Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag)
Voorafgaand aan het begin van elk zittingsjaar verdeelt het Presidium, uitgebreid tot alle voorzitters, de taken over de kamers van beroep. In deze samenstelling beslist het over geschillen ter zake van de taakverdeling tussen twee of meer kamers van beroep. Het uitgebreide Presidium wijst de gewone en plaatsvervangende leden van de afzonderlijke kamers van beroep aan. Elk lid van een kamer van beroep kan als lid van meerdere kamers van beroep worden aangewezen. Waar nodig kunnen deze maatregelen in de loop van het desbetreffende zittingsjaar worden gewijzigd.
Het Presidium kan slechts rechtsgeldig beslissen indien ten minste vijf van zijn leden aanwezig zijn, onder wie in elk geval de Vicepresident verantwoordelijk voor de kamers van beroep of diens plaatsvervanger, alsmede de voorzitters van twee kamers van beroep. Indien het de taken genoemd in het vierde lid betreft, dienen negen leden aanwezig te zijn, onder wie in elk geval de Vicepresident verantwoordelijk voor de kamers van beroep of diens plaatsvervanger, alsmede de voorzitters van drie kamers van beroep. Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen; indien de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter of diens plaatsvervanger de doorslag. Onthouding geldt niet als stem.
De Raad van Bestuur kan aan de kamers van beroep bevoegdheden verlenen op grond van artikel 134a, eerste lid, onderdeel c.
Regel 13. Taakverdeling voor de Grote Kamer van beroep en aanneming van haar reglement voor de procesvoering
Voorafgaand aan het begin van elk zittingsjaar wijzen de leden van de Grote kamer van beroep, benoemd ingevolge artikel 11, derde lid, de gewone en de plaatsvervangende leden van de Grote kamer van beroep aan voor procedures ingevolge artikel 22, eerste lid, onderdelen a en b, alsmede de gewone en plaatsvervangende leden voor procedures ingevolge artikel 22, eerste lid, onderdeel c.
De ingevolge artikel 11, derde lid, benoemde leden van de Grote Kamer van beroep stellen het reglement voor de procesvoering van de Grote Kamer van beroep vast.
Beslissingen over aangelegenheden genoemd in het eerste en tweede lid kunnen uitsluitend worden genomen indien ten minste vijf leden aanwezig zijn, onder wie de voorzitter van de Grote Kamer van beroep of diens plaatsvervanger; indien de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter of diens plaatsvervanger de doorslag. Onthouding geldt niet als stem.
DEEL II. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL II VAN HET VERDRAG
HOOFDSTUK I. PROCEDURE INDIEN DE AANVRAGER NIET-GERECHTIGD IS
Regel 14. Schorsing van de procedure
Indien een derde bewijs overlegt dat hij een procedure heeft aangespannen tegen de aanvrager om een beslissing in de zin van artikel 61, eerste lid, te verkrijgen, wordt de verleningsprocedure geschorst, tenzij de derde het Europees Octrooibureau schriftelijk mededeelt dat hij instemt met de voortzetting van deze procedure. Deze instemming is onherroepelijk. De verleningsprocedure wordt evenwel niet geschorst voordat de Europese octrooiaanvrage is gepubliceerd.
Indien het bewijs is geleverd dat een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen in de zin vanartikel 61, eerste lid, deelt het Europees Octrooibureau de aanvrager en eventuele andere partijen mede dat de verleningsprocedure zal worden hervat vanaf de in de mededeling vermelde datum, tenzij overeenkomstig artikel 61, eerste lid, onderdeel b, een nieuwe Europese octrooiaanvrage is ingediend voor alle aangewezen Verdragsluitende Staten. Indien de beslissing ten gunste van de derde is uitgesproken, mag de procedure niet eerder worden hervat dan drie maanden nadat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij de derde heeft verzocht om hervatting van de verleningsprocedure.
Bij zijn beslissing tot schorsing van de procedure of daarna kan het Europees Octrooibureau een datum vaststellen waarop het de verleningsprocedure wil hervatten, ongeacht het stadium waarin de ingevolge het eerste lid ingestelde, nationale procedure zich bevindt. Het deelt deze datum mede aan de derde, de aanvrager en eventuele andere partijen. Indien voor deze datum geen bewijs is geleverd van een in kracht van gewijsde gegane beslissing, kan het Europees Octrooibureau de procedure hervatten.
Schorsing van de procedure brengt met zich mee de schorsing van alle termijnen die lopen op de datum van schorsing, met uitzondering van de termijnen voor de betaling van jaartaksen. Het nog niet verstreken gedeelte van de termijn begint te lopen vanaf de datum waarop de procedure wordt hervat. De na de hervatting van de procedure resterende termijn dient evenwel ten minste twee maanden te bedragen.
Regel 15. Beperking van intrekkingen
Vanaf de dag waarop een derde het bewijs levert dat hij een nationale procedure heeft aangespannen ingevolge regel 14, eerste lid, tot de dag waarop de verleningsprocedure wordt hervat, kan noch de Europese octrooiaanvrage noch de aanwijzing van een Verdragsluitende Staat worden ingetrokken.
Regel 16. Procedure bedoeld in artikel 61, eerste lid
Een persoon die recht heeft op de verlening van het Europees octrooi kan uitsluitend aanspraak maken op de rechtsmiddelen bedoeld in artikel 61, eerste lid, mits:
- a. hij dit doet uiterlijk drie maanden nadat de beslissing tot erkenning van zijn recht in kracht van gewijsde is gegaan, en
- b. het Europees octrooi nog niet is verleend.
Deze rechtsmiddelen zijn uitsluitend van toepassing ter zake van de in de Europese octrooiaanvrage aangewezen Verdragsluitende Staten waarin de beslissing is genomen of wordt erkend of dient te worden erkend op grond van het Protocol inzake erkenning.
Regel 17. Indiening van een nieuwe Europese octrooiaanvrage door de daartoe gerechtigde persoon
Indien de persoon, aan wie bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing het recht op verlening van het Europees octrooi is toegewezen, een nieuwe Europese octrooiaanvrage indient overeenkomstig artikel 61, eerste lid, onderdeel b, wordt de oorspronkelijke Europese octrooiaanvrage geacht te zijn ingetrokken op de dag van indiening van de nieuwe aanvrage met betrekking tot de daarin aangewezen Verdragsluitende Staten waarin de beslissing is genomen of wordt erkend of dient te worden erkend op grond van het Protocol inzake erkenning.
De indieningstaks en de taks voor het nieuwheidsonderzoek dienen binnen een maand na de indiening van de nieuwe aanvrage te worden betaald. Indien de indieningstaks of de taks voor het nieuwheidsonderzoek niet tijdig wordt betaald, wordt de aanvrage geacht te zijn ingetrokken.
De aanwijzingstaks dient binnen zes maanden na de datum waarop in het Europees Octrooiblad melding wordt gemaakt van de publicatie van het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek ter zake van de nieuwe aanvrage, te worden betaald. Regel 39, tweede en derde lid, is van toepassing.
Regel 18. Gedeeltelijke overgang van het recht op het Europees octrooi
Indien bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing het recht op verlening van het Europees octrooi slechts voor een gedeelte van het onderwerp waarop de oorspronkelijke Europese octrooiaanvrage betrekking heeft, is toegewezen aan een derde, zijn artikel 61 en de regels 16 en 17 op het desbetreffende gedeelte van toepassing.
Indien noodzakelijk bevat de oorspronkelijke Europese octrooiaanvrage voor de aangewezen Verdragsluitende Staten waarin de beslissing is genomen of wordt erkend of op grond van het Protocol inzake erkenning dient te worden erkend, andere conclusies, beschrijving en tekeningen dan die voor de overige aangewezen Verdragsluitende Staten.
Regel 19. Aanwijzing van de uitvinder
In het verzoek om verlening van het Europees octrooi dient de uitvinder te worden aangewezen. Indien de aanvrager echter niet de uitvinder of niet de enige uitvinder is, dient de aanwijzing te geschieden in een afzonderlijk document. In de aanwijzing dienen de naam, de voornamen en het volledige adres van de uitvinder, de in artikel 81 bedoelde verklaring en de handtekening van de aanvrager of van diens gemachtigde te zijn opgenomen.
Het Europees Octrooibureau controleert niet de juistheid van de aanwijzing van de uitvinder.
Indien de aanvrager niet de uitvinder of niet de enige uitvinder is, stelt het Europees Octrooibureau de aangewezen uitvinder in kennis van de in het stuk vervatte gegevens en de volgende gegevens:
- a. het nummer van de Europese octrooiaanvrage;
- b. de datum van indiening van de Europese octrooiaanvrage en, indien een beroep op voorrang is gedaan, de datum, de Staat en het dossiernummer van de eerdere aanvrage;
- c. de naam van de aanvrager;
- d. de titel van de uitvinding;
- e. de aangewezen Verdragsluitende Staten.
