Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag)

Type Verdrag
Publication 2025-04-01
Laatst bijgewerkt 2026-08-20
State In force
Source BWB
artikelen 522
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • s. data van schorsing en hervatting van de procedure in de gevallen bedoeld in de regels 14 en 78;
  • t. data van onderbreking en hervatting van de procedure in het geval bedoeld in regel 142;
  • u. datum van herstel in de vorige toestand indien een inschrijving ingevolge onderdeel n of r heeft plaatsgevonden;
  • w. de vestiging van rechten op de aanvrage of het Europees octrooi en de overgang van deze rechten, voor zover dit Uitvoeringsreglement bepaalt dat dit wordt ingeschreven;
  • x. datum en strekking van een beslissing op het verzoek om beperking of herroeping van het Europees octrooi;
  • y. datum en strekking van de beslissing van de Grote Kamer van beroep op het verzoek om herziening.
2.

De President van het Europees Octrooibureau kan beslissen dat andere dan de gegevens bedoeld in het eerste lid worden ingeschreven in het Europees Octrooiregister.

Regel 144. Delen van het dossier die niet voor inzage beschikbaar zijn

Ingevolge artikel 128, vierde lid, zijn de volgende delen van het dossier niet voor inzage beschikbaar:

  • a. de stukken die betrekking hebben op de uitsluiting of wraking van de leden van de kamers van beroep of de Grote Kamer van beroep;
  • b. ontwerp-beslissingen, aantekeningen en alle overige stukken ter voorbereiding van beslissingen en kennisgevingen, die niet aan de partijen zijn medegedeeld;
  • c. de aanwijzing van de uitvinder indien deze ingevolge regel 20, eerste lid, afstand heeft gedaan van het recht om als zodanig te worden vermeld;
  • d. elk ander stuk dat door de President van het Europees Octrooibureau van inzage wordt uitgesloten, omdat het doel van informatie voor het publiek over de Europese octrooiaanvrage of het Europees octrooi niet gediend wordt met inzage.

Regel 145. Procedures voor de inzage van dossiers

1.

Inzage in de dossiers van Europese octrooiaanvragen en Europese octrooien geschiedt aan de hand van de originele stukken of afschriften daarvan of met behulp van technische opslagmiddelen indien de dossiers op deze wijze worden bewaard.

2.

Alle regelingen voor inzage van dossiers worden door de President van het Europees Octrooibureau bepaald, alsmede in welke gevallen een administratieve taks dient te worden betaald.

Regel 146. Verstrekking van gegevens uit de dossiers

Onverminderd de beperkingen vervat in artikel 128, eerste tot en met vierde lid, en in regel 144, kan het Europees Octrooibureau op verzoek en na betaling van een administratieve taks, gegevens verstrekken ter zake van een dossier met betrekking tot een Europese octrooiaanvrage of een Europees octrooi. Het Europees Octrooibureau kan evenwel verwijzen naar de mogelijkheid van inzage van het dossier, indien het dit passend acht gelet op de hoeveelheid te verstrekken gegevens.

Regel 147. Aanleggen, bijhouden en bewaren van dossiers

1.

Van alle Europese octrooiaanvragen en octrooien worden door het Europees Octrooibureau dossiers aangelegd, bijgehouden en bewaard.

2.

De President van het Europees Octrooibureau bepaalt de vorm waarin deze dossiers worden aangelegd, bijgehouden en bewaard.

3.

In een elektronisch dossier opgenomen stukken worden als originelen aangemerkt.

4.

Dossiers worden ten minste vijf jaar bewaard vanaf het einde van het jaar waarin:

  • a. de aanvrage is afgewezen, ingetrokken of wordt geacht te zijn ingetrokken;
  • b. het octrooi door het Europees Octrooibureau is herroepen; of
  • c. het octrooi of de desbetreffende bescherming ingevolge artikel 63, tweede lid, in de laatste van de aangewezen Staten is verstreken.
5.

Onverminderd het vierde lid worden dossiers met betrekking tot aanvragen die hebben geleid tot afgesplitste aanvragen ingevolge artikel 76 of tot nieuwe aanvragen ingevolge artikel 61, eerste lid, onderdeel b, bewaard gedurende ten minste dezelfde tijdsduur als de dossiers die op deze laatstgenoemde aanvragen betrekking hebben. Hetzelfde geldt voor dossiers die betrekking hebben op daaruit voortvloeiende Europese octrooien.

HOOFDSTUK VII. INLICHTINGEN OVER DE STAND VAN DE TECHNIEK

Regel 148. Mededelingen tussen het Europees Octrooibureau en de autoriteiten van de Verdragsluitende Staten

1.

Mededelingen tussen het Europees Octrooibureau en de centrale diensten voor de industriële eigendom van de Verdragsluitende Staten die voortvloeien uit de toepassing van de bepalingen van het Verdrag verlopen rechtstreeks. Het Europees Octrooibureau en de gerechtelijke instanties of andere autoriteiten van de Verdragsluitende Staten kunnen met elkaar in contact treden door tussenkomst van deze centrale diensten voor de industriële eigendom.

2.

De kosten verbonden aan mededelingen overeenkomstig het eerste lid, komen ten laste van de autoriteit die de mededeling heeft gedaan; hiervoor is geen taks verschuldigd.

Regel 149. Inzage van dossiers door gerechtelijke instanties en autoriteiten van de Verdragsluitende Staten of door hun tussenkomst

1.

Inzage van de dossiers van Europese octrooiaanvragen of van Europese octrooien door gerechtelijke instanties of autoriteiten van de Verdragsluitende Staten geschiedt aan de hand van de originele stukken of aan de hand van afschriften daarvan; regel 145 is niet van toepassing.

2.

De gerechtelijke instanties en de openbare ministeries van de Verdragsluitende Staten kunnen, tijdens de voor hen gevoerde procedure, aan derden inzage geven in de dossiers of afschriften daarvan die het Europees Octrooibureau hen heeft toegezonden. Dit geschiedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 128 en hiervoor is geen taks verschuldigd.

3.

Wanneer het Europees Octrooibureau de dossiers doorzendt, vermeldt het hierbij onder welke beperkingen ingevolge artikel 128, eerste en vierde lid, het dossier aan derden ter inzage mag worden gegeven.

Regel 150. Procedure bij rogatoire commissies

1.

Elke Verdragsluitende Staat wijst een centrale instantie aan die wordt belast met het ontvangen van rogatoire commissies van het Europees Octrooibureau en die deze moet doorzenden aan de gerechtelijke instantie of autoriteit die bevoegd is tot de uitvoering ervan.

2.

Het Europees Octrooibureau stelt de rogatoire commissies op in de taal van de bevoegde gerechtelijke instantie of autoriteit of voegt aan de rogatoire commissies een vertaling toe in die taal.

3.

Onverminderd het vijfde en zesde lid, past de bevoegde gerechtelijke instantie of autoriteit haar nationale wetten toe met betrekking tot de te volgen procedure voor de uitvoering van die rogatoire commissies en, in het bijzonder, de gepaste dwangmiddelen.

4.

Indien de gerechtelijke instantie of autoriteit die de rogatoire commissie heeft ontvangen niet bevoegd is tot uitvoering hiervan, wordt deze onverwijld doorgezonden aan de centrale instantie bedoeld in het eerste lid. Deze zendt de rogatoire commissie door aan een andere bevoegde gerechtelijke instantie of autoriteit van die Staat, dan wel aan het Europees Octrooibureau indien in die Staat geen gerechtelijke instantie of autoriteit bevoegd is.

5.

Het Europees Octrooibureau wordt op de hoogte gebracht van het tijdstip waarop en de plaats waar het verkrijgen van bewijs of andere gerechtelijke maatregel zal plaatsvinden en stelt de betrokken partijen, getuigen en deskundigen hiervan in kennis.

6.

Op verzoek van het Europees Octrooibureau geeft de bevoegde gerechtelijke instantie of autoriteit de leden van het betrokken orgaan toestemming tot het bijwonen van de procedure en tot het, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van bevoegde gerechtelijke instantie of autoriteit, vragen te stellen aan een ieder die een verklaring aflegt.

7.

De uitvoering van rogatoire commissies kan geen aanleiding geven tot terugbetaling van taksen of kosten van welke aard ook. De Staat waarin een rogatoire commissie wordt uitgevoerd heeft niettemin het recht van de Organisatie de terugbetaling te eisen van de aan deskundigen of tolken betaalde honoraria en van de kosten die voortvloeien uit de in het zesde lid bedoelde procedure.

8.

