Wijzigingsgeschiedenis
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003
100 versions
· 2026-02-01
2026-02-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 740
2026-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 1 y 22
2025-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 3
2025-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 3
2025-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 1
2024-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-05-09
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 3
2023-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 576
2023-08-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 28
2023-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 15, 15 y 5
2023-05-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 27, 1 y 34
2023-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 109
2023-02-15
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 27, 1 y 22
2023-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 13 y 52
2022-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 27 y 18
2022-09-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 27 y 14
2022-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 27 y 29
2022-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 6, 1 y 523
2022-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 503
2021-11-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 6, 1958, 7 y
2021-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 17, 2004 y
2021-08-30
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 143
2021-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 77
2021-06-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 277
2021-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 99
2021-03-08
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 28
2021-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 28
2020-10-15
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 220
2020-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 13, 15 y 5
2020-05-07
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 6, 1, 10 y 63
2020-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 6, 1, 10 y 15
2020-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 403
2019-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 472
2019-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 20, 358, 1 y
2018-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 468
2018-05-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 2, 1, 10 y 17
2018-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-10-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
Wijzigingen op 2017-04-01
@@ -114,7 +114,7 @@
Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8). Een vreemdeling tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland geen bedenkingen bestaan, voldoet dan ook aan het vereiste ‘toelating voor onbepaalde tijd’. Op de wijze als beschreven in de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN en met behulp van de daar opgenomen bijlagen kan worden beoordeeld of wordt voldaan aan dit vereiste.
Om in aanmerking te komen voor (mede)naturalisatie moet een kind op grond van [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) voldoen aan het vereiste van ‘toelating voor onbepaalde tijd’. Gelet hierop moet aan de hand van het verblijfsdocument van het kind worden aangetoond dat het kind beschikt over een zelfstandig dan wel afhankelijk verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard. Ingeval van gezinshereniging is het verblijfsrecht van het kind afhankelijk van degene bij wie verblijf wordt beoogd (de verblijfgever, meestal de ouder bij wie het kind verblijf heeft gekregen). Als het verblijfsrecht van de verblijfgever een niet-tijdelijk karakter heeft, is het verblijfsrecht van het kind eveneens van niet-tijdelijke aard. Als het verblijfsrecht van de verblijfgever een tijdelijk karakter heeft, is ook het verblijfsrecht van het kind tijdelijk van aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5)). In dat laatste geval is geen sprake van ‘toelating voor onbepaalde tijd’ (zie ook de [toelichting bij artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=11&z=2017-03-01&g=2017-03-01)). Echter, op grond van [artikel 4.21, tweede lid Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) wordt geen document anders dan bedoeld in het eerste lid, onder a of b, verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld. Als er geen verblijfsdocument is, kan de toelating worden bepaald aan de hand van een afschrift uit de BRP waarop de gegevens in verband met het verblijfsrecht van het kind vermeld staan.
Om in aanmerking te komen voor (mede)naturalisatie moet een kind op grond van [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) voldoen aan het vereiste van ‘toelating voor onbepaalde tijd’. Gelet hierop moet aan de hand van het verblijfsdocument van het kind worden aangetoond dat het kind beschikt over een zelfstandig dan wel afhankelijk verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard. Ingeval van gezinshereniging is het verblijfsrecht van het kind afhankelijk van degene bij wie verblijf wordt beoogd (de verblijfgever, meestal de ouder bij wie het kind verblijf heeft gekregen). Als het verblijfsrecht van de verblijfgever een niet-tijdelijk karakter heeft, is het verblijfsrecht van het kind eveneens van niet-tijdelijke aard. Als het verblijfsrecht van de verblijfgever een tijdelijk karakter heeft, is ook het verblijfsrecht van het kind tijdelijk van aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5)). In dat laatste geval is geen sprake van ‘toelating voor onbepaalde tijd’ (zie ook de [toelichting bij artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=11&z=2017-04-01&g=2017-04-01)). Echter, op grond van [artikel 4.21, tweede lid Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) wordt geen document anders dan bedoeld in het eerste lid, onder a of b, verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld. Als er geen verblijfsdocument is, kan de toelating worden bepaald aan de hand van een afschrift uit de BRP waarop de gegevens in verband met het verblijfsrecht van het kind vermeld staan.
### Paragraaf 5. Onafgebroken periode(n) van toelating/‘verblijfsgat’
@@ -866,7 +866,7 @@
De optieprocedure is met ingang van 1 april 2003 ingrijpend gewijzigd. Vóór 1 april 2003 was het uitbrengen van een optie voor de Nederlandse nationaliteit een eenzijdige vormvrije rechtshandeling. De verkrijging van het Nederlanderschap door optie was niet afhankelijk van een beslissing van een bestuursorgaan. De vreemdeling die bij een in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) aangewezen bestuursorgaan mondeling of schriftelijk verklaarde dat hij Nederlander wilde worden én die op dat moment voldeed aan alle voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap, verkreeg daarmee onmiddellijk de Nederlandse nationaliteit. Als achteraf bleek dat hij op het moment van het uitbrengen van de optieverklaring toch niet voldeed aan alle voorwaarden, werd aan de betreffende optieverklaring het rechtsgevolg onthouden en werd de vreemdeling geacht de Nederlandse nationaliteit nooit te hebben verkregen. Daarbij maakte het geen verschil of de vreemdeling al geruime tijd was aangemerkt als Nederlander door een fout van het bestuursorgaan dan wel door het verstrekken van onjuiste gegevens door de vreemdeling zélf. Eventuele gewekte verwachtingen hadden niet tot gevolg dat het Nederlanderschap alsnog werd verkregen. Dit kon leiden tot minder gewenste situaties zoals het na geruime tijd nog moeten intrekken van een Nederlands paspoort en het wijzigen van de basisadministratie.
Sinds de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) op 1 april 2003 is de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door optie niet meer een eenzijdige, vormvrije rechtshandeling. De optant moet in beginsel in persoon verschijnen en de optieverklaring kan alleen nog maar schriftelijk worden uitgebracht. Voor het uitbrengen en voor de behandeling van een optieverklaring zijn optiegelden verschuldigd (zie [artikel 13, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)). Het Nederlanderschap wordt eerst verkregen nadat het daartoe bevoegde bestuursorgaan de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit schriftelijk heeft bevestigd. Het besluit tot bevestiging treedt echter pas in werking nadat het als regel op een naturalisatieceremonie is uitgereikt. De uitreiking kan pas plaatsvinden nadat de verklaring van verbondenheid is afgelegd, tenzij voor optant een uitzondering op deze voorwaarde geldt. Zie voor de naturalisatieceremonie de [toelichting in de Handleiding bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
Sinds de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) op 1 april 2003 is de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door optie niet meer een eenzijdige, vormvrije rechtshandeling. De optant moet in beginsel in persoon verschijnen en de optieverklaring kan alleen nog maar schriftelijk worden uitgebracht. Voor het uitbrengen en voor de behandeling van een optieverklaring zijn optiegelden verschuldigd (zie [artikel 13, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)). Het Nederlanderschap wordt eerst verkregen nadat het daartoe bevoegde bestuursorgaan de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit schriftelijk heeft bevestigd. Het besluit tot bevestiging treedt echter pas in werking nadat het als regel op een naturalisatieceremonie is uitgereikt. De uitreiking kan pas plaatsvinden nadat de verklaring van verbondenheid is afgelegd, tenzij voor optant een uitzondering op deze voorwaarde geldt. Zie voor de naturalisatieceremonie de [toelichting in de Handleiding bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
### Paragraaf 1. Algemeen
@@ -880,7 +880,7 @@
De datum op de schriftelijke bevestiging door het bestuursorgaan bepaalt het tijdstip waarop het Nederlanderschap uiteindelijk (na het meestal op een ná die datum gelegen naturalisatieceremonie afleggen van de verklaring van verbondenheid en de uitreiking van het besluit) wordt verkregen. De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie heeft geen terugwerkende kracht (zie [artikel 2, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)).
Als achteraf blijkt dat de optieverklaring ten onrechte is bevestigd, is weliswaar het Nederlanderschap verkregen, maar kan de Nederlandse nationaliteit worden ingetrokken door Onze Minister. Dit kan echter alleen als de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit berust op een door de optant gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van een voor de verkrijging relevant feit. Met andere woorden, fouten aan de zijde van de overheid zullen de optant niet worden tegengeworpen (zie ook de [toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
Als achteraf blijkt dat de optieverklaring ten onrechte is bevestigd, is weliswaar het Nederlanderschap verkregen, maar kan de Nederlandse nationaliteit worden ingetrokken door Onze Minister. Dit kan echter alleen als de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit berust op een door de optant gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van een voor de verkrijging relevant feit. Met andere woorden, fouten aan de zijde van de overheid zullen de optant niet worden tegengeworpen (zie ook de [toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14&z=2017-04-01&g=2017-04-01)).
De optant die niet voldoet aan alle voorwaarden, wordt geadviseerd geen optieverklaring af te leggen. Voor de uiteindelijke beoordeling of aan de voorwaarden wordt voldaan, is het moment van de bevestiging van de optie bepalend.
@@ -1024,7 +1024,7 @@
Ten aanzien van een optant geboren vóór 25 november 1975 in Suriname van wie de ouders in Suriname of het Koninkrijk zijn geboren, mag worden aangenomen dat hij oud-Nederlander is. Ten aanzien van een optant geboren vóór 21 december 1949 in het voormalige Nederlands-Indië, mag worden aangenomen dat hij (ten minste) de status van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten. Hetzelfde geldt ten aanzien van de optant geboren vóór 1 oktober 1962 in het voormalige Nederlands-Nieuw-Guinea.
Als het Nederlanderschap is verloren op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) of [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zal dit meestal zijn vermeld in de BRP. Als onduidelijk is of sprake is van één van de hier bedoelde verliesgronden, kan de burgemeester aan de IND in Rijswijk verzoeken dit voor hem na te gaan in het Nationaliteitenregister. Zie ook de [toelichting bij artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=22&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
Als het Nederlanderschap is verloren op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) of [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zal dit meestal zijn vermeld in de BRP. Als onduidelijk is of sprake is van één van de hier bedoelde verliesgronden, kan de burgemeester aan de IND in Rijswijk verzoeken dit voor hem na te gaan in het Nationaliteitenregister. Zie ook de [toelichting bij artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=22&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
### paragraaf 3. Overgangsregeling
@@ -1094,7 +1094,7 @@
Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd dan wel een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, heeft altijd (tenzij er redenen zijn om te denken dat die vergunning moet worden ingetrokken) toelating voor onbepaalde tijd in hier bedoelde zin.
Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, een sticker of een W-document, heeft nooit toelating voor onbepaalde tijd. Een uitzondering hierop vormen de minderjarige kinderen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en voor wie medeverlening wordt verzocht door een ouder die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (zie ook [paragraaf 3.9 bij de toelichting van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.9&z=2017-03-01&g=2017-03-01)). Uitzondering hierop vormen ook de staatloze verzoekers die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie ook bijlage 2 van de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). Hierbij wordt benadrukt dat vermelding in de BRP met ‘nationaliteit onbekend’ (code 0000) niet betekent dat de verzoeker staatloos is. Alleen als de vreemdeling in de BRP als ‘staatloos’ staat geregistreerd bij de nationaliteitsgegevens, geldt de regel dat deze als houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een verblijfsrecht heeft op grond waarvan geen bedenkingen bestaan tegen verblijf voor onbepaalde tijd. De uitzondering die hier aan de orde is, is noodzakelijk omdat een staatloze na drie jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie mag indienen ([artikel 8, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)).
Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, een sticker of een W-document, heeft nooit toelating voor onbepaalde tijd. Een uitzondering hierop vormen de minderjarige kinderen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en voor wie medeverlening wordt verzocht door een ouder die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (zie ook [paragraaf 3.9 bij de toelichting van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.9&z=2017-04-01&g=2017-04-01)). Uitzondering hierop vormen ook de staatloze verzoekers die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie ook bijlage 2 van de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). Hierbij wordt benadrukt dat vermelding in de BRP met ‘nationaliteit onbekend’ (code 0000) niet betekent dat de verzoeker staatloos is. Alleen als de vreemdeling in de BRP als ‘staatloos’ staat geregistreerd bij de nationaliteitsgegevens, geldt de regel dat deze als houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een verblijfsrecht heeft op grond waarvan geen bedenkingen bestaan tegen verblijf voor onbepaalde tijd. De uitzondering die hier aan de orde is, is noodzakelijk omdat een staatloze na drie jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie mag indienen ([artikel 8, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)).
Enkele situaties waarbij op grond van het verblijfsdocument van de vreemdeling in samenhang met de gegevens in de BRP direct duidelijk is of al dan niet wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating en waarbij het vragen om een bericht omtrent toelating achterwege kan blijven:
@@ -1256,13 +1256,13 @@
Voorwaarden voor verkrijging Nederlanderschap via de vaderlijke lijn:
Let op! Als vóór 1 april 2003 het vaderschap van een kind gerechtelijk is vastgesteld, kan dat tot gevolg hebben gehad dat het betreffende kind geacht wordt vanaf de geboorte Nederlander te zijn op grond van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) (zie de [toelichting bij artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
Let op! Als vóór 1 april 2003 het vaderschap van een kind gerechtelijk is vastgesteld, kan dat tot gevolg hebben gehad dat het betreffende kind geacht wordt vanaf de geboorte Nederlander te zijn op grond van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) (zie de [toelichting bij artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2017-04-01&g=2017-04-01)).
### 5-alg. Toelichting algemeen
Een erkenning van een kind vóór zijn geboorte (als ongeboren vrucht) heeft ook nationaliteitsrechtelijke gevolg (verkrijging van het Nederlanderschap bij de geboorte), als het kind is erkend door een niet-Nederlandse man en hij aan alle voorwaarden van dit artikellid voldoet. In dat geval heeft het kind, als een kind dat staande het huwelijk van zijn ouders is geboren, vanaf de geboorte een juridische vader.
Als het gaat om een prenatale of postnatale erkenning naar buitenlands recht, moet deze tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht. Dit geldt ook voor de buitenlandse wettiging zonder erkenning. Nederland is gebonden aan de CIEC-overeenkomst van Rome 10 september 1970 (TRB. 1972, nr. 61) inzake wettiging door huwelijk (zie verder de [toelichting bij artikel 4, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
Als het gaat om een prenatale of postnatale erkenning naar buitenlands recht, moet deze tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht. Dit geldt ook voor de buitenlandse wettiging zonder erkenning. Nederland is gebonden aan de CIEC-overeenkomst van Rome 10 september 1970 (TRB. 1972, nr. 61) inzake wettiging door huwelijk (zie verder de [toelichting bij artikel 4, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2017-04-01&g=2017-04-01)).
### 2. Gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:253t BW
@@ -1456,7 +1456,7 @@
In bepaalde gevallen wordt de naam van de optant en van zijn minderjarige kinderen in overleg met de optant vastgesteld in overeenstemming met het Nederlandse namenrecht (zie de toelichting bij artikel 6, zesde lid, RWN). Ook deze situatie wijkt af van de oude situatie. Een bepaling over de vaststelling van namen bij verkrijging van het Nederlanderschap door optie ontbrak toen geheel. Bij verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door optie is naamswijziging in principe niet mogelijk (zie de toelichting bij artikel 6, zesde lid RWN).
In tegenstelling tot bij naturalisatie worden bij optie geen eisen gesteld ten aanzien van de inburgering. De bevestiging van de optie kan dus niet worden geweigerd, omdat de optant de Nederlandse taal niet beheerst. Optanten die een optieverklaring ex [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) afleggen, moeten in beginsel afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit (zie [artikel 6a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)). Let op! De afstandsverplichting geldt niet voor de overige optiecategorieën. Dit sluit overigens niet uit dat de nationaliteitswetgeving van het land waarvan de optant de nationaliteit bezit, kan bepalen dat deze nationaliteit verloren gaat als gevolg van de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit. Zie de [toelichting in de Handleiding bij artikel 6a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6a&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
In tegenstelling tot bij naturalisatie worden bij optie geen eisen gesteld ten aanzien van de inburgering. De bevestiging van de optie kan dus niet worden geweigerd, omdat de optant de Nederlandse taal niet beheerst. Optanten die een optieverklaring ex [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) afleggen, moeten in beginsel afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit (zie [artikel 6a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)). Let op! De afstandsverplichting geldt niet voor de overige optiecategorieën. Dit sluit overigens niet uit dat de nationaliteitswetgeving van het land waarvan de optant de nationaliteit bezit, kan bepalen dat deze nationaliteit verloren gaat als gevolg van de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit. Zie de [toelichting in de Handleiding bij artikel 6a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6a&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
### Paragraaf 2.2. Andere verliesgronden dan verbonden aan het sluiten van een huwelijk met een niet-Nederlander onder de WNI 1892
@@ -1622,7 +1622,7 @@
De afgifte van een verblijfsdocument aan een gemeenschapsonderdaan heeft een louter declaratoire werking, oftewel de verblijfskaart is slechts een bevestiging van de status die van rechtswege is verkregen. Het kan dus voorkomen dat een gemeenschapsonderdaan niet in het bezit is van een verblijfsdocument en niet voorkomt in de vreemdelingenadministratie of dat een gemeenschapsonderdaan bepaalde periodes niet voorkomt in de vreemdelingenadministratie, maar deze wel degelijk rechtmatig in Nederland verblijft of heeft verbleven. Onafgebroken perioden van verblijf buiten Nederland van meer dan zes maanden leiden echter wel tot verval van het verblijfsrecht van rechtswege.
Voor gemeenschapsonderdanen geldt dat bij een aanvraag om een BOT altijd een kopie van, als aanwezig, het vreemdelingendocument en een afschrift uit de BRP met de volledige in de BRP opgenomen historische adresgegevens en de volledige historische gegevens in verband met het verblijfsrecht meegestuurd dienen te worden. Tevens dienen/dient [model 2.18a HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en/of model 2.18b HRWN volledig ingevuld te worden meegestuurd.
Voor gemeenschapsonderdanen geldt dat bij een aanvraag om een BOT altijd een kopie van, als aanwezig, het vreemdelingendocument en een afschrift uit de BRP met de volledige in de BRP opgenomen historische adresgegevens en de volledige historische gegevens in verband met het verblijfsrecht meegestuurd dienen te worden. Tevens dienen/dient [model 2.18a HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en/of model 2.18b HRWN volledig ingevuld te worden meegestuurd.
De vraag welke plaats als het hoofdverblijf van een persoon moet worden aangemerkt is een feitelijke, die aan de hand van verschillende factoren van feitelijke aard wordt beantwoord. Met de wil van de persoon wordt slechts rekening gehouden, voor zover deze blijkt uit zijn gedragingen.
@@ -1786,7 +1786,7 @@
### paragraaf 6. Overgangsrecht
Overigens kan een buiten huwelijk geboren kind, waarvan de biologische vader het Nederlanderschap bezit, het Nederlanderschap wel van rechtswege verkrijgen door een prenatale erkenning (erkenning van de ongeboren vrucht) of door vaststelling van het vaderschap tijdens de minderjarigheid van het kind. Zie de [toelichting bij artikel 3 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en bij [artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
Overigens kan een buiten huwelijk geboren kind, waarvan de biologische vader het Nederlanderschap bezit, het Nederlanderschap wel van rechtswege verkrijgen door een prenatale erkenning (erkenning van de ongeboren vrucht) of door vaststelling van het vaderschap tijdens de minderjarigheid van het kind. Zie de [toelichting bij artikel 3 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en bij [artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
Met ingang van 1 maart 2009 verkrijgen minderjarige kinderen die jonger zijn dan zeven jaar en worden erkend door een Nederlander, door deze erkenning vanaf de datum van erkenning het Nederlanderschap ([artikel 4, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)). Hetzelfde geldt voor minderjarige kinderen die zonder erkenning door wettiging het kind worden van een Nederlander ([artikel 4, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)). Indien een minderjarig kind dat zeven jaar of ouder is wordt erkend door een Nederlander verkrijgt het pas het Nederlanderschap indien het biologische vaderschap bij of binnen een jaar na erkenning wordt aangetoond via door DNA-bewijs als bedoeld in het besluit DNA-onderzoek vaderschap (zie [artikel 4 lid 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4) juncto [artikel 4 lid 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)). Indien de Nederlander die een kind van zeven jaar of ouder heeft erkend zijn biologische vaderschap niet kan of wil aantonen staat de mogelijkheid open van de optie mogelijkheid van [artikel 6, eerste lid onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
@@ -1866,7 +1866,7 @@
### Paragraaf 1.5. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie
De vrouw kon vóór 1 januari 1985 het Nederlanderschap ook verliezen op grond van artikel 7 WNI 1892. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
De vrouw kon vóór 1 januari 1985 het Nederlanderschap ook verliezen op grond van artikel 7 WNI 1892. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
Uitgesloten moet worden dat de Nederlandse vrouw niet voor de geboorte van haar kind (nu: de optant) het Nederlanderschap heeft verloren. Immers, dan is de optant geboren uit een vrouw die niet op de dag van zijn geboorte in het bezit van het Nederlanderschap was, en voldoet hij/zij niet aan een voorwaarde om te kunnen opteren.
@@ -1994,7 +1994,7 @@
### paragraaf 2.4.2.3. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
Voorts neemt de optieautoriteit contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen, als eerder opgemerkt in [paragrafen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=1¶graaf=1.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=1¶graaf=1.4&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
Voorts neemt de optieautoriteit contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen, als eerder opgemerkt in [paragrafen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=1¶graaf=1.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=1¶graaf=1.4&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of adoptiefouders en/of grootouders in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als de adoptiefmoeder of adoptiefvader (en/of grootouders) van de optant langer dan twee jaar geleden zijn overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).
@@ -2188,15 +2188,15 @@
### 1. Algemeen
Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door optie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij het afleggen van de optieverklaring een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid is een nieuw vereiste. De eis een bereidverklaring te ondertekenen en op een later moment, in beginsel tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als de optieverklaring op of na 1 maart 2009 wordt afgelegd. (Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd1Zie ook toelichting bij artikel 60a, derde lid, BVVN en [artikel 2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7), [artikel 8, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [artikel 11, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), [artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23), [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28).. Immers het besluit tot bevestiging wordt dan niet bekendgemaakt/uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.4¶graaf=2.2.4.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door optie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij het afleggen van de optieverklaring een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid is een nieuw vereiste. De eis een bereidverklaring te ondertekenen en op een later moment, in beginsel tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als de optieverklaring op of na 1 maart 2009 wordt afgelegd. (Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd1Zie ook toelichting bij artikel 60a, derde lid, BVVN en [artikel 2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7), [artikel 8, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [artikel 11, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), [artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23), [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28).. Immers het besluit tot bevestiging wordt dan niet bekendgemaakt/uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.4¶graaf=2.2.4.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)).
### 2. Optanten die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige optant. Zij rust daarnaast ook op minderjarigen die op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd zestien jaar of ouder zijn, ongeacht of zij zelfstandig opteren dan wel verzocht is hen te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door een van hun ouders (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.4¶graaf=2.2.4.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [2.12.3 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01))
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige optant. Zij rust daarnaast ook op minderjarigen die op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd zestien jaar of ouder zijn, ongeacht of zij zelfstandig opteren dan wel verzocht is hen te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door een van hun ouders (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.4¶graaf=2.2.4.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [2.12.3 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01))
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 1.36)
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 1.36). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in principe in persoon op een naturalisatieceremonie mondeling af voordat de optiebevestiging aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 1.36). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in principe in persoon op een naturalisatieceremonie mondeling af voordat de optiebevestiging aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01)).
### paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring
@@ -2298,7 +2298,7 @@
Voor optanten van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), juncto [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26), [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i t/m o RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) en [artikel II RRWN (2008)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) geldt geen eis van toelating en hoofdverblijf in Nederland.
Bovendien moet de optant door middel van een zogenaamde verklaring verblijf en gedrag ([model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in de optieverklaring genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 6, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)) en of hij of één van de in de optieverklaring genoemde personen ouder dan zestien jaar niet polygaam gehuwd is en al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of justitie in verband met een misdrijf. De burgemeester zet, voordat de optant de verklaring ondertekent, de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij optie uiteen en wijst de optant erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de bevestiging van de optieverklaring. Betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om op de verklaring aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd dat op grond van zijn gedrag ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk (zie verder: de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
Bovendien moet de optant door middel van een zogenaamde verklaring verblijf en gedrag ([model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in de optieverklaring genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 6, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)) en of hij of één van de in de optieverklaring genoemde personen ouder dan zestien jaar niet polygaam gehuwd is en al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of justitie in verband met een misdrijf. De burgemeester zet, voordat de optant de verklaring ondertekent, de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij optie uiteen en wijst de optant erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de bevestiging van de optieverklaring. Betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om op de verklaring aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd dat op grond van zijn gedrag ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk (zie verder: de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
### Paragraaf 2.2.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
@@ -2306,11 +2306,11 @@
### paragraaf 2.8.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant
Let op! Minderjarige optanten van artikel 6, eerste lid, aanhef onder k t/m o die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring jonger zijn dan 16 jaar hoeven [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) niet te ondertekenen. Voor deze optanten geldt geen openbare orde eis en geen eis van toelating en hoofdverblijf.
Let op! Minderjarige optanten van artikel 6, eerste lid, aanhef onder k t/m o die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring jonger zijn dan 16 jaar hoeven [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) niet te ondertekenen. Voor deze optanten geldt geen openbare orde eis en geen eis van toelating en hoofdverblijf.
### Paragraaf 2.2.4.3.1. Bereidheidsverklaring afstand
Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de burgemeester – voor zover mogelijk – de optant die een optieverklaring ex [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) heeft afgelegd of hij al dan niet behoort tot een uitzonderingscategorie dan wel redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Als geen van de uitzonderingen van toepassing is, moet de optant een verklaring te ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de verkrijging van het Nederlanderschap zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te verliezen ([artikel 6, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). De bereidheidsverklaring is opgenomen als [model 1.14-1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en model 1.14-1b. Let op! Model 1.14-1b moet alleen ondertekend worden door optanten met de Egyptische, Zuid-Afrikaanse en Oostenrijkse nationaliteit die afstand moeten doen.
Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de burgemeester – voor zover mogelijk – de optant die een optieverklaring ex [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) heeft afgelegd of hij al dan niet behoort tot een uitzonderingscategorie dan wel redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Als geen van de uitzonderingen van toepassing is, moet de optant een verklaring te ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de verkrijging van het Nederlanderschap zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te verliezen ([artikel 6, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). De bereidheidsverklaring is opgenomen als [model 1.14-1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en model 1.14-1b. Let op! Model 1.14-1b moet alleen ondertekend worden door optanten met de Egyptische, Zuid-Afrikaanse en Oostenrijkse nationaliteit die afstand moeten doen.
Als de optant stelt dat afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd, maar aan hem geen beroep toekomt op de in het tweede lid genoemde uitzonderingen, dan vraagt de autoriteit aan Onze Minister om verplicht advies over de vraag of afstand redelijkerwijs kan worden verlangd. Zie hiervoor de toelichting in de Handleiding bij artikel 6a, vierde lid, RWN.
@@ -2398,7 +2398,7 @@
### Paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester
Tot 1 april 2017 geldt dat in Syrië geboren vreemdelingen tijdelijk geen Syrisch paspoort noch een uit Syrië afkomstige geboorteakte hoeven te overleggen. De vrijstelling blijft gelden als op het naturalisatieverzoek na 1 april 2017 nog moet worden beslist, al dan niet na een rechterlijke procedure over het verzoek. Deze maatregel is tijdelijk omdat een groot deel van de Syrische ambassades in West-Europa is gesloten en de Syrische ambassade in Brussel levert nog maar beperkt consulaire diensten. Mocht een in Syrië geboren vreemdeling wel een uit Syrië afkomstige geboorteakte hebben, dan wordt deze door de bevoegde autoriteiten, na de gebruikelijke controle en akkoordbevinding, geregistreerd in de desbetreffende bevolkingsbasisregistratie.
Tot 1 april 2018 geldt dat in Syrië geboren vreemdelingen tijdelijk geen Syrisch paspoort noch een uit Syrië afkomstige geboorteakte hoeven te overleggen. De vrijstelling blijft gelden als op het naturalisatieverzoek na 1 april 2018 nog moet worden beslist, al dan niet na een rechterlijke procedure over het verzoek. Deze maatregel is tijdelijk omdat een groot deel van de Syrische ambassades in West-Europa is gesloten en de Syrische ambassade in Brussel levert nog maar beperkt consulaire diensten. Mocht een in Syrië geboren vreemdeling wel een uit Syrië afkomstige geboorteakte hebben, dan wordt deze door de bevoegde autoriteiten, na de gebruikelijke controle en akkoordbevinding, geregistreerd in de desbetreffende bevolkingsbasisregistratie.
### paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
@@ -2444,7 +2444,7 @@
Nadat de optiegelden zijn betaald of de burgemeester heeft vastgesteld dat geen betaling is verschuldigd, en de burgemeester heeft vastgesteld dat de verklaring volledig is, toetst hij de door de optant verstrekte gegevens. Hij toetst aan de gegevens die in de BRP zijn opgenomen ([artikel 9, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)). Zijn in de optieverklaring personen genoemd die in andere basisadministraties zijn ingeschreven (kinderen voor wie medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt verzocht), dan verzoekt hij de burgemeester van de betreffende gemeente om binnen vier weken (of in voorkomend geval de gezaghebber van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao of Sint Maarten om binnen tien weken) de door de optant verstrekte gegevens te toetsen (artikel 9, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting in de betreffende Handleiding.
De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie [paragraaf 2.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.3¶graaf=2.3.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te toetsen ([artikel 9, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie [paragraaf 2.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.3¶graaf=2.3.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te toetsen ([artikel 9, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
Ten aanzien van de zogenaamde passanten verzoekt de burgemeester, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van de betreffende vreemdelingen zo mogelijk binnen tien weken te toetsen ([artikel 9, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
@@ -2476,7 +2476,7 @@
### paragraaf 2.4.2.5. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
Indien dit nog niet is gebeurd in een eerdere fase van de procedure –bijvoorbeeld tegelijk met het afleggen van de optieverklaring door de optant –stelt de burgemeester de andere in de optieverklaring genoemde personen, mits zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijk vertegenwoordiger en de andere ouder (als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)) op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie kenbaar te maken ([artikel 10, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10)). Zie ook hiervoor bij [2.2.1, ‘Verklaring afleggen in persoon’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.
Indien dit nog niet is gebeurd in een eerdere fase van de procedure –bijvoorbeeld tegelijk met het afleggen van de optieverklaring door de optant –stelt de burgemeester de andere in de optieverklaring genoemde personen, mits zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijk vertegenwoordiger en de andere ouder (als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)) op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie kenbaar te maken ([artikel 10, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10)). Zie ook hiervoor bij [2.2.1, ‘Verklaring afleggen in persoon’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.
### paragraaf 2.5. Bevestiging
@@ -2490,7 +2490,7 @@
### paragraaf 2.8.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit voegt hij een ingevuld formulier gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 ([model 1.35a HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) toe. De burgemeester maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige, die door optie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door optie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder. Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door optie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt.
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit voegt hij een ingevuld formulier gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 ([model 1.35a HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) toe. De burgemeester maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige, die door optie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door optie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder. Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door optie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt.
### paragraaf 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging
@@ -2560,7 +2560,7 @@
Als na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op bezwaar (dus de termijn van 12 weken na de datum van de primaire beslissing of 18 weken als een externe bezwaarcommissie is ingesteld) nog geen beslissing is genomen, kan de optant na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als gevolg van de per 1 oktober 2009 inwerking getreden [Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026450) de burgemeester in gebreke stellen wegens het niet tijdig nemen van een besluit ([artikel 4:17 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:17)). Indien er twee weken zijn verstreken na de dag waarop de optant de burgemeester in gebreke heeft gesteld en er is nog geen besluit genomen, dan gaat van rechtswege de automatische dwangsom lopen ([artikel 4:17 t/m artikel 4:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:17)). Voorts kan de optant gelijktijdig beroep instellen bij de rechter tegen het niet tijdig nemen van een besluit ([artikel 6:12 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:12)). De mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is met de inwerkingtreding van [artikel 7, eerste lid aanhef en onder e, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1), per 1 oktober 2009 vervallen.
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33 en model 1.34). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De optiebevestiging wordt, indien de minderjarige medeoptant verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, na het afleggen van die verklaring in beginsel op een naturalisatieceremonie door middel van uitreiking aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is ) bekendgemaakt. Is de minderjarige niet wettelijk verplicht tot afleggen van de verklaring van verbondenheid dan wordt de bevestiging onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden, wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2017-03-01&g=2017-03-01)). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.7&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33 en model 1.34). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De optiebevestiging wordt, indien de minderjarige medeoptant verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, na het afleggen van die verklaring in beginsel op een naturalisatieceremonie door middel van uitreiking aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is ) bekendgemaakt. Is de minderjarige niet wettelijk verplicht tot afleggen van de verklaring van verbondenheid dan wordt de bevestiging onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden, wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2017-04-01&g=2017-04-01)). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.7&z=2017-04-01&g=2017-04-01)).
### paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
@@ -2584,19 +2584,19 @@
Omdat de optiebevestiging zowel de optant als de minderjarigen die met hem het Nederlanderschap verkrijgen betreft, kan de bevestiging niet worden uitgereikt indien één van de opgeroepen personen die de verklaring van verbondenheid moet afleggen niet verschijnt. De uitreiking van de optiebevestiging wordt in dat geval aangehouden11Zie artikel 60a, derde lid, BVVN.. Alle betrokkenen worden opnieuw uitgenodigd voor een volgende naturalisatieceremonie en bij die naturalisatieceremonie kunnen de in de optiebevestiging genoemde personen alsnog de verklaring van verbondenheid afleggen12Zie tevens paragrafen 2.12.1 en 2.12.2 van paragraaf ‘Toelichting ad artikel 6, derde lid, RWN.. Zo nodig wordt de uitnodiging nog eenmaal, dit maal bij aangetekende brief, herhaald (artikel 60a, tiende lid, BVVN). Indien de (hoofd)optant na herhaalde oproepen niet op een naturalisatieceremonie is verschenen (en dus niet de verklaring van verbondenheid heeft afgelegd), vervalt de optiebevestiging een jaar na dagtekening ervan13Zie artikel 60a, elfde lid, BVVN..
De burgemeester roept de optant en mede-optant die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring 16 jaar of ouder was (waren) op te verschijnen. Was de optant jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op. De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de optant of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige optant de optieverklaring heeft afgelegd. Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) (tabel: oproepen en uitreiken).
De burgemeester roept de optant en mede-optant die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring 16 jaar of ouder was (waren) op te verschijnen. Was de optant jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op. De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de optant of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige optant de optieverklaring heeft afgelegd. Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) (tabel: oproepen en uitreiken).
### 6-4. Toelichting ad [artikel 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
De eis tot afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt alleen voor optieverklaringen die worden afgelegd op of na 1 maart 2009. Vanaf 1 maart 2009 moeten de meeste optanten bij het afleggen van de optieverklaring ook een bereidverklaring tekenen. Deze optanten moeten bij de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Daarom wordt vanaf 1 maart 2009 onderscheid gemaakt tussen de optant die alleen verplicht is te verschijnen op een naturalisatieceremonie en de optant die bovendien een verklaring van verbondenheid moet afleggen. De burgemeester kan ervoor kiezen beide groepen op een aparte naturalisatieceremonie uit te nodigen of kan de groep die daartoe niet verplicht is, vragen de verklaring van verbondenheid vrijwillig af te leggen. De ceremonie-uitvoerende instanties hebben hierin vrijheid om naar eigen behoefte vorm te geven aan de invulling hiervan. Voorop staat wel dat degene die niet een wettelijke plicht heeft de verklaring van verbondenheid af te leggen, daartoe niet gedwongen kan worden.
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene in voorkomende gevallen nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60a, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken optant in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene in voorkomende gevallen nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60a, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken optant in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
Is een jaar na de dag van ondertekening van de optiebevestiging verstreken zonder dat de optant (op een naturalisatieceremonie) is verschenen en derhalve de bevestiging niet aan hem is bekendgemaakt, dan vervalt de optiebevestiging ([artikel 60a, elfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). De vervaltermijn van één jaar is opgeschort indien sprake is van bezwaar- en beroep tegen het besluit inzake de wijze van bekendmaking van de optiebevestiging en/of de wijze van aflegging van de verklaring van verbondenheid. Om te voorkomen dat het besluit zou vervallen is bepaald dat de termijn van één jaar door het instellen van bezwaar of beroep wordt opgeschort totdat op het bezwaar dan wel het beroep onherroepelijk is beslist. De vervaltermijn van één jaar wordt stopgezet op het moment dat de burgemeester of de rechtbank het bezwaar- dan wel beroepschrift heeft ontvangen en gaat weer lopen op het moment dat de beslissing van de burgemeester of de rechtbank onherroepelijk is geworden en er dus geen rechtsmiddelen meer open staan. De termijn loopt dus na de beslissing in bezwaar of beroep verder en vangt niet opnieuw aan. Onder beroep wordt mede hoger beroep begrepen ([artikel 60a, elfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)).
De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring uit binnen negen weken nadat is vastgesteld dat de optant heeft voldaan aan alle voorwaarden voor optie. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd. Zie [artikel 60a, vierde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a).
De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring, na het afleggen van de verklaring van verbondenheid, uit aan de optant die ten tijde van het indienen van de optieverklaring zestien jaar of ouder was. Was de optant op dat tijdstip jonger dan zestien jaar dan wordt het besluit uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60a, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) (tabel oproepen en uitreiken).
De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring, na het afleggen van de verklaring van verbondenheid, uit aan de optant die ten tijde van het indienen van de optieverklaring zestien jaar of ouder was. Was de optant op dat tijdstip jonger dan zestien jaar dan wordt het besluit uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60a, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) (tabel oproepen en uitreiken).
De uitreiking van de optiebevestiging ligt in handen van de burgemeester die heeft bevestigd (artikel 60a, eerste lid BVVN jo. [artikel 2 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2)). Heeft de optant na de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant van deze uitreiking in kennis stellen.
@@ -2670,7 +2670,7 @@
De burgemeester is verplicht de normen die in de Handleiding bij artikel 9, eerste lid, onder a RWN worden beschreven, toe te passen. Dit volgt uit de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) en de daarop gebaseerde regelgeving. Op grond van [artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) kunnen bij algemene maatregel van rijksbestuur onder meer nadere voorschriften worden gesteld betreffende de administratieve behandeling van verkrijging en verlening van het Nederlanderschap. Deze algemene maatregel van rijksbestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BvvN). In [artikel 10, tweede lid van het BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10) is opgenomen dat de burgemeester onderzoekt of er ernstige vermoedens bestaan als bedoeld in [artikel 6, vierde lid, van de RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), tegen de optant of de personen die tot medeverkrijging in de optieverklaring zijn genoemd, als zij zestien jaar of ouder zijn. In het BvvN is vervolgens bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld in de uitvoering van dit besluit. Deze ministeriële regeling is de [Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506) (RvvN). In [artikel 2 van de RvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=2) is onder meer opgenomen dat, tenzij in de regeling anders is bepaald, de uitvoeringsautoriteit de hem in het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap opgedragen werkzaamheden uitvoert in overeenstemming met de Handleiding, alsmede met de nadere instructies terzake die in het betreffende Rijksdeel gelden. In de regeling is op dit punt niets anders bepaald. Dit betekent dat de burgemeester de richtlijnen zoals deze beschreven staan bij [artikel 9, eerste lid, onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) moet volgen. Om ongelijkheid tussen gemeenten te voorkomen is het van belang dat de normen ook strikt worden toegepast.
Iedere optant moet door middel van een verklaring verblijf en gedrag ([model 1.14 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) schriftelijk verklaren dat hij, of één van de in de verklaring genoemde personen van zestien jaar of ouder, al dan niet in aanraking is geweest met politie en justitie én niet polygaam getrouwd zijn.
Iedere optant moet door middel van een verklaring verblijf en gedrag ([model 1.14 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) schriftelijk verklaren dat hij, of één van de in de verklaring genoemde personen van zestien jaar of ouder, al dan niet in aanraking is geweest met politie en justitie én niet polygaam getrouwd zijn.
Op 1 januari 2012 is de [Wet Conflictenrecht Huwelijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004619) (WCH) vervallen. Vanaf die datum is [artikel 10:27 BW tot en met artikel 10:53 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=27) van toepassing.
@@ -2856,13 +2856,13 @@
**De autoriteit vraagt advies aan Onze Minister indien de vreemdeling stelt dat afstand van zijn andere nationaliteit redelijkerwijs niet kan worden verlangd. De autoriteit deelt de vreemdeling mee dat Onze Minister om advies is verzocht en binnen welke termijn op de optie zal worden besloten.**
Als de optant stelt dat afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd, maar aan hem geen beroep toekomt op de in het tweede lid genoemde uitzonderingen, vraagt de autoriteit aan Onze Minister om verplicht advies over de vraag of afstand redelijkerwijs kan worden verlangd. Deze verplichte adviesaanvraag heeft praktische redenen: een eenduidige toepassing van het beleid en het feit dat de IND veel ervaring heeft met het beoordelen van deze uitzonderingen. Voor het vragen van advies moet gebruik worden gemaakt van [model 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01). Let op! De autoriteit besluit niet eerder op de optieverklaring dan na ontvangst van het advies van Onze Minister.
Als de optant stelt dat afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd, maar aan hem geen beroep toekomt op de in het tweede lid genoemde uitzonderingen, vraagt de autoriteit aan Onze Minister om verplicht advies over de vraag of afstand redelijkerwijs kan worden verlangd. Deze verplichte adviesaanvraag heeft praktische redenen: een eenduidige toepassing van het beleid en het feit dat de IND veel ervaring heeft met het beoordelen van deze uitzonderingen. Voor het vragen van advies moet gebruik worden gemaakt van [model 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01). Let op! De autoriteit besluit niet eerder op de optieverklaring dan na ontvangst van het advies van Onze Minister.
Als de optant een beroep doet op het rederlijkerwijs niet van hem kunnen verlangen om afstand te doen, dan is het raadzaam om hem een eigen risico verklaring te laten ondertekenen. Het is immers niet bekend of het beroep wordt gehonoreerd en of de optant alsnog afstand moet doen. Het is belangrijk dat de optant hier op is gewezen.
### 6a-4. Toelichting ad [artikel 6a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Let op! Het is raadzaam om de beslistermijn op grond van [artikel 6, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) dan meteen te verlengen met 13 weken. Bovendien verlengt [artikel 6a, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a) de basistermijn van artikel 6, vijfde lid, RWN reeds automatisch van 13 weken naar 17 weken als de beslistermijn. De autoriteit deelt vervolgens schriftelijk de optant mee dat aan Onze Minister om advies is verzocht en binnen welke termijn op de optie zal worden beslist. Onze Minister zal binnen vier weken na ontvangst van het verzoek om advies ([model 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) de autoriteit hierover adviseren.
Let op! Het is raadzaam om de beslistermijn op grond van [artikel 6, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) dan meteen te verlengen met 13 weken. Bovendien verlengt [artikel 6a, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a) de basistermijn van artikel 6, vijfde lid, RWN reeds automatisch van 13 weken naar 17 weken als de beslistermijn. De autoriteit deelt vervolgens schriftelijk de optant mee dat aan Onze Minister om advies is verzocht en binnen welke termijn op de optie zal worden beslist. Onze Minister zal binnen vier weken na ontvangst van het verzoek om advies ([model 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) de autoriteit hierover adviseren.
Het advies is een advies als bedoeld in [afdeling 3.3. Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.3) (Awb) en wordt gemotiveerd. Het advies is geen besluit in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) waartegen bezwaar en beroep openstaat. De optant kan wèl bezwaar en beroep aantekenen tegen het (weigerings)besluit van de tot optie bevoegde autoriteit.
@@ -2900,7 +2900,7 @@
[Artikel VII RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. [Artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vereist dat minderjarige kinderen sinds het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede -indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt -dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen moesten daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) wordt beslist, voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hadden ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.
Vanaf 1 oktober 2006 treden de optiebevestiging en het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie. Zie [artikel II van het Besluit van 19 mei 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019915&artikel=II), Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder [artikel 60b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en hieronder [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
Vanaf 1 oktober 2006 treden de optiebevestiging en het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie. Zie [artikel II van het Besluit van 19 mei 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019915&artikel=II), Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder [artikel 60b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en hieronder [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
Met ingang van 1 maart 2009 is de bereidheid om bij verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen een voorwaarde voor de verkrijging van het Nederlanderschap.
@@ -2940,7 +2940,7 @@
De burgemeester voegt bij het advies aan de IND (een) afschrift(en) uit de gemeentelijke voorziening van de BRP, waaruit -voor zoveel mogelijk -de hier bedoelde gegevens blijken. Ook van de kinderen en kindskinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, worden afschriften bijgevoegd waaruit -voor zoveel mogelijk -blijkt van de gegevens bedoeld bij a t/m e en g (wat betreft de duur van hoofdverblijf), alsmede van de geslachtsnaam, voornamen, plaats en datum van geboorte van de ouders en wie gezag over de kinderen uitoefent. Zie voor een nadere toelichting van het begrip ‘hoofdverblijf’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN en [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8).
In gevallen, waarin verschijning in persoon weliswaar is voorgeschreven, maar dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan het verzoek om naturalisatie worden ingediend c.q. de verklaring van al dan niet instemming met de (mee)naturalisatie worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder en de gemachtigde ([artikel 3, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond. De gemachtigde dient in persoon aan het loket te verschijnen en de nodige zekerheid te verschaffen over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en ondertekend door de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder. De gemachtigde dient een geldig buitenlands reisdocument van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder te overleggen. Hierbij geldt dat in bepaalde gevallen andere identiteitsdocumenten zijn toegestaan, zie [paragraaf 3.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)
In gevallen, waarin verschijning in persoon weliswaar is voorgeschreven, maar dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan het verzoek om naturalisatie worden ingediend c.q. de verklaring van al dan niet instemming met de (mee)naturalisatie worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder en de gemachtigde ([artikel 3, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond. De gemachtigde dient in persoon aan het loket te verschijnen en de nodige zekerheid te verschaffen over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en ondertekend door de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder. De gemachtigde dient een geldig buitenlands reisdocument van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder te overleggen. Hierbij geldt dat in bepaalde gevallen andere identiteitsdocumenten zijn toegestaan, zie [paragraaf 3.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)
### paragraaf 3.2.4. Wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
@@ -2986,7 +2986,7 @@
### paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
Let op! Als minderjarigen meenaturaliseren, dan moet voor elke minderjarige van 16 jaar of ouder een [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) volledig ingevuld en ondertekend worden meegestuurd bij het verzoek.
Let op! Als minderjarigen meenaturaliseren, dan moet voor elke minderjarige van 16 jaar of ouder een [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) volledig ingevuld en ondertekend worden meegestuurd bij het verzoek.
De verzoeker moet een waarheidsverklaring ondertekenen ([artikel 31, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in het verzoek om naturalisatie, verklaart de verzoeker dat hij de gevraagde gegevens naar waarheid heeft verstrekt en dat hij geen relevante gegevens heeft verzwegen. Voorts verklaart de verzoeker dat hij zich ervan bewust is dat het verstrekken van onjuiste gegevens of het verzwijgen van relevante gegevens kan leiden tot intrekking van het naturalisatiebesluit, zelfs als dit tot staatloosheid leidt.
@@ -3000,7 +3000,7 @@
### Paragraaf 3.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
Als de verzoeker een aantal benodigde gegevens of vereiste documenten niet kan verstrekken, wordt hem geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek tot het moment waarop alle vereiste gegevens en documenten kunnen worden verstrekt. Mocht verzoeker er toch op staan om zijn verzoek in te dienen, ondanks het niet overleggen van de door de burgemeester gevraagde documenten of het niet voldoen aan de voorwaarden voor naturalisatie, dan neemt de burgemeester het verzoek in ontvangst. In dat geval ondertekent de verzoeker [model 2.21 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01). Volledigheid van de stukken is in het belang van de verzoeker, aangezien in geval van afwijzing van het verzoek om naturalisatie de naturalisatiegelden niet worden terugbetaald.
Als de verzoeker een aantal benodigde gegevens of vereiste documenten niet kan verstrekken, wordt hem geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek tot het moment waarop alle vereiste gegevens en documenten kunnen worden verstrekt. Mocht verzoeker er toch op staan om zijn verzoek in te dienen, ondanks het niet overleggen van de door de burgemeester gevraagde documenten of het niet voldoen aan de voorwaarden voor naturalisatie, dan neemt de burgemeester het verzoek in ontvangst. In dat geval ondertekent de verzoeker [model 2.21 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01). Volledigheid van de stukken is in het belang van de verzoeker, aangezien in geval van afwijzing van het verzoek om naturalisatie de naturalisatiegelden niet worden terugbetaald.
Het verzoek om naturalisatie moet zoveel mogelijk worden ondersteund door (bewijs)stukken. De burgemeester kan van de verzoeker verlangen dat hij gegevens bewijst door middel van documenten ([artikel 31, vijfde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)). Volledigheid van de stukken is ook in het belang van de verzoeker, aangezien in geval van afwijzing van het verzoek om naturalisatie de naturalisatiegelden niet worden terugbetaald. Als de verzoeker een aantal benodigde gegevens of vereiste documenten niet kan verstrekken, wordt hem geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek tot het moment waarop alle vereiste gegevens en documenten kunnen worden verstrekt. Mocht verzoeker er toch op staan om zijn verzoek in te dienen, ondanks het niet overleggen van de door de burgemeester gevraagde documenten of het niet voldoen aan de voorwaarden voor naturalisatie, dan neemt de burgemeester het verzoek in ontvangst. De burgemeester kan in dit geval verlangen dat de verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2016-07-01&g=2016-07-01).
@@ -3036,7 +3036,7 @@
### Paragraaf 3.5.2. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
De verzoeker moet in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) overleggen (zie voor uitzonderingen hieronder paragraaf [3.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.4&z=2017-03-01&g=2017-03-01)):
De verzoeker moet in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) overleggen (zie voor uitzonderingen hieronder paragraaf [3.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.4&z=2017-04-01&g=2017-04-01)):
### paragraaf 3.13.1. De oproeping
@@ -3060,4623 +3060,4623 @@
Inzake buitenlandse akten van de burgerlijke stand wordt bewijsnood aangenomen als:
Bewijsnood geldig buitenlands paspoort
Inzake een buitenlands paspoort wordt bewijsnood aangenomen als:
### paragraaf 3.12. (Hoger) beroep
### Paragraaf 3.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
Een Vietnamese wil Nederlander worden, maar heeft geen Vietnamees paspoort en geen geboorteakte. Zij vraagt bij de Vietnamese ambassade een paspoort en geboorteakte aan. Zij krijgt twee verklaringen dat deze documenten niet kunnen worden gegeven. In de verklaringen staat als reden: ‘after you left the locality without declaration, therefore we did not have any record’. Dit betekent dat de autoriteiten geen registratie meer hebben van betrokkene, omdat zij zich niet heeft afgemeld toen zij wegging uit Vietnam. Daarnaast is bekend dat Vietnamezen die langer dan twee jaar in het buitenland wonen, verwijderd worden uit de HuKau. Vietnamezen die niet meer in de HuKau staan, kunnen alleen documenten krijgen als zij eerst opnieuw zijn geregistreerd. Dit kan alleen als zij zelf naar Vietnam gaan.
### paragraaf 3.8. Voorbereiding advies
### paragraaf 3.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
Betrokkene heeft regulier verblijfsrecht gekregen, nadat haar asielverzoek was afgewezen. Bij het verkrijgen van die reguliere verblijfsvergunning werd zij indertijd vrijgesteld van het paspoortvereiste. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie overlegt zij nu een Engelstalige verklaring van de ambassade van het land van herkomst. Uit de verklaring blijkt dat betrokkene een geboorteakte heeft proberen op te vragen en dat haar verzoek door is gestuurd naar het land van herkomst. Daar is echter gebleken dat haar geboortegegevens onvindbaar zijn in de betreffende archieven.
Deze verklaring op zich is niet voldoende om bewijsnood aan te tonen. Het zou immers kunnen dat betrokkene niet werkelijk geboren is in het land waar zij vandaan stelt te komen. Slechts wanneer er geen indicaties zijn dat betrokkene wellicht afkomstig is uit een ander land dan gesteld en wanneer de gegevens van betrokkene op de verklaring overeenkomen met de gegevens die zij eerder op heeft gegeven bij het indienen van haar asielverzoek en bij het afleggen van de VOE kan op grond van een dergelijke verklaring eventueel bewijsnood aangenomen worden. Andere stukken (zoals een schooldiploma of een doopakte uit het land van herkomst) waar ook dezelfde gegevens op vermeld staan, zouden het in dit geval makkelijker maken om het beroep op bewijsnood te accepteren.
Betrokkene heeft in 2007 samen met zijn ouders regulier verblijfsrecht gekregen, waarbij sprake was van vrijstelling van het ‘paspoortvereiste’. Inmiddels is hij 23 jaar en wil graag naturaliseren. Zijn ouders zijn afkomstig uit Irak. Betrokkene is geboren in een Iraaks vluchtelingenkamp. Geboorten werden volgens betrokkene niet geregistreerd in de plaats waar het vluchtelingenkamp stond en evenmin in het kamp zelf. Als hetgeen wordt gesteld door betrokkene inderdaad zo is, is bij de geboorteakte/bewijsstuk van de geboorteregistratie sprake van bewijsnood, want het gevraagde document is nooit opgemaakt.
Tot 1 april 2018 geldt dat in Syrië geboren vreemdelingen tijdelijk geen Syrisch paspoort noch een uit Syrië afkomstige geboorteakte hoeven te overleggen. De vrijstelling blijft gelden als op het naturalisatieverzoek na 1 april 2018 nog moet worden beslist, al dan niet na een rechterlijke procedure over het verzoek. Deze maatregel is tijdelijk omdat een groot deel van de Syrische ambassades in West-Europa is gesloten en de Syrische ambassade in Brussel levert nog maar beperkt consulaire diensten. Mocht een in Syrië geboren vreemdeling wel een uit Syrië afkomstige geboorteakte hebben, dan wordt deze door de bevoegde autoriteiten, na de gebruikelijke controle en akkoordbevinding, geregistreerd in de desbetreffende bevolkingsbasisregistratie.
Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zijn in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft.
Bij het in ontvangstnemen van het naturalisatieverzoek beoordeelt de gemeente niet of de verzoeker daadwerkelijk etnisch Armeniër is. Bij het behandelen van het naturalisatieverzoek zal de IND aan de hand van het vreemdelingenrechtelijke dossier onderzoeken of de verzoeker etnisch Armeens is en afkomstig uit Azerbeidzjan. Het gegeven dat betrokkene uit Azerbeidzjan afkomstig is, volgt uit de BRP aan de hand van de bij betrokkene geregistreerde geboorteplaats.
### paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets
### Paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
Er kunnen echter omstandigheden zijn dat ondanks één van bovenstaande omstandigheden zich heeft voorgedaan, toch sprake is van bewijsnood.
Indien er geen bewijsnood wordt aangenomen dan kan beoordeeld worden of de zaak ingewilligd kan worden met toepassing van [artikel 4:84 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:84). Dit houdt in dat er bezien wordt in hoeverre het in het individuele geval bij reguliere vergunninghouders wegens bijzondere omstandigheden onredelijk is om vast te houden aan de hierbovenstaande beleidsregels.
Indien er geen bewijsnood wordt aangenomen dan kan beoordeeld worden of de zaak ingewilligd kan worden met toepassing van [artikel 4:84 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:84). Dit houdt in dat er bezien wordt in hoeverre het in het individuele geval bij reguliere vergunninghouders wegens bijzondere omstandigheden onredelijk is om vast te houden aan de hierbovenstaande beleidsregels.
Dit betekent dat tot 1 april 2017 naturalisatieverzoeken kunnen worden gedaan zonder dat de vreemdeling, die in Syrië is geboren en/of de Syrische nationaliteit heeft, verplicht is om een geboorteakte en/of geldig paspoort te overleggen. Dit geldt tevens in het geval dat op het naturalisatieverzoek na 1 april 2017 nog moet worden beslist, al dan niet na een rechterlijke procedure over het verzoek.
Op grond van [artikel 33, eerste tot en met derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33) neemt de burgemeester verzoeken om naturalisatie in ontvangst van de volgende personen:
De hoofdregel: verzoeken om naturalisatie moeten worden ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de verzoeker als ingezetene is ingeschreven in de BRP. Het feit dat het verzoek om naturalisatie mede betrekking kan hebben op minderjarigen die hun hoofdverblijf hebben buiten deze gemeente, doet hier niet aan af.
### paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek
### Paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid burgemeester
Verwacht mag worden dat passanten slechts sporadisch verzoeken om naturalisatie indienen.
### Paragraaf 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
Nadat de burgemeester een verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, wordt daarop een datum van ontvangst en een dienststempel geplaatst ([artikel 33, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33)), waarna een kopie van het verzoek, als bewijs van inontvangstneming, aan de verzoeker wordt meegegeven (artikel 33, vierde lid, BVVN).
Nadat de burgemeester een verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, wordt daarop een datum van ontvangst en een dienststempel geplaatst ([artikel 33, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33)), waarna een kopie van het verzoek, als bewijs van inontvangstneming, aan de verzoeker wordt meegegeven (artikel 33, vierde lid, BVVN).
Verwacht mag worden dat passanten slechts sporadisch verzoeken om naturalisatie indienen.
### paragraaf 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt de burgemeester een negatief advies uit en wijst de Minister het verzoek om naturalisatie af (zie tevens [paragraaf 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.9&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).’
### paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
Voorafgaand aan de administratieve behandeling van het verzoek om naturalisatie beoordeelt de burgemeester of en zo ja, welk bedrag de verzoeker dient te betalen overeenkomstig het [BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782). Indien de verzoeker naturalisatiegelden is verschuldigd, wordt hem dit meegedeeld en wordt hem de gelegenheid gegeven de betaling te verrichten ([artikel 34, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34)). Zie verder de toelichting bij artikel 13, eerste lid, RWN.
De burgemeester beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld ([artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3)) of ontheven ([artikel 4 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4)) van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Is dat niet het geval, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een Certificaat Naturalisatietoets, bedoeld in [artikel 5 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) te overleggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar paragraaf 2.3 en voor ontheffing [paragraaf 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
### paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling
Indien de verzoeker de verschuldigde naturalisatiegelden niet voldoet op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie, stelt de burgemeester hem in de gelegenheid om daartoe alsnog over te gaan binnen een termijn van zes weken na de indiening van het verzoek. Indien de verzoeker hieraan binnen deze termijn geen gevolg geeft, stelt de burgemeester het verzoek om naturalisatie buiten behandeling. In dat geval wordt geen advies uitgebracht, maar zendt de burgemeester het (incomplete) dossier aan de IND. Tegen de beslissing tot buitenbehandelingstelling kan binnen zes weken bezwaar worden ingediend bij de Minister van Justitie. Zie ook de toelichting bij artikel 13, eerste lid, RWN, paragraaf 3.
Indien de verzoeker de verschuldigde naturalisatiegelden niet voldoet op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie, stelt de burgemeester hem in de gelegenheid om daartoe alsnog over te gaan binnen een termijn van zes weken na de indiening van het verzoek. Indien de verzoeker hieraan binnen deze termijn geen gevolg geeft, stelt de burgemeester het verzoek om naturalisatie buiten behandeling. In dat geval wordt geen advies uitgebracht, maar zendt de burgemeester het (incomplete) dossier aan de IND. Tegen de beslissing tot buitenbehandelingstelling kan binnen zes weken bezwaar worden ingediend bij de Minister van Justitie. Zie ook de toelichting bij artikel 13, eerste lid, RWN, paragraaf 3.
### Paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens
### Paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens
Alsdan toetst de burgemeester de door de verzoeker verstrekte persoonsgegevens aan de gegevens die zijn opgenomen in de BRP ([artikel 35, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=35)). Heeft het verzoek mede betrekking op personen die staan ingeschreven met een adres in een andere gemeente of kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, dan verzoekt hij de burgemeester van de betreffende gemeente om binnen vier weken (of in voorkomend geval de gezaghebber van het openbare lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao of Sint Maarten om binnen tien weken) de door verzoeker verstrekte persoonsgegevens te controleren (artikel 35, tweede lid, BVVN). De persoonsgegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie hierboven [paragraaf 3.6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.6¶graaf=3.6.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie. De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te controleren (artikel 35, vierde lid, BVVN). Ten aanzien van de zogenaamde passanten verzoekt de burgemeester, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de persoonsgegevens zo mogelijk binnen tien weken te controleren (artikel 35, derde lid, BVVN). Zie het hoofdstuk Voorlichting in de desbetreffende Handleiding voor adressering aan de betreffende autoriteiten. Voor zover mogelijk onderzoekt de burgemeester de juistheid van de persoonsgegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden gecontroleerd (artikel 35, vijfde lid, BVVN).
### paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
Vervolgens onderzoekt de burgemeester ([artikel 36 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)):
Vervolgens onderzoekt de burgemeester ([artikel 36 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)):
Verhuist de verzoeker vanuit gemeente X naar gemeente Y in de periode die ligt tussen indienen van het verzoek om naturalisatie en het uitbrengen van het advies, dan zijn de volgende situaties te onderscheiden.
Verhuist de verzoeker vanuit gemeente X naar gemeente Y in de periode die ligt tussen indienen van het verzoek om naturalisatie en het uitbrengen van het advies, dan zijn de volgende situaties te onderscheiden.
### Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
De adviezen die kunnen worden uitgebracht zijn: ‘geen bezwaar’ en ‘bezwaar’.
De burgemeester zendt het verzoek om naturalisatie, de door hem over de verzoeker en andere betrokkenen ingewonnen inlichtingen, de bewijzen van persoonsgegevens (verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van akten van de burgerlijke stand), de door verzoeker en andere betrokkenen ondertekende verklaringen en verzoeken, de overige door verzoeker overgelegde bewijsstukken, de afschriften uit de BRP en het advies aan de IND ([artikel 37, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=37)). De burgemeester behoudt een kopie van het naturalisatiedossier in verband met de wettelijke bewaarplicht.3Op grond van het Vaststellingsbesluit selectielijst archiefbescheiden gemeentelijke en intergemeentelijke organen is de bewaartermijn bij de voorbereiding van naturalisatie van vreemdelingen in geval van totstandkoming 2 jaar en in geval van niet-totstandkoming 12 jaar. Het naturalisatiebesluit en de bevestiging van verkrijging en verklaring van afstand nationaliteit moeten door de gemeenten permanent bewaard worden. In verband met de wettelijke behandeltermijn van een jaar is het van belang dat uit de stukken die aan de IND worden gezonden duidelijk blijkt op welke datum de naturalisatiegelden zijn betaald, op welke datum eventueel ontheffing van betaling is verleend en op welke datum de aanvullende stukken zijn overgelegd (zie ook de toelichting bij [artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De IND bevestigt de ontvangst van het dossier aan de burgemeester (artikel 37, tweede lid, BVVN).
De burgemeester zendt het verzoek om naturalisatie, de door hem over de verzoeker en andere betrokkenen ingewonnen inlichtingen, de bewijzen van persoonsgegevens (verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van akten van de burgerlijke stand), de door verzoeker en andere betrokkenen ondertekende verklaringen en verzoeken, de overige door verzoeker overgelegde bewijsstukken, de afschriften uit de BRP en het advies aan de IND ([artikel 37, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=37)). De burgemeester behoudt een kopie van het naturalisatiedossier in verband met de wettelijke bewaarplicht.3Op grond van het Vaststellingsbesluit selectielijst archiefbescheiden gemeentelijke en intergemeentelijke organen is de bewaartermijn bij de voorbereiding van naturalisatie van vreemdelingen in geval van totstandkoming 2 jaar en in geval van niet-totstandkoming 12 jaar. Het naturalisatiebesluit en de bevestiging van verkrijging en verklaring van afstand nationaliteit moeten door de gemeenten permanent bewaard worden. In verband met de wettelijke behandeltermijn van een jaar is het van belang dat uit de stukken die aan de IND worden gezonden duidelijk blijkt op welke datum de naturalisatiegelden zijn betaald, op welke datum eventueel ontheffing van betaling is verleend en op welke datum de aanvullende stukken zijn overgelegd (zie ook de toelichting bij [artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De IND bevestigt de ontvangst van het dossier aan de burgemeester (artikel 37, tweede lid, BVVN).
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen ([artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing ([artikel 38, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=38)). Beslissingen tot afwijzing, tot buitenbehandelingstelling of tot aanhouding van verzoeken worden per aangetekende post aan verzoeker verzonden. In geval van een positieve beslissing stuurt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zo snel mogelijk aan de burgemeester van de woonplaats van de verzoeker. De burgemeester draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit. (Zie ook [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&z=2017-04-01&g=2017-04-01).) Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de mee-genaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie, indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit totstandgekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
Indien van toepassing maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) na ontvangst van het terugmeldformulier een uitwisselingsformulier op, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit ([model 1.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)). Dit is, ingevolge de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal.
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit maakt de IND, na ontvangst van het terugmeldformulier, een formulier op gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 ([Model 1.35a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) toe. De IND maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige die door naturalisatie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door naturalisatie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder.
Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt.
### Artikel 8
N.B. Indien de persoon in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel wordt geen uitwisselingsformulier opgemaakt.
Een beslissing tot buitenbehandelingstelling, aanhouding of afwijzing van een verzoek om naturalisatie of tot afwijzing van een verzoek om medeverlening, is een beschikking in de zin van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) (Awb). Tegen deze beslissingen kan een bezwaarschrift worden ingediend. De [hoofdstukken 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6) en [7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=7) zijn dan van toepassing. In de volgende gevallen kan bezwaar worden ingediend:
### paragraaf 3.13.3. Afleggen verklaring van verbondenheid
### paragraaf 3.13.1. De oproeping
### paragraaf 3.11. Bezwaar
### paragraaf 3.7. Minderjarigen
Door de per 1 oktober 2009 in werking getreden [Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026450) is de aanvang van de beslistermijn in bezwaar gewijzigd ([artikel 7:10, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10)). Het bestuursorgaan moet op het bezwaarschrift beslissen binnen zes weken na het verstrijken van de bezwaartermijn (was zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift). Ingevolge artikel 7:10, derde lid, Awb kan de beslistermijn éénmaal met ten hoogste zes weken (was vier weken) verdaagd worden. Deze wijzigingen gelden alleen voor bezwaarschriften die zijn ingediend op of na 1 oktober 2009. Op bezwaarschriften die voor 1 oktober 2009 zijn ingediend is de oude Awb-bezwaartermijn van toepassing.
De beslistermijn op een bezwaarschrift tegen een naturalisatieweigering eindigt in het geval van een positieve beslissing op het moment dat de verzoeker de bekendmaking in ontvangst heeft genomen (in beginsel) op een naturalisatieceremonie. Als de IND niet binnen de wettelijke beslistermijn een beslissing kan nemen op het bezwaarschrift, dan zal de IND een in [artikel 4:15 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15) of [artikel 7:10 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10) genoemde opschortingsgrond toepassen om de beslistermijn op te schorten. Als niet binnen de wettelijke beslistermijn op bezwaar een ceremonie kan worden gehouden, dan zal de IND om de beslistermijn van het bezwaar op te schorten artikel 7:10, vierde lid en onder c Awb toepassen (naleving wettelijke procedurevoorschriften, hiermee wordt gedoeld op de uitreikingstermijn van [artikel 60b lid 2 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Hiervoor zal de IND in overleg treden met de gemeente die het besluit moet uitreiken.
Het moet hier gaan om een buitenlandse instantie. Het ministerie van Buitenlandse Zaken is geen buitenlandse instantie. Als aan de Minister van Buitenlandse Zaken wordt verzocht om bijvoorbeeld een ambtsbericht, is deze opschorting niet van toepassing. Deze opschortingsgrond is wel van toepassing als de IND door tussenkomst van het ministerie van Buitenlandse Zaken informatie opvraagt aan de autoriteiten van een ander land (bijvoorbeeld verificatie van een brondocument).
### 8-1-a. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
Van overmacht zal niet vaak sprake zijn. Het gaat in ieder geval om een onmogelijkheid om te beslissen die wordt veroorzaakt door abnormale en onvoorziene omstandigheden die buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen: bij bijvoorbeeld brand, overstromingen of in geval van oorlog.
Als overmacht wordt in ieder geval niet aangemerkt:
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Op grond van [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) geldt voor een aantal categorieën oud-Nederlanders niet het vereiste dat zij gedurende een jaar of langer toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland moeten hebben om het Nederlanderschap door optie te kunnen herkrijgen. Deze overgangsregeling geldt van 1 april 2003 tot en met 31 maart 2013 ([artikel 26, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)).
### 6-1-g. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 1.1. Afstamming door geboorte
De Nederlandse vrouw die na 1 april 1953 en tot 24 augustus 1957 met een Duitse man huwde verloor niet automatisch de Nederlandse nationaliteit, omdat zij door haar huwelijk niet automatisch de Duitse nationaliteit verkreeg. Dit volgde uit het vonnis van Bundesverfassungsgericht van 1 april 1953. Het Hof oordeelde dat vanaf die datum een vreemde vrouw die met een Duitser huwde op grond van artikel 3, tweede lid Grundgesetz (dat de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen vastlegt) niet automatisch de Duitse nationaliteit kreeg.
### Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
Vanaf 1 maart 1964 kon de getrouwde vrouw afstand doen van de Nederlandse nationaliteit (artikel 8a WNI 1892), nadat zij de vreemde nationaliteit van haar echtgenoot had verkregen.
### Paragraaf 2.1. Verkrijging van de Nederlandse nationaliteit onder de WNI 1892
Het (openbaar) Nationaliteitenregister van de IND in Rijswijk kan door de optieautoriteit worden geraadpleegd om te beoordelen of de moeder voorafgaande aan de geboorte van de optant afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 8a of dat sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7 sub 2, 4 of 5 WNI 1892. Immers, kennisgevingen ex artikel 7 sub 5, verloven ex artikel 7 sub 4, vervallenverklaringen ex artikel 7 sub 2, opties en naturalisatie zijn onder meer opgenomen in het Nationaliteitenregister.
### Paragraaf 1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met een Nederlandse nationaliteit
Een kind dat werd geboren uit een ongehuwde Nederlandse vrouw kreeg ook voor 1 januari 1985 de Nederlandse nationaliteit via zijn moeder (zie paragraaf 2.1).
### Paragraaf 1.3. De vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind
Ook optiegerechtigd is de vreemdeling die niet als gevolg van het tot stand komen van de afstammingsrelatie met zijn niet-Nederlandse vader de Nederlandse nationaliteit heeft verloren, maar door een andere verliesgrond uit de WNI 1892 dan wel de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
### 6-1-j. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Een erkenning in het buitenland, op grond waarvan in het verleden het uit de ongehuwde Nederlandse vrouw geboren kind zijn Nederlanderschap ooit heeft verloren, dient tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de destijds geldende regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht ([Wet Algemene Bepalingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001833)). Dit geldt ook voor de buitenlandse gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.
### Paragraaf 2.1. Verkrijging van de Nederlandse nationaliteit onder de WNI 1892
Een kind wordt in 1958 geboren staande huwelijk. Zijn oorspronkelijk Nederlandse moeder heeft door het huwelijk met een Italiaan automatisch de Italiaanse nationaliteit verkregen en de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 5 (oud) WNI. Ten tijde van de geboorte van haar kind bezat zijn moeder niet meer de Nederlandse nationaliteit. Hij kan het Nederlanderschap dus niet verkrijgen door optie ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
### 6-1-j. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Van deze optie kon alleen gebruik worden gemaakt als de moeder van het kind op het moment van de optie de Nederlandse nationaliteit bezat, of als zij voordat de optie werd uitgebracht, als Nederlandse was overleden. Het kind moest daarnaast op 1 januari 1985 jonger zijn dan 21 jaar.
### Paragraaf 2. De Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 december 1892
Voorts neemt de optieautoriteit contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen, als eerder opgemerkt in [paragrafen 1.2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=1¶graaf=1.2¶graaf=1.2.1¶graaf=1.2.1.2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=1¶graaf=1.5&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
### Paragraaf 1.5. Vereiste documenten
De adoptie moet zijn uitgesproken binnen het huidig Koninkrijk en het kind moet minderjarig zijn op het moment van de uitspraak in eerste aanleg.
### Paragraaf 1.3. Bezit Nederlandse nationaliteit adoptiefmoeder ten tijde van onherroepelijk uitspraak
Vóór 1 januari 1985 was de verwerving van het Nederlanderschap door afstamming in de regel de nationaliteit van de vader maatgevend (artikel 1 sub a en b WNI 1892).
### Paragraaf 1.4. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie
Onder de WNI kon het Nederlanderschap ook verloren gaan. Deze verliesgronden waren geregeld in artikel 7 WNI 1892. Het Nederlanderschap op grond van artikel 7 WNI 1892 werd alleen verloren door meerderjarigen (21 jaar en ouder), behalve in het geval dat een kind deelde in de naturalisatie van zijn ouder, dan verloor ook een minderjarige het Nederlanderschap. Als de vreemde nationaliteit reeds was verkregen door geboorte op het grondgebied (bijvoorbeeld de VS) en dus niet door medenaturalisatie, werd het Nederlanderschap niet verloren door het kind.
### Paragraaf 1.5. Vereiste documenten
Deze verliesgronden golden ook voor de van oorsprong Nederlandse vrouw/meisje.
### 6-1-j. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Nadat in Nederland in 1956 het instituut van de adoptie werd ingevoerd werd in 1962 artikel 1bis in de WNI gevoegd, waardoor geadopteerde kinderen ook de Nederlandse nationaliteit konden verkrijgen. De voorwaarden waren:
### Paragraaf 1. Algemeen
Voorwaarde is ook dat op het moment dat adoptieuitspraak onherroepelijk werd, de adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit bezat. Het Nederlanderschap heeft zij in de meeste gevallen door geboorte van rechtswege verkregen (door bijvoorbeeld afstamming van een Nederlandse vader; zie paragraaf 2.1 bij artikel 6, eerste lid aanhef en onder i). Als eerste zal bekeken moeten worden waar de adoptiefmoeder is geboren of heeft gewoond. Als dat in Nederland is, dan is er een persoonskaart in Nederland aanwezig waaruit haar nationaliteit zal blijken. Als de adoptiefmoeder in het buitenland is geboren of nooit in Nederland heeft gewoond dan zijn de afstammings- en nationaliteitsgegevens op de persoonskaart van haar ouders relevant om te bepalen of de adoptiefmoeder het Nederlanderschap heeft verkregen door geboorte of anderszins.
### Paragraaf 1.1. Afstamming door adoptie binnen het Koninkrijk van een minderjarige
Van deze optie kon alleen gebruik worden gemaakt als de moeder van het kind op het moment van de optie de Nederlandse nationaliteit bezat, of als zij voordat de optie werd uitgebracht, als Nederlandse was overleden. Het kind moest daarnaast op 1 januari 1985 jonger zijn dan 21 jaar en niet gehuwd zijn geweest.
### Paragraaf 1.1. Erkenning kind jonger dan zeven jaar
Van deze optie kon alleen gebruik worden gemaakt als de moeder van het kind op het moment van de optie de Nederlandse nationaliteit bezat, of als zij voordat de optie werd uitgebracht, als Nederlandse was overleden. Het kind moest daarnaast op 1 januari 1985 jonger zijn dan 21 jaar en niet gehuwd zijn geweest.
### Paragraaf 1.5. Vereiste documenten
De optievoorwaarden kan de optant aan de hand van de volgende stukken aantonen:
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
Een kind wordt in 1980 op 8-jarige leeftijd geadopteerd bij uitspraak van de Nederlandse rechter door een echtpaar dat is getrouwd in 1972. De adoptiefvader bezit de Belgische nationaliteit en de adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit. Uit de overgelegde stukken, waar onder de adoptieuitspraak, blijkt dat een afstammingsrelatie tot stand is gekomen tussen de adoptiefouders en het kind. Hij kan opteren op grond van onderdeel j, als op het moment van de adoptieuitspraak in eerste aanleg de adoptiefmoeder nog de Nederlandse nationaliteit bezat. Tussen 1 maart 1964 en 1 januari 1985 verkreeg de vrouw automatisch de Belgische nationaliteit en behield zij het Nederlanderschap op grond van de destijds geldende Nederlandse nationaliteitswetgeving. Er bestond ook geen eenvoudige optiemogelijkheid voor haar voor de nationaliteit van haar echtgenoot. Gelet op de Belgische nationaliteitswetgeving kan voor de met een Belg trouwende buitenlandse vrouw worden aangenomen dat de adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit bezat op het moment van de adoptieuitspraak in eerste aanleg. Optie is dus mogelijk op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
### Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
Hij kan dan het Nederlanderschap, als hij dat inmiddels verloren heeft, herkrijgen door optie op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
### 6-1-k. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
**Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de vreemdeling die is geboren als kind van één van de in de onderdelen i of j bedoelde personen die het Nederlanderschap heeft verkregen dan wel voor die verkrijging is overleden.**
### Paragraaf 1. Algemeen
Een vreemdeling (meerderjarig of minderjarig) die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) als cumulatief:
### paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester
Vast moet komen te staan dat de optant een (juridisch) kind is van de persoon bedoeld in onderdeel i of j. Onderdeel k gaat uit van afstamming door geboorte.
### Paragraaf 1.2. Afstamming door geboorte
Is de persoon bedoeld in i of j de vader, dan moet worden onderzocht hoe die afstamming tot stand is gekomen. Dat kan zijn door huwelijk, en bij dit wetsonderdeel uitsluitend door prénatale erkenning. Voor postnataal erkende personen geldt of onderdeel l of m en indien afstamming tot stand is gekomen door gerechtelijke vaststelling vaderschap, geldt onderdeel n.
### Paragraaf 1.2. Bewijs biologisch vaderschap erkenner
Een kind wordt in 1986 op tweejarige leeftijd in Amsterdam erkend door een Marokkaanse man. Deze Marokkaanse man heeft geopteerd op grond van onderdeel i en daardoor het Nederlanderschap verkregen. De moeder van het kind bezit de Franse nationaliteit. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de erkenning rechtsgeldig is en de vader de juridische ouder is van het kind. De vader heeft inmiddels het Nederlanderschap verkregen door de optie op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Het kind kan opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l RWN.
### paragraaf 1. Algemeen
Onderdeel k eist dat eerst de optiegerechtigde ouder van het kind door de optie op grond van onderdeel i of j het Nederlanderschap verkrijgt. Daarna pas kan het kind gebruik maken van de optiemogelijkheid in onderdeel k. Alleen als deze optiegerechtigde ouder is overleden en dus niet het Nederlanderschap meer kan verkrijgen door de optie, kan er ook geopteerd worden. Voorwaarde is wel dat deze ouder aan alle voorwaarden van [artikel 6, eerste lid, onder i of j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) voldoet. Dit moet bij een overleden ouder dus ook onderzocht worden.
### Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
De optievoorwaarden kan de optant aan de hand van de volgende stukken aantonen:
### Paragraaf 1. Algemeen
Een kind is in 1986 staande het huwelijk van zijn Spaanse ouders geboren. De vader heeft geopteerd op grond van onderdeel i. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vader (en de moeder) de juridische ouder is van het kind en dat zijn vader inmiddels het Nederlanderschap heeft verkregen door de optie op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Het kind kan het Nederlanderschap verkrijgen door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k RWN.
### 6-1-l. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
A, van Israëlische nationaliteit, is optiegerechtigd op grond van [artikel 6, eerste lid en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). A heeft geen belangstelling voor het Nederlanderschap en wil niet opteren. Haar zoon B, ook van Israëlische nationaliteit, heeft wel belangstelling. A overlijdt in 2017. Pas na het overlijden van A kan B de optie uitbrengen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k RWN.
### Paragraaf 1. Algemeen
**Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de vreemdeling die voor de leeftijd van zeven jaar is erkend door één van de in de onderdelen i of j bedoelde personen die het Nederlanderschap heeft verkregen dan wel voor die verkrijging is overleden.**
### Paragraaf 1. Algemeen
De Nederlandse postnatale erkenning kan nietig zijn, omdat onder andere de erkenner gehuwd was ten tijde van de erkenning of omdat het kind reeds een juridische vader heeft ([artikel 1:204, eerste lid, aanhef en onder e en f BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=204)). Het kind kan, als sprake is van een nietige erkenning, geen gebruik maken van de geboden optiemogelijkheid, aangezien de persoon bedoeld in onderdeel i of j niet zijn juridische vader is. Dit geldt ook ten aanzien van een buitenlandse postnatale erkenning, nu deze niet op grond van Nederlandse internationaal privaatrecht erkend kan worden in Nederland wegens strijd met de openbare orde.
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
Als het gaat om een postnatale erkenning naar buitenlands recht, moet deze tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht. De [Wet conflictenrecht afstamming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013513) (Wca) is van toepassing op buitenlandse erkenningen die op of na 1 mei 2003 tot stand zijn gekomen. Vanaf 1 januari 2012 is dit [artikel 10:92 tot en met 10:102 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=92).
### paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
Voorts eist onderdeel l dat eerst de optiegerechtigde vader van het kind door de optie op grond van onderdeel i of j het Nederlanderschap verkrijgt. Daarna pas kan het kind gebruik maken van de optiemogelijkheid in onderdeel l. Alleen als deze optiegerechtigde vader is overleden en dus niet het Nederlanderschap heeft kunnen verkrijgen door de optie, kan er ook geopteerd worden.
### 6-1-n. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Een uit een Duitse ongetrouwde vrouw geboren kind wordt op zesjarige leeftijd in 2004 in Turkije erkend door een in Nederland wonende Turkse man A. Na de erkenning is deze Turkse man A overleden in Turkije. Deze Turkse man A is in 1984 in Duitsland geboren staande het huwelijk van een Turkse vader C en een Nederlandse moeder D. De Nederlandse moeder D heeft niet vrijwillig de Turkse nationaliteit verkregen na dit huwelijk en is dus in het bezit gebleven van de Nederlandse nationaliteit.
### Paragraaf 1.3. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
Een kind wordt in 1986 op tweejarige leeftijd in Amsterdam erkend door een Marokkaanse man. Deze Marokkaanse man heeft geopteerd op grond van onderdeel i en daardoor het Nederlanderschap verkregen. De moeder van het kind bezit de Franse nationaliteit. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de erkenning rechtsgeldig is en de vader de juridische ouder is van het kind. De vader heeft inmiddels het Nederlanderschap verkregen door de optie op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Het kind kan opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l RWN.
### Paragraaf 1.4. Vereiste documenten
De Turkse erkenning kon tot 1 januari 2012 worden erkend in Nederland op grond van de [Wet conflictenrecht afstamming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013513) (Wca). Vanaf 1 januari 2012 is [artikel 10:92 tot en met artikel 10:102 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=92) van toepassing. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vader de juridische ouder is van het kind en dat zijn vader na de erkenning is overleden in Turkije. Ook blijkt dat de vader van het kind, had kunnen opteren op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), als hij was blijven leven. Hij is immers geboren uit een Nederlandse moeder en een vader die niet de Nederlandse nationaliteit had. Het kind kan het Nederlanderschap verkrijgen door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l RWN, omdat zijn overleden vader optiegerechtigd is op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN.
### 6-1-m. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
**Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de vreemdeling die door één van de in de onderdelen i of j bedoelde personen die het Nederlanderschap heeft verkregen dan wel voor die verkrijging is overleden, tijdens zijn minderjarigheid is erkend, terwijl hij aangetoond heeft dat die persoon de biologische vader is.**
### Paragraaf 1.2. Bewijs biologisch vaderschap erkenner
Vast moet komen te staan dat de optant een (juridisch) kind is van de persoon bedoeld in onderdeel i of j. Onderdeel m gaat uit van afstamming door postnatale erkenning van een minderjarige. Deze persoon (man) heeft het kind erkend op een moment dat dat kind zeven jaar of ouder was, maar minderjarig was.
### Paragraaf 1.2. Bewijs biologisch vaderschap erkenner
Aangetoond moet worden dat deze man (de erkenner) de biologische vader is van het kind.
### Paragraaf 1.1. Afstamming door gerechtelijke vaststelling ouderschap
Er is namelijk ten aanzien van de hier aan de orde zijnde kwestie geen nationaliteitsrechtelijke regelgeving.
### paragraaf 2.5. Bevestiging
Ook met DNA-bewijs kan het biologisch vaderschap van de erkenner worden aangetoond. Geen genoegen kan echter worden genomen met ongeacht welk onderzoeksrapport op het gebied van vaderschapsvaststelling.
### Paragraaf 1.1. Afstamming door adoptie binnen het Koninkrijk van een minderjarige
Om deze reden geldt dat bij het overleggen van bewijs dat voldoet aan alle voorwaarden genoemd in het [Besluit DNA-onderzoek vaderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024634) (zie [artikel 4, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)) er voldoende zekerheid is over het biologisch vaderschap om het Nederlanderschap te verkrijgen via optie door de erkende.
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
Als DNA-bewijs afkomstig is van andere laboratoria dan die genoemd in het [Besluit DNA-onderzoek vaderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024634), wordt het bewijs niet geaccepteerd en kan het Nederlanderschap niet worden verkregen door optie.
### 6-1-o. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
De Nederlandse postnatale erkenning kan nietig zijn, omdat onder andere de erkenner gehuwd is of omdat het kind reeds een juridische vader heeft ([artikel 1:204, eerste lid, aanhef en onder e en f BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=204)). Het kind kan dan geen gebruik maken van de geboden optiemogelijkheid, aangezien de persoon bedoeld in onderdeel i of j niet zijn juridische vader is. Dit geldt ook ten aanzien van een buitenlandse postnatale erkenning, nu deze op grond van Nederlands internationaal privaatrecht niet erkend kan worden in Nederland wegens strijd met de openbare orde.
### Paragraaf 1.3. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
Voorts eist onderdeel m dat eerst de optiegerechtigde vader van het kind door de optie op grond van onderdeel i of j het Nederlanderschap verkrijgt. Daarna pas kan het kind gebruik maken van de optiemogelijkheid in onderdeel m. Alleen als deze optiegerechtigde vader is overleden en dus niet het Nederlanderschap heeft kunnen verkrijgen door de optie, kan er ook geopteerd worden. Voorwaarde is wel dat deze ouder aan alle voorwaarden van [artikel 6, eerste lid, onder i of j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) voldoet. Dit moet bij een overleden ouder dus ook onderzocht worden.
### Paragraaf 1.4. Vereiste documenten
De optievoorwaarden kan de optant aan de hand van de volgende stukken aantonen:
### Paragraaf 2.2.4.3.1. Bereidheidsverklaring afstand
Let op: in principe kan op grond van [artikel 6, achtste lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) een minderjarige delen in de optie van de persoon (ouder), bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i en j RWN, als de minderjarige toelating en hoofdverblijf heeft in het Koninkrijk. In het geval van toepassing van artikel 6, achtste lid RWN is geen bewijs van het biologisch vaderschap nodig.
### 6-1-n. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Een kind, geboren in 1995 in Colombia, is in 1998 bij Arubaanse uitspraak geadopteerd door een echtpaar, in 1998 beiden van Surinaamse nationaliteit. De adoptiefmoeder heeft geopteerd voor het Nederlanderschap op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Uit de overgelegde stukken, waaronder de adoptieuitspraak, blijkt dat een afstammingsrelatie tot stand is gekomen tussen adoptiefmoeder (en adoptiefvader) en het kind en dat zijn adoptiefmoeder inmiddels het Nederlanderschap heeft verkregen door de optie. Het kind kan opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o RWN.
### 6-1-o. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of zijn ouder in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als de vader van de optant langer dan twee jaar geleden is overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).
### Paragraaf 1
Een vreemdeling (minderjarig of meerderjarig) die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) als cumulatief:
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
Voorts eist onderdeel o dat eerst de optiegerechtigde vader van het kind door de optie op grond van onderdeel i of j het Nederlanderschap verkrijgt. Daarna pas kan het kind gebruik maken van de optiemogelijkheid in onderdeel m. Alleen als deze optiegerechtigde vader is overleden en dus niet het Nederlanderschap heeft kunnen verkrijgen door de optie, kan er ook geopteerd worden. Voorwaarde is wel dat deze ouder aan alle voorwaarden van [artikel 6, eerste lid, onder i of j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) voldoet. Dit moet bij een overleden ouder dus ook onderzocht worden.
### Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of zijn adoptiefouders in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als de adoptiefouder van de optant langer dan twee jaar geleden is overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).
### 1. Algemeen
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige optant. Zij rust daarnaast ook op minderjarigen die op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd zestien jaar of ouder zijn, ongeacht of zij zelfstandig opteren dan wel verzocht is hen te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door een van hun ouders (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.4¶graaf=2.2.4.1&z=2016-04-01&g=2016-04-01) en [2.12.3 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2016-04-01&g=2016-04-01))
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 1.36)
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 1.36). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in principe in persoon op een naturalisatieceremonie mondeling af voordat de optiebevestiging aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2016-04-01&g=2016-04-01)).
### paragraaf 2.2.1.3. Kinderen van de optant
De minderjarige kinderen van de optant, waarvan het de bedoeling is dat zij delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door hun ouder, en die twaalf jaar of ouder zijn, worden mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de medeverkrijging (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
### paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt alleen vrijstelling gegeven, indien het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij artikel 60a, vijfde lid en zesde lid, BVVN). Zie [paragraaf 2.2.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.4¶graaf=2.2.4.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) voor de uitzonderingssituaties.
### 4. Afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN)
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid mondeling en in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands afgelegd.
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (artikel 60a, derde lid, BVVN en paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)
Wordt de toezegging een verklaring van verbondenheid af te leggen niet nagekomen en is geen ontheffing van het mondeling of schriftelijk afleggen verleend, dan zal de optiebevestiging niet worden uitgereikt en het Nederlanderschap niet worden verkregen. Immers, pas door de bekendmaking wordt iemand Nederlander.
### 6-3. Toelichting ad artikel 6, derde lid
Voor zoveel mogelijk verstrekt de optant dezelfde gegevens over de minderjarige kinderen en kindskinderen die hij in zijn optie wenst te betrekken ([artikel 6, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)).
### paragraaf 2.1. Informatieverstrekking
Het afleggen van een optieverklaring zal worden voorafgegaan door informatieverstrekking aan de aspirant-optant door de tot het in ontvangst nemen van de verklaring bevoegde burgemeester. Voor een deel zal daarbij gebruik kunnen worden gemaakt van IND-brochures. Verder kan in deze fase aan de aspirant-optant bijvoorbeeld opgave worden gedaan van de bij het afleggen van de optieverklaring te verstrekken gegevens en over te leggen documenten. De burgemeester informeert de aspirant-optant over zijn verplichting om, als onderdeel van de verkrijging van het Nederlanderschap, een verklaring van verbondenheid af te leggen. De optant wordt erop attent gemaakt dat hij de verklaring van verbondenheid, in beginsel op een naturalisatieceremonie, zal moeten afleggen en dat de optiebevestiging niet eerder bekend wordt gemaakt, dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Ook kan de aspirant-optant erop worden gewezen dat de eventuele optiebevestiging als regel door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst in werking treedt. Indien al onmiddellijk blijkt dat niet wordt voldaan aan de vereisten voor optie, kan de betrokkene worden gewezen op de eventuele mogelijkheid en voorwaarden voor verlening van de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie.
### paragraaf 2.2.1. Vormvereisten: afleggen in persoon
Voor een minderjarige optant wordt de optieverklaring afgelegd door (een van) zijn wettelijk vertegenwoordiger(s). In beginsel dient de wettelijk vertegenwoordiger in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) en zich met een geldig identiteitsbewijs te legitimeren. Van verschijning in persoon door de wettelijk vertegenwoordiger kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie artikel 2, tweede lid, RWN en [artikel 3, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). De minderjarige optant die jonger dan twaalf jaar is, wordt niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
### paragraaf 2.2.1.3. Kinderen van de optant
Ingevolge [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) wordt een kind van twaalf jaar of ouder op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld om een zienswijze omtrent de verkrijging naar voren te brengen. Bij een minderjarige optant van twaalf tot zestien jaar is niet voorgeschreven dat het in persoon verschijnt om een zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap. Het verdient wel de voorkeur. De minderjarige optant wordt derhalve mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de verkrijging (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
### paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
Hebben kinderen de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven ([artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Zij dienen zich met een geldig buitenlands reisdocument33Zie [paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.1&z=2016-04-01&g=2016-04-01). te legitimeren (zie ook hierna [paragraaf 2.2.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.1¶graaf=2.2.1.5&z=2016-04-01&g=2016-04-01)). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
### Paragraaf 2.2.4.3.1. Bereidheidsverklaring afstand
Hebben kinderen de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven ([artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Zij dienen zich met een geldig buitenlands reisdocument33Zie [paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01). te legitimeren (zie ook hierna [paragraaf 2.2.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.1¶graaf=2.2.1.5&z=2017-04-01&g=2017-04-01)). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
### paragraaf 2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder
De optieverklaring dient op schrift te worden gesteld ([artikel 6, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)) en door de betrokkene of, in het voorkomende geval, door zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde te worden ondertekend ([artikel 3, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). In de verklaring dienen de minderjarige kinderen en de kindskinderen, voor wie medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt beoogd, te worden vermeld ([artikel 6, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)). Als beide ouders op hetzelfde moment een optieverklaring afleggen, worden in beide optieverklaringen alle kinderen opgenomen waarvoor medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt gewenst. Hierdoor wordt voorkomen dat een kind niet in de verkrijging van het Nederlanderschap deelt, omdat het bij toeval in de optieverklaring is vermeld van de ouder die niet aan de voorwaarden voldoet.
### Paragraaf 2.2.3. Te verstrekken gegevens
Op grond van [artikel 6, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6) moet de optant bij het afleggen van de optieverklaring betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens te verstrekken met betrekking tot:
### paragraaf 2.4.2.4. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie
De informatie over de gegevens genoemd bij a tot en met e, zal bij iedere optieverklaring moeten worden verstrekt. Dit geldt zowel voor de optieverklaring afgelegd op grond van [artikel 6, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) als [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28). Deze gegevens komen dan ook in ieder model optieformulier terug. De noodzakelijkheid van verstrekking van gegevens genoemd in de onderdelen f tot en met l is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo is het verstrekken van gegevens over de verblijfsstatus (f) wel nodig bij een optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, b, e, f, g en h, RWN maar niet bij een optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, d en i t/m o RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN en artikel 28 RWN. Het verstrekken van gegevens over het huwelijk of de ontbinding daarvan (h) is bijvoorbeeld met name bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en artikel 28 RWN van belang. Daarnaast kan het feit of een huwelijk is gesloten of een geregistreerd partnerschap is aangegaan uiteraard van belang zijn voor de vraag of de optant wel of niet meerderjarig is. De gegevens bij onderdeel j zijn met name van belang bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, d en i t/m o RWN.
### Paragraaf 2.2.4.3.1. Bereidheidsverklaring afstand
Het verdient mede gelet op het bepaalde in [artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) aanbeveling deze gegevens met betrekking tot de optant zelf (en als van toepassing met betrekking tot in de optieverklaring genoemde (kinds)kinderen) onmiddellijk in overleg met de optant te vergelijken met de beschikbare gegevens in de BRP. Hiermee kunnen onnodige procedures worden voorkomen.
### paragraaf 2.4.2.5. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
Dit betekent dat een gemeente aan een persoon, die wil opteren op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i t/m o RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), gegevens van de persoonskaart van de (groot)ouders dan wel een uittreksel met historische gegevens van de (groot)ouders op diens verzoek moet verstrekken.
### paragraaf 2.5. Bevestiging
Ook kan een zo nodig gelegaliseerde verklaring van de autoriteit van het land van de nationaliteit van de echtgenoot van moeder, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), en een zo nodig gelegaliseerde verklaring van de autoriteit van het land van geboorte van de optant worden verlangd, waaruit blijkt dat de moeder van de optant niet de nationaliteit van een van deze landen bezat op de dag van de geboorte van de optant. Ten aanzien van de adoptiefmoeder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j RWN, kan worden volstaan met de eerste verklaring.
### paragraaf 2.2.4. Af te leggen verklaringen
De burgemeester informeert de optant over zijn bij de IND bekende nationaliteit en vraagt hem een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) van zijn nationaliteit over te leggen. Anders verzoekt de burgemeester de optant om met bewijsstukken aan te tonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) van zijn nationaliteit.
### paragraaf 2.7. Archivering
** Het ondertekenen van de bereidverklaring en afleggen van de verklaring van verbondenheid is niet van toepassing op de (mede)optant die opteert op grond van de overgangsregeling gegeven in [artikel II, eerste lid, onder a, b of c van Stb. 2008, 270](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) en op zijn kind dat in die optie deelt.
### paragraaf 2.2.4.2. Waarheidsverklaring
Verder dient de optant een zogenaamde waarheidsverklaring te ondertekenen ([artikel 6, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in de optieverklaring (zie modellen 1.1 tot en met 1.13), verklaart de verzoeker dat hij de gevraagde gegevens, betreffende zichzelf en de in de optieverklaring genoemde personen naar waarheid heeft verstrekt en geen relevant gegeven heeft verzwegen.
### Paragraaf 2.2.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
Enkele optanten zijn niet verplicht de verklaring verblijf en gedrag te ondertekenen.
### Paragraaf 2.2.4.3.1. Bereidheidsverklaring afstand
Voor optanten van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) (tenzij de optant meerderjarig is), artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d en k t/m o, RWN (tenzij de optant 16 jaar of ouder is) en [artikel II RRWN (2008)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) (tenzij de optant meerderjarig is) geldt geen openbare orde toets. [Model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) hoeft door deze optanten daarom niet ondertekend te worden. Model 1.14 moet wel ondertekend worden door de meerderjarige optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder b en c, RWN en van art. II RRWN (2008). De optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder d en k t/m o RWN die 16 jaar of ouder is, moet model 1.14 ook ondertekenen. Zodra één van beide eisen geldt, moet model 1.14 ondertekend worden.
### Paragraaf 2.2.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
Uitzonderingen daargelaten (bijvoorbeeld in geval van op goede gronden gerezen twijfel), wordt van overlegging van documenten afgezien als deze al eerder zijn overgelegd en verwerkt in de BRP of in een akte van de burgerlijke stand in Nederland. Hierbij geldt dat de verwerking van gegevens in de BRP/burgerlijke stand moet hebben plaatsgevonden op basis van, als nodig, gelegaliseerde documenten.
### 6a-6. Toelichting ad [artikel 6a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die opteert voor het Nederlanderschap, moet deze vreemdeling nationaliteit- en identiteitvaststellende documenten overleggen (zie onder meer [artikel 6 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6) en [paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.1&z=2016-04-01&g=2016-04-01) en [2.2.5.3 bij artikel 6, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.3&z=2016-04-01&g=2016-04-01)). Dit geldt ook voor de vreemdeling aan wie een regulier verblijfsrecht is verstrekt, waarbij hij, al dan niet ambtshalve, is vrijgesteld van het ‘paspoortvereiste’. De vreemdeling met een verblijfsvergunning regulier die is vrijgesteld van het paspoortvereiste, kan, als hij verkrijging van het Nederlanderschap door optie beoogt, ruimschoots voorafgaand aan het starten van de optieprocedure zorg dragen voor verkrijging van de daarvoor noodzakelijke bewijsstukken; waarmee een geldig nationaal paspoort en een (als nodig: gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte zijn bedoeld.
### Paragraaf 2.2.5.6. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten
Is de optant houder van een regulier verblijfsrecht (dit is alles dat niet een verblijfsrecht asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd is) dan moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument worden overgelegd, tenzij de verzoeker met ‘staatloos’ in de BRP is ingeschreven. Dit geldt ook voor de houder van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht door de IND is vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort).
### Paragraaf 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument
Het komt voor dat optanten stellen niet van de eigen autoriteiten een geldig paspoort te krijgen omdat zij in het herkomstland de militaire dienstplicht (nog) moeten vervullen. Omdat een betrokkene in verzuim is met het tijdig vervullen van de dienstplicht geven de desbetreffende autoriteiten geen (nieuw) paspoort meer af, ondanks het feit dat betrokkene (nog) wel de nationaliteit van dat land heeft. Dat een vreemdeling door zijn autoriteiten wordt opgeroepen om dienstplicht te vervullen, is een aanwijzing dat hij in het bezit is van de door hem gestelde vreemde nationaliteit. De eis om een geldig buitenlands paspoort te overleggen, vervalt daarom als betrokkene een schriftelijke oproep voor de militaire dienstplicht overlegt, die op de dag van het afleggen van de optieverklaring niet ouder is dan een jaar.
### paragraaf 2.2.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)
Met ingang van 26 oktober 2015 hoeven minderjarigen die zijn geboren in Nederland of elders in het Koninkrijk, geen geldig buitenlands reisdocument over te leggen in de optieprocedure als zij tegelijkertijd met de ouder(s) opteren (op grond van artikel 6, lid 8 RWN), en mits de ouder(s) met betrekking tot zichzelf beschikt(ken) over een geldig buitenlands paspoort en een gelegaliseerde/geapostilleerde geboorteakte. Hetzelfde geldt voor minderjarigen die zijn geboren in een land waarop het Apostilleverdrag van toepassing is (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Indien de minderjarige wel in het bezit is van een geldig buitenlands paspoort dan is er geen bezwaar om dit aan het optiedossier toe te voegen.
### paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond
Kunnen de hiervoor bedoelde verklaringen/afschriften/uittreksels als brondocument voor de BRP worden geaccepteerd, dan worden deze documenten ook voor optie aanvaard. In den regel zullen de gegevens die in de optieverklaring en de beslissing daarop worden opgenomen, conform de inschrijving in de BRP zijn. Wordt tijdens de optieprocedure een document overgelegd waaruit blijkt dat de aanvankelijke inschrijving in de BRP aanpassing behoeft, dan wordt hiervoor, zo mogelijk, zorg gedragen alvorens de bevestiging of weigering van de bevestiging wordt afgegeven.
### Paragraaf 2.2.5.6. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten
Voor zowel het verkrijgen van documenten als de vertalingen en eventuele legalisatie/apostillering van stukken, dient betrokkene zelf zorg te dragen. Indien de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dient verzoeker zorg te dragen voor een door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling, die gehecht moet zijn aan het originele (afschrift van het) document. De circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen, alsmede de toepassing van DNA-onderzoek van 21 december 2015 is van toepassing.
### paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
Inzake een buitenlands paspoort wordt bewijsnood aangenomen als:
### paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring
Een Vietnamese wil Nederlander worden, maar heeft geen Vietnamees paspoort en geen geboorteakte. Zij vraagt bij de Vietnamese ambassade een paspoort en geboorteakte aan. Zij krijgt twee verklaringen dat deze documenten niet kunnen worden gegeven. In de verklaringen staat als reden: ‘after you left the locality without declaration, therefore we did not have any record’. Dit betekent dat de autoriteiten geen registratie meer hebben van betrokkene, omdat zij zich niet heeft afgemeld toen zij wegging uit Vietnam. Daarnaast is bekend dat Vietnamezen die langer dan twee jaar in het buitenland wonen, verwijderd worden uit de HuKau. Vietnamezen die niet meer in de HuKau staan, kunnen alleen documenten krijgen als zij eerst opnieuw zijn geregistreerd. Dit kan alleen als zij zelf naar Vietnam gaan.
### paragraaf 2.4.2.3. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
De optant heeft zich gewend tot de ambassade van het land waarvan hij onderdaan is. Hij heeft daar verzocht in het bezit te worden gesteld van een geboorteakte teneinde zijn identiteit aan te kunnen tonen bij zijn optieverklaring. Van de ambassade heeft betrokkene een brief ontvangen waarin is opgenomen dat hij door de ambassade niet in het bezit kan worden gesteld van de geboorteakte, aangezien deze enkel door de bevoegde instanties in het land van herkomst kunnen worden afgegeven, met een verwijzing naar de afgevende instantie. Naar aanleiding van deze brief heeft de optant geen actie ondernomen, maar legt hij de brief bij de gemeente over als zijnde een bewijsstuk van bewijsnood. In dit geval is géén sprake van bewijsnood omdat de geboorteakte in beginsel kan worden geleverd, de buitenlandse overheid functioneert voor de afgifte ervan. Daarnaast heeft betrokkene zich niet tot de juiste instantie gericht.
### 6a-2-b. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Betrokkene heeft in 2007 samen met zijn ouders regulier verblijfsrecht gekregen, waarbij sprake was van vrijstelling van het ‘paspoortvereiste’. Inmiddels is hij 23 jaar en wil graag naturaliseren. Zijn ouders zijn afkomstig uit Irak. Betrokkene is geboren in een Iraaks vluchtelingenkamp. Geboorten werden volgens betrokkene niet geregistreerd in de plaats waar het vluchtelingenkamp stond en evenmin in het kamp zelf. Als hetgeen wordt gesteld door betrokkene inderdaad zo is, is bij de geboorteakte/bewijsstuk van de geboorteregistratie sprake van bewijsnood, want het gevraagde document is nooit opgemaakt.
### paragraaf 2.7. Archivering
Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zijn in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft.
### paragraaf 2.8. Weigering bevestiging
In principe wordt geen bewijsnood aangenomen indien gebleken is dat sprake is van één van de onderstaande omstandigheden:
### Paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
Op grond van [artikel 7, eerste tot en met derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=7) neemt de burgemeester in Europees Nederland uitsluitend optieverklaringen in ontvangst van de volgende personen:
### paragraaf 2.7. Archivering
Deze personen zijn vreemdelingen die vanwege hun bijzondere status niet als ingezetene in de BRP zijn ingeschreven, maar wel hun hoofdverblijf hebben in die gemeente. Zij kunnen de optieverklaring afleggen bij de burgemeester van hun hoofdverblijf. Dit gaat dan in het bijzonder om personen die lid zijn van diplomatieke zendingen of consulaire posten of tot het administratieve of technische personeel behoren, en hun gezinsleden. Ook voor militairen van buitenlandse bases geldt dat zij niet als ingezetene in de BRP worden ingeschreven. Daarnaast kunnen er nog andere, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, categorieën vreemdelingen zijn, die op dezelfde wijze worden behandeld. Al deze vreemdelingen moeten hun optieverklaring afleggen bij de burgemeester van de plaats van hun hoofdverblijf. Overigens zal de eis van toelating die voor de meeste opties geldt, meestal in de weg staan aan de bevestiging van een optieverklaring afgelegd door een persoon als bedoeld in [artikel 7, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=7). Een bevestiging is wel mogelijk bij opties op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) en [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) (2008).1RRWN van 27 juni 2008, Stb. 270. Zie voor de inhoud van deze optieregeling ook de toelichting op artikel 6, eerste lid onder c, RWN, sub 6.
### Paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester
Dit gaat om de hoofdregel: optieverklaringen moeten worden afgelegd bij de burgemeester van de gemeente waar de optant in de BRP als ingezetene is ingeschreven. Het feit dat de optieverklaring ook kan zien op minderjarige kinderen die in de optieverklaring delen en hun hoofdverblijf niet in die gemeente hebben, doet daar niet aan af. Bij een zelfstandige optieverklaring ten behoeve van een minderjarige, is de burgemeester van de gemeente van inschrijving van de minderjarige bevoegd. Dit geldt ook als de wettelijk vertegenwoordiger als ingezetene in een andere gemeente in de BRP is ingeschreven.
### paragraaf 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging
Nadat de optiegelden zijn betaald of de burgemeester heeft vastgesteld dat geen betaling is verschuldigd, en de burgemeester heeft vastgesteld dat de verklaring volledig is, toetst hij de door de optant verstrekte gegevens. Hij toetst aan de gegevens die in de BRP zijn opgenomen ([artikel 9, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)). Zijn in de optieverklaring personen genoemd die in andere basisadministraties zijn ingeschreven (kinderen voor wie medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt verzocht), dan verzoekt hij de burgemeester van de betreffende gemeente om binnen vier weken (of in voorkomend geval de gezaghebber van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao of Sint Maarten om binnen tien weken) de door de optant verstrekte gegevens te toetsen (artikel 9, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting in de betreffende Handleiding.
### paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
Indien een aspirant-optant, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die verklaring (model 1.36) niet heeft ingevuld en ondertekend of indien een aspirant-optant heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en betrokkene desondanks toch in zijn optie persisteert, weigert de burgemeester de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen (zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.8&z=2016-07-01&g=2016-07-01)**Weigering bevestiging**).’.
### Paragraaf 2.4.2.2. Verblijfsrechtelijke status optant
Dit onderzoek wordt verricht aan de hand van de door of namens de optant verstrekte gegevens, door de burgemeester opgevraagde uittreksels uit het register van de Justitiële documentatiedienst (JDD) en gegevens van de korpschef (NSIS, OPS, HKD). Op het moment van de bevestiging van de optieverklaring geldt dat uittreksels van de JDD niet ouder mogen zijn dan zes maanden (zie de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
### paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
Dit onderzoek wordt verricht aan de hand van de door of namens de optant verstrekte gegevens, door de burgemeester opgevraagde uittreksels uit het register van de Justitiële documentatiedienst (JDD) en gegevens van de korpschef (NSIS, OPS, HKD). Op het moment van de bevestiging van de optieverklaring geldt dat uittreksels van de JDD niet ouder mogen zijn dan zes maanden (zie de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
### paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure
De burgemeester bevordert dat de verkrijging van het Nederlanderschap, eventueel vastgestelde namen en het eventuele verlies van de oorspronkelijke nationaliteit in de BRP worden verwerkt.
### Paragraaf 2.6. Administratieve verwerking van de bevestiging
De burgemeester zendt de volgende stukken in kopie (conform origineel) aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Klantdirectie Naturalisatie, Unit Nationaliteit en Naturalisatie, Postbus 285, 7600 AG te Almelo:
### paragraaf 2.5. Bevestiging
Als van toepassing moet een uitwisselingsformulier betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit ([model 1.35 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) worden opgemaakt en worden verzonden naar het land van herkomst. Dit is, op grond van de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verkrijging van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal.
### Paragraaf 2.6. Administratieve verwerking van de bevestiging
Let op! Als de persoon in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel wordt geen uitwisselingsformulier opgemaakt.
### paragraaf 2.7. Archivering
Als de optant de IND een bewijsstuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij afstand heeft gedaan van de andere nationaliteit(en), dan zendt de IND een kopie (conform origineel) hiervan aan de autoriteit die de optieverklaring heeft bevestigd. De autoriteit moet vervolgens het verlies van de oorspronkelijke nationaliteit verwerken in de basisregistratie personen (BRP).
### paragraaf 2.9. Bezwaar
Mocht de optant inmiddels zijn verhuisd naar een andere gemeente in Nederland, dan zendt de IND dan wel de autoriteit die de afstandsverklaring heeft ontvangen (dit zal meestal de autoriteit zijn die de optieverklaring heeft bevestigd) een kopie (conform origineel) van de afstandsverklaring aan de autoriteit van de plaats waar de optant volgens de BRP op dat moment als ingezetene is ingeschreven, waarna vervolgens door die laatstgenoemde autoriteit het verlies van de andere nationaliteit(en) in de BRP wordt verwerkt.
### paragraaf 2.7. Archivering
Als de optant aan de autoriteit die de optieverklaring heeft bevestigd een bewijsstuk overlegt waaruit blijkt dat hij afstand heeft gedaan van de andere nationaliteit(en), dan zendt de autoriteit een kopie (conform origineel) hiervan aan de IND. Vervolgens controleert de IND of de optant het juiste document heeft overgelegd en of het document aan alle eisen voldoet.
### paragraaf 2.8.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant
Indien de burgemeester concludeert dat de verkrijging van het Nederlanderschap wel bevestigd dient te worden ten aanzien van de optant maar niet ten aanzien van de medeverkrijging van een kind die in de optieverklaring is genoemd, bevestigt hij de verkrijging ten aanzien van de optant en weigert hij medeverkrijging voor het kind (in de bevestiging worden de personalia van dat kind niet opgenomen). Hetzelfde geldt in het geval dat het minderjarige kind in de optieverklaring van zowel zijn vader als zijn moeder is opgenomen en zowel zijn vader als moeder verkrijgen door bevestiging het Nederlanderschap. De medeverkrijging zal separaat schriftelijk door de burgemeester worden geweigerd. De schriftelijke weigering van de burgemeester is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen op de gebruikelijke wijze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
### paragraaf 2.9. Bezwaar
Indien de burgemeester concludeert dat de optieverklaring niet kan leiden tot bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap, omdat niet aan de voorwaarden wordt voldaan, weigert hij deze schriftelijk. Dit is een beschikking in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Zonodig stelt de burgemeester met toepassing van [artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) belanghebbenden in de gelegenheid om een zienswijze kenbaar te maken voordat hij het besluit neemt (bijvoorbeeld als de opgevraagde antecedentgegevens afwijken van de gegevens op de verklaring omtrent verblijfsstatus en/of gedrag). Het besluit vermeldt de gronden van de weigering, en vermeldt dat de optant dan wel –indien van toepassing –zijn wettelijk vertegenwoordiger, binnen zes weken na ontvangst van het besluit bij de burgemeester een bezwaarschrift kan indienen. Een weigering van de bevestiging ten aanzien van de optant houdt tevens een weigering in ten aanzien van de in de verklaring genoemde personen. De beslissing wordt in persoon aan de optant of wettelijk vertegenwoordiger uitgereikt of per aangetekende post naar het laatst bekende adres van de optant, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde verzonden.
### paragraaf 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging
Ad c: van overmacht zal niet vaak sprake zijn. Het gaat in ieder geval om een onmogelijkheid om te beslissen die wordt veroorzaakt door abnormale en onvoorziene omstandigheden die buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen: bij bijvoorbeeld brand, overstromingen of in geval van oorlog.
### paragraaf 2.10. (Hoger) beroep
Als overmacht wordt in ieder geval niet aangemerkt:
### paragraaf 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond
Indien door de burgemeester wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant bekendgemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 2.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.7&z=2017-04-01&g=2017-04-01)).
### paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond
De eis tot afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt alleen voor optieverklaringen die worden afgelegd op of na 1 maart 2009. Vanaf 1 maart 2009 moeten de meeste optanten bij het afleggen van de optieverklaring ook een bereidverklaring tekenen. Deze optanten moeten bij de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Daarom wordt vanaf 1 maart 2009 onderscheid gemaakt tussen de optant die alleen verplicht is te verschijnen op een naturalisatieceremonie en de optant die bovendien een verklaring van verbondenheid moet afleggen. De burgemeester kan ervoor kiezen beide groepen op een aparte naturalisatieceremonie uit te nodigen of kan de groep die daartoe niet verplicht is, vragen de verklaring van verbondenheid vrijwillig af te leggen. De ceremonie-uitvoerende instanties hebben hierin vrijheid om naar eigen behoefte vorm te geven aan de invulling hiervan. Voorop staat wel dat degene die niet een wettelijke plicht heeft de verklaring van verbondenheid af te leggen, daartoe niet gedwongen kan worden.
### paragraaf 2.12.1. De oproeping
De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, blijft verantwoordelijk voor de verdere afhandeling ervan. Ook indien de optant tijdens de procedure zijn hoofdverblijf verlegt naar een andere gemeente of buiten Nederland is uitsluitend hij bevoegd tot de bevestiging/weigering van de verkrijging van het Nederlanderschap. Heeft de optant ná de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant daarvan in kennis stellen. (Zie ook [paragraaf 2.12.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.2&z=2017-04-01&g=2017-04-01))
### paragraaf 2.12. Naturalisatieceremonie
**De oproeping vindt plaats tijdig voor de uitreiking (artikel 60a, tweede lid BVVN).**
### paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
Is een jaar na de dag van ondertekening van de optiebevestiging verstreken zonder dat de optant (op een naturalisatieceremonie) is verschenen en derhalve de bevestiging niet aan hem is bekendgemaakt, dan vervalt de optiebevestiging ([artikel 60a, elfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). De vervaltermijn van één jaar is opgeschort indien sprake is van bezwaar- en beroep tegen het besluit inzake de wijze van bekendmaking van de optiebevestiging en/of de wijze van aflegging van de verklaring van verbondenheid. Om te voorkomen dat het besluit zou vervallen is bepaald dat de termijn van één jaar door het instellen van bezwaar of beroep wordt opgeschort totdat op het bezwaar dan wel het beroep onherroepelijk is beslist. De vervaltermijn van één jaar wordt stopgezet op het moment dat de burgemeester of de rechtbank het bezwaar- dan wel beroepschrift heeft ontvangen en gaat weer lopen op het moment dat de beslissing van de burgemeester of de rechtbank onherroepelijk is geworden en er dus geen rechtsmiddelen meer open staan. De termijn loopt dus na de beslissing in bezwaar of beroep verder en vangt niet opnieuw aan. Onder beroep wordt mede hoger beroep begrepen ([artikel 60a, elfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)).
### paragraaf 2.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
De verklaring van verbondenheid wordt besloten met het uitspreken van de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’. De keuze is aan de optant. De tekst van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan **niet** worden afgeweken.
### 6a-2-c. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Omdat de optiebevestiging zowel de optant als de minderjarigen die met hem het Nederlanderschap verkrijgen betreft, kan de bevestiging niet worden uitgereikt indien één van de opgeroepen personen die de verklaring van verbondenheid moet afleggen niet verschijnt. De uitreiking van de optiebevestiging wordt in dat geval aangehouden11Zie artikel 60a, derde lid, BVVN.. Alle betrokkenen worden opnieuw uitgenodigd voor een volgende naturalisatieceremonie en bij die naturalisatieceremonie kunnen de in de optiebevestiging genoemde personen alsnog de verklaring van verbondenheid afleggen12Zie tevens paragrafen 2.12.1 en 2.12.2 van paragraaf ‘Toelichting ad artikel 6, derde lid, RWN.. Zo nodig wordt de uitnodiging nog eenmaal, dit maal bij aangetekende brief, herhaald (artikel 60a, tiende lid, BVVN). Indien de (hoofd)optant na herhaalde oproepen niet op een naturalisatieceremonie is verschenen (en dus niet de verklaring van verbondenheid heeft afgelegd), vervalt de optiebevestiging een jaar na dagtekening ervan13Zie artikel 60a, elfde lid, BVVN..
### paragraaf 2.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
Het niet uitreiken is geen besluit in de zin van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Bezwaar of beroep staat dan ook niet open. De verklaring van verbondenheid is immers een wettelijke voorwaarde voor de uitreiking van het besluit en om Nederlander te kunnen worden door optie.
### paragraaf 2.12.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
Hetzelfde geldt wanneer een medeoptant van zestien of zeventien jaar, die wettelijk verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, niet op de naturalisatieceremonie is verschenen om daar de verklaring van verbondenheid af te leggen. Ook in dit geval wordt de uitreiking aangehouden14Zie artikel 60a, derde lid, BVVN.. Indien de medeoptant binnen één jaar na ondertekening van de optiebevestiging nog altijd niet op een naturalisatieceremonie is verschenen (en dus niet de verklaring van verbondenheid heeft afgelegd) vervalt de optiebevestiging een jaar na dagtekening ervan15Zie artikel 60a, elfde lid, BVVN.. Dit geldt ook voor alle andere in de optiebevestiging genoemde personen.
### 6-6. Toelichting ad [artikel 6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Uitgangspunt van de regelgeving is dat de optant zoveel mogelijk op een naturalisatieceremonie verschijnt. Dit betekent dat het de burgemeester vrij staat, op verzoek van de betrokkene zelf, in overleg met hem een andere datum te bepalen waarop een ceremonie wordt gehouden en hij toch kan verschijnen. Daarbij is het overigens wel van belang dat de duur van de periode die ligt tussen de bevestiging en de uitreiking daarvan, zo beperkt mogelijk blijft, in ieder geval niet langer dan een jaar.
### paragraaf 2.12.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
Om te bevorderen dat de minister ervan op de hoogte is dat een persoon op grond van een bevestigde optieverklaring het Nederlanderschap heeft verkregen, stuurt de burgemeester die de bevestiging heeft uitgereikt of anderszins heeft bekendgemaakt, aan de minister een bericht van de bekendmaking ([artikel 60a, negende lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). (Zie ook paragraaf 2.6). Met het oog op het correct bijhouden van het nationaliteitenregister ([artikel 12, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12)) zal bij iedere optiebevestiging van op of na 1 oktober 2006 moeten zijn vermeld op welke datum deze optiebevestiging is uitgereikt of anderszins is bekendgemaakt. Immers, het Nederlanderschap zal pas op die datum van uitreiking of bekendmaking zijn ingegaan. Terugmelding kan in dit geval plaatsvinden door middel van het toesturen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van een (gewaarmerkte) kopie van de optiebevestiging, voorzien van een uitreikingsdatum en een gemeente- of dienststempel.
### 6-8. Toelichting ad [artikel 6, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen aan de burgemeester van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van de optiebevestiging worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze, hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending van de optiebevestiging aan de optant.
### paragraaf 2.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
Indien de optant verplicht is om na de totstandkoming van de optie het mogelijke te zullen doen om zijn andere nationaliteit(en) te verliezen, stuurt de autoriteit na uitreiking van de optiebevestiging het optiedossier naar de Minister van Justitie (IND) om de afstandsprocedure uit te voeren.
### paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
Optanten worden door de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) impliciet geacht ingeburgerd te zijn; daarom stelt de wet niet expliciet aan hen een aanvullend inburgeringsvereiste. Wel mag van een optant des te meer worden verwacht dat zijn persoonlijke situatie in overeenstemming is met de Nederlandse openbare orde. Op het moment dat hij het Nederlanderschap verkrijgt, is de Nederlandse rechtssfeer volledig op hem van toepassing. Daarmee komt een einde aan de noodzaak van erkenning van een huwelijk dat naar Nederlands recht niet zou bestaan. Het is in strijd met de openbare orde om met meer dan één persoon door het huwelijk verbonden te zijn. Iemand die met meer dan één persoon door het huwelijk verbonden is, kan derhalve het Nederlanderschap niet verkrijgen. Er is dan sprake van gevaar voor de civielrechtelijke openbare orde.
### paragraaf 1. Algemeen
[Artikel 10:58 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=58) geeft onder meer aan dat een in het buitenland uitgesproken verstoting in Nederland slechts dan als rechtsgeldige ontbinding van het huwelijk wordt aangemerkt, dus: eerst dan naar Nederlands recht kan worden erkend, als de verstoting onherroepelijk is. Bovendien moet de vrouw met de verstoting (uitdrukkelijk of stilzwijgend) hebben ingestemd of zich bij de verstoting hebben neergelegd. Dit kan blijken uit bijvoorbeeld een bewijs van verstotingshandeling (waaruit de instemming van de vrouw kan worden afgeleid), een bewijs van instemming of berusting, een bewijs dat de ex-echtgenote is hertrouwd of een huwelijksakte van de man betreffende een huwelijk gesloten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand in Nederland. Als bewijs dat een polygaam huwelijk niet meer in stand is, kan ook de overlijdensakte van de verstoten vrouw worden overgelegd. Verstotingen van vóór de inwerkingtreding van de [Wet conflictenrecht echtscheiding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003384) worden analoog behandeld.
### 6-9. Toelichting ad [artikel 6, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Bij de behandeling van een optieverklaring kunnen moeilijkheden worden ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren van de BRP van buitenlandse verstotingsakten. Het blijkt namelijk dat bij de inschrijving in de toenmalige gemeentelijke basisadministratie (GBA) van eenzijdige verstotingen van vóór 10 april 1981 (inwerkingtreding van de tot 1 januari 2012 geldende [WCE](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003384)) veelal is nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd dan wel zich daarbij heeft neergelegd. De omstandigheid dat een verstoting van vóór 10 april 1981 in de BRP staat ingeschreven als ontbinding van een huwelijk levert dan ook geen bewijs op dat de verstoting rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren na inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo’n lange tijd nog een bewijs van de berusting van de vrouw te verkrijgen. De burgemeester moet steeds de geldigheid van een eenzijdige verstoting aan de hand van de door het IPR gestelde criteria toetsen. Daartoe worden hier enige richtlijnen gegeven.
### 6-6. Toelichting ad [artikel 6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
De hierboven gegeven criteria zijn uiteraard vatbaar voor rechterlijke toetsing. De hierboven genoemde lijst van omstandigheden, waaruit de instemming of de berusting blijkt, is niet limitatief. Er kunnen andere feitelijke omstandigheden zijn die er mede op wijzen dat de vrouw zich bij de verstoting heeft neergelegd.
### 6a-1. Toelichting ad [artikel 6a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Als vóór het afleggen van de optieverklaring al duidelijk is dat de optant (bijvoorbeeld wegens een openstaande strafzaak of recente sanctie) niet voor optie in aanmerking komt, moet hij er op worden gewezen dat de optie waarschijnlijk zal worden geweigerd en dat hij beter kan wachten met het afleggen van de optieverklaring totdat hij wel voor optie in aanmerking komt. Als hij er desalniettemin op staat de optieverklaring af te leggen, moet de optie wel in behandeling worden genomen. De burgemeester onderzoekt vervolgens de strafrechtelijke gegevens van de optant. Het is raadzaam om de optant een eigen risico verklaring te laten ondertekenen.
### 6-5. Toelichting ad [artikel 6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
**Zij beslist binnen dertien weken na de inontvangstneming van de verklaring; deze termijn kan éénmaal met ten hoogste dertien weken worden verlengd.**
### paragraaf 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10 en 11, vierde lid, RWN)
De beslistermijn van een optieverklaring eindigt in het geval van een positieve beslissing op het moment dat de optant de bekendmaking in ontvangst heeft genomen (in beginsel) op een naturalisatieceremonie.
### 6-5. Toelichting ad [artikel 6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Ad b: de wet schrijft een schriftelijke instemming voor. In het dossier moet dus een stuk voorkomen waaruit blijkt dat de optant schriftelijk heeft ingestemd met uitstel van de beslistermijn.
### 6a-2-a. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Ad d: van overmacht zal niet vaak sprake zijn. Het gaat in ieder geval om een onmogelijkheid om te beslissen die wordt veroorzaakt door abnormale en onvoorziene omstandigheden die buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen: bij bijvoorbeeld brand, overstromingen of in geval van oorlog.
### 6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
Ad b: de wet schrijft een schriftelijke instemming voor. In het dossier moet dus een stuk voorkomen waaruit blijkt dat de optant schriftelijk heeft ingestemd met uitstel van de beslistermijn.
### paragraaf 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10 en 11, vierde lid, RWN)
“De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door een vreemdeling brengt geen wijziging in diens geslachtsnaam en voornamen, behoudens [artikel 25, onder b, van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=25) en de [artikelen 6 lid 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [12 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12).”
### 6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
Dus, bij verkrijging van het Nederlanderschap door optie is in principe geen sprake van wijziging van de namen, tenzij:
### 6a-2-a. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Vaststelling van de naam of de spelling daarvan vindt uitsluitend in twee gevallen plaats:
### 6a-4. Toelichting ad [artikel 6a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Is bij de optie een akte van naamskeuze opgemaakt (vergelijk de toelichting bij [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), onder ‘Naamskeuze voor/door de optant’) en behoeft de bij de optie gekozen naam nog aanpassing (vaststelling spelling en/of overbrenging in de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens), dan moet dat in een verzoek om naamsvaststelling en in de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap tot uitdrukking worden gebracht.
### 6a-5. Toelichting ad [artikel 6a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Dus:
### 6-8. Toelichting ad [artikel 6, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Wet BRP: [artikel 2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15) en [3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=3.6)
### Artikel 7
Let op! De verwijzing naar [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) in de hierboven opgenomen wettekst is niet juist. Hier wordt het derde lid bedoeld. In de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) is dit onjuist geredigeerd.
### Paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase
**Gronden om geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit te vragen of te hoeven doen.**
### 7-alg. Toelichting algemeen
Momenteel zijn naast Nederland geen andere landen aangesloten bij het Tweede Protocol. Dit betekent dat momenteel geen vreemdeling onder de bepaling valt.
### 6a-2-a. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Personen die afstand moeten doen en die na de optiebevestiging huwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) met een Nederlander aangaan, kunnen niet met succes een beroep doen op deze uitzondering. Huwen ze vóór de optiebevestiging (maar na het afleggen van de optieverklaring), dan kan alsnog met succes een beroep op deze uitzondering worden voldaan.
### 6a-4. Toelichting ad [artikel 6a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
**Het eerste lid is niet van toepassing op de optant die in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba erkend is als vluchteling.**
### 6a-3. Toelichting ad [artikel 6a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
De optiebevestiging van een optieverklaring geschiedt door de bevoegde autoriteit.
### Artikel 7
Als Onze Minister aan de autoriteit adviseert het beroep op het redelijkerwijs niet kunnen verlangen om afstand te doen, af te wijzen, dan moet de optant in de gelegenheid worden gesteld om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen in die zin dat hij bereid is om afstand te doen (zie [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [paragraaf 2.2.4.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.4¶graaf=2.2.4.3¶graaf=2.2.4.3.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)). Als de optant niet bereid is de bereidheidsverklaring te ondertekenen, dan kan de optieverklaring niet worden bevestigd. Ondertekent de optant wel de bereidheidsverklaring, dan kan de optie, als de optant ook voldoet aan de overige voorwaarden, bevestigd worden. Bij het verzoek aan de optant om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen kan het advies van Onze Minister worden meegestuurd.
### Artikel 7
De autoriteit besluit niet eerder dan na de ontvangst van het advies van Onze Minister schriftelijk op de verkrijging van het Nederlanderschap. Het advies is niet bindend, omdat een advies namelijk nooit bindend is; want dat is de aard van een advies namelijk niet. Als de autoriteit afwijkt van het advies van Onze Minister, dan moet de autoriteit wel gemotiveerd in de optiebevestiging of optieweigering aangeven waarom hij afwijkt van het advies van Onze Minister ([artikel 3:50 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:50)). Als de autoriteit het advies van Onze Minister overneemt in haar besluit, dan kan zij ter motivering van dit besluit volstaan met een verwijzing naar het advies ([artikel 3:49 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:49)). Het advies moet dan worden meegezonden aan de optant.
### 6a-6. Toelichting ad [artikel 6a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Let op! In het wetsartikel wordt nu verwezen naar de beslistermijn als bedoeld in [artikel 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Hier wordt echter het vijfde lid bedoeld. In de wet is dit onjuist geredigeerd.
### Artikel 7
[Artikel VII RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. [Artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vereist dat minderjarige kinderen sinds het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede -indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt -dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen moesten daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) wordt beslist, voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hadden ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.
### paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker
Voor wat betreft de **voorwaarden**voor verlening van het Nederlanderschap, zie de toelichting bij artikel 8 RWN, artikel 9, eerste lid, RWN en artikel 11, RWN.
### Paragraaf 3.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
In voorkomende gevallen kan de burgemeester verlangen dat de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder hem ontvangt om in persoon de voor de besluitvorming benodigde gegevens in ontvangst te nemen.
### paragraaf 3.2.5. Gemachtigde
In voorkomende gevallen kan de burgemeester verlangen dat de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder hem ontvangt om in persoon de voor de besluitvorming benodigde gegevens in ontvangst te nemen.
### paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek
Op grond van [artikel 31, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) verstrekt de verzoeker bij de indiening van het verzoek, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn:
### paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek
Uit het afschrift uit de BRP blijkt onder andere of er sprake is van een huwelijk, een in Nederland geregistreerd partnerschap of een buiten Nederland erkend geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1).
### Paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring
In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn om nadere gegevens en bewijsstukken te vragen (vergelijk ook [artikel 31, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)). Te denken valt bijvoorbeeld aan:
### paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen
**Schema wel/niet verplicht bereidverklaring en verklaring van verbondenheid**
### paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen
Iedere verzoeker om (mede)naturalisatie van 16 jaar of ouder moet door middel van de verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en, als er ook een verzoek om medeverlening voor een kind van onder de 16 jaar wordt ingediend, ook over dit kind de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 31, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)), of hij al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie en of hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Als de verzoeker in deze verklaring aangeeft wel in aanraking te zijn geweest met politie en/of Justitie of dat hij met meer dan één vrouw is getrouwd, dan informeert de burgemeester de verzoeker, voordat hij de verklaring ondertekent, over de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij naturalisatie en wijst hij de verzoeker erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie. De 16 of 17-jarige voor wie medeverlening wordt verzocht, ondertekent zelf het model 2.3. waarin zijn/haar gegevens zijn ingevuld. In dat model is ruimte voor bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar mening van de ondertekenaar of ten aanzien van hem niet mag worden geconcludeerd dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=6&z=2017-04-01&g=2017-04-01) (paragraaf 6.1).
### Paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring
Het verzoek om naturalisatie moet zoveel mogelijk worden ondersteund door (bewijs)stukken. De burgemeester kan van de verzoeker verlangen dat hij gegevens bewijst door middel van documenten ([artikel 31, vijfde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)).
### Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten
De reden waarom van asielgerechtigden niet mag worden vereist een geldig paspoort te tonen is dat deze personen niet naar de overheid van hun land van herkomst mogen worden verwezen voor het overleggen van buitenlandse bewijsstukken. (Als de verzoeker toch in het bezit is van een geldig buitenlands paspoort dan is er geen bezwaar dit aan het naturalisatiedossier toe te voegen.)
### paragraaf 3.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)
Ook indien de verzoeker in het bezit is gesteld van een Nederlands reisdocument voor vreemdelingen (Vreemdelingenpaspoort), dan moet deze in principe met een geldig buitenlands reisdocument(paspoort) zijn nationaliteit aantonen (vgl. [artikel 31, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)). Een door de Nederlandse overheid verstrekt vreemdelingenpaspoort kan namelijk niet gelden als bewijs van het bezit van een vreemde nationaliteit.
### Paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens
Als de verzoeker met nationaliteit ‘onbekend’ in de BRP is opgenomen, in overeenstemming met artikel 2.15 Wet BRP of de voorganger daarvan, [artikel 43 Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=43), moet hij in beginsel een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overleggen (paragraaf 3.5.1).
### paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
Het kind dat zelfstandig een naturalisatieverzoek doet maar meerderjarig is, valt niet onder de vrijstelling (art. 11-5).
### paragraaf 3.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)
Het belang van de buitenlandse geboorteakte in de naturalisatieprocedure is onder meer dat aan de hand daarvan de namen van de verzoeker om naturalisatie blijken naar diens eigen recht, en dat daarmee kan worden bepaald of betrokkene (al) een geslachtsnaam heeft of niet. Als de verzoeker geen geslachtsnaam of voornaam heeft, of als de juiste spelling daarvan niet vaststaat, zullen deze in overleg met hem worden vastgesteld bij het besluit waarbij het Nederlanderschap wordt verleend ([art. 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)). Niet in alle landen worden geboorten met een ’akte van de burgerlijke stand’ geregistreerd. Afhankelijk van het stelsel in het land waar het over gaat, wordt dan een alternatief bewijsstuk van de geboorte gevraagd zoals een geboortebewijs uit een ziekenhuis of een inschrijving in een familieboekje.
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
Verzoeker heeft zich gewend tot de ambassade van het land waarvan hij onderdaan is. Hij heeft daar verzocht in het bezit te worden gesteld van een paspoort teneinde zijn identiteit aan te tonen bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie. Door de ambassade is verzoeker vervolgens niet in het bezit gesteld van het gevraagde paspoort. Hij heeft wel een brief ontvangen waarin is opgenomen dat hij door de ambassade niet in het bezit kan worden gesteld van het gevraagde paspoort, aangezien paspoorten en identiteitsbewijzen enkel door de bevoegde instanties in het land van herkomst kunnen worden afgegeven. Naar aanleiding van deze brief heeft verzoeker geen actie ondernomen, maar legt hij de brief bij de IND over als zijnde een bewijsstuk van bewijsnood. In dit geval is géén sprake van bewijsnood.
### Paragraaf 1. Algemeen
De verzoeker, niet zijnde houder van een verblijfsvergunning asiel, die zich erop beroept dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is (of waar hij geboren is), niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument en/of geboorteakte, toont dat op volgende wijze aan. De verzoeker legt een schriftelijke verklaring over van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is (of waar hij geboren is), waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de verzoeker niet in het bezit wordt gesteld van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) en/of geboorteakte.
### paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
In dit geval kan bewijsnood worden verleend omdat er verklaringen zijn van de Vietnamese overheid en er ook geen twijfel is over de identiteit van betrokkene.
### paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek
De verzoeker die vanwege het ontbreken van centraal gezag of door Nederland erkend centraal gezag in de verblijfsrechtelijke procedure is vrijgesteld van het ‘paspoortvereiste’ en die in het bezit is van een regulier verblijfsdocument, moet eveneens zijn identiteit en nationaliteit aantonen. Hiertoe overlegt de verzoeker documenten waarover hij wel de beschikking heeft, bijvoorbeeld een (oud) paspoort, identiteitsbewijs, geboortebewijs en/of huwelijksakte. Conform de ‘Circulaire legalisatie en verificatie buitenlandse bewijsstukken, alsmede toepassing DNA-onderzoek in gevallen waarin bewijsstukken ontbreken’, kan niet om legalisatie en verificatie van deze documenten worden verzocht. Voor de vraag of sprake is van een land zonder (erkend) centraal gezag kan de burgemeester contact opnemen met de ketenpartnerlijn van de IND.
### paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling
Deze personen zijn vreemdelingen die weliswaar hun hoofdverblijf hebben in een gemeente maar die vanwege hun bijzondere status niet als ingezetene staan ingeschreven in de BRP. Dit gaat in het bijzonder om personen die deel uitmaken van diplomatieke zendingen of consulaire posten of die behoren tot het administratieve of technische personeel van die posten, en hun gezinsleden. Ook voor militairen van buitenlandse bases geldt dat zij niet als ingezetene worden ingeschreven in de BRP van hun hoofdverblijf. Daarnaast kunnen er nog andere, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, categorieën vreemdelingen zijn, die op dezelfde wijze worden behandeld. Deze vreemdelingen dienen hun verzoek om naturalisatie in bij de burgemeester van de gemeente van hun hoofdverblijf. Er zij overigens op gewezen dat in het algemeen bezwaar bestaat tegen het verblijf voor onbepaalde tijd van de hier bedoelde vreemdelingen (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN).
### paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase
Verzoeken van andere personen dan hierboven genoemd worden niet door de burgemeester in ontvangst genomen ([artikel 33, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33)). Zo mogelijk deelt de burgemeester aan de verzoeker mee bij welke andere gemeente of Nederlandse diplomatieke en consulaire post in het buitenland het verzoek **in persoon** kan worden ingediend.
### Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
De burgemeester controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het, door de burgemeester, is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
### paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
Voorafgaand aan de administratieve behandeling van het verzoek om naturalisatie beoordeelt de burgemeester of en zo ja, welk bedrag de verzoeker dient te betalen overeenkomstig het [BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782). Indien de verzoeker naturalisatiegelden is verschuldigd, wordt hem dit meegedeeld en wordt hem de gelegenheid gegeven de betaling te verrichten ([artikel 34, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34)). Zie verder de toelichting bij artikel 13, eerste lid, RWN.
### paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets
De burgemeester beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld ([artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3)) of ontheven ([artikel 4 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4)) van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Is dat niet het geval, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een Certificaat Naturalisatietoets, bedoeld in [artikel 5 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) te overleggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar paragraaf 2.3 en voor ontheffing [paragraaf 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
### paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling
De burgemeester beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld ([artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3)) of ontheven ([artikel 4 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4)) van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Is dat niet het geval, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een Certificaat Naturalisatietoets, bedoeld in [artikel 5 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) te overleggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar paragraaf 2.3 en voor ontheffing [paragraaf 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.3&z=2016-07-01&g=2016-07-01).
### Paragraaf 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (vva-bep)
Alsdan toetst de burgemeester de door de verzoeker verstrekte persoonsgegevens aan de gegevens die zijn opgenomen in de BRP ([artikel 35, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=35)). Heeft het verzoek mede betrekking op personen die staan ingeschreven met een adres in een andere gemeente of kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, dan verzoekt hij de burgemeester van de betreffende gemeente om binnen vier weken (of in voorkomend geval de gezaghebber van het openbare lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao of Sint Maarten om binnen tien weken) de door verzoeker verstrekte persoonsgegevens te controleren (artikel 35, tweede lid, BVVN). De persoonsgegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie hierboven [paragraaf 3.6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.6¶graaf=3.6.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie. De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te controleren (artikel 35, vierde lid, BVVN). Ten aanzien van de zogenaamde passanten verzoekt de burgemeester, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de persoonsgegevens zo mogelijk binnen tien weken te controleren (artikel 35, derde lid, BVVN). Zie het hoofdstuk Voorlichting in de desbetreffende Handleiding voor adressering aan de betreffende autoriteiten. Voor zover mogelijk onderzoekt de burgemeester de juistheid van de persoonsgegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden gecontroleerd (artikel 35, vijfde lid, BVVN).
### paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
De burgemeester sluit het onderzoek af met het uitbrengen van een schriftelijk advies aan de IND over het verzoek om naturalisatie en over de eventuele naamsvaststelling c.q. naamswijziging ([artikel 36, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36). Zie [model 2.22 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01)).
### paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase
N.B. Indien de persoon in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel wordt geen uitwisselingsformulier opgemaakt.
### paragraaf 3.11. Bezwaar
Een informatieve brief, waarin het beleid nader wordt toegelicht, is géén besluit in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Een bezwaarschrift gericht tegen een informatieve brief wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan een bezwaarschrift gericht tegen de bijlage bij de bekendmaking van het naturalisatiebesluit, waarin de naturalisandus wordt gewezen op de afstandsplicht.
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
De beslistermijn wordt opgeschort om redenen die toe te rekenen zijn aan de verzoeker. Dat de beslistermijn op deze grond is opgeschort, kan ook achteraf worden geconstateerd. Als voorbeelden kunnen worden gegeven:
### 8-1-a. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
De mogelijkheid tot schriftelijke verdaging zonder nadere motivering in de bezwaarfase bestond al. Deze verdagingstermijn is per 1 oktober 2009 zes weken (was vier weken).
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Een vreemdeling die een optieverklaring aflegt verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), als cumulatief:
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
### paragraaf 2.2. Afleggen van de optieverklaring
### 6-1-o. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met een Nederlandse nationaliteit
### paragraaf 2. Procedure
### Paragraaf 1.5. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie
Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of (groot)ouders in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als moeder of vader (of grootouders) van de optant langer dan twee jaar geleden zijn overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).
### paragraaf 2.2.1.3. Kinderen van de optant
### 6-1-k. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 1.1. Verkrijging Nederlanderschap door adoptie onder de WNI
### Paragraaf 1.1. Verkrijging Nederlanderschap door adoptie onder de WNI
Altijd moet worden onderzocht dat de adoptiefmoeder niet voorafgaand aan de onherroepelijke adoptieuitspraak de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van artikel 5 (oud) WNI 1892 (vóór 1 maart 1964) of artikel 8a WNI 1892 (ná 1 maart 1964) of artikel 7 WNI 1892. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar [paragrafen 1.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=1¶graaf=1.2¶graaf=1.2.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [2.2 bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2&z=2017-04-01&g=2017-04-01). Aannemelijk moet zijn dat de van oorsprong Nederlandse adoptiefmoeder de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen en daardoor het Nederlanderschap heeft verloren. Een verklaring van de autoriteiten van het land van de nationaliteit van haar echtgenoot kan hierbij behulpzaam zijn. Soms zal voldoende zijn om het onderzoek te beperken tot het vreemde nationaliteitsrecht van de huwelijksperiode.
De optieautoriteit neemt contact op met de IND om het Nationaliteitenregister te raadplegen als een persoon is geboren op of na 1 januari 1964 om na te gaan of de optant niet eerder heeft geopteerd ex artikel 27, tweede lid (oud) RWN. Als namelijk het Nederlanderschap na deze optie is verloren, kan geen gebruik worden gemaakt van de optiemogelijkheid in onderdeel i of j en kan alleen geopteerd worden op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) (artikel 6, negende lid RWN).
### 6-2. Toelichting ad artikel 6, tweede lid
### Paragraaf 1.1. Afstamming door geboorte
### 6-1-l. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### paragraaf 2.2.1.1. Meerderjarige optant
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
Vast moet komen te staan dat de optant een (juridisch) kind is van de persoon bedoeld in onderdeel i of j. Onderdeel m gaat uit van afstamming door postnatale erkenning van een minderjarige. Deze persoon (man) heeft het kind erkend op een moment dat dat kind zeven jaar of ouder was, maar minderjarig was.
### Paragraaf 1.1. Afstamming door erkenning als minderjarige van zeven jaar of ouder
### paragraaf 2.2.4.2. Waarheidsverklaring
### 6-1-n. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 1.1. Afstamming door gerechtelijke vaststelling ouderschap
### 6-1-o. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
### 6-2. Toelichting ad artikel 6, tweede lid
**Uitzonderingen** (zie [paragraaf 2.12.4.2 uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.4¶graaf=2.12.4.2&z=2017-04-01&g=2017-04-01))
### paragraaf 1. Algemeen
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). De burgemeester die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. In dit kader wordt de optant verzocht een geldig buitenlands reisdocument32In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan. Zie bij [paragraaf 2.2.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.1&z=2016-04-01&g=2016-04-01) te overleggen. Daarnaast kan de optant worden verzocht andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte te tonen (zie hierna onder [paragrafen 2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.3&z=2016-04-01&g=2016-04-01) en [2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5&z=2016-04-01&g=2016-04-01) bij onderhavig artikellid).
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). De burgemeester die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. In dit kader wordt de optant verzocht een geldig buitenlands reisdocument32In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan. Zie bij [paragraaf 2.2.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) te overleggen. Daarnaast kan de optant worden verzocht andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte te tonen (zie hierna onder [paragrafen 2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5&z=2017-04-01&g=2017-04-01) bij onderhavig artikellid).
De minderjarige kinderen van de optant, waarvan het de bedoeling is dat zij delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door hun ouder, en die twaalf jaar of ouder zijn, worden mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de medeverkrijging (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
### paragraaf 2.2.2. Uitsluitend schriftelijk optieverklaring afleggen
Op grond van [artikel 6, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6) moet de optant bij het afleggen van de optieverklaring betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens te verstrekken met betrekking tot:
### paragraaf 2.5. Bevestiging
De duur van het hoofdverblijf zal over het algemeen uit de (historische adresgegevens in de) BRP afgeleid kunnen worden. Als dit niet mogelijk is, wordt van de optant (aanvullend) ander bewijs verlangd. Met betrekking tot in de optieverklaring genoemde minderjarige kinderen is het van belang dat uit de BRP blijkt of anderszins wordt aangetoond wat de geslachtsnaam, voornamen, plaats en datum van geboorte van de ouders van de minderjarige kinderen zijn en wie het gezag over de kinderen uitoefent. Voorts zal over het algemeen uit de BRP (moeten) blijken dat de in de optieverklaring genoemde kinderen hoofdverblijf in Nederland hebben.
Behoudens in het geval dat toelating van de optant geen voorwaarde is voor de bevestiging (zie hierboven), moet de optant zijn verblijfsrechtelijke status (onderdeel f) aantonen door het overleggen van een verblijfsdocument waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken. Toelating voor onbepaalde tijd, zoals vereist bij de optie op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), kan ook worden aangetoond door het overleggen van een verblijfsdocument waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken (zie de toelichting bij artikel 1, aanhef en onder g, RWN voor uitleg van de begrippen ‘toelating’ en ‘toelating voor onbepaalde duur’).
### paragraaf 2.2.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)
### paragraaf 2.2.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
### paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring
De vreemdeling met een verblijfsvergunning regulier die is vrijgesteld van het paspoortvereiste, kan, als hij verkrijging van het Nederlanderschap door optie beoogt, ruimschoots voorafgaand aan het starten van de optieprocedure zorg dragen voor verkrijging van de daarvoor noodzakelijke bewijsstukken; waarmee een geldig nationaal paspoort en een (zo nodig: gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte zijn bedoeld.
Ook indien de verzoeker in het bezit is gesteld van een Nederlands reisdocument voor vreemdelingen (Vreemdelingenpaspoort), dan moet deze in principe met een geldig buitenlands reisdocument(paspoort) zijn nationaliteit aantonen (vgl. [artikel 31, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)). Een door de Nederlandse overheid verstrekt vreemdelingenpaspoort kan namelijk niet gelden als bewijs van het bezit van een vreemde nationaliteit.
Voor wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten over moet leggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij paragraaf [2.2.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.4&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en paragraaf [2.2.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.5&z=2017-04-01&g=2017-04-01)):
### Paragraaf 2.4.2.2. Verblijfsrechtelijke status optant
Het komt voor dat optanten stellen niet van de eigen autoriteiten een geldig paspoort te krijgen omdat zij in het herkomstland de militaire dienstplicht (nog) moeten vervullen. Omdat een betrokkene in verzuim is met het tijdig vervullen van de dienstplicht geven de desbetreffende autoriteiten geen (nieuw) paspoort meer af, ondanks het feit dat betrokkene (nog) wel de nationaliteit van dat land heeft. Dat een vreemdeling door zijn autoriteiten wordt opgeroepen om dienstplicht te vervullen, is een aanwijzing dat hij in het bezit is van de door hem gestelde vreemde nationaliteit. De eis om een geldig buitenlands paspoort te overleggen, vervalt daarom als betrokkene een schriftelijke oproep voor de militaire dienstplicht overlegt, die op de dag van het afleggen van de optieverklaring niet ouder is dan een jaar.
### Paragraaf 2.2.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
### Paragraaf 2.2.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
### Paragraaf 2.2.5.6. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten
### paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling
Er kunnen echter omstandigheden zijn dat ondanks één van bovenstaande omstandigheden zich heeft voorgedaan, toch sprake is van bewijsnood.
### paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring
### paragraaf 2.8.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant
### paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie [paragraaf 2.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.3¶graaf=2.3.1&z=2016-07-01&g=2016-07-01)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te toetsen ([artikel 9, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
### paragraaf 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)
### paragraaf 2.4.2.4. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie
Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat aan de optievoorwaarden is voldaan, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen. Indien de minderjarige kinderen in de optieverklaringen van beide ouders zijn opgenomen en de verkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van beide ouders wordt bevestigd, worden de personalia van de minderjarige kinderen die in de verkrijging delen in de bevestiging van zowel de vader als de moeder opgenomen. De burgemeester bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert ([artikel 11, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=11)). De bevestiging wordt als regel aan de optant uitgereikt tijdens een ceremonie, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Onder uitzonderlijke omstandigheden wordt de bevestiging tijdens een ceremonie uitgereikt aan een gemachtigde van de optant dan wel – indien uitzonderlijke omstandigheden daartoe noodzaken en geen gemachtigde kan worden aangewezen door betrokkene – per post aan de optant verzonden. (Zie voor de uitreiking van de bevestiging en de uitzonderingen daarop [paragraaf 2.12.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) Indien sprake is van een (gedeeltelijke) weigering dan wordt de bevestiging uitgereikt en de gedeeltelijke weigering per aangetekende post verzonden.
### paragraaf 2.9. Bezwaar
### paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### paragraaf 2.7. Archivering
### paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
Als overmacht wordt in ieder geval niet aangemerkt:
### paragraaf 2.12.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
### paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
### paragraaf 2.10. (Hoger) beroep
### paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek
### paragraaf 2.12.1. De oproeping
### paragraaf 2.12.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
De burgemeester houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de burgemeester aan op het afschrift van de optiebevestiging dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden (zie tevens [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.4&z=2017-04-01&g=2017-04-01)**Procedurele aspecten na de terugmelding**). Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009.
### paragraaf 3.8. Voorbereiding advies
Indien de minderjarige medeoptant van zestien of zeventien jaar, die wettelijk verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen weigert om de verklaring van verbondenheid af te leggen, dan wordt de uitreiking voor alle in het besluit genoemde personen aangehouden16Zie artikel 60a, derde lid, BVVN en artikel 60a, tiende lid, BVVN.. Na herhaalde oproepen wordt de optiebevestiging vervolgens aan deze omstandigheid aangepast en zo gewijzigd dat de betreffende medeoptant niet meer in het bevestigingsbesluit wordt genoemd. Tijdens de eerstvolgende ceremonie wordt de aangepaste optiebevestiging uitgereikt aan de hoofdoptant en eventuele andere medeoptanten. De wijziging van het bevestigingsbesluit moet plaatsvinden vóór de vervaldatum van een jaar na ondertekening van de optiebevestiging (zie toelichting bij [artikel 60a, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a), stb. 2006, 250).
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid persoonlijk wordt afgelegd tijdens een naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd18Zie tevens artikel 23, tweede lid, RWN.. Van de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt alleen vrijstelling gegeven indien het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Het mondeling of schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid kan niet worden overgelaten aan een gemachtigde gezien het persoonlijke karakter van de verklaring.
### 6-4. Toelichting ad [artikel 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
**Zij weigert de bevestiging indien op grond van het gedrag van de persoon, die de verklaring betreft, ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, tenzij volkenrechtelijke verplichtingen zich daartegen verzetten.**
### 6-9. Toelichting ad [artikel 6, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
De Nederlandse openbare orde verzet zich tegen het polygaam getrouwd zijn van Nederlanders. Het rechtsbeginsel van monogamie komt onder andere tot uiting in [artikel 1:33 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=33). Dit artikel bepaalt dat een persoon slechts met één andere persoon door het huwelijk verbonden kan zijn. Het beginsel van monogamie komt ook tot uitdrukking in [artikel 10:29 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=29). Dit artikel verbiedt het voltrekken van een polygaam huwelijk in Nederland voor zowel Nederlanders als vreemdelingen. De Nederlandse openbare orde verzet zich daarmee tevens tegen het bestaan van een polygaam huwelijk van een vreemdeling op het moment waarop deze het Nederlanderschap zou verkrijgen.
### Artikel 6a
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie [toelichting op artikel 6, tweede lid RWN, paragraaf 2.2.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.5&z=2017-04-01&g=2017-04-01)).
**Indien een persoon op wie de verklaring betrekking heeft, geen geslachtsnaam of voornaam heeft of indien de juiste spelling daarvan niet vaststaat, wordt deze in overleg met hem vastgesteld en in de bevestiging vermeld; zijn naam wordt daarin zonodig in de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens overgebracht.**
### paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek
### paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen
### 6-9. Toelichting ad [artikel 6, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Verdragen: artikel 1 Overeenkomst van Rome inzake de wettiging door huwelijk;
### 6a-2-b. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
**Gronden om geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit te vragen of te hoeven doen.**
### 6a-2-c. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### paragraaf 1. Algemeen
### 6a-2-b. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-5. Toelichting ad [artikel 6a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
De optant die met succes een beroep wil doen op deze uitzonderingsgrond zal bij het optieverzoek dienen aan te tonen dat hij in het bezit is van een verblijfsvergunning IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd) of verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd). De reden voor deze uitzondering op de afstandsplicht is dat het onverantwoord is voor een erkende vluchteling contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden is deze categorie optanten vrijgesteld van het legalisatie-vereiste, indien optant bezwaar maakt tegen dat vereiste. De optant behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.
### 6a-2-d. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-4. Toelichting ad [artikel 6a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### paragraaf 3.2.5. Gemachtigde
### 6a-5. Toelichting ad [artikel 6a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BVVN
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
Voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie verstrekt de burgemeester informatie aan de verzoeker. Daartoe kan gebruik worden gemaakt van IND-brochures (zie hoofdstuk Voorlichting).
De burgemeester voegt bij het advies aan de IND (een) afschrift(en) uit de gemeentelijke voorziening van de BRP, waaruit -voor zoveel mogelijk -de hier bedoelde gegevens blijken. Ook van de kinderen en kindskinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, worden afschriften bijgevoegd waaruit -voor zoveel mogelijk -blijkt van de gegevens bedoeld bij a t/m e en g (wat betreft de duur van hoofdverblijf), alsmede van de geslachtsnaam, voornamen, plaats en datum van geboorte van de ouders en wie gezag over de kinderen uitoefent. Zie voor een nadere toelichting van het begrip ‘hoofdverblijf’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN en [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8).
### paragraaf 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)
### paragraaf 3.2.5. Gemachtigde
### paragraaf 3.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
### Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten
### paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)
### Paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring
### paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand
Naast het zo goed mogelijk toepassen van de nationaliteitsbepalingen vloeit uit [art. 3:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:2) voort dat het naturalisatiebesluit zo zorgvuldig mogelijk is voorbereid en genomen. Er bestaat bovendien een rechtsbelang bij het zoveel mogelijk zorgen dat naturalisatie tot Nederlander plaatsvindt op juiste persoonsgegevens en juiste nationaliteit. Mocht binnen twaalf jaar na de naturalisatie blijken dat sprake is geweest van valse verklaringen, bedrog of het verzwijgen van enig voor de verkrijging van het Nederlanderschap relevant feit dan dient te worden onderzocht of de verkrijging van het Nederlanderschap moet worden ingetrokken.
### Paragraaf 3.5.1. Buitenlands reisdocument/aantonen bezit vreemde nationaliteit
### Paragraaf 3.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
### Paragraaf 3.5.6. Bewijsnood gelegaliseerde buitenlandse documenten
Indien de minderjarige wel in het bezit is van een geldig buitenlands paspoort dan is er geen bezwaar om dit aan het naturalisatiedossier toe te voegen.
Als de overgelegde buitenlandse akten van de burgerlijke stand ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie kunnen worden geaccepteerd als brondocument voor gegevens over ingezetenen in de BRP, worden deze documenten ook aanvaard voor de verlening van het Nederlanderschap. Immers, in den regel vindt de verlening van het Nederlanderschap plaats op basis van de inschrijving als ingezetene in de BRP. Wordt echter bij de gemeente een document overgelegd waaruit blijkt dat de BRP moet worden gewijzigd, dan wordt hiervoor zo mogelijk, zorg gedragen alvorens advies aan de IND wordt uitgebracht.
### paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek
Als er geen verklaring is van de buitenlandse autoriteiten waarom de verzoeker niet in het bezit wordt gesteld van een geldig buitenlands reisdocument en/of geboorteakte, toont hij met andere, objectieve en verifieerbare bewijsstukken aan wat hij heeft gedaan om in het bezit te komen van deze documenten. Deze bewijsstukken worden in het naturalisatiedossier gevoegd. De IND beslist vervolgens of voldoende is aangetoond dat de verzoeker niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van het gevraagde document. De bewijsstukken mogen bij de indiening van het verzoek om naturalisatie in principe niet ouder zijn dan zes maanden.
Verzoeker heeft zich gewend tot de ambassade van het land waarvan hij onderdaan is. Hij heeft daar verzocht in het bezit te worden gesteld van een geboorteakte teneinde zijn identiteit aan te tonen bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie. Van de ambassade heeft betrokkene een brief ontvangen waarin is opgenomen dat hij door de ambassade niet in het bezit kan worden gesteld van de geboorteakte, aangezien deze enkel door de bevoegde instanties in het land van herkomst kunnen worden afgegeven, met een verwijzing naar de afgevende instantie. Naar aanleiding van deze brief heeft verzoeker geen actie ondernomen, maar legt hij de brief bij de IND over als zijnde een bewijsstuk van bewijsnood. In dit geval is géén sprake van bewijsnood omdat de geboorteakte in beginsel kan worden geleverd, de buitenlandse overheid functioneert voor de afgifte ervan. Daarnaast heeft betrokkene zich niet tot de juiste instantie gericht.
### Paragraaf 3.5.6. Bewijsnood gelegaliseerde buitenlandse documenten
In principe wordt geen bewijsnood aangenomen indien gebleken is dat sprake is van één van de onderstaande omstandigheden:
### Paragraaf 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht
Dit zijn personen die nergens ter wereld hun hoofdverblijf hebben omdat zij per voer- of vaartuig steeds van verblijfplaats veranderen. Omdat deze personen geen hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben in de zin van [artikel 8, eerste lid, aanhef en sub c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), gaat het hier uitsluitend overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, tweede lid, RWN om de volgende personen:
### paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek
Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt de burgemeester een negatief advies uit en wijst de Minister het verzoek om naturalisatie af (zie tevens [paragraaf 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.9&z=2017-04-01&g=2017-04-01)).’
### paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets
### paragraaf 3.8. Voorbereiding advies
De administratieve behandeling van het verzoek om naturalisatie vangt aan nadat:
### paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase
### paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking
### paragraaf 3.11. Bezwaar
Wordt een bezwaarschrift gegrond verklaard, dan zijn de volgende situaties te onderscheiden:
### paragraaf 3.13.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Bijlage 3
Een voorbeeld van het naleven van een wettelijk voorschrift in de naturalisatieprocedure (alleen in de bezwaarfase) is het afwachten van een naturalisatieceremonie.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### 4. Afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN)
### Paragraaf 1.4. Voorbeelden: welke situaties vallen onder de optiemogelijkheid
### Paragraaf 1.6. Vereiste documenten
### 6-1-k. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
### 1. Algemeen
### Paragraaf 1
### Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
### paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing
Naar analogie van [artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6) dient de minderjarige optant vanaf zestien jaar in persoon te verschijnen om een verklaring van instemming met de verkrijging van het Nederlanderschap af te leggen. Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn nadere gegevens en bewijsstukken te vragen (vergelijk ook [artikel 6, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Te denken valt bijvoorbeeld aan:
### Paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester
### Paragraaf 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument/aantonen bezit vreemde nationaliteit
Als de nationaliteit van de optant met een regulier verblijfsrecht in de BRP is opgenomen met toepassing van [artikel 2.15 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15), moet de optant bij het afleggen van de optieverklaring in beginsel een geldig buitenlands reisdocument van het land van de betreffende nationaliteit overleggen.
### Paragraaf 2.2.5.3. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
### Paragraaf 2.2.5.6. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten
### Paragraaf 2.2.5.4. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
### paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
### paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing
Indien een aspirant-optant, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die verklaring (model 1.36) niet heeft ingevuld en ondertekend of indien een aspirant-optant heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en betrokkene desondanks toch in zijn optie persisteert, weigert de burgemeester de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen (zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.8&z=2017-04-01&g=2017-04-01)**Weigering bevestiging**).’.
Voor zover mogelijk onderzoekt de burgemeester de juistheid van de gegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden getoetst ([artikel 9, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)).
### paragraaf 2.8.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant
### Paragraaf 2.6.1. Administratieve handeling na de afstandsprocedure (zie [artikel 30c BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30c))
### paragraaf 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging
### paragraaf 2.9.1. De burgemeester beslist
### paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond
Ad d: de mogelijkheid tot schriftelijke verdaging zonder nadere motivering in de bezwaarfase bestond al. Deze verdagingstermijn is per 1 oktober 2009 zes weken (was vier weken).
### 6a-1. Toelichting ad [artikel 6a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-2-a. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### paragraaf 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)
### 8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a
### 6-6. Toelichting ad [artikel 6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### paragraaf 3.11. Bezwaar
### 6-5. Toelichting ad [artikel 6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
In geval van het bestaan van meervoudige huwelijken (polygaam getrouwd) is de persoonlijke situatie van de optant niet in overeenstemming met de Nederlandse civielrechtelijke openbare orde en wordt op die grond de optiebevestiging geweigerd.
De vraag of een optant mogelijk polygaam getrouwd is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, alsmede huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van deze landen bijlage 1 bij dit artikellid.
### 6a-2-b. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
### 6a-1. Toelichting ad [artikel 6a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6-9. Toelichting ad [artikel 6, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### 6a-2-c. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### Paragraaf 3.5.1. Buitenlands reisdocument
Een optant die in beginsel afstandsplichtig is, hoeft als één van de onderstaande situaties zich voordoet toch geen afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit:
### 6a-2-d. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-2-b. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-6. Toelichting ad [artikel 6a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### paragraaf 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); zie ook [paragraaf 3.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.2¶graaf=3.2.5&z=2017-04-01&g=2017-04-01)). De burgemeester die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om een geldig buitenlands reisdocument te overleggen. In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan (zie [paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)). Voorts wordt de verzoeker gevraagd om andere bewijsstukken te overleggen, bijvoorbeeld een geboorteakte (zie [paragraaf 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5&z=2017-04-01&g=2017-04-01)).
Voor zoveel mogelijk verstrekt hij dezelfde gegevens over de minderjarige kinderen en kindskinderen voor wie medeverlening wordt verzocht ([artikel 31, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)).
### Paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens
Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die door naturalisatie het Nederlanderschap wil verkrijgen, overlegt de vreemdeling nationaliteit en -identiteit vaststellende documenten (zie onder meer artikel 31 BvvN en [paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) bij artikel 7 RWN). Dit geldt ook voor de vreemdeling aan wie een regulier verblijfsrecht is verstrekt, waarbij hij, al dan niet ambtshalve, is vrijgesteld van het ‘paspoortvereiste’.
### paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
### paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek
### Paragraaf 3.5.4. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
### paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
### Paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid burgemeester
### paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
### paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### Paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid burgemeester
### paragraaf 3.13.1. De oproeping
### paragraaf 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)
### paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase
### Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
### Paragraaf 3.6. Molukkers
In afwijking van de hoofdregel dat een beslissing op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten, omstandigheden en geldende regelgeving op het moment van de beslissing op bezwaar (ex nunc-toetsing), wordt een bezwaarschrift tegen afwijzing van een verzoek om medeverlening beoordeeld naar de feiten, omstandigheden en regelgeving ten tijde van de beslissing in eerste aanleg (ex tunc-toetsing). Dit vloeit voort uit het feit dat medeverlening aan de minderjarige is gekoppeld aan de situatie op de dag waarop aan de ouder het Nederlanderschap werd verleend. Om alsnog vanaf die dag Nederlander te kunnen worden, moet de minderjarige dus op die datum hebben voldaan aan alle vereisten voor medeverlening.
### paragraaf 3.13.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
Als na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op bezwaar (dus de termijn van 12 weken na de datum van de primaire beslissing) nog geen beslissing is genomen, kan de verzoeker na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als gevolg van de per 1 oktober 2009 inwerking getreden [Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026450) de IND in gebreke stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit ([artikel 4:17 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:17)). Indien er twee weken zijn verstreken na de dag waarop de verzoeker de IND in gebreke heeft gesteld en er is nog geen besluit genomen, dan gaat van rechtswege de automatische dwangsom lopen ([artikel 4:17 t/m artikel 4:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:17)). Voorts kan de verzoeker gelijktijdig beroep instellen bij de rechter wegens het niet tijdig nemen van een besluit ([artikel 6:12 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:12)). De mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is met de inwerkingtreding van [artikel 7, eerste lid aanhef en onder e, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1), per 1 oktober 2009 vervallen.
### paragraaf 3.12. (Hoger) beroep
Tegen een beslissing op het bezwaarschrift (bijvoorbeeld niet-ontvankelijkverklaring of ongegrondverklaring) kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank, sector Bestuursrecht, binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft ([artikel 8:7, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:7)). De bepalingen in de [hoofdstukken 6 en 8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6) met betrekking tot de beroepsprocedure, zijn van toepassing. Verzoekers met hoofdverblijf buiten Nederland dienen beroep in te stellen bij de Rechtbank Den Haag, sector Bestuursrecht, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Tegen een beslissing op het bezwaarschrift (bijvoorbeeld niet-ontvankelijkverklaring of ongegrondverklaring) kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank, sector Bestuursrecht, binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft ([artikel 8:7, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:7)). De bepalingen in de [hoofdstukken 6 en 8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6) met betrekking tot de beroepsprocedure, zijn van toepassing. Verzoekers met hoofdverblijf buiten Nederland dienen beroep in te stellen bij de Rechtbank Den Haag, sector Bestuursrecht, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
### Paragraaf 1.3. Bezit Nederlandse nationaliteit adoptiefmoeder ten tijde van onherroepelijk uitspraak
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1.4. Voorbeelden: welke situaties vallen onder de optiemogelijkheid
### Paragraaf 2.2. Andere verliesgronden dan verbonden aan het sluiten van een huwelijk met een niet-Nederlander onder de WNI 1892
### Paragraaf 1.2. Bewijs biologisch vaderschap erkenner
### paragraaf 2.2. Afleggen van de optieverklaring
### Paragraaf 2.1. Verkrijging van de Nederlandse nationaliteit onder de WNI 1892
### Paragraaf 2.2. Andere verliesgronden dan verbonden aan het sluiten van een huwelijk met een niet-Nederlander onder de WNI 1892
### Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
### paragraaf 2.9.1. De burgemeester beslist
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
### 6-2. Toelichting ad artikel 6, tweede lid
### paragraaf 2.9. Bezwaar
### paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
Als de nationaliteit van de optant met een regulier verblijfsrecht in de BRP is opgenomen met toepassing van [artikel 2.17 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.17), dan staat de bij de IND opgegeven nationaliteit in de BRP. In dat geval moet de optant bij het afleggen van de optieverklaring in beginsel een geldig buitenlands reisdocument van het land van de betreffende nationaliteit overleggen.
### Paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
### Paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester
### paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling
### Paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
### paragraaf 2.8. Weigering bevestiging
### paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BVVN
### paragraaf 2.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
### paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure
### paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking
### Artikel 6a
Op 1 januari 2012 is de [Wet conflictenrecht namen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580) (WCN) vervallen. Vanaf die datum is [artikel 10:18 BW tot en met artikel 10:26 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=18) van toepassing.
### 6-9. Toelichting ad [artikel 6, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)
### 6a-2-d. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-3. Toelichting ad [artikel 6a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-4. Toelichting ad [artikel 6a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### paragraaf 3.5.6. Bewijsnood gelegaliseerde buitenlandse documenten
### paragraaf 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10 en 11, vierde lid, RWN)
### Paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring
### Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
Als de verzoeker (nog) niet voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie en/of niet alle vereiste gegevens heeft verstrekt of de gevraagde documenten heeft overgelegd, dient hem te worden ontraden om een verzoek in te dienen. Als de verzoeker er onder deze omstandigheden niettemin op staat een verzoek in te dienen, moet de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. De verzoeker dient erop te worden geattendeerd dat de uiteindelijke beslissing wordt genomen door Onze Minister en dat dus van tevoren geen uitsluitsel kan worden gegeven over het al dan niet inwilligen van het verzoek om naturalisatie.
Voor de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger is verschijning in persoon niet voorgeschreven, maar verdient dat wel de voorkeur. Stuit persoonlijke verschijning op bezwaar, dan wordt betrokkene schriftelijk verzocht een verklaring te ondertekenen waarin staat of al dan niet wordt ingestemd met de medeverlening van het Nederlanderschap aan het minderjarige kind en die verklaring, met een kopie van een geldig identiteitsbewijs, te zenden aan de burgemeester van de gemeente waar het verzoek om naturalisatie van de ouder is ingediend. Voor de zienswijze van de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger kan gebruik worden gemaakt van model 2.13 en model 2.14. Zie ook de toelichting bij artikel 2 RWN.
### Paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens
### paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### Paragraaf 3.5.1. Buitenlands reisdocument
### Paragraaf 3.5.5. Bewijsnood of inwilliging met toepassing van [art. 4:84 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:84): geldig buitenlands reisdocument (paspoort) en of geboorteakte
### Paragraaf 3.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
### paragraaf 3.13.1. De oproeping
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
Let op! Het kan dus niet zo zijn dat een minderjarige hangende de bezwaarprocedure alsnog gaat voldoen aan de voorwaarden voor medeverlening. Dat zou immers betekenen dat de minderjarige het Nederlanderschap verwerft op een datum, waarop hij nog niet voldeed aan de vereisten voor medeverlening van het Nederlanderschap.
### paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
Als na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op bezwaar (dus de termijn van 12 weken na de datum van de primaire beslissing) nog geen beslissing is genomen, kan de verzoeker na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als gevolg van de per 1 oktober 2009 inwerking getreden [Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026450) de IND in gebreke stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit ([artikel 4:17 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:17)). Indien er twee weken zijn verstreken na de dag waarop de verzoeker de IND in gebreke heeft gesteld en er is nog geen besluit genomen, dan gaat van rechtswege de automatische dwangsom lopen ([artikel 4:17 t/m artikel 4:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:17)). Voorts kan de verzoeker gelijktijdig beroep instellen bij de rechter wegens het niet tijdig nemen van een besluit ([artikel 6:12 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:12)). De mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is met de inwerkingtreding van [artikel 7, eerste lid aanhef en onder e, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1), per 1 oktober 2009 vervallen.
### paragraaf 3.12. (Hoger) beroep
Vanaf 1 januari 2006 is de burgemeester verplicht de persoon aan wie het Nederlanderschap is verleend uit te nodigen voor een ceremonie waarin de verkrijging van het Nederlanderschap wordt gevierd. Op 1 oktober 2006 is hieraan een belangrijke wijziging toegevoegd. Vanaf die datum treedt het naturalisatiebesluit voor een daarin genoemde persoon pas in werking door uitreiking van het hem betreffende uittreksel daarvan, in de regel op een naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Het uittreksel uit het naturalisatiebesluit wordt aan de naturalisandus bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit, met terugwerkende kracht tot de datum van dagtekening, in werking. De naturalisandus moet daadwerkelijk op de naturalisatieceremonie verschijnen om rechten te kunnen ontlenen aan het naturalisatiebesluit. Verschijnt de naturalisandus niet, dan kan de verklaring van verbondenheid niet worden afgelegd en het uittreksel uit het naturalisatiebesluit niet worden bekendgemaakt.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### 6-1-k. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Een vreemdeling die een optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging bedoeld in [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) als cumulatief:
Als het gezamenlijk gezag niet blijkt uit de BRP, moet de optant het gezamenlijk gezag aantonen door het overleggen van een gewaarmerkt afschrift van de beschikking van de Nederlandse rechtbank waarbij het gezamenlijk gezag is vastgesteld.
De twintigjarige A, van Dominicaanse nationaliteit, heeft van haar tweede tot haar achttiende jaar in Curaçao gewoond. Zij was daar in het bezit van een vergunning tot verblijf bij moeder. Sindsdien woont zij in verband met haar studie medicijnen aan de Rijksuniversiteit Utrecht in Nederland. Zij is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (verblijfsdocument I) in verband met het volgen van studie. Dit is een verblijfsrecht dat naar zijn aard tijdelijk is. A is van onbesproken gedrag. Zij kan bij de burgemeester van haar woonplaats opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Immers, zij heeft sinds haar tweede jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk gehad. Thans heeft zij toelating in het Koninkrijksdeel waar zij hoofdverblijf heeft. Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor studie is rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, aanhef en onder a, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### 6-1-h. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 1.2.1.2. Getrouwde vrouw: huwelijk in periode na 1 maart 1964
### Paragraaf 1.2. Adoptie vóór 1 januari 1985 binnen het Koninkrijk van een minderjarige
### Paragraaf 1.2. Adoptie vóór 1 januari 1985 binnen het Koninkrijk van een minderjarige
### 6-2. Toelichting ad artikel 6, tweede lid
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
Geldt in de betreffende optiemogelijkheid een periode van toelating (onderdeel g) dan kan dit blijken uit het verblijfsdocument van de optant in combinatie met de gegevens in de BRP dan wel uit een bericht omtrent toelating ([artikel 3 BOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831&artikel=3)). Voor de gevallen waarin en de wijze waarop een bericht omtrent toelating moet worden gevraagd, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN.
### paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing
### paragraaf 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond
Als de optant met nationaliteit ‘onbekend’ in de BRP is opgenomen, in overeenstemming met [artikel 2.15 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15) of de voorganger daarvan, [artikel 43 Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=43), moet hij in beginsel een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overleggen (paragraaf 2.2.5.1).
### 6-4. Toelichting ad [artikel 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling
### paragraaf 2.10. (Hoger) beroep
### paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure
### 6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
### Artikel 6a
### 6a-5. Toelichting ad [artikel 6a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-2-c. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 7-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)
### paragraaf 1. Algemeen
### 7-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BVVN
Op grond van [artikel 31, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) verstrekt de verzoeker bij de indiening van het verzoek, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn:
### paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
### paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
### paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling
### paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
### 8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b
### paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
Het naturalisatiebesluit dat vóór 1 oktober 2006 is getekend door Hare Majesteit de Koningin (het maakt daarbij niet uit of het ministeriële contraseign van ná 1 oktober 2006 is), treedt nog op de gebruikelijke wijze in werking, dat wil zeggen door toezending door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van de kennisgeving betreffende naturalisatie aan de betrokkene. Uitreiking is in dit geval niet nodig.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 5-4. Toelichting ad artikel 5, vierde lid
### 4-5. Ad artikel 4, vijfde lid
### 5-3. Toelichting ad artikel 5, derde lid (zwakke adoptie)
### Artikel 5a
### 5a-1. Toelichting ad artikel 5a, eerste lid (sterke adoptie)
### Artikel 5
Verder zijn op die datum de termijnen in het toenmalige eerste en derde lid van artikel 5 RWN aangepast aan de per 1 januari 2002 gewijzigde termijnen voor beroep en cassatie in verzoekschriftprocedures (zie [artikel 358](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=358) respectievelijk [artikel 426 WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=426)).
### 5a-1. Toelichting ad artikel 5a, eerste lid (sterke adoptie)
### 5b-2. Toelichting ad [artikel 5b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5b)
### Bijlage. bij artikel 5a RWN
### Artikel 5b
### Artikel 6
### 6-1-d. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### paragraaf 2.1. Gezamenlijk gezag bij geboorte op grond van artikelen 1.253aa en 1:253sa BW
### 3.5.2. Buitenlandse akten (van de burgerlijke stand)
Ondanks het zojuist vermelde vindt tóch geen erkenning van rechtswege plaats als:
Ondanks het zojuist vermelde vindt tóch geen erkenning van rechtswege plaats als:
### 6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c
### paragraaf 3.1. Bewijslast opvoeding en verzorging
### Paragraaf 3.2. Bewijsmiddelen
### paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man
### paragraaf 3.1. Bewijslast opvoeding en verzorging
### 3.11. Bezwaar
### Paragraaf 1.2.1. Gevolgen van het huwelijk voor de nationaliteit van de vrouw
Op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (**Trb.** 1998, 149) kan een minderjarige die opteert op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap niet worden geweigerd als er op grond van het gedrag van de optant ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk.
### Paragraaf 1. Algemeen
Geregistreerde partners krijgen van rechtswege –dus zonder dat daar nog een procedure voor nodig is –gezamenlijk gezag over hun tijdens het geregistreerde partnerschap geboren kinderen, als er geen andere juridische ouder is. Van gezamenlijk gezag is sprake als een kind wordt geboren tijdens huwelijk of partnerschap van een man en een vrouw en tijdens het huwelijk of partnerschap van twee vrouwen, mits er geen man is die het kind tijdens de zwangerschap heeft erkend. Ook het gezamenlijk gezag dat van rechtswege bij de geboorte ontstaat, geeft onder de hierboven genoemde voorwaarden het optierecht van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
### 6-1-i. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### 1. Algemeen
### Paragraaf 1.5. Vereiste documenten
### paragraaf 2.2.3. Te verstrekken gegevens
### paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1.3. De vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind
### paragraaf 2. Procedure
### Paragraaf 1.6. Vereiste documenten
### Paragraaf 1.2.1.2. Getrouwde vrouw: huwelijk in periode na 1 maart 1964
### 6-1-o. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 1.3. Bezit Nederlandse nationaliteit adoptiefmoeder ten tijde van onherroepelijk uitspraak
### paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 2.1. Informatieverstrekking
### 2. Optanten die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen
### Paragraaf 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument
### paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing
### paragraaf 2.12.1. De oproeping
### paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking
### Artikel 6a
### 6a-2-a. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-2-a. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker
### paragraaf 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)
### paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
### paragraaf 3.12. (Hoger) beroep
### paragraaf 3.13.3. Afleggen verklaring van verbondenheid
Zodra een betrokkene wordt voorgedragen voor naturalisatie meldt de minister dit aan de burgemeester. Met behulp van dit bericht verkrijgt de burgemeester inzicht in het aantal naturalisandi dat hij voor een bepaalde naturalisatieceremonie zal moeten uitnodigen. Ook betrokkene ontvangt een bericht over de voortgang van zijn naturalisatieverzoek.
### paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
### paragraaf 3.13.1. De oproeping
De burgemeester roept de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op ([artikel 60b, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend ([artikel 2, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) (tabel oproepen en uitreiken).
### paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
De oproeping vindt tijdig voor de uitreiking plaats binnen zes weken na de dag van dagtekening van het naturalisatiebesluit. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd (artikel 60b, tweede lid BVVN).
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst van het desbetreffende uittreksel daarvan, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt het uittreksel buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60b, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen de vaststelling van het besluit en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt het naturalisatiebesluit opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra het naturalisatiebesluit aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken naturalisandus in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
Dit kan bijvoorbeeld spelen indien betrokkene heeft verzocht om de verklaring van verbondenheid schriftelijk te mogen afleggen en dit door de burgemeester geweigerd is. Dit kan ook voorkomen indien betrokkene een beroep op zwaarwegende redenen heeft gedaan om niet op de naturalisatieceremonie te verschijnen en dit door de burgemeester is afgewezen.
De naturalisandus die niet is verschenen en wiens besluit is vervallen, kan enkel een nieuw verzoek om naturalisatie indienen om zo alsnog Nederlander te worden. Tegen het vervallen van het naturalisatiebesluit, als gevolg van het verstrijken van de vervaltermijn van één jaar na de dagtekening van het besluit staat geen bezwaar of beroep open. Het betreft immers verval van rechtswege.
### paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking
### paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
De bekendmaking van het besluit is opgedragen aan de burgemeester van de woonplaats van de betrokkene, zoals die ten tijde van de ondertekening van het besluit, althans op het moment van de toezending van het desbetreffende uittreksel, bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) vanuit de bevolkingsadministratie bekend is. Verhuist de betrokkene daarna, dan kan de burgemeester aan wie het desbetreffende uittreksel is toegezonden, de uitreiking zelf verrichten of deze (door middel van een machtiging) overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van betrokkene. Indien de burgemeester aan wie het desbetreffende uittreksel is toegezonden, ondanks verhuizing van de naturalisandus naar een andere gemeente, de uitreiking zelf verricht, dan stelt hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de naturalisandus van deze uitreiking in kennis.
### paragraaf 3.13.3. Afleggen verklaring van verbondenheid
**Algemeen**
Voor naturalisandi die op of na 1 maart 2009 een verzoek om naturalisatie indienen, bevat de naturalisatieceremonie na die datum een onderdeel waarin zij de verklaring van verbondenheid afleggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit; het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in [artikel 23 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23). Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst.
De minderjarige die ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie jonger is dan zestien jaar hoeft niet uitgenodigd te worden om te verschijnen op de naturalisatieceremonie en hoeft geen verklaring van verbondenheid af te leggen. Ook medenaturalisandi van 16 of 17 jaar ([artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)) zijn niet verplicht om de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid af te leggen. Hier wordt op termijn door de wetgever in voorzien. Deze medenaturalisandi moeten echter wel verplicht op een naturalisatieceremonie verschijnen39Artikel 60b, derde lid, BVVN..
De niet uitreiking is geen besluit in de zin van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Bezwaar en beroep staat dan ook niet open. De verklaring van verbondenheid is immers een wettelijke voorwaarde voor de uitreiking van het besluit en om Nederlander te kunnen worden door naturalisatie.
### paragraaf 3.13.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
Voor naturalisandi die op of na 1 maart 2009 een verzoek om naturalisatie indienen, bevat de naturalisatieceremonie na die datum een onderdeel waarin zij de verklaring van verbondenheid afleggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit; het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in [artikel 23 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23). Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst.
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon van het desbetreffende uittreksel aan de opgeroepen persoon. Dit is een wettelijk gegeven, waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Van de regel om in persoon te verschijnen kan slechts in bijzondere omstandigheden wegens zwaarwegende redenen worden afgeweken. In zulke uitzonderingsgevallen kan de betrokkene, nadat een daartoe strekkend besluit door de burgemeester is genomen, door een gemachtigde worden vertegenwoordigd. Ook kan in die gevallen de burgemeester besluiten de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen, waarbij te denken is aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending per post van het uittreksel. Om uitgezonderd te worden van de regel in persoon te verschijnen, dient betrokkene een daartoe strekkend verzoek in te dienen.
Uitgangspunt van de regelgeving is dat de opgeroepen persoon zoveel mogelijk op de naturalisatieceremonie verschijnt. Dit betekent dat het de burgemeester vrijstaat, op verzoek van de betrokkene zelf, in overleg met hem een andere datum te bepalen waarop een ceremonie wordt gehouden en hij toch kan verschijnen. Daarbij is het overigens wel van belang dat de duur van de periode die ligt tussen de vaststelling van het naturalisatiebesluit en de uitreiking van het desbetreffende uittreksel, zo beperkt mogelijk blijft, in ieder geval niet langer dan een jaar.
Bij een beroep op zwaarwegende redenen overweegt de burgemeester eerst of sprake is van een tijdelijke dan wel blijvende reden om niet te verschijnen. Bij een tijdelijke reden onderzoekt de burgemeester of betrokkene binnen een redelijke termijn toch aanwezig kan zijn op een naturalisatieceremonie. Als dat het geval is, wordt in overleg met hem een nieuwe datum bepaald.
Bij een beroep op zwaarwegende redenen overweegt de burgemeester eerst of sprake is van een tijdelijke dan wel blijvende reden om niet te verschijnen. Bij een tijdelijke reden onderzoekt de burgemeester of betrokkene binnen een redelijke termijn toch aanwezig kan zijn op een naturalisatieceremonie. Als dat het geval is, wordt in overleg met hem een nieuwe datum bepaald.
**Hoofdregel: mondeling afleggen in persoon**
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid persoonlijk wordt afgelegd tijdens een naturalisatieceremonie waarbij het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd43Zie artikel 60b, vierde lid, BVVN en artikel 23, tweede lid, RWN.. Van de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Het mondeling of schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid kan niet worden overgelaten aan een gemachtigde gezien het persoonlijke karakter van de verklaring.
### Paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen aan de burgemeester van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van het naturalisatiebesluit worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze. Hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de ceremonie om of aan toezending van de bekendmaking van verlening van het Nederlanderschap aan de naturalisandus.
In voorkomende gevallen geeft de burgemeester (meestal) bij de indiening van het verzoek om naturalisatie (door een gemachtigde) op het adviesblad bij punt 645Zie hiervoor paragraaf 3.4.1 onder alinea **‘Uitzondering ondertekenen bereidverklaring’.** reeds aan dat het afleggen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid niet mogelijk is vanwege de fysieke of psychische toestand van de verzoeker.46Zie artikel 60b, zesde lid, BVVN. Daarnaast heeft de burgemeester ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken)47Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN; bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. toegevoegd. De uiteindelijke beoordeling of er sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid ligt bij de Minister van Justitie. De verklaring van verbondenheid is immers een voorwaarde voor naturalisatie. Als uitgangspunt volgt de Minister van Justitie het advies in deze van de burgemeester.
### paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking
### paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking
### paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
### Bijlage 3
De burgemeester wordt verzocht eventuele onjuistheden in het besluit zo spoedig mogelijk te melden aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) draagt (zonodig) in dat geval zorg voor een nieuw besluit. De burgemeester hoeft een eerder uitgereikt uittreksel niet door middel van een verbeterd exemplaar opnieuw uit te reiken. Ingeval het besluit reeds is bekendgemaakt, mag het verbeterd exemplaar (aangetekend) aan de betrokkene worden opgestuurd. Wanneer de burgemeester nog in het bezit is van het onjuiste uittreksel is het wenselijk dat hij dit, ter voorkoming van fraude, terugstuurt aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), alwaar het wordt vernietigd.
De burgemeester wordt verzocht eventuele onjuistheden in het besluit zo spoedig mogelijk te melden aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) draagt (zonodig) in dat geval zorg voor een nieuw besluit. De burgemeester hoeft een eerder uitgereikt uittreksel niet door middel van een verbeterd exemplaar opnieuw uit te reiken. Ingeval het besluit reeds is bekendgemaakt, mag het verbeterd exemplaar (aangetekend) aan de betrokkene worden opgestuurd. Wanneer de burgemeester nog in het bezit is van het onjuiste uittreksel is het wenselijk dat hij dit, ter voorkoming van fraude, terugstuurt aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), alwaar het wordt vernietigd.
Aan de hand van het terugmeldformulier stelt de minister vast of de betrokken naturalisandus Nederlander is geworden en zijn procedure kan worden afgesloten. Is betrokkene Nederlander geworden, dan worden de gegevens ten aanzien van deze verlening in het nationaliteitenregister opgenomen. Ook wordt na terugmelding de eventuele afstandsprocedure opgestart.
### Artikel 8
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) en [VII.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VI)
[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2); [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3); [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=7)
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
### 6a-6. Toelichting ad [artikel 6a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6-4. Toelichting ad [artikel 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 3.5.1. Buitenlands reisdocument
### 6a-1. Toelichting ad [artikel 6a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-2-d. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-5. Toelichting ad [artikel 6a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### paragraaf 3. Procedure naturalisatie
### Paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase
### paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 3. Procedure naturalisatie
### paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
De eis tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt alleen voor verzoeken om naturalisatie die worden ingediend op of na 1 maart 2009. Vanaf 1 maart 2009 moeten de meeste naturalisandi bij de indiening van het verzoek om naturalisatie ook een bereidverklaring ondertekenen. Deze naturalisandi moeten bij de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Daarom moet vanaf 1 maart 2009 een onderscheid gemaakt worden tussen de naturalisandus die alleen verplicht is te verschijnen op een naturalisatieceremonie en de naturalisandus die bovendien een verklaring van verbondenheid moet afleggen. De burgemeester kan ervoor kiezen beide groepen op een aparte naturalisatieceremonie uit te nodigen of kan de groep die daartoe niet verplicht is, vragen om de verklaring van verbondenheid vrijwillig af te leggen. De ceremonie uitvoerende instanties hebben hierin vrijheid om naar eigen behoefte vorm te geven aan de invulling hiervan. Voorop staat wel dat degene die niet een wettelijke plicht heeft de verklaring van verbondenheid af te leggen, daartoe niet gedwongen kan worden.
De eis tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt alleen voor verzoeken om naturalisatie die worden ingediend op of na 1 maart 2009. Vanaf 1 maart 2009 moeten de meeste naturalisandi bij de indiening van het verzoek om naturalisatie ook een bereidverklaring ondertekenen. Deze naturalisandi moeten bij de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Daarom moet vanaf 1 maart 2009 een onderscheid gemaakt worden tussen de naturalisandus die alleen verplicht is te verschijnen op een naturalisatieceremonie en de naturalisandus die bovendien een verklaring van verbondenheid moet afleggen. De burgemeester kan ervoor kiezen beide groepen op een aparte naturalisatieceremonie uit te nodigen of kan de groep die daartoe niet verplicht is, vragen om de verklaring van verbondenheid vrijwillig af te leggen. De ceremonie uitvoerende instanties hebben hierin vrijheid om naar eigen behoefte vorm te geven aan de invulling hiervan. Voorop staat wel dat degene die niet een wettelijke plicht heeft de verklaring van verbondenheid af te leggen, daartoe niet gedwongen kan worden.
De oproeping vindt tijdig voor de uitreiking plaats binnen zes weken na de dag van dagtekening van het naturalisatiebesluit. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd (artikel 60b, tweede lid BVVN).
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
Is een jaar na de dag van ondertekening van het naturalisatiebesluit verstreken zonder dat de naturalisandus (op een naturalisatieceremonie) is verschenen en het besluit derhalve niet aan hem is bekendgemaakt, dan vervalt het naturalisatiebesluit ([artikel 60b, elfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). De vervaltermijn van één jaar is opgeschort indien sprake is van bezwaar- en beroep tegen het besluit inzake de wijze van bekendmaking van de optiebevestiging en/of de wijze van aflegging van de verklaring van verbondenheid. Om te voorkomen dat het besluit daardoor zou vervallen, is bepaald dat de termijn van één jaar door het instellen van bezwaar of beroep wordt opgeschort totdat daarop onherroepelijk is beslist. De vervaltermijn van één jaar wordt stopgezet op het moment dat de burgemeester of de rechtbank het bezwaar- dan wel beroepschrift heeft ontvangen en gaat weer lopen op het moment dat de beslissing van de burgemeester of de rechtbank onherroepelijk is geworden en dus geen rechtsmiddelen meer openstaan. De termijn loopt dan na de beslissing in bezwaar of beroep verder en vangt niet opnieuw aan. Onder beroep wordt mede hoger beroep begrepen ([artikel 60b, elfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)).
### paragraaf 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen
De burgemeester reikt het desbetreffende uittreksel uit binnen zes weken na de verzending van de oproeping ([artikel 60b, vierde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Ingeval het uittreksel niet tijdig is aangeleverd bij de burgemeester of is zoekgeraakt voordat dit is uitgereikt, volstaat een kopie of een fax voor de uitreiking.
De burgemeester reikt het uittreksel van het besluit uit aan de naturalisandus of medenaturalisandus die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was en ná het afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60b, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) (tabel oproepen en uitreiken).
### paragraaf 2.2. Verblijfsdocumenten
### Bijlage 1:. tabel oproepen en uitreiken
### paragraaf 3.7. Minderjarigen
### paragraaf 3.13.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt de burgemeester de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de burgemeester (zie tevens [paragraaf 3.13.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.4¶graaf=3.13.4.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)).
Na uitreiking van het desbetreffende uittreksel stuurt de burgemeester door middel van het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) daarvan zo spoedig mogelijk een bericht aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ([artikel 60b, negende lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Op het terugmeldformulier vermeldt de burgemeester onder andere de datum waarop het besluit is bekendgemaakt en de wijze van bekendmaking. Ingevolge [artikel 60b, twaalfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) deelt de uitreikende autoriteit de Minister mee ‘of en op welke wijze de verklaring van verbondenheid is afgelegd. Deze informatie wordt op het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) aangetekend en is alleen van toepassing op verzoeken om naturalisatie ingediend op of na 1 maart 2009. Ook vermeldt de burgemeester of hij na herhaalde oproepingen het besluit niet heeft kunnen bekendmaken, als gevolg waarvan het besluit is vervallen. De uittreksels die de burgemeester niet heeft kunnen uitreiken, stuurt hij terug aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
Aan de hand van het terugmeldformulier stelt de minister vast of de betrokken naturalisandus Nederlander is geworden en zijn procedure kan worden afgesloten. Is betrokkene Nederlander geworden, dan worden de gegevens ten aanzien van deze verlening in het nationaliteitenregister opgenomen. Ook wordt na terugmelding de eventuele afstandsprocedure opgestart.
Indien de verklaring van verbondenheid schriftelijk is afgelegd (model 4.1 of 4.2), wordt deze verklaring gearchiveerd in het naturalisatiedossier bij de gemeente.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10); [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 8-1-a. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
[BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=3) en volgende
### paragraaf 3.7. Minderjarigen
### 8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 3.8. Buiten een land van het Koninkrijk ingediende verzoeken
[Rgdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006434): [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006434&artikel=2)
[Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825): [artikelen 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4); [3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5); [3.59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59); [3.89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89); [3.93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) en [8.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)
[Vc 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012289): [hoofdstuk B5](onbekend)
### paragraaf 2.1. Verblijfsvergunningen
[Boek 10 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068): [artikelen 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=29) en [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=58)
WNI: artikel 7
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
### paragraaf 2.9. Bezwaar
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### paragraaf 2.12.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### paragraaf 2.12.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
### paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
### Paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid burgemeester
### paragraaf 3.12. (Hoger) beroep
### paragraaf 3.13.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
De bekendmaking van het besluit is opgedragen aan de burgemeester van de woonplaats van de betrokkene, zoals die ten tijde van de ondertekening van het besluit, althans op het moment van de toezending van het desbetreffende uittreksel, bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) vanuit de bevolkingsadministratie bekend is. Verhuist de betrokkene daarna, dan kan de burgemeester aan wie het desbetreffende uittreksel is toegezonden, de uitreiking zelf verrichten of deze (door middel van een machtiging) overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van betrokkene. Indien de burgemeester aan wie het desbetreffende uittreksel is toegezonden, ondanks verhuizing van de naturalisandus naar een andere gemeente, de uitreiking zelf verricht, dan stelt hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de naturalisandus van deze uitreiking in kennis.
### Artikel 8
### paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
### 8-1-a. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### paragraaf 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen
In voorkomende gevallen geeft de burgemeester (meestal) bij de indiening van het verzoek om naturalisatie (door een gemachtigde) op het adviesblad bij punt 645Zie hiervoor paragraaf 3.4.1 onder alinea **‘Uitzondering ondertekenen bereidverklaring’.** reeds aan dat het afleggen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid niet mogelijk is vanwege de fysieke of psychische toestand van de verzoeker.46Zie artikel 60b, zesde lid, BVVN. Daarnaast heeft de burgemeester ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken)47Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN; bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. toegevoegd. De uiteindelijke beoordeling of er sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid ligt bij de Minister van Justitie. De verklaring van verbondenheid is immers een voorwaarde voor naturalisatie. Als uitgangspunt volgt de Minister van Justitie het advies in deze van de burgemeester.
### Bijlage 1:. tabel oproepen en uitreiken
### Artikel 8
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=24); [hoofdstuk III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=III) en [artikel 72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=24)
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikelen 4:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2); [4:5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) en [6:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:3)
[Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405): [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=5); [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=6); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=8) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=9)
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=33); [1:63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=63),[1:69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=69), [10:27-10:53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=27) en [10:58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=58)
### Bijlage 1
### Paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
### Bijlage 3
### Bijlage 4
Voor [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’.
Dit artikel omvat voorwaarden waaraan een verzoeker moet voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap. De overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap worden genoemd in [artikel 9, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9). Voor (mede)verlening aan minderjarige kinderen worden de voorwaarden genoemd in [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11).
Dit artikel omvat voorwaarden waaraan een verzoeker moet voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap. De overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap worden genoemd in [artikel 9, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9). Voor (mede)verlening aan minderjarige kinderen worden de voorwaarden genoemd in [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11).
### 8-1-a. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
Op het moment dat een verzoek om naturalisatie wordt ingediend, moet de verzoeker meerderjarig zijn in de zin van [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1). Hij moet dus of de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, voordien in het huwelijk zijn getreden of voordien in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN. De burgemeester onderzoekt de meerderjarigheid van de verzoeker aan de hand van de gegevens in de BRP. Als de geboortedatum in de overgelegde stukken niet overeenstemt met de BRP, bevordert de burgemeester dat de BRP zo mogelijk wordt aangepast. Het verdient aanbeveling dat de burgemeester deze mutatie meedeelt aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Daarmee wordt voorkomen dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ten onrechte een dubbel dossier aanlegt over dezelfde verzoeker.
Is de verzoeker nog minderjarig, maar is naturalisatie gewenst op grond van zeer bijzondere omstandigheden, dan is verlening van het Nederlanderschap uitsluitend mogelijk met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) (zie de [toelichting bij dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=10&z=2017-04-01&g=2017-04-01)). Zie echter voor medeverlening aan minderjarigen [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). Zie voorts artikel 11, vierde lid, RWN, waarin een categorie minderjarigen wordt genoemd die zelfstandig voor naturalisatie in aanmerking komt.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 3.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)
### paragraaf 3.13.1. De oproeping
### paragraaf 3.13.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
### Artikel 8
[Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3); [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14); [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28)
EG-richtlijnen: 73/148 en 93/96
EG-Verdrag: artikel 50
### 8-alg. Toelichting algemeen
### 8-alg. Toelichting algemeen
### 8-1-a. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die meerderjarig is.**
### 8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b
**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die meerderjarig is.**
Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 7-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 3.13.3. Afleggen verklaring van verbondenheid
De niet uitreiking is geen besluit in de zin van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Bezwaar en beroep staat dan ook niet open. De verklaring van verbondenheid is immers een wettelijke voorwaarde voor de uitreiking van het besluit en om Nederlander te kunnen worden door naturalisatie.
### Bijlage 1:. tabel oproepen en uitreiken
### Paragraaf 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (vva-bep)
Wet BRP: [artikel 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.4), [2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15) en [3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=3.6)
### 8-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
Is de verzoeker nog minderjarig, maar is naturalisatie gewenst op grond van zeer bijzondere omstandigheden, dan is verlening van het Nederlanderschap uitsluitend mogelijk met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) (zie de [toelichting bij dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=10&z=2017-03-01&g=2017-03-01)). Zie echter voor medeverlening aan minderjarigen [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). Zie voorts artikel 11, vierde lid, RWN, waarin een categorie minderjarigen wordt genoemd die zelfstandig voor naturalisatie in aanmerking komt.
### Paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
De [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is overigens – anders dan de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) – geen rijkswet en regelt daarom alleen het verblijf van vreemdelingen in het Europese deel van Nederland. In Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelden aparte verblijfsregelingen.
De [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is overigens – anders dan de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) – geen rijkswet en regelt daarom alleen het verblijf van vreemdelingen in het Europese deel van Nederland. In Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelden aparte verblijfsregelingen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
### Paragraaf 1.1. Afstamming door gerechtelijke vaststelling ouderschap
### paragraaf 2.4.2.3. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
### paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### Artikel 7
### Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten
### paragraaf 3.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
Verzoeker heeft zich gewend tot de ambassade van het land waarvan hij onderdaan is. Hij heeft daar verzocht in het bezit te worden gesteld van een geboorteakte teneinde zijn identiteit aan te tonen bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie. Van de ambassade heeft betrokkene een brief ontvangen waarin is opgenomen dat hij door de ambassade niet in het bezit kan worden gesteld van de geboorteakte, aangezien deze enkel door de bevoegde instanties in het land van herkomst kunnen worden afgegeven, met een verwijzing naar de afgevende instantie. Naar aanleiding van deze brief heeft verzoeker geen actie ondernomen, maar legt hij de brief bij de IND over als zijnde een bewijsstuk van bewijsnood. In dit geval is géén sprake van bewijsnood omdat de geboorteakte in beginsel kan worden geleverd, de buitenlandse overheid functioneert voor de afgifte ervan. Daarnaast heeft betrokkene zich niet tot de juiste instantie gericht.
Betrokkene heeft regulier verblijfsrecht gekregen, nadat haar asielverzoek was afgewezen. Bij het verkrijgen van die reguliere verblijfsvergunning werd zij indertijd vrijgesteld van het paspoortvereiste. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie overlegt zij nu een Engelstalige verklaring van de ambassade van het land van herkomst. Uit de verklaring blijkt dat betrokkene een geboorteakte heeft proberen op te vragen en dat haar verzoek door is gestuurd naar het land van herkomst. Daar is echter gebleken dat haar geboortegegevens onvindbaar zijn in de betreffende archieven.
Deze verklaring op zich is niet voldoende om bewijsnood aan te tonen. Het zou immers kunnen dat betrokkene niet werkelijk geboren is in het land waar zij vandaan stelt te komen. Slechts wanneer er geen indicaties zijn dat betrokkene wellicht afkomstig is uit een ander land dan gesteld en wanneer de gegevens van betrokkene op de verklaring overeenkomen met de gegevens die zij eerder op heeft gegeven bij het indienen van haar asielverzoek en bij het afleggen van de VOE kan op grond van een dergelijke verklaring eventueel bewijsnood aangenomen worden. Andere stukken (zoals een schooldiploma of een doopakte uit het land van herkomst) waar ook dezelfde gegevens op vermeld staan, zouden het in dit geval makkelijker maken om het beroep op bewijsnood te accepteren.
Betrokkene heeft in 2007 samen met zijn ouders regulier verblijfsrecht gekregen, waarbij sprake was van vrijstelling van het ‘paspoortvereiste’. Inmiddels is hij 23 jaar en wil graag naturaliseren. Zijn ouders zijn afkomstig uit Irak. Betrokkene is geboren in een Iraaks vluchtelingenkamp. Geboorten werden volgens betrokkene niet geregistreerd in de plaats waar het vluchtelingenkamp stond en evenmin in het kamp zelf. Als hetgeen wordt gesteld door betrokkene inderdaad zo is, is bij de geboorteakte/bewijsstuk van de geboorteregistratie sprake van bewijsnood, want het gevraagde document is nooit opgemaakt.
Tot 1 april 2017 geldt dat in Syrië geboren vreemdelingen tijdelijk geen Syrisch paspoort noch een uit Syrië afkomstige geboorteakte hoeven te overleggen. De vrijstelling blijft gelden als op het naturalisatieverzoek na 1 april 2017 nog moet worden beslist, al dan niet na een rechterlijke procedure over het verzoek. Deze maatregel is tijdelijk omdat een groot deel van de Syrische ambassades in West-Europa is gesloten en de Syrische ambassade in Brussel levert nog maar beperkt consulaire diensten. Mocht een in Syrië geboren vreemdeling wel een uit Syrië afkomstige geboorteakte hebben, dan wordt deze door de bevoegde autoriteiten, na de gebruikelijke controle en akkoordbevinding, geregistreerd in de desbetreffende bevolkingsbasisregistratie.
Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zijn in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft.
### paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets
### paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 7-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BVVN
### paragraaf 3.13.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
### paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Paragraaf 1. Algemeen
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Minderjarigen van 16 jaar en ouder moeten vanaf 1 januari 2012 bij een verzoek tot medeverlening van het Nederlanderschap dat is ingediend door een wettelijke vertegenwoordiger, tegelijkertijd met de indiening het verzoek om naturalisatie van de hoofdpersoon, een [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ ondertekenen. Het zelf ondertekenen van de modelverklaring 2.3 is geen uitzondering op een rechtshandeling als bedoeld in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
Wie de wettelijk vertegenwoordiger is, wordt bepaald door het Nederlands recht inclusief de regels van internationaal privaatrecht. Het ligt op de weg van de persoon die de verklaring aflegt of het verzoek indient om aan te tonen dat hij of zij de wettelijk vertegenwoordiger is.
Ook de vader die het kind heeft erkend of van wie gerechtelijk is vastgesteld dat hij de vader is, heeft niet het gezag over het kind en kan niet optreden als de wettelijk vertegenwoordiger. Uit de wettekst volgt dan ook hij in beginsel (zie hierna) kan worden aangemerkt als de ‘andere ouder’ in hier bedoelde zin, indien het gezag van rechtswege alleen door de moeder wordt uitgeoefend.
### Toelichting
### paragraaf 5. Uitzondering: de vader is geen Nederlander (kind geboren op of na 1 januari 1985; vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003)
**De verklaring van verbondenheid wordt door minderjarigen van zestien jaar en ouder zelfstandig afgelegd. Tenzij anders bepaald kunnen zij daarin niet worden vertegenwoordigd.**
### Toelichting
### 4-1. Ad artikel 4, eerste lid
**Nederlander is het kind van een vader of moeder die ten tijde van de geboorte van het kind zijn of haar hoofdverblijf heeft in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten en die zelf geboren is als kind van een vader of moeder die ten tijde van zijn of haar geboorte in een van die landen hoofdverblijf had, mits het kind ten tijde van zijn geboorte zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten.**
Op 1 april 2014 is Boek 1 BW ook gewijzigd voor wat betreft het juridisch vaderschap in die zin dat het geregistreerd partnerschap wordt gelijkgesteld aan het huwelijk.
### Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d
Dit betekent dat een minderjarig kind dat tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 is erkend door een ten tijde van zijn geboorte in het Koninkrijk wonende niet-Nederlandse man, die zelf geboren is uit een in het Koninkrijk wonende niet-Nederlandse moeder, Nederlander wordt. In dat geval verkrijgt het kind het Nederlanderschap niet vanaf zijn geboorte, maar vanaf de datum van erkenning, omdat het kind eerst vanaf de datum van de erkenning een juridische vader heeft.
### paragraaf 2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
### paragraaf 3. Kind geboren op of ná 1 januari 1985; Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
De voorwaarden in de periode op of na 1 maart 2009 zijn dus als volgt:
Een verzoekschrift ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17) kan worden ingediend bij de rechtbank ’s-Gravenhage of het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Een rechterlijke uitspraak op grond van [artikel 1:207 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=207), waarin de rechter heeft vastgesteld dat de erkenner de biologische ouder is van de erkende, is eveneens een voldoende bewijsstuk.
Om deze reden geldt dat bij het overleggen van bewijs dat voldoet aan alle voorwaarden genoemd in het [Besluit DNA-onderzoek vaderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024634) (zie [artikel 4, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)) er voldoende zekerheid is over het biologisch vaderschap om de verkrijging van het Nederlanderschap door de erkende op te nemen in de BRP.
### Artikel 4
A is (behalve Marokkaan ook) Nederlander op grond van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
### Artikel 5
### Bijlage. bij [artikel 5b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5b)
### 5a-1. Toelichting ad artikel 5a, eerste lid (sterke adoptie)
Buiten Nederland is op 12 maart 2004 ten aanzien van het op 10 mei 1986 geboren kind C, van vreemde nationaliteit, rechtsgeldig vastgesteld wie de vader is. De man van wie het vaderschap is vastgesteld, is vanaf zijn geboorte Nederlander. De rechterlijke uitspraak heeft op 12 mei 2004 kracht van gewijsde gekregen.
### 4-6. Ad [artikel 4 zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)
### paragraaf 2. Erkenning en wettiging van minderjarigen vóór 1 april 2003
### paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man
### **AFDELING 3 ARTIKEL 10:107 BW TOT EN MET ARTIKEL 10:111 BW**
### Artikel 6
### Artikel 5
### paragraaf 2. Gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:253t BW
### **AFDELING 3 ARTIKEL 10:107 BW TOT EN MET ARTIKEL 10:111 BW**
Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht adoptie (Wcad) vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing. De hierboven opgenomen wettekst is nog niet aangepast. Voor de artikelen 6 en 7 dient gelezen te worden de artikelen 10:108 en 10:109 BW. Artikel 10:112 BW bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing is (met terugwerkende kracht) vanaf 1 januari 2004.
### 6-1-a. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### 6-1-b. Toelichting ad [artikel 6 eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### 6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c
‘Een verklaring van de ouders als bedoeld in het tweede, derde, vierde of zesde lid kan slechts ten aanzien van de geslachtsnaam van het eerste kind, tot wie beide ouders in familierechtelijke betrekking staan worden afgelegd. Onverminderd het zevende lid, hebben volgende kinderen van dezelfde ouders dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind, met dien verstande dat in het geval dat volgende kinderen blijkens de geboorteakte of krachtens toepasselijk recht een naam hebben die afwijkt van de naam van het eerste kind, de ouders kunnen verklaren dat het desbetreffende kind dezelfde geslachtsnaam zal hebben als het eerste kind’.
### paragraaf 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht
### paragraaf 2.2.1. Vormvereisten: afleggen in persoon
### paragraaf 3.13.3. Afleggen verklaring van verbondenheid
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Geen.
### 2-3. Toelichting ad artikel 2, derde lid
### paragraaf 3. Wettelijk vertegenwoordiger
N.B. Door erkenning of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap ontstaan familierechtelijke betrekkingen met het kind. Dit is echter niet hetzelfde als het uitoefenen van het gezag over het kind. Een erkenner of degene van wie gerechtelijk is vastgesteld dat hij de vader is, heeft (nog) geen gezag over het kind en kan derhalve niet worden aangemerkt als de wettelijk vertegenwoordiger. Los van de erkenning of de gerechtelijke vaststelling kan hij dit gezag met inachtneming van de daarvoor geldende bepalingen wel verkrijgen.
### 4-1. Ad artikel 4, eerste lid
### Artikel 3
### 4-5. Ad artikel 4, vijfde lid
### 5a-2. Toelichting ad artikel 5a, tweede lid (zwakke adoptie)
Alleen het ten tijde van de geboorte gehuwd zijn van de Nederlandse vrouw met de niet-Nederlandse vrouw uit wie het kind is geboren, leidt nog niet tot het juridisch moederschap van de Nederlandse vrouw. Voor het tot stand komen van het juridisch moederschap van de duomoeder geldt een aanvullende voorwaarde die verband houdt met de wijze van conceptie van het kind. [Artikel 1:198, eerste lid, aanhef en onder b BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=198) eist een verklaring inzake de wijze van conceptie (anonieme zaaddonor).
### 4-2. Ad artikel 4, tweede lid
### 4-6. Ad [artikel 4 zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)
### paragraaf 2.1. Gezamenlijk gezag bij geboorte op grond van artikelen 1.253aa en 1:253sa BW
### paragraaf 4. Kind geboren op of na 1 januari 1985, buitenlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
### 4-4. Ad artikel 4, vierde lid
### Artikel 6
### paragraaf 3. Overgangsregeling
### paragraaf 2. Erkenning en wettiging van minderjarigen vóór 1 april 2003
### 4-4. Toelichting ad [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)
### 4-4. Toelichting ad [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)
### 5-3. Toelichting ad artikel 5, derde lid (zwakke adoptie)
### 4-6. Ad [artikel 4 zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)
### 6-1-b. Toelichting ad [artikel 6 eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### 5-4. Toelichting ad artikel 5, vierde lid
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
### 6-1-i. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### 6-1-a. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
E is het kind van de Zwitserse moeder F. E heeft geen juridische vader. E heeft uitsluitend de Zwitserse nationaliteit. E groeit sinds haar geboorte op in het gezin van moeder F en de vrouwelijke Nederlandse G, met wie moeder F al voor de geboorte van E een in Nederland geregistreerd partnerschap was aangegaan. E wordt drie jaar ononderbroken door moeder F en de Nederlandse G verzorgd en opgevoed. Daarna kan ten behoeve van F een optieverklaring worden afgelegd. Als aanvullende voorwaarde geldt dat E op dat moment niet meerderjarig mag zijn en geen hoofdverblijf in Zwitserland mag hebben. Als E op het moment van de optieverklaring ouder is dan zestien jaar, geldt bovendien het openbare orde vereiste van [artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
De twintigjarige A, van Dominicaanse nationaliteit, heeft van haar tweede tot haar achttiende jaar in Curaçao gewoond. Zij was daar in het bezit van een vergunning tot verblijf bij moeder. Sindsdien woont zij in verband met haar studie medicijnen aan de Rijksuniversiteit Utrecht in Nederland. Zij is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (verblijfsdocument I) in verband met het volgen van studie. Dit is een verblijfsrecht dat naar zijn aard tijdelijk is. A is van onbesproken gedrag. Zij kan bij de burgemeester van haar woonplaats opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Immers, zij heeft sinds haar tweede jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk gehad. Thans heeft zij toelating in het Koninkrijksdeel waar zij hoofdverblijf heeft. Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor studie is rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, aanhef en onder a, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### Paragraaf 1.4. Voorbeelden: welke situaties vallen onder de optiemogelijkheid
### Paragraaf 1.1. Erkenning kind jonger dan zeven jaar
### Paragraaf 1.5. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Paragraaf 1.3. Bezit Nederlandse nationaliteit adoptiefmoeder ten tijde van onherroepelijk uitspraak
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
### paragraaf 2. Rechtshandelingen minderjarigen door tussenkomst van wettelijke vertegenwoordiger
### 4-alg. Toelichting algemeen
Postnatale erkenning of wettiging van een kind door een niet-Nederlandse man leidt echter ook tot verkrijging de Nederlandse nationaliteit, maar dan vanaf de datum van erkenning of wettiging op grond van dit artikellid (en ook op grond van [artikel 3, derde lid (oud) RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3)).
### 4-2. Ad artikel 4, tweede lid
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikel 1:207](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=207)
### 4-4. Toelichting ad [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)
### paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
### 5-4. Toelichting ad artikel 5, vierde lid
### 5-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man
Op 1 januari 2012 is de [Wet conflictenrecht adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015330) (Wcad) vervallen. Vanaf die datum is [artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=103) van toepassing. De hierboven opgenomen wettekst is nog niet aangepast. Voor de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015330&artikel=6) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015330&artikel=7) dient gelezen te worden de [artikelen 10:108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=108) en [10:109 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=109). [Artikel 10:112 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=112) bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing is (met terugwerkende kracht) vanaf 1 januari 2004.
### paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man
### paragraaf 2. Erkenning en wettiging van minderjarigen vóór 1 april 2003
### paragraaf 3.1. Bewijslast opvoeding en verzorging
### Paragraaf 1.2. Bezit Nederlandse nationaliteit moeder ten tijde van geboorte van kind
Voor [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’.
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1. Algemeen
### 8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b
### paragraaf 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van Vw 2000
### paragraaf 2.1. Verblijfsvergunningen
### paragraaf 2.1. Verblijfsvergunningen
Op grond van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zijn de volgende verblijfsvergunningen vastgesteld:
In het kader van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zijn verblijfsdocumenten vastgesteld waarover de vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en zijn verblijfsrechtelijke positie. De verblijfsdocumenten worden aangeduid met Romeinse cijfers I tot en met V. Gemeenschapsonderdanen die rechtmatig verblijf in Nederland houden op grond van een regeling krachtens het EG-Verdrag, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat kunnen in het bezit worden gesteld van een verblijfsdocument EU/EER.
### paragraaf 2.1. Verblijfsvergunningen
In de overige gevallen blijkt het rechtmatig verblijf van de vreemdeling uit stickers die worden geplaatst in het document voor grensoverschrijding dan wel op een afzonderlijk inlegvel.
### paragraaf 2.2. Verblijfsdocumenten
In [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) bij dit artikellid wordt het gestelde in paragraaf 2.1 en 2.2 schematisch weergegeven.
Bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie zal steeds de vraag moeten worden beantwoord of er op grond van de beperking van de verblijfsvergunning van de vreemdeling bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland in de zin van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8).
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
Let op! De verblijfsvergunningen die zijn afgegeven vóór 1 juni 2013 blijven geldig tot de geldigheidsduur verstrijkt of de vergunning is ingetrokken. De ‘oude beperking’ wordt vanaf 1 juni 2013 aangemerkt als ‘nieuwe’ beperking.
### Paragraaf 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
In [artikel 3.4 Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) staan de beperkingen waaronder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend. De beperking wordt vermeld op het verblijfsdocument. In [artikel 3.5, tweede lid, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) is bepaald of een verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een tijdelijk karakter heeft of niet. Is de verblijfsvergunning verleend onder een andere beperking, dan is het verblijf van de vreemdeling in beginsel niet-tijdelijk van aard. Het kan echter voorkomen dat bij de verlening van een verblijfsvergunning of in een beleidsregel is aangegeven dat het verblijfsrecht toch tijdelijk van aard is.
Aan de hand van het verblijfsdocument van de verzoeker en met behulp van de [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) kan worden beoordeeld of er al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker moet bij de indiening van het verzoek de gegevens en bescheiden verschaffen die voor de beslissing nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken ([artikel 4:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2)). Hij verstrekt bij de indiening de tegenwoordige en, voor zoveel nodig, de gegevens met betrekking tot de eerdere verblijfsrechtelijke status ([artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)).
### 8-1-c. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
Er zijn ook situaties denkbaar waarin de verzoeker niet beschikt over het juiste verblijfsdocument, waarin het verblijfsdocument behoort te worden ingetrokken, waarin het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen of waarin verzoeker niet behoeft te beschikken over een verblijfsdocument. In die gevallen kan niet met behulp van de [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland van de verzoeker. Voor die gevallen geldt het navolgende.
### Paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
In principe wordt geen bewijsnood aangenomen indien gebleken is dat sprake is van één van de onderstaande omstandigheden:
Er kunnen echter omstandigheden zijn dat ondanks één van bovenstaande omstandigheden zich heeft voorgedaan, toch sprake is van bewijsnood.
Indien er geen bewijsnood wordt aangenomen dan kan beoordeeld worden of de zaak ingewilligd kan worden met toepassing van [artikel 4:84 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:84). Dit houdt in dat er bezien wordt in hoeverre het in het individuele geval bij reguliere vergunninghouders wegens bijzondere omstandigheden onredelijk is om vast te houden aan de hierbovenstaande beleidsregels.
Dit betekent dat tot 1 april 2017 naturalisatieverzoeken kunnen worden gedaan zonder dat de vreemdeling, die in Syrië is geboren en/of de Syrische nationaliteit heeft, verplicht is om een geboorteakte en/of geldig paspoort te overleggen. Dit geldt tevens in het geval dat op het naturalisatieverzoek na 1 april 2017 nog moet worden beslist, al dan niet na een rechterlijke procedure over het verzoek.
Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zijn in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft.
Op grond van [artikel 33, eerste tot en met derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33) neemt de burgemeester verzoeken om naturalisatie in ontvangst van de volgende personen:
### paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek
### Paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid burgemeester
Dit zijn personen die nergens ter wereld hun hoofdverblijf hebben omdat zij per voer- of vaartuig steeds van verblijfplaats veranderen. Omdat deze personen geen hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben in de zin van [artikel 8, eerste lid, aanhef en sub c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), gaat het hier uitsluitend overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, tweede lid, RWN om de volgende personen:
Hoewel de verzoeker bij de indiening van het verzoek moet aantonen of er ten aanzien van hem al dan niet bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd bestaan, is uiteindelijk doorslaggevend of er op het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie dergelijke bedenkingen bestaan. Als op het moment van de indiening van het verzoek wel, maar op het moment van de beslissing geen bedenkingen bestaan, kan het verzoek toch worden ingewilligd (als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). Ook omgekeerd geldt: als op het moment van de indiening van het verzoek geen, maar op het moment van de beslissing wel bedenkingen bestaan, komt de verzoeker niet in aanmerking voor naturalisatie. Als de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat er tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Als de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21.
Het bovenstaande neemt niet weg dat een verzoeker (met uitzondering van een verzoeker als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)) op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN op het moment van indiening van het verzoek een onafgebroken periode van vijf jaar ‘toelating’ moet hebben in Nederland als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) (zie de toelichting bij dat artikel) en dat die ‘toelating’ moet voortduren tot en met het moment van beslissen op het verzoek.
### Paragraaf 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van de verblijfsvergunning
Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verleende verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. Voor de gronden tot intrekking dan wel niet verlenging van een verblijfsvergunning wordt verwezen naar de volgende artikelen in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823):
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
In het advies aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt melding gemaakt van de omstandigheden die hebben geleid tot het vermoeden dat de verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht dan nader worden onderzocht.
In het advies aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt melding gemaakt van de omstandigheden die hebben geleid tot het vermoeden dat de verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht dan nader worden onderzocht.
### Paragraaf 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht
Het kan voorkomen dat een verzoeker die in het bezit is van een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter, toch in aanmerking komt voor naturalisatie. Dit is het geval wanneer de verzoeker verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EU – Turkije. Een Turkse werknemer die een jaar legale arbeid heeft verricht, heeft namelijk op grond van Associatiebesluit 1/80 recht op verlenging van zijn verblijfsvergunning voor de duur van een jaar, als dezelfde werkgever nog een jaar werkgelegenheid voor de werknemer heeft en in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning. Na drie jaar is hij vrij op de arbeidsmarkt. Ook kinderen van Turkse werknemers, die in het gastland een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen verblijfsrecht ontlenen aan het Associatiebesluit.
### Paragraaf 2.1.2. Aanvraagfase
Als niet direct te zien is of een Turkse onderdaan verblijfsrecht met een niet-tijdelijk karakter ontleent aan Associatiebesluit 1/80 moet betrokkene zich dus voorafgaand aan de indiening van het naturalisatieverzoek tot de IND wenden om zijn verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard te laten vastleggen in een verblijfsrechtelijke beschikking.
Alleen als betrokkene er op staat om tóch, ondanks het ontbreken van het juiste verblijfsdocument of een beschikking van de IND zoals hierboven omschreven, zijn naturalisatieverzoek in te dienen, dan mag de gemeente die indiening niet weigeren en moet de procedure gevolgd worden zoals omschreven in [paragraaf 3.1 van de toelichting op artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
Alleen als betrokkene er op staat om tóch, ondanks het ontbreken van het juiste verblijfsdocument of een beschikking van de IND zoals hierboven omschreven, zijn naturalisatieverzoek in te dienen, dan mag de gemeente die indiening niet weigeren en moet de procedure gevolgd worden zoals omschreven in [paragraaf 3.1 van de toelichting op artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
### paragraaf 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen
EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen hebben (in beginsel) het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien zij:
### paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
Vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten voor een diplomatieke zending, consulaire post of een internationale organisatie en hun gezinsleden hebben een bijzondere status. Zij kunnen worden onderscheiden in twee hoofdgroepen.
Vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten voor een diplomatieke zending, consulaire post of een internationale organisatie en hun gezinsleden hebben een bijzondere status. Zij kunnen worden onderscheiden in twee hoofdgroepen.
Door de zendstaat uitgezonden diplomatiek of consulair niet duurzaam verblijvend personeel (en hun gezinsleden) bezitten een bijzondere status op grond van de Weense Verdragen inzake het Diplomatiek Verkeer respectievelijk de Consulaire Betrekkingen. Zij worden door de Minister van Buitenlandse Zaken in het bezit gesteld van een speciaal identiteitsbewijs. De [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is niet op hen van toepassing. Zolang zij deze bijzondere status bezitten, beschikken zij niet (en kunnen zij ook niet beschikken) over een verblijfsvergunning op grond van Vw 2000. Er bestaan bedenkingen tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland.
### paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
### Bijlage 6
### Paragraaf 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel
Op grond van [artikel 3.93, eerste lid, aanhef en onder a, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) kunnen vreemdelingen die werkzaam zijn geweest bij een ambassade of een consulaat in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument II) als zij tien aaneengesloten jaren in Nederland hebben verbleven, de geprivilegieerde status niet door eigen toedoen hebben verloren en zij beschikken over voldoende middelen van bestaan die nog gedurende ten minste een jaar beschikbaar zijn. Deze personen kunnen ook in plaats van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument II) een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene (verblijfsdocument V) aanvragen. Zie [hoofdstuk B12, Vc 2000](onbekend).
Vreemdelingen die als geprivilegieerde werkzaam zijn geweest bij een internationale organisatie kunnen in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd of een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene als zij tien aaneengesloten jaren in Nederland hebben verbleven en zij beschikken over voldoende middelen van bestaan die nog gedurende ten minste een jaar beschikbaar zijn. Voor deze categorie vreemdelingen geldt daarnaast dat de periode van verblijf onder het regime van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) mag meetellen voor de vereiste termijn van tien jaren.
Voorts kan op grond van [artikel 3.93, eerste lid, aanhef en onder b, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden verleend aan een meerderjarige vreemdeling die tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven op grond van een bijzondere geprivilegieerde status als geaccrediteerd lid van het administratief, technisch of bedienend personeel dan wel als particulier bediende, in dienst van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post. Dit betreft vreemdelingen die tien jaar aaneengesloten verblijf hebben gehad op grond van een geprivilegieerde status. Deze vreemdelingen kunnen na tien jaar geprivilegieerd te zijn geweest in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning.
De familieleden van bovengenoemde categorieën die op grond van [artikel 3.93 Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument II) of een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene (verblijfsdocument V) kunnen eveneens voor dezelfde verblijfsvergunning in aanmerking komen.
### Paragraaf 2.3.3. Beroep ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
Als een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Als hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01). Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht.
Als een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Als hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01). Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht.
### Paragraaf 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
Het betreft vreemdelingen die door diplomatieke zendingen of consulaire posten op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn geworven om voor de missie werkzaamheden te verrichten. Voordat zij die werkzaamheden zijn gaan verrichten verbleven zij reeds rechtmatig op grond van de Vreemdelingenwet (1965 dan wel [2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)) in Nederland. Zij dienen zich als ingezetene in te laten schrijven in de BRP en zich te melden bij de korpschef van het regionale politiekorps. De Vw 2000 is op hen (en hun gezinsleden) van toepassing (net zoals de Vw 1965 op hen van toepassing was) en zij dienen in het bezit te zijn van een verblijfsdocument. Aan de hand van dat verblijfsdocument kan worden bepaald of er bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland bestaan. Als een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Als hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01). Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht.
Er bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd ten opzichte van verzoekers op wie de [Wet van 9 september 1976](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) (**Stb.**1976, 468) betreffende de positie van Molukkers van toepassing is. Zij zijn geen Nederlanders en evenmin vreemdelingen in de zin van de [Vreemdelingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Zij worden behandeld als Nederlanders. Zij mogen zonder meer in Nederland verblijven. Zij kunnen worden genaturaliseerd, mits zij uiteraard aan de overige daartoe gestelde voorwaarden in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) voldoen.
Ten aanzien van Molukkers die op grond van de [wet van 9 september 1976](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) worden behandeld als Nederlander, dient in de BRP te zijn aangetekend: ‘Behandeld als Nederlander’.
Ten aanzien van Molukkers die op grond van de [wet van 9 september 1976](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) worden behandeld als Nederlander, dient in de BRP te zijn aangetekend: ‘Behandeld als Nederlander’.
Voor 1 april 2003 kon aan minderjarige kinderen het Nederlanderschap worden verleend op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) (de zogenaamde na-naturalisatie) dan wel op grond van [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) (medeverlening). In beide gevallen was vereist dat er geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba van het kind mochten bestaan. Dit vereiste is na 1 april 2003 opgenomen in artikel 11 RWN, waarin is bepaald dat het kind voor wie (mede)naturalisatie wordt verzocht ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij artikel 11 RWN). Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN).
Voor 1 april 2003 kon aan minderjarige kinderen het Nederlanderschap worden verleend op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) (de zogenaamde na-naturalisatie) dan wel op grond van [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) (medeverlening). In beide gevallen was vereist dat er geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba van het kind mochten bestaan. Dit vereiste is na 1 april 2003 opgenomen in artikel 11 RWN, waarin is bepaald dat het kind voor wie (mede)naturalisatie wordt verzocht ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij artikel 11 RWN). Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN).
De in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) genoemde vreemdelingen kunnen ook buiten een land van het Koninkrijk verzoeken om naturalisatie. In dat geval wordt ambtshalve – aan de hand van de voorwaarden in het vreemdelingenbeleid die op de verzoeker van toepassing zouden zijn als hij om toelating in Nederland zou vragen – beoordeeld of de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, als hij daar om zou vragen. Alleen als aan hem een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard zou kunnen worden verleend, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (voor meer informatie, zie de circulaire optie/naturalisatieverzoeken in het buitenland).
### Paragraaf 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (vva-bep)
Er is sprake van toelating voor onbepaalde tijd als het verblijfsrecht naar zijn aard niet tijdelijk is. Voor de vraag of kinderen in de verlening of verkrijging kunnen delen, is de aard van het verblijfsrecht beslissend. Als de ouder(s) aan wie het kind het verblijf ontleent in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, is het verblijfsrecht van het kind, ook al betreft het een vergunning asiel voor bepaalde tijd, naar zijn aard niet-tijdelijk. Echter, als de ouder(s) in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en het kind houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt het kind geacht toelating voor onbepaalde tijd te hebben als de ouder(s) om medeverlening verzoekt (verzoeken). Kinderen van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kunnen dus, als zij aan de overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen, delen in de naturalisatie van de ouder(s).
In het geval beide ouders om medeverlening hebben verzocht, maar slechts één van hen in aanmerking komt voor naturalisatie, zal het kind met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd delen in de naturalisatie van die ouder. In dit geval is het niet van belang vanwege welke ouder het minderjarige kind het afhankelijke asiel verblijfsrecht heeft verkregen.
De minderjarige Amin is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze verblijfsvergunning heeft hij verkregen in het kader van de tijdige nareis bij zijn vader die inmiddels in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Zijn moeder is ook in het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Beide ouders doen een verzoek tot naturalisatie en verzoeken tevens om medeverlening aan Amin.
De vader komt niet in aanmerking voor naturalisatie. De moeder wel. Ondanks dat het verblijfsrecht van Amin afhankelijk is van zijn vader, komt hij wel in aanmerking voor medeverlening. Immers, moeder voldoet wel en heeft ook om medeverlening voor Amin verzocht.
De vader komt niet in aanmerking voor naturalisatie. De moeder wel. Ondanks dat het verblijfsrecht van Amin afhankelijk is van zijn vader, komt hij wel in aanmerking voor medeverlening. Immers, moeder voldoet wel en heeft ook om medeverlening voor Amin verzocht.
In het geval beide ouders om medeverlening hebben verzocht, maar slechts één van hen in aanmerking komt voor naturalisatie, zal het kind met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd delen in de naturalisatie van die ouder. In dit geval is het niet van belang vanwege welke ouder het minderjarige kind het afhankelijke asiel verblijfsrecht heeft verkregen.
* Bij de uitkomst ‘geen bedenkingen’ in Bijlage 2 of [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) moet nog wel worden bedacht dat er geen redenen mogen bestaan om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. Zie hiervoor [paragraaf 3.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) Tevens kunnen er gevallen zijn waarbij het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen (gemeenschapsonderdanen). Zie hiervoor [paragraaf 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.4&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
### paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een andere verblijfscategorie. Zie hiervoor [paragraaf 3.3.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01)
Let op! Een verzoeker die verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de **Assiociatieraad** EU-Turkije kan ook met een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter in aanmerking komen voor naturalisatie. Zie voor meer uitleg paragraaf 3.3 van de toelichting op [artikel 8, eerste lid, onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8).
Let op! Een verzoeker die verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de **Assiociatieraad** EU-Turkije kan ook met een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter in aanmerking komen voor naturalisatie. Zie voor meer uitleg paragraaf 3.3 van de toelichting op [artikel 8, eerste lid, onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8).
### Bijlage 5
### Bijlage 6
Let op! Een verzoeker die verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de **Assiociatieraad** EU-Turkije kan ook met een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter in aanmerking komen voor naturalisatie. Zie voor meer uitleg paragraaf 3.3 van de toelichting op [artikel 8, eerste lid, onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8).
Op 1 januari 2013 is de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) gewijzigd. Kort komt het erop neer dat het Elektronisch Praktijkexamen (EPE) en het decentraal praktijkexamen zijn vervallen. Tot 1 januari 2015 was er een overgangstermijn waarin kandidaten gebruik konden maken van de oude examens. In plaats van deze twee examens zijn er drie nieuwe examenonderdelen bij gekomen. De vaardigheden lezen, luisteren en schrijven in de Nederlandse taal op niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen van de verzoeker worden getoetst. De onderdelen Toets Gesproken Nederlands (TGN) en Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) blijven bestaan.
### 8-1-c. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
Vóór 1 april 2003 was in dit artikellid als voorwaarde opgenomen dat een verzoeker voor naturalisatie in aanmerking kon komen, als hij of zij ten minste vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek woonplaats of werkelijk verblijf in het Koninkrijk had. De vraag of verzoeker in deze periode was toegelaten, speelde daarbij geen rol (ook niet-rechtmatig verblijf werd meegeteld).
### Bijlage 7. EU/EER- of Zwitserse onderdaan
Van ‘toelating’ in Nederland als bedoeld in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) is sprake als de verzoeker rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). De verzoeker moet dit rechtmatige verblijf aan de hand van een verblijfsdocument aantonen (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN).
Het vereiste van vijf jaar ‘hoofdverblijf’ in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is opgenomen om enige garantie te verschaffen dat een bepaalde mate van inburgering tot stand is gekomen en dat de verzoeker in het Koninkrijk wil blijven wonen. Of sprake is van hoofdverblijf in Nederland wordt primair getoetst aan de hand van de gegevens uit de gemeentelijke voorziening van de BRP. Vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven en voor wie geldt dat de verwachte verblijfsduur tenminste 2/3 van een half jaar is, worden op grond van [artikel 2.4 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.4) als ingezetene in de BRP ingeschreven.
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
In het onderhavige artikellid staat uitdrukkelijk dat de vijf jaren toelating en hoofdverblijf onmiddellijk vooraf dienen te gaan aan de indiening van het verzoek. Het heeft daarom geen zin om voortijdig een verzoek in te dienen in de veronderstelling dat in de loop van de procedure de termijn van vijf jaar zal worden gehaald. Uit de tekst van de wet vloeit voort dat een voortijdig ingediend verzoek wordt afgewezen. Uit de wettekst vloeit ook voort dat gedurende de vijf jaren vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie het verblijfsrecht van verzoeker niet onderbroken mag zijn. Het woord ‘sedert’ duidt erop dat het vereiste van ononderbroken toelating en hoofdverblijf eveneens geldt voor de periode vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met de beslissing op het verzoek. Gedurende de periode van vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek én gedurende de periode vanaf de indiening van het verzoek tot en met de beslissing op het verzoek mogen er derhalve geen zogenaamde ‘verblijfsgaten’ voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de termijn. Na de onderbreking begint opnieuw een termijn van vijf jaar te lopen.
### Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase
### Paragraaf 1. Geprivilegieerden
Naast rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), mag in het kader van een naturalisatieverzoek als ‘toelating en hoofdverblijf’ in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) worden beschouwd de verblijfsperiode in Nederland als geprivilegieerde vreemdeling, werkzaam bij een internationale organisatie, dat onder specifieke voorwaarden geldt als toelating in hierboven bedoelde zin.
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
Het verblijf als geprivilegieerde moet worden aangetoond door middel van het overleggen van een originele verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ingeval van contra-indicatie dat het verblijf als geprivilegieerde, ondanks de verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, niet onafgebroken is geweest, kan contact worden opgenomen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Het verblijf als geprivilegieerde moet worden aangetoond door middel van het overleggen van een originele verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ingeval van contra-indicatie dat het verblijf als geprivilegieerde, ondanks de verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, niet onafgebroken is geweest, kan contact worden opgenomen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Naast rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), mag in het kader van een naturalisatieverzoek als ‘toelating en hoofdverblijf’ in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) worden beschouwd de verblijfsperiode in Nederland als geprivilegieerde vreemdeling, werkzaam bij een internationale organisatie, dat onder specifieke voorwaarden geldt als toelating in hierboven bedoelde zin.
Let op! Voor deze bepaling geldt overgangsrecht. Zie de [toelichting bij artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2017-04-01&g=2017-04-01), onder ‘Overgangsrecht’.
Het begrip inburgering is tweeledig: enerzijds moet de verzoeker beschikken over kennis van de Nederlandse taal en anderzijds moet hij zich hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving.
Sinds 1 april 2003 geldt dat er een diploma moet worden overgelegd als bewijs dat de verzoeker als ingeburgerd kan worden beschouwd. Per die datum is de naturalisatietoets geïntroduceerd (zie de toen geldende handleiding voor een nadere uitleg van die bepaling). Sinds 1 april 2007 is geregeld dat de naturalisatietoets het inburgeringsexamen is.
### Paragraaf 1. Algemeen
Op 1 januari 2013 is de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) gewijzigd. Kort komt het erop neer dat het Elektronisch Praktijkexamen (EPE) en het decentraal praktijkexamen zijn vervallen. Tot 1 januari 2015 was er een overgangstermijn waarin kandidaten gebruik konden maken van de oude examens. In plaats van deze twee examens zijn er drie nieuwe examenonderdelen bij gekomen. De vaardigheden lezen, luisteren en schrijven in de Nederlandse taal op niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen van de verzoeker worden getoetst. De onderdelen Toets Gesproken Nederlands (TGN) en Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) blijven bestaan.
Verzoekers die op 1 januari 2013 al bezig waren met het inburgeringsexamen zoals dit luidde tot 1 januari 2013, krijgen 2 jaar de tijd om het inburgeringsexamen oude stijl af te maken. Deze verzoekers konden er ook voor kiezen om het inburgeringsexamen oude stijl niet af te maken, maar het inburgeringsexamen nieuwe stijl af te leggen. Zie voor uitgebreidere informatie over het examen zoals dat tussen april 2007 en tot 1 januari 2015 werd afgenomen in oudere teksten van de Handleiding.
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.4¶graaf=3.13.4.2&z=2014-09-01&g=2014-04-01) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
Dit betekent dat in ieder geval vanaf 1 januari 2013 twee verschillende inburgeringsdiploma’s overgelegd kunnen worden.
### paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### Paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
### Bijlage 8
In het kader van de naturalisatietoets zijn twee categorieën vreemdelingen vrijgesteld van het afleggen van onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt. Zie hiervoor [paragraaf 2.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) Gedeeltelijke vrijstelling.
De taken met betrekking tot de uitvoering van de Wet inburgering zijn op 1 januari 2013 overgegaan van de gemeente naar de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. De Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO) voert deze taken in mandaat namens de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel uit. Het gaat hier om handhaving van de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtige vreemdelingen die op of na 1 januari 2013 rechtmatig verblijf krijgen in Nederland. De gemeente blijft de handhaving verzorgen van vreemdelingen die voor 1 januari 2013 al rechtmatig verblijf hadden in Nederland.
Aan de indiening van het verzoek om naturalisatie gaat een voorlichtingsfase vooraf, waarin de burgemeester de aspirant-verzoeker zal infomeren over het inburgeringsvereiste. In dit stadium behoeft deze laatste nog geen verzoek om naturalisatie in te dienen en dus ook geen naturalisatiegelden te voldoen. De burgemeester legt dan ook geen dossier aan, totdat door de verzoeker een verzoek om naturalisatie daadwerkelijk wordt ingediend. In de regel gebeurt dit pas nadat betrokkene het inburgeringsexamen heeft afgelegd en het bijbehorende inburgeringsdiploma kan overleggen.
De burgemeester verstrekt tijdens de voorlichtingsfase een brochure en informatie over het inburgeringsexamen en verwijst betrokkene naar DUO. De burgemeester wijst erop dat voor naturalisatie alle onderdelen van het examen moeten zijn behaald op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen.
Dit is het inburgeringsexamen nieuwe stijl. Het examen op niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader bestaat uit de volgende onderdelen:
Behalve het onderdeel schrijfvaardigheid worden alle andere onderdelen met de computer afgenomen.
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
Het inburgeringsexamen bestaat vanaf 1 januari 2015 uit de volgende onderdelen
Het inburgeringsexamen bestaat vanaf 1 januari 2015 uit de volgende onderdelen
De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het in het eerste lid, van [artikel 5, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) bedoelde inburgeringsdiploma (bedoeld in [artikel 14, tweede lid van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=14) zoals dat luidde tot 1 januari 2013) of diploma (bedoeld in [artikel 7, vierde lid, aanhef en onder g van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7)) over waaruit blijkt dat alle onderdelen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen zijn behaald, tenzij hij voor (gedeeltelijke) vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt ([artikel 34, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34)). Als de verzoeker niet voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt (of daarover moet in het geval van ontheffing nog nader onderzoek plaatsvinden), noch het inburgeringsdiploma op het juiste niveau kan overleggen, wordt hem door de burgemeester ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wordt verzoeker door de burgemeester erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND kan worden afgewezen, en dat hij de betaalde naturalisatiegelden niet terug krijgt. Geadviseerd wordt dat de burgemeester de verzoeker een verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’ laat ondertekenen. Deze verklaring is opgenomen in de handleiding als [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
Als de verzoeker het inburgeringsdiploma met daarop het juiste niveau overlegt, neemt de burgemeester dit op in zijn advies en voegt een kopie van het origineel van het diploma in het dossier aan de IND. Een ander kopie van het origineel houdt hij voor zichzelf. Het diploma wordt weer aan verzoeker overhandigd.
Als de verzoeker het inburgeringsdiploma met daarop het juiste niveau overlegt, neemt de burgemeester dit op in zijn advies en voegt een kopie van het origineel van het diploma in het dossier aan de IND. Een ander kopie van het origineel houdt hij voor zichzelf. Het diploma wordt weer aan verzoeker overhandigd.
De verzoeker kan een beroep doen op een vrijstellingsgrond als genoemd in [artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3). Hij moet aantonen dat hij behoort tot een van de volgende categorieën vrijgestelde personen:
### Paragraaf 2.3.3. Beroep ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
### Paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling
De verzoeker kan een beroep doen op de gedeeltelijke vrijstellingsgronden als genoemd in [artikel 4 van de Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=4). Als de verzoeker voor gedeeltelijke vrijstelling van het inburgeringsexamen in aanmerking wil komen moet hij het volgende overleggen:
### paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij DUO
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultatenbrief ‘geslaagd’ voor het examenonderdeel KNS.
### Paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling
De verzoeker is vrijgesteld van het onderdeel Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) als hij de volgende documenten overlegt:
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl of de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultatenbrief ‘geslaagd’ voor de hiervoor genoemde examenonderdelen.
### Paragraaf 3.1. Polygamie
De verzoeker is vrijgesteld van het onderdeel Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) als hij de volgende documenten overlegt:
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultaatbrief ‘geslaagd’ voor het examenonderdeel KNS.
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
De verzoeker die een Verklaring Educatie ROC met alle taalonderdelen ten minste op niveau 2 overlegt, is vrijgesteld van:
### Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
### Paragraaf 3.1. Polygamie
De burgemeester beoordeelt of het door de verzoeker getoonde document voldoet aan de criteria. Bij twijfel of het document tot vrijstelling leidt, kan de burgemeester in eerste instantie de eventueel beschikbare eigen registratie van afgegeven Verklaringen educatie, of de DUO raadplegen. De DUO geeft een advies af aan de burgemeester, dan wel eventueel later aan de IND, op basis van de modelverklaringen die door de ROC’s aan de DUO zijn geleverd en die zijn opgenomen in het door de DUO beheerde modellenboek. De burgemeester verwijst een verzoeker die niet over een origineel document beschikt, of een document toont dat niet alle benodigde gegevens ter beoordeling bevat, naar het ROC dat de verklaring heeft afgegeven, ten einde een document te verkrijgen dat aan de gestelde eisen voldoet.
### paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
**Ad a.**
### paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
**Ad c.**
Met echtheidskenmerken wordt een logo of een stempel van het ROC bedoeld. De naam en de handtekening van de verantwoordelijke van het ROC zijn relevant om de herkomst van het document te kunnen achterhalen en om bij twijfel over de echtheid van het document de toner te kunnen verwijzen naar het opleidingencentrum dat verantwoordelijk is geweest voor afgifte van het document. De verantwoordelijke kan de directeur of een mentor van een ROC zijn.
**Ad f.**
Alleen als alle toetsonderdelen voor 1 januari 2007 zijn behaald kan er vrijstelling worden verleend. Let op! Deze verklaring educatie kan nimmer vrijstelling verlenen voor het onderdeel KNS van het inburgeringsexamen.
De verzoeker is vrijgesteld van het afleggen van de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl of de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl, als hij één van de volgende documenten overlegt:
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultatenbrief ‘geslaagd’ voor het examenonderdeel KNS.
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
Van het afleggen van het onderdeel van het inburgeringsexamen oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn vrijgesteld:
### Bijlage 8
De leeftijd van de naturalisatieverzoeker op de datum van de beslissing op het naturalisatieverzoek is bepalend voor het zijn vrijgesteld of niet. Op het moment van indiening van het naturalisatieverzoek hoeft de verzoeker dus nog niet pensioengerechtigd te zijn.
### Paragraaf 2.3.1. Inleiding
Om in aanmerking te komen hiervoor moet de verzoeker:
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
### Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
### 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
Dit betekent ook dat vreemdelingen die voor 1 januari 2015 al in het bezit zijn van een inburgeringsdiploma met alle onderdelen op niveau A2, maar pas na 1 januari 2015 een verzoek om naturalisatie indienen, niet alsnog het examenonderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt hoeven te doen. Zij kunnen met hun ‘oude’ inburgeringsdiploma een naturalisatieverzoek indienen.
Ter informatie: vreemdelingen die vanaf 1 januari 2015 inburgeringsplichtig worden, zijn niet vrijgesteld van dit examenonderdeel.
Ter informatie: vreemdelingen die vanaf 1 januari 2015 inburgeringsplichtig worden, zijn niet vrijgesteld van dit examenonderdeel.
### Paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
Als de burgemeester van oordeel is dat het overgelegde document origineel is, de inhoud klopt en de personalia juist zijn, neemt hij de stukken in ontvangst. Het verzoek wordt op dit moment in behandeling genomen. De burgemeester maakt een kopie van het document en voegt die kopie met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening ‘kopie van origineel’ op in het dossier. Het origineel geeft hij terug aan verzoeker. Hij stelt een advies op waarin hij de IND meedeelt dat verzoeker naar zijn oordeel (gedeeltelijk) is vrijgesteld van het inburgeringsexamen en stuurt het advies met de kopie van het overgelegde document/de overgelegde documenten mee in het dossier aan de IND.
De burgemeester ontraadt betrokkene echter een verzoek in te dienen als hij twijfelt aan de echtheid van het overgelegde document of de juistheid van de personalia. Dat deelt hij mee aan verzoeker en stelt hem ervan in kennis dat hij het document en de gegevens nader zal onderzoeken.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Voor het onderzoek naar ongeletterdheid
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 2.2. Verblijfsdocumenten
Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen.
Op grond van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zijn de volgende verblijfsvergunningen vastgesteld:
### paragraaf 2.2. Verblijfsdocumenten
In [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) bij dit artikellid wordt het gestelde in paragraaf 2.1 en 2.2 schematisch weergegeven.
### Paragraaf 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
Verzoeken van andere personen dan hierboven genoemd worden niet door de burgemeester in ontvangst genomen ([artikel 33, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33)). Zo mogelijk deelt de burgemeester aan de verzoeker mee bij welke andere gemeente of Nederlandse diplomatieke en consulaire post in het buitenland het verzoek **in persoon** kan worden ingediend.
Nadat de burgemeester een verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, wordt daarop een datum van ontvangst en een dienststempel geplaatst ([artikel 33, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33)), waarna een kopie van het verzoek, als bewijs van inontvangstneming, aan de verzoeker wordt meegegeven (artikel 33, vierde lid, BVVN).
Verwacht mag worden dat passanten slechts sporadisch verzoeken om naturalisatie indienen.
### paragraaf 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt de burgemeester een negatief advies uit en wijst de Minister het verzoek om naturalisatie af (zie tevens [paragraaf 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.9&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).’
### paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
Voorafgaand aan de administratieve behandeling van het verzoek om naturalisatie beoordeelt de burgemeester of en zo ja, welk bedrag de verzoeker dient te betalen overeenkomstig het [BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782). Indien de verzoeker naturalisatiegelden is verschuldigd, wordt hem dit meegedeeld en wordt hem de gelegenheid gegeven de betaling te verrichten ([artikel 34, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34)). Zie verder de toelichting bij artikel 13, eerste lid, RWN.
Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt de burgemeester een negatief advies uit en wijst de Minister het verzoek om naturalisatie af (zie tevens [paragraaf 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.9&z=2016-07-01&g=2016-07-01)).’
### paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
Voorafgaand aan de administratieve behandeling van het verzoek om naturalisatie beoordeelt de burgemeester of en zo ja, welk bedrag de verzoeker dient te betalen overeenkomstig het [BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782). Indien de verzoeker naturalisatiegelden is verschuldigd, wordt hem dit meegedeeld en wordt hem de gelegenheid gegeven de betaling te verrichten ([artikel 34, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34)). Zie verder de toelichting bij artikel 13, eerste lid, RWN.
Indien de verzoeker de verschuldigde naturalisatiegelden niet voldoet op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie, stelt de burgemeester hem in de gelegenheid om daartoe alsnog over te gaan binnen een termijn van zes weken na de indiening van het verzoek. Indien de verzoeker hieraan binnen deze termijn geen gevolg geeft, stelt de burgemeester het verzoek om naturalisatie buiten behandeling. In dat geval wordt geen advies uitgebracht, maar zendt de burgemeester het (incomplete) dossier aan de IND. Tegen de beslissing tot buitenbehandelingstelling kan binnen zes weken bezwaar worden ingediend bij de Minister van Justitie. Zie ook de toelichting bij artikel 13, eerste lid, RWN, paragraaf 3.
### paragraaf 3.8. Voorbereiding advies
### Paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens
De administratieve behandeling van het verzoek om naturalisatie vangt aan nadat:
### paragraaf 3.8. Voorbereiding advies
Door de per 1 oktober 2009 in werking getreden [Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026450) is de aanvang van de beslistermijn in bezwaar gewijzigd ([artikel 7:10, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10)). Het bestuursorgaan moet op het bezwaarschrift beslissen binnen zes weken na het verstrijken van de bezwaartermijn (was zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift). Ingevolge artikel 7:10, derde lid, Awb kan de beslistermijn éénmaal met ten hoogste zes weken (was vier weken) verdaagd worden. Deze wijzigingen gelden alleen voor bezwaarschriften die zijn ingediend op of na 1 oktober 2009. Op bezwaarschriften die voor 1 oktober 2009 zijn ingediend is de oude Awb-bezwaartermijn van toepassing.
Vervolgens onderzoekt de burgemeester ([artikel 36 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)):
Alsdan toetst de burgemeester de door de verzoeker verstrekte persoonsgegevens aan de gegevens die zijn opgenomen in de BRP ([artikel 35, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=35)). Heeft het verzoek mede betrekking op personen die staan ingeschreven met een adres in een andere gemeente of kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, dan verzoekt hij de burgemeester van de betreffende gemeente om binnen vier weken (of in voorkomend geval de gezaghebber van het openbare lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao of Sint Maarten om binnen tien weken) de door verzoeker verstrekte persoonsgegevens te controleren (artikel 35, tweede lid, BVVN). De persoonsgegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie hierboven [paragraaf 3.6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.6¶graaf=3.6.1&z=2016-07-01&g=2016-07-01)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie. De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te controleren (artikel 35, vierde lid, BVVN). Ten aanzien van de zogenaamde passanten verzoekt de burgemeester, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de persoonsgegevens zo mogelijk binnen tien weken te controleren (artikel 35, derde lid, BVVN). Zie het hoofdstuk Voorlichting in de desbetreffende Handleiding voor adressering aan de betreffende autoriteiten. Voor zover mogelijk onderzoekt de burgemeester de juistheid van de persoonsgegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden gecontroleerd (artikel 35, vijfde lid, BVVN).
Verhuist de verzoeker vanuit gemeente X naar gemeente Y in de periode die ligt tussen indienen van het verzoek om naturalisatie en het uitbrengen van het advies, dan zijn de volgende situaties te onderscheiden.
### Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
De burgemeester sluit het onderzoek af met het uitbrengen van een schriftelijk advies aan de IND over het verzoek om naturalisatie en over de eventuele naamsvaststelling c.q. naamswijziging ([artikel 36, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36). Zie [model 2.22 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
De adviezen die kunnen worden uitgebracht zijn: ‘geen bezwaar’ en ‘bezwaar’.
De burgemeester zendt het verzoek om naturalisatie, de door hem over de verzoeker en andere betrokkenen ingewonnen inlichtingen, de bewijzen van persoonsgegevens (verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van akten van de burgerlijke stand), de door verzoeker en andere betrokkenen ondertekende verklaringen en verzoeken, de overige door verzoeker overgelegde bewijsstukken, de afschriften uit de BRP en het advies aan de IND ([artikel 37, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=37)). De burgemeester behoudt een kopie van het naturalisatiedossier in verband met de wettelijke bewaarplicht.3Op grond van het Vaststellingsbesluit selectielijst archiefbescheiden gemeentelijke en intergemeentelijke organen is de bewaartermijn bij de voorbereiding van naturalisatie van vreemdelingen in geval van totstandkoming 2 jaar en in geval van niet-totstandkoming 12 jaar. Het naturalisatiebesluit en de bevestiging van verkrijging en verklaring van afstand nationaliteit moeten door de gemeenten permanent bewaard worden. In verband met de wettelijke behandeltermijn van een jaar is het van belang dat uit de stukken die aan de IND worden gezonden duidelijk blijkt op welke datum de naturalisatiegelden zijn betaald, op welke datum eventueel ontheffing van betaling is verleend en op welke datum de aanvullende stukken zijn overgelegd (zie ook de toelichting bij [artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De IND bevestigt de ontvangst van het dossier aan de burgemeester (artikel 37, tweede lid, BVVN).
De burgemeester sluit het onderzoek af met het uitbrengen van een schriftelijk advies aan de IND over het verzoek om naturalisatie en over de eventuele naamsvaststelling c.q. naamswijziging ([artikel 36, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36). Zie [model 2.22 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2016-07-01&g=2016-07-01)).
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen ([artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing ([artikel 38, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=38)). Beslissingen tot afwijzing, tot buitenbehandelingstelling of tot aanhouding van verzoeken worden per aangetekende post aan verzoeker verzonden. In geval van een positieve beslissing stuurt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zo snel mogelijk aan de burgemeester van de woonplaats van de verzoeker. De burgemeester draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit. (Zie ook [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&z=2017-03-01&g=2017-03-01).) Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de mee-genaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie, indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit totstandgekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
Indien van toepassing maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) na ontvangst van het terugmeldformulier een uitwisselingsformulier op, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit ([model 1.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)). Dit is, ingevolge de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal.
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit maakt de IND, na ontvangst van het terugmeldformulier, een formulier op gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 ([Model 1.35a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) toe. De IND maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige die door naturalisatie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door naturalisatie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder.
### Artikel 8
N.B. Indien de persoon in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel wordt geen uitwisselingsformulier opgemaakt.
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit maakt de IND, na ontvangst van het terugmeldformulier, een formulier op gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 ([Model 1.35a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2016-07-01&g=2016-07-01)) toe. De IND maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige die door naturalisatie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door naturalisatie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder.
### paragraaf 3.13.3. Afleggen verklaring van verbondenheid
### paragraaf 3.13.1. De oproeping
### paragraaf 3.11. Bezwaar
Voorbeeld: een vreemdeling die op 1 januari 2013 houder is van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar’ (tijdelijk verblijfsrecht tot 1 juni 2013), geldig tot 1 december 2015, wordt vanaf 1 juni 2013 aangemerkt als houder van een verblijfsvergunning ‘arbeid in loondienst’ (niet tijdelijk verblijfsrecht). Deze vreemdeling kan dus, als hij voldoet aan alle voorwaarden, vanaf 1 juni 2013 in aanmerking komen voor naturalisatie.
### Bijlage 6
Er zijn ook situaties denkbaar waarin de verzoeker niet beschikt over het juiste verblijfsdocument, waarin het verblijfsdocument behoort te worden ingetrokken, waarin het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen of waarin verzoeker niet behoeft te beschikken over een verblijfsdocument. In die gevallen kan niet met behulp van de [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland van de verzoeker. Voor die gevallen geldt het navolgende.
### Paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
Als er aanwijzingen bestaan dat een verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd, kunnen er – ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument – wél bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker wordt ontraden een verzoek in te dienen en hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
### Paragraaf 3.8. Buiten een land van het Koninkrijk ingediende verzoeken
Omdat niet in één oogopslag te zien is of een Turkse onderdaan verblijfsrecht ontleent aan besluit 1/80, zal hij, om in aanmerking te komen voor naturalisatie, in principe met een verblijfsvergunning moeten aantonen dat hij verblijfsrecht heeft in Nederland. Heeft hij (een tijdje) geen verblijfsvergunning (gehad) en stelt hij het voor naturalisatie tot Nederlander juiste verblijfsrecht te hebben (gehad) op grond van besluit 1/80, dan zal betrokkene bij de IND een verblijfsrechtelijke beslissing (beschikking) moeten aanvragen en verkrijgen waarin is neergelegd dat hij daadwerkelijk op genoemde grond verblijfsrecht heeft (gehad) ([artikel 36, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Betrokkene zal bij een dergelijke verblijfsrechtelijke aanvraag de juiste stukken aan de IND moeten overleggen waaruit blijkt dat hij voldoet of heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 (Turkse werknemers) of in artikel 7 (gezinsleden van Turkse werknemers) van besluit 1/80.
### Paragraaf 1. Algemeen
EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen hebben (in beginsel) het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien zij:
### Paragraaf 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel
### Paragraaf 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel
De [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is in het algemeen evenmin van toepassing op vreemdelingen (en hun gezinsleden) die in Nederland werkzaamheden verrichten voor internationale organisaties. Op grond van zetelovereenkomsten, waarin (mede) bepalingen zijn opgenomen omtrent hun verblijfsrechtelijke positie, komt aan hen en hun gezinsleden de bijzondere status toe. Door de Minister van Buitenlandse Zaken worden zij in het bezit gesteld van een speciaal identiteitsbewijs en zij beschikken niet over een verblijfsvergunning. Er bestaan bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. Dezelfde handelwijze geldt als bij uitgezonden diplomatiek of consulair personeel.
Na beëindiging van het dienstverband met een ambassade, een consulaat of een internationale organisatie komt de bijzondere status van bovenstaande categorieën vreemdelingen te vervallen. De bepalingen van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zijn dan onverkort van toepassing.
### Bijlage 1
### Bijlage 2
Als een ex-geprivilegieerde verzoeker (die derhalve geen ‘identiteitsbewijs geprivilegieerden’ van het ministerie van Buitenlandse Zaken meer in bezit heeft) beschikt over een verblijfsdocument kan aan de hand van dat document met behulp van [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. Indien een ex-geprivilegieerde verzoeker (nog) niet beschikt over een verblijfsdocument wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1.
Uiteraard kunnen ook onderdanen uit de EU- en EER-landen de bijzondere geprivilegieerde status bezitten. Zo kunnen deze vreemdelingen die bij een missie of internationale organisatie werken bijvoorbeeld van rechtswege een verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht, omdat zij zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan en niet ten laste komen van de publieke middelen (economisch niet-actieven). Zij kunnen in het bezit zijn van een verblijfsdocument EU/EER. In dat geval wordt door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument met behulp van [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) bij dit artikellid beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde duur.
### Bijlage 3
Het betreft vreemdelingen die door diplomatieke zendingen of consulaire posten op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn geworven om voor de missie werkzaamheden te verrichten. Voordat zij die werkzaamheden zijn gaan verrichten verbleven zij reeds rechtmatig op grond van de Vreemdelingenwet (1965 dan wel [2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)) in Nederland. Zij dienen zich als ingezetene in te laten schrijven in de BRP en zich te melden bij de korpschef van het regionale politiekorps. De Vw 2000 is op hen (en hun gezinsleden) van toepassing (net zoals de Vw 1965 op hen van toepassing was) en zij dienen in het bezit te zijn van een verblijfsdocument. Aan de hand van dat verblijfsdocument kan worden bepaald of er bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland bestaan. Als een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Als hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01). Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht.
### Paragraaf 3.8. Buiten een land van het Koninkrijk ingediende verzoeken
De in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) genoemde vreemdelingen kunnen ook buiten een land van het Koninkrijk verzoeken om naturalisatie. In dat geval wordt ambtshalve – aan de hand van de voorwaarden in het vreemdelingenbeleid die op de verzoeker van toepassing zouden zijn als hij om toelating in Nederland zou vragen – beoordeeld of de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, als hij daar om zou vragen. Alleen als aan hem een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard zou kunnen worden verleend, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (voor meer informatie, zie de circulaire optie/naturalisatieverzoeken in het buitenland).
### Bijlage 2
** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een andere verblijfscategorie. Zie hiervoor [paragraaf 3.3.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01)
### Bijlage 3
### Bijlage 4
** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2016-07-01&g=2016-07-01) moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een andere verblijfscategorie. Zie hiervoor [paragraaf 3.3.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.3&z=2016-07-01&g=2016-07-01)
Sinds 1 april 2003 geldt dat er een diploma moet worden overgelegd als bewijs dat de verzoeker als ingeburgerd kan worden beschouwd. Per die datum is de naturalisatietoets geïntroduceerd (zie de toen geldende handleiding voor een nadere uitleg van die bepaling). Sinds 1 april 2007 is geregeld dat de naturalisatietoets het inburgeringsexamen is.
### Bijlage 7. EU/EER- of Zwitserse onderdaan
In het kader van de integratie van het vreemdelingenbeleid in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) is met ingang van 1 april 2003 in het onderhavige artikellid bepaald dat verzoeker gedurende de vereiste periode van vijf jaar in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba ‘toelating en hoofdverblijf’ moet hebben. Deze bepaling is bedoeld om te voorkomen dat een vreemdeling rechten opbouwt in een periode dat hij geen recht heeft om in het Koninkrijk te verblijven.
### 8-1-c. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### paragraaf 2. Procedure
Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal de burgemeester in veel gevallen kunnen afleiden uit het verblijfsdocument en de gegevens in de BRP. In andere gevallen zal de duur van de onafgebroken toelating alleen kunnen worden beoordeeld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de hand van gegevens uit de vreemdelingenadministratie. In die situatie zal de burgemeester de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeken om aan hem een bericht omtrent toelating af te geven. Het is overigens de bedoeling dat een bericht omtrent toelating alleen wordt gevraagd als de burgemeester niet of in onvoldoende mate beschikt over voldoende gegevens. Ook in gevallen waarbij de gegevens in de BRP en het overgelegde verblijfsdocument elkaar tegenspreken of er anderszins omstandigheden zijn waardoor gerede twijfel bestaat over de juiste verblijfsrechtelijke positie van de optant of verzoeker, dient een bericht omtrent toelating te worden gevraagd. Voor de gevallen waarin en de wijze waarop een bericht omtrent toelating moet worden gevraagd, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN.
De periode dat deze vreemdeling op basis van een geprivilegieerde status in Nederland heeft verbleven, en derhalve ingeschreven heeft gestaan in het daarvoor bestemde register bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, geldt als toelating in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738), mits deze periode onmiddellijk voorafging aan de toelating in het kader van de Vreemdelingenwet. Deze (onafgebroken) periode mag worden meegeteld voor de vereiste termijn van vijf jaren toelating in het kader van naturalisatie.
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
Verzoekers die op of na 1 april 2007 een verzoek om naturalisatie hebben ingediend, moeten het in 2007 ingevoerde inburgeringsexamen hebben afgelegd. In sommige gevallen kan verzoeker in aanmerking komen voor een (gedeeltelijke) vrijstelling of ontheffing van het inburgeringsexamen. Op basis van een advies van de burgemeester stelt Onze Minister vast of verzoeker (gedeeltelijk) vrijgesteld is en beoordeelt hij of de verzoeker in aanmerking komt voor ontheffing.
### Paragraaf 2.3.3. Beroep ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
### Paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling
Aan het inburgeringsexamen is aan het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving vanaf 1 januari 2015 het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt toegevoegd. Voor meer toelichting op het nieuwe examenonderdeel, zie de nota van Toelichting bij het Besluit van 16 oktober 2014 tot wijziging van het Besluit inburgering en het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de toevoeging van een praktijkexamen ten behoeve van de oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt aan het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving en enkele andere wijzigingen (Stb 2014, 404).
In het kader van de naturalisatietoets zijn twee categorieën vreemdelingen vrijgesteld van het afleggen van onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt. Zie hiervoor [paragraaf 2.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) Gedeeltelijke vrijstelling.
### paragraaf 2. Procedure
Het examen wordt afgenomen door DUO namens de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. DUO verstrekt informatie over de inhoud van het examen. De tarieven voor de onderdelen van het examen zijn vastgesteld in [artikel 3.1 van de Regeling inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020657&artikel=3.1). Deze staan ook op www.inburgeren.nl en www.ind.nl.
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
Om voor bovengenoemde vrijstellingsgronden in aanmerking te komen, overlegt de verzoeker bij zijn verzoek om naturalisatie het gevraagde diploma en in het geval vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is behaald, de cijferlijst waaruit blijkt dat een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal.
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
De meeste ROC’s noemen de Verklaring educatie een ‘schoolverklaring’, ‘certificaat’ of ‘diploma’. Daarnaast komen benamingen voor als ‘niveauoverzicht NT2’ of ‘scorelijst NT2’, ‘(toets)rapport’, ‘verklaring leerresultaten’, of ‘verklaring Trajecttoets/NIVOR-toets’.
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
De Japanse Sonia woont sinds 2004 in Nederland en heeft sindsdien een reguliere verblijfsvergunning met de beperking ‘arbeid als zelfstandige’. Zij is niet inburgeringsplichtig en valt dus niet onder de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611). Om te naturaliseren moet zij het inburgeringsexamen/naturalisatietoets halen. In 2008 heeft zij de toenmalige Toets Gesproken Nederlands gedaan. Die heeft zij toen niet gehaald. Als zij zich in 2015 weer aanmeldt voor het inburgeringsexamen, heeft zij niet de verplichting om het onderdeel ‘oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt’ af te leggen. Haar aanmelding in 2015 wordt gezien als voortzetting van het examen waaraan zij in 2008 is begonnen.
De verwachting bij 2 is dat het hier voornamelijk zal gaan om vreemdelingen die voor 1 januari 2015 al bezig zijn met (onderdelen van) het examen. Dit sluit natuurlijk niet uit dat ook vreemdelingen zich nog voor 1 januari 2015 voor het eerst zullen aanmelden voor het examen en tijdig een bedrag overmaken zodat zij het nieuwe examenonderdeel niet hoeven te doen.
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
Voor indiening van het verzoek beoordeelt de burgemeester of het overgelegde document dat recht op (gedeeltelijke) vrijstelling kan geven origineel is en of de personalia overeenkomen met die van de verzoeker. Daarnaast beoordeelt de burgemeester of het diploma of getuigschrift recht geeft op een (gedeeltelijk) vrijstelling. Bij twijfel kan contact worden opgenomen met de DUO; ook bij diploma’s verkregen/afgegeven buiten Europees Nederland.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
### 5-4. Toelichting ad artikel 5, vierde lid
### Bijlage. bij [artikel 5b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5b)
Het verblijfsdocument W dient als bewijs van rechtmatig verblijf in Nederland voor asielzoekers die in afwachting zijn van een definitief besluit op hun asielaanvraag, voor vreemdelingen die op medische gronden niet uitzetbaar zijn en voor vreemdelingen ten aanzien van wie is besloten dat verstrekkingen op grond van de [Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685) niet worden beëindigd.
### Bijlage 2. Wel/geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
In het kader van de [Wet modern migratiebeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027930), dat per 1 juni 2013 in werking is getreden, is het stelsel van verblijfsvergunningen vereenvoudigd en gestroomlijnd. De beperkingen waaronder een verblijfsvergunning kan worden verleend is in aantal verminderd. Zie hiervoor [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) bij dit artikellid. In deze bijlage wordt tevens aangegeven of er op grond van de beperking al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet.
### paragraaf 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen
Het gaat te ver om in de naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning die naar zijn aard al dan niet tijdelijk is. De naturalisatieprocedure is daar niet op ingericht en is daar ook niet voor bedoeld. Inzet van de naturalisatieprocedure is evenmin de vraag of de verblijfsvergunning die de verzoeker bezit al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Vragen over de verlening, de intrekking dan wel de niet-verlenging van een verblijfsvergunning behoren in beginsel inzet te zijn van een vreemdelingenrechtelijke procedure op grond van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825). Daarom wordt in het kader van de behandeling van een verzoek om naturalisatie in het algemeen geen fictietoets toegepast, waarbij wordt bezien of de verzoeker die niet in het bezit is van een verblijfstitel om voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven, daarvoor wel in aanmerking zou kunnen komen als daarom zou worden gevraagd. Als vreemdelingrechtelijke vragen zich bij het indienen van een verzoek voordoen, moet de verzoeker worden verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ([artikel 36, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). In gevallen waarin een verzoeker in het geheel niet in het bezit is van een verblijfsdocument, niet bereid is om een verblijfsdocument te verkrijgen en niettemin een verzoek om naturalisatie wil indienen, zal de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het verzoek afwijzen.
### Paragraaf 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel
Het bovenstaande neemt niet weg dat een verzoeker (met uitzondering van een verzoeker als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)) op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN op het moment van indiening van het verzoek een onafgebroken periode van vijf jaar ‘toelating’ moet hebben in Nederland als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) (zie de toelichting bij dat artikel) en dat die ‘toelating’ moet voortduren tot en met het moment van beslissen op het verzoek.
### Paragraaf 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van de verblijfsvergunning
Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning met een andere beperking die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. Ook hier geldt – om bovengenoemde redenen – dat verzoeker wordt ontraden om een verzoek in te dienen en dat hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) bij de toelichting op dit artikellid. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument (dus geen fictietoets) met behulp van [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd.
EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen, alsmede hun familieleden – ongeacht hun nationaliteit – die verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, worden aangeduid als gemeenschapsonderdanen. Gemeenschapsonderdanen zijn niet in alle gevallen ook burgers van de Europese Unie. Zo zijn de familie- of gezinsleden van EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht of de genoemde Overeenkomst, maar die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, wel gemeenschapsonderdaan maar niet burger van de Unie.
### paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
De verzoeker wordt ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) HRWN. Door de IND zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht.
### 8-1-c. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### paragraaf 2. Procedure
### paragraaf 3.7. Minderjarigen
Let op! Het kan dus niet zo zijn dat een minderjarige hangende de bezwaarprocedure alsnog gaat voldoen aan de voorwaarden voor medeverlening. Dat zou immers betekenen dat de minderjarige het Nederlanderschap verwerft op een datum, waarop hij nog niet voldeed aan de vereisten voor medeverlening van het Nederlanderschap.
Door de per 1 oktober 2009 in werking getreden [Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026450) is de aanvang van de beslistermijn in bezwaar gewijzigd ([artikel 7:10, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10)). Het bestuursorgaan moet op het bezwaarschrift beslissen binnen zes weken na het verstrijken van de bezwaartermijn (was zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift). Ingevolge artikel 7:10, derde lid, Awb kan de beslistermijn éénmaal met ten hoogste zes weken (was vier weken) verdaagd worden. Deze wijzigingen gelden alleen voor bezwaarschriften die zijn ingediend op of na 1 oktober 2009. Op bezwaarschriften die voor 1 oktober 2009 zijn ingediend is de oude Awb-bezwaartermijn van toepassing.
De beslistermijn op een bezwaarschrift tegen een naturalisatieweigering eindigt in het geval van een positieve beslissing op het moment dat de verzoeker de bekendmaking in ontvangst heeft genomen (in beginsel) op een naturalisatieceremonie. Als de IND niet binnen de wettelijke beslistermijn een beslissing kan nemen op het bezwaarschrift, dan zal de IND een in [artikel 4:15 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15) of [artikel 7:10 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10) genoemde opschortingsgrond toepassen om de beslistermijn op te schorten. Als niet binnen de wettelijke beslistermijn op bezwaar een ceremonie kan worden gehouden, dan zal de IND om de beslistermijn van het bezwaar op te schorten artikel 7:10, vierde lid en onder c Awb toepassen (naleving wettelijke procedurevoorschriften, hiermee wordt gedoeld op de uitreikingstermijn van [artikel 60b lid 2 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Hiervoor zal de IND in overleg treden met de gemeente die het besluit moet uitreiken.
### 8-1-a. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
De beslistermijn wordt opgeschort om redenen die toe te rekenen zijn aan de verzoeker. Dat de beslistermijn op deze grond is opgeschort, kan ook achteraf worden geconstateerd. Als voorbeelden kunnen worden gegeven:
Van overmacht zal niet vaak sprake zijn. Het gaat in ieder geval om een onmogelijkheid om te beslissen die wordt veroorzaakt door abnormale en onvoorziene omstandigheden die buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen: bij bijvoorbeeld brand, overstromingen of in geval van oorlog.
### Paragraaf 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (vva-bep)
### Bijlage 3
**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft.**
### Bijlage 6
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
Voor asielzoekers in de centrale opvang wordt hierop een uitzondering gemaakt: zij worden na een verblijf van een half jaar in de centrale opvang als ingezetene in de BRP ingeschreven. Als de BRP-gegevens niet afdoende blijken, moet de verzoeker zijn hoofdverblijf gedurende de afgelopen vijf jaar zelf aan tonen door middel van andere bewijsstukken. Het begrip ‘hoofdverblijf’ is gedefinieerd in [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) (zie de toelichting bij dat artikellid).
Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal de burgemeester in veel gevallen kunnen afleiden uit het verblijfsdocument en de gegevens in de BRP. In andere gevallen zal de duur van de onafgebroken toelating alleen kunnen worden beoordeeld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de hand van gegevens uit de vreemdelingenadministratie. In die situatie zal de burgemeester de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeken om aan hem een bericht omtrent toelating af te geven. Het is overigens de bedoeling dat een bericht omtrent toelating alleen wordt gevraagd als de burgemeester niet of in onvoldoende mate beschikt over voldoende gegevens. Ook in gevallen waarbij de gegevens in de BRP en het overgelegde verblijfsdocument elkaar tegenspreken of er anderszins omstandigheden zijn waardoor gerede twijfel bestaat over de juiste verblijfsrechtelijke positie van de optant of verzoeker, dient een bericht omtrent toelating te worden gevraagd. Voor de gevallen waarin en de wijze waarop een bericht omtrent toelating moet worden gevraagd, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN.
### Paragraaf 1. Algemeen
### 8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d
### Bijlage 8
De taken met betrekking tot de uitvoering van de Wet inburgering zijn op 1 januari 2013 overgegaan van de gemeente naar de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. De Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO) voert deze taken in mandaat namens de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel uit. Het gaat hier om handhaving van de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtige vreemdelingen die op of na 1 januari 2013 rechtmatig verblijf krijgen in Nederland. De gemeente blijft de handhaving verzorgen van vreemdelingen die voor 1 januari 2013 al rechtmatig verblijf hadden in Nederland.
### Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase
### Paragraaf 2.1.2. Aanvraagfase
### Paragraaf 2.3.1. Inleiding
De verzoeker die een certificaat oudkomers overlegt met alle taalonderdelen ten minste op niveau 2 en de bijbehorende verklaring onderwijsinstelling, is vrijgesteld van:
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
De verklaring moet ieder geval de volgende gegevens bevatten:
### Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
### paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
Voorbeeld van 2:
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Voor het onderzoek naar ongeletterdheid
### paragraaf 2.2. Verblijfsdocumenten
### Paragraaf 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
### paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
### paragraaf 2. Procedure
### Paragraaf 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht
### Paragraaf 5.8. Vierjaartermijn
### paragraaf 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
### Paragraaf 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
### Paragraaf 3.8. Buiten een land van het Koninkrijk ingediende verzoeken
### Bijlage 2
### 8-1-c. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 1. Geprivilegieerden
Verzoekers die na 1 januari 2013 zijn begonnen met het afleggen van het inburgeringsexamen, zullen dus zowel het inburgeringsexamen oude stijl als nieuwe stijl kunnen doen.
### Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase
Om voor bovengenoemde vrijstellingsgronden in aanmerking te komen, overlegt de verzoeker bij zijn verzoek om naturalisatie het gevraagde diploma en in het geval vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is behaald, de cijferlijst waaruit blijkt dat een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal.
### Paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
### Paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl, of de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultaatbrief ‘geslaagd’ voor de hiervoor genoemde examenonderdelen.
### 8-3. Toelichting ad [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
De verzoeker die een WIN-certificaat overlegt met alle taalonderdelen ten minste op niveau 2 en de bijbehorende verklaring van de onderwijsinstelling, is vrijgesteld van:
### paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij DUO
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultaatbrief ‘geslaagd’ voor het examenonderdeel KNS.
### Paragraaf 3.1. Polygamie
Let op! Verklaringen die zijn afgegeven zonder dat de deelnemers zijn getoetst, bijvoorbeeld als een deelnemer (door ziekte) niet aanwezig is op het moment van toetsing, leiden niet tot vrijstelling van het afleggen van de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl of de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl. Deze verklaringen worden veelal ‘bewijzen van deelname’ genoemd.
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### Paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
### Paragraaf 3.1. Polygamie
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
**Ad a:**
**Ad b:**
### Paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
### Paragraaf 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel
Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van de beperking van de verblijfsvergunning van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet (zie hierna [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3&z=2017-04-01&g=2017-04-01)).
### Paragraaf 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
### 8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
### 9-alg. Toelichting algemeen
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
### paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### Paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
Als de burgemeester tot de conclusie komt dat de gegevens op het document niet juist zijn, ontraadt hij verzoeker om een verzoek in te dienen. In dat geval wordt gehandeld zoals beschreven in [paragraaf 2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.1.2&z=2017-04-01&g=2017-04-01). Als de verzoeker toch een verzoek wenst in te dienen, neemt de burgemeester dat in behandeling en neemt zijn bevindingen op dit punt op in zijn advies. Kopieën van het betreffende document worden aan de IND gezonden.
Als vastgesteld is dat de gegevens juist zijn en het document echt is, neemt de burgemeester het verzoek in behandeling, maakt een kopie van het door verzoeker overgelegde document en voegt die kopie met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening ‘kopie van origineel’, alsook een aantekening over de visie van de DUO. De burgemeester stuurt het hele dossier naar de IND. In zijn advies wordt opgenomen dat betrokkene naar zijn oordeel is vrijgesteld van het inburgeringsexamen.
In het geval dat de verzoeker alleen een kopie van een hiervoor genoemd document kan overleggen, komt hij alleen in aanmerking voor (gedeeltelijke) vrijstelling als hij een recente verklaring van de leiding van het betrokken onderwijsinstituut overlegt waaruit blijkt dat de kopie overeenstemt met het door dat instituut afgegeven originele getuigschrift of diploma.
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
Als het contact met het instituut waar de opleiding is gevolgd leidt tot vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is, kan het verzoek tot naturalisatie worden ingediend en wordt de kopie van het document en de begeleidende verklaring van het desbetreffende instituut in het dossier gevoegd. Het gehele dossier stuurt hij op aan de IND. In het advies wordt nu ook opgenomen dat betrokkene naar het oordeel van de burgemeester is vrijgesteld van het inburgeringsexamen.
Wordt een dergelijke verklaring niet overhandigd, dan moet de verzoeker het inburgeringsexamen afleggen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Voor het onderzoek naar ongeletterdheid
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van Vw 2000
### Paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
### Paragraaf 3.6. Molukkers
### paragraaf 3.7. Minderjarigen
### Paragraaf 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (vva-bep)
### paragraaf 2. Procedure
### Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase
### Paragraaf 2.3.3. Beroep ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
De verzoeker is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van de documenten en, als van toepassing, voor de vertalingen, legalisatie of apostille van de stukken. Als de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dan moet betrokkene zelf ervoor zorgen dat de stukken worden vertaald door een beëdig vertaler, bij voorkeur in het Nederlands. Deze vertaling moet gehecht zijn aan het originele (afschrift van het) document. De op dit moment geldige legalisatiecirculaire is van toepassing.
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
Als de burgemeester onmiddellijk vaststelt dat het overgelegde document niet origineel is of de personalia niet overeenkomen met die van verzoeker, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. In dit geval wordt conform [paragraaf 2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.1.2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) gehandeld.
In geval van een overgelegde verklaring als hiervoor bedoeld neemt de burgemeester – alvorens het verzoek te doen indienen – ter verificatie contact op met het instituut dat de verklaring heeft afgegeven.
### paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
In geval van een overgelegde verklaring als hiervoor bedoeld neemt de burgemeester – alvorens het verzoek te doen indienen – ter verificatie contact op met het instituut dat de verklaring heeft afgegeven.
Een verzoeker om naturalisatie die ten genoegen van Onze Minister aantoont wegens een lichamelijke en/of geestelijke belemmering dan wel een verstandelijke handicap of ondanks geleverde inspanningen redelijkerwijs niet in staat te zijn de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen) te behalen, is op grond van [artikel 4 van het Besluit Naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4), van het examen ontheven.
Een verzoeker om naturalisatie die ten genoegen van Onze Minister aantoont wegens een lichamelijke en/of geestelijke belemmering dan wel een verstandelijke handicap of ondanks geleverde inspanningen redelijkerwijs niet in staat te zijn de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen) te behalen, is op grond van [artikel 4 van het Besluit Naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4), van het examen ontheven.
Als de verzoeker een ernstige psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap heeft en het inburgeringsexamen niet op de gebruikelijke wijze of met aangepaste examenomstandigheden kan afleggen is hij ontheven van het examen. Er is geen sprake van gedeeltelijke ontheffing. De verzoeker wordt altijd voor het gehele examen ontheven. [Artikel 5 van de Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=5) geeft hieraan uitwerking.
De verzoeker moet zelf aantonen dat hij in aanmerking komt voor ontheffing van het afleggen van het inburgeringsexamen. Dit kan met ingang van 1 januari 2013 op de volgende manieren:
Dit geldt voor niet-inburgeringsplichtige naturalisatieverzoekers (waaronder Europees onderdaan en Turkse onderdanen).
Deze medisch adviseur is aangesloten bij een organisatie die door DUO (krachtens mandaat verleend door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) is gecontracteerd voor het uitbrengen van de medische adviezen.
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
Dit geldt voor voormalige inburgeringsplichtige naturalisatieverzoekers.
Dit is een beschikking van DUO waarin staat dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de betrokkene ontheft van de inburgeringsplicht omdat hij heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
Dit geldt voor voormalige inburgeringsplichtige naturalisatieverzoekers.
### 4. Afleggen verklaring van verbondenheid
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
De medisch adviseur is een arts – niet zijnde een behandelend arts van betrokkene – die is ingeschreven in het BIG-Register (het conform de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gehouden register).
De medisch adviseur stelt vast of er een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap is waardoor de verzoeker het examen binnen een termijn van vijf jaar al dan niet kan behalen. Ook kan de medisch adviseur vaststellen dat het examen wel kan worden behaald, zij het met een aanpassing van de examenomstandigheden, de zogenaamde bijzondere examenomstandigheden of met lichte aanpassingen in het voorbereidingstraject.
### Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is
Medische adviezen opgemaakt anders dan conform [model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01), of onvolledige adviezen, worden niet geaccepteerd. Voorts mag het medisch advies bij het indienen van het naturalisatieverzoek niet ouder dan zes maanden zijn. Voor meer informatie, zie www.indklantdienstwijzer.nl.
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2015-04-17&g=2015-04-17) Afleggen verklaring van verbondenheid)
Als de verzoeker inburgeringsplichtig is geweest, is het ook mogelijk dat de betrokkene door DUO is ontheven van de inburgeringsplicht wegens een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap. Deze beschikking geeft ook ontheffing voor het afleggen van het inburgeringsexamen op voorwaarde dat deze op de dag van indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouders is dan drie jaar.
Als de verzoeker inburgeringsplichtig is geweest conform de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611), zoals die luidde tot 1 januari 2013, is het mogelijk dat er in het kader van deze wet een beschikking die strekt tot ontheffing van het inburgeringsexamen wegens een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap door het college van burgemeester en wethouders aan de verzoeker is afgegeven. Deze beschikking geeft ook ontheffing voor het inburgeringsexamen in het kader van de naturalisatieprocedure op voorwaarde dat deze op de dag van indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouders is dan drie jaar.
### paragraaf 1. Algemeen
De gemeente kan zonder nadere inhoudelijke controle afgaan op het medisch advies, en op het adviesblad naturalisatie bij ‘inburgering’ aantekenen dat ontheffing van het examen wordt geadviseerd. Mocht het advies niet conform het advies ([model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) of onvolledig zijn, dan adviseert de burgemeester betrokkene een nieuw advies te krijgen. Wenst betrokkene toch een verzoek om naturalisatie in te dienen, onder overlegging van een medisch advies dat onvolledig of onduidelijk is, dan wordt op het adviesblad naturalisatie bij inburgering ‘niet akkoord’ aangetekend.
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
### Paragraaf 3.1. Polygamie
Mochten er vragen zijn ten aanzien van de inhoud van het afgegeven medisch advies, dan neemt de IND contact op met de aangewezen medisch adviseur.
### Paragraaf 2.3.3. Beroep ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
Naast de ontheffing op grond van medische redenen kan er ook een ontheffing worden gegeven op grond van niet medische redenen. [Artikel 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6) geeft hieraan uitwerking.
Ontheffing op grond van aantoonbare inspanningen (niet medische redenen) kan worden verleend in de volgende gevallen:
Tot 1 juli 2013 gold dat hiervoor het haalbaarheidsonderzoek bij het ROC Amsterdam moest worden afgelegd en de Toets Gesproken Nederlands (TGN) moest worden gehaald.
Met ingang van 1 juli 2013 wordt het haalbaarheidsonderzoek ROC Amsterdam vervangen door een inspanningstoets. DUO geeft aan de hand van vastgestelde criteria een advies inhoudende dat het voor iemand ondanks aantoonbaar geleverde inspanningen niet mogelijk is het inburgeringsexamen te halen.
Tot 1 juli 2013 is ontheffing op grond van niet medische redenen mogelijk via het haalbaarheidsonderzoek van het ROC Amsterdam. Betrokkene is ontheven van het afleggen van het inburgeringsexamen als hij een advies overlegt van het ROC Amsterdam waarin staat dat hij wegens beperkt leervermogen in samenhang met ondermeer vooropleiding en leeftijd in redelijkheid niet in staat geacht kan worden geacht het examen te behalen. Het advies mag bij de indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouder zijn dan vijf jaar. Wel moet betrokkene de toets gesproken Nederlands (TGN) op A2 niveau behalen om het kunnen spreken en verstaan van het Nederlands op het voor naturalisatie gewenste niveau aan te tonen.
Betrokkene moet bij de indiening van het verzoek het volgende overleggen:
### 9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid
Vanaf 1 juli wordt in de verzoeker in het kader van de naturalisatie op grond van niet medische redenen ontheven van het afleggen van het inburgeringsexamen als hij zich aantoonbaar heeft ingespannen het inburgeringsexamen te behalen. Hij kan dit aantonen op de volgende manieren:
Dit is een ontheffingsbeschikking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. DUO is gemandateerd deze taak uit te voeren. Uit deze beschikking moet blijken dat de verzoeker op grond van [artikel 6, eerst lid, aanhef en onder b, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6) is ontheven van de inburgeringsplicht wegens aantoonbaar geleverde inspanning om aan die plicht te voldoen. Deze ontheffingsbeschikking kan alleen worden afgegeven aan vreemdelingen die op of ná 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden.
### Paragraaf 3.1. Polygamie
Let op! Een ontheffingsbeschikking op grond van aantoonbare inspanning afgegeven door het college van B&W geeft geen recht op ontheffing in het kader van de naturalisatie.
### 9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
Betrokkene moet de volgende stukken meesturen:
Betrokkene hoeft de 600 uur inburgeringscursus niet bij één en dezelfde instelling te hebben gevolgd. Voor instellingen met het Blik op Werk Keurmerk: zie www.blikopwerk.nl/inburgeren.
Aan de beoordeling van deze ontheffingsgrond bij DUO (het advies) zijn geen kosten verbonden.
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie moet betrokkene het advies van DUO overleggen.
Betrokkene moet de volgende stukken meesturen:
Betrokkene hoeft de 600 uur alfabetiseringscursus niet bij één en dezelfde instelling te hebben gevolgd. Voor instellingen met het Blik op Werk Keurmerk: zie www.blikopwerk.nl/inburgeren.
### Bijlage 8
Aan de beoordeling van de ontheffingsgrond zelf bij DUO (het advies) zijn geen kosten verbonden.
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie moet betrokkene het advies van DUO overleggen.
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie moet betrokkene het advies van DUO overleggen.
Voor het aanvragen van een advies van DUO inzake ontheffing aantoonbare inspanning (zie [paragraaf 2.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.3¶graaf=2.3.4&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) wordt gebruik gemaakt van het formulier dat te verkrijgen is via www.inburgeren.nl en www.indklantdienstwijzer.nl. Op het formulier kruist betrokkene aan of hij een beroep doet op ontheffing a of b. Is door de betrokkene onvoldoende bewijs geleverd naar het oordeel van DUO, dan krijgt betrokkene een negatief advies op het ontheffingsverzoek. De aangeleverde documenten worden tegelijkertijd met het advies aan betrokkene teruggestuurd.
Let op! De IND krijgt van DUO geen kopie van het advies. Het advies wordt naar de betrokkene gestuurd.
Let op! De IND krijgt van DUO geen kopie van het advies. Het advies wordt naar de betrokkene gestuurd.
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
### Paragraaf 3.1. Polygamie
### Paragraaf 3.1. Polygamie
Het rechtsbeginsel van monogamie komt onder andere tot uiting in [artikel 1:33 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=33) en [artikel 1:69 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=69). Deze artikelen bepalen respectievelijk dat een man slechts met een vrouw, de vrouw slechts met een man kan zijn getrouwd en dat een polygaam huwelijk nietig kan worden verklaard. Het beginsel van monogamie komt ook tot uitdrukking in [artikel 10:29 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=29). Dit artikel verbiedt het voltrekken van een polygaam huwelijk in Nederland voor zowel Nederlanders als vreemdelingen.
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
Als een verzoeker zich niet wenst te conformeren aan de in Nederland geldende fundamentele rechtsbeginselen, is hij in wezen feitelijk niet voldoende ingeburgerd. Bovendien is zijn situatie dan niet in overeenstemming met de Nederlandse civielrechtelijke openbare (rechts)orde (zie bij [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [9 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
### Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
[Artikel 10:58 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=58) geeft onder meer aan dat een in het buitenland uitgesproken verstoting in Nederland slechts dan als een rechtsgeldige ontbinding van het huwelijk wordt aangemerkt, eerst dan naar Nederlands recht kan worden erkend, als de verstoting onherroepelijk is en de vrouw hiermee (uitdrukkelijk of stilzwijgend) heeft ingestemd of zich erbij heeft neergelegd, door middel van bijvoorbeeld een bewijs van verstotingshandeling (waaruit de instemming van de vrouw kan worden afgeleid), een bewijs van instemming of berusting, een bewijs dat de ex-echtgenote is hertrouwd of een huwelijksakte van de man betreffende een huwelijk gesloten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand in Nederland. Als bewijs dat een polygaam huwelijk niet meer in stand is, dient uiteraard ook de overlijdensakte van de verstoten vrouw. Verstotingen van vóór de inwerkingtreding van de [artikelen 10:27 tot en met 10:53 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=27) worden analoog behandeld.
Als de verzoeker de nationaliteit bezit van een land waar polygamie mogelijk is, zal de burgemeester aan de hand van de gegevens in de BRP nagaan of er sprake is (geweest) van eerdere huwelijken. Als uit de BRP blijkt dat sprake is (geweest) van eerdere huwelijken zal moeten worden onderzocht of de ontbinding van het huwelijk naar Nederlands recht kan worden erkend. Het ligt op de weg van de verzoeker om aan de hand van documenten aan te tonen dat een eerdere echtgenoot heeft ingestemd met de verstoting. Zo is de omstandigheid dat de verstoting lang geleden heeft plaatsgevonden geen reden om aan te nemen dat de vrouw stilzwijgend heeft ingestemd met de verstoting.42[97] De burgemeester zal bij de indiening van het verzoek aan een verzoeker als hier bedoeld vragen of er nog sprake is van eerdere huwelijken die niet in de BRP zijn opgenomen (zie [model 2.1 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01)). Als dat het geval is, moet aan de hand van de door de verzoeker overgelegde documenten worden onderzocht of dat huwelijk is ontbonden op een naar Nederlands recht erkende wijze.
### Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
Bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie kunnen moeilijkheden worden ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren van de BRP van buitenlandse verstotingsakten. Het blijkt namelijk dat bij de inschrijving in de toenmalige GBA (de voorganger van de BRP) van eenzijdige verstotingen van vóór 10 april 1981 (inwerkingtreding van de tot 1 januari 2012 geldende [WCE](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003384)) veelal is nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd dan wel zich daarbij heeft neergelegd. De omstandigheid dat een verstoting van vóór 10 april 1981 in de BRP staat ingeschreven als ontbinding van een huwelijk levert dan ook geen bewijs op dat de verstoting rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren na inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo lange tijd nog een bewijs van de berusting van de vrouw te verkrijgen.
### 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
Een ontbinding van het huwelijk die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van één van de echtgenoten tot stand is gekomen wordt in Nederland erkend als:
### Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
De hierboven gegeven criteria zijn uiteraard vatbaar voor rechterlijke toetsing. De hierboven genoemde lijst van omstandigheden, waaruit de instemming of de berusting blijkt, is niet limitatief. Er kunnen andere feitelijke omstandigheden zijn die er mede op wijzen dat de vrouw zich bij de verstoting heeft neergelegd.
### 9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie [toelichting op artikel 7 RWN, paragraaf 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.5&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
### paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
Inburgering wordt met name getoetst aan de hand van de naturalisatietoets en het vereiste van een monogaam huwelijk. Als verzoeker aan deze voorwaarden voldoet, wordt in beginsel aangenomen dat hij de Nederlandse rechtsorde in algemene zin heeft aanvaard.
### Paragraaf 4. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
Een vrouw meldt zich na 1 juli 2013 bij de gemeente om een naturalisatieverzoek in te dienen en geeft daarbij aan dat zij analfabeet is. Zij stelt dat zij als analfabeet in aanmerking komt voor ontheffing van de naturalisatietoets. Ter ondersteuning hiervan overhandigt zij een verklaring van de huisarts en een verklaring van haar man. De burgemeester legt uit dat deze verklaringen bij analfabetisme nimmer leiden tot een ontheffing van de naturalisatietoets.
### paragraaf 3. Topsporters
Beslissing: Het naturalisatieverzoek wordt afgewezen. Om wegens geleverde inspanningen voor ontheffing van de naturalisatietoets in aanmerking te komen, dient de vrouw aan te tonen dat zij zich heeft ingespannen om voldoende taalvaardig te worden in de Nederlandse taal. Zij kan dit alleen aantonen door het overleggen van een advies van DUO of, als zij op of na 1 januari 2013 inburgeringsplichtig is geworden, door het overleggen van een beschikking tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6) van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2016-04-01&g=2016-04-01) Afleggen verklaring van verbondenheid)
Beslissing: De Japanse vrouw komt in beginsel in aanmerking voor de verkrijging van het Nederlanderschap door optie ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Zij hoeft niet te voldoen aan de voorwaarde van inburgering die de wetgever onder verlening van het Nederlanderschap beschrijft en hoeft dientengevolge ook geen naturalisatietoets af te leggen. Overigens staat het haar vrij de toets toch te doen. Voor de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie speelt de toets echter geen rol.
Beslissing: De Japanse vrouw komt in beginsel in aanmerking voor de verkrijging van het Nederlanderschap door optie ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Zij hoeft niet te voldoen aan de voorwaarde van inburgering die de wetgever onder verlening van het Nederlanderschap beschrijft en hoeft dientengevolge ook geen naturalisatietoets af te leggen. Overigens staat het haar vrij de toets toch te doen. Voor de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie speelt de toets echter geen rol.
Landen waar polygamie en/of verstoting mogelijk is (geactualiseerd per 1 juni 2009)
Landen waar polygamie en/of verstoting mogelijk is (geactualiseerd per 1 juni 2009)
**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd.**
**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd.**
### 1. Algemeen
Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij de indiening van het verzoek om naturalisatie een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van deze verklaring. De eis om een bereidverklaring te ondertekenen en vervolgens de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als het verzoek om naturalisatie op of ná 1 maart 2009 wordt ingediend. Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd.56Zie ook toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 6, tweede lid , artikel 11, vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN.
### 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige naturalisandus. Daarnaast geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid ook voor de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie, op grond van [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) wordt ingediend zestien jaar of ouder is. Medenaturalisandi van 16 of 17 jaar ([artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)) zijn niet verplicht om de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid af te leggen, dit is nog niet geregeld door de wetgever. Hier wordt op termijn door de wetgever in voorzien.
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 2.30). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling af voordat het uittreksel van het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01)**Afleggen verklaring van verbondenheid**).
### 8-3. Toelichting ad [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### 4. Afleggen verklaring van verbondenheid
### 4. Afleggen verklaring van verbondenheid
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd.
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd.
Voor een enkele verzoeker kan echter een uitzondering gemaakt worden. Indien van de verzoeker door omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling uitspreekt tegenover de bevoegde autoriteit, wordt een schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. De beoordeling of sprake is van de hier bedoelde omstandigheden, ligt bij de burgemeester57Zie artikel 60b, vijfde lid, BVVN en paragraaf 3.13.4 Zwaarwegende redenen en uitzonderingen. en wordt gestaafd door ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken).
### Paragraaf 5.1. Misdrijven
Daarnaast zijn omstandigheden denkbaar waarbij de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand in het geheel niet in staat is om de verklaring van verbondenheid af te leggen. Dan wordt de verklaring van verbondenheid niet afgelegd. Het zal hier zeer uitzonderlijke gevallen betreffen. De onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid, wordt beoordeelt door de Minister van Justitie.58Zie artikel 60b, zesde lid, BVVN.
Wordt de toezegging een verklaring van verbondenheid af te leggen niet nagekomen en er is geen ontheffing van het mondeling of schriftelijk afleggen verleend, dan wordt het uittreksel van het naturalisatiebesluit niet uitgereikt en het Nederlanderschap niet verkregen. Immers, pas door de bekendmaking kan iemand Nederlander worden door naturalisatie.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Op grond van [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) geldt voor een aantal categorieën oud-Nederlanders niet het vereiste dat zij gedurende een jaar of langer toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland moeten hebben om het Nederlanderschap door optie te kunnen herkrijgen. Deze overgangsregeling geldt van 1 april 2003 tot en met 31 maart 2013 ([artikel 26, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)).
### 6-1-g. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 1.1. Afstamming door geboorte
De Nederlandse vrouw die na 1 april 1953 en tot 24 augustus 1957 met een Duitse man huwde verloor niet automatisch de Nederlandse nationaliteit, omdat zij door haar huwelijk niet automatisch de Duitse nationaliteit verkreeg. Dit volgde uit het vonnis van Bundesverfassungsgericht van 1 april 1953. Het Hof oordeelde dat vanaf die datum een vreemde vrouw die met een Duitser huwde op grond van artikel 3, tweede lid Grundgesetz (dat de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen vastlegt) niet automatisch de Duitse nationaliteit kreeg.
### Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
Vanaf 1 maart 1964 kon de getrouwde vrouw afstand doen van de Nederlandse nationaliteit (artikel 8a WNI 1892), nadat zij de vreemde nationaliteit van haar echtgenoot had verkregen.
### Paragraaf 2.1. Verkrijging van de Nederlandse nationaliteit onder de WNI 1892
Het (openbaar) Nationaliteitenregister van de IND in Rijswijk kan door de optieautoriteit worden geraadpleegd om te beoordelen of de moeder voorafgaande aan de geboorte van de optant afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 8a of dat sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7 sub 2, 4 of 5 WNI 1892. Immers, kennisgevingen ex artikel 7 sub 5, verloven ex artikel 7 sub 4, vervallenverklaringen ex artikel 7 sub 2, opties en naturalisatie zijn onder meer opgenomen in het Nationaliteitenregister.
### Paragraaf 1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met een Nederlandse nationaliteit
Een kind dat werd geboren uit een ongehuwde Nederlandse vrouw kreeg ook voor 1 januari 1985 de Nederlandse nationaliteit via zijn moeder (zie paragraaf 2.1).
### Paragraaf 1.3. De vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind
Ook optiegerechtigd is de vreemdeling die niet als gevolg van het tot stand komen van de afstammingsrelatie met zijn niet-Nederlandse vader de Nederlandse nationaliteit heeft verloren, maar door een andere verliesgrond uit de WNI 1892 dan wel de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
### 6-1-j. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Een erkenning in het buitenland, op grond waarvan in het verleden het uit de ongehuwde Nederlandse vrouw geboren kind zijn Nederlanderschap ooit heeft verloren, dient tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de destijds geldende regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht ([Wet Algemene Bepalingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001833)). Dit geldt ook voor de buitenlandse gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.
### Paragraaf 2.1. Verkrijging van de Nederlandse nationaliteit onder de WNI 1892
Een kind wordt in 1958 geboren staande huwelijk. Zijn oorspronkelijk Nederlandse moeder heeft door het huwelijk met een Italiaan automatisch de Italiaanse nationaliteit verkregen en de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 5 (oud) WNI. Ten tijde van de geboorte van haar kind bezat zijn moeder niet meer de Nederlandse nationaliteit. Hij kan het Nederlanderschap dus niet verkrijgen door optie ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
### 6-1-j. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Van deze optie kon alleen gebruik worden gemaakt als de moeder van het kind op het moment van de optie de Nederlandse nationaliteit bezat, of als zij voordat de optie werd uitgebracht, als Nederlandse was overleden. Het kind moest daarnaast op 1 januari 1985 jonger zijn dan 21 jaar.
### Paragraaf 2. De Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 december 1892
Voorts neemt de optieautoriteit contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen, als eerder opgemerkt in [paragrafen 1.2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=1¶graaf=1.2¶graaf=1.2.1¶graaf=1.2.1.2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=1¶graaf=1.5&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
### Paragraaf 1.5. Vereiste documenten
De adoptie moet zijn uitgesproken binnen het huidig Koninkrijk en het kind moet minderjarig zijn op het moment van de uitspraak in eerste aanleg.
### Paragraaf 1.3. Bezit Nederlandse nationaliteit adoptiefmoeder ten tijde van onherroepelijk uitspraak
Vóór 1 januari 1985 was de verwerving van het Nederlanderschap door afstamming in de regel de nationaliteit van de vader maatgevend (artikel 1 sub a en b WNI 1892).
### Paragraaf 1.4. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie
Onder de WNI kon het Nederlanderschap ook verloren gaan. Deze verliesgronden waren geregeld in artikel 7 WNI 1892. Het Nederlanderschap op grond van artikel 7 WNI 1892 werd alleen verloren door meerderjarigen (21 jaar en ouder), behalve in het geval dat een kind deelde in de naturalisatie van zijn ouder, dan verloor ook een minderjarige het Nederlanderschap. Als de vreemde nationaliteit reeds was verkregen door geboorte op het grondgebied (bijvoorbeeld de VS) en dus niet door medenaturalisatie, werd het Nederlanderschap niet verloren door het kind.
### Paragraaf 1.5. Vereiste documenten
Deze verliesgronden golden ook voor de van oorsprong Nederlandse vrouw/meisje.
### 6-1-j. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Nadat in Nederland in 1956 het instituut van de adoptie werd ingevoerd werd in 1962 artikel 1bis in de WNI gevoegd, waardoor geadopteerde kinderen ook de Nederlandse nationaliteit konden verkrijgen. De voorwaarden waren:
Daarnaast zijn omstandigheden denkbaar waarbij de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand in het geheel niet in staat is om de verklaring van verbondenheid af te leggen. Dan wordt de verklaring van verbondenheid niet afgelegd. Het zal hier zeer uitzonderlijke gevallen betreffen. De onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid, wordt beoordeelt door de Minister van Justitie.58Zie artikel 60b, zesde lid, BVVN.
Op grond van dit artikellid geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf indien de verzoeker:
Op grond van dit artikellid geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf indien de verzoeker:
Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld:
Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld:
Als de verzoeker in de afgelopen drie jaar onafgebroken is getrouwd met een Nederlander of in geval van drie jaar geregistreerd partnerschap (vergelijk [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) én beide partners tijdens deze periode drie jaar onafgebroken samenwonen, geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf. Het huwelijk en de samenwoning mogen gedurende deze periode van drie jaar niet onderbroken zijn geweest, aangezien een onderbreking afbreuk doet aan de bij een huwelijk met een Nederlander veronderstelde versnelde inburgering. Op het moment van de indiening van het verzoek moet de echtgenoot van de verzoeker in het bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit. Niet vereist is dat de Nederlandse echtgenoot van de verzoeker al drie jaar het Nederlanderschap bezit. Het is dus niet zo dat pas drie jaren na de naturalisatie van de één, de ander een verzoek mag indienen.
Een periode van ongetrouwd samenwonen binnen het Koninkrijk, onmiddellijk voorafgaand aan het huwelijk, mag worden meegerekend voor de toepassing van het onderhavige artikellid. Echter, een periode waarin de verzoeker buiten het Koninkrijk **ongetrouwd** heeft samengewoond met een Nederlander, telt niet mee.
De samenwoning binnen het Koninkrijk kan worden aangetoond door inschrijving op een zelfde adres in de BRP, PIVA of basisadministratie. Als de samenwoning niet afdoende blijkt uit de BRP, PIVA of basisadministratie, moet de verzoeker de samenwoning bewijzen door middel van andere bewijsstukken. Samenwoning **tijdens het huwelijk**buiten het Koninkrijk kan in sommige gevallen worden aangetoond met een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie van het land van samenwoning. Overigens heeft niet ieder land een gemeentelijke of centrale bevolkingsadministratie. In die gevallen zal de verzoeker met andere bewijsstukken moeten aantonen dat sprake is geweest van onafgebroken samenwoning met de Nederlandse echtgenoot.
A is geboren in 1953 in Suriname als zoon van Nederlandse ouders. Op 25 november 1975 heeft A de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van de toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS). A kan als oud-Nederlander onmiddellijk na vestiging in Nederland een verzoek om naturalisatie indienen bij de burgemeester van zijn woonplaats. Hij hoeft voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek geen toelating en hoofdverblijf in Nederland te hebben gehad. Uiteraard dient hij wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie te voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap. Zodra A een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland heeft gehad, kan hij er overigens ook voor kiezen om een optieverklaring af te leggen. Zie hiervoor [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
B heeft de Spaanse nationaliteit en woont met haar Nederlandse echtgenoot in Spanje. Na drie jaar huwelijk vestigt B zich met haar echtgenoot in Nederland en schrijven beiden zich in op hetzelfde adres in de Gemeente Arnhem. Mits B kan aantonen dat zij gedurende haar huwelijk ten minste drie jaren in Spanje heeft samengewoond met haar Nederlandse echtgenoot, kan zij onmiddellijk na vestiging in Nederland een verzoek om naturalisatie indienen. Zij hoeft voorafgaand aan de indiening van haar verzoek geen toelating en hoofdverblijf in Nederland te hebben gehad. Uiteraard moet B wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap.
B heeft de Spaanse nationaliteit en woont met haar Nederlandse echtgenoot in Spanje. Na drie jaar huwelijk vestigt B zich met haar echtgenoot in Nederland en schrijven beiden zich in op hetzelfde adres in de Gemeente Arnhem. Mits B kan aantonen dat zij gedurende haar huwelijk ten minste drie jaren in Spanje heeft samengewoond met haar Nederlandse echtgenoot, kan zij onmiddellijk na vestiging in Nederland een verzoek om naturalisatie indienen. Zij hoeft voorafgaand aan de indiening van haar verzoek geen toelating en hoofdverblijf in Nederland te hebben gehad. Uiteraard moet B wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap.
**De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op twee jaren gesteld voor degene die in totaal ten minste tien jaren in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating en hoofdverblijf heeft gehad.**
Op grond van deze bepaling geldt een – verkorte – termijn van twee jaar toelating en hoofdverblijf als de verzoeker in totaal ten minste tien jaar toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk heeft gehad maar zijn hoofdverblijf in het Koninkrijk heeft onderbroken doordat hij in een ander land woonde of geen aaneengesloten periode van toelating heeft gehad in de periode dat hij hoofdverblijf in het Koninkrijk had. De duur van de onderbreking van de toelating dan wel het hoofdverblijf is niet relevant. De onafgebroken termijn van twee jaren toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk dient onmiddellijk vooraf te gaan aan de indiening van het verzoek. Vervolgens dienen de toelating en het hoofdverblijf onafgebroken voort te duren tot aan het moment waarop op het verzoek wordt beslist.
Of sprake is van twee jaren onafgebroken toelating en hoofdverblijf kan in de meeste gevallen worden afgeleid uit het verblijfsdocument en de BRP. Als deze gegevens onvoldoende uitsluitsel bieden, kan de burgemeester aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een bericht omtrent toelating vragen. Voor de beoordeling van de vraag of de verzoeker in totaal ten minste tien jaar toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk heeft gehad kan – zo nodig – eveneens een bericht omtrent toelating worden gevraagd.46[104] Zie voor uitleg van de begrippen ‘toelating’ en ‘hoofdverblijf’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN.
### Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
C is twintig jaar en bezit de Turkse nationaliteit. Van zijn vijfde tot zijn twaalfde jaar woonde hij in Nederland bij zijn ouders. Zijn moeder was in die tijd aaneengesloten in het bezit van een verblijfsvergunning bij zijn vader. Deze verblijfsvergunning had mede betrekking op C.
Van zijn twaalfde tot zijn zeventiende woonde C met zijn moeder in Turkije. Sinds zijn zeventiende woont hij weer in Nederland. Gedurende een jaar was hij in het bezit van een vergunning tot verblijf bij vader. Aansluitend was hij een jaar in het bezit van een vergunning tot verblijf zonder beperking. Aan het eind van dat jaar vergat hij om zijn verblijfsvergunning tijdig te verlengen. Drie maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur werd hij alsnog in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning, met een geldigheidsduur van een jaar. Deze vergunning werd echter niet met terugwerkende kracht verleend.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
D is van Marokkaanse nationaliteit. Hij woont en werkt in totaal al vijftien jaar in Nederland, maar hij heeft pas sinds twee jaar een verblijfsvergunning. D komt dus niet in aanmerking voor de verkorte termijn van twee jaar toelating en hoofdverblijf. Weliswaar heeft hij in totaal meer dan tien jaar hoofdverblijf in Nederland, maar hij heeft in totaal nog geen tien jaar toelating in Nederland. Als D zijn hoofdverblijf in Nederland houdt en zijn verblijfsvergunning steeds tijdig laat verlengen, kan hij over drie jaar een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft dan direct voorafgaand aan het verzoek om naturalisatie vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland. Of het verzoek van D dan wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of D dan voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
D is van Marokkaanse nationaliteit. Hij woont en werkt in totaal al vijftien jaar in Nederland, maar hij heeft pas sinds twee jaar een verblijfsvergunning. D komt dus niet in aanmerking voor de verkorte termijn van twee jaar toelating en hoofdverblijf. Weliswaar heeft hij in totaal meer dan tien jaar hoofdverblijf in Nederland, maar hij heeft in totaal nog geen tien jaar toelating in Nederland. Als D zijn hoofdverblijf in Nederland houdt en zijn verblijfsvergunning steeds tijdig laat verlengen, kan hij over drie jaar een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft dan direct voorafgaand aan het verzoek om naturalisatie vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland. Of het verzoek van D dan wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of D dan voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op drie jaren gesteld voor de verzoeker die hetzij ongehuwd tenminste drie jaren onafgebroken met een ongehuwde Nederlander in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleeft, hetzij staatloos is.
Op grond van deze bepaling geldt een – verkorte – termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk als de verzoeker voorafgaand aan de indiening van het verzoek ten minste drie jaar onafgebroken ongetrouwd samenwoont binnen het Koninkrijk met een en dezelfde ongetrouwde Nederlandse partner. De toelating en de samenwoning met die ongetrouwde Nederlandse partner moeten op het moment van de beslissing op het verzoek voort duren. De samenwoning binnen het Koninkrijk kan worden aangetoond door inschrijving op een zelfde adres in de BRP, PIVA of basisadministratie. Een periode van samenwoning buiten het Koninkrijk telt niet mee.
De (niet-Nederlandse) ongetrouwde partner van een ongetrouwde en tot Nederlander genaturaliseerde vreemdeling komt in aanmerking voor toepassing van dit artikellid, mits onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek en sinds deze relatie sprake is van ten minste drie jaar onafgebroken samenwoning binnen het Koninkrijk. Op het moment van de indiening van het verzoek dient de partner van de verzoeker in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. Niet vereist is dat de Nederlandse partner reeds drie jaar het Nederlanderschap bezit. Het is dus niet zo dat pas drie jaren na de naturalisatie van de één, de ander een verzoek kan indienen.
Verblijf in het verleden in Nederland als geprivilegieerde vreemdeling, werkzaam bij een internationale organisatie, geldt onder specifieke voorwaarden als toelating in hierboven bedoelde zin.
De periode dat de vreemdeling op basis van een geprivilegieerde status in Nederland heeft verbleven, en derhalve ingeschreven heeft gestaan in het daarvoor bestemde register bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, geldt in het kader van een naturalisatieverzoek als toelating in de zin van de RWN, mits deze periode onmiddellijk voorafging aan de toelating in het kader van de Vreemdelingenwet. Deze (onafgebroken) periode mag derhalve worden meegeteld voor de vereiste termijn van drie jaren toelating in het kader van naturalisatie.
Het verblijf als geprivilegieerde moet worden aangetoond door middel van het overleggen van een originele verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ingeval van contra-indicatie dat het verblijf als geprivilegieerde, ondanks de verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, niet onafgebroken is geweest, kan contact worden opgenomen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Eveneens geldt een – verkorte – termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf voor de verzoeker die staatloos is. Zie voor uitleg van het begrip ‘staatloze’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN.
Ook voor [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt het overgangsrecht (zie de paragraaf ‘Overgangsrecht’) in de toelichting onder artikel 7. Het overgangsrecht is ook beschreven in de toelichting onder artikel VII, tweede lid RRWN.
De Fransman E woont in Frankrijk tien jaar ongetrouwd samen met een Nederlander. Beiden vestigen zich vervolgens in Nederland. Na enkele dagen wordt E in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf bij Nederlandse partner. Na anderhalf jaar gaan beiden in Nederland een geregistreerd partnerschap aan. E kan, na nog eens anderhalf jaar onafgebroken samenwonen met zijn Nederlandse partner en mits hij gedurende die periode onafgebroken in het bezit blijft van een geldige verblijfsvergunning, een verzoek om naturalisatie indienen. Hij voldoet dan aan de verkorte termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. De termijn van anderhalf jaar ongetrouwd samenwonen in Nederland en de termijn van anderhalf jaar samenwonen in geregistreerd partnerschap (dat op grond van artikel 1, tweede lid, RWN is gelijkgesteld met een huwelijk) in Nederland, mogen bij elkaar worden opgeteld. De termijn van tien jaar ongetrouwd samenwonen in het buitenland telt niet mee. Of het verzoek van E wordt ingewilligd hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
De Fransman E woont in Frankrijk tien jaar ongetrouwd samen met een Nederlander. Beiden vestigen zich vervolgens in Nederland. Na enkele dagen wordt E in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf bij Nederlandse partner. Na anderhalf jaar gaan beiden in Nederland een geregistreerd partnerschap aan. E kan, na nog eens anderhalf jaar onafgebroken samenwonen met zijn Nederlandse partner en mits hij gedurende die periode onafgebroken in het bezit blijft van een geldige verblijfsvergunning, een verzoek om naturalisatie indienen. Hij voldoet dan aan de verkorte termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. De termijn van anderhalf jaar ongetrouwd samenwonen in Nederland en de termijn van anderhalf jaar samenwonen in geregistreerd partnerschap (dat op grond van artikel 1, tweede lid, RWN is gelijkgesteld met een huwelijk) in Nederland, mogen bij elkaar worden opgeteld. De termijn van tien jaar ongetrouwd samenwonen in het buitenland telt niet mee. Of het verzoek van E wordt ingewilligd hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
**De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt eveneens op drie jaren gesteld voor de verzoeker die door erkenning of wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlander is geworden. Voor de verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd wordt de termijn van drie jaren verminderd met de onafgebroken periode gedurende welke hij onmiddellijk voorafgaande aan zijn meerderjarigheid na de erkenning of wettiging zonder erkenning, verzorging en opvoeding heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend of wiens kind hij door wettiging zonder erkenning is geworden.**
Op grond van deze bepaling geldt een – verkorte – termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf voorafgaand aan het verzoek, als de verzoeker door erkenning of wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlander is geworden. De toelating en het hoofdverblijf dienen op het moment van de beslissing op het verzoek voort te duren. Of sprake is van drie jaren onafgebroken toelating en hoofdverblijf kan in de meeste gevallen worden afgeleid uit het verblijfsdocument en de BRP. Als deze gegevens onvoldoende uitsluitsel bieden, kan de burgemeester aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een bericht omtrent toelating vragen. Zie voor uitleg van de begrippen ‘toelating’ en ‘hoofdverblijf’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN.
De erkenning of wettiging kan plaats hebben gevonden tijdens de meer- of minderjarigheid van het kind. Voor de meerderjarige verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd, mag de onafgebroken periode dat hij door zijn juridische vader is verzorgd en opgevoed na de erkenning of wettiging worden afgetrokken van de termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. Dit kan echter alleen als deze periode van verzorging en opvoeding direct vooraf is gegaan aan de meerderjarigheid van de verzoeker. De periode van verzorging en opvoeding moet dus direct vooraf zijn gegaan aan zijn achttiende jaar, zijn voordien gesloten huwelijk of zijn voordien in Nederland geregistreerd partnerschap of buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1). Het begrip ‘verzorging en opvoeding’ in deze bepaling komt overeen met het begrip ‘verzorging en opvoeding’ in de zin van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Voor de wijze waarop de verzoeker moet aantonen dat aan deze voorwaarde is voldaan, wordt hier verwezen naar de toelichting bij die bepaling.
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
[Artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4) bepaalt sinds 1 maart 2009 dat een minderjarige door erkenning of door wettiging zonder erkenning het Nederlanderschap verkrijgt of kan verkrijgen. Op grond van artikel 4, tweede en derde lid RWN verkrijgt de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte door een Nederlander wordt erkend en jonger is dan zeven jaar, dan wel de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt gewettigd zonder erkenning, het Nederlanderschap van rechtswege. Op grond van artikel 4, vierde lid RWN verkrijgen minderjarige vreemdelingen die door een Nederlander worden erkend als zij zeven jaar of ouder zijn, het Nederlanderschap als de Nederlandse erkenner zijn biologische vaderschap bij of binnen een jaar na de erkenning aantoont via DNA-bewijs dat voldoet aan de eisen zoals gesteld in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap. Zie voor meer informatie de toelichting op artikel 4 RWN in deze Handleiding.
Bij toepassing van [artikel 8, vijfde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) is het goed om te letten op het op 1 maart 2009 gewijzigde recht met betrekking tot verkrijging van het Nederlanderschap als minderjarige door een erkenning of een wettiging. Geadviseerd wordt dat voordat een naturalisatieverzoek ex art. 8, vijfde lid RWN wordt ingediend, eerst wordt bekeken of niet ná 1 maart 2009 het Nederlanderschap van rechtswege is verkregen door [artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4), dan wel dat gebruik kan worden gemaakt van het optierecht uit artikel II, Staatsblad 2008, 270.
[Artikel 8, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) is een nogal ingewikkelde bepaling waarin twee elementen samenkomen. Er wordt tot uitdrukking gebracht dat een familierechtelijke betrekking tussen een Nederlandse vader en zijn al dan niet minderjarige kind een band met het Koninkrijk doet ontstaan die verkorting van de termijn van vijf jaar toelating en hoofdverblijf rechtvaardigt, ook wanneer de juridische vader niet de biologische vader van het kind is.
Daarnaast wordt in dit artikel bewerkstelligd dat een minderjarig kind dat ouder is dan vijftien jaar op het moment dat het door erkenning in een familierechtelijke betrekking tot de niet-biologische vader komt te staan en dat door die vader wordt verzorgd en opgevoed, rechten opbouwt. Hetzelfde wordt bewerkstelligd voor een minderjarig kind dat op het moment van wettiging zonder erkenning ouder was dan vijftien jaar, dat tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 door wettiging in een familierechtelijke betrekking tot de vader is komen te staan en dat door die vader wordt verzorgd en opgevoed. Bovengenoemde kinderen kunnen namelijk nooit door optie op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) de Nederlandse nationaliteit verkrijgen. Zij zullen immers nooit kunnen voldoen aan de uit die bepaling voortvloeiende eis van drie jaar ononderbroken opvoeding en verzorging door de Nederlandse vader voorafgaand aan de meerderjarigheid.
Voor kinderen die tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 zijn erkend of gewettigd, maar die geen gebruik kunnen maken van het optierecht in [artikel II, Staatsblad 2008, 270](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II), biedt [artikel 8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) eveneens een mogelijkheid om versneld Nederlander te worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om minderjarige kinderen die tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 op 7-jarige leeftijd of ouder zijn erkend, terwijl de erkenner niet de biologische vader is of waarbij de erkenner vanwege het kostenaspect geen DNA-onderzoek wil/kan laten uitvoeren. Ook kan gedacht worden aan kinderen die als meerderjarige zijn erkend.
Met wettiging zonder erkenning wordt gedoeld op de gevallen, waarin Nederland een wettiging zonder voorafgaande erkenning moet aanvaarden op grond van de Overeenkomst van Rome van 10 september 1970 inzake wettiging door huwelijk (Trb. 1972, 61). De erkenning of wettiging kan plaats hebben gevonden tijdens de meer- of minderjarigheid van het kind. Deze overeenkomst is op 31 juli 1977 voor Nederland in werking getreden. Dit betekent dat een buitenlandse wettiging op of na 31 juli 1977 in Nederland op grond van deze Overeenkomst geaccepteerd moet worden, ongeacht of het land waar de wettiging plaats vond partij is bij de Overeenkomst. Sinds de hierboven beschreven wijziging van [artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4) van 1 maart 2009 verkrijgt een naar vreemd recht door een Nederlander zonder erkenning gewettigd minderjarig kind echter van rechtswege het Nederlanderschap vanaf de datum van wettiging zonder erkenning. Voor kinderen gewettigd tijdens hun minderjarigheid tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 geldt deze verkrijgingsgrond niet. Zie voor hen het optierecht in paragraaf 6 in de toelichting op artikel 6 RWN. Zie de oudere Handleidingen voor een toelichting op de regelgeving vóór 1 april 2003.
Ook voor [artikel 8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt het overgangsrecht (zie de toelichting onder [artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII).)
G is de dochter van een Australische ongetrouwde moeder en een juridisch onbekende vader. Zij is uitsluitend in het bezit van de Australische nationaliteit. Als G 22 jaar is, wordt zij erkend door een Nederlander. Zij verkrijgt hierdoor niet de Nederlandse nationaliteit. Als G 40 jaar is, gaat zij in Nederland wonen. Na vijf maanden wordt zij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Als G daarna nog drie jaar ononderbroken haar hoofdverblijf in Nederland houdt en in het bezit blijft van een verblijfsvergunning kan zij een verzoek om naturalisatie indienen. Of het verzoek van G wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of zij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
H is de zoon van een Franse ongetrouwde moeder en een juridisch onbekende vader. Hij is uitsluitend in het bezit van de Franse nationaliteit. Als H veertien jaar is, gaat zijn moeder samenwonen met een Nederlander. H woont bij hen in. Ze wonen alle drie in Straatsburg. Als H vijftien jaar en vier maanden is, wordt hij erkend door de Nederlander. Als H achttien jaar en drie maanden oud is, verlaat hij de ouderlijke woning om te gaan werken in Nederland. Bij aankomst in Nederland wordt hij onmiddellijk in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Zodra H vier maanden in Nederland toelating en hoofdverblijf heeft, kan hij een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft immers voor zijn achttiende jaar al twee jaar en acht maanden in gezinsverband met zijn Nederlandse vader gewoond. Deze twee jaar en acht maanden mogen afgetrokken worden van de drie jaar termijn. De drie maanden na zijn achttiende verjaardag mogen niet van die termijn afgetrokken worden. De jaren dat hij deel uitmaakte van het gezin van de Nederlander voordat hij werd erkend evenmin. Of het verzoek van H wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
Ook voor [artikel 8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt het overgangsrecht (zie de toelichting onder [artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII).)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10); [11.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [15.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [16.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 30 b t/m d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30b), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31); [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32); [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=38), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=58), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=59) en [60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60)
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikelen 4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5); [4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7); [6:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:2); [7:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1); [8:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:1) en[8:7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:7)
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Artikel 4
Van een Turks echtpaar is zowel de man als de vrouw in Nederland geboren uit in Nederland wonende ouders. De vrouw heeft zich in Turkije gevestigd en de man is in Nederland blijven wonen. In 2004 wordt in Turkije uit de vrouw kind G geboren. Het kind blijft in Turkije bij de moeder, door wie het vanaf de geboorte wordt verzorgd. Kind G verkrijgt bij zijn geboorte niet het Nederlanderschap op grond van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3). De vader heeft weliswaar ten tijde van de geboorte van het kind zijn hoofdverblijf in Nederland en hij is zelf geboren uit in Nederland wonende ouders, doch kind G heeft ten tijde van zijn geboorte geen hoofdverblijf in Nederland, maar in Turkije (bij zijn moeder, door wie hij wordt verzorgd).
### 5-4. Toelichting ad artikel 5, vierde lid
### 4-3. Ad artikel 4, derde lid
Hij is tevens getogen in Nederland en woont en werkt in Nederland. De kinderen wonen en leven sinds hun geboorte met moeder en vader als gezin samen in Nederland.
### Artikel 5c
### Bijlage 1
### paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij DUO
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2015-04-01&g=2015-04-01) Afleggen verklaring van verbondenheid)
### Paragraaf 3.1. Polygamie
Wordt een dergelijke verklaring niet overhandigd, dan moet de verzoeker het inburgeringsexamen afleggen.
### Paragraaf 2.3.1. Inleiding
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
Dit is het medisch advies van een door de burgemeester aangewezen arts.
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
De verzoeker om naturalisatie die aantoont dat hij een zodanig psychische of lichamelijke belemmering dan wel een zodanige verstandelijke handicap heeft, dat hij binnen vijf jaar niet in staat is het inburgeringsexamen met goed gevolg af te leggen is ontheven van de verplichting een naturalisatietoets af te leggen. Voor een medisch advies die de belemmering of handicap aantoont, kan hij terecht bij de, in het kader van de uitvoering van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611), een door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen medisch adviseur als bedoeld in [artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.8).
De medisch adviseur stelt een advies op conform het ‘Protocol Medische Advisering Inburgeringsexamen’ dat een bijlage is bij [artikel 2.4, derde lid van de Regeling inburgering](onbekend). Het advies wordt door de medisch adviseur rechtsreeks naar de verzoeker gestuurd. Het medisch advies is als [model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) opgenomen in de Handleiding. In het advies moeten de volgende gegevens ingevuld te zijn:
Niet inburgeringsplichtige naturalisatieverzoekers kunnen in de periode 1 juli 2012 tot 1 januari 2013 nog in het bezit worden gesteld van een ‘medisch advies inburgeringsexamen van de door zijn woongemeente aangewezen arts’. Deze adviezen kunnen worden geaccepteerd bij de indiening van het verzoek om naturalisatie, mits dit advies niet ouder is dan zes maanden bij de indiening van het verzoek. Het kan dus uiterlijk tot 1 juli 2013 worden geaccepteerd.
### paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij DUO
In de voorlichtende sfeer wijst de gemeente betrokkene op het feit dat het medisch advies inburgeringsexamen afkomstig moet zijn van een medisch adviseur als hierboven beschreven bij **Ad 1 Medisch advies inburgeringsexamen**. De door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen medisch adviseur is bekend bij DUO. Op het moment van indienen van het verzoek om naturalisatie bij de gemeente mag het advies niet ouder zijn dan zes maanden.
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
Telefonisch overleg met de IND over overgelegde adviezen is voor gemeenten altijd mogelijk via de vaste aanspreekpunten bij de naturalisatie-units van de IND.
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie legt betrokkene de ontheffingsbeschiking van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over.
Dit is een advies van DUO waaruit blijkt dat de verzoeker ondanks aantoonbaar geleverde inspanningen niet van hem kan worden verwacht dat hij het inburgeringsexamen met succes aflegt. Het aanvraagformulier voor een advies van DUO is te vinden via www.inburgeren.nl en www.indklantdienstwijzer.nl. Meer informatie, zie [paragraaf 2.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.3¶graaf=2.3.4&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
Dit is een advies van DUO waaruit blijkt dat de verzoeker ondanks aantoonbaar geleverde inspanningen niet van hem kan worden verwacht dat hij het inburgeringsexamen met succes aflegt. Het aanvraagformulier voor een advies van DUO is te vinden via www.inburgeren.nl en www.indklantdienstwijzer.nl. Meer informatie, zie [paragraaf 2.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.3¶graaf=2.3.4&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
### Paragraaf 5.8. Vierjaartermijn
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
### Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
### Paragraaf 5.4. Voeging
Bij een beroep op deze ontheffingsgrond moet **altijd** het advies zitten van een afgenomen toets bij DUO waaruit blijkt dat betrokkene niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te behalen. Voor het afleggen van deze toets zijn kosten verbonden die betrokkene zelf moet betalen. De kosten voor deze toets bedragen € 150 (zie de toelichting bij [artikel 6, derde lid, Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6)). Voor informatie over de toets inzake het leervermogen, zie www.inburgeren.nl.
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
### paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij DUO
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
Naast het in zijn bezit hebben van een door de wet bepaalde mate van kennis van de Nederlandse taal, staatsinrichting en maatschappij dient de verzoeker die in aanmerking wil komen voor naturalisatie zich te hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving. Deze voorwaarde wordt onder andere getoetst aan de hand van een monogaam huwelijk.
Over polygamie (of bigamie) kan worden opgemerkt dat er sprake is van opneming in de Nederlandse samenleving wanneer verzoeker zijn situatie in overeenstemming heeft gebracht met de in Nederland geldende rechtsbeginselen, waaronder dat van monogamie.
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
De Nederlandse openbare orde verzet zich dan ook tegen het voortbestaan of het aangaan van een polygaam huwelijk van een vreemdeling op het moment waarop deze het Nederlanderschap heeft verkregen. Onder inburgering valt dus ook dat verzoeker slechts met één persoon door het huwelijk verbonden kan zijn.
### Paragraaf 3.1. Polygamie
De vraag of een verzoeker monogaam is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, alsmede huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van deze landen [Bijlage 1 bij dit artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=8&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
Om een adequate afhandeling van verzoeken tot naturalisatie te bevorderen, moeten de ambtenaren van de BRP steeds de geldigheid van een eenzijdige verstoting aan de hand van de door het IPR gestelde criteria toetsen. Daartoe worden hier enige richtlijnen gegeven.
De instemming of berusting van de vrouw kan wel worden afgeleid uit onder meer de volgende omstandigheden:
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie [toelichting op artikel 7 RWN, paragraaf 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.5&z=2017-04-01&g=2017-04-01)).
### paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
Inburgering veronderstelt in algemene zin een zekere aanvaarding van de Nederlandse samenleving.
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
Echter, indien duidelijk blijkt dat verzoeker zich buiten deze vereisten om opzettelijk afzijdig houdt van -of afzet tegen -alles wat Nederlands is of op Nederland betrekking heeft, of bijvoorbeeld weigert zijn kinderen naar school te laten gaan, zal hij niet kunnen worden beschouwd als te zijn opgenomen in de Nederlandse samenleving en zal zijn verzoek om naturalisatie worden afgewezen. Gedacht wordt hier bijvoorbeeld ook aan het doen van uitlatingen die zich richten tegen de democratische rechtsorde of oproepen tot feitelijk handelen in strijd met de geldende wet- en regelgeving, of die een gevaar opleveren voor de goede betrekkingen van Nederland met andere mogendheden. Er moeten in het geval van weigering tot opneming dus omstandigheden zijn die blijk geven van onvoldoende inburgering van contra-indicaties als het ware.
### paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
Om voor ontheffing wegens geleverde inspanningen (zie [artikel 4, 1, b Besluit nattoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4)) in aanmerking te komen, zal zij moeten bewijzen dat zij zich heeft ingespannen om zich te alfabetiseren en om de naturalisatietoets toch te kunnen halen. De burgemeester verwijst de vrouw naar een instelling met het Blik op Werk Keurmerk om daar een alfabetiseringscursus te volgen. De vrouw weigert dat en staat erop dat de burgemeester haar verzoek toch in behandeling neemt. De burgemeester laat haar [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) invullen.
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
### 8-3. Toelichting ad [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij de indiening van het verzoek om naturalisatie een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van deze verklaring. De eis om een bereidverklaring te ondertekenen en vervolgens de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als het verzoek om naturalisatie op of ná 1 maart 2009 wordt ingediend. Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd.56Zie ook toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 6, tweede lid , artikel 11, vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige naturalisandus. Daarnaast geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid ook voor de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie, op grond van [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) wordt ingediend zestien jaar of ouder is. Medenaturalisandi van 16 of 17 jaar ([artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)) zijn niet verplicht om de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid af te leggen, dit is nog niet geregeld door de wetgever. Hier wordt op termijn door de wetgever in voorzien.
Vanaf 1 maart 2009 moet zowel de meerderjarige naturalisandus als de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie, op grond van [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) wordt ingediend zestien jaar of ouder is, zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen bij de bekendmaking van het naturalisatiebesluit.
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij [artikel 60b, vijfde lid en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het voor de verzoeker niet mogelijk is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de verzoeker wel bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar vanwege zijn fysieke of psychische toestand model 2.30 niet zelf kan invullen of dat bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie duidelijk is dat de verzoeker niet in staat zal zijn de verklaring van verbondenheid mondeling af te leggen. Zie de toelichting in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)**Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)** in artikel 7 RWN hoe met deze uitzonderingssituaties moet worden omgegaan.
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij [artikel 60b, vijfde lid en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het voor de verzoeker niet mogelijk is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de verzoeker wel bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar vanwege zijn fysieke of psychische toestand model 2.30 niet zelf kan invullen of dat bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie duidelijk is dat de verzoeker niet in staat zal zijn de verklaring van verbondenheid mondeling af te leggen. Zie de toelichting in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)**Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)** in artikel 7 RWN hoe met deze uitzonderingssituaties moet worden omgegaan.
(zie tevens de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) Afleggen verklaring van verbondenheid)
Daarnaast zijn omstandigheden denkbaar waarbij de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand in het geheel niet in staat is om de verklaring van verbondenheid af te leggen. Dan wordt de verklaring van verbondenheid niet afgelegd. Het zal hier zeer uitzonderlijke gevallen betreffen. De onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid, wordt beoordeelt door de Minister van Justitie.58Zie artikel 60b, zesde lid, BVVN.