De aanvrager en de uitvinder kunnen er zich niet op beroepen dat de mededeling bedoeld in het derde lid niet heeft plaatsgevonden noch op eventueel daarin vervatte fouten.
Regel 20. Publicatie van de vermelding van de uitvinder
De aangewezen uitvinder wordt in de gepubliceerde Europese octrooiaanvrage en in het Europees octrooischrift vermeld, tenzij hij het Europees Octrooibureau schriftelijk mededeelt dat hij afstand heeft gedaan van het recht als zodanig te worden vermeld.
Indien een derde bij het Europees Octrooibureau een in kracht van gewijsde gegane beslissing indient op grond waarvan de aanvrager of de houder van het Europees octrooi verplicht is hem als uitvinder aan te wijzen, is het eerste lid van toepassing.
Regel 21. Rectificatie van de aanwijzing van de uitvinder
Een onjuiste aanwijzing van de uitvinder kan slechts op verzoek en met de toestemming van de ten onrechte aangewezen persoon worden gerectificeerd en, indien het verzoek is ingediend door een derde, met de toestemming van de aanvrager of houder van het octrooi. Regel 19 is van overeenkomstige toepassing.
Indien een onjuiste aanwijzing van de uitvinder is ingeschreven in het Europees Octrooiregister of is gepubliceerd in het Europees Octrooiblad, wordt deze inschrijving of publicatie eveneens gerectificeerd of doorgehaald.
HOOFDSTUK III. INSCHRIJVING VAN OVERGANG, LICENTIES EN ANDERE RECHTEN
Regel 22. Inschrijving van overgang
De overgang van een Europese octrooiaanvrage wordt op verzoek van een betrokken partij in het Europees Octrooiregister ingeschreven na overleggen van stukken waaruit deze overgang blijkt.
Het verzoek wordt slechts geacht te zijn ingediend indien een administratietaks is betaald. Het verzoek kan slechts worden afgewezen indien niet is voldaan aan het eerste lid.
Een overgang werkt pas ten aanzien van het Europees Octrooibureau vanaf de datum waarop en voor zover de in het eerste lid bedoelde stukken zijn overgelegd.
Regel 23. Inschrijving van licenties en andere rechten
Regel 22, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de inschrijving van de verlening of de overgang van een licentie, alsmede op de inschrijving van de vestiging of de overgang van een beperkt recht op een Europese octrooiaanvrage en van de gedwongen uitwinning van een dergelijke aanvrage.
De inschrijvingen bedoeld in het eerste lid worden op verzoek doorgehaald, op basis van stukken waaruit blijkt dat het recht is vervallen of een schriftelijke verklaring waarbij de houder van het recht ermee instemt dat de inschrijving wordt doorgehaald. Regel 22, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Regel 24. Bijzondere vermeldingen bij de inschrijving van een licentie
Een licentie op een Europese octrooiaanvrage wordt ingeschreven
- a. als een exclusieve licentie indien de aanvrager en de licentiehouder daarom verzoeken;
- b. als een onderlicentie indien deze wordt verleend door de houder van een licentie die in het Europees Octrooiregister is ingeschreven.
HOOFDSTUK IV. TENTOONSTELLINGSBEWIJZEN
Regel 25. Tentoonstellingsbewijzen
De aanvrager dient binnen vier maanden na de indiening van de Europese octrooiaanvrage het in artikel 55, tweede lid, bedoelde bewijsstuk over te leggen:
- a. dat tijdens de tentoonstelling is afgegeven door de autoriteit, verantwoordelijk voor de bescherming van de industriële eigendom op die tentoonstelling;
- b. waaruit blijkt dat de uitvinding daar daadwerkelijk is tentoongesteld;
- c. dat de datum vermeldt waarop de tentoonstelling is geopend en eventueel de datum waarop de uitvinding voor het eerst is geopenbaard indien dit na die datum heeft plaatsgevonden; en
- d. vergezeld gaat van een omschrijving van de uitvinding die als authentiek is gewaarmerkt door bovengenoemde autoriteit.
HOOFDSTUK III. INSCHRIJVING VAN OVERGANG, LICENTIES EN ANDERE RECHTEN
Regel 26. Algemene bepalingen en begripsomschrijvingen
Op Europese octrooiaanvragen en octrooien met betrekking tot biotechnologische uitvindingen worden de relevante bepalingen van het Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van dit hoofdstuk toegepast en uitgelegd. Richtlijn 98/44/EG van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen vormt een aanvullend middel voor uitleg.
„Biotechnologische uitvindingen” zijn uitvindingen die betrekking hebben op een voortbrengsel dat uit biologisch materiaal bestaat of dit bevat, of op een werkwijze waarmee biologisch materiaal wordt verkregen, bewerkt of gebruikt.
Onder „biologisch materiaal” wordt verstaan elk materiaal dat genetische informatie bevat en zichzelf kan repliceren of in een biologisch systeem kan worden gerepliceerd.
Onder „plantenras” wordt verstaan een plantengroep binnen een botanische taxon van de laagst bekende rang, welke groep, ongeacht de vraag of volledig wordt voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een kwekersrecht kan worden:
- a. gedefinieerd aan de hand van de expressie van de eigenschappen, die het resultaat is van een bepaald genotype of een combinatie van genotypen,
- b. onderscheiden van elke andere plantengroep op grond van de expressie van ten minste een van de bovengenoemde eigenschappen, en
- c. beschouwd als een eenheid, gezien zijn geschiktheid om onveranderd te worden vermeerderd.
Een werkwijze voor de voortbrenging van planten of dieren is van wezenlijk biologische aard wanneer deze geheel bestaat uit natuurlijke verschijnselen zoals kruisingen of selecties.
Onder „microbiologische werkwijze” wordt verstaan iedere werkwijze waarbij microbiologisch materiaal wordt gebruikt, die op microbiologisch materiaal ingrijpt of die microbiologisch materiaal als resultaat heeft.
Regel 27. Octrooieerbare biotechnologische uitvindingen
Biotechnologische uitvindingen zijn tevens octrooieerbaar indien zij betrekking hebben op:
- a. biologisch materiaal welke met behulp van een technische werkwijze uit zijn natuurlijke milieu wordt geïsoleerd of wordt verkregen, ook wanneer het in de natuur reeds voorhanden is;
- b. planten of dieren als de uitvoerbaarheid van die uitvinding zich technisch gezien niet beperkt tot een bepaald planten- of dierenras;
- c. een microbiologische of andere technische werkwijze of op een met behulp van deze werkwijzen verkregen voortbrengsel, niet zijnde een planten- of dierenras.
Regel 28. Uitzonderingen op de octrooieerbaarheid
Ingevolge artikel 53, onderdeel a, worden ter zake van biotechnologische uitvindingen in het bijzonder geen octrooien verleend voor:
- a. werkwijzen voor het klonen van mensen;
- b. werkwijzen tot wijziging van de germinale genetische identiteit van de mens;
- c. het gebruik van menselijke embryo’s voor industriële of commerciële doeleinden;
- d. werkwijzen tot wijziging van de genetische identiteit van dieren die deze mogelijk doen lijden zonder aanzienlijk medisch nut voor mens of dier op te leveren, alsmede de dieren die uit dergelijke werkwijzen zijn verkregen.
Regel 29. Het menselijk lichaam en delen ervan
Het menselijk lichaam in de verschillende stadia van zijn vorming en zijn ontwikkeling, alsmede de loutere ontdekking van een van de delen ervan, met inbegrip van een sequentie of partiële sequentie van een gen, zijn niet octrooieerbaar.
Een deel van het menselijk lichaam dat werd geïsoleerd of dat anderszins door een technische werkwijze werd verkregen, met inbegrip van een sequentie of een partiële sequentie van een gen, is vatbaar voor octrooiering, zelfs indien de structuur van dat deel identiek is aan die van een natuurlijk deel.
De industriële toepassing van een sequentie of een partiële sequentie van een gen dient concreet te worden vermeld in de octrooiaanvrage.
Regel 30. Vereisten aan Europese octrooiaanvragen met betrekking tot nucleotide- en aminozuursequenties
Indien nucleotide- of aminozuursequenties worden geopenbaard in de Europese octrooiaanvrage, dient de beschrijving een sequentie-opsomming overeenkomstig de door de President van het Europees Octrooibureau voor de gestandaardiseerde weergave van nucleotide- en aminozuursequenties vastgestelde regels te omvatten.
Sequentie-opsommingen die na de datum van indiening worden ingediend, maken geen deel uit van de beschrijving.
Indien de aanvrager op de datum van indiening geen sequentie-opsomming heeft ingediend die voldoet aan de vereisten bedoeld in het eerste lid, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager deze sequentie-opsomming te verstrekken en de taks wegens te late verstrekking te betalen. Indien de aanvrager niet binnen twee maanden na dit verzoek de vereiste sequentie-opsomming verstrekt en de vereiste taks wegens te late verstrekking niet betaalt, wordt de aanvrage afgewezen.