Indien de door de bevoegde gerechtelijke instantie of autoriteit toegepaste wet het verzamelen van bewijs aan de partijen oplegt en indien die gerechtelijke instantie of autoriteit niet in staat is zelf de rogatoire commissie uit te voeren, kan die gerechtelijke instantie of autoriteit, met toestemming van het Europees Octrooibureau, deze opdragen aan een daartoe geëigende persoon. Bij het aanvragen van die toestemming geeft de bevoegde gerechtelijke instantie of autoriteit bij benadering de kosten aan die deze procedure met zich meebrengt. De toestemming van het Europees Octrooibureau houdt voor de Organisatie de verplichting in deze kosten terug te betalen; indien het Europees Octrooibureau zijn toestemming niet heeft verleend, komen deze kosten niet ten laste van de Organisatie.

HOOFDSTUK IX. INFORMATIE VOOR HET PUBLIEK

Regel 151. Aanwijzing van een gemeenschappelijke vertegenwoordiger

1.

Indien een aanvrage is ingediend door meer dan één persoon en indien in het verzoek om verlening van het Europees octrooi geen gemeenschappelijke vertegenwoordiger is aangewezen, wordt de in het verzoek als eerste genoemde aanvrager geacht op te treden als gemeenschappelijke vertegenwoordiger. Indien een van de aanvragers verplicht is een erkende gemachtigde aan te wijzen, wordt deze gemachtigde beschouwd als de gemeenschappelijke vertegenwoordiger, tenzij de eerst genoemde aanvrager zelf een erkende gemachtigde heeft aangewezen. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op derden die gezamenlijk oppositie hebben ingesteld of een verzoek tot tussenkomst hebben ingediend, alsmede op gemeenschappelijke houders van een Europees octrooi.

2.

Indien tijdens de procedure de Europese octrooiaanvraag overgaat op meer dan één persoon en deze personen geen gemeenschappelijke vertegenwoordiger hebben aangewezen, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing. Indien de toepassing hiervan niet mogelijk is, verzoekt het Europees Octrooibureau deze personen een gemeenschappelijke vertegenwoordiger aan te wijzen binnen een te stellen termijn. Indien aan dit verzoek geen gevolg wordt gegeven, wijst het Europees Octrooibureau zelf de gemeenschappelijke vertegenwoordiger aan.

Regel 152. Volmacht

1.

De President van het Europees Octrooibureau bepaalt in welke gevallen de gemachtigden die optreden voor het Europees Octrooibureau een ondertekende volmacht dienen in te dienen.

2.

Indien een gemachtigde nalaat een dergelijke volmacht in te dienen, verzoekt het Europees Octrooibureau hem dat binnen een te stellen termijn te doen. De volmacht kan betrekking hebben op een of meer Europese octrooiaanvragen of Europese octrooien en wordt in een dienovereenkomstig aantal afschriften ingediend.

3.

Indien niet voldaan is aan de vereisten van artikel 133, tweede lid, wordt voor het benoemen van een gemachtigde en het indienen van de volmacht dezelfde termijn vastgesteld.

4.

Een algemene volmacht op grond waarvan een gemachtigde wordt gemachtigd om op te treden in alle octrooizaken van een partij kan worden ingediend. Een enkel afschrift is voldoende.

5.

De President van het Europees Octrooibureau kan de vorm en inhoud vaststellen van:

  • b. een algemene volmacht.
6.

Indien de vereiste volmacht niet tijdig wordt ingediend, worden de door de gemachtigde verrichte handelingen, met uitzondering van de indiening van een Europese octrooiaanvrage, geacht niet te hebben plaatsgevonden, onverminderd andere rechtsgevolgen voorzien in het Verdrag.

7.

Het tweede en vierde lid zijn van toepassing op de intrekking van een volmacht.

8.

Een gemachtigde wordt als gemachtigd beschouwd, zolang het Europees Octrooibureau niet op de hoogte is gesteld van de beëindiging van zijn volmacht.

9.

Tenzij in de volmacht uitdrukkelijk anders is bepaald, eindigt een volmacht ten opzichte van het Europees Octrooibureau niet bij het overlijden van de volmachtgever.

10.

Indien een partij meerdere gemachtigden aanwijst, kunnen deze zowel gemeenschappelijk als afzonderlijk optreden, ook wanneer anders is bepaald in de mededeling omtrent hun benoeming of in de volmacht.

11.

De volmacht van een samenwerkingsverband van gemachtigden wordt geacht een volmacht te zijn van elke gemachtigde die kan aantonen dat hij binnen dat samenwerkingsverband werkzaamheden verricht.

Regel 153. Bescherming van het beroepsgeheim

1.

Indien van een erkende gemachtigde in deze hoedanigheid advies is gevraagd, is alle communicatie tussen de erkende gemachtigde en diens cliënt of een derde, waarop artikel 2 van de disciplinaire voorschriften voor erkende gemachtigden van toepassing is, blijvend gevrijwaard van bekendmaking in procedures voor het Europees Octrooibureau, tenzij de cliënt daarvan uitdrukkelijk afstand heeft gedaan.

2.

Deze vrijwaring van bekendmaking is in het bijzonder van toepassing op elke mededeling die of elk stuk dat betrekking heeft op:

  • a. de beoordeling van de octrooieerbaarheid van een uitvinding;
  • b. de voorbereiding van of de procedure ter zake van een Europese octrooiaanvrage;
  • c. elk oordeel ter zake van de geldigheid van, reikwijdte van de bescherming van of inbreuk op een Europees octrooi of een Europese octrooiaanvrage.

Regel 154. Wijziging van de lijst van erkende gemachtigden

1.

De inschrijving van een erkende gemachtigde op de lijst van erkende gemachtigden wordt doorgehaald indien hij daarom verzoekt of indien hij, ondanks herhaalde aanmaningen, zijn jaarlijkse contributie aan het Instituut niet heeft betaald vóór het einde van september van het jaar waarvoor de contributie verschuldigd is.

2.

Onverminderd op grond van artikel 134a, eerste lid, onderdeel c, genomen disciplinaire maatregelen, kan de inschrijving van een erkende gemachtigde slechts ambtshalve worden doorgehaald:

  • a. in geval van overlijden of handelingsonbekwaamheid;
  • b. indien hij niet meer de nationaliteit van een Verdragsluitende Staat bezit, tenzij hem een ontheffing is verleend op grond van artikel 134, zevende lid, onderdeel a;
  • c. indien zijn kantoor of zijn plaats van zijn tewerkstelling zich niet meer op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Staten bevindt.
3.

Een ieder, wiens inschrijving op de lijst van erkende gemachtigden ingevolge artikel 134, tweede of derde lid, is doorgehaald, wordt op verzoek opnieuw ingeschreven op die lijst indien de redenen voor de doorhaling niet meer bestaan.

DEEL VIII. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL VIII VAN HET VERDRAG

Regel 155. Indiening en verzending van het verzoek tot omzetting

1.

Het verzoek tot omzetting bedoeld in artikel 135, eerste lid, onderdeel a of b, dient te worden ingediend binnen drie maanden na de intrekking van de Europese octrooiaanvrage of de mededeling dat de aanvrage geacht wordt te zijn ingetrokken of van de beslissing tot afwijzing van de aanvrage of herroeping van het Europees octrooi. De in artikel 66 bedoelde gevolgen van de Europese octrooiaanvrage vervallen indien het verzoek niet tijdig is ingediend.

2.

Bij de verzending van het verzoek tot omzetting aan de centrale diensten voor de industriële eigendom van de in het verzoek aangegeven Verdragsluitende Staten, voegt de desbetreffende centrale dienst of het Europees Octrooibureau een afschrift van het dossier ter zake van de Europese octrooiaanvrage of het Europees octrooi bij het verzoek.

3.

Artikel 135, vierde lid, is van toepassing indien het verzoek tot omzetting bedoeld in artikel 135, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, niet voor het verstrijken van een termijn van twintig maanden na de datum van indiening of, indien beroep is gedaan op een recht van voorrang, na de voorrangsdatum, wordt verzonden.

Regel 156. Informatie aan het publiek in geval van omzetting

1.

De stukken die overeenkomstig regel 155, tweede lid, zijn gevoegd bij het verzoek tot omzetting, worden door de centrale dienst voor de industriële eigendom beschikbaar gesteld aan het publiek onder dezelfde voorwaarden en binnen dezelfde grenzen als de stukken die betrekking hebben op de nationale procedure.

2.

Het octrooischrift van het nationale octrooi dat voortvloeit uit de omzetting van een Europese octrooiaanvrage dient melding te maken van deze aanvrage.

DEEL VIII. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL VIII VAN HET VERDRAG

Regel 157. Het Europees Octrooibureau als ontvangend bureau

1.

