalen of de betrokkenen van de verplichting tot betaling daarvan te ontheffen, of om deze beperkingen op te heffen.

Artikel 8

De doorzending van geschriften en ander voorlichtingsmateriaal dat door of aan de Organisatie wordt verzonden, wordt op geen enkele wijze beperkt.

Artikel 9

De Verdragsluitende Staten verlenen de Organisatie de voor het verrichten van haar officiële werkzaamheden benodigde vrijstellingen op het gebied van het deviezenverkeer.

Artikel 10

1.

Met betrekking tot officiële berichtgeving en het overbrengen van al haar documenten geniet de Organisatie in elke Verdragsluitende Staat de meest gunstige behandeling, die deze Staat elke andere internationale organisatie doet genieten.

2.

Er wordt geen censuur uitgeoefend op de officiële berichtgeving van de Organisatie, ongeacht de middelen waarmee bedoelde berichtgeving geschiedt.

Artikel 11

De Lid-Staten nemen alle gepaste maatregelen waardoor het binnenkomen, het verblijf en het vertrek van alle personeelsleden van het Europees Octrooibureau wordt vergemakkelijkt.

Artikel 12

1.

De vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Staten, hun plaatsvervangers, hun adviseurs of deskundigen genieten, bij de vergaderingen van de Raad van Bestuur of ieder orgaan dat door deze Raad is ingesteld alsmede op hun reizen naar de plaats van samenkomst en terug, de volgende voorrechten en immuniteiten:

  • a). immuniteit van arrestatie en gevangenhouding, alsmede van inbeslagneming van hun persoonlijke bagage, behalve wanneer zij op heterdaad betrapt worden;
  • b). vrijstelling van rechtsvervolging, ook na beëindiging van hun missie, met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden, door hen in de uitoefening van hun functie verricht; deze vrijstelling geldt evenwel niet in geval van een door een van de hierboven bedoelde personen begane verkeersovertreding of in geval van schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat hem toebehoort of dat door hem werd bestuurd;
  • c). onschendbaarheid van al hun officiële papieren en documenten;
  • d). het recht codes te gebruiken en documenten of correspondentie te ontvangen per speciale koerier of in een verzegelde tas;
  • e). vrijstelling voor henzelf en hun echtgenoten van alle maatregelen die de binnenkomst van vreemdelingen beperken alsmede van de aan de registratie van vreemdelingen verbonden formaliteiten;
  • f). dezelfde faciliteiten ter zake van valuta- en deviezenbepalingen als die welke worden verleend aan de vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen die met een tijdelijke officiële missie zijn belast.
2.

Voorrechten en immuniteiten worden aan de in het eerste lid bedoelde personen niet verleend in hun persoonlijk belang, doch met het doel hun volledige onafhankelijkheid te waarborgen bij de uitoefening van hun functie in verband met de Organisatie. Derhalve heeft een Verdragsluitende Staat de plicht de immuniteit op te heffen telkens wanneer, naar het oordeel van die Staat, de immuniteit aan de loop van het recht in de weg zou staan, en er afstand van kan worden gedaan, zonder de doeleinden waarvoor zij was toegekend, in gevaar te brengen.

Artikel 13

1.

Behoudens artikel 6 geniet de Voorzitter van het Europees Octrooibureau de voorrechten en immuniteiten die zijn toegekend aan diplomatieke functionarissen krachtens het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961.

2.

De vrijstelling van rechtsvordering geldt echter niet in geval van een door de Voorzitter van het Europees Octrooibureau begane verkeersovertreding of in geval van schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat hem toebehoort of dat door hem werd bestuurd.

Artikel 14

De personeelsleden van de Organisatie

  • a). genieten, ook nadat zij hun functies beëindigd hebben, vrijstelling van rechtsvervolging met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden, door hen in de uitoefening van hun functie verricht; deze immuniteit geldt evenwel niet in geval van een verkeersovertreding begaan door een personeelslid van de Organisatie, noch in geval van schade die is veroorzaakt door een motorvoertuig dat toebehoort aan of bestuurd werd door een personeelslid;
  • b). zijn vrijgesteld van alle verplichtingen met betrekking tot de militaire dienst;
  • c). genieten onschendbaarheid met betrekking tot al hun officiële papieren en documenten;
  • d). genieten, evenals hun inwonende gezinsleden, dezelfde faciliteiten ten aanzien van vrijstelling van alle maatregelen die de immigratie beperken en de inschrijving van vreemdelingen regelen, als die welke in het algemeen worden toegekend aan personeelsleden van internationale organisaties;
  • e). genieten dezelfde voorrechten met betrekking tot deviezenregelingen als die welke in het algemeen worden toegekend aan de personeelsleden van internationale organisaties;
  • f). genieten bij een internationale crisis, wat terugkeer naar hun vaderland betreft, dezelfde faciliteiten als die welke diplomatieke vertegenwoordigers worden toegekend; hun inwonende gezinsleden genieten dezelfde faciliteiten;
  • g). hebben het recht, wanneer zij voor de eerste maal hun werkzaamheden in de betrokken Staat aanvangen, hun meubelen en persoonlijke bezittingen vrij van rechten in te voeren, en hebben, wanneer zij hun functie in die Staat beëindigen, het recht hun meubelen en persoonlijke bezittingen vrij van rechten uit te voeren, met inachtneming van de voorwaarden die de Regering van de Staat op het grondgebied waarvan dit recht wordt uitgeoefend noodzakelijk acht en met uitzondering van de goederen welke in die Staat zijn aangeschaft en waarvoor aldaar een uitvoerverbod bestaat.

Artikel 15

Deskundigen genieten tijdens het uitoefenen van hun werkzaamheden voor de Organisatie of tijdens het uitvoeren van missies voor de Organisatie, alsook tijdens reizen die zij in verband daarmee maken, de volgende voorrechten en immuniteiten, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun functie:

  • a). vrijstelling van rechtsvervolging met betrekking tot door hen tijdens de uitoefening van hun functie verrichte handelingen, waaronder begrepen geschreven of gesproken woorden, behoudens in geval van een door een deskundige begane verkeersovertreding, of in geval van schade veroorzaakt door een hem toebehorend of door hem bestuurd motorvoertuig; ook na beëindiging van hun functie bij de Organisatie genieten de deskundigen deze immuniteit;
  • b). onschendbaarheid ten aanzien van al hun officiële papieren en documenten;
  • c). deviezenfaciliteiten die nodig zijn voor het overmaken van hun vergoedingen.

Artikel 16

1.

Onder de voorwaarden en op de wijze zoals die worden vastgesteld door de Raad van Bestuur binnen een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag, zijn de in de artikelen 13 en 14 bedoelde personen onderworpen aan een belasting ten gunste van de Organisatie op door de Organisatie betaalde salarissen en emolumenten. Van de datum waarop deze belasting ingaat af zijn deze salarissen en emolumenten vrij van nationale inkomstenbelasting. De Verdragsluitende Staten kunnen evenwel met deze salarissen en emolumenten wel rekening houden bij de berekening van de belasting die verschuldigd is over inkomsten uit andere bronnen.

2.

Het vorige lid is niet van toepassing op de pensioenen en lijfrenten die door de Organisatie worden betaald aan voormalige personeelsleden van het Europees Octrooibureau.

Artikel 17

De Raad van Bestuur bepaalt op welke categorieën personeelsleden het bepaalde in artikel 14, geheel of gedeeltelijk, en in artikel 16 van toepassing is, alsmede op welke categorieën deskundigen het bepaalde in artikel 15 van toepassing is. De namen, titels en adressen van de personeelsleden en deskundigen van die categorieën worden op gezette tijden ter kennis gebracht van de Verdragsluitende Staten.

Artikel 18

Indien de Organisatie een eigen systeem voor sociale verzekering instelt, zijn de Organisatie en de personeelsleden van het Europees Octrooibureau vrijgesteld van alle verplichte bijdragen aan de nationale sociale verzekeringsorganen, met inachtneming van de overeenkomsten, die zij, overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, met de Verdragsluitende Staten sluit.

Artikel 19

1.