Regel 31. Depot van biologisch materiaal
Indien een uitvinding gepaard gaat met het gebruik van of betrekking heeft op biologisch materiaal dat niet openbaar toegankelijk is en in de Europese octrooiaanvrage niet zodanig kan worden beschreven dat de uitvinding aan de hand daarvan door de vakman kan worden toegepast, wordt de uitvinding uitsluitend als openbaar gemaakt beschouwd overeenkomstig artikel 83, indien:
- a. uiterlijk op de datum van indiening van de aanvrage een monster van het biologisch materiaal is gedeponeerd bij een erkende depositaris onder dezelfde voorwaarden als neergelegd in het Verdrag van Boedapest inzake de internationale erkenning van het depot van micro-organismen ten dienste van de octrooiverlening van 28 april 1977;
- b. de aanvrage zoals ingediend de van belang zijnde gegevens bevat ten aanzien van de eigenschappen van het biologisch materiaal waarover de aanvrager beschikt;
- c. de depositaris en het toegangsnummer van het gedeponeerde biologische materiaal vermeld zijn in de aanvrage, en
- d. indien het biologisch materiaal gedeponeerd is door een andere persoon dan de aanvrager, de naam en het adres van de bewaargever in de aanvrage zijn vermeld en een document is ingediend bij het Europees Octrooibureau, waaruit blijkt dat de bewaargever de aanvrager gemachtigd heeft om in de aanvrage te verwijzen naar het gedeponeerde biologische materiaal en onvoorwaardelijk en onherroepelijk heeft toegestemd dat het gedeponeerde materiaal overeenkomstig regel 33 openbaar toegankelijk wordt gemaakt.
De in het eerste lid, onderdelen c en d, bedoelde gegevens kunnen worden overgelegd:
- a. binnen zestien maanden na de datum van indiening van de aanvrage, of, indien een beroep op voorrang is gedaan, na de voorrangsdatum, waarbij deze termijn geacht wordt in acht te zijn genomen indien de gegevens zijn overgelegd voor de voltooiing van de technische voorbereidingen ten behoeve van publicatie van de Europese octrooiaanvrage;
- b. tot de datum van indiening van een verzoek ingevolge artikel 93, eerste lid, onderdeel b;
- c. binnen een maand nadat het Europees Octrooibureau de aanvrager heeft medegedeeld dat er recht is op inzage van het dossier ingevolge artikel 128, tweede lid. De termijn die als eerste afloopt is van toepassing. Door het verstrekken van deze gegevens wordt de aanvrager geacht onvoorwaardelijk en onherroepelijk te hebben toegestemd dat het gedeponeerde biologische materiaal overeenkomstig regel 33 openbaar toegankelijk wordt gemaakt.
Regel 32. Deskundigenoplossing
Tot aan de voltooiing van de technische voorbereidingen ten behoeve van de publicatie van de Europese octrooiaanvrage kan de aanvrager het Europees Octrooibureau mededelen dat:
- a. tot de publicatie van de vermelding van de verlening van het Europees octrooi of, indien van toepassing,
- b. gedurende twintig jaar vanaf de datum van indiening indien de aanvrage wordt afgewezen, ingetrokken of geacht wordt te zijn ingetrokken, de in regel 33 bedoelde toegang slechts door de afgifte van een monster aan een door de verzoeker aangewezen deskundige kan geschieden.
Als deskundige kunnen worden aangewezen:
- a. iedere natuurlijke persoon, mits de verzoeker bij de indiening van het verzoek aantoont dat de aanvrager heeft ingestemd met deze aanwijzing;
- b. iedere natuurlijke persoon die door de President van het Europees Octrooibureau als deskundige is erkend.
De aanwijzing dient vergezeld te gaan van een verklaring van de deskundige jegens de aanvrager waarin hij zich verplicht tot het bepaalde in regel 33, tot de datum waarop het octrooi in alle aangewezen Staten is vervallen of, indien de aanvrage wordt afgewezen, ingetrokken of geacht wordt te zijn ingetrokken, tot de datum bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, waarbij de verzoeker als derde wordt beschouwd.
Regel 33. Toegang tot biologisch materiaal
Overeenkomstig regel 31 gedeponeerd biologisch materiaal is voor een ieder op verzoek toegankelijk vanaf de datum van publicatie van de Europese octrooiaanvrage en voor die datum voor een ieder die ingevolge artikel 128, tweede lid, recht heeft op inzage in het dossier. Onverminderd regel 32 geschiedt de toegang door afgifte van een monster van het gedeponeerde biologisch materiaal aan de verzoeker.
Deze afgifte geschiedt uitsluitend indien de verzoeker zich jegens de aanvrager of houder van het octrooi heeft verplicht het biologisch materiaal of daarvan afgeleid biologisch materiaal niet ter beschikking van derden te stellen en het uitsluitend voor experimentele doeleinden te gebruiken, totdat de octrooiaanvrage is afgewezen, ingetrokken of geacht wordt te zijn ingetrokken of totdat het Europees octrooi in alle aangewezen staten is vervallen, tenzij de aanvrager of eigenaar van het octrooi uitdrukkelijk afstand doet van een dergelijke verplichting.
De verplichting het biologisch materiaal uitsluitend voor experimentele doeleinden te gebruiken is niet van toepassing indien de verzoeker het materiaal op grond van een dwanglicentie gebruikt. Onder dwanglicenties dienen ook ambtshalve verleende licenties en het recht tot toepassing van geoctrooieerde uitvindingen in het algemeen belang te worden verstaan.
In het tweede lid wordt onder afgeleid biologisch materiaal elk materiaal verstaan dat nog de eigenschappen van het gedeponeerde materiaal bezit die essentieel zijn voor de toepassing van de uitvinding. De verplichting bedoeld in het tweede lid vormt geen beletsel voor het deponeren van afgeleid biologisch materiaal indien dat noodzakelijk is binnen een octrooiprocedure.
Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt bij het Europees Octrooibureau ingediend met behulp van een door het bureau erkend formulier. Het Europees Octrooibureau verklaart op het formulier, dat een Europese octrooiaanvrage is ingediend waarin verwezen wordt naar het depot van het biologisch materiaal en dat de verzoeker of de ingevolge regel 32 door hem aangewezen deskundige recht heeft op de afgifte van een monster van dat materiaal. Na verlening van het Europees octrooi wordt het verzoek eveneens bij het Europees Octrooibureau ingediend.
Het Europees Octrooibureau zendt een afschrift van het verzoek tezamen met de in het vierde lid genoemde verklaring aan de depositaris en aan de aanvrager of de houder van het octrooi.
Het Europees Octrooibureau publiceert in het Publicatieblad de lijst van depositarissen en deskundigen die voor de toepassing van de regels 31 tot en met 34 zijn erkend.
Regel 34. Nieuw depot van biologisch materiaal
Indien biologisch materiaal dat is gedeponeerd overeenkomstig regel 31 ophoudt beschikbaar te zijn bij de depositaris, wordt de onderbreking van de toegang geacht niet te hebben plaatsgevonden indien een nieuw depot van dat materiaal bij een erkende depositaris onder dezelfde voorwaarden als neergelegd in het Verdrag van Boedapest inzake de internationale erkenning van het depot van micro-organismen ten dienste van de octrooiverlening van 28 april 1977 wordt verricht en een afschrift van het door deze instantie afgegeven ontvangstbewijs van depot binnen vier maanden na de datum van het nieuwe depot aan het Europees Octrooibureau is toegezonden onder vermelding van het nummer van de Europese octrooiaanvrage of van het Europees octrooi.
Regel 35. Algemene bepalingen
Europese octrooiaanvragen kunnen schriftelijk worden ingediend bij het Europees Octrooibureau te München, Den Haag of Berlijn of bij de instanties bedoeld in artikel 75, eerste lid, onderdeel b.
De instantie waar de Europese octrooiaanvrage is ingediend, zet de datum van ontvangst op de stukken van deze aanvrage en verstrekt de aanvrager onverwijld een ontvangstbewijs, waarop ten minste het aanvraagnummer, de aard en het aantal van de stukken en de datum van ontvangst van de stukken staan vermeld.
Indien de Europese octrooiaanvrage is ingediend bij een instantie als bedoeld in artikel 75, eerste lid, onderdeel b, bericht deze het Europees Octrooibureau onverwijld de ontvangst van de aanvrage en in het bijzonder de aard en de datum van ontvangst van de stukken, het nummer van de aanvrage en in voorkomend geval iedere ingeroepen voorrangsdatum.
Heeft het Europees Octrooibureau een Europese octrooiaanvrage ontvangen door tussenkomst van de centrale dienst voor de industriële eigendom van een Verdragsluitende Staat, dan doet het hiervan mededeling aan de aanvrager en vermeldt daarbij de datum van ontvangst van de aanvrage.
Regel 36. Afgesplitste Europese aanvragen
De aanvrager kan een afgesplitste aanvrage met betrekking tot iedere aanhangige eerdere Europese octrooiaanvrage indienen.
