Wijzigingsgeschiedenis

Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003

100 versions · 2026-02-01
2026-02-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 740
2026-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 1 y 22
2025-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 3
2025-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 3
2025-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 1
2024-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-05-09
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2

Wijzigingen op 2024-05-09

@@ -184,7 +184,7 @@
### Paragraaf 7. Voordeel van de twijfel
In de [BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306) zijn op de persoonslijst van een vreemdeling de historische en actuele gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling opgenomen. De burgemeester onderzoekt aan de hand van het verblijfsdocument in samenhang met de gegevens in de BRP de verblijfsrechtelijke status van een vreemdeling en van de personen voor wie medeverkrijging/medeverlening is verzocht ([artikel 10, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10) en [artikel 36, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal de burgemeester in veel gevallen kunnen afleiden uit het verblijfsdocument en de gegevens in de BRP. In andere gevallen zal de duur van de onafgebroken toelating alleen kunnen worden beoordeeld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de hand van gegevens in de vreemdelingenadministratie (zo nodig in combinatie met het verblijfsdocument). In die situatie zal de burgemeester de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeken ([model 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) HRWN) om aan hem een bericht omtrent toelating af te geven. Het is overigens de bedoeling dat een bericht omtrent toelating alleen wordt gevraagd als de burgemeester niet of in onvoldoende mate beschikt over voldoende gegevens. Ook in gevallen waarbij de gegevens in de BRP en het overgelegde verblijfsdocument elkaar tegenspreken of er anderszins omstandigheden zijn waardoor gerede twijfel bestaat over de juiste verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling, moet een bericht omtrent toelating worden gevraagd.
In de [BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0034306) zijn op de persoonslijst van een vreemdeling de historische en actuele gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling opgenomen. De burgemeester onderzoekt aan de hand van het verblijfsdocument in samenhang met de gegevens in de BRP de verblijfsrechtelijke status van een vreemdeling en van de personen voor wie medeverkrijging/medeverlening is verzocht ([artikel 10, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10) en [artikel 36, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal de burgemeester in veel gevallen kunnen afleiden uit het verblijfsdocument en de gegevens in de BRP. In andere gevallen zal de duur van de onafgebroken toelating alleen kunnen worden beoordeeld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de hand van gegevens in de vreemdelingenadministratie (zo nodig in combinatie met het verblijfsdocument). In die situatie zal de burgemeester de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeken ([model 2.17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) HRWN) om aan hem een bericht omtrent toelating af te geven. Het is overigens de bedoeling dat een bericht omtrent toelating alleen wordt gevraagd als de burgemeester niet of in onvoldoende mate beschikt over voldoende gegevens. Ook in gevallen waarbij de gegevens in de BRP en het overgelegde verblijfsdocument elkaar tegenspreken of er anderszins omstandigheden zijn waardoor gerede twijfel bestaat over de juiste verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling, moet een bericht omtrent toelating worden gevraagd.
### Artikel 2
@@ -200,7 +200,7 @@
### 1-2. Toelichting ad [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)
Voor gemeenschapsonderdanen geldt dat bij een aanvraag om een BOT altijd een kopie van, als aanwezig, het vreemdelingendocument en een afschrift uit de BRP met de volledige in de BRP opgenomen historische adresgegevens en de volledige historische gegevens in verband met het verblijfsrecht meegestuurd dienen te worden. Tevens dienen/dient [model 2.18a HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en/of model 2.18b HRWN volledig ingevuld te worden meegestuurd.
Voor gemeenschapsonderdanen geldt dat bij een aanvraag om een BOT altijd een kopie van, als aanwezig, het vreemdelingendocument en een afschrift uit de BRP met de volledige in de BRP opgenomen historische adresgegevens en de volledige historische gegevens in verband met het verblijfsrecht meegestuurd dienen te worden. Tevens dienen/dient [model 2.18a HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en/of model 2.18b HRWN volledig ingevuld te worden meegestuurd.
### 1-2. Toelichting ad [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)
@@ -216,7 +216,7 @@
### Paragraaf 1. Algemeen
In onderstaande paragraaf wordt een nadere uitleg gegeven van het begrip ‘hoofdverblijf’, zoals opgenomen in [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) (zie [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=1&paragraaf=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
In onderstaande paragraaf wordt een nadere uitleg gegeven van het begrip ‘hoofdverblijf’, zoals opgenomen in [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) (zie [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=1&paragraaf=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
### Artikel 2
@@ -324,7 +324,7 @@
### 2-5. Toelichting ad artikel 2, vijfde lid
De (andere) wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder of het kind kan vervolgens verzoeken om in persoon te verschijnen om zijn of haar zienswijze te geven. In verband met het verkrijgen van een zo groot mogelijke zekerheid over de identiteit verdient verschijning in persoon de voorkeur. Dit geldt met name voor het kind (zie ook detoelichting bij artikel 6, derde lid, RWN en [artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2024-04-01&g=2024-04-01)). Door in persoon te verschijnen kan de autoriteit zich vergewissen van de identiteit van het kind, kan de autoriteit zonodig voorlichting geven (bijvoorbeeld over een eventueel gewijzigde of vastgestelde geslachtsnaam) en kan door de autoriteit worden vastgesteld dat de verklaring door het betreffende kind wordt afgelegd. Voordat het kind de Nederlandse nationaliteit verkrijgt, is het immers wenselijk dat zoveel mogelijk duidelijkheid bestaat over de vraag of het kind dat echt wenst en moet vaststaan dat aan alle daartoe gestelde voorwaarden wordt voldaan. De inhoud en strekking van de zienswijze van de (andere) wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder en/of het kind worden vastgelegd op een formulier (model 1.19 en model 1.23 bij optie; [model 2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [model 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij naturalisatie) dat door de betrokken persoon wordt ondertekend.
De (andere) wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder of het kind kan vervolgens verzoeken om in persoon te verschijnen om zijn of haar zienswijze te geven. In verband met het verkrijgen van een zo groot mogelijke zekerheid over de identiteit verdient verschijning in persoon de voorkeur. Dit geldt met name voor het kind (zie ook detoelichting bij artikel 6, derde lid, RWN en [artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2024-05-09&g=2024-05-09)). Door in persoon te verschijnen kan de autoriteit zich vergewissen van de identiteit van het kind, kan de autoriteit zonodig voorlichting geven (bijvoorbeeld over een eventueel gewijzigde of vastgestelde geslachtsnaam) en kan door de autoriteit worden vastgesteld dat de verklaring door het betreffende kind wordt afgelegd. Voordat het kind de Nederlandse nationaliteit verkrijgt, is het immers wenselijk dat zoveel mogelijk duidelijkheid bestaat over de vraag of het kind dat echt wenst en moet vaststaan dat aan alle daartoe gestelde voorwaarden wordt voldaan. De inhoud en strekking van de zienswijze van de (andere) wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder en/of het kind worden vastgelegd op een formulier (model 1.19 en model 1.23 bij optie; [model 2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [model 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij naturalisatie) dat door de betrokken persoon wordt ondertekend.
### 3-alg. Toelichting algemeen
@@ -372,9 +372,9 @@
Als een kind ten tijde van het afleggen van een optieverklaring of het indienen van een naturalisatieverzoek nog geen zestien jaar oud is, maar in de loop van de procedure zestien jaar of ouder wordt, hoeft het niet alsnog een instemmingsverklaring af te leggen alvorens het Nederlanderschap kan worden verkregen. Als uit het dossier blijkt dat een kind zich voor zijn zestiende jaar schriftelijk heeft uitgesproken tegen de (mede)verkrijging of (mede)verlening, dan geldt dit nadat het zestien jaar is geworden als het ontbreken van instemming. De bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap wordt in dat geval ten aanzien van dit kind geweigerd (tenzij het zestienjarige kind op eigen initiatief alsnog een andere zienswijze geeft).
In veel gevallen zal het kind van zestien jaar of ouder bij het afleggen van de verklaring tot (mede)verkrijging dan wel het indienen van het verzoek tot (mede)verlening aanwezig zijn. Door de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst neemt, wordt het kind mondeling verzocht een schriftelijke verklaring af te leggen op een formulier ([model 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij optie; [model 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) of [model 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij naturalisatie).
Als het kind niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring tot (mede)verkrijging dan wel het indienen van het verzoek tot (mede)verlening, wordt door bedoelde autoriteit een brief ([model 1.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij optie; [model 2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij naturalisatie) naar het kind gestuurd met het verzoek in persoon te verschijnen om een instemmingsverklaring te geven omtrent de (mede)verkrijging of (mede)verlening. De autoriteit kan daarbij een redelijke termijn stellen – te denken valt aan een termijn van drie weken – waarbinnen het kind moet reageren. Hier gelden dezelfde redenen als hierboven vermeld om het kind in persoon bij de autoriteit te laten verschijnen. Dit is vooral van belang omdat het een kind van zestien jaar of ouder betreft die slechts het Nederlanderschap zal verkrijgen als is gebleken dat het daarmee uitdrukkelijk instemt. Als het kind na deze uitnodiging verschijnt, wordt het verzocht een schriftelijke verklaring af te leggen op een formulier (model 1.2 bij optie; model 2.1 of model 2.2 bij naturalisatie).
In veel gevallen zal het kind van zestien jaar of ouder bij het afleggen van de verklaring tot (mede)verkrijging dan wel het indienen van het verzoek tot (mede)verlening aanwezig zijn. Door de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst neemt, wordt het kind mondeling verzocht een schriftelijke verklaring af te leggen op een formulier ([model 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij optie; [model 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) of [model 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij naturalisatie).
Als het kind niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring tot (mede)verkrijging dan wel het indienen van het verzoek tot (mede)verlening, wordt door bedoelde autoriteit een brief ([model 1.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij optie; [model 2.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij naturalisatie) naar het kind gestuurd met het verzoek in persoon te verschijnen om een instemmingsverklaring te geven omtrent de (mede)verkrijging of (mede)verlening. De autoriteit kan daarbij een redelijke termijn stellen – te denken valt aan een termijn van drie weken – waarbinnen het kind moet reageren. Hier gelden dezelfde redenen als hierboven vermeld om het kind in persoon bij de autoriteit te laten verschijnen. Dit is vooral van belang omdat het een kind van zestien jaar of ouder betreft die slechts het Nederlanderschap zal verkrijgen als is gebleken dat het daarmee uitdrukkelijk instemt. Als het kind na deze uitnodiging verschijnt, wordt het verzocht een schriftelijke verklaring af te leggen op een formulier (model 1.2 bij optie; model 2.1 of model 2.2 bij naturalisatie).
Slechts indien vanwege zwaarwegende redenen van het kind niet kan worden verlangd dat het in persoon een verklaring aflegt, kan van de vereiste verschijning in persoon worden afgeweken. Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De aangevoerde zwaarwegende redenen moeten worden aangetoond aan de hand van een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist (zie ook de toelichting bij het tweede lid).
@@ -498,7 +498,7 @@
### 4-2. Ad artikel 4, tweede lid
Let op! Als vóór 1 april 2003 het vaderschap van een kind gerechtelijk is vastgesteld, kan dat tot gevolg hebben gehad dat het betreffende kind geacht wordt vanaf de geboorte Nederlander te zijn op grond van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) (zie de [toelichting bij artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Let op! Als vóór 1 april 2003 het vaderschap van een kind gerechtelijk is vastgesteld, kan dat tot gevolg hebben gehad dat het betreffende kind geacht wordt vanaf de geboorte Nederlander te zijn op grond van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) (zie de [toelichting bij artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
### 4-4. Ad artikel 4, vierde lid
@@ -514,7 +514,7 @@
### Artikel 4
Als het gaat om een prenatale of postnatale erkenning naar buitenlands recht, moet deze tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht. Dit geldt ook voor de buitenlandse wettiging zonder erkenning. Nederland is gebonden aan de CIEC-overeenkomst van Rome 10 september 1970 (TRB. 1972, nr. 61) inzake wettiging door huwelijk (zie verder de [toelichting bij artikel 4, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Als het gaat om een prenatale of postnatale erkenning naar buitenlands recht, moet deze tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht. Dit geldt ook voor de buitenlandse wettiging zonder erkenning. Nederland is gebonden aan de CIEC-overeenkomst van Rome 10 september 1970 (TRB. 1972, nr. 61) inzake wettiging door huwelijk (zie verder de [toelichting bij artikel 4, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
### paragraaf 5. Uitzondering: de vader is geen Nederlander (kind geboren op of na 1 januari 1985; vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003)
@@ -1018,7 +1018,7 @@
De optieprocedure is met ingang van 1 april 2003 ingrijpend gewijzigd. Vóór 1 april 2003 was het uitbrengen van een optie voor de Nederlandse nationaliteit een eenzijdige vormvrije rechtshandeling. De verkrijging van het Nederlanderschap door optie was niet afhankelijk van een beslissing van een bestuursorgaan. De vreemdeling die bij een in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) aangewezen bestuursorgaan mondeling of schriftelijk verklaarde dat hij Nederlander wilde worden én die op dat moment voldeed aan alle voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap, verkreeg daarmee onmiddellijk de Nederlandse nationaliteit. Als achteraf bleek dat hij op het moment van het uitbrengen van de optieverklaring toch niet voldeed aan alle voorwaarden, werd aan de betreffende optieverklaring het rechtsgevolg onthouden en werd de vreemdeling geacht de Nederlandse nationaliteit nooit te hebben verkregen. Daarbij maakte het geen verschil of de vreemdeling al geruime tijd was aangemerkt als Nederlander door een fout van het bestuursorgaan dan wel door het verstrekken van onjuiste gegevens door de vreemdeling zélf. Eventuele gewekte verwachtingen hadden niet tot gevolg dat het Nederlanderschap alsnog werd verkregen. Dit kon leiden tot minder gewenste situaties zoals het na geruime tijd nog moeten intrekken van een Nederlands paspoort en het wijzigen van de basisadministratie.
Sinds de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) op 1 april 2003 is de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door optie niet meer een eenzijdige, vormvrije rechtshandeling. De optant moet in beginsel in persoon verschijnen en de optieverklaring kan alleen nog maar schriftelijk worden uitgebracht. Voor het uitbrengen en voor de behandeling van een optieverklaring zijn optiegelden verschuldigd (zie [artikel 13, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)). Het Nederlanderschap wordt eerst verkregen nadat het daartoe bevoegde bestuursorgaan de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit schriftelijk heeft bevestigd. Het besluit tot bevestiging treedt echter pas in werking nadat het als regel op een naturalisatieceremonie is uitgereikt. De uitreiking kan pas plaatsvinden nadat de verklaring van verbondenheid is afgelegd, tenzij voor optant een uitzondering op deze voorwaarde geldt. Zie voor de naturalisatieceremonie de [toelichting in de Handleiding bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Sinds de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) op 1 april 2003 is de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door optie niet meer een eenzijdige, vormvrije rechtshandeling. De optant moet in beginsel in persoon verschijnen en de optieverklaring kan alleen nog maar schriftelijk worden uitgebracht. Voor het uitbrengen en voor de behandeling van een optieverklaring zijn optiegelden verschuldigd (zie [artikel 13, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)). Het Nederlanderschap wordt eerst verkregen nadat het daartoe bevoegde bestuursorgaan de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit schriftelijk heeft bevestigd. Het besluit tot bevestiging treedt echter pas in werking nadat het als regel op een naturalisatieceremonie is uitgereikt. De uitreiking kan pas plaatsvinden nadat de verklaring van verbondenheid is afgelegd, tenzij voor optant een uitzondering op deze voorwaarde geldt. Zie voor de naturalisatieceremonie de [toelichting in de Handleiding bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Minderjarige niet-Nederlandse kinderen delen voortaan onder bepaalde voorwaarden in de verkrijging van het Nederlanderschap door hun ouders. Zie de toelichting bij artikel 6, achtste lid, RWN. Dit wijkt sterk af van de situatie vóór 1 april 2003. Toen deelden minderjarige kinderen nooit in de optie van hun ouders.
@@ -1032,11 +1032,11 @@
De datum op de schriftelijke bevestiging door het bestuursorgaan bepaalt het tijdstip waarop het Nederlanderschap uiteindelijk (na het meestal op een ná die datum gelegen naturalisatieceremonie afleggen van de verklaring van verbondenheid en de uitreiking van het besluit) wordt verkregen. De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie heeft geen terugwerkende kracht (zie [artikel 2, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)).
Als achteraf blijkt dat de optieverklaring ten onrechte is bevestigd, is weliswaar het Nederlanderschap verkregen, maar kan de Nederlandse nationaliteit worden ingetrokken door Onze Minister. Dit kan echter alleen als de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit berust op een door de optant gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van een voor de verkrijging relevant feit. Met andere woorden, fouten aan de zijde van de overheid zullen de optant niet worden tegengeworpen (zie ook de [toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Als achteraf blijkt dat de optieverklaring ten onrechte is bevestigd, is weliswaar het Nederlanderschap verkregen, maar kan de Nederlandse nationaliteit worden ingetrokken door Onze Minister. Dit kan echter alleen als de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit berust op een door de optant gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van een voor de verkrijging relevant feit. Met andere woorden, fouten aan de zijde van de overheid zullen de optant niet worden tegengeworpen (zie ook de [toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
De optant die niet voldoet aan alle voorwaarden, wordt geadviseerd geen optieverklaring af te leggen. Voor de uiteindelijke beoordeling of aan de voorwaarden wordt voldaan, is het moment van de bevestiging van de optie bepalend.
In tegenstelling tot bij naturalisatie worden bij optie geen eisen gesteld ten aanzien van de inburgering. De bevestiging van de optie kan dus niet worden geweigerd, omdat de optant de Nederlandse taal niet beheerst. Optanten die een optieverklaring ex [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) afleggen, moeten in beginsel afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit (zie [artikel 6a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)). Let op! De afstandsverplichting geldt niet voor de overige optiecategorieën. Dit sluit overigens niet uit dat de nationaliteitswetgeving van het land waarvan de optant de nationaliteit bezit, kan bepalen dat deze nationaliteit verloren gaat als gevolg van de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit. Zie de [toelichting in de Handleiding bij artikel 6a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6a&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
In tegenstelling tot bij naturalisatie worden bij optie geen eisen gesteld ten aanzien van de inburgering. De bevestiging van de optie kan dus niet worden geweigerd, omdat de optant de Nederlandse taal niet beheerst. Optanten die een optieverklaring ex [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) afleggen, moeten in beginsel afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit (zie [artikel 6a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)). Let op! De afstandsverplichting geldt niet voor de overige optiecategorieën. Dit sluit overigens niet uit dat de nationaliteitswetgeving van het land waarvan de optant de nationaliteit bezit, kan bepalen dat deze nationaliteit verloren gaat als gevolg van de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit. Zie de [toelichting in de Handleiding bij artikel 6a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6a&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Bij documenten die in het Koninkrijk zijn opgesteld moet het origineel worden overgelegd. Documenten uit het buitenland moeten, als van toepassing, worden gelegaliseerd of zijn voorzien van een apostillestempel. Ook moeten de stukken vertaald worden ([artikel 6, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Voor zowel het verkrijgen van verklaringen en/of documenten als de vertalingen en eventuele legalisatie van stukken moet de optant zelf zorgen. Als de overgelegde stukken zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, moet de optant zorg dragen voor een door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling. De vertaling moet worden gehecht aan het originele stuk.
@@ -1180,7 +1180,7 @@
### 2.3.2. Ontvangstbevestiging
Minderjarigen van 16 jaar en ouder moeten vanaf 1 januari 2012 bij een verzoek tot medeverlening van het Nederlanderschap dat is ingediend door een wettelijke vertegenwoordiger, tegelijkertijd met de indiening het verzoek om naturalisatie van de hoofdpersoon, een [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ ondertekenen. Het zelf ondertekenen van de modelverklaring 2.3 is geen uitzondering op een rechtshandeling als bedoeld in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
Minderjarigen van 16 jaar en ouder moeten vanaf 1 januari 2012 bij een verzoek tot medeverlening van het Nederlanderschap dat is ingediend door een wettelijke vertegenwoordiger, tegelijkertijd met de indiening het verzoek om naturalisatie van de hoofdpersoon, een [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ ondertekenen. Het zelf ondertekenen van de modelverklaring 2.3 is geen uitzondering op een rechtshandeling als bedoeld in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
### paragraaf 3. Wettelijk vertegenwoordiger
@@ -1206,7 +1206,7 @@
### Artikel 3
Als de (andere) wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder (als bedoeld in de tweede zin van dit lid) dan wel het kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt aanwezig is bij het afleggen van een verklaring tot (mede)verkrijging of het indienen van een verzoek tot (mede)verlening, zal de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst neemt hen mondeling erop wijzen dat kan worden verzocht om een zienswijze te geven omtrent de (mede)verkrijging of de (mede)verlening. De betrokken persoon wordt gewezen op het belang van het geven van een zienswijze. Als de (andere) wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder of het kind daar prijs op stelt, wordt de inhoud en strekking van die zienswijze vastgelegd op een daarvoor bestemd formulier ([model 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [model 1.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij optie; [model 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01), [model 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [model 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij naturalisatie) en door de betrokken persoon ondertekend.
Als de (andere) wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder (als bedoeld in de tweede zin van dit lid) dan wel het kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt aanwezig is bij het afleggen van een verklaring tot (mede)verkrijging of het indienen van een verzoek tot (mede)verlening, zal de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst neemt hen mondeling erop wijzen dat kan worden verzocht om een zienswijze te geven omtrent de (mede)verkrijging of de (mede)verlening. De betrokken persoon wordt gewezen op het belang van het geven van een zienswijze. Als de (andere) wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder of het kind daar prijs op stelt, wordt de inhoud en strekking van die zienswijze vastgelegd op een daarvoor bestemd formulier ([model 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [model 1.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij optie; [model 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09), [model 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [model 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij naturalisatie) en door de betrokken persoon ondertekend.
Wat betreft het geven van een zienswijze door de (andere) wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder speelt de leeftijd van het kind geen rol. Met andere woorden; of het kind nu een leeftijd van tien, twaalf of zestien jaar heeft bereikt, de (andere) wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder kunnen op verzoek een zienswijze omtrent de (mede)verkrijging of de (mede)verlening geven.
@@ -1630,11 +1630,11 @@
### Paragraaf 6.1. Procedure afgifte bericht omtrent toelating
Om in aanmerking te komen voor (mede)naturalisatie moet een kind op grond van [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) voldoen aan het vereiste van ‘toelating voor onbepaalde tijd’. Gelet hierop moet aan de hand van het verblijfsdocument van het kind worden aangetoond dat het kind beschikt over een zelfstandig dan wel afhankelijk verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard. Ingeval van gezinshereniging is het verblijfsrecht van het kind afhankelijk van degene bij wie verblijf wordt beoogd (de verblijfgever, meestal de ouder bij wie het kind verblijf heeft gekregen). Als het verblijfsrecht van de verblijfgever een niet-tijdelijk karakter heeft, is het verblijfsrecht van het kind eveneens van niet-tijdelijke aard. Als het verblijfsrecht van de verblijfgever een tijdelijk karakter heeft, is ook het verblijfsrecht van het kind tijdelijk van aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5)). In dat laatste geval is geen sprake van ‘toelating voor onbepaalde tijd’ (zie ook de [toelichting bij artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=11&z=2024-04-01&g=2024-04-01)). Echter, op grond van [artikel 4.21, tweede lid Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) wordt geen document anders dan bedoeld in het eerste lid, onder a of b, verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld. Als er geen verblijfsdocument is, kan de toelating worden bepaald aan de hand van een afschrift uit de BRP waarop de gegevens in verband met het verblijfsrecht van het kind vermeld staan.
Om in aanmerking te komen voor (mede)naturalisatie moet een kind op grond van [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) voldoen aan het vereiste van ‘toelating voor onbepaalde tijd’. Gelet hierop moet aan de hand van het verblijfsdocument van het kind worden aangetoond dat het kind beschikt over een zelfstandig dan wel afhankelijk verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard. Ingeval van gezinshereniging is het verblijfsrecht van het kind afhankelijk van degene bij wie verblijf wordt beoogd (de verblijfgever, meestal de ouder bij wie het kind verblijf heeft gekregen). Als het verblijfsrecht van de verblijfgever een niet-tijdelijk karakter heeft, is het verblijfsrecht van het kind eveneens van niet-tijdelijke aard. Als het verblijfsrecht van de verblijfgever een tijdelijk karakter heeft, is ook het verblijfsrecht van het kind tijdelijk van aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5)). In dat laatste geval is geen sprake van ‘toelating voor onbepaalde tijd’ (zie ook de [toelichting bij artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=11&z=2024-05-09&g=2024-05-09)). Echter, op grond van [artikel 4.21, tweede lid Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) wordt geen document anders dan bedoeld in het eerste lid, onder a of b, verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld. Als er geen verblijfsdocument is, kan de toelating worden bepaald aan de hand van een afschrift uit de BRP waarop de gegevens in verband met het verblijfsrecht van het kind vermeld staan.
Dat betekent dat als de vreemdeling tijdig, dat wil zeggen vóór de afloop van de geldigheidsduur van de voorgaande verblijfsvergunning, om verlenging heeft verzocht en hij op dat moment voldoet aan de voorwaarden, er dan geen sprake is van een verblijfsgat. De verblijfsvergunning wordt dan immers aansluitend aan de voorgaande verblijfsvergunning verleend.
Als deze registratie als geprivilegieerde niet direct voorafgaat aan de verlening van een verblijfsvergunning, dan telt die periode niet mee in de berekening voor het hebben voldaan aan de termijn van toelating. De termijn van toelating begint te lopen per ingangsdatum van de verblijfsvergunning. Zie verder de [toelichting in paragraaf 2.2 bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=1&paragraaf=2.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Als deze registratie als geprivilegieerde niet direct voorafgaat aan de verlening van een verblijfsvergunning, dan telt die periode niet mee in de berekening voor het hebben voldaan aan de termijn van toelating. De termijn van toelating begint te lopen per ingangsdatum van de verblijfsvergunning. Zie verder de [toelichting in paragraaf 2.2 bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=1&paragraaf=2.2&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Enkele situaties waarbij op grond van het verblijfsdocument van de vreemdeling in samenhang met de gegevens in de BRP direct duidelijk is of al dan niet wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating en waarbij het vragen om een bericht omtrent toelating achterwege kan blijven:
@@ -1648,11 +1648,11 @@
Ook bij een zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door een minderjarige door middel van optie ([artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)) of naturalisatie ([artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) en [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)) worden de andere wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder (als bedoeld in de tweede zin van dit lid) en het kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, de gelegenheid gegeven een zienswijze te geven. Is de wettelijke vertegenwoordiging van het kind door middel van een rechterlijke uitspraak opgedragen aan een derde (niet zijnde een ouder), dan wordt deze ook van het afleggen van de verklaring tot (mede)verkrijging of het indienen van het verzoek tot (mede)verlening op de hoogte gebracht en de gelegenheid geboden een zienswijze naar voren te brengen.
Als de (andere) wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder (als bedoeld in de tweede zin van dit lid) dan wel het kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt niet aanwezig is bij het afleggen van een verklaring tot (mede)verkrijging of het indienen van een verzoek tot (mede)verlening, wordt door bedoelde autoriteit aan hem of haar een brief gestuurd ([model 1.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [model 1.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij optie; [model 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [model 2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij naturalisatie) waarin wordt gewezen op de mogelijkheid (en het belang daarvan) om te verzoeken om in persoon dan wel schriftelijk (model 1.19 en model 1.23 bij optie; [model 2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [model 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij naturalisatie zijn voor dat doel gevoegd bij de brief aan de betrokken persoon) een zienswijze te geven omtrent de (mede)verkrijging of (mede)verlening. De autoriteit kan daarbij een redelijke termijn stellen – te denken valt aan een termijn van drie weken – waarbinnen de persoon kan reageren.
Als de (andere) wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder (als bedoeld in de tweede zin van dit lid) dan wel het kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt niet aanwezig is bij het afleggen van een verklaring tot (mede)verkrijging of het indienen van een verzoek tot (mede)verlening, wordt door bedoelde autoriteit aan hem of haar een brief gestuurd ([model 1.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [model 1.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij optie; [model 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [model 2.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij naturalisatie) waarin wordt gewezen op de mogelijkheid (en het belang daarvan) om te verzoeken om in persoon dan wel schriftelijk (model 1.19 en model 1.23 bij optie; [model 2.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [model 2.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij naturalisatie zijn voor dat doel gevoegd bij de brief aan de betrokken persoon) een zienswijze te geven omtrent de (mede)verkrijging of (mede)verlening. De autoriteit kan daarbij een redelijke termijn stellen – te denken valt aan een termijn van drie weken – waarbinnen de persoon kan reageren.
### Paragraaf 2.2. Zienswijze bij kinderen tussen de 12 en de 16 jaar
Wenst de (andere) wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder of het kind niet in persoon te verschijnen om een zienswijze te geven, dan kan hij of zij op het formulier ([model 1.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [model 1.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij optie; model 2.10 en model 2.14 bij naturalisatie) de argumenten vermelden op grond waarvan geen sprake moet zijn van (mede)verkrijging of (mede)verlening van het Nederlanderschap. Het formulier moet door de betreffende persoon worden ondertekend en moet, samen met een kopie van een geldig identiteitsbewijs van die persoon, binnen de gestelde termijn worden teruggezonden naar de betreffende autoriteit.
Wenst de (andere) wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder of het kind niet in persoon te verschijnen om een zienswijze te geven, dan kan hij of zij op het formulier ([model 1.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [model 1.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij optie; model 2.10 en model 2.14 bij naturalisatie) de argumenten vermelden op grond waarvan geen sprake moet zijn van (mede)verkrijging of (mede)verlening van het Nederlanderschap. Het formulier moet door de betreffende persoon worden ondertekend en moet, samen met een kopie van een geldig identiteitsbewijs van die persoon, binnen de gestelde termijn worden teruggezonden naar de betreffende autoriteit.
De (andere) wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder of het kind dat de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, wordt alleen op de mogelijkheid gewezen om een zienswijze als hier bedoeld naar voren te brengen, als hij of zij in Nederland woont en tevens zijn of haar adres bekend is. Als de (andere) wettelijk vertegenwoordiger of andere ouder al Nederlander is of (separaat) een optieverklaring heeft afgelegd of een verzoek om naturalisatie heeft ingediend, kan het hen wijzen op de mogelijkheid een zienswijze te geven achterwege worden gelaten.
@@ -1830,7 +1830,7 @@
Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (**Trb.** 1998, 149) kan de bevestiging van de optieverklaring niet worden geweigerd als er op grond van het gedrag van de optant ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk.
Overigens kan een buiten huwelijk geboren kind, waarvan de biologische vader het Nederlanderschap bezit, het Nederlanderschap wel van rechtswege verkrijgen door een prenatale erkenning (erkenning van de ongeboren vrucht) of door vaststelling van het vaderschap tijdens de minderjarigheid van het kind. Zie de [toelichting bij artikel 3 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en bij [artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Overigens kan een buiten huwelijk geboren kind, waarvan de biologische vader het Nederlanderschap bezit, het Nederlanderschap wel van rechtswege verkrijgen door een prenatale erkenning (erkenning van de ongeboren vrucht) of door vaststelling van het vaderschap tijdens de minderjarigheid van het kind. Zie de [toelichting bij artikel 3 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en bij [artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Als het gezamenlijk gezag niet blijkt uit de BRP, moet de optant het gezamenlijk gezag aantonen door het overleggen van een gewaarmerkt afschrift van de beschikking van de Nederlandse rechtbank waarbij het gezamenlijk gezag is vastgesteld.
@@ -1912,7 +1912,7 @@
Ten aanzien van een optant geboren vóór 25 november 1975 in Suriname van wie de ouders in Suriname of het Koninkrijk zijn geboren, mag worden aangenomen dat hij oud-Nederlander is. Ten aanzien van een optant geboren vóór 21 december 1949 in het voormalige Nederlands-Indië, mag worden aangenomen dat hij (ten minste) de status van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten. Hetzelfde geldt ten aanzien van de optant geboren vóór 1 oktober 1962 in het voormalige Nederlands-Nieuw-Guinea.
Als het Nederlanderschap is verloren op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) of [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zal dit meestal zijn vermeld in de BRP. Als onduidelijk is of sprake is van één van de hier bedoelde verliesgronden, kan de burgemeester aan de IND in Rijswijk verzoeken dit voor hem na te gaan in het Nationaliteitenregister. Zie ook de [toelichting bij artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=22&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Als het Nederlanderschap is verloren op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) of [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zal dit meestal zijn vermeld in de BRP. Als onduidelijk is of sprake is van één van de hier bedoelde verliesgronden, kan de burgemeester aan de IND in Rijswijk verzoeken dit voor hem na te gaan in het Nationaliteitenregister. Zie ook de [toelichting bij artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=22&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Het Nederlanderschap heeft zij in de meeste gevallen door geboorte van rechtswege verkregen (door bijvoorbeeld afstamming van een Nederlandse vader; zie paragraaf 2.1).
@@ -2076,7 +2076,7 @@
### Paragraaf 1.1. Afstamming door geboorte
Voorts neemt de optieautoriteit contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen, als eerder opgemerkt in [paragrafen 1.2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.2&paragraaf=1.2.1&paragraaf=1.2.1.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.5&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Voorts neemt de optieautoriteit contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen, als eerder opgemerkt in [paragrafen 1.2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.2&paragraaf=1.2.1&paragraaf=1.2.1.2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.5&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
### Paragraaf 1.1. Afstamming door erkenning als minderjarige van zeven jaar of ouder
@@ -2132,7 +2132,7 @@
Voorwaarde is ook dat op het moment dat adoptieuitspraak onherroepelijk werd, de adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit bezat. Het Nederlanderschap heeft zij in de meeste gevallen door geboorte van rechtswege verkregen (door bijvoorbeeld afstamming van een Nederlandse vader; zie paragraaf 2.1 bij artikel 6, eerste lid aanhef en onder i). Als eerste zal bekeken moeten worden waar de adoptiefmoeder is geboren of heeft gewoond. Als dat in Nederland is, dan is er een persoonskaart in Nederland aanwezig waaruit haar nationaliteit zal blijken. Als de adoptiefmoeder in het buitenland is geboren of nooit in Nederland heeft gewoond dan zijn de afstammings- en nationaliteitsgegevens op de persoonskaart van haar ouders relevant om te bepalen of de adoptiefmoeder het Nederlanderschap heeft verkregen door geboorte of anderszins.
Altijd moet worden onderzocht dat de adoptiefmoeder niet voorafgaand aan de onherroepelijke adoptieuitspraak de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van artikel 5 (oud) WNI 1892 (vóór 1 maart 1964) of artikel 8a WNI 1892 (ná 1 maart 1964) of artikel 7 WNI 1892. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar [paragrafen 1.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.2&paragraaf=1.2.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [2.2 bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01). Aannemelijk moet zijn dat de van oorsprong Nederlandse adoptiefmoeder de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen en daardoor het Nederlanderschap heeft verloren. Een verklaring van de autoriteiten van het land van de nationaliteit van haar echtgenoot kan hierbij behulpzaam zijn. Soms zal voldoende zijn om het onderzoek te beperken tot het vreemde nationaliteitsrecht van de huwelijksperiode.
Altijd moet worden onderzocht dat de adoptiefmoeder niet voorafgaand aan de onherroepelijke adoptieuitspraak de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van artikel 5 (oud) WNI 1892 (vóór 1 maart 1964) of artikel 8a WNI 1892 (ná 1 maart 1964) of artikel 7 WNI 1892. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar [paragrafen 1.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.2&paragraaf=1.2.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [2.2 bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2024-05-09&g=2024-05-09). Aannemelijk moet zijn dat de van oorsprong Nederlandse adoptiefmoeder de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen en daardoor het Nederlanderschap heeft verloren. Een verklaring van de autoriteiten van het land van de nationaliteit van haar echtgenoot kan hierbij behulpzaam zijn. Soms zal voldoende zijn om het onderzoek te beperken tot het vreemde nationaliteitsrecht van de huwelijksperiode.
Het Nationaliteitenregister van de IND in Rijswijk kan worden geraadpleegd om te beoordelen of de adoptiefmoeder voorafgaande aan de onherroepelijk adoptieuitspraak afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 8a of dat sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7 sub 2, 4 en 5 WNI 1892. Immers, kennisgevingen ex artikel 7 sub 5, verloven ex artikel 7 sub 4, vervallenverklaringen ex artikel 7 sub 2, opties en naturalisatie zijn onder meer opgenomen in het Nationaliteitenregister.