De in dit Protocol voorziene voorrechten en immuniteiten zijn niet bedoeld om de personeelsleden van het Europees Octrooibureau of de deskundigen, die voor of in opdracht van de Organisatie werkzaam zijn tot persoonlijk voordeel te strekken. Zij beogen uitsluitend het onbelemmerd functioneren van de Organisatie onder alle omstandigheden, zomede de volledige onafhankelijkheid van de personen aan wie zij worden toegekend.

2.

De Voorzitter van het Europees Octrooibureau heeft de plicht de immuniteit op te heffen, indien hij van oordeel is dat deze immuniteit aan de loop van het recht in de weg staat, en indien het mogelijk is van deze immuniteit afstand te doen zonder de belangen van de Organisatie in gevaar te brengen. De Raad van Bestuur kan op dezelfde gronden een van de aan de Voorzitter toegekende immuniteiten opheffen.

Artikel 20

1.

De Organisatie werkt voortdurend samen met de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten ter bevordering van een goede rechtsbedeling, ter verzekering van de naleving van politievoorschriften en van voorschriften met betrekking tot de volksgezondheid, de arbeidsinspectie, of andere soortgelijke nationale wetten, alsmede ter voorkoming van misbruik van de in dit Protocol bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten.

2.

De procedure te volgen bij de in het voorgaande lid genoemde samenwerking kan worden neergelegd in de in artikel 25 bedoelde aanvullende overeenkomsten.

Artikel 21

Elke Verdragsluitende Staat behoudt zich het recht voor alle voorzorgen te treffen die nodig zijn in het belang van zijn veiligheid.

Artikel 22

Geen enkele Verdragsluitende Staat is verplicht de in de artikelen 12, 13, 14, letters b), e) en g), en 15, letter c), bedoelde voorrechten en immuniteiten toe te kennen aan:

  • a). zijn eigen onderdanen;
  • b). personen die bij de aanvang van hun werkzaamheden bij de Organisatie hun vaste woonplaats in die Staat hebben en die niet behoren tot het personeel van een andere intergouvernementele organisatie dat overgaat naar de Organisatie.

Artikel 23

1.

Elke Verdragsluitende Staat kan aan een internationaal scheidsgerecht elk geschil voorleggen waarbij de Organisatie, een personeelslid of een deskundige die voor of in opdracht van de Organisatie werkzaamheden verricht betrokken is, voor zover de Organisatie, het personeelslid of de deskundige zich op een voorrecht of een immuniteit krachtens dit Protocol heeft beroepen, en deze immuniteit niet is opgeheven.

2.

Indien een Verdragsluitende Staat voornemens is een geschil ter arbitrage voor te leggen, doet hij daarvan mededeling aan de Voorzitter van de Raad van Bestuur, die iedere Verdragsluitende Staat terstond van deze mededeling in kennis stelt.

3.

De procedure neergelegd in het eerste lid is niet van toepassing op geschillen tussen de Organisatie en de personeelsleden of deskundigen met betrekking tot het ambtenarenreglement of de arbeidsvoorwaarden en is evenmin van toepassing op de personeelsleden met betrekking tot het pensioenreglement.

4.

Van een uitspraak van het scheidsgerecht, die definitief en bindend is voor partijen, is geen beroep toegelaten. Zo er onenigheid bestaat ten aanzien van de betekenis of draagwijdte van de uitspraak, is het scheidsgerecht verplicht deze, op verzoek van een der partijen, toe te lichten.

Artikel 24

1.

Het in artikel 23 bedoelde scheidsgerecht bestaat uit drie leden, te weten één scheidsman die wordt benoemd door de Staat of de Staten die partij zijn bij de arbitrage, één scheidsman die door de Raad van Bestuur wordt benoemd en een derde scheidsman, die als voorzitter optreedt en door de twee anderen wordt benoemd.

2.

Deze scheidsmannen worden gekozen uit een lijst van ten hoogste zes scheidsmannen die door elke Verdragsluitende Staat worden aangewezen en zes door de Raad van Bestuur aangewezen scheidsmannen. Deze lijst wordt zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit Protocol opgesteld en vervolgens telkens voor zover nodig aangevuld.

3.

Indien binnen drie maanden, te rekenen van de datum van de in artikel 23, tweede lid, bedoelde mededeling, een der partijen niet is overgegaan tot de benoeming bedoeld in het eerste lid, wordt, op verzoek van de andere partij, de scheidsman door de President van het Internationale Gerechtshof gekozen uit de personen die op genoemde lijst voorkomen. Dit gebeurt eveneens, zo een der partijen daarom verzoekt, indien binnen één maand na het tijdstip van benoeming van de tweede scheidsman, de eerste twee scheidsmannen geen overeenstemming kunnen bereiken over de aanwijzing van de derde scheidsman. Indien evenwel in beide gevallen de Voorzitter van het Internationale Gerechtshof verhinderd is of indien hij onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil, worden de bovenbedoelde benoemingen gedaan door de onder-Voorzitter van het Internationale Hof, tenzij ook deze onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil; in dat geval dienen de benoemingen te geschieden door het lid van het Internationale Hof dat zelf geen onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil en die is gekozen door de Voorzitter of door de onder-Voorzitter. Een onderdaan van de verzoekende Staat mag niet worden gekozen om op te treden als de scheidsman die door de Raad van Bestuur moest worden benoemd, zomin als een op de lijst voorkomende en door de Raad van Bestuur aangewezen persoon mag worden gekozen om op te treden als de scheidsman die door de verzoekende Staat moest worden benoemd. Ook mag geen tot een dezer categorieën behorende persoon worden gekozen als voorzitter van het scheidsgerecht.

4.

Het scheidsgerecht stelt zijn eigen procedureregels vast.

Artikel 25

De Organisatie kan, bij besluit van de Raad van Bestuur, met een of meer Verdragsluitende Staten aanvullende overeenkomsten aangaan ten einde uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Protocol met betrekking tot die Staat of die Staten, alsmede andere regelingen treffen ter waarborging van een goede functionering van de Organisatie en ter beveiliging van haar belangen.

Artikel 1. Algemene beginselen

Artikel 69 mag niet worden uitgelegd als zou de beschermingsomvang van het Europees octrooi strikt worden bepaald door de letterlijke tekst van de conclusies en als zouden de beschrijving en de tekeningen slechts mogen dienen om de onduidelijkheden, die in de conclusies zouden kunnen voorkomen, op te heffen. Artikel 69 mag evenmin worden uitgelegd als zouden de conclusies alleen als richtlijn dienen en als zou de beschermingsomvang zich ook uitstrekken tot hetgeen de octrooihouder, naar het oordeel van de vakman die de beschrijving en de tekeningen bestudeert, heeft willen beschermen. De uitleg dient daarentegen tussen deze twee uitersten het midden te houden, waarbij zowel een billijke bescherming aan de octrooihouder als een redelijke mate van rechtszekerheid aan derden wordt geboden.

Artikel 2. Equivalenten

Bij het vaststellen van de beschermingsomvang van het Europees octrooi dient op passende wijze rekening te worden gehouden met elk element dat gelijkwaardig is aan een in de conclusies omschreven element.

IN WITNESS WHEREOF, the Plenipotentiaries authorised thereto, having presented their Full Powers, found to be in good and due form, have signed this Convention.

DONE at Munich this fifth day of October one thousand nine hundred and seventy-three

Regel 71a. Afronding van de verleningsprocedure

1.

De beslissing tot verlening van het Europees octrooi wordt genomen, zodra alle taksen zijn betaald, een vertaling van de conclusies in de twee officiële talen van het Europees Octrooibureau die niet de procestaal zijn, is ingediend en er overeenstemming is op welke tekstversie het octrooi wordt verleend. Het vermeldt welke tekst van de Europese octrooiaanvrage de basis vormt voor de beslissing.

2.

Tot de beslissing tot verlening van het Europese octrooi kan de onderzoeksafdeling de onderzoekprocedure te allen tijde hervatten.

3.

Indien de aanwijzingstaks na de mededeling bedoeld in regel 71, derde lid, is verschuldigd, wordt de vermelding van de verlening van het Europees octrooi pas gepubliceerd nadat de aanwijzingstaks is betaald. De aanvrager wordt daarvan in kennis gesteld.

4.

Indien een jaartaks na de mededeling bedoeld in regel 71, derde lid, en voor de eerstvolgende mogelijke datum van publicatie van de verlening van het Europees octrooi is verschuldigd, wordt de vermelding pas gepubliceerd nadat de jaartaks is betaald. De aanvrager wordt daarvan in kennis gesteld.