Een afgesplitste aanvrage wordt in de procestaal van de eerdere aanvrage ingediend. Indien de eerdere aanvrage niet in een officiële taal van het Europees Octrooibureau was gesteld, kan de afgesplitste aanvrage in de taal van de eerdere aanvrage worden ingediend; een vertaling in de procestaal van de eerdere aanvrage wordt vervolgens binnen twee maanden na de indiening van de afgesplitste aanvrage ingediend. De afgesplitste aanvrage wordt bij het Europees Octrooibureau te München, Den Haag of Berlijn ingediend.
De indieningstaks en de taks voor het nieuwheidsonderzoek dienen binnen een maand na indiening van de afgesplitste aanvrage te worden betaald. Indien de indieningstaks of de taks voor het nieuwheidsonderzoek niet tijdig is betaald, wordt de aanvrage geacht te zijn ingetrokken.
De aanwijzingstaks dient binnen zes maanden na de datum waarop in het Europees Octrooiblad melding wordt gemaakt van de publicatie van het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek ter zake van de afgesplitste aanvrage, te worden betaald. Regel 39, tweede en derde lid, is van toepassing.
Regel 37. Doorzending van Europese octrooiaanvragen
De centrale dienst voor de industriële eigendom van een Verdragsluitende Staat zendt Europese octrooiaanvragen op zo kort mogelijke termijn als met zijn nationale recht met betrekking tot de geheimhouding van uitvindingen in het belang van de Staat verenigbaar is aan het Europees Octrooibureau door en neemt alle passende maatregelen teneinde te waarborgen dat zij worden doorgezonden binnen:
- a. zes weken na indiening, indien direct duidelijk is dat op het onderwerp van de aanvrage volgens het nationale recht geen geheimhouding rust; of
- b. vier maanden na indiening, of indien een beroep op voorrang is gedaan, veertien maanden na de voorrangsdatum, indien de aanvrage nader onderzoek vergt naar de noodzaak tot geheimhouding.
Een Europese octrooiaanvrage die niet binnen veertien maanden na de indiening, of indien een beroep op voorrang is gedaan, na de voorrangsdatum, door het Europees Octrooibureau is ontvangen, wordt geacht te zijn ingetrokken. Voor deze aanvrage reeds betaalde taksen worden terugbetaald.
Regel 38. Indieningstaks en taks voor het nieuwheidsonderzoek
De indieningstaks en de taks voor het nieuwheidsonderzoek dienen binnen een maand na de indiening van de Europese octrooiaanvrage te zijn betaald.
Het Taksenreglement kan in een aanvullende taks als onderdeel van de indieningstaks voorzien, indien de aanvrage meer dan 35 pagina’s omvat.
De aanvullende taks bedoeld in het tweede lid dient binnen een maand na de indiening van de Europese octrooiaanvrage of binnen een maand na de indiening van de eerste set conclusies of binnen een maand na de indiening van het gewaarmerkte afschrift bedoeld in regel 40, derde lid, al naargelang welke termijn het laatst verstrijkt, te worden betaald.
Het Taksenreglement kan in een aanvullende taks als onderdeel van de indieningstaks voorzien, indien het een afgesplitste aanvrage betreft die is ingediend ter zake van een eerdere aanvrage die zelf een afgesplitste aanvrage is.
Regel 39. Aanwijzingstaksen
De aanwijzingstaks dient binnen zes maanden na de datum waarop in het Europees Octrooiblad melding wordt gemaakt van de publicatie van het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek, te worden betaald.
Indien de aanwijzingstaks niet tijdig is betaald of indien de aanwijzingen van alle Verdragsluitende Staten zijn ingetrokken, wordt de Europese octrooiaanvrage geacht te zijn ingetrokken.
Onverminderd regel 37, tweede lid, tweede volzin, wordt de aanwijzingstaks niet terugbetaald.
Regel 40. Datum van indiening
De datum van indiening van een Europese octrooiaanvrage is de datum waarop de aanvrager stukken heeft ingediend die het volgende bevatten:
- a. een aanduiding dat om een Europees octrooi wordt verzocht;
- b. gegevens die het mogelijk maken de identiteit van de aanvrager vast te stellen of met hem in contact te komen; en
- c. een beschrijving of een verwijzing naar een eerder ingediende aanvrage.
Bij een verwijzing naar een eerder ingediende aanvrage overeenkomstig het eerste lid, onderdeel c, dienen de datum van indiening, het nummer van die aanvrage en het bureau waar deze werd ingediend te worden vermeld. In deze verwijzing dient te worden aangegeven dat het de beschrijving en eventuele tekeningen vervangt.
Indien de aanvrage een verwijzing overeenkomstig het tweede lid bevat, dient binnen twee maanden na de indiening van de aanvrage een gewaarmerkt afschrift van de eerder ingediende aanvrage te worden ingediend. Indien de eerder ingediende aanvrage niet gesteld is in een officiële taal van het Europees Octrooibureau, dient binnen dezelfde termijn een vertaling ervan in een van deze talen te worden ingediend. Regel 53, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK II. BEPALINGEN BETREFFENDE DE AANVRAGE
Regel 41. Verzoek om verlening
Het verzoek om verlening van een Europees octrooi dient te worden ingediend op een door het Europees Octrooibureau vastgesteld formulier.
Het verzoek dient te omvatten:
- a. een verzoek om verlening van een Europees octrooi;
- b. de titel van de uitvinding, die een duidelijke en beknopte technische aanduiding van de uitvinding geeft en geen fantasieaanduiding mag bevatten;
- c). de naam, het adres en de nationaliteit van de aanvrager en de Staat waarin hij zijn woonplaats of zijn zetel heeft. De namen van natuurlijke personen worden met de achternaam gevolgd door de voorna(a)m(en) van de persoon aangegeven. Rechtspersonen en vennootschappen die ingevolge het op hen van toepassing zijnde recht zijn gelijkgesteld aan rechtspersonen, worden met hun officiële benaming aangegeven. Adressen dienen te worden aangegeven volgens de gebruikelijke vereisten voor een snelle postbestelling op het aangegeven adres en dienen in ieder geval alle belangrijke administratieve gegevens te bevatten, tot en met het eventuele huisnummer. Aanbevolen wordt ook de fax- en telefoonnummers aan te geven;
- d. indien een gemachtigde is aangewezen, zijn naam en kantooradres overeenkomstig de voorschriften onder onderdeel c;
- e. in voorkomend geval de aanduiding dat de aanvrage een afgesplitste aanvrage betreft, alsmede het nummer van de eerdere Europese octrooiaanvrage;
- f. in gevallen als bedoeld in artikel 61, eerste lid, onderdeel b, het nummer van de oorspronkelijke Europese octrooiaanvrage;
- g. indien een beroep wordt gedaan op de voorrang van een eerdere aanvrage, een daartoe strekkende verklaring, waarin de datum van die aanvrage en de Staat worden vermeld, waarin of waarvoor die eerdere aanvrage is ingediend;
- h. de handtekening van de aanvrager of van zijn gemachtigde;
- i. een lijst van de stukken die bij het verzoek zijn gevoegd. Op deze lijst dienen eveneens het aantal bladzijden van de beschrijving, van de conclusies, van de tekeningen en van het uittreksel die bij het verzoek zijn ingediend te worden aangegeven;
- j. de aanwijzing van de uitvinder indien de aanvrager de uitvinder is.
In geval van meerdere aanvragers dient het verzoek bij voorkeur de benoeming van een aanvrager of van een gemachtigde als gemeenschappelijk vertegenwoordiger te bevatten.
Regel 42. Inhoud van de beschrijving
De beschrijving dient:
- a. het technisch gebied aan te geven waarop de uitvinding betrekking heeft;
- b. de bekende stand van de techniek aan te geven die, voor zover de aanvrager deze kent, als nuttig kan worden beschouwd voor het begrip van de uitvinding, voor het opstellen van het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek en voor het onderzoek van de Europese octrooiaanvrage en bij voorkeur de literatuurplaatsen te vermelden waarin deze stand van de techniek staat beschreven;
- c. de uitvinding, zoals aangeduid in de conclusies, uiteen te zetten in zodanige bewoordingen dat het technische probleem, ook indien dit als zodanig niet uitdrukkelijk is uiteengezet, en de oplossing ervan kunnen worden begrepen, en voorts de mogelijke voordelen van de uitvinding ten opzichte van de stand van de techniek;
- d. de figuren in de eventuele tekeningen kort te beschrijven;
- e. ten minste één gedetailleerde wijze aan te geven waarop de uitvinding waarvoor bescherming wordt gevraagd, kan worden uitgevoerd; dit wordt, waar dienstig, aan de hand van voorbeelden gedaan en onder verwijzing naar de eventuele tekeningen;
- f. uitdrukkelijk de wijze aan te geven waarop de uitvinding industrieel toepasbaar is, wanneer zulks niet duidelijk uit de beschrijving of uit de aard van de uitvinding blijkt.