@@ -2432,7 +2432,7 @@
De hier bedoelde vreemdeling, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) als cumulatief:
De optieverklaring kan worden afgelegd met behulp van [model 1.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
De optieverklaring kan worden afgelegd met behulp van [model 1.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Als aan alle voorwaarden is voldaan wordt de optieverklaring bevestigd en verkrijgt de vreemdeling het Nederlanderschap.
@@ -2442,7 +2442,7 @@
De gemeente neemt in beginsel de registratie in de BRP als uitgangspunt voor het vijf jaar feitelijk en onafgebroken hoofdverblijf. Als de vreemdeling niet is ingeschreven in de BRP of enkel voor een bepaalde periode of niet aaneengesloten, moet de vreemdeling op een andere wijze aantonen dat hij gedurende die periode feitelijk in Nederland verbleef. Zie ook de toelichting op artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, HRWN.
De gemeente kan advies vragen aan de IND door middel van [model 1.59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) in verband met de beoordeling of:
De gemeente kan advies vragen aan de IND door middel van [model 1.59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) in verband met de beoordeling of:
De IND kan vervolgens de DT&V om input vragen in het kader van het advies aan de gemeente.
@@ -2482,15 +2482,15 @@
### 1. Algemeen
Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door optie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij het afleggen van de optieverklaring een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid is een nieuw vereiste. De eis een bereidverklaring te ondertekenen en op een later moment, in beginsel tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als de optieverklaring op of na 1 maart 2009 wordt afgelegd. (Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd1Zie ook toelichting bij artikel 60a, derde lid, BVVN en [artikel 2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7), [artikel 8, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [artikel 11, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), [artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23), [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28).. Immers het besluit tot bevestiging wordt dan niet bekendgemaakt/uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door optie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij het afleggen van de optieverklaring een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid is een nieuw vereiste. De eis een bereidverklaring te ondertekenen en op een later moment, in beginsel tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als de optieverklaring op of na 1 maart 2009 wordt afgelegd. (Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd1Zie ook toelichting bij artikel 60a, derde lid, BVVN en [artikel 2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7), [artikel 8, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [artikel 11, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), [artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23), [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28).. Immers het besluit tot bevestiging wordt dan niet bekendgemaakt/uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
### 2. Optanten die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige optant. Zij rust daarnaast ook op minderjarigen die op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd zestien jaar of ouder zijn, ongeacht of zij zelfstandig opteren dan wel verzocht is hen te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door een van hun ouders (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [2.12.3 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01))
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige optant. Zij rust daarnaast ook op minderjarigen die op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd zestien jaar of ouder zijn, ongeacht of zij zelfstandig opteren dan wel verzocht is hen te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door een van hun ouders (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [2.12.3 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09))
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 1.36)
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 1.36). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in principe in persoon op een naturalisatieceremonie mondeling af voordat de optiebevestiging aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 1.36). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in principe in persoon op een naturalisatieceremonie mondeling af voordat de optiebevestiging aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
### paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring
@@ -2498,7 +2498,7 @@
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid mondeling en in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands afgelegd.
**Uitzonderingen** (zie [paragraaf 2.12.4.2 uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.4&paragraaf=2.12.4.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01))
**Uitzonderingen** (zie [paragraaf 2.12.4.2 uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.4&paragraaf=2.12.4.2&z=2024-05-09&g=2024-05-09))
Als de optant stelt dat afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd, maar aan hem geen beroep toekomt op de in het tweede lid genoemde uitzonderingen, dan vraagt de autoriteit aan Onze Minister om verplicht advies over de vraag of afstand redelijkerwijs kan worden verlangd. Zie hiervoor de toelichting in de Handleiding bij artikel 6a, vierde lid, RWN.
@@ -2540,7 +2540,7 @@
Ingevolge [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) wordt een kind van twaalf jaar of ouder op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld om een zienswijze omtrent de medeverkrijging naar voren te brengen.
Hebben kinderen de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven ([artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Zij dienen zich met een geldig buitenlands reisdocument33Zie [paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01). te legitimeren (zie ook hierna [paragraaf 2.2.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.1&paragraaf=2.2.1.5&z=2024-04-01&g=2024-04-01)). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
Hebben kinderen de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven ([artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Zij dienen zich met een geldig buitenlands reisdocument33Zie [paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09). te legitimeren (zie ook hierna [paragraaf 2.2.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.1&paragraaf=2.2.1.5&z=2024-05-09&g=2024-05-09)). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
### paragraaf 2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder
@@ -2590,19 +2590,19 @@
Inzake een buitenlands paspoort wordt bewijsnood aangenomen als:
Bovendien moet de optant door middel van een zogenaamde verklaring verblijf en gedrag ([model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in de optieverklaring genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 6, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)) en of hij of één van de in de optieverklaring genoemde personen ouder dan zestien jaar niet polygaam gehuwd is en al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of justitie in verband met een misdrijf. De burgemeester zet, voordat de optant de verklaring ondertekent, de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij optie uiteen en wijst de optant erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de bevestiging van de optieverklaring. Betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om op de verklaring aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd dat op grond van zijn gedrag ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk (zie verder: de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
Bovendien moet de optant door middel van een zogenaamde verklaring verblijf en gedrag ([model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in de optieverklaring genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 6, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)) en of hij of één van de in de optieverklaring genoemde personen ouder dan zestien jaar niet polygaam gehuwd is en al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of justitie in verband met een misdrijf. De burgemeester zet, voordat de optant de verklaring ondertekent, de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij optie uiteen en wijst de optant erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de bevestiging van de optieverklaring. Betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om op de verklaring aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd dat op grond van zijn gedrag ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk (zie verder: de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
Enkele optanten zijn niet verplicht de verklaring verblijf en gedrag te ondertekenen.
Voor optanten van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), juncto [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26), [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i t/m o RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) en [artikel II RRWN (2008)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) geldt geen eis van toelating en hoofdverblijf in Nederland.
Voor optanten van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) (tenzij de optant meerderjarig is), artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d en k t/m o, RWN (tenzij de optant 16 jaar of ouder is) en [artikel II RRWN (2008)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) (tenzij de optant meerderjarig is) geldt geen openbare orde toets. [Model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) hoeft door deze optanten daarom niet ondertekend te worden. Model 1.14 moet wel ondertekend worden door de meerderjarige optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder b en c, RWN en van art. II RRWN (2008). De optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder d en k t/m o RWN die 16 jaar of ouder is, moet model 1.14 ook ondertekenen. Zodra één van beide eisen geldt, moet model 1.14 ondertekend worden.
Let op! Minderjarige optanten van artikel 6, eerste lid, aanhef onder k t/m o die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring jonger zijn dan 16 jaar hoeven [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) niet te ondertekenen. Voor deze optanten geldt geen openbare orde eis en geen eis van toelating en hoofdverblijf.
Voor optanten van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) (tenzij de optant meerderjarig is), artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d en k t/m o, RWN (tenzij de optant 16 jaar of ouder is) en [artikel II RRWN (2008)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) (tenzij de optant meerderjarig is) geldt geen openbare orde toets. [Model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) hoeft door deze optanten daarom niet ondertekend te worden. Model 1.14 moet wel ondertekend worden door de meerderjarige optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder b en c, RWN en van art. II RRWN (2008). De optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder d en k t/m o RWN die 16 jaar of ouder is, moet model 1.14 ook ondertekenen. Zodra één van beide eisen geldt, moet model 1.14 ondertekend worden.
Let op! Minderjarige optanten van artikel 6, eerste lid, aanhef onder k t/m o die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring jonger zijn dan 16 jaar hoeven [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) niet te ondertekenen. Voor deze optanten geldt geen openbare orde eis en geen eis van toelating en hoofdverblijf.
### Paragraaf 2.2.4.3.1. Bereidheidsverklaring afstand
Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de burgemeester – voor zover mogelijk – de optant die een optieverklaring ex [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) heeft afgelegd of hij al dan niet behoort tot een uitzonderingscategorie dan wel redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Als geen van de uitzonderingen van toepassing is, moet de optant een verklaring ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de verkrijging van het Nederlanderschap zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te verliezen ([artikel 6, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). De bereidheidsverklaring is opgenomen als [model 1.14-1a en model 1.14-1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01). Let op! Model 1.14-1b moet alleen ondertekend worden door optanten met de Egyptische, Zuid-Afrikaanse, Oostenrijkse, Georgische, Libische, Mauritaanse, Oegandese of Sri Lankaanse nationaliteit die afstand moeten doen.
Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de burgemeester – voor zover mogelijk – de optant die een optieverklaring ex [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) heeft afgelegd of hij al dan niet behoort tot een uitzonderingscategorie dan wel redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Als geen van de uitzonderingen van toepassing is, moet de optant een verklaring ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de verkrijging van het Nederlanderschap zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te verliezen ([artikel 6, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). De bereidheidsverklaring is opgenomen als [model 1.14-1a en model 1.14-1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09). Let op! Model 1.14-1b moet alleen ondertekend worden door optanten met de Egyptische, Zuid-Afrikaanse, Oostenrijkse, Georgische, Libische, Mauritaanse, Oegandese of Sri Lankaanse nationaliteit die afstand moeten doen.
Als de optant stelt dat afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd, maar aan hem geen beroep toekomt op de in het tweede lid genoemde uitzonderingen, dan vraagt de autoriteit aan Onze Minister om verplicht advies over de vraag of afstand redelijkerwijs kan worden verlangd. Zie hiervoor de toelichting in de Handleiding bij artikel 6a, vierde lid, RWN.
@@ -2616,7 +2616,7 @@
De vreemdeling met een verblijfsvergunning regulier die is vrijgesteld van het paspoortvereiste, kan, als hij verkrijging van het Nederlanderschap door optie beoogt, ruimschoots voorafgaand aan het starten van de optieprocedure zorg dragen voor verkrijging van de daarvoor noodzakelijke bewijsstukken; waarmee een geldig nationaal paspoort en een (voor zover nodig: gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte zijn bedoeld.
Uit [art. 3:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:2) vloeit voort dat de bevestiging van de optie zo zorgvuldig mogelijk is voorbereid en genomen. Er bestaat bovendien een rechtsbelang bij het zoveel mogelijk zorgen dat Nederlander worden plaatsvindt op juiste persoonsgegevens en juiste nationaliteit. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het aan verzoeker of optant om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en aan de staatssecretaris om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit van de desbetreffende verzoeker of optant met de door hem overgelegde stukken zijn aangetoond.1Zie AbRvS, 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:501 Ook als een optant is vrijgesteld van het documentenvereiste (zie [paragraaf 2.2.5.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.5&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)), kan gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit daarom een reden vormen voor afwijzing. Gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit kan bijvoorbeeld bestaan op grond van een taalanalyse door Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT)2Zie bijvoorbeeld ABRvS, 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:869, documentonderzoek door Team onderzoek en Expertise Documenten (TOED)3Zie bijvoorbeeld ABRvS, 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:805, een leeftijdsonderzoek 4Zie bijvoorbeeld ABRvS, 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:109 en ABRvS, 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:197 of een combinatie van meerdere van voornoemde onderzoeken. Ook kan gerede twijfel ontstaan op grond van de (overige) inhoud van het (vreemdelingrechtelijke) dossier van de optant, dan wel op grond van andere bekende feiten en omstandigheden. De eerder genoemde onderzoeken worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. In beginsel mag op het advies van een deskundige worden afgegaan, nadat is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.5Zie bijvoorbeeld ABRvS, 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:197 ro 2.3
Uit [art. 3:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:2) vloeit voort dat de bevestiging van de optie zo zorgvuldig mogelijk is voorbereid en genomen. Er bestaat bovendien een rechtsbelang bij het zoveel mogelijk zorgen dat Nederlander worden plaatsvindt op juiste persoonsgegevens en juiste nationaliteit. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het aan verzoeker of optant om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en aan de staatssecretaris om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit van de desbetreffende verzoeker of optant met de door hem overgelegde stukken zijn aangetoond.1Zie AbRvS, 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:501 Ook als een optant is vrijgesteld van het documentenvereiste (zie [paragraaf 2.2.5.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.5&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)), kan gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit daarom een reden vormen voor afwijzing. Gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit kan bijvoorbeeld bestaan op grond van een taalanalyse door Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT)2Zie bijvoorbeeld ABRvS, 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:869, documentonderzoek door Team onderzoek en Expertise Documenten (TOED)3Zie bijvoorbeeld ABRvS, 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:805, een leeftijdsonderzoek 4Zie bijvoorbeeld ABRvS, 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:109 en ABRvS, 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:197 of een combinatie van meerdere van voornoemde onderzoeken. Ook kan gerede twijfel ontstaan op grond van de (overige) inhoud van het (vreemdelingrechtelijke) dossier van de optant, dan wel op grond van andere bekende feiten en omstandigheden. De eerder genoemde onderzoeken worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. In beginsel mag op het advies van een deskundige worden afgegaan, nadat is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.5Zie bijvoorbeeld ABRvS, 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:197 ro 2.3
### Paragraaf 2.6.1. Administratieve handeling na de afstandsprocedure (zie [artikel 30c BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30c))
@@ -2670,7 +2670,7 @@
Ten aanzien van de zogenaamde passanten verzoekt de burgemeester, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van de betreffende vreemdelingen zo mogelijk binnen tien weken te toetsen ([artikel 9, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
Voor wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten over moet leggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij [paragraaf 2.2.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.4&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [paragraaf 2.2.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.5&z=2024-04-01&g=2024-04-01)):
Voor wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten over moet leggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij [paragraaf 2.2.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.4&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [paragraaf 2.2.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.5&z=2024-05-09&g=2024-05-09)):
Kunnen de hiervoor bedoelde verklaringen/afschriften/uittreksels als brondocument voor de BRP worden geaccepteerd, dan worden deze documenten ook voor optie aanvaard. In de regel zullen de gegevens die in de optieverklaring en de beslissing daarop worden opgenomen, conform de inschrijving in de BRP zijn. Wordt tijdens de optieprocedure een document overgelegd waaruit blijkt dat de aanvankelijke inschrijving in de BRP aanpassing behoeft, dan wordt hiervoor, zo mogelijk, zorg gedragen alvorens de bevestiging of weigering van de bevestiging wordt afgegeven.
@@ -2774,7 +2774,7 @@
Nadat de optiegelden zijn betaald of de burgemeester heeft vastgesteld dat geen betaling is verschuldigd, en de burgemeester heeft vastgesteld dat de verklaring volledig is, toetst hij de door de optant verstrekte gegevens. Hij toetst aan de gegevens die in de BRP zijn opgenomen ([artikel 9, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)). Zijn in de optieverklaring personen genoemd die in andere basisadministraties zijn ingeschreven (kinderen voor wie medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt verzocht), dan verzoekt hij de burgemeester van de betreffende gemeente om binnen vier weken (of in voorkomend geval de gezaghebber van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao of Sint Maarten om binnen tien weken) de door de optant verstrekte gegevens te toetsen (artikel 9, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting in de betreffende Handleiding.
De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie [paragraaf 2.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te toetsen ([artikel 9, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie [paragraaf 2.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te toetsen ([artikel 9, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
Ten aanzien van de zogenaamde passanten verzoekt de burgemeester, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van de betreffende vreemdelingen zo mogelijk binnen tien weken te toetsen ([artikel 9, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
@@ -2786,7 +2786,7 @@
### Paragraaf 2.4.2.2. Verblijfsrechtelijke status optant
Indien een aspirant-optant, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die verklaring ([model 1.36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) niet heeft ingevuld en ondertekend of indien een aspirant-optant heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en betrokkene desondanks toch in zijn optie persisteert, weigert de burgemeester de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen (zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.8&z=2024-04-01&g=2024-04-01)**Weigering bevestiging**).’.
Indien een aspirant-optant, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die verklaring ([model 1.36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) niet heeft ingevuld en ondertekend of indien een aspirant-optant heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en betrokkene desondanks toch in zijn optie persisteert, weigert de burgemeester de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen (zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.8&z=2024-05-09&g=2024-05-09)**Weigering bevestiging**).’.
Geldt in de betreffende optiemogelijkheid een onafgebroken periode van toelating, dan kan dit worden beoordeeld aan de hand van het verblijfsdocument van de optant in combinatie met de gegevens in de BRP dan wel uit een bericht omtrent toelating ([artikel 3 BOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831&artikel=3)). Als het verblijfsdocument in combinatie met de gegevens in verband met het verblijfsrecht in de BRP onvoldoende antwoord geven op de vraag of sprake is van een onafgebroken periode van toelating, zal de burgemeester een bericht omtrent toelating bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) opvragen ([artikel 4 BOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831&artikel=4)). Zie hiervoor de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN.
@@ -2804,7 +2804,7 @@
### paragraaf 2.4.2.4. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie
Indien vaststelling van de naam van de optant is voorgeschreven ([artikel 6, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)), overlegt de burgemeester met de optant over de vast te stellen geslachtsna(a)m(en) en/of voorna(a)m(en), alsmede over de vaststelling van de namen van de personen voor wie om medeverkrijging van het Nederlanderschap is verzocht. Voorts overlegt en beslist de burgemeester over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de naam van de optant, en de namen van de personen voor wie om medeverkrijging van het Nederlanderschap is verzocht, worden overgebracht ([artikel 10, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10)). Het beleid inzake naamsvaststelling bij naturalisatie is van overeenkomstige toepassing (zie de [toelichting bij artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Indien vaststelling van de naam van de optant is voorgeschreven ([artikel 6, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)), overlegt de burgemeester met de optant over de vast te stellen geslachtsna(a)m(en) en/of voorna(a)m(en), alsmede over de vaststelling van de namen van de personen voor wie om medeverkrijging van het Nederlanderschap is verzocht. Voorts overlegt en beslist de burgemeester over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de naam van de optant, en de namen van de personen voor wie om medeverkrijging van het Nederlanderschap is verzocht, worden overgebracht ([artikel 10, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10)). Het beleid inzake naamsvaststelling bij naturalisatie is van overeenkomstige toepassing (zie de [toelichting bij artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
Bij de naamsvaststelling worden de wettelijk vertegenwoordiger, de andere ouder als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) en de kinder(en), die de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, in de gelegenheid gesteld hun zienswijze kenbaar te maken (artikel 10, vierde lid, BVVN).
@@ -2816,19 +2816,19 @@
### paragraaf 2.4.2.5. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
Indien dit nog niet is gebeurd in een eerdere fase van de procedure -bijvoorbeeld tegelijk met het afleggen van de optieverklaring door de optant -stelt de burgemeester de andere in de optieverklaring genoemde personen, mits zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijk vertegenwoordiger en de andere ouder (als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)) op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie kenbaar te maken ([artikel 10, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10)). Zie ook hiervoor bij [2.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01), ‘Verklaring afleggen in persoon’ en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.
Indien dit nog niet is gebeurd in een eerdere fase van de procedure -bijvoorbeeld tegelijk met het afleggen van de optieverklaring door de optant -stelt de burgemeester de andere in de optieverklaring genoemde personen, mits zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijk vertegenwoordiger en de andere ouder (als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)) op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie kenbaar te maken ([artikel 10, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10)). Zie ook hiervoor bij [2.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09), ‘Verklaring afleggen in persoon’ en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.
Het verzoek aan de IND om advies wordt gedaan met [model 1.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2023-10-01&g=2023-10-01). De autoriteit die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen stuurt het ingevulde model samen met alle onderliggende stukken naar de IND. Dit gebeurt bij voorkeur via de bestandenpostbus van het Ministerie van Justitie en Veiligheid maar kan ook per post. Gezien de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) kan geen gebruik worden gemaakt van e-mail. De IND gebruikt voor het advies model 1.53 en stuurt dit bij voorkeur via de bestandenpostbus terug naar de adviesvragende autoriteit.
De autoriteit die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, vraagt op grond van [artikel 6, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) advies aan de IND. Het advies van de IND beperkt zich tot de beoordeling of het verlies van het Unieburgerschap in het individuele geval gevolgen heeft gehad die vanuit het oogpunt van het Unierecht onevenredig zijn. De autoriteit die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen stelt derhalve eerst zelf vast of de optant het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren en deelt de verliesdatum en de verliesgrond mee aan de IND. Ook stelt de autoriteit vast dat met het verlies van het Nederlanderschap tevens het Unieburgerschap verloren is gegaan.
Het verzoek aan de IND om advies wordt gedaan met [model 1.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01). De autoriteit die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen stuurt het ingevulde model samen met alle onderliggende stukken naar de IND. Dit gebeurt bij voorkeur via de bestandenpostbus van het Ministerie van Justitie en Veiligheid maar kan ook per post. Gezien de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) kan geen gebruik worden gemaakt van e-mail. De IND gebruikt voor het advies model 1.53 en stuurt dit bij voorkeur via de bestandenpostbus terug naar de adviesvragende autoriteit.
Het verzoek aan de IND om advies wordt gedaan met [model 1.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09). De autoriteit die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen stuurt het ingevulde model samen met alle onderliggende stukken naar de IND. Dit gebeurt bij voorkeur via de bestandenpostbus van het Ministerie van Justitie en Veiligheid maar kan ook per post. Gezien de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) kan geen gebruik worden gemaakt van e-mail. De IND gebruikt voor het advies model 1.53 en stuurt dit bij voorkeur via de bestandenpostbus terug naar de adviesvragende autoriteit.
De IND geeft het gemotiveerde advies binnen een redelijke termijn, zodat de optieverklaring binnen de maximale beslistermijn van 26 weken kan worden bevestigd of geweigerd. Het advies van de IND is niet bindend voor de adviesvragende autoriteit. Het advies is geen besluit, zodat er geen afzonderlijke rechtsmiddelen tegen open staan. In het Europese deel van het Koninkrijk is dit een advies als bedoeld in [afdeling 3.3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.3). Dat betekent onder andere dat de autoriteit het advies van de IND aan het besluit ten grondslag kan leggen, en daar ter motivering van dit besluit mee kan volstaan ([artikel 3:49 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:49)). Indien de autoriteit van het advies afwijkt, wordt dit in het besluit gemotiveerd ([artikel 3:50 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:50)).
Heeft de optant het verzoek tot afstand dan wel een verklaring van afstand bij de autoriteiten van het land van herkomst ingediend of aangeboden, maar daarover is nog geen beslissing genomen, dan verzoekt de IND na zes maanden de optant de IND te informeren over de stand van zaken met betrekking tot het doen van afstand.
Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat aan de optievoorwaarden is voldaan, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen. Indien de minderjarige kinderen in de optieverklaringen van beide ouders zijn opgenomen en de verkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van beide ouders wordt bevestigd, worden de personalia van de minderjarige kinderen die in de verkrijging delen in de bevestiging van zowel de vader als de moeder opgenomen. De burgemeester bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert ([artikel 11, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=11)). De bevestiging wordt als regel aan de optant uitgereikt tijdens een ceremonie, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Onder uitzonderlijke omstandigheden wordt de bevestiging tijdens een ceremonie uitgereikt aan een gemachtigde van de optant dan wel – indien uitzonderlijke omstandigheden daartoe noodzaken en geen gemachtigde kan worden aangewezen door betrokkene – per post aan de optant verzonden. (Zie voor de uitreiking van de bevestiging en de uitzonderingen daarop [paragraaf 2.12.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) Indien sprake is van een (gedeeltelijke) weigering dan wordt de bevestiging uitgereikt en de gedeeltelijke weigering per aangetekende post verzonden.
Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat aan de optievoorwaarden is voldaan, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen. Indien de minderjarige kinderen in de optieverklaringen van beide ouders zijn opgenomen en de verkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van beide ouders wordt bevestigd, worden de personalia van de minderjarige kinderen die in de verkrijging delen in de bevestiging van zowel de vader als de moeder opgenomen. De burgemeester bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert ([artikel 11, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=11)). De bevestiging wordt als regel aan de optant uitgereikt tijdens een ceremonie, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Onder uitzonderlijke omstandigheden wordt de bevestiging tijdens een ceremonie uitgereikt aan een gemachtigde van de optant dan wel – indien uitzonderlijke omstandigheden daartoe noodzaken en geen gemachtigde kan worden aangewezen door betrokkene – per post aan de optant verzonden. (Zie voor de uitreiking van de bevestiging en de uitzonderingen daarop [paragraaf 2.12.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) Indien sprake is van een (gedeeltelijke) weigering dan wordt de bevestiging uitgereikt en de gedeeltelijke weigering per aangetekende post verzonden.
Gemeenten die gebruik maken van een eigen terugmeldformulier kunnen er ook voor kiezen om dit terugmeldformulier (met bovengenoemde informatie) aan de IND te sturen, tezamen met de hierboven genoemde bevestiging en overige stukken.
@@ -2838,7 +2838,7 @@
Voornoemde stukken zijn nodig in verband met de opname van deze documenten in het nationaliteitenregister ([artikel 12, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12)) en om de afstandsprocedure van de optant (als van toepassing) te controleren.
Als van toepassing moet een uitwisselingsformulier betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit ([model 1.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) HRWN) worden opgemaakt en worden verzonden naar het land waarvan men de nationaliteit bezit. Dit is, op grond van de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verkrijging van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk en Portugal.
Als van toepassing moet een uitwisselingsformulier betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit ([model 1.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) HRWN) worden opgemaakt en worden verzonden naar het land waarvan men de nationaliteit bezit. Dit is, op grond van de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verkrijging van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk en Portugal.
### Paragraaf 1. Algemeen
@@ -2908,11 +2908,11 @@
### paragraaf 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond
Indien door de burgemeester wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant bekendgemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 2.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.7&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Indien door de burgemeester wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant bekendgemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 2.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.7&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
De optieverklaring wordt niet bevestigd als op grond van het gedrag van de optant ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Dit is een imperatieve weigeringsgrond. De burgemeester heeft geen beleidsvrijheid. Dit volgt uit de tekst van de wet.
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33 en model 1.34). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De optiebevestiging wordt, indien de minderjarige medeoptant verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, na het afleggen van die verklaring in beginsel op een naturalisatieceremonie door middel van uitreiking aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is ) bekendgemaakt. Is de minderjarige niet wettelijk verplicht tot afleggen van de verklaring van verbondenheid dan wordt de bevestiging onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden, wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2024-04-01&g=2024-04-01)). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.7&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33 en model 1.34). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De optiebevestiging wordt, indien de minderjarige medeoptant verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, na het afleggen van die verklaring in beginsel op een naturalisatieceremonie door middel van uitreiking aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is ) bekendgemaakt. Is de minderjarige niet wettelijk verplicht tot afleggen van de verklaring van verbondenheid dan wordt de bevestiging onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden, wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2024-05-09&g=2024-05-09)). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.7&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
De burgemeester is verplicht de normen die in de Handleiding bij [artikel 9, eerste lid, onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) worden beschreven, toe te passen. Dit volgt uit de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) en de daarop gebaseerde regelgeving. Op grond van [artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) kunnen bij algemene maatregel van rijksbestuur onder meer nadere voorschriften worden gesteld betreffende de administratieve behandeling van verkrijging en verlening van het Nederlanderschap. Deze algemene maatregel van rijksbestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BvvN). In [artikel 10, tweede lid van het BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10) is opgenomen dat de burgemeester onderzoekt of er ernstige vermoedens bestaan als bedoeld in [artikel 6, vierde lid, van de RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), tegen de optant of de personen die tot medeverkrijging in de optieverklaring zijn genoemd, als zij zestien jaar of ouder zijn. In het BvvN is vervolgens bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld in de uitvoering van dit besluit. Deze ministeriële regeling is de [Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506) (RvvN). In [artikel 2 van de RvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=2) is onder meer opgenomen dat, tenzij in de regeling anders is bepaald, de uitvoeringsautoriteit de hem in het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap opgedragen werkzaamheden uitvoert in overeenstemming met de Handleiding, alsmede met de nadere instructies terzake die in het betreffende Rijksdeel gelden. In de regeling is op dit punt niets anders bepaald. Dit betekent dat de burgemeester de richtlijnen zoals deze beschreven staan bij artikel 9, eerste lid, onder a RWN moet volgen. Om ongelijkheid tussen gemeenten te voorkomen is het van belang dat de normen ook strikt worden toegepast.
@@ -2948,7 +2948,7 @@
De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring uit binnen negen weken nadat is vastgesteld dat de optant heeft voldaan aan alle voorwaarden voor optie. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd. Zie [artikel 60a, vierde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a).
De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring, na het afleggen van de verklaring van verbondenheid, uit aan de optant die ten tijde van het indienen van de optieverklaring zestien jaar of ouder was. Was de optant op dat tijdstip jonger dan zestien jaar dan wordt het besluit uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60a, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) (tabel oproepen en uitreiken).
De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring, na het afleggen van de verklaring van verbondenheid, uit aan de optant die ten tijde van het indienen van de optieverklaring zestien jaar of ouder was. Was de optant op dat tijdstip jonger dan zestien jaar dan wordt het besluit uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60a, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) (tabel oproepen en uitreiken).
### 6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
@@ -2960,7 +2960,7 @@
### 6a-2-c. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
De burgemeester houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de burgemeester aan op het afschrift van de optiebevestiging dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden (zie tevens [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.4&z=2024-04-01&g=2024-04-01)**Procedurele aspecten na de terugmelding**). Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009.
De burgemeester houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de burgemeester aan op het afschrift van de optiebevestiging dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden (zie tevens [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.4&z=2024-05-09&g=2024-05-09)**Procedurele aspecten na de terugmelding**). Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009.
**– Hoofdoptant verschijnt niet**
@@ -3002,7 +3002,7 @@
Indien de optant verplicht is om na de totstandkoming van de optie het mogelijke te zullen doen om zijn andere nationaliteit(en) te verliezen, stuurt de autoriteit na uitreiking van de optiebevestiging het optiedossier naar de Minister van Justitie (IND) om de afstandsprocedure uit te voeren.
Om te bevorderen dat de minister ervan op de hoogte is dat een persoon op grond van een bevestigde optieverklaring het Nederlanderschap heeft verkregen, stuurt de burgemeester die de bevestiging heeft uitgereikt of anderszins heeft bekendgemaakt, aan de minister een bericht van de bekendmaking ([artikel 60a, negende lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Met het oog op het correct bijhouden van het nationaliteitenregister ([artikel 12, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12)) zal bij iedere optiebevestiging van op of na 1 oktober 2006 moeten zijn vermeld op welke datum deze optiebevestiging is uitgereikt of anderszins is bekendgemaakt. Immers, het Nederlanderschap zal pas op die datum van uitreiking of bekendmaking zijn ingegaan. Terugmelding kan in dit geval plaatsvinden door middel van het toesturen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van een (gewaarmerkte) kopie van de optiebevestiging, voorzien van een uitreikingsdatum en een gemeente- of dienststempel, met daarop aangetekend de datum van uitreiking op de ceremonie, de wijze van bekendmaking van de bevestiging, en of de verklaring van verbondenheid is afgelegd en hoe (mondeling of schriftelijk). Zie ook [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Om te bevorderen dat de minister ervan op de hoogte is dat een persoon op grond van een bevestigde optieverklaring het Nederlanderschap heeft verkregen, stuurt de burgemeester die de bevestiging heeft uitgereikt of anderszins heeft bekendgemaakt, aan de minister een bericht van de bekendmaking ([artikel 60a, negende lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Met het oog op het correct bijhouden van het nationaliteitenregister ([artikel 12, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12)) zal bij iedere optiebevestiging van op of na 1 oktober 2006 moeten zijn vermeld op welke datum deze optiebevestiging is uitgereikt of anderszins is bekendgemaakt. Immers, het Nederlanderschap zal pas op die datum van uitreiking of bekendmaking zijn ingegaan. Terugmelding kan in dit geval plaatsvinden door middel van het toesturen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van een (gewaarmerkte) kopie van de optiebevestiging, voorzien van een uitreikingsdatum en een gemeente- of dienststempel, met daarop aangetekend de datum van uitreiking op de ceremonie, de wijze van bekendmaking van de bevestiging, en of de verklaring van verbondenheid is afgelegd en hoe (mondeling of schriftelijk). Zie ook [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Indien de optant verplicht is om na de totstandkoming van de optie het mogelijke te zullen doen om zijn andere nationaliteit(en) te verliezen, stuurt de autoriteit na uitreiking van de optiebevestiging het optiedossier naar de Minister van Justitie (IND) om de afstandsprocedure uit te voeren.
@@ -3074,7 +3074,7 @@
De hierboven gegeven criteria zijn uiteraard vatbaar voor rechterlijke toetsing. De hierboven genoemde lijst van omstandigheden, waaruit de instemming of de berusting blijkt, is niet limitatief. Er kunnen andere feitelijke omstandigheden zijn die er mede op wijzen dat de vrouw zich bij de verstoting heeft neergelegd.
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie [toelichting op artikel 6, tweede lid RWN, paragraaf 2.2.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.5&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie [toelichting op artikel 6, tweede lid RWN, paragraaf 2.2.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.5&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
**Zij beslist binnen dertien weken na de inontvangstneming van de verklaring; deze termijn kan éénmaal met ten hoogste dertien weken worden verlengd.**
@@ -3294,7 +3294,7 @@
### Paragraaf 2.1. Verkrijging van de Nederlandse nationaliteit onder de WNI 1892
De vrouw kon vóór 1 januari 1985 het Nederlanderschap ook verliezen op grond van artikel 7 WNI 1892. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
De vrouw kon vóór 1 januari 1985 het Nederlanderschap ook verliezen op grond van artikel 7 WNI 1892. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
### Paragraaf 2.1. Verkrijging van de Nederlandse nationaliteit onder de WNI 1892
@@ -3390,7 +3390,7 @@
### 6-1-l. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Voorts neemt de optieautoriteit contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen, als eerder opgemerkt in [paragrafen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.4&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Voorts neemt de optieautoriteit contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen, als eerder opgemerkt in [paragrafen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.4&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
### Paragraaf 1. Algemeen
@@ -3594,7 +3594,7 @@
### Paragraaf 2.2.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt alleen vrijstelling gegeven, indien het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij artikel 60a, vijfde lid en zesde lid, BVVN). Zie [paragraaf 2.2.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) voor de uitzonderingssituaties.
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt alleen vrijstelling gegeven, indien het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij artikel 60a, vijfde lid en zesde lid, BVVN). Zie [paragraaf 2.2.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) voor de uitzonderingssituaties.
### 4. Afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN)
@@ -3610,7 +3610,7 @@
### paragraaf 2.2. Afleggen van de optieverklaring
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). De burgemeester die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. In dit kader wordt de optant verzocht een geldig buitenlands reisdocument32In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan. Zie bij [paragraaf 2.2.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) te overleggen. Daarnaast kan de optant worden verzocht andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte te tonen (zie hierna onder [paragrafen 2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij onderhavig artikellid).
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). De burgemeester die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. In dit kader wordt de optant verzocht een geldig buitenlands reisdocument32In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan. Zie bij [paragraaf 2.2.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) te overleggen. Daarnaast kan de optant worden verzocht andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte te tonen (zie hierna onder [paragrafen 2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij onderhavig artikellid).
### paragraaf 2.2.1.2. Minderjarige optant
@@ -3674,7 +3674,7 @@
### paragraaf 2.4.2.5. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
Als de optant met nationaliteit ‘onbekend’ in de BRP is opgenomen, in overeenstemming met artikel 2.15 Wet BRP of de voorganger daarvan, [artikel 43 Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=43), moet hij in beginsel een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overleggen ([paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Als de optant met nationaliteit ‘onbekend’ in de BRP is opgenomen, in overeenstemming met artikel 2.15 Wet BRP of de voorganger daarvan, [artikel 43 Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=43), moet hij in beginsel een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overleggen ([paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
### paragraaf 2.12.1. De oproeping
@@ -3746,7 +3746,7 @@
### 6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
Verzoeken tot naamsvaststelling, alsmede verklaringen van instemming van de wettelijk vertegenwoordiger, andere ouder en de kinderen die de leeftijd van twaalf jaar en ouder hebben bereikt, zijn opgenomen in [model 1.15, model 1.20 en model 1.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01). Op de optieverklaring wordt vermeld of tevens een verzoek tot vaststelling van de geslachtsna(a)m(en)/of voorna(a)m(en) is gedaan.