Wordt de toezegging een verklaring van verbondenheid af te leggen niet nagekomen en er is geen ontheffing van het mondeling of schriftelijk afleggen verleend, dan wordt het uittreksel van het naturalisatiebesluit niet uitgereikt en het Nederlanderschap niet verkregen. Immers, pas door de bekendmaking kan iemand Nederlander worden door naturalisatie.
### Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Ook voor [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt het overgangsrecht (zie de paragraaf ‘Overgangsrecht’) in de toelichting onder artikel 7. Het overgangsrecht is ook beschreven in de toelichting onder artikel VII, tweede lid RRWN.
C heeft in totaal zeven jaar + twee jaar + drie maanden + een jaar = tien jaar en drie maanden hoofdverblijf in Nederland gehad. Van deze periode heeft hij zeven jaar + twee jaar + een jaar = tien jaar toelating in Nederland gehad. C kan, als hij aansluitend nog een jaar in Nederland hoofdverblijf heeft en hij zijn verblijfsvergunning tijdig laat verlengen, een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft dan immers in totaal meer dan tien jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland, waarvan twee jaar toelating en hoofdverblijf direct voorafgaand aan het verzoek om naturalisatie. Of het verzoek van C wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
Als de erkenning of wettiging zonder erkenning heeft plaatsgevonden tijdens de minderjarigheid van het kind, moet dit, voor toepassing van dit artikellid, na 1 april 2003 zijn gebeurd. Vóór die datum kreeg een minderjarig kind immers de Nederlandse nationaliteit van rechtswege op grond van [artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4) (oud) als het door erkenning of door wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlandse vader werd.
### 1. Verzoek om naturalisatie
### 2. Verificatie persoonsgegevens (artikel 7 RWN)
### 3. Meerderjarigheid hoofdverzoeker (artikel 8 lid 1 onder a RWN)
### 4. Fictieve toets verblijfsrecht van niet tijdelijke aard in Nederland (artikel 8 lid 1 onder bRWN)
H is de zoon van een Franse ongetrouwde moeder en een juridisch onbekende vader. Hij is uitsluitend in het bezit van de Franse nationaliteit. Als H veertien jaar is, gaat zijn moeder samenwonen met een Nederlander. H woont bij hen in. Ze wonen alle drie in Straatsburg. Als H vijftien jaar en vier maanden is, wordt hij erkend door de Nederlander. Als H achttien jaar en drie maanden oud is, verlaat hij de ouderlijke woning om te gaan werken in Nederland. Bij aankomst in Nederland wordt hij onmiddellijk in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Zodra H vier maanden in Nederland toelating en hoofdverblijf heeft, kan hij een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft immers voor zijn achttiende jaar al twee jaar en acht maanden in gezinsverband met zijn Nederlandse vader gewoond. Deze twee jaar en acht maanden mogen afgetrokken worden van de drie jaar termijn. De drie maanden na zijn achttiende verjaardag mogen niet van die termijn afgetrokken worden. De jaren dat hij deel uitmaakte van het gezin van de Nederlander voordat hij werd erkend evenmin. Of het verzoek van H wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
### 5. Termijn van toelating en hoofdverblijf niet van toepassing (artikel 8 lid 2 RWN)
### 6. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (artikel 8 lid 1 onder e RWN)
### 7. Inburgering (artikel 8 lid 1 onder d RWN)
### 8. Antecedenten (artikel 9 lid 1 onder a)
[Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405): [artikelen 1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1); [1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1) en [5 t/m 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=5)
[Rgdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006434): [artikelen 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006434&artikel=2) en [5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006434&artikel=5)
### 9. Bereidheid tot het doen van afstand (artikel 9 lid 1 onder b, artikel 9 lid 3 RWN)
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
### 11. (Mede)naturalisatie minderjarigen (artikel 11 lid 6 RWN)
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): [artikelen 74a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) en [92 t/m 423](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92)
Op grond van overgangsbepaling [artikel II, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) (Stb. 2010, 242) geldt overgangsrecht voor [artikel 9, derde lid, onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9).
Dit heeft tot gevolg dat ten aanzien van verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend vóór 1 oktober 2010, nog steeds de uitzonderingscategorie bij afstand “de verzoeker die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn hoofdverblijf gehad heeft” van toepassing is. Voor verzoekers die op of na 1 oktober 2010 een verzoek indienen geldt deze uitzonderingscategorie dus niet meer.
Dit heeft tot gevolg dat ten aanzien van verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend vóór 1 oktober 2010, nog steeds de uitzonderingscategorie bij afstand “de verzoeker die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn hoofdverblijf gehad heeft” van toepassing is. Voor verzoekers die op of na 1 oktober 2010 een verzoek indienen geldt deze uitzonderingscategorie dus niet meer.
[Artikel 9, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) stelt drie additionele eisen waaraan een verzoeker moet voldoen, naast de in [artikel 8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) gestelde voorwaarden.
[Artikel 9, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) stelt drie additionele eisen waaraan een verzoeker moet voldoen, naast de in [artikel 8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) gestelde voorwaarden.
### 1. Verzoek om naturalisatie
### 2. Verificatie persoonsgegevens (artikel 7 RWN)
### 3. Meerderjarigheid hoofdverzoeker (artikel 8 lid 1 onder a RWN)
### 4. Fictieve toets verblijfsrecht van niet tijdelijke aard in Nederland (artikel 8 lid 1 onder bRWN)
Het is in het belang van de Nederlandse Staat dat het Nederlanderschap niet wordt verleend aan een persoon ten aanzien van wie zeker is dan wel ernstige redenen bestaan te veronderstellen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven of handelingen als genoemd in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals dit verdrag is gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967. Behalve maatschappelijke onwenselijkheid en het internationale aanzien van Nederland is ook de positie van de slachtoffers van personen afkomstig uit hetzelfde land die hier te lande bescherming hebben gevonden in het geding.
Ingevolge artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dat verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie ernstige reden bestaat te veronderstellen dat:
In beginsel wordt een vreemdeling op wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is niet in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt de vreemdeling om redenen van disproportionaliteit op aanvraag in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier van tijdelijke aard. Vanwege het tijdelijke karakter van het verblijfsrecht is verlening van het Nederlanderschap in die gevallen niet mogelijk. Niettemin kan het voor komen dat een vreemdeling op wie artikel 1F van toepassing is, in het bezit is van een verblijfsvergunning (asiel of regulier) met een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard, waarop naturalisatie in beginsel wél mogelijk is. Bijvoorbeeld als informatie die leidt tot het vermoeden dat de vreemdeling de in artikel 1F Vluchtelingenverdrag genoemde misdrijven of handelingen heeft begaan, pas na verlening van een verblijfsvergunning bekend wordt. Het is dan niet altijd meer mogelijk het verblijfsrecht te beëindigen. In dat geval wordt een aanvraag tot het verlenen van het Nederlanderschap afgewezen.
De conclusie dat de vreemdeling zich aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F heeft schuldig gemaakt is in ieder geval aan de orde bij:
Afwijzing van het verzoek om naturalisatie zal geschieden met de motivering dat betrokkene een gevaar oplevert voor de openbare orde, goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk. De afwijzende naturalisatiebeschikking bevat tevens de onderbouwing van de ernstige vermoedens door verwijzing naar de vreemdelingrechtelijke beschikking, de uitkomst van in het kader van de naturalisatieprocedure verricht onderzoek dan wel de (openstaande) strafzaak.
Als uitgangspunt doet de burgemeester geen onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 1F. Hierover hoeft in het schriftelijk advies aan de IND dan ook niets te worden vermeld.
Aanwijzingen over de toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag worden ontvangen en beoordeeld door de IND. Indien van toepassing informeert de IND de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woonplaats heeft als ten aanzien van een vreemdeling die door optie het Nederlanderschap kan verkrijgen het ernstige vermoeden bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Als door de IND hierover geen informatie is verstrekt kan ervan uit worden gegaan dat artikel 1F geen grond is om de bevestiging van de optieverklaring te weigeren.
Aanwijzingen over de toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag worden ontvangen en beoordeeld door de IND. Indien van toepassing informeert de IND de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woonplaats heeft als ten aanzien van een vreemdeling die door optie het Nederlanderschap kan verkrijgen het ernstige vermoeden bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Als door de IND hierover geen informatie is verstrekt kan ervan uit worden gegaan dat artikel 1F geen grond is om de bevestiging van de optieverklaring te weigeren.
Het openbare-ordebeleid bij naturalisatie en optie komt niet geheel overeen met het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht. De reden daarvoor is dat de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap iets geheel anders is dan de verlening van een verblijfsvergunning. Het Nederlanderschap geeft immers rechten die een verblijfsvergunning niet geeft, bijvoorbeeld actief en passief kiesrecht voor de Staten-Generaal en de mogelijkheid een beroep te doen op consulaire bescherming, en stelt bepaalde ambten open die niet voor vreemdelingen openstaan. Daarom mogen er ook andere regels worden gesteld.
De vreemdeling mag geen Nederlander worden als zijn verblijfsvergunning wegens inbreuk op de openbare orde op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken. Dat wil echter niet zeggen dat de vreemdeling, als zijn verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 niet kan worden ingetrokken, zonder meer Nederlander kan worden. Omdat het openbare-ordebeleid in het nationaliteitsrecht anders is dan het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht, kunnen er in zo’n geval wel degelijk ernstige vermoedens (in de zin van [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)) bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde.
De vreemdeling mag geen Nederlander worden als zijn verblijfsvergunning wegens inbreuk op de openbare orde op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken. Dat wil echter niet zeggen dat de vreemdeling, als zijn verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 niet kan worden ingetrokken, zonder meer Nederlander kan worden. Omdat het openbare-ordebeleid in het nationaliteitsrecht anders is dan het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht, kunnen er in zo’n geval wel degelijk ernstige vermoedens (in de zin van [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)) bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde.
De woorden ‘ernstige vermoedens’ in het onderhavige artikellid geven aan dat niet alleen misdrijven waarvoor de vreemdeling al onherroepelijk is veroordeeld in aanmerking moeten worden genomen, maar ook misdrijven waarvan hij op goede gronden wordt verdacht en waarop alsnog een sanctie kan volgen.
Met ‘sanctie’ wordt hier niet alleen bedoeld een straf (bijvoorbeeld geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) of een maatregel die door de strafrechter is opgelegd, maar ook uitgevaardigde strafbeschikkingen of door de politie of het OM opgelegde boeten. De vreemdeling mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking ter zake van misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat weigering van naturalisatie of optie moet plaatsvinden, als op grond van het gedrag van de vreemdeling ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Als naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de naturalisatie- of optieprocedure worden betrokken.
Aanleiding voor het aannemen van een serieuze verdenking kan bijvoorbeeld zijn een tegen de vreemdeling wegens misdrijf opgemaakt proces-verbaal (kan onder meer blijken uit het Opsporingsregister of het register van de herkenningsdienst) of de vermelding op het uittreksel van de Justitiële documentatiedienst (JDD) van een openstaande strafzaak ter zake van misdrijf. Ook als de vreemdeling al is veroordeeld voor een misdrijf of jegens hem ter zake van een misdrijf een strafbeschikking is uitgevaardigd, maar hij tegen het vonnis in hoger beroep is gegaan of verzet heeft aangetekend tegen de strafbeschikking, is de strafzaak nog niet onherroepelijk afgedaan en is er nog steeds sprake van een serieuze verdenking. Het is mogelijk dat de vreemdeling in hoger beroep wordt veroordeeld tot een andere straf. Verder is er sprake van ernstige vermoedens als de vreemdeling zich nog in de proeftijd bevindt. Een proeftijd kan worden verbonden aan een voorwaardelijk sepot, een voorwaardelijke veroordeling of een voorwaardelijke gratie. Als de vreemdeling zich niet houdt aan de voorwaarden, kan alsnog strafvervolging worden ingesteld of kan de gratie ongedaan worden gemaakt.
Van belang is dat een afwijzende beslissing nimmer kan worden gebaseerd op alleen een enkel proces-verbaal. Een proces-verbaal leidt immers niet altijd tot het opleggen van een sanctie. Wel vormt het proces-verbaal aanleiding om een nader onderzoek in te stellen. Zolang niet vast staat dat de vreemdeling geen gevaar oplevert voor de openbare orde, kan hij geen Nederlander worden. Telkens zal zorgvuldig moeten worden onderzocht of er goede redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat het vermeende misdrijf zal kunnen leiden tot een sanctie.
Van belang is dat een afwijzende beslissing nimmer kan worden gebaseerd op alleen een enkel proces-verbaal. Een proces-verbaal leidt immers niet altijd tot het opleggen van een sanctie. Wel vormt het proces-verbaal aanleiding om een nader onderzoek in te stellen. Zolang niet vast staat dat de vreemdeling geen gevaar oplevert voor de openbare orde, kan hij geen Nederlander worden. Telkens zal zorgvuldig moeten worden onderzocht of er goede redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat het vermeende misdrijf zal kunnen leiden tot een sanctie.
De vreemdeling mag in de periode van vier jaren (de zogenaamde rehabilitatietermijn van vier jaar) direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring of de beslissing daarop niet onderworpen zijn geweest aan sanctionering van een misdrijf of aan de gevolgen daarvan. Daarbij geldt het volgende:
Daarbij is niet van belang:
De naturalisatie of optie wordt geweigerd, als er binnen vier jaren voor de indiening van het verzoek dan wel het afleggen van de optieverklaring of de beslissing daarop zo’n sanctie is opgelegd. Daarbij is niet van belang:
De naturalisatie of optie wordt ook geweigerd, als er in die periode van vier jaar een sanctie ten uitvoer is gelegd. De sanctie is tenuitvoergelegd:
Het is van belang dat de vreemdeling zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus de vreemdeling in vrijheid is gesteld, het bedrag heeft betaald of de taakstraf heeft voltooid.
Voorwaardelijke straf en proeftijd: als sprake is van een voorwaardelijk opgelegde straf waaraan een proeftijd is verbonden, moet de proeftijd zijn verstreken voordat de vreemdeling in aanmerking kan komen voor naturalisatie of optie. Als de vreemdeling gedurende de proeftijd heeft voldaan aan de algemene voorwaarde dat hij niet opnieuw strafbare feiten pleegt, en de voorwaardelijk opgelegde straf dus niet alsnog ten uitvoer wordt gelegd, begint de rehabilitatietermijn (achteraf bezien) op het moment waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden. Er is immers geen sprake van de tenuitvoerlegging van de straf. Als de vreemdeling gedurende de proeftijd heeft voldaan aan bijzondere voorwaarden (bijvoorbeeld betaling van een geldsom of het verrichten van arbeid) begint de rehabilitatietermijn op het moment waarop die bijzondere voorwaarde is vervuld.
Als de vreemdeling in één strafrechtelijke procedure voor verschillende gevoegde feiten (verschillende misdrijven of een combinatie van misdrijven en overtredingen) is veroordeeld tot één enkele straf, die gelijk is aan of uitstijgt boven de hierboven gegeven norm, wordt de naturalisatie of optie geweigerd.
Als de vreemdeling in één strafrechtelijke procedure voor verschillende gevoegde feiten (verschillende misdrijven of een combinatie van misdrijven en overtredingen) is veroordeeld tot één enkele straf, die gelijk is aan of uitstijgt boven de hierboven gegeven norm, wordt de naturalisatie of optie geweigerd.
Een ernstig vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt niet gebaseerd op zo maar iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet wel voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen. Bovendien moet ook de sanctie die daarop is gevolgd, voldoende zwaar zijn. Dat betekent dat misdragingen die strafrechtelijk als overtreding worden gekwalificeerd of die buiten het strafrecht zijn afgedaan (bijvoorbeeld met een bestuurlijke boete of uitsluitend een civiele veroordeling tot schadevergoeding) buiten beschouwing blijven.
Schuldig zonder straf: misdrijven waarbij in het vonnis sprake is van een schuldigverklaring, maar waarbij de rechter met toepassing van [art. 9a Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9a) geen (voorwaardelijke) straf of maatregel heeft opgelegd blijven ook buiten beschouwing bij een beoordeling in het kader van [art. 9, eerste lid, onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9).
Of een bepaalde misdraging een misdrijf of een overtreding is, is afhankelijk van de betreffende wetgeving. Misdrijven zijn opgenomen in het [Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&boek=Tweede) ([artikelen 92 tot en met 423 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92)), maar soms ook in bijzondere wetten, zoals de [Wet Economische Delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) (WED) en de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941). Steeds zal de betreffende wet moeten worden geraadpleegd om te bezien of het betreffende feit een misdrijf (of een overtreding) is.
Of een bepaalde misdraging een misdrijf of een overtreding is, is afhankelijk van de betreffende wetgeving. Misdrijven zijn opgenomen in het [Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&boek=Tweede) ([artikelen 92 tot en met 423 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92)), maar soms ook in bijzondere wetten, zoals de [Wet Economische Delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) (WED) en de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941). Steeds zal de betreffende wet moeten worden geraadpleegd om te bezien of het betreffende feit een misdrijf (of een overtreding) is.
Een enkele transactie of strafbeschikking ter zake van een misdrijf leidt tot weigering van naturalisatie of optie, als de geldboete € 810,– of meer bedraagt, of de voorwaarde voor transactie of van de strafbeschikking een taakstraf is. De rehabilitatietermijn van vier jaar vangt aan als het bedrag is betaald of de taakstraf is vervuld. Meerdere transacties of strafbeschikkingen ter zake van misdrijf, van ieder ten minste € 405,– leiden tot weigering van de naturalisatie of optie, als de som van deze transacties of strafbeschikkingen in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het naturalisatieverzoek dan wel de aflegging van de optieverklaring of de beslissing daarop ten minste € 1.215,– bedraagt. Hetzelfde geldt voor de combinatie van transactie(s), strafbeschikking(en) en geldboete(n).
Voor de afdoening van misdrijven is niet altijd een uitspraak van de strafrechter nodig. Ongeveer een derde van de misdrijfzaken wordt door middel van een transactie afgedaan. Het gebruik van transacties is in hoge mate vastgelegd in richtlijnen van het OM. Een transactie voor een misdrijf is een alternatieve vorm van sanctie, zij het dat die sanctie niet na berechting en niet door de strafrechter wordt opgelegd, en dat de vrijwillige instemming van de verdachte is vereist. Met de transactie geeft de Nederlandse overheid aan voldoende belang te hechten aan sanctionering van het misdrijf. De ernst van het misdrijf komt tot uiting in de hoogte van het transactiebedrag, waarmee de verdachte strafvervolging kan afkopen. Dat voorstel mag uitsluitend worden gedaan als een veroordeling door de rechter in een gewone strafrechtelijke procedure ook daadwerkelijk haalbaar is. Als langs de weg van de gewone procedure geen sanctionering zou kunnen volgen, behoort een transactieaanbod achterwege te blijven. De verdachte hoeft niet op het voorstel in te gaan en kan kiezen voor behandeling door de strafrechter. De transactie houdt formeel weliswaar geen erkenning door de verdachte in dat hij het strafbare feit heeft gepleegd – en de mogelijkheid is dus aanwezig dat de verdachte het feit ter zake waarvan verdenking is gerezen niet heeft gepleegd en slechts ingaat op het transactievoorstel om van de zaak af te zijn, bijvoorbeeld om het openbaar terechtstaan, het opmaken van een strafblad, de civielrechtelijke bewijspositie van de veroordeelde en onzekerheid over de uitkomst van het strafgeding te voorkomen – maar voor iedere transactie is de vrijwillige instemming van de verdachte met de transactie essentieel. Het prijsgeven van rechtsbescherming door de strafrechter en de mogelijkheid van vrijspraak of lagere strafoplegging, geschiedt vrijwillig. In sommige gevallen ([artikel 74a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74a)) kan een door de verdachte aangeboden transactie ook niet door het OM worden geweigerd. Bovendien gaat het in naturalisatie- en optiezaken om relatief hoge bedragen (€ 810,– of meer, dan wel ingeval van herhaalde misdrijven € 405,– of meer) dat voorshands niet kan worden aangenomen dat de vreemdeling (telkenmale) onschuldig transigeert om van de zaak af te zijn. Ook in het krachtens [artikel 16, eerste lid aanhef en onder d, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) (nader uitgewerkt in [artikel 3.77 van het Vreemdelingenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77)) gevoerde toelatingsbeleid leiden transacties ter zake van misdrijven tot de afwijzing van een aanvraag om een verblijfsvergunning.
Met ingang van 1 februari 2008 is een regeling betreffende het buitengerechtelijk afdoen van strafbare feiten door middel van een strafbeschikking van kracht geworden. De strafbeschikking berust op een schuldvaststelling. De strafbeschikking kan worden uitgevaardigd door de officier van justitie of door aangewezen opsporingsambtenaren of bestuursorganen. Naast het Openbaar Ministerie (OM) en politie hebben ook gemeenten en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) de bevoegdheid gekregen strafbeschikkingen uit te vaardigen. In de strafbeschikking kunnen straffen en maatregelen worden opgelegd en aanwijzingen worden gegeven. De straffen en maatregelen kunnen zijn een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uren, een geldboete, onttrekking aan het verkeer, de verplichting tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor ten hoogste zes maanden. Als degene jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd het daar niet mee eens is, kan hij bij het OM verzet instellen. Hierdoor komt de zaak alsnog voor de rechter, die deze in volle omvang beoordeelt. De huidige transactie zal – gefaseerd – worden vervangen door de strafbeschikking. De transactie en de strafbeschikking zullen de komende vijf jaar naast elkaar blijven bestaan. De regeling van de strafbeschikking is, net als die van de transactie, van toepassing op overtredingen en op misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar. De regeling van de strafbeschikking is te vinden in de [artikelen 257a-257h van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257).
Met ingang van 1 februari 2008 is een regeling betreffende het buitengerechtelijk afdoen van strafbare feiten door middel van een strafbeschikking van kracht geworden. De strafbeschikking berust op een schuldvaststelling. De strafbeschikking kan worden uitgevaardigd door de officier van justitie of door aangewezen opsporingsambtenaren of bestuursorganen. Naast het Openbaar Ministerie (OM) en politie hebben ook gemeenten en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) de bevoegdheid gekregen strafbeschikkingen uit te vaardigen. In de strafbeschikking kunnen straffen en maatregelen worden opgelegd en aanwijzingen worden gegeven. De straffen en maatregelen kunnen zijn een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uren, een geldboete, onttrekking aan het verkeer, de verplichting tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor ten hoogste zes maanden. Als degene jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd het daar niet mee eens is, kan hij bij het OM verzet instellen. Hierdoor komt de zaak alsnog voor de rechter, die deze in volle omvang beoordeelt. De huidige transactie zal – gefaseerd – worden vervangen door de strafbeschikking. De transactie en de strafbeschikking zullen de komende vijf jaar naast elkaar blijven bestaan. De regeling van de strafbeschikking is, net als die van de transactie, van toepassing op overtredingen en op misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar. De regeling van de strafbeschikking is te vinden in de [artikelen 257a-257h van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257).
Het zou onrechtvaardig zijn dat de vreemdeling die zich regelmatig schuldig maakt aan misdrijven, maar die daarvoor telkenmale sancties krijgt opgelegd van minder dan € 810,– wel, en de vreemdeling die eenmalig een misdrijf heeft begaan waarvoor hij met een boete van € 810,– of meer is bestraft gedurende vier jaren nadien niet voor naturalisatie of optie in aanmerking komt. Met de cumulatieregeling is beoogd aan deze onrechtvaardigheid tegemoet te komen. Als de vreemdeling binnen een bepaald tijdsbestek wegens herhaalde misdrijven is gesanctioneerd, kan daarmee rekening worden gehouden. Om te voorkomen dat een opeenstapeling van vermogenssancties ter zake van diverse misdrijven (te snel) tot weigering van naturalisatie of optie leidt, is per sanctie een minimumbedrag van € 405,– vastgesteld. Deze ondergrens van € 405,– is gebaseerd op (in richtlijnen van het OM opgenomen vermogenssancties die kunnen worden opgelegd ter zake van) misdrijven, waarvan bij herhaling kan worden aangenomen dat er sprake is van ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde. Met het totaalbedrag van € 1.215,– is beoogd te voorkomen dat een te gering aantal sancties uiteindelijk toch tot weigering van naturalisatie of optie zal gaan leiden.
Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.
Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.
De vreemdeling kan verschillende strafbare feiten hebben begaan die alle tezamen in een en dezelfde strafrechtelijke procedure aan de strafrechter worden voorgelegd. In een dergelijk geval kan het voorkomen dat voor al die feiten een enkele straf wordt opgelegd, waarbij niet duidelijk is welk gedeelte van die straf voor welk feit is opgelegd. Als voorbeeld geldt de vreemdeling die twee jaar geleden wegens twee misdrijven en een overtreding een geldboete van € 907,56 wordt opgelegd. In dat geval wordt naturalisatie of optie geweigerd, omdat ten minste één van de strafbare feiten een misdrijf was en de totale straf genoeg is om tot weigering van naturalisatie of optie over te gaan.
De vreemdeling kan verschillende strafbare feiten hebben begaan die alle tezamen in een en dezelfde strafrechtelijke procedure aan de strafrechter worden voorgelegd. In een dergelijk geval kan het voorkomen dat voor al die feiten een enkele straf wordt opgelegd, waarbij niet duidelijk is welk gedeelte van die straf voor welk feit is opgelegd. Als voorbeeld geldt de vreemdeling die twee jaar geleden wegens twee misdrijven en een overtreding een geldboete van € 907,56 wordt opgelegd. In dat geval wordt naturalisatie of optie geweigerd, omdat ten minste één van de strafbare feiten een misdrijf was en de totale straf genoeg is om tot weigering van naturalisatie of optie over te gaan.
Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte; ATAN) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject). Er wordt bij taakstraffen dus geen onderscheid gemaakt tussen werk- en leerstraffen. De taakstraf staat tussen de vrijheidsstraf en de geldboete in, en komt in plaats van een gevangenisstraf. Bij naturalisatie en optie worden zowel geldboeten als vrijheidsstraffen voor misdrijven tegengeworpen, ongeacht de vraag of zij voorwaardelijk of onvoorwaardelijk zijn opgelegd. Er bestaat geen aanleiding om voorbij te gaan aan de (voor een misdrijf opgelegde) taakstraf die thans nog in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, indien zowel de daad als de dader strafbaar zijn bevonden. Gehandhaafd is tevens het uitgangspunt dat de taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf. Dat sluit aan bij de regeling van de vrijheidsstraf, die eveneens ongeacht de duur wordt tegengeworpen.
Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte; ATAN) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject). Er wordt bij taakstraffen dus geen onderscheid gemaakt tussen werk- en leerstraffen. De taakstraf staat tussen de vrijheidsstraf en de geldboete in, en komt in plaats van een gevangenisstraf. Bij naturalisatie en optie worden zowel geldboeten als vrijheidsstraffen voor misdrijven tegengeworpen, ongeacht de vraag of zij voorwaardelijk of onvoorwaardelijk zijn opgelegd. Er bestaat geen aanleiding om voorbij te gaan aan de (voor een misdrijf opgelegde) taakstraf die thans nog in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, indien zowel de daad als de dader strafbaar zijn bevonden. Gehandhaafd is tevens het uitgangspunt dat de taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf. Dat sluit aan bij de regeling van de vrijheidsstraf, die eveneens ongeacht de duur wordt tegengeworpen.
Omdat het bij de vraag naar het ernstige vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde oplevert, primair gaat om diens gedragingen, is in beginsel irrelevant waar deze gedragingen hebben plaatsgevonden. Een bepaalde gedraging is immers niet minder ernstig als het buiten de landsgrenzen heeft plaatsgevonden. Aangezien het gaat om het ernstige vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de Nederlandse openbare orde vormt, wordt niet tegengeworpen de bestraffing van een gedraging die naar Nederlands recht geen misdrijf vormt. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat in het buitenland bepaalde gedragingen in het algemeen zwaarder of lichter kunnen worden bestraft dan in Nederland. Daarom moet tevens worden beoordeeld of de buitenlandse beoordeling van het misdrijf vergelijkbaar is met de Nederlandse beoordeling. Buitenlandse feiten kunnen bijvoorbeeld blijken uit gegevens van de Justitiële documentatiedienst (JDD) of uit de verklaringen van de vreemdeling zelf.
Er is geen reden om alleen rekening te houden met die buitenlandse feiten die zijn gepleegd ná de vreemdelingenrechtelijke toelating van de vreemdeling. Gelet op de vereiste verblijfstermijnen zullen de meeste vóór de toelating gepleegde feiten en de sanctionering daarvan, veelal ouder zijn dan vier jaar, en daarmee niet meer relevant. Voor bepaalde categorieën vreemdelingen gelden echter geen of kortere verblijfstermijnen. Ook is het mogelijk dat in de vreemdelingenrechtelijke toelatingsprocedure een eerder of buitenlands feit is verzwegen of niet (voldoende) is onderkend, of dat de vóór de toelating van de vreemdeling opgelegde sanctie nog niet ten uitvoer is gelegd. Daardoor is niet ondenkbaar dat het in het buitenland vóór de toelating gepleegde feit of de sanctionering toch relevant is voor de naturalisatie of optie.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 5-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 3.1. Bewijslast opvoeding en verzorging
### 5a-1. Toelichting ad artikel 5a, eerste lid (sterke adoptie)
### Artikel 6
### 6-1-a. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### Paragraaf 2.1.2. Aanvraagfase
Dit is een beschikking van het college van B&W waarin staat dat het college van B&W de betrokkene ontheft van de inburgeringsplicht omdat hij heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap, blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.4¶graaf=3.13.4.2&z=2015-04-17&g=2015-04-17) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
Mocht er bij de IND twijfel bestaan over de echtheid van het medisch advies dan kan contact worden gezocht met de door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen medisch adviseur. De IND zal het advies waarover twijfel bestaat aan de medisch adviseur toesturen, waarna de medisch adviseur de echtheid kan vaststellen. Als het advies niet echt blijkt, is de verzoeker niet ontheven van het inburgeringsexamen.
Mochten er vragen zijn ten aanzien van de inhoud van het afgegeven medisch advies, dan neemt de IND contact op met de aangewezen medisch adviseur.
### 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### Paragraaf 2.3.3. Beroep ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
### paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij DUO
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
Naast het in zijn bezit hebben van een door de wet bepaalde mate van kennis van de Nederlandse taal, staatsinrichting en maatschappij dient de verzoeker die in aanmerking wil komen voor naturalisatie zich te hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving. Deze voorwaarde wordt onder andere getoetst aan de hand van een monogaam huwelijk.
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.4¶graaf=3.13.4.2&z=2016-01-01&g=2016-01-01) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
Een Japanse vrouw die in 1981 is gehuwd met een Nederlandse man, sindsdien in Nederland woont en een verblijfsvergunning in haar bezit heeft, doet een verzoek om naturalisatie bij de gemeente van haar woonplaats. Als nieuwkomer heeft zij het inburgeringsprogramma niet gevolgd. Nu wil zij zich laten naturaliseren tot Nederlander en is bereid de naturalisatietoets af te leggen.
### Bijlage 8
### Paragraaf 4. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.4¶graaf=3.13.4.2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) Afleggen verklaring van verbondenheid)
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) Afleggen verklaring van verbondenheid)
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
### Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
[WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827): [artikel 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=183)
[WRB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368): [artikelen 34.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34) en [34.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34)
### 5. Termijn van toelating en hoofdverblijf niet van toepassing (artikel 8 lid 2 RWN)
### 6. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (artikel 8 lid 1 onder e RWN)
### 7. Inburgering (artikel 8 lid 1 onder d RWN)
### 8. Antecedenten (artikel 9 lid 1 onder a)
### 9. Bereidheid tot het doen van afstand (artikel 9 lid 1 onder b, artikel 9 lid 3 RWN)
### 10. Verzoeker heeft geen hoofdverblijf in het land waarvan hij onderdaan is (artikel 9 lid 1, onder c RWN)
### 11. (Mede)naturalisatie minderjarigen (artikel 11 lid 6 RWN)
### 12. Naamsvaststelling of naamswijziging (artikel 12 RWN)
### 13. Betaling leges (artikel 15 RWN)
### 14. Advies van het hoofd van de diplomatieke of consulaire post
### 15. Toelichting (bij ruimtegebrek extra bladzijde toevoegen)
Er is geen reden om alleen rekening te houden met die buitenlandse feiten die zijn gepleegd ná de vreemdelingenrechtelijke toelating van de vreemdeling. Gelet op de vereiste verblijfstermijnen zullen de meeste vóór de toelating gepleegde feiten en de sanctionering daarvan, veelal ouder zijn dan vier jaar, en daarmee niet meer relevant. Voor bepaalde categorieën vreemdelingen gelden echter geen of kortere verblijfstermijnen. Ook is het mogelijk dat in de vreemdelingenrechtelijke toelatingsprocedure een eerder of buitenlands feit is verzwegen of niet (voldoende) is onderkend, of dat de vóór de toelating van de vreemdeling opgelegde sanctie nog niet ten uitvoer is gelegd. Daardoor is niet ondenkbaar dat het in het buitenland vóór de toelating gepleegde feit of de sanctionering toch relevant is voor de naturalisatie of optie.
Er bestaat geen aanleiding om een misdrijf dat is gepleegd door iemand ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig [Titel VIII A van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=VIII_A) (jeugdstrafrecht) anders te beoordelen dan hetzelfde misdrijf maar dan gepleegd door een meerderjarige. Jeugdstrafrecht is ook strafrecht dat wordt toegepast naar aanleiding van een feitelijke misdraging. Jeugdstrafrecht kent een afwijkend sanctiepakket en bij het bepalen van de sanctie is met de jeugdige leeftijd van de dader al rekening gehouden. Dat betekent dat eenzelfde misdrijf, als gevolg van de in het strafrecht gehanteerde instrumenten en de daarop betrekking hebbende keuzes mogelijk tot verschillende strafrechtelijke sancties voor minderjarigen en meerderjarigen leidt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de stelling aanvaard dat het niet aan Onze Minister bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie of optie, dan wel de bestuursrechter, is om te toetsen op welke wijze de Rechtbank tot het opleggen van een sanctie is gekomen en om te beoordelen of een andere sanctie zou zijn opgelegd als een vreemdeling meerderjarig zou zijn geweest.
Er bestaat geen aanleiding om een misdrijf dat is gepleegd door iemand ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig [Titel VIII A van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=VIII_A) (jeugdstrafrecht) anders te beoordelen dan hetzelfde misdrijf maar dan gepleegd door een meerderjarige. Jeugdstrafrecht is ook strafrecht dat wordt toegepast naar aanleiding van een feitelijke misdraging. Jeugdstrafrecht kent een afwijkend sanctiepakket en bij het bepalen van de sanctie is met de jeugdige leeftijd van de dader al rekening gehouden. Dat betekent dat eenzelfde misdrijf, als gevolg van de in het strafrecht gehanteerde instrumenten en de daarop betrekking hebbende keuzes mogelijk tot verschillende strafrechtelijke sancties voor minderjarigen en meerderjarigen leidt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de stelling aanvaard dat het niet aan Onze Minister bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie of optie, dan wel de bestuursrechter, is om te toetsen op welke wijze de Rechtbank tot het opleggen van een sanctie is gekomen en om te beoordelen of een andere sanctie zou zijn opgelegd als een vreemdeling meerderjarig zou zijn geweest.
Het gaat bij de beoordeling van het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde om de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de vreemdeling. Die verwachtingen worden noodzakelijkerwijs gebaseerd op het gedrag van de vreemdeling in het heden en recente verleden. Als maatstaf voor de beoordeling van het gedrag wordt de vraag gehanteerd of het gedrag van de vreemdeling heeft geleid tot een veroordeling of andere sanctie ter zake van misdrijf of de tenuitvoerlegging daarvan. Omdat het echter blijft gaan om het toekomstige gedrag, wordt niet iedere sanctie en tenuitvoerlegging daarvan (ook niet als die sanctie zeer zwaar was) blijvend tegengeworpen. De omstandigheid dat iemand in het verleden wegens bepaalde strafbare feiten in aanraking is gekomen met Justitie is op zichzelf onvoldoende grond voor afwijzing. Aan het gedrag van de vreemdeling in het verre verleden kunnen geen conclusies worden verbonden, voor wat betreft zijn toekomstige gedrag. Voor de beoordeling van een naturalisatieverzoek of optie is als maatstaf aangelegd dat er gedurende een periode van vier jaar, direct voorafgaande aan de indiening van het naturalisatieverzoek of het afleggen van de optieverklaring of de beslissing daarop, geen sprake mag zijn geweest van een misdrijf, de sanctionering van een misdrijf of de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie.
Een stelsel dat uitgaat van de datum waarop het misdrijf heeft plaatsgevonden, is niet wenselijk. Een nadelig gevolg daarvan zou zijn dat een misdrijf dat eerst geruime tijd na dato aan het licht komt, niet kan leiden tot het weigeren van de Nederlandse nationaliteit. De strafrechtelijke verjaringstermijnen zijn in het algemeen aanzienlijk langer dan vier jaar. In dat geval zou de vreemdeling moeten worden voorgedragen voor het Nederlanderschap, terwijl hij nog aan strafvervolging wegens een ernstig feit is onderworpen of de opgelegde straf nog ondergaat. Dat zou ook kunnen gebeuren als de vreemdeling is veroordeeld tot een zeer lange gevangenisstraf. Voorzover het tussen de pleegdatum en de datum van veroordeling verstreken tijdsverloop relevant is te achten, zal dat in de strafmaat tot uitdrukking worden gebracht. Voorts doet een stelsel dat uitgaat van de pleegdatum geen recht aan de gedachte dat van daadwerkelijke rehabilitatie geen sprake kan zijn, zolang de vreemdeling nog strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel boven het hoofd hangt. Een stelsel dat uitgaat van de pleegdatum in combinatie met een (aanzienlijk) langere rehabilitatietermijn dan vier jaar na die pleegdatum, zal in de praktijk onbillijk uitpakken voor die vreemdelingen die in het verleden – achteraf bezien eenmalig – een misstap hebben begaan en de daarop gestelde sanctie hebben ondergaan. Zij moeten in dat geval immers langer wachten voordat zij Nederlander kunnen worden. Het huidige stelsel gaat uit van de datum waarop de sanctiebeslissing onherroepelijk is geworden en de datum waarop de sanctie ten uitvoer is gelegd. Dit stelsel blijft gehandhaafd. Een ernstig vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt mitsdien aangenomen gedurende vier jaren, te rekenen vanaf (a) de datum waarop de beslissing tot sanctionering onherroepelijk is geworden, of (b) indien de tenuitvoerlegging daarna is voltooid, het einde van de tenuitvoerlegging. Bij vrijheidsbeneming is dat de datum van de (vervroegde) invrijheidstelling, bij geldboete, transactie of een maatregel tot betaling is dat de datum van betaling van de volledige geldsom en bij taakstraf is dat de datum waarop de taakstraf is beëindigd. De vreemdeling moet daarover gegevens en onderbouwende stukken verstrekken.
Ingeval van een vermogensstraf met afbetalingsregeling, wordt een beroep op die afbetalingsregeling (die de aanvang van de rehabilitatietermijn opschuift) niet gehonoreerd, aangezien die regeling is getroffen op verzoek van de veroordeelde vreemdeling zelf. Ingeval van vrijheidsstraf wordt een beroep op de duur tussen de datum waarop het vonnis onherroepelijk is geworden en de datum waarop de vrijheidsstraf kan worden ondergaan, in het algemeen niet gehonoreerd als een bijzondere omstandigheid. Die duur is thans een kwestie van maanden, tenzij de vreemdeling zelf verzoekt om uitstel van tenuitvoerlegging. Zij is in het verleden wel langer geweest, maar ook toen stond het de veroordeelde vrij zich tot de overheid te wenden met het verzoek om de opgelegde straf met voorrang te ondergaan. Als de vreemdeling zich erop beroept dat er tussen de datum waarop het misdrijf is gepleegd en de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden, een bijzonder lange tijd is verstreken, moet de verzoeker vreemdeling zelf aangeven hoe dat komt en dit met documenten onderbouwen. In de meeste gevallen zal het gaan om misdrijven die eerst geruime tijd na de pleegdatum aan het licht komen en vervolgens tot strafvervolging leiden. In die gevallen is het tijdsverloop het gevolg van het stilzwijgen van de vreemdeling zelf. Als de vreemdeling meent dat er in zijn geval sprake is van zeer bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan toepassing van deze regeling kennelijk onredelijk is, moet hij die bijzondere feiten of omstandigheden zelf naar voren brengen en onderbouwen.
Op een vreemdeling die door de Nederlandse strafrechter is veroordeeld wegens één of meer gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals dit verdrag is gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 of die veroordeeld is wegens een van de misdrijven als bedoeld in [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is de rehabilitatietermijn niet van toepassing. De veroordeling wordt de vreemdeling dus zonder tijdslimiet in het kader van een naturalisatie- of optieverzoek tegengeworpen.
Bij een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan het voorkomen dat de maatregel pas (veel) later ten uitvoer is gelegd dan de eventueel eveneens opgelegde vrijheidsstraf of geldboete. Voor de aanvang van de rehabilitatietermijn is echter de laatst opgelegde straf of maatregel bepalend. Concreet betekent dit dat een vreemdeling zich niet erop kan beroepen dat de datum van de tenuitvoerlegging van de eerste sanctie (vaak de vrijheidsstraf of de geldboete) bepalend is.
Bij een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan het voorkomen dat de maatregel pas (veel) later ten uitvoer is gelegd dan de eventueel eveneens opgelegde vrijheidsstraf of geldboete. Voor de aanvang van de rehabilitatietermijn is echter de laatst opgelegde straf of maatregel bepalend. Concreet betekent dit dat een vreemdeling zich niet erop kan beroepen dat de datum van de tenuitvoerlegging van de eerste sanctie (vaak de vrijheidsstraf of de geldboete) bepalend is.
Ook ingeval van een voorwaardelijk opgelegde straf is er sprake van een onvoorwaardelijke veroordeling, waarbij alleen de tenuitvoerlegging van de straf (of een gedeelte daarvan) onder bepaalde voorwaarden wordt opgeschort. Het voorwaardelijk opschorten van de tenuitvoerlegging van (een gedeelte van) de straf, doet niets af aan de veroordeling en daarmee aan de strafbaarheid van de daad en dader. Ook als een straf voorwaardelijk is opgelegd, is het misdrijf gepleegd en zijn daad en dader strafbaar bevonden. Voor naturalisatie is dus niet van belang of de straf voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd. Bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling wordt gekeken naar de totale straf die is opgelegd, dus ook naar het voorwaardelijke gedeelte ervan. Daarbij is het enkele feit dat de straf (geheel of gedeeltelijk) voorwaardelijk is opgelegd, dus niet van belang en wordt ook het voorwaardelijk opgelegde gedeelte in aanmerking genomen. Het feit dat de straf voorwaardelijk is opgelegd, is wel van belang voor de rehabilitatietermijn. Er zijn twee mogelijkheden:
De vreemdeling komt tijdens de proeftijd niet in aanmerking voor naturalisatie of optie.
De vreemdeling komt tijdens de proeftijd niet in aanmerking voor naturalisatie of optie.
Onvoorwaardelijke sepots worden niet tegengeworpen. Als de vreemdeling ten onrechte als verdachte is aangemerkt, omdat de daad en/of de dader naar het oordeel van het OM niet strafbaar is/zijn, als wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, of de zaak uit opportuniteitsoverwegingen wordt geseponeerd, is de zaak ten einde en kunnen daaraan in het algemeen verder geen gevolgen worden verbonden. Het vermeende misdrijf wordt immers niet gesanctioneerd. Met het onvoorwaardelijke sepot is de zaak direct afgedaan. Onvoorwaardelijke sepots leiden dus niet tot weigering van naturalisatie of optie. Vermeende misdrijven die onvoorwaardelijk zijn geseponeerd, blijven geheel buiten beschouwing. Omdat er geen sprake is van een sanctie, gaat ook geen rehabilitatietermijn van vier jaar lopen.
Met een voorwaardelijk sepot is echter nog geen einde aan de zaak gekomen. Met een voorwaardelijk sepot ziet het OM slechts af van strafvervolging, als aan (een) bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan. Als aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan alsnog tot dagvaarding worden overgegaan en kan het misdrijf alsnog leiden tot een sanctie. De voorwaardelijk geseponeerde zaak lijkt daarmee op een openstaande strafzaak en wordt bij naturalisatie of optie op vergelijkbare wijze beoordeeld. Omdat strafvervolging en -oplegging niet zijn uitgesloten, moet de vreemdeling eerst de proeftijd afwachten. Voorwaardelijke sepots leiden evenmin tot weigering van naturalisatie of optie, mits aan de voorwaarden van het sepot is voldaan en de proeftijd is verstreken. Als een misdrijf voorwaardelijk is geseponeerd, moet altijd de proeftijd worden afgewacht. Als de vreemdeling nog in de proeftijd zit, moet hij worden geadviseerd te wachten met de indiening van het naturalisatieverzoek of het afleggen van de optieverklaring totdat de proeftijd is verstreken. Als hij er niettemin op staat het verzoek in te dienen of de optieverklaring af te leggen en de proeftijd is nog niet verstreken, dan wordt de naturalisatie of optie geweigerd. Pas als de proeftijd is verstreken en aan de voorwaarden is voldaan, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het vermeende misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid en dat er ook geen rehabilitatietermijn is aangevangen.
Met een voorwaardelijk sepot is echter nog geen einde aan de zaak gekomen. Met een voorwaardelijk sepot ziet het OM slechts af van strafvervolging, als aan (een) bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan. Als aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan alsnog tot dagvaarding worden overgegaan en kan het misdrijf alsnog leiden tot een sanctie. De voorwaardelijk geseponeerde zaak lijkt daarmee op een openstaande strafzaak en wordt bij naturalisatie of optie op vergelijkbare wijze beoordeeld. Omdat strafvervolging en -oplegging niet zijn uitgesloten, moet de vreemdeling eerst de proeftijd afwachten. Voorwaardelijke sepots leiden evenmin tot weigering van naturalisatie of optie, mits aan de voorwaarden van het sepot is voldaan en de proeftijd is verstreken. Als een misdrijf voorwaardelijk is geseponeerd, moet altijd de proeftijd worden afgewacht. Als de vreemdeling nog in de proeftijd zit, moet hij worden geadviseerd te wachten met de indiening van het naturalisatieverzoek of het afleggen van de optieverklaring totdat de proeftijd is verstreken. Als hij er niettemin op staat het verzoek in te dienen of de optieverklaring af te leggen en de proeftijd is nog niet verstreken, dan wordt de naturalisatie of optie geweigerd. Pas als de proeftijd is verstreken en aan de voorwaarden is voldaan, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het vermeende misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid en dat er ook geen rehabilitatietermijn is aangevangen.
De enkele verplichting om aangerichte schade te vergoeden, wordt niet tegengeworpen, ook niet indien die schade is veroorzaakt door een misdrijf. Soms wordt de plicht tot schadevergoeding gekoppeld aan een andere afdoeningsvorm (bijvoorbeeld als voorwaarde aan een voorwaardelijk sepot of opgelegd naast een boete of al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Bij naturalisatie en optie wordt bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling gekeken naar afdoening van het misdrijf (dus naar het voorwaardelijk sepot, de boete of de al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Schadevergoeding kan in diverse vormen voorkomen als voorwaarde om een sanctie te voorkomen. Voor vormen als dading en Halt-afdoeningen wordt verwezen naar voorwaardelijk sepot.
Schadevergoeding is in beginsel een zaak tussen degene die de schade heeft aangericht en de benadeelde. Veroordelingen door de civiele rechter tot schadevergoeding aan de benadeelde worden niet tegengeworpen bij naturalisatie en optie. Schadevergoeding kan echter ook in het strafproces een rol spelen, bijvoorbeeld als voorwaarde verbonden aan een voorwaardelijk opgelegde straf of aan een beslissing om een strafzaak te seponeren.
Dading: bij de strafrechtelijke dading (een civielrechtelijke overeenkomst tussen de verdachte en de benadeelde van een strafbaar feit) wordt strafrechtelijke vervolging voorkomen. De verdachte komt overeen om de door de benadeelde geleden schade te vergoeden. Bij de beoordeling in het kader van optie of naturalisatie van een dading wordt aangesloten bij wat hiervoor is vermeld onder voorwaardelijk sepot. Bij het OM moet dus worden nagegaan of de dadingsovereenkomst inderdaad is nagekomen en het OM niet alsnog vervolging heeft ingesteld. Tot die tijd moet de aanvraag worden aangehouden. Als de dadingsovereenkomst niet is nagekomen, en alsnog (al dan niet voorwaardelijk) een geldboete van € 810,– of meer (ingeval van herhaalde misdrijven € 405,– of meer), een taakstraf of een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd, wordt het feit wel tegengeworpen.
Halt-afdoening: ook de Halt-afdoening komt neer op een sepot onder voorwaarde. Als de afspraken niet worden nagekomen, kan publiekrechtelijke sanctionering (in het kader van het jeugdstrafrecht) volgen. Gecontroleerd moet worden of de dienstverlening is voltooid. Als dat niet het geval is, wordt de aanvraag aangehouden. Als alsnog tot strafvervolging wordt overgegaan, wordt het feit alleen tegengeworpen als een geldboete van minimaal € 810,– of een (al dan niet voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd. Dit sluit aan bij de beoordeling van dading.
Halt-afdoening: ook de Halt-afdoening komt neer op een sepot onder voorwaarde. Als de afspraken niet worden nagekomen, kan publiekrechtelijke sanctionering (in het kader van het jeugdstrafrecht) volgen. Gecontroleerd moet worden of de dienstverlening is voltooid. Als dat niet het geval is, wordt de aanvraag aangehouden. Als alsnog tot strafvervolging wordt overgegaan, wordt het feit alleen tegengeworpen als een geldboete van minimaal € 810,– of een (al dan niet voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd. Dit sluit aan bij de beoordeling van dading.
Bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling is niet van belang of de voor het misdrijf opgelegde straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden. Gekeken wordt naar de straf die oorspronkelijk is opgelegd, dus ook naar het gedeelte dat door gratie is kwijtgescholden. Voor naturalisatie of optie heeft het enkele feit dat de straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden dus geen invloed op de beoordeling van het gedrag; het misdrijf en de dader zijn immers strafbaar bevonden en daarvoor is straf opgelegd. Gratie kan wel invloed hebben op de aanvang van de rehabilitatietermijn:
De rehabilitatietermijn vangt dus niet aan op de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden. In de periode tussen die datum en de gratieverlening was er immers wel sprake van dat de opgelegde straf ten uitvoer zou worden gelegd. Van daadwerkelijke rehabilitatie (en de aanvang van de rehabilitatietermijn) kan geen sprake zijn, zolang de vreemdeling nog onderworpen is aan de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel of dat hem deze nog boven het hoofd hangt.
Gratie betreft de opheffing of de verlichting van de gevolgen van een strafvonnis. Gratie kan voorwaardelijk worden verleend, hetgeen neerkomt op het omzetten van de straf in een geldboete of schadevergoeding of in een taakstraf. Daarbij kan een proeftijd worden opgelegd. Een koninklijk besluit waarbij gratie is verleend, kan worden ingetrokken als de voorwaarden niet worden nageleefd. Op het moment waarop de gratieverlening wordt betekend, worden de gevolgen van het vonnis opgeheven of verlicht. Het vonnis zelf blijft bestaan. Pas vanaf dat moment kan de verleende gratie bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling een rol gaan spelen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de gratie slechts de tenuitvoerlegging van de oorspronkelijk opgelegde straf aantast. Het doet niet af aan het feit dat daad en dader strafbaar zijn bevonden en dat er oorspronkelijk ook een straf is opgelegd die tot het moment van de gratieverlening ten uitvoer moest worden gelegd. Uitgegaan wordt derhalve van de oorspronkelijk opgelegde straf, en er wordt niet uitgegaan van de sanctie die resteert na de gratieverlening. In de regeling voor gratie is voorts aangesloten bij het algemene uitgangspunt dat de rehabilitatietermijn niet kan beginnen zolang de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf nog niet is aangevangen of voltooid. Daarom werkt gratie pas vanaf het moment van gratieverlening en begint de termijn te lopen op het moment van de gratieverlening (ingeval van onvoorwaardelijke gratie) of het moment waarop aan de voorwaarden is voldaan (ingeval van voorwaardelijke gratie). Bij de invloed van de proeftijd die bij gratie kan worden vastgesteld, is aangesloten bij de regeling voor de proeftijd die wordt vastgesteld ingeval van een voorwaardelijke veroordeling. Als de voorwaarden niet worden nageleefd, kan de gratiebeslissing immers worden herroepen. Als dat het geval is, gelden de algemene uitgangspunten van het openbare-ordebeleid in het nationaliteitsrecht.
Ook de door gratie kwijtgescholden gevangenisstraf of geldboete kan dus gewoon worden meegeteld. Dat geldt ook in de cumulatieregeling van € 1.215,–, mits de kwijtgescholden boete was opgelegd voor een misdrijf en ten minste € 405,– bedraagt.
De voorwaardelijke gratie komt neer op het omzetten van de oorspronkelijke straf in de betaling van een geldboete of schadevergoeding, of in een taakstraf (werkstraf of leerstraf). Bij voorwaardelijke gratie kan in veel gevallen een proeftijd worden bepaald. Als de voorwaarden niet worden nageleefd, kan het koninklijk besluit waarbij gratie is verleend, worden ingetrokken. Daarom moet bij voorwaardelijke gratie altijd de eventuele proeftijd worden afgewacht. Als achteraf blijkt dat de proeftijd met goed gevolg is doorstaan, vangt de rehabilitatietermijn aan op het moment waarop de nieuwe straf is voltooid. Als de voorwaarde was de betaling van een boete of schadevergoeding, vangt de termijn dus aan op de datum van betaling. Als de voorwaarde was het verrichten van arbeid ten algemenen nutte (werkstraf) of het deelnemen aan een leerproject (leerstraf), vangt de termijn aan op de datum waarop de werk- of leerstraf is voltooid.
De voorwaardelijke gratie komt neer op het omzetten van de oorspronkelijke straf in de betaling van een geldboete of schadevergoeding, of in een taakstraf (werkstraf of leerstraf). Bij voorwaardelijke gratie kan in veel gevallen een proeftijd worden bepaald. Als de voorwaarden niet worden nageleefd, kan het koninklijk besluit waarbij gratie is verleend, worden ingetrokken. Daarom moet bij voorwaardelijke gratie altijd de eventuele proeftijd worden afgewacht. Als achteraf blijkt dat de proeftijd met goed gevolg is doorstaan, vangt de rehabilitatietermijn aan op het moment waarop de nieuwe straf is voltooid. Als de voorwaarde was de betaling van een boete of schadevergoeding, vangt de termijn dus aan op de datum van betaling. Als de voorwaarde was het verrichten van arbeid ten algemenen nutte (werkstraf) of het deelnemen aan een leerproject (leerstraf), vangt de termijn aan op de datum waarop de werk- of leerstraf is voltooid.
Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium ‘ernstig gevaar voor de openbare orde’ (in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)). Zij moeten door iedereen op dezelfde wijze worden uitgevoerd. Deze regels vervangen de genoemde artikelen niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels moet men er dus altijd op bedacht zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.
Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een naturalisatie of optie dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden geweigerd, toch moet worden ingewilligd of worden bevestigd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek of optie dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen of geweigerd, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek of optie moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek of optie zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de Handleiding RWN 2003 geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.
Een bijzondere omstandigheid kan in het algemeen worden omschreven als een omstandigheid die wel belangrijk is, maar waaraan bij het opstellen van de regels niet of onvoldoende kon worden gedacht. Juist omdat het bijzondere omstandigheden zijn, kan niet van tevoren worden aangegeven welke omstandigheden zo bijzonder zijn dat zij tot afwijking van de regels in dit hoofdstuk moeten leiden.
Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), kan echter wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt. Niet bijzonder is bijvoorbeeld dat de vreemdeling:
Evenmin kunnen als bijzonder worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voorzover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken. Deze voorbeelden zijn niet-limitatief.
Als al sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, is het aan de vreemdeling om die zelf aan te voeren. Dat ligt niet op de weg van de burgemeester en de IND, omdat die in den regel ook geen kennis kunnen hebben van bijzondere omstandigheden. Wel ligt het op de weg van de burgemeester en de IND om naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden te vragen en de betekenis daarvan zonodig te onderzoeken. De vreemdeling kan op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) (bij naturalisatie) of [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) (bij optie) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ die hij bij de indiening van zijn verzoek of het afleggen van de optieverklaring bij de burgemeester invult, aangeven of er sprake is van bijzondere omstandigheden.
De beoordeling van bijzondere omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND, en bij optie bij de burgemeester. Die bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens leiden tot de conclusie dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde. Als wel sprake is van ernstige vermoedens dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, moet naturalisatie of optie worden geweigerd. Daarvan kan bij naturalisatie niet met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden afgeweken.
De beoordeling van bijzondere omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND, en bij optie bij de burgemeester. Die bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens leiden tot de conclusie dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde. Als wel sprake is van ernstige vermoedens dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, moet naturalisatie of optie worden geweigerd. Daarvan kan bij naturalisatie niet met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden afgeweken.
Om te kunnen spreken van gevaar voor de veiligheid van het Koninkrijk is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel moeten er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen moet in de eerste plaats worden gedacht aan een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van (buitenlandse) ministeries.
Om te kunnen spreken van gevaar voor de veiligheid van het Koninkrijk is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel moeten er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen moet in de eerste plaats worden gedacht aan een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van (buitenlandse) ministeries.
De burgemeester adviseert in beginsel in de naturalisatieprocedure aan Onze Minister of de vreemdeling dan wel het kind voor wie medeverlening is verzocht voldoet aan de voorwaarden. Over criminele antecedenten voor de toepassing van [artikel 9 lid 1 onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) adviseert de burgemeester echter sinds 1 januari 2012 niet meer. De burgemeester moet de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, wel informeren over de openbare orde-richtlijnen bij naturalisatie, waaronder het vereiste van monogamie. De burgemeester wijst de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat hij geen strafrechtelijke gegevens zal opvragen, maar dat de IND dit doet. De burgemeester wijst de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat deze gegevens gevolgen kunnen hebben voor de beslissing op het verzoek om (mede)naturalisatie. De burgemeester geeft in het advies aan de IND nog wel aan of wel of niet sprake is van een polygaam huwelijk van de vreemdeling of van de medenaturalisant.
Als voor de indiening van het naturalisatieverzoek al duidelijk is dat de vreemdeling (bijvoorbeeld wegens een openstaande strafzaak of recente sanctie) niet voor naturalisatie in aanmerking komt, moet hij er op worden gewezen dat het verzoek waarschijnlijk zal worden afgewezen en dat hij beter kan wachten met de indiening van het verzoek totdat hij wel voor naturalisatie in aanmerking komt. Als hij er desalniettemin op staat een verzoek in te dienen, moet dat verzoek wel in behandeling worden genomen. De IND onderzoekt vervolgens de strafrechtelijke gegevens van de vreemdeling. Het is raadzaam om de vreemdeling een eigen risico verklaring te laten ondertekenen.
Voor de procedure bij optie, zie de toelichting bij [artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
Voor de procedure bij optie, zie de toelichting bij [artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
Iedere meerderjarige vreemdeling en iedere minderjarige kind van 16 jaar en ouder moet bij het naturalisatieverzoek of optieverklaring een verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) bij naturalisatie, [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) bij optie) ondertekenen. In dit model verklaart hij dat hij niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie, én, als hij getrouwd is, dat hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Model 2.3 en model 1.14 bestaat uit meerdere verklaringen. Als de vreemdeling (of degene voor wie medenaturalisatie of medeoptie is verzocht) aangeeft dat hij niet een of meer van de verklaringen op model 2.3 of model 1.14 naar waarheid kan verklaren, dan moet hij op het model (zoveel mogelijk onderbouwd met stukken) aangeven waarom hij die verklaring niet kan afleggen. Daarbij kan hij aangeven of er naar zijn mening bijzondere omstandigheden zijn die toch tot naturalisatie of optie moeten leiden.
Als een vreemdeling (bij naturalisatie op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01), bij optie op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) aangeeft dat er sprake is van buitenlandse delicten, moet hij daarover zoveel mogelijk gegevens verstrekken. Als hij beschikt over documenten, zoals het buitenlandse vonnis, dan moet een kopie hiervan bij het naturalisatieverzoek of optie zitten. De vreemdeling moet zo gedetailleerd mogelijk aangeven welk(e) feit(en) het betrof, welke rechtbank en welke kamer op welke datum daarover hebben beslist, welke rechtsmiddelen eventueel zijn aangewend en met welk resultaat, waar en wanneer de beslissing van de rechtbank ten uitvoer is gelegd en eventuele andere bijzonderheden. Als de vreemdeling beschikt over stukken in een vreemde taal, dan moet hijzelf ervoor zorgen dat deze stukken worden vertaald door een beëdigd vertaler.
De meerderjarige vreemdeling of het kind van 16 of 17 jaar geeft aan of binnen vier jaar voor de indiening van het verzoek of het afleggen van de optieverklaring een sanctie ten uitvoer is gelegd. Daarbij is van belang dat de vreemdeling zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus op welke datum de vreemdeling of het kind in vrijheid is gesteld, de taakstraf heeft voltooid of het bedrag heeft betaald.
De meerderjarige vreemdeling of het kind van 16 of 17 jaar geeft aan of binnen vier jaar voor de indiening van het verzoek of het afleggen van de optieverklaring een sanctie ten uitvoer is gelegd. Daarbij is van belang dat de vreemdeling zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus op welke datum de vreemdeling of het kind in vrijheid is gesteld, de taakstraf heeft voltooid of het bedrag heeft betaald.
De IND (bij naturalisatie) en de burgemeester (bij optie) vraagt gegevens op bij de Justitiële documentatiedienst (JDD). Let op: bij naturalisatie behoeft de burgemeester de JDD niet te raadplegen.
Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van feiten en omstandigheden die niet overeenkomen met wat de vreemdeling (bij optie: op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01), bij naturalisatie: op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) zelf heeft verklaard, dan wordt de vreemdeling door de burgemeester (bij optie) en door de IND (bij naturalisatie) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.
Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van feiten en omstandigheden die niet overeenkomen met wat de vreemdeling (bij optie: op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01), bij naturalisatie: op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) zelf heeft verklaard, dan wordt de vreemdeling door de burgemeester (bij optie) en door de IND (bij naturalisatie) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.
Verder moet de burgemeester bij optie en de IND bij naturalisatie contact opnemen met de korpschef om na te gaan of de vreemdeling voorkomt in:
Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van omstandigheden die niet overeenkomen met wat de vreemdeling (bij optie: op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01), bij naturalisatie: op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) zelf heeft verklaard, dan wordt de vreemdeling door de burgemeester (bij optie) en door de IND (bij naturalisatie) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.
Als sprake is van een openstaande strafzaak neemt de IND bij naturalisatie en de burgemeester bij optie contact op met het OM om te onderzoeken of de vreemdeling voor dat misdrijf al wordt of nog zal worden vervolgd. Als dat het geval is, moet worden nagegaan of er een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een taakstraf, een boete of een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 810,– of meer kan worden gevorderd. Als de vreemdeling een transactievoorstel zal kunnen worden gedaan of een strafbeschikking kan worden uitgevaardigd, moet worden nagegaan of de hoogte van het transactiebedrag € 810,– of meer (dan wel, als aan de vreemdeling al eerder vermogenssancties zijn opgelegd: € 405,– of meer) kan zijn. Als de zaak zal worden geseponeerd, moet worden nagegaan of het sepot een onvoorwaardelijk sepot zal zijn en zo dat niet het geval is, welke de voorwaarden en eventuele proeftijd zullen zijn.
Als de vreemdeling een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is (of nog kan worden) opgelegd, moet worden nagegaan wanneer de laatst opgelegde sanctie ten uitvoer is gelegd. Het kan daarbij voorkomen dat de ontnemingsmaatregel pas (veel) later ten uitvoer is gelegd dan de eventueel eveneens opgelegde vrijheidsstraf of geldboete.
De voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie of optie vereiste zorgvuldigheid strekt niet zover dat de IND of de burgemeester zich zelfstandig een oordeel behoort te vormen over de mogelijke uitkomst van de strafzaak. De beslissing op het verzoek om naturalisatie of optie wordt niet onnodig aangehouden in afwachting van de uitkomst van een strafprocedure.
Als er sprake is van een in het buitenland gepleegd delict, onderzoekt de IND bij naturalisatie en de burgemeester bij optie of het betreffende feit naar Nederlands recht een misdrijf is. De IND (bij naturalisatie) of burgemeester (bij optie) neemt dan contact op met het parket van de officier van justitie om te onderzoeken of de beoordeling van het misdrijf door de buitenlandse rechter vergelijkbaar is met de beoordeling naar Nederlandse maatstaven. Als het (Nederlandse) OM voor de eis ter zitting richtlijnen hanteert, dienen die richtlijnen als uitgangspunt. Met de individuele omstandigheden kan daarbij in het algemeen geen rekening worden gehouden. Het OM noch de IND/de burgemeester kan zich een oordeel vormen over het aan de strafrechter toekomend oordeel over de juiste strafmaat in een individuele casus. Het OM kan in het algemeen slechts adviseren over de eis ter zitting. De daarbij door het OM gehanteerde richtlijnen geven echter duidelijke en objectieve maatstaven aan de hand waarvan de gangbare straf voor de betreffende delicten uniform kan worden beoordeeld. Dat laat onverlet dat in zeer bijzondere (individuele) gevallen alleen dan tot een juiste toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap kan worden gekomen door af te wijken.
De beoordeling van de door de vreemdeling naar voren gebrachte bijzondere feiten of omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND en bij optie bij de burgemeester.
De beoordeling van de door de vreemdeling naar voren gebrachte bijzondere feiten of omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND en bij optie bij de burgemeester.
De voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie of optie vereiste zorgvuldigheid strekt niet zover dat de IND of de burgemeester zich zelfstandig een oordeel behoort te vormen over de mogelijke uitkomst van de strafzaak. De beslissing op het verzoek om naturalisatie of optie wordt niet onnodig aangehouden in afwachting van de uitkomst van een strafprocedure.
In de periode van 1 januari 1992 tot 1 oktober 1997 werd het vereiste om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet toegepast (zie circulaire van 20 december 1991, **Stcrt.**1992, 25). Dit kwam doordat op 22 oktober 1991 de Tweede Kamer der Staten-Generaal de motie Apostolou/Soutendijk-van Apeldoorn (TK 1991–1992, 21 971, nr. 29) inzake het doen van afstand bij naturalisatie had aangenomen. Naar aanleiding van deze motie werd besloten met ingang van 1 januari 1992 de eis, zoals geformuleerd in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), vooruitlopend op de aanpassing van de RWN te laten vallen. Het voorstel tot schrappen van deze eis stuitte echter op bezwaren bij de meerderheid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, zodat het vanaf 1 januari 1992 gevoerde afstandsbeleid herziening behoefde. Dit herziene beleid inzake de afstandsverplichting is op 1 oktober 1997 in werking getreden (circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6, inzake wijziging van het beleid inzake het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander).
De verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie is ook na inwerkingtreding van het voorstel tot wijziging van de RWN op 1 april 2003 blijven bestaan, zij het met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd in het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (**Trb.** 1994, 265), hierna te noemen: Tweede Protocol. De uitgangspunten in het Tweede Protocol zijn neergelegd in [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), zoals dit luidt met ingang van 1 april 2003 (zie de toelichting bij artikel 9, derde lid, RWN).
Sinds 1 oktober 1997 moet de verzoeker om naturalisatie in beginsel weer aangeven of hij bereid is afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Op grond van [artikel 32 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32) dient een verzoeker die een of meerdere nationaliteiten bezit en die verplicht is daarvan afstand te doen, een bereidheidsverklaring te overleggen waarin staat dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de totstandkoming van de naturalisatie zijn andere nationaliteit(en) te verliezen.
De afstandsverplichting geldt niet als de verzoeker onder één van de hieronder genoemde uitzonderingscategorieën dan wel onder de uitzonderingscategorieën in [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) valt.
Een verzoeker die in de BRP is ingeschreven als staatloze en daardoor wordt aangemerkt als staatloze in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), kan logischerwijs geen afstand doen. Hij wordt immers door geen enkele staat als onderdaan beschouwd. Dit geldt niet voor een verzoeker die in de BRP is ingeschreven als zijnde van onbekende nationaliteit, omdat zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN). Hij zal in de meeste gevallen immers wél in het bezit zijn van een nationaliteit. Pas als deze verzoeker op grond van de daarvoor geldende regels ([artikel 2.15 dan wel artikel 2:17 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715)) in de BRP wordt opgenomen als zijnde staatloos, kan worden aangenomen dat hij geen afstand van een nationaliteit kan doen.
Een verzoeker die in de BRP is ingeschreven als staatloze en daardoor wordt aangemerkt als staatloze in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), kan logischerwijs geen afstand doen. Hij wordt immers door geen enkele staat als onderdaan beschouwd. Dit geldt niet voor een verzoeker die in de BRP is ingeschreven als zijnde van onbekende nationaliteit, omdat zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN). Hij zal in de meeste gevallen immers wél in het bezit zijn van een nationaliteit. Pas als deze verzoeker op grond van de daarvoor geldende regels ([artikel 2.15 dan wel artikel 2:17 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715)) in de BRP wordt opgenomen als zijnde staatloos, kan worden aangenomen dat hij geen afstand van een nationaliteit kan doen.
Hoofdregel is dat een vreemdeling die verzoekt om naturalisatie afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is alleen anders indien het doen van afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd. Daarnaast zijn er categorieën verzoekers om naturalisatie waarop het vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is ([artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
Hoofdregel is dat een vreemdeling die verzoekt om naturalisatie afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is alleen anders indien het doen van afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd. Daarnaast zijn er categorieën verzoekers om naturalisatie waarop het vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is ([artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
Niet alle verzoekers zijn verplicht om afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en). In [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) wordt een vijftal uitzonderingen genoemd. Daarnaast zijn er vreemdelingen van wie redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en) (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). Samengevat komt het erop neer dat de hieronder genoemde categorieën verzoekers geen afstand hoeven te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit:
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Het vorenstaande neemt overigens niet weg dat voor de vermelding van de geboortedatum in de optieverklaring dan wel het koninklijk besluit de vermelding in de BRP leidend is. Dit betekent dat als in de BRP alleen het geboortejaar wordt vermeld, in de bevestiging of het koninklijk besluit ook uitsluitend het geboortejaar wordt opgenomen.
Bij een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (wordt verleend onder een beperking), moet nader worden onderzocht of sprake is van toelating voor onbepaalde tijd (dit hangt af van de beperking waaronder de vergunning is verleend dan wel de geldigheidsduur van de vergunning).
Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, een sticker of een W-document heeft nooit toelating voor onbepaalde tijd. Een uitzondering hierop vormen de minderjarige kinderen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en voor wie medeverlening wordt verzocht door een ouder die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (zie ook [paragraaf 3.9 bij de toelichting van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.9&z=2017-04-01&g=2017-04-01)).
### paragraaf 2. Rechtshandelingen minderjarigen door tussenkomst van wettelijke vertegenwoordiger
### paragraaf 2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
### paragraaf 1. Algemeen
### 5-3. Toelichting ad artikel 5, derde lid (zwakke adoptie)
### Paragraaf 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht
### Paragraaf 3.8. Buiten een land van het Koninkrijk ingediende verzoeken
### Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
### paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
[Artikel 6, lid 3, Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6) geeft hieraan uitwerking. DUO geeft, op verzoek van betrokkene, een advies af aan de vreemdeling die:
Als de verzoeker de nationaliteit bezit van een land waar polygamie mogelijk is, zal de burgemeester aan de hand van de gegevens in de BRP nagaan of er sprake is (geweest) van eerdere huwelijken. Als uit de BRP blijkt dat sprake is (geweest) van eerdere huwelijken zal moeten worden onderzocht of de ontbinding van het huwelijk naar Nederlands recht kan worden erkend. Het ligt op de weg van de verzoeker om aan de hand van documenten aan te tonen dat een eerdere echtgenoot heeft ingestemd met de verstoting. Zo is de omstandigheid dat de verstoting lang geleden heeft plaatsgevonden geen reden om aan te nemen dat de vrouw stilzwijgend heeft ingestemd met de verstoting.42[97] De burgemeester zal bij de indiening van het verzoek aan een verzoeker als hier bedoeld vragen of er nog sprake is van eerdere huwelijken die niet in de BRP zijn opgenomen (zie [model 2.1 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01)). Als dat het geval is, moet aan de hand van de door de verzoeker overgelegde documenten worden onderzocht of dat huwelijk is ontbonden op een naar Nederlands recht erkende wijze.
### 1. Algemeen
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.4¶graaf=3.13.4.2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
### Paragraaf 5.4. Voeging
### Paragraaf 5.4. Voeging
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### 9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
### Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
### Artikel 9
Wet BRP: [artikel 2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15)
### 9-alg. Toelichting algemeen
Dit heeft tot gevolg dat ten aanzien van verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend vóór 1 oktober 2010, nog steeds de uitzonderingscategorie bij afstand “de verzoeker die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn hoofdverblijf gehad heeft” van toepassing is. Voor verzoekers die op of na 1 oktober 2010 een verzoek indienen geldt deze uitzonderingscategorie dus niet meer.
### Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
De bedragen voor het tegenwerpen van een vermogenssanctie zijn met ingang van 1 juli 2015 verhoogd. De verhoogde bedragen gelden voor naturalisatieverzoeken en optieverklaringen die op of na 1 juli 2015 zijn ingediend. Als het naturalisatieverzoek of de optieverklaring voor 1 juli 2015 is ingediend en op of na die datum nog niet onherroepelijk op het naturalisatieverzoek of optieverklaring is beslist, is het nieuwe beleid eveneens van toepassing.
De bedragen voor het tegenwerpen van een vermogenssanctie zijn met ingang van 1 juli 2015 verhoogd. De verhoogde bedragen gelden voor naturalisatieverzoeken en optieverklaringen die op of na 1 juli 2015 zijn ingediend. Als het naturalisatieverzoek of de optieverklaring voor 1 juli 2015 is ingediend en op of na die datum nog niet onherroepelijk op het naturalisatieverzoek of optieverklaring is beslist, is het nieuwe beleid eveneens van toepassing.
### Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is
### Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten
### Paragraaf 3. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken
### Paragraaf 3. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken
### Paragraaf 4. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
### paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
### Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
### Paragraaf 5.1. Misdrijven
### paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### Paragraaf 5.2. Transacties en strafbeschikkingen
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
### Paragraaf 5.4. Voeging
### Paragraaf 5.5. Taakstraffen
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
### Paragraaf 5.8. Vierjaartermijn
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
### Paragraaf 5.12. Gratie
### paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
### Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
### Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
### Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
### Paragraaf 7. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag
### 10-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### 9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 1. Algemeen
Voorwaarde is ook dat op het moment dat adoptieuitspraak onherroepelijk werd, de adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit bezat. Het Nederlanderschap heeft zij in de meeste gevallen door geboorte van rechtswege verkregen (door bijvoorbeeld afstamming van een Nederlandse vader; zie paragraaf 2.1 bij artikel 6, eerste lid aanhef en onder i). Als eerste zal bekeken moeten worden waar de adoptiefmoeder is geboren of heeft gewoond. Als dat in Nederland is, dan is er een persoonskaart in Nederland aanwezig waaruit haar nationaliteit zal blijken. Als de adoptiefmoeder in het buitenland is geboren of nooit in Nederland heeft gewoond dan zijn de afstammings- en nationaliteitsgegevens op de persoonskaart van haar ouders relevant om te bepalen of de adoptiefmoeder het Nederlanderschap heeft verkregen door geboorte of anderszins.
### Paragraaf 1.1. Afstamming door adoptie binnen het Koninkrijk van een minderjarige
Van deze optie kon alleen gebruik worden gemaakt als de moeder van het kind op het moment van de optie de Nederlandse nationaliteit bezat, of als zij voordat de optie werd uitgebracht, als Nederlandse was overleden. Het kind moest daarnaast op 1 januari 1985 jonger zijn dan 21 jaar en niet gehuwd zijn geweest.
### Paragraaf 1.1. Erkenning kind jonger dan zeven jaar
Van deze optie kon alleen gebruik worden gemaakt als de moeder van het kind op het moment van de optie de Nederlandse nationaliteit bezat, of als zij voordat de optie werd uitgebracht, als Nederlandse was overleden. Het kind moest daarnaast op 1 januari 1985 jonger zijn dan 21 jaar en niet gehuwd zijn geweest.
### Paragraaf 1.5. Vereiste documenten
De optievoorwaarden kan de optant aan de hand van de volgende stukken aantonen:
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
Een kind wordt in 1980 op 8-jarige leeftijd geadopteerd bij uitspraak van de Nederlandse rechter door een echtpaar dat is getrouwd in 1972. De adoptiefvader bezit de Belgische nationaliteit en de adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit. Uit de overgelegde stukken, waar onder de adoptieuitspraak, blijkt dat een afstammingsrelatie tot stand is gekomen tussen de adoptiefouders en het kind. Hij kan opteren op grond van onderdeel j, als op het moment van de adoptieuitspraak in eerste aanleg de adoptiefmoeder nog de Nederlandse nationaliteit bezat. Tussen 1 maart 1964 en 1 januari 1985 verkreeg de vrouw automatisch de Belgische nationaliteit en behield zij het Nederlanderschap op grond van de destijds geldende Nederlandse nationaliteitswetgeving. Er bestond ook geen eenvoudige optiemogelijkheid voor haar voor de nationaliteit van haar echtgenoot. Gelet op de Belgische nationaliteitswetgeving kan voor de met een Belg trouwende buitenlandse vrouw worden aangenomen dat de adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit bezat op het moment van de adoptieuitspraak in eerste aanleg. Optie is dus mogelijk op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
### Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
Hij kan dan het Nederlanderschap, als hij dat inmiddels verloren heeft, herkrijgen door optie op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
### 6-1-k. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
**Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de vreemdeling die is geboren als kind van één van de in de onderdelen i of j bedoelde personen die het Nederlanderschap heeft verkregen dan wel voor die verkrijging is overleden.**
### Paragraaf 1. Algemeen
Een vreemdeling (meerderjarig of minderjarig) die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) als cumulatief:
### paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester
Vast moet komen te staan dat de optant een (juridisch) kind is van de persoon bedoeld in onderdeel i of j. Onderdeel k gaat uit van afstamming door geboorte.
### Paragraaf 1.2. Afstamming door geboorte
Is de persoon bedoeld in i of j de vader, dan moet worden onderzocht hoe die afstamming tot stand is gekomen. Dat kan zijn door huwelijk, en bij dit wetsonderdeel uitsluitend door prénatale erkenning. Voor postnataal erkende personen geldt of onderdeel l of m en indien afstamming tot stand is gekomen door gerechtelijke vaststelling vaderschap, geldt onderdeel n.
### Paragraaf 1.2. Bewijs biologisch vaderschap erkenner
Een kind wordt in 1986 op tweejarige leeftijd in Amsterdam erkend door een Marokkaanse man. Deze Marokkaanse man heeft geopteerd op grond van onderdeel i en daardoor het Nederlanderschap verkregen. De moeder van het kind bezit de Franse nationaliteit. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de erkenning rechtsgeldig is en de vader de juridische ouder is van het kind. De vader heeft inmiddels het Nederlanderschap verkregen door de optie op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Het kind kan opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l RWN.
### paragraaf 1. Algemeen
Onderdeel k eist dat eerst de optiegerechtigde ouder van het kind door de optie op grond van onderdeel i of j het Nederlanderschap verkrijgt. Daarna pas kan het kind gebruik maken van de optiemogelijkheid in onderdeel k. Alleen als deze optiegerechtigde ouder is overleden en dus niet het Nederlanderschap meer kan verkrijgen door de optie, kan er ook geopteerd worden. Voorwaarde is wel dat deze ouder aan alle voorwaarden van [artikel 6, eerste lid, onder i of j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) voldoet. Dit moet bij een overleden ouder dus ook onderzocht worden.
### Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
De optievoorwaarden kan de optant aan de hand van de volgende stukken aantonen:
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
Hieronder worden de uitzonderingscategorieën 1 tot en met 9 toegelicht. De overige vijf categorieën worden behandeld bij [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9).
Verzoeker heeft de Andorrese nationaliteit. In de wetgeving van Andorra is geregeld dat een Andorrees die vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt de Andorrese nationaliteit verliest. In geval van automatisch verlies door naturalisatie tot een andere nationaliteit heeft het geen zin afstand te vragen.
Verzoeker heeft de Andorrese nationaliteit. In de wetgeving van Andorra is geregeld dat een Andorrees die vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt de Andorrese nationaliteit verliest. In geval van automatisch verlies door naturalisatie tot een andere nationaliteit heeft het geen zin afstand te vragen.
Verzoeker bezit de Marokkaanse nationaliteit. De Marokkaanse nationaliteitswetgeving geeft aan dat in geval van naturalisatie tot een vreemde nationaliteit betrokkene een machtiging kan krijgen om de Marokkaanse nationaliteit te verwerpen. In de praktijk blijkt evenwel dat de machtiging niet kan worden verkregen. In feite betekent dit dus behoud van de Marokkaanse nationaliteit en heeft het geen zin om afstand te vragen.
Verzoeker bezit de Marokkaanse nationaliteit. De Marokkaanse nationaliteitswetgeving geeft aan dat in geval van naturalisatie tot een vreemde nationaliteit betrokkene een machtiging kan krijgen om de Marokkaanse nationaliteit te verwerpen. In de praktijk blijkt evenwel dat de machtiging niet kan worden verkregen. In feite betekent dit dus behoud van de Marokkaanse nationaliteit en heeft het geen zin om afstand te vragen.
In deze gevallen dient de verzoeker bij het in behandeling nemen van zijn verzoek een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij bereid is, na de totstandkoming van de naturalisatie, afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Overigens, in de praktijk geldt in alle gevallen dat eerst afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeft te worden gedaan nadat de naturalisatie tot stand is gekomen.
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
Een verzoeker die de Hongaarse nationaliteit bezit, kan eerst nadat hij is genaturaliseerd tot Nederlander de Hongaarse autoriteiten verzoeken of hij ontslag kan krijgen uit het Hongaarse staatsverband.
### paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
Indien verzoeker, wegens het feit dat hij substantieel financieel nadeel lijdt omdat hij voor de afstand een hoog bedrag moet betalen, geen afstand wenst te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit en waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie.
### paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Indien een staat voor het doen van afstand van de nationaliteit slechts een kleine vergoeding vraagt, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het bedrag dat de staat hiervoor vraagt, zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
Indien een verzoeker een beroep wenst te doen op deze uitzondering op de afstandsverplichting, dient hij, voor zover van toepassing, de volgende, meest recente bewijsstukken te overleggen:
Indien een verzoeker een beroep wenst te doen op deze uitzondering op de afstandsverplichting, dient hij, voor zover van toepassing, de volgende, meest recente bewijsstukken te overleggen:
### paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
In dit kader geldt als inkomen; het maandinkomen (van verzoeker en eventueel zijn (huwelijks)partner), inclusief de overhevelingstoeslag, na aftrek van de over het bruto inkomen verschuldigde belasting, sociale verzekeringspremies, pensioenpremies en vaste lasten (zoals maandelijkse uitgaven in verband met alimentatie ten behoeve van de gewezen partner en ten behoeve van de kinderen, premies van vrijwillige verzekering tegen ziektekosten, premies krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) en de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614), verhaalsbedragen in het kader van de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) en eventuele andere bijzondere uitgaven die noodzakelijk ten laste van verzoeker komen) (vergelijk [artikel 1, onder b, Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1) en [artikel 7 Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=7)).
In dit kader geldt als vermogen het gemiddelde van de rendementsgrondslagen, bedoeld in [artikel 5.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.2) (vergelijk [artikel 1, eerste lid, onder o, Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1)).
In dit kader geldt als vermogen het gemiddelde van de rendementsgrondslagen, bedoeld in [artikel 5.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.2) (vergelijk [artikel 1, eerste lid, onder o, Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1)).
Als zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die inkomsten verwerft uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
Voor de vaststelling van het netto maandinkomen wordt uitgegaan van het inkomen voorafgaand aan het jaar van indienen van het verzoek om naturalisatie
Voor de vaststelling van het vermogen wordt uitgegaan van de toestand van het vermogen op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar van het indienen van het verzoek om naturalisatie.
Van een verzoeker die over een aanzienlijk vermogen beschikt kan niet snel worden aangenomen dat hij, gelet op zijn financiële draagkracht, een bedrag aan leges voor het doen van afstand moeilijk kan opbrengen. Hierbij geldt een vermogensgrens, waarboven niet meer kan worden gesproken van een door verzoeker te lijden substantieel financieel nadeel (uiteraard met inachtneming van het bepaalde in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01)).
Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. A overlegt verklaringen van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij voor het doen van afstand een bedrag van 750 moet betalen. Uit de viv en de overgelegde loonstroken blijkt dat A een baan heeft als bollenpeller waarmee hij 1200 netto per maand verdient. Hij heeft geen vermogen.
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
Verzoeker B is alleenstaande en bezit de nationaliteit van land Y. Uit verklaringen van de autoriteiten van land Y blijkt dat hij voor het doen van afstand van nationaliteit Y een bedrag van 1250 moet betalen. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat hij een netto maandinkomen van 1100 heeft, dat hij een eigen woning heeft met een huidige marktwaarde van 150.000 dat hij voor de aankoop van de woning een hypotheek heeft afgesloten en dat bij de bank nog een hypotheekschuld van 70.000 resteert.
B lijdt door het betalen van het bedrag voor het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Weliswaar is zijn netto maandinkomen lager dan het bedrag aan leges, maar zijn in aanmerking te nemen vermogen bedraagt 14.656 (150.000 minus 70.000 = 80.000 van welk bedrag 65.344 niet wordt meegerekend). Daarmee zit hij ruim boven de vermogensgrens van 6370.
B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzondering en moet afstand van de nationaliteit van land Y doen.
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
Indien het verlies aan vermogensrechtelijke rechten door het doen van afstand slechts zeer klein is, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het verlies zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt ook in dit kader een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
Als minimum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan het bedrag van het ver laagde tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker door het doen van afstand een bedrag verliest dat lager ligt dan (of gelijk is aan) het bedrag van het verlaagde tarief, kan nooit – ongeacht het vermogen van verzoeker – met succes een beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo laag dat het te lijden nadeel niet als substantieel kan worden aangemerkt.
Als maximum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan tien maal het bedrag van het normale tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker een bedrag verliest dat hoger ligt dan (of gelijk is aan) tien maal het bedrag van het normale tarief, kan altijd – ongeacht het vermogen van verzoeker – met succes een beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo hoog dat het te lijden nadeel als substantieel kan worden aangemerkt.
Binnen de grenzen van het minimum en het maximum financieel nadeel is de verhouding tussen het overig vermogen van verzoeker én het bedrag dat wordt verloren door het doen van afstand bepalend voor de vraag of hij al dan niet afstand moet doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
Binnen de grenzen van het minimum en het maximum financieel nadeel is de verhouding tussen het overig vermogen van verzoeker én het bedrag dat wordt verloren door het doen van afstand bepalend voor de vraag of hij al dan niet afstand moet doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
Voor de vaststelling van het vermogen en de geldende vermogensgrenzen is het hierboven gestelde onder paragrafen [3.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.2&z=2017-04-01&g=2017-04-01),[3.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.4&z=2017-04-01&g=2017-04-01) van overeenkomstige toepassing.
Voor de vaststelling van het vermogen en de geldende vermogensgrenzen is het hierboven gestelde onder paragrafen [3.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.2&z=2017-03-01&g=2017-03-01),[3.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.4&z=2017-03-01&g=2017-03-01) van overeenkomstige toepassing.
Is het bedrag (de waarde van de vermogensrechtelijke rechten) dat wordt verloren door het doen van afstand hoger dan (of gelijk aan) een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is sprake van substantieel financieel nadeel in hier bedoelde zin en behoeft verzoeker geen afstand te doen.
Is dat bedrag lager dan een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is geen sprake van substantieel financieel nadeel en kan verzoeker geen beroep doen op deze uitzondering (met inachtneming van het minimum en maximum financieel nadeel).
Verzoekster A heeft de nationaliteit van land Z en is 40 jaar oud. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie overlegt zij verklaringen van de autoriteiten van land Z, waaruit blijkt dat zij een pensioen heeft opgebouwd van 2000 en dat pensioenbedragen alleen worden uitgekeerd aan personen met de nationaliteit van land Z die de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. De betreffende wettelijke bepalingen zijn bijgevoegd. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat A in Nederland een spaartegoed heeft van 3000 en in Duitsland een spaartegoed heeft van 2000. A behoeft geen afstand te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit. Haar opgebouwd pensioen kan thans niet te gelde worden gemaakt, zodat zij dat pensioen zal verliezen door het doen van afstand. Het te verliezen bedrag van 2000 is voorts groter dan een vierde deel van haar overig vermogen van 5000.
Verzoeker B bezit de nationaliteit van land Y. Hij heeft aldaar een aantal jaren geleden met het oog op de alsmaar stijgende grondprijzen een braakliggend stuk grond van een hectare gekocht voor 30.000. Nadien heeft hij niet meer naar het stuk grond omgekeken. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie toont hij aan de hand van verklaringen van de autoriteiten van land Y aan dat hij aldaar de eigendom heeft van de hectare grond. Hij overlegt tevens een notariële akte waaruit blijkt dat het stuk grond een huidige waarde heeft van 50.000. In een andere verklaring van de autoriteiten van land Y wordt gesteld dat personen die geen onderdaan zijn van land Y geen eigenaar mogen zijn van grond en dat zonodig de grond door de autoriteiten zonder geldelijke vergoeding in beslag wordt genomen. De stukken zijn gelegaliseerd en vertaald in het Nederlands.
### Paragraaf 1. Algemeen
Een kind is in 1986 staande het huwelijk van zijn Spaanse ouders geboren. De vader heeft geopteerd op grond van onderdeel i. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vader (en de moeder) de juridische ouder is van het kind en dat zijn vader inmiddels het Nederlanderschap heeft verkregen door de optie op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Het kind kan het Nederlanderschap verkrijgen door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k RWN.
### 6-1-l. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
A, van Israëlische nationaliteit, is optiegerechtigd op grond van [artikel 6, eerste lid en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). A heeft geen belangstelling voor het Nederlanderschap en wil niet opteren. Haar zoon B, ook van Israëlische nationaliteit, heeft wel belangstelling. A overlijdt in 2017. Pas na het overlijden van A kan B de optie uitbrengen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k RWN.
B behoeft door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel te lijden. Weliswaar heeft hij genoegzaam aangetoond dat hij eigenaar van een stuk grond is met een aanzienlijke waarde en dat hij de grond door het doen van afstand zou verliezen, maar uit de stukken blijkt niet dat hij de grond slechts onder onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden kan verkopen. Integendeel. Het is een braakliggend stuk grond dat hij met een goede winst kan verkopen. B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie.
Door betrokkene zal aan de hand van recente verklaringen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, moeten aantonen dat hij dienstplichtig is, dat hij zijn militaire dienst nog niet heeft vervuld en dat hij slechts afstand van die nationaliteit kan doen na vervulling (door middel van werkelijke dienst, al dan niet met afkoop van een gedeelte daarvan) aldaar van de militaire dienst.
Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. Hij overlegt een twee jaar oude verklaring van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij wordt opgeroepen voor het vervullen van de militaire dienst. Tevens overlegt hij een verklaring van de autoriteiten waarin staat dat personen die de dienstplicht nog moeten vervullen geen afstand kunnen doen van de nationaliteit van land Z. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands.
A kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie. Weliswaar heeft hij een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij is opgeroepen voor militaire dienst, maar hij heeft niet genoegzaam aangetoond dat hij de dienstplicht nog moet vervullen. De oproep voor militaire dienst is immers twee jaar oud, zodat het mogelijk is dat hij de dienstplicht inmiddels heeft vervuld.
A kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie. Weliswaar heeft hij een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij is opgeroepen voor militaire dienst, maar hij heeft niet genoegzaam aangetoond dat hij de dienstplicht nog moet vervullen. De oproep voor militaire dienst is immers twee jaar oud, zodat het mogelijk is dat hij de dienstplicht inmiddels heeft vervuld.
### paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
### paragraaf 4. Bewijsstukken
### paragraaf 4. Bewijsstukken
### paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
In verband met eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan voor-en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker in de voorlichtingsfase wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie hieromtrent (dit geldt logischerwijs niet voor een verzoeker die valt onder uitzondering 7).
Indien verzoeker vervolgens een beroep wenst te doen op een van de uitzonderingen 4 tot en met 9 moet hij bij het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarin hij aangeeft dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit (zie model 2.4 en model 2.5). Uit de bereidheidsverklaring moet duidelijk blijken op welke uitzonderingscategorie een beroep wordt gedaan. Aan de hand van door hem overgelegde documenten/bewijsstukken (zie hierboven paragraaf 4 zal verzoeker moeten aantonen dat hij valt onder die uitzonderingscategorie.
### Paragraaf 5.3. De betrokkene is wél bereid afstand te doen
### Paragraaf 5.3. De betrokkene is wél bereid afstand te doen
Ten slotte wordt de betrokkene in de voorlichtingsfase meegedeeld dat als hij na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap weigert afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit, het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend, kan worden ingetrokken.
Als de betrokkene wél bereid is afstand te doen, moet hij bij het afleggen van de optieverklaring of het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarop hij dat duidelijk aangeeft. Zie de [modellen 1.14-1a HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01), [2.4 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en 2.5 HRWN.
### Paragraaf 5.3. De betrokkene is wél bereid afstand te doen
Na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap ontvangt de betrokkene in voorkomende gevallen een bericht van Onze Minister om binnen een termijn van drie maanden een verzoek te doen tot afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Daarbij wordt hij tevens gewezen op de mogelijkheid tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend, dit overeenkomstig het bepaalde in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Van dit bericht wordt een kopie gezonden aan de burgemeester ([artikel 58, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=58)).
### 9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid
Als na die maand blijkt dat hij dit heeft nagelaten of dat hij niet heeft gereageerd, ontvangt hij een tweede rappel. In deze brief wordt het verzoek om toezending van de gevraagde stukken herhaald en wordt er tevens op gewezen dat, als hij nalaat dit binnen een maand te doen, het besluit waarbij het Nederlanderschap werd verkregen of verleend, door Onze Minister zal worden ingetrokken. Na verloop van deze termijn zonder dat betrokkene aan het verzoek om toezending van deze stukken heeft voldaan, zal Onze Minister overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend. ([artikel 30d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30d) of [60 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60)). Voordat tot intrekking van het besluit wordt overgegaan neemt de IND zekerheidshalve contact op met de gemeente om na te gaan of de betrokkene inderdaad geen verklaring tot afstand van de oorspronkelijke nationaliteit heeft overgelegd.
De betrokkene zal in de drie maanden na het verkrijgen of verlenen van het Nederlanderschap op verschillende wijzen kunnen aantonen dat hij actie heeft ondernomen om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Zo zal hij kunnen aantonen dat hij een verzoek om afstand heeft gedaan of dat hij een verklaring van afstand heeft afgegeven, maar daarvan nog geen bevestiging heeft gehad van de bevoegde autoriteit. Als de betrokkene dit heeft gedaan, maar het heeft nog niet tot verlies van de andere nationaliteit geleid, zal hij zes maanden na zijn reactie door de IND schriftelijk worden verzocht binnen een maand informatie te verschaffen met betrekking tot de voortgang van het doen van afstand ([artikel 30b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30b), of [58, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=58)). Als de betrokkene hierop niet reageert, wordt hem een nieuwe brief gestuurd. In deze brief wordt het verzoek om binnen een maand informatie te verschaffen herhaald en wordt aangegeven dat als hij dit nalaat, het besluit waarbij het Nederlanderschap werd verkregen of verleend, door Onze Minister zal worden ingetrokken. Na verloop van deze termijn zonder dat betrokkene reageert, zal Onze Minister overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend. Voordat tot intrekking van het besluit wordt overgegaan, neemt de IND zekerheidshalve contact op met de gemeente om na te gaan of de betrokkene inderdaad geen verklaring tot afstand van de oorspronkelijke nationaliteit heeft overgelegd.
### Artikel 11
Als de betrokkene ondanks herhaalde herinneringsbrieven nalatig blijft al het mogelijke te doen zijn andere nationaliteit(en) te verliezen, zal op grond van het bepaalde in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) worden overgegaan tot de intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend (zie de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, RWN).
### 10-alg. Toelichting algemeen
Documenten uit het buitenland moeten, zo nodig, gelegaliseerd en vertaald worden.
De op dit moment geldende legalisatiecirculaire is van toepassing.
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
Wordt het bewijs dat de andere nationaliteit is verloren, overgelegd bij de IND, dan zal een gewaarmerkt afschrift daarvan worden gezonden aan de gemeente waar de optieverklaring is afgelegd of het verzoek om naturalisatie is ingediend en tevens – in het geval de betrokkene is verhuisd naar een andere gemeente – naar de gemeente waar als ingezetene is ingeschreven in de BRP, met het verzoek de BRP aan dit gegeven aan te passen ([artikel 30c, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30c), of [59, eerste en derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=59)).
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
Hierna volgt een lijst van landen met vermelding van behoud of verlies van de nationaliteit bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Bij deze lijst wordt het volgende aangetekend: het betreft hier een momentopname voor zover bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie bekend ten tijde van het verschijnen van deze gewijzigde landenlijst. Gebruikers van deze lijst die stuiten op wijzigingen of onjuistheden, wordt verzocht dit schriftelijk aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie te melden onder vermelding van het onderwerp: Afstandsverplichting bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap.
De schrijfwijze van de namen van staten is conform de ‘lijst van landnamen’, de officiële schrijfwijze voor het Nederlandse taalgebied, van de Werkgroep Buitenlandse Aardrijkskundige namen, 1994.
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
B = geen automatisch verlies maar het doen van afstand is mogelijk.
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
C = geen automatisch verlies; het doen van afstand is niet mogelijk
D = partij bij het Verdrag van Straatsburg
E = partij geweest bij het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
Als betrokkene verplicht is afstand te doen, dan moet hij een bereidheidsverklaring tekenen. Als betrokkene is vrijgesteld van de plicht om afstand te doen, dan hoeft hij geen bereidheidsverklaring te tekenen.
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
Met bevoegde autoriteit wordt bedoeld de bevoegde instantie die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt:
Daar waar staat basisregistratie personen geldt:
voor Europees Nederland: de BRP;
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de bevolkingsregistratie.
voor Europees Nederland: de BRP;
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
### Paragraaf 1. Algemeen
**Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de vreemdeling die voor de leeftijd van zeven jaar is erkend door één van de in de onderdelen i of j bedoelde personen die het Nederlanderschap heeft verkregen dan wel voor die verkrijging is overleden.**
Dit artikellid geeft een opsomming van categorieën verzoekers om naturalisatie op wie het in het eerste lid aanhef en onder b van dit artikel neergelegde vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is. De hier vermelde uitzonderingen berusten op verdragsverplichtingen (in het bijzonder het Tweede Protocol en het Vluchtelingenverdrag van Geneve van 28 juli 1951).
Bij de beoordeling van de vraag of een verzoeker door naturalisatie tot Nederlander zijn oorspronkelijke nationaliteit verliest, speelt het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1964, 4) een belangrijke rol (het verdrag is op 10 juni 1985 in werking getreden voor het gehele Koninkrijk). Hoofdregel van dit verdrag is dat een onderdaan van een verdragsstaat die vrijwillig de nationaliteit van een andere verdragsstaat verkrijgt, daardoor van rechtswege zijn oorspronkelijke nationaliteit verliest. Aangezien dit verdrag rechtstreekse werking heeft, gaat de nationaliteit in deze gevallen ook verloren als het nationale recht van de verdragsstaat dit verlies niet regelt. Bij hoofdstuk 1 (Beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit) van dit verdrag zijn aangesloten: Denemarken, Nederland (voor het gehele Koninkrijk), Noorwegen en Oostenrijk.
Het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol is voor het gehele Koninkrijk in werking getreden op 20 augustus 1996 en bevat een belangrijke aanpassing van de hierboven genoemde hoofdregel van het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963. In het Tweede Protocol wordt bepaald dat verdragspartijen bij het Tweede Protocol in hun wetgeving mogen opnemen dat de hoofdregel van het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 wordt doorbroken voor de volgende doelgroepen:
In het geval dat de bepalingen van het Tweede Protocol (dat geen rechtstreekse werking heeft) in het nationale recht van een verdragspartij bij het Tweede Protocol zijn opgenomen, treedt voor personen van dit land die behoren tot een van deze doelgroepen dus geen verlies van de oorspronkelijke nationaliteit op bij het verkrijgen van een andere nationaliteit. Logischerwijs geldt dan andersom dat een staat die is aangesloten bij het Tweede Protocol en waarvan de nationaliteit wordt verkregen van deze personen niet verlangt dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit.
Met ingang van 1 april 2003 bepaalt het onderhavige artikellid dat personen die behoren tot een van deze doelgroepen – ongeacht of zij onderdaan zijn van een land dat partij is bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 dan wel het Tweede Protocol – bij naturalisatie tot Nederlander geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeven te doen. Voor wat betreft kinderen heeft de uitzondering op de afstandseis tevens haar weerslag gevonden in [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). Personen die worden (mee)genaturaliseerd met toepassing van artikel 11 RWN behoeven immers geen afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.52Zie ook de toelichting bij artikel 11 RWN en de Nota naar aanleiding van het verslag, TK 1998–1999, 25 891 (R 1609), nr. 5, p. 22.
Met ingang van 5 maart 2009 is voor Frankrijk de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd. Met ingang van 4 juni 2010 is ook voor Italië de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd.
Vóór 1 april 2003 behoefden verzoekers om naturalisatie die vielen onder de doelgroepen van het Tweede Protocol overigens evenmin afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit. De aan het Tweede Protocol ten grondslag liggende doelstellingen van integratie en van eenheid van nationaliteit binnen het gezin brachten mee dat de uitzondering op de afstandseis voor de in het Tweede Protocol genoemde gevallen niet uitsluitend beperkt kon blijven tot personen die onderdaan zijn van een land dat partij was bij het Tweede Protocol. De uitzondering op de afstandseis gold daardoor voor eenieder die verzocht om naturalisatie tot Nederlander en behoorde tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, ongeacht of de verzoeker onderdaan was van een land dat partij is bij het Tweede Protocol (zie circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6). Voor wat betreft de afstandsverplichting verandert er in deze gevallen dus feitelijk niets na 1 april 2003.
### paragraaf 3.4. Advies VWS
Vóór 1 april 2003 behoefden verzoekers om naturalisatie die vielen onder de doelgroepen van het Tweede Protocol overigens evenmin afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit. De aan het Tweede Protocol ten grondslag liggende doelstellingen van integratie en van eenheid van nationaliteit binnen het gezin brachten mee dat de uitzondering op de afstandseis voor de in het Tweede Protocol genoemde gevallen niet uitsluitend beperkt kon blijven tot personen die onderdaan zijn van een land dat partij was bij het Tweede Protocol. De uitzondering op de afstandseis gold daardoor voor eenieder die verzocht om naturalisatie tot Nederlander en behoorde tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, ongeacht of de verzoeker onderdaan was van een land dat partij is bij het Tweede Protocol (zie circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6). Voor wat betreft de afstandsverplichting verandert er in deze gevallen dus feitelijk niets na 1 april 2003.
Het hierboven bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing.
Een verzoeker, burger van Bosnië-Herzegovina, is geboren in Aruba. Kort na zijn geboorte vertrekt hij met zijn ouders naar Australië. Na zijn meerderjarigheid vestigt hij zich in Nederland. Zodra hij aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoet, dient hij een verzoek in. Van verzoeker wordt niet verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Immers, hij is in Aruba geboren en heeft ten tijde van het indienen van zijn verzoek om naturalisatie hoofdverblijf in Nederland.
Vóór 1 april 2003 behoefden verzoekers om naturalisatie die vielen onder de doelgroepen van het Tweede Protocol overigens evenmin afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit. De aan het Tweede Protocol ten grondslag liggende doelstellingen van integratie en van eenheid van nationaliteit binnen het gezin brachten mee dat de uitzondering op de afstandseis voor de in het Tweede Protocol genoemde gevallen niet uitsluitend beperkt kon blijven tot personen die onderdaan zijn van een land dat partij was bij het Tweede Protocol. De uitzondering op de afstandseis gold daardoor voor eenieder die verzocht om naturalisatie tot Nederlander en behoorde tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, ongeacht of de verzoeker onderdaan was van een land dat partij is bij het Tweede Protocol (zie circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6). Voor wat betreft de afstandsverplichting verandert er in deze gevallen dus feitelijk niets na 1 april 2003.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die gehuwd is met een Nederlander.
Alleen bij nationaliteiten van Staten waarbij in de ‘Landenlijst bij naturalisatie’ een B (geen automatisch verlies, maar het doen van afstand is mogelijk) staat, moet worden beoordeeld of desbetreffende verzoeker om naturalisatie afstandsplichtig is.
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
Een vrouw met de Amerikaanse nationaliteit is bij het indienen van het verzoek getrouwd met een Nederlander en verkrijgt door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster verliest door de naturalisatie tot Nederlandse niet haar Amerikaanse nationaliteit. Zij hoeft geen afstand te doen van de Amerikaanse nationaliteit.
Op gelijktijdige verzoeken van twee met elkaar getrouwde personen of twee geregistreerde partners, moet zoveel mogelijk tegelijkertijd te worden beslist. Het is niet de bedoeling dat een van de (huwelijks)partners eerder wordt genaturaliseerd, zodat de ander geen afstand meer hoeft te doen op grond van het feit dat hij of zij de (huwelijks)partner is van een Nederlander.
Geen afstandsplicht bestaat voor de echtgenoot/geregistreerd partner met een B-nationaliteit (zie landenlijst) die samen met zijn/haar echtgenoot/geregistreerd partner met een B-nationaliteit een verzoek om naturalisatie indient, waarbij één van hen op grond van [artikel 9, derde lid, onder a, b, of d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) dan wel [artikel 6, eerste lid, onderdeel d, e, f, g of h Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=6) (RVVN) niet afstandsplichtig is.
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
### paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
A, man, is niet getrouwd als hij op 12 augustus 2012 zijn verzoek om naturalisatie indient. Hij blijkt afstandsplichtig te zijn en tekent daarom de bereidheidsverklaring. Hij trouwt op 1 mei 2013 met B, van Nederlandse nationaliteit. Zijn verzoek om naturalisatie wordt bij Koninklijk Besluit ingewilligd op 8 mei 2013. Dit betekent dat A is getrouwd op de dag van zijn naturalisatie met een Nederlander. Om die reden is hij niet (langer) afstandsplichtig.
Personen die afstand moeten doen en die ná de totstandkoming van de naturalisatie trouwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) met een Nederlander aangaan, kunnen niet met succes een beroep doen op de bij onderdeel c van het derde lid van [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) bedoelde uitzondering.
### Artikel 12
Personen die afstand moeten doen en die ná de totstandkoming van de naturalisatie trouwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) met een Nederlander aangaan, kunnen niet met succes een beroep doen op de bij onderdeel c van het derde lid van [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) bedoelde uitzondering.
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
De verzoeker die met succes een beroep wil doen op deze uitzonderingsgrond zal bij de indiening van het verzoek om naturalisatie dienen aan te tonen dat hij in het bezit is gesteld van verblijfsdocument IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd) of verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd). De reden voor deze uitzondering op de afstandsverplichting is dat het onverantwoord is voor een erkende vluchteling contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden is deze categorie vreemdelingen vrijgesteld van het legalisatie-vereiste, indien betrokkene bezwaar maakt tegen dat vereiste. De verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.
Deze uitzondering geldt ook voor de verzoeker die in het bezit is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezeten derdelander dat de aantekening ‘Internationale bescherming op [datum] verleend door [lidstaat]’ bevat. Personen die internationale bescherming genieten zijn personen die als asielgerechtigden zijn toegelaten in een andere lidstaat en daarna in Nederland in het bezit zijn gesteld van een reguliere verblijfsvergunning op grond van richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten derdelanders.
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Personen die afstand moeten doen en die ná de totstandkoming van de naturalisatie huwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) aangaan, kunnen evenmin met succes een beroep doen op onderdeel c.
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
### 9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid
Deze uitzondering geldt ook voor de verzoeker die in het bezit is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezeten derdelander dat de aantekening ‘Internationale bescherming op [datum] verleend door [lidstaat]’ bevat. Personen die internationale bescherming genieten zijn personen die als asielgerechtigden zijn toegelaten in een andere lidstaat en daarna in Nederland in het bezit zijn gesteld van een reguliere verblijfsvergunning op grond van richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten derdelanders.
### Artikel 10
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [11.2 t/m 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [26.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [11.2 t/m 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [26.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
Geen.
Dit artikel biedt de mogelijkheid van naturalisatie wanneer aan bepaalde in de [Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) zelf gestelde voorwaarden niet is voldaan. Uitgangspunt is dat er sprake is van een zeer ‘bijzonder geval’. In uitzonderlijke gevallen kunnen er belangen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn om van die voorwaarden af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige belangen van (één van de landen van) het Koninkrijk zich voordoen, zoals op het gebied van de internationale economische en culturele betrekkingen. In concreto kan worden gedacht aan vreemdelingen die in aanmerking komen voor een functie waarvoor het Nederlanderschap is vereist of gewenst en eventueel hun echtgenoten/partners. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie.
De Kroon verleent het Nederlanderschap met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) nadat de Raad van State van het Koninkrijk is gehoord. Uit de wettekst volgt dat het raadplegen van de Raad van State slechts noodzakelijk is bij verlening van het Nederlanderschap met toepassing van artikel 10 RWN. Bij beslissingen tot afwijzing of aanhouding is [artikel 9, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) van toepassing.
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
Er zijn geen eenduidige criteria op grond waarvan met grote stelligheid kan worden voorspeld of een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) zal worden gehonoreerd. Dit is aan Onze Minister ter beoordeling en mede afhankelijk van het advies van de Raad van State. In zijn algemeenheid geldt dat naarmate het staatsbelang groter is en naarmate minder afwijkingsgronden worden aangevoerd, de drempel om artikel 10 RWN toe te passen gemakkelijker is te nemen. Zo zal iemand die nog maar een half jaar in Nederland is, nog nauwelijks Nederlands spreekt en met wiens naturalisatie wel belangen, maar geen uitzonderlijke, zijn gemoeid, minder snel langs deze weg worden genaturaliseerd dan iemand die hier al drie jaar is, in zijn functie of beroep volop participeert in de Nederlandse samenleving, redelijk Nederlands spreekt, hier wil blijven wonen en ten aanzien van wie het van groot belang is dat hij de Nederlandse nationaliteit krijgt. Bovendien kan het oordeel afhangen van de voorwaarde waarvan in het concrete geval wordt gevraagd af te wijken. Een beroep op artikel 10 RWN zal niet worden gehonoreerd als de verzoeker binnen afzienbare tijd voldoet aan de reguliere wettelijke voorwaarden.
Let op! De [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) procedure is geen verkorte procedure. Ook bij een artikel 10 RWN verzoek geldt de beslistermijn zoals genoemd in [artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9). De verkorting zit in het feit dat van de verblijfstermijnen kan worden afgeweken, en niet van de wettelijke beslistermijn. Voorts moet rekening worden gehouden met het feit dat voor een artikel 10 RWN verzoek vaak advies moet worden ingewonnen bij een vakministerie, dat vervolgens een onderzoek verricht. Dit onderzoek kan enige tijd in beslag nemen.
### paragraaf 3.1. Advisering
Hoewel dit niet expliciet in de tekst van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) is opgenomen, blijkt uit de parlementaire behandeling van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735) dat ook van de verkorte termijnen genoemd in [artikel 8, derde, vierde en vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), kan worden afgeweken.
### Paragraaf 2.3. Tarieven F en G
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
[Artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) geeft aan van welke wettelijk gestelde voorwaarde wél en – impliciet – van welke voorwaarden niet kan worden afgeweken. Niet kan worden afgeweken van het vereiste:
Bovendien geldt ingeval van een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) dat verzoeker zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels. Dit betekent dat een op artikel 10 RWN gebaseerd naturalisatieverzoek geen basis kan bieden voor de toepassing van andere (soepelere) dan de algemeen geldende regels voor het aantonen van identiteit en nationaliteit (zie de toelichting op artikel 7, [par. 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.5&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en 3.5.6).
[Artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) geeft aan van welke wettelijk gestelde voorwaarde wél en – impliciet – van welke voorwaarden niet kan worden afgeweken. Niet kan worden afgeweken van het vereiste:
Ten behoeve van de beeldvorming, met betrekking tot de vraag wanneer er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan onderhavig artikel kan worden toegepast, volgt onderstaand een aantal praktijkvoorbeelden. Bij een aantal voorbeelden is aangegeven op welke wijze met vergelijkbare gevallen kan worden omgegaan.
Verder kan evenmin – als het gaat om een kind dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt of dat tijdens de behandeling meerderjarig is geworden – worden afgeweken van het vereiste dat er geen ernstige vermoedens bestaan dat die persoon een gevaar oplevert voor de openbare orde als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en artikel 9, tweede lid, RWN. Gelet op het feit dat op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) kan worden afgeweken van de reguliere termijn van vijf jaar toelating en hoofdverblijf, zoals vermeld in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), is geredeneerd dat ook van de kortere termijn van drie jaar, zoals genoemd in [artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), kan worden afgeweken en is ook voor de volledigheid een verwijzing naar die termijn opgenomen.
Ten behoeve van de beeldvorming, met betrekking tot de vraag wanneer er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan onderhavig artikel kan worden toegepast, volgt onderstaand een aantal praktijkvoorbeelden. Bij een aantal voorbeelden is aangegeven op welke wijze met vergelijkbare gevallen kan worden omgegaan.
### paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
Voor een geslaagd beroep op toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) wegens ambtelijk verzuim moet aangetoond worden dat dit zwaarwegend is. Het gestelde zwaarwegend zijn van het ambtelijk verzuim wordt afgewogen tegen het belang van betrokkene om eerder dan bij de toepassing van de reguliere voorwaarden voor naturalisatie Nederlander te worden. In de hier bedoelde belangenafweging wordt in ieder geval betrokken de mate van bijzonderheid van het geval, de mate waarin verzoeker niet voldoet aan de standaardvoorwaarden en de restrictieve wijze waarop toepassing dient te worden gegeven aan artikel 10 RWN. Bij zwaarwegend ambtelijk verzuim valt te denken aan:
Aangezien [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) geen afwijking van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) toestaat, wordt nogmaals benadrukt dat in alle hierboven omschreven voorbeelden de persoon die een beroep doet op artikel 10 RWN bij het indienen van het verzoek in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht dat naar zijn aard niet-tijdelijk is (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN) en verklaard moet hebben bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [toelichting bij artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, RWN). Let goed op dat een verzoeker die een beroep doet op artikel 10 RWN altijd zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels (zie de [toelichting op artikel 7, paragraaf 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.5&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en 3.5.6). Betreft het een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN die in het buitenland woont, dan geldt dat hij moet aantonen dat hij een dergelijk verblijfsrecht zou(den) verkrijgen, als daar om zou worden verzocht.
Voor een geslaagd beroep op toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) wegens ambtelijk verzuim moet aangetoond worden dat dit zwaarwegend is. Het gestelde zwaarwegend zijn van het ambtelijk verzuim wordt afgewogen tegen het belang van betrokkene om eerder dan bij de toepassing van de reguliere voorwaarden voor naturalisatie Nederlander te worden. In de hier bedoelde belangenafweging wordt in ieder geval betrokken de mate van bijzonderheid van het geval, de mate waarin verzoeker niet voldoet aan de standaardvoorwaarden en de restrictieve wijze waarop toepassing dient te worden gegeven aan artikel 10 RWN. Bij zwaarwegend ambtelijk verzuim valt te denken aan:
Vóór 1 april 2003 konden minderjarigen, die niet hadden gedeeld in de verlening van het Nederlanderschap aan de ouder(s), onder voorwaarden op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden voorgedragen voor naturalisatie. Voor deze minderjarigen is thans een bijzondere naturalisatieprocedure opgenomen in [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11).
[10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
De verscheidenheid van de gevallen waarbij een beroep op toepassing van dit artikel wordt gedaan, is groot. Om die reden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Ieder verzoek wordt op de eigen merites bezien. Het moet evenwel altijd een bijzonder geval betreffen. Uit de jurisprudentie van (onder meer) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de adviezen van de Raad van State kan wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet dermate bijzonder zijn dat ze naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN rechtvaardigen. Niet bijzonder is bijvoorbeeld:
### paragraaf 3. Topsporters
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
### paragraaf 3.1. Advisering
Om vast te kunnen stellen of met de naturalisatie van verzoeker een Nederlands belang op sportief gebied is gediend, wordt de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om advies gevraagd. Alleen indien bij het verzoek tot naturalisatie mede een verklaring van een Nederlandse sportbond wordt overgelegd inhoudende dat naturalisatie een Nederlands sportbelang op korte termijn dient, verzoekt de Minister van Justitie om advisering ter zake door de Staatssecretaris van VWS. Zonder een dergelijke ondersteunende verklaring wordt de zaak niet aan VWS aangeboden, maar direct afgewezen.
### paragraaf 3.1. Advisering
Om vast te kunnen stellen of met de naturalisatie van verzoeker een Nederlands belang op sportief gebied is gediend, wordt de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om advies gevraagd. Alleen indien bij het verzoek tot naturalisatie mede een verklaring van een Nederlandse sportbond wordt overgelegd inhoudende dat naturalisatie een Nederlands sportbelang op korte termijn dient, verzoekt de Minister van Justitie om advisering ter zake door de Staatssecretaris van VWS. Zonder een dergelijke ondersteunende verklaring wordt de zaak niet aan VWS aangeboden, maar direct afgewezen.
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
Een kind jonger dan twaalf jaar wordt op grond van [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze over de medeverlening naar voren te brengen. Een kind van twaalf tot zestien jaar kan, als daar om wordt verzocht, een zienswijze hierover naar voren brengen. Een kind dat ten tijde van de indiening van het verzoek om (mede)naturalisatie zestien jaar of ouder is, is in beginsel verplicht om in persoon te verklaren in te stemmen met de medeverlening ([artikel 31, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) in samenhang met [artikel 3 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) (zie hierover ook de uitgebreide toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
Of een sporter direct na de naturalisatie tot Nederlander daadwerkelijk op een internationaal concours of een internationale sportwedstrijd kan uitkomen als Nederlander is echter afhankelijk van de regels van de nationale sportbond van het herkomstland. Is op grond van deze regels deelname namens Nederland pas mogelijk na het verstrijken van een bepaalde periode, de zgn. blokkeringstermijn, dan kan bij de nationale sportbond van het land van herkomst om ontheffing of bekorting van deze termijn worden verzocht.
### paragraaf 3.4. Advies VWS
Met het ministerie van VWS is een aantal afspraken gemaakt met betrekking tot het advies aan de Minister van Justitie. Naast de toetsing aan de bovengenoemde richtlijnen uit de circulaire d.d. 9 april 1999 zal de Staatssecretaris van VWS in het advies aan de volgende onderwerpen aandacht besteden:
### paragraaf 3.4. Advies VWS
Met het ministerie van VWS is een aantal afspraken gemaakt met betrekking tot het advies aan de Minister van Justitie. Naast de toetsing aan de bovengenoemde richtlijnen uit de circulaire d.d. 9 april 1999 zal de Staatssecretaris van VWS in het advies aan de volgende onderwerpen aandacht besteden:
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
Het voorgaande geldt niet indien het een vreemdeling betreft waarvan de IND aan de Staatssecretaris van VWS in het verzoek om advies heeft laten weten dat de Nederlandse nationale sportbond dan wel het Nederlands Olympisch Comité geen contact met vertegenwoordigers van het herkomstland dient op te nemen.
### Artikel 11
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2 t/m 4; 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9);
### Artikel 11
[BOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831&artikel=3)
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
Tot 1 oktober 2010 gold voor de minderjarige die op grond van [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) mee-naturaliseerde geen plicht tot het ondertekenen van een bereidverklaring. Ook de verklaring van verbondenheid hoefde niet te worden afgelegd. Bij alle verzoeken ex artikel 11, derde lid, die op of na 1 oktober 2010 worden ingediend geldt dat de bereidverklaring moet worden ondertekend en de verklaring van verbondenheid moet worden afgelegd, tenzij betrokkene is vrijgesteld (zie overgangsbepaling [artikel II, lid 2a, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb.2010, 242 )).
### 11-alg. Toelichting algemeen
Dit artikel bevat bepalingen met betrekking tot de medeverlening van het Nederlanderschap aan minderjarigen en jongvolwassenen.
Op grond van het bepaalde in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) wordt de wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder op zijn of haar verzoek in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over de medeverlening van het kind. De reden hiervoor is dat de wetgever wil voorkomen dat de rechtspositie van het kind door de enkele wil van de naturaliserende ouder wordt gewijzigd (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
Een kind jonger dan twaalf jaar wordt op grond van [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze over de medeverlening naar voren te brengen. Een kind van twaalf tot zestien jaar kan, als daar om wordt verzocht, een zienswijze hierover naar voren brengen. Een kind dat ten tijde van de indiening van het verzoek om (mede)naturalisatie zestien jaar of ouder is, is in beginsel verplicht om in persoon te verklaren in te stemmen met de medeverlening ([artikel 31, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) in samenhang met [artikel 3 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) (zie hierover ook de uitgebreide toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
Voor minderjarige kinderen en jongvolwassenen die met toepassing van het onderhavige artikel worden (mede)genaturaliseerd geldt niet het inburgeringsvereiste. De naturalisatietoets hoeft dan ook niet te worden afgelegd.
Voor de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie op grond van [artikel 11, derde of vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) wordt ingediend zestien jaar of ouder is, geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid.
Als een ouder heeft verzocht om medeverlening voor een minderjarige, terwijl de minderjarige niet voldoet aan de geldende voorwaarden, worden de personalia van het kind niet vermeld in het Koninklijk Besluit en wordt het verzoek om medeverlening van het kind schriftelijk afgewezen. Hetzelfde geldt uiteraard voor een zelfstandig verzoek op grond van [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De afwijzende beslissing is een beschikking in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend (zie ook de [toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.11&z=2017-04-01&g=2017-04-01)).
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
Als een ouder heeft verzocht om medeverlening voor een minderjarige, terwijl de minderjarige niet voldoet aan de geldende voorwaarden, worden de personalia van het kind niet vermeld in het Koninklijk Besluit en wordt het verzoek om medeverlening van het kind schriftelijk afgewezen. Hetzelfde geldt uiteraard voor een zelfstandig verzoek op grond van [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De afwijzende beslissing is een beschikking in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend (zie ook de [toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.11&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
Voor de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie op grond van [artikel 11, derde of vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) wordt ingediend zestien jaar of ouder is, geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid.
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
In deze bepaling is tot uitdrukking gebracht dat oudere minderjarigen in het Nederlands recht in toenemende mate een bijzondere rechtspositie verkrijgen. Deze positie rechtvaardigt een eigen naturalisatieregeling.
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
### 11-3. Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
Het verblijf als geprivilegieerde moet worden aangetoond door middel van het overleggen van een originele verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ingeval van contra-indicatie dat het verblijf als geprivilegieerde, ondanks de verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, niet onafgebroken is geweest, kan contact worden opgenomen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Ook voor de minderjarige van zestien jaar en ouder geldt dat hij “sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf” in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij het tweede lid van onderhavig artikel).
Volgens onderhavig artikellid moet het kind dat ten tijde van de indiening van het verzoek zestien jaar of ouder is, zich bij de indiening bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen ([model 2.30 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01)). Vervolgens zal het kind dat de bereidverklaring afgegeven heeft, tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid moeten afleggen voordat hem het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap kan worden uitgereikt. Het vereiste tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt niet voor een kind dat bij het indienen van het verzoek om naturalisatie jonger dan zestien jaar is, maar gedurende de behandeling van het verzoek zestien jaar wordt (zie de [toelichting bij artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&z=2017-04-01&g=2017-04-01), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&z=2017-04-01&g=2017-04-01).)
### Artikel 13
Verzoeken om medeverlening voor kinderen die bij het indienen van het verzoek van de ouder zestien jaar of ouder zijn, worden afgewezen als er op grond van hun gedrag ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar opleveren voor de openbare orde als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en artikel 9, tweede lid, RWN. Bij deze groep kinderen wordt op dezelfde wijze als bij meerderjarige verzoekers beoordeeld of er openbare orde aspecten zijn op grond waarvan het verzoek moet worden afgewezen. In het kader van het onderzoek worden voor deze kinderen door de IND de vereiste justitiële documentatiegegevens opgevraagd (zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN).
Minderjarigen van zestien jaar en ouder worden geacht voldoende inzicht te hebben om zelf te kunnen beslissen over de vraag of ze de Nederlandse nationaliteit willen verkrijgen. Om die reden is in dit artikellid opgenomen dat een kind, dat ten tijde van het verzoek om medeverlening van het Nederlanderschap zestien jaar of ouder is, het Nederlanderschap alleen zal verkrijgen als het kind daar uitdrukkelijk mee instemt. Op grond van [artikel 31, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) moet deze verklaring voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in [artikel 3 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3). Dit betekent dat het kind in beginsel in persoon bij de burgemeester moet verschijnen om de instemmingsverklaring af te leggen (zie verder de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN)60[119].
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Uit de tekst [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vloeit voort dat de vereisten van het in persoon een instemmingsverklaring afleggen niet geldt voor een kind dat bij het indienen van het verzoek om medeverlening jonger dan zestien jaar is, maar gedurende de behandeling van het verzoek zestien jaar wordt. Als dit kind echter al vóór het bereiken van de zestienjarige leeftijd een zienswijze omtrent de medeverlening van het Nederlanderschap naar voren heeft gebracht en het kind heeft daarbij te kennen gegeven geen prijs te stellen op medever lening, dan zal het kind niet worden meegenaturaliseerd (tenzij het zestienjarige kind op eigen initiatief alsnog een andere zienswijze geeft).
Op grond van [artikel 2, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) moeten verklaringen van minderjarigen betreffende de nationaliteit worden afgelegd door hun wettelijk vertegenwoordiger. Deze vertegenwoordigingsplicht geldt echter niet voor minderjarigen vanaf twaalf jaar bij het naar voren brengen van een zienswijze omtrent de verlening of medeverlening van het Nederlanderschap op grond van artikel 2, vierde lid, RWN. Die vertegenwoordigingsplicht geldt evenmin voor minderjarigen vanaf zestien jaar die op grond van het onderhavige derde lid uitdrukkelijk moeten verklaren in te stemmen met de medeverlening. Het gaat er bij het geven van bedoelde zienswijze of instemmingsverklaring immers om dat de minderjarige zijn eigen mening kenbaar maakt (zie ook de toelichting bij artikel 2, derde lid, RWN).
Voor de duidelijkheid worden hieronder de vereisten genoemd, waaraan moet zijn voldaan als het een verzoek om medeverlening betreft voor een kind dat ten tijde van indiening van dat verzoek zestien jaar of ouder is:
Op grond van [artikel 2, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) moeten verklaringen van minderjarigen betreffende de nationaliteit worden afgelegd door hun wettelijk vertegenwoordiger. Deze vertegenwoordigingsplicht geldt echter niet voor minderjarigen vanaf twaalf jaar bij het naar voren brengen van een zienswijze omtrent de verlening of medeverlening van het Nederlanderschap op grond van artikel 2, vierde lid, RWN. Die vertegenwoordigingsplicht geldt evenmin voor minderjarigen vanaf zestien jaar die op grond van het onderhavige derde lid uitdrukkelijk moeten verklaren in te stemmen met de medeverlening. Het gaat er bij het geven van bedoelde zienswijze of instemmingsverklaring immers om dat de minderjarige zijn eigen mening kenbaar maakt (zie ook de toelichting bij artikel 2, derde lid, RWN).
Voor de duidelijkheid worden hieronder de vereisten genoemd, waaraan moet zijn voldaan als het een verzoek om medeverlening betreft voor een kind dat ten tijde van indiening van dat verzoek zestien jaar of ouder is:
A is zeventien jaar op het moment dat zijn vader een verzoek om naturalisatie indient en daarbij vraagt om medenaturalisatie van A. Tijdens de behandeling van het verzoek wordt A achttien jaar. Op het moment dat de vader bij koninklijk besluit wordt genaturaliseerd, voldoet A aan de voorwaarden in [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) met uitzondering van het vereiste van minderjarigheid. Van de IND ontvangt hij een beschikking die inhoudt dat het verzoek om medenaturalisatie is afgewezen. A gaat hierna twee jaar in Groot-Brittannië wonen om te werken. Vervolgens hervestigt hij zich in Nederland en heeft daar drie jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf op het moment dat hij een verzoek om naturalisatie indient. A kan niet met succes een beroep doen op [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie is immers niet aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheid van A.
Op grond van [artikel 2, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) moeten verklaringen van minderjarigen betreffende de nationaliteit worden afgelegd door hun wettelijk vertegenwoordiger. Deze vertegenwoordigingsplicht geldt echter niet voor minderjarigen vanaf twaalf jaar bij het naar voren brengen van een zienswijze omtrent de verlening of medeverlening van het Nederlanderschap op grond van artikel 2, vierde lid, RWN. Die vertegenwoordigingsplicht geldt evenmin voor minderjarigen vanaf zestien jaar die op grond van het onderhavige derde lid uitdrukkelijk moeten verklaren in te stemmen met de medeverlening. Het gaat er bij het geven van bedoelde zienswijze of instemmingsverklaring immers om dat de minderjarige zijn eigen mening kenbaar maakt (zie ook de toelichting bij artikel 2, derde lid, RWN).
Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. “Feitelijk behoren tot het gezin” van de vader of moeder houdt in het kader van de RWN in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s)64Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.. De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.
In beginsel is het niet mogelijk dat een gehuwde vrouw bij de naturalisatie haar eigen geslachtsnaam laat wijzigen in die van haar (Nederlandse) echtgenoot. Immers, naar Nederlands recht mag de geslachtsnaam van de echtgenoot officieel niet worden toegevoegd aan de naam van de vrouw, noch draagt de vrouw rechtens de naam van haar echtgenoot. Wel is het toegestaan dat de vrouw in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van haar echtgenoot voert.
Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. “Feitelijk behoren tot het gezin” van de vader of moeder houdt in het kader van de RWN in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s)64Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.. De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.
A is zeventien jaar op het moment dat zijn vader een verzoek om naturalisatie indient en daarbij vraagt om medenaturalisatie van A. Tijdens de behandeling van het verzoek wordt A achttien jaar. Op het moment dat de vader bij koninklijk besluit wordt genaturaliseerd, voldoet A aan de voorwaarden in [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) met uitzondering van het vereiste van minderjarigheid. Van de IND ontvangt hij een beschikking die inhoudt dat het verzoek om medenaturalisatie is afgewezen. A gaat hierna twee jaar in Groot-Brittannië wonen om te werken. Vervolgens hervestigt hij zich in Nederland en heeft daar drie jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf op het moment dat hij een verzoek om naturalisatie indient. A kan niet met succes een beroep doen op [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie is immers niet aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheid van A.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel IB.A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IB)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikel 36.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36); [36.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [36.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [Boek 1, titel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=2)
[Boek 10 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068): [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=22) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=25)
### Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
[Boek 10 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068): [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=22) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=25)
Geen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Zonder expliciete naamsvaststelling of naamswijziging is het Koninklijk Besluit tot verlening van het Nederlanderschap niet bepalend voor de namen van de verzoeker. Dit vloeit voort uit [artikel 10:22, lid 2 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=22) waarvan de tekst luidt:
“De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door een vreemdeling brengt geen wijziging in diens geslachtsnaam en voornamen, behoudens [artikel 25, onder b, van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=25) en de [artikelen 6 lid 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [12 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12).”
Als naamsvaststelling of naamswijziging is geboden op grond van [artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12), overlegt de burgemeester met de verzoeker over de vast te stellen of te wijzigen namen van de verzoeker en van de personen voor wie medeverlening wordt verzocht, alsmede over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen worden overgebracht ([artikel 36, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Daartoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.6 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) ‘Verzoek om naamsvaststelling bij naturalisatie’ of model 2.7 HRWN ‘Verzoek om naamswijziging bij naturalisatie’.
Wijziging van de namen gedurende de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend in het kader van de inburgering en dan alleen in de situaties zoals beschreven in de toelichting op [artikel 12, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12). Bij naturalisatie wordt uitgegaan van de schrijfwijze van de namen zoals opgenomen in de BRP. Deze inschrijving is gebaseerd op een (voldoende gelegaliseerd of van apostille voorzien) document of op een door de verzoeker afgelegde verklaring onder ede (VOE). Als de verzoeker desondanks iets aan de schrijfwijze van zijn na(a)m(en) wenst te veranderen, moet hij die verandering voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek om naturalisatie via de gemeente bewerkstelligen (door het overleggen van de juiste bewijsstukken zoals een nieuwe beëdigde vertaling of nieuwe brondocumenten). Voor het herstellen van veronderstelde schrijf- of vertaalfouten in de na(a)m(en) zoals opgenomen in de BRP is geen ruimte binnen de naturalisatieprocedure.
Als zij daarom verzoeken, worden de in het verzoek begrepen minderjarige kinderen van twaalf jaar of ouder, evenals de wettelijk vertegenwoordiger of de (andere) ouder als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de naamsvaststelling of naamswijziging kenbaar te maken ([artikel 36, vierde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.9 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) ‘Brief zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 t/m 15 jaar)’ en model 2.11 HRWN ‘Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 jaar t/m 15 jaar)’ respectievelijk model 2.13 HRWN ‘Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarigen’ en model 2.15 HRWN ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)’of model 2.16 HRWN. ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamswijziging kind(eren)’
De burgemeester brengt over de naamsvaststelling of naamswijziging advies uit aan Onze Minister ([artikel 36, vijfde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)).
Als zij daarom verzoeken, worden de in het verzoek begrepen minderjarige kinderen van twaalf jaar of ouder, evenals de wettelijk vertegenwoordiger of de (andere) ouder als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de naamsvaststelling of naamswijziging kenbaar te maken ([artikel 36, vierde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.9 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) ‘Brief zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 t/m 15 jaar)’ en model 2.11 HRWN ‘Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 jaar t/m 15 jaar)’ respectievelijk model 2.13 HRWN ‘Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarigen’ en model 2.15 HRWN ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)’of model 2.16 HRWN. ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamswijziging kind(eren)’
In beginsel is het niet mogelijk dat een gehuwde vrouw bij de naturalisatie haar eigen geslachtsnaam laat wijzigen in die van haar (Nederlandse) echtgenoot. Immers, naar Nederlands recht mag de geslachtsnaam van de echtgenoot officieel niet worden toegevoegd aan de naam van de vrouw, noch draagt de vrouw rechtens de naam van haar echtgenoot. Wel is het toegestaan dat de vrouw in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van haar echtgenoot voert.
Echter, in sommige landen verkrijgt de vrouw bij het aangaan van het huwelijk van rechtswege of (later) op verzoek de geslachtsnaam van haar echtgenoot. In dat geval wordt de vrouw in principe genaturaliseerd onder deze later verkregen geslachtsnaam (van haar echtgenoot), tenzij ze te kennen geeft dat zij behoefte heeft aan wijziging van haar geslachtsnaam in haar meisjesnaam. In dat geval kan zij, op grond van [artikel 12, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12), weer haar meisjesnaam als geslachtsnaam krijgen. Het is daarom van belang dat de geslachtsnaam van gehuwde vrouwen niet alleen wordt beoordeeld aan de hand van de geboorteakte maar in voorkomend geval ook aan de hand van bijvoorbeeld de huwelijksakte en/of het paspoort.
In beginsel is het niet mogelijk dat een gehuwde vrouw bij de naturalisatie haar eigen geslachtsnaam laat wijzigen in die van haar (Nederlandse) echtgenoot. Immers, naar Nederlands recht mag de geslachtsnaam van de echtgenoot officieel niet worden toegevoegd aan de naam van de vrouw, noch draagt de vrouw rechtens de naam van haar echtgenoot. Wel is het toegestaan dat de vrouw in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van haar echtgenoot voert.
Uitgangspunt in het Nederlands namenrecht is dat een minderjarig kind de naam van één van de ouders draagt. Hieruit vloeit voort dat kinderen die delen in de naturalisatie van de ouder onder bepaalde voorwaarden ook in de naamsvaststelling of -wijziging van die ouder kunnen delen.
Een kind kan, als daar door de (hoofd)verzoeker om verzocht wordt, in de naamsvaststelling of naamswijziging van de verzoeker delen als het:
Een minderjarig kind kan niet delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van:
Het verzoek om naamsvaststelling of -wijziging met betrekking tot het kind moet in een dergelijk geval beoordeeld worden zoals neergelegd in de paragrafen over naamsvaststelling en -wijziging bij kinderen in de toelichting op artikel 12, eerste en tweede lid RWN.
Als uit de BRP niet blijkt of een minderjarig kind kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de verzoeker, kan dit worden aangetoond met een bewijs van gezagsvoorziening. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een buitenlandse rechterlijke voogdijbeschikking of een echtscheidingsvonnis, waarbij tevens in het gezag over de kinderen is voorzien. Het gezag kan ook van rechtswege zijn ontstaan, bijvoorbeeld door een huwelijk.
Voor een minderjarig kind kan soms ook een andere naamsvaststelling of -wijziging plaatsvinden dan voor de verzoeker met wie het kind meenaturaliseert. Daarnaast kan het voorkomen dat enkel de naam van het kind wordt vastgesteld of gewijzigd, terwijl de naam van de (hoofd)verzoeker hetzelfde blijft. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er een (zelfstandig) verzoek tot naturalisatie voor een minderjarige is ingediend door zijn wettelijk vertegenwoordiger. Zie voor de uitwerking van de mogelijkheden voor deze situaties de paragrafen met betrekking tot kinderen in de toelichting op artikel 12, eerste en tweede lid RWN.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
Minderjarige kinderen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben en die niet delen in de naturalisatie, delen in principe niet in de naamsvaststelling of -wijziging. Voor hen geldt immers niet het Nederlandse namenrecht, maar het namenrecht van het land van herkomst. Zij delen enkel in de naamsvaststelling of -wijziging als dat voortkomt uit het namenrecht van het land van herkomst.
Op grond van [artikel 1:7, derde lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=7) heeft de wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam door de Koning geen invloed op de geslachtsnaam van de kinderen van de betrokken persoon die voor de datum van het besluit meerderjarig zijn geworden of die niet onder zijn gezag staan. In aansluiting hier op kunnen meerderjarige kinderen en kinderen die niet onder het gezag van verzoeker staan niet in de naamswijziging of -vaststelling van verzoeker delen.
Minderjarige kinderen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben en die niet delen in de naturalisatie, delen in principe niet in de naamsvaststelling of -wijziging. Voor hen geldt immers niet het Nederlandse namenrecht, maar het namenrecht van het land van herkomst. Zij delen enkel in de naamsvaststelling of -wijziging als dat voortkomt uit het namenrecht van het land van herkomst.
De Minister van Justitie is gemachtigd correcties aan te brengen in een koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap. De machtiging is uitsluitend verleend om kennelijke administratieve misslagen in de vermelde persoonsgegevens van de verzoeker te herstellen. De kennelijke misslag dient een gevolg te zijn van (administratieve dan wel een vertalings-) onoplettendheid. Onder een ‘kennelijke administratieve misslag’ wordt niet verstaan het geval waarin de verzoeker na de verlening van het Nederlanderschap één of meer persoonsgegevens (namen, geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland) wenst te corrigeren, omdat hij is genaturaliseerd onder onjuiste, maar wel door hem aangeleverde, persoonsgegevens. De doorlopende machtiging is verleend voor de volgende kennelijke misstellingen in naturalisatiebesluiten:
Op grond van [artikel 1:7, derde lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=7) heeft de wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam door de Koning geen invloed op de geslachtsnaam van de kinderen van de betrokken persoon die voor de datum van het besluit meerderjarig zijn geworden of die niet onder zijn gezag staan. In aansluiting hier op kunnen meerderjarige kinderen en kinderen die niet onder het gezag van verzoeker staan niet in de naamswijziging of -vaststelling van verzoeker delen.
Blijkt in de procedure dat een verzoeker met een naamsketen (namenreeks) niet wenst dat bij zijn naturalisatie een geslachtsnaam voor hem wordt vastgesteld, dan leidt dat tot een afwijzing van het naturalisatieverzoek op grond van niet-inburgering. Verzoeker voldoet alsdan niet aan de in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) gestelde voorwaarde van ‘zich ook overigens in de Nederlandse (Nederlands Antilliaanse of Arubaanse) samenleving hebben doen opnemen’.
In een voorkomend geval stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeker schriftelijk in de gelegenheid om aan te geven welke geslachtsnaam hij wenst en wijst verzoeker op het feit dat het achterwege blijven van een keuze voor een naamsvaststelling leidt tot afwijzing van het naturalisatieverzoek.
Blijkt in de procedure dat een verzoeker met een naamsketen (namenreeks) niet wenst dat bij zijn naturalisatie een geslachtsnaam voor hem wordt vastgesteld, dan leidt dat tot een afwijzing van het naturalisatieverzoek op grond van niet-inburgering. Verzoeker voldoet alsdan niet aan de in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) gestelde voorwaarde van ‘zich ook overigens in de Nederlandse (Nederlands Antilliaanse of Arubaanse) samenleving hebben doen opnemen’.
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
Als sprake is van een namenreeks kan geen onderscheid worden gemaakt tussen de geslachtsnaam en de voornamen van de verzoeker. De volgende landen kennen een zogenaamde namenreeks: Afghanistan, Bangladesh, Egypte, Eritrea, Ethiopië, India, Indonesië, Irak, Democratische Republiek Congo, Nepal, Pakistan, Soedan, Somalië en Sri Lanka. Ten aanzien van verzoekers van wie de namen worden bepaald door het recht van deze landen is dus naamsvaststelling geboden, óók wanneer hun namen met onderscheid tussen voornamen en geslachtsnaam in de BRP zijn opgenomen. In dat geval moet een enkelvoudige geslachtsnaam worden vastgesteld die overeenkomt met de naam van de (voor)ouder. Draagt de verzoeker een namenreeks waarin niet een naam van een (voor)ouder voorkomt, dan moet één van zijn eigen namen worden vastgesteld als geslachtsnaam en de andere eigen naam als voornaam.
Met uitzondering van voorvoegsels (bijvoorbeeld Ben, El, Al, etc.) en achtervoegsels (bijvoorbeeld Zade(h)) is het niet toegestaan om een dubbele of samengestelde geslachtsnaam vast te stellen. Staat de verzoeker, na schriftelijk in de gelegenheid te zijn gesteld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om aan te geven welke enkelvoudige geslachtsnaam hij wenst, nog steeds op naturalisatie met een dubbele of samengestelde geslachtsnaam anders dan toegestaan in de voorgaande zin, dan wordt het naturalisatieverzoek om die reden afgewezen.
De verzoeker komt uit Soedan en heeft de volgende namenreeks: Mariam el Amin Mohamed Abbas. Zij is meerderjarig en dient een verzoek om naturalisatie in. Aangezien Mariam uit Soedan komt en een namenreeks heeft, moet er bij naturalisatie naamsvaststelling plaatsvinden. Uit de gegevens van de BRP blijkt dat de namenreeks van haar vader El Amin Mohamed Abbas Osman luidt. In dit geval mag Mariam willekeurig welke na(a)m(en) uit haar namenreeks als voorna(a)m(en) laten vaststellen. Als geslachtsnaam mag zij echter alleen El Amin, Mohamed of Abbas kiezen. Deze namen komen immers zowel in haar eigen namenreeks als in de namenreeks van haar vader voor.
Met uitzondering van voorvoegsels (bijvoorbeeld Ben, El, Al, etc.) en achtervoegsels (bijvoorbeeld Zade(h)) is het niet toegestaan om een dubbele of samengestelde geslachtsnaam vast te stellen. Staat de verzoeker, na schriftelijk in de gelegenheid te zijn gesteld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om aan te geven welke enkelvoudige geslachtsnaam hij wenst, nog steeds op naturalisatie met een dubbele of samengestelde geslachtsnaam anders dan toegestaan in de voorgaande zin, dan wordt het naturalisatieverzoek om die reden afgewezen.
Indien de naam slechts bestaat uit één bestanddeel wordt deze naam in beginsel vastgesteld als voornaam. De geslachtsnaam wordt dan vastgesteld overeenkomstig de naam van de (voor)ouder. In voorkomende gevallen kan ook een gedeelte van de naam van betrokkene worden vastgesteld als geslachtsnaam en het andere gedeelte wordt dan vastgesteld als voornaam.
De naam van de Afghaanse Nilab bestaat uit slechts één bestanddeel. Bij naturalisatie verzoekt zij in eerste instantie om vaststelling van haar voornaam als Nilab en van haar geslachtsnaam als Hassan, omdat dit de geslachtsnaam van haar reeds genaturaliseerde echtgenoot is. Dit is echter niet mogelijk. Zij moet immers de naam van een (voor)ouder laten vaststellen als geslachtsnaam of haar huidige naam laten opdelen in twee gedeeltes. Haar vader heet Hamid. Uiteindelijk besluit Nilab daarom zijn naam als geslachtsnaam te laten vaststellen. In het maatschappelijk verkeer kan zij vervolgens alsnog de naam van haar echtgenoot voeren ([artikel 1:9 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=9)).
Indien de naam slechts bestaat uit één bestanddeel wordt deze naam in beginsel vastgesteld als voornaam. De geslachtsnaam wordt dan vastgesteld overeenkomstig de naam van de (voor)ouder. In voorkomende gevallen kan ook een gedeelte van de naam van betrokkene worden vastgesteld als geslachtsnaam en het andere gedeelte wordt dan vastgesteld als voornaam.
De naam van de Afghaanse Nilab bestaat uit slechts één bestanddeel. Bij naturalisatie verzoekt zij in eerste instantie om vaststelling van haar voornaam als Nilab en van haar geslachtsnaam als Hassan, omdat dit de geslachtsnaam van haar reeds genaturaliseerde echtgenoot is. Dit is echter niet mogelijk. Zij moet immers de naam van een (voor)ouder laten vaststellen als geslachtsnaam of haar huidige naam laten opdelen in twee gedeeltes. Haar vader heet Hamid. Uiteindelijk besluit Nilab daarom zijn naam als geslachtsnaam te laten vaststellen. In het maatschappelijk verkeer kan zij vervolgens alsnog de naam van haar echtgenoot voeren ([artikel 1:9 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=9)).
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12¶graaf=3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk als het kind:
Het kan echter ook voorkomen dat de (hoofd)verzoeker niet verzoekt zijn minderjarige kind te laten delen in zijn naamsvaststelling, maar om naamsvaststelling van de naam van het kind conform de geslachtsnaam of een naam uit de namenreeks van de andere ouder, terwijl die andere ouder (al) Nederlander is of niet tegelijkertijd naturaliseert. Deze naamsvaststelling is mogelijk als de gewenste geslachtsnaam in de naam of namenreeks van het kind zelf voorkomt. Komt de gewenste naam alleen in de naam of namenreeks van de andere ouder en niet in de naam van het kind voor, dan kan deze naam als geslachtsnaam voor het minderjarige kind worden vastgesteld als is aangetoond dat deze andere ouder daadwerkelijk een (juridische) ouder van het kind is (en dus als zodanig in de BRP is geregistreerd).
Het Pakistaanse kind Mohammad Jafar Houssien naturaliseert mee met zijn moeder. De vader van het kind, Jafar Houssien Mahmoud, is niet met zijn vrouw en kind meegekomen naar Nederland en verblijft nog in het land van herkomst. De moeder wil echter graag dat voor haar zoon een naam uit de namenreeks van haar man als geslachtsnaam wordt vastgesteld. Voor het kind kan sowieso de naam Jafar of de naam Houssien als geslachtsnaam worden vastgesteld, aangezien deze namen ook in zijn eigen namenreeks voorkomen. De naam Mahmoud mag hij echter alleen krijgen, als is aangetoond dat Jafar Houssien Mahmoud daadwerkelijk zijn (juridische) vader is.
Een minderjarig kind van wie de naam uit één bestanddeel bestaat, deelt in beginsel in de naamsvaststelling van verzoeker. Als gewenst kan echter ook een naam van de andere ouder (of een voorouder) als geslachtsnaam van het kind worden vastgesteld, als is aangetoond dat deze andere (voor)ouder daadwerkelijk een (voor)ouder van het kind is (en dus als zodanig in de BRP is geregistreerd op grond van een geboorteakte of verklaring onder eed of belofte).
Een meerderjarig geworden kind mag soms, bij wijze van uitzondering op de in paragraaf 1 geformuleerde beleidsregel, een naam die niet in zijn eigen naam of namenreeks voorkomt als geslachtsnaam laten vaststellen bij naturalisatie. Dit mag alleen in het geval de gewenste naam afkomstig is van één van de juridische ouders van de verzoeker én als die naam reeds voor andere leden van het (kern)gezin als geslachtsnaam is vastgesteld bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Dit is dus alleen mogelijk als de andere gezinsleden eerder dan de verzoeker tot Nederlander zijn genaturaliseerd.
De Egyptische Kamal Abdel Walad naturaliseert tot Nederlander en laat daarbij voor hem en zijn twee meenaturaliserende, minderjarige kinderen de naam Walad als geslachtsnaam vaststellen. Een half jaar later dient zijn negentienjarige zoon Ashraf Kamal Abdel zelfstandig een verzoek om naturalisatie in. Hoewel de naam Walad niet voorkomt in de namenreeks van Ashraf, kan hij toch deze naam als geslachtsnaam kiezen, aangezien zijn vader en jongere zusjes reeds deze naam als geslachtsnaam hebben verkregen.
Een meerderjarig geworden kind mag soms, bij wijze van uitzondering op de in paragraaf 1 geformuleerde beleidsregel, een naam die niet in zijn eigen naam of namenreeks voorkomt als geslachtsnaam laten vaststellen bij naturalisatie. Dit mag alleen in het geval de gewenste naam afkomstig is van één van de juridische ouders van de verzoeker én als die naam reeds voor andere leden van het (kern)gezin als geslachtsnaam is vastgesteld bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Dit is dus alleen mogelijk als de andere gezinsleden eerder dan de verzoeker tot Nederlander zijn genaturaliseerd.
De naam van de verzoeker wordt zonodig in de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens overgebracht en kan, indien dit voor de inburgering van belang is, met toestemming van de verzoeker bij het besluit tot verlening van het Nederlanderschap worden gewijzigd.
Een minderjarig kind van wie de naam uit één bestanddeel bestaat, deelt in beginsel in de naamsvaststelling van verzoeker. Als gewenst kan echter ook een naam van de andere ouder (of een voorouder) als geslachtsnaam van het kind worden vastgesteld, als is aangetoond dat deze andere (voor)ouder daadwerkelijk een (voor)ouder van het kind is (en dus als zodanig in de BRP is geregistreerd op grond van een geboorteakte of verklaring onder eed of belofte).
Hierbij moet worden gedacht aan overbrenging van de namen vanuit bijvoorbeeld het Arabisch, Chinees of Cyrillisch schrift naar het Latijns schrift. Met betrekking tot deze overbrenging dient altijd te worden overlegd met de verzoeker ([artikel 36, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Voor de transcriptie is echter géén expliciete toestemming van de verzoeker vereist.
Verzoeker is geboren in Egypte en heeft de Egyptische nationaliteit. Zijn geboorteakte is vanuit het Arabisch schrift overgebracht in het Latijns schrift. Volgens deze vertaling, opgesteld door een beëdigd vertaler, heeft verzoeker de naamsketen ‘Sayeed Muhammad Ben Sawi’, maar in alle overige overgelegde documenten is de tweede naam gespeld als ‘Mohamed’. Verzoeker verklaart dat hij sinds jaar en dag door het leven gaat met de naam ‘Mohamed’ en dat hij onder deze naam wenst te worden genaturaliseerd. Uitgangspunt voor de transcriptie is dat de namen worden omgezet overeenkomstig de door een beëdigd vertaler opgestelde vertaling van de geboorteakte. Tenzij betrokkene vóór de indiening van zijn verzoek een andere vertaling van een beëdigd vertaler overlegt, worden zijn voornamen vastgesteld als ‘Sayeed Muhammad’ en zijn geslachtsnaam als ‘Ben Sawi’.
Hierbij moet worden gedacht aan overbrenging van de namen vanuit bijvoorbeeld het Arabisch, Chinees of Cyrillisch schrift naar het Latijns schrift. Met betrekking tot deze overbrenging dient altijd te worden overlegd met de verzoeker ([artikel 36, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Voor de transcriptie is echter géén expliciete toestemming van de verzoeker vereist.
Wijziging van de namen in het kader van de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend wanneer verzoeker te kennen geeft daaraan behoefte te hebben én dit gelet op de inburgering van belang is. Een verzoeker kan dus niet worden verplicht tot naamswijziging. In geval van naamswijziging wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de door de betrokkenen uitgesproken voorkeur.
Wijziging van de geslachtsnaam enerzijds, en wijziging van de geslachtsnaam en voornamen anderzijds, zijn mogelijk in uitsluitend de volgende gevallen:
Een samengestelde geslachtsnaam is een naam die bestaat uit twee of meer delen. Het ene deel is normaal gesproken afkomstig van vaderskant en het andere deel is afkomstig van moederskant. Niet iedere geslachtsnaam die uit meerdere namen bestaat, is dus een samengestelde geslachtsnaam.
Met name in Oost-Europese landen wordt soms bij namen van vrouwen als achtervoegsel een -a aan de geslachtsnaam toegevoegd. Deze verbuiging naar een vrouwelijke vorm kan bij de naturalisatie tot Nederlander ongedaan worden gemaakt als betrokkene daar om verzoekt. Het omgekeerde, een (vrouwelijke) verbuiging toevoegen, is echter niet mogelijk, omdat het Nederlands namenrecht niet de mogelijkheid geeft om namen te verbuigen.
Analoog aan artikel 1, tweede lid Besluit geslachtsnaamwijziging geschieden de hierboven onder 4 of 5 genoemde wijzigingen bij voorkeur door omzetting (of toevoeging of weglating) van enkele letters of door toevoeging van een voor- of achtervoegsel.
Met name in Oost-Europese landen wordt soms bij namen van vrouwen als achtervoegsel een -a aan de geslachtsnaam toegevoegd. Deze verbuiging naar een vrouwelijke vorm kan bij de naturalisatie tot Nederlander ongedaan worden gemaakt als betrokkene daar om verzoekt. Het omgekeerde, een (vrouwelijke) verbuiging toevoegen, is echter niet mogelijk, omdat het Nederlands namenrecht niet de mogelijkheid geeft om namen te verbuigen.
Voor wijziging van uitsluitend de voornamen bestaat in de naturalisatieprocedure geen ruimte. De voornamen kunnen slechts gelijktijdig met de geslachtsnaam worden gewijzigd en ook hier geldt: uitsluitend als dit voor de inburgering van belang is.
Als de verzoeker uitsluitend zijn voornaam wenst te wijzigen, kan hij zo nodig worden geattendeerd op de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank ([artikel 1:4, vierde lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=4)).
Een verzoeker heeft de Russische nationaliteit en bezit volgens zijn (Russische) geboorteakte een patronymicum. Het Russisch patronymicum is een tussennaam (‘otchestvo’ in het Russisch), gebaseerd op de eerste naam van de vader. De verzoeker staat ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) met het patronymicum ingevuld bij de categorie “voornamen”. De verzoeker verklaart dat hij zonder het patronymicum wenst te worden genaturaliseerd. Het Russisch patronymicum maakt echter geen onderdeel uit van de geslachtsnaam. Als tussennaam kan het patronymicum daarom uitsluitend in combinatie met de geslachtsnaam worden gewijzigd dan wel vervallen, en dan uitsluitend wanneer dit voor de inburgering van belang is.
Als de verzoeker uitsluitend zijn voornaam wenst te wijzigen, kan hij zo nodig worden geattendeerd op de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank ([artikel 1:4, vierde lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=4)).
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12¶graaf=3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk als het kind:
Daarnaast mag de geslachtsnaam van alleen het kind in het kader van de inburgering soms ook gewijzigd worden, terwijl de geslachtsnaam van verzoeker ongewijzigd blijft. Dit is mogelijk als zich één van de situaties voor doet die hierboven in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12¶graaf=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) Naamswijziging, beschreven zijn onder 3 (verbogen geslachtsnaam), 4 (onuitspreekbare naam) en 5 (bespottelijke of onwelvoeglijke naam). Aangezien er aan de namen zoals opgenomen in de BRP zo min mogelijk wordt gesleuteld bij de naturalisatie, vindt de wijziging in beginsel plaats door het verwijderen of toevoegen van één of enkele letters.
Het kan voorkomen dat de andere ouder al is genaturaliseerd en dat zijn geslachtsnaam is gewijzigd bij zijn naturalisatie. Dan kan voor het minderjarige kind bij naturalisatie, als daarom wordt verzocht, dezelfde naamswijziging plaatsvinden. Dit mag echter alleen als het kind (mede) onder het gezag van deze andere ouder staat.
Moeder Natalya Vladimirova is met haar dochter Ekaterina Grzska naar Nederland gekomen om bij haar nieuwe partner te gaan wonen. Moeder Natalya laat haar geslachtsnaam bij haar naturalisatie tot Nederlander zoals deze is. Ze verzoekt echter wél om geslachtsnaamwijziging voor haar meenaturaliserende dochter. Ze wil namelijk graag dat de geslachtsnaam van haar dochter beter uitspreekbaar wordt voor Nederlanders. De geslachtsnaam Grzska is inderdaad moeilijk uitspreekbaar voor Nederlanders en zou in dit geval bijvoorbeeld gewijzigd kunnen worden in Grazeska, of Grezska.
Het kan voorkomen dat de andere ouder al is genaturaliseerd en dat zijn geslachtsnaam is gewijzigd bij zijn naturalisatie. Dan kan voor het minderjarige kind bij naturalisatie, als daarom wordt verzocht, dezelfde naamswijziging plaatsvinden. Dit mag echter alleen als het kind (mede) onder het gezag van deze andere ouder staat.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [11.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
[BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782): [artikelen 1 t/m 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=1)
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
TOI: artikel 10
TOS: artikel 7.2
Geen.
TOS: artikel 7.2
**Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regelen gesteld betreffende het recht dat verschuldigd is voor het afleggen en de behandeling van de verklaring van optie en van het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap, de gevallen en de mate waarin daarvan ontheffing kan worden verleend en de wijze waarop het moet worden voldaan.**
De te betalen bedragen voor het afleggen van een optieverklaring en voor het indienen van een verzoek om naturalisatie zijn vastgelegd in het [Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782).
Met het oog op de jaarlijkse indexering van de optie- en naturalisatiegelden (zie [artikel 9, eerste lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9)) wordt verwezen naar de in onderstaande tabel vermelde tariefgroepen en de daarbij behorende tariefcodes en bedragen.
De te betalen bedragen voor het afleggen van een optieverklaring en voor het indienen van een verzoek om naturalisatie zijn vastgelegd in het [Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782).
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
De Staatssecretaris van VWS laat zich ondersteunend adviseren door de desbetreffende nationale sportbond, maar heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het advies aan de Minister van Justitie.
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
Bij circulaire d.d. 9 april 1999, kenmerk S/BOA-99440 heeft de Staatssecretaris van VWS richtlijnen opgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of wordt voldaan aan het vereiste van een aanwezig Nederlands belang op sportief gebied. De circulaire stelt de eis dat de betrokkene bij de desbetreffende Nederlandse landelijke sportorganisatie op het niveau van de nationale top presteert. Dit betekent volgens de circulaire:
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
De Staatssecretaris van VWS laat zich ondersteunend adviseren door de desbetreffende nationale sportbond, maar heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het advies aan de Minister van Justitie.
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
Ontbreekt de verklaring, dan vermeldt het advies van VWS de reden daarvan;
### paragraaf 3.5. Beslissing
In het geval dat het advies van de Staatssecretaris van VWS inzake de ontheffing van een voor de verzoeker geldende blokkeringstermijn geen stukken bevat, die leiden tot de conclusie dat de verzoeker op korte termijn als genaturaliseerde Nederlander voor Nederland zou kunnen uitkomen, dient het verzoek tot naturalisatie te worden afgewezen.
### 11-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 2. Naamswijziging
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
In [artikel 31 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) is aangegeven welke gegevens de verzoeker over zichzelf en over het (mede) te naturaliseren kind moet verstrekken. Als deze gegevens niet of onvoldoende worden verstrekt, zal Onze Minister, na inverzuimstelling, het verzoek afwijzen. De afwijzende beslissing van Onze Minister is een beschikking waartegen op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
In [artikel 31 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) is aangegeven welke gegevens de verzoeker over zichzelf en over het (mede) te naturaliseren kind moet verstrekken. Als deze gegevens niet of onvoldoende worden verstrekt, zal Onze Minister, na inverzuimstelling, het verzoek afwijzen. De afwijzende beslissing van Onze Minister is een beschikking waartegen op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
**Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt wordt ingewilligd indien het kind in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf en, sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft. Het Nederlanderschap wordt slechts verleend, indien het kind daarmee uitdrukkelijk instemt, hij bereid is bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en op hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.**
Verblijf in het verleden in Nederland als afhankelijk gezinslid van een geprivilegieerde vreemdeling, werkzaam bij een internationale organisatie, geldt onder specifieke voorwaarden als toelating in hierboven bedoelde zin.
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### 12-alg. Toelichting algemeen
### 12-alg. Toelichting algemeen
De verklaring moet op schrift worden gesteld en door het kind worden ondertekend.
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Geen.
Bij verlening van het Nederlanderschap is het Nederlands namenrecht van toepassing. Op 1 januari 2012 is de [Wet conflictenrecht namen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580) (WCN) vervallen. Vanaf die datum is [artikel 10:18 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=18) tot en met [artikel 10:26 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=26) van toepassing. Uitgangspunt is dat de naturalisatie plaatsvindt met toepassing van de namen van de verzoeker in de basisregistratie personen (BRP). Aan deze namen moet verder zo weinig mogelijk worden gesleuteld.
### Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Op grond van [artikel 1:7, derde lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=7) heeft de wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam door de Koning geen invloed op de geslachtsnaam van de kinderen van de betrokken persoon die voor de datum van het besluit meerderjarig zijn geworden of die niet onder zijn gezag staan. In aansluiting hier op kunnen meerderjarige kinderen en kinderen die niet onder het gezag van verzoeker staan niet in de naamswijziging of -vaststelling van verzoeker delen.
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
In een voorkomend geval stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeker schriftelijk in de gelegenheid om aan te geven welke geslachtsnaam hij wenst en wijst verzoeker op het feit dat het achterwege blijven van een keuze voor een naamsvaststelling leidt tot afwijzing van het naturalisatieverzoek.
### 4. Opsturen
Met het oog op de jaarlijkse indexering van de optie- en naturalisatiegelden (zie [artikel 9, eerste lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9)) wordt verwezen naar de in onderstaande tabel vermelde tariefgroepen en de daarbij behorende tariefcodes en bedragen.
Tarief A is verschuldigd als een optant een optieverklaring aflegt op grond van [artikel 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) of [artikel II, eerste lid, van de Rijkswet van 27 juni 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) (Stb. 270).
Tarief B is verschuldigd als twee optieverklaringen gelijktijdig worden afgelegd door twee personen die:
De regeling voor de optiegelden bevat, anders dan bij de naturalisatiegelden het geval is, geen verlaagd tarief voor een houder van een asielvergunning dan wel een staatloze.
Tarief C is verschuldigd voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging als bedoeld in [artikel 6, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Dit betekent dat voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging voor een minderjarige, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen bij het afleggen van hun optieverklaring (tarief A of B), het tarief C moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een optieverklaring tot medeverkrijging wordt afgelegd.
Zie voor de betalingsprocedure verder [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=3&z=2017-04-01&g=2017-04-01) (betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden).
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Bijlage 1
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
### 8-3. Toelichting ad [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
Let op! Een verzoeker kan zich dus vanaf 1 juli 2013 niet meer wenden tot het ROC Amsterdam voor een haalbaarheidsonderzoek. Alle adviezen van aanvragen ingediend vóór 1 juli 2013 kunnen worden betrokken in de besluitvorming, op voorwaarde dat het advies van het ROC op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouder is dan vijf jaar.
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
### Paragraaf 5.1. Misdrijven
### Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
### 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
### Artikel 9
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
### Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
Hieronder wordt uiteengezet wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of de veiligheid van het Koninkrijk. Daarbij staan centraal de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de vreemdeling. Die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden. Samengevat komt het beleid erop neer dat de naturalisatie of optie wordt geweigerd, als:
### Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is
### Paragraaf 5.4. Voeging
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
### Paragraaf 4. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
### Paragraaf 5.4. Voeging
### Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten
### Paragraaf 5.8. Vierjaartermijn
### Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
### Paragraaf 5.3. De betrokkene is wél bereid afstand te doen
### paragraaf 4. Bewijsstukken
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### Paragraaf 7. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### Paragraaf 8.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### 9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
Hieronder worden de uitzonderingscategorieën 1 tot en met 9 toegelicht. De overige vijf categorieën worden behandeld bij [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9).
### paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
Een verzoeker die de Hongaarse nationaliteit bezit, kan eerst nadat hij is genaturaliseerd tot Nederlander de Hongaarse autoriteiten verzoeken of hij ontslag kan krijgen uit het Hongaarse staatsverband.
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
Als niet-zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die zijn inkomsten verwerft anders dan uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
A lijdt door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Zijn netto maandinkomen is immers hoger dan het bedrag dat hij moet betalen voor het doen van afstand. Hij moet afstand doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzondering en moet afstand van de nationaliteit van land Y doen.
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
B behoeft door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel te lijden. Weliswaar heeft hij genoegzaam aangetoond dat hij eigenaar van een stuk grond is met een aanzienlijke waarde en dat hij de grond door het doen van afstand zou verliezen, maar uit de stukken blijkt niet dat hij de grond slechts onder onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden kan verkopen. Integendeel. Het is een braakliggend stuk grond dat hij met een goede winst kan verkopen. B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie.
### paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
Door betrokkene zal aan de hand van recente verklaringen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, moeten aantonen dat hij dienstplichtig is, dat hij zijn militaire dienst nog niet heeft vervuld en dat hij slechts afstand van die nationaliteit kan doen na vervulling (door middel van werkelijke dienst, al dan niet met afkoop van een gedeelte daarvan) aldaar van de militaire dienst.
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
Indien een staat niet wordt erkend, wordt vanzelfsprekend ook de nationaliteit van deze staat niet erkend. In een dergelijk geval afstand eisen, betekent ook dat van een niet-erkende staat afkomstige bewijsstukken inzake het verlies van de nationaliteit door de Nederlandse autoriteiten in ontvangst en in behandeling worden genomen. Omdat dit niet strookt met het beginsel dat met een niet-erkende staat geen uitwisseling van officiële stukken plaatsvindt, wordt aan personen afkomstig uit staten die niet worden erkend door Nederland niet gevraagd afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Voorbeeld van een niet-erkende staat is Taiwan.
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
Indien verzoeker vervolgens een beroep wenst te doen op een van de uitzonderingen 4 tot en met 9 moet hij bij het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarin hij aangeeft dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit (zie model 2.4 en model 2.5). Uit de bereidheidsverklaring moet duidelijk blijken op welke uitzonderingscategorie een beroep wordt gedaan. Aan de hand van door hem overgelegde documenten/bewijsstukken (zie hierboven paragraaf 4 zal verzoeker moeten aantonen dat hij valt onder die uitzonderingscategorie.
De betrokkene wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. De betrokkene wordt tevens gewezen op de uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voor zover mogelijk – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Een betrokkene die bereid is afstand te doen, wordt in de voorlichtingsfase verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit om te informeren naar de wijze waarop afstand van die nationaliteit kan worden gedaan (kan afstand worden gedaan op een ambassade of consulaire post in Nederland, kan alleen afstand worden gedaan in het land van herkomst, moet voor het doen van afstand worden betaald etc.) én naar de (eventuele) gevolgen van het doen van afstand (bijvoorbeeld het verlies van vermogensrechtelijke rechten). Dit is om te voorkomen dat de betrokkene, na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, bij het doen van afstand wordt geconfronteerd met daaraan verbonden voorwaarden waaraan hij niet kan of niet wenst te voldoen. Na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap kan hij immers niet meer met succes een beroep doen op één van de uitzonderingscategorieën. In dat kader is van belang dat uit de door de betrokkene ondertekende bereidheidsverklaring blijkt dat hij in verband met het doen van afstand is gewezen op de uitzonderingscategorieën en dat hij tevens is verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie over het doen van afstand.