5.

Indien de aanvrager, naar aanleiding van een verzoek overeenkomstig regel 71, derde lid, de taks voor verlening en publicatie of de conclusietaksen reeds heeft betaald, wordt het betaalde bedrag in mindering gebracht indien een dergelijk verzoek opnieuw wordt gedaan.

6.

Indien de Europese octrooiaanvrage wordt afgewezen, ingetrokken voorafgaand aan de kennisgeving van de beslissing tot verlening van een Europees octrooi of op dat tijdstip wordt geacht te zijn ingetrokken, wordt de taks voor verlening en publicatie terugbetaald.

Regel 72. Verlening van het Europees octrooi aan verschillende aanvragers

Indien voor verschillende Verdragsluitende Staten verschillende personen als aanvrager in het Europees octrooiregister staan ingeschreven, verleent het Europees Octrooibureau het Europees octrooi dienovereenkomstig voor elke Verdragsluitende Staat.

Regel 73. Inhoud en vorm van het octrooischrift

1.

Het octrooischrift van het Europees octrooi bevat de beschrijving, de conclusies en, in voorkomend geval, de tekeningen. Het vermeldt ook de termijn waarbinnen tegen het verleende Europese octrooi oppositie kan worden ingesteld.

2.

De President van het Europees Octrooibureau stelt de vorm van de publicatie van het octrooischrift vast alsmede de erin op te nemen gegevens.

3.

De aangewezen Verdragsluitende Staten worden in het octrooischrift vermeld.

Regel 74. Europees octrooibewijs

Zodra het Europees octrooischrift is gepubliceerd, verstrekt het Europees Octrooibureau aan de octrooihouder een Europees octrooibewijs. De President van het Europees Octrooibureau bepaalt de inhoud, de vorm en de wijze van toezending van het bewijs en de gevallen waarin een administratieve taks dient te worden betaald.

DEEL V. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL V VAN HET VERDRAG

HOOFDSTUK V. HET EUROPEES OCTROOISCHRIFT

Regel 75. Afstand of verval van het octrooi

Oppositie kan ook worden ingesteld wanneer in alle aangewezen Verdragsluitende Staten afstand van het Europees octrooi is gedaan of het octrooi in al deze Staten is vervallen.

Regel 76. Vorm en inhoud van de oppositie

1.

De oppositie wordt schriftelijk ingesteld en dient met redenen te zijn omkleed.

2.

Het bezwaarschrift dient te bevatten:

  • b. het nummer van het Europees octrooi waartegen de oppositie wordt ingesteld alsmede de naam van de octrooihouder en de titel van de uitvinding;
  • c. een verklaring, waaruit blijkt in welke omvang er tegen het Europees octrooi bezwaar bestaat, en waarin de gronden waarop de oppositie is gebaseerd, alsmede de feiten en de bewijsmiddelen ter ondersteuning van deze gronden, worden aangegeven;
3.

Deel III van het Uitvoeringsreglement is van overeenkomstige toepassing op het bezwaarschrift.

Regel 77. Verwerping van de oppositie wegens niet-ontvankelijkheid

1.

Indien de oppositieafdeling vaststelt dat de oppositie niet voldoet aan artikel 99, eerste lid, of regel 76, tweede lid, onderdeel c, of dat het octrooi waartegen oppositie is ingesteld onvoldoende is aangeduid, verwerpt zij de oppositie als niet-ontvankelijk, tenzij deze gebreken voor het verstrijken van de termijn voor oppositie zijn opgeheven.

2.

Indien de oppositieafdeling vaststelt dat de oppositie niet voldoet aan andere bepalingen dan in het eerste lid bedoeld, deelt zij dit mede aan de opposant en verzoekt hem de vastgestelde gebreken op te heffen binnen een te stellen termijn. Indien de gebreken niet tijdig zijn opgeheven, verwerpt de oppositieafdeling de oppositie als niet-ontvankelijk.

3.

De beslissing waarin de oppositie wegens niet-ontvankelijkheid wordt verworpen, wordt tezamen met een afschrift van het bezwaarschrift aan de octrooihouder toegezonden.

Regel 78. Procedure indien de houder van het octrooi niet-gerechtigd is

1.

Indien een derde tijdens de oppositieprocedure of gedurende de oppositietermijn bewijs overlegt dat hij een procedure heeft ingesteld tegen de houder van het Europees octrooi om een beslissing in de zin van artikel 61, eerste lid, te verkrijgen, wordt de oppositieprocedure geschorst, tenzij de derde het Europees Octrooibureau schriftelijk mededeelt dat hij instemt met de voortzetting van deze procedure. Deze toestemming is onherroepelijk. De procedure wordt evenwel niet geschorst voordat dat oppositieafdeling de opposant ontvankelijk heeft verklaard. Regel 14, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

Indien een derde in overeenstemming met artikel 99, vierde lid, voor een of meer aangewezen Verdragsluitende Staten in de plaats is getreden van de vorige octrooihouder, kan het in de oppositieprocedure in stand gehouden Europees octrooi voor deze Staten andere conclusies, beschrijving en tekeningen bevatten dan die voor de overige aangewezen Staten.

Regel 79. Voorbereidingen van het onderzoek van de oppositie

1.

De oppositieafdeling zendt het bezwaarschrift aan de houder van het octrooi en stelt hem in de gelegenheid binnen een te stellen termijn zijn zienswijze kenbaar te maken en, indien nodig, wijzigingen in de beschrijving, de conclusies en de tekeningen aan te brengen.

2.

Indien meerdere opposities zijn ingesteld, deelt de oppositieafdeling tegelijk met de mededeling bedoeld in het eerste lid deze mede aan de andere opposanten.

3.

De oppositieafdeling deelt de door de octrooihouder ingediende zienswijze en wijzigingen mede aan de andere partijen en nodigt hen uit om binnen een te stellen termijn hierop te reageren, indien zij dit opportuun achten.

4.

In het geval van tussenkomst ingevolge artikel 105, kan de oppositieafdeling van toepassing van het eerste tot en met derde lid afzien.

Regel 80. Wijziging van het Europees octrooi

Onverminderd regel 138 kunnen de beschrijving, de conclusies en de tekeningen worden gewijzigd, mits de wijzigingen door een grond voor oppositie bedoeld in artikel 100 worden ingegeven, ook wanneer de opposant zich niet op die grond heeft beroepen.

Regel 81. Onderzoek van de oppositie

1.

De oppositieafdeling onderzoekt de gronden voor oppositie waarop de opposant zich beroept in de verklaring bedoeld in regel 76, tweede lid, onderdeel c. De oppositieafdeling kan ambtshalve ook gronden voor oppositie waarop de opposant zich niet beroept onderzoeken, indien deze zich verzetten tegen het in stand blijven van het Europees octrooi.

2.

Mededelingen overeenkomstig artikel 101, eerste lid, tweede volzin, en alle antwoorden daarop worden aan alle partijen verzonden. Indien de oppositieafdeling dit wenselijk acht, nodigt zij alle partijen uit om binnen een te stellen termijn te reageren.

3.

In elke mededeling overeenkomstig artikel 101, eerste lid, tweede volzin, dient de houder van het Europees octrooi, indien nodig, in de gelegenheid te worden gesteld om voor zover noodzakelijk de beschrijving, de conclusies en de tekeningen te wijzigen. De mededeling dient, indien nodig, gemotiveerd te zijn en de gronden te bevatten die zich tegen het in stand blijven van het Europees octrooi verzetten.

Regel 82. Instandhouding van het Europees octrooi in gewijzigde vorm

1.

Alvorens te beslissen het Europees octrooi in gewijzigde vorm in stand te houden, deelt de oppositieafdeling de partijen de tekst van het octrooi mede, waarmee zij voornemens is het octrooi in stand te houden en nodigt zij hen uit binnen twee maanden hun zienswijzen in te dienen indien zij niet instemmen met de voorgestelde tekst.

2.