Verzoeken tot naamsvaststelling, alsmede verklaringen van instemming van de wettelijk vertegenwoordiger, andere ouder en de kinderen die de leeftijd van twaalf jaar en ouder hebben bereikt, zijn opgenomen in [model 1.15, model 1.20 en model 1.24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09). Op de optieverklaring wordt vermeld of tevens een verzoek tot vaststelling van de geslachtsna(a)m(en)/of voorna(a)m(en) is gedaan.
### paragraaf 2.4.2.5. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
@@ -3786,11 +3786,11 @@
### paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure
De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, blijft verantwoordelijk voor de verdere afhandeling ervan. Ook indien de optant tijdens de procedure zijn hoofdverblijf verlegt naar een andere gemeente of buiten Nederland is uitsluitend hij bevoegd tot de bevestiging/weigering van de verkrijging van het Nederlanderschap. Heeft de optant ná de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant daarvan in kennis stellen. (Zie ook [paragraaf 2.12.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01))
De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, blijft verantwoordelijk voor de verdere afhandeling ervan. Ook indien de optant tijdens de procedure zijn hoofdverblijf verlegt naar een andere gemeente of buiten Nederland is uitsluitend hij bevoegd tot de bevestiging/weigering van de verkrijging van het Nederlanderschap. Heeft de optant ná de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant daarvan in kennis stellen. (Zie ook [paragraaf 2.12.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.2&z=2024-05-09&g=2024-05-09))
### paragraaf 3.2.5. Gemachtigde
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene in voorkomende gevallen nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60a, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken optant in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene in voorkomende gevallen nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60a, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken optant in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
### 6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
@@ -3826,7 +3826,7 @@
### 6-8. Toelichting ad [artikel 6, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Iedere optant moet door middel van een verklaring verblijf en gedrag ([model 1.14 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) schriftelijk verklaren dat hij, of één van de in de verklaring genoemde personen van zestien jaar of ouder, al dan niet in aanraking is geweest met politie en justitie én niet polygaam getrouwd zijn.
Iedere optant moet door middel van een verklaring verblijf en gedrag ([model 1.14 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) schriftelijk verklaren dat hij, of één van de in de verklaring genoemde personen van zestien jaar of ouder, al dan niet in aanraking is geweest met politie en justitie én niet polygaam getrouwd zijn.
### Paragraaf 2.1. Weigering optiebevestiging wegens strafrechtelijk(e) delict(en)
@@ -3838,7 +3838,7 @@
### Paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens
Bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN gaat het daarbij om artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (Trb. 1998, 149). Bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN is de weigering niet toegestaan op grond van artikel 6, eerste lid 1, aanhef en onder a van het Europees Verdrag inzake nationaliteit. In het geval van een optie op grond van [art. II RRWN 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II), Stb. 270, geldt dat er op grond van het gedrag van de optant geen ernstige vermoedens mogen bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Op deze regel wordt echter een uitzondering gemaakt als het op grond van een volkenrechtelijke verplichting niet is toegestaan om de bevestiging om die reden te weigeren (zie artikel 6, vierde lid en 9, eerste lid RWN). Zie ook in de Handleiding [paragraaf 6 bij artikel 6, 1, c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=6&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN gaat het daarbij om artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (Trb. 1998, 149). Bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN is de weigering niet toegestaan op grond van artikel 6, eerste lid 1, aanhef en onder a van het Europees Verdrag inzake nationaliteit. In het geval van een optie op grond van [art. II RRWN 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II), Stb. 270, geldt dat er op grond van het gedrag van de optant geen ernstige vermoedens mogen bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Op deze regel wordt echter een uitzondering gemaakt als het op grond van een volkenrechtelijke verplichting niet is toegestaan om de bevestiging om die reden te weigeren (zie artikel 6, vierde lid en 9, eerste lid RWN). Zie ook in de Handleiding [paragraaf 6 bij artikel 6, 1, c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=6&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
### paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek
@@ -4066,7 +4066,7 @@
### paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
Behoudens bij opties op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) controleert de burgemeester bij optieverklaringen die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die in de optieverklaring is genoemd en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [paragraaf 2.2.4.1 en toelichting bij artikel 6, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan optanten die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan optanten aan wie het, door de burgemeester, is toegestaan zich bij het afleggen van de optieverklaring te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de optant zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de optant, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
Behoudens bij opties op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) controleert de burgemeester bij optieverklaringen die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die in de optieverklaring is genoemd en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [paragraaf 2.2.4.1 en toelichting bij artikel 6, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan optanten die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan optanten aan wie het, door de burgemeester, is toegestaan zich bij het afleggen van de optieverklaring te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de optant zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de optant, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
### Paragraaf 2.4.2.2. Verblijfsrechtelijke status optant
@@ -4392,7 +4392,7 @@
De bevestiging die vóór 1 oktober 2006 is vastgesteld, treedt nog op de gebruikelijke wijze in werking, dat wil zeggen door bekendmaking per post daarvan aan de betrokkene. Uitreiking is in dit geval niet nodig. Voor de bepaling of de betrokken persoon opgeroepen moet worden of niet, geldt de datum waarop de bevestiging is vastgesteld.
De burgemeester roept de optant en mede-optant die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring 16 jaar of ouder was (waren) op te verschijnen. Was de optant jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op. De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de optant of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige optant de optieverklaring heeft afgelegd. Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) (tabel: oproepen en uitreiken).
De burgemeester roept de optant en mede-optant die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring 16 jaar of ouder was (waren) op te verschijnen. Was de optant jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op. De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de optant of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige optant de optieverklaring heeft afgelegd. Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) (tabel: oproepen en uitreiken).
### 6a-4. Toelichting ad [artikel 6a, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
@@ -4428,7 +4428,7 @@
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 3 t/m 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)
Zie [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) voor tijdelijk soepelere voorwaarden voor optie door bepaalde categorieën oud-Nederlanders. Zie voor de gevolgen van een erkenning van een minderjarige door een Nederlandse man vóór 1 april 2003, de [toelichting bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01), onder ‘Erkenning van minderjarigen vóór 1 april 2003’.
Zie [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) voor tijdelijk soepelere voorwaarden voor optie door bepaalde categorieën oud-Nederlanders. Zie voor de gevolgen van een erkenning van een minderjarige door een Nederlandse man vóór 1 april 2003, de [toelichting bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09), onder ‘Erkenning van minderjarigen vóór 1 april 2003’.
### 6-1-f. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
@@ -4646,13 +4646,13 @@
**De autoriteit vraagt advies aan Onze Minister indien de vreemdeling stelt dat afstand van zijn andere nationaliteit redelijkerwijs niet kan worden verlangd. De autoriteit deelt de vreemdeling mee dat Onze Minister om advies is verzocht en binnen welke termijn op de optie zal worden besloten.**
Als de optant stelt dat afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd, maar aan hem geen beroep toekomt op de in het tweede lid genoemde uitzonderingen, vraagt de autoriteit aan Onze Minister om verplicht advies over de vraag of afstand redelijkerwijs kan worden verlangd. Deze verplichte adviesaanvraag heeft praktische redenen: een eenduidige toepassing van het beleid en het feit dat de IND veel ervaring heeft met het beoordelen van deze uitzonderingen. Voor het vragen van advies moet gebruik worden gemaakt van [model 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01). Let op! De autoriteit besluit niet eerder op de optieverklaring dan na ontvangst van het advies van Onze Minister.
Als de optant stelt dat afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd, maar aan hem geen beroep toekomt op de in het tweede lid genoemde uitzonderingen, vraagt de autoriteit aan Onze Minister om verplicht advies over de vraag of afstand redelijkerwijs kan worden verlangd. Deze verplichte adviesaanvraag heeft praktische redenen: een eenduidige toepassing van het beleid en het feit dat de IND veel ervaring heeft met het beoordelen van deze uitzonderingen. Voor het vragen van advies moet gebruik worden gemaakt van [model 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09). Let op! De autoriteit besluit niet eerder op de optieverklaring dan na ontvangst van het advies van Onze Minister.
Als de optant een beroep doet op het rederlijkerwijs niet van hem kunnen verlangen om afstand te doen, dan is het raadzaam om hem een eigen risico verklaring te laten ondertekenen. Het is immers niet bekend of het beroep wordt gehonoreerd en of de optant alsnog afstand moet doen. Het is belangrijk dat de optant hier op is gewezen.
Als Onze Minister aan de autoriteit adviseert het beroep op het redelijkerwijs niet kunnen verlangen om afstand te doen, af te wijzen, dan moet de optant in de gelegenheid worden gesteld om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen in die zin dat hij bereid is om afstand te doen (zie [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [paragraaf 2.2.4.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.3&paragraaf=2.2.4.3.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)). Als de optant niet bereid is de bereidheidsverklaring te ondertekenen, dan kan de optieverklaring niet worden bevestigd. Ondertekent de optant wel de bereidheidsverklaring, dan kan de optie, als de optant ook voldoet aan de overige voorwaarden, bevestigd worden. Bij het verzoek aan de optant om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen kan het advies van Onze Minister worden meegestuurd.
Let op! Het is raadzaam om de beslistermijn op grond van [artikel 6, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) dan meteen te verlengen met 13 weken. Bovendien verlengt [artikel 6a, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a) de basistermijn van artikel 6, vijfde lid, RWN reeds automatisch van 13 weken naar 17 weken als de beslistermijn. De autoriteit deelt vervolgens schriftelijk de optant mee dat aan Onze Minister om advies is verzocht en binnen welke termijn op de optie zal worden beslist. Onze Minister zal binnen vier weken na ontvangst van het verzoek om advies ([model 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) de autoriteit hierover adviseren.
Als Onze Minister aan de autoriteit adviseert het beroep op het redelijkerwijs niet kunnen verlangen om afstand te doen, af te wijzen, dan moet de optant in de gelegenheid worden gesteld om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen in die zin dat hij bereid is om afstand te doen (zie [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [paragraaf 2.2.4.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.3&paragraaf=2.2.4.3.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)). Als de optant niet bereid is de bereidheidsverklaring te ondertekenen, dan kan de optieverklaring niet worden bevestigd. Ondertekent de optant wel de bereidheidsverklaring, dan kan de optie, als de optant ook voldoet aan de overige voorwaarden, bevestigd worden. Bij het verzoek aan de optant om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen kan het advies van Onze Minister worden meegestuurd.
Let op! Het is raadzaam om de beslistermijn op grond van [artikel 6, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) dan meteen te verlengen met 13 weken. Bovendien verlengt [artikel 6a, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a) de basistermijn van artikel 6, vijfde lid, RWN reeds automatisch van 13 weken naar 17 weken als de beslistermijn. De autoriteit deelt vervolgens schriftelijk de optant mee dat aan Onze Minister om advies is verzocht en binnen welke termijn op de optie zal worden beslist. Onze Minister zal binnen vier weken na ontvangst van het verzoek om advies ([model 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) de autoriteit hierover adviseren.
Het advies is een advies als bedoeld in [afdeling 3.3. Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.3) (Awb) en wordt gemotiveerd. Het advies is geen besluit in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) waartegen bezwaar en beroep openstaat. De optant kan wèl bezwaar en beroep aantekenen tegen het (weigerings)besluit van de tot optie bevoegde autoriteit.
@@ -4816,7 +4816,7 @@
[Artikel VII RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. [Artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vereist dat minderjarige kinderen sinds het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede -indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt -dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen moesten daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) wordt beslist, voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hadden ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.
Vanaf 1 oktober 2006 treden de optiebevestiging en het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie. Zie [artikel II van het Besluit van 19 mei 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019915&artikel=II), Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder [artikel 60b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en hieronder [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Vanaf 1 oktober 2006 treden de optiebevestiging en het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie. Zie [artikel II van het Besluit van 19 mei 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019915&artikel=II), Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder [artikel 60b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en hieronder [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Met ingang van 1 maart 2009 is de bereidheid om bij verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen een voorwaarde voor de verkrijging van het Nederlanderschap.
@@ -4832,7 +4832,7 @@
**Een Guinese houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd legt in het kader van zijn naturalisatieprocedure geen documenten over. De geboortedatum waarmee hij is ingeschreven in de BRP is 6 juli 1985. Deze geboortedatum komt overeen met de in zijn vreemdelingrechtelijke procedure opgegeven datum. Omdat de door betrokkene opgegeven leeftijd destijds niet geloofwaardig werd geacht is in het kader van dezelfde verblijfsrechtelijke procedure leeftijdsonderzoek verricht waaruit is gebleken dat de opgegeven geboortedatum 6 juli 1985 niet juist kan zijn omdat de door betrokkene opgegeven leeftijd te laag was. Nu op basis van dit leeftijdsonderzoek, dat onderdeel is van zijn vreemdelingendossier, gerede twijfel bestaat aan de door betrokkene gestelde geboortedatum, en betrokkene deze geboortedatum op geen enkele andere manier aannemelijk heeft gemaakt, staat de identiteit van betrokkene onvoldoende vast en wordt zijn naturalisatieverzoek afgewezen.**
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); zie ook [paragraaf 3.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.2&paragraaf=3.2.5&z=2024-04-01&g=2024-04-01)). De burgemeester die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om een geldig buitenlands reisdocument te overleggen. In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan (zie [paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)). Voorts wordt de verzoeker gevraagd om andere bewijsstukken te overleggen, bijvoorbeeld een geboorteakte (zie [paragraaf 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); zie ook [paragraaf 3.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.2&paragraaf=3.2.5&z=2024-05-09&g=2024-05-09)). De burgemeester die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om een geldig buitenlands reisdocument te overleggen. In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan (zie [paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)). Voorts wordt de verzoeker gevraagd om andere bewijsstukken te overleggen, bijvoorbeeld een geboorteakte (zie [paragraaf 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
### paragraaf 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10 en 11, vierde lid, RWN)
@@ -4872,7 +4872,7 @@
In voorkomende gevallen kan de burgemeester verlangen dat de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder hem ontvangt om in persoon de voor de besluitvorming benodigde gegevens in ontvangst te nemen.
In gevallen, waarin verschijning in persoon weliswaar is voorgeschreven, maar dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan het verzoek om naturalisatie worden ingediend c.q. de verklaring van al dan niet instemming met de (mee)naturalisatie worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder en de gemachtigde ([artikel 3, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond. De gemachtigde dient in persoon aan het loket te verschijnen en de nodige zekerheid te verschaffen over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en ondertekend door de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder. De gemachtigde dient een geldig buitenlands reisdocument van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder te overleggen. Hierbij geldt dat in bepaalde gevallen andere identiteitsdocumenten zijn toegestaan, zie [paragraaf 3.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)
In gevallen, waarin verschijning in persoon weliswaar is voorgeschreven, maar dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan het verzoek om naturalisatie worden ingediend c.q. de verklaring van al dan niet instemming met de (mee)naturalisatie worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder en de gemachtigde ([artikel 3, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond. De gemachtigde dient in persoon aan het loket te verschijnen en de nodige zekerheid te verschaffen over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en ondertekend door de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder. De gemachtigde dient een geldig buitenlands reisdocument van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder te overleggen. Hierbij geldt dat in bepaalde gevallen andere identiteitsdocumenten zijn toegestaan, zie [paragraaf 3.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -5180,9 +5180,9 @@
Met ingang van 1 maart 2009 verklaart betrokkene bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie dat hij bereid is een verklaring van verbondenheid af te leggen. De bereidheid van de verzoeker tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt met het formulier ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ ([model 2.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2023-10-01&g=2023-10-01)) vastgelegd op het moment dat het verzoek om verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie wordt ingediend.
### paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid ([model 2.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01))
Met ingang van 1 maart 2009 verklaart betrokkene bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie dat hij bereid is een verklaring van verbondenheid af te leggen. De bereidheid van de verzoeker tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt met het formulier ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ ([model 2.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) vastgelegd op het moment dat het verzoek om verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie wordt ingediend.
### paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid ([model 2.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09))
Met ingang van 1 maart 2009 verklaart betrokkene bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie dat hij bereid is een verklaring van verbondenheid af te leggen. De bereidheid van de verzoeker tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt met het formulier ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ ([model 2.30](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) vastgelegd op het moment dat het verzoek om verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie wordt ingediend.
De verklaring van verbondenheid drukt de verbondenheid met de Nederlandse samenleving uit. Dit wordt uitgedrukt in het respect voor de rechtsorde en in de belofte de plichten te vervullen die uit het Nederlanderschap voortvloeien.
@@ -5224,9 +5224,9 @@
### paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
Iedere verzoeker om (mede)naturalisatie van 16 jaar of ouder moet door middel van de verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en, als er ook een verzoek om medeverlening voor een kind van onder de 16 jaar wordt ingediend, ook over dit kind de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 31, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)), of hij al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie en of hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Als de verzoeker in deze verklaring aangeeft wel in aanraking te zijn geweest met politie en/of Justitie of dat hij met meer dan één vrouw is getrouwd, dan informeert de burgemeester de verzoeker, voordat hij de verklaring ondertekent, over de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij naturalisatie en wijst hij de verzoeker erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie. De 16 of 17-jarige voor wie medeverlening wordt verzocht, ondertekent zelf het model 2.3. waarin zijn/haar gegevens zijn ingevuld. In dat model is ruimte voor bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar mening van de ondertekenaar of ten aanzien van hem niet mag worden geconcludeerd dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=6&z=2024-04-01&g=2024-04-01) (paragraaf 6.1).
Let op! Als minderjarigen meenaturaliseren, dan moet voor elke minderjarige van 16 jaar of ouder een [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) volledig ingevuld en ondertekend worden meegestuurd bij het verzoek.
Iedere verzoeker om (mede)naturalisatie van 16 jaar of ouder moet door middel van de verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en, als er ook een verzoek om medeverlening voor een kind van onder de 16 jaar wordt ingediend, ook over dit kind de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 31, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)), of hij al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie en of hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Als de verzoeker in deze verklaring aangeeft wel in aanraking te zijn geweest met politie en/of Justitie of dat hij met meer dan één vrouw is getrouwd, dan informeert de burgemeester de verzoeker, voordat hij de verklaring ondertekent, over de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij naturalisatie en wijst hij de verzoeker erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie. De 16 of 17-jarige voor wie medeverlening wordt verzocht, ondertekent zelf het model 2.3. waarin zijn/haar gegevens zijn ingevuld. In dat model is ruimte voor bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar mening van de ondertekenaar of ten aanzien van hem niet mag worden geconcludeerd dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=6&z=2024-05-09&g=2024-05-09) (paragraaf 6.1).
Let op! Als minderjarigen meenaturaliseren, dan moet voor elke minderjarige van 16 jaar of ouder een [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) volledig ingevuld en ondertekend worden meegestuurd bij het verzoek.
**Betrokkene heeft in 2007 samen met zijn ouders regulier verblijfsrecht gekregen, waarbij sprake was van vrijstelling van het ‘paspoortvereiste’. Inmiddels is hij 23 jaar en wil graag naturaliseren. Zijn ouders zijn afkomstig uit Irak. Betrokkene is geboren in een Iraaks vluchtelingenkamp. Geboorten werden volgens betrokkene niet geregistreerd in de plaats waar het vluchtelingenkamp stond en evenmin in het kamp zelf. Als hetgeen wordt gesteld door betrokkene inderdaad zo is, is bij de geboorteakte/bewijsstuk van de geboorteregistratie sprake van bewijsnood, want het gevraagde document is nooit opgemaakt.**
@@ -5238,7 +5238,7 @@
Het verzoek om naturalisatie moet zoveel mogelijk worden ondersteund door (bewijs)stukken. De burgemeester kan van de verzoeker verlangen dat hij gegevens bewijst door middel van documenten ([artikel 31, vijfde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)).
Naast het zo goed mogelijk toepassen van de nationaliteitsbepalingen vloeit uit [artikel 3:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:2) voort dat het naturalisatiebesluit zo zorgvuldig mogelijk is voorbereid en genomen. Er bestaat bovendien een rechtsbelang bij het zoveel mogelijk zorgen dat naturalisatie tot Nederlander plaatsvindt op juiste persoonsgegevens en juiste nationaliteit. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het aan verzoeker of optant om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en aan de staatssecretaris om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit van de desbetreffende verzoeker of optant met de door hem overgelegde stukken zijn aangetoond.6Zie AbRvS, 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:501 Ook als een verzoeker is vrijgesteld van het documentenvereiste (zie [paragraaf 3.5.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.5&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij [artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7)), kan gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit daarom een reden vormen voor afwijzing. Gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit kan bijvoorbeeld bestaan op grond van een taalanalyse door Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT)7Zie bijvoorbeeld ABRvS, 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:869, documentonderzoek door Team onderzoek en Expertise Documenten (TOED)8Zie bijvoorbeeld ABRvS, 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:805, een leeftijdsonderzoek 9Zie bijvoorbeeld ABRvS, 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:109 en ABRvS, 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:197 of een combinatie van meerdere van voornoemde onderzoeken. Ook kan er gerede twijfel ontstaan op grond van de (overige) inhoud van het (vreemdelingrechtelijke) dossier van de verzoeker, dan wel op grond van andere bekende feiten en omstandigheden. De eerder genoemde onderzoeken worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. In beginsel mag op het advies van een deskundige worden afgegaan, nadat is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.10Zie bijvoorbeeld ABRvS, 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:197 ro 2.3
Naast het zo goed mogelijk toepassen van de nationaliteitsbepalingen vloeit uit [artikel 3:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:2) voort dat het naturalisatiebesluit zo zorgvuldig mogelijk is voorbereid en genomen. Er bestaat bovendien een rechtsbelang bij het zoveel mogelijk zorgen dat naturalisatie tot Nederlander plaatsvindt op juiste persoonsgegevens en juiste nationaliteit. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het aan verzoeker of optant om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en aan de staatssecretaris om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit van de desbetreffende verzoeker of optant met de door hem overgelegde stukken zijn aangetoond.6Zie AbRvS, 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:501 Ook als een verzoeker is vrijgesteld van het documentenvereiste (zie [paragraaf 3.5.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.5&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij [artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7)), kan gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit daarom een reden vormen voor afwijzing. Gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit kan bijvoorbeeld bestaan op grond van een taalanalyse door Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT)7Zie bijvoorbeeld ABRvS, 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:869, documentonderzoek door Team onderzoek en Expertise Documenten (TOED)8Zie bijvoorbeeld ABRvS, 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:805, een leeftijdsonderzoek 9Zie bijvoorbeeld ABRvS, 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:109 en ABRvS, 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:197 of een combinatie van meerdere van voornoemde onderzoeken. Ook kan er gerede twijfel ontstaan op grond van de (overige) inhoud van het (vreemdelingrechtelijke) dossier van de verzoeker, dan wel op grond van andere bekende feiten en omstandigheden. De eerder genoemde onderzoeken worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. In beginsel mag op het advies van een deskundige worden afgegaan, nadat is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.10Zie bijvoorbeeld ABRvS, 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:197 ro 2.3
In **uitzondering** op vorenstaande wordt een naturalisatieverzoek **niet** afgewezen vanwege gerede twijfel aan de identiteit of nationaliteit van de verzoeker als de twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit enkel is ontstaan als gevolg van onjuiste verklaringen van zijn of haar ouders. In dat geval wordt aangenomen dat de bij vergunningverlening veelal minderjarige logischerwijs uitgaat van de gegevens die volgen uit de gegevens zoals opgegeven door de ouder(s) en dat hij/zij de waarheidsverklaring als bedoeld in [artikel 31, vierde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) naar waarheid invult en ondertekent.
@@ -5248,9 +5248,9 @@
### 8-alg. Toelichting algemeen
Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die door naturalisatie het Nederlanderschap wil verkrijgen, overlegt de vreemdeling nationaliteit- en identiteitvaststellende documenten (zie onder meer [artikel 31 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) en [paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij [artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7)). Dit geldt ook voor de vreemdeling aan wie een regulier verblijfsrecht is verstrekt, waarbij hij, al dan niet ambtshalve, is vrijgesteld van het ‘paspoortvereiste’.
Als de verzoeker een aantal benodigde gegevens of vereiste documenten niet kan verstrekken, wordt hem geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek tot het moment waarop alle vereiste gegevens en documenten kunnen worden verstrekt. Mocht verzoeker er toch op staan om zijn verzoek in te dienen, ondanks het niet overleggen van de door de burgemeester gevraagde documenten of het niet voldoen aan de voorwaarden voor naturalisatie, dan neemt de burgemeester het verzoek in ontvangst. In dat geval ondertekent de verzoeker [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) HRWN. Volledigheid van de stukken is in het belang van de verzoeker, aangezien in geval van afwijzing van het verzoek om naturalisatie de naturalisatiegelden niet worden terugbetaald.
Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die door naturalisatie het Nederlanderschap wil verkrijgen, overlegt de vreemdeling nationaliteit- en identiteitvaststellende documenten (zie onder meer [artikel 31 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) en [paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij [artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7)). Dit geldt ook voor de vreemdeling aan wie een regulier verblijfsrecht is verstrekt, waarbij hij, al dan niet ambtshalve, is vrijgesteld van het ‘paspoortvereiste’.
Als de verzoeker een aantal benodigde gegevens of vereiste documenten niet kan verstrekken, wordt hem geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek tot het moment waarop alle vereiste gegevens en documenten kunnen worden verstrekt. Mocht verzoeker er toch op staan om zijn verzoek in te dienen, ondanks het niet overleggen van de door de burgemeester gevraagde documenten of het niet voldoen aan de voorwaarden voor naturalisatie, dan neemt de burgemeester het verzoek in ontvangst. In dat geval ondertekent de verzoeker [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) HRWN. Volledigheid van de stukken is in het belang van de verzoeker, aangezien in geval van afwijzing van het verzoek om naturalisatie de naturalisatiegelden niet worden terugbetaald.
### Paragraaf 3.5.2. Buitenlands reisdocument/aantonen bezit vreemde nationaliteit
@@ -5296,7 +5296,7 @@
### Paragraaf 3.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
De verzoeker moet in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) overleggen (zie voor uitzonderingen hieronder [paragraaf 3.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.4&z=2024-04-01&g=2024-04-01)):
De verzoeker moet in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) overleggen (zie voor uitzonderingen hieronder [paragraaf 3.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.4&z=2024-05-09&g=2024-05-09)):
Het belang van de buitenlandse geboorteakte in de naturalisatieprocedure is onder meer dat aan de hand daarvan de namen van de verzoeker om naturalisatie blijken naar diens eigen recht, en dat daarmee kan worden bepaald of betrokkene (al) een geslachtsnaam heeft of niet. Als de verzoeker geen geslachtsnaam of voornaam heeft, of als de juiste spelling daarvan niet vaststaat, zullen deze in overleg met hem worden vastgesteld bij het besluit waarbij het Nederlanderschap wordt verleend ([artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)). Niet in alle landen worden geboorten met een ’akte van de burgerlijke stand’ geregistreerd. Afhankelijk van het stelsel in het land waar het over gaat, wordt dan een alternatief bewijsstuk van de geboorte gevraagd zoals een geboortebewijs uit een ziekenhuis of een inschrijving in een familieboekje.
@@ -5390,7 +5390,7 @@
### paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt de burgemeester een negatief advies uit en wijst de Minister het verzoek om naturalisatie af (zie tevens [paragraaf 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.9&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).’
Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt de burgemeester een negatief advies uit en wijst de Minister het verzoek om naturalisatie af (zie tevens [paragraaf 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.9&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).’
De naturalisandus die niet is verschenen en wiens besluit is vervallen, kan enkel een nieuw verzoek om naturalisatie indienen om zo alsnog Nederlander te worden. Tegen het vervallen van het naturalisatiebesluit, als gevolg van het verstrijken van de vervaltermijn van één jaar na de dagtekening van het besluit staat geen bezwaar of beroep open. Het betreft immers verval van rechtswege.
@@ -5430,9 +5430,9 @@
Indien van toepassing maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) na ontvangst van het terugmeldformulier een uitwisselingsformulier op, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit ([model 1.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2023-10-01&g=2023-10-01)). Dit is, ingevolge de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk en Portugal.
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen ([artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing ([artikel 38, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=38)). Beslissingen tot afwijzing, tot buitenbehandelingstelling of tot aanhouding van verzoeken worden per post aan verzoeker verzonden. In geval van een positieve beslissing stuurt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zo snel mogelijk aan de burgemeester van de woonplaats van de verzoeker. De burgemeester draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit. (Zie ook [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&z=2024-04-01&g=2024-04-01).) Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de mee-genaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie, indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit totstandgekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
Indien van toepassing maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) na ontvangst van het terugmeldformulier een uitwisselingsformulier op, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit ([model 1.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)). Dit is, ingevolge de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk en Portugal.
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen ([artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing ([artikel 38, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=38)). Beslissingen tot afwijzing, tot buitenbehandelingstelling of tot aanhouding van verzoeken worden per post aan verzoeker verzonden. In geval van een positieve beslissing stuurt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zo snel mogelijk aan de burgemeester van de woonplaats van de verzoeker. De burgemeester draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit. (Zie ook [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&z=2024-05-09&g=2024-05-09).) Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de mee-genaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie, indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit totstandgekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
Indien van toepassing maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) na ontvangst van het terugmeldformulier een uitwisselingsformulier op, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit ([model 1.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)). Dit is, ingevolge de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk en Portugal.
Noorwegen is vanaf 19 december 2019 niet langer partij bij Hoofdstuk 1 van het Verdrag van Straatsburg. Uitwisseling op grond van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 is sindsdien niet langer nodig.
@@ -5530,7 +5530,7 @@
### Bijlage 1:. tabel oproepen en uitreiken
Als de verzoeker met nationaliteit ‘onbekend’ in de BRP is opgenomen, in overeenstemming met artikel 2.15 Wet BRP of de voorganger daarvan, [artikel 43 Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=43), moet hij in beginsel een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overleggen ([paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Als de verzoeker met nationaliteit ‘onbekend’ in de BRP is opgenomen, in overeenstemming met artikel 2.15 Wet BRP of de voorganger daarvan, [artikel 43 Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=43), moet hij in beginsel een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overleggen ([paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
### paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets
@@ -5574,11 +5574,11 @@
Verwacht mag worden dat passanten slechts sporadisch verzoeken om naturalisatie indienen.
De burgemeester controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het, door de burgemeester, is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
De burgemeester controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het, door de burgemeester, is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
### Paragraaf 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten
De burgemeester sluit het onderzoek af met het uitbrengen van een schriftelijk advies aan de IND over het verzoek om naturalisatie en over de eventuele naamsvaststelling c.q. naamswijziging ([artikel 36, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36). Zie [model 2.22 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
De burgemeester sluit het onderzoek af met het uitbrengen van een schriftelijk advies aan de IND over het verzoek om naturalisatie en over de eventuele naamsvaststelling c.q. naamswijziging ([artikel 36, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36). Zie [model 2.22 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
### paragraaf 3.13.5. Procedurele aspecten na uitreiking
@@ -5716,7 +5716,7 @@
### paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets
De burgemeester beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld ([artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3)) of ontheven ([artikel 4 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4)) van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Is dat niet het geval, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een Certificaat Naturalisatietoets, bedoeld in [artikel 5 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) te overleggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar paragraaf 2.3 en voor ontheffing [paragraaf 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
De burgemeester beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld ([artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3)) of ontheven ([artikel 4 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4)) van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Is dat niet het geval, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een Certificaat Naturalisatietoets, bedoeld in [artikel 5 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) te overleggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar paragraaf 2.3 en voor ontheffing [paragraaf 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
### paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling
@@ -5728,7 +5728,7 @@
### paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
Alsdan toetst de burgemeester de door de verzoeker verstrekte persoonsgegevens aan de gegevens die zijn opgenomen in de BRP ([artikel 35, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=35)). Heeft het verzoek mede betrekking op personen die staan ingeschreven met een adres in een andere gemeente of kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, dan verzoekt hij de burgemeester van de betreffende gemeente om binnen vier weken (of in voorkomend geval de gezaghebber van het openbare lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao of Sint Maarten om binnen tien weken) de door verzoeker verstrekte persoonsgegevens te controleren (artikel 35, tweede lid, BVVN). De persoonsgegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie hierboven [paragraaf 3.6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.6&paragraaf=3.6.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie. De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te controleren (artikel 35, vierde lid, BVVN). Ten aanzien van de zogenaamde passanten verzoekt de burgemeester, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de persoonsgegevens zo mogelijk binnen tien weken te controleren (artikel 35, derde lid, BVVN). Zie het hoofdstuk Voorlichting in de desbetreffende Handleiding voor adressering aan de betreffende autoriteiten. Voor zover mogelijk onderzoekt de burgemeester de juistheid van de persoonsgegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden gecontroleerd (artikel 35, vijfde lid, BVVN).
Alsdan toetst de burgemeester de door de verzoeker verstrekte persoonsgegevens aan de gegevens die zijn opgenomen in de BRP ([artikel 35, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=35)). Heeft het verzoek mede betrekking op personen die staan ingeschreven met een adres in een andere gemeente of kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, dan verzoekt hij de burgemeester van de betreffende gemeente om binnen vier weken (of in voorkomend geval de gezaghebber van het openbare lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao of Sint Maarten om binnen tien weken) de door verzoeker verstrekte persoonsgegevens te controleren (artikel 35, tweede lid, BVVN). De persoonsgegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie hierboven [paragraaf 3.6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.6&paragraaf=3.6.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie. De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te controleren (artikel 35, vierde lid, BVVN). Ten aanzien van de zogenaamde passanten verzoekt de burgemeester, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de persoonsgegevens zo mogelijk binnen tien weken te controleren (artikel 35, derde lid, BVVN). Zie het hoofdstuk Voorlichting in de desbetreffende Handleiding voor adressering aan de betreffende autoriteiten. Voor zover mogelijk onderzoekt de burgemeester de juistheid van de persoonsgegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden gecontroleerd (artikel 35, vijfde lid, BVVN).
### paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
@@ -5740,7 +5740,7 @@
### Bijlage 1
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit maakt de IND, na ontvangst van het terugmeldformulier, een formulier op gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 ([Model 1.35a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) toe. De IND maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige die door naturalisatie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door naturalisatie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder.
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit maakt de IND, na ontvangst van het terugmeldformulier, een formulier op gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 ([Model 1.35a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) toe. De IND maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige die door naturalisatie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door naturalisatie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder.
### paragraaf 3.11. Bezwaar
@@ -5826,13 +5826,13 @@
De oproeping vindt tijdig voor de uitreiking plaats binnen zes weken na de dag van dagtekening van het naturalisatiebesluit. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd (artikel 60b, tweede lid BVVN).
De burgemeester roept de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op ([artikel 60b, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend ([artikel 2, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) (tabel oproepen en uitreiken).
De burgemeester roept de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op ([artikel 60b, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend ([artikel 2, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) (tabel oproepen en uitreiken).
De oproeping vindt tijdig voor de uitreiking plaats binnen zes weken na de dag van dagtekening van het naturalisatiebesluit. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd (artikel 60b, tweede lid BVVN).
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst van het desbetreffende uittreksel daarvan, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt het uittreksel buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60b, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen de vaststelling van het besluit en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt het naturalisatiebesluit opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra het naturalisatiebesluit aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken naturalisandus in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst van het desbetreffende uittreksel daarvan, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt het uittreksel buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60b, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen de vaststelling van het besluit en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt het naturalisatiebesluit opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra het naturalisatiebesluit aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken naturalisandus in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
Is een jaar na de dag van ondertekening van het naturalisatiebesluit verstreken zonder dat de naturalisandus (op een naturalisatieceremonie) is verschenen en het besluit derhalve niet aan hem is bekendgemaakt, dan vervalt het naturalisatiebesluit ([artikel 60b, elfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). De vervaltermijn van één jaar is opgeschort indien sprake is van bezwaar- en beroep tegen het besluit inzake de wijze van bekendmaking van de optiebevestiging en/of de wijze van aflegging van de verklaring van verbondenheid. Om te voorkomen dat het besluit daardoor zou vervallen, is bepaald dat de termijn van één jaar door het instellen van bezwaar of beroep wordt opgeschort totdat daarop onherroepelijk is beslist. De vervaltermijn van één jaar wordt stopgezet op het moment dat de burgemeester of de rechtbank het bezwaar- dan wel beroepschrift heeft ontvangen en gaat weer lopen op het moment dat de beslissing van de burgemeester of de rechtbank onherroepelijk is geworden en dus geen rechtsmiddelen meer openstaan. De termijn loopt dan na de beslissing in bezwaar of beroep verder en vangt niet opnieuw aan. Onder beroep wordt mede hoger beroep begrepen ([artikel 60b, elfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)).