Het Europees Octrooibureau is bevoegd op te treden als ontvangend bureau in de zin van het PCT, indien de aanvrager inwoner of onderdaan is van een Verdragsluitende Staat bij dit Verdrag en bij het PCT. Indien de aanvrager het Europees Octrooibureau kiest als ontvangend bureau, wordt de internationale aanvrage onverminderd het derde lid rechtstreeks bij het Europees Octrooibureau ingediend. Artikel 75, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

Indien het Europees Octrooibureau als ontvangend bureau op grond van het PCT optreedt, wordt de internationale aanvrage in de Duitse, de Engelse of de Franse taal ingediend. De President van het Europees Octrooibureau kan bepalen dat van de internationale aanvrage en elk stuk dat daarmee verband houdt, meer dan een afschrift wordt ingediend.

3.

Indien een internationale aanvrage bij een autoriteit van een Verdragsluitende Staat wordt ingediend voor doorzending naar het Europees Octrooibureau als ontvangend bureau, ziet de Verdragsluitende Staat erop toe dat de aanvrage het Europees Octrooibureau uiterlijk twee weken voor het eind van de dertiende maand na de indiening, of indien een beroep op voorrang wordt gedaan, na de voorrangsdatum, bereikt.

4.

De taks voor verzending van de internationale aanvrage dient binnen een maand na de indiening van de aanvrage te worden betaald.

Regel 158. Het Europees Octrooibureau als Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek of als Instantie voor Internationale Voorlopige Beoordeling

1.

In het geval van artikel 17, derde lid, onderdeel a, van het PCT dient voor elke verdere uitvinding waarvoor een internationaal nieuwheidsonderzoek wordt verricht een aanvullende taks voor het internationaal nieuwheidsonderzoek te worden betaald.

2.

In het geval van artikel 34, derde lid, onderdeel a, van het PCT dient voor elke verdere uitvinding waarvoor de internationale voorlopige beoordeling wordt verricht een aanvullende taks voor de internationale voorlopige beoordeling te worden betaald.

3.

Indien een aanvullende taks onder bezwaar is betaald, onderzoekt het Europees Octrooibureau het bezwaar in overeenstemming met regel 40, tweede lid, onderdelen c tot en met e, of regel 68, derde lid, onderdelen c tot en met e van het PCT, onder de voorwaarde dat de voorgeschreven taks voor het indienen van bezwaar wordt betaald. De nadere bijzonderheden met betrekking tot de procedure worden door de President van het Europees Octrooibureau bepaald.

Regel 159. Het Europees Octrooibureau als aangewezen of gekozen bureau – Vereisten voor ingaan van de Europese fase

1.

Ter zake van een internationale aanvrage ingevolge artikel 153 dient de aanvrager binnen eenendertig maanden na de datum van indiening van de aanvrage, of indien een beroep op voorrang is gedaan, vanaf de voorrangsdatum, het volgende te verrichten:

  • a. indien van toepassing, het verschaffen van de ingevolge artikel 153, vierde lid, vereiste vertaling van de internationale aanvrage;
  • b. aangeven op welke stukken de Europese verleningsprocedure dient te worden gebaseerd, de oorspronkelijk ingediende of de gewijzigde stukken;
  • d. betalen van de aanwijzingstaks, indien de termijn bedoeld in regel 39, eerste lid, eerder is verstreken;
  • e. betalen van de taks voor het nieuwheidsonderzoek, indien een aanvullend verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek dient te worden opgesteld;
2.

Tot het nemen van beslissingen namens het Europees Octrooibureau ingevolge artikel 25, tweede lid, onderdeel a, van het PCT zijn de onderzoeksafdelingen bevoegd.

Regel 160. Gevolgen van niet-naleving van bepaalde vereisten

1.

Indien de vertaling van de internationale aanvrage of het verzoek om onderzoek niet tijdig wordt ingediend, of indien de indieningstaks, de taks voor het nieuwheidsonderzoek of de aanwijzingstaks niet tijdig wordt betaald, wordt de Europese octrooiaanvrage geacht te zijn ingetrokken.

2.

Indien het Europees Octrooibureau vaststelt dat de aanvrage geacht wordt te zijn ingetrokken ingevolge het eerste lid, deelt het dit mede aan de aanvrager. Regel 112, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Regel 161. Wijziging van de aanvrage

Onverminderd regel 137, tweede tot en met vierde lid, kan de aanvrage eenmaal worden gewijzigd binnen een maand na een dienovereenkomstige mededeling ter informatie van de aanvrager. De gewijzigde aanvrage dient als basis voor elk aanvullend nieuwheidsonderzoek dat ingevolge artikel 153, zevende lid, dient te worden uitgevoerd.

Regel 162. Conclusies waarvoor taksen dienen te worden betaald

1.

Indien de stukken van de aanvrage waarop de Europese verleningsprocedure dient te worden gebaseerd meer dan vijftien conclusies bevatten, dient voor de zestiende en iedere daaropvolgende conclusie binnen de termijn bedoeld in regel 159, eerste lid, overeenkomstig het Taksenreglement een conclusietaks te worden betaald.

2.

Indien de conclusietaksen niet tijdig zijn voldaan, kunnen zij alsnog worden betaald binnen een maand na de mededeling dat de voorgeschreven termijn niet in acht is genomen. Indien binnen deze termijn gewijzigde conclusies worden ingediend, worden de verschuldigde conclusietaksen berekend op basis van deze gewijzigde conclusies.

3.

Binnen de termijn bedoeld in het eerste lid betaalde conclusietaksen boven de overeenkomstig het tweede lid, tweede volzin, verschuldigde taksen worden terugbetaald.

4.

Indien een conclusietaks niet tijdig is betaald, wordt de desbetreffende conclusie geacht te zijn ingetrokken.

Regel 163. Onderzoek van bepaalde vormvereisten door het Europees Octrooibureau

1.

Indien de aanwijzing van de uitvinder ingevolge regel 19, eerste lid, niet binnen de termijn ingevolge regel 159, eerste lid, is geschied, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager de aanwijzing binnen twee maanden te verrichten.

2.

Indien een beroep op de voorrang van een eerdere aanvrage wordt gedaan en het dossiernummer van de eerdere aanvrage of een afschrift daarvan zoals voorzien in regel 52, eerste lid, en regel 53 binnen de termijn bedoeld in regel 159, eerste lid, niet is ingediend, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager dat nummer of afschrift binnen twee maanden te verstrekken. Regel 53, tweede lid, is van toepassing.

3.

Indien na het verstrijken van de termijn ingevolge regel 159, eerste lid, geen sequentie-opsomming die voldoet aan de normen voorzien in de Administratieve Instructies bij het PCT beschikbaar is voor het Europees Octrooibureau, wordt de aanvrager verzocht binnen twee maanden een sequentie-opsomming in te dienen die voldoet aan de regels vastgesteld door de President van het Europees Octrooibureau. Regel 30, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4.

Indien na het verstrijken van de termijn ingevolge regel 159, eerste lid, het adres, de nationaliteit of de Staat waarin een aanvrager woont of zijn zetel heeft, ontbreekt, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager deze gegevens binnen twee maanden te verstrekken.

5.

Indien na het verstrijken van de termijn ingevolge regel 159, eerste lid, niet is voldaan aan de vereisten van artikel 133, tweede lid, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager binnen twee maanden een erkende gemachtigde te benoemen.

6.

Indien de in het eerste, vierde of vijfde lid geconstateerde gebreken niet tijdig zijn opgeheven, wordt de Europese octrooiaanvrage afgewezen. Indien het ingevolge het tweede lid geconstateerde gebrek niet tijdig wordt opgeheven, gaat het recht van voorrang voor de aanvrage verloren.

Regel 164. Onderzoek van eenheid door het Europees Octrooibureau

1.

Indien het Europees Octrooibureau van mening is dat de stukken van de aanvrage, die als basis voor het aanvullend nieuwheidsonderzoek moeten dienen, niet voldoen aan de vereisten van eenheid van uitvinding, wordt een aanvullend verslag van het nieuwheidsonderzoek opgesteld voor die delen van de aanvrage die betrekking hebben op de uitvinding of de groep van uitvindingen in de zin van artikel 82, die als eerste in de conclusies wordt genoemd.

2.

Indien de onderzoeksafdeling vaststelt dat de stukken van de aanvrage, die als basis voor de procedure voor het verlenen van het Europese Octrooi moeten dienen, niet voldoen aan de vereisten van eenheid van uitvinding of indien bescherming wordt gevraagd voor een uitvinding waarop het verslag van het internationaal nieuwheidsonderzoek of, naargelang van het geval, het aanvullend verslag van het nieuwheidsonderzoek geen betrekking heeft, wordt de aanvrager verzocht de aanvrage te beperken tot een uitvinding waarop het verslag van het internationaal nieuwheidsonderzoek of het aanvullend verslag van het nieuwheidsonderzoek betrekking heeft.