Indien een partij niet instemt met de door de oppositieafdeling medegedeelde tekst, kan het onderzoek van de oppositie worden voortgezet. In het tegengestelde geval verzoekt de oppositieafdeling na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn de houder van het Europees octrooi binnen een termijn van drie maanden de voorgeschreven taks te betalen en een vertaling van de gewijzigde conclusies in te dienen in de officiële talen van het Europees Octrooibureau die niet de procestaal zijn. Indien in mondelinge procedures besluiten ingevolge artikel 106, tweede lid, of artikel 111, tweede lid, zijn gebaseerd op stukken die niet voldoen aan Regel 49, achtste lid, wordt de houder van het octrooi uitgenodigd binnen de termijn van drie maanden de gewijzigde tekst in te dienen in een vorm die voldoet aan Regel 49, achtste lid.

3.

Indien de op grond van het tweede lid vereiste handelingen niet tijdig zijn verricht, kunnen zij alsnog worden verricht binnen twee maanden na een mededeling dat de voorgeschreven termijn niet in acht is genomen, mits binnen deze termijn een toeslag wordt betaald. In het tegengestelde geval wordt het octrooi herroepen.

4.

De beslissing tot instandhouding van het Europees octrooi in gewijzigde vorm vermeldt welke tekst van het octrooi de basis vormt voor de beslissing.

Regel 83. Verzoek om documenten

Documenten waarnaar een partij bij een oppositieprocedure verwijst, dienen tezamen met het bezwaarschrift of de schriftelijke opmerkingen te worden ingediend. Indien die documenten niet zijn bijgevoegd of na een verzoek van het Europees Octrooibureau hiertoe niet tijdig zijn ingediend, kan het beslissen geen rekening te houden met de daarop gegronde argumenten.

Regel 84. Ambtshalve voortzetting van de oppositieprocedure

1.

Indien de houder van het octrooi in alle aangewezen Verdragsluitende Staten afstand heeft gedaan van het Europees octrooi of indien het octrooi in al die Staten is vervallen, kan de oppositieprocedure worden voortgezet indien de opposant hierom binnen twee maanden nadat het Europees Octrooibureau aan de opposant de afstand of het verval heeft medegedeeld, verzoekt.

2.

Indien een opposant komt te overlijden of handelingsonbekwaam wordt, kan de oppositieprocedure ambtshalve door het Europees Octrooibureau worden voortgezet, zelfs indien zijn erfgenamen of zijn wettelijke vertegenwoordigers hieraan niet deelnemen. De procedure kan ook voortgezet worden indien de oppositie wordt ingetrokken.

Regel 85. Overgang van het Europees octrooi

Regel 22 is van toepassing op iedere overgang van het Europees octrooi gedurende de termijn voor oppositie of gedurende de oppositieprocedure.

Regel 86. Stukken in de oppositieprocedure

Deel III van het Uitvoeringsreglement is van overeenkomstige toepassing op stukken ingediend tijdens de oppositieprocedure.

Regel 87. Inhoud en vorm van het nieuwe Europese octrooischrift

Het nieuwe Europese octrooischrift bevat de beschrijving, de conclusies en de tekeningen zoals gewijzigd. Regel 73, tweede en derde lid, en regel 74 zijn van toepassing.

Regel 88. Kosten

1.

De kostenverdeling wordt in de beslissing ten aanzien van de oppositie vastgesteld. Bij de verdeling kunnen alleen de uitgaven in aanmerking worden genomen die noodzakelijk waren om de in het geding zijnde rechten op adequate wijze te verdedigen. Onder de kosten valt de vergoeding van de gemachtigden van de partijen.

2.

De oppositieafdeling stelt op verzoek het bedrag vast van de kosten die uit hoofde van de verdeling op grond van een in kracht van gewijsde gegane beslissing dienen te worden betaald. De kostenafrekening en de bewijsstukken dienen als bijlage te worden toegevoegd aan het verzoek. De kosten kunnen worden vastgesteld, zodra zij aannemelijk zijn gemaakt.

3.

Binnen een maand nadat de vaststelling van de kosten ingevolge het tweede lid is medegedeeld, kan een verzoek om een beslissing van de oppositieafdeling over de vaststelling van de kosten worden ingediend. Het verzoek dient schriftelijk en gemotiveerd te worden ingediend. Het verzoek wordt pas geacht te zijn ingediend na betaling van de voorgeschreven taks.

4.

De oppositieafdeling beslist over het in het derde lid bedoelde verzoek zonder mondelinge behandeling.

Regel 89. Tussenkomst van de vermeende inbreukmaker

1.

De verklaring van tussenkomst dient binnen drie maanden na de datum waarop de procedure bedoeld in artikel 105 is ingesteld te worden ingediend.

2.

De verklaring van tussenkomst dient schriftelijk te worden ingediend en met redenen te zijn omkleed; regels 76 en 77 zijn van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving van tussenkomst wordt pas geacht te zijn ingediend na betaling van de taks voor de oppositie.

HOOFDSTUK II. PROCEDURE TOT BEPERKING OF HERROEPING

Regel 90. Voorwerp van de procedure

Het voorwerp van een procedure tot beperking of herroeping bedoeld in artikel 105a is het Europees octrooi zoals verleend of zoals gewijzigd in een oppositieprocedure of een procedure tot beperking voor het Europees Octrooibureau.

Regel 91. Bevoegdheid ten aanzien van de procedure

Over verzoeken om beperking of herroeping van het Europees octrooi overeenkomstig artikel 105a beslist de onderzoeksafdeling. Artikel 18, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Regel 92. Vereisten ten aanzien van het verzoek

1.

Het verzoek om beperking of herroeping van een Europees octrooi wordt schriftelijk in een van de officiële talen van het Europees Octrooibureau ingediend. Het verzoek kan eveneens in een officiële taal van een Verdragsluitende Staat worden ingediend, mits binnen de termijn omschreven in regel 6, tweede lid, een vertaling in een van de officiële talen van het Europees Octrooibureau wordt ingediend. Deel III van het Uitvoeringsreglement is van overeenkomstige toepassing op stukken ingediend tijdens procedures tot beperking of herroeping.

2.

Het verzoek dient te bevatten:

  • a. gegevens van de houder van het Europees octrooi die het verzoek indient (de verzoeker) zoals bepaald in regel 41, tweede lid, onderdeel c, alsmede een vermelding van de Verdragsluitende Staten waarvoor de verzoeker de houder van het octrooi is;
  • b. het nummer van het octrooi ter zake waarvan om beperking of herroeping wordt verzocht en een lijst van de Verdragsluitende Staten waar het octrooi rechtsgeldig is geworden;
  • c. indien van toepassing, de namen en de adressen van de houders van het octrooi voor die Verdragsluitende Staten waar de verzoeker niet de houder is van het octrooi, alsmede het bewijs dat de verzoeker gerechtigd is namens hen op te treden in de procedure;
  • d. indien om beperking van het octrooi wordt verzocht, de volledige tekst van de gewijzigde conclusies, en in voorkomend geval, van de gewijzigde beschrijving en tekeningen;

Regel 93. Voorrang van oppositieprocedure

1.

Het verzoek om beperking of herroeping wordt geacht niet te zijn ingediend, indien op het tijdstip van de indiening van het verzoek een oppositieprocedure met betrekking tot het octrooi aanhangig is.

2.

Indien op het tijdstip van het instellen van oppositie tegen een Europees octrooi ter zake van dat octrooi een beperkingsprocedure aanhangig is, beëindigt de onderzoeksafdeling de beperkingsprocedure en gelast de terugbetaling van de beperkingstaks. Terugbetaling wordt eveneens gelast van de taks bedoeld in regel 95, derde lid, eerste volzin, indien de verzoeker deze taks reeds heeft betaald.

Regel 94. Verwerping van het verzoek wegens niet-ontvankelijkheid

Indien de onderzoeksafdeling vaststelt dat het verzoek om beperking of herroeping niet voldoet aan de vereisten van regel 92, nodigt zij de verzoeker uit de geconstateerde gebreken binnen een te stellen termijn op te heffen. Indien de gebreken niet tijdig zijn opgeheven, verwerpt de onderzoeksafdeling het verzoek wegens niet-ontvankelijkheid.

Regel 95. Beslissing op het verzoek

1.

Indien een verzoek om herroeping ontvankelijk is, herroept de onderzoeksafdeling het octrooi en deelt dit mede aan de verzoeker.

2.