@@ -5842,7 +5842,7 @@
### Paragraaf 2. Procedure
De burgemeester reikt het uittreksel van het besluit uit aan de naturalisandus of medenaturalisandus die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was en ná het afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60b, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) (tabel oproepen en uitreiken).
De burgemeester reikt het uittreksel van het besluit uit aan de naturalisandus of medenaturalisandus die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was en ná het afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60b, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) (tabel oproepen en uitreiken).
De bekendmaking van het besluit is opgedragen aan de burgemeester van de woonplaats van de betrokkene, zoals die ten tijde van de ondertekening van het besluit, althans op het moment van de toezending van het desbetreffende uittreksel, bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) vanuit de bevolkingsadministratie bekend is. Verhuist de betrokkene daarna, dan kan de burgemeester aan wie het desbetreffende uittreksel is toegezonden, de uitreiking zelf verrichten of deze (door middel van een machtiging) overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van betrokkene. Indien de burgemeester aan wie het desbetreffende uittreksel is toegezonden, ondanks verhuizing van de naturalisandus naar een andere gemeente, de uitreiking zelf verricht, dan stelt hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de naturalisandus van deze uitreiking in kennis.
@@ -5872,7 +5872,7 @@
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid persoonlijk wordt afgelegd tijdens een naturalisatieceremonie waarbij het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd43Zie artikel 60b, vierde lid, BVVN en artikel 23, tweede lid, RWN.. Van de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Het mondeling of schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid kan niet worden overgelaten aan een gemachtigde gezien het persoonlijke karakter van de verklaring.
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt de burgemeester de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de burgemeester (zie tevens [paragraaf 3.13.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.4&paragraaf=3.13.4.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt de burgemeester de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de burgemeester (zie tevens [paragraaf 3.13.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.4&paragraaf=3.13.4.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen aan de burgemeester van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van het naturalisatiebesluit worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze. Hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de ceremonie om of aan toezending van de bekendmaking van verlening van het Nederlanderschap aan de naturalisandus.
@@ -5938,7 +5938,7 @@
Op het moment dat een verzoek om naturalisatie wordt ingediend, moet de verzoeker meerderjarig zijn in de zin van [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1). Hij moet dus of de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, voordien in het huwelijk zijn getreden of voordien in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN. De burgemeester onderzoekt de meerderjarigheid van de verzoeker aan de hand van de gegevens in de BRP. Als de geboortedatum in de overgelegde stukken niet overeenstemt met de BRP, bevordert de burgemeester dat de BRP zo mogelijk wordt aangepast. Het verdient aanbeveling dat de burgemeester deze mutatie meedeelt aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Daarmee wordt voorkomen dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ten onrechte een dubbel dossier aanlegt over dezelfde verzoeker.
Is de verzoeker nog minderjarig, maar is naturalisatie gewenst op grond van zeer bijzondere omstandigheden, dan is verlening van het Nederlanderschap uitsluitend mogelijk met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) (zie de [toelichting bij dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=10&z=2024-04-01&g=2024-04-01)). Zie echter voor medeverlening aan minderjarigen [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). Zie voorts artikel 11, vierde lid, RWN, waarin een categorie minderjarigen wordt genoemd die zelfstandig voor naturalisatie in aanmerking komt.
Is de verzoeker nog minderjarig, maar is naturalisatie gewenst op grond van zeer bijzondere omstandigheden, dan is verlening van het Nederlanderschap uitsluitend mogelijk met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) (zie de [toelichting bij dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=10&z=2024-05-09&g=2024-05-09)). Zie echter voor medeverlening aan minderjarigen [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). Zie voorts artikel 11, vierde lid, RWN, waarin een categorie minderjarigen wordt genoemd die zelfstandig voor naturalisatie in aanmerking komt.
### 8-1-b. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
@@ -5946,7 +5946,7 @@
### Paragraaf 2.1. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van (de beperking van) de verblijfsvergunning van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet (zie hierna [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van (de beperking van) de verblijfsvergunning van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet (zie hierna [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
### Paragraaf 2.1. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
@@ -5972,19 +5972,19 @@
Er is sprake van toelating voor onbepaalde tijd waartegen geen bedenkingen bestaan, als het verstrekte reguliere verblijfsrecht naar zijn aard niet tijdelijk is. In [artikel 3.4 Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) staan de beperkingen waaronder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend. De beperking wordt vermeld op het verblijfsdocument. In [artikel 3.5, tweede lid, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) is bepaald of een verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een tijdelijk karakter heeft of niet. Is de verblijfsvergunning verleend onder een andere beperking, dan is het verblijf van de vreemdeling in beginsel niet-tijdelijk van aard. Het kan echter voorkomen dat bij de verlening van een verblijfsvergunning of in een beleidsregel is aangegeven dat het verblijfsrecht toch tijdelijk van aard is.
Aan de hand van het verblijfsdocument van de verzoeker en met behulp van de [Bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=7&z=2024-04-01&g=2024-04-01) kan worden beoordeeld of er al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker moet bij de indiening van het verzoek de gegevens en bescheiden verschaffen die voor de beslissing nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken ([artikel 4:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2)). Hij verstrekt bij de indiening de tegenwoordige en, voor zoveel nodig, de gegevens met betrekking tot de eerdere verblijfsrechtelijke status ([artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)).
Bij het indienen van het naturalisatieverzoek toont de verzoeker zijn verblijfsdocument en controleert de gemeente de toelatingsgegevens van verzoeker in de BRP en/of de BVV. De gemeente vult vervolgens [model 2.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) (adviesblad naturalisatie) in.
Het gaat te ver om in de naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht dat naar zijn aard al dan niet tijdelijk is. De naturalisatieprocedure is daar niet op ingericht en is daar ook niet voor bedoeld. Als de verzoeker stelt daar aanspraak op te kunnen maken, wijst de burgemeester verzoeker op de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen bij de IND. Daarom wordt in het kader van de behandeling van een verzoek om naturalisatie geen fictietoets toegepast, waarbij wordt bezien of de verzoeker die niet in het bezit is van een verblijfstitel om voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven, daarvoor wel in aanmerking zou kunnen komen als daarom zou worden gevraagd. Zie [paragraaf 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Inzet van de naturalisatieprocedure is evenmin de vraag of de verblijfsvergunning die de verzoeker bezit al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Toch vindt in de naturalisatieprocedure altijd een beoordeling plaats op de vraag of de verblijfsvergunning op dit moment zou worden verlengd of zou kunnen worden ingetrokken. Zie [paragraaf 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Aan de hand van het verblijfsdocument van de verzoeker en met behulp van de [Bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=7&z=2024-05-09&g=2024-05-09) kan worden beoordeeld of er al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker moet bij de indiening van het verzoek de gegevens en bescheiden verschaffen die voor de beslissing nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken ([artikel 4:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2)). Hij verstrekt bij de indiening de tegenwoordige en, voor zoveel nodig, de gegevens met betrekking tot de eerdere verblijfsrechtelijke status ([artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)).
Bij het indienen van het naturalisatieverzoek toont de verzoeker zijn verblijfsdocument en controleert de gemeente de toelatingsgegevens van verzoeker in de BRP en/of de BVV. De gemeente vult vervolgens [model 2.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) (adviesblad naturalisatie) in.
Het gaat te ver om in de naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht dat naar zijn aard al dan niet tijdelijk is. De naturalisatieprocedure is daar niet op ingericht en is daar ook niet voor bedoeld. Als de verzoeker stelt daar aanspraak op te kunnen maken, wijst de burgemeester verzoeker op de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen bij de IND. Daarom wordt in het kader van de behandeling van een verzoek om naturalisatie geen fictietoets toegepast, waarbij wordt bezien of de verzoeker die niet in het bezit is van een verblijfstitel om voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven, daarvoor wel in aanmerking zou kunnen komen als daarom zou worden gevraagd. Zie [paragraaf 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Inzet van de naturalisatieprocedure is evenmin de vraag of de verblijfsvergunning die de verzoeker bezit al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Toch vindt in de naturalisatieprocedure altijd een beoordeling plaats op de vraag of de verblijfsvergunning op dit moment zou worden verlengd of zou kunnen worden ingetrokken. Zie [paragraaf 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.2&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Als vreemdelingrechtelijke vragen zich bij het indienen van een verzoek voordoen, moet de verzoeker worden verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ([artikel 36, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)).
### Paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
In afwijking van het voorgaande vindt een fictietoets wel plaats indien het een buiten het Koninkrijk ingediend verzoek betreft. Zie [paragraaf 3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.8&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
In afwijking van het voorgaande vindt een fictietoets wel plaats indien het een buiten het Koninkrijk ingediend verzoek betreft. Zie [paragraaf 3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.8&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
### Paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
@@ -6004,7 +6004,7 @@
Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning met een andere beperking die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. In dat geval geldt – om redenen genoemd in [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) – dat verzoeker verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en wordt ontraden om nu al een verzoek in te dienen. Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij de toelichting op dit artikellid.
Zoals aangegeven in [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) (onder ‘Geen fictietoets op sterker verblijfsrecht in de naturalisatieprocedure’) vindt – behoudens bij een verzoek ingediend buiten het Koninkrijk – geen fictietoets plaats binnen de naturalisatieprocedure.
Zoals aangegeven in [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) (onder ‘Geen fictietoets op sterker verblijfsrecht in de naturalisatieprocedure’) vindt – behoudens bij een verzoek ingediend buiten het Koninkrijk – geen fictietoets plaats binnen de naturalisatieprocedure.
### Paragraaf 3.4.4. Britten met verblijfsrecht onder het Terugtrekkingsakkoord
@@ -6014,7 +6014,7 @@
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Alleen als betrokkene er op staat om tóch, ondanks het ontbreken van het juiste verblijfsdocument of een beschikking van de IND zoals hierboven omschreven, zijn naturalisatieverzoek in te dienen, dan mag de gemeente die indiening niet weigeren en moet de procedure gevolgd worden zoals omschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) van de toelichting op artikel 7 RWN.
Alleen als betrokkene er op staat om tóch, ondanks het ontbreken van het juiste verblijfsdocument of een beschikking van de IND zoals hierboven omschreven, zijn naturalisatieverzoek in te dienen, dan mag de gemeente die indiening niet weigeren en moet de procedure gevolgd worden zoals omschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) van de toelichting op artikel 7 RWN.
In deze paragrafen wordt uitleg gegeven over vreemdelingen die het verblijfsrecht aan het Unierecht ontlenen. Het gaat hierbij om burgers van de Europese Unie, burgers van de Europese Economische Ruimte (IJsland, Noorwegen, Liechtenstein) en vreemdelingen met de Zwitserse nationaliteit. Daarnaast gaat het over de specifieke positie van hun familielid-derdelanders.
@@ -6022,9 +6022,9 @@
In deze paragrafen wordt uitleg gegeven over vreemdelingen die het verblijfsrecht aan het Unierecht ontlenen. Het gaat hierbij om burgers van de Europese Unie, burgers van de Europese Economische Ruimte (IJsland, Noorwegen, Liechtenstein) en vreemdelingen met de Zwitserse nationaliteit. Daarnaast gaat het over de specifieke positie van hun familielid-derdelanders.
In [paragraaf 3.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) wordt algemene uitleg gegeven over het Unierecht en worden een aantal begrippen uitgelegd.
In [paragraaf 3.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) wordt uitleg gegeven over het verblijfsrecht dat aan het Unierecht ontleend kan worden, op basis van [Richtlijn 2004/38/EG](32004L0038).
In [paragraaf 3.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) wordt algemene uitleg gegeven over het Unierecht en worden een aantal begrippen uitgelegd.
In [paragraaf 3.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) wordt uitleg gegeven over het verblijfsrecht dat aan het Unierecht ontleend kan worden, op basis van [Richtlijn 2004/38/EG](32004L0038).
Naast verblijf op basis van [Richtlijn 2004/38/EG](32004L0038) kan een vreemdeling ook verblijfsrecht ontlenen aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) of [Verordening 492/2011](32011R0492).
@@ -6032,7 +6032,7 @@
Daarbij is ingegaan op de vraag bij welk verblijfsrecht al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Ook wordt aangegeven op welke wijze een vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Unierecht, dit verblijfsrecht kan of moet aantonen.
In [paragraaf 3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.4&z=2024-04-01&g=2024-04-01) wordt ingegaan op de vraag of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd voor vreemdelingen met de Britse nationaliteit en hun familielid-derdelanders, die een naturalisatieverzoek hebben ingediend en die hun verblijfsrecht ontlenen aan het Terugtrekkingsakkoord tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie (vanwege het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie).
In [paragraaf 3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.4&z=2024-05-09&g=2024-05-09) wordt ingegaan op de vraag of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd voor vreemdelingen met de Britse nationaliteit en hun familielid-derdelanders, die een naturalisatieverzoek hebben ingediend en die hun verblijfsrecht ontlenen aan het Terugtrekkingsakkoord tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie (vanwege het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie).
Onder Unierecht wordt verstaan het geheel van EU-verdragen, verordeningen, richtlijnen, inclusief de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Voor deze paragraaf zijn vooral het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en [Richtlijn 2004/38/EG](32004L0038) relevant.
@@ -6052,7 +6052,7 @@
Een familielid-derdelander is wel verplicht om na de eerste drie maanden verblijf in de ‘vrije termijn´ een EU/EER verblijfsdocument te bezitten. Een familielid-derdelander moet in het kader van een optie- of naturalisatieprocedure zijn verblijfsrecht daarom aantonen met een verblijfsdocument.
Heeft een familielid-derdelander geen verblijfsdocument, dan wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. Als een familielid-derdelander zonder verblijfsdocument toch een verzoek wil indienen, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1 bij de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Heeft een familielid-derdelander geen verblijfsdocument, dan wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. Als een familielid-derdelander zonder verblijfsdocument toch een verzoek wil indienen, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1 bij de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Er zijn ook nog oude EU-verblijfsdocumenten in omloop. Het gaat dan om de verblijfskaart ‘EU/EER’ met als opmerking ‘Gemeenschapsonderdaan’. Deze werd uitgegeven aan:
@@ -6190,7 +6190,7 @@
EG-richtlijnen: 73/148 en 93/96
Voor [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt overgangsrecht. Zie de [toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Voor [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt overgangsrecht. Zie de [toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
### 8-alg. Toelichting algemeen
@@ -6218,7 +6218,7 @@
### Paragraaf 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
Zie voor een schema [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij dit artikellid.
Zie voor een schema [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij dit artikellid.
### Paragraaf 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
@@ -6226,21 +6226,21 @@
### Paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
Er zijn ook situaties denkbaar waarin de verzoeker niet beschikt over de juiste verblijfsvergunning, waarin de verblijfsvergunning behoort te worden ingetrokken, waarin het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen of waarin verzoeker niet behoeft te beschikken over een verblijfsvergunning. In die gevallen kan niet met behulp van de [Bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=7&z=2024-04-01&g=2024-04-01) worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland van de verzoeker. Voor die gevallen gelden de volgende paragrafen.
Er zijn ook situaties denkbaar waarin de verzoeker niet beschikt over de juiste verblijfsvergunning, waarin de verblijfsvergunning behoort te worden ingetrokken, waarin het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen of waarin verzoeker niet behoeft te beschikken over een verblijfsvergunning. In die gevallen kan niet met behulp van de [Bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=7&z=2024-05-09&g=2024-05-09) worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland van de verzoeker. Voor die gevallen gelden de volgende paragrafen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Als de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat er tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan (en dit blijkt evenmin uit de BRP en/of de BVV), wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om – indien van toepassing – zijn verblijfsstatus te regelen en wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. Als de verzoeker er niettemin op staat een naturalisatieverzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
Als de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat er tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan (en dit blijkt evenmin uit de BRP en/of de BVV), wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om – indien van toepassing – zijn verblijfsstatus te regelen en wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. Als de verzoeker er niettemin op staat een naturalisatieverzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Als de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat er tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan (en dit blijkt evenmin uit de BRP en/of de BVV), wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om – indien van toepassing – zijn verblijfsstatus te regelen en wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. Als de verzoeker er niettemin op staat een naturalisatieverzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verleende verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen.
Als er aanwijzingen bestaan dat een verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd, kunnen er – ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument en een geldig verblijfsrecht in de BRP – wél bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en hij wordt ontraden nu al een verzoek in te dienen. Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij de toelichting op dit artikellid.
Als er aanwijzingen bestaan dat een verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd, kunnen er – ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument en een geldig verblijfsrecht in de BRP – wél bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en hij wordt ontraden nu al een verzoek in te dienen. Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij de toelichting op dit artikellid.
In het advies aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt dan melding gemaakt van de omstandigheden die hebben geleid tot het vermoeden dat de verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht dan nader onderzoeken.
Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning met een andere beperking die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. In dat geval geldt – om redenen genoemd in [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) – dat verzoeker verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en wordt ontraden om nu al een verzoek in te dienen. Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij de toelichting op dit artikellid.
Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning met een andere beperking die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. In dat geval geldt – om redenen genoemd in [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) – dat verzoeker verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en wordt ontraden om nu al een verzoek in te dienen. Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij de toelichting op dit artikellid.
De Turkse onderdaan die stelt verblijfsrecht met een niet-tijdelijk karakter te ontlenen aan Associatiebesluit 1/80 maar dit niet kan onderbouwen met een verblijfsvergunning moet zich voorafgaand aan de indiening van het naturalisatieverzoek tot de IND wenden om zijn verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard te laten vastleggen. Dit kan door het aanvragen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
@@ -6336,17 +6336,17 @@
Door de zendstaat uitgezonden diplomatiek of consulair niet duurzaam verblijvend personeel (en hun gezinsleden) bezitten een bijzondere status op grond van de Weense Verdragen inzake het Diplomatiek Verkeer respectievelijk de Consulaire Betrekkingen. Zij worden door de Minister van Buitenlandse Zaken in het bezit gesteld van een speciaal identiteitsbewijs. De [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is niet op hen van toepassing. Zolang zij deze bijzondere status bezitten, beschikken zij niet (en kunnen zij ook niet beschikken) over een verblijfsvergunning op grond van Vw 2000. Er bestaan bedenkingen tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland.
De verzoeker wordt ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
De verzoeker wordt ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
De [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is in het algemeen evenmin van toepassing op vreemdelingen (en hun gezinsleden) die in Nederland werkzaamheden verrichten voor internationale organisaties. Op grond van zetelovereenkomsten, waarin (mede) bepalingen zijn opgenomen omtrent hun verblijfsrechtelijke positie, komt aan hen en hun gezinsleden de bijzondere status toe. Door de Minister van Buitenlandse Zaken worden zij in het bezit gesteld van een speciaal identiteitsbewijs en zij beschikken niet over een verblijfsvergunning. Er bestaan bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. Dezelfde handelwijze geldt als bij uitgezonden diplomatiek of consulair personeel.
Na beëindiging van het dienstverband met een ambassade, een consulaat of een internationale organisatie komt de bijzondere status van bovenstaande categorieën vreemdelingen te vervallen. De bepalingen van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zijn dan onverkort van toepassing.
Als een ex-geprivilegieerde verzoeker beschikt over een verblijfsdocument kan aan de hand van dat document met behulp van [Bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=7&z=2024-04-01&g=2024-04-01) worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. Indien een ex-geprivilegieerde verzoeker (nog) niet beschikt over een verblijfsdocument wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Uiteraard kunnen ook onderdanen uit de EU- en EER-landen de bijzondere geprivilegieerde status bezitten. Zij kunnen in het bezit zijn van een verblijfsdocument EU/EER. In dat geval wordt door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument met behulp van [Bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=7&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij dit artikellid beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde duur.
Als een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Als hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Als een ex-geprivilegieerde verzoeker beschikt over een verblijfsdocument kan aan de hand van dat document met behulp van [Bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=7&z=2024-05-09&g=2024-05-09) worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland. Indien een ex-geprivilegieerde verzoeker (nog) niet beschikt over een verblijfsdocument wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Uiteraard kunnen ook onderdanen uit de EU- en EER-landen de bijzondere geprivilegieerde status bezitten. Zij kunnen in het bezit zijn van een verblijfsdocument EU/EER. In dat geval wordt door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument met behulp van [Bijlagen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=7&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij dit artikellid beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde duur.
Als een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Als hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Ten aanzien van Molukkers die op grond van de [wet van 9 september 1976](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) worden behandeld als Nederlander, dient in de BRP te zijn aangetekend: ‘Behandeld als Nederlander’.
@@ -6374,7 +6374,7 @@
Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. De burgemeester stelt zijn bevindingen op in een advies en stuurt het advies met een kopie van eventueel overgelegde documenten mee in het dossier aan de IND. In dit geval wordt de verzoeker door de burgemeester erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND kan worden afgewezen, en dat hij de betaalde naturalisatiegelden niet terug krijgt. Geadviseerd wordt dat de burgemeester de verzoeker een verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’ laat ondertekenen. Deze verklaring is opgenomen in de Handleiding RWN als [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2023-08-01&g=2023-08-01).
1 Bij de uitkomst ‘geen bedenkingen’ in [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01), of [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) of [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=7&z=2024-04-01&g=2024-04-01) moet nog wel worden bedacht dat er geen redenen mogen bestaan om een verblijfsvergunning op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) in te trekken dan wel niet te verlengen. Zie hiervoor [paragraaf 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01). Tevens kunnen er gevallen zijn waarbij het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen (vreemdelingen die verblijfsrecht aan Unierecht ontlenen) of dient te worden beëindigd. Zie hiervoor [paragraaf 3.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) ('Twijfel omtrent het bestaan van het verblijfsrecht').
1 Bij de uitkomst ‘geen bedenkingen’ in [Bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09), of [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) of [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=7&z=2024-05-09&g=2024-05-09) moet nog wel worden bedacht dat er geen redenen mogen bestaan om een verblijfsvergunning op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) in te trekken dan wel niet te verlengen. Zie hiervoor [paragraaf 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.2&z=2024-05-09&g=2024-05-09). Tevens kunnen er gevallen zijn waarbij het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen (vreemdelingen die verblijfsrecht aan Unierecht ontlenen) of dient te worden beëindigd. Zie hiervoor [paragraaf 3.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) ('Twijfel omtrent het bestaan van het verblijfsrecht').
Als een verzoeker bij de burgemeester of bij de IND aangeeft dat hij in aanmerking komt voor vrijstelling van het onderdeel “Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt”, dan wordt de verzoeker doorverwezen naar DUO. DUO toetst dan of de verzoeker in aanmerking komt voor de deelvrijstelling en of verzoeker in het bezit gesteld kan worden van een inburgeringsdiploma.
@@ -6382,7 +6382,7 @@
Het is mogelijk om volledige vrijstelling van de naturalisatietoets te krijgen of om een gedeeltelijke vrijstelling voor specifieke onderdelen van de naturalisatietoets te krijgen. De voorwaarden worden in de volgende twee paragrafen beschreven. De algemene procedure is hierboven in [paragraaf 2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.1&paragraaf=2.1.2&z=2023-08-01&g=2023-08-01) beschreven.
Let op! Een verzoeker die verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de **Assiociatieraad** EU-Turkije kan ook met een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter in aanmerking komen voor naturalisatie. Zie voor meer uitleg [paragraaf 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) van de toelichting op artikel 8, eerste lid, onder b, RWN.
Let op! Een verzoeker die verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de **Assiociatieraad** EU-Turkije kan ook met een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter in aanmerking komen voor naturalisatie. Zie voor meer uitleg [paragraaf 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) van de toelichting op artikel 8, eerste lid, onder b, RWN.
1 Zie verblijfsrechten op grond van artikel 21 VWEU en artikel 10 Vo 492/2011 voor uitzonderingen
@@ -6524,7 +6524,7 @@
Aan het inburgeringsexamen is aan het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving op 1 januari 2015 het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt toegevoegd. Voor meer toelichting op dit examenonderdeel, zie Stb. 2014, 404.
Voor vrijstelling van het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt zie [paragraaf 2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Voor vrijstelling van het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt zie [paragraaf 2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Op 1 oktober 2017 veranderde de inhoud van het inburgeringsexamen. Daarmee veranderde ook de inhoud van de naturalisatietoets.
@@ -6534,7 +6534,7 @@
Per 1 juli 2018 is de [Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067) gewijzigd. In de Regeling zijn wijzigingen opgenomen met betrekking tot de examenpogingen, die een verzoeker moet hebben gedaan als bewijs dat hij aantoonbaar voldoende inspanningen heeft verricht om het inburgeringsexamen te halen. Ook is opgenomen dat een alfabetiseringscursus mee kan tellen bij het aantal benodigde uren dat een verzoeker moet hebben deelgenomen aan een inburgeringscursus. Deze wijzigingen worden verder toegelicht in paragraaf 2.3.4.
Per 28 mei 2019 is de Regeling naturalisatietoets Nederland gewijzigd. In [artikel 4, achtste lid, onder c, Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=4) is een gedeeltelijke vrijstelling opgenomen, voor het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt (zie verder [paragraaf 2.2.1 bij de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Per 28 mei 2019 is de Regeling naturalisatietoets Nederland gewijzigd. In [artikel 4, achtste lid, onder c, Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=4) is een gedeeltelijke vrijstelling opgenomen, voor het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt (zie verder [paragraaf 2.2.1 bij de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
Per 1 oktober 2020 is de Regeling naturalisatietoets Nederland gewijzigd. In artikel 4, achtste lid, onder c, Regeling naturalisatietoets Nederland is een gedeeltelijke vrijstelling opgenomen, voor het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt (zie verder paragraaf 2.2.3 bij de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN).
@@ -6548,7 +6548,7 @@
De grondslag voor het stellen van de voorwaarde dat de verzoeker om naturalisatie aantoont dat hij als ingeburgerd kan worden beschouwd, ligt in [artikel 8, eerste lid en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8). Daaraan is voor verzoekers die woonachtig zijn in Europees Nederland of buiten het Koninkrijk invulling gegeven in het Besluit naturalisatietoets, de Regeling naturalisatietoets Nederland en de Handleiding.
Per 15 februari 2023 is de Regeling naturalisatietoets Nederland gewijzigd (besluit Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 30 januari 2023, kenmerk 4361501). In artikel 4, achtste lid van de Regeling naturalisatietoets Nederland zijn nieuwe gedeeltelijke vrijstellingen ingevoerd voor het onderdeel Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt voor verzoekers die volledig gepensioneerd zijn voor de AOW-gerechtigde leeftijd en voor verzoekers die volledig en blijvend arbeidsongeschikt zijn. In [artikel 6, vierde lid, van de Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6) is o.a. het optellen van alfabetiseringscursusuren en inburgeringscursusuren gewijzigd (zie verder [paragraaf 2.3.4 bij de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.4&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Per 15 februari 2023 is de Regeling naturalisatietoets Nederland gewijzigd (besluit Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 30 januari 2023, kenmerk 4361501). In artikel 4, achtste lid van de Regeling naturalisatietoets Nederland zijn nieuwe gedeeltelijke vrijstellingen ingevoerd voor het onderdeel Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt voor verzoekers die volledig gepensioneerd zijn voor de AOW-gerechtigde leeftijd en voor verzoekers die volledig en blijvend arbeidsongeschikt zijn. In [artikel 6, vierde lid, van de Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6) is o.a. het optellen van alfabetiseringscursusuren en inburgeringscursusuren gewijzigd (zie verder [paragraaf 2.3.4 bij de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.4&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
Per 1 april 2023 is de Regeling naturalisatietoets Nederland gewijzigd (besluit Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 18 april 2023, kenmerk 4571379, gepubliceerd in de Staatscourant van 10 mei 2023). In artikel 6, vierde lid, aanhef en onder a, Regeling naturalisatietoets Nederland is het aantal keren dat een vreemdeling moet hebben deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van de naturalisatietoets gewijzigd van vier- naar driemaal (zie verder paragraaf 2.3.4 bij de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN).
@@ -6590,13 +6590,13 @@
Als de burgermeester twijfelt of iemand daadwerkelijk het inburgeringsdiploma heeft behaald, kan de burgermeester hiervan een aantekening maken op het adviesblad.
Als de verzoeker in het bezit is van een ontheffing of een (gedeeltelijke) vrijstelling op grond van de Wet inburgering, onderzoekt de burgemeester of deze vrijstelling of ontheffing ook geldig is in de naturalisatieprocedure. Van belang is dat de ontheffing of vrijstelling geldig is op grond van het [Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604) of de [Regeling naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067) in combinatie met hetgeen is vermeld in [paragraaf 1.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=1&paragraaf=1.1&paragraaf=1.1.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) over de overgangssituatie vanaf 1 januari 2022 in verband met de [Wet inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770).
Als de verzoeker in het bezit is van een ontheffing of een (gedeeltelijke) vrijstelling op grond van de Wet inburgering, onderzoekt de burgemeester of deze vrijstelling of ontheffing ook geldig is in de naturalisatieprocedure. Van belang is dat de ontheffing of vrijstelling geldig is op grond van het [Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604) of de [Regeling naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067) in combinatie met hetgeen is vermeld in [paragraaf 1.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=1&paragraaf=1.1&paragraaf=1.1.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) over de overgangssituatie vanaf 1 januari 2022 in verband met de [Wet inburgering 2021](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044770).
Ook een verzoeker om naturalisatie die nooit inburgeringsplichtig is geweest, kan in aanmerking komen voor (gedeeltelijke) vrijstelling of ontheffing.
De regels over (gedeeltelijke) vrijstelling en ontheffing kan de burgemeester raadplegen in het Besluit naturalisatietoets en de Regeling naturalisatietoets Nederland. De toelichting op deze regels is hieronder beschreven in paragraaf 2.2 (vrijstelling) en [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) (ontheffing).
Als de burgemeester van oordeel is dat de verzoeker in aanmerking komt voor een gedeeltelijke vrijstelling, onderzoekt de burgemeester of de verzoeker de overige benodigde examenonderdelen (zie [paragraaf 2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) reeds heeft behaald. Bij twijfel of de verzoeker een examenonderdeel heeft behaald, verwijst de burgemeester de verzoeker naar DUO om daarvan een bewijsmiddel te verkrijgen.
De regels over (gedeeltelijke) vrijstelling en ontheffing kan de burgemeester raadplegen in het Besluit naturalisatietoets en de Regeling naturalisatietoets Nederland. De toelichting op deze regels is hieronder beschreven in paragraaf 2.2 (vrijstelling) en [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) (ontheffing).
Als de burgemeester van oordeel is dat de verzoeker in aanmerking komt voor een gedeeltelijke vrijstelling, onderzoekt de burgemeester of de verzoeker de overige benodigde examenonderdelen (zie [paragraaf 2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) reeds heeft behaald. Bij twijfel of de verzoeker een examenonderdeel heeft behaald, verwijst de burgemeester de verzoeker naar DUO om daarvan een bewijsmiddel te verkrijgen.
Als blijkt dat een examenonderdeel niet behaald is, verwijst de burgemeester de verzoeker naar DUO om het onderdeel alsnog te behalen. De burgemeester adviseert de verzoeker om DUO daarbij te wijzen op de gedeeltelijke vrijstelling, waarvoor hij in aanmerking wenst te komen. Als de verzoeker de overige benodigde examenonderdelen heeft behaald en dit kan aantonen met de in paragraaf 2.2.3 genoemde benodigde documenten, kan de verzoeker zich opnieuw wenden tot de burgemeester.
@@ -6776,7 +6776,7 @@
### Paragraaf 2.2.1. Inleiding
Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. De burgemeester stelt zijn bevindingen op in een advies en stuurt het advies met een kopie van eventueel overgelegde documenten mee in het dossier aan de IND. In dit geval wordt de verzoeker door de burgemeester erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND kan worden afgewezen, en dat hij de betaalde naturalisatiegelden niet terug krijgt. Geadviseerd wordt dat de burgemeester de verzoeker een verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’ laat ondertekenen. Deze verklaring is opgenomen in de Handleiding RWN als [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. De burgemeester stelt zijn bevindingen op in een advies en stuurt het advies met een kopie van eventueel overgelegde documenten mee in het dossier aan de IND. In dit geval wordt de verzoeker door de burgemeester erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND kan worden afgewezen, en dat hij de betaalde naturalisatiegelden niet terug krijgt. Geadviseerd wordt dat de burgemeester de verzoeker een verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’ laat ondertekenen. Deze verklaring is opgenomen in de Handleiding RWN als [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Als de burgemeester van oordeel is dat het dossier compleet is, het overgelegde document origineel is, de inhoud klopt en de personalia juist zijn, neemt hij de stukken in ontvangst. Het verzoek wordt op dit moment in behandeling genomen. De burgemeester maakt een kopie van het document en voegt die kopie met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening ‘kopie van origineel’ in het dossier. Het origineel geeft hij terug aan de verzoeker. Hij stelt een advies op waarin hij de IND onderbouwd meedeelt dat de verzoeker naar zijn oordeel voldoet aan de voorwaarden van de naturalisatietoets. In dat advies betrekt de burgemeester ook de eventuele visie van DUO hierover. Vervolgens stuurt de burgemeester het advies met de kopie van het overgelegde document/de overgelegde documenten mee in het dossier aan de IND.
@@ -6784,7 +6784,7 @@
De verzoeker is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van de documenten en, indien van toepassing, voor de vertalingen, legalisatie of apostille van de stukken. Als de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dan moet de verzoeker zelf ervoor zorgen dat de stukken worden vertaald door een beëdigd vertaler, bij voorkeur in het Nederlands. Deze vertaling moet gehecht zijn aan het originele (afschrift van het) document. De op dit moment geldige legalisatiecirculaire is van toepassing.
Het is mogelijk om volledige vrijstelling van de naturalisatietoets te krijgen of om een gedeeltelijke vrijstelling voor specifieke onderdelen van de naturalisatietoets te krijgen. De voorwaarden worden in de volgende twee paragrafen beschreven. De algemene procedure is hierboven in [paragraaf 2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.1&paragraaf=2.1.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) beschreven.
Het is mogelijk om volledige vrijstelling van de naturalisatietoets te krijgen of om een gedeeltelijke vrijstelling voor specifieke onderdelen van de naturalisatietoets te krijgen. De voorwaarden worden in de volgende twee paragrafen beschreven. De algemene procedure is hierboven in [paragraaf 2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.1&paragraaf=2.1.2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) beschreven.
De verzoeker is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van de documenten en, indien van toepassing, voor de vertalingen, legalisatie of apostille van de stukken. Als de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dan moet de verzoeker zelf ervoor zorgen dat de stukken worden vertaald door een beëdigd vertaler, bij voorkeur in het Nederlands. Deze vertaling moet gehecht zijn aan het originele (afschrift van het) document. De op dit moment geldige legalisatiecirculaire is van toepassing.
@@ -6894,7 +6894,7 @@
De verzoeker moet zelf aantonen dat hij in aanmerking komt voor ontheffing. De verzoeker kan dit aantonen met de volgende documenten:
Let op. Ook de verzoeker die in het bezit is van een beschikking van het college van B&W als bedoeld in [artikel 3, derde lid, onder a, van de (voormalige) Wet inburgering nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544&artikel=3) voldoet aan de voorwaarden van de naturalisatietoets. In tegenstelling tot bovengenoemde documenten geldt er geen geldigheidsduur voor dit document. Voor meer informatie zie [paragraaf 2.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Let op. Ook de verzoeker die in het bezit is van een beschikking van het college van B&W als bedoeld in [artikel 3, derde lid, onder a, van de (voormalige) Wet inburgering nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544&artikel=3) voldoet aan de voorwaarden van de naturalisatietoets. In tegenstelling tot bovengenoemde documenten geldt er geen geldigheidsduur voor dit document. Voor meer informatie zie [paragraaf 2.2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.2&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
@@ -6972,11 +6972,11 @@
### paragraaf 4. Bewijsstukken
De vraag of een verzoeker monogaam is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, alsmede huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van landen met een indicatie van de mogelijkheid van polygamie en verstoting: Bijlage 1 bij [paragraaf 2.2 bij de toelichting op artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
De vraag of een verzoeker monogaam is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, alsmede huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van landen met een indicatie van de mogelijkheid van polygamie en verstoting: Bijlage 1 bij [paragraaf 2.2 bij de toelichting op artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2.2&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
[Artikel 10:58 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=58) geeft onder meer aan dat een in het buitenland uitgesproken verstoting in Nederland slechts dan als een rechtsgeldige ontbinding van het huwelijk wordt aangemerkt, eerst dan naar Nederlands recht kan worden erkend, als de verstoting onherroepelijk is en de vrouw hiermee (uitdrukkelijk of stilzwijgend) heeft ingestemd of zich erbij heeft neergelegd, door middel van bijvoorbeeld een bewijs van verstotingshandeling (waaruit de instemming van de vrouw kan worden afgeleid), een bewijs van instemming of berusting, een bewijs dat de ex-echtgenote is hertrouwd of een huwelijksakte van de man betreffende een huwelijk gesloten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand in Nederland. Als bewijs dat een polygaam huwelijk niet meer in stand is, dient uiteraard ook de overlijdensakte van de verstoten vrouw. Verstotingen van vóór de inwerkingtreding van de [artikelen 10:27 tot en met 10:53 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=27) worden analoog behandeld.
