Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag)
Regel 83. Berekening van de termijnen
(1). De termijnen worden vastgesteld in volle jaren, maanden, weken of dagen.
(2). De termijn begint op de dag volgend op de dag waarop de voor het begin van de termijn van belang zijnde gebeurtenis heeft plaatsgevonden, waarbij deze gebeurtenis een handeling of de afloop van een vorige termijn kan zijn. Wanneer de handeling een kennisgeving betreft, geldt als van belang zijnde gebeurtenis de ontvangst van het medegedeelde stuk, tenzij anders is bepaald.
(3). Wanneer de termijn is uitgedrukt in één of meer jaren, eindigt deze termijn in het bewuste jaar op dezelfde datum als waarop de gebeurtenis heeft plaatsgehad; indien in de bewuste maand niet dezelfde datum voorkomt, eindigt de desbetreffende termijn op de laatste dag van die maand.
(4). Wanneer een termijn is uitgedrukt in één of meer maanden, eindigt de termijn in de bewuste maand op dezelfde datum als waarop de bedoelde gebeurtenis heeft plaatsgehad; indien in de bewuste maand niet dezelfde datum voorkomt, eindigt de desbetreffende termijn op de laatste dag van die maand.
(5). Wanneer een termijn is uitgedrukt in één of meer weken, eindigt deze termijn in de bewuste week op dezelfde dag waarop de bedoelde gebeurtenis heeft plaatsgehad.
Regel 84. Looptijd van de termijnen
Wanneer het Verdrag of dit Uitvoeringsreglement een termijn voorschrijft die moet worden vastgesteld door het Europees Octrooibureau, zal deze termijn ten minste twee en ten hoogste vier maanden bedragen; in bijzondere omstandigheden kan de termijn op zes maanden worden gesteld. In bijzondere gevallen kan de termijn op verzoek, dat voor het verstrijken van die termijn is ingediend, worden verlengd.
Regel 85. Verlenging van de termijnen
(1). Indien een termijn eindigt hetzij op een dag waarop een van de kantoren van het Europees Octrooibureau, waar men een octrooiaanvrage kan indienen, zoals bedoeld in artikel 75, eerste lid, letter (a), niet geopend is voor het in ontvangst nemen van stukken, hetzij op een dag waarop geen normale postbestellingen plaatsvinden om andere redenen dan die bedoeld in het tweede lid, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende dag waarop alle kantoren waar men een octrooiaanvrage kan indienen, geopend zijn voor het in ontvangst nemen van stukken en waarop de normale postbestellingen plaatsvinden.
(2). Indien een termijn eindigt hetzij op een dag waarop de postbestelling algemeen is onderbroken, hetzij op een dag waarop ten gevolge van deze onderbreking het postverkeer in een Verdragsluitende Staat of tussen een Verdragsluitende Staat en het Europees Octrooibureau is gestoord, wordt voor de partijen die hun woonplaats of zetel in die Staat hebben of die gemachtigden hebben aangewezen welke hun kantoor hebben in die Staat, de termijn verlengd tot de eerstvolgende dag na deze periode van onderbreking of storing. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de termijn bedoeld in artikel 77, vijfde lid. Voor het geval de betrokken Staat de Staat is waarin het Europees Octrooibureau zijn zetel heeft, is deze bepaling van toepassing op alle partijen. De duur van deze periode wordt bekend gemaakt in een mededeling van de Voorzitter van het Europees Octrooibureau.
(3). Het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de in het Verdrag bedoelde termijnen wanneer het handelingen betreft die verricht moeten worden voor de in artikel 75, eerste lid, letter b), bedoelde instantie.
(4). Indien een uitzonderlijke gebeurtenis als een natuurramp of een staking het behoorlijk functioneren van het Europees Octrooibureau zodanig onderbreekt of verstoort dat elke mededeling van het bureau naar partijen inzake het aflopen van een termijn vertraging ondervindt, kunnen handelingen die binnen zo'n termijn moeten zijn voltooid, nog rechtsgeldig worden voltooid binnen een maand na kennisgeving van de vertraagde mededeling. De datum van begin en einde van een dergelijke onderbreking of verstoring wordt bekend gemaakt in een mededeling van de Voorzitter van het Europees Octrooibureau.
Regel 85a. Aanvullende termijn voor de betaling van taksen
(1). Indien de indieningstaks, de taks voor het nieuwheidsonderzoek, een aanwijzingstaks of de nationale basistaks niet is betaald binnen de in artikel 78, tweede lid, artikel 79, tweede lid, regel 15, tweede lid, regel 25, tweede lid, of regel 104b, eerste lid, letters b en c, bepaalde termijnen, kan deze alsnog worden betaald binnen een aanvullende termijn van een maand na de kennisgeving waarin wordt medegedeeld dat de voorgeschreven termijn niet in acht is genomen, mits binnen deze termijn een toeslag wordt betaald.
(2). De aanwijzingstaksen ten aanzien waarvan de aanvrager heeft afgezien van de in het eerste lid genoemde kennisgeving kunnen alsnog worden betaald binnen een aanvullende termijn van twee maanden na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde normale termijnen, mits binnen deze termijn een toeslag wordt betaald.
Regel 85b. Aanvullende termijn voor het indienen van een verzoek tot het verrichten van een onderzoek
Indien het verzoek tot het verrichten van een onderzoek niet is ingediend binnen de in artikel 94, tweede lid, of regel 104b, eerste lid, letter d, bepaalde termijn, kan het alsnog worden ingediend binnen een aanvullende termijn van een maand na de kennisgeving waarin wordt medegedeeld dat de voorgeschreven termijn niet in acht is genomen, mits binnen deze termijn een toeslag wordt betaald.
HOOFDSTUK V. WIJZIGINGEN EN VERBETERINGEN
Regel 86. Wijziging van de Europese octrooiaanvrage
(1). Tenzij anders is bepaald, kan de aanvrager de beschrijving, de conclusies of de tekeningen van een Europese octrooiaanvrage niet wijzigen voordat hij het verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek heeft ontvangen.
(2). Na het verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek te hebben ontvangen en alvorens de eerste mededeling van de onderzoekafdeling te hebben ontvangen, kan de aanvrager uit eigen beweging de beschrijving, de conclusies en de tekeningen wijzigen.
(3). Na de eerste mededeling van de onderzoekaf deling te hebben ontvangen, kan de aanvrager uit eigen beweging eenmaal de beschrijving, de conclusies en de tekeningen wijzigen, mits de wijziging en het antwoord op de mededeling gelijktijdig worden ingediend. Voor latere wijzigingen is de toestemming vereist van de onderzoekafdeling.
Regel 87. Andere conclusies, beschrijvingen en tekeningen voor verschillende Staten
Indien het Europees Octrooibureau vaststelt dat ten aanzien van een of meer aangewezen Verdragsluitende Staten de inhoud van een eerder ingediende Europese octrooiaanvrage overeenkomstig artikel 54, derde en vierde lid, behoort tot de stand van de techniek, kan de Europese octrooiaanvrage of het Europees octrooi voor die Staat of Staten andere conclusies bevatten met, zo het Europees Octrooibureau zulks nodig acht, beschrijvingen en tekeningen welke afwijken van die voor de overige aangewezen Verdragsluitende Staten.
Regel 88. Herstel van fouten in de bij het Europees Octrooibureau ingediende stukken
Indien in een bij het Europees Octrooibureau ingediend stuk taal- of schrijffouten of andere vergissingen zijn gemaakt, kunnen deze op verzoek hersteld worden. Indien evenwel het verzoek tot herstel betrekking heeft op de beschrijving, de conclusies of de tekeningen, moet de noodzakelijkheid van het herstel zo onmiskenbaar zijn dat zonder meer blijkt dat de aanvrager geen andere tekst kan hebben bedoeld dan die in de herstelde vorm.
Regel 89. Herstel van vergissingen in de beslissingen
In de beslissingen van het Europees Octrooibureau mogen alleen de taal- en schrijffouten en andere klaarblijkelijke vergissingen worden gecorrigeerd.
HOOFDSTUK VI. ONDERBREKING VAN DE PROCEDURE
Regel 90. Onderbreking van de procedure
(1). De procedure voor het Europees Octrooibureau wordt onderbroken:
- a). bij overlijden of bij handelingsonbekwaamheid, hetzij van de aanvrager of van de houder van het Europees octrooi, hetzij van de persoon die ingevolge het nationale recht, dat op de aanvrager of de houder van het Europees octrooi van toepassing is, bevoegd is deze te vertegenwoordigen. Indien deze gebeurtenissen geen invloed hebben op de bevoegdheid van de overeenkomstig artikel 134 aangewezen gemachtigde, wordt de procedure slechts op verzoek van de gemachtigde onderbroken;
- b). indien de aanvrager of de houder van het Europees octrooi op wettelijke gronden de procedure voor het Europees Octrooibureau niet kan voortzetten vanwege een op zijn vermogen gerichte procedure;
- c). bij overlijden of bij handelingsonbekwaamheid van de gemachtigde van de aanvrager of houder van het Europees octrooi of indien de gemachtigde op wettelijke gronden de procedure voor het Europees Octrooibureau niet kan voortzetten vanwege een op zijn vermogen gerichte procedure.
(2). Zodra bij het Europees Octrooibureau bekend is, wie in de in het eerste lid, letters a) en b), bedoelde gevallen bevoegd is de procedure voor het Europees Octrooibureau voort te zetten, deelt het deze persoon en eventueel de overige belanghebbenden mede dat de procedure zal worden hervat op een door het Europees Octrooibureau vast te stellen datum.