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
### 9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid
Het origineel van de bereidheidsverklaring wordt door de burgemeester met het optiedossier of het advies betreffende naturalisatie verzonden naar de IND. Als de burgemeester dat noodzakelijk acht, kan hij een kopie van die verklaring behouden. Bij naturalisatie moet op het adviesblad worden aangegeven of de betrokkene onder een uitzonderingscategorie valt – en zo ja, onder welke – en of hij bereid is al dan niet afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit.
### Artikel 10
Als de betrokkene wél reageert op het verzoek of de verzoeken om informatie van de IND, kan hem een nadere termijn worden gesteld om het verlies van de andere nationaliteit te bewerkstelligen ([artikel 30b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30b), of [58, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=58)). Dit zal met name geschieden als de buitenlandse overheid nog niet heeft beslist op het verzoek om afstand of als deze nog geen bevestiging van het verlies van de andere nationaliteit na een verklaring van afstand heeft toegezonden. Onze Minister kan van de betrokkene verlangen dat hij zijn verzoek of verklaring herhaalt. Afhankelijk van de redenen die de betrokkene geeft op grond waarvan het nog niet is gelukt om afstand te doen, beslist Onze Minister of het Nederlanderschap met toepassing van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) wordt ingetrokken of dat hem opnieuw een termijn wordt gegund om te voldoen aan zijn verplichting om afstand te doen. De duur van de gegunde termijn hangt weer af van de gegeven redenen en de toepasselijke feiten en omstandigheden; afhankelijk van de omstandigheden kan dus meerdere keren een termijn worden gegund. De getoonde bereidheid van betrokkene om mee te werken en de moeite die hij heeft gedaan om de andere nationaliteit te verliezen, zal bij deze beslissing een rol spelen.
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
De betrokkene die afstand heeft gedaan, zal een bewijs daarvan moeten overleggen bij de afdeling Burgerzaken dan wel bij de IND. In de betreffende nationaliteitswetgeving moet worden nagegaan of de instantie die een verklaring van afstand heeft afgegeven of bevestigd dan wel de instantie die de beslissing op het verzoek om afstand heeft genomen wel daartoe is bevoegd. Een dergelijke verklaring van afstand is een akte die gelegaliseerd moet zijn, tenzij een uitzondering op die regel van toepassing is (zie hierboven paragraaf 4). Als de verklaringen en/of het document zijn opgesteld in een andere taal dan het Engels, Duits of Frans, moet de betrokkene zorg dragen voor een door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling. Deze vertaling moet worden gehecht aan het originele document (zie hierboven paragraaf 4). Een verklaring waarin wordt aangegeven dat de betrokkene zijn paspoort heeft ingeleverd, is niet voldoende. De verklaring van de autoriteiten moet in elk geval de personalia van betrokkene bevatten en (zo mogelijk) de datum met ingang waarvan hij niet meer in het bezit is van zijn oorspronkelijke nationaliteit. De IND heeft een eigen verantwoordelijkheid in het beoordelen van een verklaring van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit. Als een verklaring van afstand is ingediend bij de afdeling Burgerzaken van een gemeente en de IND is van mening dat de verklaring van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet voldoet, wordt contact met de betreffende afdeling Burgerzaken opgenomen.
### Paragraaf 1. Algemeen
De Nederlandse postnatale erkenning kan nietig zijn, omdat onder andere de erkenner gehuwd was ten tijde van de erkenning of omdat het kind reeds een juridische vader heeft ([artikel 1:204, eerste lid, aanhef en onder e en f BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=204)). Het kind kan, als sprake is van een nietige erkenning, geen gebruik maken van de geboden optiemogelijkheid, aangezien de persoon bedoeld in onderdeel i of j niet zijn juridische vader is. Dit geldt ook ten aanzien van een buitenlandse postnatale erkenning, nu deze niet op grond van Nederlandse internationaal privaatrecht erkend kan worden in Nederland wegens strijd met de openbare orde.
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
Als het gaat om een postnatale erkenning naar buitenlands recht, moet deze tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht. De [Wet conflictenrecht afstamming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013513) (Wca) is van toepassing op buitenlandse erkenningen die op of na 1 mei 2003 tot stand zijn gekomen. Vanaf 1 januari 2012 is dit [artikel 10:92 tot en met 10:102 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=92).
### paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
Voorts eist onderdeel l dat eerst de optiegerechtigde vader van het kind door de optie op grond van onderdeel i of j het Nederlanderschap verkrijgt. Daarna pas kan het kind gebruik maken van de optiemogelijkheid in onderdeel l. Alleen als deze optiegerechtigde vader is overleden en dus niet het Nederlanderschap heeft kunnen verkrijgen door de optie, kan er ook geopteerd worden.
### 6-1-n. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Een uit een Duitse ongetrouwde vrouw geboren kind wordt op zesjarige leeftijd in 2004 in Turkije erkend door een in Nederland wonende Turkse man A. Na de erkenning is deze Turkse man A overleden in Turkije. Deze Turkse man A is in 1984 in Duitsland geboren staande het huwelijk van een Turkse vader C en een Nederlandse moeder D. De Nederlandse moeder D heeft niet vrijwillig de Turkse nationaliteit verkregen na dit huwelijk en is dus in het bezit gebleven van de Nederlandse nationaliteit.
### Paragraaf 1.3. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
Een kind wordt in 1986 op tweejarige leeftijd in Amsterdam erkend door een Marokkaanse man. Deze Marokkaanse man heeft geopteerd op grond van onderdeel i en daardoor het Nederlanderschap verkregen. De moeder van het kind bezit de Franse nationaliteit. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de erkenning rechtsgeldig is en de vader de juridische ouder is van het kind. De vader heeft inmiddels het Nederlanderschap verkregen door de optie op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Het kind kan opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l RWN.
### Paragraaf 1.4. Vereiste documenten
De Turkse erkenning kon tot 1 januari 2012 worden erkend in Nederland op grond van de [Wet conflictenrecht afstamming](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013513) (Wca). Vanaf 1 januari 2012 is [artikel 10:92 tot en met artikel 10:102 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=92) van toepassing. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vader de juridische ouder is van het kind en dat zijn vader na de erkenning is overleden in Turkije. Ook blijkt dat de vader van het kind, had kunnen opteren op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), als hij was blijven leven. Hij is immers geboren uit een Nederlandse moeder en een vader die niet de Nederlandse nationaliteit had. Het kind kan het Nederlanderschap verkrijgen door optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l RWN, omdat zijn overleden vader optiegerechtigd is op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN.
### 6-1-m. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
**Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de vreemdeling die door één van de in de onderdelen i of j bedoelde personen die het Nederlanderschap heeft verkregen dan wel voor die verkrijging is overleden, tijdens zijn minderjarigheid is erkend, terwijl hij aangetoond heeft dat die persoon de biologische vader is.**
### Paragraaf 1.2. Bewijs biologisch vaderschap erkenner
Vast moet komen te staan dat de optant een (juridisch) kind is van de persoon bedoeld in onderdeel i of j. Onderdeel m gaat uit van afstamming door postnatale erkenning van een minderjarige. Deze persoon (man) heeft het kind erkend op een moment dat dat kind zeven jaar of ouder was, maar minderjarig was.
### Paragraaf 1.2. Bewijs biologisch vaderschap erkenner
Aangetoond moet worden dat deze man (de erkenner) de biologische vader is van het kind.
### Paragraaf 1.1. Afstamming door gerechtelijke vaststelling ouderschap
Er is namelijk ten aanzien van de hier aan de orde zijnde kwestie geen nationaliteitsrechtelijke regelgeving.
### paragraaf 2.5. Bevestiging
Ook met DNA-bewijs kan het biologisch vaderschap van de erkenner worden aangetoond. Geen genoegen kan echter worden genomen met ongeacht welk onderzoeksrapport op het gebied van vaderschapsvaststelling.
### Paragraaf 1.1. Afstamming door adoptie binnen het Koninkrijk van een minderjarige
Om deze reden geldt dat bij het overleggen van bewijs dat voldoet aan alle voorwaarden genoemd in het [Besluit DNA-onderzoek vaderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024634) (zie [artikel 4, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)) er voldoende zekerheid is over het biologisch vaderschap om het Nederlanderschap te verkrijgen via optie door de erkende.
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
Als DNA-bewijs afkomstig is van andere laboratoria dan die genoemd in het [Besluit DNA-onderzoek vaderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024634), wordt het bewijs niet geaccepteerd en kan het Nederlanderschap niet worden verkregen door optie.
### 6-1-o. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
De Nederlandse postnatale erkenning kan nietig zijn, omdat onder andere de erkenner gehuwd is of omdat het kind reeds een juridische vader heeft ([artikel 1:204, eerste lid, aanhef en onder e en f BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=204)). Het kind kan dan geen gebruik maken van de geboden optiemogelijkheid, aangezien de persoon bedoeld in onderdeel i of j niet zijn juridische vader is. Dit geldt ook ten aanzien van een buitenlandse postnatale erkenning, nu deze op grond van Nederlands internationaal privaatrecht niet erkend kan worden in Nederland wegens strijd met de openbare orde.
### Paragraaf 1.3. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
Voorts eist onderdeel m dat eerst de optiegerechtigde vader van het kind door de optie op grond van onderdeel i of j het Nederlanderschap verkrijgt. Daarna pas kan het kind gebruik maken van de optiemogelijkheid in onderdeel m. Alleen als deze optiegerechtigde vader is overleden en dus niet het Nederlanderschap heeft kunnen verkrijgen door de optie, kan er ook geopteerd worden. Voorwaarde is wel dat deze ouder aan alle voorwaarden van [artikel 6, eerste lid, onder i of j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) voldoet. Dit moet bij een overleden ouder dus ook onderzocht worden.
### Paragraaf 1.4. Vereiste documenten
De optievoorwaarden kan de optant aan de hand van de volgende stukken aantonen:
### Paragraaf 2.2.4.3.1. Bereidheidsverklaring afstand
Let op: in principe kan op grond van [artikel 6, achtste lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) een minderjarige delen in de optie van de persoon (ouder), bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i en j RWN, als de minderjarige toelating en hoofdverblijf heeft in het Koninkrijk. In het geval van toepassing van artikel 6, achtste lid RWN is geen bewijs van het biologisch vaderschap nodig.
### 6-1-n. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Een kind, geboren in 1995 in Colombia, is in 1998 bij Arubaanse uitspraak geadopteerd door een echtpaar, in 1998 beiden van Surinaamse nationaliteit. De adoptiefmoeder heeft geopteerd voor het Nederlanderschap op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Uit de overgelegde stukken, waaronder de adoptieuitspraak, blijkt dat een afstammingsrelatie tot stand is gekomen tussen adoptiefmoeder (en adoptiefvader) en het kind en dat zijn adoptiefmoeder inmiddels het Nederlanderschap heeft verkregen door de optie. Het kind kan opteren op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o RWN.
### 6-1-o. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of zijn ouder in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als de vader van de optant langer dan twee jaar geleden is overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).
### Paragraaf 1
Een vreemdeling (minderjarig of meerderjarig) die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) als cumulatief:
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
Voorts eist onderdeel o dat eerst de optiegerechtigde vader van het kind door de optie op grond van onderdeel i of j het Nederlanderschap verkrijgt. Daarna pas kan het kind gebruik maken van de optiemogelijkheid in onderdeel m. Alleen als deze optiegerechtigde vader is overleden en dus niet het Nederlanderschap heeft kunnen verkrijgen door de optie, kan er ook geopteerd worden. Voorwaarde is wel dat deze ouder aan alle voorwaarden van [artikel 6, eerste lid, onder i of j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) voldoet. Dit moet bij een overleden ouder dus ook onderzocht worden.
### Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of zijn adoptiefouders in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als de adoptiefouder van de optant langer dan twee jaar geleden is overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).
### 1. Algemeen
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige optant. Zij rust daarnaast ook op minderjarigen die op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd zestien jaar of ouder zijn, ongeacht of zij zelfstandig opteren dan wel verzocht is hen te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door een van hun ouders (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.4¶graaf=2.2.4.1&z=2016-04-01&g=2016-04-01) en [2.12.3 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2016-04-01&g=2016-04-01))
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 1.36)
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 1.36). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in principe in persoon op een naturalisatieceremonie mondeling af voordat de optiebevestiging aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2016-04-01&g=2016-04-01)).
### paragraaf 2.2.1.3. Kinderen van de optant
De minderjarige kinderen van de optant, waarvan het de bedoeling is dat zij delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door hun ouder, en die twaalf jaar of ouder zijn, worden mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de medeverkrijging (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
### paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt alleen vrijstelling gegeven, indien het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij artikel 60a, vijfde lid en zesde lid, BVVN). Zie [paragraaf 2.2.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.4¶graaf=2.2.4.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) voor de uitzonderingssituaties.
### 4. Afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN)
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid mondeling en in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands afgelegd.
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (artikel 60a, derde lid, BVVN en paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)
Wordt de toezegging een verklaring van verbondenheid af te leggen niet nagekomen en is geen ontheffing van het mondeling of schriftelijk afleggen verleend, dan zal de optiebevestiging niet worden uitgereikt en het Nederlanderschap niet worden verkregen. Immers, pas door de bekendmaking wordt iemand Nederlander.
### 6-3. Toelichting ad artikel 6, derde lid
Voor zoveel mogelijk verstrekt de optant dezelfde gegevens over de minderjarige kinderen en kindskinderen die hij in zijn optie wenst te betrekken ([artikel 6, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)).
### paragraaf 2.1. Informatieverstrekking
Het afleggen van een optieverklaring zal worden voorafgegaan door informatieverstrekking aan de aspirant-optant door de tot het in ontvangst nemen van de verklaring bevoegde burgemeester. Voor een deel zal daarbij gebruik kunnen worden gemaakt van IND-brochures. Verder kan in deze fase aan de aspirant-optant bijvoorbeeld opgave worden gedaan van de bij het afleggen van de optieverklaring te verstrekken gegevens en over te leggen documenten. De burgemeester informeert de aspirant-optant over zijn verplichting om, als onderdeel van de verkrijging van het Nederlanderschap, een verklaring van verbondenheid af te leggen. De optant wordt erop attent gemaakt dat hij de verklaring van verbondenheid, in beginsel op een naturalisatieceremonie, zal moeten afleggen en dat de optiebevestiging niet eerder bekend wordt gemaakt, dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Ook kan de aspirant-optant erop worden gewezen dat de eventuele optiebevestiging als regel door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst in werking treedt. Indien al onmiddellijk blijkt dat niet wordt voldaan aan de vereisten voor optie, kan de betrokkene worden gewezen op de eventuele mogelijkheid en voorwaarden voor verlening van de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie.
### paragraaf 2.2.1. Vormvereisten: afleggen in persoon
Voor een minderjarige optant wordt de optieverklaring afgelegd door (een van) zijn wettelijk vertegenwoordiger(s). In beginsel dient de wettelijk vertegenwoordiger in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) en zich met een geldig identiteitsbewijs te legitimeren. Van verschijning in persoon door de wettelijk vertegenwoordiger kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie artikel 2, tweede lid, RWN en [artikel 3, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). De minderjarige optant die jonger dan twaalf jaar is, wordt niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
### paragraaf 2.2.1.3. Kinderen van de optant
Ingevolge [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) wordt een kind van twaalf jaar of ouder op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld om een zienswijze omtrent de verkrijging naar voren te brengen. Bij een minderjarige optant van twaalf tot zestien jaar is niet voorgeschreven dat het in persoon verschijnt om een zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap. Het verdient wel de voorkeur. De minderjarige optant wordt derhalve mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de verkrijging (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
### paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
Hebben kinderen de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven ([artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Zij dienen zich met een geldig buitenlands reisdocument33Zie [paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.1&z=2016-04-01&g=2016-04-01). te legitimeren (zie ook hierna [paragraaf 2.2.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.1¶graaf=2.2.1.5&z=2016-04-01&g=2016-04-01)). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
### Paragraaf 2.2.4.3.1. Bereidheidsverklaring afstand
Hebben kinderen de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven ([artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Zij dienen zich met een geldig buitenlands reisdocument33Zie [paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01). te legitimeren (zie ook hierna [paragraaf 2.2.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.1¶graaf=2.2.1.5&z=2017-03-01&g=2017-03-01)). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
### paragraaf 2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder
De optieverklaring dient op schrift te worden gesteld ([artikel 6, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)) en door de betrokkene of, in het voorkomende geval, door zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde te worden ondertekend ([artikel 3, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). In de verklaring dienen de minderjarige kinderen en de kindskinderen, voor wie medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt beoogd, te worden vermeld ([artikel 6, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)). Als beide ouders op hetzelfde moment een optieverklaring afleggen, worden in beide optieverklaringen alle kinderen opgenomen waarvoor medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt gewenst. Hierdoor wordt voorkomen dat een kind niet in de verkrijging van het Nederlanderschap deelt, omdat het bij toeval in de optieverklaring is vermeld van de ouder die niet aan de voorwaarden voldoet.
### Paragraaf 2.2.3. Te verstrekken gegevens
Op grond van [artikel 6, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6) moet de optant bij het afleggen van de optieverklaring betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens te verstrekken met betrekking tot:
### paragraaf 2.4.2.4. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie
De informatie over de gegevens genoemd bij a tot en met e, zal bij iedere optieverklaring moeten worden verstrekt. Dit geldt zowel voor de optieverklaring afgelegd op grond van [artikel 6, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) als [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28). Deze gegevens komen dan ook in ieder model optieformulier terug. De noodzakelijkheid van verstrekking van gegevens genoemd in de onderdelen f tot en met l is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo is het verstrekken van gegevens over de verblijfsstatus (f) wel nodig bij een optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, b, e, f, g en h, RWN maar niet bij een optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, d en i t/m o RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN en artikel 28 RWN. Het verstrekken van gegevens over het huwelijk of de ontbinding daarvan (h) is bijvoorbeeld met name bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f juncto [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en artikel 28 RWN van belang. Daarnaast kan het feit of een huwelijk is gesloten of een geregistreerd partnerschap is aangegaan uiteraard van belang zijn voor de vraag of de optant wel of niet meerderjarig is. De gegevens bij onderdeel j zijn met name van belang bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, d en i t/m o RWN.
### Paragraaf 2.2.4.3.1. Bereidheidsverklaring afstand
Het verdient mede gelet op het bepaalde in [artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) aanbeveling deze gegevens met betrekking tot de optant zelf (en als van toepassing met betrekking tot in de optieverklaring genoemde (kinds)kinderen) onmiddellijk in overleg met de optant te vergelijken met de beschikbare gegevens in de BRP. Hiermee kunnen onnodige procedures worden voorkomen.
### paragraaf 2.4.2.5. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
Dit betekent dat een gemeente aan een persoon, die wil opteren op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i t/m o RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), gegevens van de persoonskaart van de (groot)ouders dan wel een uittreksel met historische gegevens van de (groot)ouders op diens verzoek moet verstrekken.
### paragraaf 2.5. Bevestiging
Ook kan een zo nodig gelegaliseerde verklaring van de autoriteit van het land van de nationaliteit van de echtgenoot van moeder, bedoeld in [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), en een zo nodig gelegaliseerde verklaring van de autoriteit van het land van geboorte van de optant worden verlangd, waaruit blijkt dat de moeder van de optant niet de nationaliteit van een van deze landen bezat op de dag van de geboorte van de optant. Ten aanzien van de adoptiefmoeder, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j RWN, kan worden volstaan met de eerste verklaring.
### paragraaf 2.2.4. Af te leggen verklaringen
De burgemeester informeert de optant over zijn bij de IND bekende nationaliteit en vraagt hem een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) van zijn nationaliteit over te leggen. Anders verzoekt de burgemeester de optant om met bewijsstukken aan te tonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) van zijn nationaliteit.
### paragraaf 2.7. Archivering
** Het ondertekenen van de bereidverklaring en afleggen van de verklaring van verbondenheid is niet van toepassing op de (mede)optant die opteert op grond van de overgangsregeling gegeven in [artikel II, eerste lid, onder a, b of c van Stb. 2008, 270](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) en op zijn kind dat in die optie deelt.
### paragraaf 2.2.4.2. Waarheidsverklaring
Verder dient de optant een zogenaamde waarheidsverklaring te ondertekenen ([artikel 6, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in de optieverklaring (zie modellen 1.1 tot en met 1.13), verklaart de verzoeker dat hij de gevraagde gegevens, betreffende zichzelf en de in de optieverklaring genoemde personen naar waarheid heeft verstrekt en geen relevant gegeven heeft verzwegen.
### Paragraaf 2.2.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
Enkele optanten zijn niet verplicht de verklaring verblijf en gedrag te ondertekenen.
### Paragraaf 2.2.4.3.1. Bereidheidsverklaring afstand
Voor optanten van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) (tenzij de optant meerderjarig is), artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d en k t/m o, RWN (tenzij de optant 16 jaar of ouder is) en [artikel II RRWN (2008)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) (tenzij de optant meerderjarig is) geldt geen openbare orde toets. [Model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) hoeft door deze optanten daarom niet ondertekend te worden. Model 1.14 moet wel ondertekend worden door de meerderjarige optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder b en c, RWN en van art. II RRWN (2008). De optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder d en k t/m o RWN die 16 jaar of ouder is, moet model 1.14 ook ondertekenen. Zodra één van beide eisen geldt, moet model 1.14 ondertekend worden.
### Paragraaf 2.2.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
Uitzonderingen daargelaten (bijvoorbeeld in geval van op goede gronden gerezen twijfel), wordt van overlegging van documenten afgezien als deze al eerder zijn overgelegd en verwerkt in de BRP of in een akte van de burgerlijke stand in Nederland. Hierbij geldt dat de verwerking van gegevens in de BRP/burgerlijke stand moet hebben plaatsgevonden op basis van, als nodig, gelegaliseerde documenten.
### 6a-6. Toelichting ad [artikel 6a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die opteert voor het Nederlanderschap, moet deze vreemdeling nationaliteit- en identiteitvaststellende documenten overleggen (zie onder meer [artikel 6 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6) en [paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.1&z=2016-04-01&g=2016-04-01) en [2.2.5.3 bij artikel 6, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.3&z=2016-04-01&g=2016-04-01)). Dit geldt ook voor de vreemdeling aan wie een regulier verblijfsrecht is verstrekt, waarbij hij, al dan niet ambtshalve, is vrijgesteld van het ‘paspoortvereiste’. De vreemdeling met een verblijfsvergunning regulier die is vrijgesteld van het paspoortvereiste, kan, als hij verkrijging van het Nederlanderschap door optie beoogt, ruimschoots voorafgaand aan het starten van de optieprocedure zorg dragen voor verkrijging van de daarvoor noodzakelijke bewijsstukken; waarmee een geldig nationaal paspoort en een (als nodig: gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte zijn bedoeld.
### Paragraaf 2.2.5.6. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten
Is de optant houder van een regulier verblijfsrecht (dit is alles dat niet een verblijfsrecht asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd is) dan moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument worden overgelegd, tenzij de verzoeker met ‘staatloos’ in de BRP is ingeschreven. Dit geldt ook voor de houder van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht door de IND is vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort).
### Paragraaf 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument
Het komt voor dat optanten stellen niet van de eigen autoriteiten een geldig paspoort te krijgen omdat zij in het herkomstland de militaire dienstplicht (nog) moeten vervullen. Omdat een betrokkene in verzuim is met het tijdig vervullen van de dienstplicht geven de desbetreffende autoriteiten geen (nieuw) paspoort meer af, ondanks het feit dat betrokkene (nog) wel de nationaliteit van dat land heeft. Dat een vreemdeling door zijn autoriteiten wordt opgeroepen om dienstplicht te vervullen, is een aanwijzing dat hij in het bezit is van de door hem gestelde vreemde nationaliteit. De eis om een geldig buitenlands paspoort te overleggen, vervalt daarom als betrokkene een schriftelijke oproep voor de militaire dienstplicht overlegt, die op de dag van het afleggen van de optieverklaring niet ouder is dan een jaar.
### paragraaf 2.2.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)
Met ingang van 26 oktober 2015 hoeven minderjarigen die zijn geboren in Nederland of elders in het Koninkrijk, geen geldig buitenlands reisdocument over te leggen in de optieprocedure als zij tegelijkertijd met de ouder(s) opteren (op grond van artikel 6, lid 8 RWN), en mits de ouder(s) met betrekking tot zichzelf beschikt(ken) over een geldig buitenlands paspoort en een gelegaliseerde/geapostilleerde geboorteakte. Hetzelfde geldt voor minderjarigen die zijn geboren in een land waarop het Apostilleverdrag van toepassing is (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Indien de minderjarige wel in het bezit is van een geldig buitenlands paspoort dan is er geen bezwaar om dit aan het optiedossier toe te voegen.
### paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond
Kunnen de hiervoor bedoelde verklaringen/afschriften/uittreksels als brondocument voor de BRP worden geaccepteerd, dan worden deze documenten ook voor optie aanvaard. In den regel zullen de gegevens die in de optieverklaring en de beslissing daarop worden opgenomen, conform de inschrijving in de BRP zijn. Wordt tijdens de optieprocedure een document overgelegd waaruit blijkt dat de aanvankelijke inschrijving in de BRP aanpassing behoeft, dan wordt hiervoor, zo mogelijk, zorg gedragen alvorens de bevestiging of weigering van de bevestiging wordt afgegeven.
### Paragraaf 2.2.5.6. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten
Voor zowel het verkrijgen van documenten als de vertalingen en eventuele legalisatie/apostillering van stukken, dient betrokkene zelf zorg te dragen. Indien de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dient verzoeker zorg te dragen voor een door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling, die gehecht moet zijn aan het originele (afschrift van het) document. De circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen, alsmede de toepassing van DNA-onderzoek van 21 december 2015 is van toepassing.
### paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
Inzake een buitenlands paspoort wordt bewijsnood aangenomen als:
### paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring
Een Vietnamese wil Nederlander worden, maar heeft geen Vietnamees paspoort en geen geboorteakte. Zij vraagt bij de Vietnamese ambassade een paspoort en geboorteakte aan. Zij krijgt twee verklaringen dat deze documenten niet kunnen worden gegeven. In de verklaringen staat als reden: ‘after you left the locality without declaration, therefore we did not have any record’. Dit betekent dat de autoriteiten geen registratie meer hebben van betrokkene, omdat zij zich niet heeft afgemeld toen zij wegging uit Vietnam. Daarnaast is bekend dat Vietnamezen die langer dan twee jaar in het buitenland wonen, verwijderd worden uit de HuKau. Vietnamezen die niet meer in de HuKau staan, kunnen alleen documenten krijgen als zij eerst opnieuw zijn geregistreerd. Dit kan alleen als zij zelf naar Vietnam gaan.
### paragraaf 2.4.2.3. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
De optant heeft zich gewend tot de ambassade van het land waarvan hij onderdaan is. Hij heeft daar verzocht in het bezit te worden gesteld van een geboorteakte teneinde zijn identiteit aan te kunnen tonen bij zijn optieverklaring. Van de ambassade heeft betrokkene een brief ontvangen waarin is opgenomen dat hij door de ambassade niet in het bezit kan worden gesteld van de geboorteakte, aangezien deze enkel door de bevoegde instanties in het land van herkomst kunnen worden afgegeven, met een verwijzing naar de afgevende instantie. Naar aanleiding van deze brief heeft de optant geen actie ondernomen, maar legt hij de brief bij de gemeente over als zijnde een bewijsstuk van bewijsnood. In dit geval is géén sprake van bewijsnood omdat de geboorteakte in beginsel kan worden geleverd, de buitenlandse overheid functioneert voor de afgifte ervan. Daarnaast heeft betrokkene zich niet tot de juiste instantie gericht.
### 6a-2-b. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Betrokkene heeft in 2007 samen met zijn ouders regulier verblijfsrecht gekregen, waarbij sprake was van vrijstelling van het ‘paspoortvereiste’. Inmiddels is hij 23 jaar en wil graag naturaliseren. Zijn ouders zijn afkomstig uit Irak. Betrokkene is geboren in een Iraaks vluchtelingenkamp. Geboorten werden volgens betrokkene niet geregistreerd in de plaats waar het vluchtelingenkamp stond en evenmin in het kamp zelf. Als hetgeen wordt gesteld door betrokkene inderdaad zo is, is bij de geboorteakte/bewijsstuk van de geboorteregistratie sprake van bewijsnood, want het gevraagde document is nooit opgemaakt.
### paragraaf 2.7. Archivering
Met ingang van 26 oktober 2015 zijn etnisch Armenen die geboren zijn in Azerbeidzjan, vrijgesteld van het overleggen van een geboorteakte uit Azerbeidzjan alsook van een Azerbeidzjaans paspoort (Kamerstuk 19 637, nr. 2072). Van etnisch Armenen uit Azerbeidzjan wordt aangenomen dat zijn in bewijsnood verkeren nu de Azerbeidzjaanse autoriteiten het (juridische) bezit van de Azerbeidzjaanse nationaliteit in het algemeen niet erkennen als het een etnisch Armeen betreft.
### paragraaf 2.8. Weigering bevestiging
In principe wordt geen bewijsnood aangenomen indien gebleken is dat sprake is van één van de onderstaande omstandigheden:
### Paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
Op grond van [artikel 7, eerste tot en met derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=7) neemt de burgemeester in Europees Nederland uitsluitend optieverklaringen in ontvangst van de volgende personen:
### paragraaf 2.7. Archivering
Deze personen zijn vreemdelingen die vanwege hun bijzondere status niet als ingezetene in de BRP zijn ingeschreven, maar wel hun hoofdverblijf hebben in die gemeente. Zij kunnen de optieverklaring afleggen bij de burgemeester van hun hoofdverblijf. Dit gaat dan in het bijzonder om personen die lid zijn van diplomatieke zendingen of consulaire posten of tot het administratieve of technische personeel behoren, en hun gezinsleden. Ook voor militairen van buitenlandse bases geldt dat zij niet als ingezetene in de BRP worden ingeschreven. Daarnaast kunnen er nog andere, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, categorieën vreemdelingen zijn, die op dezelfde wijze worden behandeld. Al deze vreemdelingen moeten hun optieverklaring afleggen bij de burgemeester van de plaats van hun hoofdverblijf. Overigens zal de eis van toelating die voor de meeste opties geldt, meestal in de weg staan aan de bevestiging van een optieverklaring afgelegd door een persoon als bedoeld in [artikel 7, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=7). Een bevestiging is wel mogelijk bij opties op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) en [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) (2008).1RRWN van 27 juni 2008, Stb. 270. Zie voor de inhoud van deze optieregeling ook de toelichting op artikel 6, eerste lid onder c, RWN, sub 6.
### Paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester
Dit gaat om de hoofdregel: optieverklaringen moeten worden afgelegd bij de burgemeester van de gemeente waar de optant in de BRP als ingezetene is ingeschreven. Het feit dat de optieverklaring ook kan zien op minderjarige kinderen die in de optieverklaring delen en hun hoofdverblijf niet in die gemeente hebben, doet daar niet aan af. Bij een zelfstandige optieverklaring ten behoeve van een minderjarige, is de burgemeester van de gemeente van inschrijving van de minderjarige bevoegd. Dit geldt ook als de wettelijk vertegenwoordiger als ingezetene in een andere gemeente in de BRP is ingeschreven.
### paragraaf 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging
Nadat de optiegelden zijn betaald of de burgemeester heeft vastgesteld dat geen betaling is verschuldigd, en de burgemeester heeft vastgesteld dat de verklaring volledig is, toetst hij de door de optant verstrekte gegevens. Hij toetst aan de gegevens die in de BRP zijn opgenomen ([artikel 9, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)). Zijn in de optieverklaring personen genoemd die in andere basisadministraties zijn ingeschreven (kinderen voor wie medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt verzocht), dan verzoekt hij de burgemeester van de betreffende gemeente om binnen vier weken (of in voorkomend geval de gezaghebber van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao of Sint Maarten om binnen tien weken) de door de optant verstrekte gegevens te toetsen (artikel 9, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting in de betreffende Handleiding.
### paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
Indien een aspirant-optant, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die verklaring (model 1.36) niet heeft ingevuld en ondertekend of indien een aspirant-optant heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en betrokkene desondanks toch in zijn optie persisteert, weigert de burgemeester de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen (zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.8&z=2016-07-01&g=2016-07-01)**Weigering bevestiging**).’.
### Paragraaf 2.4.2.2. Verblijfsrechtelijke status optant
Dit onderzoek wordt verricht aan de hand van de door of namens de optant verstrekte gegevens, door de burgemeester opgevraagde uittreksels uit het register van de Justitiële documentatiedienst (JDD) en gegevens van de korpschef (NSIS, OPS, HKD). Op het moment van de bevestiging van de optieverklaring geldt dat uittreksels van de JDD niet ouder mogen zijn dan zes maanden (zie de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
### paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
Dit onderzoek wordt verricht aan de hand van de door of namens de optant verstrekte gegevens, door de burgemeester opgevraagde uittreksels uit het register van de Justitiële documentatiedienst (JDD) en gegevens van de korpschef (NSIS, OPS, HKD). Op het moment van de bevestiging van de optieverklaring geldt dat uittreksels van de JDD niet ouder mogen zijn dan zes maanden (zie de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
### paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure
De burgemeester bevordert dat de verkrijging van het Nederlanderschap, eventueel vastgestelde namen en het eventuele verlies van de oorspronkelijke nationaliteit in de BRP worden verwerkt.
### Paragraaf 2.6. Administratieve verwerking van de bevestiging
De burgemeester zendt de volgende stukken in kopie (conform origineel) aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Klantdirectie Naturalisatie, Unit Nationaliteit en Naturalisatie, Postbus 285, 7600 AG te Almelo:
### paragraaf 2.5. Bevestiging
Als van toepassing moet een uitwisselingsformulier betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit ([model 1.35 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) worden opgemaakt en worden verzonden naar het land van herkomst. Dit is, op grond van de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verkrijging van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal.
### Paragraaf 2.6. Administratieve verwerking van de bevestiging
Let op! Als de persoon in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel wordt geen uitwisselingsformulier opgemaakt.
### paragraaf 2.7. Archivering
Als de optant de IND een bewijsstuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij afstand heeft gedaan van de andere nationaliteit(en), dan zendt de IND een kopie (conform origineel) hiervan aan de autoriteit die de optieverklaring heeft bevestigd. De autoriteit moet vervolgens het verlies van de oorspronkelijke nationaliteit verwerken in de basisregistratie personen (BRP).
### paragraaf 2.9. Bezwaar
Mocht de optant inmiddels zijn verhuisd naar een andere gemeente in Nederland, dan zendt de IND dan wel de autoriteit die de afstandsverklaring heeft ontvangen (dit zal meestal de autoriteit zijn die de optieverklaring heeft bevestigd) een kopie (conform origineel) van de afstandsverklaring aan de autoriteit van de plaats waar de optant volgens de BRP op dat moment als ingezetene is ingeschreven, waarna vervolgens door die laatstgenoemde autoriteit het verlies van de andere nationaliteit(en) in de BRP wordt verwerkt.
### paragraaf 2.7. Archivering
Als de optant aan de autoriteit die de optieverklaring heeft bevestigd een bewijsstuk overlegt waaruit blijkt dat hij afstand heeft gedaan van de andere nationaliteit(en), dan zendt de autoriteit een kopie (conform origineel) hiervan aan de IND. Vervolgens controleert de IND of de optant het juiste document heeft overgelegd en of het document aan alle eisen voldoet.
### paragraaf 2.8.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant
Indien de burgemeester concludeert dat de verkrijging van het Nederlanderschap wel bevestigd dient te worden ten aanzien van de optant maar niet ten aanzien van de medeverkrijging van een kind die in de optieverklaring is genoemd, bevestigt hij de verkrijging ten aanzien van de optant en weigert hij medeverkrijging voor het kind (in de bevestiging worden de personalia van dat kind niet opgenomen). Hetzelfde geldt in het geval dat het minderjarige kind in de optieverklaring van zowel zijn vader als zijn moeder is opgenomen en zowel zijn vader als moeder verkrijgen door bevestiging het Nederlanderschap. De medeverkrijging zal separaat schriftelijk door de burgemeester worden geweigerd. De schriftelijke weigering van de burgemeester is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen op de gebruikelijke wijze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
### paragraaf 2.9. Bezwaar
Indien de burgemeester concludeert dat de optieverklaring niet kan leiden tot bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap, omdat niet aan de voorwaarden wordt voldaan, weigert hij deze schriftelijk. Dit is een beschikking in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Zonodig stelt de burgemeester met toepassing van [artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) belanghebbenden in de gelegenheid om een zienswijze kenbaar te maken voordat hij het besluit neemt (bijvoorbeeld als de opgevraagde antecedentgegevens afwijken van de gegevens op de verklaring omtrent verblijfsstatus en/of gedrag). Het besluit vermeldt de gronden van de weigering, en vermeldt dat de optant dan wel –indien van toepassing –zijn wettelijk vertegenwoordiger, binnen zes weken na ontvangst van het besluit bij de burgemeester een bezwaarschrift kan indienen. Een weigering van de bevestiging ten aanzien van de optant houdt tevens een weigering in ten aanzien van de in de verklaring genoemde personen. De beslissing wordt in persoon aan de optant of wettelijk vertegenwoordiger uitgereikt of per aangetekende post naar het laatst bekende adres van de optant, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde verzonden.
### paragraaf 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging
Ad c: van overmacht zal niet vaak sprake zijn. Het gaat in ieder geval om een onmogelijkheid om te beslissen die wordt veroorzaakt door abnormale en onvoorziene omstandigheden die buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen: bij bijvoorbeeld brand, overstromingen of in geval van oorlog.
### paragraaf 2.10. (Hoger) beroep
Als overmacht wordt in ieder geval niet aangemerkt:
### paragraaf 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond
Indien door de burgemeester wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant bekendgemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 2.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.7&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
### paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond
De eis tot afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt alleen voor optieverklaringen die worden afgelegd op of na 1 maart 2009. Vanaf 1 maart 2009 moeten de meeste optanten bij het afleggen van de optieverklaring ook een bereidverklaring tekenen. Deze optanten moeten bij de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Daarom wordt vanaf 1 maart 2009 onderscheid gemaakt tussen de optant die alleen verplicht is te verschijnen op een naturalisatieceremonie en de optant die bovendien een verklaring van verbondenheid moet afleggen. De burgemeester kan ervoor kiezen beide groepen op een aparte naturalisatieceremonie uit te nodigen of kan de groep die daartoe niet verplicht is, vragen de verklaring van verbondenheid vrijwillig af te leggen. De ceremonie-uitvoerende instanties hebben hierin vrijheid om naar eigen behoefte vorm te geven aan de invulling hiervan. Voorop staat wel dat degene die niet een wettelijke plicht heeft de verklaring van verbondenheid af te leggen, daartoe niet gedwongen kan worden.
### paragraaf 2.12.1. De oproeping
De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, blijft verantwoordelijk voor de verdere afhandeling ervan. Ook indien de optant tijdens de procedure zijn hoofdverblijf verlegt naar een andere gemeente of buiten Nederland is uitsluitend hij bevoegd tot de bevestiging/weigering van de verkrijging van het Nederlanderschap. Heeft de optant ná de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant daarvan in kennis stellen. (Zie ook [paragraaf 2.12.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.2&z=2017-03-01&g=2017-03-01))
### paragraaf 2.12. Naturalisatieceremonie
**De oproeping vindt plaats tijdig voor de uitreiking (artikel 60a, tweede lid BVVN).**
### paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
Is een jaar na de dag van ondertekening van de optiebevestiging verstreken zonder dat de optant (op een naturalisatieceremonie) is verschenen en derhalve de bevestiging niet aan hem is bekendgemaakt, dan vervalt de optiebevestiging ([artikel 60a, elfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). De vervaltermijn van één jaar is opgeschort indien sprake is van bezwaar- en beroep tegen het besluit inzake de wijze van bekendmaking van de optiebevestiging en/of de wijze van aflegging van de verklaring van verbondenheid. Om te voorkomen dat het besluit zou vervallen is bepaald dat de termijn van één jaar door het instellen van bezwaar of beroep wordt opgeschort totdat op het bezwaar dan wel het beroep onherroepelijk is beslist. De vervaltermijn van één jaar wordt stopgezet op het moment dat de burgemeester of de rechtbank het bezwaar- dan wel beroepschrift heeft ontvangen en gaat weer lopen op het moment dat de beslissing van de burgemeester of de rechtbank onherroepelijk is geworden en er dus geen rechtsmiddelen meer open staan. De termijn loopt dus na de beslissing in bezwaar of beroep verder en vangt niet opnieuw aan. Onder beroep wordt mede hoger beroep begrepen ([artikel 60a, elfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)).
### paragraaf 2.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
De verklaring van verbondenheid wordt besloten met het uitspreken van de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’. De keuze is aan de optant. De tekst van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan **niet** worden afgeweken.
### 6a-2-c. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Omdat de optiebevestiging zowel de optant als de minderjarigen die met hem het Nederlanderschap verkrijgen betreft, kan de bevestiging niet worden uitgereikt indien één van de opgeroepen personen die de verklaring van verbondenheid moet afleggen niet verschijnt. De uitreiking van de optiebevestiging wordt in dat geval aangehouden11Zie artikel 60a, derde lid, BVVN.. Alle betrokkenen worden opnieuw uitgenodigd voor een volgende naturalisatieceremonie en bij die naturalisatieceremonie kunnen de in de optiebevestiging genoemde personen alsnog de verklaring van verbondenheid afleggen12Zie tevens paragrafen 2.12.1 en 2.12.2 van paragraaf ‘Toelichting ad artikel 6, derde lid, RWN.. Zo nodig wordt de uitnodiging nog eenmaal, dit maal bij aangetekende brief, herhaald (artikel 60a, tiende lid, BVVN). Indien de (hoofd)optant na herhaalde oproepen niet op een naturalisatieceremonie is verschenen (en dus niet de verklaring van verbondenheid heeft afgelegd), vervalt de optiebevestiging een jaar na dagtekening ervan13Zie artikel 60a, elfde lid, BVVN..
### paragraaf 2.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
Het niet uitreiken is geen besluit in de zin van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Bezwaar of beroep staat dan ook niet open. De verklaring van verbondenheid is immers een wettelijke voorwaarde voor de uitreiking van het besluit en om Nederlander te kunnen worden door optie.
### paragraaf 2.12.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
Hetzelfde geldt wanneer een medeoptant van zestien of zeventien jaar, die wettelijk verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, niet op de naturalisatieceremonie is verschenen om daar de verklaring van verbondenheid af te leggen. Ook in dit geval wordt de uitreiking aangehouden14Zie artikel 60a, derde lid, BVVN.. Indien de medeoptant binnen één jaar na ondertekening van de optiebevestiging nog altijd niet op een naturalisatieceremonie is verschenen (en dus niet de verklaring van verbondenheid heeft afgelegd) vervalt de optiebevestiging een jaar na dagtekening ervan15Zie artikel 60a, elfde lid, BVVN.. Dit geldt ook voor alle andere in de optiebevestiging genoemde personen.
### 6-6. Toelichting ad [artikel 6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Uitgangspunt van de regelgeving is dat de optant zoveel mogelijk op een naturalisatieceremonie verschijnt. Dit betekent dat het de burgemeester vrij staat, op verzoek van de betrokkene zelf, in overleg met hem een andere datum te bepalen waarop een ceremonie wordt gehouden en hij toch kan verschijnen. Daarbij is het overigens wel van belang dat de duur van de periode die ligt tussen de bevestiging en de uitreiking daarvan, zo beperkt mogelijk blijft, in ieder geval niet langer dan een jaar.
### paragraaf 2.12.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
Om te bevorderen dat de minister ervan op de hoogte is dat een persoon op grond van een bevestigde optieverklaring het Nederlanderschap heeft verkregen, stuurt de burgemeester die de bevestiging heeft uitgereikt of anderszins heeft bekendgemaakt, aan de minister een bericht van de bekendmaking ([artikel 60a, negende lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). (Zie ook paragraaf 2.6). Met het oog op het correct bijhouden van het nationaliteitenregister ([artikel 12, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12)) zal bij iedere optiebevestiging van op of na 1 oktober 2006 moeten zijn vermeld op welke datum deze optiebevestiging is uitgereikt of anderszins is bekendgemaakt. Immers, het Nederlanderschap zal pas op die datum van uitreiking of bekendmaking zijn ingegaan. Terugmelding kan in dit geval plaatsvinden door middel van het toesturen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van een (gewaarmerkte) kopie van de optiebevestiging, voorzien van een uitreikingsdatum en een gemeente- of dienststempel.
### 6-8. Toelichting ad [artikel 6, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen aan de burgemeester van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van de optiebevestiging worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze, hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending van de optiebevestiging aan de optant.
### paragraaf 2.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
Indien de optant verplicht is om na de totstandkoming van de optie het mogelijke te zullen doen om zijn andere nationaliteit(en) te verliezen, stuurt de autoriteit na uitreiking van de optiebevestiging het optiedossier naar de Minister van Justitie (IND) om de afstandsprocedure uit te voeren.
### paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
Optanten worden door de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) impliciet geacht ingeburgerd te zijn; daarom stelt de wet niet expliciet aan hen een aanvullend inburgeringsvereiste. Wel mag van een optant des te meer worden verwacht dat zijn persoonlijke situatie in overeenstemming is met de Nederlandse openbare orde. Op het moment dat hij het Nederlanderschap verkrijgt, is de Nederlandse rechtssfeer volledig op hem van toepassing. Daarmee komt een einde aan de noodzaak van erkenning van een huwelijk dat naar Nederlands recht niet zou bestaan. Het is in strijd met de openbare orde om met meer dan één persoon door het huwelijk verbonden te zijn. Iemand die met meer dan één persoon door het huwelijk verbonden is, kan derhalve het Nederlanderschap niet verkrijgen. Er is dan sprake van gevaar voor de civielrechtelijke openbare orde.
### paragraaf 1. Algemeen
[Artikel 10:58 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=58) geeft onder meer aan dat een in het buitenland uitgesproken verstoting in Nederland slechts dan als rechtsgeldige ontbinding van het huwelijk wordt aangemerkt, dus: eerst dan naar Nederlands recht kan worden erkend, als de verstoting onherroepelijk is. Bovendien moet de vrouw met de verstoting (uitdrukkelijk of stilzwijgend) hebben ingestemd of zich bij de verstoting hebben neergelegd. Dit kan blijken uit bijvoorbeeld een bewijs van verstotingshandeling (waaruit de instemming van de vrouw kan worden afgeleid), een bewijs van instemming of berusting, een bewijs dat de ex-echtgenote is hertrouwd of een huwelijksakte van de man betreffende een huwelijk gesloten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand in Nederland. Als bewijs dat een polygaam huwelijk niet meer in stand is, kan ook de overlijdensakte van de verstoten vrouw worden overgelegd. Verstotingen van vóór de inwerkingtreding van de [Wet conflictenrecht echtscheiding](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003384) worden analoog behandeld.
### 6-9. Toelichting ad [artikel 6, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Bij de behandeling van een optieverklaring kunnen moeilijkheden worden ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren van de BRP van buitenlandse verstotingsakten. Het blijkt namelijk dat bij de inschrijving in de toenmalige gemeentelijke basisadministratie (GBA) van eenzijdige verstotingen van vóór 10 april 1981 (inwerkingtreding van de tot 1 januari 2012 geldende [WCE](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003384)) veelal is nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd dan wel zich daarbij heeft neergelegd. De omstandigheid dat een verstoting van vóór 10 april 1981 in de BRP staat ingeschreven als ontbinding van een huwelijk levert dan ook geen bewijs op dat de verstoting rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren na inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo’n lange tijd nog een bewijs van de berusting van de vrouw te verkrijgen. De burgemeester moet steeds de geldigheid van een eenzijdige verstoting aan de hand van de door het IPR gestelde criteria toetsen. Daartoe worden hier enige richtlijnen gegeven.
### 6-6. Toelichting ad [artikel 6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
De hierboven gegeven criteria zijn uiteraard vatbaar voor rechterlijke toetsing. De hierboven genoemde lijst van omstandigheden, waaruit de instemming of de berusting blijkt, is niet limitatief. Er kunnen andere feitelijke omstandigheden zijn die er mede op wijzen dat de vrouw zich bij de verstoting heeft neergelegd.
### 6a-1. Toelichting ad [artikel 6a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Als vóór het afleggen van de optieverklaring al duidelijk is dat de optant (bijvoorbeeld wegens een openstaande strafzaak of recente sanctie) niet voor optie in aanmerking komt, moet hij er op worden gewezen dat de optie waarschijnlijk zal worden geweigerd en dat hij beter kan wachten met het afleggen van de optieverklaring totdat hij wel voor optie in aanmerking komt. Als hij er desalniettemin op staat de optieverklaring af te leggen, moet de optie wel in behandeling worden genomen. De burgemeester onderzoekt vervolgens de strafrechtelijke gegevens van de optant. Het is raadzaam om de optant een eigen risico verklaring te laten ondertekenen.
### 6-5. Toelichting ad [artikel 6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
**Zij beslist binnen dertien weken na de inontvangstneming van de verklaring; deze termijn kan éénmaal met ten hoogste dertien weken worden verlengd.**
### paragraaf 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10 en 11, vierde lid, RWN)
De beslistermijn van een optieverklaring eindigt in het geval van een positieve beslissing op het moment dat de optant de bekendmaking in ontvangst heeft genomen (in beginsel) op een naturalisatieceremonie.
### 6-5. Toelichting ad [artikel 6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Ad b: de wet schrijft een schriftelijke instemming voor. In het dossier moet dus een stuk voorkomen waaruit blijkt dat de optant schriftelijk heeft ingestemd met uitstel van de beslistermijn.
### 6a-2-a. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Ad d: van overmacht zal niet vaak sprake zijn. Het gaat in ieder geval om een onmogelijkheid om te beslissen die wordt veroorzaakt door abnormale en onvoorziene omstandigheden die buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen: bij bijvoorbeeld brand, overstromingen of in geval van oorlog.
### 6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
Ad b: de wet schrijft een schriftelijke instemming voor. In het dossier moet dus een stuk voorkomen waaruit blijkt dat de optant schriftelijk heeft ingestemd met uitstel van de beslistermijn.
### paragraaf 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10 en 11, vierde lid, RWN)
“De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door een vreemdeling brengt geen wijziging in diens geslachtsnaam en voornamen, behoudens [artikel 25, onder b, van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=25) en de [artikelen 6 lid 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [12 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12).”
### 6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
Dus, bij verkrijging van het Nederlanderschap door optie is in principe geen sprake van wijziging van de namen, tenzij:
### 6a-2-a. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Vaststelling van de naam of de spelling daarvan vindt uitsluitend in twee gevallen plaats:
### 6a-4. Toelichting ad [artikel 6a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Is bij de optie een akte van naamskeuze opgemaakt (vergelijk de toelichting bij [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), onder ‘Naamskeuze voor/door de optant’) en behoeft de bij de optie gekozen naam nog aanpassing (vaststelling spelling en/of overbrenging in de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens), dan moet dat in een verzoek om naamsvaststelling en in de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap tot uitdrukking worden gebracht.
### 6a-5. Toelichting ad [artikel 6a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Dus:
### 6-8. Toelichting ad [artikel 6, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Wet BRP: [artikel 2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15) en [3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=3.6)
### Artikel 7
Let op! De verwijzing naar [artikel 6, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) in de hierboven opgenomen wettekst is niet juist. Hier wordt het derde lid bedoeld. In de [wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) is dit onjuist geredigeerd.
### Paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase
**Gronden om geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit te vragen of te hoeven doen.**
### 7-alg. Toelichting algemeen
Momenteel zijn naast Nederland geen andere landen aangesloten bij het Tweede Protocol. Dit betekent dat momenteel geen vreemdeling onder de bepaling valt.
### 6a-2-a. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Personen die afstand moeten doen en die na de optiebevestiging huwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) met een Nederlander aangaan, kunnen niet met succes een beroep doen op deze uitzondering. Huwen ze vóór de optiebevestiging (maar na het afleggen van de optieverklaring), dan kan alsnog met succes een beroep op deze uitzondering worden voldaan.
### 6a-4. Toelichting ad [artikel 6a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
**Het eerste lid is niet van toepassing op de optant die in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba erkend is als vluchteling.**
### 6a-3. Toelichting ad [artikel 6a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
De optiebevestiging van een optieverklaring geschiedt door de bevoegde autoriteit.
### Artikel 7
Als Onze Minister aan de autoriteit adviseert het beroep op het redelijkerwijs niet kunnen verlangen om afstand te doen, af te wijzen, dan moet de optant in de gelegenheid worden gesteld om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen in die zin dat hij bereid is om afstand te doen (zie [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [paragraaf 2.2.4.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.4¶graaf=2.2.4.3¶graaf=2.2.4.3.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)). Als de optant niet bereid is de bereidheidsverklaring te ondertekenen, dan kan de optieverklaring niet worden bevestigd. Ondertekent de optant wel de bereidheidsverklaring, dan kan de optie, als de optant ook voldoet aan de overige voorwaarden, bevestigd worden. Bij het verzoek aan de optant om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen kan het advies van Onze Minister worden meegestuurd.
### Artikel 7
De autoriteit besluit niet eerder dan na de ontvangst van het advies van Onze Minister schriftelijk op de verkrijging van het Nederlanderschap. Het advies is niet bindend, omdat een advies namelijk nooit bindend is; want dat is de aard van een advies namelijk niet. Als de autoriteit afwijkt van het advies van Onze Minister, dan moet de autoriteit wel gemotiveerd in de optiebevestiging of optieweigering aangeven waarom hij afwijkt van het advies van Onze Minister ([artikel 3:50 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:50)). Als de autoriteit het advies van Onze Minister overneemt in haar besluit, dan kan zij ter motivering van dit besluit volstaan met een verwijzing naar het advies ([artikel 3:49 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:49)). Het advies moet dan worden meegezonden aan de optant.
### 6a-6. Toelichting ad [artikel 6a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Let op! In het wetsartikel wordt nu verwezen naar de beslistermijn als bedoeld in [artikel 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Hier wordt echter het vijfde lid bedoeld. In de wet is dit onjuist geredigeerd.
### Artikel 7
[Artikel VII RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. [Artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vereist dat minderjarige kinderen sinds het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede -indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt -dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen moesten daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) wordt beslist, voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hadden ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.
### paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker
Voor wat betreft de **voorwaarden**voor verlening van het Nederlanderschap, zie de toelichting bij artikel 8 RWN, artikel 9, eerste lid, RWN en artikel 11, RWN.
### Paragraaf 3.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
In voorkomende gevallen kan de burgemeester verlangen dat de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder hem ontvangt om in persoon de voor de besluitvorming benodigde gegevens in ontvangst te nemen.
### paragraaf 3.2.5. Gemachtigde
In voorkomende gevallen kan de burgemeester verlangen dat de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder hem ontvangt om in persoon de voor de besluitvorming benodigde gegevens in ontvangst te nemen.
### paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek
Op grond van [artikel 31, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) verstrekt de verzoeker bij de indiening van het verzoek, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn:
### paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek
Uit het afschrift uit de BRP blijkt onder andere of er sprake is van een huwelijk, een in Nederland geregistreerd partnerschap of een buiten Nederland erkend geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1).
### Paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring
In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn om nadere gegevens en bewijsstukken te vragen (vergelijk ook [artikel 31, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)). Te denken valt bijvoorbeeld aan:
### paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen
**Schema wel/niet verplicht bereidverklaring en verklaring van verbondenheid**
### paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen
Iedere verzoeker om (mede)naturalisatie van 16 jaar of ouder moet door middel van de verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en, als er ook een verzoek om medeverlening voor een kind van onder de 16 jaar wordt ingediend, ook over dit kind de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 31, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)), of hij al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie en of hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Als de verzoeker in deze verklaring aangeeft wel in aanraking te zijn geweest met politie en/of Justitie of dat hij met meer dan één vrouw is getrouwd, dan informeert de burgemeester de verzoeker, voordat hij de verklaring ondertekent, over de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij naturalisatie en wijst hij de verzoeker erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie. De 16 of 17-jarige voor wie medeverlening wordt verzocht, ondertekent zelf het model 2.3. waarin zijn/haar gegevens zijn ingevuld. In dat model is ruimte voor bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar mening van de ondertekenaar of ten aanzien van hem niet mag worden geconcludeerd dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=6&z=2017-03-01&g=2017-03-01) (paragraaf 6.1).
### Paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring
Het verzoek om naturalisatie moet zoveel mogelijk worden ondersteund door (bewijs)stukken. De burgemeester kan van de verzoeker verlangen dat hij gegevens bewijst door middel van documenten ([artikel 31, vijfde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)).
### Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten
De reden waarom van asielgerechtigden niet mag worden vereist een geldig paspoort te tonen is dat deze personen niet naar de overheid van hun land van herkomst mogen worden verwezen voor het overleggen van buitenlandse bewijsstukken. (Als de verzoeker toch in het bezit is van een geldig buitenlands paspoort dan is er geen bezwaar dit aan het naturalisatiedossier toe te voegen.)
### paragraaf 3.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)
Ook indien de verzoeker in het bezit is gesteld van een Nederlands reisdocument voor vreemdelingen (Vreemdelingenpaspoort), dan moet deze in principe met een geldig buitenlands reisdocument(paspoort) zijn nationaliteit aantonen (vgl. [artikel 31, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)). Een door de Nederlandse overheid verstrekt vreemdelingenpaspoort kan namelijk niet gelden als bewijs van het bezit van een vreemde nationaliteit.
### Paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens
Als de verzoeker met nationaliteit ‘onbekend’ in de BRP is opgenomen, in overeenstemming met artikel 2.15 Wet BRP of de voorganger daarvan, [artikel 43 Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=43), moet hij in beginsel een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overleggen (paragraaf 3.5.1).
### paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
Het kind dat zelfstandig een naturalisatieverzoek doet maar meerderjarig is, valt niet onder de vrijstelling (art. 11-5).
### paragraaf 3.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)
Het belang van de buitenlandse geboorteakte in de naturalisatieprocedure is onder meer dat aan de hand daarvan de namen van de verzoeker om naturalisatie blijken naar diens eigen recht, en dat daarmee kan worden bepaald of betrokkene (al) een geslachtsnaam heeft of niet. Als de verzoeker geen geslachtsnaam of voornaam heeft, of als de juiste spelling daarvan niet vaststaat, zullen deze in overleg met hem worden vastgesteld bij het besluit waarbij het Nederlanderschap wordt verleend ([art. 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)). Niet in alle landen worden geboorten met een ’akte van de burgerlijke stand’ geregistreerd. Afhankelijk van het stelsel in het land waar het over gaat, wordt dan een alternatief bewijsstuk van de geboorte gevraagd zoals een geboortebewijs uit een ziekenhuis of een inschrijving in een familieboekje.
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
Verzoeker heeft zich gewend tot de ambassade van het land waarvan hij onderdaan is. Hij heeft daar verzocht in het bezit te worden gesteld van een paspoort teneinde zijn identiteit aan te tonen bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie. Door de ambassade is verzoeker vervolgens niet in het bezit gesteld van het gevraagde paspoort. Hij heeft wel een brief ontvangen waarin is opgenomen dat hij door de ambassade niet in het bezit kan worden gesteld van het gevraagde paspoort, aangezien paspoorten en identiteitsbewijzen enkel door de bevoegde instanties in het land van herkomst kunnen worden afgegeven. Naar aanleiding van deze brief heeft verzoeker geen actie ondernomen, maar legt hij de brief bij de IND over als zijnde een bewijsstuk van bewijsnood. In dit geval is géén sprake van bewijsnood.
A = automatisch verlies
### paragraaf 3.4. Advies VWS
Onbekend = geen automatisch verlies, tot het tegendeel bewezen is
### 9-3-c. Toelichting ad [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten: de PIVA;
voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de bevolkingsregistratie.
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
### 9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op
voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de bevolkingsregistratie.
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
### Paragraaf 1. Algemeen
Inzake een buitenlands paspoort wordt bewijsnood aangenomen als:
### paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
Een Vietnamese wil Nederlander worden, maar heeft geen Vietnamees paspoort en geen geboorteakte. Zij vraagt bij de Vietnamese ambassade een paspoort en geboorteakte aan. Zij krijgt twee verklaringen dat deze documenten niet kunnen worden gegeven. In de verklaringen staat als reden: ‘after you left the locality without declaration, therefore we did not have any record’. Dit betekent dat de autoriteiten geen registratie meer hebben van betrokkene, omdat zij zich niet heeft afgemeld toen zij wegging uit Vietnam. Daarnaast is bekend dat Vietnamezen die langer dan twee jaar in het buitenland wonen, verwijderd worden uit de HuKau. Vietnamezen die niet meer in de HuKau staan, kunnen alleen documenten krijgen als zij eerst opnieuw zijn geregistreerd. Dit kan alleen als zij zelf naar Vietnam gaan.
### paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek
Bij het in ontvangstnemen van het naturalisatieverzoek beoordeelt de gemeente niet of de verzoeker daadwerkelijk etnisch Armeniër is. Bij het behandelen van het naturalisatieverzoek zal de IND aan de hand van het vreemdelingenrechtelijke dossier onderzoeken of de verzoeker etnisch Armeens is en afkomstig uit Azerbeidzjan. Het gegeven dat betrokkene uit Azerbeidzjan afkomstig is, volgt uit de BRP aan de hand van de bij betrokkene geregistreerde geboorteplaats.
### paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling
De hoofdregel: verzoeken om naturalisatie moeten worden ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de verzoeker als ingezetene is ingeschreven in de BRP. Het feit dat het verzoek om naturalisatie mede betrekking kan hebben op minderjarigen die hun hoofdverblijf hebben buiten deze gemeente, doet hier niet aan af.
### paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase
Verwacht mag worden dat passanten slechts sporadisch verzoeken om naturalisatie indienen.
### Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
Verzoeken van andere personen dan hierboven genoemd worden niet door de burgemeester in ontvangst genomen ([artikel 33, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33)). Zo mogelijk deelt de burgemeester aan de verzoeker mee bij welke andere gemeente of Nederlandse diplomatieke en consulaire post in het buitenland het verzoek **in persoon** kan worden ingediend.
### paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek
Indien van toepassing maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) na ontvangst van het terugmeldformulier een uitwisselingsformulier op, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit ([model 1.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2016-04-01&g=2016-04-01)). Dit is, ingevolge de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal.
### paragraaf 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel
De burgemeester beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld ([artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3)) of ontheven ([artikel 4 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4)) van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Is dat niet het geval, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een Certificaat Naturalisatietoets, bedoeld in [artikel 5 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) te overleggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar paragraaf 2.3 en voor ontheffing [paragraaf 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
### paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling
De burgemeester beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld ([artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3)) of ontheven ([artikel 4 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4)) van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Is dat niet het geval, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een Certificaat Naturalisatietoets, bedoeld in [artikel 5 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) te overleggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar paragraaf 2.3 en voor ontheffing [paragraaf 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.3&z=2016-07-01&g=2016-07-01).
### Paragraaf 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (vva-bep)
Alsdan toetst de burgemeester de door de verzoeker verstrekte persoonsgegevens aan de gegevens die zijn opgenomen in de BRP ([artikel 35, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=35)). Heeft het verzoek mede betrekking op personen die staan ingeschreven met een adres in een andere gemeente of kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, dan verzoekt hij de burgemeester van de betreffende gemeente om binnen vier weken (of in voorkomend geval de gezaghebber van het openbare lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao of Sint Maarten om binnen tien weken) de door verzoeker verstrekte persoonsgegevens te controleren (artikel 35, tweede lid, BVVN). De persoonsgegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie hierboven [paragraaf 3.6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.6¶graaf=3.6.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie. De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te controleren (artikel 35, vierde lid, BVVN). Ten aanzien van de zogenaamde passanten verzoekt de burgemeester, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de persoonsgegevens zo mogelijk binnen tien weken te controleren (artikel 35, derde lid, BVVN). Zie het hoofdstuk Voorlichting in de desbetreffende Handleiding voor adressering aan de betreffende autoriteiten. Voor zover mogelijk onderzoekt de burgemeester de juistheid van de persoonsgegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden gecontroleerd (artikel 35, vijfde lid, BVVN).
### paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
Vervolgens onderzoekt de burgemeester ([artikel 36 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)):
### paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase
Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt.
### paragraaf 2.1. Verblijfsvergunningen
Een beslissing tot buitenbehandelingstelling, aanhouding of afwijzing van een verzoek om naturalisatie of tot afwijzing van een verzoek om medeverlening, is een beschikking in de zin van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) (Awb). Tegen deze beslissingen kan een bezwaarschrift worden ingediend. De [hoofdstukken 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6) en [7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=7) zijn dan van toepassing. In de volgende gevallen kan bezwaar worden ingediend:
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
Het moet hier gaan om een buitenlandse instantie. Het ministerie van Buitenlandse Zaken is geen buitenlandse instantie. Als aan de Minister van Buitenlandse Zaken wordt verzocht om bijvoorbeeld een ambtsbericht, is deze opschorting niet van toepassing. Deze opschortingsgrond is wel van toepassing als de IND door tussenkomst van het ministerie van Buitenlandse Zaken informatie opvraagt aan de autoriteiten van een ander land (bijvoorbeeld verificatie van een brondocument).
### 8-1-a. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
Als overmacht wordt in ieder geval niet aangemerkt:
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Een vreemdeling die een optieverklaring aflegt verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), als cumulatief:
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
### paragraaf 2.2. Afleggen van de optieverklaring
### 6-1-o. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met een Nederlandse nationaliteit
### paragraaf 2. Procedure
### Paragraaf 1.5. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie
Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of (groot)ouders in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als moeder of vader (of grootouders) van de optant langer dan twee jaar geleden zijn overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).
### paragraaf 2.2.1.3. Kinderen van de optant
### 6-1-k. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 1.1. Verkrijging Nederlanderschap door adoptie onder de WNI
### Paragraaf 1.1. Verkrijging Nederlanderschap door adoptie onder de WNI
Altijd moet worden onderzocht dat de adoptiefmoeder niet voorafgaand aan de onherroepelijke adoptieuitspraak de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van artikel 5 (oud) WNI 1892 (vóór 1 maart 1964) of artikel 8a WNI 1892 (ná 1 maart 1964) of artikel 7 WNI 1892. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar [paragrafen 1.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=1¶graaf=1.2¶graaf=1.2.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [2.2 bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2&z=2017-03-01&g=2017-03-01). Aannemelijk moet zijn dat de van oorsprong Nederlandse adoptiefmoeder de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen en daardoor het Nederlanderschap heeft verloren. Een verklaring van de autoriteiten van het land van de nationaliteit van haar echtgenoot kan hierbij behulpzaam zijn. Soms zal voldoende zijn om het onderzoek te beperken tot het vreemde nationaliteitsrecht van de huwelijksperiode.
De optieautoriteit neemt contact op met de IND om het Nationaliteitenregister te raadplegen als een persoon is geboren op of na 1 januari 1964 om na te gaan of de optant niet eerder heeft geopteerd ex artikel 27, tweede lid (oud) RWN. Als namelijk het Nederlanderschap na deze optie is verloren, kan geen gebruik worden gemaakt van de optiemogelijkheid in onderdeel i of j en kan alleen geopteerd worden op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) (artikel 6, negende lid RWN).
### 6-2. Toelichting ad artikel 6, tweede lid
### Paragraaf 1.1. Afstamming door geboorte
### 6-1-l. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### paragraaf 2.2.1.1. Meerderjarige optant
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
Vast moet komen te staan dat de optant een (juridisch) kind is van de persoon bedoeld in onderdeel i of j. Onderdeel m gaat uit van afstamming door postnatale erkenning van een minderjarige. Deze persoon (man) heeft het kind erkend op een moment dat dat kind zeven jaar of ouder was, maar minderjarig was.
### Paragraaf 1.1. Afstamming door erkenning als minderjarige van zeven jaar of ouder
### paragraaf 2.2.4.2. Waarheidsverklaring
### 6-1-n. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 1.1. Afstamming door gerechtelijke vaststelling ouderschap
### 6-1-o. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
### 6-2. Toelichting ad artikel 6, tweede lid
**Uitzonderingen** (zie [paragraaf 2.12.4.2 uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.4¶graaf=2.12.4.2&z=2017-03-01&g=2017-03-01))
### paragraaf 1. Algemeen
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). De burgemeester die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. In dit kader wordt de optant verzocht een geldig buitenlands reisdocument32In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan. Zie bij [paragraaf 2.2.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.1&z=2016-04-01&g=2016-04-01) te overleggen. Daarnaast kan de optant worden verzocht andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte te tonen (zie hierna onder [paragrafen 2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.3&z=2016-04-01&g=2016-04-01) en [2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5&z=2016-04-01&g=2016-04-01) bij onderhavig artikellid).
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). De burgemeester die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. In dit kader wordt de optant verzocht een geldig buitenlands reisdocument32In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan. Zie bij [paragraaf 2.2.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) te overleggen. Daarnaast kan de optant worden verzocht andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte te tonen (zie hierna onder [paragrafen 2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5&z=2017-03-01&g=2017-03-01) bij onderhavig artikellid).
De minderjarige kinderen van de optant, waarvan het de bedoeling is dat zij delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door hun ouder, en die twaalf jaar of ouder zijn, worden mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de medeverkrijging (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
### paragraaf 2.2.2. Uitsluitend schriftelijk optieverklaring afleggen
Op grond van [artikel 6, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6) moet de optant bij het afleggen van de optieverklaring betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens te verstrekken met betrekking tot:
### paragraaf 2.5. Bevestiging
De duur van het hoofdverblijf zal over het algemeen uit de (historische adresgegevens in de) BRP afgeleid kunnen worden. Als dit niet mogelijk is, wordt van de optant (aanvullend) ander bewijs verlangd. Met betrekking tot in de optieverklaring genoemde minderjarige kinderen is het van belang dat uit de BRP blijkt of anderszins wordt aangetoond wat de geslachtsnaam, voornamen, plaats en datum van geboorte van de ouders van de minderjarige kinderen zijn en wie het gezag over de kinderen uitoefent. Voorts zal over het algemeen uit de BRP (moeten) blijken dat de in de optieverklaring genoemde kinderen hoofdverblijf in Nederland hebben.
Behoudens in het geval dat toelating van de optant geen voorwaarde is voor de bevestiging (zie hierboven), moet de optant zijn verblijfsrechtelijke status (onderdeel f) aantonen door het overleggen van een verblijfsdocument waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken. Toelating voor onbepaalde tijd, zoals vereist bij de optie op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), kan ook worden aangetoond door het overleggen van een verblijfsdocument waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken (zie de toelichting bij artikel 1, aanhef en onder g, RWN voor uitleg van de begrippen ‘toelating’ en ‘toelating voor onbepaalde duur’).
### paragraaf 2.2.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)
### paragraaf 2.2.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
### paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring
De vreemdeling met een verblijfsvergunning regulier die is vrijgesteld van het paspoortvereiste, kan, als hij verkrijging van het Nederlanderschap door optie beoogt, ruimschoots voorafgaand aan het starten van de optieprocedure zorg dragen voor verkrijging van de daarvoor noodzakelijke bewijsstukken; waarmee een geldig nationaal paspoort en een (zo nodig: gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte zijn bedoeld.
Ook indien de verzoeker in het bezit is gesteld van een Nederlands reisdocument voor vreemdelingen (Vreemdelingenpaspoort), dan moet deze in principe met een geldig buitenlands reisdocument(paspoort) zijn nationaliteit aantonen (vgl. [artikel 31, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)). Een door de Nederlandse overheid verstrekt vreemdelingenpaspoort kan namelijk niet gelden als bewijs van het bezit van een vreemde nationaliteit.
Voor wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten over moet leggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij paragraaf [2.2.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.4&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en paragraaf [2.2.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.5&z=2017-03-01&g=2017-03-01)):
### Paragraaf 2.4.2.2. Verblijfsrechtelijke status optant
Het komt voor dat optanten stellen niet van de eigen autoriteiten een geldig paspoort te krijgen omdat zij in het herkomstland de militaire dienstplicht (nog) moeten vervullen. Omdat een betrokkene in verzuim is met het tijdig vervullen van de dienstplicht geven de desbetreffende autoriteiten geen (nieuw) paspoort meer af, ondanks het feit dat betrokkene (nog) wel de nationaliteit van dat land heeft. Dat een vreemdeling door zijn autoriteiten wordt opgeroepen om dienstplicht te vervullen, is een aanwijzing dat hij in het bezit is van de door hem gestelde vreemde nationaliteit. De eis om een geldig buitenlands paspoort te overleggen, vervalt daarom als betrokkene een schriftelijke oproep voor de militaire dienstplicht overlegt, die op de dag van het afleggen van de optieverklaring niet ouder is dan een jaar.
### Paragraaf 2.2.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
### Paragraaf 2.2.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
### Paragraaf 2.2.5.6. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten
### paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling
Er kunnen echter omstandigheden zijn dat ondanks één van bovenstaande omstandigheden zich heeft voorgedaan, toch sprake is van bewijsnood.
### paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring
### paragraaf 2.8.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant
### paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie [paragraaf 2.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.3¶graaf=2.3.1&z=2016-07-01&g=2016-07-01)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te toetsen ([artikel 9, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
### paragraaf 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)
### paragraaf 2.4.2.4. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie
Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat aan de optievoorwaarden is voldaan, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen. Indien de minderjarige kinderen in de optieverklaringen van beide ouders zijn opgenomen en de verkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van beide ouders wordt bevestigd, worden de personalia van de minderjarige kinderen die in de verkrijging delen in de bevestiging van zowel de vader als de moeder opgenomen. De burgemeester bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert ([artikel 11, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=11)). De bevestiging wordt als regel aan de optant uitgereikt tijdens een ceremonie, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Onder uitzonderlijke omstandigheden wordt de bevestiging tijdens een ceremonie uitgereikt aan een gemachtigde van de optant dan wel – indien uitzonderlijke omstandigheden daartoe noodzaken en geen gemachtigde kan worden aangewezen door betrokkene – per post aan de optant verzonden. (Zie voor de uitreiking van de bevestiging en de uitzonderingen daarop [paragraaf 2.12.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) Indien sprake is van een (gedeeltelijke) weigering dan wordt de bevestiging uitgereikt en de gedeeltelijke weigering per aangetekende post verzonden.
### paragraaf 2.9. Bezwaar
### paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### paragraaf 2.7. Archivering
### paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
Als overmacht wordt in ieder geval niet aangemerkt:
### paragraaf 2.12.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
### paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
### paragraaf 2.10. (Hoger) beroep
### paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek
### paragraaf 2.12.1. De oproeping
### paragraaf 2.12.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
De burgemeester houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de burgemeester aan op het afschrift van de optiebevestiging dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden (zie tevens [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.4&z=2017-03-01&g=2017-03-01)**Procedurele aspecten na de terugmelding**). Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009.
### paragraaf 3.8. Voorbereiding advies
Indien de minderjarige medeoptant van zestien of zeventien jaar, die wettelijk verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen weigert om de verklaring van verbondenheid af te leggen, dan wordt de uitreiking voor alle in het besluit genoemde personen aangehouden16Zie artikel 60a, derde lid, BVVN en artikel 60a, tiende lid, BVVN.. Na herhaalde oproepen wordt de optiebevestiging vervolgens aan deze omstandigheid aangepast en zo gewijzigd dat de betreffende medeoptant niet meer in het bevestigingsbesluit wordt genoemd. Tijdens de eerstvolgende ceremonie wordt de aangepaste optiebevestiging uitgereikt aan de hoofdoptant en eventuele andere medeoptanten. De wijziging van het bevestigingsbesluit moet plaatsvinden vóór de vervaldatum van een jaar na ondertekening van de optiebevestiging (zie toelichting bij [artikel 60a, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a), stb. 2006, 250).
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid persoonlijk wordt afgelegd tijdens een naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd18Zie tevens artikel 23, tweede lid, RWN.. Van de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt alleen vrijstelling gegeven indien het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Het mondeling of schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid kan niet worden overgelaten aan een gemachtigde gezien het persoonlijke karakter van de verklaring.
### 6-4. Toelichting ad [artikel 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
**Zij weigert de bevestiging indien op grond van het gedrag van de persoon, die de verklaring betreft, ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, tenzij volkenrechtelijke verplichtingen zich daartegen verzetten.**
### 6-9. Toelichting ad [artikel 6, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
De Nederlandse openbare orde verzet zich tegen het polygaam getrouwd zijn van Nederlanders. Het rechtsbeginsel van monogamie komt onder andere tot uiting in [artikel 1:33 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=33). Dit artikel bepaalt dat een persoon slechts met één andere persoon door het huwelijk verbonden kan zijn. Het beginsel van monogamie komt ook tot uitdrukking in [artikel 10:29 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=29). Dit artikel verbiedt het voltrekken van een polygaam huwelijk in Nederland voor zowel Nederlanders als vreemdelingen. De Nederlandse openbare orde verzet zich daarmee tevens tegen het bestaan van een polygaam huwelijk van een vreemdeling op het moment waarop deze het Nederlanderschap zou verkrijgen.
### Artikel 6a
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie [toelichting op artikel 6, tweede lid RWN, paragraaf 2.2.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.5&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
**Indien een persoon op wie de verklaring betrekking heeft, geen geslachtsnaam of voornaam heeft of indien de juiste spelling daarvan niet vaststaat, wordt deze in overleg met hem vastgesteld en in de bevestiging vermeld; zijn naam wordt daarin zonodig in de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens overgebracht.**
### paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek
### paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen
### 6-9. Toelichting ad [artikel 6, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Verdragen: artikel 1 Overeenkomst van Rome inzake de wettiging door huwelijk;
### 6a-2-b. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
**Gronden om geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit te vragen of te hoeven doen.**
### 6a-2-c. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### paragraaf 1. Algemeen
### 6a-2-b. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-5. Toelichting ad [artikel 6a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
De optant die met succes een beroep wil doen op deze uitzonderingsgrond zal bij het optieverzoek dienen aan te tonen dat hij in het bezit is van een verblijfsvergunning IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd) of verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd). De reden voor deze uitzondering op de afstandsplicht is dat het onverantwoord is voor een erkende vluchteling contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden is deze categorie optanten vrijgesteld van het legalisatie-vereiste, indien optant bezwaar maakt tegen dat vereiste. De optant behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.
### 6a-2-d. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-4. Toelichting ad [artikel 6a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### paragraaf 3.2.5. Gemachtigde
### 6a-5. Toelichting ad [artikel 6a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BVVN
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
Voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie verstrekt de burgemeester informatie aan de verzoeker. Daartoe kan gebruik worden gemaakt van IND-brochures (zie hoofdstuk Voorlichting).
De burgemeester voegt bij het advies aan de IND (een) afschrift(en) uit de gemeentelijke voorziening van de BRP, waaruit -voor zoveel mogelijk -de hier bedoelde gegevens blijken. Ook van de kinderen en kindskinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, worden afschriften bijgevoegd waaruit -voor zoveel mogelijk -blijkt van de gegevens bedoeld bij a t/m e en g (wat betreft de duur van hoofdverblijf), alsmede van de geslachtsnaam, voornamen, plaats en datum van geboorte van de ouders en wie gezag over de kinderen uitoefent. Zie voor een nadere toelichting van het begrip ‘hoofdverblijf’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN en [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8).
### paragraaf 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)
### paragraaf 3.2.5. Gemachtigde
### paragraaf 3.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
### Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten
### paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)
### Paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring
### paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand
Naast het zo goed mogelijk toepassen van de nationaliteitsbepalingen vloeit uit [art. 3:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:2) voort dat het naturalisatiebesluit zo zorgvuldig mogelijk is voorbereid en genomen. Er bestaat bovendien een rechtsbelang bij het zoveel mogelijk zorgen dat naturalisatie tot Nederlander plaatsvindt op juiste persoonsgegevens en juiste nationaliteit. Mocht binnen twaalf jaar na de naturalisatie blijken dat sprake is geweest van valse verklaringen, bedrog of het verzwijgen van enig voor de verkrijging van het Nederlanderschap relevant feit dan dient te worden onderzocht of de verkrijging van het Nederlanderschap moet worden ingetrokken.
### Paragraaf 3.5.1. Buitenlands reisdocument/aantonen bezit vreemde nationaliteit
### Paragraaf 3.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
### Paragraaf 3.5.6. Bewijsnood gelegaliseerde buitenlandse documenten
Indien de minderjarige wel in het bezit is van een geldig buitenlands paspoort dan is er geen bezwaar om dit aan het naturalisatiedossier toe te voegen.
Als de overgelegde buitenlandse akten van de burgerlijke stand ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie kunnen worden geaccepteerd als brondocument voor gegevens over ingezetenen in de BRP, worden deze documenten ook aanvaard voor de verlening van het Nederlanderschap. Immers, in den regel vindt de verlening van het Nederlanderschap plaats op basis van de inschrijving als ingezetene in de BRP. Wordt echter bij de gemeente een document overgelegd waaruit blijkt dat de BRP moet worden gewijzigd, dan wordt hiervoor zo mogelijk, zorg gedragen alvorens advies aan de IND wordt uitgebracht.
### paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek
De verzoeker, niet zijnde houder van een verblijfsvergunning asiel, die zich erop beroept dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is (of waar hij geboren is), niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument en/of geboorteakte, toont dat op volgende wijze aan. De verzoeker legt een schriftelijke verklaring over van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is (of waar hij geboren is), waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de verzoeker niet in het bezit wordt gesteld van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) en/of geboorteakte.
In dit geval kan bewijsnood worden verleend omdat er verklaringen zijn van de Vietnamese overheid en er ook geen twijfel is over de identiteit van betrokkene.
### Paragraaf 3.5.6. Bewijsnood gelegaliseerde buitenlandse documenten
De verzoeker die vanwege het ontbreken van centraal gezag of door Nederland erkend centraal gezag in de verblijfsrechtelijke procedure is vrijgesteld van het ‘paspoortvereiste’. Hiertoe overlegt de verzoeker documenten waarover hij wel de beschikking heeft, bijvoorbeeld een (oud) paspoort, identiteitsbewijs, geboortebewijs en/of huwelijksakte. Conform de ‘Circulaire legalisatie en verificatie buitenlandse bewijsstukken, alsmede toepassing DNA-onderzoek in gevallen waarin bewijsstukken ontbreken’, kan niet om legalisatie en verificatie van deze documenten worden verzocht. Voor de vraag of sprake is van een land zonder (erkend) centraal gezag kan de burgemeester contact opnemen met de ketenpartnerlijn van de IND.
### Paragraaf 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht
Deze personen zijn vreemdelingen die weliswaar hun hoofdverblijf hebben in een gemeente maar die vanwege hun bijzondere status niet als ingezetene staan ingeschreven in de BRP. Dit gaat in het bijzonder om personen die deel uitmaken van diplomatieke zendingen of consulaire posten of die behoren tot het administratieve of technische personeel van die posten, en hun gezinsleden. Ook voor militairen van buitenlandse bases geldt dat zij niet als ingezetene worden ingeschreven in de BRP van hun hoofdverblijf. Daarnaast kunnen er nog andere, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, categorieën vreemdelingen zijn, die op dezelfde wijze worden behandeld. Deze vreemdelingen dienen hun verzoek om naturalisatie in bij de burgemeester van de gemeente van hun hoofdverblijf. Er zij overigens op gewezen dat in het algemeen bezwaar bestaat tegen het verblijf voor onbepaalde tijd van de hier bedoelde vreemdelingen (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN).
### paragraaf 3.13.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
De burgemeester controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het, door de burgemeester, is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
### paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets
### paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets
Wordt een bezwaarschrift gegrond verklaard, dan zijn de volgende situaties te onderscheiden:
### Bijlage 1:. tabel oproepen en uitreiken
### paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking
### paragraaf 3.11. Bezwaar
Een informatieve brief, waarin het beleid nader wordt toegelicht, is géén besluit in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Een bezwaarschrift gericht tegen een informatieve brief wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan een bezwaarschrift gericht tegen de bijlage bij de bekendmaking van het naturalisatiebesluit, waarin de naturalisandus wordt gewezen op de afstandsplicht.
### paragraaf 3.13.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Bijlage 3
De mogelijkheid tot schriftelijke verdaging zonder nadere motivering in de bezwaarfase bestond al. Deze verdagingstermijn is per 1 oktober 2009 zes weken (was vier weken).
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### 4. Afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN)
### Paragraaf 1.4. Voorbeelden: welke situaties vallen onder de optiemogelijkheid
### Paragraaf 1.6. Vereiste documenten
### 6-1-k. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
### 1. Algemeen
### Paragraaf 1
### Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
### paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing
Naar analogie van [artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6) dient de minderjarige optant vanaf zestien jaar in persoon te verschijnen om een verklaring van instemming met de verkrijging van het Nederlanderschap af te leggen. Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn nadere gegevens en bewijsstukken te vragen (vergelijk ook [artikel 6, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Te denken valt bijvoorbeeld aan:
### Paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester
### Paragraaf 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument/aantonen bezit vreemde nationaliteit
Als de nationaliteit van de optant met een regulier verblijfsrecht in de BRP is opgenomen met toepassing van [artikel 2.15 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15), moet de optant bij het afleggen van de optieverklaring in beginsel een geldig buitenlands reisdocument van het land van de betreffende nationaliteit overleggen.
### Paragraaf 2.2.5.3. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
### Paragraaf 2.2.5.6. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten
### Paragraaf 2.2.5.4. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
### paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
### paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing
Indien een aspirant-optant, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die verklaring (model 1.36) niet heeft ingevuld en ondertekend of indien een aspirant-optant heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en betrokkene desondanks toch in zijn optie persisteert, weigert de burgemeester de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen (zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.8&z=2017-03-01&g=2017-03-01)**Weigering bevestiging**).’.
Voor zover mogelijk onderzoekt de burgemeester de juistheid van de gegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden getoetst ([artikel 9, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)).
### paragraaf 2.8.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant
### Paragraaf 2.6.1. Administratieve handeling na de afstandsprocedure (zie [artikel 30c BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30c))
### paragraaf 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging
### paragraaf 2.9.1. De burgemeester beslist
### paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond
Ad d: de mogelijkheid tot schriftelijke verdaging zonder nadere motivering in de bezwaarfase bestond al. Deze verdagingstermijn is per 1 oktober 2009 zes weken (was vier weken).
### 6a-1. Toelichting ad [artikel 6a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-2-a. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### paragraaf 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)
### 8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a
### 6-6. Toelichting ad [artikel 6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### paragraaf 3.11. Bezwaar
### 6-5. Toelichting ad [artikel 6, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
In geval van het bestaan van meervoudige huwelijken (polygaam getrouwd) is de persoonlijke situatie van de optant niet in overeenstemming met de Nederlandse civielrechtelijke openbare orde en wordt op die grond de optiebevestiging geweigerd.
De vraag of een optant mogelijk polygaam getrouwd is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, alsmede huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van deze landen bijlage 1 bij dit artikellid.
### 6a-2-b. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
### 6a-1. Toelichting ad [artikel 6a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6-9. Toelichting ad [artikel 6, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### 6a-2-c. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### Paragraaf 3.5.1. Buitenlands reisdocument
Een optant die in beginsel afstandsplichtig is, hoeft als één van de onderstaande situaties zich voordoet toch geen afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit:
### 6a-2-d. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-2-b. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-6. Toelichting ad [artikel 6a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### paragraaf 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); zie ook [paragraaf 3.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.2¶graaf=3.2.5&z=2017-03-01&g=2017-03-01)). De burgemeester die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om een geldig buitenlands reisdocument te overleggen. In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan (zie [paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)). Voorts wordt de verzoeker gevraagd om andere bewijsstukken te overleggen, bijvoorbeeld een geboorteakte (zie [paragraaf 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
Voor zoveel mogelijk verstrekt hij dezelfde gegevens over de minderjarige kinderen en kindskinderen voor wie medeverlening wordt verzocht ([artikel 31, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)).
### Paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens
Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die door naturalisatie het Nederlanderschap wil verkrijgen, overlegt de vreemdeling nationaliteit en -identiteit vaststellende documenten (zie onder meer artikel 31 BvvN en [paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) bij artikel 7 RWN). Dit geldt ook voor de vreemdeling aan wie een regulier verblijfsrecht is verstrekt, waarbij hij, al dan niet ambtshalve, is vrijgesteld van het ‘paspoortvereiste’.
### paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
### paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek
### Paragraaf 3.5.4. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
### paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
### Paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid burgemeester
### paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
### paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### Paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid burgemeester
### paragraaf 3.13.1. De oproeping
### paragraaf 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek
### paragraaf 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase
### paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
### Paragraaf 3.6. Molukkers
Wordt een bezwaarschrift gegrond verklaard, dan zijn de volgende situaties te onderscheiden:
### paragraaf 3.13.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
Een voorbeeld van het naleven van een wettelijk voorschrift in de naturalisatieprocedure (alleen in de bezwaarfase) is het afwachten van een naturalisatieceremonie.
Het hierboven bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing.
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
Voor een verzoeker die getrouwd is met een Nederlander (van het andere of van hetzelfde geslacht) geldt geen afstandsverplichting. Ook de verzoeker die in Europees Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander is aangegaan of buiten Europees Nederland een geregistreerd partnerschap is aangegaan als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), kan een beroep doen op deze uitzondering. De verzoeker hoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In het geval dat het huwelijk – anders dan door overlijden – tussen de indiening van het verzoek om naturalisatie en de beslissing hierop door echtscheiding is ontbonden, zal verzoeker alsnog afstand moeten doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Hetzelfde geldt voor de beëindiging met wederzijds goedvinden of door ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Immers, het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie is doorslaggevend voor de beoordeling of verzoeker aan de voorwaarden voldoet. Voor de verzoeker die met een ongetrouwde Nederlander een duurzame relatie heeft, geldt de afstandseis onverkort.
### 9-3-c. Toelichting ad [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
Een man en een vrouw met de Turkse nationaliteit dienen gezamenlijk een verzoek om naturalisatie tot Nederlander in. De vrouw hoeft op grond van één van de hierboven genoemde uitzonderingsgronden geen afstand te doen van haar Turkse nationaliteit. De man valt niet zelfstandig onder een uitzonderingsgrond maar omdat zijn echtgenote niet afstandsplichtig is, hoeft hij ook geen afstand te doen.
Een eventuele afstandsplicht vervalt als een verzoeker ná het indienen van het verzoek om naturalisatie maar vóór het Nederlanderschap per bij Koninklijk Besluit is verleend, trouwt (of een geregistreerd partnerschap aangaat) met een Nederlander. Immers, de regel is dat de datum van het naturalisatie Koninklijk Besluit doorslaggevend is voor het wel of niet bestaan van de afstandsplicht. Op de datum van het naturalisatie Koninklijk Besluit is de beslissing genomen door het bevoegd gezag op het verzoek om naturalisatie.
### Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen
### paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
Let op! Bovenstaand artikellid geldt alleen voor verzoeken die zijn ingediend op of na 1 oktober 2010. Verzoekers die voor 1 oktober 2010 een verzoek hebben ingediend waarop nog niet is beslist kunnen dus nog een beroep doen op [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) zoals dat luidde tot 1 oktober 2010 (voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in Nederland, de (voormalige) Nederlandse Antillen of Aruba zijn hoofdverblijf hebben). Zie overgangsbepaling [artikel II, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) (Stb. 2010, 242).
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
Ingevolge onderdeel c van dit artikellid geldt de afstandsverplichting niet voor een verzoeker die is gehuwd met een Nederlander. Ook de verzoeker die in Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander is aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap is aangegaan als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), kan een beroep doen op deze uitzondering. Indien twee met elkaar gehuwde personen of twee geregistreerde partners beiden een verzoek om naturalisatie hebben ingediend, dient zoveel mogelijk tegelijkertijd op de verzoeken te worden beslist. Het is niet de bedoeling dat een van de (huwelijks)partners eerder wordt genaturaliseerd, waarna de ander geen afstand meer behoeft te doen op grond van het feit dat hij of zij de (huwelijks)partner is van een Nederlander.
Personen die afstand moeten doen en die ná de totstandkoming van de naturalisatie huwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) aangaan, kunnen evenmin met succes een beroep doen op onderdeel c.
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
### Artikel 10
Het is niet de bedoeling dat op grote schaal van onderhavig artikel gebruik wordt gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraken (zie uitspraak van 27 augustus 2014 in zaak nr. 201400641/1/V6 en uitspraak van 2 juli 2003 in zaak nr. 200204721/1) overwogen dat de minister bij de toepassing van [artikel 10 van de RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) beoordelingsvrijheid heeft waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort. De minister pleegt van dit wetsartikel terughoudend gebruik te maken. De uitzonderingen zijn alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen. Een verzoek om toepassing van artikel 10 RWN zal dus moeten worden gemotiveerd. Tevens moet exact worden aangegeven van welke vereisten in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) of [11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) afwijking wordt verzocht.
### Paragraaf 1. Algemeen
De mogelijkheid tot schriftelijke verdaging zonder nadere motivering in de bezwaarfase bestond al. Deze verdagingstermijn is per 1 oktober 2009 zes weken (was vier weken).
Tegen een beslissing op het bezwaarschrift (bijvoorbeeld niet-ontvankelijkverklaring of ongegrondverklaring) kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank, sector Bestuursrecht, binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft ([artikel 8:7, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:7)). De bepalingen in de [hoofdstukken 6 en 8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6) met betrekking tot de beroepsprocedure, zijn van toepassing. Verzoekers met hoofdverblijf buiten Nederland dienen beroep in te stellen bij de Rechtbank Den Haag, sector Bestuursrecht, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
### Paragraaf 1.3. Bezit Nederlandse nationaliteit adoptiefmoeder ten tijde van onherroepelijk uitspraak
Uit de wetstekst blijkt dat met [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) ook kan worden afgeweken van het bepaalde in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) (het inburgeringsvereiste). Of verzoeker moet worden geadviseerd een naturalisatietoets af te leggen, hangt af van de gevraagde afwijkingsgronden en de grootte van het belang om hem de Nederlandse nationaliteit te verlenen. Belangrijk hierbij is de vraag of alleen afwijking wordt gevraagd van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN of dat (ook) afwijking wordt gevraagd van andere voorwaarden voor naturalisatie. In het geval afwijking wordt gevraagd van andere voorwaarden dan artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN kan de burgemeester betrokkene erop wijzen dat het in zijn voordeel kan zijn te proberen aan de voorwaarde van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN te voldoen, zodat zo min mogelijk afwijking van artikel 8, [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) nodig is. Dit geldt temeer als het belang van de Nederlandse staat hem het Nederlanderschap te verlenen niet uitzonderlijk groot is. In het geval op voorhand duidelijk is dat betrokkene de naturalisatietoets niet zal halen (bijvoorbeeld omdat hij zelf stelt niet of onvoldoende de Nederlandse taal te beheersen), kan een dergelijk advies achterwege blijven. In dit geval zal de burgemeester in zijn advies aan de IND opnemen dat betrokkene ook afwijking verzoekt van het inburgeringsvereiste. Als overigens niet aan het inburgeringsvereiste wordt voldaan vanwege polygamie ligt – gelet op de bescherming van de civiele openbare orde – toepassing van artikel 10 RWN niet in de rede.
Met het woord ‘termijn’ wordt gedoeld op de zinsnede ‘de onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf’. Met het opnemen van het woord ‘termijn’ is allereerst beoogd om te benadrukken dat van de andere toepasselijke voorwaarden in [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) niet kan worden afgeweken. Zo zal bij een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) bijvoorbeeld niet kunnen worden afgeweken van het vereiste in artikel 11, tweede lid, RWN (kind beneden de zestien jaar), derde lid (kind dat leeftijd van zestien jaar heeft bereikt), vierde lid (kind dat niet heeft gedeeld) en vijfde lid (meerderjarig geworden kind) dat het ‘sedert het tijdstip van het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft’.
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
Bovendien geldt ingeval van een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) dat verzoeker zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels. Dit betekent dat een op artikel 10 RWN gebaseerd naturalisatieverzoek geen basis kan bieden voor de toepassing van andere (soepelere) dan de algemeen geldende regels voor het aantonen van identiteit en nationaliteit (zie de toelichting op artikel 7, [par. 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.5&z=2016-07-01&g=2016-07-01) en [3.5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.6&z=2016-07-01&g=2016-07-01)).
### paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
Aangezien [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) geen afwijking van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) toestaat, wordt nogmaals benadrukt dat in alle hierboven omschreven voorbeelden de persoon die een beroep doet op artikel 10 RWN bij het indienen van het verzoek in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht dat naar zijn aard niet-tijdelijk is (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN) en verklaard moet hebben bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [toelichting bij artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2016-07-01&g=2016-07-01) en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, RWN). Let goed op dat een verzoeker die een beroep doet op artikel 10 RWN altijd zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels (zie de [toelichting op artikel 7, paragraaf 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.5&z=2016-07-01&g=2016-07-01) en [3.5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.6&z=2016-07-01&g=2016-07-01)). Betreft het een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN die in het buitenland woont, dan geldt dat hij moet aantonen dat hij een dergelijk verblijfsrecht zou(den) verkrijgen, als daar om zou worden verzocht.
Een bijzonder geval kan zich voordoen als blijkt dat de verlening van het Nederlanderschap in zodanige mate een Nederlands cultureel belang dient, dat afwijking van één of meer reguliere voorwaarden wordt gerechtvaardigd. Onder een Nederlands cultureel belang wordt tevens verstaan een Nederlands belang op sportief gebied.
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
### paragraaf 3.5. Beslissing
In het geval dat het advies van de Staatssecretaris van VWS inzake de ontheffing van een voor de verzoeker geldende blokkeringstermijn geen stukken bevat, die leiden tot de conclusie dat de verzoeker op korte termijn als genaturaliseerde Nederlander voor Nederland zou kunnen uitkomen, dient het verzoek tot naturalisatie te worden afgewezen.
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
Anders dan bij een kind jonger dan zestien jaar (dat nog leerplichtig is en om die reden sneller ingeburgerd zal geraken), is in dit artikellid bepaald dat het kind dat ten tijde van het verzoek zestien jaar of ouder is in aanmerking kan komen voor medeverlening als hij “een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf” in het Koninkrijk heeft. Ook bij medeverlening is hierbij de achterliggende gedachte dat in het kader van het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit een persoon pas rechten behoort op te kunnen bouwen, nadat de overheid heeft ingestemd met zijn bestendig verblijf in het Koninkrijk. Op grond van dit artikellid moet het kind derhalve gedurende een ononderbroken periode van drie jaren vóór de indiening van het verzoek zijn toegelaten zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) én moet hij drie jaren voor de indiening van het verzoek hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN. Deze periode van toelating kan blijken uit het verblijfsdocument van het kind met bijgevoegd een afschrift uit de BRP dan wel een bericht omtrent toelating (zie [artikel 3 BOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831&artikel=3) en de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN).
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1.4. Voorbeelden: welke situaties vallen onder de optiemogelijkheid
### Paragraaf 2.2. Andere verliesgronden dan verbonden aan het sluiten van een huwelijk met een niet-Nederlander onder de WNI 1892
### Paragraaf 1.2. Bewijs biologisch vaderschap erkenner
### paragraaf 2.2. Afleggen van de optieverklaring
### Paragraaf 2.1. Verkrijging van de Nederlandse nationaliteit onder de WNI 1892
### Paragraaf 2.2. Andere verliesgronden dan verbonden aan het sluiten van een huwelijk met een niet-Nederlander onder de WNI 1892
### Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
### paragraaf 2.9.1. De burgemeester beslist
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1.3. Vereiste documenten
### 6-2. Toelichting ad artikel 6, tweede lid
### paragraaf 2.9. Bezwaar
### paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
Als de nationaliteit van de optant met een regulier verblijfsrecht in de BRP is opgenomen met toepassing van [artikel 2.17 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.17), dan staat de bij de IND opgegeven nationaliteit in de BRP. In dat geval moet de optant bij het afleggen van de optieverklaring in beginsel een geldig buitenlands reisdocument van het land van de betreffende nationaliteit overleggen.
### Paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
### Paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester
### paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling
### Paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
### paragraaf 2.8. Weigering bevestiging
### paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BVVN
### paragraaf 2.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
### paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure
### paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking
### Artikel 6a
Op 1 januari 2012 is de [Wet conflictenrecht namen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580) (WCN) vervallen. Vanaf die datum is [artikel 10:18 BW tot en met artikel 10:26 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=18) van toepassing.
### 6-9. Toelichting ad [artikel 6, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)
### 6a-2-d. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-3. Toelichting ad [artikel 6a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-4. Toelichting ad [artikel 6a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### paragraaf 3.5.6. Bewijsnood gelegaliseerde buitenlandse documenten
### paragraaf 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10 en 11, vierde lid, RWN)
### Paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring
### Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
Als de verzoeker (nog) niet voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie en/of niet alle vereiste gegevens heeft verstrekt of de gevraagde documenten heeft overgelegd, dient hem te worden ontraden om een verzoek in te dienen. Als de verzoeker er onder deze omstandigheden niettemin op staat een verzoek in te dienen, moet de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. De verzoeker dient erop te worden geattendeerd dat de uiteindelijke beslissing wordt genomen door Onze Minister en dat dus van tevoren geen uitsluitsel kan worden gegeven over het al dan niet inwilligen van het verzoek om naturalisatie.
Voor de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger is verschijning in persoon niet voorgeschreven, maar verdient dat wel de voorkeur. Stuit persoonlijke verschijning op bezwaar, dan wordt betrokkene schriftelijk verzocht een verklaring te ondertekenen waarin staat of al dan niet wordt ingestemd met de medeverlening van het Nederlanderschap aan het minderjarige kind en die verklaring, met een kopie van een geldig identiteitsbewijs, te zenden aan de burgemeester van de gemeente waar het verzoek om naturalisatie van de ouder is ingediend. Voor de zienswijze van de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger kan gebruik worden gemaakt van model 2.13 en model 2.14. Zie ook de toelichting bij artikel 2 RWN.
### Paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens
### paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### Paragraaf 3.5.1. Buitenlands reisdocument
### Paragraaf 3.5.5. Bewijsnood of inwilliging met toepassing van [art. 4:84 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:84): geldig buitenlands reisdocument (paspoort) en of geboorteakte
### Paragraaf 3.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
### paragraaf 3.13.1. De oproeping
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
In afwijking van de hoofdregel dat een beslissing op bezwaar wordt genomen met inachtneming van de feiten, omstandigheden en geldende regelgeving op het moment van de beslissing op bezwaar (ex nunc-toetsing), wordt een bezwaarschrift tegen afwijzing van een verzoek om medeverlening beoordeeld naar de feiten, omstandigheden en regelgeving ten tijde van de beslissing in eerste aanleg (ex tunc-toetsing). Dit vloeit voort uit het feit dat medeverlening aan de minderjarige is gekoppeld aan de situatie op de dag waarop aan de ouder het Nederlanderschap werd verleend. Om alsnog vanaf die dag Nederlander te kunnen worden, moet de minderjarige dus op die datum hebben voldaan aan alle vereisten voor medeverlening.
### paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
Als na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op bezwaar (dus de termijn van 12 weken na de datum van de primaire beslissing) nog geen beslissing is genomen, kan de verzoeker na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als gevolg van de per 1 oktober 2009 inwerking getreden [Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026450) de IND in gebreke stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit ([artikel 4:17 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:17)). Indien er twee weken zijn verstreken na de dag waarop de verzoeker de IND in gebreke heeft gesteld en er is nog geen besluit genomen, dan gaat van rechtswege de automatische dwangsom lopen ([artikel 4:17 t/m artikel 4:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:17)). Voorts kan de verzoeker gelijktijdig beroep instellen bij de rechter wegens het niet tijdig nemen van een besluit ([artikel 6:12 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:12)). De mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is met de inwerkingtreding van [artikel 7, eerste lid aanhef en onder e, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1), per 1 oktober 2009 vervallen.
### paragraaf 3.12. (Hoger) beroep
Als na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op bezwaar (dus de termijn van 12 weken na de datum van de primaire beslissing) nog geen beslissing is genomen, kan de verzoeker na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als gevolg van de per 1 oktober 2009 inwerking getreden [Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026450) de IND in gebreke stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit ([artikel 4:17 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:17)). Indien er twee weken zijn verstreken na de dag waarop de verzoeker de IND in gebreke heeft gesteld en er is nog geen besluit genomen, dan gaat van rechtswege de automatische dwangsom lopen ([artikel 4:17 t/m artikel 4:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:17)). Voorts kan de verzoeker gelijktijdig beroep instellen bij de rechter wegens het niet tijdig nemen van een besluit ([artikel 6:12 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:12)). De mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is met de inwerkingtreding van [artikel 7, eerste lid aanhef en onder e, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1), per 1 oktober 2009 vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### 6-1-k. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Een vreemdeling die een optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging bedoeld in [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) als cumulatief:
Als het gezamenlijk gezag niet blijkt uit de BRP, moet de optant het gezamenlijk gezag aantonen door het overleggen van een gewaarmerkt afschrift van de beschikking van de Nederlandse rechtbank waarbij het gezamenlijk gezag is vastgesteld.
De twintigjarige A, van Dominicaanse nationaliteit, heeft van haar tweede tot haar achttiende jaar in Curaçao gewoond. Zij was daar in het bezit van een vergunning tot verblijf bij moeder. Sindsdien woont zij in verband met haar studie medicijnen aan de Rijksuniversiteit Utrecht in Nederland. Zij is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (verblijfsdocument I) in verband met het volgen van studie. Dit is een verblijfsrecht dat naar zijn aard tijdelijk is. A is van onbesproken gedrag. Zij kan bij de burgemeester van haar woonplaats opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Immers, zij heeft sinds haar tweede jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk gehad. Thans heeft zij toelating in het Koninkrijksdeel waar zij hoofdverblijf heeft. Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor studie is rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, aanhef en onder a, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### 6-1-h. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 1.2.1.2. Getrouwde vrouw: huwelijk in periode na 1 maart 1964
### Paragraaf 1.2. Adoptie vóór 1 januari 1985 binnen het Koninkrijk van een minderjarige
### Paragraaf 1.2. Adoptie vóór 1 januari 1985 binnen het Koninkrijk van een minderjarige
### 6-2. Toelichting ad artikel 6, tweede lid
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
Geldt in de betreffende optiemogelijkheid een periode van toelating (onderdeel g) dan kan dit blijken uit het verblijfsdocument van de optant in combinatie met de gegevens in de BRP dan wel uit een bericht omtrent toelating ([artikel 3 BOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831&artikel=3)). Voor de gevallen waarin en de wijze waarop een bericht omtrent toelating moet worden gevraagd, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN.
### paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing
### paragraaf 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond
Als de optant met nationaliteit ‘onbekend’ in de BRP is opgenomen, in overeenstemming met [artikel 2.15 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15) of de voorganger daarvan, [artikel 43 Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=43), moet hij in beginsel een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overleggen (paragraaf 2.2.5.1).
### 6-4. Toelichting ad [artikel 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling
### paragraaf 2.10. (Hoger) beroep
### paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure
### 6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
### Artikel 6a
### 6a-5. Toelichting ad [artikel 6a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-2-c. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 7-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)
### paragraaf 1. Algemeen
### 7-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BVVN
Op grond van [artikel 31, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) verstrekt de verzoeker bij de indiening van het verzoek, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn:
### paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
### paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
### paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling
### paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets
### Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
### 8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b
### 8-1-c. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
Vanaf 1 januari 2006 is de burgemeester verplicht de persoon aan wie het Nederlanderschap is verleend uit te nodigen voor een ceremonie waarin de verkrijging van het Nederlanderschap wordt gevierd. Op 1 oktober 2006 is hieraan een belangrijke wijziging toegevoegd. Vanaf die datum treedt het naturalisatiebesluit voor een daarin genoemde persoon pas in werking door uitreiking van het hem betreffende uittreksel daarvan, in de regel op een naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. Het uittreksel uit het naturalisatiebesluit wordt aan de naturalisandus bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit, met terugwerkende kracht tot de datum van dagtekening, in werking. De naturalisandus moet daadwerkelijk op de naturalisatieceremonie verschijnen om rechten te kunnen ontlenen aan het naturalisatiebesluit. Verschijnt de naturalisandus niet, dan kan de verklaring van verbondenheid niet worden afgelegd en het uittreksel uit het naturalisatiebesluit niet worden bekendgemaakt.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 5-4. Toelichting ad artikel 5, vierde lid
### 4-5. Ad artikel 4, vijfde lid
### 5-3. Toelichting ad artikel 5, derde lid (zwakke adoptie)
### Artikel 5a
### 5a-1. Toelichting ad artikel 5a, eerste lid (sterke adoptie)
### Artikel 5
Verder zijn op die datum de termijnen in het toenmalige eerste en derde lid van artikel 5 RWN aangepast aan de per 1 januari 2002 gewijzigde termijnen voor beroep en cassatie in verzoekschriftprocedures (zie [artikel 358](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=358) respectievelijk [artikel 426 WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=426)).
### 5a-1. Toelichting ad artikel 5a, eerste lid (sterke adoptie)
### 5b-2. Toelichting ad [artikel 5b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5b)
### Bijlage. bij artikel 5a RWN
### Artikel 5b
### Artikel 6
### 6-1-d. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### paragraaf 2.1. Gezamenlijk gezag bij geboorte op grond van artikelen 1.253aa en 1:253sa BW
### 3.5.2. Buitenlandse akten (van de burgerlijke stand)
Ondanks het zojuist vermelde vindt tóch geen erkenning van rechtswege plaats als:
Ondanks het zojuist vermelde vindt tóch geen erkenning van rechtswege plaats als:
### 6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c
### paragraaf 3.1. Bewijslast opvoeding en verzorging
### Paragraaf 3.2. Bewijsmiddelen
### paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man
### paragraaf 3.1. Bewijslast opvoeding en verzorging
### 3.11. Bezwaar
### Paragraaf 1.2.1. Gevolgen van het huwelijk voor de nationaliteit van de vrouw
Op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (**Trb.** 1998, 149) kan een minderjarige die opteert op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap niet worden geweigerd als er op grond van het gedrag van de optant ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk.
### Paragraaf 1. Algemeen
Geregistreerde partners krijgen van rechtswege –dus zonder dat daar nog een procedure voor nodig is –gezamenlijk gezag over hun tijdens het geregistreerde partnerschap geboren kinderen, als er geen andere juridische ouder is. Van gezamenlijk gezag is sprake als een kind wordt geboren tijdens huwelijk of partnerschap van een man en een vrouw en tijdens het huwelijk of partnerschap van twee vrouwen, mits er geen man is die het kind tijdens de zwangerschap heeft erkend. Ook het gezamenlijk gezag dat van rechtswege bij de geboorte ontstaat, geeft onder de hierboven genoemde voorwaarden het optierecht van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
### 6-1-i. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### 1. Algemeen
### Paragraaf 1.5. Vereiste documenten
### paragraaf 2.2.3. Te verstrekken gegevens
### paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1.3. De vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind
### paragraaf 2. Procedure
### Paragraaf 1.6. Vereiste documenten
### Paragraaf 1.2.1.2. Getrouwde vrouw: huwelijk in periode na 1 maart 1964
### 6-1-o. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 1.3. Bezit Nederlandse nationaliteit adoptiefmoeder ten tijde van onherroepelijk uitspraak
### paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 2.1. Informatieverstrekking
### 2. Optanten die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen
### Paragraaf 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument
### paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing
### paragraaf 2.12.1. De oproeping
### paragraaf 2.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking
### Artikel 6a
### 6a-2-a. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-2-a. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker
### paragraaf 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)
### paragraaf 3.8. Voorbereiding advies
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
### paragraaf 3.12. (Hoger) beroep
### paragraaf 3.13.3. Afleggen verklaring van verbondenheid
Het naturalisatiebesluit dat vóór 1 oktober 2006 is getekend door Hare Majesteit de Koningin (het maakt daarbij niet uit of het ministeriële contraseign van ná 1 oktober 2006 is), treedt nog op de gebruikelijke wijze in werking, dat wil zeggen door toezending door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van de kennisgeving betreffende naturalisatie aan de betrokkene. Uitreiking is in dit geval niet nodig.
### paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
### paragraaf 2.2. Verblijfsdocumenten
Het naturalisatiebesluit dat vóór 1 oktober 2006 is getekend door Hare Majesteit de Koningin (het maakt daarbij niet uit of het ministeriële contraseign van ná 1 oktober 2006 is), treedt nog op de gebruikelijke wijze in werking, dat wil zeggen door toezending door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van de kennisgeving betreffende naturalisatie aan de betrokkene. Uitreiking is in dit geval niet nodig.
### paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
De oproeping vindt tijdig voor de uitreiking plaats binnen zes weken na de dag van dagtekening van het naturalisatiebesluit. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd (artikel 60b, tweede lid BVVN).
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid persoonlijk wordt afgelegd tijdens een naturalisatieceremonie waarbij het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd43Zie artikel 60b, vierde lid, BVVN en artikel 23, tweede lid, RWN.. Van de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Het mondeling of schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid kan niet worden overgelaten aan een gemachtigde gezien het persoonlijke karakter van de verklaring.
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
Is een jaar na de dag van ondertekening van het naturalisatiebesluit verstreken zonder dat de naturalisandus (op een naturalisatieceremonie) is verschenen en het besluit derhalve niet aan hem is bekendgemaakt, dan vervalt het naturalisatiebesluit ([artikel 60b, elfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). De vervaltermijn van één jaar is opgeschort indien sprake is van bezwaar- en beroep tegen het besluit inzake de wijze van bekendmaking van de optiebevestiging en/of de wijze van aflegging van de verklaring van verbondenheid. Om te voorkomen dat het besluit daardoor zou vervallen, is bepaald dat de termijn van één jaar door het instellen van bezwaar of beroep wordt opgeschort totdat daarop onherroepelijk is beslist. De vervaltermijn van één jaar wordt stopgezet op het moment dat de burgemeester of de rechtbank het bezwaar- dan wel beroepschrift heeft ontvangen en gaat weer lopen op het moment dat de beslissing van de burgemeester of de rechtbank onherroepelijk is geworden en dus geen rechtsmiddelen meer openstaan. De termijn loopt dan na de beslissing in bezwaar of beroep verder en vangt niet opnieuw aan. Onder beroep wordt mede hoger beroep begrepen ([artikel 60b, elfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)).
Dit kan bijvoorbeeld spelen indien betrokkene heeft verzocht om de verklaring van verbondenheid schriftelijk te mogen afleggen en dit door de burgemeester geweigerd is. Dit kan ook voorkomen indien betrokkene een beroep op zwaarwegende redenen heeft gedaan om niet op de naturalisatieceremonie te verschijnen en dit door de burgemeester is afgewezen.
### paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking
### paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
De burgemeester reikt het uittreksel van het besluit uit aan de naturalisandus of medenaturalisandus die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was en ná het afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60b, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) (tabel oproepen en uitreiken).
### paragraaf 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel
De burgemeester reikt het desbetreffende uittreksel uit binnen zes weken na de verzending van de oproeping ([artikel 60b, vierde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Ingeval het uittreksel niet tijdig is aangeleverd bij de burgemeester of is zoekgeraakt voordat dit is uitgereikt, volstaat een kopie of een fax voor de uitreiking.
**Algemeen**
Voor naturalisandi die op of na 1 maart 2009 een verzoek om naturalisatie indienen, bevat de naturalisatieceremonie na die datum een onderdeel waarin zij de verklaring van verbondenheid afleggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit; het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in [artikel 23 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23). Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst.
De minderjarige die ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie jonger is dan zestien jaar hoeft niet uitgenodigd te worden om te verschijnen op de naturalisatieceremonie en hoeft geen verklaring van verbondenheid af te leggen. Ook medenaturalisandi van 16 of 17 jaar ([artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)) zijn niet verplicht om de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid af te leggen. Hier wordt op termijn door de wetgever in voorzien. Deze medenaturalisandi moeten echter wel verplicht op een naturalisatieceremonie verschijnen39Artikel 60b, derde lid, BVVN..
### Paragraaf 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van de verblijfsvergunning
Voor naturalisandi die op of na 1 maart 2009 een verzoek om naturalisatie indienen, bevat de naturalisatieceremonie na die datum een onderdeel waarin zij de verklaring van verbondenheid afleggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit; het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in [artikel 23 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23). Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst.
De minderjarige die ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie jonger is dan zestien jaar hoeft niet uitgenodigd te worden om te verschijnen op de naturalisatieceremonie en hoeft geen verklaring van verbondenheid af te leggen. Ook medenaturalisandi van 16 of 17 jaar ([artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)) zijn niet verplicht om de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid af te leggen. Hier wordt op termijn door de wetgever in voorzien. Deze medenaturalisandi moeten echter wel verplicht op een naturalisatieceremonie verschijnen39Artikel 60b, derde lid, BVVN..
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon van het desbetreffende uittreksel aan de opgeroepen persoon. Dit is een wettelijk gegeven, waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Van de regel om in persoon te verschijnen kan slechts in bijzondere omstandigheden wegens zwaarwegende redenen worden afgeweken. In zulke uitzonderingsgevallen kan de betrokkene, nadat een daartoe strekkend besluit door de burgemeester is genomen, door een gemachtigde worden vertegenwoordigd. Ook kan in die gevallen de burgemeester besluiten de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen, waarbij te denken is aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending per post van het uittreksel. Om uitgezonderd te worden van de regel in persoon te verschijnen, dient betrokkene een daartoe strekkend verzoek in te dienen.
Uitgangspunt van de regelgeving is dat de opgeroepen persoon zoveel mogelijk op de naturalisatieceremonie verschijnt. Dit betekent dat het de burgemeester vrijstaat, op verzoek van de betrokkene zelf, in overleg met hem een andere datum te bepalen waarop een ceremonie wordt gehouden en hij toch kan verschijnen. Daarbij is het overigens wel van belang dat de duur van de periode die ligt tussen de vaststelling van het naturalisatiebesluit en de uitreiking van het desbetreffende uittreksel, zo beperkt mogelijk blijft, in ieder geval niet langer dan een jaar.
Bij een beroep op zwaarwegende redenen overweegt de burgemeester eerst of sprake is van een tijdelijke dan wel blijvende reden om niet te verschijnen. Bij een tijdelijke reden onderzoekt de burgemeester of betrokkene binnen een redelijke termijn toch aanwezig kan zijn op een naturalisatieceremonie. Als dat het geval is, wordt in overleg met hem een nieuwe datum bepaald.
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon van het desbetreffende uittreksel aan de opgeroepen persoon. Dit is een wettelijk gegeven, waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Van de regel om in persoon te verschijnen kan slechts in bijzondere omstandigheden wegens zwaarwegende redenen worden afgeweken. In zulke uitzonderingsgevallen kan de betrokkene, nadat een daartoe strekkend besluit door de burgemeester is genomen, door een gemachtigde worden vertegenwoordigd. Ook kan in die gevallen de burgemeester besluiten de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen, waarbij te denken is aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending per post van het uittreksel. Om uitgezonderd te worden van de regel in persoon te verschijnen, dient betrokkene een daartoe strekkend verzoek in te dienen.
**Hoofdregel: mondeling afleggen in persoon**
### Paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt de burgemeester de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de burgemeester (zie tevens [paragraaf 3.13.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.4¶graaf=3.13.4.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen aan de burgemeester van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van het naturalisatiebesluit worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze. Hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de ceremonie om of aan toezending van de bekendmaking van verlening van het Nederlanderschap aan de naturalisandus.
### 8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b
### paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking
### paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
### Bijlage 3
Indien de verklaring van verbondenheid schriftelijk is afgelegd (model 4.1 of 4.2), wordt deze verklaring gearchiveerd in het naturalisatiedossier bij de gemeente.
De burgemeester wordt verzocht eventuele onjuistheden in het besluit zo spoedig mogelijk te melden aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) draagt (zonodig) in dat geval zorg voor een nieuw besluit. De burgemeester hoeft een eerder uitgereikt uittreksel niet door middel van een verbeterd exemplaar opnieuw uit te reiken. Ingeval het besluit reeds is bekendgemaakt, mag het verbeterd exemplaar (aangetekend) aan de betrokkene worden opgestuurd. Wanneer de burgemeester nog in het bezit is van het onjuiste uittreksel is het wenselijk dat hij dit, ter voorkoming van fraude, terugstuurt aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), alwaar het wordt vernietigd.
Aan de hand van het terugmeldformulier stelt de minister vast of de betrokken naturalisandus Nederlander is geworden en zijn procedure kan worden afgesloten. Is betrokkene Nederlander geworden, dan worden de gegevens ten aanzien van deze verlening in het nationaliteitenregister opgenomen. Ook wordt na terugmelding de eventuele afstandsprocedure opgestart.
### Artikel 8
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10); [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) en [VII.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VI)
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
### 6a-6. Toelichting ad [artikel 6a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6-4. Toelichting ad [artikel 6, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Paragraaf 3.5.1. Buitenlands reisdocument
### 6a-1. Toelichting ad [artikel 6a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-2-d. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### 6a-5. Toelichting ad [artikel 6a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
### paragraaf 3. Procedure naturalisatie
### Paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase
### paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 3. Procedure naturalisatie
### paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
Zodra een betrokkene wordt voorgedragen voor naturalisatie meldt de minister dit aan de burgemeester. Met behulp van dit bericht verkrijgt de burgemeester inzicht in het aantal naturalisandi dat hij voor een bepaalde naturalisatieceremonie zal moeten uitnodigen. Ook betrokkene ontvangt een bericht over de voortgang van zijn naturalisatieverzoek.
De eis tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt alleen voor verzoeken om naturalisatie die worden ingediend op of na 1 maart 2009. Vanaf 1 maart 2009 moeten de meeste naturalisandi bij de indiening van het verzoek om naturalisatie ook een bereidverklaring ondertekenen. Deze naturalisandi moeten bij de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Daarom moet vanaf 1 maart 2009 een onderscheid gemaakt worden tussen de naturalisandus die alleen verplicht is te verschijnen op een naturalisatieceremonie en de naturalisandus die bovendien een verklaring van verbondenheid moet afleggen. De burgemeester kan ervoor kiezen beide groepen op een aparte naturalisatieceremonie uit te nodigen of kan de groep die daartoe niet verplicht is, vragen om de verklaring van verbondenheid vrijwillig af te leggen. De ceremonie uitvoerende instanties hebben hierin vrijheid om naar eigen behoefte vorm te geven aan de invulling hiervan. Voorop staat wel dat degene die niet een wettelijke plicht heeft de verklaring van verbondenheid af te leggen, daartoe niet gedwongen kan worden.
De burgemeester roept de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op ([artikel 60b, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend ([artikel 2, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) (tabel oproepen en uitreiken).
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst van het desbetreffende uittreksel daarvan, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt het uittreksel buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60b, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen de vaststelling van het besluit en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt het naturalisatiebesluit opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra het naturalisatiebesluit aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken naturalisandus in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
### paragraaf 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen
De naturalisandus die niet is verschenen en wiens besluit is vervallen, kan enkel een nieuw verzoek om naturalisatie indienen om zo alsnog Nederlander te worden. Tegen het vervallen van het naturalisatiebesluit, als gevolg van het verstrijken van de vervaltermijn van één jaar na de dagtekening van het besluit staat geen bezwaar of beroep open. Het betreft immers verval van rechtswege.
De burgemeester reikt het desbetreffende uittreksel uit binnen zes weken na de verzending van de oproeping ([artikel 60b, vierde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Ingeval het uittreksel niet tijdig is aangeleverd bij de burgemeester of is zoekgeraakt voordat dit is uitgereikt, volstaat een kopie of een fax voor de uitreiking.
### paragraaf 2.2. Verblijfsdocumenten
### Bijlage 1:. tabel oproepen en uitreiken
### paragraaf 3.7. Minderjarigen
### paragraaf 3.13.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid persoonlijk wordt afgelegd tijdens een naturalisatieceremonie waarbij het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd43Zie artikel 60b, vierde lid, BVVN en artikel 23, tweede lid, RWN.. Van de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Het mondeling of schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid kan niet worden overgelaten aan een gemachtigde gezien het persoonlijke karakter van de verklaring.
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt de burgemeester de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de burgemeester (zie tevens [paragraaf 3.13.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.4¶graaf=3.13.4.1&z=2016-07-01&g=2016-07-01)).
Na uitreiking van het desbetreffende uittreksel stuurt de burgemeester door middel van het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) daarvan zo spoedig mogelijk een bericht aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ([artikel 60b, negende lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Op het terugmeldformulier vermeldt de burgemeester onder andere de datum waarop het besluit is bekendgemaakt en de wijze van bekendmaking. Ingevolge [artikel 60b, twaalfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) deelt de uitreikende autoriteit de Minister mee ‘of en op welke wijze de verklaring van verbondenheid is afgelegd. Deze informatie wordt op het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) aangetekend en is alleen van toepassing op verzoeken om naturalisatie ingediend op of na 1 maart 2009. Ook vermeldt de burgemeester of hij na herhaalde oproepingen het besluit niet heeft kunnen bekendmaken, als gevolg waarvan het besluit is vervallen. De uittreksels die de burgemeester niet heeft kunnen uitreiken, stuurt hij terug aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
Aan de hand van het terugmeldformulier stelt de minister vast of de betrokken naturalisandus Nederlander is geworden en zijn procedure kan worden afgesloten. Is betrokkene Nederlander geworden, dan worden de gegevens ten aanzien van deze verlening in het nationaliteitenregister opgenomen. Ook wordt na terugmelding de eventuele afstandsprocedure opgestart.
Indien de verklaring van verbondenheid schriftelijk is afgelegd (model 4.1 of 4.2), wordt deze verklaring gearchiveerd in het naturalisatiedossier bij de gemeente.
### 8-1-a. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2); [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3); [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=7)
### paragraaf 3.7. Minderjarigen
### 8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 3.8. Buiten een land van het Koninkrijk ingediende verzoeken
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=33); [1:63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=63),[1:69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=69), [10:27-10:53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=27) en [10:58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=58)
[Rgdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006434): [artikel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006434&artikel=2)
[Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825): [artikelen 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4); [3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5); [3.59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59); [3.89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89); [3.93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) en [8.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)
### paragraaf 2.1. Verblijfsvergunningen
[Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3); [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14); [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28)
[Boek 10 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068): [artikelen 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=29) en [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=58)
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
### paragraaf 2.9. Bezwaar
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### paragraaf 2.12.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### paragraaf 2.12.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
### paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
### paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek
### paragraaf 3.12. (Hoger) beroep
### paragraaf 3.13.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
De bekendmaking van het besluit is opgedragen aan de burgemeester van de woonplaats van de betrokkene, zoals die ten tijde van de ondertekening van het besluit, althans op het moment van de toezending van het desbetreffende uittreksel, bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) vanuit de bevolkingsadministratie bekend is. Verhuist de betrokkene daarna, dan kan de burgemeester aan wie het desbetreffende uittreksel is toegezonden, de uitreiking zelf verrichten of deze (door middel van een machtiging) overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van betrokkene. Indien de burgemeester aan wie het desbetreffende uittreksel is toegezonden, ondanks verhuizing van de naturalisandus naar een andere gemeente, de uitreiking zelf verricht, dan stelt hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de naturalisandus van deze uitreiking in kennis.
### Artikel 8
### paragraaf 3.13.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
### 8-1-a. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### paragraaf 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen
In voorkomende gevallen geeft de burgemeester (meestal) bij de indiening van het verzoek om naturalisatie (door een gemachtigde) op het adviesblad bij punt 645Zie hiervoor paragraaf 3.4.1 onder alinea **‘Uitzondering ondertekenen bereidverklaring’.** reeds aan dat het afleggen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid niet mogelijk is vanwege de fysieke of psychische toestand van de verzoeker.46Zie artikel 60b, zesde lid, BVVN. Daarnaast heeft de burgemeester ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken)47Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2, tweede lid RWN; bijvoorbeeld een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist. toegevoegd. De uiteindelijke beoordeling of er sprake is van een fysieke of psychische onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid ligt bij de Minister van Justitie. De verklaring van verbondenheid is immers een voorwaarde voor naturalisatie. Als uitgangspunt volgt de Minister van Justitie het advies in deze van de burgemeester.
### paragraaf 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van Vw 2000
### Artikel 8
[BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=3) en volgende
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=24); [hoofdstuk III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=III) en [artikel 72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=24)
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikelen 4:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2); [4:5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) en [6:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:3)
[Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405): [artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=5); [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=6); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=8) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=9)
### Bijlage 1
### Paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
### Bijlage 3
### Bijlage 4
Voor [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’.
EG-richtlijnen: 73/148 en 93/96
Dit artikel omvat voorwaarden waaraan een verzoeker moet voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap. De overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap worden genoemd in [artikel 9, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9). Voor (mede)verlening aan minderjarige kinderen worden de voorwaarden genoemd in [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11).
### 8-1-a. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die meerderjarig is.**
Op het moment dat een verzoek om naturalisatie wordt ingediend, moet de verzoeker meerderjarig zijn in de zin van [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1). Hij moet dus of de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, voordien in het huwelijk zijn getreden of voordien in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN. De burgemeester onderzoekt de meerderjarigheid van de verzoeker aan de hand van de gegevens in de BRP. Als de geboortedatum in de overgelegde stukken niet overeenstemt met de BRP, bevordert de burgemeester dat de BRP zo mogelijk wordt aangepast. Het verdient aanbeveling dat de burgemeester deze mutatie meedeelt aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Daarmee wordt voorkomen dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ten onrechte een dubbel dossier aanlegt over dezelfde verzoeker.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 3.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)
### paragraaf 3.13.1. De oproeping
### paragraaf 3.13.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Bijlage 1:. tabel oproepen en uitreiken
[Vc 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012289): [hoofdstuk B5](onbekend)
Wet BRP: [artikel 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.4), [2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15) en [3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=3.6)
EG-richtlijnen: 73/148 en 93/96
### Paragraaf 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
### 8-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
Voor [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’.
### 8-1-a. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die meerderjarig is.**
Op het moment dat een verzoek om naturalisatie wordt ingediend, moet de verzoeker meerderjarig zijn in de zin van [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1). Hij moet dus of de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, voordien in het huwelijk zijn getreden of voordien in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN. De burgemeester onderzoekt de meerderjarigheid van de verzoeker aan de hand van de gegevens in de BRP. Als de geboortedatum in de overgelegde stukken niet overeenstemt met de BRP, bevordert de burgemeester dat de BRP zo mogelijk wordt aangepast. Het verdient aanbeveling dat de burgemeester deze mutatie meedeelt aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Daarmee wordt voorkomen dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ten onrechte een dubbel dossier aanlegt over dezelfde verzoeker.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 7-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 3.13.3. Afleggen verklaring van verbondenheid
De niet uitreiking is geen besluit in de zin van de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Bezwaar en beroep staat dan ook niet open. De verklaring van verbondenheid is immers een wettelijke voorwaarde voor de uitreiking van het besluit en om Nederlander te kunnen worden door naturalisatie.
### Bijlage 1:. tabel oproepen en uitreiken
### Paragraaf 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (vva-bep)
WNI: artikel 7
### 8-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
Is de verzoeker nog minderjarig, maar is naturalisatie gewenst op grond van zeer bijzondere omstandigheden, dan is verlening van het Nederlanderschap uitsluitend mogelijk met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) (zie de [toelichting bij dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=10&z=2017-03-01&g=2017-03-01)). Zie echter voor medeverlening aan minderjarigen [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). Zie voorts artikel 11, vierde lid, RWN, waarin een categorie minderjarigen wordt genoemd die zelfstandig voor naturalisatie in aanmerking komt.
### Paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van de beperking van de verblijfsvergunning van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet (zie hierna [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
De [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is overigens – anders dan de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) – geen rijkswet en regelt daarom alleen het verblijf van vreemdelingen in het Europese deel van Nederland. In Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelden aparte verblijfsregelingen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
### Paragraaf 1.1. Afstamming door gerechtelijke vaststelling ouderschap
### paragraaf 2.4.2.3. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
### paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### Artikel 7
### Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten
### paragraaf 3.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
### paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 7-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BVVN
### paragraaf 3.13.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
### paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Paragraaf 1. Algemeen
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Minderjarigen van 16 jaar en ouder moeten vanaf 1 januari 2012 bij een verzoek tot medeverlening van het Nederlanderschap dat is ingediend door een wettelijke vertegenwoordiger, tegelijkertijd met de indiening het verzoek om naturalisatie van de hoofdpersoon, een [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ ondertekenen. Het zelf ondertekenen van de modelverklaring 2.3 is geen uitzondering op een rechtshandeling als bedoeld in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
Wie de wettelijk vertegenwoordiger is, wordt bepaald door het Nederlands recht inclusief de regels van internationaal privaatrecht. Het ligt op de weg van de persoon die de verklaring aflegt of het verzoek indient om aan te tonen dat hij of zij de wettelijk vertegenwoordiger is.
Ook de vader die het kind heeft erkend of van wie gerechtelijk is vastgesteld dat hij de vader is, heeft niet het gezag over het kind en kan niet optreden als de wettelijk vertegenwoordiger. Uit de wettekst volgt dan ook hij in beginsel (zie hierna) kan worden aangemerkt als de ‘andere ouder’ in hier bedoelde zin, indien het gezag van rechtswege alleen door de moeder wordt uitgeoefend.
### Toelichting
### paragraaf 5. Uitzondering: de vader is geen Nederlander (kind geboren op of na 1 januari 1985; vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003)
**De verklaring van verbondenheid wordt door minderjarigen van zestien jaar en ouder zelfstandig afgelegd. Tenzij anders bepaald kunnen zij daarin niet worden vertegenwoordigd.**
### Toelichting
### 4-1. Ad artikel 4, eerste lid
**Nederlander is het kind van een vader of moeder die ten tijde van de geboorte van het kind zijn of haar hoofdverblijf heeft in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten en die zelf geboren is als kind van een vader of moeder die ten tijde van zijn of haar geboorte in een van die landen hoofdverblijf had, mits het kind ten tijde van zijn geboorte zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten.**
Op 1 april 2014 is Boek 1 BW ook gewijzigd voor wat betreft het juridisch vaderschap in die zin dat het geregistreerd partnerschap wordt gelijkgesteld aan het huwelijk.
### Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d
Dit betekent dat een minderjarig kind dat tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 is erkend door een ten tijde van zijn geboorte in het Koninkrijk wonende niet-Nederlandse man, die zelf geboren is uit een in het Koninkrijk wonende niet-Nederlandse moeder, Nederlander wordt. In dat geval verkrijgt het kind het Nederlanderschap niet vanaf zijn geboorte, maar vanaf de datum van erkenning, omdat het kind eerst vanaf de datum van de erkenning een juridische vader heeft.
### paragraaf 2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
### paragraaf 3. Kind geboren op of ná 1 januari 1985; Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
De voorwaarden in de periode op of na 1 maart 2009 zijn dus als volgt:
Een verzoekschrift ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17) kan worden ingediend bij de rechtbank ’s-Gravenhage of het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Een rechterlijke uitspraak op grond van [artikel 1:207 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=207), waarin de rechter heeft vastgesteld dat de erkenner de biologische ouder is van de erkende, is eveneens een voldoende bewijsstuk.
Om deze reden geldt dat bij het overleggen van bewijs dat voldoet aan alle voorwaarden genoemd in het [Besluit DNA-onderzoek vaderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024634) (zie [artikel 4, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)) er voldoende zekerheid is over het biologisch vaderschap om de verkrijging van het Nederlanderschap door de erkende op te nemen in de BRP.
### Artikel 4
A is (behalve Marokkaan ook) Nederlander op grond van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
### Artikel 5
### Bijlage. bij [artikel 5b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5b)
### 5a-1. Toelichting ad artikel 5a, eerste lid (sterke adoptie)
Buiten Nederland is op 12 maart 2004 ten aanzien van het op 10 mei 1986 geboren kind C, van vreemde nationaliteit, rechtsgeldig vastgesteld wie de vader is. De man van wie het vaderschap is vastgesteld, is vanaf zijn geboorte Nederlander. De rechterlijke uitspraak heeft op 12 mei 2004 kracht van gewijsde gekregen.
### 4-6. Ad [artikel 4 zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)
### paragraaf 2. Erkenning en wettiging van minderjarigen vóór 1 april 2003
### paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man
### **AFDELING 3 ARTIKEL 10:107 BW TOT EN MET ARTIKEL 10:111 BW**
### Artikel 6
### Artikel 5
### paragraaf 2. Gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:253t BW
### **AFDELING 3 ARTIKEL 10:107 BW TOT EN MET ARTIKEL 10:111 BW**
Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht adoptie (Wcad) vervallen. Vanaf die datum is artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing. De hierboven opgenomen wettekst is nog niet aangepast. Voor de artikelen 6 en 7 dient gelezen te worden de artikelen 10:108 en 10:109 BW. Artikel 10:112 BW bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing is (met terugwerkende kracht) vanaf 1 januari 2004.
### 6-1-a. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### 6-1-b. Toelichting ad [artikel 6 eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### 6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c
‘Een verklaring van de ouders als bedoeld in het tweede, derde, vierde of zesde lid kan slechts ten aanzien van de geslachtsnaam van het eerste kind, tot wie beide ouders in familierechtelijke betrekking staan worden afgelegd. Onverminderd het zevende lid, hebben volgende kinderen van dezelfde ouders dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind, met dien verstande dat in het geval dat volgende kinderen blijkens de geboorteakte of krachtens toepasselijk recht een naam hebben die afwijkt van de naam van het eerste kind, de ouders kunnen verklaren dat het desbetreffende kind dezelfde geslachtsnaam zal hebben als het eerste kind’.
### paragraaf 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht
### paragraaf 2.2.1. Vormvereisten: afleggen in persoon
### paragraaf 3.13.3. Afleggen verklaring van verbondenheid
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Geen.
### 2-3. Toelichting ad artikel 2, derde lid
### paragraaf 3. Wettelijk vertegenwoordiger
N.B. Door erkenning of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap ontstaan familierechtelijke betrekkingen met het kind. Dit is echter niet hetzelfde als het uitoefenen van het gezag over het kind. Een erkenner of degene van wie gerechtelijk is vastgesteld dat hij de vader is, heeft (nog) geen gezag over het kind en kan derhalve niet worden aangemerkt als de wettelijk vertegenwoordiger. Los van de erkenning of de gerechtelijke vaststelling kan hij dit gezag met inachtneming van de daarvoor geldende bepalingen wel verkrijgen.
### 4-1. Ad artikel 4, eerste lid
### Artikel 3
### 4-5. Ad artikel 4, vijfde lid
### 5a-2. Toelichting ad artikel 5a, tweede lid (zwakke adoptie)
Alleen het ten tijde van de geboorte gehuwd zijn van de Nederlandse vrouw met de niet-Nederlandse vrouw uit wie het kind is geboren, leidt nog niet tot het juridisch moederschap van de Nederlandse vrouw. Voor het tot stand komen van het juridisch moederschap van de duomoeder geldt een aanvullende voorwaarde die verband houdt met de wijze van conceptie van het kind. [Artikel 1:198, eerste lid, aanhef en onder b BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=198) eist een verklaring inzake de wijze van conceptie (anonieme zaaddonor).
### 4-2. Ad artikel 4, tweede lid
### 4-6. Ad [artikel 4 zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)
### paragraaf 2.1. Gezamenlijk gezag bij geboorte op grond van artikelen 1.253aa en 1:253sa BW
### paragraaf 4. Kind geboren op of na 1 januari 1985, buitenlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
### 4-4. Ad artikel 4, vierde lid
### Artikel 6
### paragraaf 3. Overgangsregeling
### paragraaf 2. Erkenning en wettiging van minderjarigen vóór 1 april 2003
### 4-4. Toelichting ad [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)
### 4-4. Toelichting ad [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)
### 5-3. Toelichting ad artikel 5, derde lid (zwakke adoptie)
### 4-6. Ad [artikel 4 zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)
### 6-1-b. Toelichting ad [artikel 6 eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### 5-4. Toelichting ad artikel 5, vierde lid
### Paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
### 6-1-i. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### 6-1-a. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
E is het kind van de Zwitserse moeder F. E heeft geen juridische vader. E heeft uitsluitend de Zwitserse nationaliteit. E groeit sinds haar geboorte op in het gezin van moeder F en de vrouwelijke Nederlandse G, met wie moeder F al voor de geboorte van E een in Nederland geregistreerd partnerschap was aangegaan. E wordt drie jaar ononderbroken door moeder F en de Nederlandse G verzorgd en opgevoed. Daarna kan ten behoeve van F een optieverklaring worden afgelegd. Als aanvullende voorwaarde geldt dat E op dat moment niet meerderjarig mag zijn en geen hoofdverblijf in Zwitserland mag hebben. Als E op het moment van de optieverklaring ouder is dan zestien jaar, geldt bovendien het openbare orde vereiste van [artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
De twintigjarige A, van Dominicaanse nationaliteit, heeft van haar tweede tot haar achttiende jaar in Curaçao gewoond. Zij was daar in het bezit van een vergunning tot verblijf bij moeder. Sindsdien woont zij in verband met haar studie medicijnen aan de Rijksuniversiteit Utrecht in Nederland. Zij is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (verblijfsdocument I) in verband met het volgen van studie. Dit is een verblijfsrecht dat naar zijn aard tijdelijk is. A is van onbesproken gedrag. Zij kan bij de burgemeester van haar woonplaats opteren voor de Nederlandse nationaliteit. Immers, zij heeft sinds haar tweede jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk gehad. Thans heeft zij toelating in het Koninkrijksdeel waar zij hoofdverblijf heeft. Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor studie is rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, aanhef en onder a, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### Paragraaf 1.4. Voorbeelden: welke situaties vallen onder de optiemogelijkheid
### Paragraaf 1.1. Erkenning kind jonger dan zeven jaar
### Paragraaf 1.5. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Paragraaf 1.3. Bezit Nederlandse nationaliteit adoptiefmoeder ten tijde van onherroepelijk uitspraak
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
### paragraaf 2. Rechtshandelingen minderjarigen door tussenkomst van wettelijke vertegenwoordiger
### 4-alg. Toelichting algemeen
Postnatale erkenning of wettiging van een kind door een niet-Nederlandse man leidt echter ook tot verkrijging de Nederlandse nationaliteit, maar dan vanaf de datum van erkenning of wettiging op grond van dit artikellid (en ook op grond van [artikel 3, derde lid (oud) RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3)).
### 4-2. Ad artikel 4, tweede lid
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikel 1:207](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=207)
### 4-4. Toelichting ad [artikel 4, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4)
### paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
### 5-4. Toelichting ad artikel 5, vierde lid
### 5-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man
Op 1 januari 2012 is de [Wet conflictenrecht adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015330) (Wcad) vervallen. Vanaf die datum is [artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=103) van toepassing. De hierboven opgenomen wettekst is nog niet aangepast. Voor de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015330&artikel=6) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015330&artikel=7) dient gelezen te worden de [artikelen 10:108](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=108) en [10:109 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=109). [Artikel 10:112 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=112) bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing is (met terugwerkende kracht) vanaf 1 januari 2004.
### paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man
### paragraaf 2. Erkenning en wettiging van minderjarigen vóór 1 april 2003
### paragraaf 3.1. Bewijslast opvoeding en verzorging
### Paragraaf 1.2. Bezit Nederlandse nationaliteit moeder ten tijde van geboorte van kind
EG-Verdrag: artikel 50
### 8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 1. Algemeen
### 8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van Vw 2000
### paragraaf 2.1. Verblijfsvergunningen
Op grond van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zijn de volgende verblijfsvergunningen vastgesteld:
In het advies aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt melding gemaakt van de omstandigheden die hebben geleid tot het vermoeden dat de verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht dan nader worden onderzocht.
### paragraaf 2.1. Verblijfsvergunningen
Het verblijfsdocument W dient als bewijs van rechtmatig verblijf in Nederland voor asielzoekers die in afwachting zijn van een definitief besluit op hun asielaanvraag, voor vreemdelingen die op medische gronden niet uitzetbaar zijn en voor vreemdelingen ten aanzien van wie is besloten dat verstrekkingen op grond van de [Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685) niet worden beëindigd.
### paragraaf 2.2. Verblijfsdocumenten
In [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) bij dit artikellid wordt het gestelde in paragraaf 2.1 en 2.2 schematisch weergegeven.
Het verblijfsdocument W dient als bewijs van rechtmatig verblijf in Nederland voor asielzoekers die in afwachting zijn van een definitief besluit op hun asielaanvraag, voor vreemdelingen die op medische gronden niet uitzetbaar zijn en voor vreemdelingen ten aanzien van wie is besloten dat verstrekkingen op grond van de [Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006685) niet worden beëindigd.
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
In het kader van de [Wet modern migratiebeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027930), dat per 1 juni 2013 in werking is getreden, is het stelsel van verblijfsvergunningen vereenvoudigd en gestroomlijnd. De beperkingen waaronder een verblijfsvergunning kan worden verleend is in aantal verminderd. Zie hiervoor [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) bij dit artikellid. In deze bijlage wordt tevens aangegeven of er op grond van de beperking al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet.
### Paragraaf 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
Voorbeeld: een vreemdeling die op 1 januari 2013 houder is van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar’ (tijdelijk verblijfsrecht tot 1 juni 2013), geldig tot 1 december 2015, wordt vanaf 1 juni 2013 aangemerkt als houder van een verblijfsvergunning ‘arbeid in loondienst’ (niet tijdelijk verblijfsrecht). Deze vreemdeling kan dus, als hij voldoet aan alle voorwaarden, vanaf 1 juni 2013 in aanmerking komen voor naturalisatie.
In [artikel 3.4 Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) staan de beperkingen waaronder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend. De beperking wordt vermeld op het verblijfsdocument. In [artikel 3.5, tweede lid, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) is bepaald of een verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een tijdelijk karakter heeft of niet. Is de verblijfsvergunning verleend onder een andere beperking, dan is het verblijf van de vreemdeling in beginsel niet-tijdelijk van aard. Het kan echter voorkomen dat bij de verlening van een verblijfsvergunning of in een beleidsregel is aangegeven dat het verblijfsrecht toch tijdelijk van aard is.
### 8-1-c. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
Het gaat te ver om in de naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning die naar zijn aard al dan niet tijdelijk is. De naturalisatieprocedure is daar niet op ingericht en is daar ook niet voor bedoeld. Inzet van de naturalisatieprocedure is evenmin de vraag of de verblijfsvergunning die de verzoeker bezit al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Vragen over de verlening, de intrekking dan wel de niet-verlenging van een verblijfsvergunning behoren in beginsel inzet te zijn van een vreemdelingenrechtelijke procedure op grond van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825). Daarom wordt in het kader van de behandeling van een verzoek om naturalisatie in het algemeen geen fictietoets toegepast, waarbij wordt bezien of de verzoeker die niet in het bezit is van een verblijfstitel om voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven, daarvoor wel in aanmerking zou kunnen komen als daarom zou worden gevraagd. Als vreemdelingrechtelijke vragen zich bij het indienen van een verzoek voordoen, moet de verzoeker worden verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ([artikel 36, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). In gevallen waarin een verzoeker in het geheel niet in het bezit is van een verblijfsdocument, niet bereid is om een verblijfsdocument te verkrijgen en niettemin een verzoek om naturalisatie wil indienen, zal de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het verzoek afwijzen.
### paragraaf 2. Procedure
Aan de hand van het verblijfsdocument van de verzoeker en met behulp van de [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2016-07-01&g=2016-07-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2016-07-01&g=2016-07-01) kan worden beoordeeld of er al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker moet bij de indiening van het verzoek de gegevens en bescheiden verschaffen die voor de beslissing nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken ([artikel 4:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2)). Hij verstrekt bij de indiening de tegenwoordige en, voor zoveel nodig, de gegevens met betrekking tot de eerdere verblijfsrechtelijke status ([artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)).
Hoewel de verzoeker bij de indiening van het verzoek moet aantonen of er ten aanzien van hem al dan niet bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd bestaan, is uiteindelijk doorslaggevend of er op het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie dergelijke bedenkingen bestaan. Als op het moment van de indiening van het verzoek wel, maar op het moment van de beslissing geen bedenkingen bestaan, kan het verzoek toch worden ingewilligd (als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). Ook omgekeerd geldt: als op het moment van de indiening van het verzoek geen, maar op het moment van de beslissing wel bedenkingen bestaan, komt de verzoeker niet in aanmerking voor naturalisatie. Als de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat er tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Als de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21.
### Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase
Op grond van [artikel 3.93, eerste lid, aanhef en onder a, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) kunnen vreemdelingen die werkzaam zijn geweest bij een ambassade of een consulaat in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument II) als zij tien aaneengesloten jaren in Nederland hebben verbleven, de geprivilegieerde status niet door eigen toedoen hebben verloren en zij beschikken over voldoende middelen van bestaan die nog gedurende ten minste een jaar beschikbaar zijn. Deze personen kunnen ook in plaats van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument II) een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene (verblijfsdocument V) aanvragen. Zie [hoofdstuk B12, Vc 2000](onbekend).
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
Als er aanwijzingen bestaan dat een verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd, kunnen er – ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument – wél bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker wordt ontraden een verzoek in te dienen en hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
In het advies aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt melding gemaakt van de omstandigheden die hebben geleid tot het vermoeden dat de verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht dan nader worden onderzocht.
### Paragraaf 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht
Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning met een andere beperking die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. Ook hier geldt – om bovengenoemde redenen – dat verzoeker wordt ontraden om een verzoek in te dienen en dat hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) bij de toelichting op dit artikellid. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument (dus geen fictietoets) met behulp van [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd.
### Paragraaf 2.1.2. Aanvraagfase
Omdat niet in één oogopslag te zien is of een Turkse onderdaan verblijfsrecht ontleent aan besluit 1/80, zal hij, om in aanmerking te komen voor naturalisatie, in principe met een verblijfsvergunning moeten aantonen dat hij verblijfsrecht heeft in Nederland. Heeft hij (een tijdje) geen verblijfsvergunning (gehad) en stelt hij het voor naturalisatie tot Nederlander juiste verblijfsrecht te hebben (gehad) op grond van besluit 1/80, dan zal betrokkene bij de IND een verblijfsrechtelijke beslissing (beschikking) moeten aanvragen en verkrijgen waarin is neergelegd dat hij daadwerkelijk op genoemde grond verblijfsrecht heeft (gehad) ([artikel 36, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Betrokkene zal bij een dergelijke verblijfsrechtelijke aanvraag de juiste stukken aan de IND moeten overleggen waaruit blijkt dat hij voldoet of heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 (Turkse werknemers) of in artikel 7 (gezinsleden van Turkse werknemers) van besluit 1/80.
Als niet direct te zien is of een Turkse onderdaan verblijfsrecht met een niet-tijdelijk karakter ontleent aan Associatiebesluit 1/80 moet betrokkene zich dus voorafgaand aan de indiening van het naturalisatieverzoek tot de IND wenden om zijn verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard te laten vastleggen in een verblijfsrechtelijke beschikking.
Alleen als betrokkene er op staat om tóch, ondanks het ontbreken van het juiste verblijfsdocument of een beschikking van de IND zoals hierboven omschreven, zijn naturalisatieverzoek in te dienen, dan mag de gemeente die indiening niet weigeren en moet de procedure gevolgd worden zoals omschreven in [paragraaf 3.1 van de toelichting op artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
### paragraaf 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen
EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen, alsmede hun familieleden – ongeacht hun nationaliteit – die verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, worden aangeduid als gemeenschapsonderdanen. Gemeenschapsonderdanen zijn niet in alle gevallen ook burgers van de Europese Unie. Zo zijn de familie- of gezinsleden van EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht of de genoemde Overeenkomst, maar die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, wel gemeenschapsonderdaan maar niet burger van de Unie.
### paragraaf 3.7. Minderjarigen
Voor 1 april 2003 kon aan minderjarige kinderen het Nederlanderschap worden verleend op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) (de zogenaamde na-naturalisatie) dan wel op grond van [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) (medeverlening). In beide gevallen was vereist dat er geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba van het kind mochten bestaan. Dit vereiste is na 1 april 2003 opgenomen in artikel 11 RWN, waarin is bepaald dat het kind voor wie (mede)naturalisatie wordt verzocht ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij artikel 11 RWN). Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN).
Vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten voor een diplomatieke zending, consulaire post of een internationale organisatie en hun gezinsleden hebben een bijzondere status. Zij kunnen worden onderscheiden in twee hoofdgroepen.
EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen hebben (in beginsel) het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien zij:
### paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
### Bijlage 6
### Paragraaf 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel
Na beëindiging van het dienstverband met een ambassade, een consulaat of een internationale organisatie komt de bijzondere status van bovenstaande categorieën vreemdelingen te vervallen. De bepalingen van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zijn dan onverkort van toepassing.
Op grond van [artikel 3.93, eerste lid, aanhef en onder a, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) kunnen vreemdelingen die werkzaam zijn geweest bij een ambassade of een consulaat in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument II) als zij tien aaneengesloten jaren in Nederland hebben verbleven, de geprivilegieerde status niet door eigen toedoen hebben verloren en zij beschikken over voldoende middelen van bestaan die nog gedurende ten minste een jaar beschikbaar zijn. Deze personen kunnen ook in plaats van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument II) een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene (verblijfsdocument V) aanvragen. Zie [hoofdstuk B12, Vc 2000](onbekend).
Vreemdelingen die als geprivilegieerde werkzaam zijn geweest bij een internationale organisatie kunnen in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd of een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene als zij tien aaneengesloten jaren in Nederland hebben verbleven en zij beschikken over voldoende middelen van bestaan die nog gedurende ten minste een jaar beschikbaar zijn. Voor deze categorie vreemdelingen geldt daarnaast dat de periode van verblijf onder het regime van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) mag meetellen voor de vereiste termijn van tien jaren.
Voorts kan op grond van [artikel 3.93, eerste lid, aanhef en onder b, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden verleend aan een meerderjarige vreemdeling die tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven op grond van een bijzondere geprivilegieerde status als geaccrediteerd lid van het administratief, technisch of bedienend personeel dan wel als particulier bediende, in dienst van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post. Dit betreft vreemdelingen die tien jaar aaneengesloten verblijf hebben gehad op grond van een geprivilegieerde status. Deze vreemdelingen kunnen na tien jaar geprivilegieerd te zijn geweest in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning.
### Paragraaf 2.3.3. Beroep ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
Uiteraard kunnen ook onderdanen uit de EU- en EER-landen de bijzondere geprivilegieerde status bezitten. Zo kunnen deze vreemdelingen die bij een missie of internationale organisatie werken bijvoorbeeld van rechtswege een verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht, omdat zij zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan en niet ten laste komen van de publieke middelen (economisch niet-actieven). Zij kunnen in het bezit zijn van een verblijfsdocument EU/EER. In dat geval wordt door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument met behulp van [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) bij dit artikellid beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde duur.
Als een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Als hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01). Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht.
### Paragraaf 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
Het betreft vreemdelingen die door diplomatieke zendingen of consulaire posten op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn geworven om voor de missie werkzaamheden te verrichten. Voordat zij die werkzaamheden zijn gaan verrichten verbleven zij reeds rechtmatig op grond van de Vreemdelingenwet (1965 dan wel [2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)) in Nederland. Zij dienen zich als ingezetene in te laten schrijven in de BRP en zich te melden bij de korpschef van het regionale politiekorps. De Vw 2000 is op hen (en hun gezinsleden) van toepassing (net zoals de Vw 1965 op hen van toepassing was) en zij dienen in het bezit te zijn van een verblijfsdocument. Aan de hand van dat verblijfsdocument kan worden bepaald of er bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland bestaan. Als een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Als hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01). Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht.
Als een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Als hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2016-07-01&g=2016-07-01). Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht.
Er bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd ten opzichte van verzoekers op wie de [Wet van 9 september 1976](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) (**Stb.**1976, 468) betreffende de positie van Molukkers van toepassing is. Zij zijn geen Nederlanders en evenmin vreemdelingen in de zin van de [Vreemdelingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Zij worden behandeld als Nederlanders. Zij mogen zonder meer in Nederland verblijven. Zij kunnen worden genaturaliseerd, mits zij uiteraard aan de overige daartoe gestelde voorwaarden in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) voldoen.
Ten aanzien van Molukkers die op grond van de [wet van 9 september 1976](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) worden behandeld als Nederlander, dient in de BRP te zijn aangetekend: ‘Behandeld als Nederlander’.
**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft.**
Voor 1 april 2003 kon aan minderjarige kinderen het Nederlanderschap worden verleend op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) (de zogenaamde na-naturalisatie) dan wel op grond van [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) (medeverlening). In beide gevallen was vereist dat er geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba van het kind mochten bestaan. Dit vereiste is na 1 april 2003 opgenomen in artikel 11 RWN, waarin is bepaald dat het kind voor wie (mede)naturalisatie wordt verzocht ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij artikel 11 RWN). Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN).
Ten aanzien van Molukkers die op grond van de [wet van 9 september 1976](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) worden behandeld als Nederlander, dient in de BRP te zijn aangetekend: ‘Behandeld als Nederlander’.
### paragraaf 3.7. Minderjarigen
Voor 1 april 2003 kon aan minderjarige kinderen het Nederlanderschap worden verleend op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) (de zogenaamde na-naturalisatie) dan wel op grond van [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) (medeverlening). In beide gevallen was vereist dat er geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba van het kind mochten bestaan. Dit vereiste is na 1 april 2003 opgenomen in artikel 11 RWN, waarin is bepaald dat het kind voor wie (mede)naturalisatie wordt verzocht ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij artikel 11 RWN). Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN).
Er is sprake van toelating voor onbepaalde tijd als het verblijfsrecht naar zijn aard niet tijdelijk is. Voor de vraag of kinderen in de verlening of verkrijging kunnen delen, is de aard van het verblijfsrecht beslissend. Als de ouder(s) aan wie het kind het verblijf ontleent in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, is het verblijfsrecht van het kind, ook al betreft het een vergunning asiel voor bepaalde tijd, naar zijn aard niet-tijdelijk. Echter, als de ouder(s) in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en het kind houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt het kind geacht toelating voor onbepaalde tijd te hebben als de ouder(s) om medeverlening verzoekt (verzoeken). Kinderen van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kunnen dus, als zij aan de overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen, delen in de naturalisatie van de ouder(s).
In het geval beide ouders om medeverlening hebben verzocht, maar slechts één van hen in aanmerking komt voor naturalisatie, zal het kind met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd delen in de naturalisatie van die ouder. In dit geval is het niet van belang vanwege welke ouder het minderjarige kind het afhankelijke asiel verblijfsrecht heeft verkregen.
De minderjarige Amin is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze verblijfsvergunning heeft hij verkregen in het kader van de tijdige nareis bij zijn vader die inmiddels in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Zijn moeder is ook in het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Beide ouders doen een verzoek tot naturalisatie en verzoeken tevens om medeverlening aan Amin.
De vader komt niet in aanmerking voor naturalisatie. De moeder wel. Ondanks dat het verblijfsrecht van Amin afhankelijk is van zijn vader, komt hij wel in aanmerking voor medeverlening. Immers, moeder voldoet wel en heeft ook om medeverlening voor Amin verzocht.
In het geval beide ouders om medeverlening hebben verzocht, maar slechts één van hen in aanmerking komt voor naturalisatie, zal het kind met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd delen in de naturalisatie van die ouder. In dit geval is het niet van belang vanwege welke ouder het minderjarige kind het afhankelijke asiel verblijfsrecht heeft verkregen.
De minderjarige Amin is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze verblijfsvergunning heeft hij verkregen in het kader van de tijdige nareis bij zijn vader die inmiddels in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Zijn moeder is ook in het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Beide ouders doen een verzoek tot naturalisatie en verzoeken tevens om medeverlening aan Amin.
### paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een andere verblijfscategorie. Zie hiervoor [paragraaf 3.3.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01)
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
Let op! Een verzoeker die verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de **Assiociatieraad** EU-Turkije kan ook met een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter in aanmerking komen voor naturalisatie. Zie voor meer uitleg paragraaf 3.3 van de toelichting op [artikel 8, eerste lid, onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8).
### Bijlage 4
### Bijlage 5
Let op! Een verzoeker die verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de **Assiociatieraad** EU-Turkije kan ook met een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter in aanmerking komen voor naturalisatie. Zie voor meer uitleg paragraaf 3.3 van de toelichting op [artikel 8, eerste lid, onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8).
Op 1 januari 2013 is de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) gewijzigd. Kort komt het erop neer dat het Elektronisch Praktijkexamen (EPE) en het decentraal praktijkexamen zijn vervallen. Tot 1 januari 2015 was er een overgangstermijn waarin kandidaten gebruik konden maken van de oude examens. In plaats van deze twee examens zijn er drie nieuwe examenonderdelen bij gekomen. De vaardigheden lezen, luisteren en schrijven in de Nederlandse taal op niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen van de verzoeker worden getoetst. De onderdelen Toets Gesproken Nederlands (TGN) en Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) blijven bestaan.
### 8-1-c. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft.**
### Bijlage 7. EU/EER- of Zwitserse onderdaan
In het kader van de integratie van het vreemdelingenbeleid in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) is met ingang van 1 april 2003 in het onderhavige artikellid bepaald dat verzoeker gedurende de vereiste periode van vijf jaar in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba ‘toelating en hoofdverblijf’ moet hebben. Deze bepaling is bedoeld om te voorkomen dat een vreemdeling rechten opbouwt in een periode dat hij geen recht heeft om in het Koninkrijk te verblijven.
Van ‘toelating’ in Nederland als bedoeld in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) is sprake als de verzoeker rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). De verzoeker moet dit rechtmatige verblijf aan de hand van een verblijfsdocument aantonen (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN).
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
Voor asielzoekers in de centrale opvang wordt hierop een uitzondering gemaakt: zij worden na een verblijf van een half jaar in de centrale opvang als ingezetene in de BRP ingeschreven. Als de BRP-gegevens niet afdoende blijken, moet de verzoeker zijn hoofdverblijf gedurende de afgelopen vijf jaar zelf aan tonen door middel van andere bewijsstukken. Het begrip ‘hoofdverblijf’ is gedefinieerd in [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) (zie de toelichting bij dat artikellid).
### Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
Voor asielzoekers in de centrale opvang wordt hierop een uitzondering gemaakt: zij worden na een verblijf van een half jaar in de centrale opvang als ingezetene in de BRP ingeschreven. Als de BRP-gegevens niet afdoende blijken, moet de verzoeker zijn hoofdverblijf gedurende de afgelopen vijf jaar zelf aan tonen door middel van andere bewijsstukken. Het begrip ‘hoofdverblijf’ is gedefinieerd in [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) (zie de toelichting bij dat artikellid).
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
De periode dat deze vreemdeling op basis van een geprivilegieerde status in Nederland heeft verbleven, en derhalve ingeschreven heeft gestaan in het daarvoor bestemde register bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, geldt als toelating in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738), mits deze periode onmiddellijk voorafging aan de toelating in het kader van de Vreemdelingenwet. Deze (onafgebroken) periode mag worden meegeteld voor de vereiste termijn van vijf jaren toelating in het kader van naturalisatie.
Het verblijf als geprivilegieerde moet worden aangetoond door middel van het overleggen van een originele verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ingeval van contra-indicatie dat het verblijf als geprivilegieerde, ondanks de verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, niet onafgebroken is geweest, kan contact worden opgenomen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Naast rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), mag in het kader van een naturalisatieverzoek als ‘toelating en hoofdverblijf’ in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) worden beschouwd de verblijfsperiode in Nederland als geprivilegieerde vreemdeling, werkzaam bij een internationale organisatie, dat onder specifieke voorwaarden geldt als toelating in hierboven bedoelde zin.
De periode dat deze vreemdeling op basis van een geprivilegieerde status in Nederland heeft verbleven, en derhalve ingeschreven heeft gestaan in het daarvoor bestemde register bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, geldt als toelating in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738), mits deze periode onmiddellijk voorafging aan de toelating in het kader van de Vreemdelingenwet. Deze (onafgebroken) periode mag worden meegeteld voor de vereiste termijn van vijf jaren toelating in het kader van naturalisatie.
Let op! Voor deze bepaling geldt overgangsrecht. Zie de [toelichting bij artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2017-03-01&g=2017-03-01), onder ‘Overgangsrecht’.
Het begrip inburgering is tweeledig: enerzijds moet de verzoeker beschikken over kennis van de Nederlandse taal en anderzijds moet hij zich hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving.
### Paragraaf 1. Algemeen
Verzoekers die op of na 1 april 2007 een verzoek om naturalisatie hebben ingediend, moeten het in 2007 ingevoerde inburgeringsexamen hebben afgelegd. In sommige gevallen kan verzoeker in aanmerking komen voor een (gedeeltelijke) vrijstelling of ontheffing van het inburgeringsexamen. Op basis van een advies van de burgemeester stelt Onze Minister vast of verzoeker (gedeeltelijk) vrijgesteld is en beoordeelt hij of de verzoeker in aanmerking komt voor ontheffing.
Op 1 januari 2013 is de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) gewijzigd. Kort komt het erop neer dat het Elektronisch Praktijkexamen (EPE) en het decentraal praktijkexamen zijn vervallen. Tot 1 januari 2015 was er een overgangstermijn waarin kandidaten gebruik konden maken van de oude examens. In plaats van deze twee examens zijn er drie nieuwe examenonderdelen bij gekomen. De vaardigheden lezen, luisteren en schrijven in de Nederlandse taal op niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen van de verzoeker worden getoetst. De onderdelen Toets Gesproken Nederlands (TGN) en Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) blijven bestaan.
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.4¶graaf=3.13.4.2&z=2014-09-01&g=2014-04-01) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
Verzoekers die na 1 januari 2013 zijn begonnen met het afleggen van het inburgeringsexamen, zullen dus zowel het inburgeringsexamen oude stijl als nieuwe stijl kunnen doen.
### paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### Paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
### Bijlage 8
In het kader van de naturalisatietoets zijn twee categorieën vreemdelingen vrijgesteld van het afleggen van onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt. Zie hiervoor [paragraaf 2.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) Gedeeltelijke vrijstelling.
De taken met betrekking tot de uitvoering van de Wet inburgering zijn op 1 januari 2013 overgegaan van de gemeente naar de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. De Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO) voert deze taken in mandaat namens de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel uit. Het gaat hier om handhaving van de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtige vreemdelingen die op of na 1 januari 2013 rechtmatig verblijf krijgen in Nederland. De gemeente blijft de handhaving verzorgen van vreemdelingen die voor 1 januari 2013 al rechtmatig verblijf hadden in Nederland.
Aan het inburgeringsexamen is aan het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving vanaf 1 januari 2015 het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt toegevoegd. Voor meer toelichting op het nieuwe examenonderdeel, zie de nota van Toelichting bij het Besluit van 16 oktober 2014 tot wijziging van het Besluit inburgering en het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de toevoeging van een praktijkexamen ten behoeve van de oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt aan het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving en enkele andere wijzigingen (Stb 2014, 404).
Aan de indiening van het verzoek om naturalisatie gaat een voorlichtingsfase vooraf, waarin de burgemeester de aspirant-verzoeker zal infomeren over het inburgeringsvereiste. In dit stadium behoeft deze laatste nog geen verzoek om naturalisatie in te dienen en dus ook geen naturalisatiegelden te voldoen. De burgemeester legt dan ook geen dossier aan, totdat door de verzoeker een verzoek om naturalisatie daadwerkelijk wordt ingediend. In de regel gebeurt dit pas nadat betrokkene het inburgeringsexamen heeft afgelegd en het bijbehorende inburgeringsdiploma kan overleggen.
De burgemeester verstrekt tijdens de voorlichtingsfase een brochure en informatie over het inburgeringsexamen en verwijst betrokkene naar DUO. De burgemeester wijst erop dat voor naturalisatie alle onderdelen van het examen moeten zijn behaald op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen.
Dit is het inburgeringsexamen nieuwe stijl. Het examen op niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader bestaat uit de volgende onderdelen:
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
Het examen wordt afgenomen door DUO namens de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. DUO verstrekt informatie over de inhoud van het examen. De tarieven voor de onderdelen van het examen zijn vastgesteld in [artikel 3.1 van de Regeling inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020657&artikel=3.1). Deze staan ook op www.inburgeren.nl en www.ind.nl.