Als de verzoeker de nationaliteit bezit van een land waar polygamie mogelijk is, zal de burgemeester aan de hand van de gegevens in de BRP nagaan of er sprake is (geweest) van eerdere huwelijken. Als uit de BRP blijkt dat sprake is (geweest) van eerdere huwelijken zal moeten worden onderzocht of de ontbinding van het huwelijk naar Nederlands recht kan worden erkend. Het ligt op de weg van de verzoeker om aan de hand van documenten aan te tonen dat een eerdere echtgenoot heeft ingestemd met de verstoting. Zo is de omstandigheid dat de verstoting lang geleden heeft plaatsgevonden geen reden om aan te nemen dat de vrouw stilzwijgend heeft ingestemd met de verstoting. De burgemeester zal bij de indiening van het verzoek aan een verzoeker als hier bedoeld vragen of er nog sprake is van eerdere huwelijken die niet in de BRP zijn opgenomen (zie [model 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) HRWN). Als dat het geval is, moet aan de hand van de door de verzoeker overgelegde documenten worden onderzocht of dat huwelijk is ontbonden op een naar Nederlands recht erkende wijze.
Als de verzoeker de nationaliteit bezit van een land waar polygamie mogelijk is, zal de burgemeester aan de hand van de gegevens in de BRP nagaan of er sprake is (geweest) van eerdere huwelijken. Als uit de BRP blijkt dat sprake is (geweest) van eerdere huwelijken zal moeten worden onderzocht of de ontbinding van het huwelijk naar Nederlands recht kan worden erkend. Het ligt op de weg van de verzoeker om aan de hand van documenten aan te tonen dat een eerdere echtgenoot heeft ingestemd met de verstoting. Zo is de omstandigheid dat de verstoting lang geleden heeft plaatsgevonden geen reden om aan te nemen dat de vrouw stilzwijgend heeft ingestemd met de verstoting. De burgemeester zal bij de indiening van het verzoek aan een verzoeker als hier bedoeld vragen of er nog sprake is van eerdere huwelijken die niet in de BRP zijn opgenomen (zie [model 2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) HRWN). Als dat het geval is, moet aan de hand van de door de verzoeker overgelegde documenten worden onderzocht of dat huwelijk is ontbonden op een naar Nederlands recht erkende wijze.
Om een adequate afhandeling van verzoeken tot naturalisatie te bevorderen, moeten de ambtenaren van de BRP steeds de geldigheid van een eenzijdige verstoting aan de hand van de door het IPR gestelde criteria toetsen. Daartoe worden hier enige richtlijnen gegeven.
@@ -6990,7 +6990,7 @@
De hierboven gegeven criteria zijn uiteraard vatbaar voor rechterlijke toetsing. De hierboven genoemde lijst van omstandigheden, waaruit de instemming of de berusting blijkt, is niet limitatief. Er kunnen andere feitelijke omstandigheden zijn die er mede op wijzen dat de vrouw zich bij de verstoting heeft neergelegd.
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie [toelichting op artikel 7 RWN, paragraaf 3.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.4&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie [toelichting op artikel 7 RWN, paragraaf 3.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.4&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
Inburgering wordt met name getoetst aan de hand van de naturalisatietoets en het vereiste van een monogaam huwelijk. Als verzoeker aan deze voorwaarden voldoet, wordt in beginsel aangenomen dat hij de Nederlandse rechtsorde in algemene zin heeft aanvaard.
@@ -7008,7 +7008,7 @@
Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij de indiening van het verzoek om naturalisatie een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van deze verklaring. De eis om een bereidverklaring te ondertekenen en vervolgens de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als het verzoek om naturalisatie op of ná 1 maart 2009 wordt ingediend. Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd.56Zie ook toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 6, tweede lid , artikel 11, vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN.
### Paragraaf 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### Paragraaf 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### Paragraaf 5.4. Voeging
@@ -7018,21 +7018,21 @@
### 4. Afleggen verklaring van verbondenheid
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij [artikel 60b, vijfde lid en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het voor de verzoeker niet mogelijk is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de verzoeker wel bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar vanwege zijn fysieke of psychische toestand model 2.30 niet zelf kan invullen of dat bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie duidelijk is dat de verzoeker niet in staat zal zijn de verklaring van verbondenheid mondeling af te leggen. Zie de toelichting in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)**Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)** in artikel 7 RWN hoe met deze uitzonderingssituaties moet worden omgegaan.
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij [artikel 60b, vijfde lid en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het voor de verzoeker niet mogelijk is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de verzoeker wel bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar vanwege zijn fysieke of psychische toestand model 2.30 niet zelf kan invullen of dat bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie duidelijk is dat de verzoeker niet in staat zal zijn de verklaring van verbondenheid mondeling af te leggen. Zie de toelichting in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)**Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)** in artikel 7 RWN hoe met deze uitzonderingssituaties moet worden omgegaan.
### 4. Afleggen verklaring van verbondenheid
(zie tevens de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) Afleggen verklaring van verbondenheid)
(zie tevens de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) Afleggen verklaring van verbondenheid)
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd.
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.4&paragraaf=3.13.4.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.4&paragraaf=3.13.4.2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
Voor een enkele verzoeker kan echter een uitzondering gemaakt worden. Indien van de verzoeker door omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling uitspreekt tegenover de bevoegde autoriteit, wordt een schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. De beoordeling of sprake is van de hier bedoelde omstandigheden, ligt bij de burgemeester57Zie artikel 60b, vijfde lid, BVVN en paragraaf 3.13.4 Zwaarwegende redenen en uitzonderingen. en wordt gestaafd door ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstuk(ken).
### Paragraaf 5.8. Vijfjaartermijn
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) Afleggen verklaring van verbondenheid)
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) Afleggen verklaring van verbondenheid)
Wordt de toezegging een verklaring van verbondenheid af te leggen niet nagekomen en er is geen ontheffing van het mondeling of schriftelijk afleggen verleend, dan wordt het uittreksel van het naturalisatiebesluit niet uitgereikt en het Nederlanderschap niet verkregen. Immers, pas door de bekendmaking kan iemand Nederlander worden door naturalisatie.
@@ -7174,461 +7174,461 @@
De bedragen voor het tegenwerpen van een vermogenssanctie zijn met ingang van 1 juli 2015 verhoogd. De verhoogde bedragen gelden voor naturalisatieverzoeken en optieverklaringen die op of na 1 juli 2015 zijn ingediend. Als het naturalisatieverzoek of de optieverklaring voor 1 juli 2015 is ingediend en op of na die datum nog niet onherroepelijk op het naturalisatieverzoek of optieverklaring is beslist, is het nieuwe beleid eveneens van toepassing.
Het is in het belang van de Nederlandse Staat dat het Nederlanderschap niet wordt verleend aan een persoon ten aanzien van wie zeker is dan wel ernstige redenen bestaan te veronderstellen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven of handelingen als genoemd in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals dit verdrag is gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967. Behalve maatschappelijke onwenselijkheid en het internationale aanzien van Nederland is ook de positie van de slachtoffers van personen afkomstig uit hetzelfde land die hier te lande bescherming hebben gevonden in het geding.
### Paragraaf 7. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
In beginsel wordt een vreemdeling op wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is niet in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt de vreemdeling om redenen van disproportionaliteit op aanvraag in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier van tijdelijke aard. Vanwege het tijdelijke karakter van het verblijfsrecht is verlening van het Nederlanderschap in die gevallen niet mogelijk. Niettemin kan het voor komen dat een vreemdeling op wie artikel 1F van toepassing is, in het bezit is van een verblijfsvergunning (asiel of regulier) met een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard, waarop naturalisatie in beginsel wél mogelijk is. Bijvoorbeeld als informatie die leidt tot het vermoeden dat de vreemdeling de in artikel 1F Vluchtelingenverdrag genoemde misdrijven of handelingen heeft begaan, pas na verlening van een verblijfsvergunning bekend wordt. Het is dan niet altijd meer mogelijk het verblijfsrecht te beëindigen. In dat geval wordt een aanvraag tot het verlenen van het Nederlanderschap afgewezen.
De conclusie dat de vreemdeling zich aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F heeft schuldig gemaakt is in ieder geval aan de orde bij:
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Als uitgangspunt doet de burgemeester geen onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 1F. Hierover hoeft in het schriftelijk advies aan de IND dan ook niets te worden vermeld.
Aanwijzingen over de toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag worden ontvangen en beoordeeld door de IND. Indien van toepassing informeert de IND de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woonplaats heeft als ten aanzien van een vreemdeling die door optie het Nederlanderschap kan verkrijgen het ernstige vermoeden bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Als door de IND hierover geen informatie is verstrekt kan ervan uit worden gegaan dat artikel 1F geen grond is om de bevestiging van de optieverklaring te weigeren.
Afwijzing van het verzoek om naturalisatie zal geschieden met de motivering dat betrokkene een gevaar oplevert voor de openbare orde, goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk. De afwijzende naturalisatiebeschikking bevat tevens de onderbouwing van de ernstige vermoedens door verwijzing naar de vreemdelingrechtelijke beschikking, de uitkomst van in het kader van de naturalisatieprocedure verricht onderzoek dan wel de (openstaande) strafzaak.
Het openbare-ordebeleid bij naturalisatie en optie komt niet geheel overeen met het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht. De reden daarvoor is dat de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap iets geheel anders is dan de verlening van een verblijfsvergunning. Het Nederlanderschap geeft immers rechten die een verblijfsvergunning niet geeft, bijvoorbeeld actief en passief kiesrecht voor de Staten-Generaal en de mogelijkheid een beroep te doen op consulaire bescherming, en stelt bepaalde ambten open die niet voor vreemdelingen openstaan. Daarom mogen er ook andere regels worden gesteld.
De vreemdeling mag geen Nederlander worden als zijn verblijfsvergunning wegens inbreuk op de openbare orde op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken. Dat wil echter niet zeggen dat de vreemdeling, als zijn verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 niet kan worden ingetrokken, zonder meer Nederlander kan worden. Omdat het openbare-ordebeleid in het nationaliteitsrecht anders is dan het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht, kunnen er in zo’n geval wel degelijk ernstige vermoedens (in de zin van [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)) bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde.
De vreemdeling mag geen Nederlander worden als zijn verblijfsvergunning wegens inbreuk op de openbare orde op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken. Dat wil echter niet zeggen dat de vreemdeling, als zijn verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 niet kan worden ingetrokken, zonder meer Nederlander kan worden. Omdat het openbare-ordebeleid in het nationaliteitsrecht anders is dan het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht, kunnen er in zo’n geval wel degelijk ernstige vermoedens (in de zin van [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)) bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde.
De woorden ‘ernstige vermoedens’ in het onderhavige artikellid geven aan dat niet alleen misdrijven waarvoor de vreemdeling al onherroepelijk is veroordeeld in aanmerking moeten worden genomen, maar ook misdrijven waarvan hij op goede gronden wordt verdacht en waarop alsnog een sanctie kan volgen.
Met ‘sanctie’ wordt hier niet alleen bedoeld een straf (bijvoorbeeld geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) of een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel die door de strafrechter is opgelegd, maar ook uitgevaardigde strafbeschikkingen of door de politie of het OM opgelegde boeten. De vreemdeling mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking ter zake van een misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat weigering van naturalisatie of optie moet plaatsvinden, als op grond van het gedrag van de vreemdeling ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Als naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de naturalisatie- of optieprocedure worden betrokken.
Aanleiding voor het aannemen van een serieuze verdenking kan bijvoorbeeld zijn een tegen de vreemdeling wegens een misdrijf opgemaakt proces-verbaal (kan onder meer blijken uit de informatie verkregen via de bevraging om inlichtingen uit Basisvoorziening Informatie – Integrale Bevraging (BVI-IB) van de Nationale Politie) of de vermelding op het uittreksel van de Justitiële documentatiedienst (JDD) van een openstaande strafzaak ter zake van een misdrijf.
Ook als de vreemdeling al is veroordeeld voor een misdrijf of jegens hem ter zake van een misdrijf een strafbeschikking is uitgevaardigd, maar hij tegen het vonnis in hoger beroep is gegaan of verzet heeft aangetekend tegen de strafbeschikking, is de strafzaak nog niet onherroepelijk afgedaan en is er nog steeds sprake van een serieuze verdenking. Het is mogelijk dat de vreemdeling in hoger beroep wordt veroordeeld tot een andere straf.
Iedere openstaande vermogenssanctie (geldboete, transactie, strafbeschikking of maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel) van minder dan € 900,–, of openstaande taakstraf van minder dan 36 uur, leidt niet tot weigering van naturalisatie of optie, omdat dit op zichzelf geen beletsel vormt voor optie of naturalisatie. Het is daarbij niet relevant of al een rechtsmiddel is aangewend tegen de sanctie. Evenmin is relevant of er sprake is van een voorwaardelijk opgelegde vermogenssanctie van minder dan € 900,– of voorwaardelijke opgelegde taakstraf van minder dan 36 uur en de optant of naturalisandus zich in dit geval nog in een proeftijd bevindt.
Let op dat cumulatie van boetes van € 450,– of meer, tot een totaal van € 1.350,– of meer, of cumulatie van taakstraffen van 18 uur of meer, tot een totaal van 54 uur of meer, wel kan leiden tot weigering van de naturalisatie of optie (zie [paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [5 van de toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=5&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
Verder is er sprake van ernstige vermoedens als de vreemdeling zich nog in de proeftijd bevindt, tenzij de proeftijd is verbonden aan een voorwaardelijke vermogenssanctie van minder dan € 900,– of een voorwaardelijke taakstraf van minder dan 36 uur. Een proeftijd kan worden verbonden aan een voorwaardelijk sepot, een voorwaardelijke veroordeling of een voorwaardelijke gratie. Als de vreemdeling zich niet houdt aan de voorwaarden, kan alsnog strafvervolging worden ingesteld of kan de gratie ongedaan worden gemaakt.
Van belang is dat een afwijzende beslissing nimmer kan worden gebaseerd op alleen een enkel proces-verbaal. Een proces-verbaal leidt immers niet altijd tot het opleggen van een sanctie. Wel vormt het proces-verbaal aanleiding om een nader onderzoek in te stellen. Zolang niet vast staat dat de vreemdeling geen gevaar oplevert voor de openbare orde, kan hij geen Nederlander worden. Telkens zal zorgvuldig moeten worden onderzocht of er goede redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat het vermeende misdrijf zal kunnen leiden tot een sanctie.
Let op dat cumulatie van boetes onder de € 810,– tot een totaal van € 1.215,- of meer wel kan leiden tot weigering van de naturalisatie of optie (zie [paragraaf 5 van de toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=5&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
De vreemdeling mag in de periode van vijf jaren (de zogenaamde rehabilitatietermijn van vijf jaar) direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring of de beslissing daarop niet onderworpen zijn geweest aan sanctionering van een misdrijf of aan de gevolgen daarvan. Daarbij geldt dat de volgende sancties leiden tot weigering van naturalisatie of optie:
### Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
De naturalisatie of optie wordt geweigerd, als er binnen vijf jaren voor de indiening van het verzoek dan wel het afleggen van de optieverklaring of de beslissing daarop zo’n sanctie is opgelegd. Daarbij is niet van belang:
De naturalisatie of optie wordt ook geweigerd, als er in die periode van vijf jaar een sanctie ten uitvoer is gelegd. De sanctie is tenuitvoergelegd:
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Het is van belang dat de vreemdeling zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus de vreemdeling in vrijheid is gesteld, het bedrag heeft betaald of de taakstraf heeft voltooid.
Voorwaardelijke straf en proeftijd: als sprake is van een voorwaardelijk opgelegde straf waaraan een proeftijd is verbonden, moet de proeftijd zijn verstreken voordat de vreemdeling in aanmerking kan komen voor naturalisatie of optie. Als de vreemdeling gedurende de proeftijd heeft voldaan aan de algemene voorwaarde dat hij niet opnieuw strafbare feiten pleegt, en de voorwaardelijk opgelegde straf dus niet alsnog ten uitvoer wordt gelegd, begint de rehabilitatietermijn (achteraf bezien) op het moment waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden. Er is immers geen sprake van de tenuitvoerlegging van de straf. Als de vreemdeling gedurende de proeftijd heeft voldaan aan bijzondere voorwaarden (bijvoorbeeld betaling van een geldsom of het verrichten van arbeid) begint de rehabilitatietermijn op het moment waarop die bijzondere voorwaarde is vervuld. (Zie [paragraaf 4 van de toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=4&z=2024-05-09&g=2024-05-09) voor uitzonderingen bij voorwaardelijk opgelegde vermogenssancties).
Als de vreemdeling in één strafrechtelijke procedure voor verschillende gevoegde feiten (verschillende misdrijven of een combinatie van misdrijven en overtredingen) is veroordeeld tot één enkele straf, die gelijk is aan of uitstijgt boven de hierboven gegeven norm, wordt de naturalisatie of optie geweigerd.
Het is van belang dat de vreemdeling zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus de vreemdeling in vrijheid is gesteld, het bedrag heeft betaald of de taakstraf heeft voltooid.
Een ernstig vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt niet gebaseerd op zo maar iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet wel voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen. Bovendien moet ook de sanctie die daarop is gevolgd, voldoende zwaar zijn. Dat betekent dat misdragingen die strafrechtelijk als overtreding worden gekwalificeerd of die buiten het strafrecht zijn afgedaan (bijvoorbeeld met een bestuurlijke boete of uitsluitend een civiele veroordeling tot schadevergoeding) buiten beschouwing blijven.
Schuldig zonder straf: misdrijven waarbij in het vonnis sprake is van een schuldigverklaring, maar waarbij de rechter met toepassing van [art. 9a Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9a) geen (voorwaardelijke) straf of maatregel heeft opgelegd blijven ook buiten beschouwing bij een beoordeling in het kader van [art. 9, eerste lid, onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9).
Of een bepaalde misdraging een misdrijf of een overtreding is, is afhankelijk van de betreffende wetgeving. Misdrijven zijn opgenomen in het [Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&boek=Tweede) ([artikelen 92 tot en met 423 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92)), maar soms ook in bijzondere wetten, zoals de [Wet Economische Delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) (WED) en de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941). Steeds zal de betreffende wet moeten worden geraadpleegd om te bezien of het betreffende feit een misdrijf (of een overtreding) is.
Voor de afdoening van misdrijven is niet altijd een uitspraak van de strafrechter nodig. Ongeveer een derde van de misdrijfzaken wordt door middel van een transactie afgedaan. Het gebruik van transacties is in hoge mate vastgelegd in richtlijnen van het OM. Een transactie voor een misdrijf is een alternatieve vorm van sanctie, zij het dat die sanctie niet na berechting en niet door de strafrechter wordt opgelegd, en dat de vrijwillige instemming van de verdachte is vereist. Met de transactie geeft de Nederlandse overheid aan voldoende belang te hechten aan sanctionering van het misdrijf. De ernst van het misdrijf komt tot uiting in de hoogte van het transactiebedrag, waarmee de verdachte strafvervolging kan afkopen. Dat voorstel mag uitsluitend worden gedaan als een veroordeling door de rechter in een gewone strafrechtelijke procedure ook daadwerkelijk haalbaar is. Als langs de weg van de gewone procedure geen sanctionering zou kunnen volgen, behoort een transactieaanbod achterwege te blijven. De verdachte hoeft niet op het voorstel in te gaan en kan kiezen voor behandeling door de strafrechter. De transactie houdt formeel weliswaar geen erkenning door de verdachte in dat hij het strafbare feit heeft gepleegd – en de mogelijkheid is dus aanwezig dat de verdachte het feit ter zake waarvan verdenking is gerezen niet heeft gepleegd en slechts ingaat op het transactievoorstel om van de zaak af te zijn, bijvoorbeeld om het openbaar terechtstaan, het opmaken van een strafblad, de civielrechtelijke bewijspositie van de veroordeelde en onzekerheid over de uitkomst van het strafgeding te voorkomen – maar voor iedere transactie is de vrijwillige instemming van de verdachte met de transactie essentieel. Het prijsgeven van rechtsbescherming door de strafrechter en de mogelijkheid van vrijspraak of lagere strafoplegging, geschiedt vrijwillig. In sommige gevallen ([artikel 74a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74a)) kan een door de verdachte aangeboden transactie ook niet door het OM worden geweigerd. Bovendien gaat het in naturalisatie- en optiezaken om relatief hoge bedragen (€ 810,– of meer, dan wel ingeval van herhaalde misdrijven € € 405,– of meer) dat voorshands niet kan worden aangenomen dat de vreemdeling (telkenmale) onschuldig transigeert om van de zaak af te zijn. Ook in het krachtens [artikel 16, eerste lid aanhef en onder d, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) (nader uitgewerkt in [artikel 3.77 van het Vreemdelingenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77)) gevoerde toelatingsbeleid leiden transacties ter zake van misdrijven tot de afwijzing van een aanvraag om een verblijfsvergunning.
Een enkele transactie of strafbeschikking ter zake van een misdrijf leidt tot weigering van naturalisatie of optie, als de geldboete € 900,– of meer bedraagt, of de voorwaarde voor transactie of van de strafbeschikking een taakstraf is. De rehabilitatietermijn van vijf jaar vangt aan als het bedrag is betaald of de taakstraf is vervuld. Meerdere transacties of strafbeschikkingen ter zake van misdrijf, van ieder ten minste € 450,– leiden tot weigering van de naturalisatie of optie, als de som van deze transacties of strafbeschikkingen in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het naturalisatieverzoek dan wel de aflegging van de optieverklaring of de beslissing daarop € 1.350,– of meer bedraagt. Hetzelfde geldt voor de combinatie van transactie(s), strafbeschikking(en), geldboete(n) en maatregel(en) tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Voor de afdoening van misdrijven is niet altijd een uitspraak van de strafrechter nodig. Ongeveer een derde van de misdrijfzaken wordt door middel van een transactie afgedaan. Het gebruik van transacties is in hoge mate vastgelegd in richtlijnen van het OM. Een transactie voor een misdrijf is een alternatieve vorm van sanctie, zij het dat die sanctie niet na berechting en niet door de strafrechter wordt opgelegd, en dat de vrijwillige instemming van de verdachte is vereist. Met de transactie geeft de Nederlandse overheid aan voldoende belang te hechten aan sanctionering van het misdrijf. De ernst van het misdrijf komt tot uiting in de hoogte van het transactiebedrag, waarmee de verdachte strafvervolging kan afkopen. Dat voorstel mag uitsluitend worden gedaan als een veroordeling door de rechter in een gewone strafrechtelijke procedure ook daadwerkelijk haalbaar is. Als langs de weg van de gewone procedure geen sanctionering zou kunnen volgen, behoort een transactieaanbod achterwege te blijven. De verdachte hoeft niet op het voorstel in te gaan en kan kiezen voor behandeling door de strafrechter. De transactie houdt formeel weliswaar geen erkenning door de verdachte in dat hij het strafbare feit heeft gepleegd – en de mogelijkheid is dus aanwezig dat de verdachte het feit ter zake waarvan verdenking is gerezen niet heeft gepleegd en slechts ingaat op het transactievoorstel om van de zaak af te zijn, bijvoorbeeld om het openbaar terechtstaan, het opmaken van een strafblad, de civielrechtelijke bewijspositie van de veroordeelde en onzekerheid over de uitkomst van het strafgeding te voorkomen – maar voor iedere transactie is de vrijwillige instemming van de verdachte met de transactie essentieel. Het prijsgeven van rechtsbescherming door de strafrechter en de mogelijkheid van vrijspraak of lagere strafoplegging, geschiedt vrijwillig. In sommige gevallen ([artikel 74a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74a)) kan een door de verdachte aangeboden transactie ook niet door het OM worden geweigerd. Bovendien gaat het in naturalisatie- en optiezaken om relatief hoge bedragen (€ 900,– of meer, dan wel ingeval van herhaalde misdrijven € 450,– of meer, als de som van deze transacties of strafbeschikkingen in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het naturalisatieverzoek dan wel de aflegging van de optieverklaring of de beslissing daarop € 1.350,– of meer bedraagt) dat voorshands niet kan worden aangenomen dat de vreemdeling (telkenmale) onschuldig transigeert om van de zaak af te zijn. Ook in het krachtens [artikel 16, eerste lid aanhef en onder d, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) (nader uitgewerkt in [artikel 3.77 van het Vreemdelingenbesluit 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77)) gevoerde toelatingsbeleid leiden transacties ter zake van misdrijven tot de afwijzing van een aanvraag om een verblijfsvergunning.
Met ingang van 1 februari 2008 is een regeling betreffende het buitengerechtelijk afdoen van strafbare feiten door middel van een strafbeschikking van kracht geworden. De strafbeschikking berust op een schuldvaststelling. De strafbeschikking kan worden uitgevaardigd door de officier van justitie of door aangewezen opsporingsambtenaren of bestuursorganen. Naast het Openbaar Ministerie (OM) en politie hebben ook gemeenten en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) de bevoegdheid gekregen strafbeschikkingen uit te vaardigen. In de strafbeschikking kunnen straffen en maatregelen worden opgelegd en aanwijzingen worden gegeven. De straffen en maatregelen kunnen zijn een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uren, een geldboete, onttrekking aan het verkeer, de verplichting tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor ten hoogste zes maanden. Als degene jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd het daar niet mee eens is, kan hij bij het OM verzet instellen. Hierdoor komt de zaak alsnog voor de rechter, die deze in volle omvang beoordeelt. De huidige transactie zal – gefaseerd – worden vervangen door de strafbeschikking. De transactie en de strafbeschikking zullen de komende vijf jaar naast elkaar blijven bestaan. De regeling van de strafbeschikking is, net als die van de transactie, van toepassing op overtredingen en op misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar. De regeling van de strafbeschikking is te vinden in de [artikelen 257a–257h van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257a).
Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vijf jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.
Het zou onrechtvaardig zijn dat de vreemdeling die zich regelmatig schuldig maakt aan misdrijven, maar die daarvoor telkenmale sancties krijgt opgelegd van minder dan € 900,– wel, en de vreemdeling die eenmalig een misdrijf heeft begaan waarvoor hij met een boete van € 900,– of meer is bestraft gedurende vijf jaren nadien niet voor naturalisatie of optie in aanmerking komt. Met de cumulatieregeling is beoogd aan deze onrechtvaardigheid tegemoet te komen. Als de vreemdeling binnen een bepaald tijdsbestek wegens herhaalde misdrijven is gesanctioneerd, kan daarmee rekening worden gehouden. Om te voorkomen dat een opeenstapeling van vermogenssancties ter zake van diverse misdrijven (te snel) tot weigering van naturalisatie of optie leidt, is per sanctie een minimumbedrag van € 450,– vastgesteld. Deze ondergrens van € 450,– is gebaseerd op (in richtlijnen van het OM opgenomen vermogenssancties die kunnen worden opgelegd ter zake van) misdrijven, waarvan bij herhaling kan worden aangenomen dat er sprake is van ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde. Met het totaalbedrag van € 1.350,– is beoogd te voorkomen dat een te gering aantal sancties uiteindelijk toch tot weigering van naturalisatie of optie zal gaan leiden.
Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vijf jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.
Met ingang van 1 februari 2008 is een regeling betreffende het buitengerechtelijk afdoen van strafbare feiten door middel van een strafbeschikking van kracht geworden. De strafbeschikking berust op een schuldvaststelling. De strafbeschikking kan worden uitgevaardigd door de officier van justitie of door aangewezen opsporingsambtenaren of bestuursorganen. Naast het Openbaar Ministerie (OM) en politie hebben ook gemeenten en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) de bevoegdheid gekregen strafbeschikkingen uit te vaardigen. In de strafbeschikking kunnen straffen en maatregelen worden opgelegd en aanwijzingen worden gegeven. De straffen en maatregelen kunnen zijn een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uren, een geldboete, onttrekking aan het verkeer, de verplichting tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor ten hoogste zes maanden. Als degene jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd het daar niet mee eens is, kan hij bij het OM verzet instellen. Hierdoor komt de zaak alsnog voor de rechter, die deze in volle omvang beoordeelt. De huidige transactie zal – gefaseerd – worden vervangen door de strafbeschikking. De transactie en de strafbeschikking zullen de komende vijf jaar naast elkaar blijven bestaan. De regeling van de strafbeschikking is, net als die van de transactie, van toepassing op overtredingen en op misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar. De regeling van de strafbeschikking is te vinden in de [artikelen 257a-257h van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257).
De vreemdeling kan verschillende strafbare feiten hebben begaan die alle tezamen in een en dezelfde strafrechtelijke procedure aan de strafrechter worden voorgelegd. In een dergelijk geval kan het voorkomen dat voor al die feiten een enkele straf wordt opgelegd, waarbij niet duidelijk is welk gedeelte van die straf voor welk feit is opgelegd. Als voorbeeld geldt de vreemdeling die twee jaar geleden wegens twee misdrijven en een overtreding een geldboete van € 907,56 wordt opgelegd. In dat geval wordt naturalisatie of optie geweigerd, omdat ten minste één van de strafbare feiten een misdrijf was en de totale straf genoeg is om tot weigering van naturalisatie of optie over te gaan.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
Een taakstraf is een van de hoofdstraffen in [artikel 9 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9). Met de volgordelijke plaats van de taakstraf direct onder de twee vrijheidsbenemende straffen, maar boven de geldboete heeft de strafwetgever aangegeven dat de sanctie ‘taakstraf’ als een zwaardere sanctie dan een geldboete moet worden gezien. Toch kan bij veel misdrijven zowel een geldboete als een taakstraf worden opgelegd. De keuze voor de ene of de andere strafsoort hangt af van de omstandigheden van het geval en niet alleen van de ernst van het misdrijf. Mede daarom is net als bij vermogenssancties een ondergrens aangebracht op basis van de omzettabel van het OM. De ondergrens omvat dat bij elke taakstraf van 36 uur of meer, dan wel meerdere taakstraffen van 18 uur of meer, met een totaal van 54 uur of meer, ongeacht de vraag of het voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd, de taakstraf wordt tegengeworpen in de optie- of naturalisatieprocedure.
Verzoekster A heeft de nationaliteit van land Z en is 40 jaar oud. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie overlegt zij verklaringen van de autoriteiten van land Z, waaruit blijkt dat zij een pensioen heeft opgebouwd van 2000 en dat pensioenbedragen alleen worden uitgekeerd aan personen met de nationaliteit van land Z die de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. De betreffende wettelijke bepalingen zijn bijgevoegd. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat A in Nederland een spaartegoed heeft van 3000 en in Duitsland een spaartegoed heeft van 2000. A behoeft geen afstand te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit. Haar opgebouwd pensioen kan thans niet te gelde worden gemaakt, zodat zij dat pensioen zal verliezen door het doen van afstand. Het te verliezen bedrag van 2000 is voorts groter dan een vierde deel van haar overig vermogen van 5000.
Omdat het bij de vraag naar het ernstige vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde oplevert, primair gaat om diens gedragingen, is in beginsel irrelevant waar deze gedragingen hebben plaatsgevonden. Een bepaalde gedraging is immers niet minder ernstig als het buiten de landsgrenzen heeft plaatsgevonden. Aangezien het gaat om het ernstige vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de Nederlandse openbare orde vormt, wordt niet tegengeworpen de bestraffing van een gedraging die naar Nederlands recht geen misdrijf vormt. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat in het buitenland bepaalde gedragingen in het algemeen zwaarder of lichter kunnen worden bestraft dan in Nederland. Daarom moet tevens worden beoordeeld of de buitenlandse beoordeling van het misdrijf vergelijkbaar is met de Nederlandse beoordeling. Buitenlandse feiten kunnen bijvoorbeeld blijken uit gegevens van de Justitiële documentatiedienst (JDD) of uit de verklaringen van de vreemdeling zelf. Voor vreemdelingen met een EU-nationaliteit wordt bij een naturalisatieverzoek ook ECRIS (European Criminal Records Information System) bevraagd. In ECRIS worden strafrechtelijke gegevens betreffende de eigen onderdanen tussen EU-lidstaten uitgewisseld.
Er is geen reden om alleen rekening te houden met die buitenlandse feiten die zijn gepleegd ná de vreemdelingenrechtelijke toelating van de vreemdeling. Gelet op de vereiste verblijfstermijnen zullen de meeste vóór de toelating gepleegde feiten en de sanctionering daarvan, veelal ouder zijn dan vijf jaar, en daarmee niet meer relevant. Voor bepaalde categorieën vreemdelingen gelden echter geen of kortere verblijfstermijnen. Ook is het mogelijk dat in de vreemdelingenrechtelijke toelatingsprocedure een eerder of buitenlands feit is verzwegen of niet (voldoende) is onderkend, of dat de vóór de toelating van de vreemdeling opgelegde sanctie nog niet ten uitvoer is gelegd. Daardoor is niet ondenkbaar dat het in het buitenland vóór de toelating gepleegde feit of de sanctionering toch relevant is voor de naturalisatie of optie.
Een taakstraf is een van de hoofdstraffen in [artikel 9 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9). Met de volgordelijke plaats van de taakstraf direct onder de twee vrijheidsbenemende straffen, maar boven de geldboete heeft de strafwetgever aangegeven dat de sanctie ‘taakstraf’ als een zwaardere sanctie dan een geldboete moet worden gezien. Dit rechtvaardigt dat ongeacht de duur van de taakstraf, ongeacht de vraag of zij voorwaardelijk of onvoorwaardelijk zijn opgelegd, deze wordt tegengeworpen in de optie- of naturalisatieprocedure, behalve als er sprake is van de hieronder vermelde uitzondering.
Er bestaat geen aanleiding om een misdrijf dat is gepleegd door iemand ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig [Titel VIII A van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=VIII_A) (jeugdstrafrecht) anders te beoordelen dan hetzelfde misdrijf maar dan gepleegd door een meerderjarige. Jeugdstrafrecht is ook strafrecht dat wordt toegepast naar aanleiding van een feitelijke misdraging. Jeugdstrafrecht kent een afwijkend sanctiepakket en bij het bepalen van de sanctie is met de jeugdige leeftijd van de dader al rekening gehouden. Dat betekent dat eenzelfde misdrijf, als gevolg van de in het strafrecht gehanteerde instrumenten en de daarop betrekking hebbende keuzes mogelijk tot verschillende strafrechtelijke sancties voor minderjarigen en meerderjarigen leidt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de stelling aanvaard dat het niet aan Onze Minister bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie of optie, dan wel de bestuursrechter, is om te toetsen op welke wijze de Rechtbank tot het opleggen van een sanctie is gekomen en om te beoordelen of een andere sanctie zou zijn opgelegd als een vreemdeling meerderjarig zou zijn geweest.
Gelet op de hiërarchie in strafmodaliteiten (strafsoorten) kan niet aan de hand van een omzettabel van het Openbaar Ministerie worden bepaald dat een bepaalde gevangenis- of taakstraf ‘overeenkomt’ met ten minste € 810,– geldboete en daarom niet zou kunnen worden tegengeworpen.
Met ingang van 1 mei 2018 is de rehabilitatietermijn van vier naar vijf jaar gegaan. Voor naturalisatieverzoeken of optieverklaringen die voor deze datum zijn ingediend of afgelegd geldt nog de rehabilitatietermijn van vier jaar.