(3). In het geval bedoeld in het eerste lid, letter c), wordt de procedure hervat wanneer het Europees Octrooibureau is verwittigd van de aanwijzing van een nieuwe vertegenwoordiger van de aanvrager of wanneer het Europees Octrooibureau de andere partijen heeft kennisgegeven van de mededeling van de aanwijzing van een nieuwe vertegenwoordiger van de houder van het Europees octrooi. Indien het Europees Octrooibureau binnen drie maanden na het begin van de onderbreking van de procedure geen bericht heeft ontvangen inzake de aanwijzing van een nieuwe vertegenwoordiger, deelt het aan de aanvrager of aan de houder van het Europees octrooi mede dat:
- a). in het geval bedoeld in artikel 133, tweede lid, de Europese octrooiaanvrage wordt geacht te zijn ingetrokken of dat het Europees octrooi herroepen wordt, indien van de aanwijzing van een nieuwe vertegenwoordiger niet bericht wordt gegeven binnen twee maanden na de kennisgeving van deze mededeling, of dat
- b). in de overige niet in artikel 133, tweede lid, bedoelde gevallen, de procedure met de aanvrager of met de houder van het Europees octrooi zal worden hervat op de datum van de kennisgeving van deze mededeling.
(4). De termijnen die op de dag van de onderbreking van de procedure lopen ten aanzien van de aanvrager of van de houder van het Europees octrooi beginnen, met uitzondering van de termijn voor het verzoek tot het verrichten van een onderzoek en van de termijn voor het betalen van de jaartaksen, geheel opnieuw te lopen op de dag waarop de procedure wordt hervat. Ligt deze dag minder dan twee maanden voor de datum waarop het verzoek tot het verrichten van een onderzoek moet zijn ingediend, dan kan dit verzoek alsnog worden ingediend tot twee maanden na het verstrijken van die dag.
HOOFDSTUK II. PROCEDURE TOT BEPERKING OF HERROEPING
Regel 91. Bevoegdheid ten aanzien van de procedure
Over verzoeken om beperking of herroeping van het Europees octrooi overeenkomstig artikel 105a beslist de onderzoeksafdeling. Artikel 18, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK VIII. VOORLICHTING VAN HET PUBLIEK
Regel 92. Vereisten ten aanzien van het verzoek
Het verzoek om beperking of herroeping van een Europees octrooi wordt schriftelijk in een van de officiële talen van het Europees Octrooibureau ingediend. Het verzoek kan eveneens in een officiële taal van een Verdragsluitende Staat worden ingediend, mits binnen de termijn omschreven in regel 6, tweede lid, een vertaling in een van de officiële talen van het Europees Octrooibureau wordt ingediend. Deel III van het Uitvoeringsreglement is van overeenkomstige toepassing op stukken ingediend tijdens procedures tot beperking of herroeping.
Het verzoek dient te bevatten:
- a. gegevens van de houder van het Europees octrooi die het verzoek indient (de verzoeker) zoals bepaald in regel 41, tweede lid, onderdeel c, alsmede een vermelding van de Verdragsluitende Staten waarvoor de verzoeker de houder van het octrooi is;
- b. het nummer van het octrooi ter zake waarvan om beperking of herroeping wordt verzocht en een lijst van de Verdragsluitende Staten waar het octrooi rechtsgeldig is geworden;
- c. indien van toepassing, de namen en de adressen van de houders van het octrooi voor die Verdragsluitende Staten waar de verzoeker niet de houder is van het octrooi, alsmede het bewijs dat de verzoeker gerechtigd is namens hen op te treden in de procedure;
- d. indien om beperking van het octrooi wordt verzocht, de volledige tekst van de gewijzigde conclusies, en in voorkomend geval, van de gewijzigde beschrijving en tekeningen;
- e. indien de verzoeker een gemachtigde heeft aangewezen, de gegevens genoemd in regel 41, tweede lid, onderdeel d.
Regel 93. Voorrang van oppositieprocedure
Het verzoek om beperking of herroeping wordt geacht niet te zijn ingediend, indien op het tijdstip van de indiening van het verzoek een oppositieprocedure met betrekking tot het octrooi aanhangig is.
Indien op het tijdstip van het instellen van oppositie tegen een Europees octrooi ter zake van dat octrooi een beperkingsprocedure aanhangig is, beëindigt de onderzoeksafdeling de beperkingsprocedure en gelast de terugbetaling van de beperkingstaks. Terugbetaling wordt eveneens gelast van de taks bedoeld in regel 95, derde lid, eerste volzin, indien de verzoeker deze taks reeds heeft betaald.
Regel 94. Verwerping van het verzoek wegens niet-ontvankelijkheid
Indien de onderzoeksafdeling vaststelt dat het verzoek om beperking of herroeping niet voldoet aan de vereisten van regel 92, nodigt zij de verzoeker uit de geconstateerde gebreken binnen een te stellen termijn op te heffen. Indien de gebreken niet tijdig zijn opgeheven, verwerpt de onderzoeksafdeling het verzoek wegens niet-ontvankelijkheid.
Regel 95. Beslissing op het verzoek
Indien een verzoek om herroeping ontvankelijk is, herroept de onderzoeksafdeling het octrooi en deelt dit mede aan de verzoeker.
Indien een verzoek om beperking ontvankelijk is, onderzoekt de onderzoeksafdeling of de gewijzigde conclusies een beperking vormen ten opzichte van de conclusies zoals verleend of gewijzigd tijdens een oppositie- of beperkingsprocedure en aan artikel 84 en artikel 123, tweede en derde lid, voldoen. Indien het verzoek niet aan deze vereisten voldoet, stelt de onderzoeksafdeling de verzoeker eenmaal in de gelegenheid de geconstateerde gebreken op te heffen en de conclusies en, indien van toepassing, de beschrijving en tekeningen binnen een te stellen termijn te wijzigen.
Indien een verzoek om beperking ingevolge het tweede lid kan worden ingewilligd, deelt de onderzoeksafdeling dit mede aan de verzoeker en nodigt hem uit de voorgeschreven taks te betalen en een vertaling van de gewijzigde conclusies in de officiële talen van het Europees Octrooibureau die niet de procestaal zijn binnen een termijn van drie maanden in te dienen; regel 82, derde lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing. Indien de verzoeker deze handelingen tijdig verricht, beperkt de onderzoeksafdeling het octrooi. In het verzoek wordt verwezen naar de website van het Europees Octrooibureau waar informatie over de vereisten voor de vertaling uit hoofde van artikel 65, eerste lid, in de Verdragsluitende Staten is gepubliceerd.
Indien de verzoeker niet tijdig reageert op de overeenkomstig het tweede lid gedane mededeling of indien het verzoek om beperking niet kan worden ingewilligd of indien de verzoeker nalaat de ingevolge het derde lid vereiste handelingen tijdig te verrichten, wijst de onderzoeksafdeling het verzoek af.
Regel 95a. Bewaring van dossiers
(1). Het Europees Octrooibureau bewaart de dossiers betreffende Europese octrooiaanvragen en Europese octrooien gedurende ten minste vijf jaar te rekenen van het einde van het jaar waarin:
- a). de aanvrage is afgewezen of ingetrokken of wordt geacht te zijn ingetrokken;
- b). het octrooi is herroepen ingevolge een oppositieprocedure;
- c). het octrooi in de laatste der aangewezen Staten is geëindigd.
(2). Onverminderd het bepaalde in het eerste lid bewaart het Europees Octrooibureau dossiers betreffende Europese octrooi-aanvragen die hebben geleid tot afgesplitste aanvragen als bedoeld in artikel 76 of nieuwe aanvragen als bedoeld in artikel 61, eerste lid, letter b), gedurende ten minste dezelfde tijdsduur als de dossiers betreffende een van deze laatstgenoemde aanvragen. Hetzelfde geldt voor dossiers betreffende daaruit voortvloeiende Europese octrooien.
(3). De Voorzitter van het Europees Octrooibureau bepaalt de vorm waarin de dossiers betreffende Europese octrooiaanvragen worden bewaard.
Regel 96. Inhoud en vorm van het gewijzigde Europese octrooischrift
Het gewijzigde Europese octrooischrift bevat de beschrijving, de conclusies en de tekeningen zoals gewijzigd. Regel 73, tweede en derde lid, en regel 74 zijn van toepassing.
HOOFDSTUK I. BEROEPSPROCEDURE
Regel 97. Beroep tegen de verdeling en vaststelling van kosten
De verdeling van de kosten van de oppositieprocedure kan niet het enige voorwerp van beroep zijn.
Tegen een beslissing tot vaststelling van de kosten van een oppositieprocedure kan alleen beroep worden ingesteld indien het bedrag hoger is dan de taks voor het beroep.
Regel 98. Afstand of verval van het octrooi
Tegen de beslissing van een oppositieafdeling kan ook beroep worden ingesteld wanneer in alle aangewezen Verdragsluitende Staten afstand van het Europees octrooi is gedaan of het octrooi in al deze Staten is vervallen.
Regel 99. Inhoud van het beroepschrift en van de memorie met de gronden
Het beroepschrift dient te bevatten:
- a. de naam en het adres van de appellant zoals bepaald in regel 41, tweede lid, onderdeel c;
- b. de vermelding van de bestreden beslissing; en
- c. een verzoek waarin het onderwerp van het beroep wordt vastgelegd.
In de memorie met de gronden van het beroep dient de appellant uiteen te zetten op welke gronden de bestreden beslissing dient te worden herroepen of in hoeverre deze zou moeten worden gewijzigd, alsmede de feiten en bewijzen waarop het beroep is gegrond.