Regel 165. De Euro-PCT-aanvrage als colliderende aanvrage in de zin van artikel 54, derde lid

Een Euro-PCT-aanvrage wordt geacht tot de stand van de techniek in de zin van artikel 54, derde lid, te behoren, indien voldaan is aan de voorwaarden vervat in artikel 153, derde of vierde lid, en de indieningstaks ingevolge regel 159, eerste lid, onderdeel c, is betaald.

AFDELING I. BEVOEGDHEID

Artikel 1

(1). Voor rechtsvorderingen, die zijn ingesteld tegen de aanvrager van een Europees octrooi en zijn gericht op het doen gelden van de aanspraak op verlening van het Europees octrooi voor een of meer in de Europese octrooiaanvrage aangewezen Verdragsluitende Staten, wordt de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Verdragsluitende Staten bepaald overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 6.

(2). In de zin van dit Protocol worden met de rechterlijke instanties gelijkgesteld de autoriteiten die volgens het nationale recht van een Verdragsluitende Staat bevoegd zijn te beslissen over rechtsvorderingen als in het eerste lid bedoeld. De Verdragsluitende Staten delen het Europees Octrooibureau mede aan welke autoriteiten een dergelijke bevoegdheid is verleend; het Europees Octrooibureau doet hiervan mededeling aan de andere Verdragsluitende Staten.

(3). In de zin van dit Protocol wordt onder de Verdragsluitende Staten verstaan de Staten die Partij zijn bij het Verdrag en die de toepassing van dit Protocol niet hebben uitgesloten op grond van artikel 167 van het Verdrag.

Artikel 2

Behoudens het bepaalde in de artikelen 4 en 5, wordt een rechtsvordering tegen de aanvrager van een Europees octrooi, die zijn woonplaats of zetel heeft in een van de Verdragsluitende Staten, ingesteld door de rechterlijke instanties van bedoelde Verdragsluitende Staat.

Artikel 3

Behoudens het bepaalde in de artikelen 4 en 5 zijn, indien de aanvrager van een Europees octrooi noch zijn woonplaats noch zijn zetel in een van de Verdragsluitende Staten heeft en indien de persoon die de aanspraak op verlening van het Europees octrooi doet gelden zijn woonplaats of zetel wel in een van de Verdragsluitende Staten heeft, alleen de rechterlijke instanties van laatstbedoelde Staat bevoegd.

Artikel 4

Indien de Europese octrooiaanvrage een uitvinding van een werknemer betreft, zijn voor rechtsvorderingen, waar de werkgever en de werknemer tegenover elkaar staan, behoudens het bepaalde in artikel 5, alleen de rechterlijke instanties van die Verdragsluitende Staat bevoegd, volgens het recht waarvan het recht op het Europees octrooi wordt bepaald overeenkomstig artikel 60, eerste lid, tweede volzin, van het Verdrag.

Artikel 5

(1). Indien de partijen bij een geschil omtrent de aanspraak op verlening van het Europees octrooi, door middel van een schriftelijke overeenkomst of van een mondelinge overeenkomst die schriftelijk is bevestigd een rechterlijke instantie of de rechterlijke instanties van een bepaalde Verdragsluitende Staat hebben aangewezen om inzake dit geschil een beslissing te nemen, is alleen deze rechterlijke instantie of zijn alleen deze rechterlijke instanties van die Staat bevoegd.

(2). Indien de partijen een werknemer en zijn werkgever betreffen, is het eerste lid slechts van toepassing voor zover het op de arbeidsovereenkomst toepasselijke nationale recht een dergelijke overeenkomst toestaat.

Artikel 6

Voor de gevallen waarin de artikelen 2 tot en met 4 en artikel 5, eerste lid, niet van toepassing zijn, zijn alleen de rechterlijke instanties van de Duitse Bondsrepubliek bevoegd.

Artikel 7

De rechterlijke instanties van de Verdragsluitende Staten, waarvoor rechtsvorderingen als bedoeld in artikel 1 aanhangig worden gemaakt, toetsen ambtshalve of zij bevoegd zijn overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 6.

Artikel 8

(1). Wanneer voor rechterlijke instanties van verschillende Verdragsluitende Staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, moet de rechterlijke instantie waarbij de zaak later is aangebracht, zelfs ambtshalve, de partijen verwijzen naar de rechterlijke instantie, waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt.

(2). De rechterlijke instantie, die tot verwijzing zou moeten overgaan op grond van het eerste lid, houdt haar uitspraak aan tot de beslissing van de rechterlijke instantie, waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt, in kracht van gewijsde is gegaan, indien de bevoegdheid van laatstbedoelde instantie wordt betwist.

AFDELING II. ERKENNING

Artikel 9

(1). Behoudens het bepaalde in artikel 11, tweede lid, worden de in kracht van gewijsde gegane beslissingen, die zijn gegeven in een Verdragsluitende Staat ten aanzien van de aanspraak op verlening van het Europees octrooi voor een of meer in de Europese octrooiaanvrage aangewezen Staten in de overige Verdragsluitende Staten erkend zonder vorm van proces.

(2). De bevoegdheid van de rechterlijke instantie waarvan de beslissing moet worden erkend en de rechtsgeldigheid van die beslissing mag niet worden aangevochten.

Artikel 10

Artikel 9, eerste lid, is niet van toepassing indien:

  • a). de aanvrager van een Europees octrooi, die voor een rechterlijke instantie is gedaagd en niet is verschenen, bewijst dat het stuk dat het geding inleidt hem niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, is betekend, of
  • b). de aanvrager van een Europees octrooi bewijst dat de beslissing onverenigbaar is met een andere beslissing, genomen ten aanzien van een tussen dezelfde partijen in een Verdragsluitende Staat aanhangig gemaakte rechtsvordering, die eerder is ingesteld dan de rechtsvordering ten aanzien waarvan de beslissing, waarvoor erkenning wordt gevraagd, werd genomen.

Artikel 11

(1). In de betrekkingen tussen de Verdragsluitende Staten hebben de bepalingen van dit Protocol voorrang boven de daarmede in strijd zijnde bepalingen van andere overeenkomsten betreffende de rechterlijke bevoegdheid of de erkenning van de beslissingen.

(2). Dit Protocol verhindert niet de toepassing van enige andere regeling tussen een Verdragsluitende Staat en een Staat die niet is gebonden door dit Protocol.

Artikel 1

1.

De kantoorruimten van de Organisatie zijn onschendbaar.

2.

De autoriteiten van de Staten op het grondgebied waarvan de Organisatie haar kantoorruimten heeft, kunnen deze ruimten slechts betreden met toestemming van de Voorzitter van het Europees Octrooibureau. Deze toestemming wordt geacht te zijn verkregen bij brand of bij enig ander ongeval waarbij onmiddellijk maatregelen ter bescherming dienen te worden genomen.

3.

Het betekenen ten kantore van de Organisatie van processtukken welke betrekking hebben op een tegen de Organisatie gerichte rechtsvordering, vormt geen inbreuk op de onschendbaarheid.

Artikel 2

Het archief van de Organisatie alsmede de documenten die haar toebehoren of die zij onder zich houdt, zijn onschendbaar.

Artikel 3

1.

In het kader van haar officiële werkzaamheden, geniet de Organisatie immuniteit van rechtsmacht en van executie behoudens:

  • a). voor zover de Organisatie in een bijzonder geval uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van deze immuniteit;
  • b). met betrekking tot een door derden ingediende civiele rechtsvordering ter zake van schade, die voortvloeit uit een ongeval dat is veroorzaakt door een aan de Organisatie toebehorend of namens haar gebruikt motorvoertuig, of met betrekking tot een verkeersovertreding waarbij een zodanig voertuig is betrokken;
  • c). met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een ingevolge artikel 23 gedane scheidsrechterlijke uitspraak.
2.

Eigendommen en activa van de Organisatie, ongeacht waar deze zich bevinden, zijn vrij van vordering, inbeslagneming, onteigening en beslaglegging.

3.

Eigendommen en activa van de Organisatie zijn eveneens vrij van elke vorm van administratieve of voorlopige gerechtelijke dwang, behalve voor zover deze tijdelijk geboden zou zijn in verband met het voorkomen van ongevallen waarbij motorvoertuigen zijn betrokken, die toebehoren aan de Organisatie of namens deze worden gebruikt, en het instellen van een onderzoek naar de toedracht van die ongevallen.

4.