### Paragraaf 7. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
Ingevolge artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dat verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie ernstige reden bestaat te veronderstellen dat:
Het is in het belang van de Nederlandse Staat dat het Nederlanderschap niet wordt verleend aan een persoon ten aanzien van wie zeker is dan wel ernstige redenen bestaan te veronderstellen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven of handelingen als genoemd in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals dit verdrag is gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967. Behalve maatschappelijke onwenselijkheid en het internationale aanzien van Nederland is ook de positie van de slachtoffers van personen afkomstig uit hetzelfde land die hier te lande bescherming hebben gevonden in het geding.
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
Een stelsel dat uitgaat van de datum waarop het misdrijf heeft plaatsgevonden, is niet wenselijk. Een nadelig gevolg daarvan zou zijn dat een misdrijf dat eerst geruime tijd na dato aan het licht komt, niet kan leiden tot het weigeren van de Nederlandse nationaliteit. De strafrechtelijke verjaringstermijnen zijn in het algemeen aanzienlijk langer dan vijf jaar. In dat geval zou de vreemdeling moeten worden voorgedragen voor het Nederlanderschap, terwijl hij nog aan strafvervolging wegens een ernstig feit is onderworpen of de opgelegde straf nog ondergaat. Dat zou ook kunnen gebeuren als de vreemdeling is veroordeeld tot een zeer lange gevangenisstraf. Voorzover het tussen de pleegdatum en de datum van veroordeling verstreken tijdsverloop relevant is te achten, zal dat in de strafmaat tot uitdrukking worden gebracht. Voorts doet een stelsel dat uitgaat van de pleegdatum geen recht aan de gedachte dat van daadwerkelijke rehabilitatie geen sprake kan zijn, zolang de vreemdeling nog strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel boven het hoofd hangt. Een stelsel dat uitgaat van de pleegdatum in combinatie met een (aanzienlijk) langere rehabilitatietermijn dan vijf jaar na die pleegdatum, zal in de praktijk onbillijk uitpakken voor die vreemdelingen die in het verleden – achteraf bezien eenmalig – een misstap hebben begaan en de daarop gestelde sanctie hebben ondergaan. Zij moeten in dat geval immers langer wachten voordat zij Nederlander kunnen worden. Het huidige stelsel gaat uit van de datum waarop de sanctiebeslissing onherroepelijk is geworden en de datum waarop de sanctie ten uitvoer is gelegd. Dit stelsel blijft gehandhaafd. Een ernstig vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt mitsdien aangenomen gedurende vijf jaren, te rekenen vanaf (a) de datum waarop de beslissing tot sanctionering onherroepelijk is geworden, of (b) indien de tenuitvoerlegging daarna is voltooid, het einde van de tenuitvoerlegging. Bij vrijheidsbeneming is dat de datum van de (vervroegde) invrijheidstelling, bij geldboete, transactie of een maatregel tot betaling is dat de datum van betaling van de volledige geldsom en bij taakstraf is dat de datum waarop de taakstraf is beëindigd. De vreemdeling moet daarover gegevens en onderbouwende stukken verstrekken.
Ingeval van een vermogensstraf met afbetalingsregeling, wordt een beroep op die afbetalingsregeling (die de aanvang van de rehabilitatietermijn opschuift) niet gehonoreerd, aangezien die regeling is getroffen op verzoek van de veroordeelde vreemdeling zelf. Ingeval van vrijheidsstraf wordt een beroep op de duur tussen de datum waarop het vonnis onherroepelijk is geworden en de datum waarop de vrijheidsstraf kan worden ondergaan, in het algemeen niet gehonoreerd als een bijzondere omstandigheid. Die duur is thans een kwestie van maanden, tenzij de vreemdeling zelf verzoekt om uitstel van tenuitvoerlegging. Zij is in het verleden wel langer geweest, maar ook toen stond het de veroordeelde vrij zich tot de overheid te wenden met het verzoek om de opgelegde straf met voorrang te ondergaan. Als de vreemdeling zich erop beroept dat er tussen de datum waarop het misdrijf is gepleegd en de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden, een bijzonder lange tijd is verstreken, moet de verzoeker vreemdeling zelf aangeven hoe dat komt en dit met documenten onderbouwen. In de meeste gevallen zal het gaan om misdrijven die eerst geruime tijd na de pleegdatum aan het licht komen en vervolgens tot strafvervolging leiden. In die gevallen is het tijdsverloop het gevolg van het stilzwijgen van de vreemdeling zelf. Als de vreemdeling meent dat er in zijn geval sprake is van zeer bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan toepassing van deze regeling kennelijk onredelijk is, moet hij die bijzondere feiten of omstandigheden zelf naar voren brengen en onderbouwen.
Op een vreemdeling die door de Nederlandse strafrechter is veroordeeld wegens één of meer gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals dit verdrag is gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 of die veroordeeld is wegens een van de misdrijven als bedoeld in [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is de rehabilitatietermijn niet van toepassing. De veroordeling wordt de vreemdeling dus zonder tijdslimiet in het kader van een naturalisatie- of optieverzoek tegengeworpen.
Bij een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan het voorkomen dat de maatregel pas (veel) later ten uitvoer is gelegd dan de eventueel eveneens opgelegde vrijheidsstraf of geldboete. Voor de aanvang van de rehabilitatietermijn is echter de laatst opgelegde straf of maatregel bepalend. Concreet betekent dit dat een vreemdeling zich niet erop kan beroepen dat de datum van de tenuitvoerlegging van de eerste sanctie (vaak de vrijheidsstraf of de geldboete) bepalend is.
Met ingang van 1 mei 2018 is de rehabilitatietermijn van vier naar vijf jaar gegaan. Voor naturalisatieverzoeken of optieverklaringen die voor deze datum zijn ingediend of afgelegd geldt nog de rehabilitatietermijn van vier jaar.
Ook ingeval van een voorwaardelijk opgelegde straf is er sprake van een onvoorwaardelijke veroordeling, waarbij alleen de tenuitvoerlegging van de straf (of een gedeelte daarvan) onder bepaalde voorwaarden wordt opgeschort. Het voorwaardelijk opschorten van de tenuitvoerlegging van (een gedeelte van) de straf, doet niets af aan de veroordeling en daarmee aan de strafbaarheid van de daad en dader. Ook als een straf voorwaardelijk is opgelegd, is het misdrijf gepleegd en zijn daad en dader strafbaar bevonden. Voor naturalisatie is dus niet van belang of de straf voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd. Bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling wordt gekeken naar de totale straf die is opgelegd, dus ook naar het voorwaardelijke gedeelte ervan. Daarbij is het enkele feit dat de straf (geheel of gedeeltelijk) voorwaardelijk is opgelegd, dus niet van belang en wordt ook het voorwaardelijk opgelegde gedeelte in aanmerking genomen. Het feit dat de straf voorwaardelijk is opgelegd, is wel van belang voor de rehabilitatietermijn. Er zijn twee mogelijkheden:
De vreemdeling komt tijdens de proeftijd niet in aanmerking voor naturalisatie of optie.
Vorenstaande geldt niet voor een veroordeling tot een voorwaardelijke vermogenssanctie van minder dan € 810,–.
Op een vreemdeling die door de Nederlandse strafrechter is veroordeeld wegens één of meer gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals dit verdrag is gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 of die veroordeeld is wegens een van de misdrijven als bedoeld in [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is de rehabilitatietermijn niet van toepassing. De veroordeling wordt de vreemdeling dus zonder tijdslimiet in het kader van een naturalisatie- of optieverzoek tegengeworpen.
Onvoorwaardelijke sepots worden niet tegengeworpen. Als de vreemdeling ten onrechte als verdachte is aangemerkt, omdat de daad en/of de dader naar het oordeel van het OM niet strafbaar is/zijn, als wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, of de zaak uit opportuniteitsoverwegingen wordt geseponeerd, is de zaak ten einde en kunnen daaraan in het algemeen verder geen gevolgen worden verbonden. Het vermeende misdrijf wordt immers niet gesanctioneerd. Met het onvoorwaardelijke sepot is de zaak direct afgedaan. Onvoorwaardelijke sepots leiden dus niet tot weigering van naturalisatie of optie. Vermeende misdrijven die onvoorwaardelijk zijn geseponeerd, blijven geheel buiten beschouwing. Omdat er geen sprake is van een sanctie, gaat ook geen rehabilitatietermijn van vijf jaar lopen.
Met een voorwaardelijk sepot is echter nog geen einde aan de zaak gekomen. Met een voorwaardelijk sepot ziet het OM slechts af van strafvervolging, als aan (een) bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan. Als aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan alsnog tot dagvaarding worden overgegaan en kan het misdrijf alsnog leiden tot een sanctie. De voorwaardelijk geseponeerde zaak lijkt daarmee op een openstaande strafzaak en wordt bij naturalisatie of optie op vergelijkbare wijze beoordeeld. Omdat strafvervolging en -oplegging niet zijn uitgesloten, moet de vreemdeling eerst de proeftijd afwachten. Voorwaardelijke sepots leiden evenmin tot weigering van naturalisatie of optie, mits aan de voorwaarden van het sepot is voldaan en de proeftijd is verstreken. Als een misdrijf voorwaardelijk is geseponeerd, moet altijd de proeftijd worden afgewacht. Als de vreemdeling nog in de proeftijd zit, moet hij worden geadviseerd te wachten met de indiening van het naturalisatieverzoek of het afleggen van de optieverklaring totdat de proeftijd is verstreken. Als hij er niettemin op staat het verzoek in te dienen of de optieverklaring af te leggen en de proeftijd is nog niet verstreken, dan wordt de naturalisatie of optie geweigerd. Pas als de proeftijd is verstreken en aan de voorwaarden is voldaan, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het vermeende misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid en dat er ook geen rehabilitatietermijn is aangevangen.
Ook ingeval van een voorwaardelijk opgelegde straf is er sprake van een onvoorwaardelijke veroordeling, waarbij alleen de tenuitvoerlegging van de straf (of een gedeelte daarvan) onder bepaalde voorwaarden wordt opgeschort. Het voorwaardelijk opschorten van de tenuitvoerlegging van (een gedeelte van) de straf, doet niets af aan de veroordeling en daarmee aan de strafbaarheid van de daad en dader. Ook als een straf voorwaardelijk is opgelegd, is het misdrijf gepleegd en zijn daad en dader strafbaar bevonden. Voor naturalisatie is dus niet van belang of de straf voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd. Bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling wordt gekeken naar de totale straf die is opgelegd, dus ook naar het voorwaardelijke gedeelte ervan. Daarbij is het enkele feit dat de straf (geheel of gedeeltelijk) voorwaardelijk is opgelegd, dus niet van belang en wordt ook het voorwaardelijk opgelegde gedeelte in aanmerking genomen. Het feit dat de straf voorwaardelijk is opgelegd, is wel van belang voor de rehabilitatietermijn. Er zijn twee mogelijkheden:
De enkele verplichting om aangerichte schade te vergoeden, wordt niet tegengeworpen, ook niet indien die schade is veroorzaakt door een misdrijf. Soms wordt de plicht tot schadevergoeding gekoppeld aan een andere afdoeningsvorm (bijvoorbeeld als voorwaarde aan een voorwaardelijk sepot of opgelegd naast een boete of al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Bij naturalisatie en optie wordt bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling gekeken naar afdoening van het misdrijf (dus naar het voorwaardelijk sepot, de boete of de al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Schadevergoeding kan in diverse vormen voorkomen als voorwaarde om een sanctie te voorkomen. Voor vormen als dading en Halt-afdoeningen wordt verwezen naar voorwaardelijk sepot.
Schadevergoeding is in beginsel een zaak tussen degene die de schade heeft aangericht en de benadeelde. Veroordelingen door de civiele rechter tot schadevergoeding aan de benadeelde worden niet tegengeworpen bij naturalisatie en optie. Schadevergoeding kan echter ook in het strafproces een rol spelen, bijvoorbeeld als voorwaarde verbonden aan een voorwaardelijk opgelegde straf of aan een beslissing om een strafzaak te seponeren.
Dading: bij de strafrechtelijke dading (een civielrechtelijke overeenkomst tussen de verdachte en de benadeelde van een strafbaar feit) wordt strafrechtelijke vervolging voorkomen. De verdachte komt overeen om de door de benadeelde geleden schade te vergoeden. Bij de beoordeling in het kader van optie of naturalisatie van een dading wordt aangesloten bij wat hiervoor is vermeld onder voorwaardelijk sepot. Bij het OM moet dus worden nagegaan of de dadingsovereenkomst inderdaad is nagekomen en het OM niet alsnog vervolging heeft ingesteld. Tot die tijd moet de aanvraag worden aangehouden. Als de dadingsovereenkomst niet is nagekomen, en alsnog (al dan niet voorwaardelijk) een geldboete van € 900,– of meer (ingeval van herhaalde misdrijven € 450,– of meer), een taakstraf van 36 uur of meer, dan wel meerdere taakstraffen van 18 uur of meer, met een totaal van 54 uur of meer, of een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd, wordt het feit wel tegengeworpen.
Halt-afdoening: ook de Halt-afdoening komt neer op een sepot onder voorwaarde. Als de afspraken niet worden nagekomen, kan publiekrechtelijke sanctionering (in het kader van het jeugdstrafrecht) volgen. Gecontroleerd moet worden of de dienstverlening is voltooid. Als dat niet het geval is, wordt de aanvraag aangehouden. Als alsnog tot strafvervolging wordt overgegaan, wordt het feit alleen tegengeworpen als een geldboete van minimaal € 900,– of een (al dan niet voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd. Dit sluit aan bij de beoordeling van dading.
Met een voorwaardelijk sepot is echter nog geen einde aan de zaak gekomen. Met een voorwaardelijk sepot ziet het OM slechts af van strafvervolging, als aan (een) bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan. Als aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan alsnog tot dagvaarding worden overgegaan en kan het misdrijf alsnog leiden tot een sanctie. De voorwaardelijk geseponeerde zaak lijkt daarmee op een openstaande strafzaak en wordt bij naturalisatie of optie op vergelijkbare wijze beoordeeld. Omdat strafvervolging en -oplegging niet zijn uitgesloten, moet de vreemdeling eerst de proeftijd afwachten. Voorwaardelijke sepots leiden evenmin tot weigering van naturalisatie of optie, mits aan de voorwaarden van het sepot is voldaan en de proeftijd is verstreken. Als een misdrijf voorwaardelijk is geseponeerd, moet altijd de proeftijd worden afgewacht. Als de vreemdeling nog in de proeftijd zit, moet hij worden geadviseerd te wachten met de indiening van het naturalisatieverzoek of het afleggen van de optieverklaring totdat de proeftijd is verstreken. Als hij er niettemin op staat het verzoek in te dienen of de optieverklaring af te leggen en de proeftijd is nog niet verstreken, dan wordt de naturalisatie of optie geweigerd. Pas als de proeftijd is verstreken en aan de voorwaarden is voldaan, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het vermeende misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid en dat er ook geen rehabilitatietermijn is aangevangen.
Bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling is niet van belang of de voor het misdrijf opgelegde straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden. Gekeken wordt naar de straf die oorspronkelijk is opgelegd, dus ook naar het gedeelte dat door gratie is kwijtgescholden. Voor naturalisatie of optie heeft het enkele feit dat de straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden dus geen invloed op de beoordeling van het gedrag; het misdrijf en de dader zijn immers strafbaar bevonden en daarvoor is straf opgelegd. Gratie kan wel invloed hebben op de aanvang van de rehabilitatietermijn:
De rehabilitatietermijn vangt dus niet aan op de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden. In de periode tussen die datum en de gratieverlening was er immers wel sprake van dat de opgelegde straf ten uitvoer zou worden gelegd. Van daadwerkelijke rehabilitatie (en de aanvang van de rehabilitatietermijn) kan geen sprake zijn, zolang de vreemdeling nog onderworpen is aan de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel of dat hem deze nog boven het hoofd hangt.
Gratie betreft de opheffing of de verlichting van de gevolgen van een strafvonnis. Gratie kan voorwaardelijk worden verleend, hetgeen neerkomt op het omzetten van de straf in een geldboete of schadevergoeding of in een taakstraf. Daarbij kan een proeftijd worden opgelegd. Een koninklijk besluit waarbij gratie is verleend, kan worden ingetrokken als de voorwaarden niet worden nageleefd. Op het moment waarop de gratieverlening wordt betekend, worden de gevolgen van het vonnis opgeheven of verlicht. Het vonnis zelf blijft bestaan. Pas vanaf dat moment kan de verleende gratie bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling een rol gaan spelen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de gratie slechts de tenuitvoerlegging van de oorspronkelijk opgelegde straf aantast. Het doet niet af aan het feit dat daad en dader strafbaar zijn bevonden en dat er oorspronkelijk ook een straf is opgelegd die tot het moment van de gratieverlening ten uitvoer moest worden gelegd. Uitgegaan wordt derhalve van de oorspronkelijk opgelegde straf, en er wordt niet uitgegaan van de sanctie die resteert na de gratieverlening.
In de regeling voor gratie is voorts aangesloten bij het algemene uitgangspunt dat de rehabilitatietermijn niet kan beginnen zolang de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf nog niet is aangevangen of voltooid. Daarom werkt gratie pas vanaf het moment van gratieverlening en begint de termijn te lopen op het moment van de gratieverlening (ingeval van onvoorwaardelijke gratie) of het moment waarop aan de voorwaarden is voldaan (ingeval van voorwaardelijke gratie).
Bij de invloed van de proeftijd die bij gratie kan worden vastgesteld, is aangesloten bij de regeling voor de proeftijd die wordt vastgesteld ingeval van een voorwaardelijke veroordeling. Als de voorwaarden niet worden nageleefd, kan de gratiebeslissing immers worden herroepen. Als dat het geval is, gelden de algemene uitgangspunten van het openbare-ordebeleid in het nationaliteitsrecht.
Ook de door gratie kwijtgescholden gevangenisstraf of geldboete kan dus gewoon worden meegeteld. Dat geldt ook in de cumulatieregeling van € 1.350,–, mits de kwijtgescholden boete was opgelegd voor een misdrijf en ten minste € 450,– bedraagt.
De voorwaardelijke gratie komt neer op het omzetten van de oorspronkelijke straf in de betaling van een geldboete of schadevergoeding, of in een taakstraf (werkstraf of leerstraf). Bij voorwaardelijke gratie kan in veel gevallen een proeftijd worden bepaald. Als de voorwaarden niet worden nageleefd, kan het koninklijk besluit waarbij gratie is verleend, worden ingetrokken. Daarom moet bij voorwaardelijke gratie altijd de eventuele proeftijd worden afgewacht. Als achteraf blijkt dat de proeftijd met goed gevolg is doorstaan, vangt de rehabilitatietermijn aan op het moment waarop de nieuwe straf is voltooid. Als de voorwaarde de betaling van een boete of schadevergoeding was, vangt de termijn dus aan op de datum van betaling. Als de voorwaarde was het verrichten van arbeid ten algemenen nutte (werkstraf) of het deelnemen aan een leerproject (leerstraf), vangt de termijn aan op de datum waarop de werk- of leerstraf is voltooid.
De rehabilitatietermijn vangt dus niet aan op de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden. In de periode tussen die datum en de gratieverlening was er immers wel sprake van dat de opgelegde straf ten uitvoer zou worden gelegd. Van daadwerkelijke rehabilitatie (en de aanvang van de rehabilitatietermijn) kan geen sprake zijn, zolang de vreemdeling nog onderworpen is aan de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel of dat hem deze nog boven het hoofd hangt.
Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium ‘ernstig gevaar voor de openbare orde’ (in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)). Zij moeten door iedereen op dezelfde wijze worden uitgevoerd. Deze regels vervangen de genoemde artikelen niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels moet men er dus altijd op bedacht zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.
Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een naturalisatie of optie dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden geweigerd, toch moet worden ingewilligd of worden bevestigd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek of optie dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen of geweigerd, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek of optie moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek of optie zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de Handleiding RWN 2003 geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.
Een bijzondere omstandigheid kan in het algemeen worden omschreven als een omstandigheid die wel belangrijk is, maar waaraan bij het opstellen van de regels niet of onvoldoende kon worden gedacht. Juist omdat het bijzondere omstandigheden zijn, kan niet van tevoren worden aangegeven welke omstandigheden zo bijzonder zijn dat zij tot afwijking van de regels in dit hoofdstuk moeten leiden.
Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), kan echter wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt. Niet bijzonder is bijvoorbeeld dat de vreemdeling:
Evenmin kunnen als bijzonder worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voorzover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken. Deze voorbeelden zijn niet-limitatief.
Als al sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, is het aan de vreemdeling om die zelf aan te voeren. Dat ligt niet op de weg van de burgemeester en de IND, omdat die in den regel ook geen kennis kunnen hebben van bijzondere omstandigheden. Wel ligt het op de weg van de burgemeester en de IND om naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden te vragen en de betekenis daarvan zonodig te onderzoeken. De vreemdeling kan op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) (bij naturalisatie) of [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) (bij optie) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ die hij bij de indiening van zijn verzoek of het afleggen van de optieverklaring bij de burgemeester invult, aangeven of er sprake is van bijzondere omstandigheden.
De beoordeling van bijzondere omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND, en bij optie bij de burgemeester. Die bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens leiden tot de conclusie dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde. Als wel sprake is van ernstige vermoedens dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, moet naturalisatie of optie worden geweigerd. Daarvan kan bij naturalisatie niet met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden afgeweken.
Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), kan echter wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt. Niet bijzonder is bijvoorbeeld dat de vreemdeling:
Om te kunnen spreken van gevaar voor de veiligheid van het Koninkrijk is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel moeten er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen moet in de eerste plaats worden gedacht aan een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van (buitenlandse) ministeries.
Als al sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, is het aan de vreemdeling om die zelf aan te voeren. Dat ligt niet op de weg van de burgemeester en de IND, omdat die in den regel ook geen kennis kunnen hebben van bijzondere omstandigheden. Wel ligt het op de weg van de burgemeester en de IND om naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden te vragen en de betekenis daarvan zonodig te onderzoeken. De vreemdeling kan op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) (bij naturalisatie) of [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) (bij optie) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ die hij bij de indiening van zijn verzoek of het afleggen van de optieverklaring bij de burgemeester invult, aangeven of er sprake is van bijzondere omstandigheden.
De burgemeester adviseert in beginsel in de naturalisatieprocedure aan Onze Minister of de vreemdeling dan wel het kind voor wie medeverlening is verzocht voldoet aan de voorwaarden. Over criminele antecedenten voor de toepassing van [artikel 9 lid 1 onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) adviseert de burgemeester echter sinds 1 januari 2012 niet meer. De burgemeester moet de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, wel informeren over de openbare orde-richtlijnen bij naturalisatie, waaronder het vereiste van monogamie. De burgemeester wijst de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat hij geen strafrechtelijke gegevens zal opvragen, maar dat de IND dit doet. De burgemeester wijst de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat deze gegevens gevolgen kunnen hebben voor de beslissing op het verzoek om (mede)naturalisatie. De burgemeester geeft in het advies aan de IND nog wel aan of wel of niet sprake is van een polygaam huwelijk van de vreemdeling of van de medenaturalisant.
Als voor de indiening van het naturalisatieverzoek al duidelijk is dat de vreemdeling (bijvoorbeeld wegens een openstaande strafzaak of recente sanctie) niet voor naturalisatie in aanmerking komt, moet hij er op worden gewezen dat het verzoek waarschijnlijk zal worden afgewezen en dat hij beter kan wachten met de indiening van het verzoek totdat hij wel voor naturalisatie in aanmerking komt. Als hij er desalniettemin op staat een verzoek in te dienen, moet dat verzoek wel in behandeling worden genomen. De IND onderzoekt vervolgens de strafrechtelijke gegevens van de vreemdeling. Het is raadzaam om de vreemdeling een eigen risico verklaring te laten ondertekenen.
Voor de procedure bij optie, zie de toelichting bij [artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
De burgemeester adviseert in beginsel in de naturalisatieprocedure aan Onze Minister of de vreemdeling dan wel het kind voor wie medeverlening is verzocht voldoet aan de voorwaarden. Over criminele antecedenten voor de toepassing van [artikel 9 lid 1 onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) adviseert de burgemeester echter sinds 1 januari 2012 niet meer. De burgemeester moet de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, wel informeren over de openbare orde-richtlijnen bij naturalisatie, waaronder het vereiste van monogamie. De burgemeester wijst de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat hij geen strafrechtelijke gegevens zal opvragen, maar dat de IND dit doet. De burgemeester wijst de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat deze gegevens gevolgen kunnen hebben voor de beslissing op het verzoek om (mede)naturalisatie. De burgemeester geeft in het advies aan de IND nog wel aan of wel of niet sprake is van een polygaam huwelijk van de vreemdeling of van de medenaturalisant.
Iedere meerderjarige vreemdeling en iedere minderjarige kind van 16 jaar en ouder moet bij het naturalisatieverzoek of optieverklaring een verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij naturalisatie, [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) bij optie) ondertekenen. In dit model verklaart hij dat hij niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie, én, als hij getrouwd is, dat hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Model 2.3 en model 1.14 bestaat uit meerdere verklaringen. Als de vreemdeling (of degene voor wie medenaturalisatie of medeoptie is verzocht) aangeeft dat hij niet een of meer van de verklaringen op model 2.3 of model 1.14 naar waarheid kan verklaren, dan moet hij op het model (zoveel mogelijk onderbouwd met stukken) aangeven waarom hij die verklaring niet kan afleggen. Daarbij kan hij aangeven of er naar zijn mening bijzondere omstandigheden zijn die toch tot naturalisatie of optie moeten leiden.
Als een vreemdeling (bij naturalisatie op model 2.3, bij optie op model 1.14) aangeeft dat er sprake is van buitenlandse delicten, moet hij daarover zoveel mogelijk gegevens verstrekken. Als hij beschikt over documenten, zoals het buitenlandse vonnis, dan moet een kopie hiervan bij het naturalisatieverzoek of optie zitten. De vreemdeling moet zo gedetailleerd mogelijk aangeven welk(e) feit(en) het betrof, welke rechtbank en welke kamer op welke datum daarover hebben beslist, welke rechtsmiddelen eventueel zijn aangewend en met welk resultaat, waar en wanneer de beslissing van de rechtbank ten uitvoer is gelegd en eventuele andere bijzonderheden. Als de vreemdeling beschikt over stukken in een vreemde taal, dan moet hijzelf ervoor zorgen dat deze stukken worden vertaald door een beëdigd vertaler.
De meerderjarige vreemdeling of het kind van 16 of 17 jaar geeft aan of binnen vijf jaar voor de indiening van het verzoek of het afleggen van de optieverklaring een sanctie ten uitvoer is gelegd. Daarbij is van belang dat de vreemdeling zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus op welke datum de vreemdeling of het kind in vrijheid is gesteld, de taakstraf heeft voltooid of het bedrag heeft betaald.
Met ingang van 1 mei 2018 is de rehabilitatietermijn van vier naar vijf jaar gegaan. Voor naturalisatieverzoeken of optieverklaringen die voor deze datum zijn ingediend of afgelegd geldt nog de rehabilitatietermijn van vier jaar.
Iedere meerderjarige vreemdeling en iedere minderjarige kind van 16 jaar en ouder moet bij het naturalisatieverzoek of optieverklaring een verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij naturalisatie, [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij optie) ondertekenen. In dit model verklaart hij dat hij niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie, én, als hij getrouwd is, dat hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Model 2.3 en model 1.14 bestaat uit meerdere verklaringen. Als de vreemdeling (of degene voor wie medenaturalisatie of medeoptie is verzocht) aangeeft dat hij niet een of meer van de verklaringen op model 2.3 of model 1.14 naar waarheid kan verklaren, dan moet hij op het model (zoveel mogelijk onderbouwd met stukken) aangeven waarom hij die verklaring niet kan afleggen. Daarbij kan hij aangeven of er naar zijn mening bijzondere omstandigheden zijn die toch tot naturalisatie of optie moeten leiden.
De IND (bij naturalisatie) en de burgemeester (bij optie) vraagt gegevens op bij de Justitiële documentatiedienst (JDD). Let op: bij naturalisatie behoeft de burgemeester de JDD niet te raadplegen.
De vermelding op het uittreksel van de Justitiële documentatiedienst (JDD) van een openstaande strafzaak ter zake van misdrijf is voldoende om aan te nemen dat er ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde. Er hoeft geen nader onderzoek verricht te worden naar de feiten vermeld op het uittreksel. De omstandigheid dat een feit voorkomt in het uittreksel van de JDD betekent dat er een vervolgingsbeslissing is genomen, die inhoudt dat er een strafbeschikking (van het OM) of een strafvonnis (van de strafrechter) kan volgen. Wel kan het verstandig zijn, om de zaak aan te houden als er een vermoeden is dat een straf kan volgen die niet onder het openbare orde beleid valt. Het uittreksel uit de Justitiële documentatie wordt ook wel het ‘strafblad’ genoemd en hierop worden strafbare feiten vermeld ter zake waarvan het OM vervolging heeft ingesteld. Als de zaak eenmaal is afgehandeld wordt de beslissing van het OM of de uitspraak van de rechter op het strafblad vermeld. Vermelding van een zaak op het strafblad betekent dus dat er sprake is van vervolging of veroordeling terzake van het desbetreffende strafbare feit.
Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van feiten en omstandigheden die niet overeenkomen met wat de vreemdeling (bij optie: op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09), bij naturalisatie: op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) zelf heeft verklaard, dan wordt de vreemdeling door de burgemeester (bij optie) en door de IND (bij naturalisatie) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
De Fransman E woont in Frankrijk tien jaar ongetrouwd samen met een Nederlander. Beiden vestigen zich vervolgens in Nederland. Na enkele dagen wordt E in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf bij Nederlandse partner. Na anderhalf jaar gaan beiden in Nederland een geregistreerd partnerschap aan. E kan, na nog eens anderhalf jaar onafgebroken samenwonen met zijn Nederlandse partner en mits hij gedurende die periode onafgebroken in het bezit blijft van een geldige verblijfsvergunning, een verzoek om naturalisatie indienen. Hij voldoet dan aan de verkorte termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. De termijn van anderhalf jaar ongetrouwd samenwonen in Nederland en de termijn van anderhalf jaar samenwonen in geregistreerd partnerschap (dat op grond van [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) is gelijkgesteld met een huwelijk) in Nederland, mogen bij elkaar worden opgeteld. De termijn van tien jaar ongetrouwd samenwonen in het buitenland telt niet mee. Of het verzoek van E wordt ingewilligd hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
### Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten
De Fransman E woont in Frankrijk tien jaar ongetrouwd samen met een Nederlander. Beiden vestigen zich vervolgens in Nederland. Na enkele dagen wordt E in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf bij Nederlandse partner. Na anderhalf jaar gaan beiden in Nederland een geregistreerd partnerschap aan. E kan, na nog eens anderhalf jaar onafgebroken samenwonen met zijn Nederlandse partner en mits hij gedurende die periode onafgebroken in het bezit blijft van een geldige verblijfsvergunning, een verzoek om naturalisatie indienen. Hij voldoet dan aan de verkorte termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. De termijn van anderhalf jaar ongetrouwd samenwonen in Nederland en de termijn van anderhalf jaar samenwonen in geregistreerd partnerschap (dat op grond van [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) is gelijkgesteld met een huwelijk) in Nederland, mogen bij elkaar worden opgeteld. De termijn van tien jaar ongetrouwd samenwonen in het buitenland telt niet mee. Of het verzoek van E wordt ingewilligd hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
**De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt eveneens op drie jaren gesteld voor de verzoeker die door erkenning of wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlander is geworden. Voor de verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd wordt de termijn van drie jaren verminderd met de onafgebroken periode gedurende welke hij onmiddellijk voorafgaande aan zijn meerderjarigheid na de erkenning of wettiging zonder erkenning, verzorging en opvoeding heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend of wiens kind hij door wettiging zonder erkenning is geworden.**
### Paragraaf 5.8. Vijfjaartermijn
De erkenning of wettiging kan plaats hebben gevonden tijdens de meer- of minderjarigheid van het kind. Voor de meerderjarige verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd, mag de onafgebroken periode dat hij door zijn juridische vader is verzorgd en opgevoed na de erkenning of wettiging worden afgetrokken van de termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. Dit kan echter alleen als deze periode van verzorging en opvoeding direct vooraf is gegaan aan de meerderjarigheid van de verzoeker. De periode van verzorging en opvoeding moet dus direct vooraf zijn gegaan aan zijn achttiende jaar, zijn voordien gesloten huwelijk of zijn voordien in Nederland geregistreerd partnerschap of buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1). Het begrip ‘verzorging en opvoeding’ in deze bepaling komt overeen met het begrip ‘verzorging en opvoeding’ in de zin van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Voor de wijze waarop de verzoeker moet aantonen dat aan deze voorwaarde is voldaan, wordt hier verwezen naar de toelichting bij die bepaling.
### Paragraaf 8.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
[Artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4) bepaalt sinds 1 maart 2009 dat een minderjarige door erkenning of door wettiging zonder erkenning het Nederlanderschap verkrijgt of kan verkrijgen. Op grond van artikel 4, tweede en derde lid RWN verkrijgt de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte door een Nederlander wordt erkend en jonger is dan zeven jaar, dan wel de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt gewettigd zonder erkenning, het Nederlanderschap van rechtswege. Op grond van artikel 4, vierde lid RWN verkrijgen minderjarige vreemdelingen die door een Nederlander worden erkend als zij zeven jaar of ouder zijn, het Nederlanderschap als de Nederlandse erkenner zijn biologische vaderschap bij of binnen een jaar na de erkenning aantoont via DNA-bewijs dat voldoet aan de eisen zoals gesteld in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap. Zie voor meer informatie de toelichting op artikel 4 RWN in deze Handleiding.
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen
### 10-alg. Toelichting algemeen
Wet BRP: [artikel 2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15)
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): [artikelen 74a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) en [92 t/m 423](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92)
Dit heeft tot gevolg dat ten aanzien van verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend vóór 1 oktober 2010, nog steeds de uitzonderingscategorie bij afstand “de verzoeker die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn hoofdverblijf gehad heeft” van toepassing is. Voor verzoekers die op of na 1 oktober 2010 een verzoek indienen geldt deze uitzonderingscategorie dus niet meer.
Hieronder wordt uiteengezet wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of de veiligheid van het Koninkrijk. Daarbij staan centraal de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de vreemdeling. Die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden. Samengevat komt het beleid erop neer dat de naturalisatie of optie wordt geweigerd, als:
### Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is
### Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
Afwijzing van het verzoek om naturalisatie zal geschieden met de motivering dat betrokkene een gevaar oplevert voor de openbare orde, goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk. De afwijzende naturalisatiebeschikking bevat tevens de onderbouwing van de ernstige vermoedens door verwijzing naar de vreemdelingrechtelijke beschikking, de uitkomst van in het kader van de naturalisatieprocedure verricht onderzoek dan wel de (openstaande) strafzaak.
### Paragraaf 3. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
In beginsel wordt een vreemdeling op wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is niet in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt de vreemdeling om redenen van disproportionaliteit op aanvraag in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier van tijdelijke aard. Vanwege het tijdelijke karakter van het verblijfsrecht is verlening van het Nederlanderschap in die gevallen niet mogelijk. Niettemin kan het voor komen dat een vreemdeling op wie artikel 1F van toepassing is, in het bezit is van een verblijfsvergunning (asiel of regulier) met een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard, waarop naturalisatie in beginsel wél mogelijk is. Bijvoorbeeld als informatie die leidt tot het vermoeden dat de vreemdeling de in artikel 1F Vluchtelingenverdrag genoemde misdrijven of handelingen heeft begaan, pas na verlening van een verblijfsvergunning bekend wordt. Het is dan niet altijd meer mogelijk het verblijfsrecht te beëindigen. In dat geval wordt een aanvraag tot het verlenen van het Nederlanderschap afgewezen.
De conclusie dat de vreemdeling zich aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F heeft schuldig gemaakt is in ieder geval aan de orde bij:
Afwijzing van het verzoek om naturalisatie zal geschieden met de motivering dat betrokkene een gevaar oplevert voor de openbare orde, goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk. De afwijzende naturalisatiebeschikking bevat tevens de onderbouwing van de ernstige vermoedens door verwijzing naar de vreemdelingrechtelijke beschikking, de uitkomst van in het kader van de naturalisatieprocedure verricht onderzoek dan wel de (openstaande) strafzaak.