Deel III van het Uitvoeringsreglement is van overeenkomstige toepassing op het beroepschrift, de memorie met de gronden en de in de beroepsprocedure ingediende stukken.
HOOFDSTUK I. BEROEPSPROCEDURE
Regel 100. Onderzoek van het beroep
De bepalingen die van toepassing zijn op de procedure voor het orgaan dat de bestreden beslissing heeft genomen, zijn van toepassing op de beroepsprocedure, tenzij anders bepaald.
Voor het onderzoek van het beroep nodigt de kamer van beroep de partijen zo vaak als nodig uit binnen een te stellen termijn te reageren op haar mededelingen of op de zienswijzen van andere partijen.
Indien de aanvrager niet tijdig gevolg geeft aan een uitnodiging overeenkomstig het tweede lid, wordt de Europese octrooiaanvrage geacht te zijn ingetrokken, tenzij de bestreden beslissing was genomen door de juridische afdeling.
Regel 101. Verwerping van het beroep wegens niet-ontvankelijkheid
Indien het beroep niet voldoet aan de artikelen 106 tot en met 108, regel 97 of regel 99, eerste lid, onderdeel b of c, of tweede lid, verwerpt de kamer van beroep het beroep wegens niet-ontvankelijkheid, tenzij de gebreken zijn opgeheven voordat de desbetreffende termijn ingevolge artikel 108 is verstreken.
Indien de kamer van beroep vaststelt dat het beroep niet voldoet aan regel 99, eerste lid, onderdeel a, deelt zij dit aan de appellant mede en nodigt hem uit de geconstateerde gebreken binnen een te stellen termijn op te heffen. Indien de gebreken niet tijdig zijn opgeheven, verwerpt de kamer van beroep het beroep wegens niet-ontvankelijkheid.
Regel 102. Vorm van de beslissing van de kamer van beroep
De beslissing wordt door de voorzitter van de kamer van beroep en door de bevoegde medewerker van de griffie van de kamer van beroep door middel van hun handtekening of op andere passende wijze gewaarmerkt. De beslissing bevat:
- a. de mededeling dat zij was genomen door de kamer van beroep;
- b. de datum waarop de beslissing was genomen;
- c. de namen van de voorzitter en de andere leden van de kamer van beroep die aan de beslissing meegewerkt hebben;
- d. de namen van de partijen en hun gemachtigden;
- e. de verzoeken van de partijen;
- f. een samenvatting van de feiten;
- g. de gronden voor de beslissing;
- h. het dictum, waaronder, in voorkomend geval, de beslissing inzake de procedurekosten.
DEEL ACHTSTE. BEPALINGEN TER UITVOERING VAN HET ACHTSTE, TIENDE EN ELFDE DEEL VAN HET VERDRAG
Regel 103. Voorlichting van het publiek in geval van omzetting
(1). De stukken die overeenkomstig artikel 136 zijn gevoegd bij het verzoek tot omzetting, worden door de centrale dienst voor de industriële eigendom openbaar gemaakt onder dezelfde voorwaarden en binnen dezelfde grenzen als de stukken die betrekking hebben op de nationale procedure.
(2). Het nationale octrooischrift dat voortvloeit uit de omzetting van een Europese octrooiaanvrage moet melding maken van deze aanvrage.
Regel 104. Overige fundamentele procedurele tekortkomingen
Een fundamentele procedurele tekortkoming in de zin van artikel 112a, tweede lid, onderdeel d, kan zich hebben voorgedaan indien de kamer van beroep,
- a. in strijd met artikel 116 heeft verzuimd een mondelinge procedure te organiseren ondanks het verzoek van de verzoeker, of
- b. op het beroep heeft beslist zonder te beslissen over een voor die beslissing relevant verzoek.
Regel 104a. Het Europees Octrooibureau als Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek of als Instantie voor de Internationale Voorlopige Beoordeling
(1). In het geval van artikel 17, derde lid, letter a) van het Samenwerkingsverdrag is een extra taks, waarvan het bedrag gelijk is aan dat van de taks voor het nieuwheidsonderzoek, verschuldigd voor elke bijkomende uitvinding waarvoor het internationaal nieuwheidsonderzoek moet worden verricht.
(2). In het geval van artikel 34, derde lid, letter a) van het Samenwerkingsverdrag is een extra taks, waarvan het bedrag gelijk is aan dat van de taks voor de internationale voorlopige beoordeling, verschuldigd voor elke bijkomende uitvinding waarvoor de internationale voorlopige beoordeling moet worden verricht.
Regel 104b. Het Europees Octrooibureau als aangewezen of gekozen bureau
(1). In het geval van een internationale aanvrage als bedoeld in artikel 150, derde lid, van dit Verdrag dient de aanvrager de volgende handelingen te verrichten binnen een termijn van hetzij eenentwintig maanden wanneer artikel 22, eerste en tweede lid, van het Samenwerkingsverdrag van toepassing is, hetzij eenendertig maanden wanneer artikel 39, eerste lid, letter a, van het Samenwerkingsverdrag van toepassing is, te rekenen vanaf de datum van indiening van de aanvrage of, indien een beroep op voorrang wordt gedaan, vanaf de voorrangsdatum:
- a. de verstrekking, in voorkomend geval, van de vertaling van de internationale aanvrage als voorgeschreven in artikel 158, tweede lid, van het Verdrag;
- b. de betaling van de nationale taks als bedoeld in artikel 158, tweede lid, van het Verdrag, welke omvat:
- i. een nationale basistaks gelijk aan de indieningstaks als bedoeld in artikel 78, tweede lid,
- ii. de aanwijzingstaks als bedoeld in artikel 79, tweede lid, en
- iii. in voorkomend geval, de conclusietaksen als bedoeld in regel 31;
- c. de betaling van de taks voor het nieuwheidsonderzoek als bedoeld in artikel 157, tweede lid, letter b, van het Verdrag, wanneer een aanvullend verslag van het Europese nieuwheidsonderzoek moet worden opgesteld;
- d. de indiening van een verzoek tot het verrichten van een onderzoek in overeenstemming met artikel 94 van het Verdrag indien de in artikel 94, tweede lid, genoemde termijn eerder is verstreken;
- e. de betaling van de jaartaks voor het derde jaar in overeenstemming met artikel 86, eerste lid, van het Verdrag, indien de taks eerder moet worden betaald in overeenstemming met regel 37, eerste lid;
- f. de indiening, in voorkomend geval, van een bewijsstuk van tentoonstelling als bedoeld in artikel 55, tweede lid, en regel 23 van het Verdrag.
(2). Indien de in regel 17, eerste lid, van het Verdrag voorgeschreven gegevens betreffende de uitvinder niet zijn ingediend bij het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn van respectievelijk eenentwintig of eenendertig maanden, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager de gegevens te verstrekken binnen een door het Bureau te stellen termijn.
(3). Wanneer een beroep op voorrang van een eerdere aanvrage wordt gedaan en het nummer van de indiening, het afschrift of de vertaling als bedoeld in artikel 88, eerste lid, en regel 38, eerste tot en met vierde lid, van het Verdrag nog niet zijn ingediend bij het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn van respectievelijk eenentwintig of eenendertig maanden, verzoekt het Europees Octrooibureau de aanvrager het nummer, het afschrift of de vertaling van de eerdere aanvrage te verstrekken binnen een door het Bureau te stellen termijn.
(4). Indien slechts een deel van de internationale aanvrage door de Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek is onderzocht omdat deze Instantie van oordeel was dat de aanvrage niet voldeed aan het vereiste van eenheid van uitvinding en de aanvrager niet binnen de voorgeschreven termijn alle extra taksen heeft betaald overeenkomstig artikel 17, derde lid, letter a) van het Samenwerkingsverdrag, onderzoekt de afdeling voor het nieuwheidsonderzoek of de aanvrage voldoet aan het vereiste van eenheid van uitvinding. Indien de afdeling voor het nieuwheidsonderzoek van oordeel is dat zulks niet het geval is, deelt zij de aanvrager mede dat een verslag van een Europees nieuwheidsonderzoek kan worden verkregen ten aanzien van die delen van de internationale aanvrage die niet zijn onderzocht, indien een taks voor het nieuwheidsonderzoek wordt betaald voor elke betrokken uitvinding binnen een door de afdeling voor het nieuwheidsonderzoek te stellen termijn van minimaal twee weken en maximaal zes weken. De afdeling voor het nieuwheidsonderzoek stelt een verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek op voor die delen van de internationale aanvrage die betrekking hebben op uitvindingen waarvoor taksen voor het nieuwheidsonderzoek zijn betaald.
(5). Regel 46, tweede lid, van dit Verdrag is van overeenkomstige toepassing op de in het vierde lid bedoelde mededeling.
(6). Wanneer het Europees Octrooibureau een verslag van de internationale voorlopige beoordeling heeft opgesteld ten aanzien van een internationale aanvrage, staat het de aanvrager een vermindering van de taks voor het onderzoek toe. De vermindering wordt in het Reglement betreffende de taksen vastgesteld in de vorm van een percentage van de taks.
Regel 104c. Gevolgen van niet-betaling
Indien de nationale basistaks en ten minste één aanwijzingstaks als bedoeld in regel 104b, eerste lid, letter b, niet tijdig zijn betaald, wordt de Europese octrooiaanvrage geacht te zijn ingetrokken.
Behoudens het bepaalde in het eerste lid, wordt de aanwijzing van een Verdragsluitende Staat ten aanzien waarvan de aanwijzingstaks als bedoeld in regel 104b, eerste lid, letter b, niet tijdig is betaald, geacht te zijn ingetrokken.