In de zin van dit Protocol wordt onder officiële werkzaamheden van de Organisatie die werkzaamheden verstaan welke strikt noodzakelijk zijn voor de administratieve en technische uitvoering van haar taken zoals die zijn vastgesteld in het Verdrag.

Artikel 4

1.

Binnen het raam van haar officiële werkzaamheden zijn de Organisatie, haar bezittingen en haar inkomsten vrijgesteld van alle directe belastingen.

2.

Wanneer de Organisatie voor het verrichten van haar officiële werkzaamheden belangrijke aankopen doet in de prijs waarvan belastingen of rechten zijn begrepen, worden door de Verdragsluitende Staten zo mogelijk passende maatregelen genomen om het met deze belastingen of rechten gemoeide bedrag terug te betalen of de Organisatie van de verplichting tot betaling daarvan te ontheffen.

3.

Geen vrijstelling wordt verleend ten aanzien van belastingen en rechten, die in feite niet anders zijn dan een vergoeding voor openbare diensten verleend door openbare nutsbedrijven.

Artikel 5

Goederen die door de Organisatie worden ingevoerd of uitgevoerd voor het verrichten van haar officiële werkzaamheden, zijn vrijgesteld van alle in- en uitvoerrechten en andere heffingen, andere dan rechten of heffingen die betrekking hebben op verleende diensten, alsmede van alle in- en uitvoerverboden en -beperkingen.

Artikel 6

Geen vrijstelling op grond van de artikelen 4 en 5 wordt verleend ten aanzien van goederen die worden aangekocht en ingevoerd ten gerieve van de personeelsleden van het Europees Octrooibureau persoonlijk.

Artikel 7

1.

Aan de Organisatie toebehorende goederen die zijn verworven of ingevoerd overeenkomstig artikel 4 of 5, mogen uitsluitend worden verkocht of weggegeven overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld door de Verdragsluitende Staten die de vrijstellingen hebben verleend.

2.

De overdracht van goederen en het verlenen van diensten tussen de verschillende gebouwen van de Organisatie zijn vrij van alle heffingen of beperkingen; in voorkomende gevallen nemen de Verdragsluitende Staten alle passende maatregelen om het met deze heffingen gemoeide bedrag terug te betalen of de betrokkenen van de verplichting tot betaling daarvan te ontheffen, of om deze beperkingen op te heffen.

Artikel 8

De doorzending van geschriften en ander voorlichtingsmateriaal dat door of aan de Organisatie wordt verzonden, wordt op geen enkele wijze beperkt.

Artikel 9

(1). Behoudens het bepaalde in artikel 11, tweede lid, worden de in kracht van gewijsde gegane beslissingen, die zijn gegeven in een Verdragsluitende Staat ten aanzien van de aanspraak op verlening van het Europees octrooi voor een of meer in de Europese octrooiaanvrage aangewezen Staten in de overige Verdragsluitende Staten erkend zonder vorm van proces.

(2). De bevoegdheid van de rechterlijke instantie waarvan de beslissing moet worden erkend en de rechtsgeldigheid van die beslissing mag niet worden aangevochten.

Artikel 10

Artikel 9, eerste lid, is niet van toepassing indien:

  • a). de aanvrager van een Europees octrooi, die voor een rechterlijke instantie is gedaagd en niet is verschenen, bewijst dat het stuk dat het geding inleidt hem niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, is betekend, of
  • b). de aanvrager van een Europees octrooi bewijst dat de beslissing onverenigbaar is met een andere beslissing, genomen ten aanzien van een tussen dezelfde partijen in een Verdragsluitende Staat aanhangig gemaakte rechtsvordering, die eerder is ingesteld dan de rechtsvordering ten aanzien waarvan de beslissing, waarvoor erkenning wordt gevraagd, werd genomen.

Artikel 11

(1). In de betrekkingen tussen de Verdragsluitende Staten hebben de bepalingen van dit Protocol voorrang boven de daarmede in strijd zijnde bepalingen van andere overeenkomsten betreffende de rechterlijke bevoegdheid of de erkenning van de beslissingen.

(2). Dit Protocol verhindert niet de toepassing van enige andere regeling tussen een Verdragsluitende Staat en een Staat die niet is gebonden door dit Protocol.

Artikel 12

1.

De vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Staten, hun plaatsvervangers, hun adviseurs of deskundigen genieten, bij de vergaderingen van de Raad van Bestuur of ieder orgaan dat door deze Raad is ingesteld alsmede op hun reizen naar de plaats van samenkomst en terug, de volgende voorrechten en immuniteiten:

  • a). immuniteit van arrestatie en gevangenhouding, alsmede van inbeslagneming van hun persoonlijke bagage, behalve wanneer zij op heterdaad betrapt worden;
  • b). vrijstelling van rechtsvervolging, ook na beëindiging van hun missie, met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden, door hen in de uitoefening van hun functie verricht; deze vrijstelling geldt evenwel niet in geval van een door een van de hierboven bedoelde personen begane verkeersovertreding of in geval van schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat hem toebehoort of dat door hem werd bestuurd;
  • c). onschendbaarheid van al hun officiële papieren en documenten;
  • d). het recht codes te gebruiken en documenten of correspondentie te ontvangen per speciale koerier of in een verzegelde tas;
  • e). vrijstelling voor henzelf en hun echtgenoten van alle maatregelen die de binnenkomst van vreemdelingen beperken alsmede van de aan de registratie van vreemdelingen verbonden formaliteiten;
  • f). dezelfde faciliteiten ter zake van valuta- en deviezenbepalingen als die welke worden verleend aan de vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen die met een tijdelijke officiële missie zijn belast.
2.

Voorrechten en immuniteiten worden aan de in het eerste lid bedoelde personen niet verleend in hun persoonlijk belang, doch met het doel hun volledige onafhankelijkheid te waarborgen bij de uitoefening van hun functie in verband met de Organisatie. Derhalve heeft een Verdragsluitende Staat de plicht de immuniteit op te heffen telkens wanneer, naar het oordeel van die Staat, de immuniteit aan de loop van het recht in de weg zou staan, en er afstand van kan worden gedaan, zonder de doeleinden waarvoor zij was toegekend, in gevaar te brengen.

Artikel 13

1.

Behoudens artikel 6 geniet de Voorzitter van het Europees Octrooibureau de voorrechten en immuniteiten die zijn toegekend aan diplomatieke functionarissen krachtens het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961.

2.

De vrijstelling van rechtsvordering geldt echter niet in geval van een door de Voorzitter van het Europees Octrooibureau begane verkeersovertreding of in geval van schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat hem toebehoort of dat door hem werd bestuurd.

Artikel 14

De personeelsleden van de Organisatie

  • a). genieten, ook nadat zij hun functies beëindigd hebben, vrijstelling van rechtsvervolging met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden, door hen in de uitoefening van hun functie verricht; deze immuniteit geldt evenwel niet in geval van een verkeersovertreding begaan door een personeelslid van de Organisatie, noch in geval van schade die is veroorzaakt door een motorvoertuig dat toebehoort aan of bestuurd werd door een personeelslid;
  • b). zijn vrijgesteld van alle verplichtingen met betrekking tot de militaire dienst;
  • c). genieten onschendbaarheid met betrekking tot al hun officiële papieren en documenten;
  • d). genieten, evenals hun inwonende gezinsleden, dezelfde faciliteiten ten aanzien van vrijstelling van alle maatregelen die de immigratie beperken en de inschrijving van vreemdelingen regelen, als die welke in het algemeen worden toegekend aan personeelsleden van internationale organisaties;
  • e). genieten dezelfde voorrechten met betrekking tot deviezenregelingen als die welke in het algemeen worden toegekend aan de personeelsleden van internationale organisaties;
  • f). genieten bij een internationale crisis, wat terugkeer naar hun vaderland betreft, dezelfde faciliteiten als die welke diplomatieke vertegenwoordigers worden toegekend; hun inwonende gezinsleden genieten dezelfde faciliteiten;
  • g). hebben het recht, wanneer zij voor de eerste maal hun werkzaamheden in de betrokken Staat aanvangen, hun meubelen en persoonlijke bezittingen vrij van rechten in te voeren, en hebben, wanneer zij hun functie in die Staat beëindigen, het recht hun meubelen en persoonlijke bezittingen vrij van rechten uit te voeren, met inachtneming van de voorwaarden die de Regering van de Staat op het grondgebied waarvan dit recht wordt uitgeoefend noodzakelijk acht en met uitzondering van de goederen welke in die Staat zijn aangeschaft en waarvoor aldaar een uitvoerverbod bestaat.