Het inburgeringsexamen bestaat vanaf 1 januari 2015 uit de volgende onderdelen
Behalve het onderdeel schrijfvaardigheid worden alle andere onderdelen met de computer afgenomen.
De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het in het eerste lid, van [artikel 5, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) bedoelde inburgeringsdiploma (bedoeld in [artikel 14, tweede lid van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=14) zoals dat luidde tot 1 januari 2013) of diploma (bedoeld in [artikel 7, vierde lid, aanhef en onder g van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7)) over waaruit blijkt dat alle onderdelen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen zijn behaald, tenzij hij voor (gedeeltelijke) vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt ([artikel 34, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34)). Als de verzoeker niet voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt (of daarover moet in het geval van ontheffing nog nader onderzoek plaatsvinden), noch het inburgeringsdiploma op het juiste niveau kan overleggen, wordt hem door de burgemeester ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wordt verzoeker door de burgemeester erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND kan worden afgewezen, en dat hij de betaalde naturalisatiegelden niet terug krijgt. Geadviseerd wordt dat de burgemeester de verzoeker een verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’ laat ondertekenen. Deze verklaring is opgenomen in de handleiding als [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
Als de verzoeker het inburgeringsdiploma met daarop het juiste niveau overlegt, neemt de burgemeester dit op in zijn advies en voegt een kopie van het origineel van het diploma in het dossier aan de IND. Een ander kopie van het origineel houdt hij voor zichzelf. Het diploma wordt weer aan verzoeker overhandigd.
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
### Paragraaf 2.3.3. Beroep ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
De verzoeker kan een beroep doen op een vrijstellingsgrond als genoemd in [artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3). Hij moet aantonen dat hij behoort tot een van de volgende categorieën vrijgestelde personen:
### paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij DUO
De verzoeker die een certificaat oudkomers overlegt met alle taalonderdelen ten minste op niveau 2 en de bijbehorende verklaring onderwijsinstelling, is vrijgesteld van:
### Paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
De verzoeker is vrijgesteld van het onderdeel Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) als hij de volgende documenten overlegt:
### Paragraaf 3.1. Polygamie
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl, of de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultaatbrief ‘geslaagd’ voor de hiervoor genoemde examenonderdelen.
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
De verzoeker die een WIN-certificaat overlegt met alle taalonderdelen ten minste op niveau 2 en de bijbehorende verklaring van de onderwijsinstelling, is vrijgesteld van:
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
### Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultaatbrief ‘geslaagd’ voor het examenonderdeel KNS.
### Paragraaf 3.1. Polygamie
Let op! Verklaringen die zijn afgegeven zonder dat de deelnemers zijn getoetst, bijvoorbeeld als een deelnemer (door ziekte) niet aanwezig is op het moment van toetsing, leiden niet tot vrijstelling van het afleggen van de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl of de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl. Deze verklaringen worden veelal ‘bewijzen van deelname’ genoemd.
### paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
De verklaring moet ieder geval de volgende gegevens bevatten:
### paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
De meeste ROC’s noemen de Verklaring educatie een ‘schoolverklaring’, ‘certificaat’ of ‘diploma’. Daarnaast komen benamingen voor als ‘niveauoverzicht NT2’ of ‘scorelijst NT2’, ‘(toets)rapport’, ‘verklaring leerresultaten’, of ‘verklaring Trajecttoets/NIVOR-toets’.
**Ad c.**
Met echtheidskenmerken wordt een logo of een stempel van het ROC bedoeld. De naam en de handtekening van de verantwoordelijke van het ROC zijn relevant om de herkomst van het document te kunnen achterhalen en om bij twijfel over de echtheid van het document de toner te kunnen verwijzen naar het opleidingencentrum dat verantwoordelijk is geweest voor afgifte van het document. De verantwoordelijke kan de directeur of een mentor van een ROC zijn.
**Ad f.**
Alleen als alle toetsonderdelen voor 1 januari 2007 zijn behaald kan er vrijstelling worden verleend. Let op! Deze verklaring educatie kan nimmer vrijstelling verlenen voor het onderdeel KNS van het inburgeringsexamen.
De verzoeker is vrijgesteld van het afleggen van de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl of de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl, als hij één van de volgende documenten overlegt:
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
### Bijlage 8
**Ad a:**
### Paragraaf 2.3.1. Inleiding
**Ad b:**
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
### Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
### 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
De verwachting bij 2 is dat het hier voornamelijk zal gaan om vreemdelingen die voor 1 januari 2015 al bezig zijn met (onderdelen van) het examen. Dit sluit natuurlijk niet uit dat ook vreemdelingen zich nog voor 1 januari 2015 voor het eerst zullen aanmelden voor het examen en tijdig een bedrag overmaken zodat zij het nieuwe examenonderdeel niet hoeven te doen.
Dit betekent ook dat vreemdelingen die voor 1 januari 2015 al in het bezit zijn van een inburgeringsdiploma met alle onderdelen op niveau A2, maar pas na 1 januari 2015 een verzoek om naturalisatie indienen, niet alsnog het examenonderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt hoeven te doen. Zij kunnen met hun ‘oude’ inburgeringsdiploma een naturalisatieverzoek indienen.
Ter informatie: vreemdelingen die vanaf 1 januari 2015 inburgeringsplichtig worden, zijn niet vrijgesteld van dit examenonderdeel.
### Paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
Voor indiening van het verzoek beoordeelt de burgemeester of het overgelegde document dat recht op (gedeeltelijke) vrijstelling kan geven origineel is en of de personalia overeenkomen met die van de verzoeker. Daarnaast beoordeelt de burgemeester of het diploma of getuigschrift recht geeft op een (gedeeltelijk) vrijstelling. Bij twijfel kan contact worden opgenomen met de DUO; ook bij diploma’s verkregen/afgegeven buiten Europees Nederland.
Als de burgemeester van oordeel is dat het overgelegde document origineel is, de inhoud klopt en de personalia juist zijn, neemt hij de stukken in ontvangst. Het verzoek wordt op dit moment in behandeling genomen. De burgemeester maakt een kopie van het document en voegt die kopie met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening ‘kopie van origineel’ op in het dossier. Het origineel geeft hij terug aan verzoeker. Hij stelt een advies op waarin hij de IND meedeelt dat verzoeker naar zijn oordeel (gedeeltelijk) is vrijgesteld van het inburgeringsexamen en stuurt het advies met de kopie van het overgelegde document/de overgelegde documenten mee in het dossier aan de IND.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Voor het onderzoek naar ongeletterdheid
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 2.2. Verblijfsdocumenten
Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen.
Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van de beperking van de verblijfsvergunning van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet (zie hierna [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3&z=2016-07-01&g=2016-07-01)).
### Paragraaf 3. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken
In de overige gevallen blijkt het rechtmatig verblijf van de vreemdeling uit stickers die worden geplaatst in het document voor grensoverschrijding dan wel op een afzonderlijk inlegvel.
### paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
Let op! De verblijfsvergunningen die zijn afgegeven vóór 1 juni 2013 blijven geldig tot de geldigheidsduur verstrijkt of de vergunning is ingetrokken. De ‘oude beperking’ wordt vanaf 1 juni 2013 aangemerkt als ‘nieuwe’ beperking.
### Bijlage 6
Er zijn ook situaties denkbaar waarin de verzoeker niet beschikt over het juiste verblijfsdocument, waarin het verblijfsdocument behoort te worden ingetrokken, waarin het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen of waarin verzoeker niet behoeft te beschikken over een verblijfsdocument. In die gevallen kan niet met behulp van de [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland van de verzoeker. Voor die gevallen geldt het navolgende.
### Paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verleende verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. Voor de gronden tot intrekking dan wel niet verlenging van een verblijfsvergunning wordt verwezen naar de volgende artikelen in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823):
### Paragraaf 3.8. Buiten een land van het Koninkrijk ingediende verzoeken
Het kan voorkomen dat een verzoeker die in het bezit is van een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter, toch in aanmerking komt voor naturalisatie. Dit is het geval wanneer de verzoeker verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EU – Turkije. Een Turkse werknemer die een jaar legale arbeid heeft verricht, heeft namelijk op grond van Associatiebesluit 1/80 recht op verlenging van zijn verblijfsvergunning voor de duur van een jaar, als dezelfde werkgever nog een jaar werkgelegenheid voor de werknemer heeft en in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning. Na drie jaar is hij vrij op de arbeidsmarkt. Ook kinderen van Turkse werknemers, die in het gastland een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen verblijfsrecht ontlenen aan het Associatiebesluit.
### Paragraaf 1. Algemeen
EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen hebben (in beginsel) het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien zij:
### Paragraaf 3.8. Buiten een land van het Koninkrijk ingediende verzoeken
### Paragraaf 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel
De verzoeker wordt ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) HRWN. Door de IND zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht.
De [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is in het algemeen evenmin van toepassing op vreemdelingen (en hun gezinsleden) die in Nederland werkzaamheden verrichten voor internationale organisaties. Op grond van zetelovereenkomsten, waarin (mede) bepalingen zijn opgenomen omtrent hun verblijfsrechtelijke positie, komt aan hen en hun gezinsleden de bijzondere status toe. Door de Minister van Buitenlandse Zaken worden zij in het bezit gesteld van een speciaal identiteitsbewijs en zij beschikken niet over een verblijfsvergunning. Er bestaan bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. Dezelfde handelwijze geldt als bij uitgezonden diplomatiek of consulair personeel.
### Bijlage 1
### Bijlage 2
De familieleden van bovengenoemde categorieën die op grond van [artikel 3.93 Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (verblijfsdocument II) of een EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene (verblijfsdocument V) kunnen eveneens voor dezelfde verblijfsvergunning in aanmerking komen.
Als een ex-geprivilegieerde verzoeker (die derhalve geen ‘identiteitsbewijs geprivilegieerden’ van het ministerie van Buitenlandse Zaken meer in bezit heeft) beschikt over een verblijfsdocument kan aan de hand van dat document met behulp van [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. Indien een ex-geprivilegieerde verzoeker (nog) niet beschikt over een verblijfsdocument wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1.
### Bijlage 3
Als een ex-geprivilegieerde verzoeker (die derhalve geen ‘identiteitsbewijs geprivilegieerden’ van het ministerie van Buitenlandse Zaken meer in bezit heeft) beschikt over een verblijfsdocument kan aan de hand van dat document met behulp van [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2016-07-01&g=2016-07-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2016-07-01&g=2016-07-01) worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. Indien een ex-geprivilegieerde verzoeker (nog) niet beschikt over een verblijfsdocument wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1.
### Paragraaf 1. Algemeen
De in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) genoemde vreemdelingen kunnen ook buiten een land van het Koninkrijk verzoeken om naturalisatie. In dat geval wordt ambtshalve – aan de hand van de voorwaarden in het vreemdelingenbeleid die op de verzoeker van toepassing zouden zijn als hij om toelating in Nederland zou vragen – beoordeeld of de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, als hij daar om zou vragen. Alleen als aan hem een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard zou kunnen worden verleend, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (voor meer informatie, zie de circulaire optie/naturalisatieverzoeken in het buitenland).
### Bijlage 1
* Bij de uitkomst ‘geen bedenkingen’ in Bijlage 2 of [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) moet nog wel worden bedacht dat er geen redenen mogen bestaan om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. Zie hiervoor [paragraaf 3.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) Tevens kunnen er gevallen zijn waarbij het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen (gemeenschapsonderdanen). Zie hiervoor [paragraaf 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.4&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
### Bijlage 3
### Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase
** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2016-07-01&g=2016-07-01) moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een andere verblijfscategorie. Zie hiervoor [paragraaf 3.3.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.3&z=2016-07-01&g=2016-07-01)
Sinds 1 april 2003 geldt dat er een diploma moet worden overgelegd als bewijs dat de verzoeker als ingeburgerd kan worden beschouwd. Per die datum is de naturalisatietoets geïntroduceerd (zie de toen geldende handleiding voor een nadere uitleg van die bepaling). Sinds 1 april 2007 is geregeld dat de naturalisatietoets het inburgeringsexamen is.
### Bijlage 6
Vóór 1 april 2003 was in dit artikellid als voorwaarde opgenomen dat een verzoeker voor naturalisatie in aanmerking kon komen, als hij of zij ten minste vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek woonplaats of werkelijk verblijf in het Koninkrijk had. De vraag of verzoeker in deze periode was toegelaten, speelde daarbij geen rol (ook niet-rechtmatig verblijf werd meegeteld).
### 8-1-c. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### paragraaf 2. Procedure
In het onderhavige artikellid staat uitdrukkelijk dat de vijf jaren toelating en hoofdverblijf onmiddellijk vooraf dienen te gaan aan de indiening van het verzoek. Het heeft daarom geen zin om voortijdig een verzoek in te dienen in de veronderstelling dat in de loop van de procedure de termijn van vijf jaar zal worden gehaald. Uit de tekst van de wet vloeit voort dat een voortijdig ingediend verzoek wordt afgewezen. Uit de wettekst vloeit ook voort dat gedurende de vijf jaren vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie het verblijfsrecht van verzoeker niet onderbroken mag zijn. Het woord ‘sedert’ duidt erop dat het vereiste van ononderbroken toelating en hoofdverblijf eveneens geldt voor de periode vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met de beslissing op het verzoek. Gedurende de periode van vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek én gedurende de periode vanaf de indiening van het verzoek tot en met de beslissing op het verzoek mogen er derhalve geen zogenaamde ‘verblijfsgaten’ voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de termijn. Na de onderbreking begint opnieuw een termijn van vijf jaar te lopen.
Naast rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), mag in het kader van een naturalisatieverzoek als ‘toelating en hoofdverblijf’ in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) worden beschouwd de verblijfsperiode in Nederland als geprivilegieerde vreemdeling, werkzaam bij een internationale organisatie, dat onder specifieke voorwaarden geldt als toelating in hierboven bedoelde zin.
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
Sinds 1 april 2003 geldt dat er een diploma moet worden overgelegd als bewijs dat de verzoeker als ingeburgerd kan worden beschouwd. Per die datum is de naturalisatietoets geïntroduceerd (zie de toen geldende handleiding voor een nadere uitleg van die bepaling). Sinds 1 april 2007 is geregeld dat de naturalisatietoets het inburgeringsexamen is.
### Paragraaf 2.3.3. Beroep ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
### Paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling
De taken met betrekking tot de uitvoering van de Wet inburgering zijn op 1 januari 2013 overgegaan van de gemeente naar de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. De Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO) voert deze taken in mandaat namens de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel uit. Het gaat hier om handhaving van de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtige vreemdelingen die op of na 1 januari 2013 rechtmatig verblijf krijgen in Nederland. De gemeente blijft de handhaving verzorgen van vreemdelingen die voor 1 januari 2013 al rechtmatig verblijf hadden in Nederland.
Aan het inburgeringsexamen is aan het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving vanaf 1 januari 2015 het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt toegevoegd. Voor meer toelichting op het nieuwe examenonderdeel, zie de nota van Toelichting bij het Besluit van 16 oktober 2014 tot wijziging van het Besluit inburgering en het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de toevoeging van een praktijkexamen ten behoeve van de oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt aan het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving en enkele andere wijzigingen (Stb 2014, 404).
### paragraaf 2. Procedure
Behalve het onderdeel schrijfvaardigheid worden alle andere onderdelen met de computer afgenomen.
### 4. Afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
De verzoeker is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van de documenten en, als van toepassing, voor de vertalingen, legalisatie of apostille van de stukken. Als de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dan moet betrokkene zelf ervoor zorgen dat de stukken worden vertaald door een beëdig vertaler, bij voorkeur in het Nederlands. Deze vertaling moet gehecht zijn aan het originele (afschrift van het) document. De op dit moment geldige legalisatiecirculaire is van toepassing.
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultatenbrief ‘geslaagd’ voor het examenonderdeel KNS.
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
**Ad a.**
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
Voorbeeld van 2:
De Japanse Sonia woont sinds 2004 in Nederland en heeft sindsdien een reguliere verblijfsvergunning met de beperking ‘arbeid als zelfstandige’. Zij is niet inburgeringsplichtig en valt dus niet onder de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611). Om te naturaliseren moet zij het inburgeringsexamen/naturalisatietoets halen. In 2008 heeft zij de toenmalige Toets Gesproken Nederlands gedaan. Die heeft zij toen niet gehaald. Als zij zich in 2015 weer aanmeldt voor het inburgeringsexamen, heeft zij niet de verplichting om het onderdeel ‘oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt’ af te leggen. Haar aanmelding in 2015 wordt gezien als voortzetting van het examen waaraan zij in 2008 is begonnen.
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
De verwachting bij 2 is dat het hier voornamelijk zal gaan om vreemdelingen die voor 1 januari 2015 al bezig zijn met (onderdelen van) het examen. Dit sluit natuurlijk niet uit dat ook vreemdelingen zich nog voor 1 januari 2015 voor het eerst zullen aanmelden voor het examen en tijdig een bedrag overmaken zodat zij het nieuwe examenonderdeel niet hoeven te doen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
### 5-4. Toelichting ad artikel 5, vierde lid
### Bijlage. bij [artikel 5b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5b)
In het kader van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zijn verblijfsdocumenten vastgesteld waarover de vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en zijn verblijfsrechtelijke positie. De verblijfsdocumenten worden aangeduid met Romeinse cijfers I tot en met V. Gemeenschapsonderdanen die rechtmatig verblijf in Nederland houden op grond van een regeling krachtens het EG-Verdrag, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat kunnen in het bezit worden gesteld van een verblijfsdocument EU/EER.
### Bijlage 2. Wel/geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
Bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie zal steeds de vraag moeten worden beantwoord of er op grond van de beperking van de verblijfsvergunning van de vreemdeling bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland in de zin van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8).
### paragraaf 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen
Aan de hand van het verblijfsdocument van de verzoeker en met behulp van de [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) kan worden beoordeeld of er al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker moet bij de indiening van het verzoek de gegevens en bescheiden verschaffen die voor de beslissing nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken ([artikel 4:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2)). Hij verstrekt bij de indiening de tegenwoordige en, voor zoveel nodig, de gegevens met betrekking tot de eerdere verblijfsrechtelijke status ([artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)).
### Paragraaf 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel
Het bovenstaande neemt niet weg dat een verzoeker (met uitzondering van een verzoeker als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)) op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN op het moment van indiening van het verzoek een onafgebroken periode van vijf jaar ‘toelating’ moet hebben in Nederland als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) (zie de toelichting bij dat artikel) en dat die ‘toelating’ moet voortduren tot en met het moment van beslissen op het verzoek.
### Paragraaf 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van de verblijfsvergunning
Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verleende verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. Voor de gronden tot intrekking dan wel niet verlenging van een verblijfsvergunning wordt verwezen naar de volgende artikelen in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823):
Omdat niet in één oogopslag te zien is of een Turkse onderdaan verblijfsrecht ontleent aan besluit 1/80, zal hij, om in aanmerking te komen voor naturalisatie, in principe met een verblijfsvergunning moeten aantonen dat hij verblijfsrecht heeft in Nederland. Heeft hij (een tijdje) geen verblijfsvergunning (gehad) en stelt hij het voor naturalisatie tot Nederlander juiste verblijfsrecht te hebben (gehad) op grond van besluit 1/80, dan zal betrokkene bij de IND een verblijfsrechtelijke beslissing (beschikking) moeten aanvragen en verkrijgen waarin is neergelegd dat hij daadwerkelijk op genoemde grond verblijfsrecht heeft (gehad) ([artikel 36, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Betrokkene zal bij een dergelijke verblijfsrechtelijke aanvraag de juiste stukken aan de IND moeten overleggen waaruit blijkt dat hij voldoet of heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 (Turkse werknemers) of in artikel 7 (gezinsleden van Turkse werknemers) van besluit 1/80.
### paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
Door de zendstaat uitgezonden diplomatiek of consulair niet duurzaam verblijvend personeel (en hun gezinsleden) bezitten een bijzondere status op grond van de Weense Verdragen inzake het Diplomatiek Verkeer respectievelijk de Consulaire Betrekkingen. Zij worden door de Minister van Buitenlandse Zaken in het bezit gesteld van een speciaal identiteitsbewijs. De [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is niet op hen van toepassing. Zolang zij deze bijzondere status bezitten, beschikken zij niet (en kunnen zij ook niet beschikken) over een verblijfsvergunning op grond van Vw 2000. Er bestaan bedenkingen tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland.
### 8-1-c. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### paragraaf 2. Procedure
### 8-1-c. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (vva-bep)
### Bijlage 1
Verzoekers die op 1 januari 2013 al bezig waren met het inburgeringsexamen zoals dit luidde tot 1 januari 2013, krijgen 2 jaar de tijd om het inburgeringsexamen oude stijl af te maken. Deze verzoekers konden er ook voor kiezen om het inburgeringsexamen oude stijl niet af te maken, maar het inburgeringsexamen nieuwe stijl af te leggen. Zie voor uitgebreidere informatie over het examen zoals dat tussen april 2007 en tot 1 januari 2015 werd afgenomen in oudere teksten van de Handleiding.
### Bijlage 6
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
Het vereiste van vijf jaar ‘hoofdverblijf’ in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is opgenomen om enige garantie te verschaffen dat een bepaalde mate van inburgering tot stand is gekomen en dat de verzoeker in het Koninkrijk wil blijven wonen. Of sprake is van hoofdverblijf in Nederland wordt primair getoetst aan de hand van de gegevens uit de gemeentelijke voorziening van de BRP. Vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven en voor wie geldt dat de verwachte verblijfsduur tenminste 2/3 van een half jaar is, worden op grond van [artikel 2.4 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.4) als ingezetene in de BRP ingeschreven.
Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal de burgemeester in veel gevallen kunnen afleiden uit het verblijfsdocument en de gegevens in de BRP. In andere gevallen zal de duur van de onafgebroken toelating alleen kunnen worden beoordeeld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de hand van gegevens uit de vreemdelingenadministratie. In die situatie zal de burgemeester de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeken om aan hem een bericht omtrent toelating af te geven. Het is overigens de bedoeling dat een bericht omtrent toelating alleen wordt gevraagd als de burgemeester niet of in onvoldoende mate beschikt over voldoende gegevens. Ook in gevallen waarbij de gegevens in de BRP en het overgelegde verblijfsdocument elkaar tegenspreken of er anderszins omstandigheden zijn waardoor gerede twijfel bestaat over de juiste verblijfsrechtelijke positie van de optant of verzoeker, dient een bericht omtrent toelating te worden gevraagd. Voor de gevallen waarin en de wijze waarop een bericht omtrent toelating moet worden gevraagd, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN.
### 8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d
### 8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d
### Bijlage 8
Dit betekent dat in ieder geval vanaf 1 januari 2013 twee verschillende inburgeringsdiploma’s overgelegd kunnen worden.
### Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase
### Paragraaf 2.1.2. Aanvraagfase
### Paragraaf 2.3.1. Inleiding
De verzoeker kan een beroep doen op de gedeeltelijke vrijstellingsgronden als genoemd in [artikel 4 van de Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=4). Als de verzoeker voor gedeeltelijke vrijstelling van het inburgeringsexamen in aanmerking wil komen moet hij het volgende overleggen:
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
De burgemeester beoordeelt of het door de verzoeker getoonde document voldoet aan de criteria. Bij twijfel of het document tot vrijstelling leidt, kan de burgemeester in eerste instantie de eventueel beschikbare eigen registratie van afgegeven Verklaringen educatie, of de DUO raadplegen. De DUO geeft een advies af aan de burgemeester, dan wel eventueel later aan de IND, op basis van de modelverklaringen die door de ROC’s aan de DUO zijn geleverd en die zijn opgenomen in het door de DUO beheerde modellenboek. De burgemeester verwijst een verzoeker die niet over een origineel document beschikt, of een document toont dat niet alle benodigde gegevens ter beoordeling bevat, naar het ROC dat de verklaring heeft afgegeven, ten einde een document te verkrijgen dat aan de gestelde eisen voldoet.
### Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
### paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
Om in aanmerking te komen hiervoor moet de verzoeker:
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Voor het onderzoek naar ongeletterdheid
### paragraaf 2.2. Verblijfsdocumenten
### Paragraaf 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
### paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
### paragraaf 2. Procedure
### Paragraaf 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van de verblijfsvergunning
### Paragraaf 5.8. Vierjaartermijn
### Paragraaf 3.6. Molukkers
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
### Paragraaf 3.8. Buiten een land van het Koninkrijk ingediende verzoeken
### Bijlage 2
### Bijlage 7. EU/EER- of Zwitserse onderdaan
### Paragraaf 1. Geprivilegieerden
Verzoekers die op 1 januari 2013 al bezig waren met het inburgeringsexamen zoals dit luidde tot 1 januari 2013, krijgen 2 jaar de tijd om het inburgeringsexamen oude stijl af te maken. Deze verzoekers konden er ook voor kiezen om het inburgeringsexamen oude stijl niet af te maken, maar het inburgeringsexamen nieuwe stijl af te leggen. Zie voor uitgebreidere informatie over het examen zoals dat tussen april 2007 en tot 1 januari 2015 werd afgenomen in oudere teksten van de Handleiding.
### Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase
Om voor bovengenoemde vrijstellingsgronden in aanmerking te komen, overlegt de verzoeker bij zijn verzoek om naturalisatie het gevraagde diploma en in het geval vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is behaald, de cijferlijst waaruit blijkt dat een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal.
### Paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl of de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultatenbrief ‘geslaagd’ voor de hiervoor genoemde examenonderdelen.
### Paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
De verzoeker is vrijgesteld van het onderdeel Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) als hij de volgende documenten overlegt:
### 8-3. Toelichting ad [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
### paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij DUO
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultaatbrief ‘geslaagd’ voor het examenonderdeel KNS.
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
De verzoeker die een Verklaring Educatie ROC met alle taalonderdelen ten minste op niveau 2 overlegt, is vrijgesteld van:
### Paragraaf 3.1. Polygamie
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### Paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
### Paragraaf 3.1. Polygamie
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultatenbrief ‘geslaagd’ voor het examenonderdeel KNS.
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
Van het afleggen van het onderdeel van het inburgeringsexamen oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn vrijgesteld:
De leeftijd van de naturalisatieverzoeker op de datum van de beslissing op het naturalisatieverzoek is bepalend voor het zijn vrijgesteld of niet. Op het moment van indiening van het naturalisatieverzoek hoeft de verzoeker dus nog niet pensioengerechtigd te zijn.
### Bijlage 8
### Paragraaf 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel
Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen.
### Paragraaf 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
### Paragraaf 1. Geprivilegieerden
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
### 9-alg. Toelichting algemeen
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
### paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### Paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
Als de burgemeester onmiddellijk vaststelt dat het overgelegde document niet origineel is of de personalia niet overeenkomen met die van verzoeker, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. In dit geval wordt conform [paragraaf 2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.1.2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) gehandeld.
Als de burgemeester tot de conclusie komt dat de gegevens op het document niet juist zijn, ontraadt hij verzoeker om een verzoek in te dienen. In dat geval wordt gehandeld zoals beschreven in [paragraaf 2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.1.2&z=2017-03-01&g=2017-03-01). Als de verzoeker toch een verzoek wenst in te dienen, neemt de burgemeester dat in behandeling en neemt zijn bevindingen op dit punt op in zijn advies. Kopieën van het betreffende document worden aan de IND gezonden.
Als vastgesteld is dat de gegevens juist zijn en het document echt is, neemt de burgemeester het verzoek in behandeling, maakt een kopie van het door verzoeker overgelegde document en voegt die kopie met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening ‘kopie van origineel’, alsook een aantekening over de visie van de DUO. De burgemeester stuurt het hele dossier naar de IND. In zijn advies wordt opgenomen dat betrokkene naar zijn oordeel is vrijgesteld van het inburgeringsexamen.
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
In geval van een overgelegde verklaring als hiervoor bedoeld neemt de burgemeester – alvorens het verzoek te doen indienen – ter verificatie contact op met het instituut dat de verklaring heeft afgegeven.
Als het contact met het instituut waar de opleiding is gevolgd leidt tot vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is, kan het verzoek tot naturalisatie worden ingediend en wordt de kopie van het document en de begeleidende verklaring van het desbetreffende instituut in het dossier gevoegd. Het gehele dossier stuurt hij op aan de IND. In het advies wordt nu ook opgenomen dat betrokkene naar het oordeel van de burgemeester is vrijgesteld van het inburgeringsexamen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Voor het onderzoek naar ongeletterdheid
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van Vw 2000
### Paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
### Bijlage 5
### paragraaf 3.7. Minderjarigen
### Paragraaf 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (vva-bep)
### 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### paragraaf 2. Procedure
### Paragraaf 2.3.3. Beroep ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
De verzoeker kan een beroep doen op een vrijstellingsgrond als genoemd in [artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3). Hij moet aantonen dat hij behoort tot een van de volgende categorieën vrijgestelde personen:
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
De burgemeester ontraadt betrokkene echter een verzoek in te dienen als hij twijfelt aan de echtheid van het overgelegde document of de juistheid van de personalia. Dat deelt hij mee aan verzoeker en stelt hem ervan in kennis dat hij het document en de gegevens nader zal onderzoeken.
In het geval dat de verzoeker alleen een kopie van een hiervoor genoemd document kan overleggen, komt hij alleen in aanmerking voor (gedeeltelijke) vrijstelling als hij een recente verklaring van de leiding van het betrokken onderwijsinstituut overlegt waaruit blijkt dat de kopie overeenstemt met het door dat instituut afgegeven originele getuigschrift of diploma.
### Bijlage 8
In geval van een overgelegde verklaring als hiervoor bedoeld neemt de burgemeester – alvorens het verzoek te doen indienen – ter verificatie contact op met het instituut dat de verklaring heeft afgegeven.
Als het contact met het instituut waar de opleiding is gevolgd leidt tot vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is, kan het verzoek tot naturalisatie worden ingediend en wordt de kopie van het document en de begeleidende verklaring van het desbetreffende instituut in het dossier gevoegd. Het gehele dossier stuurt hij op aan de IND. In het advies wordt nu ook opgenomen dat betrokkene naar het oordeel van de burgemeester is vrijgesteld van het inburgeringsexamen.
Een verzoeker om naturalisatie die ten genoegen van Onze Minister aantoont wegens een lichamelijke en/of geestelijke belemmering dan wel een verstandelijke handicap of ondanks geleverde inspanningen redelijkerwijs niet in staat te zijn de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen) te behalen, is op grond van [artikel 4 van het Besluit Naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4), van het examen ontheven.
Telefonisch overleg met de IND over overgelegde adviezen is voor gemeenten altijd mogelijk via de vaste aanspreekpunten bij de naturalisatie-units van de IND.
Als de verzoeker een ernstige psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap heeft en het inburgeringsexamen niet op de gebruikelijke wijze of met aangepaste examenomstandigheden kan afleggen is hij ontheven van het examen. Er is geen sprake van gedeeltelijke ontheffing. De verzoeker wordt altijd voor het gehele examen ontheven. [Artikel 5 van de Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=5) geeft hieraan uitwerking.
De verzoeker moet zelf aantonen dat hij in aanmerking komt voor ontheffing van het afleggen van het inburgeringsexamen. Dit kan met ingang van 1 januari 2013 op de volgende manieren:
Dit geldt voor niet-inburgeringsplichtige naturalisatieverzoekers (waaronder Europees onderdaan en Turkse onderdanen).
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
Dit is het medisch advies van een door de burgemeester aangewezen arts.
Dit geldt voor voormalige inburgeringsplichtige naturalisatieverzoekers.
Dit is een beschikking van DUO waarin staat dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de betrokkene ontheft van de inburgeringsplicht omdat hij heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
### 4. Afleggen verklaring van verbondenheid
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
De verzoeker om naturalisatie die aantoont dat hij een zodanig psychische of lichamelijke belemmering dan wel een zodanige verstandelijke handicap heeft, dat hij binnen vijf jaar niet in staat is het inburgeringsexamen met goed gevolg af te leggen is ontheven van de verplichting een naturalisatietoets af te leggen. Voor een medisch advies die de belemmering of handicap aantoont, kan hij terecht bij de, in het kader van de uitvoering van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611), een door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen medisch adviseur als bedoeld in [artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.8).
De medisch adviseur is een arts – niet zijnde een behandelend arts van betrokkene – die is ingeschreven in het BIG-Register (het conform de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gehouden register).
### Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is
De medisch adviseur stelt een advies op conform het ‘Protocol Medische Advisering Inburgeringsexamen’ dat een bijlage is bij [artikel 2.4, derde lid van de Regeling inburgering](onbekend). Het advies wordt door de medisch adviseur rechtsreeks naar de verzoeker gestuurd. Het medisch advies is als [model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) opgenomen in de Handleiding. In het advies moeten de volgende gegevens ingevuld te zijn:
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2015-04-17&g=2015-04-17) Afleggen verklaring van verbondenheid)
Niet inburgeringsplichtige naturalisatieverzoekers kunnen in de periode 1 juli 2012 tot 1 januari 2013 nog in het bezit worden gesteld van een ‘medisch advies inburgeringsexamen van de door zijn woongemeente aangewezen arts’. Deze adviezen kunnen worden geaccepteerd bij de indiening van het verzoek om naturalisatie, mits dit advies niet ouder is dan zes maanden bij de indiening van het verzoek. Het kan dus uiterlijk tot 1 juli 2013 worden geaccepteerd.
Als de verzoeker inburgeringsplichtig is geweest, is het ook mogelijk dat de betrokkene door DUO is ontheven van de inburgeringsplicht wegens een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap. Deze beschikking geeft ook ontheffing voor het afleggen van het inburgeringsexamen op voorwaarde dat deze op de dag van indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouders is dan drie jaar.
### paragraaf 1. Algemeen
In de voorlichtende sfeer wijst de gemeente betrokkene op het feit dat het medisch advies inburgeringsexamen afkomstig moet zijn van een medisch adviseur als hierboven beschreven bij **Ad 1 Medisch advies inburgeringsexamen**. De door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen medisch adviseur is bekend bij DUO. Op het moment van indienen van het verzoek om naturalisatie bij de gemeente mag het advies niet ouder zijn dan zes maanden.
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
### Paragraaf 3.1. Polygamie
Mocht er bij de IND twijfel bestaan over de echtheid van het medisch advies dan kan contact worden gezocht met de door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen medisch adviseur. De IND zal het advies waarover twijfel bestaat aan de medisch adviseur toesturen, waarna de medisch adviseur de echtheid kan vaststellen. Als het advies niet echt blijkt, is de verzoeker niet ontheven van het inburgeringsexamen.
### 1. Algemeen
Telefonisch overleg met de IND over overgelegde adviezen is voor gemeenten altijd mogelijk via de vaste aanspreekpunten bij de naturalisatie-units van de IND.
Naast de ontheffing op grond van medische redenen kan er ook een ontheffing worden gegeven op grond van niet medische redenen. [Artikel 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6) geeft hieraan uitwerking.
Ontheffing op grond van aantoonbare inspanningen (niet medische redenen) kan worden verleend in de volgende gevallen:
Tot 1 juli 2013 gold dat hiervoor het haalbaarheidsonderzoek bij het ROC Amsterdam moest worden afgelegd en de Toets Gesproken Nederlands (TGN) moest worden gehaald.
Met ingang van 1 juli 2013 wordt het haalbaarheidsonderzoek ROC Amsterdam vervangen door een inspanningstoets. DUO geeft aan de hand van vastgestelde criteria een advies inhoudende dat het voor iemand ondanks aantoonbaar geleverde inspanningen niet mogelijk is het inburgeringsexamen te halen.
Tot 1 juli 2013 is ontheffing op grond van niet medische redenen mogelijk via het haalbaarheidsonderzoek van het ROC Amsterdam. Betrokkene is ontheven van het afleggen van het inburgeringsexamen als hij een advies overlegt van het ROC Amsterdam waarin staat dat hij wegens beperkt leervermogen in samenhang met ondermeer vooropleiding en leeftijd in redelijkheid niet in staat geacht kan worden geacht het examen te behalen. Het advies mag bij de indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouder zijn dan vijf jaar. Wel moet betrokkene de toets gesproken Nederlands (TGN) op A2 niveau behalen om het kunnen spreken en verstaan van het Nederlands op het voor naturalisatie gewenste niveau aan te tonen.
### 9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid
Let op! Een verzoeker kan zich dus vanaf 1 juli 2013 niet meer wenden tot het ROC Amsterdam voor een haalbaarheidsonderzoek. Alle adviezen van aanvragen ingediend vóór 1 juli 2013 kunnen worden betrokken in de besluitvorming, op voorwaarde dat het advies van het ROC op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouder is dan vijf jaar.
Vanaf 1 juli wordt in de verzoeker in het kader van de naturalisatie op grond van niet medische redenen ontheven van het afleggen van het inburgeringsexamen als hij zich aantoonbaar heeft ingespannen het inburgeringsexamen te behalen. Hij kan dit aantonen op de volgende manieren:
### Paragraaf 3.1. Polygamie
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie legt betrokkene de ontheffingsbeschiking van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over.
### 9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid
### paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
[Artikel 6, lid 3, Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6) geeft hieraan uitwerking. DUO geeft, op verzoek van betrokkene, een advies af aan de vreemdeling die:
Betrokkene moet de volgende stukken meesturen:
Betrokkene hoeft de 600 uur inburgeringscursus niet bij één en dezelfde instelling te hebben gevolgd. Voor instellingen met het Blik op Werk Keurmerk: zie www.blikopwerk.nl/inburgeren.
Aan de beoordeling van deze ontheffingsgrond bij DUO (het advies) zijn geen kosten verbonden.
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie moet betrokkene het advies van DUO overleggen.
Betrokkene moet de volgende stukken meesturen:
### Bijlage 8
Bij een beroep op deze ontheffingsgrond moet **altijd** het advies zitten van een afgenomen toets bij DUO waaruit blijkt dat betrokkene niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te behalen. Voor het afleggen van deze toets zijn kosten verbonden die betrokkene zelf moet betalen. De kosten voor deze toets bedragen € 150 (zie de toelichting bij [artikel 6, derde lid, Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6)). Voor informatie over de toets inzake het leervermogen, zie www.inburgeren.nl.
Aan de beoordeling van de ontheffingsgrond zelf bij DUO (het advies) zijn geen kosten verbonden.
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie moet betrokkene het advies van DUO overleggen.
Bij een beroep op deze ontheffingsgrond moet **altijd** het advies zitten van een afgenomen toets bij DUO waaruit blijkt dat betrokkene niet het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te behalen. Voor het afleggen van deze toets zijn kosten verbonden die betrokkene zelf moet betalen. De kosten voor deze toets bedragen € 150 (zie de toelichting bij [artikel 6, derde lid, Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6)). Voor informatie over de toets inzake het leervermogen, zie www.inburgeren.nl.
Voor het aanvragen van een advies van DUO inzake ontheffing aantoonbare inspanning (zie [paragraaf 2.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.3¶graaf=2.3.4&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) wordt gebruik gemaakt van het formulier dat te verkrijgen is via www.inburgeren.nl en www.indklantdienstwijzer.nl. Op het formulier kruist betrokkene aan of hij een beroep doet op ontheffing a of b. Is door de betrokkene onvoldoende bewijs geleverd naar het oordeel van DUO, dan krijgt betrokkene een negatief advies op het ontheffingsverzoek. De aangeleverde documenten worden tegelijkertijd met het advies aan betrokkene teruggestuurd.
Let op! De IND krijgt van DUO geen kopie van het advies. Het advies wordt naar de betrokkene gestuurd.
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### Paragraaf 3.1. Polygamie
Over polygamie (of bigamie) kan worden opgemerkt dat er sprake is van opneming in de Nederlandse samenleving wanneer verzoeker zijn situatie in overeenstemming heeft gebracht met de in Nederland geldende rechtsbeginselen, waaronder dat van monogamie.
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
De Nederlandse openbare orde verzet zich dan ook tegen het voortbestaan of het aangaan van een polygaam huwelijk van een vreemdeling op het moment waarop deze het Nederlanderschap heeft verkregen. Onder inburgering valt dus ook dat verzoeker slechts met één persoon door het huwelijk verbonden kan zijn.
### Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
De vraag of een verzoeker monogaam is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, alsmede huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van deze landen [Bijlage 1 bij dit artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=8&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
[Artikel 10:58 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=58) geeft onder meer aan dat een in het buitenland uitgesproken verstoting in Nederland slechts dan als een rechtsgeldige ontbinding van het huwelijk wordt aangemerkt, eerst dan naar Nederlands recht kan worden erkend, als de verstoting onherroepelijk is en de vrouw hiermee (uitdrukkelijk of stilzwijgend) heeft ingestemd of zich erbij heeft neergelegd, door middel van bijvoorbeeld een bewijs van verstotingshandeling (waaruit de instemming van de vrouw kan worden afgeleid), een bewijs van instemming of berusting, een bewijs dat de ex-echtgenote is hertrouwd of een huwelijksakte van de man betreffende een huwelijk gesloten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand in Nederland. Als bewijs dat een polygaam huwelijk niet meer in stand is, dient uiteraard ook de overlijdensakte van de verstoten vrouw. Verstotingen van vóór de inwerkingtreding van de [artikelen 10:27 tot en met 10:53 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=27) worden analoog behandeld.
### 1. Algemeen
De vraag of een verzoeker monogaam is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, alsmede huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van deze landen [Bijlage 1 bij dit artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=8&z=2016-07-01&g=2016-07-01).
### 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
Om een adequate afhandeling van verzoeken tot naturalisatie te bevorderen, moeten de ambtenaren van de BRP steeds de geldigheid van een eenzijdige verstoting aan de hand van de door het IPR gestelde criteria toetsen. Daartoe worden hier enige richtlijnen gegeven.
### Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
De instemming of berusting van de vrouw kan wel worden afgeleid uit onder meer de volgende omstandigheden:
### 9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie [toelichting op artikel 7 RWN, paragraaf 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.5&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
### paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
Inburgering veronderstelt in algemene zin een zekere aanvaarding van de Nederlandse samenleving.
### Paragraaf 4. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
Echter, indien duidelijk blijkt dat verzoeker zich buiten deze vereisten om opzettelijk afzijdig houdt van -of afzet tegen -alles wat Nederlands is of op Nederland betrekking heeft, of bijvoorbeeld weigert zijn kinderen naar school te laten gaan, zal hij niet kunnen worden beschouwd als te zijn opgenomen in de Nederlandse samenleving en zal zijn verzoek om naturalisatie worden afgewezen. Gedacht wordt hier bijvoorbeeld ook aan het doen van uitlatingen die zich richten tegen de democratische rechtsorde of oproepen tot feitelijk handelen in strijd met de geldende wet- en regelgeving, of die een gevaar opleveren voor de goede betrekkingen van Nederland met andere mogendheden. Er moeten in het geval van weigering tot opneming dus omstandigheden zijn die blijk geven van onvoldoende inburgering van contra-indicaties als het ware.
### paragraaf 3. Topsporters
Om voor ontheffing wegens geleverde inspanningen (zie [artikel 4, 1, b Besluit nattoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4)) in aanmerking te komen, zal zij moeten bewijzen dat zij zich heeft ingespannen om zich te alfabetiseren en om de naturalisatietoets toch te kunnen halen. De burgemeester verwijst de vrouw naar een instelling met het Blik op Werk Keurmerk om daar een alfabetiseringscursus te volgen. De vrouw weigert dat en staat erop dat de burgemeester haar verzoek toch in behandeling neemt. De burgemeester laat haar [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) invullen.
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2016-04-01&g=2016-04-01) Afleggen verklaring van verbondenheid)
Een Japanse vrouw die in 1981 is gehuwd met een Nederlandse man, sindsdien in Nederland woont en een verblijfsvergunning in haar bezit heeft, doet een verzoek om naturalisatie bij de gemeente van haar woonplaats. Als nieuwkomer heeft zij het inburgeringsprogramma niet gevolgd. Nu wil zij zich laten naturaliseren tot Nederlander en is bereid de naturalisatietoets af te leggen.
Beslissing: De Japanse vrouw komt in beginsel in aanmerking voor de verkrijging van het Nederlanderschap door optie ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Zij hoeft niet te voldoen aan de voorwaarde van inburgering die de wetgever onder verlening van het Nederlanderschap beschrijft en hoeft dientengevolge ook geen naturalisatietoets af te leggen. Overigens staat het haar vrij de toets toch te doen. Voor de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie speelt de toets echter geen rol.
Beslissing: Het naturalisatieverzoek wordt afgewezen. Om wegens geleverde inspanningen voor ontheffing van de naturalisatietoets in aanmerking te komen, dient de vrouw aan te tonen dat zij zich heeft ingespannen om voldoende taalvaardig te worden in de Nederlandse taal. Zij kan dit alleen aantonen door het overleggen van een advies van DUO of, als zij op of na 1 januari 2013 inburgeringsplichtig is geworden, door het overleggen van een beschikking tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6) van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Landen waar polygamie en/of verstoting mogelijk is (geactualiseerd per 1 juni 2009)
Beslissing: De Japanse vrouw komt in beginsel in aanmerking voor de verkrijging van het Nederlanderschap door optie ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Zij hoeft niet te voldoen aan de voorwaarde van inburgering die de wetgever onder verlening van het Nederlanderschap beschrijft en hoeft dientengevolge ook geen naturalisatietoets af te leggen. Overigens staat het haar vrij de toets toch te doen. Voor de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie speelt de toets echter geen rol.
**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd.**
### 1. Algemeen
Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij de indiening van het verzoek om naturalisatie een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van deze verklaring. De eis om een bereidverklaring te ondertekenen en vervolgens de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als het verzoek om naturalisatie op of ná 1 maart 2009 wordt ingediend. Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd.56Zie ook toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 6, tweede lid , artikel 11, vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN.
### 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige naturalisandus. Daarnaast geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid ook voor de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie, op grond van [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) wordt ingediend zestien jaar of ouder is. Medenaturalisandi van 16 of 17 jaar ([artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)) zijn niet verplicht om de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid af te leggen, dit is nog niet geregeld door de wetgever. Hier wordt op termijn door de wetgever in voorzien.
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
Vanaf 1 maart 2009 moet zowel de meerderjarige naturalisandus als de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie, op grond van [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) wordt ingediend zestien jaar of ouder is, zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen bij de bekendmaking van het naturalisatiebesluit.
### 8-3. Toelichting ad [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### 4. Afleggen verklaring van verbondenheid
(zie tevens de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) Afleggen verklaring van verbondenheid)
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd.
C is twintig jaar en bezit de Turkse nationaliteit. Van zijn vijfde tot zijn twaalfde jaar woonde hij in Nederland bij zijn ouders. Zijn moeder was in die tijd aaneengesloten in het bezit van een verblijfsvergunning bij zijn vader. Deze verblijfsvergunning had mede betrekking op C.
### Paragraaf 5.1. Misdrijven
Daarnaast zijn omstandigheden denkbaar waarbij de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand in het geheel niet in staat is om de verklaring van verbondenheid af te leggen. Dan wordt de verklaring van verbondenheid niet afgelegd. Het zal hier zeer uitzonderlijke gevallen betreffen. De onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid, wordt beoordeelt door de Minister van Justitie.58Zie artikel 60b, zesde lid, BVVN.
D is van Marokkaanse nationaliteit. Hij woont en werkt in totaal al vijftien jaar in Nederland, maar hij heeft pas sinds twee jaar een verblijfsvergunning. D komt dus niet in aanmerking voor de verkorte termijn van twee jaar toelating en hoofdverblijf. Weliswaar heeft hij in totaal meer dan tien jaar hoofdverblijf in Nederland, maar hij heeft in totaal nog geen tien jaar toelating in Nederland. Als D zijn hoofdverblijf in Nederland houdt en zijn verblijfsvergunning steeds tijdig laat verlengen, kan hij over drie jaar een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft dan direct voorafgaand aan het verzoek om naturalisatie vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland. Of het verzoek van D dan wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of D dan voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Daarnaast zijn omstandigheden denkbaar waarbij de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand in het geheel niet in staat is om de verklaring van verbondenheid af te leggen. Dan wordt de verklaring van verbondenheid niet afgelegd. Het zal hier zeer uitzonderlijke gevallen betreffen. De onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid, wordt beoordeelt door de Minister van Justitie.58Zie artikel 60b, zesde lid, BVVN.
Op grond van deze bepaling geldt een – verkorte – termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk als de verzoeker voorafgaand aan de indiening van het verzoek ten minste drie jaar onafgebroken ongetrouwd samenwoont binnen het Koninkrijk met een en dezelfde ongetrouwde Nederlandse partner. De toelating en de samenwoning met die ongetrouwde Nederlandse partner moeten op het moment van de beslissing op het verzoek voort duren. De samenwoning binnen het Koninkrijk kan worden aangetoond door inschrijving op een zelfde adres in de BRP, PIVA of basisadministratie. Een periode van samenwoning buiten het Koninkrijk telt niet mee.
Op grond van dit artikellid geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf indien de verzoeker:
Verblijf in het verleden in Nederland als geprivilegieerde vreemdeling, werkzaam bij een internationale organisatie, geldt onder specifieke voorwaarden als toelating in hierboven bedoelde zin.
Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld:
Op grond van dit artikellid geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf indien de verzoeker:
Als de verzoeker in de afgelopen drie jaar onafgebroken is getrouwd met een Nederlander of in geval van drie jaar geregistreerd partnerschap (vergelijk [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) én beide partners tijdens deze periode drie jaar onafgebroken samenwonen, geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf. Het huwelijk en de samenwoning mogen gedurende deze periode van drie jaar niet onderbroken zijn geweest, aangezien een onderbreking afbreuk doet aan de bij een huwelijk met een Nederlander veronderstelde versnelde inburgering. Op het moment van de indiening van het verzoek moet de echtgenoot van de verzoeker in het bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit. Niet vereist is dat de Nederlandse echtgenoot van de verzoeker al drie jaar het Nederlanderschap bezit. Het is dus niet zo dat pas drie jaren na de naturalisatie van de één, de ander een verzoek mag indienen.
Een periode van ongetrouwd samenwonen binnen het Koninkrijk, onmiddellijk voorafgaand aan het huwelijk, mag worden meegerekend voor de toepassing van het onderhavige artikellid. Echter, een periode waarin de verzoeker buiten het Koninkrijk **ongetrouwd** heeft samengewoond met een Nederlander, telt niet mee.
De samenwoning binnen het Koninkrijk kan worden aangetoond door inschrijving op een zelfde adres in de BRP, PIVA of basisadministratie. Als de samenwoning niet afdoende blijkt uit de BRP, PIVA of basisadministratie, moet de verzoeker de samenwoning bewijzen door middel van andere bewijsstukken. Samenwoning **tijdens het huwelijk**buiten het Koninkrijk kan in sommige gevallen worden aangetoond met een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie van het land van samenwoning. Overigens heeft niet ieder land een gemeentelijke of centrale bevolkingsadministratie. In die gevallen zal de verzoeker met andere bewijsstukken moeten aantonen dat sprake is geweest van onafgebroken samenwoning met de Nederlandse echtgenoot.
A is geboren in 1953 in Suriname als zoon van Nederlandse ouders. Op 25 november 1975 heeft A de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van de toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS). A kan als oud-Nederlander onmiddellijk na vestiging in Nederland een verzoek om naturalisatie indienen bij de burgemeester van zijn woonplaats. Hij hoeft voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek geen toelating en hoofdverblijf in Nederland te hebben gehad. Uiteraard dient hij wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie te voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap. Zodra A een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland heeft gehad, kan hij er overigens ook voor kiezen om een optieverklaring af te leggen. Zie hiervoor [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
B heeft de Spaanse nationaliteit en woont met haar Nederlandse echtgenoot in Spanje. Na drie jaar huwelijk vestigt B zich met haar echtgenoot in Nederland en schrijven beiden zich in op hetzelfde adres in de Gemeente Arnhem. Mits B kan aantonen dat zij gedurende haar huwelijk ten minste drie jaren in Spanje heeft samengewoond met haar Nederlandse echtgenoot, kan zij onmiddellijk na vestiging in Nederland een verzoek om naturalisatie indienen. Zij hoeft voorafgaand aan de indiening van haar verzoek geen toelating en hoofdverblijf in Nederland te hebben gehad. Uiteraard moet B wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap.
De samenwoning binnen het Koninkrijk kan worden aangetoond door inschrijving op een zelfde adres in de BRP, PIVA of basisadministratie. Als de samenwoning niet afdoende blijkt uit de BRP, PIVA of basisadministratie, moet de verzoeker de samenwoning bewijzen door middel van andere bewijsstukken. Samenwoning **tijdens het huwelijk**buiten het Koninkrijk kan in sommige gevallen worden aangetoond met een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie van het land van samenwoning. Overigens heeft niet ieder land een gemeentelijke of centrale bevolkingsadministratie. In die gevallen zal de verzoeker met andere bewijsstukken moeten aantonen dat sprake is geweest van onafgebroken samenwoning met de Nederlandse echtgenoot.
**De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op twee jaren gesteld voor degene die in totaal ten minste tien jaren in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating en hoofdverblijf heeft gehad.**
Op grond van deze bepaling geldt een – verkorte – termijn van twee jaar toelating en hoofdverblijf als de verzoeker in totaal ten minste tien jaar toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk heeft gehad maar zijn hoofdverblijf in het Koninkrijk heeft onderbroken doordat hij in een ander land woonde of geen aaneengesloten periode van toelating heeft gehad in de periode dat hij hoofdverblijf in het Koninkrijk had. De duur van de onderbreking van de toelating dan wel het hoofdverblijf is niet relevant. De onafgebroken termijn van twee jaren toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk dient onmiddellijk vooraf te gaan aan de indiening van het verzoek. Vervolgens dienen de toelating en het hoofdverblijf onafgebroken voort te duren tot aan het moment waarop op het verzoek wordt beslist.
### Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
Ook voor [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt het overgangsrecht (zie de paragraaf ‘Overgangsrecht’) in de toelichting onder artikel 7. Het overgangsrecht is ook beschreven in de toelichting onder artikel VII, tweede lid RRWN.
C is twintig jaar en bezit de Turkse nationaliteit. Van zijn vijfde tot zijn twaalfde jaar woonde hij in Nederland bij zijn ouders. Zijn moeder was in die tijd aaneengesloten in het bezit van een verblijfsvergunning bij zijn vader. Deze verblijfsvergunning had mede betrekking op C.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
C heeft in totaal zeven jaar + twee jaar + drie maanden + een jaar = tien jaar en drie maanden hoofdverblijf in Nederland gehad. Van deze periode heeft hij zeven jaar + twee jaar + een jaar = tien jaar toelating in Nederland gehad. C kan, als hij aansluitend nog een jaar in Nederland hoofdverblijf heeft en hij zijn verblijfsvergunning tijdig laat verlengen, een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft dan immers in totaal meer dan tien jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland, waarvan twee jaar toelating en hoofdverblijf direct voorafgaand aan het verzoek om naturalisatie. Of het verzoek van C wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
D is van Marokkaanse nationaliteit. Hij woont en werkt in totaal al vijftien jaar in Nederland, maar hij heeft pas sinds twee jaar een verblijfsvergunning. D komt dus niet in aanmerking voor de verkorte termijn van twee jaar toelating en hoofdverblijf. Weliswaar heeft hij in totaal meer dan tien jaar hoofdverblijf in Nederland, maar hij heeft in totaal nog geen tien jaar toelating in Nederland. Als D zijn hoofdverblijf in Nederland houdt en zijn verblijfsvergunning steeds tijdig laat verlengen, kan hij over drie jaar een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft dan direct voorafgaand aan het verzoek om naturalisatie vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland. Of het verzoek van D dan wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of D dan voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
Van zijn twaalfde tot zijn zeventiende woonde C met zijn moeder in Turkije. Sinds zijn zeventiende woont hij weer in Nederland. Gedurende een jaar was hij in het bezit van een vergunning tot verblijf bij vader. Aansluitend was hij een jaar in het bezit van een vergunning tot verblijf zonder beperking. Aan het eind van dat jaar vergat hij om zijn verblijfsvergunning tijdig te verlengen. Drie maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur werd hij alsnog in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning, met een geldigheidsduur van een jaar. Deze vergunning werd echter niet met terugwerkende kracht verleend.
De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op drie jaren gesteld voor de verzoeker die hetzij ongehuwd tenminste drie jaren onafgebroken met een ongehuwde Nederlander in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleeft, hetzij staatloos is.
Op grond van deze bepaling geldt een – verkorte – termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk als de verzoeker voorafgaand aan de indiening van het verzoek ten minste drie jaar onafgebroken ongetrouwd samenwoont binnen het Koninkrijk met een en dezelfde ongetrouwde Nederlandse partner. De toelating en de samenwoning met die ongetrouwde Nederlandse partner moeten op het moment van de beslissing op het verzoek voort duren. De samenwoning binnen het Koninkrijk kan worden aangetoond door inschrijving op een zelfde adres in de BRP, PIVA of basisadministratie. Een periode van samenwoning buiten het Koninkrijk telt niet mee.
De (niet-Nederlandse) ongetrouwde partner van een ongetrouwde en tot Nederlander genaturaliseerde vreemdeling komt in aanmerking voor toepassing van dit artikellid, mits onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek en sinds deze relatie sprake is van ten minste drie jaar onafgebroken samenwoning binnen het Koninkrijk. Op het moment van de indiening van het verzoek dient de partner van de verzoeker in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. Niet vereist is dat de Nederlandse partner reeds drie jaar het Nederlanderschap bezit. Het is dus niet zo dat pas drie jaren na de naturalisatie van de één, de ander een verzoek kan indienen.
Verblijf in het verleden in Nederland als geprivilegieerde vreemdeling, werkzaam bij een internationale organisatie, geldt onder specifieke voorwaarden als toelating in hierboven bedoelde zin.
De periode dat de vreemdeling op basis van een geprivilegieerde status in Nederland heeft verbleven, en derhalve ingeschreven heeft gestaan in het daarvoor bestemde register bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, geldt in het kader van een naturalisatieverzoek als toelating in de zin van de RWN, mits deze periode onmiddellijk voorafging aan de toelating in het kader van de Vreemdelingenwet. Deze (onafgebroken) periode mag derhalve worden meegeteld voor de vereiste termijn van drie jaren toelating in het kader van naturalisatie.
Het verblijf als geprivilegieerde moet worden aangetoond door middel van het overleggen van een originele verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ingeval van contra-indicatie dat het verblijf als geprivilegieerde, ondanks de verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, niet onafgebroken is geweest, kan contact worden opgenomen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Eveneens geldt een – verkorte – termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf voor de verzoeker die staatloos is. Zie voor uitleg van het begrip ‘staatloze’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN.
Ook voor [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt het overgangsrecht (zie de paragraaf ‘Overgangsrecht’) in de toelichting onder artikel 7. Het overgangsrecht is ook beschreven in de toelichting onder artikel VII, tweede lid RRWN.
De Fransman E woont in Frankrijk tien jaar ongetrouwd samen met een Nederlander. Beiden vestigen zich vervolgens in Nederland. Na enkele dagen wordt E in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf bij Nederlandse partner. Na anderhalf jaar gaan beiden in Nederland een geregistreerd partnerschap aan. E kan, na nog eens anderhalf jaar onafgebroken samenwonen met zijn Nederlandse partner en mits hij gedurende die periode onafgebroken in het bezit blijft van een geldige verblijfsvergunning, een verzoek om naturalisatie indienen. Hij voldoet dan aan de verkorte termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. De termijn van anderhalf jaar ongetrouwd samenwonen in Nederland en de termijn van anderhalf jaar samenwonen in geregistreerd partnerschap (dat op grond van artikel 1, tweede lid, RWN is gelijkgesteld met een huwelijk) in Nederland, mogen bij elkaar worden opgeteld. De termijn van tien jaar ongetrouwd samenwonen in het buitenland telt niet mee. Of het verzoek van E wordt ingewilligd hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
Eveneens geldt een – verkorte – termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf voor de verzoeker die staatloos is. Zie voor uitleg van het begrip ‘staatloze’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN.
**De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt eveneens op drie jaren gesteld voor de verzoeker die door erkenning of wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlander is geworden. Voor de verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd wordt de termijn van drie jaren verminderd met de onafgebroken periode gedurende welke hij onmiddellijk voorafgaande aan zijn meerderjarigheid na de erkenning of wettiging zonder erkenning, verzorging en opvoeding heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend of wiens kind hij door wettiging zonder erkenning is geworden.**
Op grond van deze bepaling geldt een – verkorte – termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf voorafgaand aan het verzoek, als de verzoeker door erkenning of wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlander is geworden. De toelating en het hoofdverblijf dienen op het moment van de beslissing op het verzoek voort te duren. Of sprake is van drie jaren onafgebroken toelating en hoofdverblijf kan in de meeste gevallen worden afgeleid uit het verblijfsdocument en de BRP. Als deze gegevens onvoldoende uitsluitsel bieden, kan de burgemeester aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een bericht omtrent toelating vragen. Zie voor uitleg van de begrippen ‘toelating’ en ‘hoofdverblijf’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN.
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
Als de erkenning of wettiging zonder erkenning heeft plaatsgevonden tijdens de minderjarigheid van het kind, moet dit, voor toepassing van dit artikellid, na 1 april 2003 zijn gebeurd. Vóór die datum kreeg een minderjarig kind immers de Nederlandse nationaliteit van rechtswege op grond van [artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4) (oud) als het door erkenning of door wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlandse vader werd.
[Artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4) bepaalt sinds 1 maart 2009 dat een minderjarige door erkenning of door wettiging zonder erkenning het Nederlanderschap verkrijgt of kan verkrijgen. Op grond van artikel 4, tweede en derde lid RWN verkrijgt de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte door een Nederlander wordt erkend en jonger is dan zeven jaar, dan wel de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt gewettigd zonder erkenning, het Nederlanderschap van rechtswege. Op grond van artikel 4, vierde lid RWN verkrijgen minderjarige vreemdelingen die door een Nederlander worden erkend als zij zeven jaar of ouder zijn, het Nederlanderschap als de Nederlandse erkenner zijn biologische vaderschap bij of binnen een jaar na de erkenning aantoont via DNA-bewijs dat voldoet aan de eisen zoals gesteld in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap. Zie voor meer informatie de toelichting op artikel 4 RWN in deze Handleiding.
Bij toepassing van [artikel 8, vijfde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) is het goed om te letten op het op 1 maart 2009 gewijzigde recht met betrekking tot verkrijging van het Nederlanderschap als minderjarige door een erkenning of een wettiging. Geadviseerd wordt dat voordat een naturalisatieverzoek ex art. 8, vijfde lid RWN wordt ingediend, eerst wordt bekeken of niet ná 1 maart 2009 het Nederlanderschap van rechtswege is verkregen door [artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4), dan wel dat gebruik kan worden gemaakt van het optierecht uit artikel II, Staatsblad 2008, 270.
[Artikel 8, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) is een nogal ingewikkelde bepaling waarin twee elementen samenkomen. Er wordt tot uitdrukking gebracht dat een familierechtelijke betrekking tussen een Nederlandse vader en zijn al dan niet minderjarige kind een band met het Koninkrijk doet ontstaan die verkorting van de termijn van vijf jaar toelating en hoofdverblijf rechtvaardigt, ook wanneer de juridische vader niet de biologische vader van het kind is.
Daarnaast wordt in dit artikel bewerkstelligd dat een minderjarig kind dat ouder is dan vijftien jaar op het moment dat het door erkenning in een familierechtelijke betrekking tot de niet-biologische vader komt te staan en dat door die vader wordt verzorgd en opgevoed, rechten opbouwt. Hetzelfde wordt bewerkstelligd voor een minderjarig kind dat op het moment van wettiging zonder erkenning ouder was dan vijftien jaar, dat tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 door wettiging in een familierechtelijke betrekking tot de vader is komen te staan en dat door die vader wordt verzorgd en opgevoed. Bovengenoemde kinderen kunnen namelijk nooit door optie op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) de Nederlandse nationaliteit verkrijgen. Zij zullen immers nooit kunnen voldoen aan de uit die bepaling voortvloeiende eis van drie jaar ononderbroken opvoeding en verzorging door de Nederlandse vader voorafgaand aan de meerderjarigheid.
Voor kinderen die tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 zijn erkend of gewettigd, maar die geen gebruik kunnen maken van het optierecht in [artikel II, Staatsblad 2008, 270](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II), biedt [artikel 8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) eveneens een mogelijkheid om versneld Nederlander te worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om minderjarige kinderen die tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 op 7-jarige leeftijd of ouder zijn erkend, terwijl de erkenner niet de biologische vader is of waarbij de erkenner vanwege het kostenaspect geen DNA-onderzoek wil/kan laten uitvoeren. Ook kan gedacht worden aan kinderen die als meerderjarige zijn erkend.
Met wettiging zonder erkenning wordt gedoeld op de gevallen, waarin Nederland een wettiging zonder voorafgaande erkenning moet aanvaarden op grond van de Overeenkomst van Rome van 10 september 1970 inzake wettiging door huwelijk (Trb. 1972, 61). De erkenning of wettiging kan plaats hebben gevonden tijdens de meer- of minderjarigheid van het kind. Deze overeenkomst is op 31 juli 1977 voor Nederland in werking getreden. Dit betekent dat een buitenlandse wettiging op of na 31 juli 1977 in Nederland op grond van deze Overeenkomst geaccepteerd moet worden, ongeacht of het land waar de wettiging plaats vond partij is bij de Overeenkomst. Sinds de hierboven beschreven wijziging van [artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4) van 1 maart 2009 verkrijgt een naar vreemd recht door een Nederlander zonder erkenning gewettigd minderjarig kind echter van rechtswege het Nederlanderschap vanaf de datum van wettiging zonder erkenning. Voor kinderen gewettigd tijdens hun minderjarigheid tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 geldt deze verkrijgingsgrond niet. Zie voor hen het optierecht in paragraaf 6 in de toelichting op artikel 6 RWN. Zie de oudere Handleidingen voor een toelichting op de regelgeving vóór 1 april 2003.
Ook voor [artikel 8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt het overgangsrecht (zie de toelichting onder [artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII).)
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
H is de zoon van een Franse ongetrouwde moeder en een juridisch onbekende vader. Hij is uitsluitend in het bezit van de Franse nationaliteit. Als H veertien jaar is, gaat zijn moeder samenwonen met een Nederlander. H woont bij hen in. Ze wonen alle drie in Straatsburg. Als H vijftien jaar en vier maanden is, wordt hij erkend door de Nederlander. Als H achttien jaar en drie maanden oud is, verlaat hij de ouderlijke woning om te gaan werken in Nederland. Bij aankomst in Nederland wordt hij onmiddellijk in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Zodra H vier maanden in Nederland toelating en hoofdverblijf heeft, kan hij een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft immers voor zijn achttiende jaar al twee jaar en acht maanden in gezinsverband met zijn Nederlandse vader gewoond. Deze twee jaar en acht maanden mogen afgetrokken worden van de drie jaar termijn. De drie maanden na zijn achttiende verjaardag mogen niet van die termijn afgetrokken worden. De jaren dat hij deel uitmaakte van het gezin van de Nederlander voordat hij werd erkend evenmin. Of het verzoek van H wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
Ook voor [artikel 8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt het overgangsrecht (zie de toelichting onder [artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII).)
G is de dochter van een Australische ongetrouwde moeder en een juridisch onbekende vader. Zij is uitsluitend in het bezit van de Australische nationaliteit. Als G 22 jaar is, wordt zij erkend door een Nederlander. Zij verkrijgt hierdoor niet de Nederlandse nationaliteit. Als G 40 jaar is, gaat zij in Nederland wonen. Na vijf maanden wordt zij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Als G daarna nog drie jaar ononderbroken haar hoofdverblijf in Nederland houdt en in het bezit blijft van een verblijfsvergunning kan zij een verzoek om naturalisatie indienen. Of het verzoek van G wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of zij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10); [11.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [15.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [16.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 30 b t/m d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30b), [31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31); [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32); [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=38), [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=58), [59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=59) en [60](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60)
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Artikel 4
Van een Turks echtpaar is zowel de man als de vrouw in Nederland geboren uit in Nederland wonende ouders. De vrouw heeft zich in Turkije gevestigd en de man is in Nederland blijven wonen. In 2004 wordt in Turkije uit de vrouw kind G geboren. Het kind blijft in Turkije bij de moeder, door wie het vanaf de geboorte wordt verzorgd. Kind G verkrijgt bij zijn geboorte niet het Nederlanderschap op grond van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3). De vader heeft weliswaar ten tijde van de geboorte van het kind zijn hoofdverblijf in Nederland en hij is zelf geboren uit in Nederland wonende ouders, doch kind G heeft ten tijde van zijn geboorte geen hoofdverblijf in Nederland, maar in Turkije (bij zijn moeder, door wie hij wordt verzorgd).
### 5-4. Toelichting ad artikel 5, vierde lid
### 4-3. Ad artikel 4, derde lid
Hij is tevens getogen in Nederland en woont en werkt in Nederland. De kinderen wonen en leven sinds hun geboorte met moeder en vader als gezin samen in Nederland.
### Artikel 5c
### Bijlage 1
### paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij DUO
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2015-04-01&g=2015-04-01) Afleggen verklaring van verbondenheid)
### Paragraaf 3.1. Polygamie
Wordt een dergelijke verklaring niet overhandigd, dan moet de verzoeker het inburgeringsexamen afleggen.
### Paragraaf 2.3.1. Inleiding
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
Deze medisch adviseur is aangesloten bij een organisatie die door DUO (krachtens mandaat verleend door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) is gecontracteerd voor het uitbrengen van de medische adviezen.
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
Dit is een beschikking van het college van B&W waarin staat dat het college van B&W de betrokkene ontheft van de inburgeringsplicht omdat hij heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap, blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
De medisch adviseur stelt vast of er een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap is waardoor de verzoeker het examen binnen een termijn van vijf jaar al dan niet kan behalen. Ook kan de medisch adviseur vaststellen dat het examen wel kan worden behaald, zij het met een aanpassing van de examenomstandigheden, de zogenaamde bijzondere examenomstandigheden of met lichte aanpassingen in het voorbereidingstraject.
Medische adviezen opgemaakt anders dan conform [model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01), of onvolledige adviezen, worden niet geaccepteerd. Voorts mag het medisch advies bij het indienen van het naturalisatieverzoek niet ouder dan zes maanden zijn. Voor meer informatie, zie www.indklantdienstwijzer.nl.
### paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij DUO
Als de verzoeker inburgeringsplichtig is geweest conform de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611), zoals die luidde tot 1 januari 2013, is het mogelijk dat er in het kader van deze wet een beschikking die strekt tot ontheffing van het inburgeringsexamen wegens een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap door het college van burgemeester en wethouders aan de verzoeker is afgegeven. Deze beschikking geeft ook ontheffing voor het inburgeringsexamen in het kader van de naturalisatieprocedure op voorwaarde dat deze op de dag van indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouders is dan drie jaar.
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
De gemeente kan zonder nadere inhoudelijke controle afgaan op het medisch advies, en op het adviesblad naturalisatie bij ‘inburgering’ aantekenen dat ontheffing van het examen wordt geadviseerd. Mocht het advies niet conform het advies ([model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) of onvolledig zijn, dan adviseert de burgemeester betrokkene een nieuw advies te krijgen. Wenst betrokkene toch een verzoek om naturalisatie in te dienen, onder overlegging van een medisch advies dat onvolledig of onduidelijk is, dan wordt op het adviesblad naturalisatie bij inburgering ‘niet akkoord’ aangetekend.
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
Dit is een ontheffingsbeschikking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. DUO is gemandateerd deze taak uit te voeren. Uit deze beschikking moet blijken dat de verzoeker op grond van [artikel 6, eerst lid, aanhef en onder b, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6) is ontheven van de inburgeringsplicht wegens aantoonbaar geleverde inspanning om aan die plicht te voldoen. Deze ontheffingsbeschikking kan alleen worden afgegeven aan vreemdelingen die op of ná 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden.
Let op! Een ontheffingsbeschikking op grond van aantoonbare inspanning afgegeven door het college van B&W geeft geen recht op ontheffing in het kader van de naturalisatie.
Dit is een advies van DUO waaruit blijkt dat de verzoeker ondanks aantoonbaar geleverde inspanningen niet van hem kan worden verwacht dat hij het inburgeringsexamen met succes aflegt. Het aanvraagformulier voor een advies van DUO is te vinden via www.inburgeren.nl en www.indklantdienstwijzer.nl. Meer informatie, zie [paragraaf 2.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.3¶graaf=2.3.4&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
### Paragraaf 5.8. Vierjaartermijn
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
### Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
### Paragraaf 5.4. Voeging
Betrokkene hoeft de 600 uur alfabetiseringscursus niet bij één en dezelfde instelling te hebben gevolgd. Voor instellingen met het Blik op Werk Keurmerk: zie www.blikopwerk.nl/inburgeren.
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
### paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij DUO
### 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
Echter, indien duidelijk blijkt dat verzoeker zich buiten deze vereisten om opzettelijk afzijdig houdt van –of afzet tegen –alles wat Nederlands is of op Nederland betrekking heeft, of bijvoorbeeld weigert zijn kinderen naar school te laten gaan, zal hij niet kunnen worden beschouwd als te zijn opgenomen in de Nederlandse samenleving en zal zijn verzoek om naturalisatie worden afgewezen. Gedacht wordt hier bijvoorbeeld ook aan het doen van uitlatingen die zich richten tegen de democratische rechtsorde of oproepen tot feitelijk handelen in strijd met de geldende wet- en regelgeving, of die een gevaar opleveren voor de goede betrekkingen van Nederland met andere mogendheden. Er moeten in het geval van weigering tot opneming dus omstandigheden zijn die blijk geven van onvoldoende inburgering van contra-indicaties als het ware.
Let op! De IND krijgt van DUO geen kopie van het advies. Het advies wordt naar de betrokkene gestuurd.
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
Het rechtsbeginsel van monogamie komt onder andere tot uiting in [artikel 1:33 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=33) en [artikel 1:69 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=69). Deze artikelen bepalen respectievelijk dat een man slechts met een vrouw, de vrouw slechts met een man kan zijn getrouwd en dat een polygaam huwelijk nietig kan worden verklaard. Het beginsel van monogamie komt ook tot uitdrukking in [artikel 10:29 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=29). Dit artikel verbiedt het voltrekken van een polygaam huwelijk in Nederland voor zowel Nederlanders als vreemdelingen.
### Paragraaf 3.1. Polygamie
Als een verzoeker zich niet wenst te conformeren aan de in Nederland geldende fundamentele rechtsbeginselen, is hij in wezen feitelijk niet voldoende ingeburgerd. Bovendien is zijn situatie dan niet in overeenstemming met de Nederlandse civielrechtelijke openbare (rechts)orde (zie bij [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [9 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
Bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie kunnen moeilijkheden worden ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren van de BRP van buitenlandse verstotingsakten. Het blijkt namelijk dat bij de inschrijving in de toenmalige GBA (de voorganger van de BRP) van eenzijdige verstotingen van vóór 10 april 1981 (inwerkingtreding van de tot 1 januari 2012 geldende [WCE](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003384)) veelal is nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd dan wel zich daarbij heeft neergelegd. De omstandigheid dat een verstoting van vóór 10 april 1981 in de BRP staat ingeschreven als ontbinding van een huwelijk levert dan ook geen bewijs op dat de verstoting rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren na inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo lange tijd nog een bewijs van de berusting van de vrouw te verkrijgen.
Een ontbinding van het huwelijk die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van één van de echtgenoten tot stand is gekomen wordt in Nederland erkend als:
De hierboven gegeven criteria zijn uiteraard vatbaar voor rechterlijke toetsing. De hierboven genoemde lijst van omstandigheden, waaruit de instemming of de berusting blijkt, is niet limitatief. Er kunnen andere feitelijke omstandigheden zijn die er mede op wijzen dat de vrouw zich bij de verstoting heeft neergelegd.
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
De instemming of berusting van de vrouw kan wel worden afgeleid uit onder meer de volgende omstandigheden:
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
Inburgering wordt met name getoetst aan de hand van de naturalisatietoets en het vereiste van een monogaam huwelijk. Als verzoeker aan deze voorwaarden voldoet, wordt in beginsel aangenomen dat hij de Nederlandse rechtsorde in algemene zin heeft aanvaard.
### paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
Een vrouw meldt zich na 1 juli 2013 bij de gemeente om een naturalisatieverzoek in te dienen en geeft daarbij aan dat zij analfabeet is. Zij stelt dat zij als analfabeet in aanmerking komt voor ontheffing van de naturalisatietoets. Ter ondersteuning hiervan overhandigt zij een verklaring van de huisarts en een verklaring van haar man. De burgemeester legt uit dat deze verklaringen bij analfabetisme nimmer leiden tot een ontheffing van de naturalisatietoets.
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
### 8-3. Toelichting ad [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
Landen waar polygamie en/of verstoting mogelijk is (geactualiseerd per 1 juni 2009)
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd.**
Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij de indiening van het verzoek om naturalisatie een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van deze verklaring. De eis om een bereidverklaring te ondertekenen en vervolgens de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als het verzoek om naturalisatie op of ná 1 maart 2009 wordt ingediend. Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd.56Zie ook toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 6, tweede lid , artikel 11, vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN.
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 2.30). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling af voordat het uittreksel van het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01)**Afleggen verklaring van verbondenheid**).
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij [artikel 60b, vijfde lid en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het voor de verzoeker niet mogelijk is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de verzoeker wel bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar vanwege zijn fysieke of psychische toestand model 2.30 niet zelf kan invullen of dat bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie duidelijk is dat de verzoeker niet in staat zal zijn de verklaring van verbondenheid mondeling af te leggen. Zie de toelichting in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)**Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)** in artikel 7 RWN hoe met deze uitzonderingssituaties moet worden omgegaan.
Vanaf 1 maart 2009 moet zowel de meerderjarige naturalisandus als de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie, op grond van [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) wordt ingediend zestien jaar of ouder is, zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen bij de bekendmaking van het naturalisatiebesluit.
Voor een enkele verzoeker kan echter een uitzondering gemaakt worden. Indien van de verzoeker door omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling uitspreekt tegenover de bevoegde autoriteit, wordt een schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. De beoordeling of sprake is van de hier bedoelde omstandigheden, ligt bij de burgemeester57Zie artikel 60b, vijfde lid, BVVN en paragraaf 3.13.4 Zwaarwegende redenen en uitzonderingen. en wordt gestaafd door ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken).
Wordt de toezegging een verklaring van verbondenheid af te leggen niet nagekomen en er is geen ontheffing van het mondeling of schriftelijk afleggen verleend, dan wordt het uittreksel van het naturalisatiebesluit niet uitgereikt en het Nederlanderschap niet verkregen. Immers, pas door de bekendmaking kan iemand Nederlander worden door naturalisatie.
### Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Of sprake is van twee jaren onafgebroken toelating en hoofdverblijf kan in de meeste gevallen worden afgeleid uit het verblijfsdocument en de BRP. Als deze gegevens onvoldoende uitsluitsel bieden, kan de burgemeester aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een bericht omtrent toelating vragen. Voor de beoordeling van de vraag of de verzoeker in totaal ten minste tien jaar toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk heeft gehad kan – zo nodig – eveneens een bericht omtrent toelating worden gevraagd.46[104] Zie voor uitleg van de begrippen ‘toelating’ en ‘hoofdverblijf’ de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN.
Van zijn twaalfde tot zijn zeventiende woonde C met zijn moeder in Turkije. Sinds zijn zeventiende woont hij weer in Nederland. Gedurende een jaar was hij in het bezit van een vergunning tot verblijf bij vader. Aansluitend was hij een jaar in het bezit van een vergunning tot verblijf zonder beperking. Aan het eind van dat jaar vergat hij om zijn verblijfsvergunning tijdig te verlengen. Drie maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur werd hij alsnog in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning, met een geldigheidsduur van een jaar. Deze vergunning werd echter niet met terugwerkende kracht verleend.
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
De erkenning of wettiging kan plaats hebben gevonden tijdens de meer- of minderjarigheid van het kind. Voor de meerderjarige verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd, mag de onafgebroken periode dat hij door zijn juridische vader is verzorgd en opgevoed na de erkenning of wettiging worden afgetrokken van de termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. Dit kan echter alleen als deze periode van verzorging en opvoeding direct vooraf is gegaan aan de meerderjarigheid van de verzoeker. De periode van verzorging en opvoeding moet dus direct vooraf zijn gegaan aan zijn achttiende jaar, zijn voordien gesloten huwelijk of zijn voordien in Nederland geregistreerd partnerschap of buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1). Het begrip ‘verzorging en opvoeding’ in deze bepaling komt overeen met het begrip ‘verzorging en opvoeding’ in de zin van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Voor de wijze waarop de verzoeker moet aantonen dat aan deze voorwaarde is voldaan, wordt hier verwezen naar de toelichting bij die bepaling.
### 1. Verzoek om naturalisatie
### 2. Verificatie persoonsgegevens (artikel 7 RWN)
### 3. Meerderjarigheid hoofdverzoeker (artikel 8 lid 1 onder a RWN)
### 4. Fictieve toets verblijfsrecht van niet tijdelijke aard in Nederland (artikel 8 lid 1 onder bRWN)
G is de dochter van een Australische ongetrouwde moeder en een juridisch onbekende vader. Zij is uitsluitend in het bezit van de Australische nationaliteit. Als G 22 jaar is, wordt zij erkend door een Nederlander. Zij verkrijgt hierdoor niet de Nederlandse nationaliteit. Als G 40 jaar is, gaat zij in Nederland wonen. Na vijf maanden wordt zij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Als G daarna nog drie jaar ononderbroken haar hoofdverblijf in Nederland houdt en in het bezit blijft van een verblijfsvergunning kan zij een verzoek om naturalisatie indienen. Of het verzoek van G wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of zij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
### 5. Termijn van toelating en hoofdverblijf niet van toepassing (artikel 8 lid 2 RWN)
### 6. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (artikel 8 lid 1 onder e RWN)
### 7. Inburgering (artikel 8 lid 1 onder d RWN)
### 8. Antecedenten (artikel 9 lid 1 onder a)
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikelen 4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5); [4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7); [6:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:2); [7:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1); [8:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:1) en[8:7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:7)
[Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405): [artikelen 1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1); [1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1) en [5 t/m 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=5)
### 9. Bereidheid tot het doen van afstand (artikel 9 lid 1 onder b, artikel 9 lid 3 RWN)
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
### 11. (Mede)naturalisatie minderjarigen (artikel 11 lid 6 RWN)
[WRB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368): [artikelen 34.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34) en [34.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34)
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): [artikelen 74a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) en [92 t/m 423](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92)
Op grond van overgangsbepaling [artikel II, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) (Stb. 2010, 242) geldt overgangsrecht voor [artikel 9, derde lid, onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9).
Dit heeft tot gevolg dat ten aanzien van verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend vóór 1 oktober 2010, nog steeds de uitzonderingscategorie bij afstand “de verzoeker die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn hoofdverblijf gehad heeft” van toepassing is. Voor verzoekers die op of na 1 oktober 2010 een verzoek indienen geldt deze uitzonderingscategorie dus niet meer.
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): [artikelen 74a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) en [92 t/m 423](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92)
[Artikel 9, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) stelt drie additionele eisen waaraan een verzoeker moet voldoen, naast de in [artikel 8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) gestelde voorwaarden.
### 1. Verzoek om naturalisatie
### 2. Verificatie persoonsgegevens (artikel 7 RWN)
### 3. Meerderjarigheid hoofdverzoeker (artikel 8 lid 1 onder a RWN)
### 4. Fictieve toets verblijfsrecht van niet tijdelijke aard in Nederland (artikel 8 lid 1 onder bRWN)
Het is van belang dat de vreemdeling zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus de vreemdeling in vrijheid is gesteld, het bedrag heeft betaald of de taakstraf heeft voltooid.
Het is in het belang van de Nederlandse Staat dat het Nederlanderschap niet wordt verleend aan een persoon ten aanzien van wie zeker is dan wel ernstige redenen bestaan te veronderstellen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven of handelingen als genoemd in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals dit verdrag is gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967. Behalve maatschappelijke onwenselijkheid en het internationale aanzien van Nederland is ook de positie van de slachtoffers van personen afkomstig uit hetzelfde land die hier te lande bescherming hebben gevonden in het geding.
Ingevolge artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dat verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie ernstige reden bestaat te veronderstellen dat:
In beginsel wordt een vreemdeling op wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is niet in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt de vreemdeling om redenen van disproportionaliteit op aanvraag in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier van tijdelijke aard. Vanwege het tijdelijke karakter van het verblijfsrecht is verlening van het Nederlanderschap in die gevallen niet mogelijk. Niettemin kan het voor komen dat een vreemdeling op wie artikel 1F van toepassing is, in het bezit is van een verblijfsvergunning (asiel of regulier) met een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard, waarop naturalisatie in beginsel wél mogelijk is. Bijvoorbeeld als informatie die leidt tot het vermoeden dat de vreemdeling de in artikel 1F Vluchtelingenverdrag genoemde misdrijven of handelingen heeft begaan, pas na verlening van een verblijfsvergunning bekend wordt. Het is dan niet altijd meer mogelijk het verblijfsrecht te beëindigen. In dat geval wordt een aanvraag tot het verlenen van het Nederlanderschap afgewezen.
De conclusie dat de vreemdeling zich aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F heeft schuldig gemaakt is in ieder geval aan de orde bij:
Afwijzing van het verzoek om naturalisatie zal geschieden met de motivering dat betrokkene een gevaar oplevert voor de openbare orde, goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk. De afwijzende naturalisatiebeschikking bevat tevens de onderbouwing van de ernstige vermoedens door verwijzing naar de vreemdelingrechtelijke beschikking, de uitkomst van in het kader van de naturalisatieprocedure verricht onderzoek dan wel de (openstaande) strafzaak.
Als uitgangspunt doet de burgemeester geen onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 1F. Hierover hoeft in het schriftelijk advies aan de IND dan ook niets te worden vermeld.
Aanwijzingen over de toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag worden ontvangen en beoordeeld door de IND. Indien van toepassing informeert de IND de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woonplaats heeft als ten aanzien van een vreemdeling die door optie het Nederlanderschap kan verkrijgen het ernstige vermoeden bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Als door de IND hierover geen informatie is verstrekt kan ervan uit worden gegaan dat artikel 1F geen grond is om de bevestiging van de optieverklaring te weigeren.
Afwijzing van het verzoek om naturalisatie zal geschieden met de motivering dat betrokkene een gevaar oplevert voor de openbare orde, goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk. De afwijzende naturalisatiebeschikking bevat tevens de onderbouwing van de ernstige vermoedens door verwijzing naar de vreemdelingrechtelijke beschikking, de uitkomst van in het kader van de naturalisatieprocedure verricht onderzoek dan wel de (openstaande) strafzaak.
Het openbare-ordebeleid bij naturalisatie en optie komt niet geheel overeen met het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht. De reden daarvoor is dat de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap iets geheel anders is dan de verlening van een verblijfsvergunning. Het Nederlanderschap geeft immers rechten die een verblijfsvergunning niet geeft, bijvoorbeeld actief en passief kiesrecht voor de Staten-Generaal en de mogelijkheid een beroep te doen op consulaire bescherming, en stelt bepaalde ambten open die niet voor vreemdelingen openstaan. Daarom mogen er ook andere regels worden gesteld.
De vreemdeling mag geen Nederlander worden als zijn verblijfsvergunning wegens inbreuk op de openbare orde op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken. Dat wil echter niet zeggen dat de vreemdeling, als zijn verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 niet kan worden ingetrokken, zonder meer Nederlander kan worden. Omdat het openbare-ordebeleid in het nationaliteitsrecht anders is dan het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht, kunnen er in zo’n geval wel degelijk ernstige vermoedens (in de zin van [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)) bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde.
Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een naturalisatie of optie dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden geweigerd, toch moet worden ingewilligd of worden bevestigd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek of optie dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen of geweigerd, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek of optie moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek of optie zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de Handleiding RWN 2003 geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.
De woorden ‘ernstige vermoedens’ in het onderhavige artikellid geven aan dat niet alleen misdrijven waarvoor de vreemdeling al onherroepelijk is veroordeeld in aanmerking moeten worden genomen, maar ook misdrijven waarvan hij op goede gronden wordt verdacht en waarop alsnog een sanctie kan volgen.
Met ‘sanctie’ wordt hier niet alleen bedoeld een straf (bijvoorbeeld geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) of een maatregel die door de strafrechter is opgelegd, maar ook uitgevaardigde strafbeschikkingen of door de politie of het OM opgelegde boeten. De vreemdeling mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking ter zake van misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat weigering van naturalisatie of optie moet plaatsvinden, als op grond van het gedrag van de vreemdeling ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Als naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de naturalisatie- of optieprocedure worden betrokken.
Aanleiding voor het aannemen van een serieuze verdenking kan bijvoorbeeld zijn een tegen de vreemdeling wegens misdrijf opgemaakt proces-verbaal (kan onder meer blijken uit het Opsporingsregister of het register van de herkenningsdienst) of de vermelding op het uittreksel van de Justitiële documentatiedienst (JDD) van een openstaande strafzaak ter zake van misdrijf. Ook als de vreemdeling al is veroordeeld voor een misdrijf of jegens hem ter zake van een misdrijf een strafbeschikking is uitgevaardigd, maar hij tegen het vonnis in hoger beroep is gegaan of verzet heeft aangetekend tegen de strafbeschikking, is de strafzaak nog niet onherroepelijk afgedaan en is er nog steeds sprake van een serieuze verdenking. Het is mogelijk dat de vreemdeling in hoger beroep wordt veroordeeld tot een andere straf. Verder is er sprake van ernstige vermoedens als de vreemdeling zich nog in de proeftijd bevindt. Een proeftijd kan worden verbonden aan een voorwaardelijk sepot, een voorwaardelijke veroordeling of een voorwaardelijke gratie. Als de vreemdeling zich niet houdt aan de voorwaarden, kan alsnog strafvervolging worden ingesteld of kan de gratie ongedaan worden gemaakt.
Van belang is dat een afwijzende beslissing nimmer kan worden gebaseerd op alleen een enkel proces-verbaal. Een proces-verbaal leidt immers niet altijd tot het opleggen van een sanctie. Wel vormt het proces-verbaal aanleiding om een nader onderzoek in te stellen. Zolang niet vast staat dat de vreemdeling geen gevaar oplevert voor de openbare orde, kan hij geen Nederlander worden. Telkens zal zorgvuldig moeten worden onderzocht of er goede redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat het vermeende misdrijf zal kunnen leiden tot een sanctie.
Met ‘sanctie’ wordt hier niet alleen bedoeld een straf (bijvoorbeeld geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) of een maatregel die door de strafrechter is opgelegd, maar ook uitgevaardigde strafbeschikkingen of door de politie of het OM opgelegde boeten. De vreemdeling mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking ter zake van misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat weigering van naturalisatie of optie moet plaatsvinden, als op grond van het gedrag van de vreemdeling ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Als naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de naturalisatie- of optieprocedure worden betrokken.
De vreemdeling mag in de periode van vier jaren (de zogenaamde rehabilitatietermijn van vier jaar) direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring of de beslissing daarop niet onderworpen zijn geweest aan sanctionering van een misdrijf of aan de gevolgen daarvan. Daarbij geldt het volgende:
Daarbij is niet van belang:
De naturalisatie of optie wordt geweigerd, als er binnen vier jaren voor de indiening van het verzoek dan wel het afleggen van de optieverklaring of de beslissing daarop zo’n sanctie is opgelegd. Daarbij is niet van belang:
De naturalisatie of optie wordt ook geweigerd, als er in die periode van vier jaar een sanctie ten uitvoer is gelegd. De sanctie is tenuitvoergelegd:
Het is van belang dat de vreemdeling zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus de vreemdeling in vrijheid is gesteld, het bedrag heeft betaald of de taakstraf heeft voltooid.
Voorwaardelijke straf en proeftijd: als sprake is van een voorwaardelijk opgelegde straf waaraan een proeftijd is verbonden, moet de proeftijd zijn verstreken voordat de vreemdeling in aanmerking kan komen voor naturalisatie of optie. Als de vreemdeling gedurende de proeftijd heeft voldaan aan de algemene voorwaarde dat hij niet opnieuw strafbare feiten pleegt, en de voorwaardelijk opgelegde straf dus niet alsnog ten uitvoer wordt gelegd, begint de rehabilitatietermijn (achteraf bezien) op het moment waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden. Er is immers geen sprake van de tenuitvoerlegging van de straf. Als de vreemdeling gedurende de proeftijd heeft voldaan aan bijzondere voorwaarden (bijvoorbeeld betaling van een geldsom of het verrichten van arbeid) begint de rehabilitatietermijn op het moment waarop die bijzondere voorwaarde is vervuld.
Als de vreemdeling in één strafrechtelijke procedure voor verschillende gevoegde feiten (verschillende misdrijven of een combinatie van misdrijven en overtredingen) is veroordeeld tot één enkele straf, die gelijk is aan of uitstijgt boven de hierboven gegeven norm, wordt de naturalisatie of optie geweigerd.
Het is van belang dat de vreemdeling zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus de vreemdeling in vrijheid is gesteld, het bedrag heeft betaald of de taakstraf heeft voltooid.
Een ernstig vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt niet gebaseerd op zo maar iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet wel voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen. Bovendien moet ook de sanctie die daarop is gevolgd, voldoende zwaar zijn. Dat betekent dat misdragingen die strafrechtelijk als overtreding worden gekwalificeerd of die buiten het strafrecht zijn afgedaan (bijvoorbeeld met een bestuurlijke boete of uitsluitend een civiele veroordeling tot schadevergoeding) buiten beschouwing blijven.
Schuldig zonder straf: misdrijven waarbij in het vonnis sprake is van een schuldigverklaring, maar waarbij de rechter met toepassing van [art. 9a Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9a) geen (voorwaardelijke) straf of maatregel heeft opgelegd blijven ook buiten beschouwing bij een beoordeling in het kader van [art. 9, eerste lid, onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9).
Of een bepaalde misdraging een misdrijf of een overtreding is, is afhankelijk van de betreffende wetgeving. Misdrijven zijn opgenomen in het [Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&boek=Tweede) ([artikelen 92 tot en met 423 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92)), maar soms ook in bijzondere wetten, zoals de [Wet Economische Delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) (WED) en de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941). Steeds zal de betreffende wet moeten worden geraadpleegd om te bezien of het betreffende feit een misdrijf (of een overtreding) is.
Een ernstig vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt niet gebaseerd op zo maar iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet wel voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen. Bovendien moet ook de sanctie die daarop is gevolgd, voldoende zwaar zijn. Dat betekent dat misdragingen die strafrechtelijk als overtreding worden gekwalificeerd of die buiten het strafrecht zijn afgedaan (bijvoorbeeld met een bestuurlijke boete of uitsluitend een civiele veroordeling tot schadevergoeding) buiten beschouwing blijven.
Een enkele transactie of strafbeschikking ter zake van een misdrijf leidt tot weigering van naturalisatie of optie, als de geldboete € 810,– of meer bedraagt, of de voorwaarde voor transactie of van de strafbeschikking een taakstraf is. De rehabilitatietermijn van vier jaar vangt aan als het bedrag is betaald of de taakstraf is vervuld. Meerdere transacties of strafbeschikkingen ter zake van misdrijf, van ieder ten minste € 405,– leiden tot weigering van de naturalisatie of optie, als de som van deze transacties of strafbeschikkingen in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het naturalisatieverzoek dan wel de aflegging van de optieverklaring of de beslissing daarop ten minste € 1.215,– bedraagt. Hetzelfde geldt voor de combinatie van transactie(s), strafbeschikking(en) en geldboete(n).
Voor de afdoening van misdrijven is niet altijd een uitspraak van de strafrechter nodig. Ongeveer een derde van de misdrijfzaken wordt door middel van een transactie afgedaan. Het gebruik van transacties is in hoge mate vastgelegd in richtlijnen van het OM. Een transactie voor een misdrijf is een alternatieve vorm van sanctie, zij het dat die sanctie niet na berechting en niet door de strafrechter wordt opgelegd, en dat de vrijwillige instemming van de verdachte is vereist. Met de transactie geeft de Nederlandse overheid aan voldoende belang te hechten aan sanctionering van het misdrijf. De ernst van het misdrijf komt tot uiting in de hoogte van het transactiebedrag, waarmee de verdachte strafvervolging kan afkopen. Dat voorstel mag uitsluitend worden gedaan als een veroordeling door de rechter in een gewone strafrechtelijke procedure ook daadwerkelijk haalbaar is. Als langs de weg van de gewone procedure geen sanctionering zou kunnen volgen, behoort een transactieaanbod achterwege te blijven. De verdachte hoeft niet op het voorstel in te gaan en kan kiezen voor behandeling door de strafrechter. De transactie houdt formeel weliswaar geen erkenning door de verdachte in dat hij het strafbare feit heeft gepleegd – en de mogelijkheid is dus aanwezig dat de verdachte het feit ter zake waarvan verdenking is gerezen niet heeft gepleegd en slechts ingaat op het transactievoorstel om van de zaak af te zijn, bijvoorbeeld om het openbaar terechtstaan, het opmaken van een strafblad, de civielrechtelijke bewijspositie van de veroordeelde en onzekerheid over de uitkomst van het strafgeding te voorkomen – maar voor iedere transactie is de vrijwillige instemming van de verdachte met de transactie essentieel. Het prijsgeven van rechtsbescherming door de strafrechter en de mogelijkheid van vrijspraak of lagere strafoplegging, geschiedt vrijwillig. In sommige gevallen ([artikel 74a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74a)) kan een door de verdachte aangeboden transactie ook niet door het OM worden geweigerd. Bovendien gaat het in naturalisatie- en optiezaken om relatief hoge bedragen (€ 810,– of meer, dan wel ingeval van herhaalde misdrijven € 405,– of meer) dat voorshands niet kan worden aangenomen dat de vreemdeling (telkenmale) onschuldig transigeert om van de zaak af te zijn. Ook in het krachtens [artikel 16, eerste lid aanhef en onder d, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) (nader uitgewerkt in [artikel 3.77 van het Vreemdelingenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77)) gevoerde toelatingsbeleid leiden transacties ter zake van misdrijven tot de afwijzing van een aanvraag om een verblijfsvergunning.
Met ingang van 1 februari 2008 is een regeling betreffende het buitengerechtelijk afdoen van strafbare feiten door middel van een strafbeschikking van kracht geworden. De strafbeschikking berust op een schuldvaststelling. De strafbeschikking kan worden uitgevaardigd door de officier van justitie of door aangewezen opsporingsambtenaren of bestuursorganen. Naast het Openbaar Ministerie (OM) en politie hebben ook gemeenten en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) de bevoegdheid gekregen strafbeschikkingen uit te vaardigen. In de strafbeschikking kunnen straffen en maatregelen worden opgelegd en aanwijzingen worden gegeven. De straffen en maatregelen kunnen zijn een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uren, een geldboete, onttrekking aan het verkeer, de verplichting tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor ten hoogste zes maanden. Als degene jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd het daar niet mee eens is, kan hij bij het OM verzet instellen. Hierdoor komt de zaak alsnog voor de rechter, die deze in volle omvang beoordeelt. De huidige transactie zal – gefaseerd – worden vervangen door de strafbeschikking. De transactie en de strafbeschikking zullen de komende vijf jaar naast elkaar blijven bestaan. De regeling van de strafbeschikking is, net als die van de transactie, van toepassing op overtredingen en op misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar. De regeling van de strafbeschikking is te vinden in de [artikelen 257a-257h van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257).
Een enkele transactie of strafbeschikking ter zake van een misdrijf leidt tot weigering van naturalisatie of optie, als de geldboete € 810,– of meer bedraagt, of de voorwaarde voor transactie of van de strafbeschikking een taakstraf is. De rehabilitatietermijn van vier jaar vangt aan als het bedrag is betaald of de taakstraf is vervuld. Meerdere transacties of strafbeschikkingen ter zake van misdrijf, van ieder ten minste € 405,– leiden tot weigering van de naturalisatie of optie, als de som van deze transacties of strafbeschikkingen in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het naturalisatieverzoek dan wel de aflegging van de optieverklaring of de beslissing daarop ten minste € 1.215,– bedraagt. Hetzelfde geldt voor de combinatie van transactie(s), strafbeschikking(en) en geldboete(n).
Het zou onrechtvaardig zijn dat de vreemdeling die zich regelmatig schuldig maakt aan misdrijven, maar die daarvoor telkenmale sancties krijgt opgelegd van minder dan € 810,– wel, en de vreemdeling die eenmalig een misdrijf heeft begaan waarvoor hij met een boete van € 810,– of meer is bestraft gedurende vier jaren nadien niet voor naturalisatie of optie in aanmerking komt. Met de cumulatieregeling is beoogd aan deze onrechtvaardigheid tegemoet te komen. Als de vreemdeling binnen een bepaald tijdsbestek wegens herhaalde misdrijven is gesanctioneerd, kan daarmee rekening worden gehouden. Om te voorkomen dat een opeenstapeling van vermogenssancties ter zake van diverse misdrijven (te snel) tot weigering van naturalisatie of optie leidt, is per sanctie een minimumbedrag van € 405,– vastgesteld. Deze ondergrens van € 405,– is gebaseerd op (in richtlijnen van het OM opgenomen vermogenssancties die kunnen worden opgelegd ter zake van) misdrijven, waarvan bij herhaling kan worden aangenomen dat er sprake is van ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde. Met het totaalbedrag van € 1.215,– is beoogd te voorkomen dat een te gering aantal sancties uiteindelijk toch tot weigering van naturalisatie of optie zal gaan leiden.
Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.
Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium ‘ernstig gevaar voor de openbare orde’ (in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)). Zij moeten door iedereen op dezelfde wijze worden uitgevoerd. Deze regels vervangen de genoemde artikelen niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels moet men er dus altijd op bedacht zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.
De vreemdeling kan verschillende strafbare feiten hebben begaan die alle tezamen in een en dezelfde strafrechtelijke procedure aan de strafrechter worden voorgelegd. In een dergelijk geval kan het voorkomen dat voor al die feiten een enkele straf wordt opgelegd, waarbij niet duidelijk is welk gedeelte van die straf voor welk feit is opgelegd. Als voorbeeld geldt de vreemdeling die twee jaar geleden wegens twee misdrijven en een overtreding een geldboete van € 907,56 wordt opgelegd. In dat geval wordt naturalisatie of optie geweigerd, omdat ten minste één van de strafbare feiten een misdrijf was en de totale straf genoeg is om tot weigering van naturalisatie of optie over te gaan.
Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.
Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte; ATAN) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject). Er wordt bij taakstraffen dus geen onderscheid gemaakt tussen werk- en leerstraffen. De taakstraf staat tussen de vrijheidsstraf en de geldboete in, en komt in plaats van een gevangenisstraf. Bij naturalisatie en optie worden zowel geldboeten als vrijheidsstraffen voor misdrijven tegengeworpen, ongeacht de vraag of zij voorwaardelijk of onvoorwaardelijk zijn opgelegd. Er bestaat geen aanleiding om voorbij te gaan aan de (voor een misdrijf opgelegde) taakstraf die thans nog in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, indien zowel de daad als de dader strafbaar zijn bevonden. Gehandhaafd is tevens het uitgangspunt dat de taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf. Dat sluit aan bij de regeling van de vrijheidsstraf, die eveneens ongeacht de duur wordt tegengeworpen.
De vreemdeling kan verschillende strafbare feiten hebben begaan die alle tezamen in een en dezelfde strafrechtelijke procedure aan de strafrechter worden voorgelegd. In een dergelijk geval kan het voorkomen dat voor al die feiten een enkele straf wordt opgelegd, waarbij niet duidelijk is welk gedeelte van die straf voor welk feit is opgelegd. Als voorbeeld geldt de vreemdeling die twee jaar geleden wegens twee misdrijven en een overtreding een geldboete van € 907,56 wordt opgelegd. In dat geval wordt naturalisatie of optie geweigerd, omdat ten minste één van de strafbare feiten een misdrijf was en de totale straf genoeg is om tot weigering van naturalisatie of optie over te gaan.
Omdat het bij de vraag naar het ernstige vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde oplevert, primair gaat om diens gedragingen, is in beginsel irrelevant waar deze gedragingen hebben plaatsgevonden. Een bepaalde gedraging is immers niet minder ernstig als het buiten de landsgrenzen heeft plaatsgevonden. Aangezien het gaat om het ernstige vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de Nederlandse openbare orde vormt, wordt niet tegengeworpen de bestraffing van een gedraging die naar Nederlands recht geen misdrijf vormt. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat in het buitenland bepaalde gedragingen in het algemeen zwaarder of lichter kunnen worden bestraft dan in Nederland. Daarom moet tevens worden beoordeeld of de buitenlandse beoordeling van het misdrijf vergelijkbaar is met de Nederlandse beoordeling. Buitenlandse feiten kunnen bijvoorbeeld blijken uit gegevens van de Justitiële documentatiedienst (JDD) of uit de verklaringen van de vreemdeling zelf.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 5-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 3.1. Bewijslast opvoeding en verzorging
### 5a-1. Toelichting ad artikel 5a, eerste lid (sterke adoptie)
### Artikel 6
### 6-1-a. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
Dit geldt voor voormalige inburgeringsplichtige naturalisatieverzoekers.
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.4¶graaf=3.13.4.2&z=2015-04-17&g=2015-04-17) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
Telefonisch overleg met de IND over overgelegde adviezen is voor gemeenten altijd mogelijk via de vaste aanspreekpunten bij de naturalisatie-units van de IND.
Mochten er vragen zijn ten aanzien van de inhoud van het afgegeven medisch advies, dan neemt de IND contact op met de aangewezen medisch adviseur.
### 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### Paragraaf 2.3.3. Beroep ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
### paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij DUO
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
Naast het in zijn bezit hebben van een door de wet bepaalde mate van kennis van de Nederlandse taal, staatsinrichting en maatschappij dient de verzoeker die in aanmerking wil komen voor naturalisatie zich te hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving. Deze voorwaarde wordt onder andere getoetst aan de hand van een monogaam huwelijk.
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.4¶graaf=3.13.4.2&z=2016-01-01&g=2016-01-01) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
Beslissing: Het naturalisatieverzoek wordt afgewezen. Om wegens geleverde inspanningen voor ontheffing van de naturalisatietoets in aanmerking te komen, dient de vrouw aan te tonen dat zij zich heeft ingespannen om voldoende taalvaardig te worden in de Nederlandse taal. Zij kan dit alleen aantonen door het overleggen van een advies van DUO of, als zij op of na 1 januari 2013 inburgeringsplichtig is geworden, door het overleggen van een beschikking tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6) van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
### Bijlage 8
### Paragraaf 4. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.4¶graaf=3.13.4.2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) Afleggen verklaring van verbondenheid)
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
### Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
[Rgdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006434): [artikelen 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006434&artikel=2) en [5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006434&artikel=5)
Wet BRP: [artikel 2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15)
### 5. Termijn van toelating en hoofdverblijf niet van toepassing (artikel 8 lid 2 RWN)
### 6. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (artikel 8 lid 1 onder e RWN)
### 7. Inburgering (artikel 8 lid 1 onder d RWN)
### 8. Antecedenten (artikel 9 lid 1 onder a)
### 9. Bereidheid tot het doen van afstand (artikel 9 lid 1 onder b, artikel 9 lid 3 RWN)
### 10. Verzoeker heeft geen hoofdverblijf in het land waarvan hij onderdaan is (artikel 9 lid 1, onder c RWN)
### 11. (Mede)naturalisatie minderjarigen (artikel 11 lid 6 RWN)
### 12. Naamsvaststelling of naamswijziging (artikel 12 RWN)
### 13. Betaling leges (artikel 15 RWN)
### 14. Advies van het hoofd van de diplomatieke of consulaire post
### 15. Toelichting (bij ruimtegebrek extra bladzijde toevoegen)
Er is geen reden om alleen rekening te houden met die buitenlandse feiten die zijn gepleegd ná de vreemdelingenrechtelijke toelating van de vreemdeling. Gelet op de vereiste verblijfstermijnen zullen de meeste vóór de toelating gepleegde feiten en de sanctionering daarvan, veelal ouder zijn dan vier jaar, en daarmee niet meer relevant. Voor bepaalde categorieën vreemdelingen gelden echter geen of kortere verblijfstermijnen. Ook is het mogelijk dat in de vreemdelingenrechtelijke toelatingsprocedure een eerder of buitenlands feit is verzwegen of niet (voldoende) is onderkend, of dat de vóór de toelating van de vreemdeling opgelegde sanctie nog niet ten uitvoer is gelegd. Daardoor is niet ondenkbaar dat het in het buitenland vóór de toelating gepleegde feit of de sanctionering toch relevant is voor de naturalisatie of optie.
De rehabilitatietermijn vangt dus niet aan op de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden. In de periode tussen die datum en de gratieverlening was er immers wel sprake van dat de opgelegde straf ten uitvoer zou worden gelegd. Van daadwerkelijke rehabilitatie (en de aanvang van de rehabilitatietermijn) kan geen sprake zijn, zolang de vreemdeling nog onderworpen is aan de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel of dat hem deze nog boven het hoofd hangt.
Er bestaat geen aanleiding om een misdrijf dat is gepleegd door iemand ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig [Titel VIII A van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=VIII_A) (jeugdstrafrecht) anders te beoordelen dan hetzelfde misdrijf maar dan gepleegd door een meerderjarige. Jeugdstrafrecht is ook strafrecht dat wordt toegepast naar aanleiding van een feitelijke misdraging. Jeugdstrafrecht kent een afwijkend sanctiepakket en bij het bepalen van de sanctie is met de jeugdige leeftijd van de dader al rekening gehouden. Dat betekent dat eenzelfde misdrijf, als gevolg van de in het strafrecht gehanteerde instrumenten en de daarop betrekking hebbende keuzes mogelijk tot verschillende strafrechtelijke sancties voor minderjarigen en meerderjarigen leidt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de stelling aanvaard dat het niet aan Onze Minister bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie of optie, dan wel de bestuursrechter, is om te toetsen op welke wijze de Rechtbank tot het opleggen van een sanctie is gekomen en om te beoordelen of een andere sanctie zou zijn opgelegd als een vreemdeling meerderjarig zou zijn geweest.
Er is geen reden om alleen rekening te houden met die buitenlandse feiten die zijn gepleegd ná de vreemdelingenrechtelijke toelating van de vreemdeling. Gelet op de vereiste verblijfstermijnen zullen de meeste vóór de toelating gepleegde feiten en de sanctionering daarvan, veelal ouder zijn dan vier jaar, en daarmee niet meer relevant. Voor bepaalde categorieën vreemdelingen gelden echter geen of kortere verblijfstermijnen. Ook is het mogelijk dat in de vreemdelingenrechtelijke toelatingsprocedure een eerder of buitenlands feit is verzwegen of niet (voldoende) is onderkend, of dat de vóór de toelating van de vreemdeling opgelegde sanctie nog niet ten uitvoer is gelegd. Daardoor is niet ondenkbaar dat het in het buitenland vóór de toelating gepleegde feit of de sanctionering toch relevant is voor de naturalisatie of optie.
Het gaat bij de beoordeling van het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde om de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de vreemdeling. Die verwachtingen worden noodzakelijkerwijs gebaseerd op het gedrag van de vreemdeling in het heden en recente verleden. Als maatstaf voor de beoordeling van het gedrag wordt de vraag gehanteerd of het gedrag van de vreemdeling heeft geleid tot een veroordeling of andere sanctie ter zake van misdrijf of de tenuitvoerlegging daarvan. Omdat het echter blijft gaan om het toekomstige gedrag, wordt niet iedere sanctie en tenuitvoerlegging daarvan (ook niet als die sanctie zeer zwaar was) blijvend tegengeworpen. De omstandigheid dat iemand in het verleden wegens bepaalde strafbare feiten in aanraking is gekomen met Justitie is op zichzelf onvoldoende grond voor afwijzing. Aan het gedrag van de vreemdeling in het verre verleden kunnen geen conclusies worden verbonden, voor wat betreft zijn toekomstige gedrag. Voor de beoordeling van een naturalisatieverzoek of optie is als maatstaf aangelegd dat er gedurende een periode van vier jaar, direct voorafgaande aan de indiening van het naturalisatieverzoek of het afleggen van de optieverklaring of de beslissing daarop, geen sprake mag zijn geweest van een misdrijf, de sanctionering van een misdrijf of de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie.
Een stelsel dat uitgaat van de datum waarop het misdrijf heeft plaatsgevonden, is niet wenselijk. Een nadelig gevolg daarvan zou zijn dat een misdrijf dat eerst geruime tijd na dato aan het licht komt, niet kan leiden tot het weigeren van de Nederlandse nationaliteit. De strafrechtelijke verjaringstermijnen zijn in het algemeen aanzienlijk langer dan vier jaar. In dat geval zou de vreemdeling moeten worden voorgedragen voor het Nederlanderschap, terwijl hij nog aan strafvervolging wegens een ernstig feit is onderworpen of de opgelegde straf nog ondergaat. Dat zou ook kunnen gebeuren als de vreemdeling is veroordeeld tot een zeer lange gevangenisstraf. Voorzover het tussen de pleegdatum en de datum van veroordeling verstreken tijdsverloop relevant is te achten, zal dat in de strafmaat tot uitdrukking worden gebracht. Voorts doet een stelsel dat uitgaat van de pleegdatum geen recht aan de gedachte dat van daadwerkelijke rehabilitatie geen sprake kan zijn, zolang de vreemdeling nog strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel boven het hoofd hangt. Een stelsel dat uitgaat van de pleegdatum in combinatie met een (aanzienlijk) langere rehabilitatietermijn dan vier jaar na die pleegdatum, zal in de praktijk onbillijk uitpakken voor die vreemdelingen die in het verleden – achteraf bezien eenmalig – een misstap hebben begaan en de daarop gestelde sanctie hebben ondergaan. Zij moeten in dat geval immers langer wachten voordat zij Nederlander kunnen worden. Het huidige stelsel gaat uit van de datum waarop de sanctiebeslissing onherroepelijk is geworden en de datum waarop de sanctie ten uitvoer is gelegd. Dit stelsel blijft gehandhaafd. Een ernstig vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt mitsdien aangenomen gedurende vier jaren, te rekenen vanaf (a) de datum waarop de beslissing tot sanctionering onherroepelijk is geworden, of (b) indien de tenuitvoerlegging daarna is voltooid, het einde van de tenuitvoerlegging. Bij vrijheidsbeneming is dat de datum van de (vervroegde) invrijheidstelling, bij geldboete, transactie of een maatregel tot betaling is dat de datum van betaling van de volledige geldsom en bij taakstraf is dat de datum waarop de taakstraf is beëindigd. De vreemdeling moet daarover gegevens en onderbouwende stukken verstrekken.
Ingeval van een vermogensstraf met afbetalingsregeling, wordt een beroep op die afbetalingsregeling (die de aanvang van de rehabilitatietermijn opschuift) niet gehonoreerd, aangezien die regeling is getroffen op verzoek van de veroordeelde vreemdeling zelf. Ingeval van vrijheidsstraf wordt een beroep op de duur tussen de datum waarop het vonnis onherroepelijk is geworden en de datum waarop de vrijheidsstraf kan worden ondergaan, in het algemeen niet gehonoreerd als een bijzondere omstandigheid. Die duur is thans een kwestie van maanden, tenzij de vreemdeling zelf verzoekt om uitstel van tenuitvoerlegging. Zij is in het verleden wel langer geweest, maar ook toen stond het de veroordeelde vrij zich tot de overheid te wenden met het verzoek om de opgelegde straf met voorrang te ondergaan. Als de vreemdeling zich erop beroept dat er tussen de datum waarop het misdrijf is gepleegd en de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden, een bijzonder lange tijd is verstreken, moet de verzoeker vreemdeling zelf aangeven hoe dat komt en dit met documenten onderbouwen. In de meeste gevallen zal het gaan om misdrijven die eerst geruime tijd na de pleegdatum aan het licht komen en vervolgens tot strafvervolging leiden. In die gevallen is het tijdsverloop het gevolg van het stilzwijgen van de vreemdeling zelf. Als de vreemdeling meent dat er in zijn geval sprake is van zeer bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan toepassing van deze regeling kennelijk onredelijk is, moet hij die bijzondere feiten of omstandigheden zelf naar voren brengen en onderbouwen.
Op een vreemdeling die door de Nederlandse strafrechter is veroordeeld wegens één of meer gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals dit verdrag is gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 of die veroordeeld is wegens een van de misdrijven als bedoeld in [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is de rehabilitatietermijn niet van toepassing. De veroordeling wordt de vreemdeling dus zonder tijdslimiet in het kader van een naturalisatie- of optieverzoek tegengeworpen.
Bij een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan het voorkomen dat de maatregel pas (veel) later ten uitvoer is gelegd dan de eventueel eveneens opgelegde vrijheidsstraf of geldboete. Voor de aanvang van de rehabilitatietermijn is echter de laatst opgelegde straf of maatregel bepalend. Concreet betekent dit dat een vreemdeling zich niet erop kan beroepen dat de datum van de tenuitvoerlegging van de eerste sanctie (vaak de vrijheidsstraf of de geldboete) bepalend is.
Ingeval van een vermogensstraf met afbetalingsregeling, wordt een beroep op die afbetalingsregeling (die de aanvang van de rehabilitatietermijn opschuift) niet gehonoreerd, aangezien die regeling is getroffen op verzoek van de veroordeelde vreemdeling zelf. Ingeval van vrijheidsstraf wordt een beroep op de duur tussen de datum waarop het vonnis onherroepelijk is geworden en de datum waarop de vrijheidsstraf kan worden ondergaan, in het algemeen niet gehonoreerd als een bijzondere omstandigheid. Die duur is thans een kwestie van maanden, tenzij de vreemdeling zelf verzoekt om uitstel van tenuitvoerlegging. Zij is in het verleden wel langer geweest, maar ook toen stond het de veroordeelde vrij zich tot de overheid te wenden met het verzoek om de opgelegde straf met voorrang te ondergaan. Als de vreemdeling zich erop beroept dat er tussen de datum waarop het misdrijf is gepleegd en de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden, een bijzonder lange tijd is verstreken, moet de verzoeker vreemdeling zelf aangeven hoe dat komt en dit met documenten onderbouwen. In de meeste gevallen zal het gaan om misdrijven die eerst geruime tijd na de pleegdatum aan het licht komen en vervolgens tot strafvervolging leiden. In die gevallen is het tijdsverloop het gevolg van het stilzwijgen van de vreemdeling zelf. Als de vreemdeling meent dat er in zijn geval sprake is van zeer bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan toepassing van deze regeling kennelijk onredelijk is, moet hij die bijzondere feiten of omstandigheden zelf naar voren brengen en onderbouwen.
Ook ingeval van een voorwaardelijk opgelegde straf is er sprake van een onvoorwaardelijke veroordeling, waarbij alleen de tenuitvoerlegging van de straf (of een gedeelte daarvan) onder bepaalde voorwaarden wordt opgeschort. Het voorwaardelijk opschorten van de tenuitvoerlegging van (een gedeelte van) de straf, doet niets af aan de veroordeling en daarmee aan de strafbaarheid van de daad en dader. Ook als een straf voorwaardelijk is opgelegd, is het misdrijf gepleegd en zijn daad en dader strafbaar bevonden. Voor naturalisatie is dus niet van belang of de straf voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd. Bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling wordt gekeken naar de totale straf die is opgelegd, dus ook naar het voorwaardelijke gedeelte ervan. Daarbij is het enkele feit dat de straf (geheel of gedeeltelijk) voorwaardelijk is opgelegd, dus niet van belang en wordt ook het voorwaardelijk opgelegde gedeelte in aanmerking genomen. Het feit dat de straf voorwaardelijk is opgelegd, is wel van belang voor de rehabilitatietermijn. Er zijn twee mogelijkheden:
De vreemdeling komt tijdens de proeftijd niet in aanmerking voor naturalisatie of optie.
De beoordeling van bijzondere omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND, en bij optie bij de burgemeester. Die bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens leiden tot de conclusie dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde. Als wel sprake is van ernstige vermoedens dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, moet naturalisatie of optie worden geweigerd. Daarvan kan bij naturalisatie niet met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden afgeweken.
Onvoorwaardelijke sepots worden niet tegengeworpen. Als de vreemdeling ten onrechte als verdachte is aangemerkt, omdat de daad en/of de dader naar het oordeel van het OM niet strafbaar is/zijn, als wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, of de zaak uit opportuniteitsoverwegingen wordt geseponeerd, is de zaak ten einde en kunnen daaraan in het algemeen verder geen gevolgen worden verbonden. Het vermeende misdrijf wordt immers niet gesanctioneerd. Met het onvoorwaardelijke sepot is de zaak direct afgedaan. Onvoorwaardelijke sepots leiden dus niet tot weigering van naturalisatie of optie. Vermeende misdrijven die onvoorwaardelijk zijn geseponeerd, blijven geheel buiten beschouwing. Omdat er geen sprake is van een sanctie, gaat ook geen rehabilitatietermijn van vier jaar lopen.
Met een voorwaardelijk sepot is echter nog geen einde aan de zaak gekomen. Met een voorwaardelijk sepot ziet het OM slechts af van strafvervolging, als aan (een) bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan. Als aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan alsnog tot dagvaarding worden overgegaan en kan het misdrijf alsnog leiden tot een sanctie. De voorwaardelijk geseponeerde zaak lijkt daarmee op een openstaande strafzaak en wordt bij naturalisatie of optie op vergelijkbare wijze beoordeeld. Omdat strafvervolging en -oplegging niet zijn uitgesloten, moet de vreemdeling eerst de proeftijd afwachten. Voorwaardelijke sepots leiden evenmin tot weigering van naturalisatie of optie, mits aan de voorwaarden van het sepot is voldaan en de proeftijd is verstreken. Als een misdrijf voorwaardelijk is geseponeerd, moet altijd de proeftijd worden afgewacht. Als de vreemdeling nog in de proeftijd zit, moet hij worden geadviseerd te wachten met de indiening van het naturalisatieverzoek of het afleggen van de optieverklaring totdat de proeftijd is verstreken. Als hij er niettemin op staat het verzoek in te dienen of de optieverklaring af te leggen en de proeftijd is nog niet verstreken, dan wordt de naturalisatie of optie geweigerd. Pas als de proeftijd is verstreken en aan de voorwaarden is voldaan, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het vermeende misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid en dat er ook geen rehabilitatietermijn is aangevangen.
Verder moet de burgemeester bij optie en de IND bij naturalisatie contact opnemen met de korpschef om na te gaan of de vreemdeling voorkomt in:
De enkele verplichting om aangerichte schade te vergoeden, wordt niet tegengeworpen, ook niet indien die schade is veroorzaakt door een misdrijf. Soms wordt de plicht tot schadevergoeding gekoppeld aan een andere afdoeningsvorm (bijvoorbeeld als voorwaarde aan een voorwaardelijk sepot of opgelegd naast een boete of al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Bij naturalisatie en optie wordt bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling gekeken naar afdoening van het misdrijf (dus naar het voorwaardelijk sepot, de boete of de al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Schadevergoeding kan in diverse vormen voorkomen als voorwaarde om een sanctie te voorkomen. Voor vormen als dading en Halt-afdoeningen wordt verwezen naar voorwaardelijk sepot.
Schadevergoeding is in beginsel een zaak tussen degene die de schade heeft aangericht en de benadeelde. Veroordelingen door de civiele rechter tot schadevergoeding aan de benadeelde worden niet tegengeworpen bij naturalisatie en optie. Schadevergoeding kan echter ook in het strafproces een rol spelen, bijvoorbeeld als voorwaarde verbonden aan een voorwaardelijk opgelegde straf of aan een beslissing om een strafzaak te seponeren.
Dading: bij de strafrechtelijke dading (een civielrechtelijke overeenkomst tussen de verdachte en de benadeelde van een strafbaar feit) wordt strafrechtelijke vervolging voorkomen. De verdachte komt overeen om de door de benadeelde geleden schade te vergoeden. Bij de beoordeling in het kader van optie of naturalisatie van een dading wordt aangesloten bij wat hiervoor is vermeld onder voorwaardelijk sepot. Bij het OM moet dus worden nagegaan of de dadingsovereenkomst inderdaad is nagekomen en het OM niet alsnog vervolging heeft ingesteld. Tot die tijd moet de aanvraag worden aangehouden. Als de dadingsovereenkomst niet is nagekomen, en alsnog (al dan niet voorwaardelijk) een geldboete van € 810,– of meer (ingeval van herhaalde misdrijven € 405,– of meer), een taakstraf of een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd, wordt het feit wel tegengeworpen.
Halt-afdoening: ook de Halt-afdoening komt neer op een sepot onder voorwaarde. Als de afspraken niet worden nagekomen, kan publiekrechtelijke sanctionering (in het kader van het jeugdstrafrecht) volgen. Gecontroleerd moet worden of de dienstverlening is voltooid. Als dat niet het geval is, wordt de aanvraag aangehouden. Als alsnog tot strafvervolging wordt overgegaan, wordt het feit alleen tegengeworpen als een geldboete van minimaal € 810,– of een (al dan niet voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd. Dit sluit aan bij de beoordeling van dading.
Schadevergoeding is in beginsel een zaak tussen degene die de schade heeft aangericht en de benadeelde. Veroordelingen door de civiele rechter tot schadevergoeding aan de benadeelde worden niet tegengeworpen bij naturalisatie en optie. Schadevergoeding kan echter ook in het strafproces een rol spelen, bijvoorbeeld als voorwaarde verbonden aan een voorwaardelijk opgelegde straf of aan een beslissing om een strafzaak te seponeren.
Bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling is niet van belang of de voor het misdrijf opgelegde straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden. Gekeken wordt naar de straf die oorspronkelijk is opgelegd, dus ook naar het gedeelte dat door gratie is kwijtgescholden. Voor naturalisatie of optie heeft het enkele feit dat de straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden dus geen invloed op de beoordeling van het gedrag; het misdrijf en de dader zijn immers strafbaar bevonden en daarvoor is straf opgelegd. Gratie kan wel invloed hebben op de aanvang van de rehabilitatietermijn:
De rehabilitatietermijn vangt dus niet aan op de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden. In de periode tussen die datum en de gratieverlening was er immers wel sprake van dat de opgelegde straf ten uitvoer zou worden gelegd. Van daadwerkelijke rehabilitatie (en de aanvang van de rehabilitatietermijn) kan geen sprake zijn, zolang de vreemdeling nog onderworpen is aan de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel of dat hem deze nog boven het hoofd hangt.
Gratie betreft de opheffing of de verlichting van de gevolgen van een strafvonnis. Gratie kan voorwaardelijk worden verleend, hetgeen neerkomt op het omzetten van de straf in een geldboete of schadevergoeding of in een taakstraf. Daarbij kan een proeftijd worden opgelegd. Een koninklijk besluit waarbij gratie is verleend, kan worden ingetrokken als de voorwaarden niet worden nageleefd. Op het moment waarop de gratieverlening wordt betekend, worden de gevolgen van het vonnis opgeheven of verlicht. Het vonnis zelf blijft bestaan. Pas vanaf dat moment kan de verleende gratie bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling een rol gaan spelen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de gratie slechts de tenuitvoerlegging van de oorspronkelijk opgelegde straf aantast. Het doet niet af aan het feit dat daad en dader strafbaar zijn bevonden en dat er oorspronkelijk ook een straf is opgelegd die tot het moment van de gratieverlening ten uitvoer moest worden gelegd. Uitgegaan wordt derhalve van de oorspronkelijk opgelegde straf, en er wordt niet uitgegaan van de sanctie die resteert na de gratieverlening. In de regeling voor gratie is voorts aangesloten bij het algemene uitgangspunt dat de rehabilitatietermijn niet kan beginnen zolang de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf nog niet is aangevangen of voltooid. Daarom werkt gratie pas vanaf het moment van gratieverlening en begint de termijn te lopen op het moment van de gratieverlening (ingeval van onvoorwaardelijke gratie) of het moment waarop aan de voorwaarden is voldaan (ingeval van voorwaardelijke gratie). Bij de invloed van de proeftijd die bij gratie kan worden vastgesteld, is aangesloten bij de regeling voor de proeftijd die wordt vastgesteld ingeval van een voorwaardelijke veroordeling. Als de voorwaarden niet worden nageleefd, kan de gratiebeslissing immers worden herroepen. Als dat het geval is, gelden de algemene uitgangspunten van het openbare-ordebeleid in het nationaliteitsrecht.
Ook de door gratie kwijtgescholden gevangenisstraf of geldboete kan dus gewoon worden meegeteld. Dat geldt ook in de cumulatieregeling van € 1.215,–, mits de kwijtgescholden boete was opgelegd voor een misdrijf en ten minste € 405,– bedraagt.
De voorwaardelijke gratie komt neer op het omzetten van de oorspronkelijke straf in de betaling van een geldboete of schadevergoeding, of in een taakstraf (werkstraf of leerstraf). Bij voorwaardelijke gratie kan in veel gevallen een proeftijd worden bepaald. Als de voorwaarden niet worden nageleefd, kan het koninklijk besluit waarbij gratie is verleend, worden ingetrokken. Daarom moet bij voorwaardelijke gratie altijd de eventuele proeftijd worden afgewacht. Als achteraf blijkt dat de proeftijd met goed gevolg is doorstaan, vangt de rehabilitatietermijn aan op het moment waarop de nieuwe straf is voltooid. Als de voorwaarde was de betaling van een boete of schadevergoeding, vangt de termijn dus aan op de datum van betaling. Als de voorwaarde was het verrichten van arbeid ten algemenen nutte (werkstraf) of het deelnemen aan een leerproject (leerstraf), vangt de termijn aan op de datum waarop de werk- of leerstraf is voltooid.
Gratie betreft de opheffing of de verlichting van de gevolgen van een strafvonnis. Gratie kan voorwaardelijk worden verleend, hetgeen neerkomt op het omzetten van de straf in een geldboete of schadevergoeding of in een taakstraf. Daarbij kan een proeftijd worden opgelegd. Een koninklijk besluit waarbij gratie is verleend, kan worden ingetrokken als de voorwaarden niet worden nageleefd. Op het moment waarop de gratieverlening wordt betekend, worden de gevolgen van het vonnis opgeheven of verlicht. Het vonnis zelf blijft bestaan. Pas vanaf dat moment kan de verleende gratie bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling een rol gaan spelen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de gratie slechts de tenuitvoerlegging van de oorspronkelijk opgelegde straf aantast. Het doet niet af aan het feit dat daad en dader strafbaar zijn bevonden en dat er oorspronkelijk ook een straf is opgelegd die tot het moment van de gratieverlening ten uitvoer moest worden gelegd. Uitgegaan wordt derhalve van de oorspronkelijk opgelegde straf, en er wordt niet uitgegaan van de sanctie die resteert na de gratieverlening. In de regeling voor gratie is voorts aangesloten bij het algemene uitgangspunt dat de rehabilitatietermijn niet kan beginnen zolang de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf nog niet is aangevangen of voltooid. Daarom werkt gratie pas vanaf het moment van gratieverlening en begint de termijn te lopen op het moment van de gratieverlening (ingeval van onvoorwaardelijke gratie) of het moment waarop aan de voorwaarden is voldaan (ingeval van voorwaardelijke gratie). Bij de invloed van de proeftijd die bij gratie kan worden vastgesteld, is aangesloten bij de regeling voor de proeftijd die wordt vastgesteld ingeval van een voorwaardelijke veroordeling. Als de voorwaarden niet worden nageleefd, kan de gratiebeslissing immers worden herroepen. Als dat het geval is, gelden de algemene uitgangspunten van het openbare-ordebeleid in het nationaliteitsrecht.
Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium ‘ernstig gevaar voor de openbare orde’ (in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)). Zij moeten door iedereen op dezelfde wijze worden uitgevoerd. Deze regels vervangen de genoemde artikelen niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels moet men er dus altijd op bedacht zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.
Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een naturalisatie of optie dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden geweigerd, toch moet worden ingewilligd of worden bevestigd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek of optie dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen of geweigerd, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek of optie moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek of optie zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de Handleiding RWN 2003 geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.
Een bijzondere omstandigheid kan in het algemeen worden omschreven als een omstandigheid die wel belangrijk is, maar waaraan bij het opstellen van de regels niet of onvoldoende kon worden gedacht. Juist omdat het bijzondere omstandigheden zijn, kan niet van tevoren worden aangegeven welke omstandigheden zo bijzonder zijn dat zij tot afwijking van de regels in dit hoofdstuk moeten leiden.
Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), kan echter wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt. Niet bijzonder is bijvoorbeeld dat de vreemdeling:
Evenmin kunnen als bijzonder worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voorzover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken. Deze voorbeelden zijn niet-limitatief.
Als al sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, is het aan de vreemdeling om die zelf aan te voeren. Dat ligt niet op de weg van de burgemeester en de IND, omdat die in den regel ook geen kennis kunnen hebben van bijzondere omstandigheden. Wel ligt het op de weg van de burgemeester en de IND om naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden te vragen en de betekenis daarvan zonodig te onderzoeken. De vreemdeling kan op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) (bij naturalisatie) of [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) (bij optie) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ die hij bij de indiening van zijn verzoek of het afleggen van de optieverklaring bij de burgemeester invult, aangeven of er sprake is van bijzondere omstandigheden.
De beoordeling van bijzondere omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND, en bij optie bij de burgemeester. Die bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens leiden tot de conclusie dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde. Als wel sprake is van ernstige vermoedens dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, moet naturalisatie of optie worden geweigerd. Daarvan kan bij naturalisatie niet met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden afgeweken.
Evenmin kunnen als bijzonder worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voorzover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken. Deze voorbeelden zijn niet-limitatief.
Om te kunnen spreken van gevaar voor de veiligheid van het Koninkrijk is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel moeten er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen moet in de eerste plaats worden gedacht aan een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van (buitenlandse) ministeries.
De beoordeling van bijzondere omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND, en bij optie bij de burgemeester. Die bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens leiden tot de conclusie dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde. Als wel sprake is van ernstige vermoedens dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, moet naturalisatie of optie worden geweigerd. Daarvan kan bij naturalisatie niet met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden afgeweken.
De burgemeester adviseert in beginsel in de naturalisatieprocedure aan Onze Minister of de vreemdeling dan wel het kind voor wie medeverlening is verzocht voldoet aan de voorwaarden. Over criminele antecedenten voor de toepassing van [artikel 9 lid 1 onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) adviseert de burgemeester echter sinds 1 januari 2012 niet meer. De burgemeester moet de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, wel informeren over de openbare orde-richtlijnen bij naturalisatie, waaronder het vereiste van monogamie. De burgemeester wijst de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat hij geen strafrechtelijke gegevens zal opvragen, maar dat de IND dit doet. De burgemeester wijst de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat deze gegevens gevolgen kunnen hebben voor de beslissing op het verzoek om (mede)naturalisatie. De burgemeester geeft in het advies aan de IND nog wel aan of wel of niet sprake is van een polygaam huwelijk van de vreemdeling of van de medenaturalisant.
Als voor de indiening van het naturalisatieverzoek al duidelijk is dat de vreemdeling (bijvoorbeeld wegens een openstaande strafzaak of recente sanctie) niet voor naturalisatie in aanmerking komt, moet hij er op worden gewezen dat het verzoek waarschijnlijk zal worden afgewezen en dat hij beter kan wachten met de indiening van het verzoek totdat hij wel voor naturalisatie in aanmerking komt. Als hij er desalniettemin op staat een verzoek in te dienen, moet dat verzoek wel in behandeling worden genomen. De IND onderzoekt vervolgens de strafrechtelijke gegevens van de vreemdeling. Het is raadzaam om de vreemdeling een eigen risico verklaring te laten ondertekenen.
Voor de procedure bij optie, zie de toelichting bij [artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
De burgemeester adviseert in beginsel in de naturalisatieprocedure aan Onze Minister of de vreemdeling dan wel het kind voor wie medeverlening is verzocht voldoet aan de voorwaarden. Over criminele antecedenten voor de toepassing van [artikel 9 lid 1 onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) adviseert de burgemeester echter sinds 1 januari 2012 niet meer. De burgemeester moet de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, wel informeren over de openbare orde-richtlijnen bij naturalisatie, waaronder het vereiste van monogamie. De burgemeester wijst de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat hij geen strafrechtelijke gegevens zal opvragen, maar dat de IND dit doet. De burgemeester wijst de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat deze gegevens gevolgen kunnen hebben voor de beslissing op het verzoek om (mede)naturalisatie. De burgemeester geeft in het advies aan de IND nog wel aan of wel of niet sprake is van een polygaam huwelijk van de vreemdeling of van de medenaturalisant.
Iedere meerderjarige vreemdeling en iedere minderjarige kind van 16 jaar en ouder moet bij het naturalisatieverzoek of optieverklaring een verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) bij naturalisatie, [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) bij optie) ondertekenen. In dit model verklaart hij dat hij niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie, én, als hij getrouwd is, dat hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Model 2.3 en model 1.14 bestaat uit meerdere verklaringen. Als de vreemdeling (of degene voor wie medenaturalisatie of medeoptie is verzocht) aangeeft dat hij niet een of meer van de verklaringen op model 2.3 of model 1.14 naar waarheid kan verklaren, dan moet hij op het model (zoveel mogelijk onderbouwd met stukken) aangeven waarom hij die verklaring niet kan afleggen. Daarbij kan hij aangeven of er naar zijn mening bijzondere omstandigheden zijn die toch tot naturalisatie of optie moeten leiden.
Als een vreemdeling (bij naturalisatie op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01), bij optie op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) aangeeft dat er sprake is van buitenlandse delicten, moet hij daarover zoveel mogelijk gegevens verstrekken. Als hij beschikt over documenten, zoals het buitenlandse vonnis, dan moet een kopie hiervan bij het naturalisatieverzoek of optie zitten. De vreemdeling moet zo gedetailleerd mogelijk aangeven welk(e) feit(en) het betrof, welke rechtbank en welke kamer op welke datum daarover hebben beslist, welke rechtsmiddelen eventueel zijn aangewend en met welk resultaat, waar en wanneer de beslissing van de rechtbank ten uitvoer is gelegd en eventuele andere bijzonderheden. Als de vreemdeling beschikt over stukken in een vreemde taal, dan moet hijzelf ervoor zorgen dat deze stukken worden vertaald door een beëdigd vertaler.
De meerderjarige vreemdeling of het kind van 16 of 17 jaar geeft aan of binnen vier jaar voor de indiening van het verzoek of het afleggen van de optieverklaring een sanctie ten uitvoer is gelegd. Daarbij is van belang dat de vreemdeling zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus op welke datum de vreemdeling of het kind in vrijheid is gesteld, de taakstraf heeft voltooid of het bedrag heeft betaald.
Iedere meerderjarige vreemdeling en iedere minderjarige kind van 16 jaar en ouder moet bij het naturalisatieverzoek of optieverklaring een verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2016-07-01&g=2016-07-01) bij naturalisatie, [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2016-07-01&g=2016-07-01) bij optie) ondertekenen. In dit model verklaart hij dat hij niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie, én, als hij getrouwd is, dat hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Model 2.3 en model 1.14 bestaat uit meerdere verklaringen. Als de vreemdeling (of degene voor wie medenaturalisatie of medeoptie is verzocht) aangeeft dat hij niet een of meer van de verklaringen op model 2.3 of model 1.14 naar waarheid kan verklaren, dan moet hij op het model (zoveel mogelijk onderbouwd met stukken) aangeven waarom hij die verklaring niet kan afleggen. Daarbij kan hij aangeven of er naar zijn mening bijzondere omstandigheden zijn die toch tot naturalisatie of optie moeten leiden.
De IND (bij naturalisatie) en de burgemeester (bij optie) vraagt gegevens op bij de Justitiële documentatiedienst (JDD). Let op: bij naturalisatie behoeft de burgemeester de JDD niet te raadplegen.
Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van feiten en omstandigheden die niet overeenkomen met wat de vreemdeling (bij optie: op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01), bij naturalisatie: op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) zelf heeft verklaard, dan wordt de vreemdeling door de burgemeester (bij optie) en door de IND (bij naturalisatie) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.
Verzoeker heeft de Andorrese nationaliteit. In de wetgeving van Andorra is geregeld dat een Andorrees die vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt de Andorrese nationaliteit verliest. In geval van automatisch verlies door naturalisatie tot een andere nationaliteit heeft het geen zin afstand te vragen.
Verder moet de burgemeester bij optie en de IND bij naturalisatie contact opnemen met de korpschef om na te gaan of de vreemdeling voorkomt in:
Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van omstandigheden die niet overeenkomen met wat de vreemdeling (bij optie: op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01), bij naturalisatie: op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) zelf heeft verklaard, dan wordt de vreemdeling door de burgemeester (bij optie) en door de IND (bij naturalisatie) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.
Als sprake is van een openstaande strafzaak neemt de IND bij naturalisatie en de burgemeester bij optie contact op met het OM om te onderzoeken of de vreemdeling voor dat misdrijf al wordt of nog zal worden vervolgd. Als dat het geval is, moet worden nagegaan of er een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een taakstraf, een boete of een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 810,– of meer kan worden gevorderd. Als de vreemdeling een transactievoorstel zal kunnen worden gedaan of een strafbeschikking kan worden uitgevaardigd, moet worden nagegaan of de hoogte van het transactiebedrag € 810,– of meer (dan wel, als aan de vreemdeling al eerder vermogenssancties zijn opgelegd: € 405,– of meer) kan zijn. Als de zaak zal worden geseponeerd, moet worden nagegaan of het sepot een onvoorwaardelijk sepot zal zijn en zo dat niet het geval is, welke de voorwaarden en eventuele proeftijd zullen zijn.
Als de vreemdeling een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is (of nog kan worden) opgelegd, moet worden nagegaan wanneer de laatst opgelegde sanctie ten uitvoer is gelegd. Het kan daarbij voorkomen dat de ontnemingsmaatregel pas (veel) later ten uitvoer is gelegd dan de eventueel eveneens opgelegde vrijheidsstraf of geldboete.
De voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie of optie vereiste zorgvuldigheid strekt niet zover dat de IND of de burgemeester zich zelfstandig een oordeel behoort te vormen over de mogelijke uitkomst van de strafzaak. De beslissing op het verzoek om naturalisatie of optie wordt niet onnodig aangehouden in afwachting van de uitkomst van een strafprocedure.
Als er sprake is van een in het buitenland gepleegd delict, onderzoekt de IND bij naturalisatie en de burgemeester bij optie of het betreffende feit naar Nederlands recht een misdrijf is. De IND (bij naturalisatie) of burgemeester (bij optie) neemt dan contact op met het parket van de officier van justitie om te onderzoeken of de beoordeling van het misdrijf door de buitenlandse rechter vergelijkbaar is met de beoordeling naar Nederlandse maatstaven. Als het (Nederlandse) OM voor de eis ter zitting richtlijnen hanteert, dienen die richtlijnen als uitgangspunt. Met de individuele omstandigheden kan daarbij in het algemeen geen rekening worden gehouden. Het OM noch de IND/de burgemeester kan zich een oordeel vormen over het aan de strafrechter toekomend oordeel over de juiste strafmaat in een individuele casus. Het OM kan in het algemeen slechts adviseren over de eis ter zitting. De daarbij door het OM gehanteerde richtlijnen geven echter duidelijke en objectieve maatstaven aan de hand waarvan de gangbare straf voor de betreffende delicten uniform kan worden beoordeeld. Dat laat onverlet dat in zeer bijzondere (individuele) gevallen alleen dan tot een juiste toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap kan worden gekomen door af te wijken.
De beoordeling van de door de vreemdeling naar voren gebrachte bijzondere feiten of omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND en bij optie bij de burgemeester.
De voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie of optie vereiste zorgvuldigheid strekt niet zover dat de IND of de burgemeester zich zelfstandig een oordeel behoort te vormen over de mogelijke uitkomst van de strafzaak. De beslissing op het verzoek om naturalisatie of optie wordt niet onnodig aangehouden in afwachting van de uitkomst van een strafprocedure.
Als er sprake is van een in het buitenland gepleegd delict, onderzoekt de IND bij naturalisatie en de burgemeester bij optie of het betreffende feit naar Nederlands recht een misdrijf is. De IND (bij naturalisatie) of burgemeester (bij optie) neemt dan contact op met het parket van de officier van justitie om te onderzoeken of de beoordeling van het misdrijf door de buitenlandse rechter vergelijkbaar is met de beoordeling naar Nederlandse maatstaven. Als het (Nederlandse) OM voor de eis ter zitting richtlijnen hanteert, dienen die richtlijnen als uitgangspunt. Met de individuele omstandigheden kan daarbij in het algemeen geen rekening worden gehouden. Het OM noch de IND/de burgemeester kan zich een oordeel vormen over het aan de strafrechter toekomend oordeel over de juiste strafmaat in een individuele casus. Het OM kan in het algemeen slechts adviseren over de eis ter zitting. De daarbij door het OM gehanteerde richtlijnen geven echter duidelijke en objectieve maatstaven aan de hand waarvan de gangbare straf voor de betreffende delicten uniform kan worden beoordeeld. Dat laat onverlet dat in zeer bijzondere (individuele) gevallen alleen dan tot een juiste toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap kan worden gekomen door af te wijken.
In de periode van 1 januari 1992 tot 1 oktober 1997 werd het vereiste om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet toegepast (zie circulaire van 20 december 1991, **Stcrt.**1992, 25). Dit kwam doordat op 22 oktober 1991 de Tweede Kamer der Staten-Generaal de motie Apostolou/Soutendijk-van Apeldoorn (TK 1991–1992, 21 971, nr. 29) inzake het doen van afstand bij naturalisatie had aangenomen. Naar aanleiding van deze motie werd besloten met ingang van 1 januari 1992 de eis, zoals geformuleerd in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), vooruitlopend op de aanpassing van de RWN te laten vallen. Het voorstel tot schrappen van deze eis stuitte echter op bezwaren bij de meerderheid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, zodat het vanaf 1 januari 1992 gevoerde afstandsbeleid herziening behoefde. Dit herziene beleid inzake de afstandsverplichting is op 1 oktober 1997 in werking getreden (circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6, inzake wijziging van het beleid inzake het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander).
De verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie is ook na inwerkingtreding van het voorstel tot wijziging van de RWN op 1 april 2003 blijven bestaan, zij het met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd in het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (**Trb.** 1994, 265), hierna te noemen: Tweede Protocol. De uitgangspunten in het Tweede Protocol zijn neergelegd in [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), zoals dit luidt met ingang van 1 april 2003 (zie de toelichting bij artikel 9, derde lid, RWN).
Sinds 1 oktober 1997 moet de verzoeker om naturalisatie in beginsel weer aangeven of hij bereid is afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Op grond van [artikel 32 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32) dient een verzoeker die een of meerdere nationaliteiten bezit en die verplicht is daarvan afstand te doen, een bereidheidsverklaring te overleggen waarin staat dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de totstandkoming van de naturalisatie zijn andere nationaliteit(en) te verliezen.
De afstandsverplichting geldt niet als de verzoeker onder één van de hieronder genoemde uitzonderingscategorieën dan wel onder de uitzonderingscategorieën in [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) valt.
Een verzoeker die in de BRP is ingeschreven als staatloze en daardoor wordt aangemerkt als staatloze in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), kan logischerwijs geen afstand doen. Hij wordt immers door geen enkele staat als onderdaan beschouwd. Dit geldt niet voor een verzoeker die in de BRP is ingeschreven als zijnde van onbekende nationaliteit, omdat zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN). Hij zal in de meeste gevallen immers wél in het bezit zijn van een nationaliteit. Pas als deze verzoeker op grond van de daarvoor geldende regels ([artikel 2.15 dan wel artikel 2:17 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715)) in de BRP wordt opgenomen als zijnde staatloos, kan worden aangenomen dat hij geen afstand van een nationaliteit kan doen.
Sinds 1 oktober 1997 moet de verzoeker om naturalisatie in beginsel weer aangeven of hij bereid is afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Op grond van [artikel 32 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32) dient een verzoeker die een of meerdere nationaliteiten bezit en die verplicht is daarvan afstand te doen, een bereidheidsverklaring te overleggen waarin staat dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de totstandkoming van de naturalisatie zijn andere nationaliteit(en) te verliezen.
Hoofdregel is dat een vreemdeling die verzoekt om naturalisatie afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is alleen anders indien het doen van afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd. Daarnaast zijn er categorieën verzoekers om naturalisatie waarop het vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is ([artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
Een verzoeker die in de BRP is ingeschreven als staatloze en daardoor wordt aangemerkt als staatloze in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), kan logischerwijs geen afstand doen. Hij wordt immers door geen enkele staat als onderdaan beschouwd. Dit geldt niet voor een verzoeker die in de BRP is ingeschreven als zijnde van onbekende nationaliteit, omdat zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN). Hij zal in de meeste gevallen immers wél in het bezit zijn van een nationaliteit. Pas als deze verzoeker op grond van de daarvoor geldende regels ([artikel 2.15 dan wel artikel 2:17 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715)) in de BRP wordt opgenomen als zijnde staatloos, kan worden aangenomen dat hij geen afstand van een nationaliteit kan doen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Het vorenstaande neemt overigens niet weg dat voor de vermelding van de geboortedatum in de optieverklaring dan wel het koninklijk besluit de vermelding in de BRP leidend is. Dit betekent dat als in de BRP alleen het geboortejaar wordt vermeld, in de bevestiging of het koninklijk besluit ook uitsluitend het geboortejaar wordt opgenomen.
Bij een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (wordt verleend onder een beperking), moet nader worden onderzocht of sprake is van toelating voor onbepaalde tijd (dit hangt af van de beperking waaronder de vergunning is verleend dan wel de geldigheidsduur van de vergunning).
Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, een sticker of een W-document heeft nooit toelating voor onbepaalde tijd. Een uitzondering hierop vormen de minderjarige kinderen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en voor wie medeverlening wordt verzocht door een ouder die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (zie ook [paragraaf 3.9 bij de toelichting van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.9&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
### paragraaf 2. Rechtshandelingen minderjarigen door tussenkomst van wettelijke vertegenwoordiger
### paragraaf 2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
### paragraaf 1. Algemeen
### 5-3. Toelichting ad artikel 5, derde lid (zwakke adoptie)
### Paragraaf 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht
### Paragraaf 3.8. Buiten een land van het Koninkrijk ingediende verzoeken
### Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
### paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie legt betrokkene de ontheffingsbeschiking van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over.
Als de verzoeker de nationaliteit bezit van een land waar polygamie mogelijk is, zal de burgemeester aan de hand van de gegevens in de BRP nagaan of er sprake is (geweest) van eerdere huwelijken. Als uit de BRP blijkt dat sprake is (geweest) van eerdere huwelijken zal moeten worden onderzocht of de ontbinding van het huwelijk naar Nederlands recht kan worden erkend. Het ligt op de weg van de verzoeker om aan de hand van documenten aan te tonen dat een eerdere echtgenoot heeft ingestemd met de verstoting. Zo is de omstandigheid dat de verstoting lang geleden heeft plaatsgevonden geen reden om aan te nemen dat de vrouw stilzwijgend heeft ingestemd met de verstoting.42[97] De burgemeester zal bij de indiening van het verzoek aan een verzoeker als hier bedoeld vragen of er nog sprake is van eerdere huwelijken die niet in de BRP zijn opgenomen (zie [model 2.1 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01)). Als dat het geval is, moet aan de hand van de door de verzoeker overgelegde documenten worden onderzocht of dat huwelijk is ontbonden op een naar Nederlands recht erkende wijze.
### Bijlage 8
### 1. Algemeen
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
### Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
### Paragraaf 5.4. Voeging
### Paragraaf 5.4. Voeging
### Paragraaf 5.5. Taakstraffen
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### 9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
### Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
### Paragraaf 5.1. Misdrijven
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
### 8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
[WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827): [artikel 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=183)
### 9-alg. Toelichting algemeen
Dit heeft tot gevolg dat ten aanzien van verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend vóór 1 oktober 2010, nog steeds de uitzonderingscategorie bij afstand “de verzoeker die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn hoofdverblijf gehad heeft” van toepassing is. Voor verzoekers die op of na 1 oktober 2010 een verzoek indienen geldt deze uitzonderingscategorie dus niet meer.
### Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
Hieronder wordt uiteengezet wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of de veiligheid van het Koninkrijk. Daarbij staan centraal de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de vreemdeling. Die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden. Samengevat komt het beleid erop neer dat de naturalisatie of optie wordt geweigerd, als:
De bedragen voor het tegenwerpen van een vermogenssanctie zijn met ingang van 1 juli 2015 verhoogd. De verhoogde bedragen gelden voor naturalisatieverzoeken en optieverklaringen die op of na 1 juli 2015 zijn ingediend. Als het naturalisatieverzoek of de optieverklaring voor 1 juli 2015 is ingediend en op of na die datum nog niet onherroepelijk op het naturalisatieverzoek of optieverklaring is beslist, is het nieuwe beleid eveneens van toepassing.
### Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is
### Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten
### Paragraaf 5.2. Transacties en strafbeschikkingen
### Paragraaf 3. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
### paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
### Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
### Paragraaf 5.1. Misdrijven
### paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### Paragraaf 5.2. Transacties en strafbeschikkingen
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
### Paragraaf 5.4. Voeging
### Paragraaf 5.5. Taakstraffen
### paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
### Paragraaf 5.8. Vierjaartermijn
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
### Paragraaf 5.12. Gratie
### paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
### Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
### Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
### Paragraaf 7. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### 10-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
Hieronder worden de uitzonderingscategorieën 1 tot en met 9 toegelicht. De overige vijf categorieën worden behandeld bij [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9).
Van een verzoeker die over een aanzienlijk vermogen beschikt kan niet snel worden aangenomen dat hij, gelet op zijn financiële draagkracht, een bedrag aan leges voor het doen van afstand moeilijk kan opbrengen. Hierbij geldt een vermogensgrens, waarboven niet meer kan worden gesproken van een door verzoeker te lijden substantieel financieel nadeel (uiteraard met inachtneming van het bepaalde in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2016-04-01&g=2016-04-01)).
Verzoeker heeft de Andorrese nationaliteit. In de wetgeving van Andorra is geregeld dat een Andorrees die vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt de Andorrese nationaliteit verliest. In geval van automatisch verlies door naturalisatie tot een andere nationaliteit heeft het geen zin afstand te vragen.
Hieronder worden de uitzonderingscategorieën 1 tot en met 9 toegelicht. De overige vijf categorieën worden behandeld bij [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9).
Verzoeker bezit de Marokkaanse nationaliteit. De Marokkaanse nationaliteitswetgeving geeft aan dat in geval van naturalisatie tot een vreemde nationaliteit betrokkene een machtiging kan krijgen om de Marokkaanse nationaliteit te verwerpen. In de praktijk blijkt evenwel dat de machtiging niet kan worden verkregen. In feite betekent dit dus behoud van de Marokkaanse nationaliteit en heeft het geen zin om afstand te vragen.
Verzoeker heeft de Andorrese nationaliteit. In de wetgeving van Andorra is geregeld dat een Andorrees die vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt de Andorrese nationaliteit verliest. In geval van automatisch verlies door naturalisatie tot een andere nationaliteit heeft het geen zin afstand te vragen.
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
Een verzoeker die de Hongaarse nationaliteit bezit, kan eerst nadat hij is genaturaliseerd tot Nederlander de Hongaarse autoriteiten verzoeken of hij ontslag kan krijgen uit het Hongaarse staatsverband.
### paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
Indien verzoeker, wegens het feit dat hij substantieel financieel nadeel lijdt omdat hij voor de afstand een hoog bedrag moet betalen, geen afstand wenst te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit en waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie.
### paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Indien een staat voor het doen van afstand van de nationaliteit slechts een kleine vergoeding vraagt, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het bedrag dat de staat hiervoor vraagt, zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
Indien verzoeker, wegens het feit dat hij substantieel financieel nadeel lijdt omdat hij voor de afstand een hoog bedrag moet betalen, geen afstand wenst te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit en waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie.
Indien een verzoeker een beroep wenst te doen op deze uitzondering op de afstandsverplichting, dient hij, voor zover van toepassing, de volgende, meest recente bewijsstukken te overleggen:
### paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
Als niet-zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die zijn inkomsten verwerft anders dan uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
In dit kader geldt als inkomen; het maandinkomen (van verzoeker en eventueel zijn (huwelijks)partner), inclusief de overhevelingstoeslag, na aftrek van de over het bruto inkomen verschuldigde belasting, sociale verzekeringspremies, pensioenpremies en vaste lasten (zoals maandelijkse uitgaven in verband met alimentatie ten behoeve van de gewezen partner en ten behoeve van de kinderen, premies van vrijwillige verzekering tegen ziektekosten, premies krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) en de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614), verhaalsbedragen in het kader van de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) en eventuele andere bijzondere uitgaven die noodzakelijk ten laste van verzoeker komen) (vergelijk [artikel 1, onder b, Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1) en [artikel 7 Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=7)).
In dit kader geldt als vermogen het gemiddelde van de rendementsgrondslagen, bedoeld in [artikel 5.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.2) (vergelijk [artikel 1, eerste lid, onder o, Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1)).
Als niet-zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die zijn inkomsten verwerft anders dan uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
Als zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die inkomsten verwerft uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
Voor de vaststelling van het netto maandinkomen wordt uitgegaan van het inkomen voorafgaand aan het jaar van indienen van het verzoek om naturalisatie
Voor de vaststelling van het vermogen wordt uitgegaan van de toestand van het vermogen op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar van het indienen van het verzoek om naturalisatie.
Van een verzoeker die over een aanzienlijk vermogen beschikt kan niet snel worden aangenomen dat hij, gelet op zijn financiële draagkracht, een bedrag aan leges voor het doen van afstand moeilijk kan opbrengen. Hierbij geldt een vermogensgrens, waarboven niet meer kan worden gesproken van een door verzoeker te lijden substantieel financieel nadeel (uiteraard met inachtneming van het bepaalde in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
A lijdt door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Zijn netto maandinkomen is immers hoger dan het bedrag dat hij moet betalen voor het doen van afstand. Hij moet afstand doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
Verzoeker B is alleenstaande en bezit de nationaliteit van land Y. Uit verklaringen van de autoriteiten van land Y blijkt dat hij voor het doen van afstand van nationaliteit Y een bedrag van 1250 moet betalen. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat hij een netto maandinkomen van 1100 heeft, dat hij een eigen woning heeft met een huidige marktwaarde van 150.000 dat hij voor de aankoop van de woning een hypotheek heeft afgesloten en dat bij de bank nog een hypotheekschuld van 70.000 resteert.
B lijdt door het betalen van het bedrag voor het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Weliswaar is zijn netto maandinkomen lager dan het bedrag aan leges, maar zijn in aanmerking te nemen vermogen bedraagt 14.656 (150.000 minus 70.000 = 80.000 van welk bedrag 65.344 niet wordt meegerekend). Daarmee zit hij ruim boven de vermogensgrens van 6370.
### paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
Verzoeker B is alleenstaande en bezit de nationaliteit van land Y. Uit verklaringen van de autoriteiten van land Y blijkt dat hij voor het doen van afstand van nationaliteit Y een bedrag van 1250 moet betalen. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat hij een netto maandinkomen van 1100 heeft, dat hij een eigen woning heeft met een huidige marktwaarde van 150.000 dat hij voor de aankoop van de woning een hypotheek heeft afgesloten en dat bij de bank nog een hypotheekschuld van 70.000 resteert.
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzondering en moet afstand van de nationaliteit van land Y doen.
Indien het verlies aan vermogensrechtelijke rechten door het doen van afstand slechts zeer klein is, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het verlies zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt ook in dit kader een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
Als minimum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan het bedrag van het ver laagde tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker door het doen van afstand een bedrag verliest dat lager ligt dan (of gelijk is aan) het bedrag van het verlaagde tarief, kan nooit – ongeacht het vermogen van verzoeker – met succes een beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo laag dat het te lijden nadeel niet als substantieel kan worden aangemerkt.
Als maximum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan tien maal het bedrag van het normale tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker een bedrag verliest dat hoger ligt dan (of gelijk is aan) tien maal het bedrag van het normale tarief, kan altijd – ongeacht het vermogen van verzoeker – met succes een beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo hoog dat het te lijden nadeel als substantieel kan worden aangemerkt.
Binnen de grenzen van het minimum en het maximum financieel nadeel is de verhouding tussen het overig vermogen van verzoeker én het bedrag dat wordt verloren door het doen van afstand bepalend voor de vraag of hij al dan niet afstand moet doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
Als minimum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan het bedrag van het ver laagde tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker door het doen van afstand een bedrag verliest dat lager ligt dan (of gelijk is aan) het bedrag van het verlaagde tarief, kan nooit – ongeacht het vermogen van verzoeker – met succes een beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo laag dat het te lijden nadeel niet als substantieel kan worden aangemerkt.
Voor de vaststelling van het vermogen en de geldende vermogensgrenzen is het hierboven gestelde onder paragrafen [3.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.2&z=2017-03-01&g=2017-03-01),[3.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.4&z=2017-03-01&g=2017-03-01) van overeenkomstige toepassing.
Binnen de grenzen van het minimum en het maximum financieel nadeel is de verhouding tussen het overig vermogen van verzoeker én het bedrag dat wordt verloren door het doen van afstand bepalend voor de vraag of hij al dan niet afstand moet doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
Is het bedrag (de waarde van de vermogensrechtelijke rechten) dat wordt verloren door het doen van afstand hoger dan (of gelijk aan) een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is sprake van substantieel financieel nadeel in hier bedoelde zin en behoeft verzoeker geen afstand te doen.
Is dat bedrag lager dan een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is geen sprake van substantieel financieel nadeel en kan verzoeker geen beroep doen op deze uitzondering (met inachtneming van het minimum en maximum financieel nadeel).
Verzoekster A heeft de nationaliteit van land Z en is 40 jaar oud. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie overlegt zij verklaringen van de autoriteiten van land Z, waaruit blijkt dat zij een pensioen heeft opgebouwd van 2000 en dat pensioenbedragen alleen worden uitgekeerd aan personen met de nationaliteit van land Z die de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. De betreffende wettelijke bepalingen zijn bijgevoegd. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat A in Nederland een spaartegoed heeft van 3000 en in Duitsland een spaartegoed heeft van 2000. A behoeft geen afstand te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit. Haar opgebouwd pensioen kan thans niet te gelde worden gemaakt, zodat zij dat pensioen zal verliezen door het doen van afstand. Het te verliezen bedrag van 2000 is voorts groter dan een vierde deel van haar overig vermogen van 5000.
### Paragraaf 1. Algemeen
B behoeft door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel te lijden. Weliswaar heeft hij genoegzaam aangetoond dat hij eigenaar van een stuk grond is met een aanzienlijke waarde en dat hij de grond door het doen van afstand zou verliezen, maar uit de stukken blijkt niet dat hij de grond slechts onder onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden kan verkopen. Integendeel. Het is een braakliggend stuk grond dat hij met een goede winst kan verkopen. B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie.
Verzoekster A heeft de nationaliteit van land Z en is 40 jaar oud. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie overlegt zij verklaringen van de autoriteiten van land Z, waaruit blijkt dat zij een pensioen heeft opgebouwd van 2000 en dat pensioenbedragen alleen worden uitgekeerd aan personen met de nationaliteit van land Z die de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. De betreffende wettelijke bepalingen zijn bijgevoegd. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat A in Nederland een spaartegoed heeft van 3000 en in Duitsland een spaartegoed heeft van 2000. A behoeft geen afstand te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit. Haar opgebouwd pensioen kan thans niet te gelde worden gemaakt, zodat zij dat pensioen zal verliezen door het doen van afstand. Het te verliezen bedrag van 2000 is voorts groter dan een vierde deel van haar overig vermogen van 5000.
Door betrokkene zal aan de hand van recente verklaringen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, moeten aantonen dat hij dienstplichtig is, dat hij zijn militaire dienst nog niet heeft vervuld en dat hij slechts afstand van die nationaliteit kan doen na vervulling (door middel van werkelijke dienst, al dan niet met afkoop van een gedeelte daarvan) aldaar van de militaire dienst.
Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. Hij overlegt een twee jaar oude verklaring van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij wordt opgeroepen voor het vervullen van de militaire dienst. Tevens overlegt hij een verklaring van de autoriteiten waarin staat dat personen die de dienstplicht nog moeten vervullen geen afstand kunnen doen van de nationaliteit van land Z. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands.
A kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie. Weliswaar heeft hij een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij is opgeroepen voor militaire dienst, maar hij heeft niet genoegzaam aangetoond dat hij de dienstplicht nog moet vervullen. De oproep voor militaire dienst is immers twee jaar oud, zodat het mogelijk is dat hij de dienstplicht inmiddels heeft vervuld.
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
### paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
### paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 4. Bewijsstukken
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
### paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de bestaande uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk en in een voorkomend geval aan de hand van berekeningen – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Hij wordt erop gewezen dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen indien een beroep op de uitzonderingscategorie niet wordt gehonoreerd en dat het bedrag aan betaalde leges in dat geval niet wordt teruggegeven.
In verband met eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan voor-en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker in de voorlichtingsfase wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie hieromtrent (dit geldt logischerwijs niet voor een verzoeker die valt onder uitzondering 7).
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
### Paragraaf 5.3. De betrokkene is wél bereid afstand te doen
De betrokkene wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. De betrokkene wordt tevens gewezen op de uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voor zover mogelijk – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Een betrokkene die bereid is afstand te doen, wordt in de voorlichtingsfase verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit om te informeren naar de wijze waarop afstand van die nationaliteit kan worden gedaan (kan afstand worden gedaan op een ambassade of consulaire post in Nederland, kan alleen afstand worden gedaan in het land van herkomst, moet voor het doen van afstand worden betaald etc.) én naar de (eventuele) gevolgen van het doen van afstand (bijvoorbeeld het verlies van vermogensrechtelijke rechten). Dit is om te voorkomen dat de betrokkene, na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, bij het doen van afstand wordt geconfronteerd met daaraan verbonden voorwaarden waaraan hij niet kan of niet wenst te voldoen. Na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap kan hij immers niet meer met succes een beroep doen op één van de uitzonderingscategorieën. In dat kader is van belang dat uit de door de betrokkene ondertekende bereidheidsverklaring blijkt dat hij in verband met het doen van afstand is gewezen op de uitzonderingscategorieën en dat hij tevens is verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie over het doen van afstand.
Ten slotte wordt de betrokkene in de voorlichtingsfase meegedeeld dat als hij na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap weigert afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit, het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend, kan worden ingetrokken.
### Paragraaf 5.3. De betrokkene is wél bereid afstand te doen
Het origineel van de bereidheidsverklaring wordt door de burgemeester met het optiedossier of het advies betreffende naturalisatie verzonden naar de IND. Als de burgemeester dat noodzakelijk acht, kan hij een kopie van die verklaring behouden. Bij naturalisatie moet op het adviesblad worden aangegeven of de betrokkene onder een uitzonderingscategorie valt – en zo ja, onder welke – en of hij bereid is al dan niet afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit.
### 9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid
De betrokkene die drie maanden na het versturen van het bericht niet heeft aangetoond dat hij actie heeft ondernomen om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, wordt door de IND schriftelijk verzocht om binnen een termijn van een maand stukken toe te zenden waaruit blijkt dat hij zijn oorspronkelijke nationaliteit heeft verloren door het doen van afstand, dan wel een verzoek om afstand heeft gedaan 50[109]
Als na die maand blijkt dat hij dit heeft nagelaten of dat hij niet heeft gereageerd, ontvangt hij een tweede rappel. In deze brief wordt het verzoek om toezending van de gevraagde stukken herhaald en wordt er tevens op gewezen dat, als hij nalaat dit binnen een maand te doen, het besluit waarbij het Nederlanderschap werd verkregen of verleend, door Onze Minister zal worden ingetrokken. Na verloop van deze termijn zonder dat betrokkene aan het verzoek om toezending van deze stukken heeft voldaan, zal Onze Minister overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend. ([artikel 30d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30d) of [60 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60)). Voordat tot intrekking van het besluit wordt overgegaan neemt de IND zekerheidshalve contact op met de gemeente om na te gaan of de betrokkene inderdaad geen verklaring tot afstand van de oorspronkelijke nationaliteit heeft overgelegd.