Ingeval de conclusietaks als bedoeld in regel 104b, eerste lid, letter b, niet tijdig is betaald, wordt de aanvrager geacht van deze conclusie te hebben afgezien.
Regel 105. Strafbare feiten
Een verzoek om herziening kan worden gebaseerd op artikel 112a, tweede lid, onderdeel e, indien een bevoegde gerechtelijke instantie of een bevoegde autoriteit onherroepelijk heeft vastgesteld dat er een strafbaar is gepleegd; een veroordeling is niet noodzakelijk.
Regel 106. Verplichting tot het maken van bezwaar
Een verzoek ingevolge artikel 112a, tweede lid, onderdelen a tot en met d, is uitsluitend ontvankelijk, indien tijdens de beroepsprocedure ter zake van de procedurele tekortkoming bezwaar is gemaakt en door de kamer van beroep is afgewezen, tenzij tijdens de beroepsprocedure geen bezwaar kon worden gemaakt.
Regel 106a. Het in regel 10, tweede lid, bedoelde college gedurende een overgangsperiode
Totdat de ondervoorzitter verantwoordelijk voor het beroep is aangewezen en totdat meer dan één kamer van beroep is ingesteld, wordt het in regel 10, tweede lid, bedoelde college als volgt samengesteld:
- a). Indien de ondervoorzitter verantwoordelijk voor het beroep nog niet is benoemd én slechts één kamer van beroep is ingesteld, bestaat het college uit de Voorzitter van het Europees Octrooibureau, die als voorzitter optreedt, de voorzitter van de kamer van beroep die reeds is ingesteld en drie andere leden van de kamer van beroep, die door de gezamenlijke leden van deze kamer voor het zittingsjaar worden gekozen.
- b). Indien de ondervoorzitter verantwoordelijk voor het beroep nog niet is benoemd, bestaat het college uit de Voorzitter van het Europees Octrooibureau, die als voorzitter optreedt, de voorzitters van de kamers van beroep en drie andere leden van de kamers van beroep, die door de gezamenlijke leden van deze kamers voor het zittingsjaar worden gekozen.
- c). Indien slechts één kamer van beroep is ingesteld, bestaat het college uit de Voorzitter van het Europees Octrooibureau, die als voorzitter optreedt, de ondervoorzitter verantwoordelijk voor het beroep, de voorzitter van de reeds ingestelde kamer van beroep en drie andere leden van de kamers van beroep, die door de gezamenlijke leden van deze kamer voor het zittingsjaar worden gekozen.
- d). In alle onder a), b) en c) bedoelde gevallen kan dit college slechts rechtsgeldig beslissen indien tenminste vier van zijn leden aanwezig zijn, onder wie in elk geval de Voorzitter of een ondervoorzitter van het Europees Octrooibureau en een voorzitter van een kamer van beroep.
AFDELING I. BEVOEGDHEID
Artikel 1
(1). Voor rechtsvorderingen, die zijn ingesteld tegen de aanvrager van een Europees octrooi en zijn gericht op het doen gelden van de aanspraak op verlening van het Europees octrooi voor een of meer in de Europese octrooiaanvrage aangewezen Verdragsluitende Staten, wordt de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Verdragsluitende Staten bepaald overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 6.
(2). In de zin van dit Protocol worden met de rechterlijke instanties gelijkgesteld de autoriteiten die volgens het nationale recht van een Verdragsluitende Staat bevoegd zijn te beslissen over rechtsvorderingen als in het eerste lid bedoeld. De Verdragsluitende Staten delen het Europees Octrooibureau mede aan welke autoriteiten een dergelijke bevoegdheid is verleend; het Europees Octrooibureau doet hiervan mededeling aan de andere Verdragsluitende Staten.
(3). In de zin van dit Protocol wordt onder de Verdragsluitende Staten verstaan de Staten die Partij zijn bij het Verdrag en die de toepassing van dit Protocol niet hebben uitgesloten op grond van artikel 167 van het Verdrag.
Artikel 2
Behoudens het bepaalde in de artikelen 4 en 5, wordt een rechtsvordering tegen de aanvrager van een Europees octrooi, die zijn woonplaats of zetel heeft in een van de Verdragsluitende Staten, ingesteld door de rechterlijke instanties van bedoelde Verdragsluitende Staat.
Artikel 3
Behoudens het bepaalde in de artikelen 4 en 5 zijn, indien de aanvrager van een Europees octrooi noch zijn woonplaats noch zijn zetel in een van de Verdragsluitende Staten heeft en indien de persoon die de aanspraak op verlening van het Europees octrooi doet gelden zijn woonplaats of zetel wel in een van de Verdragsluitende Staten heeft, alleen de rechterlijke instanties van laatstbedoelde Staat bevoegd.
Artikel 4
Indien de Europese octrooiaanvrage een uitvinding van een werknemer betreft, zijn voor rechtsvorderingen, waar de werkgever en de werknemer tegenover elkaar staan, behoudens het bepaalde in artikel 5, alleen de rechterlijke instanties van die Verdragsluitende Staat bevoegd, volgens het recht waarvan het recht op het Europees octrooi wordt bepaald overeenkomstig artikel 60, eerste lid, tweede volzin, van het Verdrag.
Artikel 5
(1). Indien de partijen bij een geschil omtrent de aanspraak op verlening van het Europees octrooi, door middel van een schriftelijke overeenkomst of van een mondelinge overeenkomst die schriftelijk is bevestigd een rechterlijke instantie of de rechterlijke instanties van een bepaalde Verdragsluitende Staat hebben aangewezen om inzake dit geschil een beslissing te nemen, is alleen deze rechterlijke instantie of zijn alleen deze rechterlijke instanties van die Staat bevoegd.
(2). Indien de partijen een werknemer en zijn werkgever betreffen, is het eerste lid slechts van toepassing voor zover het op de arbeidsovereenkomst toepasselijke nationale recht een dergelijke overeenkomst toestaat.
Artikel 6
Voor de gevallen waarin de artikelen 2 tot en met 4 en artikel 5, eerste lid, niet van toepassing zijn, zijn alleen de rechterlijke instanties van de Duitse Bondsrepubliek bevoegd.
Artikel 7
De rechterlijke instanties van de Verdragsluitende Staten, waarvoor rechtsvorderingen als bedoeld in artikel 1 aanhangig worden gemaakt, toetsen ambtshalve of zij bevoegd zijn overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 6.
Artikel 8
(1). Wanneer voor rechterlijke instanties van verschillende Verdragsluitende Staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, moet de rechterlijke instantie waarbij de zaak later is aangebracht, zelfs ambtshalve, de partijen verwijzen naar de rechterlijke instantie, waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt.
(2). De rechterlijke instantie, die tot verwijzing zou moeten overgaan op grond van het eerste lid, houdt haar uitspraak aan tot de beslissing van de rechterlijke instantie, waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt, in kracht van gewijsde is gegaan, indien de bevoegdheid van laatstbedoelde instantie wordt betwist.
AFDELING II. ERKENNING
Artikel 9
(1). Behoudens het bepaalde in artikel 11, tweede lid, worden de in kracht van gewijsde gegane beslissingen, die zijn gegeven in een Verdragsluitende Staat ten aanzien van de aanspraak op verlening van het Europees octrooi voor een of meer in de Europese octrooiaanvrage aangewezen Staten in de overige Verdragsluitende Staten erkend zonder vorm van proces.
(2). De bevoegdheid van de rechterlijke instantie waarvan de beslissing moet worden erkend en de rechtsgeldigheid van die beslissing mag niet worden aangevochten.
Artikel 10
Artikel 9, eerste lid, is niet van toepassing indien:
- a). de aanvrager van een Europees octrooi, die voor een rechterlijke instantie is gedaagd en niet is verschenen, bewijst dat het stuk dat het geding inleidt hem niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, is betekend, of
- b). de aanvrager van een Europees octrooi bewijst dat de beslissing onverenigbaar is met een andere beslissing, genomen ten aanzien van een tussen dezelfde partijen in een Verdragsluitende Staat aanhangig gemaakte rechtsvordering, die eerder is ingesteld dan de rechtsvordering ten aanzien waarvan de beslissing, waarvoor erkenning wordt gevraagd, werd genomen.
Artikel 11
(1). In de betrekkingen tussen de Verdragsluitende Staten hebben de bepalingen van dit Protocol voorrang boven de daarmede in strijd zijnde bepalingen van andere overeenkomsten betreffende de rechterlijke bevoegdheid of de erkenning van de beslissingen.
(2). Dit Protocol verhindert niet de toepassing van enige andere regeling tussen een Verdragsluitende Staat en een Staat die niet is gebonden door dit Protocol.
Artikel 1
De kantoorruimten van de Organisatie zijn onschendbaar.
De autoriteiten van de Staten op het grondgebied waarvan de Organisatie haar kantoorruimten heeft, kunnen deze ruimten slechts betreden met toestemming van de Voorzitter van het Europees Octrooibureau. Deze toestemming wordt geacht te zijn verkregen bij brand of bij enig ander ongeval waarbij onmiddellijk maatregelen ter bescherming dienen te worden genomen.
Het betekenen ten kantore van de Organisatie van processtukken welke betrekking hebben op een tegen de Organisatie gerichte rechtsvordering, vormt geen inbreuk op de onschendbaarheid.
Artikel 2
Het archief van de Organisatie alsmede de documenten die haar toebehoren of die zij onder zich houdt, zijn onschendbaar.