De beschrijving wordt op de wijze en volgens de indeling als aangegeven in het eerste lid ingediend, tenzij in verband met de aard van de uitvinding een andere wijze of indeling zou leiden tot beter begrip of een beknoptere beschrijving.
Regel 43. Vorm en inhoud van de conclusies
Het onderwerp van de aanvrage waarvoor bescherming wordt verlangd, dient in de conclusies door middel van de technische kenmerken van de uitvinding te worden omschreven. Waar aangewezen dienen de conclusies te omvatten:
- a. een aanduiding van het onderwerp van de uitvinding en de technische kenmerken die noodzakelijk zijn voor de definiëring van het onderwerp van de uitvinding, die echter tezamen tot de stand van de techniek behoren;
- b. een kenmerkend deel dat met de woorden „daardoor gekenmerkt” of „met het kenmerk dat” begint en de technische kenmerken benoemt waarvoor, tezamen met de onder onderdeel a genoemde kenmerken, bescherming wordt verlangd.
Onverminderd artikel 82 kan een Europese octrooiaanvrage meer dan een onafhankelijke conclusie van dezelfde categorie (voortbrengsel, werkwijze, inrichting of gebruik) bevatten, uitsluitend indien het onderwerp van de aanvrage betrekking heeft op:
- a. een veelvoud van met elkaar samenhangende voortbrengselen,
- b. verschillende toepassingen van een voortbrengsel of inrichting,
- c. alternatieve oplossingen voor een specifiek probleem, wanneer deze alternatieve oplossingen niet op een geschikte wijze kunnen worden gedekt door een enkele conclusie.
Iedere conclusie met de wezenlijke kenmerken van een uitvinding kan door een of meer conclusies betreffende bijzondere uitvoeringsvormen van deze uitvinding worden gevolgd.
Iedere conclusie die alle kenmerken van een andere conclusie omvat (afhankelijke conclusie) dient, indien mogelijk aan het begin, naar die andere conclusie te verwijzen en daarna de bijkomende kenmerken te vermelden. Een afhankelijke conclusie die direct verwijst naar andere afhankelijke conclusie is eveneens toegestaan. Alle afhankelijke conclusies die naar een of meerdere voorgaande conclusies terugverwijzen, dienen voor zover mogelijk en op de meest praktische wijze te worden gerangschikt.
Het aantal conclusies dient redelijk te zijn, rekening houdend met de aard van de uitvinding waarvoor bescherming wordt gevraagd. De conclusies dienen doorlopend in Arabische cijfers te worden genummerd.
De conclusies mogen voor de omschrijving van de technische kenmerken van de uitvinding geen verwijzingen naar de beschrijving of de tekeningen bevatten, tenzij dit absoluut noodzakelijk is. In het bijzonder mogen zij geen formuleringen bevatten zoals „zoals beschreven in deel … van de beschrijving” of „zoals afgebeeld in figuur … van de tekeningen”.
Indien de Europese octrooiaanvrage tekeningen met verwijzingstekens bevat, dienen de in de conclusies vermelde technische kenmerken bij voorkeur door op deze kenmerken betrekking hebbende en tussen haakjes geplaatste verwijzingstekens te worden gevolgd, indien dit het begrip van de conclusie vergemakkelijkt. De verwijzingstekens mogen niet als een beperking van de conclusie worden uitgelegd.
Regel 44. Eenheid van uitvinding
Indien in een Europese octrooiaanvrage voor een groep van uitvindingen octrooi wordt verlangd, is aan het in artikel 82 gestelde vereiste van eenheid van uitvinding slechts voldaan wanneer er tussen die uitvindingen een technische samenhang bestaat die in één of meer identieke of overeenkomstige bijzondere technische kenmerken tot uitdrukking komt. Onder het begrip „bijzondere technische kenmerken” worden die technische kenmerken verstaan die bepalend zijn voor de bijdrage die elk van de geclaimde uitvindingen, als geheel beschouwd, levert aan de stand van de techniek.
Voor het bepalen of een groep van uitvindingen zodanig onderling is verbonden dat deze op een enkele algemene uitvindingsgedachte berusten, doet het niet ter zake of de uitvindingen zijn neergelegd in afzonderlijke conclusies dan wel als varianten in een enkele conclusie.
Regel 45. Conclusies waarvoor taksen betaald dienen te worden
Indien een Europese octrooiaanvrage meer dan vijftien conclusies bevat, dient voor de zestiende en iedere daaropvolgende conclusie een conclusietaks zoals vervat in het Taksenreglement te worden betaald.
De conclusietaksen dienen binnen een maand na indiening van de eerste set conclusies te worden betaald. Indien de conclusietaksen niet tijdig zijn voldaan, kunnen zij alsnog binnen een maand na een mededeling dat de voorgeschreven termijn niet in acht is genomen worden betaald.
Indien een conclusietaks niet tijdig is betaald, wordt de desbetreffende conclusie geacht te zijn ingetrokken.
Regel 46. Vorm van de tekeningen
Op bladen met tekeningen dient het te gebruiken vlak niet groter te zijn dan 26,2 cm x 17 cm. Het te gebruiken of gebruikte vlak mag niet omkaderd zijn. De minimummarges dienen als volgt te zijn:
| bovenmarge | 2,5 cm |
|---|---|
| linkermarge | 2,5 cm |
| rechtermarge | 1,5 cm |
| ondermarge | 1 cm |
De tekeningen dienen als volgt te worden uitgevoerd:
- a. De tekeningen dienen te worden uitgevoerd in duurzame, zwarte, voldoende dichte en donkere, gelijkmatig en duidelijk aangegeven lijnen en strepen zonder kleur.
- b. Doorsneden dienen door arceringen te worden aangegeven die de duidelijke leesbaarheid van verwijzingstekens en hoofdlijnen niet mogen belemmeren.
- c. De schaal van de tekeningen en de duidelijkheid van de grafische uitvoering ervan dienen zodanig te zijn dat bij een elektronische of fotografische reproductie op twee derde van de oorspronkelijke grootte alle details zonder moeite kunnen worden onderscheiden. Wanneer bij uitzondering op een tekening de schaal staat vermeld, dient deze grafisch te zijn aangegeven.
- d. Alle cijfers, letters en verwijzingstekens in de tekeningen dienen eenvoudig en duidelijk te zijn. Haakjes, cirkels of aanhalingstekens mogen niet in combinatie met cijfers en letters worden gebruikt.
- e. Alle lijnen in de tekeningen dienen in beginsel te worden getrokken met behulp van tekeninstrumenten.
- f. De onderdelen van dezelfde figuur dienen in de juiste verhouding tot elkaar te staan, tenzij een andere verhouding nodig is voor de duidelijkheid van de figuur.
- g. De hoogte van de cijfers en letters mag niet minder dan 0,32 cm zijn. Voor de letters in tekeningen dient het Latijnse en, waar gebruikelijk, het Griekse alfabet te worden gebruikt.
- h. Een tekenblad kan meerdere figuren bevatten. Wanneer figuren op twee of meer bladen zijn getekend en bedoeld zijn om een volledige figuur te vormen, dienen zij op de verschillende bladen zo te zijn geplaatst dat de volledige figuur kan worden gevormd zonder dat een deel van de op de verschillende bladen voorkomende figuren wordt bedekt. De verschillende figuren dienen zonder ruimteverspilling op een blad of bladen te worden geplaatst, bij voorkeur verticaal en duidelijk van elkaar gescheiden. Indien de figuren niet verticaal worden geplaatst, dienen zij horizontaal te worden weergegeven waarbij het bovenste deel van de figuren is gericht naar de linkerzijde van het blad. De verschillende figuren dienen doorlopend in Arabische cijfers te worden genummerd, onafhankelijk van de nummering van de bladen.
- i. Verwijzingstekens mogen alleen in de tekeningen worden gebruikt indien zij voorkomen in de beschrijving en in de conclusie; hetzelfde geldt voor het omgekeerde geval. De verwijzingstekens voor dezelfde kenmerken dienen in de gehele aanvrage gelijk te zijn.
- j. De tekeningen dienen geen tekst te bevatten. Waar ze voor het begrip van de tekeningen volstrekt onmisbaar zijn, kunnen korte sleutelwoorden, zoals „water”, „stoom”, „open”, „dicht”, „doorsnede over AB” worden gebruikt. Dergelijke woorden dienen zodanig te worden geplaatst, dat zij indien nodig bij vertaling kunnen worden vervangen zonder de lijnen van de tekeningen te raken.
Stroomschema’s en diagrammen worden als tekeningen beschouwd.
Regel 47. Vorm en inhoud van het uittreksel
Het uittreksel dient de titel van de uitvinding te bevatten.