Als uitgangspunt doet de burgemeester geen onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 1F. Hierover hoeft in het schriftelijk advies aan de IND dan ook niets te worden vermeld.
Aanwijzingen over de toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag worden ontvangen en beoordeeld door de IND. Indien van toepassing informeert de IND de burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woonplaats heeft als ten aanzien van een vreemdeling die door optie het Nederlanderschap kan verkrijgen het ernstige vermoeden bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Als door de IND hierover geen informatie is verstrekt kan ervan uit worden gegaan dat artikel 1F geen grond is om de bevestiging van de optieverklaring te weigeren.
De vreemdeling mag geen Nederlander worden als zijn verblijfsvergunning wegens inbreuk op de openbare orde op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken. Dat wil echter niet zeggen dat de vreemdeling, als zijn verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 niet kan worden ingetrokken, zonder meer Nederlander kan worden. Omdat het openbare-ordebeleid in het nationaliteitsrecht anders is dan het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht, kunnen er in zo’n geval wel degelijk ernstige vermoedens (in de zin van [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)) bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde.
Het openbare-ordebeleid bij naturalisatie en optie komt niet geheel overeen met het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht. De reden daarvoor is dat de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap iets geheel anders is dan de verlening van een verblijfsvergunning. Het Nederlanderschap geeft immers rechten die een verblijfsvergunning niet geeft, bijvoorbeeld actief en passief kiesrecht voor de Staten-Generaal en de mogelijkheid een beroep te doen op consulaire bescherming, en stelt bepaalde ambten open die niet voor vreemdelingen openstaan. Daarom mogen er ook andere regels worden gesteld.
De vreemdeling mag geen Nederlander worden als zijn verblijfsvergunning wegens inbreuk op de openbare orde op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken. Dat wil echter niet zeggen dat de vreemdeling, als zijn verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 niet kan worden ingetrokken, zonder meer Nederlander kan worden. Omdat het openbare-ordebeleid in het nationaliteitsrecht anders is dan het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht, kunnen er in zo’n geval wel degelijk ernstige vermoedens (in de zin van [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)) bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde.
Met ‘sanctie’ wordt hier niet alleen bedoeld een straf (bijvoorbeeld geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) of een maatregel die door de strafrechter is opgelegd, maar ook uitgevaardigde strafbeschikkingen of door de politie of het OM opgelegde boeten. De vreemdeling mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking ter zake van misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat weigering van naturalisatie of optie moet plaatsvinden, als op grond van het gedrag van de vreemdeling ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Als naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de naturalisatie- of optieprocedure worden betrokken.
De woorden ‘ernstige vermoedens’ in het onderhavige artikellid geven aan dat niet alleen misdrijven waarvoor de vreemdeling al onherroepelijk is veroordeeld in aanmerking moeten worden genomen, maar ook misdrijven waarvan hij op goede gronden wordt verdacht en waarop alsnog een sanctie kan volgen.
Met ‘sanctie’ wordt hier niet alleen bedoeld een straf (bijvoorbeeld geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) of een maatregel die door de strafrechter is opgelegd, maar ook uitgevaardigde strafbeschikkingen of door de politie of het OM opgelegde boeten. De vreemdeling mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking ter zake van een misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat weigering van naturalisatie of optie moet plaatsvinden, als op grond van het gedrag van de vreemdeling ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Als naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de naturalisatie- of optieprocedure worden betrokken.
Aanleiding voor het aannemen van een serieuze verdenking kan bijvoorbeeld zijn een tegen de vreemdeling wegens een misdrijf opgemaakt proces-verbaal (kan onder meer blijken uit de informatie verkregen via de bevraging om inlichtingen uit Basisvoorziening Informatie – Integrale Bevraging (BVI-IB) van de Nationale Politie) of de vermelding op het uittreksel van de Justitiële documentatiedienst (JDD) van een openstaande strafzaak ter zake van een misdrijf.
Ook als de vreemdeling al is veroordeeld voor een misdrijf of jegens hem ter zake van een misdrijf een strafbeschikking is uitgevaardigd, maar hij tegen het vonnis in hoger beroep is gegaan of verzet heeft aangetekend tegen de strafbeschikking, is de strafzaak nog niet onherroepelijk afgedaan en is er nog steeds sprake van een serieuze verdenking. Het is mogelijk dat de vreemdeling in hoger beroep wordt veroordeeld tot een andere straf.
Iedere openstaande vermogenssanctie (geldboete, transactie, strafbeschikking of maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel) van minder dan € 810,–, leidt niet tot weigering van naturalisatie of optie, omdat dit op zichzelf geen beletsel vormt voor optie of naturalisatie. Het is daarbij niet relevant of al een rechtsmiddel is aangewend tegen de sanctie. Evenmin is relevant of er sprake is van een voorwaardelijk opgelegde vermogenssanctie van minder dan € 810,– en de optant of naturalisandus zich in dit geval nog in een proeftijd bevindt.
Let op dat cumulatie van boetes onder de € 810,– tot een totaal van € 1.215,- of meer wel kan leiden tot weigering van de naturalisatie of optie (zie [paragraaf 5 van de toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=5&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Verder is er sprake van ernstige vermoedens als de vreemdeling zich nog in de proeftijd bevindt. Een proeftijd kan worden verbonden aan een voorwaardelijk sepot, een voorwaardelijke veroordeling of een voorwaardelijke gratie. Als de vreemdeling zich niet houdt aan de voorwaarden, kan alsnog strafvervolging worden ingesteld of kan de gratie ongedaan worden gemaakt.
Daarbij is niet van belang:
Het betreft hier bijkomende straffen zoals bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onder b, WvSR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9). In dat geval gaat de rehabilitatietermijn lopen op het moment dat de ontzegging van bepaalde rechten niet meer op de vreemdeling van toepassing is. In het voorbeeld van een ontzegging van de rijbevoegdheid start de rehabilitatietermijn dus als de ontzegging is afgelopen. In het geval van een verbeurdverklaring of openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak, start de rehabilitatietermijn als de verbeurdverklaring of openbaarmaking heeft plaatsgevonden.
### Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
Het is van belang dat de vreemdeling zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus de vreemdeling in vrijheid is gesteld, het bedrag heeft betaald of de taakstraf heeft voltooid.
De vreemdeling mag in de periode van vijf jaren (de zogenaamde rehabilitatietermijn van vijf jaar) direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring of de beslissing daarop niet onderworpen zijn geweest aan sanctionering van een misdrijf of aan de gevolgen daarvan. Daarbij geldt het volgende:
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
De naturalisatie of optie wordt geweigerd, als er binnen vijf jaren voor de indiening van het verzoek dan wel het afleggen van de optieverklaring of de beslissing daarop zo’n sanctie is opgelegd. Daarbij is niet van belang:
De naturalisatie of optie wordt ook geweigerd, als er in die periode van vijf jaar een sanctie ten uitvoer is gelegd. De sanctie is tenuitvoergelegd:
Het betreft hier bijkomende straffen zoals bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onder b, WvSR](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9). In dat geval gaat de rehabilitatietermijn lopen op het moment dat de ontzegging van bepaalde rechten niet meer op de vreemdeling van toepassing is. In het voorbeeld van een ontzegging van de rijbevoegdheid start de rehabilitatietermijn dus als de ontzegging is afgelopen. In het geval van een verbeurdverklaring of openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak, start de rehabilitatietermijn als de verbeurdverklaring of openbaarmaking heeft plaatsgevonden.
Het is van belang dat de vreemdeling zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus de vreemdeling in vrijheid is gesteld, het bedrag heeft betaald of de taakstraf heeft voltooid.
Voorwaardelijke straf en proeftijd: als sprake is van een voorwaardelijk opgelegde straf waaraan een proeftijd is verbonden, moet de proeftijd zijn verstreken voordat de vreemdeling in aanmerking kan komen voor naturalisatie of optie. Als de vreemdeling gedurende de proeftijd heeft voldaan aan de algemene voorwaarde dat hij niet opnieuw strafbare feiten pleegt, en de voorwaardelijk opgelegde straf dus niet alsnog ten uitvoer wordt gelegd, begint de rehabilitatietermijn (achteraf bezien) op het moment waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden. Er is immers geen sprake van de tenuitvoerlegging van de straf. Als de vreemdeling gedurende de proeftijd heeft voldaan aan bijzondere voorwaarden (bijvoorbeeld betaling van een geldsom of het verrichten van arbeid) begint de rehabilitatietermijn op het moment waarop die bijzondere voorwaarde is vervuld. (Zie paragraaf 4 van de toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, HRWN voor uitzonderingen bij voorwaardelijk opgelegde vermogenssancties).
Als de vreemdeling in één strafrechtelijke procedure voor verschillende gevoegde feiten (verschillende misdrijven of een combinatie van misdrijven en overtredingen) is veroordeeld tot één enkele straf, die gelijk is aan of uitstijgt boven de hierboven gegeven norm, wordt de naturalisatie of optie geweigerd.
Met ingang van 1 mei 2018 is de rehabilitatietermijn van vier naar vijf jaar gegaan. Voor naturalisatieverzoeken of optieverklaringen die voor deze datum zijn ingediend of afgelegd geldt nog de rehabilitatietermijn van vier jaar.
Voor de afdoening van misdrijven is niet altijd een uitspraak van de strafrechter nodig. Ongeveer een derde van de misdrijfzaken wordt door middel van een transactie afgedaan. Het gebruik van transacties is in hoge mate vastgelegd in richtlijnen van het OM. Een transactie voor een misdrijf is een alternatieve vorm van sanctie, zij het dat die sanctie niet na berechting en niet door de strafrechter wordt opgelegd, en dat de vrijwillige instemming van de verdachte is vereist. Met de transactie geeft de Nederlandse overheid aan voldoende belang te hechten aan sanctionering van het misdrijf. De ernst van het misdrijf komt tot uiting in de hoogte van het transactiebedrag, waarmee de verdachte strafvervolging kan afkopen. Dat voorstel mag uitsluitend worden gedaan als een veroordeling door de rechter in een gewone strafrechtelijke procedure ook daadwerkelijk haalbaar is. Als langs de weg van de gewone procedure geen sanctionering zou kunnen volgen, behoort een transactieaanbod achterwege te blijven. De verdachte hoeft niet op het voorstel in te gaan en kan kiezen voor behandeling door de strafrechter. De transactie houdt formeel weliswaar geen erkenning door de verdachte in dat hij het strafbare feit heeft gepleegd – en de mogelijkheid is dus aanwezig dat de verdachte het feit ter zake waarvan verdenking is gerezen niet heeft gepleegd en slechts ingaat op het transactievoorstel om van de zaak af te zijn, bijvoorbeeld om het openbaar terechtstaan, het opmaken van een strafblad, de civielrechtelijke bewijspositie van de veroordeelde en onzekerheid over de uitkomst van het strafgeding te voorkomen – maar voor iedere transactie is de vrijwillige instemming van de verdachte met de transactie essentieel. Het prijsgeven van rechtsbescherming door de strafrechter en de mogelijkheid van vrijspraak of lagere strafoplegging, geschiedt vrijwillig. In sommige gevallen ([artikel 74a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74a)) kan een door de verdachte aangeboden transactie ook niet door het OM worden geweigerd. Bovendien gaat het in naturalisatie- en optiezaken om relatief hoge bedragen (€ 810,– of meer, dan wel ingeval van herhaalde misdrijven € € 405,– of meer) dat voorshands niet kan worden aangenomen dat de vreemdeling (telkenmale) onschuldig transigeert om van de zaak af te zijn. Ook in het krachtens [artikel 16, eerste lid aanhef en onder d, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) (nader uitgewerkt in [artikel 3.77 van het Vreemdelingenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77)) gevoerde toelatingsbeleid leiden transacties ter zake van misdrijven tot de afwijzing van een aanvraag om een verblijfsvergunning.
Het zou onrechtvaardig zijn dat de vreemdeling die zich regelmatig schuldig maakt aan misdrijven, maar die daarvoor telkenmale sancties krijgt opgelegd van minder dan € 810,– wel, en de vreemdeling die eenmalig een misdrijf heeft begaan waarvoor hij met een boete van € 810,– of meer is bestraft gedurende vijf jaren nadien niet voor naturalisatie of optie in aanmerking komt. Met de cumulatieregeling is beoogd aan deze onrechtvaardigheid tegemoet te komen. Als de vreemdeling binnen een bepaald tijdsbestek wegens herhaalde misdrijven is gesanctioneerd, kan daarmee rekening worden gehouden. Om te voorkomen dat een opeenstapeling van vermogenssancties ter zake van diverse misdrijven (te snel) tot weigering van naturalisatie of optie leidt, is per sanctie een minimumbedrag van € 405,– vastgesteld. Deze ondergrens van € 405,– is gebaseerd op (in richtlijnen van het OM opgenomen vermogenssancties die kunnen worden opgelegd ter zake van) misdrijven, waarvan bij herhaling kan worden aangenomen dat er sprake is van ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde. Met het totaalbedrag van € 1.215,– is beoogd te voorkomen dat een te gering aantal sancties uiteindelijk toch tot weigering van naturalisatie of optie zal gaan leiden.
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
Het gaat bij de beoordeling van het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde om de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de vreemdeling. Die verwachtingen worden noodzakelijkerwijs gebaseerd op het gedrag van de vreemdeling in het heden en recente verleden. Als maatstaf voor de beoordeling van het gedrag wordt de vraag gehanteerd of het gedrag van de vreemdeling heeft geleid tot een veroordeling of andere sanctie ter zake van misdrijf of de tenuitvoerlegging daarvan. Omdat het echter blijft gaan om het toekomstige gedrag, wordt niet iedere sanctie en tenuitvoerlegging daarvan (ook niet als die sanctie zeer zwaar was) blijvend tegengeworpen. De omstandigheid dat iemand in het verleden wegens bepaalde strafbare feiten in aanraking is gekomen met Justitie is op zichzelf onvoldoende grond voor afwijzing. Aan het gedrag van de vreemdeling in het verre verleden kunnen geen conclusies worden verbonden, voor wat betreft zijn toekomstige gedrag. Voor de beoordeling van een naturalisatieverzoek of optie is als maatstaf aangelegd dat er gedurende een periode van vijf jaar, direct voorafgaande aan de indiening van het naturalisatieverzoek of het afleggen van de optieverklaring of de beslissing daarop, geen sprake mag zijn geweest van een misdrijf, de sanctionering van een misdrijf of de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie.
### 4. Opsturen
De IND (bij naturalisatie) en de burgemeester (bij optie) vraagt gegevens op bij de Justitiële documentatiedienst (JDD). Let op: bij naturalisatie behoeft de burgemeester de JDD niet te raadplegen.
Verder moet de burgemeester bij optie en de IND bij naturalisatie contact opnemen met de korpschef om na te gaan of de vreemdeling voorkomt in de Basisvoorziening Informatie – Integrale Bevraging (BVI-IB) van de nationale politie. De burgemeester kan voor raadpleging van de BVI-IB gebruik maken van [model 1.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) uit deze Handleiding.
Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van omstandigheden die niet overeenkomen met wat de vreemdeling (bij optie: op model 1.14, bij naturalisatie: op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) zelf heeft verklaard, dan wordt de vreemdeling door de burgemeester (bij optie) en door de IND (bij naturalisatie) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.
Als uit vorengenoemde check in BVI-IB blijkt dat er sprake is van een openstaande strafzaak en deze strafzaak niet vermeld is op het uittreksel van de JDD neemt de IND bij naturalisatie en de burgemeester bij optie contact op met het OM om te onderzoeken of de vreemdeling voor dat misdrijf al wordt of nog zal worden vervolgd. Nader onderzoek is noodzakelijk om duidelijkheid te verkrijgen, of de in de geraadpleegde systemen geregistreerde meldingen of processen verbaal staan nog zullen leiden tot vervolging.
Verder moet op basis van de informatie uit de check van BVI-IB worden nagegaan of er een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een taakstraf van 36 uur of meer, dan wel meerdere taakstraffen van 18 uur of meer, met een totaal van 54 uur of meer, een boete of een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 900,– of meer kan worden gevorderd. Als de vreemdeling een transactievoorstel zal kunnen worden gedaan of een strafbeschikking kan worden uitgevaardigd, moet worden nagegaan of de hoogte van het transactiebedrag € 900,– of meer (dan wel, als aan de vreemdeling al eerder vermogenssancties zijn opgelegd: € 450,– of meer) kan zijn. Als de zaak zal worden geseponeerd, moet worden nagegaan of het sepot een onvoorwaardelijk sepot zal zijn en zo dat niet het geval is, welke de voorwaarden en eventuele proeftijd zullen zijn.
Als de vreemdeling een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is (of nog kan worden) opgelegd, moet worden nagegaan wanneer de laatst opgelegde sanctie ten uitvoer is gelegd. Het kan daarbij voorkomen dat de ontnemingsmaatregel pas (veel) later ten uitvoer is gelegd dan de eventueel eveneens opgelegde vrijheidsstraf of geldboete.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)
### paragraaf 3.13.1. De oproeping
### Paragraaf 3.4.3. Vreemdelingen die verblijfsrecht aan [Richtlijn 2004/38/EG](32004L0038) ontlenen, aan het VWEU of aan [Verordening 492/2011](32011R0492)
Na uitreiking van het desbetreffende uittreksel stuurt de burgemeester door middel van het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) daarvan zo spoedig mogelijk een bericht aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ([artikel 60b, negende lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Op het terugmeldformulier vermeldt de burgemeester onder andere de datum waarop het besluit is bekendgemaakt en de wijze van bekendmaking. Ingevolge [artikel 60b, twaalfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) deelt de uitreikende autoriteit de Minister mee ‘of en op welke wijze de verklaring van verbondenheid is afgelegd. Deze informatie wordt op het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) aangetekend en is alleen van toepassing op verzoeken om naturalisatie ingediend op of na 1 maart 2009. Ook vermeldt de burgemeester of hij na herhaalde oproepingen het besluit niet heeft kunnen bekendmaken, als gevolg waarvan het besluit is vervallen. De uittreksels die de burgemeester niet heeft kunnen uitreiken, stuurt hij terug aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
### Artikel 8
### Bijlage 1:. tabel oproepen en uitreiken
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van het verblijfsrecht
### Paragraaf 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van het verblijfsrecht
### Paragraaf 2.1.2. De aanvraagfase
### Paragraaf 3.4.2. Algemeen
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 3.4.3. Vreemdelingen die verblijfsrecht aan [Richtlijn 2004/38/EG](32004L0038) ontlenen, aan het VWEU of aan [Verordening 492/2011](32011R0492)
### Bijlage 4
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### Paragraaf 1.1.3. Inburgeringsplichtigen en niet-inburgeringsplichtigen
### Paragraaf 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2020-10-01&g=2020-10-01) Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
Een familielid-derdelander, die verblijfsrecht als ouder ontleent aan het verblijf bij een minderjarige burger van de Unie wordt in het bezit gesteld van een verblijfsdocument ‘familielid EU/EER’ met de opmerking ‘fam van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl. 2004/38/EG’.
### Paragraaf 2.2.1. Inleiding
### Paragraaf 2.2.1. Inleiding
### Paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
### Paragraaf 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2021-11-01&g=2021-11-01) Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### Paragraaf 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
### Bijlage 1
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
### Bijlage 4
### 8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
### Paragraaf 2.3.1. Inleiding
### Paragraaf 1. Geprivilegieerden
### 8-1-d. toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### paragraaf 3.4. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### Paragraaf 5.2. Transacties en strafbeschikkingen
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### Paragraaf 2.3.3. Ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
### Paragraaf 1.1.2. Het inburgeringsexamen
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbaar geleverde inspanningen
### Paragraaf 2. Procedure
### Paragraaf 2.1. Inleiding
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
### Paragraaf 3.3. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
### paragraaf 3.4. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### Paragraaf 3. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken
Als de verzoeker niet voor vrijstelling of ontheffing in aanmerking komt (of daarover moet nog nader onderzoek plaatsvinden), noch het inburgeringsdiploma op het juiste taalniveau kan overleggen, adviseert de burgemeester de verzoeker te wachten met de indiening van het verzoek tot het moment waarop alle vereiste gegevens en documenten alsnog kunnen worden verstrekt.
### Paragraaf 2.2.1. Inleiding
De verzoeker kan een beroep doen op een volledige vrijstellingsgrond als genoemd in [artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3). Volledige vrijstelling betekent dat de verzoeker geen van de onderdelen van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen) hoeft af te leggen. Hij moet aantonen dat hij behoort tot een van de volgende categorieën vrijgestelde personen:
### 4. Afleggen verklaring van verbondenheid
De verzoeker is vrijgesteld van het onderdeel Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) als hij de volgende documenten overlegt:
### Paragraaf 3.1. Inleiding
De verzoeker is vrijgesteld van het afleggen van de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid als hij het volgende document overlegt:
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
Bij twijfel of het document tot vrijstelling leidt, kan de burgemeester in eerste instantie de eventueel beschikbare eigen registratie van afgegeven Verklaringen educatie raadplegen, of DUO raadplegen. DUO geeft een advies af op basis van de modelverklaringen die door de ROC’s aan DUO zijn geleverd en die zijn opgenomen in het door DUO beheerde modellenboek. De burgemeester verwijst een verzoeker die niet over een origineel document beschikt, of een document toont dat niet alle benodigde gegevens ter beoordeling bevat, naar het ROC dat de verklaring heeft afgegeven, om een document te verkrijgen dat aan de gestelde eisen voldoet.
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
De leeftijd van de naturalisatieverzoeker op de datum van de beslissing op het naturalisatieverzoek is bepalend voor het zijn vrijgesteld of niet. Op het moment van indiening van het naturalisatieverzoek hoeft de verzoeker dus nog niet pensioengerechtigd te zijn.
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
Om in aanmerking te komen hiervoor moet de verzoeker:
**Voorbeeld van ii:**
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
DUO toetst vanaf 28 mei 2019 of een verzoeker in aanmerking komt voor een vrijstelling voor het onderdeel “Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt” op grond van subonderdeel c 1°. Vanaf 1 oktober 2020 toetst DUO ook of een verzoeker in aanmerking komt voor een vrijstelling voor het onderdeel “Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt” op grond van subonderdeel c 2° en 3°. Indien dit het geval is ontvangt de verzoeker een inburgeringsdiploma, als hij aan de overige voorwaarden voor het inburgeringsexamen voldoet.
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
### Artikel 9
Bij twijfel over de echtheid van de beschikkingen kan de burgermeester dit op het adviesblad aantekenen, waarna de IND DUO kan raadplegen of het Informatiesysteem Inburgering (ISI) kan raadplegen.
Voor het medisch advies moet de verzoeker terecht bij een organisatie die door DUO (krachtens mandaat verleend door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) is gecontracteerd voor het uitbrengen van de medische adviezen als bedoeld in [artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.8), zoals dat luidde tot 1 januari 2022.
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
Het medisch advies mag bij het indienen van het naturalisatieverzoek niet ouder dan zes maanden zijn. De gemeente kan zonder nadere inhoudelijke controle afgaan op het medisch advies, en op het adviesblad naturalisatie bij ‘inburgering’ aantekenen dat ontheffing van het examen wordt geadviseerd. Mocht het advies niet conform het advies (model 2.27) of onvolledig zijn, dan adviseert de burgemeester de verzoeker een nieuw advies te krijgen. Wenst de verzoeker toch een verzoek om naturalisatie in te dienen, onder overlegging van een medisch advies dat onvolledig of onduidelijk is, dan wordt op het adviesblad naturalisatie bij inburgering ‘niet akkoord’ aangetekend.
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
Als de verzoeker inburgeringsplichtig is geweest, is het mogelijk dat hij door DUO is ontheven van de inburgeringsplicht wegens een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap. Deze beschikking geeft ook ontheffing van de naturalisatietoets op voorwaarde dat deze op de dag van indiening van het naturalisatieverzoek niet ouder is dan drie jaar.
### 9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
Deze ontheffing kan worden verleend in de volgende drie gevallen:
### Paragraaf 5.5. Taakstraffen
Buiten de hierboven genoemde voorwaarden kan DUO in het kader van maatwerk een advies voor ontheffing afgeven op grond van [artikel 6, vierde lid, Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6), als er sprake is van een samenloop van aantoonbaar aanzienlijke inspanningen met zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden. Daarbij moeten andere mogelijkheden tot ontheffing of andere maatwerkoplossingen (zoals de AGI-ontheffingen, medische ontheffingen) zijn uitgeput.
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
Voor het aanvragen van een advies van DUO inzake ontheffing aantoonbaar geleverde inspanningen moet de betrokkene gebruik maken van het formulier dat te verkrijgen is via www.inburgeren.nl of www.ind.nl. Op het formulier kruist de betrokkene aan of hij een beroep doet op mogelijkheid a, b of c als genoemd in [paragraaf 2.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.4&z=2024-05-09&g=2024-05-09). De betrokkene stuurt aan DUO de verklaring van de cursusinstelling(en) met het Blik op Werk Keurmerk, waaruit blijkt dat hij met voldoende inzet de onder ad a, ad b of ad c genoemde vereiste minimale uren heeft deelgenomen. Voor cursusinstellingen met het Blik op Werk Keurmerk: zie www.blikopwerk.nl/inburgeren.
### Paragraaf 3.1. Inleiding
Bij toepassing van [artikel 8, vijfde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) is het goed om te letten op het op 1 maart 2009 gewijzigde recht met betrekking tot verkrijging van het Nederlanderschap als minderjarige door een erkenning of een wettiging. Geadviseerd wordt dat voordat een naturalisatieverzoek ex art. 8, vijfde lid RWN wordt ingediend, eerst wordt bekeken of niet ná 1 maart 2009 het Nederlanderschap van rechtswege is verkregen door [artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4), dan wel dat gebruik kan worden gemaakt van het optierecht uit artikel II, Staatsblad 2008, 270.
Naast het in zijn bezit hebben van een door de wet bepaalde mate van kennis van de Nederlandse taal, staatsinrichting en maatschappij dient de verzoeker die in aanmerking wil komen voor naturalisatie zich te hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving. Deze voorwaarde wordt onder andere getoetst aan de hand van een monogaam huwelijk.
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
De Nederlandse openbare orde verzet zich dan ook tegen het voortbestaan of het aangaan van een polygaam huwelijk van een vreemdeling op het moment waarop deze het Nederlanderschap heeft verkregen. Onder inburgering valt dus ook dat verzoeker slechts met één persoon door het huwelijk verbonden kan zijn.
Als een verzoeker zich niet wenst te conformeren aan de in Nederland geldende fundamentele rechtsbeginselen, is hij in wezen feitelijk niet voldoende ingeburgerd. Bovendien is zijn situatie dan niet in overeenstemming met de Nederlandse civielrechtelijke openbare (rechts)orde (zie bij [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [9 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
### Paragraaf 3.3. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
De instemming of berusting van de vrouw kan wel worden afgeleid uit onder meer de volgende omstandigheden:
### Paragraaf 5.2. Transacties en strafbeschikkingen
Een ernstig vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt niet gebaseerd op zo maar iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet wel voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen. Bovendien moet ook de sanctie die daarop is gevolgd, voldoende zwaar zijn. Dat betekent dat misdragingen die strafrechtelijk als overtreding worden gekwalificeerd of die buiten het strafrecht zijn afgedaan (bijvoorbeeld met een bestuurlijke boete of uitsluitend een civiele veroordeling tot schadevergoeding) buiten beschouwing blijven.
Schuldig zonder straf: misdrijven waarbij in het vonnis sprake is van een schuldigverklaring, maar waarbij de rechter met toepassing van [art. 9a Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9a) geen (voorwaardelijke) straf of maatregel heeft opgelegd blijven ook buiten beschouwing bij een beoordeling in het kader van [art. 9, eerste lid, onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9).
Of een bepaalde misdraging een misdrijf of een overtreding is, is afhankelijk van de betreffende wetgeving. Misdrijven zijn opgenomen in het [Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&boek=Tweede) ([artikelen 92 tot en met 423 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92)), maar soms ook in bijzondere wetten, zoals de [Wet Economische Delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) (WED) en de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941). Steeds zal de betreffende wet moeten worden geraadpleegd om te bezien of het betreffende feit een misdrijf (of een overtreding) is.
Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vijf jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.
Een enkele transactie of strafbeschikking ter zake van een misdrijf leidt tot weigering van naturalisatie of optie, als de geldboete € € 810,– of meer bedraagt, of de voorwaarde voor transactie of van de strafbeschikking een taakstraf is. De rehabilitatietermijn van vijf jaar vangt aan als het bedrag is betaald of de taakstraf is vervuld. Meerdere transacties of strafbeschikkingen ter zake van misdrijf, van ieder ten minste € € 405,– leiden tot weigering van de naturalisatie of optie, als de som van deze transacties of strafbeschikkingen in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het naturalisatieverzoek dan wel de aflegging van de optieverklaring of de beslissing daarop ten minste € 1.215,– bedraagt. Hetzelfde geldt voor de combinatie van transactie(s), strafbeschikking(en) en geldboete(n).
Voor de afdoening van misdrijven is niet altijd een uitspraak van de strafrechter nodig. Ongeveer een derde van de misdrijfzaken wordt door middel van een transactie afgedaan. Het gebruik van transacties is in hoge mate vastgelegd in richtlijnen van het OM. Een transactie voor een misdrijf is een alternatieve vorm van sanctie, zij het dat die sanctie niet na berechting en niet door de strafrechter wordt opgelegd, en dat de vrijwillige instemming van de verdachte is vereist. Met de transactie geeft de Nederlandse overheid aan voldoende belang te hechten aan sanctionering van het misdrijf. De ernst van het misdrijf komt tot uiting in de hoogte van het transactiebedrag, waarmee de verdachte strafvervolging kan afkopen. Dat voorstel mag uitsluitend worden gedaan als een veroordeling door de rechter in een gewone strafrechtelijke procedure ook daadwerkelijk haalbaar is. Als langs de weg van de gewone procedure geen sanctionering zou kunnen volgen, behoort een transactieaanbod achterwege te blijven. De verdachte hoeft niet op het voorstel in te gaan en kan kiezen voor behandeling door de strafrechter. De transactie houdt formeel weliswaar geen erkenning door de verdachte in dat hij het strafbare feit heeft gepleegd – en de mogelijkheid is dus aanwezig dat de verdachte het feit ter zake waarvan verdenking is gerezen niet heeft gepleegd en slechts ingaat op het transactievoorstel om van de zaak af te zijn, bijvoorbeeld om het openbaar terechtstaan, het opmaken van een strafblad, de civielrechtelijke bewijspositie van de veroordeelde en onzekerheid over de uitkomst van het strafgeding te voorkomen – maar voor iedere transactie is de vrijwillige instemming van de verdachte met de transactie essentieel. Het prijsgeven van rechtsbescherming door de strafrechter en de mogelijkheid van vrijspraak of lagere strafoplegging, geschiedt vrijwillig. In sommige gevallen ([artikel 74a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74a)) kan een door de verdachte aangeboden transactie ook niet door het OM worden geweigerd. Bovendien gaat het in naturalisatie- en optiezaken om relatief hoge bedragen (€ 810,– of meer, dan wel ingeval van herhaalde misdrijven € € 405,– of meer) dat voorshands niet kan worden aangenomen dat de vreemdeling (telkenmale) onschuldig transigeert om van de zaak af te zijn. Ook in het krachtens [artikel 16, eerste lid aanhef en onder d, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) (nader uitgewerkt in [artikel 3.77 van het Vreemdelingenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77)) gevoerde toelatingsbeleid leiden transacties ter zake van misdrijven tot de afwijzing van een aanvraag om een verblijfsvergunning.
Met ingang van 1 februari 2008 is een regeling betreffende het buitengerechtelijk afdoen van strafbare feiten door middel van een strafbeschikking van kracht geworden. De strafbeschikking berust op een schuldvaststelling. De strafbeschikking kan worden uitgevaardigd door de officier van justitie of door aangewezen opsporingsambtenaren of bestuursorganen. Naast het Openbaar Ministerie (OM) en politie hebben ook gemeenten en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) de bevoegdheid gekregen strafbeschikkingen uit te vaardigen. In de strafbeschikking kunnen straffen en maatregelen worden opgelegd en aanwijzingen worden gegeven. De straffen en maatregelen kunnen zijn een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uren, een geldboete, onttrekking aan het verkeer, de verplichting tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor ten hoogste zes maanden. Als degene jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd het daar niet mee eens is, kan hij bij het OM verzet instellen. Hierdoor komt de zaak alsnog voor de rechter, die deze in volle omvang beoordeelt. De huidige transactie zal – gefaseerd – worden vervangen door de strafbeschikking. De transactie en de strafbeschikking zullen de komende vijf jaar naast elkaar blijven bestaan. De regeling van de strafbeschikking is, net als die van de transactie, van toepassing op overtredingen en op misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar. De regeling van de strafbeschikking is te vinden in de [artikelen 257a-257h van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257).
Een taakstraf is een van de hoofdstraffen in [artikel 9 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9). Met de volgordelijke plaats van de taakstraf direct onder de twee vrijheidsbenemende straffen, maar boven de geldboete heeft de strafwetgever aangegeven dat de sanctie ‘taakstraf’ als een zwaardere sanctie dan een geldboete moet worden gezien. Dit rechtvaardigt dat ongeacht de duur van de taakstraf, ongeacht de vraag of zij voorwaardelijk of onvoorwaardelijk zijn opgelegd, deze wordt tegengeworpen in de optie- of naturalisatieprocedure, behalve als er sprake is van de hieronder vermelde uitzondering.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vijf jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.
Verzoekster A heeft de nationaliteit van land Z en is 40 jaar oud. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie overlegt zij verklaringen van de autoriteiten van land Z, waaruit blijkt dat zij een pensioen heeft opgebouwd van 2000 en dat pensioenbedragen alleen worden uitgekeerd aan personen met de nationaliteit van land Z die de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. De betreffende wettelijke bepalingen zijn bijgevoegd. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat A in Nederland een spaartegoed heeft van 3000 en in Duitsland een spaartegoed heeft van 2000. A behoeft geen afstand te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit. Haar opgebouwd pensioen kan thans niet te gelde worden gemaakt, zodat zij dat pensioen zal verliezen door het doen van afstand. Het te verliezen bedrag van 2000 is voorts groter dan een vierde deel van haar overig vermogen van 5000.
De vreemdeling kan verschillende strafbare feiten hebben begaan die alle tezamen in een en dezelfde strafrechtelijke procedure aan de strafrechter worden voorgelegd. In een dergelijk geval kan het voorkomen dat voor al die feiten een enkele straf wordt opgelegd, waarbij niet duidelijk is welk gedeelte van die straf voor welk feit is opgelegd. Als voorbeeld geldt de vreemdeling die twee jaar geleden wegens twee misdrijven en een overtreding een geldboete van € 907,56 wordt opgelegd. In dat geval wordt naturalisatie of optie geweigerd, omdat ten minste één van de strafbare feiten een misdrijf was en de totale straf genoeg is om tot weigering van naturalisatie of optie over te gaan.
Er is geen reden om alleen rekening te houden met die buitenlandse feiten die zijn gepleegd ná de vreemdelingenrechtelijke toelating van de vreemdeling. Gelet op de vereiste verblijfstermijnen zullen de meeste vóór de toelating gepleegde feiten en de sanctionering daarvan, veelal ouder zijn dan vijf jaar, en daarmee niet meer relevant. Voor bepaalde categorieën vreemdelingen gelden echter geen of kortere verblijfstermijnen. Ook is het mogelijk dat in de vreemdelingenrechtelijke toelatingsprocedure een eerder of buitenlands feit is verzwegen of niet (voldoende) is onderkend, of dat de vóór de toelating van de vreemdeling opgelegde sanctie nog niet ten uitvoer is gelegd. Daardoor is niet ondenkbaar dat het in het buitenland vóór de toelating gepleegde feit of de sanctionering toch relevant is voor de naturalisatie of optie.
Een taakstraf is een van de hoofdstraffen in [artikel 9 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=9). Met de volgordelijke plaats van de taakstraf direct onder de twee vrijheidsbenemende straffen, maar boven de geldboete heeft de strafwetgever aangegeven dat de sanctie ‘taakstraf’ als een zwaardere sanctie dan een geldboete moet worden gezien. Dit rechtvaardigt dat ongeacht de duur van de taakstraf, ongeacht de vraag of zij voorwaardelijk of onvoorwaardelijk zijn opgelegd, deze wordt tegengeworpen in de optie- of naturalisatieprocedure, behalve als er sprake is van de hieronder vermelde uitzondering.