### Artikel 11
Als de betrokkene wél reageert op het verzoek of de verzoeken om informatie van de IND, kan hem een nadere termijn worden gesteld om het verlies van de andere nationaliteit te bewerkstelligen ([artikel 30b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30b), of [58, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=58)). Dit zal met name geschieden als de buitenlandse overheid nog niet heeft beslist op het verzoek om afstand of als deze nog geen bevestiging van het verlies van de andere nationaliteit na een verklaring van afstand heeft toegezonden. Onze Minister kan van de betrokkene verlangen dat hij zijn verzoek of verklaring herhaalt. Afhankelijk van de redenen die de betrokkene geeft op grond waarvan het nog niet is gelukt om afstand te doen, beslist Onze Minister of het Nederlanderschap met toepassing van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) wordt ingetrokken of dat hem opnieuw een termijn wordt gegund om te voldoen aan zijn verplichting om afstand te doen. De duur van de gegunde termijn hangt weer af van de gegeven redenen en de toepasselijke feiten en omstandigheden; afhankelijk van de omstandigheden kan dus meerdere keren een termijn worden gegund. De getoonde bereidheid van betrokkene om mee te werken en de moeite die hij heeft gedaan om de andere nationaliteit te verliezen, zal bij deze beslissing een rol spelen.
### 10-alg. Toelichting algemeen
Als na verloop van tijd is gebleken dat de betrokkene al het mogelijke heeft gedaan dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen én is gebleken dat de autoriteiten van het land van de andere nationaliteit in het betreffende geval geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verzoek of de verklaring van afstand, dan kan Onze Minister besluiten hem te ontslaan van de verplichting om afstand te doen ([artikel 30b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30b), of [58, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=58)). Van geen of onvoldoende medewerking in deze zin kan worden gesproken als de autoriteit van het land van de andere nationaliteit na verloop van een aantal jaren nog steeds geen beslissing heeft genomen op de herhaalde verzoeken of verklaringen van de betrokkene om afstand van die nationaliteit te doen. Dit gaat uiteraard niet op als – eventueel na onderzoek – blijkt dat het gebrek aan medewerking van de autoriteit is te wijten aan betrokkene zelf. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan het niet betalen van leges of het niet aanleveren van stukken.
Documenten uit het buitenland moeten, zo nodig, gelegaliseerd en vertaald worden.
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
De betrokkene die afstand heeft gedaan, zal een bewijs daarvan moeten overleggen bij de afdeling Burgerzaken dan wel bij de IND. In de betreffende nationaliteitswetgeving moet worden nagegaan of de instantie die een verklaring van afstand heeft afgegeven of bevestigd dan wel de instantie die de beslissing op het verzoek om afstand heeft genomen wel daartoe is bevoegd. Een dergelijke verklaring van afstand is een akte die gelegaliseerd moet zijn, tenzij een uitzondering op die regel van toepassing is (zie hierboven paragraaf 4). Als de verklaringen en/of het document zijn opgesteld in een andere taal dan het Engels, Duits of Frans, moet de betrokkene zorg dragen voor een door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling. Deze vertaling moet worden gehecht aan het originele document (zie hierboven paragraaf 4). Een verklaring waarin wordt aangegeven dat de betrokkene zijn paspoort heeft ingeleverd, is niet voldoende. De verklaring van de autoriteiten moet in elk geval de personalia van betrokkene bevatten en (zo mogelijk) de datum met ingang waarvan hij niet meer in het bezit is van zijn oorspronkelijke nationaliteit. De IND heeft een eigen verantwoordelijkheid in het beoordelen van een verklaring van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit. Als een verklaring van afstand is ingediend bij de afdeling Burgerzaken van een gemeente en de IND is van mening dat de verklaring van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet voldoet, wordt contact met de betreffende afdeling Burgerzaken opgenomen.
### 9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid
De op dit moment geldende legalisatiecirculaire is van toepassing.
Hierna volgt een lijst van landen met vermelding van behoud of verlies van de nationaliteit bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Bij deze lijst wordt het volgende aangetekend: het betreft hier een momentopname voor zover bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie bekend ten tijde van het verschijnen van deze gewijzigde landenlijst. Gebruikers van deze lijst die stuiten op wijzigingen of onjuistheden, wordt verzocht dit schriftelijk aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie te melden onder vermelding van het onderwerp: Afstandsverplichting bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap.
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
A = automatisch verlies
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
Als volgens de vreemde nationaliteitswetgeving het doen van afstand mogelijk is, betekent dit niet dat dit altijd daadwerkelijk door de Nederlandse autoriteiten wordt verlangd. Van de verplichting om de oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, bestaan vrijstellingen. Zie daarvoor [artikel 9 lid 3 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [artikel 6 Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=6) (Stcrt. 2003, 54).
C = geen automatisch verlies; het doen van afstand is niet mogelijk
D = partij bij het Verdrag van Straatsburg
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
Onbekend = geen automatisch verlies, tot het tegendeel bewezen is
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
**Landenlijst april 2016**
**Let op!** Deze lijst geldt zowel bij optie als naturalisatie. De afstandsverplichting bij optie op grond van [artikel 6, eerste lid en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) is op 1 oktober 2010 ingevoerd. De afstandsverplichting geldt niet voor de overige optiecategorieën. Voor 1 oktober 2010 gold dus bij optie niet de verplichting een bereidheidsverklaring te ondertekenen.
Met bevoegde autoriteit wordt bedoeld de bevoegde instantie die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt:
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
### Paragraaf 2. Naamswijziging
voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de bevolkingsregistratie.
voor Europees Nederland: de BRP;
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
### 9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op
A, man, is niet getrouwd als hij op 12 augustus 2012 zijn verzoek om naturalisatie indient. Hij blijkt afstandsplichtig te zijn en tekent daarom de bereidheidsverklaring. Hij trouwt op 1 mei 2013 met B, van Nederlandse nationaliteit. Zijn verzoek om naturalisatie wordt bij Koninklijk Besluit ingewilligd op 8 mei 2013. Dit betekent dat A is getrouwd op de dag van zijn naturalisatie met een Nederlander. Om die reden is hij niet (langer) afstandsplichtig.
Dit artikellid geeft een opsomming van categorieën verzoekers om naturalisatie op wie het in het eerste lid aanhef en onder b van dit artikel neergelegde vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is. De hier vermelde uitzonderingen berusten op verdragsverplichtingen (in het bijzonder het Tweede Protocol en het Vluchtelingenverdrag van Geneve van 28 juli 1951).
Bij de beoordeling van de vraag of een verzoeker door naturalisatie tot Nederlander zijn oorspronkelijke nationaliteit verliest, speelt het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1964, 4) een belangrijke rol (het verdrag is op 10 juni 1985 in werking getreden voor het gehele Koninkrijk). Hoofdregel van dit verdrag is dat een onderdaan van een verdragsstaat die vrijwillig de nationaliteit van een andere verdragsstaat verkrijgt, daardoor van rechtswege zijn oorspronkelijke nationaliteit verliest. Aangezien dit verdrag rechtstreekse werking heeft, gaat de nationaliteit in deze gevallen ook verloren als het nationale recht van de verdragsstaat dit verlies niet regelt. Bij hoofdstuk 1 (Beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit) van dit verdrag zijn aangesloten: Denemarken, Nederland (voor het gehele Koninkrijk), Noorwegen en Oostenrijk.
Het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol is voor het gehele Koninkrijk in werking getreden op 20 augustus 1996 en bevat een belangrijke aanpassing van de hierboven genoemde hoofdregel van het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963. In het Tweede Protocol wordt bepaald dat verdragspartijen bij het Tweede Protocol in hun wetgeving mogen opnemen dat de hoofdregel van het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 wordt doorbroken voor de volgende doelgroepen:
In het geval dat de bepalingen van het Tweede Protocol (dat geen rechtstreekse werking heeft) in het nationale recht van een verdragspartij bij het Tweede Protocol zijn opgenomen, treedt voor personen van dit land die behoren tot een van deze doelgroepen dus geen verlies van de oorspronkelijke nationaliteit op bij het verkrijgen van een andere nationaliteit. Logischerwijs geldt dan andersom dat een staat die is aangesloten bij het Tweede Protocol en waarvan de nationaliteit wordt verkregen van deze personen niet verlangt dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit.
Met ingang van 1 april 2003 bepaalt het onderhavige artikellid dat personen die behoren tot een van deze doelgroepen – ongeacht of zij onderdaan zijn van een land dat partij is bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 dan wel het Tweede Protocol – bij naturalisatie tot Nederlander geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeven te doen. Voor wat betreft kinderen heeft de uitzondering op de afstandseis tevens haar weerslag gevonden in [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). Personen die worden (mee)genaturaliseerd met toepassing van artikel 11 RWN behoeven immers geen afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.52Zie ook de toelichting bij artikel 11 RWN en de Nota naar aanleiding van het verslag, TK 1998–1999, 25 891 (R 1609), nr. 5, p. 22.
### paragraaf 3.4. Advies VWS
Vóór 1 april 2003 behoefden verzoekers om naturalisatie die vielen onder de doelgroepen van het Tweede Protocol overigens evenmin afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit. De aan het Tweede Protocol ten grondslag liggende doelstellingen van integratie en van eenheid van nationaliteit binnen het gezin brachten mee dat de uitzondering op de afstandseis voor de in het Tweede Protocol genoemde gevallen niet uitsluitend beperkt kon blijven tot personen die onderdaan zijn van een land dat partij was bij het Tweede Protocol. De uitzondering op de afstandseis gold daardoor voor eenieder die verzocht om naturalisatie tot Nederlander en behoorde tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, ongeacht of de verzoeker onderdaan was van een land dat partij is bij het Tweede Protocol (zie circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6). Voor wat betreft de afstandsverplichting verandert er in deze gevallen dus feitelijk niets na 1 april 2003.
Het hierboven bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing.
Met ingang van 5 maart 2009 is voor Frankrijk de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd. Met ingang van 4 juni 2010 is ook voor Italië de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd.
Vóór 1 april 2003 behoefden verzoekers om naturalisatie die vielen onder de doelgroepen van het Tweede Protocol overigens evenmin afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit. De aan het Tweede Protocol ten grondslag liggende doelstellingen van integratie en van eenheid van nationaliteit binnen het gezin brachten mee dat de uitzondering op de afstandseis voor de in het Tweede Protocol genoemde gevallen niet uitsluitend beperkt kon blijven tot personen die onderdaan zijn van een land dat partij was bij het Tweede Protocol. De uitzondering op de afstandseis gold daardoor voor eenieder die verzocht om naturalisatie tot Nederlander en behoorde tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, ongeacht of de verzoeker onderdaan was van een land dat partij is bij het Tweede Protocol (zie circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6). Voor wat betreft de afstandsverplichting verandert er in deze gevallen dus feitelijk niets na 1 april 2003.
Een verzoeker, burger van Bosnië-Herzegovina, is geboren in Aruba. Kort na zijn geboorte vertrekt hij met zijn ouders naar Australië. Na zijn meerderjarigheid vestigt hij zich in Nederland. Zodra hij aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoet, dient hij een verzoek in. Van verzoeker wordt niet verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Immers, hij is in Aruba geboren en heeft ten tijde van het indienen van zijn verzoek om naturalisatie hoofdverblijf in Nederland.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [11.2 t/m 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [26.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
Alleen bij nationaliteiten van Staten waarbij in de ‘Landenlijst bij naturalisatie’ een B (geen automatisch verlies, maar het doen van afstand is mogelijk) staat, moet worden beoordeeld of desbetreffende verzoeker om naturalisatie afstandsplichtig is.
Voor een verzoeker die getrouwd is met een Nederlander (van het andere of van hetzelfde geslacht) geldt geen afstandsverplichting. Ook de verzoeker die in Europees Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander is aangegaan of buiten Europees Nederland een geregistreerd partnerschap is aangegaan als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), kan een beroep doen op deze uitzondering. De verzoeker hoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In het geval dat het huwelijk – anders dan door overlijden – tussen de indiening van het verzoek om naturalisatie en de beslissing hierop door echtscheiding is ontbonden, zal verzoeker alsnog afstand moeten doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Hetzelfde geldt voor de beëindiging met wederzijds goedvinden of door ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Immers, het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie is doorslaggevend voor de beoordeling of verzoeker aan de voorwaarden voldoet. Voor de verzoeker die met een ongetrouwde Nederlander een duurzame relatie heeft, geldt de afstandseis onverkort.
Een vrouw met de Amerikaanse nationaliteit is bij het indienen van het verzoek getrouwd met een Nederlander en verkrijgt door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster verliest door de naturalisatie tot Nederlandse niet haar Amerikaanse nationaliteit. Zij hoeft geen afstand te doen van de Amerikaanse nationaliteit.
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
### paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
Een man en een vrouw met de Turkse nationaliteit dienen gezamenlijk een verzoek om naturalisatie tot Nederlander in. De vrouw hoeft op grond van één van de hierboven genoemde uitzonderingsgronden geen afstand te doen van haar Turkse nationaliteit. De man valt niet zelfstandig onder een uitzonderingsgrond maar omdat zijn echtgenote niet afstandsplichtig is, hoeft hij ook geen afstand te doen.
Een eventuele afstandsplicht vervalt als een verzoeker ná het indienen van het verzoek om naturalisatie maar vóór het Nederlanderschap per bij Koninklijk Besluit is verleend, trouwt (of een geregistreerd partnerschap aangaat) met een Nederlander. Immers, de regel is dat de datum van het naturalisatie Koninklijk Besluit doorslaggevend is voor het wel of niet bestaan van de afstandsplicht. Op de datum van het naturalisatie Koninklijk Besluit is de beslissing genomen door het bevoegd gezag op het verzoek om naturalisatie.
### Artikel 12
Personen die afstand moeten doen en die ná de totstandkoming van de naturalisatie trouwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) met een Nederlander aangaan, kunnen niet met succes een beroep doen op de bij onderdeel c van het derde lid van [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) bedoelde uitzondering.
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
A, man, is niet getrouwd als hij op 12 augustus 2012 zijn verzoek om naturalisatie indient. Hij blijkt afstandsplichtig te zijn en tekent daarom de bereidheidsverklaring. Hij trouwt op 1 mei 2013 met B, van Nederlandse nationaliteit. Zijn verzoek om naturalisatie wordt bij Koninklijk Besluit ingewilligd op 8 mei 2013. Dit betekent dat A is getrouwd op de dag van zijn naturalisatie met een Nederlander. Om die reden is hij niet (langer) afstandsplichtig.
**Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba is erkend als vluchteling.**
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Deze uitzondering geldt ook voor de verzoeker die in het bezit is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezeten derdelander dat de aantekening ‘Internationale bescherming op [datum] verleend door [lidstaat]’ bevat. Personen die internationale bescherming genieten zijn personen die als asielgerechtigden zijn toegelaten in een andere lidstaat en daarna in Nederland in het bezit zijn gesteld van een reguliere verblijfsvergunning op grond van richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten derdelanders.
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
Deze uitzondering geldt ook voor de verzoeker die in het bezit is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezeten derdelander dat de aantekening ‘Internationale bescherming op [datum] verleend door [lidstaat]’ bevat. Personen die internationale bescherming genieten zijn personen die als asielgerechtigden zijn toegelaten in een andere lidstaat en daarna in Nederland in het bezit zijn gesteld van een reguliere verblijfsvergunning op grond van richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten derdelanders.
### 9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid
Personen die afstand moeten doen en die ná de totstandkoming van de naturalisatie huwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) aangaan, kunnen evenmin met succes een beroep doen op onderdeel c.
Voor een geslaagd beroep op toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) wegens ambtelijk verzuim moet aangetoond worden dat dit zwaarwegend is. Het gestelde zwaarwegend zijn van het ambtelijk verzuim wordt afgewogen tegen het belang van betrokkene om eerder dan bij de toepassing van de reguliere voorwaarden voor naturalisatie Nederlander te worden. In de hier bedoelde belangenafweging wordt in ieder geval betrokken de mate van bijzonderheid van het geval, de mate waarin verzoeker niet voldoet aan de standaardvoorwaarden en de restrictieve wijze waarop toepassing dient te worden gegeven aan artikel 10 RWN. Bij zwaarwegend ambtelijk verzuim valt te denken aan:
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [11.2 t/m 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [26.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
Geen.
Vóór 1 april 2003 konden minderjarigen, die niet hadden gedeeld in de verlening van het Nederlanderschap aan de ouder(s), onder voorwaarden op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden voorgedragen voor naturalisatie. Voor deze minderjarigen is thans een bijzondere naturalisatieprocedure opgenomen in [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11).
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [11.2 t/m 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [26.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
De Kroon verleent het Nederlanderschap met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) nadat de Raad van State van het Koninkrijk is gehoord. Uit de wettekst volgt dat het raadplegen van de Raad van State slechts noodzakelijk is bij verlening van het Nederlanderschap met toepassing van artikel 10 RWN. Bij beslissingen tot afwijzing of aanhouding is [artikel 9, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) van toepassing.
Het is niet de bedoeling dat op grote schaal van onderhavig artikel gebruik wordt gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraken (zie uitspraak van 27 augustus 2014 in zaak nr. 201400641/1/V6 en uitspraak van 2 juli 2003 in zaak nr. 200204721/1) overwogen dat de minister bij de toepassing van [artikel 10 van de RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) beoordelingsvrijheid heeft waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort. De minister pleegt van dit wetsartikel terughoudend gebruik te maken. De uitzonderingen zijn alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen. Een verzoek om toepassing van artikel 10 RWN zal dus moeten worden gemotiveerd. Tevens moet exact worden aangegeven van welke vereisten in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) of [11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) afwijking wordt verzocht.
### paragraaf 3.1. Advisering
Let op! De [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) procedure is geen verkorte procedure. Ook bij een artikel 10 RWN verzoek geldt de beslistermijn zoals genoemd in [artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9). De verkorting zit in het feit dat van de verblijfstermijnen kan worden afgeweken, en niet van de wettelijke beslistermijn. Voorts moet rekening worden gehouden met het feit dat voor een artikel 10 RWN verzoek vaak advies moet worden ingewonnen bij een vakministerie, dat vervolgens een onderzoek verricht. Dit onderzoek kan enige tijd in beslag nemen.
### Paragraaf 2.3. Tarieven F en G
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
Met het woord ‘termijn’ wordt gedoeld op de zinsnede ‘de onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf’. Met het opnemen van het woord ‘termijn’ is allereerst beoogd om te benadrukken dat van de andere toepasselijke voorwaarden in [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) niet kan worden afgeweken. Zo zal bij een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) bijvoorbeeld niet kunnen worden afgeweken van het vereiste in artikel 11, tweede lid, RWN (kind beneden de zestien jaar), derde lid (kind dat leeftijd van zestien jaar heeft bereikt), vierde lid (kind dat niet heeft gedeeld) en vijfde lid (meerderjarig geworden kind) dat het ‘sedert het tijdstip van het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft’.
Verder kan evenmin – als het gaat om een kind dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt of dat tijdens de behandeling meerderjarig is geworden – worden afgeweken van het vereiste dat er geen ernstige vermoedens bestaan dat die persoon een gevaar oplevert voor de openbare orde als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en artikel 9, tweede lid, RWN. Gelet op het feit dat op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) kan worden afgeweken van de reguliere termijn van vijf jaar toelating en hoofdverblijf, zoals vermeld in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), is geredeneerd dat ook van de kortere termijn van drie jaar, zoals genoemd in [artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), kan worden afgeweken en is ook voor de volledigheid een verwijzing naar die termijn opgenomen.
[Artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) geeft aan van welke wettelijk gestelde voorwaarde wél en – impliciet – van welke voorwaarden niet kan worden afgeweken. Niet kan worden afgeweken van het vereiste:
Bovendien geldt ingeval van een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) dat verzoeker zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels. Dit betekent dat een op artikel 10 RWN gebaseerd naturalisatieverzoek geen basis kan bieden voor de toepassing van andere (soepelere) dan de algemeen geldende regels voor het aantonen van identiteit en nationaliteit (zie de toelichting op artikel 7, [par. 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.5&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en 3.5.6).
Verder kan evenmin – als het gaat om een kind dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt of dat tijdens de behandeling meerderjarig is geworden – worden afgeweken van het vereiste dat er geen ernstige vermoedens bestaan dat die persoon een gevaar oplevert voor de openbare orde als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en artikel 9, tweede lid, RWN. Gelet op het feit dat op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) kan worden afgeweken van de reguliere termijn van vijf jaar toelating en hoofdverblijf, zoals vermeld in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), is geredeneerd dat ook van de kortere termijn van drie jaar, zoals genoemd in [artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), kan worden afgeweken en is ook voor de volledigheid een verwijzing naar die termijn opgenomen.
Ten behoeve van de beeldvorming, met betrekking tot de vraag wanneer er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan onderhavig artikel kan worden toegepast, volgt onderstaand een aantal praktijkvoorbeelden. Bij een aantal voorbeelden is aangegeven op welke wijze met vergelijkbare gevallen kan worden omgegaan.
### paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
In het geval dat het advies van de Staatssecretaris van VWS inzake de ontheffing van een voor de verzoeker geldende blokkeringstermijn geen stukken bevat, die leiden tot de conclusie dat de verzoeker op korte termijn als genaturaliseerde Nederlander voor Nederland zou kunnen uitkomen, dient het verzoek tot naturalisatie te worden afgewezen.
Ten behoeve van de beeldvorming, met betrekking tot de vraag wanneer er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan onderhavig artikel kan worden toegepast, volgt onderstaand een aantal praktijkvoorbeelden. Bij een aantal voorbeelden is aangegeven op welke wijze met vergelijkbare gevallen kan worden omgegaan.
Voor een geslaagd beroep op toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) wegens ambtelijk verzuim moet aangetoond worden dat dit zwaarwegend is. Het gestelde zwaarwegend zijn van het ambtelijk verzuim wordt afgewogen tegen het belang van betrokkene om eerder dan bij de toepassing van de reguliere voorwaarden voor naturalisatie Nederlander te worden. In de hier bedoelde belangenafweging wordt in ieder geval betrokken de mate van bijzonderheid van het geval, de mate waarin verzoeker niet voldoet aan de standaardvoorwaarden en de restrictieve wijze waarop toepassing dient te worden gegeven aan artikel 10 RWN. Bij zwaarwegend ambtelijk verzuim valt te denken aan:
Aangezien [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) geen afwijking van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) toestaat, wordt nogmaals benadrukt dat in alle hierboven omschreven voorbeelden de persoon die een beroep doet op artikel 10 RWN bij het indienen van het verzoek in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht dat naar zijn aard niet-tijdelijk is (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN) en verklaard moet hebben bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [toelichting bij artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, RWN). Let goed op dat een verzoeker die een beroep doet op artikel 10 RWN altijd zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels (zie de [toelichting op artikel 7, paragraaf 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.5&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en 3.5.6). Betreft het een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN die in het buitenland woont, dan geldt dat hij moet aantonen dat hij een dergelijk verblijfsrecht zou(den) verkrijgen, als daar om zou worden verzocht.
[10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Vóór 1 april 2003 konden minderjarigen, die niet hadden gedeeld in de verlening van het Nederlanderschap aan de ouder(s), onder voorwaarden op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden voorgedragen voor naturalisatie. Voor deze minderjarigen is thans een bijzondere naturalisatieprocedure opgenomen in [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11).
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
### paragraaf 3. Topsporters
Een bijzonder geval kan zich voordoen als blijkt dat de verlening van het Nederlanderschap in zodanige mate een Nederlands cultureel belang dient, dat afwijking van één of meer reguliere voorwaarden wordt gerechtvaardigd. Onder een Nederlands cultureel belang wordt tevens verstaan een Nederlands belang op sportief gebied.
### paragraaf 3.1. Advisering
Om vast te kunnen stellen of met de naturalisatie van verzoeker een Nederlands belang op sportief gebied is gediend, wordt de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om advies gevraagd. Alleen indien bij het verzoek tot naturalisatie mede een verklaring van een Nederlandse sportbond wordt overgelegd inhoudende dat naturalisatie een Nederlands sportbelang op korte termijn dient, verzoekt de Minister van Justitie om advisering ter zake door de Staatssecretaris van VWS. Zonder een dergelijke ondersteunende verklaring wordt de zaak niet aan VWS aangeboden, maar direct afgewezen.
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
Een kind jonger dan twaalf jaar wordt op grond van [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze over de medeverlening naar voren te brengen. Een kind van twaalf tot zestien jaar kan, als daar om wordt verzocht, een zienswijze hierover naar voren brengen. Een kind dat ten tijde van de indiening van het verzoek om (mede)naturalisatie zestien jaar of ouder is, is in beginsel verplicht om in persoon te verklaren in te stemmen met de medeverlening ([artikel 31, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) in samenhang met [artikel 3 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) (zie hierover ook de uitgebreide toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
Bij circulaire d.d. 9 april 1999, kenmerk S/BOA-99440 heeft de Staatssecretaris van VWS richtlijnen opgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of wordt voldaan aan het vereiste van een aanwezig Nederlands belang op sportief gebied. De circulaire stelt de eis dat de betrokkene bij de desbetreffende Nederlandse landelijke sportorganisatie op het niveau van de nationale top presteert. Dit betekent volgens de circulaire:
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
Of een sporter direct na de naturalisatie tot Nederlander daadwerkelijk op een internationaal concours of een internationale sportwedstrijd kan uitkomen als Nederlander is echter afhankelijk van de regels van de nationale sportbond van het herkomstland. Is op grond van deze regels deelname namens Nederland pas mogelijk na het verstrijken van een bepaalde periode, de zgn. blokkeringstermijn, dan kan bij de nationale sportbond van het land van herkomst om ontheffing of bekorting van deze termijn worden verzocht.
### paragraaf 3.4. Advies VWS
Met het ministerie van VWS is een aantal afspraken gemaakt met betrekking tot het advies aan de Minister van Justitie. Naast de toetsing aan de bovengenoemde richtlijnen uit de circulaire d.d. 9 april 1999 zal de Staatssecretaris van VWS in het advies aan de volgende onderwerpen aandacht besteden:
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
**Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt wordt ingewilligd indien het kind in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf en, sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft. Het Nederlanderschap wordt slechts verleend, indien het kind daarmee uitdrukkelijk instemt, hij bereid is bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en op hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.**
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
Het voorgaande geldt niet indien het een vreemdeling betreft waarvan de IND aan de Staatssecretaris van VWS in het verzoek om advies heeft laten weten dat de Nederlandse nationale sportbond dan wel het Nederlands Olympisch Comité geen contact met vertegenwoordigers van het herkomstland dient op te nemen.
### Artikel 11
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2 t/m 4; 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9);
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
[BOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831&artikel=3)
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
### 11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid
Tot 1 oktober 2010 gold voor de minderjarige die op grond van [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) mee-naturaliseerde geen plicht tot het ondertekenen van een bereidverklaring. Ook de verklaring van verbondenheid hoefde niet te worden afgelegd. Bij alle verzoeken ex artikel 11, derde lid, die op of na 1 oktober 2010 worden ingediend geldt dat de bereidverklaring moet worden ondertekend en de verklaring van verbondenheid moet worden afgelegd, tenzij betrokkene is vrijgesteld (zie overgangsbepaling [artikel II, lid 2a, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb.2010, 242 )).
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
Dit artikel bevat bepalingen met betrekking tot de medeverlening van het Nederlanderschap aan minderjarigen en jongvolwassenen.
Op grond van het bepaalde in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) wordt de wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder op zijn of haar verzoek in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over de medeverlening van het kind. De reden hiervoor is dat de wetgever wil voorkomen dat de rechtspositie van het kind door de enkele wil van de naturaliserende ouder wordt gewijzigd (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
Een kind jonger dan twaalf jaar wordt op grond van [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze over de medeverlening naar voren te brengen. Een kind van twaalf tot zestien jaar kan, als daar om wordt verzocht, een zienswijze hierover naar voren brengen. Een kind dat ten tijde van de indiening van het verzoek om (mede)naturalisatie zestien jaar of ouder is, is in beginsel verplicht om in persoon te verklaren in te stemmen met de medeverlening ([artikel 31, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) in samenhang met [artikel 3 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) (zie hierover ook de uitgebreide toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
Voor minderjarige kinderen en jongvolwassenen die met toepassing van het onderhavige artikel worden (mede)genaturaliseerd geldt niet het inburgeringsvereiste. De naturalisatietoets hoeft dan ook niet te worden afgelegd.
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
Als een ouder heeft verzocht om medeverlening voor een minderjarige, terwijl de minderjarige niet voldoet aan de geldende voorwaarden, worden de personalia van het kind niet vermeld in het Koninklijk Besluit en wordt het verzoek om medeverlening van het kind schriftelijk afgewezen. Hetzelfde geldt uiteraard voor een zelfstandig verzoek op grond van [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De afwijzende beslissing is een beschikking in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend (zie ook de [toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.11&z=2017-03-01&g=2017-03-01)).
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
Voor de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie op grond van [artikel 11, derde of vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) wordt ingediend zestien jaar of ouder is, geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid.
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
In [artikel 31 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) is aangegeven welke gegevens de verzoeker over zichzelf en over het (mede) te naturaliseren kind moet verstrekken. Als deze gegevens niet of onvoldoende worden verstrekt, zal Onze Minister, na inverzuimstelling, het verzoek afwijzen. De afwijzende beslissing van Onze Minister is een beschikking waartegen op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
### 11-3. Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
Verblijf in het verleden in Nederland als afhankelijk gezinslid van een geprivilegieerde vreemdeling, werkzaam bij een internationale organisatie, geldt onder specifieke voorwaarden als toelating in hierboven bedoelde zin.
De periode dat het afhankelijk gezinslid op basis van een geprivilegieerde status bij de hoofdpersoon in Nederland heeft verbleven, en daardoor ingeschreven heeft gestaan in het daarvoor bestemde register bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, geldt in het kader van een verzoek om medeverlening als toelating in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738), mits deze periode onmiddellijk voorafging aan de toelating in het kader van de Vreemdelingenwet. Deze (onafgebroken) periode mag daarom worden meegeteld voor de vereiste termijn van drie jaren toelating in het kader van een verzoek om medeverlening.
Het verblijf als geprivilegieerde moet worden aangetoond door middel van het overleggen van een originele verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ingeval van contra-indicatie dat het verblijf als geprivilegieerde, ondanks de verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, niet onafgebroken is geweest, kan contact worden opgenomen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
### Artikel 13
Volgens onderhavig artikellid moet het kind dat ten tijde van de indiening van het verzoek zestien jaar of ouder is, zich bij de indiening bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen ([model 2.30 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01)). Vervolgens zal het kind dat de bereidverklaring afgegeven heeft, tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid moeten afleggen voordat hem het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap kan worden uitgereikt. Het vereiste tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt niet voor een kind dat bij het indienen van het verzoek om naturalisatie jonger dan zestien jaar is, maar gedurende de behandeling van het verzoek zestien jaar wordt (zie de [toelichting bij artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&z=2017-03-01&g=2017-03-01), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&z=2017-03-01&g=2017-03-01).)
Deze verplichting geldt voor alle verzoeken die op of na 1 oktober 2010 worden ingediend.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Minderjarigen van zestien jaar en ouder worden geacht voldoende inzicht te hebben om zelf te kunnen beslissen over de vraag of ze de Nederlandse nationaliteit willen verkrijgen. Om die reden is in dit artikellid opgenomen dat een kind, dat ten tijde van het verzoek om medeverlening van het Nederlanderschap zestien jaar of ouder is, het Nederlanderschap alleen zal verkrijgen als het kind daar uitdrukkelijk mee instemt. Op grond van [artikel 31, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) moet deze verklaring voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in [artikel 3 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3). Dit betekent dat het kind in beginsel in persoon bij de burgemeester moet verschijnen om de instemmingsverklaring af te leggen (zie verder de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN)60[119].
De verklaring moet op schrift worden gesteld en door het kind worden ondertekend.
Uit de tekst [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vloeit voort dat de vereisten van het in persoon een instemmingsverklaring afleggen niet geldt voor een kind dat bij het indienen van het verzoek om medeverlening jonger dan zestien jaar is, maar gedurende de behandeling van het verzoek zestien jaar wordt. Als dit kind echter al vóór het bereiken van de zestienjarige leeftijd een zienswijze omtrent de medeverlening van het Nederlanderschap naar voren heeft gebracht en het kind heeft daarbij te kennen gegeven geen prijs te stellen op medever lening, dan zal het kind niet worden meegenaturaliseerd (tenzij het zestienjarige kind op eigen initiatief alsnog een andere zienswijze geeft).
Op grond van [artikel 2, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) moeten verklaringen van minderjarigen betreffende de nationaliteit worden afgelegd door hun wettelijk vertegenwoordiger. Deze vertegenwoordigingsplicht geldt echter niet voor minderjarigen vanaf twaalf jaar bij het naar voren brengen van een zienswijze omtrent de verlening of medeverlening van het Nederlanderschap op grond van artikel 2, vierde lid, RWN. Die vertegenwoordigingsplicht geldt evenmin voor minderjarigen vanaf zestien jaar die op grond van het onderhavige derde lid uitdrukkelijk moeten verklaren in te stemmen met de medeverlening. Het gaat er bij het geven van bedoelde zienswijze of instemmingsverklaring immers om dat de minderjarige zijn eigen mening kenbaar maakt (zie ook de toelichting bij artikel 2, derde lid, RWN).
Voor de duidelijkheid worden hieronder de vereisten genoemd, waaraan moet zijn voldaan als het een verzoek om medeverlening betreft voor een kind dat ten tijde van indiening van dat verzoek zestien jaar of ouder is:
Uit de tekst [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vloeit voort dat de vereisten van het in persoon een instemmingsverklaring afleggen niet geldt voor een kind dat bij het indienen van het verzoek om medeverlening jonger dan zestien jaar is, maar gedurende de behandeling van het verzoek zestien jaar wordt. Als dit kind echter al vóór het bereiken van de zestienjarige leeftijd een zienswijze omtrent de medeverlening van het Nederlanderschap naar voren heeft gebracht en het kind heeft daarbij te kennen gegeven geen prijs te stellen op medever lening, dan zal het kind niet worden meegenaturaliseerd (tenzij het zestienjarige kind op eigen initiatief alsnog een andere zienswijze geeft).
Op grond van [artikel 2, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) moeten verklaringen van minderjarigen betreffende de nationaliteit worden afgelegd door hun wettelijk vertegenwoordiger. Deze vertegenwoordigingsplicht geldt echter niet voor minderjarigen vanaf twaalf jaar bij het naar voren brengen van een zienswijze omtrent de verlening of medeverlening van het Nederlanderschap op grond van artikel 2, vierde lid, RWN. Die vertegenwoordigingsplicht geldt evenmin voor minderjarigen vanaf zestien jaar die op grond van het onderhavige derde lid uitdrukkelijk moeten verklaren in te stemmen met de medeverlening. Het gaat er bij het geven van bedoelde zienswijze of instemmingsverklaring immers om dat de minderjarige zijn eigen mening kenbaar maakt (zie ook de toelichting bij artikel 2, derde lid, RWN).
A is zeventien jaar op het moment dat zijn vader een verzoek om naturalisatie indient en daarbij vraagt om medenaturalisatie van A. Tijdens de behandeling van het verzoek wordt A achttien jaar. Op het moment dat de vader bij koninklijk besluit wordt genaturaliseerd, voldoet A aan de voorwaarden in [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) met uitzondering van het vereiste van minderjarigheid. Van de IND ontvangt hij een beschikking die inhoudt dat het verzoek om medenaturalisatie is afgewezen. A gaat hierna twee jaar in Groot-Brittannië wonen om te werken. Vervolgens hervestigt hij zich in Nederland en heeft daar drie jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf op het moment dat hij een verzoek om naturalisatie indient. A kan niet met succes een beroep doen op [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie is immers niet aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheid van A.
In beginsel is het niet mogelijk dat een gehuwde vrouw bij de naturalisatie haar eigen geslachtsnaam laat wijzigen in die van haar (Nederlandse) echtgenoot. Immers, naar Nederlands recht mag de geslachtsnaam van de echtgenoot officieel niet worden toegevoegd aan de naam van de vrouw, noch draagt de vrouw rechtens de naam van haar echtgenoot. Wel is het toegestaan dat de vrouw in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van haar echtgenoot voert.
Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. “Feitelijk behoren tot het gezin” van de vader of moeder houdt in het kader van de RWN in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s)64Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.. De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.
A is zeventien jaar op het moment dat zijn vader een verzoek om naturalisatie indient en daarbij vraagt om medenaturalisatie van A. Tijdens de behandeling van het verzoek wordt A achttien jaar. Op het moment dat de vader bij koninklijk besluit wordt genaturaliseerd, voldoet A aan de voorwaarden in [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) met uitzondering van het vereiste van minderjarigheid. Van de IND ontvangt hij een beschikking die inhoudt dat het verzoek om medenaturalisatie is afgewezen. A gaat hierna twee jaar in Groot-Brittannië wonen om te werken. Vervolgens hervestigt hij zich in Nederland en heeft daar drie jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf op het moment dat hij een verzoek om naturalisatie indient. A kan niet met succes een beroep doen op [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie is immers niet aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheid van A.
Uitgangspunt in het Nederlands namenrecht is dat een minderjarig kind de naam van één van de ouders draagt. Hieruit vloeit voort dat kinderen die delen in de naturalisatie van de ouder onder bepaalde voorwaarden ook in de naamsvaststelling of -wijziging van die ouder kunnen delen.
Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. “Feitelijk behoren tot het gezin” van de vader of moeder houdt in het kader van de RWN in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s)64Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.. De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel IB.A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IB)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikel 36.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36); [36.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [36.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)
### Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
[Boek 10 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068): [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=22) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=25)
Geen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
[Boek 10 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068): [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=22) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=25)
Bij verlening van het Nederlanderschap is het Nederlands namenrecht van toepassing. Op 1 januari 2012 is de [Wet conflictenrecht namen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580) (WCN) vervallen. Vanaf die datum is [artikel 10:18 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=18) tot en met [artikel 10:26 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=26) van toepassing. Uitgangspunt is dat de naturalisatie plaatsvindt met toepassing van de namen van de verzoeker in de basisregistratie personen (BRP). Aan deze namen moet verder zo weinig mogelijk worden gesleuteld.
Zonder expliciete naamsvaststelling of naamswijziging is het Koninklijk Besluit tot verlening van het Nederlanderschap niet bepalend voor de namen van de verzoeker. Dit vloeit voort uit [artikel 10:22, lid 2 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=22) waarvan de tekst luidt:
“De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door een vreemdeling brengt geen wijziging in diens geslachtsnaam en voornamen, behoudens [artikel 25, onder b, van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=25) en de [artikelen 6 lid 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [12 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12).”
Als naamsvaststelling of naamswijziging is geboden op grond van [artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12), overlegt de burgemeester met de verzoeker over de vast te stellen of te wijzigen namen van de verzoeker en van de personen voor wie medeverlening wordt verzocht, alsmede over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen worden overgebracht ([artikel 36, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Daartoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.6 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) ‘Verzoek om naamsvaststelling bij naturalisatie’ of model 2.7 HRWN ‘Verzoek om naamswijziging bij naturalisatie’.
Wijziging van de namen gedurende de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend in het kader van de inburgering en dan alleen in de situaties zoals beschreven in de toelichting op [artikel 12, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12). Bij naturalisatie wordt uitgegaan van de schrijfwijze van de namen zoals opgenomen in de BRP. Deze inschrijving is gebaseerd op een (voldoende gelegaliseerd of van apostille voorzien) document of op een door de verzoeker afgelegde verklaring onder ede (VOE). Als de verzoeker desondanks iets aan de schrijfwijze van zijn na(a)m(en) wenst te veranderen, moet hij die verandering voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek om naturalisatie via de gemeente bewerkstelligen (door het overleggen van de juiste bewijsstukken zoals een nieuwe beëdigde vertaling of nieuwe brondocumenten). Voor het herstellen van veronderstelde schrijf- of vertaalfouten in de na(a)m(en) zoals opgenomen in de BRP is geen ruimte binnen de naturalisatieprocedure.
Als zij daarom verzoeken, worden de in het verzoek begrepen minderjarige kinderen van twaalf jaar of ouder, evenals de wettelijk vertegenwoordiger of de (andere) ouder als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de naamsvaststelling of naamswijziging kenbaar te maken ([artikel 36, vierde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.9 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) ‘Brief zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 t/m 15 jaar)’ en model 2.11 HRWN ‘Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 jaar t/m 15 jaar)’ respectievelijk model 2.13 HRWN ‘Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarigen’ en model 2.15 HRWN ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)’of model 2.16 HRWN. ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamswijziging kind(eren)’
De burgemeester brengt over de naamsvaststelling of naamswijziging advies uit aan Onze Minister ([artikel 36, vijfde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)).
Wijziging van de namen gedurende de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend in het kader van de inburgering en dan alleen in de situaties zoals beschreven in de toelichting op [artikel 12, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12). Bij naturalisatie wordt uitgegaan van de schrijfwijze van de namen zoals opgenomen in de BRP. Deze inschrijving is gebaseerd op een (voldoende gelegaliseerd of van apostille voorzien) document of op een door de verzoeker afgelegde verklaring onder ede (VOE). Als de verzoeker desondanks iets aan de schrijfwijze van zijn na(a)m(en) wenst te veranderen, moet hij die verandering voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek om naturalisatie via de gemeente bewerkstelligen (door het overleggen van de juiste bewijsstukken zoals een nieuwe beëdigde vertaling of nieuwe brondocumenten). Voor het herstellen van veronderstelde schrijf- of vertaalfouten in de na(a)m(en) zoals opgenomen in de BRP is geen ruimte binnen de naturalisatieprocedure.
In beginsel is het niet mogelijk dat een gehuwde vrouw bij de naturalisatie haar eigen geslachtsnaam laat wijzigen in die van haar (Nederlandse) echtgenoot. Immers, naar Nederlands recht mag de geslachtsnaam van de echtgenoot officieel niet worden toegevoegd aan de naam van de vrouw, noch draagt de vrouw rechtens de naam van haar echtgenoot. Wel is het toegestaan dat de vrouw in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van haar echtgenoot voert.
Echter, in sommige landen verkrijgt de vrouw bij het aangaan van het huwelijk van rechtswege of (later) op verzoek de geslachtsnaam van haar echtgenoot. In dat geval wordt de vrouw in principe genaturaliseerd onder deze later verkregen geslachtsnaam (van haar echtgenoot), tenzij ze te kennen geeft dat zij behoefte heeft aan wijziging van haar geslachtsnaam in haar meisjesnaam. In dat geval kan zij, op grond van [artikel 12, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12), weer haar meisjesnaam als geslachtsnaam krijgen. Het is daarom van belang dat de geslachtsnaam van gehuwde vrouwen niet alleen wordt beoordeeld aan de hand van de geboorteakte maar in voorkomend geval ook aan de hand van bijvoorbeeld de huwelijksakte en/of het paspoort.
Indien de naam slechts bestaat uit één bestanddeel wordt deze naam in beginsel vastgesteld als voornaam. De geslachtsnaam wordt dan vastgesteld overeenkomstig de naam van de (voor)ouder. In voorkomende gevallen kan ook een gedeelte van de naam van betrokkene worden vastgesteld als geslachtsnaam en het andere gedeelte wordt dan vastgesteld als voornaam.
Uitgangspunt in het Nederlands namenrecht is dat een minderjarig kind de naam van één van de ouders draagt. Hieruit vloeit voort dat kinderen die delen in de naturalisatie van de ouder onder bepaalde voorwaarden ook in de naamsvaststelling of -wijziging van die ouder kunnen delen.
Een kind kan, als daar door de (hoofd)verzoeker om verzocht wordt, in de naamsvaststelling of naamswijziging van de verzoeker delen als het:
Een minderjarig kind kan niet delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van:
Het verzoek om naamsvaststelling of -wijziging met betrekking tot het kind moet in een dergelijk geval beoordeeld worden zoals neergelegd in de paragrafen over naamsvaststelling en -wijziging bij kinderen in de toelichting op artikel 12, eerste en tweede lid RWN.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
Voor een minderjarig kind kan soms ook een andere naamsvaststelling of -wijziging plaatsvinden dan voor de verzoeker met wie het kind meenaturaliseert. Daarnaast kan het voorkomen dat enkel de naam van het kind wordt vastgesteld of gewijzigd, terwijl de naam van de (hoofd)verzoeker hetzelfde blijft. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er een (zelfstandig) verzoek tot naturalisatie voor een minderjarige is ingediend door zijn wettelijk vertegenwoordiger. Zie voor de uitwerking van de mogelijkheden voor deze situaties de paragrafen met betrekking tot kinderen in de toelichting op artikel 12, eerste en tweede lid RWN.
Op grond van [artikel 1:7, derde lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=7) heeft de wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam door de Koning geen invloed op de geslachtsnaam van de kinderen van de betrokken persoon die voor de datum van het besluit meerderjarig zijn geworden of die niet onder zijn gezag staan. In aansluiting hier op kunnen meerderjarige kinderen en kinderen die niet onder het gezag van verzoeker staan niet in de naamswijziging of -vaststelling van verzoeker delen.
Minderjarige kinderen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben en die niet delen in de naturalisatie, delen in principe niet in de naamsvaststelling of -wijziging. Voor hen geldt immers niet het Nederlandse namenrecht, maar het namenrecht van het land van herkomst. Zij delen enkel in de naamsvaststelling of -wijziging als dat voortkomt uit het namenrecht van het land van herkomst.
Voor een minderjarig kind kan soms ook een andere naamsvaststelling of -wijziging plaatsvinden dan voor de verzoeker met wie het kind meenaturaliseert. Daarnaast kan het voorkomen dat enkel de naam van het kind wordt vastgesteld of gewijzigd, terwijl de naam van de (hoofd)verzoeker hetzelfde blijft. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er een (zelfstandig) verzoek tot naturalisatie voor een minderjarige is ingediend door zijn wettelijk vertegenwoordiger. Zie voor de uitwerking van de mogelijkheden voor deze situaties de paragrafen met betrekking tot kinderen in de toelichting op artikel 12, eerste en tweede lid RWN.
Op grond van [artikel 1:7, derde lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=7) heeft de wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam door de Koning geen invloed op de geslachtsnaam van de kinderen van de betrokken persoon die voor de datum van het besluit meerderjarig zijn geworden of die niet onder zijn gezag staan. In aansluiting hier op kunnen meerderjarige kinderen en kinderen die niet onder het gezag van verzoeker staan niet in de naamswijziging of -vaststelling van verzoeker delen.
De Minister van Justitie is gemachtigd correcties aan te brengen in een koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap. De machtiging is uitsluitend verleend om kennelijke administratieve misslagen in de vermelde persoonsgegevens van de verzoeker te herstellen. De kennelijke misslag dient een gevolg te zijn van (administratieve dan wel een vertalings-) onoplettendheid. Onder een ‘kennelijke administratieve misslag’ wordt niet verstaan het geval waarin de verzoeker na de verlening van het Nederlanderschap één of meer persoonsgegevens (namen, geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland) wenst te corrigeren, omdat hij is genaturaliseerd onder onjuiste, maar wel door hem aangeleverde, persoonsgegevens. De doorlopende machtiging is verleend voor de volgende kennelijke misstellingen in naturalisatiebesluiten:
Hierbij moet worden gedacht aan overbrenging van de namen vanuit bijvoorbeeld het Arabisch, Chinees of Cyrillisch schrift naar het Latijns schrift. Met betrekking tot deze overbrenging dient altijd te worden overlegd met de verzoeker ([artikel 36, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Voor de transcriptie is echter géén expliciete toestemming van de verzoeker vereist.
Blijkt in de procedure dat een verzoeker met een naamsketen (namenreeks) niet wenst dat bij zijn naturalisatie een geslachtsnaam voor hem wordt vastgesteld, dan leidt dat tot een afwijzing van het naturalisatieverzoek op grond van niet-inburgering. Verzoeker voldoet alsdan niet aan de in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) gestelde voorwaarde van ‘zich ook overigens in de Nederlandse (Nederlands Antilliaanse of Arubaanse) samenleving hebben doen opnemen’.
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
Wijziging van de namen in het kader van de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend wanneer verzoeker te kennen geeft daaraan behoefte te hebben én dit gelet op de inburgering van belang is. Een verzoeker kan dus niet worden verplicht tot naamswijziging. In geval van naamswijziging wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de door de betrokkenen uitgesproken voorkeur.
Blijkt in de procedure dat een verzoeker met een naamsketen (namenreeks) niet wenst dat bij zijn naturalisatie een geslachtsnaam voor hem wordt vastgesteld, dan leidt dat tot een afwijzing van het naturalisatieverzoek op grond van niet-inburgering. Verzoeker voldoet alsdan niet aan de in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) gestelde voorwaarde van ‘zich ook overigens in de Nederlandse (Nederlands Antilliaanse of Arubaanse) samenleving hebben doen opnemen’.
Als sprake is van een namenreeks kan geen onderscheid worden gemaakt tussen de geslachtsnaam en de voornamen van de verzoeker. De volgende landen kennen een zogenaamde namenreeks: Afghanistan, Bangladesh, Egypte, Eritrea, Ethiopië, India, Indonesië, Irak, Democratische Republiek Congo, Nepal, Pakistan, Soedan, Somalië en Sri Lanka. Ten aanzien van verzoekers van wie de namen worden bepaald door het recht van deze landen is dus naamsvaststelling geboden, óók wanneer hun namen met onderscheid tussen voornamen en geslachtsnaam in de BRP zijn opgenomen. In dat geval moet een enkelvoudige geslachtsnaam worden vastgesteld die overeenkomt met de naam van de (voor)ouder. Draagt de verzoeker een namenreeks waarin niet een naam van een (voor)ouder voorkomt, dan moet één van zijn eigen namen worden vastgesteld als geslachtsnaam en de andere eigen naam als voornaam.
Met uitzondering van voorvoegsels (bijvoorbeeld Ben, El, Al, etc.) en achtervoegsels (bijvoorbeeld Zade(h)) is het niet toegestaan om een dubbele of samengestelde geslachtsnaam vast te stellen. Staat de verzoeker, na schriftelijk in de gelegenheid te zijn gesteld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om aan te geven welke enkelvoudige geslachtsnaam hij wenst, nog steeds op naturalisatie met een dubbele of samengestelde geslachtsnaam anders dan toegestaan in de voorgaande zin, dan wordt het naturalisatieverzoek om die reden afgewezen.
De verzoeker komt uit Soedan en heeft de volgende namenreeks: Mariam el Amin Mohamed Abbas. Zij is meerderjarig en dient een verzoek om naturalisatie in. Aangezien Mariam uit Soedan komt en een namenreeks heeft, moet er bij naturalisatie naamsvaststelling plaatsvinden. Uit de gegevens van de BRP blijkt dat de namenreeks van haar vader El Amin Mohamed Abbas Osman luidt. In dit geval mag Mariam willekeurig welke na(a)m(en) uit haar namenreeks als voorna(a)m(en) laten vaststellen. Als geslachtsnaam mag zij echter alleen El Amin, Mohamed of Abbas kiezen. Deze namen komen immers zowel in haar eigen namenreeks als in de namenreeks van haar vader voor.
Als sprake is van een namenreeks kan geen onderscheid worden gemaakt tussen de geslachtsnaam en de voornamen van de verzoeker. De volgende landen kennen een zogenaamde namenreeks: Afghanistan, Bangladesh, Egypte, Eritrea, Ethiopië, India, Indonesië, Irak, Democratische Republiek Congo, Nepal, Pakistan, Soedan, Somalië en Sri Lanka. Ten aanzien van verzoekers van wie de namen worden bepaald door het recht van deze landen is dus naamsvaststelling geboden, óók wanneer hun namen met onderscheid tussen voornamen en geslachtsnaam in de BRP zijn opgenomen. In dat geval moet een enkelvoudige geslachtsnaam worden vastgesteld die overeenkomt met de naam van de (voor)ouder. Draagt de verzoeker een namenreeks waarin niet een naam van een (voor)ouder voorkomt, dan moet één van zijn eigen namen worden vastgesteld als geslachtsnaam en de andere eigen naam als voornaam.
Indien de naam slechts bestaat uit één bestanddeel wordt deze naam in beginsel vastgesteld als voornaam. De geslachtsnaam wordt dan vastgesteld overeenkomstig de naam van de (voor)ouder. In voorkomende gevallen kan ook een gedeelte van de naam van betrokkene worden vastgesteld als geslachtsnaam en het andere gedeelte wordt dan vastgesteld als voornaam.
De naam van de Afghaanse Nilab bestaat uit slechts één bestanddeel. Bij naturalisatie verzoekt zij in eerste instantie om vaststelling van haar voornaam als Nilab en van haar geslachtsnaam als Hassan, omdat dit de geslachtsnaam van haar reeds genaturaliseerde echtgenoot is. Dit is echter niet mogelijk. Zij moet immers de naam van een (voor)ouder laten vaststellen als geslachtsnaam of haar huidige naam laten opdelen in twee gedeeltes. Haar vader heet Hamid. Uiteindelijk besluit Nilab daarom zijn naam als geslachtsnaam te laten vaststellen. In het maatschappelijk verkeer kan zij vervolgens alsnog de naam van haar echtgenoot voeren ([artikel 1:9 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=9)).
Als de verzoeker uitsluitend zijn voornaam wenst te wijzigen, kan hij zo nodig worden geattendeerd op de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank ([artikel 1:4, vierde lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=4)).
Indien de naam slechts bestaat uit één bestanddeel wordt deze naam in beginsel vastgesteld als voornaam. De geslachtsnaam wordt dan vastgesteld overeenkomstig de naam van de (voor)ouder. In voorkomende gevallen kan ook een gedeelte van de naam van betrokkene worden vastgesteld als geslachtsnaam en het andere gedeelte wordt dan vastgesteld als voornaam.
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12¶graaf=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk als het kind:
Het kan echter ook voorkomen dat de (hoofd)verzoeker niet verzoekt zijn minderjarige kind te laten delen in zijn naamsvaststelling, maar om naamsvaststelling van de naam van het kind conform de geslachtsnaam of een naam uit de namenreeks van de andere ouder, terwijl die andere ouder (al) Nederlander is of niet tegelijkertijd naturaliseert. Deze naamsvaststelling is mogelijk als de gewenste geslachtsnaam in de naam of namenreeks van het kind zelf voorkomt. Komt de gewenste naam alleen in de naam of namenreeks van de andere ouder en niet in de naam van het kind voor, dan kan deze naam als geslachtsnaam voor het minderjarige kind worden vastgesteld als is aangetoond dat deze andere ouder daadwerkelijk een (juridische) ouder van het kind is (en dus als zodanig in de BRP is geregistreerd).
Het Pakistaanse kind Mohammad Jafar Houssien naturaliseert mee met zijn moeder. De vader van het kind, Jafar Houssien Mahmoud, is niet met zijn vrouw en kind meegekomen naar Nederland en verblijft nog in het land van herkomst. De moeder wil echter graag dat voor haar zoon een naam uit de namenreeks van haar man als geslachtsnaam wordt vastgesteld. Voor het kind kan sowieso de naam Jafar of de naam Houssien als geslachtsnaam worden vastgesteld, aangezien deze namen ook in zijn eigen namenreeks voorkomen. De naam Mahmoud mag hij echter alleen krijgen, als is aangetoond dat Jafar Houssien Mahmoud daadwerkelijk zijn (juridische) vader is.
Een minderjarig kind van wie de naam uit één bestanddeel bestaat, deelt in beginsel in de naamsvaststelling van verzoeker. Als gewenst kan echter ook een naam van de andere ouder (of een voorouder) als geslachtsnaam van het kind worden vastgesteld, als is aangetoond dat deze andere (voor)ouder daadwerkelijk een (voor)ouder van het kind is (en dus als zodanig in de BRP is geregistreerd op grond van een geboorteakte of verklaring onder eed of belofte).
Een meerderjarig geworden kind mag soms, bij wijze van uitzondering op de in paragraaf 1 geformuleerde beleidsregel, een naam die niet in zijn eigen naam of namenreeks voorkomt als geslachtsnaam laten vaststellen bij naturalisatie. Dit mag alleen in het geval de gewenste naam afkomstig is van één van de juridische ouders van de verzoeker én als die naam reeds voor andere leden van het (kern)gezin als geslachtsnaam is vastgesteld bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Dit is dus alleen mogelijk als de andere gezinsleden eerder dan de verzoeker tot Nederlander zijn genaturaliseerd.
De Egyptische Kamal Abdel Walad naturaliseert tot Nederlander en laat daarbij voor hem en zijn twee meenaturaliserende, minderjarige kinderen de naam Walad als geslachtsnaam vaststellen. Een half jaar later dient zijn negentienjarige zoon Ashraf Kamal Abdel zelfstandig een verzoek om naturalisatie in. Hoewel de naam Walad niet voorkomt in de namenreeks van Ashraf, kan hij toch deze naam als geslachtsnaam kiezen, aangezien zijn vader en jongere zusjes reeds deze naam als geslachtsnaam hebben verkregen.
Een minderjarig kind van wie de naam uit één bestanddeel bestaat, deelt in beginsel in de naamsvaststelling van verzoeker. Als gewenst kan echter ook een naam van de andere ouder (of een voorouder) als geslachtsnaam van het kind worden vastgesteld, als is aangetoond dat deze andere (voor)ouder daadwerkelijk een (voor)ouder van het kind is (en dus als zodanig in de BRP is geregistreerd op grond van een geboorteakte of verklaring onder eed of belofte).
De naam van de verzoeker wordt zonodig in de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens overgebracht en kan, indien dit voor de inburgering van belang is, met toestemming van de verzoeker bij het besluit tot verlening van het Nederlanderschap worden gewijzigd.
De Egyptische Kamal Abdel Walad naturaliseert tot Nederlander en laat daarbij voor hem en zijn twee meenaturaliserende, minderjarige kinderen de naam Walad als geslachtsnaam vaststellen. Een half jaar later dient zijn negentienjarige zoon Ashraf Kamal Abdel zelfstandig een verzoek om naturalisatie in. Hoewel de naam Walad niet voorkomt in de namenreeks van Ashraf, kan hij toch deze naam als geslachtsnaam kiezen, aangezien zijn vader en jongere zusjes reeds deze naam als geslachtsnaam hebben verkregen.
Hierbij moet worden gedacht aan overbrenging van de namen vanuit bijvoorbeeld het Arabisch, Chinees of Cyrillisch schrift naar het Latijns schrift. Met betrekking tot deze overbrenging dient altijd te worden overlegd met de verzoeker ([artikel 36, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Voor de transcriptie is echter géén expliciete toestemming van de verzoeker vereist.
Verzoeker is geboren in Egypte en heeft de Egyptische nationaliteit. Zijn geboorteakte is vanuit het Arabisch schrift overgebracht in het Latijns schrift. Volgens deze vertaling, opgesteld door een beëdigd vertaler, heeft verzoeker de naamsketen ‘Sayeed Muhammad Ben Sawi’, maar in alle overige overgelegde documenten is de tweede naam gespeld als ‘Mohamed’. Verzoeker verklaart dat hij sinds jaar en dag door het leven gaat met de naam ‘Mohamed’ en dat hij onder deze naam wenst te worden genaturaliseerd. Uitgangspunt voor de transcriptie is dat de namen worden omgezet overeenkomstig de door een beëdigd vertaler opgestelde vertaling van de geboorteakte. Tenzij betrokkene vóór de indiening van zijn verzoek een andere vertaling van een beëdigd vertaler overlegt, worden zijn voornamen vastgesteld als ‘Sayeed Muhammad’ en zijn geslachtsnaam als ‘Ben Sawi’.
TOS: artikel 7.2
Wijziging van de namen in het kader van de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend wanneer verzoeker te kennen geeft daaraan behoefte te hebben én dit gelet op de inburgering van belang is. Een verzoeker kan dus niet worden verplicht tot naamswijziging. In geval van naamswijziging wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de door de betrokkenen uitgesproken voorkeur.
Wijziging van de geslachtsnaam enerzijds, en wijziging van de geslachtsnaam en voornamen anderzijds, zijn mogelijk in uitsluitend de volgende gevallen:
Een samengestelde geslachtsnaam is een naam die bestaat uit twee of meer delen. Het ene deel is normaal gesproken afkomstig van vaderskant en het andere deel is afkomstig van moederskant. Niet iedere geslachtsnaam die uit meerdere namen bestaat, is dus een samengestelde geslachtsnaam.
Met name in Oost-Europese landen wordt soms bij namen van vrouwen als achtervoegsel een -a aan de geslachtsnaam toegevoegd. Deze verbuiging naar een vrouwelijke vorm kan bij de naturalisatie tot Nederlander ongedaan worden gemaakt als betrokkene daar om verzoekt. Het omgekeerde, een (vrouwelijke) verbuiging toevoegen, is echter niet mogelijk, omdat het Nederlands namenrecht niet de mogelijkheid geeft om namen te verbuigen.
Analoog aan artikel 1, tweede lid Besluit geslachtsnaamwijziging geschieden de hierboven onder 4 of 5 genoemde wijzigingen bij voorkeur door omzetting (of toevoeging of weglating) van enkele letters of door toevoeging van een voor- of achtervoegsel.
Een samengestelde geslachtsnaam is een naam die bestaat uit twee of meer delen. Het ene deel is normaal gesproken afkomstig van vaderskant en het andere deel is afkomstig van moederskant. Niet iedere geslachtsnaam die uit meerdere namen bestaat, is dus een samengestelde geslachtsnaam.
Voor wijziging van uitsluitend de voornamen bestaat in de naturalisatieprocedure geen ruimte. De voornamen kunnen slechts gelijktijdig met de geslachtsnaam worden gewijzigd en ook hier geldt: uitsluitend als dit voor de inburgering van belang is.
Als de verzoeker uitsluitend zijn voornaam wenst te wijzigen, kan hij zo nodig worden geattendeerd op de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank ([artikel 1:4, vierde lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=4)).
Een verzoeker heeft de Russische nationaliteit en bezit volgens zijn (Russische) geboorteakte een patronymicum. Het Russisch patronymicum is een tussennaam (‘otchestvo’ in het Russisch), gebaseerd op de eerste naam van de vader. De verzoeker staat ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) met het patronymicum ingevuld bij de categorie “voornamen”. De verzoeker verklaart dat hij zonder het patronymicum wenst te worden genaturaliseerd. Het Russisch patronymicum maakt echter geen onderdeel uit van de geslachtsnaam. Als tussennaam kan het patronymicum daarom uitsluitend in combinatie met de geslachtsnaam worden gewijzigd dan wel vervallen, en dan uitsluitend wanneer dit voor de inburgering van belang is.
Voor wijziging van uitsluitend de voornamen bestaat in de naturalisatieprocedure geen ruimte. De voornamen kunnen slechts gelijktijdig met de geslachtsnaam worden gewijzigd en ook hier geldt: uitsluitend als dit voor de inburgering van belang is.
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12¶graaf=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk als het kind:
Daarnaast mag de geslachtsnaam van alleen het kind in het kader van de inburgering soms ook gewijzigd worden, terwijl de geslachtsnaam van verzoeker ongewijzigd blijft. Dit is mogelijk als zich één van de situaties voor doet die hierboven in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12¶graaf=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) Naamswijziging, beschreven zijn onder 3 (verbogen geslachtsnaam), 4 (onuitspreekbare naam) en 5 (bespottelijke of onwelvoeglijke naam). Aangezien er aan de namen zoals opgenomen in de BRP zo min mogelijk wordt gesleuteld bij de naturalisatie, vindt de wijziging in beginsel plaats door het verwijderen of toevoegen van één of enkele letters.
Het kan voorkomen dat de andere ouder al is genaturaliseerd en dat zijn geslachtsnaam is gewijzigd bij zijn naturalisatie. Dan kan voor het minderjarige kind bij naturalisatie, als daarom wordt verzocht, dezelfde naamswijziging plaatsvinden. Dit mag echter alleen als het kind (mede) onder het gezag van deze andere ouder staat.
Moeder Natalya Vladimirova is met haar dochter Ekaterina Grzska naar Nederland gekomen om bij haar nieuwe partner te gaan wonen. Moeder Natalya laat haar geslachtsnaam bij haar naturalisatie tot Nederlander zoals deze is. Ze verzoekt echter wél om geslachtsnaamwijziging voor haar meenaturaliserende dochter. Ze wil namelijk graag dat de geslachtsnaam van haar dochter beter uitspreekbaar wordt voor Nederlanders. De geslachtsnaam Grzska is inderdaad moeilijk uitspreekbaar voor Nederlanders en zou in dit geval bijvoorbeeld gewijzigd kunnen worden in Grazeska, of Grezska.
Daarnaast mag de geslachtsnaam van alleen het kind in het kader van de inburgering soms ook gewijzigd worden, terwijl de geslachtsnaam van verzoeker ongewijzigd blijft. Dit is mogelijk als zich één van de situaties voor doet die hierboven in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12¶graaf=2&z=2016-07-01&g=2016-07-01) Naamswijziging, beschreven zijn onder 3 (verbogen geslachtsnaam), 4 (onuitspreekbare naam) en 5 (bespottelijke of onwelvoeglijke naam). Aangezien er aan de namen zoals opgenomen in de BRP zo min mogelijk wordt gesleuteld bij de naturalisatie, vindt de wijziging in beginsel plaats door het verwijderen of toevoegen van één of enkele letters.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [11.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
[BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782): [artikelen 1 t/m 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=1)
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
TOI: artikel 10
TOS: artikel 7.2
Geen.
TOI: artikel 10
**Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regelen gesteld betreffende het recht dat verschuldigd is voor het afleggen en de behandeling van de verklaring van optie en van het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap, de gevallen en de mate waarin daarvan ontheffing kan worden verleend en de wijze waarop het moet worden voldaan.**
De te betalen bedragen voor het afleggen van een optieverklaring en voor het indienen van een verzoek om naturalisatie zijn vastgelegd in het [Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782).
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
De verscheidenheid van de gevallen waarbij een beroep op toepassing van dit artikel wordt gedaan, is groot. Om die reden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Ieder verzoek wordt op de eigen merites bezien. Het moet evenwel altijd een bijzonder geval betreffen. Uit de jurisprudentie van (onder meer) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de adviezen van de Raad van State kan wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet dermate bijzonder zijn dat ze naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN rechtvaardigen. Niet bijzonder is bijvoorbeeld:
### paragraaf 3. Topsporters
De Staatssecretaris van VWS laat zich ondersteunend adviseren door de desbetreffende nationale sportbond, maar heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het advies aan de Minister van Justitie.
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
De Staatssecretaris van VWS laat zich ondersteunend adviseren door de desbetreffende nationale sportbond, maar heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het advies aan de Minister van Justitie.
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
Bij circulaire d.d. 9 april 1999, kenmerk S/BOA-99440 heeft de Staatssecretaris van VWS richtlijnen opgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of wordt voldaan aan het vereiste van een aanwezig Nederlands belang op sportief gebied. De circulaire stelt de eis dat de betrokkene bij de desbetreffende Nederlandse landelijke sportorganisatie op het niveau van de nationale top presteert. Dit betekent volgens de circulaire:
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
Ontbreekt de verklaring, dan vermeldt het advies van VWS de reden daarvan;
### 11-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 2. Naamswijziging
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
Voor de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie op grond van [artikel 11, derde of vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) wordt ingediend zestien jaar of ouder is, geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid.
In [artikel 31 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) is aangegeven welke gegevens de verzoeker over zichzelf en over het (mede) te naturaliseren kind moet verstrekken. Als deze gegevens niet of onvoldoende worden verstrekt, zal Onze Minister, na inverzuimstelling, het verzoek afwijzen. De afwijzende beslissing van Onze Minister is een beschikking waartegen op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
Als een ouder heeft verzocht om medeverlening voor een minderjarige, terwijl de minderjarige niet voldoet aan de geldende voorwaarden, worden de personalia van het kind niet vermeld in het Koninklijk Besluit en wordt het verzoek om medeverlening van het kind schriftelijk afgewezen. Hetzelfde geldt uiteraard voor een zelfstandig verzoek op grond van [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De afwijzende beslissing is een beschikking in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend (zie ook de [toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.11&z=2016-07-01&g=2016-07-01)).
In deze bepaling is tot uitdrukking gebracht dat oudere minderjarigen in het Nederlands recht in toenemende mate een bijzondere rechtspositie verkrijgen. Deze positie rechtvaardigt een eigen naturalisatieregeling.
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### 12-alg. Toelichting algemeen
### 12-alg. Toelichting algemeen
Verzoeken om medeverlening voor kinderen die bij het indienen van het verzoek van de ouder zestien jaar of ouder zijn, worden afgewezen als er op grond van hun gedrag ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar opleveren voor de openbare orde als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en artikel 9, tweede lid, RWN. Bij deze groep kinderen wordt op dezelfde wijze als bij meerderjarige verzoekers beoordeeld of er openbare orde aspecten zijn op grond waarvan het verzoek moet worden afgewezen. In het kader van het onderzoek worden voor deze kinderen door de IND de vereiste justitiële documentatiegegevens opgevraagd (zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN).
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [Boek 1, titel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=2)
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [Boek 1, titel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=2)
### Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Als uit de BRP niet blijkt of een minderjarig kind kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de verzoeker, kan dit worden aangetoond met een bewijs van gezagsvoorziening. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een buitenlandse rechterlijke voogdijbeschikking of een echtscheidingsvonnis, waarbij tevens in het gezag over de kinderen is voorzien. Het gezag kan ook van rechtswege zijn ontstaan, bijvoorbeeld door een huwelijk.
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
In een voorkomend geval stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeker schriftelijk in de gelegenheid om aan te geven welke geslachtsnaam hij wenst en wijst verzoeker op het feit dat het achterwege blijven van een keuze voor een naamsvaststelling leidt tot afwijzing van het naturalisatieverzoek.
### 4. Opsturen
Met het oog op de jaarlijkse indexering van de optie- en naturalisatiegelden (zie [artikel 9, eerste lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9)) wordt verwezen naar de in onderstaande tabel vermelde tariefgroepen en de daarbij behorende tariefcodes en bedragen.
**Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regelen gesteld betreffende het recht dat verschuldigd is voor het afleggen en de behandeling van de verklaring van optie en van het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap, de gevallen en de mate waarin daarvan ontheffing kan worden verleend en de wijze waarop het moet worden voldaan.**
De te betalen bedragen voor het afleggen van een optieverklaring en voor het indienen van een verzoek om naturalisatie zijn vastgelegd in het [Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782).
Tarief A is verschuldigd als een optant een optieverklaring aflegt op grond van [artikel 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) of [artikel II, eerste lid, van de Rijkswet van 27 juni 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) (Stb. 270).
Tarief B is verschuldigd als twee optieverklaringen gelijktijdig worden afgelegd door twee personen die:
De regeling voor de optiegelden bevat, anders dan bij de naturalisatiegelden het geval is, geen verlaagd tarief voor een houder van een asielvergunning dan wel een staatloze.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 1. Geprivilegieerden
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
### 8-3. Toelichting ad [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
Betrokkene moet bij de indiening van het verzoek het volgende overleggen:
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
### Paragraaf 5.1. Misdrijven
### Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
### 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
### Artikel 9
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
### 9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
Daarbij is niet van belang:
### 9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
### Paragraaf 5.4. Voeging
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
### Paragraaf 4. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### Paragraaf 5.2. Transacties en strafbeschikkingen
### Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
### Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
### Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### Paragraaf 8.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
### Paragraaf 5.3. De betrokkene is wél bereid afstand te doen
### paragraaf 4. Bewijsstukken
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### Paragraaf 7. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### Paragraaf 8.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### 9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
Niet alle verzoekers zijn verplicht om afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en). In [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) wordt een vijftal uitzonderingen genoemd. Daarnaast zijn er vreemdelingen van wie redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en) (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). Samengevat komt het erop neer dat de hieronder genoemde categorieën verzoekers geen afstand hoeven te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit:
### paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
In deze gevallen dient de verzoeker bij het in behandeling nemen van zijn verzoek een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij bereid is, na de totstandkoming van de naturalisatie, afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Overigens, in de praktijk geldt in alle gevallen dat eerst afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeft te worden gedaan nadat de naturalisatie tot stand is gekomen.
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
Indien een staat voor het doen van afstand van de nationaliteit slechts een kleine vergoeding vraagt, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het bedrag dat de staat hiervoor vraagt, zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. A overlegt verklaringen van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij voor het doen van afstand een bedrag van 750 moet betalen. Uit de viv en de overgelegde loonstroken blijkt dat A een baan heeft als bollenpeller waarmee hij 1200 netto per maand verdient. Hij heeft geen vermogen.
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzondering en moet afstand van de nationaliteit van land Y doen.
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
Verzoeker B bezit de nationaliteit van land Y. Hij heeft aldaar een aantal jaren geleden met het oog op de alsmaar stijgende grondprijzen een braakliggend stuk grond van een hectare gekocht voor 30.000. Nadien heeft hij niet meer naar het stuk grond omgekeken. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie toont hij aan de hand van verklaringen van de autoriteiten van land Y aan dat hij aldaar de eigendom heeft van de hectare grond. Hij overlegt tevens een notariële akte waaruit blijkt dat het stuk grond een huidige waarde heeft van 50.000. In een andere verklaring van de autoriteiten van land Y wordt gesteld dat personen die geen onderdaan zijn van land Y geen eigenaar mogen zijn van grond en dat zonodig de grond door de autoriteiten zonder geldelijke vergoeding in beslag wordt genomen. De stukken zijn gelegaliseerd en vertaald in het Nederlands.
### paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
Door betrokkene zal aan de hand van recente verklaringen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, moeten aantonen dat hij dienstplichtig is, dat hij zijn militaire dienst nog niet heeft vervuld en dat hij slechts afstand van die nationaliteit kan doen na vervulling (door middel van werkelijke dienst, al dan niet met afkoop van een gedeelte daarvan) aldaar van de militaire dienst.
Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. Hij overlegt een twee jaar oude verklaring van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij wordt opgeroepen voor het vervullen van de militaire dienst. Tevens overlegt hij een verklaring van de autoriteiten waarin staat dat personen die de dienstplicht nog moeten vervullen geen afstand kunnen doen van de nationaliteit van land Z. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands.
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
Indien een staat niet wordt erkend, wordt vanzelfsprekend ook de nationaliteit van deze staat niet erkend. In een dergelijk geval afstand eisen, betekent ook dat van een niet-erkende staat afkomstige bewijsstukken inzake het verlies van de nationaliteit door de Nederlandse autoriteiten in ontvangst en in behandeling worden genomen. Omdat dit niet strookt met het beginsel dat met een niet-erkende staat geen uitwisseling van officiële stukken plaatsvindt, wordt aan personen afkomstig uit staten die niet worden erkend door Nederland niet gevraagd afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Voorbeeld van een niet-erkende staat is Taiwan.
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
Indien verzoeker vervolgens een beroep wenst te doen op een van de uitzonderingen 4 tot en met 9 moet hij bij het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarin hij aangeeft dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit (zie model 2.4 en model 2.5). Uit de bereidheidsverklaring moet duidelijk blijken op welke uitzonderingscategorie een beroep wordt gedaan. Aan de hand van door hem overgelegde documenten/bewijsstukken (zie hierboven paragraaf 4 zal verzoeker moeten aantonen dat hij valt onder die uitzonderingscategorie.
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de bestaande uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk en in een voorkomend geval aan de hand van berekeningen – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Hij wordt erop gewezen dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen indien een beroep op de uitzonderingscategorie niet wordt gehonoreerd en dat het bedrag aan betaalde leges in dat geval niet wordt teruggegeven.
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
### 9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid
Als de betrokkene wél bereid is afstand te doen, moet hij bij het afleggen van de optieverklaring of het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarop hij dat duidelijk aangeeft. Zie de [modellen 1.14-1a HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01), [2.4 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en 2.5 HRWN.
### Artikel 10
De betrokkene zal in de drie maanden na het verkrijgen of verlenen van het Nederlanderschap op verschillende wijzen kunnen aantonen dat hij actie heeft ondernomen om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Zo zal hij kunnen aantonen dat hij een verzoek om afstand heeft gedaan of dat hij een verklaring van afstand heeft afgegeven, maar daarvan nog geen bevestiging heeft gehad van de bevoegde autoriteit. Als de betrokkene dit heeft gedaan, maar het heeft nog niet tot verlies van de andere nationaliteit geleid, zal hij zes maanden na zijn reactie door de IND schriftelijk worden verzocht binnen een maand informatie te verschaffen met betrekking tot de voortgang van het doen van afstand ([artikel 30b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30b), of [58, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=58)). Als de betrokkene hierop niet reageert, wordt hem een nieuwe brief gestuurd. In deze brief wordt het verzoek om binnen een maand informatie te verschaffen herhaald en wordt aangegeven dat als hij dit nalaat, het besluit waarbij het Nederlanderschap werd verkregen of verleend, door Onze Minister zal worden ingetrokken. Na verloop van deze termijn zonder dat betrokkene reageert, zal Onze Minister overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend. Voordat tot intrekking van het besluit wordt overgegaan, neemt de IND zekerheidshalve contact op met de gemeente om na te gaan of de betrokkene inderdaad geen verklaring tot afstand van de oorspronkelijke nationaliteit heeft overgelegd.
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
De op dit moment geldende legalisatiecirculaire is van toepassing.
### Paragraaf 1. Algemeen
De schrijfwijze van de namen van staten is conform de ‘lijst van landnamen’, de officiële schrijfwijze voor het Nederlandse taalgebied, van de Werkgroep Buitenlandse Aardrijkskundige namen, 1994.
### paragraaf 3.4. Advies VWS
E = partij geweest bij het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg
### 9-3-c. Toelichting ad [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
Daar waar staat basisregistratie personen geldt:
voor Europees Nederland: de BRP;
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten: de PIVA;
voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de bevolkingsregistratie.
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
### Paragraaf 1. Algemeen
Met ingang van 5 maart 2009 is voor Frankrijk de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd. Met ingang van 4 juni 2010 is ook voor Italië de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd.
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die gehuwd is met een Nederlander.
### 9-3-c. Toelichting ad [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
Op gelijktijdige verzoeken van twee met elkaar getrouwde personen of twee geregistreerde partners, moet zoveel mogelijk tegelijkertijd te worden beslist. Het is niet de bedoeling dat een van de (huwelijks)partners eerder wordt genaturaliseerd, zodat de ander geen afstand meer hoeft te doen op grond van het feit dat hij of zij de (huwelijks)partner is van een Nederlander.
Geen afstandsplicht bestaat voor de echtgenoot/geregistreerd partner met een B-nationaliteit (zie landenlijst) die samen met zijn/haar echtgenoot/geregistreerd partner met een B-nationaliteit een verzoek om naturalisatie indient, waarbij één van hen op grond van [artikel 9, derde lid, onder a, b, of d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) dan wel [artikel 6, eerste lid, onderdeel d, e, f, g of h Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=6) (RVVN) niet afstandsplichtig is.
### Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen
### paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
A, man, is niet getrouwd als hij op 12 augustus 2012 zijn verzoek om naturalisatie indient. Hij blijkt afstandsplichtig te zijn en tekent daarom de bereidheidsverklaring. Hij trouwt op 1 mei 2013 met B, van Nederlandse nationaliteit. Zijn verzoek om naturalisatie wordt bij Koninklijk Besluit ingewilligd op 8 mei 2013. Dit betekent dat A is getrouwd op de dag van zijn naturalisatie met een Nederlander. Om die reden is hij niet (langer) afstandsplichtig.
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
De verzoeker die met succes een beroep wil doen op deze uitzonderingsgrond zal bij de indiening van het verzoek om naturalisatie dienen aan te tonen dat hij in het bezit is gesteld van verblijfsdocument IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd) of verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd). De reden voor deze uitzondering op de afstandsverplichting is dat het onverantwoord is voor een erkende vluchteling contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden is deze categorie vreemdelingen vrijgesteld van het legalisatie-vereiste, indien betrokkene bezwaar maakt tegen dat vereiste. De verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.
Personen die afstand moeten doen en die ná de totstandkoming van de naturalisatie huwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) aangaan, kunnen evenmin met succes een beroep doen op onderdeel c.
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
### Artikel 10
Dit artikel biedt de mogelijkheid van naturalisatie wanneer aan bepaalde in de [Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) zelf gestelde voorwaarden niet is voldaan. Uitgangspunt is dat er sprake is van een zeer ‘bijzonder geval’. In uitzonderlijke gevallen kunnen er belangen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn om van die voorwaarden af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige belangen van (één van de landen van) het Koninkrijk zich voordoen, zoals op het gebied van de internationale economische en culturele betrekkingen. In concreto kan worden gedacht aan vreemdelingen die in aanmerking komen voor een functie waarvoor het Nederlanderschap is vereist of gewenst en eventueel hun echtgenoten/partners. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie.
### Paragraaf 1. Algemeen
Er zijn geen eenduidige criteria op grond waarvan met grote stelligheid kan worden voorspeld of een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) zal worden gehonoreerd. Dit is aan Onze Minister ter beoordeling en mede afhankelijk van het advies van de Raad van State. In zijn algemeenheid geldt dat naarmate het staatsbelang groter is en naarmate minder afwijkingsgronden worden aangevoerd, de drempel om artikel 10 RWN toe te passen gemakkelijker is te nemen. Zo zal iemand die nog maar een half jaar in Nederland is, nog nauwelijks Nederlands spreekt en met wiens naturalisatie wel belangen, maar geen uitzonderlijke, zijn gemoeid, minder snel langs deze weg worden genaturaliseerd dan iemand die hier al drie jaar is, in zijn functie of beroep volop participeert in de Nederlandse samenleving, redelijk Nederlands spreekt, hier wil blijven wonen en ten aanzien van wie het van groot belang is dat hij de Nederlandse nationaliteit krijgt. Bovendien kan het oordeel afhangen van de voorwaarde waarvan in het concrete geval wordt gevraagd af te wijken. Een beroep op artikel 10 RWN zal niet worden gehonoreerd als de verzoeker binnen afzienbare tijd voldoet aan de reguliere wettelijke voorwaarden.
Hoewel dit niet expliciet in de tekst van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) is opgenomen, blijkt uit de parlementaire behandeling van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735) dat ook van de verkorte termijnen genoemd in [artikel 8, derde, vierde en vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), kan worden afgeweken.
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
Bovendien geldt ingeval van een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) dat verzoeker zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels. Dit betekent dat een op artikel 10 RWN gebaseerd naturalisatieverzoek geen basis kan bieden voor de toepassing van andere (soepelere) dan de algemeen geldende regels voor het aantonen van identiteit en nationaliteit (zie de toelichting op artikel 7, [par. 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.5&z=2016-07-01&g=2016-07-01) en [3.5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.6&z=2016-07-01&g=2016-07-01)).
### paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
Aangezien [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) geen afwijking van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) toestaat, wordt nogmaals benadrukt dat in alle hierboven omschreven voorbeelden de persoon die een beroep doet op artikel 10 RWN bij het indienen van het verzoek in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht dat naar zijn aard niet-tijdelijk is (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN) en verklaard moet hebben bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [toelichting bij artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2016-07-01&g=2016-07-01) en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, RWN). Let goed op dat een verzoeker die een beroep doet op artikel 10 RWN altijd zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels (zie de [toelichting op artikel 7, paragraaf 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.5&z=2016-07-01&g=2016-07-01) en [3.5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.6&z=2016-07-01&g=2016-07-01)). Betreft het een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN die in het buitenland woont, dan geldt dat hij moet aantonen dat hij een dergelijk verblijfsrecht zou(den) verkrijgen, als daar om zou worden verzocht.
De verscheidenheid van de gevallen waarbij een beroep op toepassing van dit artikel wordt gedaan, is groot. Om die reden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Ieder verzoek wordt op de eigen merites bezien. Het moet evenwel altijd een bijzonder geval betreffen. Uit de jurisprudentie van (onder meer) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de adviezen van de Raad van State kan wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet dermate bijzonder zijn dat ze naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN rechtvaardigen. Niet bijzonder is bijvoorbeeld:
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
### paragraaf 3.5. Beslissing
In het geval dat het advies van de Staatssecretaris van VWS inzake de ontheffing van een voor de verzoeker geldende blokkeringstermijn geen stukken bevat, die leiden tot de conclusie dat de verzoeker op korte termijn als genaturaliseerde Nederlander voor Nederland zou kunnen uitkomen, dient het verzoek tot naturalisatie te worden afgewezen.
### Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
**Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt wordt ingewilligd indien het kind in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf en, sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft. Het Nederlanderschap wordt slechts verleend, indien het kind daarmee uitdrukkelijk instemt, hij bereid is bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en op hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.**
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -7760,7 +7760,7 @@
### paragraaf 3. Wettelijk vertegenwoordiger
### paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
### Paragraaf 2.3.1. Inleiding
### 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
@@ -7788,153 +7788,3105 @@
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### 9-alg. Toelichting algemeen
### 9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
### Artikel 13
### Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is
### Paragraaf 5.2. Transacties en strafbeschikkingen
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### Paragraaf 5.5. Taakstraffen
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
### Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
### Paragraaf 5.12. Gratie
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### 9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 7. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
Indien verzoeker, wegens het feit dat hij substantieel financieel nadeel lijdt omdat hij voor de afstand een hoog bedrag moet betalen, geen afstand wenst te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit en waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie.
### paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Indien een staat voor het doen van afstand van de nationaliteit slechts een kleine vergoeding vraagt, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het bedrag dat de staat hiervoor vraagt, zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### paragraaf 4. Bewijsstukken
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
### 10-alg. Toelichting algemeen
Indien een staat niet wordt erkend, wordt vanzelfsprekend ook de nationaliteit van deze staat niet erkend. In een dergelijk geval afstand eisen, betekent ook dat van een niet-erkende staat afkomstige bewijsstukken inzake het verlies van de nationaliteit door de Nederlandse autoriteiten in ontvangst en in behandeling worden genomen. Omdat dit niet strookt met het beginsel dat met een niet-erkende staat geen uitwisseling van officiële stukken plaatsvindt, wordt aan personen afkomstig uit staten die niet worden erkend door Nederland niet gevraagd afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Voorbeeld van een niet-erkende staat is Taiwan.
In de toelichting op bovenstaande uitzonderingscategorieën wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat er verklaringen en/of documenten dienen te worden overgelegd indien verzoeker meent onder één van de uitzonderingscategorieën te vallen. Alleen authentieke akten worden in dit verband geaccepteerd als bewijsstukken. Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Authentieke akten zijn tevens akten, waarvan het opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt (zie [artikel 183, tweede lid, WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=183)). Onderhandse akten worden niet geaccepteerd. Onderhandse akten zijn alle akten die niet authentieke akten zijn (zie [artikel 183, derde lid, WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=183)).
In de toelichting op bovenstaande uitzonderingscategorieën wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat er verklaringen en/of documenten dienen te worden overgelegd indien verzoeker meent onder één van de uitzonderingscategorieën te vallen. Alleen authentieke akten worden in dit verband geaccepteerd als bewijsstukken. Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Authentieke akten zijn tevens akten, waarvan het opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt (zie [artikel 183, tweede lid, WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=183)). Onderhandse akten worden niet geaccepteerd. Onderhandse akten zijn alle akten die niet authentieke akten zijn (zie [artikel 183, derde lid, WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=183)).
Indien een staat niet wordt erkend, wordt vanzelfsprekend ook de nationaliteit van deze staat niet erkend. In een dergelijk geval afstand eisen, betekent ook dat van een niet-erkende staat afkomstige bewijsstukken inzake het verlies van de nationaliteit door de Nederlandse autoriteiten in ontvangst en in behandeling worden genomen. Omdat dit niet strookt met het beginsel dat met een niet-erkende staat geen uitwisseling van officiële stukken plaatsvindt, wordt aan personen afkomstig uit staten die niet worden erkend door Nederland niet gevraagd afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Voorbeeld van een niet-erkende staat is Taiwan.
Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In deze gevallen heeft het immers geen zin om afstand te vragen. Met het oog op automatisch verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander of met het oog op eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan vooren- en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker reeds in de voorlichtingsfase door de burgemeester wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of het consulaat) of naar de voor hem geëigende organisaties voor minderheden voor het verkrijgen van informatie hieromtrent.
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de bestaande uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk en in een voorkomend geval aan de hand van berekeningen – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Hij wordt erop gewezen dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen indien een beroep op de uitzonderingscategorie niet wordt gehonoreerd en dat het bedrag aan betaalde leges in dat geval niet wordt teruggegeven.
De betrokkene die drie maanden na het versturen van het bericht niet heeft aangetoond dat hij actie heeft ondernomen om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, wordt door de IND schriftelijk verzocht om binnen een termijn van een maand stukken toe te zenden waaruit blijkt dat hij zijn oorspronkelijke nationaliteit heeft verloren door het doen van afstand, dan wel een verzoek om afstand heeft gedaan 50[109]
Als na verloop van tijd is gebleken dat de betrokkene al het mogelijke heeft gedaan dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen én is gebleken dat de autoriteiten van het land van de andere nationaliteit in het betreffende geval geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verzoek of de verklaring van afstand, dan kan Onze Minister besluiten hem te ontslaan van de verplichting om afstand te doen ([artikel 30b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30b), of [58, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=58)). Van geen of onvoldoende medewerking in deze zin kan worden gesproken als de autoriteit van het land van de andere nationaliteit na verloop van een aantal jaren nog steeds geen beslissing heeft genomen op de herhaalde verzoeken of verklaringen van de betrokkene om afstand van die nationaliteit te doen. Dit gaat uiteraard niet op als – eventueel na onderzoek – blijkt dat het gebrek aan medewerking van de autoriteit is te wijten aan betrokkene zelf. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan het niet betalen van leges of het niet aanleveren van stukken.
Wordt het bewijs dat de andere nationaliteit is verloren, overgelegd bij de IND, dan zal een gewaarmerkt afschrift daarvan worden gezonden aan de gemeente waar de optieverklaring is afgelegd of het verzoek om naturalisatie is ingediend en tevens – in het geval de betrokkene is verhuisd naar een andere gemeente – naar de gemeente waar als ingezetene is ingeschreven in de BRP, met het verzoek de BRP aan dit gegeven aan te passen ([artikel 30c, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30c), of [59, eerste en derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=59)).
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
### 9-3-c. Toelichting ad [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### Paragraaf 1. Algemeen
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
### 9-3-c. Toelichting ad [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
**Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba is erkend als vluchteling.**
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
Ingevolge onderdeel c van dit artikellid geldt de afstandsverplichting niet voor een verzoeker die is gehuwd met een Nederlander. Ook de verzoeker die in Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander is aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap is aangegaan als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), kan een beroep doen op deze uitzondering. Indien twee met elkaar gehuwde personen of twee geregistreerde partners beiden een verzoek om naturalisatie hebben ingediend, dient zoveel mogelijk tegelijkertijd op de verzoeken te worden beslist. Het is niet de bedoeling dat een van de (huwelijks)partners eerder wordt genaturaliseerd, waarna de ander geen afstand meer behoeft te doen op grond van het feit dat hij of zij de (huwelijks)partner is van een Nederlander.
### 10-alg. Toelichting algemeen
Op 1 april 2003 is aan [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) toegevoegd dat ook van de in [artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), genoemde termijn kan worden afgeweken.
Verder kan evenmin – als het gaat om een kind dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt of dat tijdens de behandeling meerderjarig is geworden – worden afgeweken van het vereiste dat er geen ernstige vermoedens bestaan dat die persoon een gevaar oplevert voor de openbare orde als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en artikel 9, tweede lid, RWN. Gelet op het feit dat op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) kan worden afgeweken van de reguliere termijn van vijf jaar toelating en hoofdverblijf, zoals vermeld in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), is geredeneerd dat ook van de kortere termijn van drie jaar, zoals genoemd in [artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), kan worden afgeweken en is ook voor de volledigheid een verwijzing naar die termijn opgenomen.
### paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
### Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen
### Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:233](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233) en [1:253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha)
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:233](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233) en [1:253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha)
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
### 11-3. Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### 11-3. Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
Deze verplichting geldt voor alle verzoeken die op of na 1 oktober 2010 worden ingediend.
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
### Artikel 12
### Artikel 12
### 11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
### Paragraaf 1. Algemeen
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
### Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
### Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### 3. Onderteken dit formulier
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 4. Opsturen
### 3. Onderteken dit formulier
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 4. Opsturen
### 3. Onderteken dit formulier
### 4. Opsturen
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Paragraaf 3.6. Molukkers
### 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### 9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid
### 8-3. Toelichting ad [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### 8-3. Toelichting ad [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 3. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken
### Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is
### 8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
### Artikel 9
### Artikel 9
### Paragraaf 5.8. Vierjaartermijn
### Paragraaf 5.5. Taakstraffen
### Paragraaf 5.1. Misdrijven
### Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten
### Paragraaf 5.8. Vierjaartermijn
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
### Paragraaf 5.12. Gratie
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
### paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In deze gevallen heeft het immers geen zin om afstand te vragen. Met het oog op automatisch verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander of met het oog op eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan vooren- en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker reeds in de voorlichtingsfase door de burgemeester wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of het consulaat) of naar de voor hem geëigende organisaties voor minderheden voor het verkrijgen van informatie hieromtrent.
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
Als volgens de vreemde nationaliteitswetgeving het doen van afstand mogelijk is, betekent dit niet dat dit altijd daadwerkelijk door de Nederlandse autoriteiten wordt verlangd. Van de verplichting om de oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, bestaan vrijstellingen. Zie daarvoor [artikel 9 lid 3 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [artikel 6 Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=6) (Stcrt. 2003, 54).
voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten: de PIVA;
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
### Paragraaf 1. Algemeen
Ingevolge onderdeel c van dit artikellid geldt de afstandsverplichting niet voor een verzoeker die is gehuwd met een Nederlander. Ook de verzoeker die in Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander is aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap is aangegaan als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), kan een beroep doen op deze uitzondering. Indien twee met elkaar gehuwde personen of twee geregistreerde partners beiden een verzoek om naturalisatie hebben ingediend, dient zoveel mogelijk tegelijkertijd op de verzoeken te worden beslist. Het is niet de bedoeling dat een van de (huwelijks)partners eerder wordt genaturaliseerd, waarna de ander geen afstand meer behoeft te doen op grond van het feit dat hij of zij de (huwelijks)partner is van een Nederlander.
### 10-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 3.4. Advies VWS
### Paragraaf 2. Naamswijziging
[10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6); [31.1 t/m 31.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31); [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32) en [51 t/m 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56)
### Artikel 12
### 11-alg. Toelichting algemeen
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
### Artikel 12
### 12-alg. Toelichting algemeen
### 12-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
### 3. Onderteken dit formulier
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.3.3. Beroep ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
### Bijlage 8
### paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
### Paragraaf 4. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### Paragraaf 5.5. Taakstraffen
### Paragraaf 8.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
### paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
**Let op!** Deze lijst geldt zowel bij optie als naturalisatie. De afstandsverplichting bij optie op grond van [artikel 6, eerste lid en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) is op 1 oktober 2010 ingevoerd. De afstandsverplichting geldt niet voor de overige optiecategorieën. Voor 1 oktober 2010 gold dus bij optie niet de verplichting een bereidheidsverklaring te ondertekenen.
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
### 10-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
### Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
Vóór 1 april 2003 konden minderjarigen, die niet hadden gedeeld in de verlening van het Nederlanderschap aan de ouder(s), onder voorwaarden op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden voorgedragen voor naturalisatie. Voor deze minderjarigen is thans een bijzondere naturalisatieprocedure opgenomen in [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11).
De periode dat het afhankelijk gezinslid op basis van een geprivilegieerde status bij de hoofdpersoon in Nederland heeft verbleven, en daardoor ingeschreven heeft gestaan in het daarvoor bestemde register bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, geldt in het kader van een verzoek om medeverlening als toelating in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738), mits deze periode onmiddellijk voorafging aan de toelating in het kader van de Vreemdelingenwet. Deze (onafgebroken) periode mag daarom worden meegeteld voor de vereiste termijn van drie jaren toelating in het kader van een verzoek om medeverlening.
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
### 11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid
### 11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid
### Paragraaf 1. Algemeen
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
### paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit
### paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen
### paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### Paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
### paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
### 12-2. Toelichting ad [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens
### Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens
### Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
### paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
### Artikel 13
### paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
### paragraaf 2. Naturalisatiegelden
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
Optanten die op grond van de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) als Nederlander worden behandeld zijn op grond van [artikel 4, eerste lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4) vrijgesteld van leges.
De regeling voor de optiegelden bevat, anders dan bij de naturalisatiegelden het geval is, geen verlaagd tarief voor een houder van een asielvergunning dan wel een staatloze.
### 3. Onderteken dit formulier
Om in aanmerking te komen voor ontheffing moet gelijktijdig met de indiening van de optieverklaring een gemotiveerd ontheffingsverzoek worden ingediend. In Nederland is de burgemeester gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van de optiegelden (zie [artikel 4, vijfde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)). In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.27 en 1.27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.28 en 1.28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) beschikbaar.
[Artikel 7, tweede lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=7) voorziet in de mogelijkheid dat de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post aan de rijksoverheid vergoeding verzoekt wegens, door ontheffing, niet-ontvangen optiegelden. Het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post moet een verzoek om vergoeding indienen door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken.
Om in aanmerking te komen voor ontheffing moet gelijktijdig met de indiening van de optieverklaring een gemotiveerd ontheffingsverzoek worden ingediend. In Nederland is de burgemeester gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van de optiegelden (zie [artikel 4, vijfde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)). In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.27 en 1.27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.28 en 1.28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) beschikbaar.
### 4. Opsturen
Op grond van [artikel 4, derde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4) bestaat de mogelijkheid in twee situaties ontheffing van de leges te verlenen. Hierbij moet het gaan om optieverklaringen van:
Niet vaak zal (nog) voorkomen dat een optierecht op het Nederlanderschap bestaat op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Indonesië (TOI, Stb. 1949, J 570) of de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS, Stb. 1975, 132). Voor deze opties (artikel 10 TOI en artikel 7, tweede lid, TOS) geldt, dat voor de verkrijging van het Nederlanderschap niet een bevestiging nodig is, noch dat leges moeten worden betaald. De optant verkrijgt het Nederlanderschap op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Op deze opties zijn het [BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782) en het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) niet van toepassing.
Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval moet worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:
Zie voor gevallen van categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden [paragraaf 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=2¶graaf=2.5&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en voor de mogelijkheid een ontheffingsverzoek van de betalingsverplichting in te dienen [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval moet worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:
Komen verzoekers niet in aanmerking voor het verlaagd tarief F of G (zie [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=2¶graaf=2.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01)), dan zijn de tarieven D en E verschuldigd voor de behandeling van een enkelvoudig dan wel een gemeenschappelijk verzoek om naturalisatie.
Een gemeenschappelijk verzoek wil zeggen dat een verzoek om naturalisatie gelijktijdig is ingediend door twee personen die met elkaar getrouwd zijn, een geregistreerd partnerschap met elkaar zijn aangegaan of ongehuwd samenleven in een duurzame relatie.
Komen verzoekers niet in aanmerking voor het verlaagd tarief F of G (zie [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=2¶graaf=2.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01)), dan zijn de tarieven D en E verschuldigd voor de behandeling van een enkelvoudig dan wel een gemeenschappelijk verzoek om naturalisatie.
Het verlaagd tarief voor een verzoek om naturalisatie geldt in de volgende gevallen:
Om in aanmerking te komen voor het verlaagd tarief moet de verzoeker in de BRP staan ingeschreven met de nationaliteitscode voor ‘staatloos’ (code 499). Is de verzoeker in de BRP geregistreerd met ‘onbekende nationaliteit’, dan geldt dat het normale tarief van toepassing is, tenzij hij houder is van een verblijfsvergunning asiel.
Het verlaagd tarief voor een verzoek om naturalisatie geldt in de volgende gevallen:
Voor de behandeling van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), is het tarief onder H verschuldigd. Dit betekent dat voor de behandeling van een verzoek voor een minderjarige om met zijn ouder(s) mee te naturaliseren, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen voor hun naturalisatie (tarief D, E, F of G ), het tarief H moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een verzoek tot medeverlening wordt ingediend.
De in het kader van het afleggen van een optieverklaring ontvangen gelden, behoeven niet te worden afgedragen. De behandeling van en de beslissing op de optieverklaring liggen immers geheel in handen van de ontvangende instantie.
Personen die op grond van de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) als Nederlander worden behandeld, zijn vrijgesteld van naturalisatieleges.
Het uitgangspunt van de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) van 9 september 1976 (Stb. 468) brengt mee dat Molukkers, die op grond van genoemde wet als Nederlander worden behandeld, zijn vrijgesteld van het betalen van naturalisatiegelden. Op het adviesblad moet worden aangeven dat het gaat om een verzoek van een Molukker die op grond van genoemde wet wordt behandeld als Nederlander.
Personen die op grond van de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) als Nederlander worden behandeld, zijn vrijgesteld van naturalisatieleges.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
Hieronder wordt toegelicht onder welke omstandigheden aan bovengenoemde categorieën van personen ontheffing wordt verleend.
**Voorbeeld**
### 3. Onderteken dit formulier
**Voorbeeld**
De optie- en naturalisatiegelden zijn verschuldigd voordat een verklaring van optie of verzoek tot verlening van het Nederlanderschap in behandeling wordt genomen. De betaling wordt in Nederland voldaan bij de autoriteit die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, namelijk de burgemeester. In het buitenland is dat de Minister van Buitenlandse Zaken.
Eerst na ontvangst van de betaling dan wel na de beslissing op een ontheffingsverzoek wordt het ingediende verzoek om naturalisatie dan wel de afgelegde optieverklaring in behandeling genomen. Ongeacht het verdere verloop van de naturalisatieprocedure – toewijzing, afwijzing of intrekking van het verzoek nadat de behandeling is begonnen – zijn de rechten verschuldigd betaald (vergelijk [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=2) en [3 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=3)).
### 4. Opsturen
Modellen van een schriftelijke bevestiging door betrokkene dat hij is geïnformeerd over de hoogte en de termijn van de te betalen optie- en naturalisatiegelden en dat hij instemt met de betaling van de opgelegde optie- en naturalisatiegelden dan wel is vrijgesteld van de betaling dan wel een verzoek om ontheffing heeft ingediend, zijn opgenomen als [model 1.25 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01), model 1.25a HRWN, [model 2.8 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en model 2.8a HRWN. De vaststelling van de hoogte van de te betalen naturalisatiegelden is een voorbereidingshandeling zoals bedoeld in [artikel 6:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:3) en is niet afzonderlijk vatbaar voor bezwaar of beroep.
Uitgangspunt is dat de leges worden betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie. Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan, betaling in termijnen is niet mogelijk. Wordt niet betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt betrokkene op dat moment op grond van [artikel 4:5, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken te betalen. Hiervoor zijn [model 1.25 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01), model 1.25a HRWN, [model 2.8 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en model 2.8a HRWN beschikbaar. De termijn van zes weken vloeit voort uit [artikel 6 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=6). Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen deze zes weken, dan wordt de optieverklaring of het naturalisatieverzoek buiten behandeling gesteld (artikel 6 BON). Een besluit tot buitenbehandelingstelling wegens niet- of niet tijdige betaling wordt schriftelijk meegedeeld aan betrokkene ([artikel 4, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=4)). Daarvoor zijn beschikbaar de modellen 1.26 HRWN, 1.26a HRWN, 2.23 HRWN en 2.23a HRWN.
Is verzocht om ontheffing van optie- of naturalisatiegelden, dan wordt de termijn van zes weken opgeschort tot de dag waarop op het ontheffingsverzoek (negatief) is beslist. Tegen de beslissing tot buitenbehandelingstelling van een optieverklaring of een verzoek om naturalisatie kan op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) binnen zes weken bezwaar worden aangetekend.
Als het gaat om een optie/naturalisatie dat is afgelegd/ingediend bij de gemeente, dan moet het bezwaarschrift worden toegestuurd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Klantdirectie Naturalisatie, Postbus 280, 7600 AG te Almelo.
Als het gaat om een optie/naturalisatie dat is afgelegd/ingediend bij de Minister van Buitenlandse Zaken, dan moet het bezwaarschrift worden toegestuurd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Klantdirectie Naturalisatie, Unit Nationaliteit en Naturalisatie, Postbus 285, 7600 AG te Almelo.
Stelt de burgemeester/de Minister van Buitenlandse Zaken een verzoek om naturalisatie buiten behandeling, dan brengt hij geen advies uit aan Onze Minister. Zowel als de verzoeker bezwaar aantekent tegen de buitenbehandelingstelling, als wanneer de verzoeker dat niet doet, stuurt de burgemeester/de Minister van Buitenlandse Zaken altijd het naturalisatiedossier aan de IND.
Als het gaat om een optie/naturalisatie dat is afgelegd/ingediend bij de Minister van Buitenlandse Zaken, dan moet het bezwaarschrift worden toegestuurd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Klantdirectie Naturalisatie, Unit Nationaliteit en Naturalisatie, Postbus 285, 7600 AG te Almelo.
De in het kader van het afleggen van een optieverklaring ontvangen gelden, behoeven niet te worden afgedragen. De behandeling van en de beslissing op de optieverklaring liggen immers geheel in handen van de ontvangende instantie.
[Artikel 8 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8) bepaalt dat een gedeelte van de ontvangen naturalisatiegelden moet worden afgedragen aan de rijksoverheid. Gemeenten in Europees Nederland dragen rechtstreeks af aan Onze Minister.
Tevens regelt [artikel 8 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8) de hoogte van het bedrag dat de gemeente behoudt en op welke wijze de afdracht aan de IND geschiedt. Bij de afdracht stuurt de gemeente aan de IND tevens een lijst met de namen van personen die een verzoek om naturalisatie hebben ingediend. Over de wijze van afdracht van de ontvangen naturalisatiegelden door de gemeente aan de IND, worden gemeenten nader geïnformeerd met een brief van de Directie Middelen en Control van de IND.
De afdracht van naturalisatiegelden alsmede het indienen van verzoeken tot vergoeding van leges waarvoor ontheffing is verleend door het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post in het buitenland geschiedt via de Minister van Buitenlandse Zaken aan Onze Minister.
De gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post behoudt per enkelvoudig verzoek om naturalisatie € 182, ongeacht of betrokkene het standaard of het verlaagde tarief betaalt. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen, wordt afgedragen aan Onze Minister (€ 673 bij standaard tarief en € 454 bij verlaagd tarief).
Bij een gemeenschappelijk verzoek of een gelijktijdig verzoek om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin behoudt de gemeente € 310 eveneens ongeacht of het standaard of het verlaagde tarief is betaald. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen wordt afgedragen aan Onze Minister (€ 781 bij het standaard tarief en € 563 bij het verlaagd tarief). In het geval van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post € 21 per kind. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen (€ 105) wordt afgedragen aan Onze Minister. Als de verzoeker tijdens de naturalisatieprocedure verhuist, behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post die de leges geïnd heeft het gemeentelijk/consulair deel van de leges en draagt zorg voor de afdracht van het resterende bedrag.
Vanaf 1 januari 2017 gelden de volgende afdrachtcodes:
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
In de BRP zijn op de persoonslijst van een vreemdeling de historische en actuele gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling opgenomen. De burgemeester onderzoekt aan de hand van het verblijfsdocument in samenhang met de gegevens in de BRP de verblijfsrechtelijke status van een vreemdeling en van de personen voor wie medeverkrijging/medeverlening is verzocht ([artikel 10, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10) en [artikel 36, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal de burgemeester in veel gevallen kunnen afleiden uit het verblijfsdocument en de gegevens in de BRP. In andere gevallen zal de duur van de onafgebroken toelating alleen kunnen worden beoordeeld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de hand van gegevens in de vreemdelingenadministratie (zo nodig in combinatie met het verblijfsdocument). In die situatie zal de burgemeester de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeken ([model 2.17 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) om aan hem een bericht omtrent toelating af te geven. Het is overigens de bedoeling dat een bericht omtrent toelating alleen wordt gevraagd als de burgemeester niet of in onvoldoende mate beschikt over voldoende gegevens. Ook in gevallen waarbij de gegevens in de BRP en het overgelegde verblijfsdocument elkaar tegenspreken of er anderszins omstandigheden zijn waardoor gerede twijfel bestaat over de juiste verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling, moet een bericht omtrent toelating worden gevraagd.
### 2-1. Toelichting ad artikel 2, eerste lid
### 3-2. Toelichting ad artikel 3, tweede lid
### 2-4. Toelichting ad artikel 2, vierde lid
### Paragraaf 5.5. Taakstraffen
### Artikel 9
### Paragraaf 7. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
### paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### Paragraaf 1. Algemeen
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
### 10-alg. Toelichting algemeen
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
### paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
### 16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
### Paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
### paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
### paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
### Paragraaf 2. Naamswijziging
### Paragraaf 2. Naamswijziging
### paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
### Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
### Paragraaf 1.1. Tarieven
Tarief C is verschuldigd voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging als bedoeld in [artikel 6, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Dit betekent dat voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging voor een minderjarige, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen bij het afleggen van hun optieverklaring (tarief A of B), het tarief C moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een optieverklaring tot medeverkrijging wordt afgelegd.
Op grond van [artikel 4, derde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4) bestaat de mogelijkheid in twee situaties ontheffing van de leges te verlenen. Hierbij moet het gaan om optieverklaringen van:
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
### paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
### paragraaf 2. Naturalisatiegelden
### Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
### Paragraaf 2.4. Tarief H
### paragraaf 1.1. Overgangsrecht
### Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
Onze Minister kan aan de volgende personen ontheffing verlenen van betaling van de naturalisatiegelden:
### Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
### 14-3. Toelichting ad [artikel 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is in Nederland gemandateerd aan de burgemeester. In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 2.24 en 2.24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 2.25 en 2.25a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) beschikbaar.
### Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
### Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
De hoogte van het verschuldigde bedrag voor het afleggen van de optieverklaring of voor het verzoek om naturalisatie wordt in beginsel vastgesteld op het moment dat de verklaring of het verzoek door de burgemeester/ de Minister van Buitenlandse Zaken in ontvangst wordt genomen. Zie de in de [paragrafen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=1¶graaf=1.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01), [1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=1¶graaf=1.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01), [2.2 tot en met 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=2¶graaf=2.2&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2017-04-01&g=2017-04-01) opgenomen richtlijnen.
### paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid
### Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
In geval van ontheffing van betaling van de naturalisatiegelden kan de gemeente verzoeken om een vergoeding ([artikel 8, tweede lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8)). Een dergelijk schriftelijk verzoek moet worden gericht aan het Team Financiële Administratie van de Directie Bedrijfsvoering, afdeling Financiën en Business Informatie van de IND, Postbus 1821, 2280 DV te Rijswijk. Als het verzoek van de gemeente door de IND wordt gehonoreerd, ontvangt de gemeente een bedrag van € 182 voor een enkelvoudig verzoek en € 310 voor een gemeenschappelijk verzoek. Het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post moet een verzoek om vergoeding indienen door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken.
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
### Artikel 14
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
[Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448): [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=1)
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:202.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=202) en [3:44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=44)
[WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580): [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=1) en [4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=4)
### Artikel 14
Zie voor het overgangsrecht toelichting bij artikel 14, zesde lid, RWN, paragraaf 2 en de toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN paragraaf 1.1.
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): [artikel 83 (Eerste Boek)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=83), [titels I tot en met IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=II), [artikel 205](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205) en [titel XII (Tweede Boek)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XII), [artikel 134a (Tweede Boek)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
A heeft in 1997 ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) geopteerd voor het Nederlanderschap. Eerst in 2004 komt aan het licht dat bij de optie niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat A bij het afleggen van de optieverklaring heeft gefraudeerd. Zou dat destijds bekend zijn geweest, dan zou de administratie aan de optieverklaring geen rechtsgevolg hebben toegekend. In het hier geschetste geval is geen sprake van intrekking van verkregen Nederlanderschap. De optieverklaring is afgelegd vóór 1 april 2003 en toentertijd werd het Nederlanderschap niet verkregen door een schriftelijke bevestiging van de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst nam, maar door slechts het simpele afleggen van de optieverklaring, mits daarbij was voldaan aan alle optievoorwaarden. Welnu, aangezien in het onderhavige geval is geconstateerd dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, zal achteraf bezien moeten worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden. A moet dan ook geacht worden niet het Nederlanderschap door de optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is hier niet aan de orde.
Vóór de herziening van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) was het niet mogelijk om in geval van fraude over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Echter, sinds de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vanaf 1 april 2003, kan de Minister van Justitie in geval van fraude, óók indien gepleegd vóór 1 april 2003, alsnog overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Betrokkene wordt dan geacht dat hij onder de oude RWN wél in het bezit was van het Nederlanderschap maar onder de herziene RWN niet. Intrekking van het Nederlanderschap is echter niet meer mogelijk indien betrokkene sinds de verlening van het Nederlanderschap meer dan twaalf jaar in het bezit is geweest van het Nederlanderschap.
De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optieof naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden “valse verklaring of bedrog” aansluiting gezocht bij [titel XII WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIII) (valsheid in geschriften) en bij [artikel 3:44 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=44) (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.
Ingevolge overgangsbepaling [artikel III RRWN 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van bedoeld tweede lid. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, vierde lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) opgenomen. Echter, als gevolg van het bepaalde bij overgangsbepaling artikel III RRWN moet, wat betreft de toepassing van onderhavig artikellid ervan worden uitgegaan dat bedoelde uitzonderingen reeds gelden vanaf 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend (ingevolge bijvoorbeeld artikel 3, eerste lid, RWN), zulks ondanks bijvoorbeeld dat de minderjarige het Nederlanderschap tevens ontleende aan artikel 3, derde lid, RWN, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
Het bedrog, de valse verklaring of het verzwijgen van voor de naturalisatie of optie relevante feiten, kan betrekking hebben gehad op de personalia (identiteit/persoonsgegevens) van de naturalisandus. Wanneer met gebruikmaking van valse of (gedeeltelijk) fictieve personalia (die bestaan uit de voornaam, geslachtsnaam, geboortedatum en geboorteplaats) een verzoek om naturalisatie is ingediend, waardoor in het Koninklijk Besluit tot verlening van het Nederlanderschap valse personalia werden opgenomen, is dit een vorm van frauduleus handelen.
A heeft in 1997 ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) geopteerd voor het Nederlanderschap. Eerst in 2004 komt aan het licht dat bij de optie niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat A bij het afleggen van de optieverklaring heeft gefraudeerd. Zou dat destijds bekend zijn geweest, dan zou de administratie aan de optieverklaring geen rechtsgevolg hebben toegekend. In het hier geschetste geval is geen sprake van intrekking van verkregen Nederlanderschap. De optieverklaring is afgelegd vóór 1 april 2003 en toentertijd werd het Nederlanderschap niet verkregen door een schriftelijke bevestiging van de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst nam, maar door slechts het simpele afleggen van de optieverklaring, mits daarbij was voldaan aan alle optievoorwaarden. Welnu, aangezien in het onderhavige geval is geconstateerd dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, zal achteraf bezien moeten worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden. A moet dan ook geacht worden niet het Nederlanderschap door de optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is hier niet aan de orde.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 11 november 2005 ten aanzien van het vorenstaande nog opgemerkt dat sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene toch identificeert en daarom rechtsgevolg heeft. Daarop aansluitend heeft de Hoge Raad in de beschikking van 30 juni 2006, onder verwijzing naar zijn beschikking van 11 november 2005, gesteld dat bijzondere omstandigheden inhouden dat **‘de betrokkene desondanks wel voldoende geïdentificeerd was en de aanvrager door het tot stand gekomen naturalisatiebesluit wel het Nederlanderschap heeft verworven’.**Hiervan is sprake wanneer **‘ondanks de onjuistheid van de verschafte persoonsgegevens, omtrent de ware identiteit van de aanvrager bij de instanties die het verzoek moesten onderzoeken en beoordelen, een zodanige duidelijkheid heeft bestaan, dat niet gezegd kan worden dat de onjuistheid van de persoonsgegevens hun onderzoek en beoordeling belemmerd heeft’**.
Het bedrog, de valse verklaring of het verzwijgen van voor de naturalisatie of optie relevante feiten, kan betrekking hebben gehad op de personalia (identiteit/persoonsgegevens) van de naturalisandus. Wanneer met gebruikmaking van valse of (gedeeltelijk) fictieve personalia (die bestaan uit de voornaam, geslachtsnaam, geboortedatum en geboorteplaats) een verzoek om naturalisatie is ingediend, waardoor in het Koninklijk Besluit tot verlening van het Nederlanderschap valse personalia werden opgenomen, is dit een vorm van frauduleus handelen.
### 3. Onderteken dit formulier
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 juni 2006 aangegeven dat bij naturalisatiebesluiten die zijn genomen vóór 1 april 2003 in geval van bedrog omtrent de identiteit wordt aangenomen dat het Nederlanderschap niet is verkregen omdat het naturalisatiebesluit geen rechtsgevolg heeft gehad voor de betrokkene. Immers, door het opgeven van onjuiste personalia (valse identiteit) zijn niet de (juiste) personalia van betrokkene vermeld op het Koninklijk Besluit tot naturalisatie. Aan betrokkene is dan ook niet het Nederlanderschap verleend. Voor de optieverklaring geldt mutatis mutandis hetzelfde.
Ten aanzien van naturalisatiebesluiten die zijn genomen op of ná 1 april 2003 heeft de Hoge Raad bij beschikking van 30 juni 2006 overwogen dat “**In het licht van dit alles moet worden aangenomen dat de regeling van artikel 14 lid 1 (RWN) mede betrekking heeft op gevallen als het onderhavige, waarin de aanvrager zijn personalia niet juist heeft opgegeven en het naturalisatiebesluit hem derhalve niet met de juiste personalia aanduidt, doch wel duidelijk is op welke fysieke persoon het besluit betrekking heeft. Uit het systeem en de strekking van de wet volgt derhalve dat ook in dat geval een naturalisatiebesluit, verleend onder de werking van de RWN zoals deze sinds 1 april 2003 luidt, rechtsgevolg heeft, zolang het niet met toepassing van artikel 14 lid 1 RWN is ingetrokken**.” In het geval het Koninklijk Besluit dateert van op of ná 1 april 2003 geldt voor het opgeven van een valse identiteit derhalve dat rechtsgevolg is verbonden aan het Koninklijk Besluit en betrokkene Nederlander is geworden. Het Nederlanderschap kan wel conform [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) worden ingetrokken.
In de afweging om tot intrekking over te gaan, zal worden meegewogen:
### 4. Opsturen
Voor de belangenafweging geldt dat A is genaturaliseerd, terwijl, naar later blijkt, sprake is van ernstige vermoedens dat A gevaar oplevert voor de openbare orde, hetgeen een grond tot weigering voor naturalisatie is. A heeft bij zijn naturalisatie verzwegen dat hij op dat moment strafrechtelijk werd vervolgd en heeft de zogenaamde waarheidsverklaring niet juist ingevuld (de aard van de verzwijging). A heeft een voor naturalisatie relevant feit verzwegen, dat zou hebben geleid tot weigering van zijn verzoek om naturalisatie (de ernst van de verzwijging). Een eventuele intrekking is dan niet, ten opzichte van de aard en de ernst van de verzwijging, disproportioneel.
Het feit dat A staatloos zou worden, is toegestaan als het gaat om een intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en moet worden geacht te komen voor het risico van A. Gezien de aard en de ernst van de verzwijging moet het belang van de staat om in te trekken groter worden geacht dan het belang van A om niet staatloos te worden.
Verder geldt dat de voornemenprocedure is gestart op een moment dat A nog maar kort in het bezit van de Nederlandse nationaliteit is. Bij een relatief korte periode na de verkrijging van het Nederlanderschap bestaat minder reden om af te zien van intrekking dan bij een langere periode.
Bij de overig te wegen relevante factoren geldt dat voor de intrekking niet hoeft te worden gewacht tot er een onherroepelijk strafvonnis is, omdat reeds een openstaande strafzaak voldoende grond is om een verzoek tot naturalisatie af te wijzen. In de belangenafweging moet nog worden gekeken naar het eventueel niet-opportuun zijn van de intrekking (dit betreft de vraag binnen welke termijn A, na intrekking, weer Nederlander zou kunnen worden).
Verder geldt dat de voornemenprocedure is gestart op een moment dat A nog maar kort in het bezit van de Nederlandse nationaliteit is. Bij een relatief korte periode na de verkrijging van het Nederlanderschap bestaat minder reden om af te zien van intrekking dan bij een langere periode.
Bij de overig te wegen relevante factoren geldt dat voor de intrekking niet hoeft te worden gewacht tot er een onherroepelijk strafvonnis is, omdat reeds een openstaande strafzaak voldoende grond is om een verzoek tot naturalisatie af te wijzen. In de belangenafweging moet nog worden gekeken naar het eventueel niet-opportuun zijn van de intrekking (dit betreft de vraag binnen welke termijn A, na intrekking, weer Nederlander zou kunnen worden).
[Artikel 65 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=65) bepaalt dat de autoriteiten en ambtenaren die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en verzoek om naturalisatie en die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat heeft geleid tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan Onze Minister, zo nodig onder medezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. De ambtenaar die op de hoogte is van frauduleuze handelingen in de hiervoor bedoelde zin, wordt verzocht contact op te nemen met de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (zie hoofdstuk Voorlichting). In onderling overleg kan dan een standpunt worden bepaald over de te nemen stappen, zoals wijziging van de nationaliteit van de betrokken persoon in de BRP en/of intrekking van het verstrekte Nederlandse reisdocument. Voorts zorgt deze afdeling voor het plaatsen van een aantekening in het nationaliteitenregister bij het Koninklijk Besluit of bij de bevestiging van de optieverklaring.
Verder geldt dat de voornemenprocedure is gestart op een moment dat A nog maar kort in het bezit van de Nederlandse nationaliteit is. Bij een relatief korte periode na de verkrijging van het Nederlanderschap bestaat minder reden om af te zien van intrekking dan bij een langere periode.
[Artikel 65 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=65) bepaalt dat de autoriteiten en ambtenaren die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en verzoek om naturalisatie en die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat heeft geleid tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan Onze Minister, zo nodig onder medezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. De ambtenaar die op de hoogte is van frauduleuze handelingen in de hiervoor bedoelde zin, wordt verzocht contact op te nemen met de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (zie hoofdstuk Voorlichting). In onderling overleg kan dan een standpunt worden bepaald over de te nemen stappen, zoals wijziging van de nationaliteit van de betrokken persoon in de BRP en/of intrekking van het verstrekte Nederlandse reisdocument. Voorts zorgt deze afdeling voor het plaatsen van een aantekening in het nationaliteitenregister bij het Koninklijk Besluit of bij de bevestiging van de optieverklaring.
Gezien het belang van het bezit van het Nederlanderschap, in het bijzonder als het verlies daarvan zou leiden tot staatloosheid, is de procedure tot intrekking wegens fraude omgeven met bijzondere waarborgen. De procedure is beschreven in de [artikelen 66 tot en met 69 van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66). De procedure biedt de rechtstreeks betrokken personen en autoriteiten de mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen, waardoor de Minister van Justitie zoveel mogelijk argumenten pro en contra de intrekking van het Nederlanderschap tegen elkaar kan afwegen.
[De rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831) (Stb. 2010, 242) vult regels aan met betrekking tot verlies van het Nederlanderschap. In [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is een lid ingevoegd dat beoogt een bijdrage te leveren in de strijd tegen het internationaal terrorisme. Het betreft een nieuw tweede lid dat intrekking mogelijk maakt van het Nederlanderschap indien sprake is van een veroordeling wegens misdrijven die zich richten tegen de essentiële belangen van het Koninkrijk. Deze wijziging in artikel 14 RWN treedt per 1 oktober 2010 in werking.
Volgens [artikel 69 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=69) dient de Minister van Justitie een besluit tot intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) uiterlijk te nemen binnen zestien weken nadat hij mededeling van zijn voornemen tot intrekking heeft gedaan. In [artikel 68, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) is geregeld dat bij het besluit tot intrekking onder meer rekening moet worden gehouden met de aard en ernst van de fraude, de mogelijke staatloosheid van betrokkene na de intrekking, de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen en de overige relevante factoren. Geen intrekking zal plaatsvinden indien die beslissing, afgewogen tegen de mate van bedrog of verzwijging, disproportioneel moet worden geacht. Aan iedere intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN dient een belangenafweging vooraf te gaan. Weegt het belang van betrokkene om niet in te trekken uiteindelijk zwaarder dan het belang van de overheid om wel in te trekken, dan dient niet te worden ingetrokken (zie de toelichting op het BVVN, **Stb.** 2002, 231).
[Artikel 68, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) bepaalt dat het besluit tot intrekking de personen vermeldt van wie het Nederlanderschap is ingetrokken. Aldus kan geen misverstand bestaan over de reikwijdte van de intrekking van het Nederlanderschap.
Volgens [artikel 69 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=69) dient de Minister van Justitie een besluit tot intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) uiterlijk te nemen binnen zestien weken nadat hij mededeling van zijn voornemen tot intrekking heeft gedaan. In [artikel 68, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) is geregeld dat bij het besluit tot intrekking onder meer rekening moet worden gehouden met de aard en ernst van de fraude, de mogelijke staatloosheid van betrokkene na de intrekking, de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen en de overige relevante factoren. Geen intrekking zal plaatsvinden indien die beslissing, afgewogen tegen de mate van bedrog of verzwijging, disproportioneel moet worden geacht. Aan iedere intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN dient een belangenafweging vooraf te gaan. Weegt het belang van betrokkene om niet in te trekken uiteindelijk zwaarder dan het belang van de overheid om wel in te trekken, dan dient niet te worden ingetrokken (zie de toelichting op het BVVN, **Stb.** 2002, 231).
[Artikel 68, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) bepaalt dat het besluit tot intrekking de personen vermeldt van wie het Nederlanderschap is ingetrokken. Aldus kan geen misverstand bestaan over de reikwijdte van de intrekking van het Nederlanderschap.
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van een besluit tot intrekking bedoeld in [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) of in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de betreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties. [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent dat:
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
Wordt de burgemeester door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:
Mocht na ingesteld bezwaar of beroep betrokkene alsnog moeten worden aangemerkt als Nederlander, dan wordt de burgemeester wederom door de Immigratie -en Naturalisatiedienst (IND) hiervan in kennis gesteld.
### 3. Onderteken dit formulier
Zijn de namen van betrokkene bij de naturalisatie c.q. optie gewijzigd of vastgesteld, dan doet zich na intrekking van het Nederlanderschap één van de volgende drie situaties voor:
De terugwerkende kracht van een intrekkingsbesluit op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) ziet uitsluitend op het Nederlanderschap. Dit betekent dat indien betrokkene, die na deze intrekking niet staatloos is geworden en die op grond van het recht van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, terugkeert naar zijn ‘oude’ namen, in ieder geval (ook na de intrekking bezien) vanaf de verlening c.q. verkrijging van het Nederlanderschap tot de intrekking daarvan rechtens de namen heeft gedragen zoals die voor hem bij de naturalisatie c.q. optie zijn gewijzigd of vastgesteld.
Wordt het intrekkingsbesluit in gevallen als hier bedoeld herroepen of vernietigd, dan herleeft de situatie van vóór de intrekking. Wat betreft de namen betekent dat, dat betrokkene alsdan geacht moet worden sedert de verlening c.q. verkrijging van het Nederlanderschap rechtens de namen te dragen zoals die voor hem bij de naturalisatie c.q. optie zijn gewijzigd of vastgesteld.
### 4. Opsturen
[Artikel 10:22, lid 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=22) luidt:
In geval van verandering van nationaliteit is het recht van de staat van de nieuwe nationaliteit van toepassing, daaronder begrepen de regels van dat recht betreffende de gevolgen van de nationaliteitsverandering voor de naam.
[Artikel 10:22, lid 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=22) luidt:
**Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens:**
[Artikel 10:19 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=19) luidt:
De [rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831) (Stb. 2010, 242) vult regels aan met betrekking tot verlies van het Nederlanderschap. In [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is toen een lid ingevoegd dat beoogt een bijdrage te leveren in de strijd tegen het internationaal terrorisme. Het betreft een nieuw tweede lid dat intrekking mogelijk maakt van het Nederlanderschap indien sprake is van een veroordeling wegens misdrijven die zich richten tegen de essentiële belangen van het Koninkrijk. Deze wijziging in artikel 14 RWN is per 1 oktober 2010 in werking getreden.
Vóór de inwerkingtreding van deze rijkswetwijziging was intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk op grond van veroordelingen voor misdrijven genoemd in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), indien een persoon deze misdrijven pleegde nadat hij het Nederlanderschap had verkregen en hiervoor was veroordeeld. Intrekking van het Nederlanderschap was vóór de rijkswetswijziging alleen mogelijk als sprake was van misdrijven of (buitenlandse) veroordelingen die een afwijzingsgrond vormen voor optie of naturalisatie en die hadden plaatsgevonden voorafgaand aan de naturalisatie of optie en waren verzwegen in deze procedures. In dat geval kon het Nederlanderschap worden ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid RWN.
Met de [rijkswet van 5 maart 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037779) (Stb. 2016, 121) is het bereik van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) verruimd door het toevoegen van de mogelijkheid het Nederlanderschap in te trekken als sprake is van een veroordeling voor een misdrijf genoemd in [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a). Deze wijziging in artikel 14 RWN is met ingang van 31 maart 2016 in werking getreden.
Vóór de inwerkingtreding van deze rijkswetwijziging was intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk op grond van veroordelingen voor misdrijven genoemd in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), indien een persoon deze misdrijven pleegde nadat hij het Nederlanderschap had verkregen en hiervoor was veroordeeld. Intrekking van het Nederlanderschap was vóór de rijkswetswijziging alleen mogelijk als sprake was van misdrijven of (buitenlandse) veroordelingen die een afwijzingsgrond vormen voor optie of naturalisatie en die hadden plaatsgevonden voorafgaand aan de naturalisatie of optie en waren verzwegen in deze procedures. In dat geval kon het Nederlanderschap worden ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid RWN.
[Artikel II van de rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb. 2010, 242) bepaalt dat intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk is, indien het misdrijf bedoeld in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), is gepleegd vóór de datum van inwerkingtreding van deze rijkswet. Dit betekent dat alleen een misdrijf als bedoeld in voornoemd artikellid dat is gepleegd ná inwerkingtreding van de wet (dus ná 1 oktober 2010) reden kan zijn om het Nederlanderschap in te trekken op grond van artikel 14, tweede lid.
[Artikel II van de rijkswet van 5 maart 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037779&artikel=II) (Stb. 2016, 121) bepaalt dat intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), wegens een misdrijf als bedoeld in [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) niet is toegestaan in geval van een veroordeling wegens dit misdrijf, als dit onherroepelijk is geworden voor inwerkingtreding van deze Rijkswet. Dit betekent dat intrekking van het Nederlanderschap kan plaatsvinden als de veroordeling op grond van artikel 134a Wetboek van Strafrecht op of na 31 maart 2016 onherroepelijk is geworden.
A is als minderjarige in 2000 medegenaturaliseerd met zijn vader en pleegt op 18-jarige leeftijd in 2009 een moord ([artikel 289 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=289)) met een terroristisch oogmerk als bedoeld in [artikel 83 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=83). Hij wordt hiervoor in november 2010 onherroepelijk veroordeeld.
Omdat het hier gaat om een feit dat is gepleegd in 2009 dus vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging per 1 oktober 2010 ([artikel II van de rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb. 2010, 242), kan wegens dit strafrechtelijk feit met terroristisch oogmerk nooit sprake zijn van intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). A behoudt dan ook zijn Nederlanderschap.
Een vrouw die naast de Nederlandse nationaliteit een tweede nationaliteit heeft reist in 2014 naar Syrië om zich daar te laten trainen om in Nederland terroristische misdrijven te plegen. Bij terugkeer in Nederland wordt zij vervolgd op grond van [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a). De vrouw wordt veroordeeld en op 5 april 2016 wordt de veroordeling onherroepelijk. Omdat de veroordeling onherroepelijk is geworden na 30 maart 2016 en de intrekking niet tot staatloosheid leidt kan het Nederlanderschap worden ingetrokken.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 3-2. Toelichting ad artikel 3, tweede lid
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
### Paragraaf 4. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
### paragraaf 4. Bewijsstukken
### paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
### 9-3-c. Toelichting ad [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
### Artikel 11
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### 12-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
### Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
### Paragraaf 1.1. Tarieven
### paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
### paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
Niet vaak zal (nog) voorkomen dat een optierecht op het Nederlanderschap bestaat op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Indonesië (TOI, Stb. 1949, J 570) of de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS, Stb. 1975, 132). Voor deze opties (artikel 10 TOI en artikel 7, tweede lid, TOS) geldt, dat voor de verkrijging van het Nederlanderschap niet een bevestiging nodig is, noch dat leges moeten worden betaald. De optant verkrijgt het Nederlanderschap op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Op deze opties zijn het [BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782) en het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) niet van toepassing.
### Paragraaf 2.3. Tarieven F en G
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
### 14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
### paragraaf 2. Algemeen
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
Vanaf 1 januari 2017 gelden de volgende afdrachtcodes:
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III); [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 65 t/m 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=65)
### Artikel 14
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): [artikel 83 (Eerste Boek)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=83), [titels I tot en met IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=II), [artikel 205](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205) en [titel XII (Tweede Boek)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XII), [artikel 134a (Tweede Boek)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
### paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid beperkt tot datum herziening RWN (1 april 2003)
Vóór de herziening van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) was het niet mogelijk om in geval van fraude over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Echter, sinds de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vanaf 1 april 2003, kan de Minister van Justitie in geval van fraude, óók indien gepleegd vóór 1 april 2003, alsnog overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Betrokkene wordt dan geacht dat hij onder de oude RWN wél in het bezit was van het Nederlanderschap maar onder de herziene RWN niet. Intrekking van het Nederlanderschap is echter niet meer mogelijk indien betrokkene sinds de verlening van het Nederlanderschap meer dan twaalf jaar in het bezit is geweest van het Nederlanderschap.
### paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid beperkt tot datum herziening RWN (1 april 2003)
### 14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 juni 2006 aangegeven dat bij naturalisatiebesluiten die zijn genomen vóór 1 april 2003 in geval van bedrog omtrent de identiteit wordt aangenomen dat het Nederlanderschap niet is verkregen omdat het naturalisatiebesluit geen rechtsgevolg heeft gehad voor de betrokkene. Immers, door het opgeven van onjuiste personalia (valse identiteit) zijn niet de (juiste) personalia van betrokkene vermeld op het Koninklijk Besluit tot naturalisatie. Aan betrokkene is dan ook niet het Nederlanderschap verleend. Voor de optieverklaring geldt mutatis mutandis hetzelfde.
De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optieof naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden “valse verklaring of bedrog” aansluiting gezocht bij [titel XII WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIII) (valsheid in geschriften) en bij [artikel 3:44 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=44) (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.
### paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
Ten aanzien van naturalisatiebesluiten die zijn genomen op of ná 1 april 2003 heeft de Hoge Raad bij beschikking van 30 juni 2006 overwogen dat “**In het licht van dit alles moet worden aangenomen dat de regeling van artikel 14 lid 1 (RWN) mede betrekking heeft op gevallen als het onderhavige, waarin de aanvrager zijn personalia niet juist heeft opgegeven en het naturalisatiebesluit hem derhalve niet met de juiste personalia aanduidt, doch wel duidelijk is op welke fysieke persoon het besluit betrekking heeft. Uit het systeem en de strekking van de wet volgt derhalve dat ook in dat geval een naturalisatiebesluit, verleend onder de werking van de RWN zoals deze sinds 1 april 2003 luidt, rechtsgevolg heeft, zolang het niet met toepassing van artikel 14 lid 1 RWN is ingetrokken**.” In het geval het Koninklijk Besluit dateert van op of ná 1 april 2003 geldt voor het opgeven van een valse identiteit derhalve dat rechtsgevolg is verbonden aan het Koninklijk Besluit en betrokkene Nederlander is geworden. Het Nederlanderschap kan wel conform [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) worden ingetrokken.
### paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
### paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
A is genaturaliseerd op 15 april 2003. Mei 2003 wordt A in België veroordeeld wegens het plegen van een gewapende overval in 1999. A gaat in hoger beroep van de veroordeling. A wist bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie dat de strafzaak tegen hem aanhangig was.
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
### paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
### paragraaf 2.3. Belangenafweging
### paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
### 9-alg. Toelichting algemeen
### 12-2. Toelichting ad [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### 9-3-c. Toelichting ad [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### 9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
### paragraaf 3.1. Advisering
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
### paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen
### paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### Artikel 13
### Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is
### Paragraaf 5.1. Misdrijven
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### Paragraaf 5.5. Taakstraffen
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
### Paragraaf 2. Naamswijziging
### Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen
### Paragraaf 1.1. Tarieven
### paragraaf 1. Optiegelden
### paragraaf 1. Optiegelden
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
### Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
### paragraaf 2. Naturalisatiegelden
### Paragraaf 2.3. Tarieven F en G
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
### Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
### 14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
In geval van ontheffing van betaling van de naturalisatiegelden kan de gemeente verzoeken om een vergoeding ([artikel 8, tweede lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8)). Een dergelijk schriftelijk verzoek moet worden gericht aan het Team Financiële Administratie van de Directie Bedrijfsvoering, afdeling Financiën en Business Informatie van de IND, Postbus 1821, 2280 DV te Rijswijk. Als het verzoek van de gemeente door de IND wordt gehonoreerd, ontvangt de gemeente een bedrag van € 182 voor een enkelvoudig verzoek en € 310 voor een gemeenschappelijk verzoek. Het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post moet een verzoek om vergoeding indienen door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken.
Zie voor het overgangsrecht toelichting bij artikel 14, zesde lid, RWN, paragraaf 2 en de toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN paragraaf 1.1.
### 14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
### paragraaf 2. Algemeen
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
### Paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
### paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
### paragraaf 4.2. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
De verzending aan de perso(o)n(en) van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, geschiedt per aangetekende post met ontvangstbevestiging.
### Paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
[Artikel 10:19 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=19) luidt:
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.3.1. Inleiding
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
### paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
### Artikel 13
### paragraaf 1. Optiegelden
### Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen
Om in aanmerking te komen voor ontheffing moet gelijktijdig met de indiening van het verzoek om naturalisatie een gemotiveerd ontheffingsverzoek worden ingediend. De burgemeester is in Nederland gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van naturalisatiegelden. In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Zie [artikel 4, vijfde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4).
### Artikel 14
### paragraaf 2.3. Belangenafweging
### 14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
### paragraaf 4.1. Voornemenprocedure
### paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
### Paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
### paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van artikel 14, tweede lid RWN
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 9-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
### Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
### Paragraaf 5.12. Gratie
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### 9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Een verzoeker die de Hongaarse nationaliteit bezit, kan eerst nadat hij is genaturaliseerd tot Nederlander de Hongaarse autoriteiten verzoeken of hij ontslag kan krijgen uit het Hongaarse staatsverband.
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### paragraaf 4. Bewijsstukken
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
### Artikel 15
### Paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
### Paragraaf 1.1. Tarieven
### Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
### paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid beperkt tot datum herziening RWN (1 april 2003)
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
### paragraaf 2.3. Belangenafweging
### paragraaf 2.3. Belangenafweging
### 14-6. Toelichting ad artikel 14, zesde lid
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van een besluit tot intrekking bedoeld in [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) of in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de betreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties. [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent dat:
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
### paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid
### Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
### Paragraaf 2.1.2.2. Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
Omdat het hier gaat om een feit dat is gepleegd in 2009 dus vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging per 1 oktober 2010 ([artikel II van de rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb. 2010, 242), kan wegens dit strafrechtelijk feit met terroristisch oogmerk nooit sprake zijn van intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). A behoudt dan ook zijn Nederlanderschap.
Een vrouw die naast de Nederlandse nationaliteit een tweede nationaliteit heeft reist in 2014 naar Syrië om zich daar te laten trainen om in Nederland terroristische misdrijven te plegen. Bij terugkeer in Nederland wordt zij vervolgd op grond van [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a). De vrouw wordt veroordeeld en op 5 april 2016 wordt de veroordeling onherroepelijk. Omdat de veroordeling onherroepelijk is geworden na 30 maart 2016 en de intrekking niet tot staatloosheid leidt kan het Nederlanderschap worden ingetrokken.
Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken als de persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf waarbij ernstige schade is toegebracht aan de essentiële belangen van het Koninkrijk of van een of meer landen van het Koninkrijk.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij DUO
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
### paragraaf 2. Naturalisatiegelden
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
### paragraaf 2. Algemeen
### paragraaf 4.1. Voornemenprocedure
### paragraaf 4.2. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
### Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
### Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
Wordt de burgemeester door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:
### 14-2. Toelichting ad [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
### 14-2. Toelichting ad [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 1.1. Overgangsrecht
### paragraaf 1.1. Overgangsrecht
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Het gaat dus om een misdrijf dat tegen de staat en zijn instituties is gericht en een ernstig gewelddadig of vijandelijk element bevat.
Hiervan is sprake als de betrokken persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf genoemd in [artikel 14 tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
Uitgangspunt voor [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is artikel 7 van het Europese Verdrag inzake Nationaliteit (EVN). Artikel 7, derde lid, EVN beperkt de verliesmogelijkheid door het verlies alleen toe te staan als de betrokken persoon daardoor niet staatloos zal worden. Artikel 14, zesde lid, neemt dit over en bepaalt dat geen verlies van het Nederlanderschap plaatsvindt, als staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn. Intrekking van het Nederlanderschap op grond van het tweede lid van artikel 14 RWN is dus niet mogelijk als de betrokken persoon daardoor staatloos wordt. Hij moet dus op het moment van het besluit tot intrekking behalve over de Nederlandse nationaliteit ook over een of meer andere nationaliteit(en) beschikken.
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
Bij de intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, is niet van belang op welke wijze het Nederlanderschap is verkregen. Dit kan zijn door naturalisatie en optie, maar ook kan sprake zijn van verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege, bijvoorbeeld vanaf geboorte door afstamming van een Nederlandse vader of moeder op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
Voorts kan het Nederlanderschap, als er aanleiding toe is, van een veroordeelde minderjarige worden ingetrokken. In [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), wordt immers algemeen gesproken over de persoon van wie het Nederlanderschap kan worden ingetrokken. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen een minderjarige of een meerderjarige.
De termijn van 12 jaar, als genoemd in het eerste lid, is niet van toepassing als het Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, RWN. Dit betekent dat intrekking van het Nederlanderschap ook mogelijk is, als de betrokken persoon langer dan 12 jaar het Nederlanderschap bezit, bijvoorbeeld vanaf zijn geboorte.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Met de zinsnede “of voordien in het huwelijk is getreden” wordt gedoeld op degenen die jonger dan achttien jaar waren toen zij trouwden. Na een echtscheiding of overlijden van de echtgeno(o)t(e), voordat betrokkene achttien jaar geworden is, blijft sprake van meerderjarigheid.
Ook meerderjarig zijn degenen die vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar een geregistreerd partnerschap in Nederland zijn aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1). Zij blijven ook meerderjarig na een ontbinding van dat partnerschap of na het overlijden van de partner voordat betrokkene achttien jaar is geworden.
Op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 11, tweede tot en met vijfde lid en zevende lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) moet de vreemdeling ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in Nederland hebben. Dit betekent dat hij in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht met een niet-tijdelijk karakter.
### 3-1. Toelichting ad artikel 3, eerste lid
### 8-3. Toelichting ad [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### 8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
### Paragraaf 2.1.3. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c
### paragraaf 2. Algemeen
Als het Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van het eerste lid van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) mag staatloosheid daarentegen wel het gevolg zijn.
### paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid
De termijn van 12 jaar, als genoemd in het eerste lid, is niet van toepassing als het Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, RWN. Dit betekent dat intrekking van het Nederlanderschap ook mogelijk is, als de betrokken persoon langer dan 12 jaar het Nederlanderschap bezit, bijvoorbeeld vanaf zijn geboorte.
### Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
Voorts kan het Nederlanderschap, als er aanleiding toe is, van een veroordeelde minderjarige worden ingetrokken. In [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), wordt immers algemeen gesproken over de persoon van wie het Nederlanderschap kan worden ingetrokken. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen een minderjarige of een meerderjarige.
### Paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b
A, van Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit, heeft in 1990 door geboorte in Nederland op grond van [artikel 3, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) (derde generatieartikel) het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Hij pleegt in 2011 een aanslag tegen de troonopvolger ([artikel 94 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=94)). In 2012 wordt A hiervoor onherroepelijk veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Het Nederlanderschap van A kan worden ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), ook al heeft hij het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Van belang is wel dat hij door de intrekking niet staatloos mag worden. De termijn van 12 jaar geldt in dit geval niet, omdat geen sprake is van toepassing van artikel 14, eerste lid RWN waar het gaat om intrekking wegens bedrog in de optie- of naturalisatieprocedure. Daarentegen is sprake van toepassing van artikel 14, tweede lid RWN wegens een onherroepelijke veroordeling wegens staatsondermijnende handelingen.
Met ingang van 31 maart 2016 is in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)[artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) opgenomen als grond voor intrekking van het Nederlanderschap. Artikel 134a gaat om gevallen waarin sprake is van hulp bij het plegen van terroristische misdrijven of bij de voorbereiding van dergelijke misdrijven. Als sprake is van een onherroepelijk veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan dit leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.
Met ingang van 31 maart 2016 is in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)[artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) opgenomen als grond voor intrekking van het Nederlanderschap. Artikel 134a gaat om gevallen waarin sprake is van hulp bij het plegen van terroristische misdrijven of bij de voorbereiding van dergelijke misdrijven. Als sprake is van een onherroepelijk veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan dit leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.
### Paragraaf 2.1.2.3. [Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205)
Voorts wordt in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), verwezen naar [artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205).
Het zonder toestemming van de Koning(in) werven van personen voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd moet als een schending van de essentiële belangen van de staat worden beschouwd, als die gewapende strijd zich tegen het Koninkrijk richt.
Een onherroepelijke veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan eveneens leiden tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
Een man van Nederlandse en Syrische nationaliteit maakt zich schuldig in 2011 aan het werven van jongeren in Nederland voor de gewapende strijd in het kader van een politieke dan wel religieuze overtuiging. De man wordt hiervoor op grond van [artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205) in hetzelfde jaar onherroepelijk veroordeeld. Zijn Nederlanderschap kan worden ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), want hij wordt door de intrekking van het Nederlanderschap niet staatloos.
Een onherroepelijke veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan eveneens leiden tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
Het Nederlanderschap kan worden ingetrokken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving soortgelijk is aan de misdrijven, bedoeld onder [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), en waartegen de strafwet van de andere drie landen van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten) straf bedreigt. De gestelde straf op het misdrijf bedoeld onder a van acht jaar of meer dient ook in de strafwet van één van de landen van Koninkrijk op acht jaar of meer gesteld te zijn.
Het zonder toestemming van de Koning(in) werven van personen voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd moet als een schending van de essentiële belangen van de staat worden beschouwd, als die gewapende strijd zich tegen het Koninkrijk richt.
Het Nederlanderschap kan worden ingetrokken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving soortgelijk is aan de misdrijven, bedoeld onder [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), en waartegen de strafwet van de andere drie landen van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten) straf bedreigt. De gestelde straf op het misdrijf bedoeld onder a van acht jaar of meer dient ook in de strafwet van één van de landen van Koninkrijk op acht jaar of meer gesteld te zijn.
### Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
Hij heeft daartoe een discretionaire bevoegdheid.
Het feit dat het aantal misdrijven in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), is beperkt tot ernstige misdrijven, dat het misdrijf moeten hebben geleid tot een onherroepelijke veroordeling, dat het misdrijf moet zijn gepleegd ná de inwerkingtreding van het intrekkingsartikel artikel 14, tweede lid en (in het geval van veroordeling op grond van [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)) onherroepelijk moet zijn geworden na 30 maart 2016 en de omstandigheid dat het Nederlanderschap niet wordt ingetrokken indien de betrokken persoon staatloos wordt, brengen mee dat sprake is van een meer door de wetgever bepaald kader waarbinnen de intrekking ex artikel 14, tweede lid RWN plaats heeft dan bij een intrekking ex artikel 14, eerste lid. Het kader om tot intrekking over te gaan, geeft bij het tweede lid minder discretionaire ruimte aan de Minister dan dat bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste lid.
Daartegenover staat dat een intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is beperkt tot Nederlanders die het Nederlanderschap door naturalisatie of optie hebben verkregen.
### Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
De veiligheid van het Koninkrijk is bij de genoemde misdrijven bijna altijd in het geding en maakt deel uit van de criteria voor de afweging bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot intrekking (TK 31 813 (R1873), nr. 27 vierde nota van wijziging). Daarnaast zullen zeer bijzondere omstandigheden betrekking hebbende op de persoon van de dader en prangende humanitaire redenen worden meegewogen. Dit zijn in de regel andere omstandigheden en redenen dan die de strafrechter heeft meegenomen in zijn oordeel, nu de Minister een ander, bestuursrechtelijk, toetsingskader hanteert. De duur van de opgelegde straf maakt slechts in zeer beperkte mate deel uit van de afweging. Dit volgt uit de parlementaire behandeling van de wet waarmee [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) is toegevoegd aan de artikelen die op grond van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kunnen leiden tot intrekking van het Nederlanderschap. Alleen in geval van schuldigverklaring zonder oplegging van straf of in geval van het opleggen van een gevangenisstraf van (zeer) korte duur wegens (sterk) verminderde toerekeningsvatbaarheid, zou sprake kunnen zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding is af te zien van intrekking van het Nederlanderschap (EK 34 016 (R2036) memorie van antwoord).
Van Nederlanders die het Nederlanderschap op een andere wijze dan door optie of naturalisatie hebben gekregen, is het wel mogelijk het Nederlanderschap te ontnemen op grond van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), mits zij over nog een nationaliteit beschikken.
Net als bij een meerderjarige wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), maak het bij de minderjarige als zojuist bedoeld, niet uit op welke wijze hij het Nederlanderschap heeft verkregen.
Daartegenover staat dat een intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is beperkt tot Nederlanders die het Nederlanderschap door naturalisatie of optie hebben verkregen.
Net als bij een meerderjarige wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), maak het bij de minderjarige als zojuist bedoeld, niet uit op welke wijze hij het Nederlanderschap heeft verkregen.
De veiligheid van het Koninkrijk is bij de genoemde misdrijven bijna altijd in het geding en maakt deel uit van de criteria voor de afweging bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot intrekking (TK 31 813 (R1873), nr. 27 vierde nota van wijziging). Daarnaast zullen zeer bijzondere omstandigheden betrekking hebbende op de persoon van de dader en prangende humanitaire redenen worden meegewogen. Dit zijn in de regel andere omstandigheden en redenen dan die de strafrechter heeft meegenomen in zijn oordeel, nu de Minister een ander, bestuursrechtelijk, toetsingskader hanteert. De duur van de opgelegde straf maakt slechts in zeer beperkte mate deel uit van de afweging. Dit volgt uit de parlementaire behandeling van de wet waarmee [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) is toegevoegd aan de artikelen die op grond van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kunnen leiden tot intrekking van het Nederlanderschap. Alleen in geval van schuldigverklaring zonder oplegging van straf of in geval van het opleggen van een gevangenisstraf van (zeer) korte duur wegens (sterk) verminderde toerekeningsvatbaarheid, zou sprake kunnen zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding is af te zien van intrekking van het Nederlanderschap (EK 34 016 (R2036) memorie van antwoord).
Met de inwerkingtreding op 1 maart 2017 van de Rijkswet van 10 februari 2017 is het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden van een staat als bedoeld in [artikel 14, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) als grond voor de intrekking van het Nederlanderschap in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) opgenomen. Tot deze datum leidde het in vreemde krijgsdienst treden voor meerderjarigen op grond van [artikel 15, lid 1 onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) van rechtswege tot verlies van het Nederlanderschap. Met ingang van 1 maart 2017 gaat het Nederlanderschap niet meer van rechtswege verloren maar moet een besluit worden genomen door Onze Minister. Omdat het Nederlanderschap niet langer van rechtswege verloren gaat kan in het intrekkingsbesluit een proportionaliteitstoets plaatsvinden waarin (onder meer) wordt ingegaan op de gevolgen van het verlies van het burgerschap van de Europese Unie.
Deze wijziging van de Rijkswet kent geen bepaling van overgangsrecht. Dit betekent dat een persoon die op of na 1 maart 2017 in vreemde krijgsdienst treedt het Nederlanderschap alleen verliest na een besluit van Onze Minister.
Met de inwerkingtreding op 1 maart 2017 van de Rijkswet van 10 februari 2017 is het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden van een staat als bedoeld in [artikel 14, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) als grond voor de intrekking van het Nederlanderschap in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) opgenomen. Tot deze datum leidde het in vreemde krijgsdienst treden voor meerderjarigen op grond van [artikel 15, lid 1 onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) van rechtswege tot verlies van het Nederlanderschap. Met ingang van 1 maart 2017 gaat het Nederlanderschap niet meer van rechtswege verloren maar moet een besluit worden genomen door Onze Minister. Omdat het Nederlanderschap niet langer van rechtswege verloren gaat kan in het intrekkingsbesluit een proportionaliteitstoets plaatsvinden waarin (onder meer) wordt ingegaan op de gevolgen van het verlies van het burgerschap van de Europese Unie.
Op grond van [artikel 14, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan het Nederlanderschap worden ingetrokken van de bipatride Nederlander die vrijwillig dienst heeft genomen in het leger van een vreemde mogendheid. Voorwaarde is dat deze vreemde mogendheid betrokken is in gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Voor de intrekking is niet noodzakelijk dat de betrokkene zelf gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk heeft verricht.
Om het Nederlanderschap wegens in dienst treden in vreemde krijgsdienst te kunnen intrekken moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
Het Nederlanderschap wordt niet ingetrokken als de betrokkene daardoor staatloos wordt (zie artikel 14, achtste lid, RWN). De omstandigheid dat de betrokkene minderjarig is vormt geen reden om van de intrekking van het Nederlanderschap af te zien maar maakt deel uit van de belangenafweging in het besluit tot intrekking.
Onder ‘krijgsdienst van een staat’ wordt verstaan: dienstneming in het leger van een vreemde mogendheid. Het hoeft hier niet te betreffen een staat die is erkend door het Koninkrijk. Paramilitaire strijdkrachten van een vreemde mogendheid vallen in dit verband niet onder het begrip krijgsdienst.
### paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Om het Nederlanderschap te kunnen intrekken, moet de indiensttreding vrijwillig zijn geweest, of er moet sprake zijn van vrijwillige voortzetting van het dienstverband. Het gevolg geven door een bipatride Nederlander aan een oproep voor de militaire dienstplicht van een vreemde staat is geen vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst. Ook het enkel vrijwillige dienstnemen in vreemde krijgsdienst zal geen grond zijn voor intrekking van het Nederlanderschap.
Anders wordt de situatie als vervolgens de betreffende staat betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk (dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is) en betrokkene de aangegane verbintenis straffeloos kan verbreken, doch dat nalaat of na afloop van zijn contract de dienst vrijwillig voortzet. Onder dergelijke omstandigheden moet de betrokkene worden geacht zich vrijwillig in de betreffende krijgsdienst te hebben begeven, en kan het Nederlanderschap worden ingetrokken. Het gaat hier in feite om de vraag welke grenzen moeten worden gesteld aan het begrip ‘vrijwillig’. De dienstneming in de betreffende vreemde krijgsdienst moet het gevolg zijn van een specifieke op dat doel gerichte wilsdaad van de betrokkene, wil er sprake zijn van vrijwilligheid die tot intrekking van het Nederlanderschap kan leiden.
Er moet sprake zijn van gevechtshandelingen door het leger waarbij de betrokkene (vrijwillig) in dienst is getreden (of blijft). Bij ‘bondgenootschap’ kan worden gedacht aan bijvoorbeeld de Noord Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de West-Europese Unie (WEU).
Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk, vervult betrokkene in het leger van dat land zijn militaire dienstplicht. Op dat moment is er geen grond voor intrekking van zijn Nederlandse nationaliteit. Zet hij echter, na het verstrijken van de dienstplichttijd, de dienst vrijwillig voort, en is het land op dat moment nog betrokken bij gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk of een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is, dan kan het Nederlanderschap wel worden ingetrokken.
Er moet sprake zijn van gevechtshandelingen door het leger waarbij de betrokkene (vrijwillig) in dienst is getreden (of blijft). Bij ‘bondgenootschap’ kan worden gedacht aan bijvoorbeeld de Noord Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de West-Europese Unie (WEU).
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**Onze Minister kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en die zich buiten het Koninkrijk bevindt, indien uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die door Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid.**
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
### 14-6. Toelichting ad artikel 14, zesde lid
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
### Paragraaf 2. Voorwaarden intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid
### Artikel 15
### Paragraaf 2. Voorwaarden intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid
### Paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
### 14-6. Toelichting ad artikel 14, zesde lid
Ad 2
Naar verwachting zal in de meeste gevallen uit een ambtsbericht dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten uitbrengen aan het hoofd van de IND blijken dat sprake is van aansluiting in de zin van [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
### 15-alg. Toelichting algemeen
### 15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
De intrekking van het Nederlanderschap vindt evenmin plaats als staatloosheid daarvan het gevolg is of als de betrokkene jonger is dan zestien jaar.
De intrekking van het Nederlanderschap vindt niet plaats als de betrokken persoon zich in Nederland bevindt. In dat geval ligt aanhouding en strafrechtelijke vervolging meer in de rede dan het intrekken van het Nederlanderschap. Als de betrokkene vervolgens onherroepelijk voor een terroristisch misdrijf wordt veroordeeld zal het Nederlanderschap in beginsel op grond van artikel 14, tweede lid, RWN kunnen worden ingetrokken.
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
De elementen zijn niet limitatief voorgeschreven, ook andere elementen die relevant zijn voor de belangenafweging zullen worden betrokken.
### 14-6. Toelichting ad artikel 14, zesde lid
Doorgaans zal er sprake zijn van een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten dat een beschrijving van de feiten bevat waaronder de aansluiting bij een van de organisaties op de lijst, de gedragingen van betrokkene waaruit dit kan worden afgeleid en de conclusie dat de betrokkene een gevaar is voor de nationale veiligheid. Het is aan Onze Minister om deze informatie te wegen en te beoordelen of de informatie de intrekking van het Nederlanderschap kan dragen. Gelet op [artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:9) is het uitgangspunt dat een bestuursorgaan in beginsel op een advies van een adviesorgaan mag afgaan als dat als zorgvuldig kan worden aangemerkt (vergewisplicht). Voordat een ambtsbericht met de voornoemde conclusie ten grondslag wordt gelegd aan een beslissing het Nederlanderschap in te trekken beoordeelt Onze Minister daarom of uit het ambtsbericht op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusie vervat in dat ambtsbericht ten grondslag zijn gelegd en of deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting (Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 29 september 2010, zaak nr. 20100881/1/V6). Wanneer het bestuursorgaan heeft voldaan aan de vergewisplicht, wordt alleen gemotiveerd afgeweken (naar analogie van [artikel 3:50 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:50)). Het oordeel of een persoon gelet op de over hem bekende feiten een gevaar vormt voor de nationale veiligheid is immers in de eerste plaats aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten zodat van deze conclusie mag worden uitgegaan.
Het is niet van doorslaggevend belang of betrokkene zelf geweld heeft gebruikt of heeft deelgenomen aan de gewelddadige strijd. De rol van betrokkene kan wel van belang zijn in het kader van de belangenafweging bij intrekking (zie in die zin: Kamerstukken II, 34 356, nr. 3, blz. 7).
### Artikel 15
Ad 2
### Paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
Ad 3 en 4
Het mogelijke verlies van het Unieburgerschap wordt meegewogen bij het intrekkingsbesluit. Daarnaast worden overige elementen meegewogen, zoals de leeftijd van betrokkene, de gevolgen van de intrekking voor betrokkene en zijn gezinsleden en de banden met Nederland en het land van de tweede nationaliteit.
### Paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn
Het mogelijke verlies van het Unieburgerschap wordt meegewogen bij het intrekkingsbesluit. Daarnaast worden overige elementen meegewogen, zoals de leeftijd van betrokkene, de gevolgen van de intrekking voor betrokkene en zijn gezinsleden en de banden met Nederland en het land van de tweede nationaliteit.
### 15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
Alvorens een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt genomen wordt dit ter beoordeling aan Onze Minister voorgelegd.
Anders dan bij intrekking op grond van het eerste en tweede lid staat tegen de intrekking van het Nederlanderschap op grond van het vierde lid geen bezwaar open. De betrokkene of zijn gemachtigde kan rechtstreeks beroep indienen tegen het besluit. Bepalingen over beroep en hoger beroep zijn opgenomen in [artikel 22A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22a), [22B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22b) en [22C, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22c).
### Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van het besluit tot intrekking bedoeld in [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) verzonden aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon of aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken. In het belang van het voorkomen van de terugkeer naar Nederland verwerkt de betreffende autoriteit het besluit op zo kort mogelijk termijn in de basisadministratie, ook als het besluit nog niet onherroepelijk is.
### Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen
Naar aanleiding van de melding wordt het paspoort opgenomen in het Basisregister Reisdocumenten (BR) en in het Register Paspoortsignaleringen (RPS). Deze registers zijn gekoppeld aan het Schengeninformatiesysteem (SIS-II) en de database Stolen and Lost Travel Documents (SLTD) van Interpol.
Als het Nederlanderschap wordt ingetrokken vervalt het Nederlandse paspoort van rechtswege ([art. 47 lid 1 onder a Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=47)). Van het vervallen van het paspoort wordt terstond melding gedaan bij de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties. Deze melding heeft tot doel te voorkomen dat paspoort uitgevende autoriteiten een nieuw reisdocument verstrekken waarmee de betrokkene Nederland kan inreizen.
**De persoon die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van het tweede, derde of vierde lid, kan de Nederlandse nationaliteit niet herkrijgen. Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken, indien ten minste vijf jaar jaren zijn verstreken sedert het verlies van de Nederlandse nationaliteit.**
### 14-5. Toelichting ad [artikel 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Door de intrekking van het Nederlanderschap is de band met het Koninkrijk definitief verbroken. De tweede zin van artikel 14, vijfde lid, maakt evenwel in een bijzonder geval de herkrijging van het Nederlanderschap mogelijk.
### paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
Het is echter niet de bedoeling dat op grote schaal van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. De uitzondering is alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen.
Het Nederlanderschap kan worden herkregen nadat de Raad van State van het Koninkrijk is gehoord. De Minister zal aan de Raad van State dus advies dienen te vragen.
Bij Koninklijk Besluit (KB) zal de Kroon al dan niet toestemming verlenen voor de herkrijging van het Nederlanderschap. Zonder deze toestemming kan het Nederlanderschap niet worden verkregen of verleend. Dit betekent dat de betrokken persoon alvorens een naturalisatieverzoek in te dienen of optieverklaring af te leggen, een toestemmings-KB moet overleggen, wil zijn verzoek toegewezen kunnen worden. Hij zal de Minister in de eerste plaats gemotiveerd, onder aanvoering van de zeer bijzonderheid van zijn omstandigheden, moeten verzoeken om te bevorderen dat er een toestemmings-KB wordt geslagen.
### paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging
### 14-6. Toelichting ad [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
A, van Nederlandse en Franse nationaliteit, geboren in 1945 in Nederland, woont sedert 15 maart 1996 in de Verenigde Staten).
De huidige redactie van deze bepaling is in de wet gekomen met de wetswijzigingen van 2003 en 2010. Ten gevolge van [artikel III RRWN 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft de redactie van het huidige [artikel 14, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap (1 januari 1985). Zie de toelichting bij artikel 14, zesde lid, RWN, paragraaf 2.
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1.3.1. Statenopvolging bij de toepassing van [artikel 15, lid 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Bij de verkrijging op grond van artikel 6, lid 1 onder c RWN en op grond van artikel II, lid 1 RRWN 2009 (optie na 01.03.2009 na een erkenning in de periode 01.04.2003 – 01.03.2009 door een Nederlandse man) is het Nederlanderschap verkregen door een optiebesluit en niet van rechtswege. De optieverklaring kan alleen afgelegd worden als het kind is erkend door een Nederlander. Als de familierechtelijke betrekking met de Nederlandse erkenner vervalt, dan gaat het Nederlanderschap ook automatisch verloren. Er is geen intrekkingsbesluit nodig.
Verlies als bedoeld zal echter niet intreden indien:
Bij het vervallen van familierechtelijke betrekkingen moet worden gedacht aan bijvoorbeeld: ontkenning vaderschap, vernietiging erkenning of herroeping adoptie.
Het verlies van het Nederlanderschap treedt in op de dag waarop in het algemeen de rechterlijke uitspraak niet meer openstaat voor beroep, mits het kind op die dag (nog) minderjarig is. Betreft het een Nederlandse rechterlijke uitspraak dan is dat als gevolg van wijziging van het Burgerlijk Procesrecht met ingang van 1 januari 2002 (zie [artikel 358 WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=358) en [artikel 426 WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=426)):
Hierbij dient wel te worden bedacht dat, indien bovenbedoelde beroepstermijn eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, die termijn ingevolge [artikel 1 van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=1) wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Pas de dag daarop gaat dan het Nederlanderschap verloren.
Betreft het een buitenlandse rechterlijke uitspraak, die volgens de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht hier te lande moet worden erkend, dan gaat het Nederlanderschap verloren op de dag waarop deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.
Voor rechterlijke uitspraken van na 1 januari 1985, maar vóór 1 januari 2002 dient te worden bedacht dat de termijn voor het instellen van de rechtsmiddelen hoger beroep en cassatie korter is geweest dan de termijn van drie maanden die per 1 januari 2002 geldt. Voor de bepaling van de dag waarop het Nederlanderschap is verloren, dient rekening te worden gehouden met het feit dat deze uitspraken eerder in kracht van gewijsde zijn gegaan.
### Paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
Immers, zonder bedoelde familierechtelijke betrekking had nooit sprake kunnen zijn van het Nederlanderschap ex artikel 3, derde lid, RWN. Met andere woorden, vervalt de familierechtelijke betrekking met de persoon via wie het Nederlanderschap wordt ontleend aan artikel 3, derde lid, RWN, ook dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.
De persoon ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking vervalt, hoeft niet noodzakelijk Nederlander te zijn. Het kind kan namelijk via die persoon het Nederlanderschap ontlenen aan uitsluitend artikel 3, derde lid, RWN. Ook in dat geval moet worden gesteld dat het Nederlanderschap wordt ontleend aan de familierechtelijke betrekking met die persoon.
Ingevolge overgangsbepaling [artikel III RRWN 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van het voormalige tweede lid (tot 2010, en daarna het vierde lid, en vanaf 2017 het zesde lid van artikel 14 RWN). Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, zesde lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen. Echter, als gevolg van het bepaalde bij overgangsbepaling artikel III RRWN moet, wat betreft de toepassing van onderhavig artikellid ervan worden uitgegaan dat bedoelde uitzonderingen reeds gelden vanaf 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend (ingevolge bijvoorbeeld artikel 3, eerste lid, RWN), zulks ondanks bijvoorbeeld dat de minderjarige het Nederlanderschap tevens ontleende aan artikel 3, derde lid, RWN, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
Verder is sedert 1 april 2003 in onderhavig artikellid tot uitdrukking gebracht dat de betreffende verliesbepaling alleen van toepassing is op minderjarigen. Ook dat moet ingevolge overgangsbepaling artikel III RRWN geacht worden te gelden sedert 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een meerderjarige, op grond van het toen geldende artikel 14, eerste lid, RWN, zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het als gevolg van bijvoorbeeld herroeping van adoptie vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
N.B. Tot 1 april 2003 gold een verliesgrond, in hoofdlijnen overeenkomend met het huidige artikel 14, zesde lid, RWN. Die verliesgrond was opgenomen in het eerste lid van het oude artikel 14 RWN en tevens van toepassing op meerderjarigen. Voorwaarde was dat het Nederlanderschap moest worden ontleend aan artikel 3, [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4) of [5 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5). De vraag die zich bij de toepassing van die bepaling voordeed was: wat rechtens indien de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892? Uit de uitspraak van de Rechtbank ‘s-Gravenhage van 16 april 1999, nr. 98 637, blijkt dat het oude artikel 14, eerste lid, RWN naar de letter dient te worden toegepast. Dit heeft tot gevolg dat in die gevallen waarin de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de WNI, betrokkene niet geacht wordt het Nederlanderschap door het vervallen van de betrekking te hebben verloren.
A, geboren in 1990, is het kind van een Nederlandse man en een Franse vrouw. A ontleent het Nederlanderschap aan uitsluitend artikel 3, eerste lid, RWN en is tevens van Franse nationaliteit.