Indien een verzoek om beperking ontvankelijk is, onderzoekt de onderzoeksafdeling of de gewijzigde conclusies een beperking vormen ten opzichte van de conclusies zoals verleend of gewijzigd tijdens een oppositie- of beperkingsprocedure en aan artikel 84 en artikel 123, tweede en derde lid, voldoen. Indien het verzoek niet aan deze vereisten voldoet, stelt de onderzoeksafdeling de verzoeker eenmaal in de gelegenheid de geconstateerde gebreken op te heffen en de conclusies en, indien van toepassing, de beschrijving en tekeningen binnen een te stellen termijn te wijzigen.

3.

Indien een verzoek om beperking ingevolge het tweede lid kan worden ingewilligd, deelt de onderzoeksafdeling dit mede aan de verzoeker en nodigt hem uit binnen een termijn van drie maanden de voorgeschreven taks te betalen en een vertaling van de gewijzigde conclusies in de officiële talen van het Europees Octrooibureau die niet de procestaal zijn, in te dienen; regel 82, derde lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing. Indien de verzoeker deze handelingen tijdig verricht, beperkt de onderzoeksafdeling het octrooi.

4.

Indien de verzoeker niet tijdig reageert op de overeenkomstig het tweede lid gedane mededeling of indien het verzoek om beperking niet kan worden ingewilligd of indien de verzoeker nalaat de ingevolge het derde lid vereiste handelingen tijdig te verrichten, wijst de onderzoeksafdeling het verzoek af.

DEEL VI. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL VI VAN HET VERDRAG

HOOFDSTUK I. BEROEPSPROCEDURE

Regel 97. Beroep tegen de verdeling en vaststelling van kosten

1.

De verdeling van de kosten van de oppositieprocedure kan niet het enige voorwerp van beroep zijn.

2.

Tegen een beslissing tot vaststelling van de kosten van een oppositieprocedure kan alleen beroep worden ingesteld indien het bedrag hoger is dan de taks voor het beroep.

Regel 98. Afstand of verval van het octrooi

Tegen de beslissing van een oppositieafdeling kan ook beroep worden ingesteld wanneer in alle aangewezen Verdragsluitende Staten afstand van het Europees octrooi is gedaan of het octrooi in al deze Staten is vervallen.

Regel 99. Inhoud van het beroepschrift en van de memorie met de gronden

1.

Het beroepschrift dient te bevatten:

  • b. de vermelding van de bestreden beslissing; en
  • c. een verzoek waarin het onderwerp van het beroep wordt vastgelegd.
2.

In de memorie met de gronden van het beroep dient de appellant uiteen te zetten op welke gronden de bestreden beslissing dient te worden herroepen of in hoeverre deze zou moeten worden gewijzigd, alsmede de feiten en bewijzen waarop het beroep is gegrond.

3.

Deel III van het Uitvoeringsreglement is van overeenkomstige toepassing op het beroepschrift, de memorie met de gronden en de in de beroepsprocedure ingediende stukken.

Regel 103. Terugbetaling van de taks voor het beroep

1.

De taks voor het beroep wordt volledig terugbetaald

  • a. in geval van een prejudiciële herziening of als de kamer van beroep het beroep gegrond acht, indien terugbetaling redelijk is op grond van een wezenlijke tekortkoming in de procedure, of
  • b. indien het beroep wordt ingetrokken voordat de memorie inzake de gronden voor het beroep is ingediend en voordat de termijn voor de indiening daarvan is verstreken.
2.

De taks voor het beroep wordt voor 50% terugbetaald, indien het beroep na het verstrijken van de termijn ingevolge het eerste lid, onderdeel b, wordt ingetrokken, mits de intrekking geschiedt:

  • a. indien een datum voor een mondelinge behandeling is vastgesteld, ten minste vier weken voor deze datum;
  • b. indien er geen datum voor een mondelinge behandeling is vastgesteld en de kamer van beroep een mededeling heeft doen uitgaan waarin de appellant wordt uitgenodigd zijn zienswijze in te dienen, voor het verstrijken van de termijn die de kamer van beroep heeft gesteld voor het indienen van de zienswijze;
  • c. in alle andere gevallen, voordat de beslissing bekend is gemaakt.
3.

Het orgaan waarvan de beslissing wordt bestreden, gelast de terugbetaling indien zij haar beslissing herziet en terugbetaling redelijk acht vanwege een wezenlijke tekortkoming in de procedure. In de overige gevallen beslist de kamer van beroep over kwesties omtrent de terugbetaling.

HOOFDSTUK II. VERZOEKEN OM HERZIENING DOOR DE GROTE KAMER VAN BEROEP

Regel 105. Strafbare feiten

Een verzoek om herziening kan worden gebaseerd op artikel 112a, tweede lid, onderdeel e, indien een bevoegde gerechtelijke instantie of een bevoegde autoriteit onherroepelijk heeft vastgesteld dat er een strafbaar is gepleegd; een veroordeling is niet noodzakelijk.

Regel 106. Verplichting tot het maken van bezwaar

Een verzoek ingevolge artikel 112a, tweede lid, onderdelen a tot en met d, is uitsluitend ontvankelijk, indien tijdens de beroepsprocedure ter zake van de procedurele tekortkoming bezwaar is gemaakt en door de kamer van beroep is afgewezen, tenzij tijdens de beroepsprocedure geen bezwaar kon worden gemaakt.

Regel 107. Inhoud van het verzoek om herziening

1.

Het verzoek dient te bevatten:

  • b. een aanduiding van de beslissing die dient te worden herzien.
2.

In het verzoek dienen de gronden voor de ongedaanmaking van de beslissing van de kamer van beroep te worden vermeld, alsmede de feiten en de bewijzen waarop het verzoek gebaseerd is.

3.

Deel III van het Uitvoeringsreglement is van overeenkomstige toepassing op het verzoek om herziening en de in de procedure ingediende stukken.

Regel 108. Onderzoek van het verzoek

1.

Indien het verzoek niet voldoet aan artikel 112a, eerste, tweede of vierde lid, regel 106 of regel 107, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, verwerpt de Grote Kamer van beroep het verzoek wegens niet-ontvankelijkheid, tenzij de gebreken zijn opgeheven voor het verstrijken van de desbetreffende termijn ingevolge artikel 112a, vierde lid.

2.

Indien de Grote Kamer van beroep vaststelt dat het verzoek niet aan regel 107, eerste lid, onderdeel a, voldoet, deelt zij dit mede aan de verzoeker en nodigt hem uit de vastgestelde gebreken binnen een te stellen termijn op te heffen. Indien de gebreken niet tijdig worden opgeheven, verwerpt de Grote Kamer van beroep het verzoek wegens niet-ontvankelijkheid.

3.

Indien het verzoek gegrond is, maakt de Grote Kamer van beroep de beslissing van de kamer van beroep ongedaan en gelast de heropening van de procedure voor de ingevolge regel 12, vierde lid, verantwoordelijke kamer van beroep. De Grote Kamer van beroep kan gelasten dat leden van de kamer van beroep die hebben meegewerkt aan de ongedaan gemaakte beslissing worden vervangen.

Regel 109. Procedure voor de behandeling van verzoeken om herziening

1.

Voor procedures ingevolge artikel 112a zijn de bepalingen voor procedures voor de kamers van beroep van toepassing, tenzij anders is bepaald. Regel 115, eerste lid, tweede volzin, regel 118, tweede lid, eerste volzin, en regel 132, tweede lid, zijn niet van toepassing. De Grote Kamer van beroep kan een termijn vaststellen die afwijkt van regel 4, eerste lid, eerste volzin.

2.

De Grote Kamer van beroep

  • a. in een samenstelling van twee rechtsgeleerde leden en een technisch geschoold lid onderzoekt alle verzoeken om herziening en wijst de verzoeken af die overduidelijk niet-ontvankelijk of ongegrond zijn; een dergelijke beslissing vereist unanimiteit;
  • b. in een samenstelling van vier rechtsgeleerde leden en een technisch geschoold lid beslist over ieder verzoek dat niet is afgewezen op grond van onderdeel a.
3.

De Grote Kamer van beroep in de samenstelling volgens het tweede lid, onderdeel a, beslist zonder betrokkenheid van andere partijen en op basis van het verzoek.