Het uittreksel dient een beknopte samenvatting te geven van hetgeen is geopenbaard in de beschrijving, de conclusies en de tekeningen. De samenvatting dient het technische gebied van de uitvinding aan te geven en te zijn opgesteld op een wijze die een duidelijk begrip mogelijk maakt van het technische probleem, de kern van de oplossing van dat probleem door middel van de uitvinding en de voornaamste toepassing of toepassingen van de uitvinding. Het uittreksel bevat eventueel de chemische formule die van de in de octrooiaanvrage opgenomen formules de uitvinding het beste karakteriseert. Het mag geen beweringen over vermeende voordelen of de vermeende waarde van de uitvinding of over de theoretische toepassingsmogelijkheden ervan bevatten.
Het uittreksel dient bij voorkeur niet meer dan honderdvijftig woorden te bevatten.
Indien de Europese octrooiaanvrage tekeningen bevat, dient de aanvrager aan te geven welke figuur, of, in uitzonderingsgevallen, welke figuren uit de tekeningen bij het uittreksel dienen te worden gepubliceerd. Het Europees Octrooibureau kan beslissen een of meerdere andere figuren te publiceren indien het van oordeel is dat daardoor de uitvinding beter wordt gekarakteriseerd. Ieder wezenlijk kenmerk, dat in het uittreksel vermeld wordt en in de tekening afgebeeld is, dient te worden gevolgd door een tussen haakjes geplaatst verwijzingsteken.
Het uittreksel dient zo te zijn opgesteld, dat het een doeltreffend uitgangspunt voor het verrichten van onderzoek op het desbetreffende technische gebied vormt. Aan de hand daarvan dient met name te kunnen worden vastgesteld of het nodig is de Europese octrooiaanvrage zelf te raadplegen.
Regel 48. Verboden materie
De Europese octrooiaanvrage mag niet bevatten:
- a. uiteenzettingen of andere materie die in strijd zijn met de openbare orde of de goede zeden;
- b. kleinerende opmerkingen over voortbrengselen of werkwijzen van derden of de waarde of de geldigheid van octrooiaanvragen of octrooien van derden. Het louter vergelijken met de stand van de techniek wordt op zichzelf niet als kleinerend beschouwd;
- c. uiteenzettingen of andere materie die duidelijk niet ter zake doen of overbodig zijn.
Wanneer een aanvrage verboden materie bevat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan het Europees Octrooibureau deze bij publicatie van de aanvrage weglaten en daarbij de plaats en het aantal weggelaten woorden of tekeningen aangeven.
Indien de aanvrage uiteenzettingen bevat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan het Europees Octrooibureau deze bij de publicatie van de aanvrage weglaten en daarbij de plaats en het aantal van de weggelaten woorden aangeven. Het Europees Octrooibureau verstrekt op verzoek een afschrift van de weggelaten passages.
Regel 49. Algemene bepalingen inzake de indiening van de stukken van de aanvrage
Vertalingen ingediend ingevolge artikel 14, tweede lid, of regel 40, derde lid, worden als stukken van de Europese octrooiaanvrage beschouwd.
De stukken van de aanvrage dienen zo te worden overgelegd, dat zij zowel elektrisch als rechtstreeks in een onbeperkt aantal exemplaren kunnen worden verveelvoudigd, in het bijzonder door middel van scannen, fotografie, elektrostatische werkwijzen, foto-offsetdrukken en microfilm. De bladen dienen ongekreukt, ongescheurd en niet gevouwen te zijn. Elk blad dient slechts aan één kant te zijn gebruikt.
De stukken van de aanvrage worden ingediend op buigzaam, sterk, wit, glad, mat en duurzaam papier van het formaat A4 (29,7 cm x 21 cm). Onverminderd het negende lid en regel 46, tweede lid, onderdeel h, wordt elk blad gebruikt met de korte zijde bovenaan en onderaan (verticale stand).
Ieder stuk van de aanvrage (verzoek, beschrijving, conclusies, tekeningen en uittreksel) dient op een nieuw blad te beginnen. Alle bladen dienen zo aan elkaar te zijn gehecht dat zij gemakkelijk kunnen worden omgeslagen, gescheiden en weer samengevoegd.
Onverminderd regel 46, eerste lid, dienen de minimummarges als volgt te zijn:
| bovenmarge: | 2 cm |
|---|---|
| linkermarge: | 2,5 cm |
| rechtermarge: | 2 cm |
| ondermarge: | 2 cm |
Het aanbevolen maximum voor de hierboven genoemde marges is als volgt:
| bovenmarge: | 4 cm |
|---|---|
| linkermarge: | 4 cm |
| rechtermarge: | 3 cm |
| ondermarge: | 3 cm |
Alle bladen van de aanvrage dienen doorlopend te zijn genummerd in Arabische cijfers. De nummers van de bladen dienen boven aan de bladen in het midden te zijn geplaatst doch niet in de bovenmarge.
Iedere vijfde regel van elk blad van de beschrijving en van de conclusies dient bij voorkeur te worden genummerd, waarbij de nummers worden aangebracht aan de linkerzijde, rechts van de marge.
Het verzoek om verlening van het Europees octrooi, de beschrijving, de conclusies en het uittreksel dienen getypt of gedrukt te zijn. Alleen grafische symbolen en tekens, chemische of wiskundige formules kunnen zo nodig met de hand worden geschreven of getekend. De tekst dient op regelafstand 1,5 te zijn getypt. De gehele tekst dient te zijn weergegeven in letters waarvan de hoofdletters ten minste 0,21 cm hoog zijn en die een donkere onuitwisbare kleur hebben.
Het verzoek om verlening van het Europees octrooi, de beschrijving, de conclusies en het uittreksel mogen geen tekeningen bevatten. De beschrijving, de conclusies en het uittreksel mogen chemische of wiskundige formules bevatten. De beschrijving en het uittreksel mogen tabellen bevatten. De conclusies mogen alleen tabellen bevatten indien voor het onderwerp het gebruik van tabellen wenselijk lijkt te zijn. De tabellen en de wiskundige of chemische formules mogen op het blad horizontaal worden geplaatst indien zij verticaal niet op een bevredigende wijze kunnen worden weergegeven. De bladen waarop de tabellen of de wiskundige of chemische formules horizontaal worden geplaatst, dienen zo te worden ingedeeld dat de bovenste delen van de tabellen of van de formules zijn gericht naar de linkerzijde van het blad.
Waarden worden in eenheden uitgedrukt die voldoen aan internationale standaarden, waar mogelijk met behulp van het metrieke systeem, gebruikmakend van SI-eenheden. Gegevens die niet aan dit vereiste voldoen, worden tevens uitgedrukt in eenheden die voldoen aan internationale standaarden. Alleen die technische termen, formules, tekens en symbolen die op het desbetreffende vakgebied algemeen zijn aanvaard, worden gebruikt.
In een Europese octrooiaanvrage dienen overal dezelfde terminologie en dezelfde tekens te worden gebruikt.
Elk blad dient in hoge mate vrij van raderingen en vrij van veranderingen te zijn. Afwijking van deze regel kan worden toegestaan indien de authenticiteit van de inhoud niet in het geding komt en indien aan de vereisten voor een goede verveelvoudiging geen afbreuk wordt gedaan.
Regel 50. Naderhand ingediende documenten
De regels 42, 43 en 46 tot en met 49 zijn op de documenten die in de plaats komen van de stukken van de Europese octrooiaanvrage van toepassing. Regel 49, tweede tot en met twaalfde lid, is ook van toepassing op de in regel 71 bedoelde vertaling van de conclusies.
Alle andere documenten dan de stukken die tot de aanvrage behoren, dienen in beginsel getypt of gedrukt te zijn. Aan de linkerzijde op elk blad dient een marge van ongeveer 2,5 cm te zijn vrijgelaten.
Stukken die worden ingediend na de indiening van de aanvrage, dienen te zijn ondertekend, met uitzondering van de als bijlage toegevoegde stukken. Indien een stuk niet is ondertekend, verzoekt het Europees Octrooibureau de betrokkene dit alsnog te doen binnen een te stellen termijn. Indien het stuk tijdig wordt ondertekend, behoudt het de oorspronkelijke datum van ontvangst; in het andere geval wordt het stuk geacht niet te zijn ingediend.
Regel 51. Betaling van jaartaksen
De jaartaks voor een Europese octrooiaanvrage dient telkens voor het komende jaar te worden betaald op de laatste dag van de maand die overeenkomt met de maand waarin de datum van indiening van de Europese octrooiaanvrage valt. De jaartaks kan niet eerder dan drie maanden voor de vervaldatum ervan rechtsgeldig worden betaald.
Indien de jaartaks niet tijdig is betaald, kan de taks alsnog binnen een termijn van zes maanden na de vervaldag worden voldaan, mits binnen deze termijn tevens een toeslag wordt betaald.
De jaartaksen die verschuldigd zijn voor een eerdere aanvrage tot aan de datum waarop een afgesplitste octrooiaanvrage wordt ingediend, dienen eveneens te worden betaald voor de afgesplitste aanvrage en zijn verschuldigd wanneer laatstgenoemde aanvrage wordt ingediend. Deze taksen en alle jaartaksen die vervallen binnen vier maanden na de indiening van de afgesplitste octrooiaanvrage kunnen zonder toeslag binnen die termijn worden betaald. Het tweede lid is van toepassing.