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
Derhalve verliest de minderjarige A op 8 april 2004 het Nederlanderschap op grond van het toen geldende artikel 14, tweede lid RWN, (dit artikellid, is in 2010 vernummerd tot het vierde lid RWN en vervolgens in 2017 tot het zesde lid RWN). Het verlies kan niet worden voorkomen; immers, de moeder is niet van Nederlandse nationaliteit, A ontleent het Nederlanderschap niet tevens aan artikel 3, derde lid, RWN, en hij zal door het verlies van het Nederlanderschap ook niet staatloos worden.
B, minderjarig kind van Belgische ouders, ontleent het Nederlanderschap via de vader aan artikel 3, derde lid, RWN en is tevens van Belgische nationaliteit.
Bij beschikking van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 5 maart 2011 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van B. Tegen de uitspraak wordt hoger beroep ingesteld. De uitspraak in dat beroep volgt op 9 juli 2011 en bij die uitspraak wordt de beschikking van de rechtbank bevestigd. Beroep in cassatie wordt niet ingesteld.
### Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
### 15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
C is in 1999 geboren in Australië als dochter van een Australische vrouw. In 2000 is C erkend door een Nederlander, waardoor zij het Nederlanderschap verkreeg op grond van het toen geldende artikel 4 RWN. Sindsdien is C van Nederlandse en Australische nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent zij uitsluitend aan het toen geldende artikel 4 RWN. In 2001 verkrijgt de moeder van C het Nederlanderschap door naturalisatie. Na het overlijden van de Nederlandse moeder wordt bij beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 7 april 2004 de erkenning van C vernietigd. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld.
In principe zou dit voor de minderjarige C verlies van het Nederlanderschap meebrengen, en wel met ingang van 8 juli 2004. Echter, in dit geval treedt geen verlies in, omdat de andere ouder ten tijde van haar overlijden Nederlander was.
### 14-7. Toelichting ad [artikel 14, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**Het Nederlanderschap wordt niet verloren dan krachtens een van de bepalingen van dit hoofdstuk.**
### 14-7. Toelichting ad [artikel 14, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**Het Nederlanderschap wordt niet verloren dan krachtens een van de bepalingen van dit hoofdstuk.**
**Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, heeft geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn.**
### 14-8. Toelichting ad [artikel 14, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, heeft geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn.**
### 15-4. Toelichting ad [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Vanaf de dag van de verstrekking van een dergelijk document begint een nieuwe verliestermijn van tien jaren te lopen ([artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)). Dus, als men er – steeds binnen tien jaren – voor zorgt in het bezit te worden gesteld van bedoelde verklaring van Nederlanderschap, een Nederlands reisdocument of Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212), kan het Nederlanderschap nimmer op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN verloren gaan door verblijf in het buitenland.
**Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere regels gesteld omtrent de elementen die betrokken worden bij de belangenafweging inzake een beslissing omtrent intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste, tweede, derde of vierde lid.**
In [artikel 68 tot en met 68 c BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) zijn nadere regels gesteld over de belangenafweging die plaatsvindt bij een intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste tot en met het vierde lid. Deze belangenafweging is in deze handleiding nader uitgewerkt in de toelichting op [artikel 14, eerste tot en met vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
**Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere regels gesteld omtrent de elementen die betrokken worden bij de belangenafweging inzake een beslissing omtrent intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste, tweede, derde of vierde lid.**
RWN: [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); 1.2; [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) en [14.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
RRWN: [artikelen IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) en[V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
BVVN: [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [61 t/m 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61) en [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=72)
### Artikel 15a
Zie voor het overgangsrecht de toelichting bij de afzonderlijke artikelleden.
### 15-alg. Toelichting algemeen
Zie voor het overgangsrecht de toelichting bij de afzonderlijke artikelleden.
Tot 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Dit was geregeld in het oude [artikel 15, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
De verkrijging van de andere nationaliteit, door bijvoorbeeld optie of naturalisatie, moet vrijwillig zijn. Het moet gaan om een wilsdaad die specifiek is gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit.
Mocht betrokkene na ingesteld bezwaar c.q. beroep alsnog moeten worden aangemerkt als Nederlander, wordt de burgemeester wederom door de IND hiervan in kennis gesteld.
De wettelijke bepalingen met betrekking tot het verkrijgen van een vreemde nationaliteit door een Nederlander beogen van oudsher te leiden tot verlies van het Nederlanderschap en strekken op die manier tot het vermijden van meervoudige nationaliteit.
Als een andere nationaliteit, anders dan de in [paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15¶graaf=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) genoemde voorbeelden, van rechtswege wordt verkregen en de wetgeving van die andere nationaliteit biedt de mogelijkheid om de ontvangen nationaliteit te verwerpen of het verkrijgen ervan te voorkomen, dan verliest men de Nederlandse nationaliteit als men geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot verwerping van de andere nationaliteit of van de mogelijkheid om de andere nationaliteit niet te verkrijgen. Als geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid de andere nationaliteit te verwerpen, wordt de verkrijging van de andere nationaliteit geacht vrijwillig te zijn. Alleen bij noodgedwongen niet-verwerping van de andere nationaliteit (bijv. als men daardoor gedwongen zou worden zijn woonland te moeten verlaten) wordt de verkrijging van de andere nationaliteit onvrijwillig geacht en treedt geen verlies van het Nederlanderschap in.
Het is bij deze regel van belang of de vreemde nationaliteit voor of na 1 april 2003 is verkregen. Op 1 april 2003 is [artikel 15, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) ingevoerd. Hierin zijn gronden opgenomen die het verlies van het Nederlanderschap tegenhouden. In de gevallen die artikel 15, tweede lid RWN noemt, zal dus na 1 april 2003 wel meervoudige nationaliteit (zijn) ontstaan, omdat het Nederlanderschap dan niet is of wordt verloren.
Een voorbeeld van het bovenstaande is artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet. Tot 1 april 2003 heeft de toepassing van dat artikel geleid tot verlies van het Nederlanderschap. Door invoering van [artikel 15, tweede lid en onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) heeft artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet geen impact meer op het bezit van het Nederlanderschap van de Nederlander op wie op of na 1 april 2003 artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet van toepassing is.
### 15-1-d. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Kent de vreemde nationaliteitswetgeving alleen een termijn waarbinnen een **komende verkrijging** van die nationaliteit kan worden voorkomen en maakt men van deze mogelijkheid tot niet-verkrijging geen gebruik, dan treedt het verlies van het Nederlanderschap in op de dag dat de vreemde nationaliteit van rechtswege wordt verkregen.
Kent de vreemde nationaliteitswetgeving (soms: ook) een termijn waarbinnen een verwerping moet plaatsvinden dat gelegen is**na de verkrijging** van de vreemde nationaliteit, dan gaat het Nederlanderschap verloren op de dag dat deze verwerpingstermijn afloopt. Men is in dit geval dus enige tijd bipatride.
### paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
Ingevolge [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) treedt ondanks vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit géén verlies van het Nederlanderschap in als betrokkene:
### paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
### paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging
Bij statenopvolging kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het uiteenvallen van een staat in diverse nieuwe staten of aan een splitsing van een staat als gevolg van een afscheidingsverklaring. In het kader van de hier bedoelde statenopvolging wordt veelal door de nieuw ontstane staten aan bepaalde (in het buitenland wonende) voormalige burgers van de oude uiteengevallen/gesplitste staat de mogelijkheid geboden om (onder bepaalde voorwaarden) de nationaliteit van de nieuwe staat door optie te verkrijgen.
Als een Nederlander, die op het moment dat de oude staat ophield te bestaan in het bezit was van de nationaliteit van die uiteenvallende staat door het afleggen van een optie, als hierboven bedoeld, de nationaliteit van een nieuwe staat verkrijgt, heeft dat geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg. Deze nationaliteitsmutatie houdt zo duidelijk en uitsluitend verband met de staatkundige veranderingen in het andere land, dat niet gesproken kan worden van ‘vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit’ als bedoeld in onderhavig artikellid. Het hier gestelde geldt alleen voor de Nederlander die tot het moment van het uiteenvallen of splitsing van de betreffende oude staat de nationaliteit van die staat bezat en dus niet voor degene die die nationaliteit voor dat tijdstip heeft verloren (bijvoorbeeld als gevolg van naturalisatie tot Nederlander). Laatstgenoemde persoon is dan op het moment van uiteenvallen of splitsing van de staat niet meer in het bezit van de nationaliteit van de uiteenvallende staat. In dat geval is duidelijk sprake van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit.
Bij statenopvolging kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het uiteenvallen van een staat in diverse nieuwe staten of aan een splitsing van een staat als gevolg van een afscheidingsverklaring. In het kader van de hier bedoelde statenopvolging wordt veelal door de nieuw ontstane staten aan bepaalde (in het buitenland wonende) voormalige burgers van de oude uiteengevallen/gesplitste staat de mogelijkheid geboden om (onder bepaalde voorwaarden) de nationaliteit van de nieuwe staat door optie te verkrijgen.
Ook bij de toepassing van [15, tweede lid onder a of b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan statenopvolging een rol spelen. Als een persoon vrijwillig een vreemde nationaliteit heeft verkregen, dan kan het verlies van de Nederlandse nationaliteit toch niet intreden als de persoon in het land van die nieuwe nationaliteit is geboren en daar verblijft op het moment van de verkrijging of als hij daar vijf jaar voor zijn meerderjarigheid heeft gewoond. De Hoge Raad heeft op 26 juni 2015 uitspraak gedaan inzake de interpretatie van artikel 15 lid 2 RWN bij een statenopvolging. Het betrof in deze zaak een persoon die vóór de onafhankelijkheid van Suriname aldaar is geboren en die tevens vóór de onafhankelijkheid van Suriname vijf jaar als minderjarige aldaar had gewoond. De vraag was of hij door vrijwillige verkrijging van de Surinaamse nationaliteit (ná 1 april 2003) de Nederlandse nationaliteit had verloren. De Hoge Raad oordeelde met de volgende overweging dat deze persoon het Nederlanderschap had behouden:
**‘De in art. 15 lid 2, aanhef en onder a en b, RWN omschreven bescherming tegen het verlies van het Nederlanderschap komt ook toe aan een meerderjarige Nederlander die vrijwillig de nationaliteit van een nieuwe soevereine staat verkrijgt en – op het grondgebied van die staat is geboren voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd, en ten tijde van zijn naturalisatie zijn hoofdverblijf in die nieuwe soevereine staat heeft (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder a, RWN), dan wel – als minderjarige gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren zijn hoofdverblijf heeft gehad op het grondgebied van die staat voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder b, RWN).’**
Deze beschikking van de Hoge Raad is niet alleen van toepassing op Suriname, maar ook op andere landen als sprake is van het krijgen van de nationaliteit van een nieuw gevormde soevereine staat. Het begrip ‘land’ van artikel 15 lid 2 onder a en b dient dan als volgt te worden uitgelegd:
### 15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
Artikel 15 lid 2 onder b: onder ‘**die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad**’ moet worden verstaan: die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren op het huidige grondgebied van de staat waarvan de nationaliteit wordt verkregen zijn hoofdverblijf heeft gehad. Kort samengevat, in de visie van de Hoge Raad moeten de volgende vragen worden gesteld:
Als bij 2. er twee keer ‘ja’ moet worden geantwoord, blijft betrokkene Nederlander.
Als bij 3. ‘ja’ moet worden geantwoord, blijft betrokkene Nederlander.
Als bij 2. er twee keer ‘ja’ moet worden geantwoord, blijft betrokkene Nederlander.
Als bij 3. ‘ja’ moet worden geantwoord, blijft betrokkene Nederlander.
Behalve het vereiste van meerderjarigheid, geldt hier verder als enige voorwaarde dat betrokkene naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit bezit. Hij mag immers volgens [artikel 14, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) niet staatloos worden. Het bezit van die andere nationaliteit zal in de meeste gevallen blijken uit de beschrijving van betrokkene in de BRP. Is dat niet het geval, dan moet een bewijs van de andere nationaliteit worden overgelegd. Dit bewijs kan ook worden verlangd als bijvoorbeeld aan het al dan niet bezitten van een andere nationaliteit wordt getwijfeld (vergelijk [artikel 62, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Dit geldt eveneens ten aanzien van de minderjarige kinderen van betrokkene, die – mits zij daardoor niet staatloos worden – op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) delen in de afstand.
### Paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
Een verklaring van afstand wordt in beginsel in persoon ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) en schriftelijk ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)) afgelegd, omdat van belang is dat wordt aangetoond dat de betrokkene is wie hij zegt te zijn. De burgemeester, moet zich de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de betreffende persoon ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). In dat kader wordt betrokkene verzocht een geldig identiteitsdocument te overleggen.
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door onze Minister van het besluit waarbij de verkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd, welke kan plaatsvinden, indien de vreemdeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, heeft nagelaten na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.**
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
Van de optant die een optieverzoek indient op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijk te zullen doen om die nationaliteit te verliezen (artikel 6a, eerste lid, RWN). Dit is alleen anders als de optant valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie de toelichting bij artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN) ([artikel 30b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30b)).
De door de burgemeester opgemaakte verklaring van afstand wordt door de betrokkene of, in het voorkomend geval, door zijn gemachtigde ondertekend ([artikel 3, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Tevens vindt ondertekening plaats door of namens de burgemeester. Tenzij de betrokkene daardoor staatloos zou worden, treedt verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in door de verklaring zelf. Aan het verlies ligt dan ook geen enkele beslissing van overheidswege ten grondslag.
### Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
De burgemeester zendt het origineel van de afgelegde afstandsverklaring en een afschrift van de bevestiging, ter opneming in het nationaliteitenregister bedoeld in [artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22), aan de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie en behoudt zelf afschriften van deze documenten ([artikel 64, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)). Tevens zendt hij een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de personen, die door of als gevolg van de verklaring van afstand hun Nederlanderschap verloren hebben, in de BRP zijn ingeschreven. Wonen de hier bedoelde personen in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, dan zendt hij een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie en Verslavingszorg van Aruba, de Minister van Justitie van Curaçao en de Minister van Justitie van Sint Maarten (artikel 64, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
### Paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
Als de verklaring van afstand met rechtsgevolg is afgelegd, bevordert de burgemeester ([artikel 64, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)) dat:
### 15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
Als de verklaring van afstand met rechtsgevolg is afgelegd, bevordert de burgemeester ([artikel 64, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)) dat:
Behoudens het gestelde in de volgende alinea, treedt verlies van het Nederlanderschap in door langdurig verblijf in het buitenland. Van belang hierbij is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan. Betrokkene:
### Paragraaf 1. Algemeen
In verband met de wijziging van de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212) (Stb 2014, 10) heeft de Nederlandse identiteitskaart sinds 20 januari 2014 (Stb 2014, 11) binnen de EU niet langer de status van een reisdocument, maar van een identiteitskaart. De Nederlandse identiteitskaart is geldig voor de landen die behoren tot de Europese Unie. Als landen buiten de Europese Unie zijn aangewezen Andorra, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen, San Marino, Turkije, IJsland en Zwitserland waar binnen de grenzen van de Paspoortwet een daar woonachtige Nederlander recht heeft op verstrekking van een Nederlandse identiteitskaart ([artikel 5a Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012810&artikel=5a)).
### Artikel 15a
In verband met de wijziging van de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212) (Stb 2014, 10) heeft de Nederlandse identiteitskaart sinds 20 januari 2014 (Stb 2014, 11) binnen de EU niet langer de status van een reisdocument, maar van een identiteitskaart. De Nederlandse identiteitskaart is geldig voor de landen die behoren tot de Europese Unie. Als landen buiten de Europese Unie zijn aangewezen Andorra, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen, San Marino, Turkije, IJsland en Zwitserland waar binnen de grenzen van de Paspoortwet een daar woonachtige Nederlander recht heeft op verstrekking van een Nederlandse identiteitskaart ([artikel 5a Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012810&artikel=5a)).
### paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
Vanaf de dag van de verstrekking van een dergelijk document begint een nieuwe verliestermijn van tien jaren te lopen ([artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)). Dus, als men er – steeds binnen tien jaren – voor zorgt in het bezit te worden gesteld van bedoelde verklaring van Nederlanderschap, een Nederlands reisdocument of Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212), kan het Nederlanderschap nimmer op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN verloren gaan door verblijf in het buitenland.
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
Onder daartoe aanleiding gevende omstandigheden kan in een incidenteel geval worden onderzocht op welke datum (vlak voor de afgiftedatum) door de paspoortautoriteit intern is besloten om het paspoort te laten produceren. Dit is alleen van belang als een op grond van [artikel 15, eerste lid en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) lopende tienjaarstermijn afloopt/eindigt in de korte periode tussen de beslisdatum om het paspoort ten behoeve van de Nederlander te laten produceren en de in het vervolgens geproduceerde paspoort vermelde afgiftedatum. Het zal hier om zeer incidentele gevallen gaan. In een voorkomend geval is een op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende tienjaarstermijn gestuit op de beslisdatum om het paspoort ten behoeve van de Nederlander te laten produceren. In een dergelijk geval wordt evenwel tevens aangenomen dat de volgende op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende tienjaarstermijn is gestart op de afgiftedatum van het paspoort.
### Paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
Uit [artikel 61 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61) volgt dat als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap als bedoeld in [artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en in [artikel V, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) geldt:
### Paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
Is de verklaring afgegeven vóór 1 april 2003 en bedoeld om te dienen als bewijs van het bezit van het Nederlanderschap, dan wordt het document als zodanig aanvaard, mits het is verstrekt door een Nederlandse, (voormalige) Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse autoriteit (zie [artikel 73, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)).
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
Volgens [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de periode van tien jaren bedoeld in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dat betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN verlies van het Nederlanderschap kan intreden.
### paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
De verliestermijn kan niet worden omzeild door binnen de termijn van tien jaren ‘eventjes’ naar bijvoorbeeld Nederland te komen. Immers, [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) bepaalt dat de verliestermijn van tien jaren geacht wordt niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan wel op gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. Zie voor wat betreft het tijdstip van aanvang en/of eventuele verlenging van de termijn paragraaf 2.
A, geboren op 5 januari 1980 in Australië, is van Nederlandse en Australische nationaliteit en woont sedert geboorte in Australië. De verliestermijn van tien jaar van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) vangt voor A aan op 1 april 2003 (vergelijk [artikel IV RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV)). Op 5 september 2012 gaat A in Italië wonen. Op 1 april 2013 woont hij daar nog steeds. A is nimmer in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument of van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. Vraag is wanneer A zijn Nederlanderschap verliest. Blijft A in Italië wonen, dan kan tussen 1 april 2013 en 5 september 2013 ten aanzien van hem niet worden geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap. Woont hij op 5 september 2013 nog steeds in Italië, dan kan pas op die datum worden gesteld dat hij het Nederlanderschap niet heeft verloren ingevolge [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Hij heeft immers dan pas (langer dan) een jaar hoofdverblijf gehad in een EU-lidstaat, waardoor ingevolge [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) geacht moet worden te zijn onderbroken door de verplaatsing van zijn hoofdverblijf naar Italië.
Vestigt A zich op 10 juli 2013 (of een andere datum vóór 5 september 2013) weer in Australië (of elders buiten een EU-lidstaat), dan kan pas op die datum ten aanzien van hem worden gesteld dat hij, achteraf bezien, zijn Nederlanderschap op 1 april 2013 heeft verloren ingevolge [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Immers, niet eerder dan op 10 juli 2013 blijkt dat de periode van hoofdverblijf binnen een EUlidstaat korter is geweest dan een jaar, waardoor ingevolge [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) wordt geacht niet te zijn onderbroken.
A, geboren op 5 januari 1980 in Australië, is van Nederlandse en Australische nationaliteit en woont sedert geboorte in Australië. De verliestermijn van tien jaar van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) vangt voor A aan op 1 april 2003 (vergelijk [artikel IV RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV)). Op 5 september 2012 gaat A in Italië wonen. Op 1 april 2013 woont hij daar nog steeds. A is nimmer in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument of van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. Vraag is wanneer A zijn Nederlanderschap verliest. Blijft A in Italië wonen, dan kan tussen 1 april 2013 en 5 september 2013 ten aanzien van hem niet worden geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap. Woont hij op 5 september 2013 nog steeds in Italië, dan kan pas op die datum worden gesteld dat hij het Nederlanderschap niet heeft verloren ingevolge [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Hij heeft immers dan pas (langer dan) een jaar hoofdverblijf gehad in een EU-lidstaat, waardoor ingevolge [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) geacht moet worden te zijn onderbroken door de verplaatsing van zijn hoofdverblijf naar Italië.
Tot 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Dit was geregeld in het oude [artikel 15, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
Het verlies als hiervoor bedoeld, trad niet in indien:
### paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
Met betrekking tot het huidige [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kent de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) twee overgangsbepalingen, namelijk [artikel IV RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) voor personen die op 1 april 2003 hun Nederlanderschap nog niet hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN en [artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) voor personen die op grond van laatstbedoelde verliesbepaling hun Nederlanderschap vóór 1 april 2003 hebben verloren. Zie voor een uitleg van [artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) de toelichting onder dat artikel.
### paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
Blijft hij – in het bezit van beide nationaliteiten – in de Verenigde Staten wonen, dan zal hij zijn Nederlanderschap eerst verliezen op 1 april 2013 (en dus niet op 15 maart 2006!).
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
Blijft hij – in het bezit van beide nationaliteiten – in de Verenigde Staten wonen, dan zal hij zijn Nederlanderschap eerst verliezen op 1 april 2013 (en dus niet op 15 maart 2006!).
### 16-2-alg. Toelichting algemeen
### 15-1-d. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van intrekkingsbesluit. De hier bedoelde intrekking heeft – in tegenstelling tot de intrekking van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) – geen terugwerkende kracht. Het intrekkingsbesluit kan ook verlies van het Nederlanderschap tot gevolg hebben ten aanzien van de minderjarige kinderen die aanvankelijk zijn meegenaturaliseerd, en wel op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) (zie de toelichting bij artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN).
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van het besluit tot intrekking gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties (artikel 70, eerste lid, BVVN). [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent:
Wordt de burgemeester door de IND in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 3. Wettelijk vertegenwoordiger
### Artikel 13
### paragraaf 1. Optiegelden
### Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
### Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
### Paragraaf 1.1. Overgangsrecht
### paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht
### paragraaf 1. Algemeen
A, van Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit, heeft in 1990 door geboorte in Nederland op grond van [artikel 3, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) (derde generatieartikel) het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Hij pleegt in 2011 een aanslag tegen de troonopvolger ([artikel 94 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=94)). In 2012 wordt A hiervoor onherroepelijk veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Het Nederlanderschap van A kan worden ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), ook al heeft hij het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Van belang is wel dat hij door de intrekking niet staatloos mag worden. De termijn van 12 jaar geldt in dit geval niet, omdat geen sprake is van toepassing van artikel 14, eerste lid RWN waar het gaat om intrekking wegens bedrog in de optie- of naturalisatieprocedure. Daarentegen is sprake van toepassing van artikel 14, tweede lid RWN wegens een onherroepelijke veroordeling wegens staatsondermijnende handelingen.
In [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) wordt een aantal misdrijven opgesomd. Indien een persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een van deze misdrijven, kan zijn Nederlanderschap worden ingetrokken door de Minister.
In [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) wordt een aantal misdrijven opgesomd. Indien een persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een van deze misdrijven, kan zijn Nederlanderschap worden ingetrokken door de Minister.
### Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
### Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
Voorts wordt in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), verwezen naar [artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205).
### Paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 2.1.3. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c
De beslissing tot intrekking is aan Onze Minister
Van Nederlanders die het Nederlanderschap op een andere wijze dan door optie of naturalisatie hebben gekregen, is het wel mogelijk het Nederlanderschap te ontnemen op grond van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), mits zij over nog een nationaliteit beschikken.
### paragraaf 1. Algemeen
### 14-3. Toelichting ad [artikel 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Sprake moet zijn van krijgsdienst bij een vreemde mogendheid; bij een staat. Dat hieronder bijvoorbeeld niet moet worden verstaan groeperingen als legers van opstandelingen, guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is duidelijk gebleken tijdens de parlementaire behandeling van de Rijkswet van 21 december 2000 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap (Staatsblad 2000, 618). Zie daarvoor de in de Tweede Kamer op 17 februari 2000 aangenomen motie van 14 november 2000 (TK 2000–2001, 26 990, nr. 8) en de niet aangenomen amendementen van 15 februari 2000 (TK 1999–2000, 25 891, nr. 15) en van 16 februari 2000 (TK 1999–2000, 25 891, nr. 23). Welbewust is de mogelijkheid het Nederlanderschap in te trekken beperkt tot het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden van een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk dan wel een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Aan deelneming in groeperingen als legers van opstandelingen; guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is tijdens de parlementaire behandeling aandacht besteed, maar uiteindelijk is een zodanige deelname niet in de wet opgenomen als grond voor intrekking van het Nederlanderschap.
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
Bij de intrekking van het Nederlanderschap wordt een belangenafweging gemaakt waarin de belangen van de betrokkene worden afgewogen tegen de belangen van de Staat. In het geval sprake is van zeer bijzondere individuele omstandigheden kan van de intrekking van het Nederlanderschap worden afgezien. Elementen die bij deze belangenafweging worden meegewogen zijn in ieder geval de eventuele minderjarigheid van betrokkene, prangende redenen van humanitaire aard en voor zover van toepassing de gevolgen voor betrokkene van het verlies van het burgerschap van de Europese Unie.
De persoon ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking vervalt, hoeft niet noodzakelijk Nederlander te zijn. Het kind kan namelijk via die persoon het Nederlanderschap ontlenen aan uitsluitend artikel 3, derde lid, RWN. Ook in dat geval moet worden gesteld dat het Nederlanderschap wordt ontleend aan de familierechtelijke betrekking met die persoon.
Voor rechterlijke uitspraken van na 1 januari 1985, maar vóór 1 januari 2002 dient te worden bedacht dat de termijn voor het instellen van de rechtsmiddelen hoger beroep en cassatie korter is geweest dan de termijn van drie maanden die per 1 januari 2002 geldt. Voor de bepaling van de dag waarop het Nederlanderschap is verloren, dient rekening te worden gehouden met het feit dat deze uitspraken eerder in kracht van gewijsde zijn gegaan.
De Rijkswet van 10 februari 2017 (Stb. 52) vult regels aan met betrekking tot het verlies van het Nederlanderschap. Aan [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is in verband met de dreiging die uitgaat van het mondiale jihadisme een nieuw lid toegevoegd dat het mogelijk maakt het Nederlanderschap in te trekken van personen die uitreizen naar een strijdgebied en zich vrijwillig in krijgsdienst begeven van een terroristische strijdgroep. Deze wijziging van de Rijkswet draagt bij aan de bescherming van de nationale veiligheid door te voorkomen dat een persoon die zich heeft aangesloten bij een terroristische strijdgroep legaal kan terugkeren naar Nederland en hier te lande terroristische activiteiten kan ontplooien.
Onze Minister kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon als uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Deze lijst wordt vastgesteld in de Rijksministerraad en gepubliceerd in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten.
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
De elementen die betrokken worden bij de belangenafweging zijn dwingend voorgeschreven in [artikel 68c BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68c). Dit betekent dat de volgende elementen in ieder individueel besluit terug moeten komen:
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
### Paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
De persoon, van wie het Nederlanderschap is ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), kan in beginsel het Nederlanderschap niet opnieuw verkrijgen. Een optie of een naturalisatie is derhalve in beginsel niet mogelijk als gevolg van de werking van artikel 14, vijfde lid RWN.
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
Het is mogelijk het Nederlanderschap te herkrijgen als ten minste vijf jaren zijn verstreken sinds de intrekking van het Nederlanderschap.
### paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
Indien de Kroon niet de vereiste toestemming verleend voor de herkrijging van het Nederlanderschap, kan tegen een geweigerd toestemmings-KB bezwaar worden gemaakt en vervolgens beroep en hoger beroep worden ingesteld.
**Het Nederlanderschap wordt door een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend ingevolge artikel 3, 4, 5, 5a, 5b, 5c of 6, eerste lid, aanhef en onder c, alsmede ingevolge artikel 4 zoals dit luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap van 21 december 2000,** **Stb. 618** **en ingevolge artikel 5 zoals dat luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet van 3 juli 2003 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met de totstandkoming van de Wet conflictrecht adoptie (****Stb. 284****). Het verlies bedoeld in de eerste zin treedt niet in indien de andere ouder op het tijdstip van het vervallen van die betrekking Nederlander is of dat was ten tijde van zijn overlijden. Het verlies treedt evenmin in indien het Nederlanderschap ook kan worden ontleend aan artikel 3, derde lid, of aan artikel 2, onder a, van de Wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (****Stb. 268****).**
### Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
De persoon ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking vervalt, hoeft niet noodzakelijk Nederlander te zijn. Het kind kan namelijk via die persoon het Nederlanderschap ontlenen aan uitsluitend artikel 3, derde lid, RWN. Ook in dat geval moet worden gesteld dat het Nederlanderschap wordt ontleend aan de familierechtelijke betrekking met die persoon.
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
Bij beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 7 januari 2004 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van de minderjarige A. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld. Ingevolge artikel 1:202, eerste lid, BW vervalt de familierechtelijke betrekking tussen de Nederlandse man en A op het moment dat de beschikking van 7 januari 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.
De minderjarige B verliest met ingang van 10 oktober 2011 het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid RWN. B wordt daardoor niet staatloos, omdat hij de Belgische nationaliteit bezit. Weliswaar kan verlies van het Nederlanderschap niet intreden indien betrokkene het Nederlanderschap tevens ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN, maar B ontleent het Nederlanderschap niet óók aan artikel 3, derde lid, RWN. Hij bezat het via de vader uitsluitend op grond van die bepaling.
C is in 1999 geboren in Australië als dochter van een Australische vrouw. In 2000 is C erkend door een Nederlander, waardoor zij het Nederlanderschap verkreeg op grond van het toen geldende artikel 4 RWN. Sindsdien is C van Nederlandse en Australische nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent zij uitsluitend aan het toen geldende artikel 4 RWN. In 2001 verkrijgt de moeder van C het Nederlanderschap door naturalisatie. Na het overlijden van de Nederlandse moeder wordt bij beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 7 april 2004 de erkenning van C vernietigd. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld.
### Paragraaf 1. Algemeen
### 14-10. Toelichting ad [artikel 14, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
Boek 10 BW: [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=19)
Boek 10 BW: [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=19)
### 15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
Het moment waarop het verlies van het Nederlanderschap wegens het niet (tijdig) verwerpen van de vreemde nationaliteit intreedt, is afhankelijk van de omstandigheid of de termijn van verwerping vóór of na de verkrijging van de vreemde nationaliteit ligt.
Kent de vreemde nationaliteitswetgeving alleen een termijn waarbinnen een **komende verkrijging** van die nationaliteit kan worden voorkomen en maakt men van deze mogelijkheid tot niet-verkrijging geen gebruik, dan treedt het verlies van het Nederlanderschap in op de dag dat de vreemde nationaliteit van rechtswege wordt verkregen.
Onder echtgenoot wordt tevens verstaan de partner in een in Nederland geregistreerd partnerschap of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), en onder huwelijk tevens het in Nederland geregistreerd partnerschap en het buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN (zie voor een uitzondering hierop de toelichting bij artikel 15A RWN). Als in het concrete geval sprake is van zogenaamde ‘statenopvolging’: zie voor een uitleg van het begrip ‘**geboren in het land van die andere nationaliteit**’ (art. 15, tweede lid, a RWN) of het **‘in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad**’ (art. 15, tweede lid, b RWN) hieronder in [paragraaf 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15¶graaf=1¶graaf=1.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
Echter, is de verkregen andere nationaliteit een nationaliteit van een staat die partij is bij het hiervoor genoemde Verdrag van Straatsburg, maar dat niet is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag (**Trb.**1994, nr. 265), welk protocol voor Nederland in werking is getreden op 20 augustus 1996, dan gelden de hier bedoelde uitzonderingen niet (voor nadere uitleg zie de toelichting bij [artikel 15A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A)).
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Paragraaf 1.3.1. Statenopvolging bij de toepassing van [artikel 15, lid 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### Paragraaf 1.3.1. Statenopvolging bij de toepassing van [artikel 15, lid 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Artikel 15 lid 2 onder a: Onder ‘**die in het land van die andere nationaliteit is geboren**’ moet worden verstaan: geboren op het huidige grondgebied van de staat waarvan de nationaliteit wordt verkregen.
### Paragraaf 1. Algemeen
Het gaat hier in feite om de vraag welke grenzen moeten worden gesteld aan het begrip ‘vrijwillig’. De dienstneming in de betreffende vreemde krijgsdienst moet het gevolg zijn van een specifieke op dat doel gerichte wilsdaad van de betrokkene, wil er sprake zijn van vrijwilligheid die verlies van het Nederlanderschap tot gevolg heeft.
Een verklaring van afstand (zie [model 3.2 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) moet in Nederland worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester ([artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene met een adres in de BRP is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.
Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk, vervult betrokkene in het leger van dat land zijn militaire dienstplicht. Hij verliest op dat moment niet zijn Nederlandse nationaliteit. Zet hij echter, na het verstrijken van de dienstplichttijd, de dienst vrijwillig voort, en is het land op dat moment nog betrokken bij gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk of een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is, dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.
### paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
### 21-alg. Toelichting algemeen
Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van het intrekkingsbesluit. De intrekking heeft geen terugwerkende kracht.
Zie de [toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15¶graaf=1¶graaf=1.1&z=2017-01-01&g=2017-01-01) en [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15¶graaf=1¶graaf=1.2&z=2017-01-01&g=2017-01-01).
### Paragraaf 1. Algemeen
Door de verstrekking van één van laatstbedoelde documenten wordt de verliestermijn van tien jaren gestuit. In het document moet op grond van [artikel 3, zesde lid Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=3) het Nederlanderschap van de houder zijn vermeld. Behalve door afgifte van een Nederlands paspoort of een Nederlandse identiteitskaart wordt de termijn ook gestuit bij afgifte van een:
### Paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn
Als ‘de dag der verstrekking’ van het Nederlandse paspoort geldt in beginsel de afgiftedatum van het reisdocument. Op die in het reisdocument vermelde datum stopt in beginsel een op grond van [artikel 15, eerste lid en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) lopende tienjaarstermijn en start een nieuwe termijn. Het gaat hier om een voor iedere burger en wetstoepasser duidelijke en goed vindbare datum.
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
Als ‘de dag der verstrekking’ van het Nederlandse paspoort geldt in beginsel de afgiftedatum van het reisdocument. Op die in het reisdocument vermelde datum stopt in beginsel een op grond van [artikel 15, eerste lid en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) lopende tienjaarstermijn en start een nieuwe termijn. Het gaat hier om een voor iedere burger en wetstoepasser duidelijke en goed vindbare datum.
### 16a-alg. Toelichting algemeen
Verder is in [artikel 61 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61) geregeld dat:
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
Uit de toelichting bij artikel 61 BVVN blijkt dat verklaringen omtrent het bezit van het Nederlanderschap geen andere betekenis hebben dan dat daaruit blijkt dat door de nationaliteitsrechter op het tijdstip van zijn beschikking, respectievelijk door de verstrekkende autoriteit op het tijdstip van verstrekking is vastgesteld, dat de in de beschikking of verklaring genoemde persoon op dat tijdstip de Nederlandse nationaliteit bezit.
### 17-alg. Toelichting algemeen
Uit de toelichting bij artikel 61 BVVN blijkt dat verklaringen omtrent het bezit van het Nederlanderschap geen andere betekenis hebben dan dat daaruit blijkt dat door de nationaliteitsrechter op het tijdstip van zijn beschikking, respectievelijk door de verstrekkende autoriteit op het tijdstip van verstrekking is vastgesteld, dat de in de beschikking of verklaring genoemde persoon op dat tijdstip de Nederlandse nationaliteit bezit.
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
### Artikel 22
### 16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
Tot 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Dit was geregeld in het oude [artikel 15, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
A, van Nederlandse en Franse nationaliteit, geboren in 1945 in Nederland, woont sedert 15 maart 1996 in de Verenigde Staten).
A kan echter verlies van het Nederlanderschap voorkomen door ervoor te zorgen dat hij vóór 1 april 2013 in het bezit wordt gesteld van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument (vergelijk [artikel 15, lid 4, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)). Vanaf de datum van de verstrekking van een van beide documenten begint dan voor hem een nieuwe verliestermijn van tien jaar te lopen.
### 15-1-d. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door Onze Minister van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, welke kan plaatsvinden, indien de betrokkene heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.**
Als de betrokkene, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na totstandkoming van de naturalisatie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan Onze Minister overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend.
### 16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
Zie voor de gevolgen van de intrekking voor bij de naturalisatie gewijzigde of vastgestelde namen, de toelichting bij [artikel 14, eerste lid, RWN, paragraaf 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14¶graaf=5¶graaf=5.3&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
### 16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 1. Algemeen
Wordt het bezwaar gegrond verklaard, dan zal het intrekkingsbesluit worden herroepen. De herroeping werkt terug tot de datum van het intrekkingsbesluit. Hierdoor wordt betrokkene geacht nimmer het Nederlanderschap door intrekking te hebben verloren. Bij een ongegrond bezwaar is beroep mogelijk bij de rechtbank, sector Bestuursrecht.
### Artikel 16
Op grond van [artikel 15, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) (oud) werd tot 1 april 2003 het Nederlanderschap ingetrokken bij Koninklijk Besluit. Op een bezwaarschrift gericht tegen een Koninklijk Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wegens het niet nakomen van de afstandsverplichting, dient (ook na inwerkingtreding van de wijzigingswetten uit 2000 en 2002) te worden beslist door middel van een Koninklijk Besluit. (Dit op grond van [artikel 1:5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:5) juncto [artikel 6:4, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:4).)
Mocht betrokkene na ingesteld bezwaar c.q. beroep alsnog moeten worden aangemerkt als Nederlander, wordt de burgemeester wederom door de IND hiervan in kennis gesteld.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
### Paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 1.1. Overgangsrecht
### paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht
### paragraaf 2. Algemeen
### paragraaf 1.4. Situatie tot 1 april 2003
### paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid
### Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
### Paragraaf 2.1.2.2. [Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)
### paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
### 14-3. Toelichting ad [artikel 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 2.3. Het Nederlanderschap van het minderjarige kind van degene wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid RWN
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
Artikel 14 lid 4 RWN heeft een geldigheidsduur van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit artikel op 1 maart 2017. Reden hiervoor is dat bij de behandeling in de Tweede Kamer van deze Rijkswet een amendement is aangenomen dat voorziet in een horizonbepaling. Deze bepaling houdt in dat vijf jaar na inwerkingtreding een bezinning plaatsvindt over de wenselijkheid van de maatregelen. Gevolg van dit amendement is dat artikel 14, vierde lid, RWN en de daarmee samenhangende [artikelen 22A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22a), [22B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22b), [22C, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22c) in beginsel met ingang van 1 maart 2022 komen te vervallen.
De Rijkswet van 10 februari 2017 (Stb. 52) vult regels aan met betrekking tot het verlies van het Nederlanderschap. Aan [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is in verband met de dreiging die uitgaat van het mondiale jihadisme een nieuw lid toegevoegd dat het mogelijk maakt het Nederlanderschap in te trekken van personen die uitreizen naar een strijdgebied en zich vrijwillig in krijgsdienst begeven van een terroristische strijdgroep. Deze wijziging van de Rijkswet draagt bij aan de bescherming van de nationale veiligheid door te voorkomen dat een persoon die zich heeft aangesloten bij een terroristische strijdgroep legaal kan terugkeren naar Nederland en hier te lande terroristische activiteiten kan ontplooien.
Om het Nederlanderschap te kunnen intrekken moet sprake zijn van aansluiting bij een organisatie op de hiervoor genoemde lijst. Uit de memorie van toelichting (TK, 2015–2016, 34 356 (R2064), nr 3) blijkt wat de wetgever met het begrip aansluiting bedoelt. Voordat sprake is van ‘aansluiting’ moeten twee voorwaarden zijn vervuld:
Ad 1
Met de voorwaarde van de uit de gedragingen van betrokkene blijkende intentie om zich aan te sluiten is gegarandeerd dat altijd sprake is van vrijwillige aansluiting. De intentie tot aansluiting kan bijvoorbeeld blijken uit eerdere uitingen van betrokkene, bijvoorbeeld op internet of op sociale media.
De intrekking van het Nederlanderschap vindt niet plaats als de betrokken persoon zich in Nederland bevindt. In dat geval ligt aanhouding en strafrechtelijke vervolging meer in de rede dan het intrekken van het Nederlanderschap. Als de betrokkene vervolgens onherroepelijk voor een terroristisch misdrijf wordt veroordeeld zal het Nederlanderschap in beginsel op grond van artikel 14, tweede lid, RWN kunnen worden ingetrokken.
### 15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
### Artikel 15
### 15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
### Paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
Als het Nederlanderschap wordt ingetrokken vervalt het Nederlandse paspoort van rechtswege ([art. 47 lid 1 onder a Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=47)). Van het vervallen van het paspoort wordt terstond melding gedaan bij de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties. Deze melding heeft tot doel te voorkomen dat paspoort uitgevende autoriteiten een nieuw reisdocument verstrekken waarmee de betrokkene Nederland kan inreizen.
### 14-5. Toelichting ad [artikel 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 1. Algemeen
Bij Koninklijk Besluit (KB) zal de Kroon al dan niet toestemming verlenen voor de herkrijging van het Nederlanderschap. Zonder deze toestemming kan het Nederlanderschap niet worden verkregen of verleend. Dit betekent dat de betrokken persoon alvorens een naturalisatieverzoek in te dienen of optieverklaring af te leggen, een toestemmings-KB moet overleggen, wil zijn verzoek toegewezen kunnen worden. Hij zal de Minister in de eerste plaats gemotiveerd, onder aanvoering van de zeer bijzonderheid van zijn omstandigheden, moeten verzoeken om te bevorderen dat er een toestemmings-KB wordt geslagen.
### paragraaf 1.4. Situatie tot 1 april 2003
Ingevolge dit artikellid gaat het Nederlanderschap voor een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend. Het Nederlanderschap moet dan wel zijn verkregen ingevolge [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4), [5 oud](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5), [5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5a), [5b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5b), [5c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5c) of [6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), dan wel ingevolge artikel 4 RWN, zoals die bepaling luidde tot 1 april 2003 (dat betrof verkrijging van het Nederlanderschap door erkenning of wettiging door een Nederlander).
Op grond van [artikel II, lid 4 RRWN 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) gaat het Nederlanderschap voor minderjarigen op grond van dit artikel verloren als het Nederlanderschap is verkregen op grond van artikel II, lid 1 RRWN 2009 (optie op grond van het overgangsrecht).
### Paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
### Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
### Paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
Zou B het Nederlanderschap tevens via de moeder aan artikel 3, derde lid, RWN ontlenen, dan zou voor hem geen verlies intreden. De familierechtelijke betrekking met de moeder is immers niet vervallen.
Uit deze bepaling blijkt dat de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) limitatief de rechtsgronden opsomt waarop het Nederlanderschap verloren gaat. Alle verliesgronden zijn opgenomen in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=5) ([artikelen 14 t/m 16A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)).
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
Hoofdregel bij verlies van het Nederlanderschap is, dat geen verlies optreedt indien dat leidt tot staatloosheid. Op de hoofdregel formuleert dit artikellid één uitzondering, namelijk het geval waarin sprake is van intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) (intrekking wegens valse verklaring, bedrog of verzwijging van een relevant feit). In een dergelijk geval kan het verlies van het Nederlanderschap wél leiden tot staatloosheid.
**De in het vierde lid bedoelde lijst wordt na vaststelling of wijziging toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de Staten van Aruba, aan die van Curaçao en aan die van Sint Maarten en wordt gepubliceerd in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten.**
### Artikel 15
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
### paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
Echter, is de verkregen andere nationaliteit een nationaliteit van een staat die partij is bij het hiervoor genoemde Verdrag van Straatsburg, maar dat niet is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag (**Trb.**1994, nr. 265), welk protocol voor Nederland in werking is getreden op 20 augustus 1996, dan gelden de hier bedoelde uitzonderingen niet (voor nadere uitleg zie de toelichting bij [artikel 15A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A)).
### 15-1-f. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
Indien de optant, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na de verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan de Minister van Justitie overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen ([artikel 30d BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30d)).
Echter, ook al wordt voldaan aan de hierboven genoemde voorwaarden, dan nog treedt géén verlies van het Nederlanderschap in, indien:
Als een Nederlander ingevolge paragraaf 3 Abs (2) Staatsangehörigkeitsgesetz (2007) in 2007 met terugwerkende kracht de Duitse nationaliteit heeft verkregen zou dit kunnen betekenen dat hij/zij – achteraf bezien – het Nederlanderschap heeft verloren op grond van [artikel 15, eerste lid en aanhef onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Voor deze benadering wordt echter niet gekozen omdat het nationaliteitsbeleid ten aanzien van Nederlanders in het buitenland daardoor zou worden beïnvloed door wetgeving van een vreemde overheid. Immers, een vreemde staat zou door het met terugwerkende kracht van rechtswege verschaffen van zijn nationaliteit aan Nederlanders, hen het Nederlanderschap kunnen ontnemen. Dat is niet gewenst.
### paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
Van de verzoeker om naturalisatie wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de totstandkoming van de naturalisatie het mogelijke te zullen doen om die nationaliteit te verliezen ([artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). Dit is alleen anders als iemand valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN).
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap is een beschikking als bedoeld in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) (Awb). De Awb is in het kader van de intrekking van toepassing ongeacht of de persoon in kwestie door tussenkomst van de burgemeester, de gezaghebber, de Gouverneur of een diplomatieke of consulaire post is genaturaliseerd, nu de beslissing tot intrekking zelf genomen wordt door Onze Minister in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk. De persoon in kwestie kan tegen de beschikking bezwaar maken doch dit bezwaar heeft geen schorsende werking.
Mocht betrokkene na ingesteld bezwaar c.q. beroep alsnog moeten worden aangemerkt als Nederlander, wordt de burgemeester wederom door de IND hiervan in kennis gesteld.
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door onze Minister van het besluit waarbij de verkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd, welke kan plaatsvinden, indien de vreemdeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, heeft nagelaten na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.**
### 15-1-e. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Van de optant die een optieverzoek indient op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijk te zullen doen om die nationaliteit te verliezen (artikel 6a, eerste lid, RWN). Dit is alleen anders als de optant valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie de toelichting bij artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN) ([artikel 30b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30b)).
### 16-alg. Toelichting algemeen
Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van het intrekkingsbesluit. De intrekking heeft geen terugwerkende kracht.
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van het intrekkingsbesluit. De intrekking heeft geen terugwerkende kracht.
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### 15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
Zie de [toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15¶graaf=1¶graaf=1.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15¶graaf=1¶graaf=1.2&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
### 15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
Zie de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, paragraaf 1.1 en paragraaf 1.2.
**De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van tien jaren te lopen.**
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### 14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
### paragraaf 2. Algemeen
### paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
### Paragraaf 2.1.2.2. [Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)
### 14-6. Toelichting ad artikel 14, zesde lid
### 14-3. Toelichting ad [artikel 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 2. Intrekking wegens vreemde krijgsdienst
De intrekking van het Nederlanderschap vindt alleen plaats als de betrokkene ongewenst kan worden verklaard. De ongewenstverklaring is noodzakelijk om de legale terugkeer naar Nederlands grondgebied te voorkomen. Redenen om van de ongewenstverklaring af te zien kunnen in de eerste plaats zijn gelegen in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Gedacht kan worden aan de situatie dat het belang van betrokkene om ongehinderd in Nederland zijn gezinsleven te kunnen uitoefenen zwaarder weegt dat het belang van de Nederlandse staat. Gelet op de ernst van de bedreiging van de nationale veiligheid bij een dreigende terroristische aanslag zal ongewenstverklaring alleen in uitzonderingssituaties niet aan de orde zijn. Als ongewenstverklaring niet mogelijk is wordt van de intrekking van het Nederlanderschap afgezien.
Ad 1
Als niet uit een ambtsbericht als hiervoor bedoeld maar bijvoorbeeld uit informatie van politie of het Openbaar Ministerie blijkt dat sprake is van aansluiting in de zin van artikel 14, vierde lid, RWN dan ligt de beoordeling of de intrekking van het Nederlanderschap in het licht van de gedragingen van de betrokkene proportioneel is meer dan het geval is bij een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bij Onze Minister.
### Paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### 15-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 1.4. Situatie tot 1 april 2003
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
### 15-1-e. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
De verklaring van afstand vermeldt dat de persoon die de verklaring aflegt, bekend is met het feit dat ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) minderjarige kinderen onder omstandigheden zullen delen in het verlies van het Nederlanderschap ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen bepaalt de burgemeester, voor zoveel mogelijk, of hiervan sprake zal zijn ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)) en licht hij degene die de afstandsverklaring aflegt daarover in.
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
### 16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
### 15-1-e. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Dit artikellid is niet van toepassing op optieverklaringen die zijn ingediend vóór 1 oktober 2010.
Indien de optant, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na de verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan de Minister van Justitie overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen ([artikel 30d BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30d)).
Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting in de Handleiding bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN ([artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70)).
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
**Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de verkrijger**
**Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de verkrijger**
### 15-4. Toelichting ad [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
**De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van tien jaren te lopen.**
### 15-4. Toelichting ad [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### Artikel 15a
### Artikel 17
Geen.
### 15a-alg. Toelichting algemeen
De regeling van [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) welke in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, zou zonder nadere beperking in strijd komen met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten. Dat betreft enerzijds verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Verdrag van Straatsburg), tenzij die staat tevens partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag, anderzijds verplichtingen uit de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS). De verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS hebben voorrang boven de regeling neergelegd in de RWN, met name in artikel 15, tweede lid, RWN.
Hoewel het onderhavige artikel in het licht van artikel 94 Grondwet (verdrag gaat boven wet) overbodig zou kunnen worden geacht (het verlies vloeit immers rechtstreeks voort uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS), heeft de wetgever het toch wenselijk geacht deze verdragsverplichtingen onder de aandacht te brengen in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738). Het onderhavige artikel beoogt dus niet zelfstandige verliesgronden in het leven te roepen. Indien de bepaling uit de in dit artikel genoemde verdragen rechtstreekse werking hebben, leidt die bepaling van rechtswege tot verlies van het Nederlanderschap. Het verlies treedt derhalve niet in op grond van het onderhavige artikel maar op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van het Verdrag van Straatsburg of van de TOS.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### Paragraaf 2.1.2.3. [Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205)
### Paragraaf 2. Intrekking wegens vreemde krijgsdienst
### paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging
Er vindt een afweging plaats of intrekking van het Nederlanderschap het belang van strafrechtelijke vervolging op onaanvaardbare wijze schaadt. Hiervan kan sprake zijn wanneer bijvoorbeeld bij het Openbaar Ministerie al een omvangrijk dossier is voorbereid en er sprake is van een reële verwachting dat betrokkene op korte termijn effectief vervolgd kan worden. De IND neemt voordat een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt genomen contact op met het Openbaar Ministerie zodat kan worden afgewogen of in het voorliggende geval de strafrechtelijke of de bestuurlijke aanpak moet prevaleren.
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
### Paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
### 14-8. Toelichting ad [artikel 14, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
### Artikel 15a
### 15a-alg. Toelichting algemeen
De regeling van [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) welke in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, zou zonder nadere beperking in strijd komen met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten. Dat betreft enerzijds verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Verdrag van Straatsburg), tenzij die staat tevens partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag, anderzijds verplichtingen uit de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS). De verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS hebben voorrang boven de regeling neergelegd in de RWN, met name in artikel 15, tweede lid, RWN.
**Voorts gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren indien hij ten gevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring door naturalisatie, optie of herstel daarin de nationaliteit verkrijgt van een Staat die Partij is bij het op 6 mei 1963 te Straatsburg gesloten verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (** **Trb. 1964, nr. 4** **) en dit Verdrag dat verlies meebrengt. Het voorgaande is echter niet van toepassing indien die Staat tevens Partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag (** **Trb. 1994, nr. 265** **) en de betrokkene behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid.**
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
### Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 1. Algemeen
### 15-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
Op grond van artikel 68c, tweede lid, BVVN dient reeds bij de intrekking van het Nederlanderschap expliciet te worden getoetst aan artikel 8 EVRM. De reden hiervoor is dat intrekking op deze grond in alle gevallen gepaard zal gaan met het weigeren van de toegang tot Nederland, en derhalve een inbreuk kan vormen op het recht op gezinsleven en het recht op privéleven van artikel 8 EVRM. De toets aan artikel 8 EVRM wordt opgenomen in het besluit tot ongewenstverklaring.
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) wordt niet voorafgegaan door het uitbrengen van een voornemen waarop de betrokkene een zienswijze kan gegeven. De vereiste spoed ([artikel 4:11 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:11)) verzet zich hiertegen. De personen waar het om gaat vormen een gevaar voor de nationale veiligheid en het is daarom van belang dat het besluit tot intrekking zo snel mogelijk na het bekend worden van de relevante feiten kan worden genomen. Zo wordt de legale terugkeer naar Nederland onmogelijk en wordt de dreiging die van de betrokkenen uitgaat zoveel mogelijk weggenomen.
### 14-10. Toelichting ad [artikel 14, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
### 15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
### paragraaf 1.4. Situatie tot 1 april 2003
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
### Artikel 16
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
Zie de [toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15¶graaf=1¶graaf=1.1&z=2017-04-01&g=2017-04-01) en [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15¶graaf=1¶graaf=1.2&z=2017-04-01&g=2017-04-01).
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)
### Paragraaf 1. Algemeen
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
Tot 28 april 2008 gold deze verdragsverplichting ook voor België. Voor België is op 19 juli 1991 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 19 juli 1991 en 28 april 2008 de Belgische nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 28 april 2008 is voor België de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd.
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
Voor Frankrijk is ook het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg (samen met het Verdrag) vervallen. Het Tweede Protocol (in tegenstelling tot het Verdrag zelf) heeft geen rechtstreekse werking, maar heeft uitvoering gekregen door middel van [artikel 15a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) per 1 april 2003.
Tot 9 juli 2009 gold voornoemde verdragsverplichting ook voor Luxemburg. Voor Luxemburg is op 12 november 1971 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 10 juni 1985 (datum inwerkingtreding Verdrag voor het hele Koninkrijk der Nederlanden) en 9 juli 2009 de Luxemburgse nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 9 juli 2009 is voor Luxemburg de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
Alvorens een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt genomen wordt dit ter beoordeling aan Onze Minister voorgelegd.
### paragraaf 1.4. Situatie tot 1 april 2003
### 16-alg. Toelichting algemeen
### 15-1-f. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
### 15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
### paragraaf 1.4. Situatie tot 1 april 2003
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
Tot 5 maart 2009 gold voornoemde verdragsverplichting ook voor Frankrijk. Voor Frankrijk is op 28 maart 1968 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 10 juni 1985 (datum inwerkingtreding Verdrag voor het hele Koninkrijk der Nederlanden) en 5 maart 2009 de Franse nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 5 maart 2009 is voor Frankrijk de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd.
Tot 4 juni 2010 gold voornoemde verdragsverplichting ook voor Italië. Voor Italië is het Verdrag van Straatsburg op 27 februari 1968 van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 10 juni 1985 (datum inwerkingtreding Verdrag voor het hele Koninkrijk der Nederlanden) en 4 juni 2010 de Italiaanse nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 4 juni 2010 is voor Italië de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd.
Voor Italië is ook het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg (samen met het Verdrag) vervallen. Het Tweede Protocol heeft, in tegenstelling tot het Verdrag zelf, geen rechtstreekse werking, maar heeft per 1 april 2003 uitvoering gekregen door middel van [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), 15a, [16, tweede lid, aanhef en onder e, f en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) en [16a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16A).
Denemarken heeft Hoofdstuk I van het Verdrag toegepast van 17 december 1972 tot 26 augustus 2015. Voor Denemarken is op 17 december 1972 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. Met ingang van 26 augustus 2015 is voor Denemarken de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd.
### Artikel 20
Hoofdregel van het Verdrag van Straatsburg is dat vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van een ander verdragsland automatisch leidt tot verlies van de oorspronkelijke nationaliteit. Dit betekent dus ook dat een meerderjarige Nederlander, die vrijwillig de nationaliteit van een ander verdragsland verkrijgt, het Nederlanderschap verliest (artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg), ook al zou hij behoren tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN (verdrag gaat immers boven de wet). Het verlies vloeit rechtstreeks voort uit het verdrag.
Het gestelde in de vorige alinea geldt echter niet als het betreffende verdragsland ook partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg. Het Tweede Protocol maakt het voor elke verdragsluitende partij mogelijk om in bepaalde gevallen door middel van de eigen interne wetgeving afbreuk te doen aan de hoofdregel van het verdrag, waarbij elke staat, die ratificeert, zelf ten aanzien van die gevallen bepaalt in welke mate van dat recht gebruik wordt gemaakt. De gevallen als hier bedoeld, zijn:
Nederland heeft van die mogelijkheid gebruikgemaakt door opneming in de RWN van artikel 15, tweede lid, RWN en overigens ook van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, f en g, RWN (vergelijk ook de tweede zin van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN en de tweede zin van artikel 16A RWN). Het Tweede Protocol is op 24 maart 1995 in werking getreden voor Frankrijk (tot 5 maart 2009) en Italië (tot 4 juni 2010) en is sedert 20 augustus 1996 ook voor Nederland van kracht. Echter, tot 1 april 2003 is door Nederland in de eigen interne wetgeving geen uitvoering gegeven aan het Tweede Protocol.
De betekenis van het Tweede Protocol is sinds 4 juni 2010 beperkt, doordat naast Nederland geen andere landen meer zijn aangesloten bij het Tweede Protocol
Het bovenstaande betekent dan ook dat vanaf 1 april 2003 de meerderjarige Nederlander die vrijwillig de nationaliteit van een verdragsland verkrijgt op een moment dat het land partij bij Hoofdstuk I van het Verdrag is, het Nederlanderschap verliest, tenzij:
[Artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) bepaalt dat voor de toepassing van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN onder ‘echtgenoot’ niet is begrepen ‘geregistreerd partner’; en dat onder ‘huwelijk’ niet is begrepen ‘geregistreerde partnerschap’. Artikel 1, tweede lid RWN, vloeit voort uit het Verdrag van Straatsburg. Hieronder wordt een en ander met voorbeelden verduidelijkt.
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
### 20-alg. Toelichting algemeen
### 21-alg. Toelichting algemeen
Aangezien Italië ten tijde van de naturalisatie van B nog partij is bij het Verdrag van Straatsburg, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat B, ondanks het feit dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN, als gevolg van de directe werking van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg zijn Nederlanderschap heeft verloren door zijn naturalisatie tot Italiaan.
In dit geval echter, biedt het Tweede Protocol wél soelaas. Immers, Italië was tot 4 juni 2010 partij bij het Tweede Protocol geweest en uit het bepaalde in artikel 15A, aanhef en onder a, RWN, tweede zin vloeit voort dat verlies van het Nederlanderschap in dat geval niet intreedt, mits betrokkene behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Welnu, B behoort tot een van die categorieën, namelijk categorie c; hij is immers gehuwd met een vrouw van Italiaanse nationaliteit. De conclusie is dan ook, dat B zijn Nederlanderschap niet heeft verloren door zijn naturalisatie tot Italiaan omdat B tussen 1 april 2003 en 4 juni 2010 is genaturaliseerd.
### 16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
De uitkomst is hier echter anders. Weliswaar was Italië tot 4 juni 2010 partij bij het Tweede Protocol, maar in dit geval kan ten aanzien van B niet worden gesteld dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Immers, ingevolge artikel 1, tweede lid, RWN mag voor de toepassing van artikel 15A RWN onder huwelijk niet tevens geregistreerde partnerschap worden verstaan.
B verliest dan ook zijn Nederlanderschap als gevolg van de directe werking van het Verdrag van Straatsburg (artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg) en hij kan zich niet beroepen op het gestelde in de tweede zin van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN.
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
De voorbeelden 2 en 3 gelden voor de periode van 1 april 2003 tot 5 maart 2009 ook in het geval B de Franse nationaliteit heeft verkregen. Vanaf 5 maart 2009 is Frankrijk geen partij meer bij Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg. Artikel 15A is sindsdien niet meer van toepassing als een Nederlander vrijwillig de Franse nationaliteit verkrijgt. De Nederlander verliest zijn nationaliteit bij het verkrijgen van de Franse nationaliteit op grond van artikel 15 lid 1 onder a, tenzij één van de gronden van artikel 15 lid 2 van toepassing is.
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
De voorbeelden 2 en 3 gelden voor de periode van 1 april 2003 tot 5 maart 2009 ook in het geval B de Franse nationaliteit heeft verkregen. Vanaf 5 maart 2009 is Frankrijk geen partij meer bij Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg. Artikel 15A is sindsdien niet meer van toepassing als een Nederlander vrijwillig de Franse nationaliteit verkrijgt. De Nederlander verliest zijn nationaliteit bij het verkrijgen van de Franse nationaliteit op grond van artikel 15 lid 1 onder a, tenzij één van de gronden van artikel 15 lid 2 van toepassing is.
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [62 t/m 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)
Op grond van [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, RWN. Artikel 16, tweede lid, RWN bepaalt de gevallen waarin, als uitzondering op de hoofdregelen van verlies, toch geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige, op grond van het toen geldende [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap en kunnen we nu vaststellen, dat de betreffende persoon destijds behoorde tot een van de categorieën, nu genoemd in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c of d, RWN dan moet die persoon thans geacht worden zijn Nederlanderschap nimmer te hebben verloren. Zie ook de toelichting onder artikel 16, tweede lid, RWN en onder [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III).
### 16-alg. Toelichting algemeen
Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door minderjarigen. Behalve in het onderhavige artikel zijn ook verliesbepalingen voor minderjarigen opgenomen in [artikel 14, tweede, derde, vierde en zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). [Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) definieert het begrip ‘meerderjarigheid’. Uit die bepaling vloeit voort dat personen jonger dan achttien jaar, minderjarig zijn. Echter, personen, jonger dan achttien jaar, zijn wél meerderjarig indien:
### 16-alg. Toelichting algemeen
Met het begrip ‘vader of moeder’ in [artikel 16, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) wordt mede bedoeld:
### 16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
Met het begrip ‘vader of moeder’ in [artikel 16, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) wordt mede bedoeld:
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
Het minderjarige Nederlandse kind A, geboren in Nederland, heeft de Nederlandse vrouw B tot moeder en wordt erkend door de Turkse man C. Als gevolg van die erkenning is A van Turkse nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent A uitsluitend aan [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
### 16-1-d. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
Voor A geldt wel, dat hij tijdens zijn minderjarigheid het Nederlanderschap alleen maar kan behouden zolang zijn moeder het Nederlanderschap bezit (tenzij hij tevens behoort tot een van de andere categorieën, genoemd in [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)). Zodra de moeder het Nederlanderschap verliest – bijvoorbeeld als gevolg van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit – verliest ook A zijn Nederlanderschap, mits hij nog minderjarig is.
### 16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
Uit een ongehuwde Turkse vrouw is in 2004 kind F geboren in Amsterdam. F, die de Turkse nationaliteit bezit, is tevens van Nederlandse nationaliteit op grond van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
### 16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
Uit een ongehuwde Turkse vrouw is in 2004 kind F geboren in Amsterdam. F, die de Turkse nationaliteit bezit, is tevens van Nederlandse nationaliteit op grond van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
De minderjarige F wordt rechtsgeldig erkend door de Turkse man M. F bezit op het moment van de erkenning al de Turkse nationaliteit, zodat [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) op hem van toepassing is. F verliest evenwel niet zijn Nederlanderschap. Het verlies wordt verhinderd door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN.
De mogelijkheid dat een minderjarige een verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit kan afleggen, bestond voor 1 april 2003 niet. Tot dat moment kon alleen een meerderjarige afstand doen van het Nederlanderschap.
De verklaring van afstand kan door een minderjarige alleen met rechtsgevolg worden afgelegd, als hij naast het Nederlanderschap tevens de nationaliteit bezit van zijn vader, moeder of adoptiefouder4[127] (als bedoeld in [artikel 11, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)). In de meeste gevallen zal van die nationaliteit blijken uit de beschrijving van de minderjarige in de BRP. Is dat niet het geval, of wordt bijvoorbeeld getwijfeld aan het al dan niet bezitten van de nationaliteit van de (adoptief)ouder, dan kan overlegging van een bewijs van de nationaliteit van de minderjarige en/of zijn (adoptief)ouder worden verlangd (vergelijk [artikel 62, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)).
De mogelijkheid dat een minderjarige een verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit kan afleggen, bestond voor 1 april 2003 niet. Tot dat moment kon alleen een meerderjarige afstand doen van het Nederlanderschap.
Ingevolge [artikel 2, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), wordt een verklaring van afstand voor een minderjarige door zijn wettelijke vertegenwoordiger afgelegd. De minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, legt de verklaring van afstand echter zelfstandig af.5Zie voor procedurele voorschriften aangaande verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand de toelichting bij artikel 15, eerste lid aanhef en onder b, RWN en de modellen 3.2 en 3.3.
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
De verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) wordt, namens de minderjarige tot twaalf jaar, door zijn wettelijk vertegenwoordiger afgelegd. Deze minderjarige wordt hierover niet gehoord.
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
Minderjarigen van twaalf tot zestien jaar worden geacht voldoende inzicht te hebben in de gevolgen van het doen van afstand van de Nederlandse nationaliteit. Daarom wordt het kind hierover gehoord.Ook de ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, moet op zijn verzoek worden gehoord om zo zijn bedenkingen over het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken.
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
Minderjarigen van twaalf tot zestien jaar worden geacht voldoende inzicht te hebben in de gevolgen van het doen van afstand van de Nederlandse nationaliteit. Daarom wordt het kind hierover gehoord.Ook de ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, moet op zijn verzoek worden gehoord om zo zijn bedenkingen over het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken.
### Artikel 18
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
### 24-alg. Toelichting algemeen
**Minderjarige is niet aanwezig**
### 16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
**Minderjarige is niet aanwezig**
De ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt wordt, op haar/zijn verzoek, gehoord om zo haar/zijn bedenkingen tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken. Uit de woorden ‘op zijn verzoek’ volgt dat de andere ouder niet verplicht is bedenkingen kenbaar te maken. Indien deze ouder te kennen geeft niet gehoord te willen worden of niet reageert op een uitnodiging daartoe, dan wordt zij/hij geacht geen bedenkingen te hebben tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van haar/zijn kind.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Artikel 13
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
Van verlies als bedoeld in deze bepaling is alleen sprake in geval van verkrijging van de nationaliteit van landen waarvoor het Verdrag van Straatsburg in werking is getreden en die Hoofdstuk I van het Verdrag, dat handelt over beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit, toepassen. Dat zijn: Nederland (gehele Koninkrijk), Noorwegen en Oostenrijk. Het Verdrag van Straatsburg is voor Nederland (gehele Koninkrijk) in werking getreden op 10 juni 1985. Zweden heeft Hoofdstuk I van het Verdrag toegepast van 6 april 1969 tot 29 juni 2002. Duitsland is partij bij het Verdrag van Straatsburg geweest van 18 december 1969 tot 22 december 2002.
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
Echter, Oostenrijk is partij bij het Verdrag van Straatsburg, zodat in dit geval wel verlies van het Nederlanderschap intreedt. Het verlies vloeit rechtstreeks voort uit artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg. Het Tweede Protocol biedt A geen soelaas, aangezien Oostenrijk daarbij geen partij is. Dit geldt overigens ook voor Denemarken en Noorwegen.
De Nederlander B, die in 1949 in Nederland is geboren, woont sedert 1990 in Italië en wordt op 1 juni 2010 tot Italiaan genaturaliseerd. Ten tijde van zijn naturalisatie is hij gehuwd met een vrouw van Italiaanse nationaliteit.
De in voorbeeld 2 bedoelde B is niet gehuwd met een Italiaanse vrouw. Wel zijn B en de vrouw partners in een in Nederland geregistreerd partnerschap. Voor het overige is de casus exact hetzelfde als die bij voorbeeld 2.
### paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
### paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
Was B op of na 4 juni 2010 tot Italiaan genaturaliseerd, dan was hij zijn Nederlandse nationaliteit niet verloren. Vanaf 4 juni 2010 speelt artikel 15A geen rol meer bij het verkrijgen van de Italiaanse nationaliteit, maar alleen artikel 15. Voor de toepassing van artikel 15 wordt een geregistreerd partnerschap wel gelijk gesteld aan een huwelijk. De uitzonderingen van artikel 15 lid 2 zijn dan dus wel van toepassing. Omdat B een geregistreerd partnerschap heeft met een Italiaanse vrouw, verliest hij de Nederlandse nationaliteit niet (artikel 15 lid 2 onder c RWN).
De adoptie c.q. gezagsvoorziening moet dus het kind het Nederlanderschap hebben bezorgd (denk daarbij wat betreft de gezagsvoorziening aan de optie bedoeld in [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)). Is dat niet het geval, omdat het kind reeds op een andere grond Nederlander was, dan zal voor het kind geen verlies van het Nederlanderschap intreden indien zijn adoptiefouder(s)/de persoon die mede het gezamenlijk gezag over hem uitoefent het Nederlanderschap verlie(st)(zen), of, indien het kind zelfstandig dezelfde vreemde nationaliteit verkrijgt als zijn adoptiefouder(s)/de persoon die mede het gezamenlijk gezag over hem uitoefent.
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, indien hij diens nationaliteit daardoor verkrijgt, of deze reeds bezit.**
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
Verlies van het Nederlanderschap zou voor A intreden op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) ware het niet dat in dit geval het verlies wordt voorkomen, doordat een ouder, namelijk de moeder van A, het Nederlanderschap bezit.
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
A zou zijn Nederlanderschap door voormelde erkenning evenmin verliezen als:
### 16-1-d. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
De minderjarige F wordt rechtsgeldig erkend door de Turkse man M. F bezit op het moment van de erkenning al de Turkse nationaliteit, zodat [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) op hem van toepassing is. F verliest evenwel niet zijn Nederlanderschap. Het verlies wordt verhinderd door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN.
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
Volgens [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) zou ook B zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, voor B geldt de uitzonderingscategorie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN. Hij ontleent het Nederlanderschap immers tevens aan [artikel 3 derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3). Voor B gaat het Nederlanderschap dan ook niet verloren.
Indien blijkt dat zowel het kind als deze ouder bedenkingen hebben tegen de afstand van het Nederlanderschap, dan heeft de verklaring van afstand die is afgelegd door de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige geen rechtsgevolg (zie paragraaf 2.2.3 en 3 in de toelichting bij artikel 16, eerste lid, onder b, RWN).
De wettelijk vertegenwoordiger legt namens de minderjarige (tussen de twaalf en zestien jaar), de verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-04-01&g=2017-04-01)) af. De minderjarige wordt hierover gehoord.
Indien de minderjarige aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij direct gehoord over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap.
### 18-alg. Toelichting algemeen
Indien de minderjarige niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij door de burgemeester alsnog opgeroepen om gehoord te worden over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap. Zolang de minderjarige niet gehoord is, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet in (zie tevens paragraaf 3 **Geen verlies Nederlanderschap**)
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
### 19-alg. Toelichting algemeen
### 18-alg. Toelichting algemeen
Indien de andere ouder niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij door de burgemeester alsnog, bijvoorbeeld middels toezending van een brief, gewezen op de mogelijkheid om gehoord te worden over zijn eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind.Dit wordt door de burgemeester gedaan indien de andere ouder bekend is, hij in Nederland woont en tevens zijn adres bekend is.
### 16-2-alg. Toelichting algemeen
Indien de andere ouder niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij door de burgemeester alsnog, bijvoorbeeld middels toezending van een brief, gewezen op de mogelijkheid om gehoord te worden over zijn eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind.Dit wordt door de burgemeester gedaan indien de andere ouder bekend is, hij in Nederland woont en tevens zijn adres bekend is.
Na het horen van de minderjarige en/of de andere ouder, die niet de wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt, kunnen zich de volgende, niet limitatieve, situaties voordoen:
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
### Paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
### paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
### Paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
De Nederlander A, die in 1950 in Oostenrijk is geboren, wordt in januari 2004 genaturaliseerd tot Oostenrijker. Ten tijde van zijn naturalisatie woont hij in Oostenrijk. Kijken we uitsluitend naar artikel 15, eerste en tweede lid, RWN dan zouden we tot de conclusie komen, dat A zijn Nederlanderschap niet heeft verloren. Immers, hij is geboren in het land waarvan hij de nationaliteit heeft verkregen en hij woont daar ten tijde van die verkrijging, en artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, RWN bepaalt dan dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [14.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16A)[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### Artikel 16
Als gevolg van [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) moet, wat betreft de toepassing van [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), ervan worden uitgegaan dat de uitzonderingen uit artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN reeds vanaf 1 januari 1985 gelden.
### Artikel 23
Als gevolg van [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) moet, wat betreft de toepassing van [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), ervan worden uitgegaan dat de uitzonderingen uit artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN reeds vanaf 1 januari 1985 gelden.
### 22-2. Toelichting ad [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22)
Bedacht moet worden, dat verlies van het Nederlanderschap als hier bedoeld nooit kan intreden indien betrokkene daardoor staatloos zou worden (vergelijk artikel 14, achtste lid, RWN) en verder dat – ook al valt de minderjarige in principe onder een van de verliesbepalingen van artikel 16, eerste lid, RWN – géén verlies zal intreden indien artikel 16, tweede lid, RWN van toepassing is.
### 23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1. Algemeen
### 16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
Na de naturalisatie van A tot Nederlander wordt zijn zoon B geboren. Zowel A als B zijn in Nederland geboren. B ontleent het Nederlanderschap zowel aan [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) als aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
### Artikel 17
**Minderjarige is aanwezig**
### Artikel 18
**Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger, is aanwezig**
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
Zolang de andere ouder, ondanks zijn verzoek, niet is gehoord, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet op (zie tevens paragraaf 3 **Geen verlies Nederlanderschap**).
### paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
In [hoofdstuk 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6) is de vaststelling van het Nederlanderschap geregeld. Die vaststelling kan als volgt geschieden. Wanneer alleen de vaststelling van de nationaliteit aan de orde is, dan is in Nederland uitsluitend bevoegd de Rechtbank ’s-Gravenhage, en in Curaçao en Sint Maarten of Aruba het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Is echter reeds elders een zaak aanhangig bij een rechterlijke instantie of in een administratief beroep, waarbij mede van belang is dat het al of niet bezitten van het Nederlanderschap wordt vastgesteld, dan is een procedure voor de Haagse rechtbank of het gemeenschappelijk Hof van Justitie niet mogelijk. Iemand kan dus niet ‘twee ijzers in het vuur hebben’.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
### 10-alg. Toelichting algemeen
Als de betrokkene ondanks herhaalde herinneringsbrieven nalatig blijft al het mogelijke te doen zijn andere nationaliteit(en) te verliezen, zal op grond van het bepaalde in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) worden overgegaan tot de intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend (zie de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, RWN).
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
In de toelichting op bovenstaande uitzonderingscategorieën wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat er verklaringen en/of documenten dienen te worden overgelegd indien verzoeker meent onder één van de uitzonderingscategorieën te vallen. Alleen authentieke akten worden in dit verband geaccepteerd als bewijsstukken. Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Authentieke akten zijn tevens akten, waarvan het opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt (zie [artikel 183, tweede lid, WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=183)). Onderhandse akten worden niet geaccepteerd. Onderhandse akten zijn alle akten die niet authentieke akten zijn (zie [artikel 183, derde lid, WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=183)).
Indien een staat niet wordt erkend, wordt vanzelfsprekend ook de nationaliteit van deze staat niet erkend. In een dergelijk geval afstand eisen, betekent ook dat van een niet-erkende staat afkomstige bewijsstukken inzake het verlies van de nationaliteit door de Nederlandse autoriteiten in ontvangst en in behandeling worden genomen. Omdat dit niet strookt met het beginsel dat met een niet-erkende staat geen uitwisseling van officiële stukken plaatsvindt, wordt aan personen afkomstig uit staten die niet worden erkend door Nederland niet gevraagd afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Voorbeeld van een niet-erkende staat is Taiwan.
Wordt het bewijs dat de andere nationaliteit is verloren, overgelegd bij de IND, dan zal een gewaarmerkt afschrift daarvan worden gezonden aan de gemeente waar de optieverklaring is afgelegd of het verzoek om naturalisatie is ingediend en tevens – in het geval de betrokkene is verhuisd naar een andere gemeente – naar de gemeente waar als ingezetene is ingeschreven in de BRP, met het verzoek de BRP aan dit gegeven aan te passen ([artikel 30c, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30c), of [59, eerste en derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=59)).
Hierna volgt een lijst van landen met vermelding van behoud of verlies van de nationaliteit bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Bij deze lijst wordt het volgende aangetekend: het betreft hier een momentopname voor zover bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie bekend ten tijde van het verschijnen van deze gewijzigde landenlijst. Gebruikers van deze lijst die stuiten op wijzigingen of onjuistheden, wordt verzocht dit schriftelijk aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie te melden onder vermelding van het onderwerp: Afstandsverplichting bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap.
Na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap ontvangt de betrokkene in voorkomende gevallen een bericht van Onze Minister om binnen een termijn van drie maanden een verzoek te doen tot afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Daarbij wordt hij tevens gewezen op de mogelijkheid tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend, dit overeenkomstig het bepaalde in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Van dit bericht wordt een kopie gezonden aan de burgemeester ([artikel 58, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=58)).
Als de betrokkene ondanks herhaalde herinneringsbrieven nalatig blijft al het mogelijke te doen zijn andere nationaliteit(en) te verliezen, zal op grond van het bepaalde in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) worden overgegaan tot de intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend (zie de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, RWN).
Wordt het bewijs dat de andere nationaliteit is verloren, overgelegd bij de IND, dan zal een gewaarmerkt afschrift daarvan worden gezonden aan de gemeente waar de optieverklaring is afgelegd of het verzoek om naturalisatie is ingediend en tevens – in het geval de betrokkene is verhuisd naar een andere gemeente – naar de gemeente waar als ingezetene is ingeschreven in de BRP, met het verzoek de BRP aan dit gegeven aan te passen ([artikel 30c, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30c), of [59, eerste en derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=59)).
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
### 9-3-c. Toelichting ad [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht
### Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
### paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
### Paragraaf 1. Algemeen
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
Let op! Bovenstaand artikellid geldt alleen voor verzoeken die zijn ingediend op of na 1 oktober 2010. Verzoekers die voor 1 oktober 2010 een verzoek hebben ingediend waarop nog niet is beslist kunnen dus nog een beroep doen op [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) zoals dat luidde tot 1 oktober 2010 (voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in Nederland, de (voormalige) Nederlandse Antillen of Aruba zijn hoofdverblijf hebben). Zie overgangsbepaling [artikel II, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) (Stb. 2010, 242).
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
Ingevolge onderdeel c van dit artikellid geldt de afstandsverplichting niet voor een verzoeker die is gehuwd met een Nederlander. Ook de verzoeker die in Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander is aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap is aangegaan als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), kan een beroep doen op deze uitzondering. Indien twee met elkaar gehuwde personen of twee geregistreerde partners beiden een verzoek om naturalisatie hebben ingediend, dient zoveel mogelijk tegelijkertijd op de verzoeken te worden beslist. Het is niet de bedoeling dat een van de (huwelijks)partners eerder wordt genaturaliseerd, waarna de ander geen afstand meer behoeft te doen op grond van het feit dat hij of zij de (huwelijks)partner is van een Nederlander.
### 10-alg. Toelichting algemeen
Uit de wetstekst blijkt dat met [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) ook kan worden afgeweken van het bepaalde in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) (het inburgeringsvereiste). Of verzoeker moet worden geadviseerd een naturalisatietoets af te leggen, hangt af van de gevraagde afwijkingsgronden en de grootte van het belang om hem de Nederlandse nationaliteit te verlenen. Belangrijk hierbij is de vraag of alleen afwijking wordt gevraagd van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN of dat (ook) afwijking wordt gevraagd van andere voorwaarden voor naturalisatie. In het geval afwijking wordt gevraagd van andere voorwaarden dan artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN kan de burgemeester betrokkene erop wijzen dat het in zijn voordeel kan zijn te proberen aan de voorwaarde van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN te voldoen, zodat zo min mogelijk afwijking van artikel 8, [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) nodig is. Dit geldt temeer als het belang van de Nederlandse staat hem het Nederlanderschap te verlenen niet uitzonderlijk groot is. In het geval op voorhand duidelijk is dat betrokkene de naturalisatietoets niet zal halen (bijvoorbeeld omdat hij zelf stelt niet of onvoldoende de Nederlandse taal te beheersen), kan een dergelijk advies achterwege blijven. In dit geval zal de burgemeester in zijn advies aan de IND opnemen dat betrokkene ook afwijking verzoekt van het inburgeringsvereiste. Als overigens niet aan het inburgeringsvereiste wordt voldaan vanwege polygamie ligt – gelet op de bescherming van de civiele openbare orde – toepassing van artikel 10 RWN niet in de rede.
Op 1 april 2003 is aan [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) toegevoegd dat ook van de in [artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), genoemde termijn kan worden afgeweken.
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
### paragraaf 3.5. Beslissing
### Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6); [31.1 t/m 31.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31); [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32) en [51 t/m 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56)
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:233](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233) en [1:253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha)
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
### 11-3. Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
Ook voor de minderjarige van zestien jaar en ouder geldt dat hij “sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf” in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij het tweede lid van onderhavig artikel).
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
### Artikel 12
### 11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
### paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
### 16-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
Nu vanaf 4 juni 2010 alleen Nederland nog is aangesloten bij het Tweede Protocol heeft het Tweede Protocol enkel nog betekenis voor Nederland zelf. De laatste volzin van artikel 15A kan daardoor op dit moment geen gevolg hebben. Die uitzondering zal zich namelijk niet meer voor kunnen doen, zolang geen ander land partij is bij het Tweede Protocol.
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
### 16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
### paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
Was B op of na 4 juni 2010 tot Italiaan genaturaliseerd, dan was hij zijn Nederlandse nationaliteit niet verloren. Vanaf 4 juni 2010 speelt artikel 15A geen rol meer bij het verkrijgen van de Italiaanse nationaliteit, maar alleen artikel 15. Voor de toepassing van artikel 15 wordt een geregistreerd partnerschap wel gelijk gesteld aan een huwelijk. De uitzonderingen van artikel 15 lid 2 zijn dan dus wel van toepassing. Omdat B een geregistreerd partnerschap heeft met een Italiaanse vrouw, verliest hij de Nederlandse nationaliteit niet (artikel 15 lid 2 onder c RWN).
### Artikel 16
### Artikel 16a
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
Indien de andere ouder aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt zij/hij door de burgemeester gevraagd of zij/hij tegen het verlies van het Nederlanderschap door de minderjarige is. Wordt niet een duidelijk antwoord gegeven op deze vraag of ontstaat twijfel over de vrijwilligheid van het afgelegde antwoord dan wordt de andere ouder gewezen op de mogelijkheid op een later moment en alleen gehoord te worden over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind. Alleen indien de andere ouder hierover gehoord wil worden, wordt hij hiertoe door de burgemeester in de gelegenheid gesteld.
**Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger, is niet aanwezig**
### paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
Minderjarigen van zestien en zeventien jaar worden geacht zelfstandig te kunnen beslissen over het verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand. Zij kunnen bij die rechtshandeling niet worden vertegenwoordigd door hun wettelijke vertegenwoordiger.6Zie voor procedurele voorschriften aangaande verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand de toelichting bij artikel 15, eerste lid aanhef en onder b, RWN
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
Het verlies van het Nederlanderschap treedt in als aan de wettelijke voorwaarden uit [artikel 16, eerste en tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) wordt voldaan. Het verlies gebeurt van rechtswege door het ondertekenen van de verklaring van afstand door de zestien of zeventien jarige of de wettelijk vertegenwoordiger van een jonger kind.
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
### 16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
**Minderjarige tussen de 12 tot 16 jaar is niet gehoord**
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
**Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige, is niet gehoord**
Ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) wordt ook de ouder die niet de wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt, op zijn verzoek, gehoord om zo zijn bedenkingen tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken. Zolang de andere ouder, ondanks zijn verzoek, niet is gehoord, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet op.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
### 20-alg. Toelichting algemeen
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7) en [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
Geen verlies treedt in indien:
Geen verlies treedt in indien:
### 16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
Ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) dient een minderjarige van twaalf jaar en ouder gehoord te worden, om zo zijn bedenkingen over het verlies van de Nederlandse nationaliteit kenbaar te kunnen maken. Zolang de minderjarige niet is gehoord, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet op.
### 16a-alg. Toelichting algemeen
### 21-alg. Toelichting algemeen
### 16a-alg. Toelichting algemeen
### 17-alg. Toelichting algemeen
Door de verklaring van afstand verliest C het Nederlanderschap. Geen van de onderdelen van [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) verhindert het intreden van het verlies. Met name belet [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) het verlies niet, daar is immers vermeld dat de uitzondering om niet het Nederlanderschap te verliezen niet geldt in geval van het afleggen van een verklaring van afstand.
### 16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
Een Nederlands echtpaar emigreert naar Australië, waar kind A wordt geboren. A verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap, maar daarnaast ook de Australische nationaliteit door geboorte op het grondgebied van Australië.
Zes jaren na de geboorte van A verkrijgen de ouders door naturalisatie de Australische nationaliteit. A deelt daar niet in, omdat hij al Australiër is. Desondanks verliest hij het Nederlanderschap, aangezien hij reeds de nationaliteit bezit die zijn ouders op hun verzoek hebben verkregen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
### Artikel 21
### paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
### 16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
Het in de bevestiging7De bevestiging is een bevestiging dát er een afstandsverklaring in ontvangst is genomen. Niet een bevestiging dat het Nederlanderschap is verloren. opgenomen oordeel dat de verklaring van afstand geen rechtsgevolg heeft, kan betrokkene betwisten in een gerechtelijke procedure, voorzien in [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17).
### Artikel 17
In 2004 is in Rotterdam kind C geboren uit het huwelijk van A en B. Moeder en vader zijn van Turkse nationaliteit. Ten tijde van de geboorte van C wonen A en B in Rotterdam. A is zelf geboren in Dordrecht uit ouders die daar toentertijd hoofdverblijf hadden.
In 2005 legt A, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, namens C een verklaring van afstand af als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16).
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
In 2005 legt A, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, namens C een verklaring van afstand af als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16).
### 17-alg. Toelichting algemeen
### 18-alg. Toelichting algemeen
Zes jaren na de geboorte van A verkrijgen de ouders door naturalisatie de Australische nationaliteit. A deelt daar niet in, omdat hij al Australiër is. Desondanks verliest hij het Nederlanderschap, aangezien hij reeds de nationaliteit bezit die zijn ouders op hun verzoek hebben verkregen.
### Artikel 19
De minderjarige verliest het Nederlanderschap indien zijn vader of moeder die nationaliteit verliest door:
Ook hier geldt dat geen verlies van het Nederlanderschap zal intreden indien het kind behoort tot een van de categorieën van [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) dan wel indien het staatloos zou worden (artikel 14, achtste lid, RWN).
A is geboren uit de ongehuwde vrouw B, die weliswaar een nationaliteit bezit, maar die nationaliteit niet aan A heeft doorgegeven. A is dus staatloos.
B wordt genaturaliseerd tot Nederlander, waarin A deelt. B verliest door de naturalisatie niet haar oorspronkelijke nationaliteit. Tijdens de minderjarigheid van A doet B afstand van het Nederlanderschap.
Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook A, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, ingevolge artikel 14, achtste lid, RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien A, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest hij zijn Nederlanderschap niet.
In 2005 wordt in Nederland kind B geboren uit de in Australië geboren ongehuwde vrouw A. A is van Nederlandse en Australische nationaliteit. B verkrijgt bij zijn geboorte uitsluitend de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft nimmer de Australische nationaliteit verkregen, omdat zijn geboorte niet is geregistreerd bij een Australisch Consulaat.
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook B, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, zijn Nederlanderschap moeten verliezen (waar B al die jaren hoofdverblijf heeft gehad speelt hierbij geen enkele rol).
### 23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
Na de naturalisatie van A tot Nederlander wordt zijn zoon B geboren. Zowel A als B zijn in Nederland geboren. B ontleent het Nederlanderschap zowel aan [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) als aan artikel 3, derde lid, RWN.
### 20-alg. Toelichting algemeen
Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook B zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, voor B geldt de uitzonderingscategorie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN. Hij ontleent het Nederlanderschap immers tevens aan artikel 3 derde lid, RWN. Voor B gaat het Nederlanderschap dan ook niet verloren.
### Artikel 21
### 21-alg. Toelichting algemeen
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
A verliest in 2008 zijn Nederlanderschap door de vrijwillige verkrijging van de Deense nationaliteit op grond van de rechtstreekse werking van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg (zie hiervoor de toelichting onder artikel 15A RWN).
### 21-alg. Toelichting algemeen
A heeft immers – op zijn verzoek – door naturalisatie de nationaliteit verkregen van een staat die op het moment van verkrijging (2008) partij is bij het Verdrag van Straatsburg, en die geen partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag.
Ook C verliest in 2008 zijn Nederlanderschap. Voor C gaat het Nederlanderschap in 2008 verloren op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Dit omdat zijn vader het Nederlanderschap heeft verloren ingevolge één van de verdragen genoemd in artikel 15A RWN. Het verlies van het Nederlanderschap wordt niet belet door artikel 14, zesde lid (vanaf 1 maart 2017 is dit het achtste lid), RWN aangezien C niet staatloos wordt (C bezit nog de Marokkaanse nationaliteit). C valt niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN die verlies van het Nederlanderschap beletten.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 14-9. Toelichting ad [artikel 14, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
C verkrijgt bij zijn geboorte naast de Turkse ook de Nederlandse nationaliteit, aangezien is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
De uitzonderingen, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN zijn op A niet van toepassing.
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien zijn vader of moeder het Nederlanderschap verliest ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, c of d, of ingevolge artikel 15A.**
### 16-1-d. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
### 19-alg. Toelichting algemeen
### 19-alg. Toelichting algemeen
Enkele maanden na de geboorte van B emigreren hij en zijn moeder naar Australië. Na tien jaren hoofdverblijf in Australië verliest A haar Nederlanderschap ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (aan haar is in die tien jaren geen Nederlands reisdocument of bewijs van Nederlanderschap afgegeven).
In 2001 wordt vader A genaturaliseerd tot Nederlander. A behoudt daarbij de Marokkaanse nationaliteit. Kind C deelt in de naturalisatie. Moeder B wordt niet genaturaliseerd. Vader en kind bezitten na naturalisatie de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.
A vestigt zich na zijn naturalisatie tot Nederlander in Denemarken. In 2002 wordt zijn huwelijk met B door echtscheiding ontbonden en trouwt hij in Denemarken met een Deense vrouw. Als hij zes jaren in Denemarken woont, wordt hij daar genaturaliseerd (in 2008). Zijn minderjarig kind C, die in Nederland bij B verblijft, verkrijgt niet de Deense nationaliteit. B bezit op het moment dat A de Deense nationaliteit verkrijgt nog steeds uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit en kind C heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit.
### Artikel 29
Voor A geldt derhalve dat hij in 2008 zijn Nederlanderschap verliest op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg.
### Artikel 24
### 16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
A is in Nederland geboren uit het huwelijk van de Nederlandse man B en de in Frankrijk geboren Britse vrouw C.
### 16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
Enkele maanden na zijn geboorte wordt A op verzoek van zijn ouders geregistreerd tot Brits burger. Ten aanzien van hem moet dus worden gesteld dat hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkregen heeft als zijn moeder, hetgeen ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN zou moeten leiden tot verlies van zijn Nederlanderschap.
### 22-2. Toelichting ad [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22)
Een eventueel toekomstig verlies van het Nederlanderschap door B leidt voor A niet tot verlies van het Nederlanderschap. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN is, wat dat betreft, anders geredigeerd dan [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16).
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
Een eventueel toekomstig verlies van het Nederlanderschap door B leidt voor A niet tot verlies van het Nederlanderschap. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN is, wat dat betreft, anders geredigeerd dan [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16).
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21)
### 16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21)
**De verklaring van verbondenheid, bedoeld in artikel 6, tweede lid, artikel 8, eerste lid onder e en artikel 11, vierde en vijfde lid, wordt afgelegd met de volgende woorden: Ik zweer (verklaar) dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer (beloof) de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen. Degene die de verklaring aflegt voegt daar ter bevestiging aan toe: Zo waarlijk helpe mij God almachtig, of: Dat verklaar en beloof ik.**
De verklaring van verbondenheid wordt in de regel in persoon op een naturalisatieceremonie, mondeling en zonder uitzondering in het Nederlands afgelegd.
De verklaring van verbondenheid wordt bevestigd met de woorden ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’.
Wanneer betrokkene ervoor kiest de verklaring van verbondenheid te bevestigen met de eerste mogelijkheid, betreft de verklaring van verbondenheid de volgende woorden: ‘Ik zweer dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging : ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’.
### 16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
Geen.
### 16a-alg. Toelichting algemeen
Deze bepaling bevat voor minderjarigen een zelfde regeling als [artikel 15A, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) voor meerderjarigen. Het gestelde bij artikel 15A, aanhef en onder b, RWN hoefde bij de onderhavige bepaling niet te worden opgenomen, aangezien de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen Nederland en Suriname, alleen van toepassing is op personen die op 25 november 1975 reeds waren geboren. Een eenvoudig rekensommetje leert, dat deze personen inmiddels niet meer minderjarig zijn. Het is dan ook uitgesloten dat nu nog een minderjarige ingevolge die Overeenkomst de Surinaamse nationaliteit verkrijgt.
### 16a-alg. Toelichting algemeen
Denemarken heeft Hoofdstuk I van het verdrag toegepast van 17 december 1972 tot 26 augustus 2015.
### 23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
### V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
### 17-alg. Toelichting algemeen
Tot 4 juni 2010 gold voornoemde verdragsverplichting ook voor Italië. Voor Italië is op 27 februari 1968 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 10 juni 1985 (datum inwerkingtreding Verdrag voor het hele Koninkrijk der Nederlanden) en 4 juni 2010 de Italiaanse nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 4 juni 2010 is voor Italië de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd. Voor Italië is ook het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg (samen met het Verdrag) vervallen. Het Tweede Protocol (in tegenstelling tot het Verdrag zelf) heeft geen rechtstreekse werking, maar heeft per 1 april 2003 uitvoering gekregen door middel van [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), [15a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A), [16, tweede lid, aanhef en onder e, f en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) en [16a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16A).
### Artikel 18
Hoofdregel van artikel 1, tweede lid, Verdrag van Straatsburg is, dat minderjarige onderdanen van een verdragstaathun nationaliteit verliezen indien zij ten gevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring (hetzij op eigen verzoek dan wel met inachtneming van de regels omtrent bevoegdheid of vertegenwoordiging van het land waarvan betrokkene de nationaliteit bezit) de nationaliteit van een andere verdragstaat verkrijgen door naturalisatie, optie of herstel in die nationaliteit, mits hun nationale wet in de mogelijkheid van verlies voorziet.
Het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg maakt het voor elke verdragsluitende partij mogelijk om in bepaalde gevallen door middel van de eigen interne wetgeving afbreuk te doen aan de hoofdregel van het verdrag, waarbij elke staat, die ratificeert, zelf ten aanzien van die gevallen bepaalt in welke mate van dat recht gebruik wordt gemaakt. De gevallen als hier bedoeld zijn:
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 1. Algemeen
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
### Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
### 16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
### 16-1-d. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
Echter, ingevolge het toen geldende artikel 14, zesde lid (vanaf 1 maart 2017 is dit het achtste lid), RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien B, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest hij zijn Nederlanderschap niet.
Het besluit waarbij aan A het Nederlanderschap werd verleend, wordt op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN ingetrokken, aangezien hij heeft nagelaten na zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.
A heeft immers – op zijn verzoek – door naturalisatie de nationaliteit verkregen van een staat die op het moment van verkrijging (2008) partij is bij het Verdrag van Straatsburg, en die geen partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag.
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
A verkrijgt bij zijn geboorte het Nederlanderschap uitsluitend op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3). Het Brits burgerschap verkrijgt hij niet bij zijn geboorte, aangezien zijn moeder Brits burger door afstamming is.
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
Echter, in dit geval wordt verlies van het Nederlanderschap voorkomen door [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16). De vader van A is Nederlander.
### 29-alg. Toelichting algemeen
Echter, in dit geval wordt verlies van het Nederlanderschap voorkomen door [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16). De vader van A is Nederlander.
### 16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
### 16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
### Artikel 16a
Geen.
### Artikel 16a
Geen.
### 23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
[Artikel 16A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16A), welke bepaling overigens geen zelfstandige verliesgrond is, ziet op verlies van het Nederlanderschap als gevolg van vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van landen waarvoor het Verdrag van Straatsburg in werking is getreden en die Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg, dat handelt over beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit, toepassen. Dat zijn: Denemarken, Nederland (gehele Koninkrijk), Noorwegen en Oostenrijk. Het verdrag van Straatsburg is voor Nederland (gehele Koninkrijk) in werking getreden op 10 juni 1985. Zweden heeft Hoofdstuk I van het Verdrag toegepast van 6 april 1969 tot 29 juni 2002. Duitsland is partij bij het Verdrag van Straatsburg geweest van 18 december 1969 tot 22 december 2002.
### Artikel 17
Tot 28 april 2008 gold deze verdragsverplichting ook voor België. Voor België is op 19 juli 1991 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 19 juli 1991 en 28 april 2008 de Belgische nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 28 april 2008 is voor België de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd.
Tot 5 maart 2009 gold voornoemde verdragsverplichting ook voor Frankrijk. Voor Frankrijk is op 28 maart 1968 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 10 juni 1985 (datum inwerkingtreding Verdrag voor het hele Koninkrijk der Nederlanden) en 5 maart 2009 de Franse nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 5 maart 2009 is voor Frankrijk de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd.
Tot 9 juli 2009 gold voornoemde verdragsverplichting ook voor Luxemburg. Voor Luxemburg is op 12 november 1971 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 10 juni 1985 (datum inwerkingtreding Verdrag voor het hele Koninkrijk der Nederlanden) en 9 juli 2009 de Luxemburgse nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 9 juli 2009 is voor Luxemburg de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd.
Denemarken heeft Hoofdstuk I van het verdrag toegepast van 17 december 1972 tot 26 augustus 2015. Voor Denemarken is op 17 december 1972 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. Met ingang van 26 augustus 2015 heeft Denemarken haar verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd.
### 26-3. Toelichting ad [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
Nederland heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt door opneming van [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, f en g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) (vergelijk ook [artikel 15A, aanhef en onder a, RWN, tweede zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) en [artikel 16A RWN, tweede zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16A)). Het Tweede Protocol is op 24 maart 1995 in werking getreden voor Frankrijk en Italië en is sedert 20 augustus 1996 ook voor Nederland van kracht. Echter, tot 1 april 2003 is door Nederland in de eigen interne wetgeving geen uitvoering gegeven aan het Tweede Protocol. Voor alle nationaliteiten van de verdragstaat geldt derhalve de hoofdregel dat het Nederlanderschap verloren gaat, behalve bij de verkrijging van de Franse (tot 5 maart 2009) of Italiaanse (tot 4 juni 2010) nationaliteit door de Nederlandse minderjarige, waarbij de minderjarige valt onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, f of g, RWN.
### 24-alg. Toelichting algemeen
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### Artikel VII RRWN
Geen.
### 17-alg. Toelichting algemeen
### VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### Artikel 18
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### Artikel 28
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [6.2 t/m 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -7942,127 +10894,247 @@
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### 3. Onderteken dit formulier
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 4. Opsturen
### 3. Onderteken dit formulier
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 4. Opsturen
### 3. Onderteken dit formulier
### 4. Opsturen
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
### Artikel 20
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
Het echtpaar A en B, beiden geboren in Marokko in 1965, woont sedert 1995 in Nederland. In 2000 wordt in Marokko uit het huwelijk C geboren. Alle leden van het gezin zijn van Marokkaanse nationaliteit.
### Artikel 22
### 16-2-alg. Toelichting algemeen
Met het begrip ‘ouder’ in [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) is ook bedoeld de adoptiefouder, mits de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken, alsmede de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
Met het begrip ‘ouder’ in [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) is ook bedoeld de adoptiefouder, mits de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken, alsmede de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.
### 16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
De RWN voorziet in de mogelijkheid van verlies als bedoeld in artikel 1, tweede lid, Verdrag van Straatsburg, namelijk in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16). Echter, alleen indien de minderjarige dezelfde nationaliteit heeft verkregen als zijn vader of moeder en bovendien geen sprake is van de in artikel 16, tweede lid, RWN genoemde uitzonderingen. Voor de beoordeling van de vraag of een minderjarige het Nederlanderschap al dan niet heeft verloren, heeft [artikel 16A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16A) dan ook geen zelfstandige betekenis en kan worden volstaan met toepassing van artikel 16 RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
### 27-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 19
### 26-alg. Toelichting algemeen
Geen.
### 19-alg. Toelichting algemeen
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
De in [artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) bedoelde algemene maatregel van rijksbestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BVVN, van 15 april 2002, Stb. 2002, 231)
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Paragraaf 3.6. Molukkers
### 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### 9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid
### Paragraaf 5.2. Transacties en strafbeschikkingen
### 8-3. Toelichting ad [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 3. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken
### Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is
### Paragraaf 5.12. Gratie
### Artikel 9
### Artikel 9
### Paragraaf 5.8. Vierjaartermijn
### Paragraaf 5.5. Taakstraffen
### Paragraaf 5.8. Vierjaartermijn
### Paragraaf 5.4. Voeging
### Paragraaf 5.8. Vierjaartermijn
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
### Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag
### paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
### 9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b
### paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
### paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
### paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In deze gevallen heeft het immers geen zin om afstand te vragen. Met het oog op automatisch verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander of met het oog op eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan vooren- en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker reeds in de voorlichtingsfase door de burgemeester wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of het consulaat) of naar de voor hem geëigende organisaties voor minderheden voor het verkrijgen van informatie hieromtrent.
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
B = geen automatisch verlies maar het doen van afstand is mogelijk.
voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten: de PIVA;
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
### Paragraaf 1. Algemeen
Ingevolge onderdeel c van dit artikellid geldt de afstandsverplichting niet voor een verzoeker die is gehuwd met een Nederlander. Ook de verzoeker die in Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander is aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap is aangegaan als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), kan een beroep doen op deze uitzondering. Indien twee met elkaar gehuwde personen of twee geregistreerde partners beiden een verzoek om naturalisatie hebben ingediend, dient zoveel mogelijk tegelijkertijd op de verzoeken te worden beslist. Het is niet de bedoeling dat een van de (huwelijks)partners eerder wordt genaturaliseerd, waarna de ander geen afstand meer behoeft te doen op grond van het feit dat hij of zij de (huwelijks)partner is van een Nederlander.
### 10-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 3.4. Advies VWS
### Paragraaf 2. Naamswijziging
Anders dan bij een kind jonger dan zestien jaar (dat nog leerplichtig is en om die reden sneller ingeburgerd zal geraken), is in dit artikellid bepaald dat het kind dat ten tijde van het verzoek zestien jaar of ouder is in aanmerking kan komen voor medeverlening als hij “een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf” in het Koninkrijk heeft. Ook bij medeverlening is hierbij de achterliggende gedachte dat in het kader van het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit een persoon pas rechten behoort op te kunnen bouwen, nadat de overheid heeft ingestemd met zijn bestendig verblijf in het Koninkrijk. Op grond van dit artikellid moet het kind derhalve gedurende een ononderbroken periode van drie jaren vóór de indiening van het verzoek zijn toegelaten zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) én moet hij drie jaren voor de indiening van het verzoek hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN. Deze periode van toelating kan blijken uit het verblijfsdocument van het kind met bijgevoegd een afschrift uit de BRP dan wel een bericht omtrent toelating (zie [artikel 3 BOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831&artikel=3) en de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN).
[10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Artikel 12
### 11-alg. Toelichting algemeen
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
### Artikel 12
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
### 12-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### Artikel 15
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
### 16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
### 18-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 17
### 24-alg. Toelichting algemeen
De Nederlandse vrouw A, emigreert in 1970 samen met haar Nederlandse echtgenoot naar Canada. Haar echtgenoot krijgt in 1977 de Canadese nationaliteit door naturalisatie. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Zelf verkrijgt A de Canadese nationaliteit in 1980 door naturalisatie en verliest daardoor op grond van hetzelfde artikel het Nederlanderschap. Deze vrouw kan, mits tegen haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 hoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). Haar man heeft de Canadese nationaliteit op het moment dat zij de Canadese nationaliteit verkrijgt. Ervan uitgaande dat haar man voor zijn komst naar Canada altijd in Nederland heeft gewoond, moet hij wel ten minste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben om de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie te verkrijgen. Hij voldoet immers niet aan artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, RWN.
### 25-alg. Toelichting algemeen
Geen.
### 18-alg. Toelichting algemeen
Geen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Geen.
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
Geen.
### 21-alg. Toelichting algemeen
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
Geen.
In de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=7), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=13), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=19), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=25), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=39), [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=45) en [51 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=51) wordt nader geregeld van welke personen deze autoriteiten optieverklaringen c.q. verzoeken om naturalisatie in ontvangst mogen nemen. Daarentegen zijn alle genoemde autoriteiten bevoegd om afstandsverklaringen van ongeacht welke persoon in ontvangst te nemen.
In [hoofdstuk 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6) is de vaststelling van het Nederlanderschap geregeld. Die vaststelling kan als volgt geschieden. Wanneer alleen de vaststelling van de nationaliteit aan de orde is, dan is in Nederland uitsluitend bevoegd de Rechtbank ’s-Gravenhage, en in Curaçao en Sint Maarten of Aruba het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Is echter reeds elders een zaak aanhangig bij een rechterlijke instantie of in een administratief beroep, waarbij mede van belang is dat het al of niet bezitten van het Nederlanderschap wordt vastgesteld, dan is een procedure voor de Haagse rechtbank of het gemeenschappelijk Hof van Justitie niet mogelijk. Iemand kan dus niet ‘twee ijzers in het vuur hebben’.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14); [15.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### 26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). In aanvulling daarop geldt het volgende. De persoon die een beroep doet op deze bepaling, zal zelf moeten aantonen wanneer en op grond van welk artikel hij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. In een aantal gevallen zal dit al blijken uit een vermelding in de BRP. In dat geval is geen aanvullend bewijs nodig. Is de verliesgrond echter niet vermeld, dan zal de vrouw die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren als gevolg van het door haar voor 1 maart 1964 gesloten huwelijk bijvoorbeeld een uittreksel uit het huwelijksregister kunnen tonen. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen. Verlies op grond van artikel 7, aanhef ten eerste of ten derde, WNI of [artikel 15, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan worden aangetoond door het overleggen van het naturalisatiebesluit, een bij de naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit een naturalisatie c.q. optieregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het vreemde nationaliteitsrecht. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het om de griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. De optant moet daarover zelf inlichtingen inwinnen, bijvoorbeeld bij de vertegenwoordiging van zijn land in Nederland en moet – als de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aantonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van dat land in Nederland bevoegd zijn om een verklaring af te geven. Deze verklaring moet, als nodig, gelegaliseerd en vertaald worden. De burgemeester zal vervolgens aan de hand van het (destijds geldende) vreemde recht en het (destijds geldende) Nederlandse nationaliteitsrecht moeten bepalen of sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit en zo ja, op grond van welk artikel in de WNI of de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
De in [artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) bedoelde algemene maatregel van rijksbestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BVVN, van 15 april 2002, Stb. 2002, 231)
### 29-alg. Toelichting algemeen
Op grond van [artikel 2 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2) en [artikel 63 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63) zijn de volgende autoriteiten bevoegd tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen, verzoeken om naturalisatie en verklaringen van afstand van het Nederlanderschap:
In de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=7), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=13), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=19), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=25), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=39), [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=45) en [51 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=51) wordt nader geregeld van welke personen deze autoriteiten optieverklaringen c.q. verzoeken om naturalisatie in ontvangst mogen nemen. Daarentegen zijn alle genoemde autoriteiten bevoegd om afstandsverklaringen van ongeacht welke persoon in ontvangst te nemen.
### Artikel 22
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14); [15.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### Artikel 23
Geen.
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
Geen.
Onze Ministers van Justitie van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten houden een openbaar register van de in het eerste lid bedoelde akten welke betrekking hebben op personen die in hun land woonachtig zijn.
### Artikel 28
Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben eveneens een openbaar register, waarin ten aanzien van de aldaar wonende personen dezelfde gegevens worden bijgehouden als die genoemd in [artikel 22, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22). De in deze bepaling bedoelde registers zijn dus zowel in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als bij de IND in Rijswijk, Europees Nederland aanwezig. Voor wat betreft de in voornoemde landen uitgebrachte optieverklaringen volgt dit ook uit [artikel 18, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=18) en [artikel 24, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=24).
### Artikel 22A
Wanneer betrokkene ervoor kiest de verklaring van verbondenheid te bevestigen met de eerste mogelijkheid, betreft de verklaring van verbondenheid de volgende woorden: ‘Ik zweer dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging : ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’.
### Artikel 22C
De keuze voor de eerste of tweede variant van de bevestiging van de verklaring van verbondenheid, ligt bij betrokkene. De tekst van de verklaring van verbondenheid als die van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan **niet** worden afgeweken.
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
Geen.
### 23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
De in [artikel 23, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23) bedoelde algemene maatregel van bestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BVVN, van 15 april 2002, **Stb.** 2002, 231, gewijzigd bij **Stb**. 2009, 2).
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
De verklaring van verbondenheid wordt in de regel in persoon op een naturalisatieceremonie, mondeling en zonder uitzondering in het Nederlands afgelegd.
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
Wanneer betrokkene ervoor kiest de verklaring van verbondenheid te bevestigen met de eerste mogelijkheid, betreft de verklaring van verbondenheid de volgende woorden: ‘Ik zweer dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging : ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’.
### Artikel 24
De keuze voor de eerste of tweede variant van de bevestiging van de verklaring van verbondenheid, ligt bij betrokkene. De tekst van de verklaring van verbondenheid als die van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan **niet** worden afgeweken.
Indien de bevoegde autoriteit heeft bepaald dat de verklaring van verbondenheid schriftelijk kan worden afgelegd (zie [artikel 23, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23)), wordt de schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. Voor het schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn twee modellen ontwikkeld. In model 4.1 is de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ en in model 4.2 de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met ‘Dat verklaar en beloof ik’. De schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid wordt door de burgemeester in het bij de gemeente aanwezige optiedossier of naturalisatiedossier gevoegd.
Geen.
**De gevallen waarin het afleggen van de verklaring, in afwijking van artikel 6, tweede lid, 6 achtste lid, 8, eerste lid onder e, 11, vierde lid, 11 vijfde lid onder b, 26, derde lid en 28, derde lid, niet gevraagd zal worden of redelijkerwijs niet gevraagd kan worden en de wijze waarop deze verklaring kan worden afgelegd, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.**
De in [artikel 23, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23) bedoelde algemene maatregel van bestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BVVN, van 15 april 2002, **Stb.** 2002, 231, gewijzigd bij **Stb**. 2009, 2).
In [artikel 60a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) is de wijze van afleggen van de verklaring van verbondenheid vastgesteld. Daarnaast is in voornoemde artikelen bepaald de gevallen waarin het afleggen van de verklaring niet wordt gevraagd of om redenen van redelijkheid niet gevraagd kan worden.
### Artikel VI RRWN
Voorts is opgenomen dat de bevoegde autoriteit kan bepalen dat de betrokkene de verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt, indien van hem redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij deze mondeling aflegt ([artikel 60a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit geldt in elk geval voor de gevallen die in het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) reeds zijn onderkend als de gevallen waarin niet kan worden verlangd dat men de ceremonie bijwoont ([artikel 60a, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, negende lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Maar ook kan het gaan om gevallen waarin de persoon in kwestie wel in staat is om de ceremonie bij te wonen, maar niet in staat is om de verklaring uit te spreken. Dan kan de verklaring van verbondenheid schriftelijk worden afgelegd, door het ondertekenen van de tekst van de verklaring (model 4.1 of model 4.2).
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Op grond van [artikel 14, derde lid Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=14) (RvvN) worden de tijdvakken van toelating in de Nederlandse Antillen, gelegen voor de inwerkingtreding van de [Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028128), in aanmerking genomen als ware het toelating in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
### Artikel II RRWN
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### 26-alg. Toelichting algemeen
### 24-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 25
Geen.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
[Artikel 26, eerste lid aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) moet als volgt worden gelezen:
De invoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap op 1 januari 1985 heeft geen verandering gebracht in de nationaliteitsrechtelijke positie van personen die het Nederlanderschap hebben verkregen op grond van eerder geldende wettelijke regelingen. Met andere woorden, personen die onmiddellijk vóór 1 januari 1985 Nederlander waren, zijn dat op 1 januari 1985 gebleven. Het onderhavige artikel bepaalt dat deze personen Nederlander zijn in de zin van de RWN.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -8074,129 +11146,81 @@
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
### 3. Onderteken dit formulier
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.3.3. Beroep ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
### paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
### Paragraaf 4. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
### Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag
### paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
Als betrokkene verplicht is afstand te doen, dan moet hij een bereidheidsverklaring tekenen. Als betrokkene is vrijgesteld van de plicht om afstand te doen, dan hoeft hij geen bereidheidsverklaring te tekenen.
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
### 9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
### paragraaf 3.4. Advies VWS
### Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen
### paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
Vóór 1 april 2003 konden minderjarigen, die niet hadden gedeeld in de verlening van het Nederlanderschap aan de ouder(s), onder voorwaarden op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden voorgedragen voor naturalisatie. Voor deze minderjarigen is thans een bijzondere naturalisatieprocedure opgenomen in [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11).
Anders dan bij een kind jonger dan zestien jaar (dat nog leerplichtig is en om die reden sneller ingeburgerd zal geraken), is in dit artikellid bepaald dat het kind dat ten tijde van het verzoek zestien jaar of ouder is in aanmerking kan komen voor medeverlening als hij “een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf” in het Koninkrijk heeft. Ook bij medeverlening is hierbij de achterliggende gedachte dat in het kader van het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit een persoon pas rechten behoort op te kunnen bouwen, nadat de overheid heeft ingestemd met zijn bestendig verblijf in het Koninkrijk. Op grond van dit artikellid moet het kind derhalve gedurende een ononderbroken periode van drie jaren vóór de indiening van het verzoek zijn toegelaten zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) én moet hij drie jaren voor de indiening van het verzoek hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN. Deze periode van toelating kan blijken uit het verblijfsdocument van het kind met bijgevoegd een afschrift uit de BRP dan wel een bericht omtrent toelating (zie [artikel 3 BOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831&artikel=3) en de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN).
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
### 11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid
### paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
### Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen
### paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen
### paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit
### paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit
### Paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
### paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
### Artikel 13
### 12-2. Toelichting ad [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens
### Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
### paragraaf 2. Naturalisatiegelden
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
### paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
### Artikel 13
### paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
### paragraaf 2. Naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 20-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 21
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7) en [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=7); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=13); [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=19); [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=25); [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33); [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=39); [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=45); [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=51) en [63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)
Geen.
[Hoofdstuk I van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=I) bevat algemene bepalingen, [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II) handelt over de administratieve behandeling van optieverklaringen, [hoofdstuk III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=III) over de administratieve behandeling van verzoeken om naturalisatie (inclusief de administratieve handelingen inzake de afstandsverplichting), [hoofdstuk IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=IV) over het bewijs van Nederlanderschap, [hoofdstuk V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=V) over verlies van het Nederlanderschap door afstand en intrekking wegens fraude en het niet nakomen van de afstandsverplichting en [hoofdstuk VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=VI) bevat overgangs- en slotbepalingen.
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
### Artikel 22A
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12); [18.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=18); [24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=24); [30.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30) en [64.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)
### 27-alg. Toelichting algemeen
Geen.
### 23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
Ten aanzien van personen woonachtig in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba berusten de optieregisters bij:
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
De verklaring van verbondenheid wordt bevestigd met de woorden ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’.
### Artikel 22B
Wanneer betrokkene ervoor kiest de andere (neutrale) verklaring van verbondenheid te bevestigen met de tweede mogelijkheid, betreft de verklaring van verbondenheid de volgende woorden:‘ Ik verklaar dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en beloof de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging : ‘Dat verklaar en beloof ik’.
### Artikel 29
### 24-alg. Toelichting algemeen
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
In het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) is opgenomen dat de degene aan wie de bevestiging van verkrijging van het Nederlanderschap of het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap in persoon wordt uitgereikt, de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt op een door de bevoegde autoriteiten te bepalen wijze ([artikel 60a, vierde, lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)) .
Ten slotte is in het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) opgenomen dat indien betrokkene vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is om de verklaring van verbondenheid op de voorgeschreven wijze af te leggen, de bevestiging van verkrijging van het Nederlanderschap of het uittreksel van verlening van het Nederlanderschap bekend wordt gemaakt zonder dat de verklaring is afgelegd ([artikel 60a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Het gaat hier om zeer bijzondere omstandigheden, gelegen in de fysieke of psychische omstandigheden van deze persoon.59Zie ook toelichting bij artikel 6, artikel 7, artikel 8, eerste lid, onder e, RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6)
Dit artikel heeft tot doel oud-Nederlanders die op grond van oude nationaliteitswetgeving de Nederlandse nationaliteit hebben verloren en die behoren tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, gedurende een overgangstermijn van tien jaar na inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) op 1 april 2003 in de gelegenheid te stellen de Nederlandse nationaliteit op eenvoudiger wijze te herkrijgen. De personen waar het hier om gaat, wonen in het algemeen buiten het Koninkrijk. De in [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) genoemde voorwaarde, dat een optant gedurende een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk moet hebben, wordt daarom niet gesteld. Alle overige bij optie gestelde voorwaarden en vormvereisten zijn wél van toepassing.
### Artikel IV RRWN
### Artikel 26
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
Geen.
### 26-alg. Toelichting algemeen
Dit artikel heeft tot doel oud-Nederlanders die op grond van oude nationaliteitswetgeving de Nederlandse nationaliteit hebben verloren en die behoren tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, gedurende een overgangstermijn van tien jaar na inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) op 1 april 2003 in de gelegenheid te stellen de Nederlandse nationaliteit op eenvoudiger wijze te herkrijgen. De personen waar het hier om gaat, wonen in het algemeen buiten het Koninkrijk. De in [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) genoemde voorwaarde, dat een optant gedurende een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk moet hebben, wordt daarom niet gesteld. Alle overige bij optie gestelde voorwaarden en vormvereisten zijn wél van toepassing.
Ingevolge [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de verliestermijn van tien jaren uit [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dit betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal verlies van het Nederlanderschap kan intreden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -8206,227 +11230,101 @@
Vervallen.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
Zie voor de betalingsprocedure verder [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01) (betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden).
De regeling voor de optiegelden bevat, anders dan bij de naturalisatiegelden het geval is, geen verlaagd tarief voor een houder van een asielvergunning dan wel een staatloze.
### 3. Onderteken dit formulier
Zie voor de betalingsprocedure verder [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=3&z=2016-07-01&g=2016-07-01) (betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden).
Op grond van [artikel 4, derde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4) bestaat de mogelijkheid in twee situaties ontheffing van de leges te verlenen. Hierbij moet het gaan om optieverklaringen van:
Om in aanmerking te komen voor ontheffing moet gelijktijdig met de indiening van de optieverklaring een gemotiveerd ontheffingsverzoek worden ingediend. In Nederland is de burgemeester gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van de optiegelden (zie [artikel 4, vijfde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)). In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.27 en 1.27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.28 en 1.28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) beschikbaar.
### 4. Opsturen
Op grond van [artikel 4, derde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4) bestaat de mogelijkheid in twee situaties ontheffing van de leges te verlenen. Hierbij moet het gaan om optieverklaringen van:
Niet vaak zal (nog) voorkomen dat een optierecht op het Nederlanderschap bestaat op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Indonesië (TOI, Stb. 1949, J 570) of de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS, Stb. 1975, 132). Voor deze opties (artikel 10 TOI en artikel 7, tweede lid, TOS) geldt, dat voor de verkrijging van het Nederlanderschap niet een bevestiging nodig is, noch dat leges moeten worden betaald. De optant verkrijgt het Nederlanderschap op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Op deze opties zijn het [BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782) en het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) niet van toepassing.
[Artikel 7, tweede lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=7) voorziet in de mogelijkheid dat de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post aan de rijksoverheid vergoeding verzoekt wegens, door ontheffing, niet-ontvangen optiegelden. Het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post moet een verzoek om vergoeding indienen door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken.
De optie- en naturalisatiegelden zijn verschuldigd voordat een verklaring van optie of verzoek tot verlening van het Nederlanderschap in behandeling wordt genomen. De betaling wordt in Nederland voldaan bij de autoriteit die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, namelijk de burgemeester. In het buitenland is dat de Minister van Buitenlandse Zaken.
Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval moet worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:
Zie voor gevallen van categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden [paragraaf 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=2¶graaf=2.5&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en voor de mogelijkheid een ontheffingsverzoek van de betalingsverplichting in te dienen [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
Modellen van een schriftelijke bevestiging door betrokkene dat hij is geïnformeerd over de hoogte en de termijn van de te betalen optie- en naturalisatiegelden en dat hij instemt met de betaling van de opgelegde optie- en naturalisatiegelden dan wel is vrijgesteld van de betaling dan wel een verzoek om ontheffing heeft ingediend, zijn opgenomen als [model 1.25 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2016-04-01&g=2016-04-01), model 1.25a HRWN, [model 2.8 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2016-04-01&g=2016-04-01) en model 2.8a HRWN. De vaststelling van de hoogte van de te betalen naturalisatiegelden is een voorbereidingshandeling zoals bedoeld in [artikel 6:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:3) en is niet afzonderlijk vatbaar voor bezwaar of beroep.
Komen verzoekers niet in aanmerking voor het verlaagd tarief F of G (zie [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=2¶graaf=2.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01)), dan zijn de tarieven D en E verschuldigd voor de behandeling van een enkelvoudig dan wel een gemeenschappelijk verzoek om naturalisatie.
Een gemeenschappelijk verzoek wil zeggen dat een verzoek om naturalisatie gelijktijdig is ingediend door twee personen die met elkaar getrouwd zijn, een geregistreerd partnerschap met elkaar zijn aangegaan of ongehuwd samenleven in een duurzame relatie.
Als het gaat om een optie/naturalisatie dat is afgelegd/ingediend bij de gemeente, dan moet het bezwaarschrift worden toegestuurd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Klantdirectie Naturalisatie, Postbus 280, 7600 AG te Almelo.
Het verlaagd tarief voor een verzoek om naturalisatie geldt in de volgende gevallen:
Om in aanmerking te komen voor het verlaagd tarief moet de verzoeker in de BRP staan ingeschreven met de nationaliteitscode voor ‘staatloos’ (code 499). Is de verzoeker in de BRP geregistreerd met ‘onbekende nationaliteit’, dan geldt dat het normale tarief van toepassing is, tenzij hij houder is van een verblijfsvergunning asiel.
De in het kader van het afleggen van een optieverklaring ontvangen gelden, behoeven niet te worden afgedragen. De behandeling van en de beslissing op de optieverklaring liggen immers geheel in handen van de ontvangende instantie.
Voor de behandeling van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), is het tarief onder H verschuldigd. Dit betekent dat voor de behandeling van een verzoek voor een minderjarige om met zijn ouder(s) mee te naturaliseren, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen voor hun naturalisatie (tarief D, E, F of G ), het tarief H moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een verzoek tot medeverlening wordt ingediend.
Om in aanmerking te komen voor het verlaagd tarief moet de verzoeker in de BRP staan ingeschreven met de nationaliteitscode voor ‘staatloos’ (code 499). Is de verzoeker in de BRP geregistreerd met ‘onbekende nationaliteit’, dan geldt dat het normale tarief van toepassing is, tenzij hij houder is van een verblijfsvergunning asiel.
Personen die op grond van de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) als Nederlander worden behandeld, zijn vrijgesteld van naturalisatieleges.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
Onze Minister kan aan de volgende personen ontheffing verlenen van betaling van de naturalisatiegelden:
Om in aanmerking te komen voor ontheffing moet gelijktijdig met de indiening van het verzoek om naturalisatie een gemotiveerd ontheffingsverzoek worden ingediend. De burgemeester is in Nederland gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van naturalisatiegelden. In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Zie [artikel 4, vijfde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4).
### 3. Onderteken dit formulier
**Voorbeeld**
De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is in Nederland gemandateerd aan de burgemeester. In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 2.24 en 2.24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 2.25 en 2.25a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) beschikbaar.
Hieronder wordt toegelicht onder welke omstandigheden aan bovengenoemde categorieën van personen ontheffing wordt verleend.
### 4. Opsturen
Eerst na ontvangst van de betaling dan wel na de beslissing op een ontheffingsverzoek wordt het ingediende verzoek om naturalisatie dan wel de afgelegde optieverklaring in behandeling genomen. Ongeacht het verdere verloop van de naturalisatieprocedure – toewijzing, afwijzing of intrekking van het verzoek nadat de behandeling is begonnen – zijn de rechten verschuldigd betaald (vergelijk [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=2) en [3 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=3)).
De hoogte van het verschuldigde bedrag voor het afleggen van de optieverklaring of voor het verzoek om naturalisatie wordt in beginsel vastgesteld op het moment dat de verklaring of het verzoek door de burgemeester/ de Minister van Buitenlandse Zaken in ontvangst wordt genomen. Zie de in de [paragrafen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=1¶graaf=1.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01), [1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=1¶graaf=1.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01), [2.2 tot en met 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=2¶graaf=2.2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2017-03-01&g=2017-03-01) opgenomen richtlijnen.
Modellen van een schriftelijke bevestiging door betrokkene dat hij is geïnformeerd over de hoogte en de termijn van de te betalen optie- en naturalisatiegelden en dat hij instemt met de betaling van de opgelegde optie- en naturalisatiegelden dan wel is vrijgesteld van de betaling dan wel een verzoek om ontheffing heeft ingediend, zijn opgenomen als [model 1.25 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01), model 1.25a HRWN, [model 2.8 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en model 2.8a HRWN. De vaststelling van de hoogte van de te betalen naturalisatiegelden is een voorbereidingshandeling zoals bedoeld in [artikel 6:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:3) en is niet afzonderlijk vatbaar voor bezwaar of beroep.
Uitgangspunt is dat de leges worden betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie. Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan, betaling in termijnen is niet mogelijk. Wordt niet betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt betrokkene op dat moment op grond van [artikel 4:5, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken te betalen. Hiervoor zijn [model 1.25 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01), model 1.25a HRWN, [model 2.8 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en model 2.8a HRWN beschikbaar. De termijn van zes weken vloeit voort uit [artikel 6 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=6). Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen deze zes weken, dan wordt de optieverklaring of het naturalisatieverzoek buiten behandeling gesteld (artikel 6 BON). Een besluit tot buitenbehandelingstelling wegens niet- of niet tijdige betaling wordt schriftelijk meegedeeld aan betrokkene ([artikel 4, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=4)). Daarvoor zijn beschikbaar de modellen 1.26 HRWN, 1.26a HRWN, 2.23 HRWN en 2.23a HRWN.
Is verzocht om ontheffing van optie- of naturalisatiegelden, dan wordt de termijn van zes weken opgeschort tot de dag waarop op het ontheffingsverzoek (negatief) is beslist. Tegen de beslissing tot buitenbehandelingstelling van een optieverklaring of een verzoek om naturalisatie kan op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) binnen zes weken bezwaar worden aangetekend.
Als het gaat om een optie/naturalisatie dat is afgelegd/ingediend bij de gemeente, dan moet het bezwaarschrift worden toegestuurd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Klantdirectie Naturalisatie, Postbus 280, 7600 AG te Almelo.
Als het gaat om een optie/naturalisatie dat is afgelegd/ingediend bij de Minister van Buitenlandse Zaken, dan moet het bezwaarschrift worden toegestuurd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Klantdirectie Naturalisatie, Unit Nationaliteit en Naturalisatie, Postbus 285, 7600 AG te Almelo.
Stelt de burgemeester/de Minister van Buitenlandse Zaken een verzoek om naturalisatie buiten behandeling, dan brengt hij geen advies uit aan Onze Minister. Zowel als de verzoeker bezwaar aantekent tegen de buitenbehandelingstelling, als wanneer de verzoeker dat niet doet, stuurt de burgemeester/de Minister van Buitenlandse Zaken altijd het naturalisatiedossier aan de IND.
Als het gaat om een optie/naturalisatie dat is afgelegd/ingediend bij de gemeente, dan moet het bezwaarschrift worden toegestuurd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Klantdirectie Naturalisatie, Postbus 280, 7600 AG te Almelo.
De in het kader van het afleggen van een optieverklaring ontvangen gelden, behoeven niet te worden afgedragen. De behandeling van en de beslissing op de optieverklaring liggen immers geheel in handen van de ontvangende instantie.
[Artikel 8 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8) bepaalt dat een gedeelte van de ontvangen naturalisatiegelden moet worden afgedragen aan de rijksoverheid. Gemeenten in Europees Nederland dragen rechtstreeks af aan Onze Minister.
Tevens regelt [artikel 8 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8) de hoogte van het bedrag dat de gemeente behoudt en op welke wijze de afdracht aan de IND geschiedt. Bij de afdracht stuurt de gemeente aan de IND tevens een lijst met de namen van personen die een verzoek om naturalisatie hebben ingediend. Over de wijze van afdracht van de ontvangen naturalisatiegelden door de gemeente aan de IND, worden gemeenten nader geïnformeerd met een brief van de Directie Middelen en Control van de IND.
De afdracht van naturalisatiegelden alsmede het indienen van verzoeken tot vergoeding van leges waarvoor ontheffing is verleend door het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post in het buitenland geschiedt via de Minister van Buitenlandse Zaken aan Onze Minister.
De gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post behoudt per enkelvoudig verzoek om naturalisatie € 182, ongeacht of betrokkene het standaard of het verlaagde tarief betaalt. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen, wordt afgedragen aan Onze Minister (€ 673 bij standaard tarief en € 454 bij verlaagd tarief).
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
In de BRP zijn op de persoonslijst van een vreemdeling de historische en actuele gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling opgenomen. De burgemeester onderzoekt aan de hand van het verblijfsdocument in samenhang met de gegevens in de BRP de verblijfsrechtelijke status van een vreemdeling en van de personen voor wie medeverkrijging/medeverlening is verzocht ([artikel 10, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10) en [artikel 36, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal de burgemeester in veel gevallen kunnen afleiden uit het verblijfsdocument en de gegevens in de BRP. In andere gevallen zal de duur van de onafgebroken toelating alleen kunnen worden beoordeeld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de hand van gegevens in de vreemdelingenadministratie (zo nodig in combinatie met het verblijfsdocument). In die situatie zal de burgemeester de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeken ([model 2.17 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) om aan hem een bericht omtrent toelating af te geven. Het is overigens de bedoeling dat een bericht omtrent toelating alleen wordt gevraagd als de burgemeester niet of in onvoldoende mate beschikt over voldoende gegevens. Ook in gevallen waarbij de gegevens in de BRP en het overgelegde verblijfsdocument elkaar tegenspreken of er anderszins omstandigheden zijn waardoor gerede twijfel bestaat over de juiste verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling, moet een bericht omtrent toelating worden gevraagd.
### 2-1. Toelichting ad artikel 2, eerste lid
### 3-2. Toelichting ad artikel 3, tweede lid
### 2-4. Toelichting ad artikel 2, vierde lid
### Paragraaf 5.5. Taakstraffen
### Artikel 9
### Paragraaf 7. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
### paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### Paragraaf 1. Algemeen
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
### 10-alg. Toelichting algemeen
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
### paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
### 16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
### Paragraaf 2. Naamswijziging
### Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen
### paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
### 12-2. Toelichting ad [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### Paragraaf 2. Naamswijziging
### paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
### Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
### Paragraaf 1.1. Tarieven
Tarief C is verschuldigd voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging als bedoeld in [artikel 6, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Dit betekent dat voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging voor een minderjarige, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen bij het afleggen van hun optieverklaring (tarief A of B), het tarief C moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een optieverklaring tot medeverkrijging wordt afgelegd.
Optanten die op grond van de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) als Nederlander worden behandeld zijn op grond van [artikel 4, eerste lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4) vrijgesteld van leges.
### paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
### paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
### Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
### Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
### paragraaf 1.1. Overgangsrecht
### Paragraaf 2.4. Tarief H
Het uitgangspunt van de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) van 9 september 1976 (Stb. 468) brengt mee dat Molukkers, die op grond van genoemde wet als Nederlander worden behandeld, zijn vrijgesteld van het betalen van naturalisatiegelden. Op het adviesblad moet worden aangeven dat het gaat om een verzoek van een Molukker die op grond van genoemde wet wordt behandeld als Nederlander.
### Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
### 14-3. Toelichting ad [artikel 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Hieronder wordt toegelicht onder welke omstandigheden aan bovengenoemde categorieën van personen ontheffing wordt verleend.
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
### Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
De optie- en naturalisatiegelden zijn verschuldigd voordat een verklaring van optie of verzoek tot verlening van het Nederlanderschap in behandeling wordt genomen. De betaling wordt in Nederland voldaan bij de autoriteit die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, namelijk de burgemeester. In het buitenland is dat de Minister van Buitenlandse Zaken.
### paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid
### Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
Bij een gemeenschappelijk verzoek of een gelijktijdig verzoek om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin behoudt de gemeente € 310 eveneens ongeacht of het standaard of het verlaagde tarief is betaald. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen wordt afgedragen aan Onze Minister (€ 781 bij het standaard tarief en € 563 bij het verlaagd tarief). In het geval van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post € 21 per kind. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen (€ 105) wordt afgedragen aan Onze Minister. Als de verzoeker tijdens de naturalisatieprocedure verhuist, behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post die de leges geïnd heeft het gemeentelijk/consulair deel van de leges en draagt zorg voor de afdracht van het resterende bedrag.
### paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
### paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
Vanaf 1 januari 2016 gelden de volgende afdrachtcodes:
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III); [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 65 t/m 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=65)
[Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448): [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=1)
### Artikel 14
[WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580): [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=1) en [4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=4)
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): [artikel 83 (Eerste Boek)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=83), [titels I tot en met IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=II), [artikel 205](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205) en [titel XII (Tweede Boek)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XII), [artikel 134a (Tweede Boek)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
De Nederlandse vrouw A, emigreert in 1970 samen met haar Nederlandse echtgenoot naar Canada. Haar echtgenoot krijgt in 1977 de Canadese nationaliteit door naturalisatie. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Zelf verkrijgt A de Canadese nationaliteit in 1980 door naturalisatie en verliest daardoor op grond van hetzelfde artikel het Nederlanderschap. Deze vrouw kan, mits tegen haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 hoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). Haar man heeft de Canadese nationaliteit op het moment dat zij de Canadese nationaliteit verkrijgt. Ervan uitgaande dat haar man voor zijn komst naar Canada altijd in Nederland heeft gewoond, moet hij wel ten minste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben om de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie te verkrijgen. Hij voldoet immers niet aan artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21)
**De gevallen waarin het afleggen van de verklaring, in afwijking van artikel 6, tweede lid, 6 achtste lid, 8, eerste lid onder e, 11, vierde lid, 11 vijfde lid onder b, 26, derde lid en 28, derde lid, niet gevraagd zal worden of redelijkerwijs niet gevraagd kan worden en de wijze waarop deze verklaring kan worden afgelegd, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.**
De verklaring van verbondenheid wordt bevestigd met de woorden ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’.
Wanneer betrokkene ervoor kiest de andere (neutrale) verklaring van verbondenheid te bevestigen met de tweede mogelijkheid, betreft de verklaring van verbondenheid de volgende woorden:‘ Ik verklaar dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en beloof de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging : ‘Dat verklaar en beloof ik’.
### 23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
### Artikel 25
### 25-alg. Toelichting algemeen
Geen.
### 25-alg. Toelichting algemeen
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [15A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) WNI: artikelen 5 (oud); 7.1 en 7.3
### Artikel IV RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
### Artikel V RRWN
Let op! Voor 1 januari 1985 was de WNI van toepassing. Bij de beoordeling of iemand voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad moet op grond van het op dat moment geldende Nederlandse Burgerlijk Wetboek onderscheid gemaakt worden tussen het begrip meerderjarig tot 1 januari 1985 (21 jaar) en vanaf 1 januari 1985 (18 jaar).
### V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
Alleen personen die tijdens hun meerderjarigheid, dus op of na hun achttiende jaar (of als het verlies vóór 1 januari 1985 is ingetreden, op of na hun 21ste jaar), of indien zij voordien gehuwd zijn of indien zij een in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), de Nederlandse nationaliteit hebben verloren, vallen onder deze bepaling. Het moet bovendien gaan om:
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
Daarnaast moet ook worden voldaan aan één van de onder a, b of c genoemde voorwaarden:
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
Een Nederlandse vrouw C trouwt in 1962 met een Italiaanse man. Zij verkrijgt als gevolg van haar huwelijk automatisch de Italiaanse nationaliteit. Zij verliest van rechtswege de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) WNI. Deze vrouw kan, mits tegen haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 hoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26).
Ingevolge deze bepaling kunnen oud-Nederlanders die voldoen aan de voorwaarden van [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) tot en met 31 maart 2013 een beroep doen op het onderhavige artikel.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3)
**Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de vader of moeder, die de vreemdeling is bedoeld in het eerste lid, deelt in diens verkrijging van het Nederlanderschap, indien hij in de verklaring tot dat doel is vermeld. Kinderen van een kind dat in de verkrijging deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verkrijging. Een kind dat ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, deelt in de verkrijging indien het daarmee uitdrukkelijk instemt, de in het tweede lid van artikel 6 bedoelde bereidverklaring daadwerkelijk aflegt en jegens hem geen vermoedens bestaan als bedoeld in het vierde lid dat artikel. Het besluit tot bevestiging wordt niet bekend gemaakt dat nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Artikel 11, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.**
Een op het moment van de bevestiging van de optie minderjarig kind van de in [artikel 26, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) bedoelde persoon hoeft evenmin in het Koninkrijk te wonen om in de optie te kunnen delen. Hetzelfde geldt voor het kind van dit kind. Alleen als het kind in de optieverklaring van de ouder wordt genoemd, deelt het in de verkrijging van het Nederlanderschap.
Een kind dat ten tijde van het afleggen van de optieverklaring zestien jaar of ouder is, deelt alleen in de verkrijging als het daarmee uitdrukkelijk instemt en zich bereid heeft verklaart bij de verkrijging van het Nederlanderschap de verklaring van verbondenheid af te leggen. De instemming van het kind moet blijken uit [model 1.9 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-04-01&g=2017-04-01). De bereidheid van de medeoptanten van zestien of zeventien jaar tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt met het formulier ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 1.36 HRWN) vastgelegd op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Als blijkt dat tegen hem ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, wordt de bevestiging ten aanzien van het kind geweigerd.
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
Voor de administratieve afhandeling geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
### Artikel 28
De Nederlandse jongen B verhuist in 1950 op zesjarige leeftijd met zijn Nederlandse ouders naar de Verenigde Staten van Amerika. Op veertienjarige leeftijd verkrijgt hij de Amerikaanse nationaliteit door medenaturalisatie met zijn vader. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Deze oud-Nederlander valt niet onder overgangsbepaling [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). Weliswaar heeft hij de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI en heeft hij voor zijn achttiende jaar vijf jaar onafgebroken in de Verenigde Staten van Amerika gewoond, maar hij heeft de Nederlandse nationaliteit verloren toen hij minderjarig was.
### VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [6.1 t/m 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)
### VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
### 27-alg. Toelichting algemeen
Bij de tot 1 januari 2005 geldende redactie van [artikel 27, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=27), viel strikt genomen het kind dat werd geboren op 1 april 2003 niet onder de werking van artikel 27, tweede lid RWN, dat op die dag in werking was getreden. Pas een kind geboren op 2 april 2003 (of daarna) viel onder de redactie van het op 1 april 2003 gewijzigde artikel. Dit is nimmer de bedoeling geweest, en met de wetswijziging is dit rechtgezet.
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
De verkrijging van het Nederlanderschap werkt ook terug voor de in de optieverklaring vermelde kinderen van de vrouw die delen in de verkrijging. Kinderen geboren vóór de datum van ontbinding van het huwelijk delen op grond van [artikel 28, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) in de verkrijging door de moeder. Bij deze kinderen werkt de verkrijging – net als bij de moeder – terug tot op de datum van de ontbinding van het huwelijk. Daarnaast delen deze kinderen alleen, indien zij tot dat doel in de optieverklaring en in de daarop volgende bevestiging zijn vermeld.
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2). In aanvulling daarop geldt het volgende. De vrouw die een beroep doet op de onderhavige bepaling, dient zelf aan te tonen dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren door of in verband met het huwelijk. Tevens zal zij moeten aantonen dat het huwelijk is ontbonden en op welk moment dat is gebeurd. In dit verband kan zij een recent uittreksel uit een huwelijksregister overleggen; een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waaruit blijkt dat het huwelijk is ontbonden, dan wel – bij ontbinding door overlijden – een overlijdensakte van haar echtgenoot. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -8438,227 +11336,73 @@
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): [artikel 83 (Eerste Boek)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=83), [titels I tot en met IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=II), [artikel 205](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205) en [titel XII (Tweede Boek)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XII)
Vóór de herziening van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) was het niet mogelijk om in geval van fraude over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Echter, sinds de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vanaf 1 april 2003, kan de Minister van Justitie in geval van fraude, óók indien gepleegd vóór 1 april 2003, alsnog overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Betrokkene wordt dan geacht dat hij onder de oude RWN wél in het bezit was van het Nederlanderschap maar onder de herziene RWN niet. Intrekking van het Nederlanderschap is echter niet meer mogelijk indien betrokkene sinds de verlening van het Nederlanderschap meer dan twaalf jaar in het bezit is geweest van het Nederlanderschap.
A heeft in 1997 ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) geopteerd voor het Nederlanderschap. Eerst in 2004 komt aan het licht dat bij de optie niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat A bij het afleggen van de optieverklaring heeft gefraudeerd. Zou dat destijds bekend zijn geweest, dan zou de administratie aan de optieverklaring geen rechtsgevolg hebben toegekend. In het hier geschetste geval is geen sprake van intrekking van verkregen Nederlanderschap. De optieverklaring is afgelegd vóór 1 april 2003 en toentertijd werd het Nederlanderschap niet verkregen door een schriftelijke bevestiging van de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst nam, maar door slechts het simpele afleggen van de optieverklaring, mits daarbij was voldaan aan alle optievoorwaarden. Welnu, aangezien in het onderhavige geval is geconstateerd dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, zal achteraf bezien moeten worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden. A moet dan ook geacht worden niet het Nederlanderschap door de optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is hier niet aan de orde.
Ingevolge overgangsbepaling [artikel III RRWN 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van bedoeld tweede lid. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, vierde lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) opgenomen. Echter, als gevolg van het bepaalde bij overgangsbepaling artikel III RRWN moet, wat betreft de toepassing van onderhavig artikellid ervan worden uitgegaan dat bedoelde uitzonderingen reeds gelden vanaf 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend (ingevolge bijvoorbeeld artikel 3, eerste lid, RWN), zulks ondanks bijvoorbeeld dat de minderjarige het Nederlanderschap tevens ontleende aan artikel 3, derde lid, RWN, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optieof naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden “valse verklaring of bedrog” aansluiting gezocht bij [titel XII WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIII) (valsheid in geschriften) en bij [artikel 3:44 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=44) (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.
A heeft in 1997 ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) geopteerd voor het Nederlanderschap. Eerst in 2004 komt aan het licht dat bij de optie niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat A bij het afleggen van de optieverklaring heeft gefraudeerd. Zou dat destijds bekend zijn geweest, dan zou de administratie aan de optieverklaring geen rechtsgevolg hebben toegekend. In het hier geschetste geval is geen sprake van intrekking van verkregen Nederlanderschap. De optieverklaring is afgelegd vóór 1 april 2003 en toentertijd werd het Nederlanderschap niet verkregen door een schriftelijke bevestiging van de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst nam, maar door slechts het simpele afleggen van de optieverklaring, mits daarbij was voldaan aan alle optievoorwaarden. Welnu, aangezien in het onderhavige geval is geconstateerd dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, zal achteraf bezien moeten worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden. A moet dan ook geacht worden niet het Nederlanderschap door de optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is hier niet aan de orde.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 juni 2006 aangegeven dat bij naturalisatiebesluiten die zijn genomen vóór 1 april 2003 in geval van bedrog omtrent de identiteit wordt aangenomen dat het Nederlanderschap niet is verkregen omdat het naturalisatiebesluit geen rechtsgevolg heeft gehad voor de betrokkene. Immers, door het opgeven van onjuiste personalia (valse identiteit) zijn niet de (juiste) personalia van betrokkene vermeld op het Koninklijk Besluit tot naturalisatie. Aan betrokkene is dan ook niet het Nederlanderschap verleend. Voor de optieverklaring geldt mutatis mutandis hetzelfde.
Het bedrog, de valse verklaring of het verzwijgen van voor de naturalisatie of optie relevante feiten, kan betrekking hebben gehad op de personalia (identiteit/persoonsgegevens) van de naturalisandus. Wanneer met gebruikmaking van valse of (gedeeltelijk) fictieve personalia (die bestaan uit de voornaam, geslachtsnaam, geboortedatum en geboorteplaats) een verzoek om naturalisatie is ingediend, waardoor in het Koninklijk Besluit tot verlening van het Nederlanderschap valse personalia werden opgenomen, is dit een vorm van frauduleus handelen.
### 3. Onderteken dit formulier
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 juni 2006 aangegeven dat bij naturalisatiebesluiten die zijn genomen vóór 1 april 2003 in geval van bedrog omtrent de identiteit wordt aangenomen dat het Nederlanderschap niet is verkregen omdat het naturalisatiebesluit geen rechtsgevolg heeft gehad voor de betrokkene. Immers, door het opgeven van onjuiste personalia (valse identiteit) zijn niet de (juiste) personalia van betrokkene vermeld op het Koninklijk Besluit tot naturalisatie. Aan betrokkene is dan ook niet het Nederlanderschap verleend. Voor de optieverklaring geldt mutatis mutandis hetzelfde.
Ten aanzien van naturalisatiebesluiten die zijn genomen op of ná 1 april 2003 heeft de Hoge Raad bij beschikking van 30 juni 2006 overwogen dat “**In het licht van dit alles moet worden aangenomen dat de regeling van artikel 14 lid 1 (RWN) mede betrekking heeft op gevallen als het onderhavige, waarin de aanvrager zijn personalia niet juist heeft opgegeven en het naturalisatiebesluit hem derhalve niet met de juiste personalia aanduidt, doch wel duidelijk is op welke fysieke persoon het besluit betrekking heeft. Uit het systeem en de strekking van de wet volgt derhalve dat ook in dat geval een naturalisatiebesluit, verleend onder de werking van de RWN zoals deze sinds 1 april 2003 luidt, rechtsgevolg heeft, zolang het niet met toepassing van artikel 14 lid 1 RWN is ingetrokken**.” In het geval het Koninklijk Besluit dateert van op of ná 1 april 2003 geldt voor het opgeven van een valse identiteit derhalve dat rechtsgevolg is verbonden aan het Koninklijk Besluit en betrokkene Nederlander is geworden. Het Nederlanderschap kan wel conform [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) worden ingetrokken.
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 11 november 2005 ten aanzien van het vorenstaande nog opgemerkt dat sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene toch identificeert en daarom rechtsgevolg heeft. Daarop aansluitend heeft de Hoge Raad in de beschikking van 30 juni 2006, onder verwijzing naar zijn beschikking van 11 november 2005, gesteld dat bijzondere omstandigheden inhouden dat **‘de betrokkene desondanks wel voldoende geïdentificeerd was en de aanvrager door het tot stand gekomen naturalisatiebesluit wel het Nederlanderschap heeft verworven’.**Hiervan is sprake wanneer **‘ondanks de onjuistheid van de verschafte persoonsgegevens, omtrent de ware identiteit van de aanvrager bij de instanties die het verzoek moesten onderzoeken en beoordelen, een zodanige duidelijkheid heeft bestaan, dat niet gezegd kan worden dat de onjuistheid van de persoonsgegevens hun onderzoek en beoordeling belemmerd heeft’**.
### 4. Opsturen
In de afweging om tot intrekking over te gaan, zal worden meegewogen:
A is genaturaliseerd op 15 april 2003. Mei 2003 wordt A in België veroordeeld wegens het plegen van een gewapende overval in 1999. A gaat in hoger beroep van de veroordeling. A wist bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie dat de strafzaak tegen hem aanhangig was.
Voor de belangenafweging geldt dat A is genaturaliseerd, terwijl, naar later blijkt, sprake is van ernstige vermoedens dat A gevaar oplevert voor de openbare orde, hetgeen een grond tot weigering voor naturalisatie is. A heeft bij zijn naturalisatie verzwegen dat hij op dat moment strafrechtelijk werd vervolgd en heeft de zogenaamde waarheidsverklaring niet juist ingevuld (de aard van de verzwijging). A heeft een voor naturalisatie relevant feit verzwegen, dat zou hebben geleid tot weigering van zijn verzoek om naturalisatie (de ernst van de verzwijging). Een eventuele intrekking is dan niet, ten opzichte van de aard en de ernst van de verzwijging, disproportioneel.
Het feit dat A staatloos zou worden, is toegestaan als het gaat om een intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en moet worden geacht te komen voor het risico van A. Gezien de aard en de ernst van de verzwijging moet het belang van de staat om in te trekken groter worden geacht dan het belang van A om niet staatloos te worden.
Verder geldt dat de voornemenprocedure is gestart op een moment dat A nog maar kort in het bezit van de Nederlandse nationaliteit is. Bij een relatief korte periode na de verkrijging van het Nederlanderschap bestaat minder reden om af te zien van intrekking dan bij een langere periode.
Bij de overig te wegen relevante factoren geldt dat voor de intrekking niet hoeft te worden gewacht tot er een onherroepelijk strafvonnis is, omdat reeds een openstaande strafzaak voldoende grond is om een verzoek tot naturalisatie af te wijzen. In de belangenafweging moet nog worden gekeken naar het eventueel niet-opportuun zijn van de intrekking (dit betreft de vraag binnen welke termijn A, na intrekking, weer Nederlander zou kunnen worden).
Het feit dat A staatloos zou worden, is toegestaan als het gaat om een intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en moet worden geacht te komen voor het risico van A. Gezien de aard en de ernst van de verzwijging moet het belang van de staat om in te trekken groter worden geacht dan het belang van A om niet staatloos te worden.
Verder geldt dat de voornemenprocedure is gestart op een moment dat A nog maar kort in het bezit van de Nederlandse nationaliteit is. Bij een relatief korte periode na de verkrijging van het Nederlanderschap bestaat minder reden om af te zien van intrekking dan bij een langere periode.
[Artikel 65 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=65) bepaalt dat de autoriteiten en ambtenaren die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en verzoek om naturalisatie en die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat heeft geleid tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan Onze Minister, zo nodig onder medezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. De ambtenaar die op de hoogte is van frauduleuze handelingen in de hiervoor bedoelde zin, wordt verzocht contact op te nemen met de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (zie hoofdstuk Voorlichting). In onderling overleg kan dan een standpunt worden bepaald over de te nemen stappen, zoals wijziging van de nationaliteit van de betrokken persoon in de BRP en/of intrekking van het verstrekte Nederlandse reisdocument. Voorts zorgt deze afdeling voor het plaatsen van een aantekening in het nationaliteitenregister bij het Koninklijk Besluit of bij de bevestiging van de optieverklaring.
**Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens:**
[De rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831) (Stb. 2010, 242) vult regels aan met betrekking tot verlies van het Nederlanderschap. In [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is een lid ingevoegd dat beoogt een bijdrage te leveren in de strijd tegen het internationaal terrorisme. Het betreft een nieuw tweede lid dat intrekking mogelijk maakt van het Nederlanderschap indien sprake is van een veroordeling wegens misdrijven die zich richten tegen de essentiële belangen van het Koninkrijk. Deze wijziging in artikel 14 RWN treedt per 1 oktober 2010 in werking.
Gezien het belang van het bezit van het Nederlanderschap, in het bijzonder als het verlies daarvan zou leiden tot staatloosheid, is de procedure tot intrekking wegens fraude omgeven met bijzondere waarborgen. De procedure is beschreven in de [artikelen 66 tot en met 69 van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66). De procedure biedt de rechtstreeks betrokken personen en autoriteiten de mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen, waardoor de Minister van Justitie zoveel mogelijk argumenten pro en contra de intrekking van het Nederlanderschap tegen elkaar kan afwegen.
Vóór de inwerkingtreding van deze rijkswetwijziging was intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk op grond van veroordelingen voor misdrijven genoemd in [artikel 14, tweede aanhef en onder a t/m d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), indien een persoon deze misdrijven pleegde **nadat** hij het Nederlanderschap had verkregen en hiervoor was veroordeeld. Intrekking van het Nederlanderschap was vóór de rijkswetswijziging alleen mogelijk indien sprake was van misdrijven of (buitenlandse) veroordelingen die een afwijzingsgrond vormen voor optie of naturalisatie en die hadden plaatsgevonden voorafgaand aan de naturalisatie of optie en waren verzwegen in deze procedures. In dat geval kon reeds het Nederlanderschap worden ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid RWN.
Volgens [artikel 69 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=69) dient de Minister van Justitie een besluit tot intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) uiterlijk te nemen binnen zestien weken nadat hij mededeling van zijn voornemen tot intrekking heeft gedaan. In [artikel 68, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) is geregeld dat bij het besluit tot intrekking onder meer rekening moet worden gehouden met de aard en ernst van de fraude, de mogelijke staatloosheid van betrokkene na de intrekking, de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen en de overige relevante factoren. Geen intrekking zal plaatsvinden indien die beslissing, afgewogen tegen de mate van bedrog of verzwijging, disproportioneel moet worden geacht. Aan iedere intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN dient een belangenafweging vooraf te gaan. Weegt het belang van betrokkene om niet in te trekken uiteindelijk zwaarder dan het belang van de overheid om wel in te trekken, dan dient niet te worden ingetrokken (zie de toelichting op het BVVN, **Stb.** 2002, 231).
[Artikel 68, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) bepaalt dat het besluit tot intrekking de personen vermeldt van wie het Nederlanderschap is ingetrokken. Aldus kan geen misverstand bestaan over de reikwijdte van de intrekking van het Nederlanderschap.
Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken als de persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf waarbij ernstige schade is toegebracht aan de essentiële belangen van het Koninkrijk of van een of meer landen van het Koninkrijk.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
De verzending aan de perso(o)n(en) van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, geschiedt per aangetekende post met ontvangstbevestiging.
Uitgangspunt voor [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is artikel 7 van het Europese Verdrag inzake Nationaliteit (EVN). Artikel 7, derde lid, EVN beperkt de verliesmogelijkheid door het verlies alleen toe te staan als de betrokken persoon daardoor niet staatloos zal worden. Artikel 14, zesde lid, neemt dit over en bepaalt dat geen verlies van het Nederlanderschap plaatsvindt, als staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn. Intrekking van het Nederlanderschap op grond van het tweede lid van artikel 14 RWN is dus niet mogelijk als de betrokken persoon daardoor staatloos wordt. Hij moet dus op het moment van het besluit tot intrekking behalve over de Nederlandse nationaliteit ook over een of meer andere nationaliteit(en) beschikken.
### 3. Onderteken dit formulier
Mocht na ingesteld bezwaar of beroep betrokkene alsnog moeten worden aangemerkt als Nederlander, dan wordt de burgemeester wederom door de Immigratie -en Naturalisatiedienst (IND) hiervan in kennis gesteld.
Voorts kan het Nederlanderschap, als er aanleiding toe is, van een veroordeelde minderjarige worden ingetrokken. In [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), wordt immers algemeen gesproken over de persoon van wie het Nederlanderschap kan worden ingetrokken. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen een minderjarige of een meerderjarige.
Zijn de namen van betrokkene bij de naturalisatie c.q. optie gewijzigd of vastgesteld, dan doet zich na intrekking van het Nederlanderschap één van de volgende drie situaties voor:
### 4. Opsturen
Wordt het intrekkingsbesluit in gevallen als hier bedoeld herroepen of vernietigd, dan herleeft de situatie van vóór de intrekking. Wat betreft de namen betekent dat, dat betrokkene alsdan geacht moet worden sedert de verlening c.q. verkrijging van het Nederlanderschap rechtens de namen te dragen zoals die voor hem bij de naturalisatie c.q. optie zijn gewijzigd of vastgesteld.
[Artikel 10:19 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=19) luidt:
[Artikel 10:22, lid 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=22) luidt:
In geval van verandering van nationaliteit is het recht van de staat van de nieuwe nationaliteit van toepassing, daaronder begrepen de regels van dat recht betreffende de gevolgen van de nationaliteitsverandering voor de naam.
[Artikel 10:19 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=19) luidt:
**Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens:**
In geval van verandering van nationaliteit is het recht van de staat van de nieuwe nationaliteit van toepassing, daaronder begrepen de regels van dat recht betreffende de gevolgen van de nationaliteitsverandering voor de naam.
De [rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831) (Stb. 2010, 242) vult regels aan met betrekking tot verlies van het Nederlanderschap. In [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is toen een lid ingevoegd dat beoogt een bijdrage te leveren in de strijd tegen het internationaal terrorisme. Het betreft een nieuw tweede lid dat intrekking mogelijk maakt van het Nederlanderschap indien sprake is van een veroordeling wegens misdrijven die zich richten tegen de essentiële belangen van het Koninkrijk. Deze wijziging in artikel 14 RWN is per 1 oktober 2010 in werking getreden.
Vóór de inwerkingtreding van deze rijkswetwijziging was intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk op grond van veroordelingen voor misdrijven genoemd in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), indien een persoon deze misdrijven pleegde nadat hij het Nederlanderschap had verkregen en hiervoor was veroordeeld. Intrekking van het Nederlanderschap was vóór de rijkswetswijziging alleen mogelijk als sprake was van misdrijven of (buitenlandse) veroordelingen die een afwijzingsgrond vormen voor optie of naturalisatie en die hadden plaatsgevonden voorafgaand aan de naturalisatie of optie en waren verzwegen in deze procedures. In dat geval kon het Nederlanderschap worden ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid RWN.
Met de [rijkswet van 5 maart 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037779) (Stb. 2016, 121) is het bereik van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) verruimd door het toevoegen van de mogelijkheid het Nederlanderschap in te trekken als sprake is van een veroordeling voor een misdrijf genoemd in [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a). Deze wijziging in artikel 14 RWN is met ingang van 31 maart 2016 in werking getreden.
De [rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831) (Stb. 2010, 242) vult regels aan met betrekking tot verlies van het Nederlanderschap. In [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is toen een lid ingevoegd dat beoogt een bijdrage te leveren in de strijd tegen het internationaal terrorisme. Het betreft een nieuw tweede lid dat intrekking mogelijk maakt van het Nederlanderschap indien sprake is van een veroordeling wegens misdrijven die zich richten tegen de essentiële belangen van het Koninkrijk. Deze wijziging in artikel 14 RWN is per 1 oktober 2010 in werking getreden.
[Artikel II van de rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb. 2010, 242) bepaalt dat intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk is, indien het misdrijf bedoeld in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), is gepleegd vóór de datum van inwerkingtreding van deze rijkswet. Dit betekent dat alleen een misdrijf als bedoeld in voornoemd artikellid dat is gepleegd ná inwerkingtreding van de wet (dus ná 1 oktober 2010) reden kan zijn om het Nederlanderschap in te trekken op grond van artikel 14, tweede lid.
[Artikel II van de rijkswet van 5 maart 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037779&artikel=II) (Stb. 2016, 121) bepaalt dat intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), wegens een misdrijf als bedoeld in [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) niet is toegestaan in geval van een veroordeling wegens dit misdrijf, als dit onherroepelijk is geworden voor inwerkingtreding van deze Rijkswet. Dit betekent dat intrekking van het Nederlanderschap kan plaatsvinden als de veroordeling op grond van artikel 134a Wetboek van Strafrecht op of na 31 maart 2016 onherroepelijk is geworden.
A is als minderjarige in 2000 medegenaturaliseerd met zijn vader en pleegt op 18-jarige leeftijd in 2009 een moord ([artikel 289 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=289)) met een terroristisch oogmerk als bedoeld in [artikel 83 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=83). Hij wordt hiervoor in november 2010 onherroepelijk veroordeeld.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 3-2. Toelichting ad artikel 3, tweede lid
### Artikel 12
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
### Paragraaf 4. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
### paragraaf 4. Bewijsstukken
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
### 9-3-c. Toelichting ad [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
### Artikel 11
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### 12-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
### Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
### 14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
### paragraaf 2. Naturalisatiegelden
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
### paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
[Artikel 7, tweede lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=7) voorziet in de mogelijkheid dat de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post aan de rijksoverheid vergoeding verzoekt wegens, door ontheffing, niet-ontvangen optiegelden. Het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post moet een verzoek om vergoeding indienen door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken.
### Paragraaf 2.3. Tarieven F en G
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
### 14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
### paragraaf 2. Algemeen
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
Vanaf 1 januari 2017 gelden de volgende afdrachtcodes:
Bij een gemeenschappelijk verzoek of een gelijktijdig verzoek om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin behoudt de gemeente € 305 eveneens ongeacht of het standaard of het verlaagde tarief is betaald. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen wordt afgedragen aan Onze Minister (€ 767 bij het standaard tarief en € 553 bij het verlaagd tarief). In het geval van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post € 21 per kind. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen (€ 103) wordt afgedragen aan Onze Minister. Als de verzoeker tijdens de naturalisatieprocedure verhuist, behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post die de leges geïnd heeft het gemeentelijk/consulair deel van de leges en draagt zorg voor de afdracht van het resterende bedrag.
### Artikel 14
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:202.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=202) en [3:44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=44)
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
### 14-6. Toelichting ad artikel 14, zesde lid
[WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580): [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=1) en [4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=4)
### paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid beperkt tot datum herziening RWN (1 april 2003)
### 14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
Het bedrog, de valse verklaring of het verzwijgen van voor de naturalisatie of optie relevante feiten, kan betrekking hebben gehad op de personalia (identiteit/persoonsgegevens) van de naturalisandus. Wanneer met gebruikmaking van valse of (gedeeltelijk) fictieve personalia (die bestaan uit de voornaam, geslachtsnaam, geboortedatum en geboorteplaats) een verzoek om naturalisatie is ingediend, waardoor in het Koninklijk Besluit tot verlening van het Nederlanderschap valse personalia werden opgenomen, is dit een vorm van frauduleus handelen.
De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optieof naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden “valse verklaring of bedrog” aansluiting gezocht bij [titel XII WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIII) (valsheid in geschriften) en bij [artikel 3:44 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=44) (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 11 november 2005 ten aanzien van het vorenstaande nog opgemerkt dat sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene toch identificeert en daarom rechtsgevolg heeft. Daarop aansluitend heeft de Hoge Raad in de beschikking van 30 juni 2006, onder verwijzing naar zijn beschikking van 11 november 2005, gesteld dat bijzondere omstandigheden inhouden dat **‘de betrokkene desondanks wel voldoende geïdentificeerd was en de aanvrager door het tot stand gekomen naturalisatiebesluit wel het Nederlanderschap heeft verworven’.**Hiervan is sprake wanneer **‘ondanks de onjuistheid van de verschafte persoonsgegevens, omtrent de ware identiteit van de aanvrager bij de instanties die het verzoek moesten onderzoeken en beoordelen, een zodanige duidelijkheid heeft bestaan, dat niet gezegd kan worden dat de onjuistheid van de persoonsgegevens hun onderzoek en beoordeling belemmerd heeft’**.
### paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
### paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
Wordt de burgemeester door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
### paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
### paragraaf 2.3. Belangenafweging
### paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
### Artikel 21
### 20-alg. Toelichting algemeen
### 22-2. Toelichting ad [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22)
### 23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
**De verklaring van verbondenheid, bedoeld in artikel 6, tweede lid, artikel 8, eerste lid onder e en artikel 11, vierde en vijfde lid, wordt afgelegd met de volgende woorden: Ik zweer (verklaar) dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer (beloof) de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen. Degene die de verklaring aflegt voegt daar ter bevestiging aan toe: Zo waarlijk helpe mij God almachtig, of: Dat verklaar en beloof ik.**
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
### Artikel 24
### Artikel III RRWN
Geen.
De oud-Nederlander die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op een andere grond kan geen beroep doen op dit artikel. Zo kan degene die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van de TOI, de TOS of op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg geen beroep doen op dit artikel. Bij het verlies op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg gaat het om oud-Nederlanders die na 9 juni 1985 vrijwillig de nationaliteit hebben verkregen van Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk of na 18 juni 1991 van België. Op grond van [artikel 15A, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) is er echter geen sprake van verlies op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg als de oud-Nederlander vrijwillig de Franse of Italiaanse nationaliteit heeft verkregen terwijl hij behoorde tot de doelgroep van het Tweede Protocol.
### 26-1. Toelichting ad [artikel 26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
**Het vereiste van toelating en hoofdverblijf, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder f, is niet van toepassing op de vreemdeling die nadat hij meerderjarig is geworden het Nederlanderschap heeft verloren als gevolg van verkrijging van een andere nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) zoals dit luidde tot 1 maart 1964, en artikel 7, aanhef en ten eerste of ten derde, van de Wet van 12 december 1892,** **Stb. 268** **, op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, dan wel dit heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, indien de persoon:**
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
[Artikel 26, eerste lid aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) moet als volgt worden gelezen:
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
De oud-Nederlander die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op een andere grond kan geen beroep doen op dit artikel. Zo kan degene die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van de TOI, de TOS of op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg geen beroep doen op dit artikel. Bij het verlies op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg gaat het om oud-Nederlanders die na 9 juni 1985 vrijwillig de nationaliteit hebben verkregen van Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk of na 18 juni 1991 van België. Op grond van [artikel 15A, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) is er echter geen sprake van verlies op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg als de oud-Nederlander vrijwillig de Franse of Italiaanse nationaliteit heeft verkregen terwijl hij behoorde tot de doelgroep van het Tweede Protocol.
[Artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) geldt niet voor personen die uitsluitend de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander hebben bezeten.
### Artikel VI RRWN
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). In aanvulling daarop geldt het volgende. De persoon die een beroep doet op deze bepaling, zal zelf moeten aantonen wanneer en op grond van welk artikel hij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. In een aantal gevallen zal dit al blijken uit een vermelding in de BRP. In dat geval is geen aanvullend bewijs nodig. Is de verliesgrond echter niet vermeld, dan zal de vrouw die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren als gevolg van het door haar voor 1 maart 1964 gesloten huwelijk bijvoorbeeld een uittreksel uit het huwelijksregister kunnen tonen. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen. Verlies op grond van artikel 7, aanhef ten eerste of ten derde, WNI of [artikel 15, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan worden aangetoond door het overleggen van het naturalisatiebesluit, een bij de naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit een naturalisatie c.q. optieregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het vreemde nationaliteitsrecht. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het om de griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. De optant moet daarover zelf inlichtingen inwinnen, bijvoorbeeld bij de vertegenwoordiging van zijn land in Nederland en moet – als de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aantonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van dat land in Nederland bevoegd zijn om een verklaring af te geven. Deze verklaring moet, als nodig, gelegaliseerd en vertaald worden. De burgemeester zal vervolgens aan de hand van het (destijds geldende) vreemde recht en het (destijds geldende) Nederlandse nationaliteitsrecht moeten bepalen of sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit en zo ja, op grond van welk artikel in de WNI of de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
De Nederlandse vrouw A, emigreert in 1970 samen met haar Nederlandse echtgenoot naar Canada. Haar echtgenoot krijgt in 1977 de Canadese nationaliteit door naturalisatie. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Zelf verkrijgt A de Canadese nationaliteit in 1980 door naturalisatie en verliest daardoor op grond van hetzelfde artikel het Nederlanderschap. Deze vrouw kan, mits tegen haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 hoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). Haar man heeft de Canadese nationaliteit op het moment dat zij de Canadese nationaliteit verkrijgt. Ervan uitgaande dat haar man voor zijn komst naar Canada altijd in Nederland heeft gewoond, moet hij wel ten minste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben om de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie te verkrijgen. Hij voldoet immers niet aan artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, RWN.
### VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### Artikel 27
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3)
Geen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -8668,109 +11412,151 @@
Vervallen.
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
### 9-alg. Toelichting algemeen
### 12-2. Toelichting ad [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### 9-3-c. Toelichting ad [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### 9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid
### Paragraaf 1.1. Tarieven
### paragraaf 3.1. Advisering
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
### Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
### paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### Artikel 13
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
### Paragraaf 2. Naamswijziging
### Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen
### Paragraaf 1.1. Tarieven
### paragraaf 1. Optiegelden
### paragraaf 1. Optiegelden
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
### Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
### paragraaf 2. Naturalisatiegelden
### paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
### Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
### 14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
In geval van ontheffing van betaling van de naturalisatiegelden kan de gemeente verzoeken om een vergoeding ([artikel 8, tweede lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8)). Een dergelijk schriftelijk verzoek moet worden gericht aan het Team Financiële Administratie van de Directie Bedrijfsvoering, afdeling Financiën en Business Informatie van de IND, Postbus 1821, 2280 DV te Rijswijk. Als het verzoek van de gemeente door de IND wordt gehonoreerd, ontvangt de gemeente een bedrag van € 182 voor een enkelvoudig verzoek en € 310 voor een gemeenschappelijk verzoek. Het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post moet een verzoek om vergoeding indienen door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken.
Zie voor het overgangsrecht toelichting bij artikel 14, zesde lid, RWN, paragraaf 2 en de toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN paragraaf 1.1.
### 14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
### Paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
### paragraaf 2. Algemeen
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### Artikel 15
### Paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
### paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
### paragraaf 4.2. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
### paragraaf 4.1. Voornemenprocedure
Volgens [artikel 69 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=69) dient de Minister van Justitie een besluit tot intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) uiterlijk te nemen binnen zestien weken nadat hij mededeling van zijn voornemen tot intrekking heeft gedaan. In [artikel 68, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) is geregeld dat bij het besluit tot intrekking onder meer rekening moet worden gehouden met de aard en ernst van de fraude, de mogelijke staatloosheid van betrokkene na de intrekking, de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen en de overige relevante factoren. Geen intrekking zal plaatsvinden indien die beslissing, afgewogen tegen de mate van bedrog of verzwijging, disproportioneel moet worden geacht. Aan iedere intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN dient een belangenafweging vooraf te gaan. Weegt het belang van betrokkene om niet in te trekken uiteindelijk zwaarder dan het belang van de overheid om wel in te trekken, dan dient niet te worden ingetrokken (zie de toelichting op het BVVN, **Stb.** 2002, 231).
### Paragraaf 2.1.2.2. Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
alsook: **Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Artikel 22
### 21-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 22C
### Artikel 27
### 27-alg. Toelichting algemeen
Een Nederlandse vrouw C trouwt in 1962 met een Italiaanse man. Zij verkrijgt als gevolg van haar huwelijk automatisch de Italiaanse nationaliteit. Zij verliest van rechtswege de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) WNI. Deze vrouw kan, mits tegen haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 hoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26).
Geen.
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
De verkrijging van het Nederlanderschap op grond van het onderhavige artikel werkt terug tot de datum waarop het huwelijk is ontbonden. Dit is een uitzondering op het in [artikel 2, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) geformuleerde beginsel dat verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. Volgens Nederlands recht wordt het huwelijk onder meer ontbonden door de dood, door echtscheiding en door ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed ([artikel 1:149 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=149)). De echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed komt tot stand op het moment dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ([artikel 1:163, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=163) en [artikel 1:183, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=183)). In andere rechtsstelsels geldt veelal dat het huwelijk is beëindigd op een moment dat een rechterlijke uitspraak waarbij het huwelijk is ontbonden in kracht van gewijsde is gegaan.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [6.2 t/m 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VI)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [6.1 t/m 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
### Artikel 29
RWN: [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
De verkrijging van het Nederlanderschap op grond van het onderhavige artikel werkt terug tot de datum waarop het huwelijk is ontbonden. Dit is een uitzondering op het in [artikel 2, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) geformuleerde beginsel dat verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. Volgens Nederlands recht wordt het huwelijk onder meer ontbonden door de dood, door echtscheiding en door ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed ([artikel 1:149 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=149)). De echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed komt tot stand op het moment dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ([artikel 1:163, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=163) en [artikel 1:183, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=183)). In andere rechtsstelsels geldt veelal dat het huwelijk is beëindigd op een moment dat een rechterlijke uitspraak waarbij het huwelijk is ontbonden in kracht van gewijsde is gegaan.
### 29-alg. Toelichting algemeen
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2). In aanvulling daarop geldt het volgende. De vrouw die een beroep doet op de onderhavige bepaling, dient zelf aan te tonen dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren door of in verband met het huwelijk. Tevens zal zij moeten aantonen dat het huwelijk is ontbonden en op welk moment dat is gebeurd. In dit verband kan zij een recent uittreksel uit een huwelijksregister overleggen; een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waaruit blijkt dat het huwelijk is ontbonden, dan wel – bij ontbinding door overlijden – een overlijdensakte van haar echtgenoot. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen.
Geeft de betreffende nationaliteitswetgeving daaromtrent geen uitsluitsel of blijkt uit die nationaliteitswetgeving dat de vrouw door het huwelijk niet van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen, dan dient de verkrijging van die andere nationaliteit te worden aangetoond door bijvoorbeeld een naturalisatiebesluit, een bij naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit het nationaliteitenregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en de juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het nationaliteitsrecht. Uit die gegevens kan (mede) worden afgeleid of het Nederlanderschap is verloren door of in verband met het huwelijk. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het bijvoorbeeld om een griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen bij bijvoorbeeld de vertegenwoordiging van haar land in Nederland en dient – indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van haar land in Nederland bevoegd zijn om de verklaring af te geven. Deze verklaring dient, indien nodig, te worden gelegaliseerd en vertaald. De circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen, alsmede de toepassing van DNA-onderzoek in een aantal gevallen waarin bewijsstukken ontbreken van 15 mei 2006 is van toepassing.
### Artikel II RRWN
Een Nederlandse vrouw is in 1965 gehuwd met een Belgische man. Zij heeft hierdoor de Belgische nationaliteit verkregen. Zij heeft door het huwelijk niet van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verloren (artikel 5 WNI (oud) is per 1 maart 1964 vervallen). Zij heeft in 1966 het Nederlanderschap verworpen teneinde eenheid van nationaliteit tussen haar en haar man te bewerkstelligen. In januari 2003 is in Nederland de echtscheiding uitgesproken en op 5 februari 2003 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw kan tot 5 februari 2004 een schriftelijke verklaring afleggen om het Nederlanderschap te herkrijgen. Als zij dat doet, verkrijgt zij het Nederlanderschap met ingang van 5 februari 2003.
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
Indien vóór inwerkingtreding van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) (nieuw) de naturalisatie heeft plaatsgevonden, werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Aldus bepaalt [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II). Een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór 1 april 2003. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij tot 1 april 2003 wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, en na deze datum niet meer.
### Artikel 29
RWN: [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
RvvN: [artikel 14.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=14)
### 29-alg. Toelichting algemeen
Op grond van dit artikel telt de periode van hoofdverblijf die vóór 10 oktober 2010 is doorgebracht in de toenmalige Nederlandse Antillen mee bij de vraag of wordt voldaan aan de vereiste termijn van hoofdverblijf in het land Curaçao, het land Sint Maarten, het land Aruba en in de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder b, c en d van bedoeld tweede lid, waar is geregeld dat in bepaalde uitzonderingsgevallen geen verlies van het Nederlanderschap, als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) intreedt. De onder b, c en d genoemde uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in het tweede lid van artikel 16 RWN opgenomen.
### Artikel IV RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
Ingevolge [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de verliestermijn van tien jaren uit [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dit betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal verlies van het Nederlanderschap kan intreden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
### Artikel V RRWN
WNI: artikel 2.a
### 14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van artikel 14, tweede lid, RWN. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder b, c en d van bedoeld tweede lid, waar is geregeld dat in bepaalde uitzonderingsgevallen geen verlies van het Nederlanderschap, als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) intreedt. De onder b, c en d genoemde uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in het tweede lid van artikel 16 RWN opgenomen.
### Artikel IV RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
E, van Nederlandse en Australische nationaliteit, geboren in 1960 in Australië, woont sedert 10 februari 1987 in Australië. E is laatstelijk op 5 augustus 1991 in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 februari 1997 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit).
Ingevolge [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de verliestermijn van tien jaren uit [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dit betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal verlies van het Nederlanderschap kan intreden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
G, geboren op 10 januari 1967 in Zuid-Afrika, van Nederlandse en Zuid-Afrikaanse nationaliteit, woont sedert zijn geboorte in Zuid-Afrika. Op 15 maart 1994 wordt G in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 januari 1995 verliest G zijn Nederlanderschap op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers na zijn meerderjarigheid gedurende tien jaren in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit). Op 1 februari 1995 emigreert G naar Australië, waar hij op 20 december 2000 wordt genaturaliseerd tot Australiër.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
G wordt dus door de werking van artikel V, tweede lid, RRWN weliswaar hersteld in zijn Nederlanderschap, doch slechts tot 20 december 2000, op welke datum voor hem de verliesbepaling van artikel 15, aanhef en onder a, RWN, van toepassing is geworden. Na inwerkingtreding van de overige bepalingen van de RRWN kan G het Nederlanderschap niet herkrijgen door optie ingevolge artikel V, eerste lid, RRWN, omdat hij geacht wordt zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN; hij heeft het verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
### Artikel VI RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voornoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.
### Artikel VII RRWN
E, van Nederlandse en Australische nationaliteit, geboren in 1960 in Australië, woont sedert 10 februari 1987 in Australië. E is laatstelijk op 5 augustus 1991 in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 februari 1997 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit).
### VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### Paragraaf 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) (1 april 2003)
G wordt dus door de werking van artikel V, tweede lid, RRWN weliswaar hersteld in zijn Nederlanderschap, doch slechts tot 20 december 2000, op welke datum voor hem de verliesbepaling van artikel 15, aanhef en onder a, RWN, van toepassing is geworden. Na inwerkingtreding van de overige bepalingen van de RRWN kan G het Nederlanderschap niet herkrijgen door optie ingevolge artikel V, eerste lid, RRWN, omdat hij geacht wordt zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN; hij heeft het verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
### Artikel VI RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -8780,53 +11566,115 @@
Vervallen.
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
De terugwerkende kracht van een intrekkingsbesluit op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) ziet uitsluitend op het Nederlanderschap. Dit betekent dat indien betrokkene, die na deze intrekking niet staatloos is geworden en die op grond van het recht van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, terugkeert naar zijn ‘oude’ namen, in ieder geval (ook na de intrekking bezien) vanaf de verlening c.q. verkrijging van het Nederlanderschap tot de intrekking daarvan rechtens de namen heeft gedragen zoals die voor hem bij de naturalisatie c.q. optie zijn gewijzigd of vastgesteld.
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.3.1. Inleiding
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
### Artikel 13
### paragraaf 1. Optiegelden
### Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen
De gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post behoudt per enkelvoudig verzoek om naturalisatie € 179, ongeacht of betrokkene het standaard of het verlaagde tarief betaalt. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen, wordt afgedragen aan Onze Minister (€ 661 bij standaard tarief en € 446 bij verlaagd tarief).
### Artikel 14
### paragraaf 2.3. Belangenafweging
### Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
### paragraaf 4.1. Voornemenprocedure
### paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
### Paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
### Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
### paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van artikel 14, tweede lid RWN
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
alsook: **Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Artikel 20
### Artikel 23
### 23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
### 26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
### 26-3. Toelichting ad [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
### Artikel 28
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=133); [1:163.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=163); [1:253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha) en [1:183.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=183)
WNI: artikel 5, zoals dat luidde vóór 1 maart 1964
Geen.
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
De verkrijging van het Nederlanderschap werkt ook terug voor de in de optieverklaring vermelde kinderen van de vrouw die delen in de verkrijging. Kinderen geboren vóór de datum van ontbinding van het huwelijk delen op grond van [artikel 28, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) in de verkrijging door de moeder. Bij deze kinderen werkt de verkrijging – net als bij de moeder – terug tot op de datum van de ontbinding van het huwelijk. Daarnaast delen deze kinderen alleen, indien zij tot dat doel in de optieverklaring en in de daarop volgende bevestiging zijn vermeld.
Een Nederlandse vrouw is in 1963 gehuwd met een Belgische man. Op grond van de Belgische nationaliteitswetgeving heeft zij door dit huwelijk de Belgische nationaliteit verkregen. Op grond van artikel 5 WNI – zoals dat luidde tot 1 maart 1964 – heeft zij door dit huwelijk het Nederlanderschap verloren. Uit het huwelijk wordt in 1986 een kind geboren. De Belgische man is op 20 november 2002 overleden. Zij heeft op 14 oktober 2003 de optieverklaring afgelegd. In de verklaring heeft zij met het oog op medeverkrijging de naam van het kind vermeld. Op 1 december 2003 is de verklaring door de burgemeester bevestigd. Zij en het kind hebben het Nederlanderschap op 20 november 2002 verkregen.
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
Op grond van [artikel 14, derde lid Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=14) (RvvN) worden de tijdvakken van toelating in de Nederlandse Antillen, gelegen voor de inwerkingtreding van de [Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028128), in aanmerking genomen als ware het toelating in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
### Artikel II RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### II RRWN-alg. Toelichting algemeen
Indien vóór inwerkingtreding van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) (nieuw) de naturalisatie heeft plaatsgevonden, werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Aldus bepaalt [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II). Een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór 1 april 2003. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij tot 1 april 2003 wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, en na deze datum niet meer.
### Artikel III RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4); [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5); [14.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
### Artikel V RRWN
### V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
Aangezien de verliestermijn van het oude [artikel 15, onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) ingevolge [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) (oud) niet eerder kan zijn aangevangen dan op 1 januari 1985, heeft inmiddels sedert 1 januari 1995 een fors aantal personen het Nederlanderschap verloren als gevolg van tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan men tevens de nationaliteit bezit. [Artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) biedt wat dat betreft een reparatiemogelijkheid. Deze optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap eindigde op 31 maart 2005.
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
De optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap zoals neergelegd in [artikel V, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) eindigde op 31 maart 2005.
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
F, geboren in 1962 in Australië, heeft op 1 januari 1995 zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Aan hem is laatstelijk op 10 augustus 1992 een Nederlands paspoort afgegeven. Als gevolg van voormeld verlies heeft zijn zoon G, geboren in 1993, op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN eveneens op 1 januari 1995 het Nederlanderschap verloren. Zoon H, geboren in 1996, verkreeg bij geboorte niet het Nederlanderschap (geen van de ouders was toen Nederlander). F is in 1998 overleden. Hij bezat uitsluitend de Australische nationaliteit.
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt E geacht zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren, aangezien aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. Hebben minderjarige kinderen van E op grond van het oude [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) tegelijk met hem het Nederlanderschap verloren, dan worden ook die kinderen geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Of de kinderen inmiddels (na het aanvankelijke verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig zijn geworden speelt geen rol.
G, geboren op 10 januari 1967 in Zuid-Afrika, van Nederlandse en Zuid-Afrikaanse nationaliteit, woont sedert zijn geboorte in Zuid-Afrika. Op 15 maart 1994 wordt G in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 januari 1995 verliest G zijn Nederlanderschap op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers na zijn meerderjarigheid gedurende tien jaren in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit). Op 1 februari 1995 emigreert G naar Australië, waar hij op 20 december 2000 wordt genaturaliseerd tot Australiër.
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voornoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.
### Artikel VII RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=7)[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 34.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34); [36.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [73.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)
### VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### Paragraaf 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) (1 april 2003)
Deze toelichting is vervallen in 2014.
### paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -8836,2315 +11684,15 @@
Vervallen.
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 9-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
### Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
### Artikel 15
### Paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
### Paragraaf 1.1. Tarieven
### Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
### paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid beperkt tot datum herziening RWN (1 april 2003)
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
### paragraaf 2.3. Belangenafweging
### 14-6. Toelichting ad artikel 14, zesde lid
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van een besluit tot intrekking bedoeld in [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) of in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de betreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties. [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent dat:
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
### paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid
### Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
### Paragraaf 2.1.2.2. Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
Omdat het hier gaat om een feit dat is gepleegd in 2009 dus vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging per 1 oktober 2010 ([artikel II van de rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb. 2010, 242), kan wegens dit strafrechtelijk feit met terroristisch oogmerk nooit sprake zijn van intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). A behoudt dan ook zijn Nederlanderschap.
Een vrouw die naast de Nederlandse nationaliteit een tweede nationaliteit heeft reist in 2014 naar Syrië om zich daar te laten trainen om in Nederland terroristische misdrijven te plegen. Bij terugkeer in Nederland wordt zij vervolgd op grond van [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a). De vrouw wordt veroordeeld en op 5 april 2016 wordt de veroordeling onherroepelijk. Omdat de veroordeling onherroepelijk is geworden na 30 maart 2016 en de intrekking niet tot staatloosheid leidt kan het Nederlanderschap worden ingetrokken.
A is als minderjarige in 2000 medegenaturaliseerd met zijn vader en pleegt op 18-jarige leeftijd in 2009 een moord ([artikel 289 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=289)) met een terroristisch oogmerk als bedoeld in [artikel 83 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=83). Hij wordt hiervoor in november 2010 onherroepelijk veroordeeld.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
### Paragraaf 2. Naamswijziging
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
### paragraaf 2. Naturalisatiegelden
### Paragraaf 2.4. Tarief H
### paragraaf 2. Algemeen
### 14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid
### paragraaf 4.1. Voornemenprocedure
### paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht
### Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
Wordt de burgemeester door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:
### Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
### 14-2. Toelichting ad [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
### 14-2. Toelichting ad [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
### paragraaf 1.1. Overgangsrecht
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Omdat het hier gaat om een feit dat is gepleegd in 2009 dus vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging per 1 oktober 2010 ([artikel II van de rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb. 2010, 242), kan wegens dit strafrechtelijk feit met terroristisch oogmerk nooit sprake zijn van intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). A behoudt dan ook zijn Nederlanderschap.
Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken als de persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf waarbij ernstige schade is toegebracht aan de essentiële belangen van het Koninkrijk of van een of meer landen van het Koninkrijk.
Het gaat dus om een misdrijf dat tegen de staat en zijn instituties is gericht en een ernstig gewelddadig of vijandelijk element bevat.
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
Uitgangspunt voor [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is artikel 7 van het Europese Verdrag inzake Nationaliteit (EVN). Artikel 7, derde lid, EVN beperkt de verliesmogelijkheid door het verlies alleen toe te staan als de betrokken persoon daardoor niet staatloos zal worden. Artikel 14, zesde lid, neemt dit over en bepaalt dat geen verlies van het Nederlanderschap plaatsvindt, als staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn. Intrekking van het Nederlanderschap op grond van het tweede lid van artikel 14 RWN is dus niet mogelijk als de betrokken persoon daardoor staatloos wordt. Hij moet dus op het moment van het besluit tot intrekking behalve over de Nederlandse nationaliteit ook over een of meer andere nationaliteit(en) beschikken.
Als het Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van het eerste lid van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) mag staatloosheid daarentegen wel het gevolg zijn.
Bij de intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, is niet van belang op welke wijze het Nederlanderschap is verkregen. Dit kan zijn door naturalisatie en optie, maar ook kan sprake zijn van verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege, bijvoorbeeld vanaf geboorte door afstamming van een Nederlandse vader of moeder op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Met de zinsnede “of voordien in het huwelijk is getreden” wordt gedoeld op degenen die jonger dan achttien jaar waren toen zij trouwden. Na een echtscheiding of overlijden van de echtgeno(o)t(e), voordat betrokkene achttien jaar geworden is, blijft sprake van meerderjarigheid.
Ook meerderjarig zijn degenen die vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar een geregistreerd partnerschap in Nederland zijn aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1). Zij blijven ook meerderjarig na een ontbinding van dat partnerschap of na het overlijden van de partner voordat betrokkene achttien jaar is geworden.
Op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 11, tweede tot en met vijfde lid en zevende lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) moet de vreemdeling ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in Nederland hebben. Dit betekent dat hij in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht met een niet-tijdelijk karakter.
### 3-1. Toelichting ad artikel 3, eerste lid
### 8-3. Toelichting ad [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### 8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
### paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht
### Paragraaf 2.1.3. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c
### paragraaf 2. Algemeen
Hiervan is sprake als de betrokken persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf genoemd in [artikel 14 tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
### paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid
De termijn van 12 jaar, als genoemd in het eerste lid, is niet van toepassing als het Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, RWN. Dit betekent dat intrekking van het Nederlanderschap ook mogelijk is, als de betrokken persoon langer dan 12 jaar het Nederlanderschap bezit, bijvoorbeeld vanaf zijn geboorte.
### Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
Voorts kan het Nederlanderschap, als er aanleiding toe is, van een veroordeelde minderjarige worden ingetrokken. In [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), wordt immers algemeen gesproken over de persoon van wie het Nederlanderschap kan worden ingetrokken. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen een minderjarige of een meerderjarige.
### Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
A, van Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit, heeft in 1990 door geboorte in Nederland op grond van [artikel 3, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) (derde generatieartikel) het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Hij pleegt in 2011 een aanslag tegen de troonopvolger ([artikel 94 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=94)). In 2012 wordt A hiervoor onherroepelijk veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Het Nederlanderschap van A kan worden ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), ook al heeft hij het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Van belang is wel dat hij door de intrekking niet staatloos mag worden. De termijn van 12 jaar geldt in dit geval niet, omdat geen sprake is van toepassing van artikel 14, eerste lid RWN waar het gaat om intrekking wegens bedrog in de optie- of naturalisatieprocedure. Daarentegen is sprake van toepassing van artikel 14, tweede lid RWN wegens een onherroepelijke veroordeling wegens staatsondermijnende handelingen.
Met ingang van 31 maart 2016 is in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)[artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) opgenomen als grond voor intrekking van het Nederlanderschap. Artikel 134a gaat om gevallen waarin sprake is van hulp bij het plegen van terroristische misdrijven of bij de voorbereiding van dergelijke misdrijven. Als sprake is van een onherroepelijk veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan dit leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.
In [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) wordt een aantal misdrijven opgesomd. Indien een persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een van deze misdrijven, kan zijn Nederlanderschap worden ingetrokken door de Minister.
### Paragraaf 2.1.2.2. [Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)
Met ingang van 31 maart 2016 is in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)[artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) opgenomen als grond voor intrekking van het Nederlanderschap. Artikel 134a gaat om gevallen waarin sprake is van hulp bij het plegen van terroristische misdrijven of bij de voorbereiding van dergelijke misdrijven. Als sprake is van een onherroepelijk veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan dit leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.
Een onherroepelijke veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan eveneens leiden tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
Voorts wordt in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), verwezen naar [artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205).
Het zonder toestemming van de Koning(in) werven van personen voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd moet als een schending van de essentiële belangen van de staat worden beschouwd, als die gewapende strijd zich tegen het Koninkrijk richt.
Een onherroepelijke veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan eveneens leiden tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
Een man van Nederlandse en Syrische nationaliteit maakt zich schuldig in 2011 aan het werven van jongeren in Nederland voor de gewapende strijd in het kader van een politieke dan wel religieuze overtuiging. De man wordt hiervoor op grond van [artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205) in hetzelfde jaar onherroepelijk veroordeeld. Zijn Nederlanderschap kan worden ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), want hij wordt door de intrekking van het Nederlanderschap niet staatloos.
Het zonder toestemming van de Koning(in) werven van personen voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd moet als een schending van de essentiële belangen van de staat worden beschouwd, als die gewapende strijd zich tegen het Koninkrijk richt.
Het Nederlanderschap kan worden ingetrokken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving soortgelijk is aan de misdrijven, bedoeld onder [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), en waartegen de strafwet van de andere drie landen van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten) straf bedreigt. De gestelde straf op het misdrijf bedoeld onder a van acht jaar of meer dient ook in de strafwet van één van de landen van Koninkrijk op acht jaar of meer gesteld te zijn.
### Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
Ingevolge dit artikellid gaat het Nederlanderschap voor een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend. Het Nederlanderschap moet dan wel zijn verkregen ingevolge [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4), 5 oud, [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5), [5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5a), [5b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5b), [5c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5c) of [6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), dan wel ingevolge [artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4), zoals die bepaling luidde tot 1 april 2003 (dat betrof verkrijging van het Nederlanderschap door erkenning of wettiging door een Nederlander).
De beslissing tot intrekking is aan Onze Minister
Hij heeft daartoe een discretionaire bevoegdheid.
### Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Daartegenover staat dat een intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is beperkt tot Nederlanders die het Nederlanderschap door naturalisatie of optie hebben verkregen.
Van Nederlanders die het Nederlanderschap op een andere wijze dan door optie of naturalisatie hebben gekregen, is het wel mogelijk het Nederlanderschap te ontnemen op grond van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), mits zij over nog een nationaliteit beschikken.
De veiligheid van het Koninkrijk is bij de genoemde misdrijven bijna altijd in het geding en maakt deel uit van de criteria voor de afweging bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot intrekking (TK 31 813 (R1873), nr. 27 vierde nota van wijziging). Daarnaast zullen zeer bijzondere omstandigheden betrekking hebbende op de persoon van de dader en prangende humanitaire redenen worden meegewogen. Dit zijn in de regel andere omstandigheden en redenen dan die de strafrechter heeft meegenomen in zijn oordeel, nu de Minister een ander, bestuursrechtelijk, toetsingskader hanteert. De duur van de opgelegde straf maakt slechts in zeer beperkte mate deel uit van de afweging. Dit volgt uit de parlementaire behandeling van de wet waarmee [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) is toegevoegd aan de artikelen die op grond van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kunnen leiden tot intrekking van het Nederlanderschap. Alleen in geval van schuldigverklaring zonder oplegging van straf of in geval van het opleggen van een gevangenisstraf van (zeer) korte duur wegens (sterk) verminderde toerekeningsvatbaarheid, zou sprake kunnen zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding is af te zien van intrekking van het Nederlanderschap (EK 34 016 (R2036) memorie van antwoord).
Daartegenover staat dat een intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is beperkt tot Nederlanders die het Nederlanderschap door naturalisatie of optie hebben verkregen.
Net als bij een meerderjarige wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), maak het bij de minderjarige als zojuist bedoeld, niet uit op welke wijze hij het Nederlanderschap heeft verkregen.
De veiligheid van het Koninkrijk is bij de genoemde misdrijven bijna altijd in het geding en maakt deel uit van de criteria voor de afweging bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot intrekking (TK 31 813 (R1873), nr. 27 vierde nota van wijziging). Daarnaast zullen zeer bijzondere omstandigheden betrekking hebbende op de persoon van de dader en prangende humanitaire redenen worden meegewogen. Dit zijn in de regel andere omstandigheden en redenen dan die de strafrechter heeft meegenomen in zijn oordeel, nu de Minister een ander, bestuursrechtelijk, toetsingskader hanteert. De duur van de opgelegde straf maakt slechts in zeer beperkte mate deel uit van de afweging. Dit volgt uit de parlementaire behandeling van de wet waarmee [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) is toegevoegd aan de artikelen die op grond van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kunnen leiden tot intrekking van het Nederlanderschap. Alleen in geval van schuldigverklaring zonder oplegging van straf of in geval van het opleggen van een gevangenisstraf van (zeer) korte duur wegens (sterk) verminderde toerekeningsvatbaarheid, zou sprake kunnen zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding is af te zien van intrekking van het Nederlanderschap (EK 34 016 (R2036) memorie van antwoord).
Immers, zonder bedoelde familierechtelijke betrekking had nooit sprake kunnen zijn van het Nederlanderschap ex artikel 3, derde lid, RWN. Met andere woorden, vervalt de familierechtelijke betrekking met de persoon via wie het Nederlanderschap wordt ontleend aan artikel 3, derde lid, RWN, ook dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.
Net als bij een meerderjarige wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), maak het bij de minderjarige als zojuist bedoeld, niet uit op welke wijze hij het Nederlanderschap heeft verkregen.
Met de inwerkingtreding op 1 maart 2017 van de Rijkswet van 10 februari 2017 is het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden van een staat als bedoeld in [artikel 14, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) als grond voor de intrekking van het Nederlanderschap in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) opgenomen. Tot deze datum leidde het in vreemde krijgsdienst treden voor meerderjarigen op grond van [artikel 15, lid 1 onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) van rechtswege tot verlies van het Nederlanderschap. Met ingang van 1 maart 2017 gaat het Nederlanderschap niet meer van rechtswege verloren maar moet een besluit worden genomen door Onze Minister. Omdat het Nederlanderschap niet langer van rechtswege verloren gaat kan in het intrekkingsbesluit een proportionaliteitstoets plaatsvinden waarin (onder meer) wordt ingegaan op de gevolgen van het verlies van het burgerschap van de Europese Unie.
Deze wijziging van de Rijkswet kent geen bepaling van overgangsrecht. Dit betekent dat een persoon die op of na 1 maart 2017 in vreemde krijgsdienst treedt het Nederlanderschap alleen verliest na een besluit van Onze Minister.
De huidige redactie van deze bepaling is in de wet gekomen met de wetswijzigingen van 2003 en 2010. Ten gevolge van [artikel III RRWN 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=III) heeft de redactie van het huidige [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap (1 januari 1985). Zie de toelichting bij artikel 14, vierde lid, RWN, paragraaf 2.
Op grond van [artikel 14, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan het Nederlanderschap worden ingetrokken van de bipatride Nederlander die vrijwillig dienst heeft genomen in het leger van een vreemde mogendheid. Voorwaarde is dat deze vreemde mogendheid betrokken is in gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Voor de intrekking is niet noodzakelijk dat de betrokkene zelf gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk heeft verricht.
Om het Nederlanderschap wegens in dienst treden in vreemde krijgsdienst te kunnen intrekken moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
### paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Onder ‘krijgsdienst van een staat’ wordt verstaan: dienstneming in het leger van een vreemde mogendheid. Het hoeft hier niet te betreffen een staat die is erkend door het Koninkrijk. Paramilitaire strijdkrachten van een vreemde mogendheid vallen in dit verband niet onder het begrip krijgsdienst.
Sprake moet zijn van krijgsdienst bij een vreemde mogendheid; bij een staat. Dat hieronder bijvoorbeeld niet moet worden verstaan groeperingen als legers van opstandelingen, guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is duidelijk gebleken tijdens de parlementaire behandeling van de Rijkswet van 21 december 2000 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap (Staatsblad 2000, 618). Zie daarvoor de in de Tweede Kamer op 17 februari 2000 aangenomen motie van 14 november 2000 (TK 2000–2001, 26 990, nr. 8) en de niet aangenomen amendementen van 15 februari 2000 (TK 1999–2000, 25 891, nr. 15) en van 16 februari 2000 (TK 1999–2000, 25 891, nr. 23). Welbewust is de mogelijkheid het Nederlanderschap in te trekken beperkt tot het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden van een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk dan wel een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Aan deelneming in groeperingen als legers van opstandelingen; guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is tijdens de parlementaire behandeling aandacht besteed, maar uiteindelijk is een zodanige deelname niet in de wet opgenomen als grond voor intrekking van het Nederlanderschap.
Om het Nederlanderschap te kunnen intrekken, moet de indiensttreding vrijwillig zijn geweest, of er moet sprake zijn van vrijwillige voortzetting van het dienstverband. Het gevolg geven door een bipatride Nederlander aan een oproep voor de militaire dienstplicht van een vreemde staat is geen vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst. Ook het enkel vrijwillige dienstnemen in vreemde krijgsdienst zal geen grond zijn voor intrekking van het Nederlanderschap.
Anders wordt de situatie als vervolgens de betreffende staat betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk (dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is) en betrokkene de aangegane verbintenis straffeloos kan verbreken, doch dat nalaat of na afloop van zijn contract de dienst vrijwillig voortzet. Onder dergelijke omstandigheden moet de betrokkene worden geacht zich vrijwillig in de betreffende krijgsdienst te hebben begeven, en kan het Nederlanderschap worden ingetrokken. Het gaat hier in feite om de vraag welke grenzen moeten worden gesteld aan het begrip ‘vrijwillig’. De dienstneming in de betreffende vreemde krijgsdienst moet het gevolg zijn van een specifieke op dat doel gerichte wilsdaad van de betrokkene, wil er sprake zijn van vrijwilligheid die tot intrekking van het Nederlanderschap kan leiden.
Er moet sprake zijn van gevechtshandelingen door het leger waarbij de betrokkene (vrijwillig) in dienst is getreden (of blijft). Bij ‘bondgenootschap’ kan worden gedacht aan bijvoorbeeld de Noord Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de West-Europese Unie (WEU).
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
Bij de intrekking van het Nederlanderschap wordt een belangenafweging gemaakt waarin de belangen van de betrokkene worden afgewogen tegen de belangen van de Staat. In het geval sprake is van zeer bijzondere individuele omstandigheden kan van de intrekking van het Nederlanderschap worden afgezien. Elementen die bij deze belangenafweging worden meegewogen zijn in ieder geval de eventuele minderjarigheid van betrokkene, prangende redenen van humanitaire aard en voor zover van toepassing de gevolgen voor betrokkene van het verlies van het burgerschap van de Europese Unie.
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 14-6. Toelichting ad artikel 14, zesde lid
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
### paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Artikel 15
### Paragraaf 2. Voorwaarden intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid
### Paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
### 14-6. Toelichting ad artikel 14, zesde lid
Ad 1
Met de voorwaarde van de uit de gedragingen van betrokkene blijkende intentie om zich aan te sluiten is gegarandeerd dat altijd sprake is van vrijwillige aansluiting. De intentie tot aansluiting kan bijvoorbeeld blijken uit eerdere uitingen van betrokkene, bijvoorbeeld op internet of op sociale media.
### 15-alg. Toelichting algemeen
### 15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
De intrekking van het Nederlanderschap vindt alleen plaats als de betrokkene ongewenst kan worden verklaard. De ongewenstverklaring is noodzakelijk om de legale terugkeer naar Nederlands grondgebied te voorkomen. Redenen om van de ongewenstverklaring af te zien kunnen in de eerste plaats zijn gelegen in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Gedacht kan worden aan de situatie dat het belang van betrokkene om ongehinderd in Nederland zijn gezinsleven te kunnen uitoefenen zwaarder weegt dat het belang van de Nederlandse staat. Gelet op de ernst van de bedreiging van de nationale veiligheid bij een dreigende terroristische aanslag zal ongewenstverklaring alleen in uitzonderingssituaties niet aan de orde zijn. Als ongewenstverklaring niet mogelijk is wordt van de intrekking van het Nederlanderschap afgezien.
De intrekking van het Nederlanderschap vindt niet plaats als de betrokken persoon zich in Nederland bevindt. In dat geval ligt aanhouding en strafrechtelijke vervolging meer in de rede dan het intrekken van het Nederlanderschap. Als de betrokkene vervolgens onherroepelijk voor een terroristisch misdrijf wordt veroordeeld zal het Nederlanderschap in beginsel op grond van artikel 14, tweede lid, RWN kunnen worden ingetrokken.
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
Uit deze bepaling blijkt dat de RWN limitatief de rechtsgronden opsomt waarop het Nederlanderschap verloren gaat. Alle verliesgronden zijn opgenomen in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=5) ([artikelen 14 t/m 16A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)).
### 14-6. Toelichting ad artikel 14, zesde lid
De elementen zijn niet limitatief voorgeschreven, ook andere elementen die relevant zijn voor de belangenafweging zullen worden betrokken.
Ad 1
### Artikel 15
Het is niet van doorslaggevend belang of betrokkene zelf geweld heeft gebruikt of heeft deelgenomen aan de gewelddadige strijd. De rol van betrokkene kan wel van belang zijn in het kader van de belangenafweging bij intrekking (zie in die zin: Kamerstukken II, 34 356, nr. 3, blz. 7).
### Paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
Ad 2
Er vindt een afweging plaats of intrekking van het Nederlanderschap het belang van strafrechtelijke vervolging op onaanvaardbare wijze schaadt. Hiervan kan sprake zijn wanneer bijvoorbeeld bij het Openbaar Ministerie al een omvangrijk dossier is voorbereid en er sprake is van een reële verwachting dat betrokkene op korte termijn effectief vervolgd kan worden. De IND neemt voordat een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt genomen contact op met het Openbaar Ministerie zodat kan worden afgewogen of in het voorliggende geval de strafrechtelijke of de bestuurlijke aanpak moet prevaleren.
### Paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn
Het mogelijke verlies van het Unieburgerschap wordt meegewogen bij het intrekkingsbesluit. Daarnaast worden overige elementen meegewogen, zoals de leeftijd van betrokkene, de gevolgen van de intrekking voor betrokkene en zijn gezinsleden en de banden met Nederland en het land van de tweede nationaliteit.
### 15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
Zie voor het overgangsrecht de toelichting bij de afzonderlijke artikelleden.
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) wordt niet voorafgegaan door het uitbrengen van een voornemen waarop de betrokkene een zienswijze kan gegeven. De vereiste spoed ([artikel 4:11 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:11)) verzet zich hiertegen. De personen waar het om gaat vormen een gevaar voor de nationale veiligheid en het is daarom van belang dat het besluit tot intrekking zo snel mogelijk na het bekend worden van de relevante feiten kan worden genomen. Zo wordt de legale terugkeer naar Nederland onmogelijk en wordt de dreiging die van de betrokkenen uitgaat zoveel mogelijk weggenomen.
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
Anders dan bij intrekking op grond van het eerste en tweede lid staat tegen de intrekking van het Nederlanderschap op grond van het vierde lid geen bezwaar open. De betrokkene of zijn gemachtigde kan rechtstreeks beroep indienen tegen het besluit. Bepalingen over beroep en hoger beroep zijn opgenomen in [artikel 22A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22a), [22B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22b) en [22C, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22c).
### Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van het besluit tot intrekking bedoeld in [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) verzonden aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon of aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken. In het belang van het voorkomen van de terugkeer naar Nederland verwerkt de betreffende autoriteit het besluit op zo kort mogelijk termijn in de basisadministratie, ook als het besluit nog niet onherroepelijk is.
Als het Nederlanderschap wordt ingetrokken vervalt het Nederlandse paspoort van rechtswege ([art. 47 lid 1 onder a Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=47)). Van het vervallen van het paspoort wordt terstond melding gedaan bij de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties. Deze melding heeft tot doel te voorkomen dat paspoort uitgevende autoriteiten een nieuw reisdocument verstrekken waarmee de betrokkene Nederland kan inreizen.
Naar aanleiding van de melding wordt het paspoort opgenomen in het Basisregister Reisdocumenten (BR) en in het Register Paspoortsignaleringen (RPS). Deze registers zijn gekoppeld aan het Schengeninformatiesysteem (SIS-II) en de database Stolen and Lost Travel Documents (SLTD) van Interpol.
### 14-5. Toelichting ad [artikel 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**De persoon die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van het tweede, derde of vierde lid, kan de Nederlandse nationaliteit niet herkrijgen. Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken, indien ten minste vijf jaar jaren zijn verstreken sedert het verlies van de Nederlandse nationaliteit.**
### paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
Door de intrekking van het Nederlanderschap is de band met het Koninkrijk definitief verbroken. De tweede zin van artikel 14, vijfde lid, maakt evenwel in een bijzonder geval de herkrijging van het Nederlanderschap mogelijk.
Het is mogelijk het Nederlanderschap te herkrijgen als ten minste vijf jaren zijn verstreken sinds de intrekking van het Nederlanderschap.
Het is echter niet de bedoeling dat op grote schaal van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. De uitzondering is alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen.
### paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
A, van Nederlandse en Franse nationaliteit, geboren in 1945 in Nederland, woont sedert 15 maart 1996 in de Verenigde Staten).
**Het Nederlanderschap wordt door een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend ingevolge artikel 3, 4, 5, 5a, 5b, 5c of 6, eerste lid, aanhef en onder c, alsmede ingevolge artikel 4 zoals dit luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap van 21 december 2000,** **Stb. 618** **en ingevolge artikel 5 zoals dat luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet van 3 juli 2003 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met de totstandkoming van de Wet conflictrecht adoptie (****Stb. 284****). Het verlies bedoeld in de eerste zin treedt niet in indien de andere ouder op het tijdstip van het vervallen van die betrekking Nederlander is of dat was ten tijde van zijn overlijden. Het verlies treedt evenmin in indien het Nederlanderschap ook kan worden ontleend aan artikel 3, derde lid, of aan artikel 2, onder a, van de Wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (****Stb. 268****).**
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1.3.1. Statenopvolging bij de toepassing van [artikel 15, lid 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Ingevolge dit artikellid gaat het Nederlanderschap voor een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend. Het Nederlanderschap moet dan wel zijn verkregen ingevolge [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4), [5 oud](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5), [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5), [5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5a), [5b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5b), [5c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5c) of [6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), dan wel ingevolge artikel 4 RWN, zoals die bepaling luidde tot 1 april 2003 (dat betrof verkrijging van het Nederlanderschap door erkenning of wettiging door een Nederlander).
Op grond van [artikel II, lid 4 RRWN 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) gaat het Nederlanderschap voor minderjarigen op grond van dit artikel verloren als het Nederlanderschap is verkregen op grond van artikel II, lid 1 RRWN 2009 (optie op grond van het overgangsrecht).
Bij de verkrijging op grond van artikel 6, lid 1 onder c RWN en op grond van artikel II, lid 1 RRWN 2009 (optie na 01.03.2009 na een erkenning in de periode 01.04.2003 – 01.03.2009 door een Nederlandse man) is het Nederlanderschap verkregen door een optiebesluit en niet van rechtswege. De optieverklaring kan alleen afgelegd worden als het kind is erkend door een Nederlander. Als de familierechtelijke betrekking met de Nederlandse erkenner vervalt, dan gaat het Nederlanderschap ook automatisch verloren. Er is geen intrekkingsbesluit nodig.
Verlies als bedoeld zal echter niet intreden indien:
Bij het vervallen van familierechtelijke betrekkingen moet worden gedacht aan bijvoorbeeld: ontkenning vaderschap, vernietiging erkenning of herroeping adoptie.
Het verlies van het Nederlanderschap treedt in op de dag waarop in het algemeen de rechterlijke uitspraak niet meer openstaat voor beroep, mits het kind op die dag (nog) minderjarig is. Betreft het een Nederlandse rechterlijke uitspraak dan is dat als gevolg van wijziging van het Burgerlijk Procesrecht met ingang van 1 januari 2002 (zie [artikel 358 WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=358) en [artikel 426 WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=426)):
Hierbij dient wel te worden bedacht dat, indien bovenbedoelde beroepstermijn eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, die termijn ingevolge [artikel 1 van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=1) wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Pas de dag daarop gaat dan het Nederlanderschap verloren.
### Paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
Voor rechterlijke uitspraken van na 1 januari 1985, maar vóór 1 januari 2002 dient te worden bedacht dat de termijn voor het instellen van de rechtsmiddelen hoger beroep en cassatie korter is geweest dan de termijn van drie maanden die per 1 januari 2002 geldt. Voor de bepaling van de dag waarop het Nederlanderschap is verloren, dient rekening te worden gehouden met het feit dat deze uitspraken eerder in kracht van gewijsde zijn gegaan.
De persoon ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking vervalt, hoeft niet noodzakelijk Nederlander te zijn. Het kind kan namelijk via die persoon het Nederlanderschap ontlenen aan uitsluitend artikel 3, derde lid, RWN. Ook in dat geval moet worden gesteld dat het Nederlanderschap wordt ontleend aan de familierechtelijke betrekking met die persoon.
Immers, zonder bedoelde familierechtelijke betrekking had nooit sprake kunnen zijn van het Nederlanderschap ex artikel 3, derde lid, RWN. Met andere woorden, vervalt de familierechtelijke betrekking met de persoon via wie het Nederlanderschap wordt ontleend aan artikel 3, derde lid, RWN, ook dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.
Een verklaring van afstand (zie [model 3.2 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2016-07-01&g=2016-07-01)) moet in Nederland worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester ([artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene met een adres in de BRP is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.
Ingevolge overgangsbepaling [artikel III RRWN 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van het voormalige tweede lid (tot 2010, en daarna het vierde lid, en vanaf 2017 het zesde lid van artikel 14 RWN). Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, zesde lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen. Echter, als gevolg van het bepaalde bij overgangsbepaling artikel III RRWN moet, wat betreft de toepassing van onderhavig artikellid ervan worden uitgegaan dat bedoelde uitzonderingen reeds gelden vanaf 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend (ingevolge bijvoorbeeld artikel 3, eerste lid, RWN), zulks ondanks bijvoorbeeld dat de minderjarige het Nederlanderschap tevens ontleende aan artikel 3, derde lid, RWN, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
Verder is sedert 1 april 2003 in onderhavig artikellid tot uitdrukking gebracht dat de betreffende verliesbepaling alleen van toepassing is op minderjarigen. Ook dat moet ingevolge overgangsbepaling artikel III RRWN geacht worden te gelden sedert 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een meerderjarige, op grond van het toen geldende artikel 14, eerste lid, RWN, zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het als gevolg van bijvoorbeeld herroeping van adoptie vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
A, geboren in 1990, is het kind van een Nederlandse man en een Franse vrouw. A ontleent het Nederlanderschap aan uitsluitend artikel 3, eerste lid, RWN en is tevens van Franse nationaliteit.
Bij beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 7 januari 2004 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van de minderjarige A. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld. Ingevolge artikel 1:202, eerste lid, BW vervalt de familierechtelijke betrekking tussen de Nederlandse man en A op het moment dat de beschikking van 7 januari 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.
Derhalve verliest de minderjarige A op 8 april 2004 het Nederlanderschap op grond van het toen geldende artikel 14, tweede lid RWN, (dit artikellid, is in 2010 vernummerd tot het vierde lid RWN en vervolgens in 2017 tot het zesde lid RWN). Het verlies kan niet worden voorkomen; immers, de moeder is niet van Nederlandse nationaliteit, A ontleent het Nederlanderschap niet tevens aan artikel 3, derde lid, RWN, en hij zal door het verlies van het Nederlanderschap ook niet staatloos worden.
### Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
### 15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
De minderjarige B verliest met ingang van 10 oktober 2011 het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid RWN. B wordt daardoor niet staatloos, omdat hij de Belgische nationaliteit bezit. Weliswaar kan verlies van het Nederlanderschap niet intreden indien betrokkene het Nederlanderschap tevens ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN, maar B ontleent het Nederlanderschap niet óók aan artikel 3, derde lid, RWN. Hij bezat het via de vader uitsluitend op grond van die bepaling.
Zou B het Nederlanderschap tevens via de moeder aan artikel 3, derde lid, RWN ontlenen, dan zou voor hem geen verlies intreden. De familierechtelijke betrekking met de moeder is immers niet vervallen.
### 15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
In principe zou dit voor de minderjarige C verlies van het Nederlanderschap meebrengen, en wel met ingang van 8 juli 2004. Echter, in dit geval treedt geen verlies in, omdat de andere ouder ten tijde van haar overlijden Nederlander was.
### 14-7. Toelichting ad [artikel 14, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**Het Nederlanderschap wordt niet verloren dan krachtens een van de bepalingen van dit hoofdstuk.**
Uit deze bepaling blijkt dat de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) limitatief de rechtsgronden opsomt waarop het Nederlanderschap verloren gaat. Alle verliesgronden zijn opgenomen in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=5) ([artikelen 14 t/m 16A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)).
### 14-8. Toelichting ad [artikel 14, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, heeft geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn.**
### 15-4. Toelichting ad [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Vanaf de dag van de verstrekking van een dergelijk document begint een nieuwe verliestermijn van tien jaren te lopen ([artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)). Dus, als men er – steeds binnen tien jaren – voor zorgt in het bezit te worden gesteld van bedoelde verklaring van Nederlanderschap, een Nederlands reisdocument of Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212), kan het Nederlanderschap nimmer op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN verloren gaan door verblijf in het buitenland.
**De in het vierde lid bedoelde lijst wordt na vaststelling of wijziging toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de Staten van Aruba, aan die van Curaçao en aan die van Sint Maarten en wordt gepubliceerd in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten.**
Verder is in [artikel 61 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61) geregeld dat:
**Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere regels gesteld omtrent de elementen die betrokken worden bij de belangenafweging inzake een beslissing omtrent intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste, tweede, derde of vierde lid.**
In [artikel 68 tot en met 68 c BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) zijn nadere regels gesteld over de belangenafweging die plaatsvindt bij een intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste tot en met het vierde lid. Deze belangenafweging is in deze handleiding nader uitgewerkt in de toelichting op [artikel 14, eerste tot en met vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
Volgens [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de periode van tien jaren bedoeld in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dat betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN verlies van het Nederlanderschap kan intreden.
RWN: [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); 1.2; [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) en [14.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Artikel 15a
BVVN: [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [61 t/m 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61) en [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=72)
### paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
Zie voor het overgangsrecht de toelichting bij de afzonderlijke artikelleden.
Tot 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Dit was geregeld in het oude [artikel 15, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
Het verlies als hiervoor bedoeld, trad niet in indien:
Mocht betrokkene na ingesteld bezwaar c.q. beroep alsnog moeten worden aangemerkt als Nederlander, wordt de burgemeester wederom door de IND hiervan in kennis gesteld.
De verkrijging van de andere nationaliteit, door bijvoorbeeld optie of naturalisatie, moet vrijwillig zijn. Het moet gaan om een wilsdaad die specifiek is gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit.
A, van Nederlandse en Franse nationaliteit, geboren in 1945 in Nederland, woont sedert 15 maart 1996 in de Verenigde Staten).
De wettelijke bepalingen met betrekking tot het verkrijgen van een vreemde nationaliteit door een Nederlander beogen van oudsher te leiden tot verlies van het Nederlanderschap en strekken op die manier tot het vermijden van meervoudige nationaliteit.
Als een andere nationaliteit, anders dan de in [paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15¶graaf=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) genoemde voorbeelden, van rechtswege wordt verkregen en de wetgeving van die andere nationaliteit biedt de mogelijkheid om de ontvangen nationaliteit te verwerpen of het verkrijgen ervan te voorkomen, dan verliest men de Nederlandse nationaliteit als men geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot verwerping van de andere nationaliteit of van de mogelijkheid om de andere nationaliteit niet te verkrijgen. Als geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid de andere nationaliteit te verwerpen, wordt de verkrijging van de andere nationaliteit geacht vrijwillig te zijn. Alleen bij noodgedwongen niet-verwerping van de andere nationaliteit (bijv. als men daardoor gedwongen zou worden zijn woonland te moeten verlaten) wordt de verkrijging van de andere nationaliteit onvrijwillig geacht en treedt geen verlies van het Nederlanderschap in.
### 15-1-d. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Een voorbeeld van het bovenstaande is artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet. Tot 1 april 2003 heeft de toepassing van dat artikel geleid tot verlies van het Nederlanderschap. Door invoering van [artikel 15, tweede lid en onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) heeft artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet geen impact meer op het bezit van het Nederlanderschap van de Nederlander op wie op of na 1 april 2003 artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet van toepassing is.
Het moment waarop het verlies van het Nederlanderschap wegens het niet (tijdig) verwerpen van de vreemde nationaliteit intreedt, is afhankelijk van de omstandigheid of de termijn van verwerping vóór of na de verkrijging van de vreemde nationaliteit ligt.
### 15-1-d. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Kent de vreemde nationaliteitswetgeving (soms: ook) een termijn waarbinnen een verwerping moet plaatsvinden dat gelegen is**na de verkrijging** van de vreemde nationaliteit, dan gaat het Nederlanderschap verloren op de dag dat deze verwerpingstermijn afloopt. Men is in dit geval dus enige tijd bipatride.
### paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
Onder echtgenoot wordt tevens verstaan de partner in een in Nederland geregistreerd partnerschap of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), en onder huwelijk tevens het in Nederland geregistreerd partnerschap en het buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN (zie voor een uitzondering hierop de toelichting bij artikel 15A RWN). Als in het concrete geval sprake is van zogenaamde ‘statenopvolging’: zie voor een uitleg van het begrip ‘**geboren in het land van die andere nationaliteit**’ (art. 15, tweede lid, a RWN) of het **‘in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad**’ (art. 15, tweede lid, b RWN) hieronder in [paragraaf 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15¶graaf=1¶graaf=1.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
Wordt het bezwaar gegrond verklaard, dan zal het intrekkingsbesluit worden herroepen. De herroeping werkt terug tot de datum van het intrekkingsbesluit. Hierdoor wordt betrokkene geacht nimmer het Nederlanderschap door intrekking te hebben verloren. Bij een ongegrond bezwaar is beroep mogelijk bij de rechtbank, sector Bestuursrecht.
Bij statenopvolging kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het uiteenvallen van een staat in diverse nieuwe staten of aan een splitsing van een staat als gevolg van een afscheidingsverklaring. In het kader van de hier bedoelde statenopvolging wordt veelal door de nieuw ontstane staten aan bepaalde (in het buitenland wonende) voormalige burgers van de oude uiteengevallen/gesplitste staat de mogelijkheid geboden om (onder bepaalde voorwaarden) de nationaliteit van de nieuwe staat door optie te verkrijgen.
Als een Nederlander, die op het moment dat de oude staat ophield te bestaan in het bezit was van de nationaliteit van die uiteenvallende staat door het afleggen van een optie, als hierboven bedoeld, de nationaliteit van een nieuwe staat verkrijgt, heeft dat geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg. Deze nationaliteitsmutatie houdt zo duidelijk en uitsluitend verband met de staatkundige veranderingen in het andere land, dat niet gesproken kan worden van ‘vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit’ als bedoeld in onderhavig artikellid. Het hier gestelde geldt alleen voor de Nederlander die tot het moment van het uiteenvallen of splitsing van de betreffende oude staat de nationaliteit van die staat bezat en dus niet voor degene die die nationaliteit voor dat tijdstip heeft verloren (bijvoorbeeld als gevolg van naturalisatie tot Nederlander). Laatstgenoemde persoon is dan op het moment van uiteenvallen of splitsing van de staat niet meer in het bezit van de nationaliteit van de uiteenvallende staat. In dat geval is duidelijk sprake van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit.
Wordt het bezwaar gegrond verklaard, dan zal het intrekkingsbesluit worden herroepen. De herroeping werkt terug tot de datum van het intrekkingsbesluit. Hierdoor wordt betrokkene geacht nimmer het Nederlanderschap door intrekking te hebben verloren. Bij een ongegrond bezwaar is beroep mogelijk bij de rechtbank, sector Bestuursrecht.
Ook bij de toepassing van [15, tweede lid onder a of b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan statenopvolging een rol spelen. Als een persoon vrijwillig een vreemde nationaliteit heeft verkregen, dan kan het verlies van de Nederlandse nationaliteit toch niet intreden als de persoon in het land van die nieuwe nationaliteit is geboren en daar verblijft op het moment van de verkrijging of als hij daar vijf jaar voor zijn meerderjarigheid heeft gewoond. De Hoge Raad heeft op 26 juni 2015 uitspraak gedaan inzake de interpretatie van artikel 15 lid 2 RWN bij een statenopvolging. Het betrof in deze zaak een persoon die vóór de onafhankelijkheid van Suriname aldaar is geboren en die tevens vóór de onafhankelijkheid van Suriname vijf jaar als minderjarige aldaar had gewoond. De vraag was of hij door vrijwillige verkrijging van de Surinaamse nationaliteit (ná 1 april 2003) de Nederlandse nationaliteit had verloren. De Hoge Raad oordeelde met de volgende overweging dat deze persoon het Nederlanderschap had behouden:
### 15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
Deze beschikking van de Hoge Raad is niet alleen van toepassing op Suriname, maar ook op andere landen als sprake is van het krijgen van de nationaliteit van een nieuw gevormde soevereine staat. Het begrip ‘land’ van artikel 15 lid 2 onder a en b dient dan als volgt te worden uitgelegd:
Artikel 15 lid 2 onder a: Onder ‘**die in het land van die andere nationaliteit is geboren**’ moet worden verstaan: geboren op het huidige grondgebied van de staat waarvan de nationaliteit wordt verkregen.
Artikel 15 lid 2 onder b: onder ‘**die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad**’ moet worden verstaan: die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren op het huidige grondgebied van de staat waarvan de nationaliteit wordt verkregen zijn hoofdverblijf heeft gehad. Kort samengevat, in de visie van de Hoge Raad moeten de volgende vragen worden gesteld:
Als bij 2. er twee keer ‘ja’ moet worden geantwoord, blijft betrokkene Nederlander.
Als bij 3. ‘ja’ moet worden geantwoord, blijft betrokkene Nederlander.
Anders wordt de situatie indien vervolgens de betreffende staat betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk (dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is) en betrokkene de aangegane verbintenis straffeloos kan verbreken, doch dat nalaat of na afloop van zijn contract de dienst vrijwillig voortzet. Onder dergelijke omstandigheden moet de betrokkene worden geacht zich vrijwillig in de betreffende krijgsdienst te hebben begeven, hetgeen wél verlies van het Nederlanderschap tot gevolg heeft.
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
### Paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
Een verklaring van afstand (zie [model 3.2 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) moet in Nederland worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester ([artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene met een adres in de BRP is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door onze Minister van het besluit waarbij de verkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd, welke kan plaatsvinden, indien de vreemdeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, heeft nagelaten na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.**
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
Van de optant die een optieverzoek indient op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijk te zullen doen om die nationaliteit te verliezen (artikel 6a, eerste lid, RWN). Dit is alleen anders als de optant valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie de toelichting bij artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN) ([artikel 30b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30b)).
De verklaring van afstand vermeldt dat de persoon die de verklaring aflegt, bekend is met het feit dat ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) minderjarige kinderen onder omstandigheden zullen delen in het verlies van het Nederlanderschap ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen bepaalt de burgemeester, voor zoveel mogelijk, of hiervan sprake zal zijn ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)) en licht hij degene die de afstandsverklaring aflegt daarover in.
### paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
De door de burgemeester opgemaakte verklaring van afstand wordt door de betrokkene of, in het voorkomend geval, door zijn gemachtigde ondertekend ([artikel 3, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Tevens vindt ondertekening plaats door of namens de burgemeester. Tenzij de betrokkene daardoor staatloos zou worden, treedt verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in door de verklaring zelf. Aan het verlies ligt dan ook geen enkele beslissing van overheidswege ten grondslag.
### Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
De burgemeester zendt het origineel van de afgelegde afstandsverklaring en een afschrift van de bevestiging, ter opneming in het nationaliteitenregister bedoeld in [artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22), aan de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie en behoudt zelf afschriften van deze documenten ([artikel 64, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)). Tevens zendt hij een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de personen, die door of als gevolg van de verklaring van afstand hun Nederlanderschap verloren hebben, in de BRP zijn ingeschreven. Wonen de hier bedoelde personen in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, dan zendt hij een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie en Verslavingszorg van Aruba, de Minister van Justitie van Curaçao en de Minister van Justitie van Sint Maarten (artikel 64, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
### Paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
Als de verklaring van afstand met rechtsgevolg is afgelegd, bevordert de burgemeester ([artikel 64, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)) dat:
**Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de verkrijger**
### Paragraaf 1. Algemeen
Behoudens het gestelde in de volgende alinea, treedt verlies van het Nederlanderschap in door langdurig verblijf in het buitenland. Van belang hierbij is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan. Betrokkene:
### Artikel 15a
In verband met de wijziging van de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212) (Stb 2014, 10) heeft de Nederlandse identiteitskaart sinds 20 januari 2014 (Stb 2014, 11) binnen de EU niet langer de status van een reisdocument, maar van een identiteitskaart. De Nederlandse identiteitskaart is geldig voor de landen die behoren tot de Europese Unie. Als landen buiten de Europese Unie zijn aangewezen Andorra, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen, San Marino, Turkije, IJsland en Zwitserland waar binnen de grenzen van de Paspoortwet een daar woonachtige Nederlander recht heeft op verstrekking van een Nederlandse identiteitskaart ([artikel 5a Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012810&artikel=5a)).
### paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
De Nederlander A, die in 1950 in Oostenrijk is geboren, wordt in januari 2004 genaturaliseerd tot Oostenrijker. Ten tijde van zijn naturalisatie woont hij in Oostenrijk. Kijken we uitsluitend naar artikel 15, eerste en tweede lid, RWN dan zouden we tot de conclusie komen, dat A zijn Nederlanderschap niet heeft verloren. Immers, hij is geboren in het land waarvan hij de nationaliteit heeft verkregen en hij woont daar ten tijde van die verkrijging, en artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, RWN bepaalt dan dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
Vanaf de dag van de verstrekking van een dergelijk document begint een nieuwe verliestermijn van tien jaren te lopen ([artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)). Dus, als men er – steeds binnen tien jaren – voor zorgt in het bezit te worden gesteld van bedoelde verklaring van Nederlanderschap, een Nederlands reisdocument of Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212), kan het Nederlanderschap nimmer op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN verloren gaan door verblijf in het buitenland.
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
Onder daartoe aanleiding gevende omstandigheden kan in een incidenteel geval worden onderzocht op welke datum (vlak voor de afgiftedatum) door de paspoortautoriteit intern is besloten om het paspoort te laten produceren. Dit is alleen van belang als een op grond van [artikel 15, eerste lid en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) lopende tienjaarstermijn afloopt/eindigt in de korte periode tussen de beslisdatum om het paspoort ten behoeve van de Nederlander te laten produceren en de in het vervolgens geproduceerde paspoort vermelde afgiftedatum. Het zal hier om zeer incidentele gevallen gaan. In een voorkomend geval is een op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende tienjaarstermijn gestuit op de beslisdatum om het paspoort ten behoeve van de Nederlander te laten produceren. In een dergelijk geval wordt evenwel tevens aangenomen dat de volgende op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende tienjaarstermijn is gestart op de afgiftedatum van het paspoort.
### Paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
Uit [artikel 61 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61) volgt dat als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap als bedoeld in [artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en in [artikel V, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) geldt:
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
Is de verklaring afgegeven vóór 1 april 2003 en bedoeld om te dienen als bewijs van het bezit van het Nederlanderschap, dan wordt het document als zodanig aanvaard, mits het is verstrekt door een Nederlandse, (voormalige) Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse autoriteit (zie [artikel 73, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)).
### 16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
Volgens [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de periode van tien jaren bedoeld in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dat betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN verlies van het Nederlanderschap kan intreden.
Voor Italië is ook het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg (samen met het Verdrag) vervallen. Het Tweede Protocol heeft, in tegenstelling tot het Verdrag zelf, geen rechtstreekse werking, maar heeft per 1 april 2003 uitvoering gekregen door middel van [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), 15a, [16, tweede lid, aanhef en onder e, f en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) en [16a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16A).
De verliestermijn kan niet worden omzeild door binnen de termijn van tien jaren ‘eventjes’ naar bijvoorbeeld Nederland te komen. Immers, [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) bepaalt dat de verliestermijn van tien jaren geacht wordt niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan wel op gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. Zie voor wat betreft het tijdstip van aanvang en/of eventuele verlenging van de termijn paragraaf 2.
A, geboren op 5 januari 1980 in Australië, is van Nederlandse en Australische nationaliteit en woont sedert geboorte in Australië. De verliestermijn van tien jaar van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) vangt voor A aan op 1 april 2003 (vergelijk [artikel IV RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV)). Op 5 september 2012 gaat A in Italië wonen. Op 1 april 2013 woont hij daar nog steeds. A is nimmer in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument of van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. Vraag is wanneer A zijn Nederlanderschap verliest. Blijft A in Italië wonen, dan kan tussen 1 april 2013 en 5 september 2013 ten aanzien van hem niet worden geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap. Woont hij op 5 september 2013 nog steeds in Italië, dan kan pas op die datum worden gesteld dat hij het Nederlanderschap niet heeft verloren ingevolge [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Hij heeft immers dan pas (langer dan) een jaar hoofdverblijf gehad in een EU-lidstaat, waardoor ingevolge [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) geacht moet worden te zijn onderbroken door de verplaatsing van zijn hoofdverblijf naar Italië.
Vestigt A zich op 10 juli 2013 (of een andere datum vóór 5 september 2013) weer in Australië (of elders buiten een EU-lidstaat), dan kan pas op die datum ten aanzien van hem worden gesteld dat hij, achteraf bezien, zijn Nederlanderschap op 1 april 2013 heeft verloren ingevolge [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Immers, niet eerder dan op 10 juli 2013 blijkt dat de periode van hoofdverblijf binnen een EUlidstaat korter is geweest dan een jaar, waardoor ingevolge [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) wordt geacht niet te zijn onderbroken.
Het gestelde in de vorige alinea geldt echter niet als het betreffende verdragsland ook partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg. Het Tweede Protocol maakt het voor elke verdragsluitende partij mogelijk om in bepaalde gevallen door middel van de eigen interne wetgeving afbreuk te doen aan de hoofdregel van het verdrag, waarbij elke staat, die ratificeert, zelf ten aanzien van die gevallen bepaalt in welke mate van dat recht gebruik wordt gemaakt. De gevallen als hier bedoeld, zijn:
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
Het verlies als hiervoor bedoeld, trad niet in indien:
### paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
Met betrekking tot het huidige [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kent de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) twee overgangsbepalingen, namelijk [artikel IV RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) voor personen die op 1 april 2003 hun Nederlanderschap nog niet hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN en [artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) voor personen die op grond van laatstbedoelde verliesbepaling hun Nederlanderschap vóór 1 april 2003 hebben verloren. Zie voor een uitleg van [artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) de toelichting onder dat artikel.
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
Blijft hij – in het bezit van beide nationaliteiten – in de Verenigde Staten wonen, dan zal hij zijn Nederlanderschap eerst verliezen op 1 april 2013 (en dus niet op 15 maart 2006!).
### 16-2-alg. Toelichting algemeen
### 15-1-d. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
Van de verzoeker om naturalisatie wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de totstandkoming van de naturalisatie het mogelijke te zullen doen om die nationaliteit te verliezen ([artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). Dit is alleen anders als iemand valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN).
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van intrekkingsbesluit. De hier bedoelde intrekking heeft – in tegenstelling tot de intrekking van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) – geen terugwerkende kracht. Het intrekkingsbesluit kan ook verlies van het Nederlanderschap tot gevolg hebben ten aanzien van de minderjarige kinderen die aanvankelijk zijn meegenaturaliseerd, en wel op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) (zie de toelichting bij artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN).
Zie voor de gevolgen van de intrekking voor bij de naturalisatie gewijzigde of vastgestelde namen, de toelichting bij [artikel 14, eerste lid, RWN, paragraaf 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14¶graaf=5¶graaf=5.3&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 3. Wettelijk vertegenwoordiger
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
### Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
### Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
### paragraaf 2.3. Belangenafweging
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
### Paragraaf 1.1. Overgangsrecht
### paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht
### paragraaf 1. Algemeen
Voorts kan het Nederlanderschap, als er aanleiding toe is, van een veroordeelde minderjarige worden ingetrokken. In [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), wordt immers algemeen gesproken over de persoon van wie het Nederlanderschap kan worden ingetrokken. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen een minderjarige of een meerderjarige.
A, van Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit, heeft in 1990 door geboorte in Nederland op grond van [artikel 3, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) (derde generatieartikel) het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Hij pleegt in 2011 een aanslag tegen de troonopvolger ([artikel 94 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=94)). In 2012 wordt A hiervoor onherroepelijk veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Het Nederlanderschap van A kan worden ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), ook al heeft hij het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Van belang is wel dat hij door de intrekking niet staatloos mag worden. De termijn van 12 jaar geldt in dit geval niet, omdat geen sprake is van toepassing van artikel 14, eerste lid RWN waar het gaat om intrekking wegens bedrog in de optie- of naturalisatieprocedure. Daarentegen is sprake van toepassing van artikel 14, tweede lid RWN wegens een onherroepelijke veroordeling wegens staatsondermijnende handelingen.
In [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) wordt een aantal misdrijven opgesomd. Indien een persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een van deze misdrijven, kan zijn Nederlanderschap worden ingetrokken door de Minister.
### Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
### Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
Voorts wordt in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), verwezen naar [artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205).
### Paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 2.1.2.3. [Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205)
Een man van Nederlandse en Syrische nationaliteit maakt zich schuldig in 2011 aan het werven van jongeren in Nederland voor de gewapende strijd in het kader van een politieke dan wel religieuze overtuiging. De man wordt hiervoor op grond van [artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205) in hetzelfde jaar onherroepelijk veroordeeld. Zijn Nederlanderschap kan worden ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), want hij wordt door de intrekking van het Nederlanderschap niet staatloos.
Het feit dat het aantal misdrijven in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), is beperkt tot ernstige misdrijven, dat het misdrijf moeten hebben geleid tot een onherroepelijke veroordeling, dat het misdrijf moet zijn gepleegd ná de inwerkingtreding van het intrekkingsartikel artikel 14, tweede lid en (in het geval van veroordeling op grond van [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)) onherroepelijk moet zijn geworden na 30 maart 2016 en de omstandigheid dat het Nederlanderschap niet wordt ingetrokken indien de betrokken persoon staatloos wordt, brengen mee dat sprake is van een meer door de wetgever bepaald kader waarbinnen de intrekking ex artikel 14, tweede lid RWN plaats heeft dan bij een intrekking ex artikel 14, eerste lid. Het kader om tot intrekking over te gaan, geeft bij het tweede lid minder discretionaire ruimte aan de Minister dan dat bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste lid.
### paragraaf 1. Algemeen
### 15-1-d. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Het Nederlanderschap wordt niet ingetrokken als de betrokkene daardoor staatloos wordt (zie artikel 14, achtste lid, RWN). De omstandigheid dat de betrokkene minderjarig is vormt geen reden om van de intrekking van het Nederlanderschap af te zien maar maakt deel uit van de belangenafweging in het besluit tot intrekking.
### paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk, vervult betrokkene in het leger van dat land zijn militaire dienstplicht. Op dat moment is er geen grond voor intrekking van zijn Nederlandse nationaliteit. Zet hij echter, na het verstrijken van de dienstplichttijd, de dienst vrijwillig voort, en is het land op dat moment nog betrokken bij gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk of een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is, dan kan het Nederlanderschap wel worden ingetrokken.
De persoon ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking vervalt, hoeft niet noodzakelijk Nederlander te zijn. Het kind kan namelijk via die persoon het Nederlanderschap ontlenen aan uitsluitend artikel 3, derde lid, RWN. Ook in dat geval moet worden gesteld dat het Nederlanderschap wordt ontleend aan de familierechtelijke betrekking met die persoon.
Voor rechterlijke uitspraken van na 1 januari 1985, maar vóór 1 januari 2002 dient te worden bedacht dat de termijn voor het instellen van de rechtsmiddelen hoger beroep en cassatie korter is geweest dan de termijn van drie maanden die per 1 januari 2002 geldt. Voor de bepaling van de dag waarop het Nederlanderschap is verloren, dient rekening te worden gehouden met het feit dat deze uitspraken eerder in kracht van gewijsde zijn gegaan.
**Onze Minister kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en die zich buiten het Koninkrijk bevindt, indien uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die door Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid.**
Artikel 14 lid 4 RWN heeft een geldigheidsduur van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit artikel op 1 maart 2017. Reden hiervoor is dat bij de behandeling in de Tweede Kamer van deze Rijkswet een amendement is aangenomen dat voorziet in een horizonbepaling. Deze bepaling houdt in dat vijf jaar na inwerkingtreding een bezinning plaatsvindt over de wenselijkheid van de maatregelen. Gevolg van dit amendement is dat artikel 14, vierde lid, RWN en de daarmee samenhangende [artikelen 22A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22a), [22B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22b), [22C, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22c) in beginsel met ingang van 1 maart 2022 komen te vervallen.
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
De intrekking van het Nederlanderschap vindt evenmin plaats als staatloosheid daarvan het gevolg is of als de betrokkene jonger is dan zestien jaar.
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
### Paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
Kent de vreemde nationaliteitswetgeving alleen een termijn waarbinnen een **komende verkrijging** van die nationaliteit kan worden voorkomen en maakt men van deze mogelijkheid tot niet-verkrijging geen gebruik, dan treedt het verlies van het Nederlanderschap in op de dag dat de vreemde nationaliteit van rechtswege wordt verkregen.
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
De persoon, van wie het Nederlanderschap is ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), kan in beginsel het Nederlanderschap niet opnieuw verkrijgen. Een optie of een naturalisatie is derhalve in beginsel niet mogelijk als gevolg van de werking van artikel 14, vijfde lid RWN.
### paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
Het Nederlanderschap kan worden herkregen nadat de Raad van State van het Koninkrijk is gehoord. De Minister zal aan de Raad van State dus advies dienen te vragen.
Indien de Kroon niet de vereiste toestemming verleend voor de herkrijging van het Nederlanderschap, kan tegen een geweigerd toestemmings-KB bezwaar worden gemaakt en vervolgens beroep en hoger beroep worden ingesteld.
### Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
Betreft het een buitenlandse rechterlijke uitspraak, die volgens de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht hier te lande moet worden erkend, dan gaat het Nederlanderschap verloren op de dag waarop deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
N.B. Tot 1 april 2003 gold een verliesgrond, in hoofdlijnen overeenkomend met het huidige artikel 14, zesde lid, RWN. Die verliesgrond was opgenomen in het eerste lid van het oude artikel 14 RWN en tevens van toepassing op meerderjarigen. Voorwaarde was dat het Nederlanderschap moest worden ontleend aan artikel 3, [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4) of [5 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5). De vraag die zich bij de toepassing van die bepaling voordeed was: wat rechtens indien de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892? Uit de uitspraak van de Rechtbank ‘s-Gravenhage van 16 april 1999, nr. 98 637, blijkt dat het oude artikel 14, eerste lid, RWN naar de letter dient te worden toegepast. Dit heeft tot gevolg dat in die gevallen waarin de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de WNI, betrokkene niet geacht wordt het Nederlanderschap door het vervallen van de betrekking te hebben verloren.
B, minderjarig kind van Belgische ouders, ontleent het Nederlanderschap via de vader aan artikel 3, derde lid, RWN en is tevens van Belgische nationaliteit.
C is in 1999 geboren in Australië als dochter van een Australische vrouw. In 2000 is C erkend door een Nederlander, waardoor zij het Nederlanderschap verkreeg op grond van het toen geldende artikel 4 RWN. Sindsdien is C van Nederlandse en Australische nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent zij uitsluitend aan het toen geldende artikel 4 RWN. In 2001 verkrijgt de moeder van C het Nederlanderschap door naturalisatie. Na het overlijden van de Nederlandse moeder wordt bij beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 7 april 2004 de erkenning van C vernietigd. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld.
### Paragraaf 1. Algemeen
### 14-10. Toelichting ad [artikel 14, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
RRWN: [artikelen IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) en[V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
Boek 10 BW: [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=19)
### 15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
Het is bij deze regel van belang of de vreemde nationaliteit voor of na 1 april 2003 is verkregen. Op 1 april 2003 is [artikel 15, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) ingevoerd. Hierin zijn gronden opgenomen die het verlies van het Nederlanderschap tegenhouden. In de gevallen die artikel 15, tweede lid RWN noemt, zal dus na 1 april 2003 wel meervoudige nationaliteit (zijn) ontstaan, omdat het Nederlanderschap dan niet is of wordt verloren.
Kent de vreemde nationaliteitswetgeving alleen een termijn waarbinnen een **komende verkrijging** van die nationaliteit kan worden voorkomen en maakt men van deze mogelijkheid tot niet-verkrijging geen gebruik, dan treedt het verlies van het Nederlanderschap in op de dag dat de vreemde nationaliteit van rechtswege wordt verkregen.
Ingevolge [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) treedt ondanks vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit géén verlies van het Nederlanderschap in als betrokkene:
Echter, is de verkregen andere nationaliteit een nationaliteit van een staat die partij is bij het hiervoor genoemde Verdrag van Straatsburg, maar dat niet is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag (**Trb.**1994, nr. 265), welk protocol voor Nederland in werking is getreden op 20 augustus 1996, dan gelden de hier bedoelde uitzonderingen niet (voor nadere uitleg zie de toelichting bij [artikel 15A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A)).
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 15-1-f. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### Paragraaf 1.3.1. Statenopvolging bij de toepassing van [artikel 15, lid 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
**‘De in art. 15 lid 2, aanhef en onder a en b, RWN omschreven bescherming tegen het verlies van het Nederlanderschap komt ook toe aan een meerderjarige Nederlander die vrijwillig de nationaliteit van een nieuwe soevereine staat verkrijgt en – op het grondgebied van die staat is geboren voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd, en ten tijde van zijn naturalisatie zijn hoofdverblijf in die nieuwe soevereine staat heeft (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder a, RWN), dan wel – als minderjarige gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren zijn hoofdverblijf heeft gehad op het grondgebied van die staat voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder b, RWN).’**
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
Het gaat hier in feite om de vraag welke grenzen moeten worden gesteld aan het begrip ‘vrijwillig’. De dienstneming in de betreffende vreemde krijgsdienst moet het gevolg zijn van een specifieke op dat doel gerichte wilsdaad van de betrokkene, wil er sprake zijn van vrijwilligheid die verlies van het Nederlanderschap tot gevolg heeft.
Behalve het vereiste van meerderjarigheid, geldt hier verder als enige voorwaarde dat betrokkene naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit bezit. Hij mag immers volgens [artikel 14, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) niet staatloos worden. Het bezit van die andere nationaliteit zal in de meeste gevallen blijken uit de beschrijving van betrokkene in de BRP. Is dat niet het geval, dan moet een bewijs van de andere nationaliteit worden overgelegd. Dit bewijs kan ook worden verlangd als bijvoorbeeld aan het al dan niet bezitten van een andere nationaliteit wordt getwijfeld (vergelijk [artikel 62, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Dit geldt eveneens ten aanzien van de minderjarige kinderen van betrokkene, die – mits zij daardoor niet staatloos worden – op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) delen in de afstand.
Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk, vervult betrokkene in het leger van dat land zijn militaire dienstplicht. Hij verliest op dat moment niet zijn Nederlandse nationaliteit. Zet hij echter, na het verstrijken van de dienstplichttijd, de dienst vrijwillig voort, en is het land op dat moment nog betrokken bij gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk of een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is, dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
### 21-alg. Toelichting algemeen
Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van het intrekkingsbesluit. De intrekking heeft geen terugwerkende kracht.
Zie de [toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15¶graaf=1¶graaf=1.1&z=2017-01-01&g=2017-01-01) en [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15¶graaf=1¶graaf=1.2&z=2017-01-01&g=2017-01-01).
### 15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
Als een Nederlander ingevolge paragraaf 3 Abs (2) Staatsangehörigkeitsgesetz (2007) in 2007 met terugwerkende kracht de Duitse nationaliteit heeft verkregen zou dit kunnen betekenen dat hij/zij – achteraf bezien – het Nederlanderschap heeft verloren op grond van [artikel 15, eerste lid en aanhef onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Voor deze benadering wordt echter niet gekozen omdat het nationaliteitsbeleid ten aanzien van Nederlanders in het buitenland daardoor zou worden beïnvloed door wetgeving van een vreemde overheid. Immers, een vreemde staat zou door het met terugwerkende kracht van rechtswege verschaffen van zijn nationaliteit aan Nederlanders, hen het Nederlanderschap kunnen ontnemen. Dat is niet gewenst.
### Paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn
Door de verstrekking van één van laatstbedoelde documenten wordt de verliestermijn van tien jaren gestuit. In het document moet op grond van [artikel 3, zesde lid Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=3) het Nederlanderschap van de houder zijn vermeld. Behalve door afgifte van een Nederlands paspoort of een Nederlandse identiteitskaart wordt de termijn ook gestuit bij afgifte van een:
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
Als ‘de dag der verstrekking’ van het Nederlandse paspoort geldt in beginsel de afgiftedatum van het reisdocument. Op die in het reisdocument vermelde datum stopt in beginsel een op grond van [artikel 15, eerste lid en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) lopende tienjaarstermijn en start een nieuwe termijn. Het gaat hier om een voor iedere burger en wetstoepasser duidelijke en goed vindbare datum.
### 16a-alg. Toelichting algemeen
Van verlies als bedoeld in deze bepaling is alleen sprake in geval van verkrijging van de nationaliteit van landen waarvoor het Verdrag van Straatsburg in werking is getreden en die Hoofdstuk I van het Verdrag, dat handelt over beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit, toepassen. Dat zijn: Nederland (gehele Koninkrijk), Noorwegen en Oostenrijk. Het Verdrag van Straatsburg is voor Nederland (gehele Koninkrijk) in werking getreden op 10 juni 1985. Zweden heeft Hoofdstuk I van het Verdrag toegepast van 6 april 1969 tot 29 juni 2002. Duitsland is partij bij het Verdrag van Straatsburg geweest van 18 december 1969 tot 22 december 2002.
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
Verder is in [artikel 61 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61) geregeld dat:
### 17-alg. Toelichting algemeen
Uit de toelichting bij artikel 61 BVVN blijkt dat verklaringen omtrent het bezit van het Nederlanderschap geen andere betekenis hebben dan dat daaruit blijkt dat door de nationaliteitsrechter op het tijdstip van zijn beschikking, respectievelijk door de verstrekkende autoriteit op het tijdstip van verstrekking is vastgesteld, dat de in de beschikking of verklaring genoemde persoon op dat tijdstip de Nederlandse nationaliteit bezit.
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
### Artikel 22
### 16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
Tot 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Dit was geregeld in het oude [artikel 15, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
Het bovenstaande betekent dan ook dat vanaf 1 april 2003 de meerderjarige Nederlander die vrijwillig de nationaliteit van een verdragsland verkrijgt op een moment dat het land partij bij Hoofdstuk I van het Verdrag is, het Nederlanderschap verliest, tenzij:
A, van Nederlandse en Franse nationaliteit, geboren in 1945 in Nederland, woont sedert 15 maart 1996 in de Verenigde Staten).
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
A kan echter verlies van het Nederlanderschap voorkomen door ervoor te zorgen dat hij vóór 1 april 2013 in het bezit wordt gesteld van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument (vergelijk [artikel 15, lid 4, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)). Vanaf de datum van de verstrekking van een van beide documenten begint dan voor hem een nieuwe verliestermijn van tien jaar te lopen.
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door Onze Minister van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, welke kan plaatsvinden, indien de betrokkene heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.**
### 16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
Als de betrokkene, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na totstandkoming van de naturalisatie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan Onze Minister overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend.
### 16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 1. Algemeen
Wordt de burgemeester door de IND in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:
### Artikel 16
Wordt het bezwaar gegrond verklaard, dan zal het intrekkingsbesluit worden herroepen. De herroeping werkt terug tot de datum van het intrekkingsbesluit. Hierdoor wordt betrokkene geacht nimmer het Nederlanderschap door intrekking te hebben verloren. Bij een ongegrond bezwaar is beroep mogelijk bij de rechtbank, sector Bestuursrecht.
Mocht betrokkene na ingesteld bezwaar c.q. beroep alsnog moeten worden aangemerkt als Nederlander, wordt de burgemeester wederom door de IND hiervan in kennis gesteld.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
### Paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 1.1. Overgangsrecht
### paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht
### paragraaf 2. Algemeen
### paragraaf 1.4. Situatie tot 1 april 2003
### paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging
### paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid
### Paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b
### paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
### 14-3. Toelichting ad [artikel 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
### paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
Verder is sedert 1 april 2003 in onderhavig artikellid tot uitdrukking gebracht dat de betreffende verliesbepaling alleen van toepassing is op minderjarigen. Ook dat moet ingevolge overgangsbepaling artikel III RRWN geacht worden te gelden sedert 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een meerderjarige, op grond van het toen geldende artikel 14, eerste lid, RWN, zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het als gevolg van bijvoorbeeld herroeping van adoptie vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
De Rijkswet van 10 februari 2017 (Stb. 52) vult regels aan met betrekking tot het verlies van het Nederlanderschap. Aan [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is in verband met de dreiging die uitgaat van het mondiale jihadisme een nieuw lid toegevoegd dat het mogelijk maakt het Nederlanderschap in te trekken van personen die uitreizen naar een strijdgebied en zich vrijwillig in krijgsdienst begeven van een terroristische strijdgroep. Deze wijziging van de Rijkswet draagt bij aan de bescherming van de nationale veiligheid door te voorkomen dat een persoon die zich heeft aangesloten bij een terroristische strijdgroep legaal kan terugkeren naar Nederland en hier te lande terroristische activiteiten kan ontplooien.
Bij beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 7 januari 2004 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van de minderjarige A. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld. Ingevolge artikel 1:202, eerste lid, BW vervalt de familierechtelijke betrekking tussen de Nederlandse man en A op het moment dat de beschikking van 7 januari 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.
Onze Minister kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon als uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Deze lijst wordt vastgesteld in de Rijksministerraad en gepubliceerd in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten.
Om het Nederlanderschap te kunnen intrekken moet sprake zijn van aansluiting bij een organisatie op de hiervoor genoemde lijst. Uit de memorie van toelichting (TK, 2015–2016, 34 356 (R2064), nr 3) blijkt wat de wetgever met het begrip aansluiting bedoelt. Voordat sprake is van ‘aansluiting’ moeten twee voorwaarden zijn vervuld:
Naar verwachting zal in de meeste gevallen uit een ambtsbericht dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten uitbrengen aan het hoofd van de IND blijken dat sprake is van aansluiting in de zin van [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
### 15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
### Artikel 15
### 15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
### 15-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
Als een andere nationaliteit, anders dan de in [paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15¶graaf=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01) genoemde voorbeelden, van rechtswege wordt verkregen en de wetgeving van die andere nationaliteit biedt de mogelijkheid om de ontvangen nationaliteit te verwerpen of het verkrijgen ervan te voorkomen, dan verliest men de Nederlandse nationaliteit als men geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot verwerping van de andere nationaliteit of van de mogelijkheid om de andere nationaliteit niet te verkrijgen. Als geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid de andere nationaliteit te verwerpen, wordt de verkrijging van de andere nationaliteit geacht vrijwillig te zijn. Alleen bij noodgedwongen niet-verwerping van de andere nationaliteit (bijv. als men daardoor gedwongen zou worden zijn woonland te moeten verlaten) wordt de verkrijging van de andere nationaliteit onvrijwillig geacht en treedt geen verlies van het Nederlanderschap in.
### 15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
### Paragraaf 1. Algemeen
Bij Koninklijk Besluit (KB) zal de Kroon al dan niet toestemming verlenen voor de herkrijging van het Nederlanderschap. Zonder deze toestemming kan het Nederlanderschap niet worden verkregen of verleend. Dit betekent dat de betrokken persoon alvorens een naturalisatieverzoek in te dienen of optieverklaring af te leggen, een toestemmings-KB moet overleggen, wil zijn verzoek toegewezen kunnen worden. Hij zal de Minister in de eerste plaats gemotiveerd, onder aanvoering van de zeer bijzonderheid van zijn omstandigheden, moeten verzoeken om te bevorderen dat er een toestemmings-KB wordt geslagen.
### paragraaf 1.4. Situatie tot 1 april 2003
**‘De in art. 15 lid 2, aanhef en onder a en b, RWN omschreven bescherming tegen het verlies van het Nederlanderschap komt ook toe aan een meerderjarige Nederlander die vrijwillig de nationaliteit van een nieuwe soevereine staat verkrijgt en – op het grondgebied van die staat is geboren voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd, en ten tijde van zijn naturalisatie zijn hoofdverblijf in die nieuwe soevereine staat heeft (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder a, RWN), dan wel – als minderjarige gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren zijn hoofdverblijf heeft gehad op het grondgebied van die staat voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder b, RWN).’**
De huidige redactie van deze bepaling is in de wet gekomen met de wetswijzigingen van 2003 en 2010. Ten gevolge van [artikel III RRWN 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft de redactie van het huidige [artikel 14, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap (1 januari 1985). Zie de toelichting bij artikel 14, zesde lid, RWN, paragraaf 2.
### Paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
### Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
### Paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
Bij beschikking van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 5 maart 2011 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van B. Tegen de uitspraak wordt hoger beroep ingesteld. De uitspraak in dat beroep volgt op 9 juli 2011 en bij die uitspraak wordt de beschikking van de rechtbank bevestigd. Beroep in cassatie wordt niet ingesteld.
Als een Nederlander ingevolge paragraaf 3 Abs (2) Staatsangehörigkeitsgesetz (2007) in 2007 met terugwerkende kracht de Duitse nationaliteit heeft verkregen zou dit kunnen betekenen dat hij/zij – achteraf bezien – het Nederlanderschap heeft verloren op grond van [artikel 15, eerste lid en aanhef onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Voor deze benadering wordt echter niet gekozen omdat het nationaliteitsbeleid ten aanzien van Nederlanders in het buitenland daardoor zou worden beïnvloed door wetgeving van een vreemde overheid. Immers, een vreemde staat zou door het met terugwerkende kracht van rechtswege verschaffen van zijn nationaliteit aan Nederlanders, hen het Nederlanderschap kunnen ontnemen. Dat is niet gewenst.
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
Vanaf de dag van de verstrekking van een dergelijk document begint een nieuwe verliestermijn van tien jaren te lopen ([artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)). Dus, als men er – steeds binnen tien jaren – voor zorgt in het bezit te worden gesteld van bedoelde verklaring van Nederlanderschap, een Nederlands reisdocument of Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212), kan het Nederlanderschap nimmer op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN verloren gaan door verblijf in het buitenland.
Hoofdregel bij verlies van het Nederlanderschap is, dat geen verlies optreedt indien dat leidt tot staatloosheid. Op de hoofdregel formuleert dit artikellid één uitzondering, namelijk het geval waarin sprake is van intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) (intrekking wegens valse verklaring, bedrog of verzwijging van een relevant feit). In een dergelijk geval kan het verlies van het Nederlanderschap wél leiden tot staatloosheid.
### Paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
### 15-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
### paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
Zie voor de gevolgen van de intrekking voor bij de naturalisatie gewijzigde of vastgestelde namen, de toelichting bij [artikel 14, eerste lid, RWN, paragraaf 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14¶graaf=5¶graaf=5.3&z=2017-01-01&g=2017-01-01).
### 15-1-f. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
Indien de optant, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na de verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan de Minister van Justitie overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen ([artikel 30d BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30d)).
**De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van tien jaren te lopen.**
Echter, ook al wordt voldaan aan de hierboven genoemde voorwaarden, dan nog treedt géén verlies van het Nederlanderschap in, indien:
### paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
Aangezien Italië ten tijde van de naturalisatie van B nog partij is bij het Verdrag van Straatsburg, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat B, ondanks het feit dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN, als gevolg van de directe werking van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg zijn Nederlanderschap heeft verloren door zijn naturalisatie tot Italiaan.
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van het besluit tot intrekking gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties (artikel 70, eerste lid, BVVN). [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent:
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap is een beschikking als bedoeld in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) (Awb). De Awb is in het kader van de intrekking van toepassing ongeacht of de persoon in kwestie door tussenkomst van de burgemeester, de gezaghebber, de Gouverneur of een diplomatieke of consulaire post is genaturaliseerd, nu de beslissing tot intrekking zelf genomen wordt door Onze Minister in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk. De persoon in kwestie kan tegen de beschikking bezwaar maken doch dit bezwaar heeft geen schorsende werking.
Op grond van [artikel 15, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) (oud) werd tot 1 april 2003 het Nederlanderschap ingetrokken bij Koninklijk Besluit. Op een bezwaarschrift gericht tegen een Koninklijk Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wegens het niet nakomen van de afstandsverplichting, dient (ook na inwerkingtreding van de wijzigingswetten uit 2000 en 2002) te worden beslist door middel van een Koninklijk Besluit. (Dit op grond van [artikel 1:5, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:5) juncto [artikel 6:4, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:4).)
### 15-1-e. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door onze Minister van het besluit waarbij de verkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd, welke kan plaatsvinden, indien de vreemdeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, heeft nagelaten na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.**
### 16-alg. Toelichting algemeen
Van de optant die een optieverzoek indient op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijk te zullen doen om die nationaliteit te verliezen (artikel 6a, eerste lid, RWN). Dit is alleen anders als de optant valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie de toelichting bij artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN) ([artikel 30b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30b)).
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van het intrekkingsbesluit. De intrekking heeft geen terugwerkende kracht.
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### 16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
Zie de [toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15¶graaf=1¶graaf=1.1&z=2017-03-01&g=2017-03-01) en [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15¶graaf=1¶graaf=1.2&z=2017-03-01&g=2017-03-01).
### 15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
Voor A geldt wel, dat hij tijdens zijn minderjarigheid het Nederlanderschap alleen maar kan behouden zolang zijn moeder het Nederlanderschap bezit (tenzij hij tevens behoort tot een van de andere categorieën, genoemd in [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)). Zodra de moeder het Nederlanderschap verliest – bijvoorbeeld als gevolg van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit – verliest ook A zijn Nederlanderschap, mits hij nog minderjarig is.
**De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van tien jaren te lopen.**
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### 14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
### paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van artikel 14, tweede lid RWN
### paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
### Paragraaf 2.1.2.2. [Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)
### 14-6. Toelichting ad artikel 14, zesde lid
### 14-3. Toelichting ad [artikel 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 2. Intrekking wegens vreemde krijgsdienst
Ad 2
De elementen die betrokken worden bij de belangenafweging zijn dwingend voorgeschreven in [artikel 68c BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68c). Dit betekent dat de volgende elementen in ieder individueel besluit terug moeten komen:
Doorgaans zal er sprake zijn van een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten dat een beschrijving van de feiten bevat waaronder de aansluiting bij een van de organisaties op de lijst, de gedragingen van betrokkene waaruit dit kan worden afgeleid en de conclusie dat de betrokkene een gevaar is voor de nationale veiligheid. Het is aan Onze Minister om deze informatie te wegen en te beoordelen of de informatie de intrekking van het Nederlanderschap kan dragen. Gelet op [artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:9) is het uitgangspunt dat een bestuursorgaan in beginsel op een advies van een adviesorgaan mag afgaan als dat als zorgvuldig kan worden aangemerkt (vergewisplicht). Voordat een ambtsbericht met de voornoemde conclusie ten grondslag wordt gelegd aan een beslissing het Nederlanderschap in te trekken beoordeelt Onze Minister daarom of uit het ambtsbericht op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusie vervat in dat ambtsbericht ten grondslag zijn gelegd en of deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting (Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 29 september 2010, zaak nr. 20100881/1/V6). Wanneer het bestuursorgaan heeft voldaan aan de vergewisplicht, wordt alleen gemotiveerd afgeweken (naar analogie van [artikel 3:50 Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:50)). Het oordeel of een persoon gelet op de over hem bekende feiten een gevaar vormt voor de nationale veiligheid is immers in de eerste plaats aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten zodat van deze conclusie mag worden uitgegaan.
### Paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### 15-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 1.4. Situatie tot 1 april 2003
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
### 15-1-e. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Een verklaring van afstand wordt in beginsel in persoon ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) en schriftelijk ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)) afgelegd, omdat van belang is dat wordt aangetoond dat de betrokkene is wie hij zegt te zijn. De burgemeester, moet zich de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de betreffende persoon ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). In dat kader wordt betrokkene verzocht een geldig identiteitsdocument te overleggen.
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
### 16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
Als gevolg van [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) moet, wat betreft de toepassing van [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), ervan worden uitgegaan dat de uitzonderingen uit artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN reeds vanaf 1 januari 1985 gelden.
Dit artikellid is niet van toepassing op optieverklaringen die zijn ingediend vóór 1 oktober 2010.
Indien de optant, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na de verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan de Minister van Justitie overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen ([artikel 30d BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30d)).
### 16-alg. Toelichting algemeen
Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting in de Handleiding bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN ([artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70)).
**Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de verkrijger**
### Artikel 16a
Verlies van het Nederlanderschap zou voor A intreden op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) ware het niet dat in dit geval het verlies wordt voorkomen, doordat een ouder, namelijk de moeder van A, het Nederlanderschap bezit.
### 15-4. Toelichting ad [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### 16a-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 17
De minderjarige F wordt rechtsgeldig erkend door de Turkse man M. F bezit op het moment van de erkenning al de Turkse nationaliteit, zodat [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) op hem van toepassing is. F verliest evenwel niet zijn Nederlanderschap. Het verlies wordt verhinderd door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN.
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
Geen.
De mogelijkheid dat een minderjarige een verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit kan afleggen, bestond voor 1 april 2003 niet. Tot dat moment kon alleen een meerderjarige afstand doen van het Nederlanderschap.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### Paragraaf 2.1.2.3. [Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205)
### paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
### paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging
Als niet uit een ambtsbericht als hiervoor bedoeld maar bijvoorbeeld uit informatie van politie of het Openbaar Ministerie blijkt dat sprake is van aansluiting in de zin van artikel 14, vierde lid, RWN dan ligt de beoordeling of de intrekking van het Nederlanderschap in het licht van de gedragingen van de betrokkene proportioneel is meer dan het geval is bij een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bij Onze Minister.
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
### Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
### Paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn
### paragraaf 1.4. Situatie tot 1 april 2003
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
### Artikel 15a
### 15a-alg. Toelichting algemeen
De regeling van [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) welke in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, zou zonder nadere beperking in strijd komen met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten. Dat betreft enerzijds verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Verdrag van Straatsburg), tenzij die staat tevens partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag, anderzijds verplichtingen uit de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS). De verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS hebben voorrang boven de regeling neergelegd in de RWN, met name in artikel 15, tweede lid, RWN.
Hoewel het onderhavige artikel in het licht van artikel 94 Grondwet (verdrag gaat boven wet) overbodig zou kunnen worden geacht (het verlies vloeit immers rechtstreeks voort uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS), heeft de wetgever het toch wenselijk geacht deze verdragsverplichtingen onder de aandacht te brengen in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738). Het onderhavige artikel beoogt dus niet zelfstandige verliesgronden in het leven te roepen. Indien de bepaling uit de in dit artikel genoemde verdragen rechtstreekse werking hebben, leidt die bepaling van rechtswege tot verlies van het Nederlanderschap. Het verlies treedt derhalve niet in op grond van het onderhavige artikel maar op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van het Verdrag van Straatsburg of van de TOS.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### Paragraaf 2.1.3. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c
### Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 1. Algemeen
### 15-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
Ad 3 en 4
Op grond van artikel 68c, tweede lid, BVVN dient reeds bij de intrekking van het Nederlanderschap expliciet te worden getoetst aan artikel 8 EVRM. De reden hiervoor is dat intrekking op deze grond in alle gevallen gepaard zal gaan met het weigeren van de toegang tot Nederland, en derhalve een inbreuk kan vormen op het recht op gezinsleven en het recht op privéleven van artikel 8 EVRM. De toets aan artikel 8 EVRM wordt opgenomen in het besluit tot ongewenstverklaring.
### 14-9. Toelichting ad [artikel 14, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
### 15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
### 16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
### Artikel 16
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
Bedacht moet worden, dat verlies van het Nederlanderschap als hier bedoeld nooit kan intreden indien betrokkene daardoor staatloos zou worden (vergelijk [artikel 14, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)) en verder dat – ook al valt de minderjarige in principe onder een van de verliesbepalingen van [artikel 16, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) – géén verlies zal intreden indien artikel 16, tweede lid, RWN van toepassing is.
Zie de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, paragraaf 1.1 en paragraaf 1.2.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)
### Paragraaf 1. Algemeen
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
**Voorts gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren indien hij ten gevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring door naturalisatie, optie of herstel daarin de nationaliteit verkrijgt van een Staat die Partij is bij het op 6 mei 1963 te Straatsburg gesloten verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (** **Trb. 1964, nr. 4** **) en dit Verdrag dat verlies meebrengt. Het voorgaande is echter niet van toepassing indien die Staat tevens Partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag (** **Trb. 1994, nr. 265** **) en de betrokkene behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid.**
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
Tot 28 april 2008 gold deze verdragsverplichting ook voor België. Voor België is op 19 juli 1991 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 19 juli 1991 en 28 april 2008 de Belgische nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 28 april 2008 is voor België de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd.
Tot 5 maart 2009 gold voornoemde verdragsverplichting ook voor Frankrijk. Voor Frankrijk is op 28 maart 1968 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 10 juni 1985 (datum inwerkingtreding Verdrag voor het hele Koninkrijk der Nederlanden) en 5 maart 2009 de Franse nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 5 maart 2009 is voor Frankrijk de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
Alvorens een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt genomen wordt dit ter beoordeling aan Onze Minister voorgelegd.
### paragraaf 1.4. Situatie tot 1 april 2003
### 16-alg. Toelichting algemeen
### 15-1-f. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### Artikel 15a
### 15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
### paragraaf 1.4. Situatie tot 1 april 2003
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
Van verlies als bedoeld in deze bepaling is alleen sprake in geval van verkrijging van de nationaliteit van landen waarvoor het Verdrag van Straatsburg in werking is getreden en die Hoofdstuk I van het Verdrag, dat handelt over beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit, toepassen. Dat zijn: Nederland (gehele Koninkrijk), Noorwegen en Oostenrijk. Het Verdrag van Straatsburg is voor Nederland (gehele Koninkrijk) in werking getreden op 10 juni 1985. Zweden heeft Hoofdstuk I van het Verdrag toegepast van 6 april 1969 tot 29 juni 2002. Duitsland is partij bij het Verdrag van Straatsburg geweest van 18 december 1969 tot 22 december 2002.
Voor Frankrijk is ook het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg (samen met het Verdrag) vervallen. Het Tweede Protocol (in tegenstelling tot het Verdrag zelf) heeft geen rechtstreekse werking, maar heeft uitvoering gekregen door middel van [artikel 15a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) per 1 april 2003.
Tot 9 juli 2009 gold voornoemde verdragsverplichting ook voor Luxemburg. Voor Luxemburg is op 12 november 1971 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 10 juni 1985 (datum inwerkingtreding Verdrag voor het hele Koninkrijk der Nederlanden) en 9 juli 2009 de Luxemburgse nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 9 juli 2009 is voor Luxemburg de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd.
Tot 4 juni 2010 gold voornoemde verdragsverplichting ook voor Italië. Voor Italië is het Verdrag van Straatsburg op 27 februari 1968 van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 10 juni 1985 (datum inwerkingtreding Verdrag voor het hele Koninkrijk der Nederlanden) en 4 juni 2010 de Italiaanse nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 4 juni 2010 is voor Italië de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd.
### Artikel 20
Denemarken heeft Hoofdstuk I van het Verdrag toegepast van 17 december 1972 tot 26 augustus 2015. Voor Denemarken is op 17 december 1972 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. Met ingang van 26 augustus 2015 is voor Denemarken de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd.
Nu vanaf 4 juni 2010 alleen Nederland nog is aangesloten bij het Tweede Protocol heeft het Tweede Protocol enkel nog betekenis voor Nederland zelf. De laatste volzin van artikel 15A kan daardoor op dit moment geen gevolg hebben. Die uitzondering zal zich namelijk niet meer voor kunnen doen, zolang geen ander land partij is bij het Tweede Protocol.
Hoofdregel van het Verdrag van Straatsburg is dat vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van een ander verdragsland automatisch leidt tot verlies van de oorspronkelijke nationaliteit. Dit betekent dus ook dat een meerderjarige Nederlander, die vrijwillig de nationaliteit van een ander verdragsland verkrijgt, het Nederlanderschap verliest (artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg), ook al zou hij behoren tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN (verdrag gaat immers boven de wet). Het verlies vloeit rechtstreeks voort uit het verdrag.
Het gestelde in de vorige alinea geldt echter niet als het betreffende verdragsland ook partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg. Het Tweede Protocol maakt het voor elke verdragsluitende partij mogelijk om in bepaalde gevallen door middel van de eigen interne wetgeving afbreuk te doen aan de hoofdregel van het verdrag, waarbij elke staat, die ratificeert, zelf ten aanzien van die gevallen bepaalt in welke mate van dat recht gebruik wordt gemaakt. De gevallen als hier bedoeld, zijn:
Nederland heeft van die mogelijkheid gebruikgemaakt door opneming in de RWN van artikel 15, tweede lid, RWN en overigens ook van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, f en g, RWN (vergelijk ook de tweede zin van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN en de tweede zin van artikel 16A RWN). Het Tweede Protocol is op 24 maart 1995 in werking getreden voor Frankrijk (tot 5 maart 2009) en Italië (tot 4 juni 2010) en is sedert 20 augustus 1996 ook voor Nederland van kracht. Echter, tot 1 april 2003 is door Nederland in de eigen interne wetgeving geen uitvoering gegeven aan het Tweede Protocol.
De betekenis van het Tweede Protocol is sinds 4 juni 2010 beperkt, doordat naast Nederland geen andere landen meer zijn aangesloten bij het Tweede Protocol
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
### 20-alg. Toelichting algemeen
### 21-alg. Toelichting algemeen
Echter, Oostenrijk is partij bij het Verdrag van Straatsburg, zodat in dit geval wel verlies van het Nederlanderschap intreedt. Het verlies vloeit rechtstreeks voort uit artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg. Het Tweede Protocol biedt A geen soelaas, aangezien Oostenrijk daarbij geen partij is. Dit geldt overigens ook voor Denemarken en Noorwegen.
De Nederlander B, die in 1949 in Nederland is geboren, woont sedert 1990 in Italië en wordt op 1 juni 2010 tot Italiaan genaturaliseerd. Ten tijde van zijn naturalisatie is hij gehuwd met een vrouw van Italiaanse nationaliteit.
### 16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
In dit geval echter, biedt het Tweede Protocol wél soelaas. Immers, Italië was tot 4 juni 2010 partij bij het Tweede Protocol geweest en uit het bepaalde in artikel 15A, aanhef en onder a, RWN, tweede zin vloeit voort dat verlies van het Nederlanderschap in dat geval niet intreedt, mits betrokkene behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Welnu, B behoort tot een van die categorieën, namelijk categorie c; hij is immers gehuwd met een vrouw van Italiaanse nationaliteit. De conclusie is dan ook, dat B zijn Nederlanderschap niet heeft verloren door zijn naturalisatie tot Italiaan omdat B tussen 1 april 2003 en 4 juni 2010 is genaturaliseerd.
De in voorbeeld 2 bedoelde B is niet gehuwd met een Italiaanse vrouw. Wel zijn B en de vrouw partners in een in Nederland geregistreerd partnerschap. Voor het overige is de casus exact hetzelfde als die bij voorbeeld 2.
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
B verliest dan ook zijn Nederlanderschap als gevolg van de directe werking van het Verdrag van Straatsburg (artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg) en hij kan zich niet beroepen op het gestelde in de tweede zin van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN.
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
De voorbeelden 2 en 3 gelden voor de periode van 1 april 2003 tot 5 maart 2009 ook in het geval B de Franse nationaliteit heeft verkregen. Vanaf 5 maart 2009 is Frankrijk geen partij meer bij Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg. Artikel 15A is sindsdien niet meer van toepassing als een Nederlander vrijwillig de Franse nationaliteit verkrijgt. De Nederlander verliest zijn nationaliteit bij het verkrijgen van de Franse nationaliteit op grond van artikel 15 lid 1 onder a, tenzij één van de gronden van artikel 15 lid 2 van toepassing is.
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
**Minderjarige tussen de 12 tot 16 jaar is niet gehoord**
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [14.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16A)[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
Op grond van [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, RWN. Artikel 16, tweede lid, RWN bepaalt de gevallen waarin, als uitzondering op de hoofdregelen van verlies, toch geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
### 16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige, op grond van het toen geldende [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap en kunnen we nu vaststellen, dat de betreffende persoon destijds behoorde tot een van de categorieën, nu genoemd in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c of d, RWN dan moet die persoon thans geacht worden zijn Nederlanderschap nimmer te hebben verloren. Zie ook de toelichting onder artikel 16, tweede lid, RWN en onder [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III).
### 16-alg. Toelichting algemeen
Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door minderjarigen. Behalve in het onderhavige artikel zijn ook verliesbepalingen voor minderjarigen opgenomen in [artikel 14, tweede, derde, vierde en zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). [Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) definieert het begrip ‘meerderjarigheid’. Uit die bepaling vloeit voort dat personen jonger dan achttien jaar, minderjarig zijn. Echter, personen, jonger dan achttien jaar, zijn wél meerderjarig indien:
### 16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
Met het begrip ‘vader of moeder’ in [artikel 16, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) wordt mede bedoeld:
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
De uitzonderingen, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN zijn op A niet van toepassing.
### 16-1-d. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
Het minderjarige Nederlandse kind A, geboren in Nederland, heeft de Nederlandse vrouw B tot moeder en wordt erkend door de Turkse man C. Als gevolg van die erkenning is A van Turkse nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent A uitsluitend aan [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
### 16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
Voor A geldt wel, dat hij tijdens zijn minderjarigheid het Nederlanderschap alleen maar kan behouden zolang zijn moeder het Nederlanderschap bezit (tenzij hij tevens behoort tot een van de andere categorieën, genoemd in [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)). Zodra de moeder het Nederlanderschap verliest – bijvoorbeeld als gevolg van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit – verliest ook A zijn Nederlanderschap, mits hij nog minderjarig is.
### 16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
Uit een ongehuwde Turkse vrouw is in 2004 kind F geboren in Amsterdam. F, die de Turkse nationaliteit bezit, is tevens van Nederlandse nationaliteit op grond van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
De minderjarige F wordt rechtsgeldig erkend door de Turkse man M. F bezit op het moment van de erkenning al de Turkse nationaliteit, zodat [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) op hem van toepassing is. F verliest evenwel niet zijn Nederlanderschap. Het verlies wordt verhinderd door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN.
In 2005 wordt in Nederland kind B geboren uit de in Australië geboren ongehuwde vrouw A. A is van Nederlandse en Australische nationaliteit. B verkrijgt bij zijn geboorte uitsluitend de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft nimmer de Australische nationaliteit verkregen, omdat zijn geboorte niet is geregistreerd bij een Australisch Consulaat.
Enkele maanden na de geboorte van B emigreren hij en zijn moeder naar Australië. Na tien jaren hoofdverblijf in Australië verliest A haar Nederlanderschap ingevolge [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) (aan haar is in die tien jaren geen Nederlands reisdocument of bewijs van Nederlanderschap afgegeven).
De mogelijkheid dat een minderjarige een verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit kan afleggen, bestond voor 1 april 2003 niet. Tot dat moment kon alleen een meerderjarige afstand doen van het Nederlanderschap.
De verklaring van afstand kan door een minderjarige alleen met rechtsgevolg worden afgelegd, als hij naast het Nederlanderschap tevens de nationaliteit bezit van zijn vader, moeder of adoptiefouder4[127] (als bedoeld in [artikel 11, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)). In de meeste gevallen zal van die nationaliteit blijken uit de beschrijving van de minderjarige in de BRP. Is dat niet het geval, of wordt bijvoorbeeld getwijfeld aan het al dan niet bezitten van de nationaliteit van de (adoptief)ouder, dan kan overlegging van een bewijs van de nationaliteit van de minderjarige en/of zijn (adoptief)ouder worden verlangd (vergelijk [artikel 62, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)).
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
Ingevolge [artikel 2, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), wordt een verklaring van afstand voor een minderjarige door zijn wettelijke vertegenwoordiger afgelegd. De minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, legt de verklaring van afstand echter zelfstandig af.5Zie voor procedurele voorschriften aangaande verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand de toelichting bij artikel 15, eerste lid aanhef en onder b, RWN en de modellen 3.2 en 3.3.
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
De verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) wordt, namens de minderjarige tot twaalf jaar, door zijn wettelijk vertegenwoordiger afgelegd. Deze minderjarige wordt hierover niet gehoord.
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
Minderjarigen van twaalf tot zestien jaar worden geacht voldoende inzicht te hebben in de gevolgen van het doen van afstand van de Nederlandse nationaliteit. Daarom wordt het kind hierover gehoord.Ook de ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, moet op zijn verzoek worden gehoord om zo zijn bedenkingen over het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken.
### Artikel 18
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
### 24-alg. Toelichting algemeen
**Minderjarige is aanwezig**
### 16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
**Minderjarige is niet aanwezig**
Indien de minderjarige niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij door de burgemeester alsnog opgeroepen om gehoord te worden over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap. Zolang de minderjarige niet gehoord is, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet in (zie tevens paragraaf 3 **Geen verlies Nederlanderschap**)
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Artikel 13
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
Ingevolge [artikel 2, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), wordt een verklaring van afstand voor een minderjarige door zijn wettelijke vertegenwoordiger afgelegd. De minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, legt de verklaring van afstand echter zelfstandig af.5Zie voor procedurele voorschriften aangaande verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand de toelichting bij artikel 15, eerste lid aanhef en onder b, RWN en de modellen 3.2 en 3.3.
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
[Artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) bepaalt dat voor de toepassing van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN onder ‘echtgenoot’ niet is begrepen ‘geregistreerd partner’; en dat onder ‘huwelijk’ niet is begrepen ‘geregistreerde partnerschap’. Artikel 1, tweede lid RWN, vloeit voort uit het Verdrag van Straatsburg. Hieronder wordt een en ander met voorbeelden verduidelijkt.
De Nederlander A, die in 1950 in Oostenrijk is geboren, wordt in januari 2004 genaturaliseerd tot Oostenrijker. Ten tijde van zijn naturalisatie woont hij in Oostenrijk. Kijken we uitsluitend naar artikel 15, eerste en tweede lid, RWN dan zouden we tot de conclusie komen, dat A zijn Nederlanderschap niet heeft verloren. Immers, hij is geboren in het land waarvan hij de nationaliteit heeft verkregen en hij woont daar ten tijde van die verkrijging, en artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, RWN bepaalt dan dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
Aangezien Italië ten tijde van de naturalisatie van B nog partij is bij het Verdrag van Straatsburg, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat B, ondanks het feit dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN, als gevolg van de directe werking van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg zijn Nederlanderschap heeft verloren door zijn naturalisatie tot Italiaan.
### paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
### paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
Was B op of na 4 juni 2010 tot Italiaan genaturaliseerd, dan was hij zijn Nederlandse nationaliteit niet verloren. Vanaf 4 juni 2010 speelt artikel 15A geen rol meer bij het verkrijgen van de Italiaanse nationaliteit, maar alleen artikel 15. Voor de toepassing van artikel 15 wordt een geregistreerd partnerschap wel gelijk gesteld aan een huwelijk. De uitzonderingen van artikel 15 lid 2 zijn dan dus wel van toepassing. Omdat B een geregistreerd partnerschap heeft met een Italiaanse vrouw, verliest hij de Nederlandse nationaliteit niet (artikel 15 lid 2 onder c RWN).
Bedacht moet worden, dat verlies van het Nederlanderschap als hier bedoeld nooit kan intreden indien betrokkene daardoor staatloos zou worden (vergelijk artikel 14, achtste lid, RWN) en verder dat – ook al valt de minderjarige in principe onder een van de verliesbepalingen van artikel 16, eerste lid, RWN – géén verlies zal intreden indien artikel 16, tweede lid, RWN van toepassing is.
### Artikel 23
De adoptie c.q. gezagsvoorziening moet dus het kind het Nederlanderschap hebben bezorgd (denk daarbij wat betreft de gezagsvoorziening aan de optie bedoeld in [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)). Is dat niet het geval, omdat het kind reeds op een andere grond Nederlander was, dan zal voor het kind geen verlies van het Nederlanderschap intreden indien zijn adoptiefouder(s)/de persoon die mede het gezamenlijk gezag over hem uitoefent het Nederlanderschap verlie(st)(zen), of, indien het kind zelfstandig dezelfde vreemde nationaliteit verkrijgt als zijn adoptiefouder(s)/de persoon die mede het gezamenlijk gezag over hem uitoefent.
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, indien hij diens nationaliteit daardoor verkrijgt, of deze reeds bezit.**
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
Verlies van het Nederlanderschap zou voor A intreden op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) ware het niet dat in dit geval het verlies wordt voorkomen, doordat een ouder, namelijk de moeder van A, het Nederlanderschap bezit.
### 16-1-d. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
A zou zijn Nederlanderschap door voormelde erkenning evenmin verliezen als:
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### 16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
Volgens [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) zou ook B zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, voor B geldt de uitzonderingscategorie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN. Hij ontleent het Nederlanderschap immers tevens aan [artikel 3 derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3). Voor B gaat het Nederlanderschap dan ook niet verloren.
In 2001 wordt vader A genaturaliseerd tot Nederlander. A behoudt daarbij de Marokkaanse nationaliteit. Kind C deelt in de naturalisatie. Moeder B wordt niet genaturaliseerd. Vader en kind bezitten na naturalisatie de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.
Indien blijkt dat zowel het kind als deze ouder bedenkingen hebben tegen de afstand van het Nederlanderschap, dan heeft de verklaring van afstand die is afgelegd door de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige geen rechtsgevolg (zie paragraaf 2.2.3 en 3 in de toelichting bij artikel 16, eerste lid, onder b, RWN).
De wettelijk vertegenwoordiger legt namens de minderjarige (tussen de twaalf en zestien jaar), de verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2017-03-01&g=2017-03-01)) af. De minderjarige wordt hierover gehoord.
### 18-alg. Toelichting algemeen
Indien de minderjarige aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij direct gehoord over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap.
### Artikel 19
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
### 19-alg. Toelichting algemeen
### 18-alg. Toelichting algemeen
Indien de andere ouder aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt zij/hij door de burgemeester gevraagd of zij/hij tegen het verlies van het Nederlanderschap door de minderjarige is. Wordt niet een duidelijk antwoord gegeven op deze vraag of ontstaat twijfel over de vrijwilligheid van het afgelegde antwoord dan wordt de andere ouder gewezen op de mogelijkheid op een later moment en alleen gehoord te worden over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind. Alleen indien de andere ouder hierover gehoord wil worden, wordt hij hiertoe door de burgemeester in de gelegenheid gesteld.
### 16-2-alg. Toelichting algemeen
Indien de andere ouder niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij door de burgemeester alsnog, bijvoorbeeld middels toezending van een brief, gewezen op de mogelijkheid om gehoord te worden over zijn eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind.Dit wordt door de burgemeester gedaan indien de andere ouder bekend is, hij in Nederland woont en tevens zijn adres bekend is.
Zolang de andere ouder, ondanks zijn verzoek, niet is gehoord, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet op (zie tevens paragraaf 3 **Geen verlies Nederlanderschap**).
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### paragraaf 1. Algemeen
### 14-5. Toelichting ad artikel 14, vijfde lid
### Paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
### paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
### paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
Het bovenstaande betekent dan ook dat vanaf 1 april 2003 de meerderjarige Nederlander die vrijwillig de nationaliteit van een verdragsland verkrijgt op een moment dat het land partij bij Hoofdstuk I van het Verdrag is, het Nederlanderschap verliest, tenzij:
Het verlies van het Nederlanderschap treedt in als aan de wettelijke voorwaarden uit [artikel 16, eerste en tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) wordt voldaan. Het verlies gebeurt van rechtswege door het ondertekenen van de verklaring van afstand door de zestien of zeventien jarige of de wettelijk vertegenwoordiger van een jonger kind.
### Artikel 16
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [62 t/m 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)
### Artikel 23
Als gevolg van [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) moet, wat betreft de toepassing van [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), ervan worden uitgegaan dat de uitzonderingen uit artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN reeds vanaf 1 januari 1985 gelden.
### 22-2. Toelichting ad [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22)
In 2005 legt A, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, namens C een verklaring van afstand af als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16).
### 23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
### 16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
### Paragraaf 1. Algemeen
### 16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
Na de naturalisatie van A tot Nederlander wordt zijn zoon B geboren. Zowel A als B zijn in Nederland geboren. B ontleent het Nederlanderschap zowel aan [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) als aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
### Artikel 17
Voor A geldt derhalve dat hij in 2008 zijn Nederlanderschap verliest op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg.
### Artikel 18
Enkele maanden na zijn geboorte wordt A op verzoek van zijn ouders geregistreerd tot Brits burger. Ten aanzien van hem moet dus worden gesteld dat hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkregen heeft als zijn moeder, hetgeen ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN zou moeten leiden tot verlies van zijn Nederlanderschap.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
**Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger, is niet aanwezig**
### 26-alg. Toelichting algemeen
In [hoofdstuk 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6) is de vaststelling van het Nederlanderschap geregeld. Die vaststelling kan als volgt geschieden. Wanneer alleen de vaststelling van de nationaliteit aan de orde is, dan is in Nederland uitsluitend bevoegd de Rechtbank ’s-Gravenhage, en in Curaçao en Sint Maarten of Aruba het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Is echter reeds elders een zaak aanhangig bij een rechterlijke instantie of in een administratief beroep, waarbij mede van belang is dat het al of niet bezitten van het Nederlanderschap wordt vastgesteld, dan is een procedure voor de Haagse rechtbank of het gemeenschappelijk Hof van Justitie niet mogelijk. Iemand kan dus niet ‘twee ijzers in het vuur hebben’.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
### paragraaf 2. Algemeen
### Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
### paragraaf 2.3. Het Nederlanderschap van het minderjarige kind van degene wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid RWN
### 14-6. Toelichting ad [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
### 16-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
Voor Italië is ook het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg (samen met het Verdrag) vervallen. Het Tweede Protocol heeft, in tegenstelling tot het Verdrag zelf, geen rechtstreekse werking, maar heeft per 1 april 2003 uitvoering gekregen door middel van [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), 15a, [16, tweede lid, aanhef en onder e, f en g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) en [16a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16A).
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
### 16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
### paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
De uitkomst is hier echter anders. Weliswaar was Italië tot 4 juni 2010 partij bij het Tweede Protocol, maar in dit geval kan ten aanzien van B niet worden gesteld dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Immers, ingevolge artikel 1, tweede lid, RWN mag voor de toepassing van artikel 15A RWN onder huwelijk niet tevens geregistreerde partnerschap worden verstaan.
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
### Artikel 16a
### Artikel 24
De ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt wordt, op haar/zijn verzoek, gehoord om zo haar/zijn bedenkingen tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken. Uit de woorden ‘op zijn verzoek’ volgt dat de andere ouder niet verplicht is bedenkingen kenbaar te maken. Indien deze ouder te kennen geeft niet gehoord te willen worden of niet reageert op een uitnodiging daartoe, dan wordt zij/hij geacht geen bedenkingen te hebben tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van haar/zijn kind.
**Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger, is aanwezig**
### paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
Na het horen van de minderjarige en/of de andere ouder, die niet de wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt, kunnen zich de volgende, niet limitatieve, situaties voordoen:
### paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
Minderjarigen van zestien en zeventien jaar worden geacht zelfstandig te kunnen beslissen over het verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand. Zij kunnen bij die rechtshandeling niet worden vertegenwoordigd door hun wettelijke vertegenwoordiger.6Zie voor procedurele voorschriften aangaande verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand de toelichting bij artikel 15, eerste lid aanhef en onder b, RWN
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
### 16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
### Artikel 16a
Het in de bevestiging7De bevestiging is een bevestiging dát er een afstandsverklaring in ontvangst is genomen. Niet een bevestiging dat het Nederlanderschap is verloren. opgenomen oordeel dat de verklaring van afstand geen rechtsgevolg heeft, kan betrokkene betwisten in een gerechtelijke procedure, voorzien in [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17).
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
**Minderjarige tussen de 12 tot 16 jaar is niet gehoord**
Ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) dient een minderjarige van twaalf jaar en ouder gehoord te worden, om zo zijn bedenkingen over het verlies van de Nederlandse nationaliteit kenbaar te kunnen maken. Zolang de minderjarige niet is gehoord, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet op.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
### 20-alg. Toelichting algemeen
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7) en [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
Geen.
Geen verlies treedt in indien:
### 16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
Geen.
### 16a-alg. Toelichting algemeen
### 21-alg. Toelichting algemeen
### 16a-alg. Toelichting algemeen
### 17-alg. Toelichting algemeen
C verkrijgt bij zijn geboorte naast de Turkse ook de Nederlandse nationaliteit, aangezien is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
### Artikel 18
Door de verklaring van afstand verliest C het Nederlanderschap. Geen van de onderdelen van [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) verhindert het intreden van het verlies. Met name belet [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) het verlies niet, daar is immers vermeld dat de uitzondering om niet het Nederlanderschap te verliezen niet geldt in geval van het afleggen van een verklaring van afstand.
Geen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
### Artikel 21
### paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
### 16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
Het verlies van het Nederlanderschap treedt in als aan de wettelijke voorwaarden uit [artikel 16, eerste en tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) wordt voldaan. Het verlies gebeurt van rechtswege door het ondertekenen van de verklaring van afstand door de zestien of zeventien jarige of de wettelijk vertegenwoordiger van een jonger kind.
### Artikel 17
**Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige, is niet gehoord**
In 2004 is in Rotterdam kind C geboren uit het huwelijk van A en B. Moeder en vader zijn van Turkse nationaliteit. Ten tijde van de geboorte van C wonen A en B in Rotterdam. A is zelf geboren in Dordrecht uit ouders die daar toentertijd hoofdverblijf hadden.
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
In 2005 legt A, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, namens C een verklaring van afstand af als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16).
### 17-alg. Toelichting algemeen
### 18-alg. Toelichting algemeen
Zes jaren na de geboorte van A verkrijgen de ouders door naturalisatie de Australische nationaliteit. A deelt daar niet in, omdat hij al Australiër is. Desondanks verliest hij het Nederlanderschap, aangezien hij reeds de nationaliteit bezit die zijn ouders op hun verzoek hebben verkregen.
### Artikel 19
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien zijn vader of moeder het Nederlanderschap verliest ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, c of d, of ingevolge artikel 15A.**
De minderjarige verliest het Nederlanderschap indien zijn vader of moeder die nationaliteit verliest door:
Ook hier geldt dat geen verlies van het Nederlanderschap zal intreden indien het kind behoort tot een van de categorieën van [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) dan wel indien het staatloos zou worden (artikel 14, achtste lid, RWN).
A is geboren uit de ongehuwde vrouw B, die weliswaar een nationaliteit bezit, maar die nationaliteit niet aan A heeft doorgegeven. A is dus staatloos.
B wordt genaturaliseerd tot Nederlander, waarin A deelt. B verliest door de naturalisatie niet haar oorspronkelijke nationaliteit. Tijdens de minderjarigheid van A doet B afstand van het Nederlanderschap.
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
In 2005 wordt in Nederland kind B geboren uit de in Australië geboren ongehuwde vrouw A. A is van Nederlandse en Australische nationaliteit. B verkrijgt bij zijn geboorte uitsluitend de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft nimmer de Australische nationaliteit verkregen, omdat zijn geboorte niet is geregistreerd bij een Australisch Consulaat.
### 23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook B, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, zijn Nederlanderschap moeten verliezen (waar B al die jaren hoofdverblijf heeft gehad speelt hierbij geen enkele rol).
### 20-alg. Toelichting algemeen
Na de naturalisatie van A tot Nederlander wordt zijn zoon B geboren. Zowel A als B zijn in Nederland geboren. B ontleent het Nederlanderschap zowel aan [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) als aan artikel 3, derde lid, RWN.
### Artikel 21
### 21-alg. Toelichting algemeen
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
In 2001 wordt vader A genaturaliseerd tot Nederlander. A behoudt daarbij de Marokkaanse nationaliteit. Kind C deelt in de naturalisatie. Moeder B wordt niet genaturaliseerd. Vader en kind bezitten na naturalisatie de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.
### 21-alg. Toelichting algemeen
A verliest in 2008 zijn Nederlanderschap door de vrijwillige verkrijging van de Deense nationaliteit op grond van de rechtstreekse werking van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg (zie hiervoor de toelichting onder artikel 15A RWN).
Voor A geldt derhalve dat hij in 2008 zijn Nederlanderschap verliest op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn
### 16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
Ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) wordt ook de ouder die niet de wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt, op zijn verzoek, gehoord om zo zijn bedenkingen tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken. Zolang de andere ouder, ondanks zijn verzoek, niet is gehoord, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet op.
Een Nederlands echtpaar emigreert naar Australië, waar kind A wordt geboren. A verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap, maar daarnaast ook de Australische nationaliteit door geboorte op het grondgebied van Australië.
De uitzonderingen, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN zijn op A niet van toepassing.
### 16-1-d. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
### 19-alg. Toelichting algemeen
### 19-alg. Toelichting algemeen
Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook A, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, ingevolge artikel 14, achtste lid, RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien A, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest hij zijn Nederlanderschap niet.
Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook B zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, voor B geldt de uitzonderingscategorie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN. Hij ontleent het Nederlanderschap immers tevens aan artikel 3 derde lid, RWN. Voor B gaat het Nederlanderschap dan ook niet verloren.
Het echtpaar A en B, beiden geboren in Marokko in 1965, woont sedert 1995 in Nederland. In 2000 wordt in Marokko uit het huwelijk C geboren. Alle leden van het gezin zijn van Marokkaanse nationaliteit.
### Artikel 29
A vestigt zich na zijn naturalisatie tot Nederlander in Denemarken. In 2002 wordt zijn huwelijk met B door echtscheiding ontbonden en trouwt hij in Denemarken met een Deense vrouw. Als hij zes jaren in Denemarken woont, wordt hij daar genaturaliseerd (in 2008). Zijn minderjarig kind C, die in Nederland bij B verblijft, verkrijgt niet de Deense nationaliteit. B bezit op het moment dat A de Deense nationaliteit verkrijgt nog steeds uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit en kind C heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit.
### Artikel 24
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
Ook C verliest in 2008 zijn Nederlanderschap. Voor C gaat het Nederlanderschap in 2008 verloren op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Dit omdat zijn vader het Nederlanderschap heeft verloren ingevolge één van de verdragen genoemd in artikel 15A RWN. Het verlies van het Nederlanderschap wordt niet belet door artikel 14, zesde lid (vanaf 1 maart 2017 is dit het achtste lid), RWN aangezien C niet staatloos wordt (C bezit nog de Marokkaanse nationaliteit). C valt niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN die verlies van het Nederlanderschap beletten.
### 16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
A is in Nederland geboren uit het huwelijk van de Nederlandse man B en de in Frankrijk geboren Britse vrouw C.
### 22-2. Toelichting ad [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22)
Enkele maanden na zijn geboorte wordt A op verzoek van zijn ouders geregistreerd tot Brits burger. Ten aanzien van hem moet dus worden gesteld dat hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkregen heeft als zijn moeder, hetgeen ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN zou moeten leiden tot verlies van zijn Nederlanderschap.
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
Een eventueel toekomstig verlies van het Nederlanderschap door B leidt voor A niet tot verlies van het Nederlanderschap. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN is, wat dat betreft, anders geredigeerd dan [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16).
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21)
### II RRWN-alg. Toelichting algemeen
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21)
**De verklaring van verbondenheid, bedoeld in artikel 6, tweede lid, artikel 8, eerste lid onder e en artikel 11, vierde en vijfde lid, wordt afgelegd met de volgende woorden: Ik zweer (verklaar) dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer (beloof) de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen. Degene die de verklaring aflegt voegt daar ter bevestiging aan toe: Zo waarlijk helpe mij God almachtig, of: Dat verklaar en beloof ik.**
De verklaring van verbondenheid wordt in de regel in persoon op een naturalisatieceremonie, mondeling en zonder uitzondering in het Nederlands afgelegd.
De verklaring van verbondenheid wordt bevestigd met de woorden ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’.
Wanneer betrokkene ervoor kiest de verklaring van verbondenheid te bevestigen met de eerste mogelijkheid, betreft de verklaring van verbondenheid de volgende woorden: ‘Ik zweer dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging : ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’.
### 16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
De keuze voor de eerste of tweede variant van de bevestiging van de verklaring van verbondenheid, ligt bij betrokkene. De tekst van de verklaring van verbondenheid als die van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan **niet** worden afgeweken.
### 26-1. Toelichting ad [artikel 26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
Geen.
### 16a-alg. Toelichting algemeen
De in [artikel 23, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23) bedoelde algemene maatregel van bestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BVVN, van 15 april 2002, **Stb.** 2002, 231, gewijzigd bij **Stb**. 2009, 2).
### 23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
### V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
### 17-alg. Toelichting algemeen
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
### Artikel 18
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
Geen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 1. Algemeen
### 16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
### Artikel 23
Enkele maanden na de geboorte van B emigreren hij en zijn moeder naar Australië. Na tien jaren hoofdverblijf in Australië verliest A haar Nederlanderschap ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (aan haar is in die tien jaren geen Nederlands reisdocument of bewijs van Nederlanderschap afgegeven).
Echter, ingevolge het toen geldende artikel 14, zesde lid (vanaf 1 maart 2017 is dit het achtste lid), RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien B, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest hij zijn Nederlanderschap niet.
A heeft immers – op zijn verzoek – door naturalisatie de nationaliteit verkregen van een staat die op het moment van verkrijging (2008) partij is bij het Verdrag van Straatsburg, en die geen partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag.
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
Geen.
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
A verkrijgt bij zijn geboorte het Nederlanderschap uitsluitend op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3). Het Brits burgerschap verkrijgt hij niet bij zijn geboorte, aangezien zijn moeder Brits burger door afstamming is.
### 29-alg. Toelichting algemeen
Echter, in dit geval wordt verlies van het Nederlanderschap voorkomen door [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16). De vader van A is Nederlander.
### 16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
### 16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
### 16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
Wanneer betrokkene ervoor kiest de andere (neutrale) verklaring van verbondenheid te bevestigen met de tweede mogelijkheid, betreft de verklaring van verbondenheid de volgende woorden:‘ Ik verklaar dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en beloof de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging : ‘Dat verklaar en beloof ik’.
### Artikel 16a
Geen.
### 23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
**De gevallen waarin het afleggen van de verklaring, in afwijking van artikel 6, tweede lid, 6 achtste lid, 8, eerste lid onder e, 11, vierde lid, 11 vijfde lid onder b, 26, derde lid en 28, derde lid, niet gevraagd zal worden of redelijkerwijs niet gevraagd kan worden en de wijze waarop deze verklaring kan worden afgelegd, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.**
### Artikel 17
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
Geen.
Voorts is opgenomen dat de bevoegde autoriteit kan bepalen dat de betrokkene de verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt, indien van hem redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij deze mondeling aflegt ([artikel 60a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit geldt in elk geval voor de gevallen die in het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) reeds zijn onderkend als de gevallen waarin niet kan worden verlangd dat men de ceremonie bijwoont ([artikel 60a, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, negende lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Maar ook kan het gaan om gevallen waarin de persoon in kwestie wel in staat is om de ceremonie bij te wonen, maar niet in staat is om de verklaring uit te spreken. Dan kan de verklaring van verbondenheid schriftelijk worden afgelegd, door het ondertekenen van de tekst van de verklaring (model 4.1 of model 4.2).
In het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) is opgenomen dat de degene aan wie de bevestiging van verkrijging van het Nederlanderschap of het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap in persoon wordt uitgereikt, de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt op een door de bevoegde autoriteiten te bepalen wijze ([artikel 60a, vierde, lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)) .
### 26-3. Toelichting ad [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
Geen.
### 24-alg. Toelichting algemeen
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### Artikel VII RRWN
Geen.
### 19-alg. Toelichting algemeen
### VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### Artikel 20
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### Artikel 28
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [6.2 t/m 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
In [hoofdstuk 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6) is de vaststelling van het Nederlanderschap geregeld. Die vaststelling kan als volgt geschieden. Wanneer alleen de vaststelling van de nationaliteit aan de orde is, dan is in Nederland uitsluitend bevoegd de Rechtbank ’s-Gravenhage, en in Curaçao en Sint Maarten of Aruba het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Is echter reeds elders een zaak aanhangig bij een rechterlijke instantie of in een administratief beroep, waarbij mede van belang is dat het al of niet bezitten van het Nederlanderschap wordt vastgesteld, dan is een procedure voor de Haagse rechtbank of het gemeenschappelijk Hof van Justitie niet mogelijk. Iemand kan dus niet ‘twee ijzers in het vuur hebben’.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
### Artikel 20
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
Het besluit waarbij aan A het Nederlanderschap werd verleend, wordt op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN ingetrokken, aangezien hij heeft nagelaten na zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.
### Artikel 22
### 22-2. Toelichting ad [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22)
Onze Ministers van Justitie van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten houden een openbaar register van de in het eerste lid bedoelde akten welke betrekking hebben op personen die in hun land woonachtig zijn.
### 16-2-alg. Toelichting algemeen
Met het begrip ‘ouder’ in [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) is ook bedoeld de adoptiefouder, mits de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken, alsmede de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
### 27-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 21
### 26-alg. Toelichting algemeen
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=7); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=13); [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=19); [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=25); [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33); [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=39); [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=45); [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=51) en [63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)
### 26-1. Toelichting ad [artikel 26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
Alleen personen die tijdens hun meerderjarigheid, dus op of na hun achttiende jaar (of als het verlies vóór 1 januari 1985 is ingetreden, op of na hun 21ste jaar), of indien zij voordien gehuwd zijn of indien zij een in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), de Nederlandse nationaliteit hebben verloren, vallen onder deze bepaling. Het moet bovendien gaan om:
De in [artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) bedoelde algemene maatregel van rijksbestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BVVN, van 15 april 2002, Stb. 2002, 231)
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### Artikel 15
### 16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
### 18-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 19
### 24-alg. Toelichting algemeen
De Nederlandse vrouw A, emigreert in 1970 samen met haar Nederlandse echtgenoot naar Canada. Haar echtgenoot krijgt in 1977 de Canadese nationaliteit door naturalisatie. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Zelf verkrijgt A de Canadese nationaliteit in 1980 door naturalisatie en verliest daardoor op grond van hetzelfde artikel het Nederlanderschap. Deze vrouw kan, mits tegen haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 hoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). Haar man heeft de Canadese nationaliteit op het moment dat zij de Canadese nationaliteit verkrijgt. Ervan uitgaande dat haar man voor zijn komst naar Canada altijd in Nederland heeft gewoond, moet hij wel ten minste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben om de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie te verkrijgen. Hij voldoet immers niet aan artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, RWN.
### 25-alg. Toelichting algemeen
Geen.
### 20-alg. Toelichting algemeen
Geen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Geen.
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
Geen.
### 21-alg. Toelichting algemeen
[Hoofdstuk I van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=I) bevat algemene bepalingen, [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II) handelt over de administratieve behandeling van optieverklaringen, [hoofdstuk III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=III) over de administratieve behandeling van verzoeken om naturalisatie (inclusief de administratieve handelingen inzake de afstandsverplichting), [hoofdstuk IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=IV) over het bewijs van Nederlanderschap, [hoofdstuk V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=V) over verlies van het Nederlanderschap door afstand en intrekking wegens fraude en het niet nakomen van de afstandsverplichting en [hoofdstuk VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=VI) bevat overgangs- en slotbepalingen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7) en [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
Op grond van [artikel 2 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2) en [artikel 63 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63) zijn de volgende autoriteiten bevoegd tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen, verzoeken om naturalisatie en verklaringen van afstand van het Nederlanderschap:
In de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=7), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=13), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=19), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=25), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=39), [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=45) en [51 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=51) wordt nader geregeld van welke personen deze autoriteiten optieverklaringen c.q. verzoeken om naturalisatie in ontvangst mogen nemen. Daarentegen zijn alle genoemde autoriteiten bevoegd om afstandsverklaringen van ongeacht welke persoon in ontvangst te nemen.
Ingevolge deze bepaling kunnen oud-Nederlanders die voldoen aan de voorwaarden van [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) tot en met 31 maart 2013 een beroep doen op het onderhavige artikel.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14); [15.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### 26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). In aanvulling daarop geldt het volgende. De persoon die een beroep doet op deze bepaling, zal zelf moeten aantonen wanneer en op grond van welk artikel hij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. In een aantal gevallen zal dit al blijken uit een vermelding in de BRP. In dat geval is geen aanvullend bewijs nodig. Is de verliesgrond echter niet vermeld, dan zal de vrouw die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren als gevolg van het door haar voor 1 maart 1964 gesloten huwelijk bijvoorbeeld een uittreksel uit het huwelijksregister kunnen tonen. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen. Verlies op grond van artikel 7, aanhef ten eerste of ten derde, WNI of [artikel 15, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan worden aangetoond door het overleggen van het naturalisatiebesluit, een bij de naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit een naturalisatie c.q. optieregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het vreemde nationaliteitsrecht. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het om de griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. De optant moet daarover zelf inlichtingen inwinnen, bijvoorbeeld bij de vertegenwoordiging van zijn land in Nederland en moet – als de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aantonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van dat land in Nederland bevoegd zijn om een verklaring af te geven. Deze verklaring moet, als nodig, gelegaliseerd en vertaald worden. De burgemeester zal vervolgens aan de hand van het (destijds geldende) vreemde recht en het (destijds geldende) Nederlandse nationaliteitsrecht moeten bepalen of sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit en zo ja, op grond van welk artikel in de WNI of de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
Onze Ministers van Justitie van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten houden een openbaar register van de in het eerste lid bedoelde akten welke betrekking hebben op personen die in hun land woonachtig zijn.
### 29-alg. Toelichting algemeen
Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben eveneens een openbaar register, waarin ten aanzien van de aldaar wonende personen dezelfde gegevens worden bijgehouden als die genoemd in [artikel 22, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22). De in deze bepaling bedoelde registers zijn dus zowel in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als bij de IND in Rijswijk, Europees Nederland aanwezig. Voor wat betreft de in voornoemde landen uitgebrachte optieverklaringen volgt dit ook uit [artikel 18, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=18) en [artikel 24, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=24).
Een Nederlandse vrouw C trouwt in 1962 met een Italiaanse man. Zij verkrijgt als gevolg van haar huwelijk automatisch de Italiaanse nationaliteit. Zij verliest van rechtswege de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) WNI. Deze vrouw kan, mits tegen haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 hoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26).
### Artikel 22B
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3)
### Artikel 23
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21)
### Artikel III RRWN
Geen.
WNI: artikel 2.a
### Artikel 28
De verklaring van verbondenheid wordt in de regel in persoon op een naturalisatieceremonie, mondeling en zonder uitzondering in het Nederlands afgelegd.
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
Wanneer betrokkene ervoor kiest de verklaring van verbondenheid te bevestigen met de eerste mogelijkheid, betreft de verklaring van verbondenheid de volgende woorden: ‘Ik zweer dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging : ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’.
### Artikel IV RRWN
De keuze voor de eerste of tweede variant van de bevestiging van de verklaring van verbondenheid, ligt bij betrokkene. De tekst van de verklaring van verbondenheid als die van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan **niet** worden afgeweken.
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=133); [1:163.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=163); [1:253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha) en [1:183.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=183)
### Artikel V RRWN
De in [artikel 23, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23) bedoelde algemene maatregel van bestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BVVN, van 15 april 2002, **Stb.** 2002, 231, gewijzigd bij **Stb**. 2009, 2).
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
In het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) is opgenomen dat de degene aan wie de bevestiging van verkrijging van het Nederlanderschap of het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap in persoon wordt uitgereikt, de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt op een door de bevoegde autoriteiten te bepalen wijze ([artikel 60a, vierde, lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)) .
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
Ten slotte is in het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) opgenomen dat indien betrokkene vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is om de verklaring van verbondenheid op de voorgeschreven wijze af te leggen, de bevestiging van verkrijging van het Nederlanderschap of het uittreksel van verlening van het Nederlanderschap bekend wordt gemaakt zonder dat de verklaring is afgelegd ([artikel 60a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Het gaat hier om zeer bijzondere omstandigheden, gelegen in de fysieke of psychische omstandigheden van deze persoon.59Zie ook toelichting bij artikel 6, artikel 7, artikel 8, eerste lid, onder e, RWN.
### Artikel 24
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6)
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
Geen.
RvvN: [artikel 14.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=14)
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
Geen.
### Artikel VI RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Op grond van [artikel 14, derde lid Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=14) (RvvN) worden de tijdvakken van toelating in de Nederlandse Antillen, gelegen voor de inwerkingtreding van de [Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028128), in aanmerking genomen als ware het toelating in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
### Artikel II RRWN
Geen.
### 26-alg. Toelichting algemeen
### VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### 26-1. Toelichting ad [artikel 26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
**Het vereiste van toelating en hoofdverblijf, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder f, is niet van toepassing op de vreemdeling die nadat hij meerderjarig is geworden het Nederlanderschap heeft verloren als gevolg van verkrijging van een andere nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) zoals dit luidde tot 1 maart 1964, en artikel 7, aanhef en ten eerste of ten derde, van de Wet van 12 december 1892,** **Stb. 268** **, op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, dan wel dit heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, indien de persoon:**
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
[Artikel 26, eerste lid aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) moet als volgt worden gelezen:
Alleen personen die tijdens hun meerderjarigheid, dus op of na hun achttiende jaar (of als het verlies vóór 1 januari 1985 is ingetreden, op of na hun 21ste jaar), of indien zij voordien gehuwd zijn of indien zij een in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), de Nederlandse nationaliteit hebben verloren, vallen onder deze bepaling. Het moet bovendien gaan om:
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
alsook: **Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
@@ -11159,433 +11707,3 @@
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 20-alg. Toelichting algemeen
### 26-3. Toelichting ad [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12); [18.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=18); [24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=24); [30.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30) en [64.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)
Geen.
Een kind dat ten tijde van het afleggen van de optieverklaring zestien jaar of ouder is, deelt alleen in de verkrijging als het daarmee uitdrukkelijk instemt en zich bereid heeft verklaart bij de verkrijging van het Nederlanderschap de verklaring van verbondenheid af te leggen. De instemming van het kind moet blijken uit [model 1.9 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-01-01&g=2017-01-01). De bereidheid van de medeoptanten van zestien of zeventien jaar tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt met het formulier ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 1.36 HRWN) vastgelegd op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Als blijkt dat tegen hem ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, wordt de bevestiging ten aanzien van het kind geweigerd.
Ten aanzien van personen woonachtig in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba berusten de optieregisters bij:
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
### Artikel 22A
Geen.
### 27-alg. Toelichting algemeen
Geen.
### 23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
**De verklaring van verbondenheid, bedoeld in artikel 6, tweede lid, artikel 8, eerste lid onder e en artikel 11, vierde en vijfde lid, wordt afgelegd met de volgende woorden: Ik zweer (verklaar) dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer (beloof) de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen. Degene die de verklaring aflegt voegt daar ter bevestiging aan toe: Zo waarlijk helpe mij God almachtig, of: Dat verklaar en beloof ik.**
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
De verklaring van verbondenheid wordt bevestigd met de woorden ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’.
### Artikel 28
Wanneer betrokkene ervoor kiest de andere (neutrale) verklaring van verbondenheid te bevestigen met de tweede mogelijkheid, betreft de verklaring van verbondenheid de volgende woorden:‘ Ik verklaar dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en beloof de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging : ‘Dat verklaar en beloof ik’.
### Artikel 29
### 24-alg. Toelichting algemeen
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
Geen.
De invoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap op 1 januari 1985 heeft geen verandering gebracht in de nationaliteitsrechtelijke positie van personen die het Nederlanderschap hebben verkregen op grond van eerder geldende wettelijke regelingen. Met andere woorden, personen die onmiddellijk vóór 1 januari 1985 Nederlander waren, zijn dat op 1 januari 1985 gebleven. Het onderhavige artikel bepaalt dat deze personen Nederlander zijn in de zin van de RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [15A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) WNI: artikelen 5 (oud); 7.1 en 7.3
Dit artikel heeft tot doel oud-Nederlanders die op grond van oude nationaliteitswetgeving de Nederlandse nationaliteit hebben verloren en die behoren tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, gedurende een overgangstermijn van tien jaar na inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) op 1 april 2003 in de gelegenheid te stellen de Nederlandse nationaliteit op eenvoudiger wijze te herkrijgen. De personen waar het hier om gaat, wonen in het algemeen buiten het Koninkrijk. De in [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) genoemde voorwaarde, dat een optant gedurende een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk moet hebben, wordt daarom niet gesteld. Alle overige bij optie gestelde voorwaarden en vormvereisten zijn wél van toepassing.
### Artikel IV RRWN
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
[Artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) geldt niet voor personen die uitsluitend de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander hebben bezeten.
### 26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
Ingevolge deze bepaling kunnen oud-Nederlanders die voldoen aan de voorwaarden van [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) tot en met 31 maart 2013 een beroep doen op het onderhavige artikel.
Ingevolge [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de verliestermijn van tien jaren uit [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dit betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal verlies van het Nederlanderschap kan intreden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
De Nederlandse vrouw A, emigreert in 1970 samen met haar Nederlandse echtgenoot naar Canada. Haar echtgenoot krijgt in 1977 de Canadese nationaliteit door naturalisatie. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Zelf verkrijgt A de Canadese nationaliteit in 1980 door naturalisatie en verliest daardoor op grond van hetzelfde artikel het Nederlanderschap. Deze vrouw kan, mits tegen haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 hoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). Haar man heeft de Canadese nationaliteit op het moment dat zij de Canadese nationaliteit verkrijgt. Ervan uitgaande dat haar man voor zijn komst naar Canada altijd in Nederland heeft gewoond, moet hij wel ten minste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben om de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie te verkrijgen. Hij voldoet immers niet aan artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, RWN.
Indien de bevoegde autoriteit heeft bepaald dat de verklaring van verbondenheid schriftelijk kan worden afgelegd (zie [artikel 23, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23)), wordt de schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. Voor het schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn twee modellen ontwikkeld. In model 4.1 is de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ en in model 4.2 de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met ‘Dat verklaar en beloof ik’. De schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid wordt door de burgemeester in het bij de gemeente aanwezige optiedossier of naturalisatiedossier gevoegd.
**De gevallen waarin het afleggen van de verklaring, in afwijking van artikel 6, tweede lid, 6 achtste lid, 8, eerste lid onder e, 11, vierde lid, 11 vijfde lid onder b, 26, derde lid en 28, derde lid, niet gevraagd zal worden of redelijkerwijs niet gevraagd kan worden en de wijze waarop deze verklaring kan worden afgelegd, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.**
Voorts is opgenomen dat de bevoegde autoriteit kan bepalen dat de betrokkene de verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt, indien van hem redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij deze mondeling aflegt ([artikel 60a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit geldt in elk geval voor de gevallen die in het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) reeds zijn onderkend als de gevallen waarin niet kan worden verlangd dat men de ceremonie bijwoont ([artikel 60a, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, negende lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Maar ook kan het gaan om gevallen waarin de persoon in kwestie wel in staat is om de ceremonie bij te wonen, maar niet in staat is om de verklaring uit te spreken. Dan kan de verklaring van verbondenheid schriftelijk worden afgelegd, door het ondertekenen van de tekst van de verklaring (model 4.1 of model 4.2).
Geeft de betreffende nationaliteitswetgeving daaromtrent geen uitsluitsel of blijkt uit die nationaliteitswetgeving dat de vrouw door het huwelijk niet van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen, dan dient de verkrijging van die andere nationaliteit te worden aangetoond door bijvoorbeeld een naturalisatiebesluit, een bij naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit het nationaliteitenregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en de juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het nationaliteitsrecht. Uit die gegevens kan (mede) worden afgeleid of het Nederlanderschap is verloren door of in verband met het huwelijk. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het bijvoorbeeld om een griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen bij bijvoorbeeld de vertegenwoordiging van haar land in Nederland en dient – indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van haar land in Nederland bevoegd zijn om de verklaring af te geven. Deze verklaring dient, indien nodig, te worden gelegaliseerd en vertaald. De circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen, alsmede de toepassing van DNA-onderzoek in een aantal gevallen waarin bewijsstukken ontbreken van 15 mei 2006 is van toepassing.
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
### Artikel 25
### 25-alg. Toelichting algemeen
Let op! Voor 1 januari 1985 was de WNI van toepassing. Bij de beoordeling of iemand voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad moet op grond van het op dat moment geldende Nederlandse Burgerlijk Wetboek onderscheid gemaakt worden tussen het begrip meerderjarig tot 1 januari 1985 (21 jaar) en vanaf 1 januari 1985 (18 jaar).
### 14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN
Daarnaast moet ook worden voldaan aan één van de onder a, b of c genoemde voorwaarden:
### Artikel IV RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
### Artikel V RRWN
Een op het moment van de bevestiging van de optie minderjarig kind van de in [artikel 26, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) bedoelde persoon hoeft evenmin in het Koninkrijk te wonen om in de optie te kunnen delen. Hetzelfde geldt voor het kind van dit kind. Alleen als het kind in de optieverklaring van de ouder wordt genoemd, deelt het in de verkrijging van het Nederlanderschap.
### V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). In aanvulling daarop geldt het volgende. De persoon die een beroep doet op deze bepaling, zal zelf moeten aantonen wanneer en op grond van welk artikel hij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. In een aantal gevallen zal dit al blijken uit een vermelding in de BRP. In dat geval is geen aanvullend bewijs nodig. Is de verliesgrond echter niet vermeld, dan zal de vrouw die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren als gevolg van het door haar voor 1 maart 1964 gesloten huwelijk bijvoorbeeld een uittreksel uit het huwelijksregister kunnen tonen. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen. Verlies op grond van artikel 7, aanhef ten eerste of ten derde, WNI of [artikel 15, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan worden aangetoond door het overleggen van het naturalisatiebesluit, een bij de naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit een naturalisatie c.q. optieregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het vreemde nationaliteitsrecht. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het om de griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. De optant moet daarover zelf inlichtingen inwinnen, bijvoorbeeld bij de vertegenwoordiging van zijn land in Nederland en moet – als de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aantonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van dat land in Nederland bevoegd zijn om een verklaring af te geven. Deze verklaring moet, als nodig, gelegaliseerd en vertaald worden. De burgemeester zal vervolgens aan de hand van het (destijds geldende) vreemde recht en het (destijds geldende) Nederlandse nationaliteitsrecht moeten bepalen of sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit en zo ja, op grond van welk artikel in de WNI of de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
De Nederlandse vrouw A, emigreert in 1970 samen met haar Nederlandse echtgenoot naar Canada. Haar echtgenoot krijgt in 1977 de Canadese nationaliteit door naturalisatie. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Zelf verkrijgt A de Canadese nationaliteit in 1980 door naturalisatie en verliest daardoor op grond van hetzelfde artikel het Nederlanderschap. Deze vrouw kan, mits tegen haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 hoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). Haar man heeft de Canadese nationaliteit op het moment dat zij de Canadese nationaliteit verkrijgt. Ervan uitgaande dat haar man voor zijn komst naar Canada altijd in Nederland heeft gewoond, moet hij wel ten minste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben om de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie te verkrijgen. Hij voldoet immers niet aan artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, RWN.
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
Een Nederlandse vrouw C trouwt in 1962 met een Italiaanse man. Zij verkrijgt als gevolg van haar huwelijk automatisch de Italiaanse nationaliteit. Zij verliest van rechtswege de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) WNI. Deze vrouw kan, mits tegen haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 hoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26).
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3)
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
Bij de tot 1 januari 2005 geldende redactie van [artikel 27, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=27), viel strikt genomen het kind dat werd geboren op 1 april 2003 niet onder de werking van artikel 27, tweede lid RWN, dat op die dag in werking was getreden. Pas een kind geboren op 2 april 2003 (of daarna) viel onder de redactie van het op 1 april 2003 gewijzigde artikel. Dit is nimmer de bedoeling geweest, en met de wetswijziging is dit rechtgezet.
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### Artikel 28
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [6.2 t/m 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [6.1 t/m 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)
### VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
### Paragraaf 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) (1 april 2003)
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
### paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
De verkrijging van het Nederlanderschap werkt ook terug voor de in de optieverklaring vermelde kinderen van de vrouw die delen in de verkrijging. Kinderen geboren vóór de datum van ontbinding van het huwelijk delen op grond van [artikel 28, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) in de verkrijging door de moeder. Bij deze kinderen werkt de verkrijging – net als bij de moeder – terug tot op de datum van de ontbinding van het huwelijk. Daarnaast delen deze kinderen alleen, indien zij tot dat doel in de optieverklaring en in de daarop volgende bevestiging zijn vermeld.
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2). In aanvulling daarop geldt het volgende. De vrouw die een beroep doet op de onderhavige bepaling, dient zelf aan te tonen dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren door of in verband met het huwelijk. Tevens zal zij moeten aantonen dat het huwelijk is ontbonden en op welk moment dat is gebeurd. In dit verband kan zij een recent uittreksel uit een huwelijksregister overleggen; een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waaruit blijkt dat het huwelijk is ontbonden, dan wel – bij ontbinding door overlijden – een overlijdensakte van haar echtgenoot. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
### Artikel 21
### 26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
### 23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
### 23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
In [artikel 60a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) is de wijze van afleggen van de verklaring van verbondenheid vastgesteld. Daarnaast is in voornoemde artikelen bepaald de gevallen waarin het afleggen van de verklaring niet wordt gevraagd of om redenen van redelijkheid niet gevraagd kan worden.
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
### Artikel 26
### Artikel III RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4); [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5); [14.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
De oud-Nederlander die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op een andere grond kan geen beroep doen op dit artikel. Zo kan degene die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van de TOI, de TOS of op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg geen beroep doen op dit artikel. Bij het verlies op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg gaat het om oud-Nederlanders die na 9 juni 1985 vrijwillig de nationaliteit hebben verkregen van Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk of na 18 juni 1991 van België. Op grond van [artikel 15A, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) is er echter geen sprake van verlies op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg als de oud-Nederlander vrijwillig de Franse of Italiaanse nationaliteit heeft verkregen terwijl hij behoorde tot de doelgroep van het Tweede Protocol.
### 26-3. Toelichting ad [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
**Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de vader of moeder, die de vreemdeling is bedoeld in het eerste lid, deelt in diens verkrijging van het Nederlanderschap, indien hij in de verklaring tot dat doel is vermeld. Kinderen van een kind dat in de verkrijging deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verkrijging. Een kind dat ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, deelt in de verkrijging indien het daarmee uitdrukkelijk instemt, de in het tweede lid van artikel 6 bedoelde bereidverklaring daadwerkelijk aflegt en jegens hem geen vermoedens bestaan als bedoeld in het vierde lid dat artikel. Het besluit tot bevestiging wordt niet bekend gemaakt dat nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Artikel 11, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.**
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
Een kind dat ten tijde van het afleggen van de optieverklaring zestien jaar of ouder is, deelt alleen in de verkrijging als het daarmee uitdrukkelijk instemt en zich bereid heeft verklaart bij de verkrijging van het Nederlanderschap de verklaring van verbondenheid af te leggen. De instemming van het kind moet blijken uit [model 1.9 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2017-03-01&g=2017-03-01). De bereidheid van de medeoptanten van zestien of zeventien jaar tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt met het formulier ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 1.36 HRWN) vastgelegd op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Als blijkt dat tegen hem ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, wordt de bevestiging ten aanzien van het kind geweigerd.
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
Voor de administratieve afhandeling geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
De Nederlandse jongen B verhuist in 1950 op zesjarige leeftijd met zijn Nederlandse ouders naar de Verenigde Staten van Amerika. Op veertienjarige leeftijd verkrijgt hij de Amerikaanse nationaliteit door medenaturalisatie met zijn vader. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Deze oud-Nederlander valt niet onder overgangsbepaling [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). Weliswaar heeft hij de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI en heeft hij voor zijn achttiende jaar vijf jaar onafgebroken in de Verenigde Staten van Amerika gewoond, maar hij heeft de Nederlandse nationaliteit verloren toen hij minderjarig was.
### Artikel VI RRWN
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voornoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=7)[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 34.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34); [36.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [73.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)
### VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### Paragraaf 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) (1 april 2003)
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=133); [1:163.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=163); [1:253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha) en [1:183.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=183)
Geen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
alsook: **Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Artikel 22
### 22-2. Toelichting ad [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22)
### Artikel 22C
### Artikel 27
### 27-alg. Toelichting algemeen
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VI)
WNI: artikel 5, zoals dat luidde vóór 1 maart 1964
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
De verkrijging van het Nederlanderschap op grond van het onderhavige artikel werkt terug tot de datum waarop het huwelijk is ontbonden. Dit is een uitzondering op het in [artikel 2, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) geformuleerde beginsel dat verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. Volgens Nederlands recht wordt het huwelijk onder meer ontbonden door de dood, door echtscheiding en door ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed ([artikel 1:149 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=149)). De echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed komt tot stand op het moment dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ([artikel 1:163, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=163) en [artikel 1:183, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=183)). In andere rechtsstelsels geldt veelal dat het huwelijk is beëindigd op een moment dat een rechterlijke uitspraak waarbij het huwelijk is ontbonden in kracht van gewijsde is gegaan.
Geeft de betreffende nationaliteitswetgeving daaromtrent geen uitsluitsel of blijkt uit die nationaliteitswetgeving dat de vrouw door het huwelijk niet van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen, dan dient de verkrijging van die andere nationaliteit te worden aangetoond door bijvoorbeeld een naturalisatiebesluit, een bij naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit het nationaliteitenregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en de juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het nationaliteitsrecht. Uit die gegevens kan (mede) worden afgeleid of het Nederlanderschap is verloren door of in verband met het huwelijk. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het bijvoorbeeld om een griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen bij bijvoorbeeld de vertegenwoordiging van haar land in Nederland en dient – indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van haar land in Nederland bevoegd zijn om de verklaring af te geven. Deze verklaring dient, indien nodig, te worden gelegaliseerd en vertaald. De circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen, alsmede de toepassing van DNA-onderzoek in een aantal gevallen waarin bewijsstukken ontbreken van 15 mei 2006 is van toepassing.
Een Nederlandse vrouw is in 1963 gehuwd met een Belgische man. Op grond van de Belgische nationaliteitswetgeving heeft zij door dit huwelijk de Belgische nationaliteit verkregen. Op grond van artikel 5 WNI – zoals dat luidde tot 1 maart 1964 – heeft zij door dit huwelijk het Nederlanderschap verloren. Uit het huwelijk wordt in 1986 een kind geboren. De Belgische man is op 20 november 2002 overleden. Zij heeft op 14 oktober 2003 de optieverklaring afgelegd. In de verklaring heeft zij met het oog op medeverkrijging de naam van het kind vermeld. Op 1 december 2003 is de verklaring door de burgemeester bevestigd. Zij en het kind hebben het Nederlanderschap op 20 november 2002 verkregen.
Een Nederlandse vrouw is in 1965 gehuwd met een Belgische man. Zij heeft hierdoor de Belgische nationaliteit verkregen. Zij heeft door het huwelijk niet van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verloren (artikel 5 WNI (oud) is per 1 maart 1964 vervallen). Zij heeft in 1966 het Nederlanderschap verworpen teneinde eenheid van nationaliteit tussen haar en haar man te bewerkstelligen. In januari 2003 is in Nederland de echtscheiding uitgesproken en op 5 februari 2003 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw kan tot 5 februari 2004 een schriftelijke verklaring afleggen om het Nederlanderschap te herkrijgen. Als zij dat doet, verkrijgt zij het Nederlanderschap met ingang van 5 februari 2003.
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
### Artikel 29
RWN: [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
RvvN: [artikel 14.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=14)
### 29-alg. Toelichting algemeen
Op grond van dit artikel telt de periode van hoofdverblijf die vóór 10 oktober 2010 is doorgebracht in de toenmalige Nederlandse Antillen mee bij de vraag of wordt voldaan aan de vereiste termijn van hoofdverblijf in het land Curaçao, het land Sint Maarten, het land Aruba en in de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius.
Op grond van [artikel 14, derde lid Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=14) (RvvN) worden de tijdvakken van toelating in de Nederlandse Antillen, gelegen voor de inwerkingtreding van de [Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028128), in aanmerking genomen als ware het toelating in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
### Artikel II RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### II RRWN-alg. Toelichting algemeen
Indien vóór inwerkingtreding van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) (nieuw) de naturalisatie heeft plaatsgevonden, werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Aldus bepaalt [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II). Een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór 1 april 2003. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij tot 1 april 2003 wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, en na deze datum niet meer.
### Artikel III RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4); [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5); [14.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
WNI: artikel 2.a
### 14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van artikel 14, tweede lid, RWN. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder b, c en d van bedoeld tweede lid, waar is geregeld dat in bepaalde uitzonderingsgevallen geen verlies van het Nederlanderschap, als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) intreedt. De onder b, c en d genoemde uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in het tweede lid van artikel 16 RWN opgenomen.
### Artikel IV RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
Ingevolge [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de verliestermijn van tien jaren uit [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dit betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal verlies van het Nederlanderschap kan intreden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
### Artikel V RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
Aangezien de verliestermijn van het oude [artikel 15, onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) ingevolge [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) (oud) niet eerder kan zijn aangevangen dan op 1 januari 1985, heeft inmiddels sedert 1 januari 1995 een fors aantal personen het Nederlanderschap verloren als gevolg van tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan men tevens de nationaliteit bezit. [Artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) biedt wat dat betreft een reparatiemogelijkheid. Deze optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap eindigde op 31 maart 2005.
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
De optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap zoals neergelegd in [artikel V, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) eindigde op 31 maart 2005.
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
F, geboren in 1962 in Australië, heeft op 1 januari 1995 zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Aan hem is laatstelijk op 10 augustus 1992 een Nederlands paspoort afgegeven. Als gevolg van voormeld verlies heeft zijn zoon G, geboren in 1993, op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN eveneens op 1 januari 1995 het Nederlanderschap verloren. Zoon H, geboren in 1996, verkreeg bij geboorte niet het Nederlanderschap (geen van de ouders was toen Nederlander). F is in 1998 overleden. Hij bezat uitsluitend de Australische nationaliteit.
E, van Nederlandse en Australische nationaliteit, geboren in 1960 in Australië, woont sedert 10 februari 1987 in Australië. E is laatstelijk op 5 augustus 1991 in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 februari 1997 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit).
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt E geacht zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren, aangezien aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. Hebben minderjarige kinderen van E op grond van het oude [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) tegelijk met hem het Nederlanderschap verloren, dan worden ook die kinderen geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Of de kinderen inmiddels (na het aanvankelijke verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig zijn geworden speelt geen rol.
G, geboren op 10 januari 1967 in Zuid-Afrika, van Nederlandse en Zuid-Afrikaanse nationaliteit, woont sedert zijn geboorte in Zuid-Afrika. Op 15 maart 1994 wordt G in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 januari 1995 verliest G zijn Nederlanderschap op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers na zijn meerderjarigheid gedurende tien jaren in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit). Op 1 februari 1995 emigreert G naar Australië, waar hij op 20 december 2000 wordt genaturaliseerd tot Australiër.
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
G wordt dus door de werking van artikel V, tweede lid, RRWN weliswaar hersteld in zijn Nederlanderschap, doch slechts tot 20 december 2000, op welke datum voor hem de verliesbepaling van artikel 15, aanhef en onder a, RWN, van toepassing is geworden. Na inwerkingtreding van de overige bepalingen van de RRWN kan G het Nederlanderschap niet herkrijgen door optie ingevolge artikel V, eerste lid, RRWN, omdat hij geacht wordt zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN; hij heeft het verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
### Artikel VI RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voornoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.
### Artikel VII RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=7)[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 34.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34); [36.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [73.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)
### VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### Paragraaf 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) (1 april 2003)
Deze toelichting is vervallen in 2014.
### paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
alsook: **Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
2017-03-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 90
2017-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 1
2016-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2016-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 6
2016-04-22
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 515
2016-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 5, 13 y 19
2016-03-31
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 5, 13 y 13
2016-01-07
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 26 y 2
2016-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 13, 15 y 4
2015-10-27
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 2 y 49
2015-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 3, 3, 1 y 375
2015-04-17
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 1
2015-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 12 y 24
2015-01-22
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 8
2015-01-09
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 12 y 20
2015-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 9 y 76
2014-12-25
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 2
2014-11-22
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 12 y 29
2014-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 1
2014-09-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 15, 16 y
2014-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 8 y 603
2014-06-12
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 8 y 628
2014-04-04
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 8 y 719
2014-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 452
2014-01-06
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 405
2014-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 25
2013-09-25
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 128
2013-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 138
2013-06-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 164
2013-05-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 175
2013-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 345
2012-12-08
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 2004, 21, 3 y
2012-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 374
2012-08-11
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 3, 1, 1 y 322
2012-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 21, 1, 1 y 22
2012-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 345
2011-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 9 y 15
2010-11-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 9 y 11
2010-10-10
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 9 y 49
2010-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 1 y 360
2010-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 3, 1, 1 y 265
2010-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 12, 3, 31 y 2
2010-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-08-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-05-17
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-05-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-03-05
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-03-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 214
2009-02-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 3 y 14
2009-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 3, 1 y 13
2008-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 3, 1 y 107
2008-07-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 13, 15 y 1
2008-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 5
2008-06-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 5 y 48
2008-02-05
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 5
original version
Tekst op deze datum