Regel 110. Terugbetaling van de taks voor verzoeken om herziening

De Grote Kamer van beroep gelast de terugbetaling van de taks voor een verzoek om herziening, indien de procedure voor de kamers van beroep wordt heropend.

DEEL VII. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL VII VAN HET VERDRAG

Regel 111. Vorm van de beslissingen

1.

Bij mondelinge procedures voor het Europees Octrooibureau kan de beslissing ter zitting worden uitgesproken. De beslissing wordt vervolgens op schrift gesteld en aan de partijen toegestuurd.

2.

De beslissingen van het Europees Octrooibureau waartegen beroep open staat, dienen met redenen te zijn omkleed en vergezeld te gaan van een mededeling dat tegen de desbetreffende beslissing beroep kan worden ingesteld, waarbij de partijen eveneens gewezen worden op de artikelen 106 tot en met 108 waarvan de tekst als bijlage wordt bijgevoegd. De partijen kunnen zich niet beroepen op het achterwege blijven van deze mededeling.

Regel 112. Vaststelling van het verlies van recht

1.

Indien het Europees Octrooibureau vaststelt dat een verlies van recht is opgetreden, zonder dat een beslissing is genomen tot afwijzing van de Europese octrooiaanvrage of de verlening, herroeping of instandhouding van het Europees octrooi of met betrekking tot het verkrijgen van bewijs, doet het hiervan mededeling aan de betrokken partij.

2.

Indien de betrokken partij van mening is dat de vaststelling van het Europees Octrooibureau ongegrond is, kan zij binnen twee maanden nadat de in het eerste lid bedoelde mededeling is gedaan, een beslissing daaromtrent verzoeken. Een dergelijke beslissing wordt slechts genomen indien het Europees Octrooibureau de mening van de betrokken partij niet deelt; in het tegenovergestelde geval wordt die partij hierover ingelicht.

Regel 113. Handtekening, naam, zegel

1.

Elke beslissing, oproep, kennisgeving en mededeling van het Europees Octrooibureau dient van de handtekening en de naam van het verantwoordelijke personeelslid te zijn voorzien.

2.

Wanneer een in het eerste lid bedoeld stuk door het verantwoordelijke personeelslid met behulp van een computer wordt vervaardigd, kan een zegel de handtekening vervangen. Wanneer het stuk automatisch door een computer wordt vervaardigd, kan ook de naam van het personeelslid achterwege worden gelaten. Hetzelfde geldt voor voorgedrukte kennisgevingen en mededelingen.

Regel 114. Opmerkingen van derden

1.

Opmerkingen van derden dienen schriftelijk in een officiële taal van het Europees Octrooibureau te worden ingediend en te zijn gemotiveerd. Regel 3, derde lid, is van toepassing.

2.

Deze opmerkingen worden aan de aanvrager of houder van het octrooi medegedeeld, die er commentaar op mag geven.

HOOFDSTUK I. BESLISSINGEN EN MEDEDELINGEN VAN HET EUROPEES OCTROOIBUREAU

Regel 115. Oproep tot verschijnen in een mondelinge procedure

1.

In de oproep aan de partijen tot verschijnen in een mondelinge procedure overeenkomstig artikel 116 wordt op het tweede lid van deze regel gewezen. De oproep wordt ten minste twee maanden van tevoren gedaan, tenzij de partijen met een kortere termijn instemmen.

2.

Indien een partij, die overeenkomstig de voorschriften is opgeroepen om te verschijnen in een mondelinge procedure voor het Europees Octrooibureau, niet is verschenen, kan de procedure in haar afwezigheid worden voortgezet.

Regel 116. Voorbereiding van de mondelinge procedure

1.

Bij de oproep wijst het Europees Octrooibureau op de punten die naar zijn mening ten behoeve van de te nemen beslissing dienen te worden besproken. Tegelijkertijd wordt een einddatum vastgesteld voor het indienen van schriftelijke opmerkingen ter voorbereiding van de mondelinge procedure. Regel 132 is niet van toepassing. Na die datum overgelegde nieuwe feiten en bewijzen behoeven niet in aanmerking te worden genomen, tenzij ze toegelaten zijn wegens verandering van het onderwerp van de procedure.

2.

Indien de aanvrager of houder van het octrooi in kennis is gesteld van de gronden die de verlening of instandhouding van het octrooi beletten, kan hij worden uitgenodigd om voor de datum omschreven in het eerste lid, tweede volzin, stukken in te dienen die voldoen aan de vereisten van het Verdrag. Het eerste lid, derde en vierde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Regel 117. Beslissing inzake het verkrijgen van bewijs

Indien het Europees Octrooibureau het noodzakelijk acht partijen, getuigen of deskundigen te horen of de situatie ter plaatse te bezichtigen, neemt het daartoe een beslissing waarin het uit te voeren onderzoek, de ter zake dienende feiten die bewezen moeten worden, de datum, het tijdstip en de plaats van het onderzoek aangegeven worden. Indien een partij verzocht heeft getuigen of deskundigen te horen, wordt in de beslissing de termijn vastgesteld waarbinnen de verzoekende partij de namen en de adressen van de desbetreffende getuigen of deskundigen moet opgeven.

Regel 118. Oproep tot verschijnen voor het Europees Octrooibureau

1.

De oproep tot verschijnen voor het Europees Octrooibureau wordt gedaan aan de desbetreffende partijen, getuigen of deskundigen.

2.

Een oproep tot verschijnen aan een partij, getuige of deskundige wordt ten minste twee maanden van tevoren gedaan, tenzij zij met een kortere termijn instemmen. De oproep dient te bevatten:

  • a. een uittreksel van de beslissing ingevolge regel 117, waarin de datum, het tijdstip en de plaats waar het gelaste onderzoek zal plaatsvinden worden aangegeven, alsmede de feiten waarover partijen, getuigen of deskundigen zullen worden gehoord;
  • c. een aanduiding, dat een partij, getuige of deskundige overeenkomstig regel 120 kan verzoeken te worden gehoord door de bevoegde gerechtelijke instanties van het land waar hij woont, en een verzoek het Europees Octrooibureau binnen een te stellen termijn te laten weten of hij bereid is voor het Europees Octrooibureau te verschijnen.

Regel 119. Tenuitvoerlegging van het verkrijgen van bewijs voor het Europees Octrooibureau

1.

De onderzoeksafdeling, de oppositieafdeling en de kamer van beroep kunnen een van haar leden met de tenuitvoerlegging van het verkrijgen van bewijs belasten.

2.

Alvorens een partij, getuige of deskundige wordt gehoord, wordt hem medegedeeld dat het Europees Octrooibureau de bevoegde gerechtelijke instantie van het land waar hij woont, kan verzoeken hem opnieuw onder ede of op een gelijkelijk bindende wijze te horen.

3.

De partijen kunnen het verkrijgen van bewijs bijwonen en aan de te horen partijen, getuigen of deskundigen ter zake dienende vragen stellen.

Regel 120. Horen door een bevoegde nationale gerechtelijke instantie

1.

Een partij, getuige of deskundige die is opgeroepen voor het Europees Octrooibureau kan het Europees Octrooibureau verzoeken om te worden gehoord door een bevoegde gerechtelijke instantie in het land waar hij woont. Indien hierom wordt verzocht of indien binnen de in de oproep gestelde termijn geen antwoord wordt ontvangen, kan het Europees Octrooibureau in overeenstemming met artikel 131, tweede lid, de bevoegde gerechtelijke instantie verzoeken de betrokkene te horen.

2.

Indien het Europees Octrooibureau het opnieuw horen van een door hem gehoorde partij, getuige of deskundige onder ede of op een gelijkelijk bindende wijze wenselijk acht, kan het overeenkomstig artikel 131, tweede lid, de bevoegde gerechtelijke instantie in het land waar de betrokkene woont hierom verzoeken.

3.

Indien het Europees Octrooibureau een bevoegde gerechtelijke instantie verzoekt een verklaring af te nemen, kan het de gerechtelijke instantie verzoeken de verklaring onder ede of op een gelijkelijk bindende wijze af te nemen en een lid van het desbetreffende orgaan toe te staan daarbij aanwezig te zijn en de partij, getuige of deskundige, hetzij via de instantie, hetzij rechtstreeks, vragen te stellen.

Regel 121. Benoeming van deskundigen

1.