Indien een Europese octrooiaanvrage is afgewezen of geacht wordt te zijn ingetrokken vanwege de overschrijding van een termijn, en indien de aanvrager overeenkomstig artikel 122 in zijn rechten is hersteld,
- a. is een jaartaks, die ingevolge het eerste lid verschuldigd zou zijn geweest in het tijdvak vanaf de datum waarop het verlies van recht ontstond tot en met de datum van de kennisgeving van de beslissing tot herstel in de vorige toestand, op laatstgenoemde datum verschuldigd. Deze taks en een eventueel binnen vier maanden vanaf deze datum verschuldigde jaartaks kunnen alsnog binnen vier maanden na die datum worden voldaan zonder toeslag. Het tweede lid is van toepassing.
- b. kan een jaartaks, die op de datum waarop het verlies van recht ontstond reeds verschuldigd was, maar de in het tweede lid voorziene termijn nog niet verstreken was, alsnog binnen zes maanden na de datum van de kennisgeving van de beslissing tot herstel in de vorige toestand worden voldaan, mits ook de toeslag bedoeld in het tweede lid binnen die termijn wordt voldaan.
Indien de Grote Kamer van beroep krachtens artikel 112a, vijfde lid, tweede volzin, de procedure heropent bij de kamer van beroep
- a. is een jaartaks die ingevolge het eerste lid in het tijdvak beginnend op de datum waarop de beslissing van de kamer van beroep naar aanleiding van het verzoek om herziening is genomen tot en met de datum van de kennisgeving van de beslissing van de Grote Kamer van beroep tot heropening van de procedure voor de kamer van beroep verschuldigd zou zijn, pas op laatstgenoemde datum verschuldigd. Deze taks en een eventueel binnen vier maanden vanaf laatstgenoemde datum verschuldigde jaartaks kunnen binnen vier maanden na die laatstgenoemde datum alsnog zonder toeslag worden voldaan. Het tweede lid is van toepassing.
- b. kan een jaartaks die op de datum van de beslissing van de kamer van beroep reeds verschuldigd was, maar de in het tweede lid voorziene termijn nog niet verstreken is, alsnog worden voldaan binnen zes maanden na de datum van de kennisgeving van de beslissing van de Grote Kamer van beroep tot heropening van de procedure voor de kamer van beroep, mits ook de toeslag bedoeld in het tweede lid binnen die termijn wordt voldaan.
De jaartaks voor een nieuwe Europese octrooiaanvrage, ingediend overeenkomstig artikel 61, eerste lid, onderdeel b, behoeft niet te worden betaald voor het jaar waarin die aanvrage is ingediend noch voor de voorafgaande jaren.
HOOFDSTUK IV. VOORRANG
Regel 52. Verklaring van voorrang
In de verklaring van voorrang, bedoeld in artikel 88, eerste lid, dienen de datum van de eerdere aanvrage, de Staat die partij is bij het Verdrag van Parijs of het lid van de Wereldhandelsorganisatie waarin of waarvoor die aanvrage is ingediend en het dossiernummer te worden vermeld. In het geval bedoeld in artikel 87, vijfde lid, is de eerste volzin van overeenkomstige toepassing.
De verklaring van voorrang wordt bij voorkeur tezamen met de Europese octrooiaanvrage ingediend. Zij kan nog binnen zestien maanden na de oudst ingeroepen voorrangsdatum worden ingediend.
De aanvrager kan de verklaring van voorrang corrigeren binnen zestien maanden na de oudst ingeroepen voorrangsdatum of, indien de correctie zou leiden tot wijziging van de als oudst ingeroepen voorrangsdatum, binnen zestien maanden na de gecorrigeerde oudste voorrangsdatum, naar gelang van welke termijn van zestien maanden het eerst verstrijkt, mits deze correctie binnen vier maanden na de datum van indiening die aan de Europese octrooiaanvrage is toegekend wordt overgelegd.
Na indiening van een verzoek krachtens artikel 93, eerste lid, onderdeel b, is indiening of correctie van een verklaring van voorrang niet meer mogelijk.
De gegevens van de verklaring van voorrang worden in de gepubliceerde Europese octrooiaanvrage en in het Europees octrooischrift vermeld.
Regel 53. Voorrangsbewijzen
Een aanvrager die op een recht van voorrang een beroep doet, dient binnen zestien maanden na de oudst ingeroepen voorrangsdatum een afschrift van de eerdere aanvrage in te dienen. Dit afschrift en de datum van indiening van de eerdere aanvrage dienen door de autoriteit waar die aanvrage was ingediend voor eensluidend te zijn gewaarmerkt.
Het afschrift van de eerdere aanvrage wordt geacht correct te zijn ingediend, indien het Europees Octrooibureau beschikt over een afschrift van die aanvrage voor opname in het dossier van de Europese octrooiaanvrage onder de door de President van het Europees Octrooibureau vastgestelde voorwaarden.
Indien de eerdere aanvrage niet in een officiële taal van het Europees Octrooibureau is gesteld en de geldigheid van het beroep op voorrang van belang is voor het vaststellen van de octrooieerbaarheid van de betreffende uitvinding, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager of de houder van het Europees octrooi binnen een te stellen termijn een vertaling van die aanvrage in een van de officiële talen in te dienen. In plaats van de vertaling kan een verklaring dat de Europese octrooiaanvrage een volledige vertaling is van de eerdere aanvrage worden overgelegd. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Indien de verzochte vertaling van een eerdere aanvrage niet op tijd wordt ingediend, vervalt het recht van voorrang voor de Europese octrooiaanvrage of voor het Europees octrooi ter zake van die aanvrage. De aanvrager of houder van het Europees octrooi wordt daarvan in kennis gesteld.
Regel 54. Afgifte van voorrangsbewijzen
Het Europees Octrooibureau verstrekt de aanvrager op verzoek een gewaarmerkt afschrift van de Europese octrooiaanvrage (voorrangsbewijs) onder door de President van het Europees Octrooibureau vast te stellen voorwaarden, met inbegrip van de vorm van het voorrangsbewijs en de gevallen waarin een administratieve taks dient te worden betaald.
DEEL IV. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL IV VAN HET VERDRAG
HOOFDSTUK IV. VOORRANG
Regel 55. Onderzoek bij indiening
Indien bij het onderzoek bedoeld in artikel 90, eerste lid, blijkt dat de aanvrage niet voldoet aan de vereisten vervat in regel 40, eerste lid, onderdeel a of c, tweede lid of derde lid, eerste volzin, deelt het Europees Octrooibureau de gebreken mede aan de aanvrager en bericht hem dat, indien hij deze gebreken niet binnen twee maanden opheft, de aanvrage niet als Europese octrooiaanvrage zal worden behandeld. Indien de aanvrager tijdig de vastgestelde gebreken opheft, ontvangt hij een kennisgeving van de door het Bureau toegekende datum van indiening.
Regel 56. Ontbrekende delen van de beschrijving of ontbrekende tekeningen
Indien bij het onderzoek bedoeld in artikel 90, eerste lid, blijkt dat delen van de beschrijving of tekeningen, waarnaar in de beschrijving of in de conclusies verwezen wordt, lijken te ontbreken, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager de ontbrekende delen binnen twee maanden in te dienen. De aanvrager kan zich niet beroepen op het niet versturen van een dergelijk verzoek.
Indien ontbrekende delen van de beschrijving of ontbrekende tekeningen na de datum van indiening, maar binnen twee maanden na de datum van indiening, of indien een verzoek ingevolge het eerste lid is gedaan, binnen twee maanden na dat verzoek worden ingediend, wordt de datum van indiening van de aanvrage gewijzigd in de datum waarop de ontbrekende delen van de beschrijving of de ontbrekende tekeningen zijn ingediend. Het Europees Octrooibureau stelt de aanvrager daarvan in kennis.
Indien de ontbrekende delen van de beschrijving of de ontbrekende tekeningen binnen de termijn overeenkomstig het tweede lid zijn ingediend en voor de aanvrage een beroep op voorrang van een eerdere aanvrage wordt gedaan, blijft de datum van indiening de datum waarop aan de vereisten vervat in regel 40, eerste lid, is voldaan, mits de ontbrekende delen van de beschrijving of de ontbrekende tekeningen volledig zijn vervat in de eerdere aanvrage, de aanvrager binnen de termijn overeenkomstig het tweede lid, daarom verzoekt en het volgende indient:
- a. een afschrift van de eerdere aanvrage, tenzij het Europees Octrooibureau overeenkomstig regel 53, tweede lid, over een dergelijk afschrift beschikt;
- b. indien de eerdere aanvrage niet in een officiële taal van het Europees Octrooibureau is gesteld, een vertaling daarvan in een van deze talen, tenzij het Europees Octrooibureau overeenkomstig regel 53, derde lid, over een dergelijk afschrift beschikt; en
- c. een vermelding waar de ontbrekende delen van de beschrijving of de ontbrekende tekeningen volledig zijn opgenomen in de eerdere aanvrage en, indien van toepassing, in de vertaling ervan.