Artikel 15

Deskundigen genieten tijdens het uitoefenen van hun werkzaamheden voor de Organisatie of tijdens het uitvoeren van missies voor de Organisatie, alsook tijdens reizen die zij in verband daarmee maken, de volgende voorrechten en immuniteiten, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun functie:

  • a). vrijstelling van rechtsvervolging met betrekking tot door hen tijdens de uitoefening van hun functie verrichte handelingen, waaronder begrepen geschreven of gesproken woorden, behoudens in geval van een door een deskundige begane verkeersovertreding, of in geval van schade veroorzaakt door een hem toebehorend of door hem bestuurd motorvoertuig; ook na beëindiging van hun functie bij de Organisatie genieten de deskundigen deze immuniteit;
  • b). onschendbaarheid ten aanzien van al hun officiële papieren en documenten;
  • c). deviezenfaciliteiten die nodig zijn voor het overmaken van hun vergoedingen.

Artikel 16

1.

Onder de voorwaarden en op de wijze zoals die worden vastgesteld door de Raad van Bestuur binnen een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag, zijn de in de artikelen 13 en 14 bedoelde personen onderworpen aan een belasting ten gunste van de Organisatie op door de Organisatie betaalde salarissen en emolumenten. Van de datum waarop deze belasting ingaat af zijn deze salarissen en emolumenten vrij van nationale inkomstenbelasting. De Verdragsluitende Staten kunnen evenwel met deze salarissen en emolumenten wel rekening houden bij de berekening van de belasting die verschuldigd is over inkomsten uit andere bronnen.

2.

Het vorige lid is niet van toepassing op de pensioenen en lijfrenten die door de Organisatie worden betaald aan voormalige personeelsleden van het Europees Octrooibureau.

Artikel 17

De Raad van Bestuur bepaalt op welke categorieën personeelsleden het bepaalde in artikel 14, geheel of gedeeltelijk, en in artikel 16 van toepassing is, alsmede op welke categorieën deskundigen het bepaalde in artikel 15 van toepassing is. De namen, titels en adressen van de personeelsleden en deskundigen van die categorieën worden op gezette tijden ter kennis gebracht van de Verdragsluitende Staten.

Artikel 18

Indien de Organisatie een eigen systeem voor sociale verzekering instelt, zijn de Organisatie en de personeelsleden van het Europees Octrooibureau vrijgesteld van alle verplichte bijdragen aan de nationale sociale verzekeringsorganen, met inachtneming van de overeenkomsten, die zij, overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, met de Verdragsluitende Staten sluit.

Artikel 19

1.

De in dit Protocol voorziene voorrechten en immuniteiten zijn niet bedoeld om de personeelsleden van het Europees Octrooibureau of de deskundigen, die voor of in opdracht van de Organisatie werkzaam zijn tot persoonlijk voordeel te strekken. Zij beogen uitsluitend het onbelemmerd functioneren van de Organisatie onder alle omstandigheden, zomede de volledige onafhankelijkheid van de personen aan wie zij worden toegekend.

2.

De Voorzitter van het Europees Octrooibureau heeft de plicht de immuniteit op te heffen, indien hij van oordeel is dat deze immuniteit aan de loop van het recht in de weg staat, en indien het mogelijk is van deze immuniteit afstand te doen zonder de belangen van de Organisatie in gevaar te brengen. De Raad van Bestuur kan op dezelfde gronden een van de aan de Voorzitter toegekende immuniteiten opheffen.

Artikel 20

1.

De Organisatie werkt voortdurend samen met de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten ter bevordering van een goede rechtsbedeling, ter verzekering van de naleving van politievoorschriften en van voorschriften met betrekking tot de volksgezondheid, de arbeidsinspectie, of andere soortgelijke nationale wetten, alsmede ter voorkoming van misbruik van de in dit Protocol bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten.

2.

De procedure te volgen bij de in het voorgaande lid genoemde samenwerking kan worden neergelegd in de in artikel 25 bedoelde aanvullende overeenkomsten.

Artikel 21

Elke Verdragsluitende Staat behoudt zich het recht voor alle voorzorgen te treffen die nodig zijn in het belang van zijn veiligheid.

Artikel 22

Geen enkele Verdragsluitende Staat is verplicht de in de artikelen 12, 13, 14, letters b), e) en g), en 15, letter c), bedoelde voorrechten en immuniteiten toe te kennen aan:

  • a). zijn eigen onderdanen;
  • b). personen die bij de aanvang van hun werkzaamheden bij de Organisatie hun vaste woonplaats in die Staat hebben en die niet behoren tot het personeel van een andere intergouvernementele organisatie dat overgaat naar de Organisatie.

Artikel 23

1.

Elke Verdragsluitende Staat kan aan een internationaal scheidsgerecht elk geschil voorleggen waarbij de Organisatie, een personeelslid of een deskundige die voor of in opdracht van de Organisatie werkzaamheden verricht betrokken is, voor zover de Organisatie, het personeelslid of de deskundige zich op een voorrecht of een immuniteit krachtens dit Protocol heeft beroepen, en deze immuniteit niet is opgeheven.

2.

Indien een Verdragsluitende Staat voornemens is een geschil ter arbitrage voor te leggen, doet hij daarvan mededeling aan de Voorzitter van de Raad van Bestuur, die iedere Verdragsluitende Staat terstond van deze mededeling in kennis stelt.

3.

De procedure neergelegd in het eerste lid is niet van toepassing op geschillen tussen de Organisatie en de personeelsleden of deskundigen met betrekking tot het ambtenarenreglement of de arbeidsvoorwaarden en is evenmin van toepassing op de personeelsleden met betrekking tot het pensioenreglement.

4.

Van een uitspraak van het scheidsgerecht, die definitief en bindend is voor partijen, is geen beroep toegelaten. Zo er onenigheid bestaat ten aanzien van de betekenis of draagwijdte van de uitspraak, is het scheidsgerecht verplicht deze, op verzoek van een der partijen, toe te lichten.

Artikel 24

1.

Het in artikel 23 bedoelde scheidsgerecht bestaat uit drie leden, te weten één scheidsman die wordt benoemd door de Staat of de Staten die partij zijn bij de arbitrage, één scheidsman die door de Raad van Bestuur wordt benoemd en een derde scheidsman, die als voorzitter optreedt en door de twee anderen wordt benoemd.

2.

Deze scheidsmannen worden gekozen uit een lijst van ten hoogste zes scheidsmannen die door elke Verdragsluitende Staat worden aangewezen en zes door de Raad van Bestuur aangewezen scheidsmannen. Deze lijst wordt zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit Protocol opgesteld en vervolgens telkens voor zover nodig aangevuld.

3.

Indien binnen drie maanden, te rekenen van de datum van de in artikel 23, tweede lid, bedoelde mededeling, een der partijen niet is overgegaan tot de benoeming bedoeld in het eerste lid, wordt, op verzoek van de andere partij, de scheidsman door de President van het Internationale Gerechtshof gekozen uit de personen die op genoemde lijst voorkomen. Dit gebeurt eveneens, zo een der partijen daarom verzoekt, indien binnen één maand na het tijdstip van benoeming van de tweede scheidsman, de eerste twee scheidsmannen geen overeenstemming kunnen bereiken over de aanwijzing van de derde scheidsman. Indien evenwel in beide gevallen de Voorzitter van het Internationale Gerechtshof verhinderd is of indien hij onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil, worden de bovenbedoelde benoemingen gedaan door de onder-Voorzitter van het Internationale Hof, tenzij ook deze onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil; in dat geval dienen de benoemingen te geschieden door het lid van het Internationale Hof dat zelf geen onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil en die is gekozen door de Voorzitter of door de onder-Voorzitter. Een onderdaan van de verzoekende Staat mag niet worden gekozen om op te treden als de scheidsman die door de Raad van Bestuur moest worden benoemd, zomin als een op de lijst voorkomende en door de Raad van Bestuur aangewezen persoon mag worden gekozen om op te treden als de scheidsman die door de verzoekende Staat moest worden benoemd. Ook mag geen tot een dezer categorieën behorende persoon worden gekozen als voorzitter van het scheidsgerecht.

4.

Het scheidsgerecht stelt zijn eigen procedureregels vast.

Artikel 25

De Organisatie kan, bij besluit van de Raad van Bestuur, met een of meer Verdragsluitende Staten aanvullende overeenkomsten aangaan ten einde uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Protocol met betrekking tot die Staat of die Staten, alsmede andere regelingen treffen ter waarborging van een goede functionering van de Organisatie en ter beveiliging van haar belangen.