Het Europees Octrooibureau beslist over de vorm waarin het advies van de door hem benoemde deskundige dient te worden ingediend.

2.

De opdracht aan de deskundige dient te bevatten:

  • a. een nauwkeurige omschrijving van zijn taak;
  • b. de termijn waarbinnen hij zijn deskundigenrapport dient in te dienen;
  • c. de namen van de partijen bij de procedure;
3.

Een afschrift van het schriftelijk advies wordt aan de partijen verstrekt.

4.

De partijen kunnen een deskundige wraken. Het betrokken orgaan van het Europees Octrooibureau beslist over de wraking.

Regel 122. Kosten van het verkrijgen van bewijs

1.

Het Europees Octrooibureau kan bepalen dat het verkrijgen van bewijs afhankelijk wordt gemaakt van de storting van een aan de hand van een kostenraming te bepalen voorschot door de partij die het verkrijgen van bewijs heeft aangevraagd bij het Europees Octrooibureau.

2.

De getuigen of deskundigen, die zijn opgeroepen door en verschijnen voor het Europees Octrooibureau, hebben recht op een billijke vergoeding van hun reis- en verblijfkosten. Op deze kosten kan hun een voorschot worden verleend. Dit is tevens van toepassing op personen die voor het Europees Octrooibureau verschijnen zonder hiervoor te zijn opgeroepen en als getuigen of deskundigen worden gehoord.

3.

De getuigen, die recht hebben op een vergoeding op grond van het tweede lid, hebben tevens recht op een billijke vergoeding voor gederfde inkomsten; de deskundigen hebben recht op een honorarium voor hun werkzaamheden. Deze vergoedingen en honoraria worden aan de getuigen of deskundigen uitbetaald nadat zij hun plichten en taken hebben vervuld.

4.

De Raad van Bestuur legt de wijze waarop het tweede en derde lid worden toegepast vast. De betaling van de op grond van deze leden verschuldigde bedragen geschiedt door het Europees Octrooibureau.

Regel 123. Veiligstellen van bewijs

1.

Het Europees Octrooibureau kan op verzoek onverwijld het verkrijgen van bewijs ten uitvoer leggen met het oog op het veiligstellen van het bewijs van feiten die van belang kunnen zijn bij een beslissing die het Europees Octrooibureau waarschijnlijk zal moeten nemen ten aanzien van een Europese octrooiaanvrage of een Europees octrooi, wanneer te vrezen valt dat het verkrijgen van bewijs later moeilijker of zelfs onmogelijk wordt. De datum van het verkrijgen van bewijs dient tijdig te worden medegedeeld aan de aanvrager of aan de houder van het octrooi om hem in staat te stellen daarbij aanwezig te zijn. Hij kan alle ter zake dienende vragen stellen.

2.

Het verzoek dient te bevatten:

  • a. de gegevens van de verzoeker overeenkomstig regel 41, tweede lid, onderdeel c;
  • b. een toereikende aanduiding van de desbetreffende Europese octrooiaanvrage of het desbetreffende Europees octrooi;
  • c. een omschrijving van de te bewijzen feiten;
  • d. de aanduiding van de bewijsmiddelen;
  • e. een uiteenzetting van de redenen die rechtvaardigen dat verwacht mag worden dat het verkrijgen van bewijs later moeilijker of zelfs onmogelijk zal kunnen worden.
3.

Het verzoek wordt geacht eerst te zijn ingediend na betaling van de voorgeschreven taks.

4.

De beslissing op het verzoek wordt genomen en het daaropvolgende verkrijgen van bewijs wordt ten uitvoer gelegd door het orgaan van het Europees Octrooibureau, die de beslissing zal moeten nemen waarvoor de te bewijzen feiten van belang zouden kunnen zijn. De bepalingen die betrekking hebben op het verkrijgen van bewijs in procedures voor het Europees Octrooibureau zijn van toepassing.

Regel 124. Verslag van de mondelinge procedures en van het verkrijgen van bewijs

1.

Van een mondelinge procedure en van het verkrijgen van bewijs wordt een verslag opgesteld, waarin het belangrijkste van de mondelinge procedure of van het verkrijgen van bewijs wordt weergegeven, alsmede de van belang zijnde mededelingen van de partijen, de verklaringen van de partijen, de getuigen of de deskundigen en de bevindingen van de bezichtiging ter plaatse.

2.

Het verslag van de verklaring van een getuige, deskundige of partij wordt de betrokkene voorgelezen, hem ter inzage overhandigd zodat hij het kan nalopen, of wanneer deze met technische middelen is opgenomen, voor hem afgespeeld, tenzij hij afziet van dit recht. In het verslag wordt aangetekend dat dit geschied is en dat het verslag is goedgekeurd door degene die de verklaring heeft afgelegd. Wanneer het verslag niet wordt goedgekeurd, wordt aantekening gemaakt van de gemaakte bezwaren. Het verslag behoeft niet opnieuw te worden afgespeeld en niet te worden goedgekeurd, indien de verklaring rechtstreeks woordelijk is opgenomen met behulp van technische middelen.

3.

Het verslag wordt gelegaliseerd door het personeelslid dat verantwoordelijk is voor het opstellen ervan en door het personeelslid dat de mondelinge procedure of het verkrijgen van bewijs heeft geleid, hetzij door ondertekening hetzij op andere passende wijze.

4.

Een afschrift van het verslag wordt verstrekt aan de partijen.

HOOFDSTUK IV. KENNISGEVINGEN

Regel 125. Algemene bepalingen

1.

Het Europees Octrooibureau geeft ambtshalve aan de betrokkenen kennis van alle beslissingen en oproepen, alsmede van kennisgevingen of andere mededelingen waardoor een termijn gaat lopen of waarvan kennisgeving aan de betrokkenen bij dit Verdrag of door de President van het Europees Octrooibureau is voorgeschreven. Alle kennisgevingen geschieden door middel van het originele stuk, een door het Europees Octrooibureau voor eensluidend gewaarmerkt of van een zegel van het Europees Octrooibureau voorzien afschrift van het stuk, of een computeruitdraai die van dit zegel is voorzien of een elektronisch document dat een dergelijk zegel bevat of anderszins is gewaarmerkt. De door de partijen zelf ingediende afschriften van stukken behoeven niet op deze wijze te worden gewaarmerkt.

2.

Kennisgeving wordt gedaan:

  • b. met behulp van elektronische communicatie overeenkomstig regel 127;
  • c. door overhandiging ten kantore van het Europees Octrooibureau overeenkomstig regel 128; of
  • d. door openbare kennisgeving overeenkomstig regel 129.
3.

De kennisgeving door tussenkomst van de centrale dienst voor de industriële eigendom van een Verdragsluitende Staat wordt gedaan overeenkomstig de wetgeving die van toepassing is op die dienst bij de nationale procedures.

4.

Indien een stuk de geadresseerde heeft bereikt en het Europees Octrooibureau niet kan bewijzen dat van een bepaald stuk op de juiste manier kennis is gegeven of indien de bepalingen inzake de kennisgeving niet zijn nageleefd, wordt van het stuk geacht kennis te zijn gegeven op de datum waarvan het Europees Octrooibureau kan aantonen dat het stuk op die datum is ontvangen.

Regel 126. Kennisgeving per post

1.

Van beslissingen waarbij een beroepstermijn of de termijn voor een verzoek om herziening gaat lopen, van oproepen en van alle andere door de President van het Europees Octrooibureau aan te wijzen stukken, wordt per aangetekende brief met ontvangstbevestiging of het equivalent daarvan kennisgeving gedaan. De andere kennisgevingen per post geschieden per aangetekende brief.

2.

Wanneer de kennisgeving is gedaan overeenkomstig het eerste lid, wordt de brief geacht door de geadresseerde te zijn ontvangen op de tiende dag nadat deze aan de postdienst is overhandigd, tenzij het stuk de geadresseerde niet of pas later heeft bereikt; in geval van een geschil dient het Europees Octrooibureau te bewijzen dat de brief is aangekomen of, in voorkomend geval, dat de brief op een bepaalde datum aan de geadresseerde is overhandigd.

3.

Kennisgeving overeenkomstig het eerste lid wordt geacht te zijn gedaan, zelfs indien de brief is geweigerd.

4.