Artikel 3
In het kader van haar officiële werkzaamheden, geniet de Organisatie immuniteit van rechtsmacht en van executie behoudens:
- a). voor zover de Organisatie in een bijzonder geval uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van deze immuniteit;
- b). met betrekking tot een door derden ingediende civiele rechtsvordering ter zake van schade, die voortvloeit uit een ongeval dat is veroorzaakt door een aan de Organisatie toebehorend of namens haar gebruikt motorvoertuig, of met betrekking tot een verkeersovertreding waarbij een zodanig voertuig is betrokken;
- c). met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een ingevolge artikel 23 gedane scheidsrechterlijke uitspraak.
Eigendommen en activa van de Organisatie, ongeacht waar deze zich bevinden, zijn vrij van vordering, inbeslagneming, onteigening en beslaglegging.
Eigendommen en activa van de Organisatie zijn eveneens vrij van elke vorm van administratieve of voorlopige gerechtelijke dwang, behalve voor zover deze tijdelijk geboden zou zijn in verband met het voorkomen van ongevallen waarbij motorvoertuigen zijn betrokken, die toebehoren aan de Organisatie of namens deze worden gebruikt, en het instellen van een onderzoek naar de toedracht van die ongevallen.
In de zin van dit Protocol wordt onder officiële werkzaamheden van de Organisatie die werkzaamheden verstaan welke strikt noodzakelijk zijn voor de administratieve en technische uitvoering van haar taken zoals die zijn vastgesteld in het Verdrag.
Artikel 4
Binnen het raam van haar officiële werkzaamheden zijn de Organisatie, haar bezittingen en haar inkomsten vrijgesteld van alle directe belastingen.
Wanneer de Organisatie voor het verrichten van haar officiële werkzaamheden belangrijke aankopen doet in de prijs waarvan belastingen of rechten zijn begrepen, worden door de Verdragsluitende Staten zo mogelijk passende maatregelen genomen om het met deze belastingen of rechten gemoeide bedrag terug te betalen of de Organisatie van de verplichting tot betaling daarvan te ontheffen.
Geen vrijstelling wordt verleend ten aanzien van belastingen en rechten, die in feite niet anders zijn dan een vergoeding voor openbare diensten verleend door openbare nutsbedrijven.
Artikel 5
Goederen die door de Organisatie worden ingevoerd of uitgevoerd voor het verrichten van haar officiële werkzaamheden, zijn vrijgesteld van alle in- en uitvoerrechten en andere heffingen, andere dan rechten of heffingen die betrekking hebben op verleende diensten, alsmede van alle in- en uitvoerverboden en -beperkingen.
Artikel 6
Geen vrijstelling op grond van de artikelen 4 en 5 wordt verleend ten aanzien van goederen die worden aangekocht en ingevoerd ten gerieve van de personeelsleden van het Europees Octrooibureau persoonlijk.
Artikel 7
De overdracht van goederen en het verlenen van diensten tussen de verschillende gebouwen van de Organisatie zijn vrij van alle heffingen of beperkingen; in voorkomende gevallen nemen de Verdragsluitende Staten alle passende maatregelen om het met deze heffingen gemoeide bedrag terug te betalen of de betrokkenen van de verplichting tot betaling daarvan te ontheffen, of om deze beperkingen op te heffen.
Artikel 8
De doorzending van geschriften en ander voorlichtingsmateriaal dat door of aan de Organisatie wordt verzonden, wordt op geen enkele wijze beperkt.
Artikel 9
De Verdragsluitende Staten verlenen de Organisatie de voor het verrichten van haar officiële werkzaamheden benodigde vrijstellingen op het gebied van het deviezenverkeer.
Artikel 10
Met betrekking tot officiële berichtgeving en het overbrengen van al haar documenten geniet de Organisatie in elke Verdragsluitende Staat de meest gunstige behandeling, die deze Staat elke andere internationale organisatie doet genieten.
Er wordt geen censuur uitgeoefend op de officiële berichtgeving van de Organisatie, ongeacht de middelen waarmee bedoelde berichtgeving geschiedt.
Artikel 11
De Lid-Staten nemen alle gepaste maatregelen waardoor het binnenkomen, het verblijf en het vertrek van alle personeelsleden van het Europees Octrooibureau wordt vergemakkelijkt.
Artikel 12
De vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Staten, hun plaatsvervangers, hun adviseurs of deskundigen genieten, bij de vergaderingen van de Raad van Bestuur of ieder orgaan dat door deze Raad is ingesteld alsmede op hun reizen naar de plaats van samenkomst en terug, de volgende voorrechten en immuniteiten:
- a). immuniteit van arrestatie en gevangenhouding, alsmede van inbeslagneming van hun persoonlijke bagage, behalve wanneer zij op heterdaad betrapt worden;
- b). vrijstelling van rechtsvervolging, ook na beëindiging van hun missie, met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden, door hen in de uitoefening van hun functie verricht; deze vrijstelling geldt evenwel niet in geval van een door een van de hierboven bedoelde personen begane verkeersovertreding of in geval van schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat hem toebehoort of dat door hem werd bestuurd;
- c). onschendbaarheid van al hun officiële papieren en documenten;
- d). het recht codes te gebruiken en documenten of correspondentie te ontvangen per speciale koerier of in een verzegelde tas;
- e). vrijstelling voor henzelf en hun echtgenoten van alle maatregelen die de binnenkomst van vreemdelingen beperken alsmede van de aan de registratie van vreemdelingen verbonden formaliteiten;
- f). dezelfde faciliteiten ter zake van valuta- en deviezenbepalingen als die welke worden verleend aan de vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen die met een tijdelijke officiële missie zijn belast.
Voorrechten en immuniteiten worden aan de in het eerste lid bedoelde personen niet verleend in hun persoonlijk belang, doch met het doel hun volledige onafhankelijkheid te waarborgen bij de uitoefening van hun functie in verband met de Organisatie. Derhalve heeft een Verdragsluitende Staat de plicht de immuniteit op te heffen telkens wanneer, naar het oordeel van die Staat, de immuniteit aan de loop van het recht in de weg zou staan, en er afstand van kan worden gedaan, zonder de doeleinden waarvoor zij was toegekend, in gevaar te brengen.
Artikel 13
Behoudens artikel 6 geniet de Voorzitter van het Europees Octrooibureau de voorrechten en immuniteiten die zijn toegekend aan diplomatieke functionarissen krachtens het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961.
De vrijstelling van rechtsvordering geldt echter niet in geval van een door de Voorzitter van het Europees Octrooibureau begane verkeersovertreding of in geval van schade veroorzaakt door een motorvoertuig dat hem toebehoort of dat door hem werd bestuurd.
Artikel 14
De personeelsleden van de Organisatie
- a). genieten, ook nadat zij hun functies beëindigd hebben, vrijstelling van rechtsvervolging met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden, door hen in de uitoefening van hun functie verricht; deze immuniteit geldt evenwel niet in geval van een verkeersovertreding begaan door een personeelslid van de Organisatie, noch in geval van schade die is veroorzaakt door een motorvoertuig dat toebehoort aan of bestuurd werd door een personeelslid;
- b). zijn vrijgesteld van alle verplichtingen met betrekking tot de militaire dienst;
- c). genieten onschendbaarheid met betrekking tot al hun officiële papieren en documenten;
- d). genieten, evenals hun inwonende gezinsleden, dezelfde faciliteiten ten aanzien van vrijstelling van alle maatregelen die de immigratie beperken en de inschrijving van vreemdelingen regelen, als die welke in het algemeen worden toegekend aan personeelsleden van internationale organisaties;
- e). genieten dezelfde voorrechten met betrekking tot deviezenregelingen als die welke in het algemeen worden toegekend aan de personeelsleden van internationale organisaties;
- f). genieten bij een internationale crisis, wat terugkeer naar hun vaderland betreft, dezelfde faciliteiten als die welke diplomatieke vertegenwoordigers worden toegekend; hun inwonende gezinsleden genieten dezelfde faciliteiten;
- g). hebben het recht, wanneer zij voor de eerste maal hun werkzaamheden in de betrokken Staat aanvangen, hun meubelen en persoonlijke bezittingen vrij van rechten in te voeren, en hebben, wanneer zij hun functie in die Staat beëindigen, het recht hun meubelen en persoonlijke bezittingen vrij van rechten uit te voeren, met inachtneming van de voorwaarden die de Regering van de Staat op het grondgebied waarvan dit recht wordt uitgeoefend noodzakelijk acht en met uitzondering van de goederen welke in die Staat zijn aangeschaft en waarvoor aldaar een uitvoerverbod bestaat.
Artikel 15
Deskundigen genieten tijdens het uitoefenen van hun werkzaamheden voor de Organisatie of tijdens het uitvoeren van missies voor de Organisatie, alsook tijdens reizen die zij in verband daarmee maken, de volgende voorrechten en immuniteiten, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun functie:
- a). vrijstelling van rechtsvervolging met betrekking tot door hen tijdens de uitoefening van hun functie verrichte handelingen, waaronder begrepen geschreven of gesproken woorden, behoudens in geval van een door een deskundige begane verkeersovertreding, of in geval van schade veroorzaakt door een hem toebehorend of door hem bestuurd motorvoertuig; ook na beëindiging van hun functie bij de Organisatie genieten de deskundigen deze immuniteit;
- b). onschendbaarheid ten aanzien van al hun officiële papieren en documenten;
- c). deviezenfaciliteiten die nodig zijn voor het overmaken van hun vergoedingen.