Indien de aanvrager:
- a. verzuimt de ontbrekende delen van de beschrijving of de ontbrekende tekeningen binnen de termijn overeenkomstig het eerste of tweede lid in te dienen, of
- b. overeenkomstig het zesde lid ontbrekende delen van de beschrijving of ontbrekende tekeningen die overeenkomstig het tweede lid waren ingediend, intrekt, worden verwijzingen bedoeld in het eerste lid geacht te zijn doorgehaald en wordt de indiening van de ontbrekende delen van de beschrijving of de ontbrekende tekeningen geacht niet te hebben plaatsgevonden. Het Europees Octrooibureau stelt de aanvrager daarvan in kennis.
Indien de aanvrager verzuimt om binnen de termijn overeenkomstig het tweede lid te voldoen aan de vereisten bedoeld in het derde lid, onderdelen a tot en met c, wordt de datum van indiening van de aanvrage gewijzigd in de datum waarop de ontbrekende delen van de beschrijving of de ontbrekende tekeningen zijn ingediend. Het Europees Octrooibureau stelt de aanvrager daarvan in kennis.
Binnen een maand na de kennisgeving bedoeld in het tweede of vijfde lid, laatste volzin, kan de aanvrager de ingediende ontbrekende delen van de beschrijving of de ingediende ontbrekende tekeningen intrekken, in welk geval de datum van indiening geacht wordt niet te zijn gewijzigd. Het Europees Octrooibureau stelt de aanvrager daarvan in kennis.
Regel 57. Onderzoek op vormgebreken
Indien aan een Europese octrooiaanvrage een datum van indiening is toegekend, onderzoekt het Europees Octrooibureau overeenkomstig artikel 90, derde lid, of:
- a. tijdig een ingevolge artikel 14, tweede lid, regel 36, tweede lid, tweede volzin, of regel 40, derde lid, tweede volzin, vereiste vertaling van de aanvrage is ingediend;
- b. het verzoek om verlening van een Europees octrooi aan de vereisten van regel 41 voldoet;
- c. de aanvrage een of meer conclusies overeenkomstig artikel 78, eerste lid, onderdeel c, omvat of een verwijzing naar een eerder ingediende aanvrage overeenkomstig regel 40, eerste lid, onderdeel c, tweede en derde lid, waaruit blijkt dat deze tevens de conclusies vervangt;
- d. de aanvrage een uittreksel overeenkomstig artikel 78, eerste lid, onderdeel e, omvat;
- e. de indieningstaks en de taks voor het nieuwheidsonderzoek overeenkomstig regel 17, tweede lid, regel 36, derde lid, of regel 38 zijn betaald;
- f. de aanwijzing van de uitvinder overeenkomstig regel 19, eerste lid, is geschied;
- g. indien van toepassing, aan de vereisten vervat in de regels 52 en 53 voor een beroep op voorrang is voldaan;
- h. indien van toepassing, aan de vereisten van artikel 133, tweede lid, is voldaan;
- i. de aanvrage aan de vereisten vervat in regel 46 en regel 49, eerste tot en met negende lid en het twaalfde lidvoldoet;
- j. de aanvrage voldoet aan de vereisten vervat in regel 30.
Regel 58. Opheffen van gebreken in de stukken van de aanvrage
Indien de Europese octrooiaanvrage niet voldoet aan de vereisten van regel 57, onderdelen a tot en met d, h en i, deelt het Europees Octrooibureau de aanvrager dit mede en verzoekt hem deze gebreken binnen twee maanden op te heffen. De beschrijving, de conclusies en de tekeningen mogen slechts worden gewijzigd voor zover nodig om de gebreken op te heffen.
Regel 59. Gebreken bij beroep op voorrang
Indien het dossiernummer van de eerdere aanvrage overeenkomstig regel 52, eerste lid, of het afschrift van die aanvrage overeenkomstig regel 53, eerste lid, niet tijdig zijn ingediend, deelt het Europees Octrooibureau de aanvrager dit mede en verzoekt hem deze binnen een te stellen termijn alsnog in te dienen.
Regel 60. Latere aanwijzing van de uitvinder
Indien de aanwijzing van de uitvinder niet overeenkomstig regel 19 is geschied, deelt het Europees Octrooibureau de aanvrager mede dat de Europese octrooiaanvrage wordt afgewezen, tenzij de aanwijzing alsnog binnen zestien maanden na de datum van indiening van de aanvrage of, indien een beroep op voorrang is gedaan, na de voorrangsdatum geschiedt, waarbij deze termijn geacht wordt in acht te zijn genomen indien de informatie wordt verstrekt voordat de technische voorbereidingen voor de publicatie van de Europese octrooiaanvrage zijn afgerond.
Indien het een afgesplitste aanvrage betreft of een nieuwe octrooiaanvrage in de zin van artikel 61, eerste lid, onderdeel b, en de aanwijzing van de uitvinder niet is geschied overeenkomstig regel 19, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager de uitvinder binnen een te stellen termijn alsnog aan te wijzen.
HOOFDSTUK II. VERSLAG VAN HET EUROPEES NIEUWHEIDSONDERZOEK
Regel 61. Inhoud van het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek
In het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek worden de documenten genoemd waarover het Europees Octrooibureau beschikt bij het opstellen van het verslag, die in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling of de uitvinding waarop de Europese octrooiaanvrage betrekking heeft, nieuw is en op uitvinderswerkzaamheid berust.
Ieder aangehaald document verwijst naar de conclusies waarop zij betrekking heeft. Indien nodig, worden de relevante delen van het geciteerde document vermeld.
In het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de aangehaalde documenten die zijn gepubliceerd voor de voorrangsdatum, tussen de voorrangsdatum en de datum van indiening, en op of na de datum van indiening.
Ieder document waarin wordt verwezen naar een mondelinge openbaarmaking, naar een gebruik of naar iedere andere vorm van openbaarmaking die voor de datum van indiening van de Europese octrooiaanvrage heeft plaatsgevonden, wordt in het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek aangehaald, met vermelding van de eventuele datum van publicatie van het document, alsmede van de datum van de niet-schriftelijke openbaarmaking.
Het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek wordt in de procestaal opgesteld.
Het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek dient de classificatie van het onderwerp van de Europese octrooiaanvrage overeenkomstig de internationale classificatie te vermelden.
Regel 62. Uitgebreid verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek
Het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek gaat vergezeld van een opinie of de aanvrage en de uitvinding waarop zij betrekking heeft, lijkt te voldoen aan de vereisten van het Verdrag, tenzij een mededeling overeenkomstig regel 71, eerste of derde lid, kan worden verstuurd.
De opinie bedoeld in het eerste lid wordt niet tezamen met het verslag van het nieuwheidsonderzoek gepubliceerd.
Regel 63. Onvolledig nieuwheidsonderzoek
Indien het Europees Octrooibureau van oordeel is dat de Europese octrooiaanvrage dermate weinig aan de bepalingen van het Verdrag voldoet, dat het onmogelijk is op basis van alle of een deel van de onderwerpen waarvoor bescherming wordt gevraagd een zinvol nieuwheidsonderzoek naar de stand van de techniek uit te voeren, verklaart het gemotiveerd dat een dergelijk onderzoek niet mogelijk is of stelt het, voor zover mogelijk, een gedeeltelijk verslag van het nieuwheidsonderzoek op. De verklaring of het gedeeltelijke verslag wordt voor de verdere procedure als het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek beschouwd.
Regel 64. Verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek indien er geen eenheid van uitvinding is
Indien het Europees Octrooibureau van oordeel is dat de Europese octrooiaanvrage niet voldoet aan het vereiste van eenheid van uitvinding, stelt het een gedeeltelijk verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek op voor die delen van de aanvrage die betrekking hebben op de uitvinding, of op de groep van uitvindingen in de zin van artikel 82, die als eerste in de conclusies staat vermeld. Het deelt de aanvrager mede dat, indien het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek de andere uitvindingen dient te bestrijken, voor elke betrokken uitvinding een volgende taks voor het nieuwheidsonderzoek dient te worden betaald binnen een te stellen termijn van minimaal twee weken en maximaal zes weken. Het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek wordt opgesteld voor die delen van de Europese octrooiaanvrage die betrekking hebben op de uitvindingen waarvoor taksen voor het nieuwheidsonderzoek zijn betaald.
Elke taks die is betaald ingevolge het eerste lid wordt terugbetaald, indien tijdens het onderzoek van de Europese octrooiaanvrage de aanvrager daarom verzoekt en de onderzoeksafdeling vaststelt dat de in het eerste lid bedoelde mededeling niet gerechtvaardigd was.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)