Voor zover de kennisgeving per post niet geheel wordt geregeld door het eerste tot en met het derde lid, geldt het recht van de Staat waar de kennisgeving wordt gedaan.

Regel 127. Kennisgeving met behulp van elektronische communicatie

1.

De kennisgeving kan met behulp van door de President van het Europees Octrooibureau vast te stellen elektronische communicatiemiddelen en onder door hem vast te stellen voorwaarden worden gedaan.

2.

Wanneer de kennisgeving met behulp van elektronische communicatie is gedaan, wordt het elektronische stuk geacht door de geadresseerde te zijn ontvangen op de tiende dag nadat deze is verzonden, tenzij het zijn bestemming niet of pas later heeft bereikt; in geval van een geschil dient het Europees Octrooibureau te bewijzen dat het elektronische stuk zijn bestemming heeft bereikt of, in voorkomend geval, de datum vast te stellen waarop het stuk zijn bestemming heeft bereikt.

Regel 128. Kennisgeving door rechtstreekse overhandiging

De kennisgeving kan ten kantore van het Europees Octrooibureau worden gedaan door rechtstreekse overhandiging van het stuk aan de geadresseerde die de ontvangst bevestigt. De kennisgeving wordt ook geacht te zijn gedaan, indien de geadresseerde weigert het stuk in ontvangst te nemen of weigert de ontvangst te bevestigen.

Regel 129. Openbare kennisgeving

1.

Indien het niet mogelijk is het adres van de geadresseerde te achterhalen, of indien kennisgeving in overeenstemming met regel 126, eerste lid, ook na een tweede poging van het Europees Octrooibureau onmogelijk is gebleken, wordt de kennisgeving gedaan door middel van openbare bekendmaking.

2.

De President van het Europees Octrooibureau bepaalt op welke wijze openbare bekendmaking zal geschieden, alsmede op welke datum de termijn van een maand aanvangt, waarna bij afloop van de termijn de kennisgeving van het stuk wordt geacht te zijn geschied.

Regel 130. Kennisgeving aan gemachtigde of vertegenwoordiger

1.

Indien een gemachtigde is aangewezen, worden aan hem de kennisgevingen gedaan.

2.

Indien meer dan één gemachtigde voor een enkele partij is aangewezen, is het afdoende de kennisgeving aan slechts één van hen te doen.

3.

Indien meerdere partijen een gemeenschappelijke vertegenwoordiger hebben, is het afdoende de kennisgeving van de stukken aan de gemeenschappelijke vertegenwoordiger te doen.

HOOFDSTUK IV. KENNISGEVINGEN

Regel 131. Berekening van de termijnen

1.

De termijnen worden in volle jaren, maanden, weken of dagen vastgesteld.

2.

De termijn begint op de dag volgend op de dag waarop de van belang zijnde gebeurtenis heeft plaatsgevonden, waarbij deze gebeurtenis een procedurele handeling of de afloop van een andere termijn kan zijn. Wanneer de procedurele handeling een kennisgeving betreft, geldt als van belang zijnde gebeurtenis de ontvangst van het stuk waarvan kennisgeving is gedaan, tenzij anders is bepaald.

3.

Wanneer een termijn in één of een bepaald aantal jaren is uitgedrukt, loopt deze termijn af in het desbetreffende daaropvolgende jaar in de maand met dezelfde naam en op de dag met hetzelfde getal als de maand waarin en de dag waarop de bedoelde gebeurtenis heeft plaatsgehad; indien in de desbetreffende daaropvolgende maand niet hetzelfde getal voorkomt, loopt de desbetreffende termijn af op de laatste dag van die maand.

4.

Wanneer een termijn in één of een bepaald aantal maanden is uitgedrukt, loopt deze termijn af in de desbetreffende daaropvolgende maand op de dag dat hetzelfde getal heeft als de dag waarop de bedoelde gebeurtenis heeft plaatsgehad; indien in de desbetreffende daaropvolgende maand niet hetzelfde getal voorkomt, loopt de desbetreffende termijn af op de laatste dag van die maand.

5.

Wanneer een termijn in één of een bepaald aantal weken is uitgedrukt, loopt deze termijn af in de desbetreffende daaropvolgende week op de dag met dezelfde naam als de dag waarop de bedoelde gebeurtenis heeft plaatsgehad.

Regel 132. Door het Europees Octrooibureau vastgestelde termijnen

1.

Wanneer het Verdrag of dit Uitvoeringsreglement verwijst naar „een te stellen termijn” wordt deze vastgesteld door het Europees Octrooibureau.

2.

Tenzij anders is bepaald, kan een door het Europees Octrooibureau vastgestelde termijn op ten minste twee en ten hoogste vier maanden worden gesteld; in bijzondere omstandigheden kan dat ten hoogste zes maanden zijn. In bijzondere gevallen kan de termijn voor afloop ervan op verzoek worden verlengd.

Regel 133. Tardief ontvangen stukken

1.

Een stuk dat door het Europees Octrooibureau te laat is ontvangen, wordt geacht op tijd te zijn ontvangen, indien het tijdig voor het verstrijken van de termijn, overeenkomstig de door de President van het Europees Octrooibureau vastgestelde voorwaarden, is afgeleverd bij een erkende postdienst, tenzij het stuk later dan drie maanden na het verstrijken van de termijn is ontvangen.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op elke termijn waarin in overeenstemming met artikel 75, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, onderdeel b, handelingen plaatsvinden voor de bevoegde instantie.

Regel 134. Verlenging van termijnen

1.

Indien een termijn op een dag afloopt waarop een van de kantoren van het Europees Octrooibureau, waar men ingevolge regel 35, eerste lid, een octrooiaanvrage kan indienen, niet geopend is voor het in ontvangst nemen van stukken, of op een dag waarop om andere redenen dan bedoeld in het tweede lid daar geen postbestellingen plaatsvinden, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende dag waarop alle kantoren waar men een octrooiaanvrage kan indienen, geopend zijn voor het in ontvangst nemen van stukken en waarop postbestellingen plaatsvinden. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing indien stukken, ingediend met behulp van een van de ingevolge regel 2, eerste lid, door de President van het Europees Octrooibureau toegestane elektronische communicatiemiddelen, niet ontvangen kunnen worden.

2.

Indien een termijn op een dag afloopt waarop de postbestelling of verzending van post in een Verdragsluitende Staat algemeen was verstoord, wordt voor de partijen die hun woonplaats of zetel in die Staat hebben of die gemachtigden hebben aangewezen die hun kantoor hebben in die Staat, de termijn verlengd tot de eerstvolgende dag na deze periode van verstoring. Indien de desbetreffende Staat de Staat is waar het Europees Octrooibureau gevestigd is, is deze bepaling van toepassing op alle partijen en hun gemachtigden. Dit lid is van overeenkomstige toepassing op de termijn bedoeld in regel 37, tweede lid.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing wanneer handelingen worden verricht voor de in artikel 75, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, onderdeel b, bedoelde bevoegde instantie.

4.

De datum van de aanvang en van het einde van een verstoring zoals bedoeld in het tweede lid, wordt door het Europees Octrooibureau bekendgemaakt.

5.

Onverminderd het eerste tot en met vierde lid, kan iedere betrokkene partij aantonen dat op een van de tien dagen voorafgaand aan de dag waarop een termijn verstrijkt de postbezorging of verzending van post was verstoord ten gevolge van een uitzonderlijke gebeurtenis zoals een natuurramp, oorlog, burgerlijke onrust, een algemene storing van een van de door de President van het Europees Octrooibureau ingevolge regel 2, eerste lid, toegestane elektronische communicatiemiddelen of om soortgelijke redenen, die de plaats betreffen waar de partij of zijn gemachtigde zijn woonplaats of zijn zetel heeft. Indien het bewijs het Europees Octrooibureau overtuigt, wordt het te laat ontvangen stuk geacht tijdig te zijn ontvangen, mits het uiterlijk vijf dagen na afloop van de storing ter post is bezorgd of verzonden.

Regel 135. Verdere behandeling

1.

Verdere behandeling ingevolge artikel 121, eerste lid, wordt verzocht door betaling van de voorgeschreven taks binnen twee maanden na de mededeling betreffende het verzuim een termijn in acht te nemen of een verlies van recht. De nagelaten handeling dient binnen de termijn voor het indienen van het verzoek te worden voltooid.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)