Artikel 16
Onder de voorwaarden en op de wijze zoals die worden vastgesteld door de Raad van Bestuur binnen een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag, zijn de in de artikelen 13 en 14 bedoelde personen onderworpen aan een belasting ten gunste van de Organisatie op door de Organisatie betaalde salarissen en emolumenten. Van de datum waarop deze belasting ingaat af zijn deze salarissen en emolumenten vrij van nationale inkomstenbelasting. De Verdragsluitende Staten kunnen evenwel met deze salarissen en emolumenten wel rekening houden bij de berekening van de belasting die verschuldigd is over inkomsten uit andere bronnen.
Het vorige lid is niet van toepassing op de pensioenen en lijfrenten die door de Organisatie worden betaald aan voormalige personeelsleden van het Europees Octrooibureau.
Artikel 17
De Raad van Bestuur bepaalt op welke categorieën personeelsleden het bepaalde in artikel 14, geheel of gedeeltelijk, en in artikel 16 van toepassing is, alsmede op welke categorieën deskundigen het bepaalde in artikel 15 van toepassing is. De namen, titels en adressen van de personeelsleden en deskundigen van die categorieën worden op gezette tijden ter kennis gebracht van de Verdragsluitende Staten.
Artikel 18
Indien de Organisatie een eigen systeem voor sociale verzekering instelt, zijn de Organisatie en de personeelsleden van het Europees Octrooibureau vrijgesteld van alle verplichte bijdragen aan de nationale sociale verzekeringsorganen, met inachtneming van de overeenkomsten, die zij, overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, met de Verdragsluitende Staten sluit.
Artikel 19
De in dit Protocol voorziene voorrechten en immuniteiten zijn niet bedoeld om de personeelsleden van het Europees Octrooibureau of de deskundigen, die voor of in opdracht van de Organisatie werkzaam zijn tot persoonlijk voordeel te strekken. Zij beogen uitsluitend het onbelemmerd functioneren van de Organisatie onder alle omstandigheden, zomede de volledige onafhankelijkheid van de personen aan wie zij worden toegekend.
De Voorzitter van het Europees Octrooibureau heeft de plicht de immuniteit op te heffen, indien hij van oordeel is dat deze immuniteit aan de loop van het recht in de weg staat, en indien het mogelijk is van deze immuniteit afstand te doen zonder de belangen van de Organisatie in gevaar te brengen. De Raad van Bestuur kan op dezelfde gronden een van de aan de Voorzitter toegekende immuniteiten opheffen.
Artikel 20
De Organisatie werkt voortdurend samen met de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten ter bevordering van een goede rechtsbedeling, ter verzekering van de naleving van politievoorschriften en van voorschriften met betrekking tot de volksgezondheid, de arbeidsinspectie, of andere soortgelijke nationale wetten, alsmede ter voorkoming van misbruik van de in dit Protocol bedoelde voorrechten, immuniteiten en faciliteiten.
De procedure te volgen bij de in het voorgaande lid genoemde samenwerking kan worden neergelegd in de in artikel 25 bedoelde aanvullende overeenkomsten.
Artikel 21
Elke Verdragsluitende Staat behoudt zich het recht voor alle voorzorgen te treffen die nodig zijn in het belang van zijn veiligheid.
Artikel 22
Geen enkele Verdragsluitende Staat is verplicht de in de artikelen 12, 13, 14, letters b), e) en g), en 15, letter c), bedoelde voorrechten en immuniteiten toe te kennen aan:
- a). zijn eigen onderdanen;
- b). personen die bij de aanvang van hun werkzaamheden bij de Organisatie hun vaste woonplaats in die Staat hebben en die niet behoren tot het personeel van een andere intergouvernementele organisatie dat overgaat naar de Organisatie.
Artikel 23
Elke Verdragsluitende Staat kan aan een internationaal scheidsgerecht elk geschil voorleggen waarbij de Organisatie, een personeelslid of een deskundige die voor of in opdracht van de Organisatie werkzaamheden verricht betrokken is, voor zover de Organisatie, het personeelslid of de deskundige zich op een voorrecht of een immuniteit krachtens dit Protocol heeft beroepen, en deze immuniteit niet is opgeheven.
Indien een Verdragsluitende Staat voornemens is een geschil ter arbitrage voor te leggen, doet hij daarvan mededeling aan de Voorzitter van de Raad van Bestuur, die iedere Verdragsluitende Staat terstond van deze mededeling in kennis stelt.
De procedure neergelegd in het eerste lid is niet van toepassing op geschillen tussen de Organisatie en de personeelsleden of deskundigen met betrekking tot het ambtenarenreglement of de arbeidsvoorwaarden en is evenmin van toepassing op de personeelsleden met betrekking tot het pensioenreglement.
Van een uitspraak van het scheidsgerecht, die definitief en bindend is voor partijen, is geen beroep toegelaten. Zo er onenigheid bestaat ten aanzien van de betekenis of draagwijdte van de uitspraak, is het scheidsgerecht verplicht deze, op verzoek van een der partijen, toe te lichten.
Artikel 24
Het in artikel 23 bedoelde scheidsgerecht bestaat uit drie leden, te weten één scheidsman die wordt benoemd door de Staat of de Staten die partij zijn bij de arbitrage, één scheidsman die door de Raad van Bestuur wordt benoemd en een derde scheidsman, die als voorzitter optreedt en door de twee anderen wordt benoemd.
Deze scheidsmannen worden gekozen uit een lijst van ten hoogste zes scheidsmannen die door elke Verdragsluitende Staat worden aangewezen en zes door de Raad van Bestuur aangewezen scheidsmannen. Deze lijst wordt zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit Protocol opgesteld en vervolgens telkens voor zover nodig aangevuld.
Indien binnen drie maanden, te rekenen van de datum van de in artikel 23, tweede lid, bedoelde mededeling, een der partijen niet is overgegaan tot de benoeming bedoeld in het eerste lid, wordt, op verzoek van de andere partij, de scheidsman door de President van het Internationale Gerechtshof gekozen uit de personen die op genoemde lijst voorkomen. Dit gebeurt eveneens, zo een der partijen daarom verzoekt, indien binnen één maand na het tijdstip van benoeming van de tweede scheidsman, de eerste twee scheidsmannen geen overeenstemming kunnen bereiken over de aanwijzing van de derde scheidsman. Indien evenwel in beide gevallen de Voorzitter van het Internationale Gerechtshof verhinderd is of indien hij onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil, worden de bovenbedoelde benoemingen gedaan door de onder-Voorzitter van het Internationale Hof, tenzij ook deze onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil; in dat geval dienen de benoemingen te geschieden door het lid van het Internationale Hof dat zelf geen onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil en die is gekozen door de Voorzitter of door de onder-Voorzitter. Een onderdaan van de verzoekende Staat mag niet worden gekozen om op te treden als de scheidsman die door de Raad van Bestuur moest worden benoemd, zomin als een op de lijst voorkomende en door de Raad van Bestuur aangewezen persoon mag worden gekozen om op te treden als de scheidsman die door de verzoekende Staat moest worden benoemd. Ook mag geen tot een dezer categorieën behorende persoon worden gekozen als voorzitter van het scheidsgerecht.
Het scheidsgerecht stelt zijn eigen procedureregels vast.
Artikel 25
De Organisatie kan, bij besluit van de Raad van Bestuur, met een of meer Verdragsluitende Staten aanvullende overeenkomsten aangaan ten einde uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Protocol met betrekking tot die Staat of die Staten, alsmede andere regelingen treffen ter waarborging van een goede functionering van de Organisatie en ter beveiliging van haar belangen.
IN WITNESS WHEREOF, the Plenipotentiaries authorised thereto, having presented their Full Powers, found to be in good and due form, have signed this Convention.
DONE at Munich this fifth day of October one thousand nine hundred and seventy-three
Artikel 4a. Conferentie van ministers van de Verdragsluitende Staten
Een conferentie van ministers van de Verdragsluitende Staten die verantwoordelijk zijn voor octrooiaangelegenheden, komt ten minste eenmaal in de vijf jaar bijeen teneinde kwesties inzake de Organisatie en het Europese octrooistelsel te bespreken.
HOOFDSTUK II. DE EUROPESE OCTROOIORGANISATIE
HOOFDSTUK III. HET EUROPEES OCTROOIBUREAU
HOOFDSTUK IV. DE RAAD VAN BESTUUR
HOOFDSTUK V. FINANCIËLE BEPALINGEN
DEEL II. MATERIEEL OCTROOIRECHT
HOOFDSTUK I. OCTROOIEERBAARHEID
HOOFDSTUK II. PERSONEN DIE GERECHTIGD ZIJN EEN EUROPEES OCTROOI AAN TE VRAGEN EN TE VERKRIJGEN – VERMELDING VAN DE UITVINDER
HOOFDSTUK III. GEVOLGEN VAN HET EUROPEES OCTROOI EN VAN DE EUROPESE OCTROOIAANVRAGE
HOOFDSTUK IV. DE EUROPESE OCTROOIAANVRAGE ALS DEEL VAN HET VERMOGEN
DEEL III. DE EUROPESE OCTROOIAANVRAGE
HOOFDSTUK I. INDIENING VAN EEN EUROPESE OCTROOIAANVRAGE EN VOORWAARDEN WAARAAN DEZE MOET VOLDOEN
HOOFDSTUK II. VOORRANG
DEEL IV. PROCEDURE TOT AAN DE VERLENING
DEEL V. OPPOSITIE- EN BEPERKINGSPROCEDURE
Artikel 105a. Verzoek om beperking of herroeping
Op verzoek van de octrooihouder kan het Europees octrooi worden herroepen of worden beperkt door wijziging van de conclusies. Het verzoek wordt ingediend bij het Europees Octrooibureau in overeenstemming met het Uitvoeringsreglement. Het wordt geacht eerst te zijn ingediend nadat de beperkings- of herroepingstaks is betaald.