Artikel 1. Algemene beginselen

Artikel 69 mag niet worden uitgelegd als zou de beschermingsomvang van het Europees octrooi strikt worden bepaald door de letterlijke tekst van de conclusies en als zouden de beschrijving en de tekeningen slechts mogen dienen om de onduidelijkheden, die in de conclusies zouden kunnen voorkomen, op te heffen. Artikel 69 mag evenmin worden uitgelegd als zouden de conclusies alleen als richtlijn dienen en als zou de beschermingsomvang zich ook uitstrekken tot hetgeen de octrooihouder, naar het oordeel van de vakman die de beschrijving en de tekeningen bestudeert, heeft willen beschermen. De uitleg dient daarentegen tussen deze twee uitersten het midden te houden, waarbij zowel een billijke bescherming aan de octrooihouder als een redelijke mate van rechtszekerheid aan derden wordt geboden.

Artikel 2. Equivalenten

Bij het vaststellen van de beschermingsomvang van het Europees octrooi dient op passende wijze rekening te worden gehouden met elk element dat gelijkwaardig is aan een in de conclusies omschreven element.

IN WITNESS WHEREOF, the Plenipotentiaries authorised thereto, having presented their Full Powers, found to be in good and due form, have signed this Convention.

DONE at Munich this fifth day of October one thousand nine hundred and seventy-three

Regel 63. Onvolledig nieuwheidsonderzoek

1.

Indien het Europees Octrooibureau van oordeel is dat de Europese octrooiaanvrage dermate weinig aan de bepalingen van het Verdrag voldoet, dat het onmogelijk is op basis van alle of een deel van de onderwerpen waarvoor bescherming wordt gevraagd een zinvol onderzoek naar de stand van de techniek uit te voeren, verzoekt het de aanvrager binnen een termijn van twee maanden een verklaring in te dienen waarin het te onderzoeken onderwerp uiteen wordt gezet.

2.

Indien de verklaring bedoeld in het eerste lid niet tijdig wordt ingediend, of niet toereikend is om het in het eerste lid bedoelde geconstateerde gebrek op te heffen, geeft het Europees Octrooibureau een met redenen omklede verklaring af, dat de Europese octrooiaanvrage dermate weinig aan de bepalingen van het Verdrag voldoet, dat het onmogelijk is op basis van alle of een deel van de onderwerpen waarvoor bescherming wordt gevraagd een zinvol onderzoek naar de stand van de techniek in te stellen, of stelt het Europees Octrooibureau, voor zover mogelijk, een gedeeltelijk verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek op. De met redenen omklede verklaring of het gedeeltelijke verslag worden voor de verdere procedure beschouwd als het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek.

3.

Indien een gedeeltelijk verslag van het nieuwheidsonderzoek is opgesteld, verzoekt de onderzoeksafdeling de aanvrager de conclusies te beperken tot het onderzochte onderwerp, tenzij zij vaststelt dat het bezwaar bedoeld in het eerste lid ongegrond was.

Regel 64. Verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek indien er geen eenheid van uitvinding is

1.

Indien het Europees Octrooibureau van oordeel is dat de Europese octrooiaanvrage niet voldoet aan het vereiste van eenheid van uitvinding, stelt het een gedeeltelijk verslag van het nieuwheidsonderzoek op voor die delen van de aanvrage die betrekking hebben op de uitvinding, of op de groep van uitvindingen in de zin van artikel 82, die als eerste in de conclusies staat vermeld. Het deelt de aanvrager mede dat, indien het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek de andere uitvindingen dient te bestrijken, voor elke betrokken uitvinding binnen een termijn van twee maanden een volgende taks voor het nieuwheidsonderzoek dient te worden betaald. Het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek wordt voor de delen van de octrooiaanvrage opgesteld die betrekking hebben op de uitvindingen waarvoor taksen voor het nieuwheidsonderzoek zijn betaald.

2.

Elke taks die is betaald ingevolge het eerste lid wordt terugbetaald, indien tijdens het onderzoek van de Europese octrooiaanvrage de aanvrager daarom verzoekt en de onderzoeksafdeling vaststelt dat de in het eerste lid bedoelde mededeling niet gerechtvaardigd was.

Regel 65. Verzending van het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek

Zodra het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek is opgesteld, wordt het tezamen met afschriften van alle aangehaalde documenten verzonden aan de aanvrager.

Regel 66. Definitieve inhoud van het uittreksel

Het Europees Octrooibureau stelt tegelijk met het opstellen van het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek de definitieve inhoud van het uittreksel vast en verzendt het tezamen met het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek aan de aanvrager.

HOOFDSTUK III. PUBLICATIE VAN DE EUROPESE OCTROOIAANVRAGE

Regel 67. Technische voorbereidingen ten behoeve van de publicatie

1.

De President van het Europees Octrooibureau bepaalt wanneer de technische voorbereidingen ten behoeve van de publicatie van de Europese octrooiaanvrage geacht worden te zijn voltooid.

2.

De aanvrage wordt niet gepubliceerd wanneer de aanvrage definitief is afgewezen, ingetrokken of geacht wordt te zijn ingetrokken voor de voltooiing van de technische voorbereidingen ten behoeve van de publicatie.

Regel 68. Vorm van de publicatie van Europese octrooiaanvragen en verslagen van het Europees nieuwheidsonderzoek

1.

De publicatie van de Europese octrooiaanvrage omvat de beschrijving, de conclusies en, in voorkomend geval, tekeningen, telkens in de versie zoals oorspronkelijk ingediend, alsmede het uittreksel, of, indien deze stukken die deel uitmaken van de aanvrage niet zijn ingediend in een officiële taal van het Europees Octrooibureau, hun vertaling in de procestaal, en, in een bijlage, het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek, indien het beschikbaar is voordat de technische voorbereidingen ten behoeve van de publicatie zijn afgerond. Indien het verslag van het nieuwheidsonderzoek of het uittreksel niet tezamen met de aanvrage wordt gepubliceerd, wordt het afzonderlijk gepubliceerd.

2.

De President van het Europees Octrooibureau bepaalt in welke vorm de Europese octrooiaanvrage wordt gepubliceerd en welke gegevens daarbij dienen te worden vermeld. Hetzelfde is van toepassing wanneer het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek en het uittreksel afzonderlijk worden gepubliceerd.

3.

De aangewezen Verdragsluitende Staten dienen in de gepubliceerde Europese octrooiaanvrage te worden vermeld.

4.

Indien de conclusies niet op de datum van indiening van de aanvrage waren ingediend, wordt dit bij de publicatie van de aanvrage vermeld. Indien voor de voltooiing van de technische voorbereidingen ten behoeve van de publicatie van de aanvrage, de conclusies overeenkomstig regel 137, tweede lid, zijn gewijzigd, worden naast de oorspronkelijk ingediende conclusies ook de nieuwe of gewijzigde conclusies in de publicatie opgenomen.

Regel 69. Mededelingen betreffende de publicatie

1.

Het Europees Octrooibureau deelt de aanvrager de datum mede waarop in het Europees Octrooiblad melding wordt gemaakt van de publicatie van het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek en vestigt daarbij de aandacht van de aanvrager op regel 70, eerste lid, artikel 94, tweede lid, en regel 70a, eerste lid.

2.

Indien in de mededeling bedoeld in het eerste lid een latere datum van publicatie dan de daadwerkelijke datum van publicatie wordt vermeld, is die latere datum voor de termijnen bedoeld in regel 70, eerste lid, en regel 70a, eerste lid, bepalend, tenzij hier duidelijk sprake is van een fout.

Regel 70. Verzoek om onderzoek

1.

De aanvrager kan tot zes maanden na de datum waarop de publicatie van het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek in het Europees Octrooiblad wordt vermeld, verzoeken om een onderzoek van de Europese octrooiaanvrage. Het verzoek kan niet worden ingetrokken.

2.

Indien het verzoek om onderzoek is ingediend voordat het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek aan de aanvrager is verzonden, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager binnen een te stellen termijn aan te geven of hij de aanvrage wenst voort te zetten en biedt hem de gelegenheid te reageren op het verslag van het nieuwheidsonderzoek en, indien nodig, de beschrijving, de conclusies en de tekeningen te wijzigen.

3.

Indien de aanvrager niet tijdig gevolg geeft aan het verzoek overeenkomstig het tweede lid, wordt de aanvrage geacht te zijn ingetrokken.

HOOFDSTUK IV. ONDERZOEK DOOR DE ONDERZOEKSAFDELING

Regel 70a. Reactie op het uitgebreide verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek

1.

In de opinie die het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek vergezelt, stelt het Europees Octrooibureau de aanvrager in de gelegenheid te reageren op het uitgebreide verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek en verzoekt deze, in voorkomend geval, binnen de in regel 70, eerste lid, bedoelde termijn de gebreken genoemd in de opinie die het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek vergezelt, op te heffen en de beschrijving, conclusies en tekeningen te wijzigen.