Het verzoek kan niet worden ingediend hangende een oppositieprocedure ten aanzien van het Europees octrooi.
Artikel 105b. Beperking of herroeping van het Europees octrooi
Het Europees Octrooibureau onderzoekt of voldaan is aan de vereisten vastgesteld in het Uitvoeringsreglement voor het beperken of herroepen van het Europees octrooi.
Indien het Europees Octrooibureau van oordeel is dat het verzoek om beperking of herroeping van het Europees octrooi voldoet aan deze vereisten, beslist het Europees Octrooibureau het Europees octrooi te beperken of te herroepen in overeenstemming met het Uitvoeringsreglement. Is dat niet het geval dan wijst zij het verzoek af.
De beslissing tot beperking of herroeping van het Europees octrooi is van toepassing in alle Verdragsluitende Staten waarvoor het is verleend. Deze beslissing wordt van kracht op de datum waarop de vermelding van deze beslissing wordt gepubliceerd in het Europees Octrooiblad.
Artikel 105c. Publicatie van het gewijzigd Europees octrooischrift
Indien het Europees octrooi is beperkt ingevolge artikel 105b, tweede lid, publiceert het Europees Octrooibureau het gewijzigd Europees octrooischrift zo spoedig mogelijk nadat de vermelding van de beperking is gepubliceerd in het Europees Octrooiblad.
DEEL VI. BEROEPSPROCEDURE
Artikel 112a. Verzoek om herziening door de Grote Kamer van beroep
Elke partij bij een beroepsprocedure die benadeeld is door de beslissing van de kamer van beroep kan een verzoek indienen om herziening van de beslissing door de Grote Kamer van beroep.
Het verzoek kan alleen worden ingediend op de gronden dat:
- a. een lid van de kamer van beroep in strijd met artikel 24, eerste lid, deelnam aan de beslissing of ondanks het feit dat hij was uitgesloten op grond van een beslissing ingevolge artikel 24, vierde lid;
- b. de kamer van beroep een persoon omvatte die niet was benoemd als lid van de kamers van beroep;
- c. zich een fundamentele schending van artikel 113 heeft voorgedaan;
- d. zich een andere fundamentele procedurele tekortkoming als omschreven in het Uitvoeringsreglement heeft voorgedaan in de beroepsprocedure; of
- e. een strafbaar feit vastgesteld overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld in het Uitvoeringsreglement van invloed kan zijn geweest op de beslissing.
Het verzoek om herziening heeft geen schorsende werking.
Het verzoek om herziening wordt ingediend en met redenen omkleed in overeenstemming met het Uitvoeringsreglement. Indien het verzoek gebaseerd is op het tweede lid, onderdelen a tot en met d, dient het binnen twee maanden na de kennisgeving van de beslissing van de kamer van beroep te worden ingediend. Indien het verzoek is gebaseerd op het tweede lid, onderdeel e, dient het binnen twee maanden na de datum waarop het strafbare feit is vastgesteld te worden ingediend, maar in geen geval later dan vijf jaar na de kennisgeving van de beslissing van de kamer van beroep. Het verzoek wordt geacht eerst te zijn ingediend nadat de voorgeschreven taks is betaald.
De Grote Kamer van beroep onderzoekt het verzoek om herziening in overeenstemming met het Uitvoeringsreglement. Indien het verzoek gegrond is, maakt de Grote Kamer van beroep de beslissing ongedaan en heropent de procedure bij de kamers van beroep in overeenstemming met het Uitvoeringsreglement.
Degene die in een aangewezen Verdragsluitende Staat te goeder trouw in het tijdvak tussen de beslissing van de kamer van beroep en de publicatie in het Europees Octrooiblad van de vermelding van de beslissing van de Grote Kamer van beroep inzake het verzoek om herziening, een uitvinding, die het voorwerp is van een gepubliceerde Europese octrooiaanvrage of van een Europees octrooi, heeft toegepast of doeltreffende en serieuze voorbereidingen voor toepassing ervan heeft getroffen, mag met deze toepassing in of voor zijn bedrijf kosteloos doorgaan.
DEEL VII. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE PROCEDURE
HOOFDSTUK II. INFORMATIE VOOR HET PUBLIEK OF VOOR OFFICIËLE INSTANTIES
HOOFDSTUK III. VERTEGENWOORDIGING
Artikel 134a. Instituut van erkende gemachtigden voor het Europees Octrooibureau
De Raad van Bestuur is bevoegd bepalingen vast te stellen en te wijzigen ten aanzien van:
- a. het Instituut van erkende gemachtigden voor het Europees Octrooibureau, hierna te noemen het Instituut;
- b. de vereiste bekwaamheid en opleiding om te worden toegelaten tot het Europese bekwaamheidsexamen en ten aanzien van het afnemen van dit examen;
- c. het tuchtrechtelijk toezicht dat het Instituut of het Europees Octrooibureau over de erkende gemachtigden uitoefent;
- d. de geheimhoudingsverplichting van de erkend gemachtigde en het recht in procedures voor het Europees Octrooibureau te weigeren communicatie tussen een erkend gemachtigde en zijn cliënt of enig andere persoon bekend te maken.
Iedere persoon die ingeschreven staat op de lijst van erkende gemachtigden bedoeld in artikel 134, eerste lid, is lid van het Instituut.
DEEL VIII. GEVOLGEN VOOR HET NATIONALE RECHT
HOOFDSTUK I. OMZETTING IN EEN NATIONALE OCTROOIAANVRAGE
HOOFDSTUK II. NIETIGHEID EN OUDERE RECHTEN
HOOFDSTUK III. OVERIGE GEVOLGEN
DEEL IX. BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN
Artikel 149a. Andere overeenkomsten tussen de Verdragsluitende Staten
Geen enkele bepaling in dit Verdrag mag zodanig worden uitgelegd dat zij het recht van bepaalde of alle Verdragsluitende Staten beperkt bijzondere overeenkomsten te sluiten inzake aangelegenheden betreffende Europese octrooiaanvragen of Europese octrooien die op grond van dit Verdrag onderworpen zijn aan en worden beheerst door het nationale recht, zoals met name
- a. een overeenkomst tot oprichting van een gemeenschappelijk Europees octrooigerecht voor de Verdragsluitende Staten die daar partij bij zijn;
- b. een overeenkomst tot oprichting van een gemeenschappelijke instantie voor de Verdragsluitende Staten die daar partij bij zijn, die op verzoek van de nationale gerechtelijke instanties of semi-gerechtelijke autoriteiten haar oordeel geeft over kwesties op het gebied van Europees of geharmoniseerd nationaal octrooirecht;
- c. een overeenkomst op grond waarvan de Verdragsluitende Staten die daar partij bij zijn geheel of gedeeltelijk kunnen afzien van vertalingen van Europese octrooien bedoeld in artikel 65;
- d. een overeenkomst op grond waarvan de Verdragsluitende Staten die daar partij bij zijn bepalen dat vertalingen van Europese octrooien als vereist overeenkomstig artikel 65 kunnen worden ingediend bij en gepubliceerd door het Europees Octrooibureau.
De Raad van Bestuur is bevoegd te besluiten dat:
- a. de leden van de kamers van beroep of van de Grote Kamer van beroep zitting kunnen hebben in een Europees octrooigerecht of in een gemeenschappelijke instantie en deelnemen aan procedures voor dat gerecht of die instantie in overeenstemming met een dergelijke overeenkomst;
- b. het Europees Octrooibureau een gemeenschappelijke instantie van ondersteunend personeel, accommodatie en materiaal zal voorzien, die voor de uitvoering van haar taken benodigd zijn en dat de kosten van die instantie geheel of gedeeltelijk door de Organisatie worden gedragen.
DEEL X. INTERNATIONALE AANVRAGEN IN DE ZIN VAN HET VERDRAG TOT SAMENWERKING INZAKE OCTROOIEN – EURO-PCT-AANVRAGEN
DEEL XI. OVERGANGSBEPALINGEN
DEEL XII. SLOTBEPALINGEN
DEEL I. UITVOERINGSBEPALINGEN VAN DEEL I VAN HET VERDRAG
HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN
Regel 1. Schriftelijke procedure
In een schriftelijke procedure voor het Europees Octrooibureau is voldaan aan de eis tot gebruik van de schriftelijke vorm indien de inhoud van de stukken in leesbare vorm kan worden gereproduceerd.
Regel 2. Indiening van stukken; Vormvoorschriften
In de procedures voor het Europees Octrooibureau kunnen stukken door rechtstreekse overhandiging, per post of met behulp van elektronische communicatie worden ingediend. De President van het Europees Octrooibureau legt de nadere details en voorwaarden en indien aangewezen eventuele bijzondere formele of technische vereisten voor de indiening van stukken vast. Hij kan in het bijzonder bepalen dat een bevestiging dient te worden nagestuurd. Indien een dergelijke bevestiging niet tijdig is ingediend, wordt de Europese octrooiaanvrage afgewezen; nadien ingediende stukken worden geacht niet te zijn ontvangen.