2.

In het geval bedoeld in regel 70, tweede lid, of indien naar aanleiding van een Euro-PCT-aanvrage een aanvullend verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek is opgesteld, stelt het Europees Octrooibureau de aanvrager in de gelegenheid te reageren op het uitgebreide verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek en verzoekt deze, in voorkomend geval, binnen de termijn waarbinnen de aanvrager moet aangeven of deze de aanvrage wenst voort te zetten, de eventuele gebreken genoemd in de opinie die het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek vergezelt, op te heffen en de beschrijving, conclusies en tekeningen te wijzigen.

3.

Indien de aanvrager geen gehoor geeft aan of niet reageert op de verzoeken overeenkomstig het eerste of tweede lid, wordt de aanvrage geacht te zijn ingetrokken.

Regel 71. Onderzoeksprocedure

1.

In de mededeling overeenkomstig artikel 94, derde lid, verzoekt de onderzoeksafdeling de aanvrager, indien nodig, geconstateerde gebreken op te heffen en de beschrijving, de conclusies en de tekeningen binnen een te stellen termijn te wijzigen.

2.

Iedere mededeling bedoeld in artikel 94, derde lid, dient met redenen te zijn omkleed en, indien nodig, alle gronden te vermelden waarom het Europees octrooi niet kan worden verleend.

3.

Alvorens te beslissen tot verlening van het Europees octrooi, deelt de onderzoeksafdeling de aanvrager mede op welke tekst zij voornemens is het Europees octrooi te verlenen en verzoekt zij hem, binnen een termijn van vier maanden, de taks voor de verlening en publicatie te betalen, alsmede een vertaling van de conclusies in de twee officiële talen van het Europees Octrooibureau die niet de procestaal zijn, in te dienen. Indien de aanvrager binnen deze termijn de taksen betaalt en de vertaling indient, wordt hij geacht de voor verlening beoogde tekst te hebben goedgekeurd.

4.

Indien de aanvrager binnen de in het derde lid neergelegde termijn verzoekt om wijzigingen bedoeld in regel 137, derde lid, of de verbetering van fouten ingevolge regel 139, dient hij, indien de conclusies zijn gewijzigd of verbeterd, een vertaling van de gewijzigde of verbeterde conclusies in te dienen. Indien de aanvrager binnen deze termijn de taksen betaalt en de vertaling indient, wordt hij geacht te hebben ingestemd met de verlening van het octrooi zoals gewijzigd of verbeterd.

5.

Indien de onderzoeksafdeling niet instemt met een wijziging of verbetering waarom overeenkomstig het vierde lid is verzocht, stelt zij, alvorens een beslissing te nemen, de aanvrager in de gelegenheid binnen een te stellen termijn zijn zienswijze kenbaar te maken en door de onderzoeksafdeling noodzakelijk geachte wijzigingen en, indien de conclusies zijn gewijzigd, een vertaling van de gewijzigde conclusies in te dienen. Indien de aanvrager dergelijke wijzigingen indient, wordt hij geacht te hebben ingestemd met de verlening van het gewijzigde octrooi. Indien de Europese octrooiaanvrage wordt afgewezen, ingetrokken of geacht wordt te zijn ingetrokken, worden de taksen voor de verlening en publicatie alsmede de overeenkomstig het zesde lid betaalde conclusietaksen terugbetaald.

6.

Indien de tekst, waarop de onderzoeksafdeling voornemens is het Europees octrooi te verlenen, meer dan vijftien conclusies bevat, verzoekt de onderzoeksafdeling de aanvrager voor iedere daaropvolgende conclusie een conclusietaks te betalen binnen de termijn voorzien in het derde lid en, in voorkomend geval, het vijfde lid, tenzij deze reeds ingevolge regel 45 of regel 162 zijn betaald.

7.

Indien de taksen voor de verlening en publicatie of de conclusietaksen niet tijdig zijn betaald of indien de vertaling niet tijdig is ingediend, wordt de Europese octrooiaanvrage geacht te zijn ingetrokken.

8.

Indien de aanwijzingstaks na de mededeling bedoeld in het derde lid, is verschuldigd wordt de vermelding van de verlening van het Europees octrooi pas gepubliceerd nadat de aanwijzingstaks is betaald. De aanvrager wordt hiervan in kennis gesteld.

9.

Indien een jaartaks na de mededeling bedoeld in het derde lid en vóór de eerstvolgende mogelijke datum van publicatie van de vermelding van de verlening van het Europees octrooi verschuldigd is, wordt de vermelding pas gepubliceerd nadat de jaartaks is betaald. De aanvrager wordt hiervan in kennis gesteld.

10.

In de mededeling bedoeld in het derde lid wordt verwezen naar de website van het Europees Octrooibureau waar informatie over de vereisten voor de vertaling uit hoofde van artikel 65, eerste lid, in de Verdragsluitende Staten is gepubliceerd.

11.

De beslissing tot verlening van het Europees octrooi vermeldt welke tekst van de Europese octrooiaanvrage de basis voor de beslissing vormt.

Regel 72. Verlening van het Europees octrooi aan verschillende aanvragers

Indien voor verschillende Verdragsluitende Staten verschillende personen als aanvrager in het Europees octrooiregister staan ingeschreven, verleent het Europees Octrooibureau het Europees octrooi dienovereenkomstig voor elke Verdragsluitende Staat.

HOOFDSTUK IV. ONDERZOEK DOOR DE ONDERZOEKSAFDELING

Regel 73. Inhoud en vorm van het octrooischrift

1.

Het octrooischrift van het Europees octrooi bevat de beschrijving, de conclusies en, in voorkomend geval, de tekeningen. Het vermeldt ook de termijn waarbinnen tegen het verleende Europese octrooi oppositie kan worden ingesteld.

2.

De President van het Europees Octrooibureau stelt de vorm van de publicatie van het octrooischrift vast alsmede de erin op te nemen gegevens.

3.

De aangewezen Verdragsluitende Staten worden in het octrooischrift vermeld.

Regel 74. Europees octrooibewijs

Zodra het Europees octrooischrift is gepubliceerd, verstrekt het Europees Octrooibureau aan de octrooihouder een Europees octrooibewijs. De President van het Europees Octrooibureau bepaalt de inhoud, de vorm en de wijze van toezending van het bewijs en de gevallen waarin een administratieve taks dient te worden betaald.

DEEL V. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL V VAN HET VERDRAG

HOOFDSTUK I. OPPOSITIEPROCEDURE

Regel 75. Afstand of verval van het octrooi

Oppositie kan ook worden ingesteld wanneer in alle aangewezen Verdragsluitende Staten afstand van het Europees octrooi is gedaan of het octrooi in al deze Staten is vervallen.

Regel 76. Vorm en inhoud van de oppositie

1.

De oppositie wordt schriftelijk ingesteld en dient met redenen te zijn omkleed.

2.

Het bezwaarschrift dient te bevatten:

  • b. het nummer van het Europees octrooi waartegen de oppositie wordt ingesteld alsmede de naam van de octrooihouder en de titel van de uitvinding;
  • c. een verklaring, waaruit blijkt in welke omvang er tegen het Europees octrooi bezwaar bestaat, en waarin de gronden waarop de oppositie is gebaseerd, alsmede de feiten en de bewijsmiddelen ter ondersteuning van deze gronden, worden aangegeven;
3.

Deel III van het Uitvoeringsreglement is van overeenkomstige toepassing op het bezwaarschrift.

Regel 77. Verwerping van de oppositie wegens niet-ontvankelijkheid

1.

Indien de oppositieafdeling vaststelt dat de oppositie niet voldoet aan artikel 99, eerste lid, of regel 76, tweede lid, onderdeel c, of dat het octrooi waartegen oppositie is ingesteld onvoldoende is aangeduid, verwerpt zij de oppositie als niet-ontvankelijk, tenzij deze gebreken voor het verstrijken van de termijn voor oppositie zijn opgeheven.

2.

Indien de oppositieafdeling vaststelt dat de oppositie niet voldoet aan andere bepalingen dan in het eerste lid bedoeld, deelt zij dit mede aan de opposant en verzoekt hem de vastgestelde gebreken op te heffen binnen een te stellen termijn. Indien de gebreken niet tijdig zijn opgeheven, verwerpt de oppositieafdeling de oppositie als niet-ontvankelijk.

3.

De beslissing waarin de oppositie wegens niet-ontvankelijkheid wordt verworpen, wordt tezamen met een afschrift van het bezwaarschrift aan de octrooihouder toegezonden.

Regel 78. Procedure indien de houder van het octrooi niet-gerechtigd is

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)