Indien het Verdrag bepaalt dat een stuk dient te worden ondertekend, kan de authenticiteit van het stuk worden bevestigd door middel van een handgeschreven handtekening of met behulp van andere passende middelen waarvan het gebruik is toegestaan door de President van het Europees Octrooibureau. Een met behulp van deze andere middelen gewaarmerkt stuk wordt geacht op dezelfde wijze te voldoen aan de wettelijke vereisten omtrent handtekeningen als een schriftelijk, in de papieren vorm ingediend stuk dat is voorzien van een handgeschreven handtekening.
Regel 3. Taal in schriftelijke procedures
In een schriftelijke procedure voor het Europees Octrooibureau kan elke partij elke officiële taal van het Europees Octrooibureau gebruiken. De in artikel 14, vierde lid, bedoelde vertaling kan worden ingediend in elke officiële taal van het Europees Octrooibureau.
Wijzigingen van de Europese octrooiaanvrage of het Europees octrooi dienen in de procestaal te worden ingediend.
Schriftelijk bewijs en in het bijzonder publicaties kunnen in elke taal worden ingediend. Het Europees Octrooibureau kan evenwel eisen dat een vertaling in een van zijn officiële talen wordt ingediend binnen een te stellen termijn. Indien de vereiste vertaling niet tijdig is ingediend, behoeft het Europees Octrooibureau geen rekening te houden met het desbetreffende stuk.
Regel 4. Taal in mondelinge procedures
Elke partij bij een mondelinge procedure voor het Europees Octrooibureau kan in plaats van de procestaal een van de andere officiële talen van het Europees Octrooibureau gebruiken, mits zij het Europees Octrooibureau hiervan ten minste één maand voor de voor de mondelinge procedure vastgestelde datum kennis geeft ofwel zelf voor vertaling in de procestaal zorgt. Elke partij kan eveneens een officiële taal van een Verdragsluitende Staat gebruiken, mits zij zelf zorgt voor vertaling in de procestaal. Het Europees Octrooibureau kan uitzonderingen toelaten op het in dit lid bepaalde.
Tijdens de mondelinge procedure kan het personeel van het Europees Octrooibureau in de plaats van de procestaal een van de andere officiële talen van het Europees Octrooibureau gebruiken.
Bij het verkrijgen van bewijs kunnen de partijen, de getuigen of de deskundigen die gehoord dienen te worden en een van de officiële talen van het Europees Octrooibureau of van een van de Verdragsluitende Staten onvoldoende beheersen, een andere taal gebruiken. Indien gelegenheid tot het verkrijgen van bewijs wordt gegeven op verzoek van een partij kunnen de partijen, de getuigen of de deskundigen, die gebruikmaken van een andere taal dan een officiële taal van het Europees Octrooibureau, slechts worden gehoord indien de betreffende partij zelf voor vertaling in de procestaal zorgt. Het Europees Octrooibureau kan evenwel de vertaling in een van zijn andere officiële talen toestaan.
Indien de partijen en het Europees Octrooibureau daarmee instemmen, kan elke taal worden gebruikt.
Het Europees Octrooibureau verzorgt, voor zover noodzakelijk, voor eigen rekening de vertaling in de procestaal of, in voorkomend geval, in een van zijn andere officiële talen, tenzij deze vertaling door een van de partijen dient te worden verzorgd.
Verklaringen van personeelsleden van het Europees Octrooibureau, partijen, getuigen of deskundigen die in een officiële taal van het Europees Octrooibureau zijn afgelegd, worden in die taal in het verslag opgenomen. Verklaringen die zijn afgelegd in een andere taal, worden in de officiële taal waarin zij zijn vertaald opgenomen. Wijzigingen van een Europese octrooiaanvrage of een Europees octrooi worden in het verslag in de procestaal opgenomen.
Regel 5. Waarmerking van vertalingen
Indien de vertaling van een stuk is vereist, kan het Europees Octrooibureau eisen dat binnen een te stellen termijn een waarmerking wordt ingediend waaruit blijkt dat de vertaling overeenstemt met de originele tekst. Indien de waarmerking niet tijdig is ingediend, wordt het stuk geacht niet te zijn ingediend, tenzij anders bepaald.
Regel 6. Indiening van vertalingen
De vertaling bedoeld in artikel 14, tweede lid, dient te worden ingediend binnen twee maanden na de indiening van de Europese octrooiaanvrage.
De vertaling bedoeld in artikel 14, vierde lid, dient te worden ingediend binnen een maand na de indiening van het stuk. Dit is eveneens van toepassing op verzoeken ingevolge artikel 105a. Indien dit stuk een bezwaarschrift, een beroepschrift, een memorie met de gronden van het beroep of een verzoek om herziening is, kan de vertaling worden ingediend binnen de oppositie- of beroepstermijn, de termijn voor de indiening van de memorie met de gronden van het beroep of de termijn voor het verzoek om herziening, indien deze termijn later verstrijkt.
Regel 7. Rechtskracht van de vertaling van de Europese octrooiaanvrage
Tenzij het tegendeel wordt bewezen, gaat het Europees Octrooibureau, bij het bepalen of het onderwerp van de Europese octrooiaanvrage of van het Europees octrooi gedekt wordt door de inhoud van de aanvrage zoals die is ingediend, er vanuit dat de ingevolge artikel 14, tweede lid, of regel 40, derde lid, ingediende vertaling in overeenstemming is met de oorspronkelijke tekst van de aanvrage.
AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Regel 8. Classificatie van de octrooien
Het Europees Octrooibureau gebruikt de classificatie bedoeld in artikel 1 van de Overeenkomst van Straatsburg betreffende de internationale classificatie van octrooien van 24 maart 1971, hierna te noemen de internationale classificatie.
Regel 9. Bestuursstructuur van het Europees Octrooibureau
Het Europees Octrooibureau wordt bestuurlijk in directoraten-generaal onderverdeeld, waaraan de in artikel 15, onderdelen a tot en met e, genoemde organen, alsmede de diensten voor de behandeling van juridische aangelegenheden en de interne administratie van het bureau worden toegewezen.
Elk directoraat-generaal wordt geleid door een Vicepresident. De benoeming van een Vicepresident aan het hoofd van een directoraat-generaal wordt genomen door de Raad van Bestuur, nadat de President van het Europees Octrooibureau is geraadpleegd.
Regel 10. Bevoegdheid van de aanvraagafdeling en de onderzoeksafdeling
De aanvraagafdeling is bevoegd tot het onderzoek van een Europese octrooiaanvrage bij indiening en tot het onderzoek op vormvereisten, tot het tijdstip waarop de onderzoeksafdeling bevoegd wordt tot het onderzoek van een Europese octrooiaanvrage ingevolge artikel 94, eerste lid.
Onverminderd het derde en vierde lid is de onderzoeksafdeling vanaf het tijdstip waarop een verzoek om onderzoek is ingediend bevoegd tot het onderzoek van een Europese octrooiaanvrage ingevolge artikel 94, eerste lid.
Indien een verzoek om onderzoek is ingediend voordat het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek aan de aanvrager is toegezonden, is de onderzoeksafdeling, onverminderd het vierde lid, bevoegd vanaf het tijdstip waarop het Europees Octrooibureau de verklaring ingevolge regel 70, tweede lid ontvangt.
Indien een verzoek om onderzoek is ingediend voordat het verslag van het Europees nieuwheidsonderzoek aan de aanvrager is toegezonden en indien de aanvrager afstand heeft gedaan van het recht ingevolge regel 70, tweede lid, is de onderzoeksafdeling bevoegd vanaf het tijdstip waarop het verslag van het nieuwheidsonderzoek aan de aanvrager wordt toegezonden.
Regel 11. Taakverdeling over de organen in de eerste aanleg
Technisch geschoolde onderzoekers die optreden als lid van de afdeling voor het nieuwheidsonderzoek, de onderzoeksafdeling of de oppositieafdeling worden toegewezen aan directoraten. De President van het Europees Octrooibureau verdeelt de taken over deze directoraten aan de hand van de internationale classificatie.
De President van het Europees Octrooibureau kan aan de aanvraagafdeling, de afdeling voor het nieuwheidsonderzoek, de onderzoeksafdeling en de oppositieafdeling alsmede aan de juridische afdeling aanvullende taken toewijzen naast de hen ingevolge het Verdrag toegekende taken.
De President van het Europees Octrooibureau kan bepaalde taken die op de afdelingen voor het nieuwheidsonderzoek, onderzoeksafdelingen of oppositieafdelingen rusten en die geen bijzondere technische of juridische moeilijkheden opleveren, toevertrouwen aan personeelsleden die geen technisch geschoolde of rechtsgeleerde onderzoeker zijn.
AFDELING 2. ORGANISATIE VAN DE KAMERS VAN BEROEP EN DE GROTE KAMER VAN BEROEP
Regel 12. Presidium van de kamers van beroep
Het onafhankelijke orgaan binnen het de kamers van beroep omvattende organisatieonderdeel (het „Presidium van de kamers van beroep”) bestaat uit de Vicepresident die verantwoordelijk is voor de kamers van beroep als voorzitter en twaalf leden van de kamers van beroep, van wie zes voorzitters en zes overige leden.
Alle leden van het Presidium worden gekozen door de voorzitters en de leden van de kamers van beroep voor twee zittingsjaren. Indien het Presidium niet volledig kan worden samengesteld, worden de vacante zetels bezet door aanwijzing van voorzitters en leden met de hoogste anciënniteit.
Het Presidium stelt het reglement voor de procesvoering van de kamers van beroep vast, alsmede het reglement voor de verkiezing en aanwijzing van zijn leden. Voorts adviseert het Presidium de voor de kamers van beroep verantwoordelijke Vicepresident ter zake van aangelegenheden betreffende het functioneren van de kamers van beroep in het algemeen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)