De IND en de gemeente werpen een taakstraf niet tegen als de rechter (in het strafvonnis) dan wel de officier van justitie (in de strafbeschikking) een taakstraf heeft opgelegd in plaats van een geldboete van onder de € 810,– omdat de verdachte op het moment van de veroordeling kenbaar niet in staat was de geldboete te betalen. Hiermee wordt recht gedaan aan de persoonlijke situatie van de vreemdeling die als er geen sprake was van betalingsonmacht, wel in aanmerking zou komen voor optie of naturalisatie, omdat hem een geldboete onder de € 810,– zou zijn opgelegd. Het is daarbij aan de vreemdeling om bij het verzoek om naturalisatie of bij de optieverklaring met het strafvonnis, de strafbeschikking, dan wel een verklaring daaromtrent van het openbaar ministerie aan te tonen dat de taakstraf door de rechter of de officier van justitie is opgelegd vanwege financieel onvermogen en dat er anders een geldboete van onder de € 810,– zou zijn opgelegd. Als de vreemdeling echter niet noodzakelijk vanwege betalingsonmacht heeft gekozen voor het aanbod van een taakstraf en (dus vrijwillig) heeft afgezien van het betalen van een geldboete dan wordt de taakstraf wel tegengeworpen, ook al zou het gaan om een geldboete van minder dan € 810,–.
Gelet op de hiërarchie in strafmodaliteiten (strafsoorten) kan niet aan de hand van een omzettabel van het Openbaar Ministerie worden bepaald dat een bepaalde gevangenis- of taakstraf ‘overeenkomt’ met ten minste € 810,– geldboete en daarom niet zou kunnen worden tegengeworpen.
Met ingang van 1 mei 2018 is de rehabilitatietermijn van vier naar vijf jaar gegaan. Voor naturalisatieverzoeken of optieverklaringen die voor deze datum zijn ingediend of afgelegd geldt nog de rehabilitatietermijn van vier jaar.
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
Er is geen reden om alleen rekening te houden met die buitenlandse feiten die zijn gepleegd ná de vreemdelingenrechtelijke toelating van de vreemdeling. Gelet op de vereiste verblijfstermijnen zullen de meeste vóór de toelating gepleegde feiten en de sanctionering daarvan, veelal ouder zijn dan vijf jaar, en daarmee niet meer relevant. Voor bepaalde categorieën vreemdelingen gelden echter geen of kortere verblijfstermijnen. Ook is het mogelijk dat in de vreemdelingenrechtelijke toelatingsprocedure een eerder of buitenlands feit is verzwegen of niet (voldoende) is onderkend, of dat de vóór de toelating van de vreemdeling opgelegde sanctie nog niet ten uitvoer is gelegd. Daardoor is niet ondenkbaar dat het in het buitenland vóór de toelating gepleegde feit of de sanctionering toch relevant is voor de naturalisatie of optie.
Ingeval van een vermogensstraf met afbetalingsregeling, wordt een beroep op die afbetalingsregeling (die de aanvang van de rehabilitatietermijn opschuift) niet gehonoreerd, aangezien die regeling is getroffen op verzoek van de veroordeelde vreemdeling zelf. Ingeval van vrijheidsstraf wordt een beroep op de duur tussen de datum waarop het vonnis onherroepelijk is geworden en de datum waarop de vrijheidsstraf kan worden ondergaan, in het algemeen niet gehonoreerd als een bijzondere omstandigheid. Die duur is thans een kwestie van maanden, tenzij de vreemdeling zelf verzoekt om uitstel van tenuitvoerlegging. Zij is in het verleden wel langer geweest, maar ook toen stond het de veroordeelde vrij zich tot de overheid te wenden met het verzoek om de opgelegde straf met voorrang te ondergaan. Als de vreemdeling zich erop beroept dat er tussen de datum waarop het misdrijf is gepleegd en de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden, een bijzonder lange tijd is verstreken, moet de verzoeker vreemdeling zelf aangeven hoe dat komt en dit met documenten onderbouwen. In de meeste gevallen zal het gaan om misdrijven die eerst geruime tijd na de pleegdatum aan het licht komen en vervolgens tot strafvervolging leiden. In die gevallen is het tijdsverloop het gevolg van het stilzwijgen van de vreemdeling zelf. Als de vreemdeling meent dat er in zijn geval sprake is van zeer bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan toepassing van deze regeling kennelijk onredelijk is, moet hij die bijzondere feiten of omstandigheden zelf naar voren brengen en onderbouwen.
Er bestaat geen aanleiding om een misdrijf dat is gepleegd door iemand ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig [Titel VIII A van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=VIII_A) (jeugdstrafrecht) anders te beoordelen dan hetzelfde misdrijf maar dan gepleegd door een meerderjarige. Jeugdstrafrecht is ook strafrecht dat wordt toegepast naar aanleiding van een feitelijke misdraging. Jeugdstrafrecht kent een afwijkend sanctiepakket en bij het bepalen van de sanctie is met de jeugdige leeftijd van de dader al rekening gehouden. Dat betekent dat eenzelfde misdrijf, als gevolg van de in het strafrecht gehanteerde instrumenten en de daarop betrekking hebbende keuzes mogelijk tot verschillende strafrechtelijke sancties voor minderjarigen en meerderjarigen leidt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de stelling aanvaard dat het niet aan Onze Minister bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie of optie, dan wel de bestuursrechter, is om te toetsen op welke wijze de Rechtbank tot het opleggen van een sanctie is gekomen en om te beoordelen of een andere sanctie zou zijn opgelegd als een vreemdeling meerderjarig zou zijn geweest.
Bij een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan het voorkomen dat de maatregel pas (veel) later ten uitvoer is gelegd dan de eventueel eveneens opgelegde vrijheidsstraf of geldboete. Voor de aanvang van de rehabilitatietermijn is echter de laatst opgelegde straf of maatregel bepalend. Concreet betekent dit dat een vreemdeling zich niet erop kan beroepen dat de datum van de tenuitvoerlegging van de eerste sanctie (vaak de vrijheidsstraf of de geldboete) bepalend is.
Met ingang van 1 mei 2018 is de rehabilitatietermijn van vier naar vijf jaar gegaan. Voor naturalisatieverzoeken of optieverklaringen die voor deze datum zijn ingediend of afgelegd geldt nog de rehabilitatietermijn van vier jaar.
Het gaat bij de beoordeling van het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde om de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de vreemdeling. Die verwachtingen worden noodzakelijkerwijs gebaseerd op het gedrag van de vreemdeling in het heden en recente verleden. Als maatstaf voor de beoordeling van het gedrag wordt de vraag gehanteerd of het gedrag van de vreemdeling heeft geleid tot een veroordeling of andere sanctie ter zake van misdrijf of de tenuitvoerlegging daarvan. Omdat het echter blijft gaan om het toekomstige gedrag, wordt niet iedere sanctie en tenuitvoerlegging daarvan (ook niet als die sanctie zeer zwaar was) blijvend tegengeworpen. De omstandigheid dat iemand in het verleden wegens bepaalde strafbare feiten in aanraking is gekomen met Justitie is op zichzelf onvoldoende grond voor afwijzing. Aan het gedrag van de vreemdeling in het verre verleden kunnen geen conclusies worden verbonden, voor wat betreft zijn toekomstige gedrag. Voor de beoordeling van een naturalisatieverzoek of optie is als maatstaf aangelegd dat er gedurende een periode van vijf jaar, direct voorafgaande aan de indiening van het naturalisatieverzoek of het afleggen van de optieverklaring of de beslissing daarop, geen sprake mag zijn geweest van een misdrijf, de sanctionering van een misdrijf of de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie.
Een stelsel dat uitgaat van de datum waarop het misdrijf heeft plaatsgevonden, is niet wenselijk. Een nadelig gevolg daarvan zou zijn dat een misdrijf dat eerst geruime tijd na dato aan het licht komt, niet kan leiden tot het weigeren van de Nederlandse nationaliteit. De strafrechtelijke verjaringstermijnen zijn in het algemeen aanzienlijk langer dan vijf jaar. In dat geval zou de vreemdeling moeten worden voorgedragen voor het Nederlanderschap, terwijl hij nog aan strafvervolging wegens een ernstig feit is onderworpen of de opgelegde straf nog ondergaat. Dat zou ook kunnen gebeuren als de vreemdeling is veroordeeld tot een zeer lange gevangenisstraf. Voorzover het tussen de pleegdatum en de datum van veroordeling verstreken tijdsverloop relevant is te achten, zal dat in de strafmaat tot uitdrukking worden gebracht. Voorts doet een stelsel dat uitgaat van de pleegdatum geen recht aan de gedachte dat van daadwerkelijke rehabilitatie geen sprake kan zijn, zolang de vreemdeling nog strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel boven het hoofd hangt. Een stelsel dat uitgaat van de pleegdatum in combinatie met een (aanzienlijk) langere rehabilitatietermijn dan vijf jaar na die pleegdatum, zal in de praktijk onbillijk uitpakken voor die vreemdelingen die in het verleden – achteraf bezien eenmalig – een misstap hebben begaan en de daarop gestelde sanctie hebben ondergaan. Zij moeten in dat geval immers langer wachten voordat zij Nederlander kunnen worden. Het huidige stelsel gaat uit van de datum waarop de sanctiebeslissing onherroepelijk is geworden en de datum waarop de sanctie ten uitvoer is gelegd. Dit stelsel blijft gehandhaafd. Een ernstig vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt mitsdien aangenomen gedurende vijf jaren, te rekenen vanaf (a) de datum waarop de beslissing tot sanctionering onherroepelijk is geworden, of (b) indien de tenuitvoerlegging daarna is voltooid, het einde van de tenuitvoerlegging. Bij vrijheidsbeneming is dat de datum van de (vervroegde) invrijheidstelling, bij geldboete, transactie of een maatregel tot betaling is dat de datum van betaling van de volledige geldsom en bij taakstraf is dat de datum waarop de taakstraf is beëindigd. De vreemdeling moet daarover gegevens en onderbouwende stukken verstrekken.
Ingeval van een vermogensstraf met afbetalingsregeling, wordt een beroep op die afbetalingsregeling (die de aanvang van de rehabilitatietermijn opschuift) niet gehonoreerd, aangezien die regeling is getroffen op verzoek van de veroordeelde vreemdeling zelf. Ingeval van vrijheidsstraf wordt een beroep op de duur tussen de datum waarop het vonnis onherroepelijk is geworden en de datum waarop de vrijheidsstraf kan worden ondergaan, in het algemeen niet gehonoreerd als een bijzondere omstandigheid. Die duur is thans een kwestie van maanden, tenzij de vreemdeling zelf verzoekt om uitstel van tenuitvoerlegging. Zij is in het verleden wel langer geweest, maar ook toen stond het de veroordeelde vrij zich tot de overheid te wenden met het verzoek om de opgelegde straf met voorrang te ondergaan. Als de vreemdeling zich erop beroept dat er tussen de datum waarop het misdrijf is gepleegd en de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden, een bijzonder lange tijd is verstreken, moet de verzoeker vreemdeling zelf aangeven hoe dat komt en dit met documenten onderbouwen. In de meeste gevallen zal het gaan om misdrijven die eerst geruime tijd na de pleegdatum aan het licht komen en vervolgens tot strafvervolging leiden. In die gevallen is het tijdsverloop het gevolg van het stilzwijgen van de vreemdeling zelf. Als de vreemdeling meent dat er in zijn geval sprake is van zeer bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan toepassing van deze regeling kennelijk onredelijk is, moet hij die bijzondere feiten of omstandigheden zelf naar voren brengen en onderbouwen.
Op een vreemdeling die door de Nederlandse strafrechter is veroordeeld wegens één of meer gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals dit verdrag is gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 of die veroordeeld is wegens een van de misdrijven als bedoeld in [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is de rehabilitatietermijn niet van toepassing. De veroordeling wordt de vreemdeling dus zonder tijdslimiet in het kader van een naturalisatie- of optieverzoek tegengeworpen.
Bij een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan het voorkomen dat de maatregel pas (veel) later ten uitvoer is gelegd dan de eventueel eveneens opgelegde vrijheidsstraf of geldboete. Voor de aanvang van de rehabilitatietermijn is echter de laatst opgelegde straf of maatregel bepalend. Concreet betekent dit dat een vreemdeling zich niet erop kan beroepen dat de datum van de tenuitvoerlegging van de eerste sanctie (vaak de vrijheidsstraf of de geldboete) bepalend is.
Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. A overlegt verklaringen van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij voor het doen van afstand een bedrag van 750 moet betalen. Uit de viv en de overgelegde loonstroken blijkt dat A een baan heeft als bollenpeller waarmee hij 1200 netto per maand verdient. Hij heeft geen vermogen.
Ook ingeval van een voorwaardelijk opgelegde straf is er sprake van een onvoorwaardelijke veroordeling, waarbij alleen de tenuitvoerlegging van de straf (of een gedeelte daarvan) onder bepaalde voorwaarden wordt opgeschort. Het voorwaardelijk opschorten van de tenuitvoerlegging van (een gedeelte van) de straf, doet niets af aan de veroordeling en daarmee aan de strafbaarheid van de daad en dader. Ook als een straf voorwaardelijk is opgelegd, is het misdrijf gepleegd en zijn daad en dader strafbaar bevonden. Voor naturalisatie is dus niet van belang of de straf voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd. Bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling wordt gekeken naar de totale straf die is opgelegd, dus ook naar het voorwaardelijke gedeelte ervan. Daarbij is het enkele feit dat de straf (geheel of gedeeltelijk) voorwaardelijk is opgelegd, dus niet van belang en wordt ook het voorwaardelijk opgelegde gedeelte in aanmerking genomen. Het feit dat de straf voorwaardelijk is opgelegd, is wel van belang voor de rehabilitatietermijn. Er zijn twee mogelijkheden:
De vreemdeling komt tijdens de proeftijd niet in aanmerking voor naturalisatie of optie.
Vorenstaande geldt niet voor een veroordeling tot een voorwaardelijke vermogenssanctie van minder dan € 810,–.
Onvoorwaardelijke sepots worden niet tegengeworpen. Als de vreemdeling ten onrechte als verdachte is aangemerkt, omdat de daad en/of de dader naar het oordeel van het OM niet strafbaar is/zijn, als wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, of de zaak uit opportuniteitsoverwegingen wordt geseponeerd, is de zaak ten einde en kunnen daaraan in het algemeen verder geen gevolgen worden verbonden. Het vermeende misdrijf wordt immers niet gesanctioneerd. Met het onvoorwaardelijke sepot is de zaak direct afgedaan. Onvoorwaardelijke sepots leiden dus niet tot weigering van naturalisatie of optie. Vermeende misdrijven die onvoorwaardelijk zijn geseponeerd, blijven geheel buiten beschouwing. Omdat er geen sprake is van een sanctie, gaat ook geen rehabilitatietermijn van vijf jaar lopen.
Onvoorwaardelijke sepots worden niet tegengeworpen. Als de vreemdeling ten onrechte als verdachte is aangemerkt, omdat de daad en/of de dader naar het oordeel van het OM niet strafbaar is/zijn, als wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, of de zaak uit opportuniteitsoverwegingen wordt geseponeerd, is de zaak ten einde en kunnen daaraan in het algemeen verder geen gevolgen worden verbonden. Het vermeende misdrijf wordt immers niet gesanctioneerd. Met het onvoorwaardelijke sepot is de zaak direct afgedaan. Onvoorwaardelijke sepots leiden dus niet tot weigering van naturalisatie of optie. Vermeende misdrijven die onvoorwaardelijk zijn geseponeerd, blijven geheel buiten beschouwing. Omdat er geen sprake is van een sanctie, gaat ook geen rehabilitatietermijn van vijf jaar lopen.
Met een voorwaardelijk sepot is echter nog geen einde aan de zaak gekomen. Met een voorwaardelijk sepot ziet het OM slechts af van strafvervolging, als aan (een) bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan. Als aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan alsnog tot dagvaarding worden overgegaan en kan het misdrijf alsnog leiden tot een sanctie. De voorwaardelijk geseponeerde zaak lijkt daarmee op een openstaande strafzaak en wordt bij naturalisatie of optie op vergelijkbare wijze beoordeeld. Omdat strafvervolging en -oplegging niet zijn uitgesloten, moet de vreemdeling eerst de proeftijd afwachten. Voorwaardelijke sepots leiden evenmin tot weigering van naturalisatie of optie, mits aan de voorwaarden van het sepot is voldaan en de proeftijd is verstreken. Als een misdrijf voorwaardelijk is geseponeerd, moet altijd de proeftijd worden afgewacht. Als de vreemdeling nog in de proeftijd zit, moet hij worden geadviseerd te wachten met de indiening van het naturalisatieverzoek of het afleggen van de optieverklaring totdat de proeftijd is verstreken. Als hij er niettemin op staat het verzoek in te dienen of de optieverklaring af te leggen en de proeftijd is nog niet verstreken, dan wordt de naturalisatie of optie geweigerd. Pas als de proeftijd is verstreken en aan de voorwaarden is voldaan, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het vermeende misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid en dat er ook geen rehabilitatietermijn is aangevangen.
De enkele verplichting om aangerichte schade te vergoeden, wordt niet tegengeworpen, ook niet indien die schade is veroorzaakt door een misdrijf. Soms wordt de plicht tot schadevergoeding gekoppeld aan een andere afdoeningsvorm (bijvoorbeeld als voorwaarde aan een voorwaardelijk sepot of opgelegd naast een boete of al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Bij naturalisatie en optie wordt bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling gekeken naar afdoening van het misdrijf (dus naar het voorwaardelijk sepot, de boete of de al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Schadevergoeding kan in diverse vormen voorkomen als voorwaarde om een sanctie te voorkomen. Voor vormen als dading en Halt-afdoeningen wordt verwezen naar voorwaardelijk sepot.
De enkele verplichting om aangerichte schade te vergoeden, wordt niet tegengeworpen, ook niet indien die schade is veroorzaakt door een misdrijf. Soms wordt de plicht tot schadevergoeding gekoppeld aan een andere afdoeningsvorm (bijvoorbeeld als voorwaarde aan een voorwaardelijk sepot of opgelegd naast een boete of al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Bij naturalisatie en optie wordt bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling gekeken naar afdoening van het misdrijf (dus naar het voorwaardelijk sepot, de boete of de al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Schadevergoeding kan in diverse vormen voorkomen als voorwaarde om een sanctie te voorkomen. Voor vormen als dading en Halt-afdoeningen wordt verwezen naar voorwaardelijk sepot.
Schadevergoeding is in beginsel een zaak tussen degene die de schade heeft aangericht en de benadeelde. Veroordelingen door de civiele rechter tot schadevergoeding aan de benadeelde worden niet tegengeworpen bij naturalisatie en optie. Schadevergoeding kan echter ook in het strafproces een rol spelen, bijvoorbeeld als voorwaarde verbonden aan een voorwaardelijk opgelegde straf of aan een beslissing om een strafzaak te seponeren.
Dading: bij de strafrechtelijke dading (een civielrechtelijke overeenkomst tussen de verdachte en de benadeelde van een strafbaar feit) wordt strafrechtelijke vervolging voorkomen. De verdachte komt overeen om de door de benadeelde geleden schade te vergoeden. Bij de beoordeling in het kader van optie of naturalisatie van een dading wordt aangesloten bij wat hiervoor is vermeld onder voorwaardelijk sepot. Bij het OM moet dus worden nagegaan of de dadingsovereenkomst inderdaad is nagekomen en het OM niet alsnog vervolging heeft ingesteld. Tot die tijd moet de aanvraag worden aangehouden. Als de dadingsovereenkomst niet is nagekomen, en alsnog (al dan niet voorwaardelijk) een geldboete van € 810,– of meer (ingeval van herhaalde misdrijven € 405,– of meer), een taakstraf of een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd, wordt het feit wel tegengeworpen.
Halt-afdoening: ook de Halt-afdoening komt neer op een sepot onder voorwaarde. Als de afspraken niet worden nagekomen, kan publiekrechtelijke sanctionering (in het kader van het jeugdstrafrecht) volgen. Gecontroleerd moet worden of de dienstverlening is voltooid. Als dat niet het geval is, wordt de aanvraag aangehouden. Als alsnog tot strafvervolging wordt overgegaan, wordt het feit alleen tegengeworpen als een geldboete van minimaal € 810,– of een (al dan niet voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd. Dit sluit aan bij de beoordeling van dading.
Bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling is niet van belang of de voor het misdrijf opgelegde straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden. Gekeken wordt naar de straf die oorspronkelijk is opgelegd, dus ook naar het gedeelte dat door gratie is kwijtgescholden. Voor naturalisatie of optie heeft het enkele feit dat de straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden dus geen invloed op de beoordeling van het gedrag; het misdrijf en de dader zijn immers strafbaar bevonden en daarvoor is straf opgelegd. Gratie kan wel invloed hebben op de aanvang van de rehabilitatietermijn:
Bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling is niet van belang of de voor het misdrijf opgelegde straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden. Gekeken wordt naar de straf die oorspronkelijk is opgelegd, dus ook naar het gedeelte dat door gratie is kwijtgescholden. Voor naturalisatie of optie heeft het enkele feit dat de straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden dus geen invloed op de beoordeling van het gedrag; het misdrijf en de dader zijn immers strafbaar bevonden en daarvoor is straf opgelegd. Gratie kan wel invloed hebben op de aanvang van de rehabilitatietermijn:
De rehabilitatietermijn vangt dus niet aan op de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden. In de periode tussen die datum en de gratieverlening was er immers wel sprake van dat de opgelegde straf ten uitvoer zou worden gelegd. Van daadwerkelijke rehabilitatie (en de aanvang van de rehabilitatietermijn) kan geen sprake zijn, zolang de vreemdeling nog onderworpen is aan de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel of dat hem deze nog boven het hoofd hangt.
Gratie betreft de opheffing of de verlichting van de gevolgen van een strafvonnis. Gratie kan voorwaardelijk worden verleend, hetgeen neerkomt op het omzetten van de straf in een geldboete of schadevergoeding of in een taakstraf. Daarbij kan een proeftijd worden opgelegd. Een koninklijk besluit waarbij gratie is verleend, kan worden ingetrokken als de voorwaarden niet worden nageleefd. Op het moment waarop de gratieverlening wordt betekend, worden de gevolgen van het vonnis opgeheven of verlicht. Het vonnis zelf blijft bestaan. Pas vanaf dat moment kan de verleende gratie bij de beoordeling van het gedrag van de vreemdeling een rol gaan spelen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de gratie slechts de tenuitvoerlegging van de oorspronkelijk opgelegde straf aantast. Het doet niet af aan het feit dat daad en dader strafbaar zijn bevonden en dat er oorspronkelijk ook een straf is opgelegd die tot het moment van de gratieverlening ten uitvoer moest worden gelegd. Uitgegaan wordt derhalve van de oorspronkelijk opgelegde straf, en er wordt niet uitgegaan van de sanctie die resteert na de gratieverlening. In de regeling voor gratie is voorts aangesloten bij het algemene uitgangspunt dat de rehabilitatietermijn niet kan beginnen zolang de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf nog niet is aangevangen of voltooid. Daarom werkt gratie pas vanaf het moment van gratieverlening en begint de termijn te lopen op het moment van de gratieverlening (ingeval van onvoorwaardelijke gratie) of het moment waarop aan de voorwaarden is voldaan (ingeval van voorwaardelijke gratie). Bij de invloed van de proeftijd die bij gratie kan worden vastgesteld, is aangesloten bij de regeling voor de proeftijd die wordt vastgesteld ingeval van een voorwaardelijke veroordeling. Als de voorwaarden niet worden nageleefd, kan de gratiebeslissing immers worden herroepen. Als dat het geval is, gelden de algemene uitgangspunten van het openbare-ordebeleid in het nationaliteitsrecht.
Ook de door gratie kwijtgescholden gevangenisstraf of geldboete kan dus gewoon worden meegeteld. Dat geldt ook in de cumulatieregeling van € 1.215,–, mits de kwijtgescholden boete was opgelegd voor een misdrijf en ten minste € € 405,– bedraagt.
De voorwaardelijke gratie komt neer op het omzetten van de oorspronkelijke straf in de betaling van een geldboete of schadevergoeding, of in een taakstraf (werkstraf of leerstraf). Bij voorwaardelijke gratie kan in veel gevallen een proeftijd worden bepaald. Als de voorwaarden niet worden nageleefd, kan het koninklijk besluit waarbij gratie is verleend, worden ingetrokken. Daarom moet bij voorwaardelijke gratie altijd de eventuele proeftijd worden afgewacht. Als achteraf blijkt dat de proeftijd met goed gevolg is doorstaan, vangt de rehabilitatietermijn aan op het moment waarop de nieuwe straf is voltooid. Als de voorwaarde was de betaling van een boete of schadevergoeding, vangt de termijn dus aan op de datum van betaling. Als de voorwaarde was het verrichten van arbeid ten algemenen nutte (werkstraf) of het deelnemen aan een leerproject (leerstraf), vangt de termijn aan op de datum waarop de werk- of leerstraf is voltooid.
Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium ‘ernstig gevaar voor de openbare orde’ (in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)). Zij moeten door iedereen op dezelfde wijze worden uitgevoerd. Deze regels vervangen de genoemde artikelen niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels moet men er dus altijd op bedacht zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.
Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium ‘ernstig gevaar voor de openbare orde’ (in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)). Zij moeten door iedereen op dezelfde wijze worden uitgevoerd. Deze regels vervangen de genoemde artikelen niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels moet men er dus altijd op bedacht zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.
Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een naturalisatie of optie dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden geweigerd, toch moet worden ingewilligd of worden bevestigd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek of optie dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen of geweigerd, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek of optie moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek of optie zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de Handleiding RWN 2003 geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.
Een bijzondere omstandigheid kan in het algemeen worden omschreven als een omstandigheid die wel belangrijk is, maar waaraan bij het opstellen van de regels niet of onvoldoende kon worden gedacht. Juist omdat het bijzondere omstandigheden zijn, kan niet van tevoren worden aangegeven welke omstandigheden zo bijzonder zijn dat zij tot afwijking van de regels in dit hoofdstuk moeten leiden.
Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), kan echter wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt. Niet bijzonder is bijvoorbeeld dat de vreemdeling:
Evenmin kunnen als bijzonder worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voorzover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken. Deze voorbeelden zijn niet-limitatief.
Als al sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, is het aan de vreemdeling om die zelf aan te voeren. Dat ligt niet op de weg van de burgemeester en de IND, omdat die in den regel ook geen kennis kunnen hebben van bijzondere omstandigheden. Wel ligt het op de weg van de burgemeester en de IND om naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden te vragen en de betekenis daarvan zonodig te onderzoeken. De vreemdeling kan op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) (bij naturalisatie) of [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) (bij optie) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ die hij bij de indiening van zijn verzoek of het afleggen van de optieverklaring bij de burgemeester invult, aangeven of er sprake is van bijzondere omstandigheden.
De beoordeling van bijzondere omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND, en bij optie bij de burgemeester. Die bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens leiden tot de conclusie dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde. Als wel sprake is van ernstige vermoedens dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, moet naturalisatie of optie worden geweigerd. Daarvan kan bij naturalisatie niet met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden afgeweken.
Om te kunnen spreken van gevaar voor de veiligheid van het Koninkrijk is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel moeten er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen moet in de eerste plaats worden gedacht aan een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van (buitenlandse) ministeries.
Om te kunnen spreken van gevaar voor de veiligheid van het Koninkrijk is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel moeten er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen moet in de eerste plaats worden gedacht aan een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van (buitenlandse) ministeries.
De burgemeester adviseert in beginsel in de naturalisatieprocedure aan Onze Minister of de vreemdeling dan wel het kind voor wie medeverlening is verzocht voldoet aan de voorwaarden. Over criminele antecedenten voor de toepassing van [artikel 9 lid 1 onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) adviseert de burgemeester echter sinds 1 januari 2012 niet meer. De burgemeester moet de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, wel informeren over de openbare orde-richtlijnen bij naturalisatie, waaronder het vereiste van monogamie. De burgemeester wijst de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat hij geen strafrechtelijke gegevens zal opvragen, maar dat de IND dit doet. De burgemeester wijst de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat deze gegevens gevolgen kunnen hebben voor de beslissing op het verzoek om (mede)naturalisatie. De burgemeester geeft in het advies aan de IND nog wel aan of wel of niet sprake is van een polygaam huwelijk van de vreemdeling of van de medenaturalisant.
De burgemeester adviseert in beginsel in de naturalisatieprocedure aan Onze Minister of de vreemdeling dan wel het kind voor wie medeverlening is verzocht voldoet aan de voorwaarden. Over criminele antecedenten voor de toepassing van [artikel 9 lid 1 onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) adviseert de burgemeester echter sinds 1 januari 2012 niet meer. De burgemeester moet de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, wel informeren over de openbare orde-richtlijnen bij naturalisatie, waaronder het vereiste van monogamie. De burgemeester wijst de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat hij geen strafrechtelijke gegevens zal opvragen, maar dat de IND dit doet. De burgemeester wijst de vreemdeling, dan wel de medenaturalisant van 16 jaar of ouder, erop dat deze gegevens gevolgen kunnen hebben voor de beslissing op het verzoek om (mede)naturalisatie. De burgemeester geeft in het advies aan de IND nog wel aan of wel of niet sprake is van een polygaam huwelijk van de vreemdeling of van de medenaturalisant.
Als voor de indiening van het naturalisatieverzoek al duidelijk is dat de vreemdeling (bijvoorbeeld wegens een openstaande strafzaak of recente sanctie) niet voor naturalisatie in aanmerking komt, moet hij er op worden gewezen dat het verzoek waarschijnlijk zal worden afgewezen en dat hij beter kan wachten met de indiening van het verzoek totdat hij wel voor naturalisatie in aanmerking komt. Als hij er desalniettemin op staat een verzoek in te dienen, moet dat verzoek wel in behandeling worden genomen. De IND onderzoekt vervolgens de strafrechtelijke gegevens van de vreemdeling. Het is raadzaam om de vreemdeling een eigen risico verklaring te laten ondertekenen.
Voor de procedure bij optie, zie de toelichting bij [artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
Iedere meerderjarige vreemdeling en iedere minderjarige kind van 16 jaar en ouder moet bij het naturalisatieverzoek of optieverklaring een verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij naturalisatie, [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) bij optie) ondertekenen. In dit model verklaart hij dat hij niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie, én, als hij getrouwd is, dat hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Model 2.3 en model 1.14 bestaat uit meerdere verklaringen. Als de vreemdeling (of degene voor wie medenaturalisatie of medeoptie is verzocht) aangeeft dat hij niet een of meer van de verklaringen op model 2.3 of model 1.14 naar waarheid kan verklaren, dan moet hij op het model (zoveel mogelijk onderbouwd met stukken) aangeven waarom hij die verklaring niet kan afleggen. Daarbij kan hij aangeven of er naar zijn mening bijzondere omstandigheden zijn die toch tot naturalisatie of optie moeten leiden.
Iedere meerderjarige vreemdeling en iedere minderjarige kind van 16 jaar en ouder moet bij het naturalisatieverzoek of optieverklaring een verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij naturalisatie, [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) bij optie) ondertekenen. In dit model verklaart hij dat hij niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie, én, als hij getrouwd is, dat hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Model 2.3 en model 1.14 bestaat uit meerdere verklaringen. Als de vreemdeling (of degene voor wie medenaturalisatie of medeoptie is verzocht) aangeeft dat hij niet een of meer van de verklaringen op model 2.3 of model 1.14 naar waarheid kan verklaren, dan moet hij op het model (zoveel mogelijk onderbouwd met stukken) aangeven waarom hij die verklaring niet kan afleggen. Daarbij kan hij aangeven of er naar zijn mening bijzondere omstandigheden zijn die toch tot naturalisatie of optie moeten leiden.
Als een vreemdeling (bij naturalisatie op model 2.3, bij optie op model 1.14) aangeeft dat er sprake is van buitenlandse delicten, moet hij daarover zoveel mogelijk gegevens verstrekken. Als hij beschikt over documenten, zoals het buitenlandse vonnis, dan moet een kopie hiervan bij het naturalisatieverzoek of optie zitten. De vreemdeling moet zo gedetailleerd mogelijk aangeven welk(e) feit(en) het betrof, welke rechtbank en welke kamer op welke datum daarover hebben beslist, welke rechtsmiddelen eventueel zijn aangewend en met welk resultaat, waar en wanneer de beslissing van de rechtbank ten uitvoer is gelegd en eventuele andere bijzonderheden. Als de vreemdeling beschikt over stukken in een vreemde taal, dan moet hijzelf ervoor zorgen dat deze stukken worden vertaald door een beëdigd vertaler.
De meerderjarige vreemdeling of het kind van 16 of 17 jaar geeft aan of binnen vijf jaar voor de indiening van het verzoek of het afleggen van de optieverklaring een sanctie ten uitvoer is gelegd. Daarbij is van belang dat de vreemdeling zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus op welke datum de vreemdeling of het kind in vrijheid is gesteld, de taakstraf heeft voltooid of het bedrag heeft betaald.
Met ingang van 1 mei 2018 is de rehabilitatietermijn van vier naar vijf jaar gegaan. Voor naturalisatieverzoeken of optieverklaringen die voor deze datum zijn ingediend of afgelegd geldt nog de rehabilitatietermijn van vier jaar.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
De Fransman E woont in Frankrijk tien jaar ongetrouwd samen met een Nederlander. Beiden vestigen zich vervolgens in Nederland. Na enkele dagen wordt E in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf bij Nederlandse partner. Na anderhalf jaar gaan beiden in Nederland een geregistreerd partnerschap aan. E kan, na nog eens anderhalf jaar onafgebroken samenwonen met zijn Nederlandse partner en mits hij gedurende die periode onafgebroken in het bezit blijft van een geldige verblijfsvergunning, een verzoek om naturalisatie indienen. Hij voldoet dan aan de verkorte termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. De termijn van anderhalf jaar ongetrouwd samenwonen in Nederland en de termijn van anderhalf jaar samenwonen in geregistreerd partnerschap (dat op grond van [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) is gelijkgesteld met een huwelijk) in Nederland, mogen bij elkaar worden opgeteld. De termijn van tien jaar ongetrouwd samenwonen in het buitenland telt niet mee. Of het verzoek van E wordt ingewilligd hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
### Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten
De Fransman E woont in Frankrijk tien jaar ongetrouwd samen met een Nederlander. Beiden vestigen zich vervolgens in Nederland. Na enkele dagen wordt E in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf bij Nederlandse partner. Na anderhalf jaar gaan beiden in Nederland een geregistreerd partnerschap aan. E kan, na nog eens anderhalf jaar onafgebroken samenwonen met zijn Nederlandse partner en mits hij gedurende die periode onafgebroken in het bezit blijft van een geldige verblijfsvergunning, een verzoek om naturalisatie indienen. Hij voldoet dan aan de verkorte termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. De termijn van anderhalf jaar ongetrouwd samenwonen in Nederland en de termijn van anderhalf jaar samenwonen in geregistreerd partnerschap (dat op grond van [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) is gelijkgesteld met een huwelijk) in Nederland, mogen bij elkaar worden opgeteld. De termijn van tien jaar ongetrouwd samenwonen in het buitenland telt niet mee. Of het verzoek van E wordt ingewilligd hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
**De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt eveneens op drie jaren gesteld voor de verzoeker die door erkenning of wettiging zonder erkenning het kind van een Nederlander is geworden. Voor de verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd wordt de termijn van drie jaren verminderd met de onafgebroken periode gedurende welke hij onmiddellijk voorafgaande aan zijn meerderjarigheid na de erkenning of wettiging zonder erkenning, verzorging en opvoeding heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend of wiens kind hij door wettiging zonder erkenning is geworden.**
### Paragraaf 5.8. Vijfjaartermijn
De erkenning of wettiging kan plaats hebben gevonden tijdens de meer- of minderjarigheid van het kind. Voor de meerderjarige verzoeker die tijdens zijn minderjarigheid is erkend of gewettigd, mag de onafgebroken periode dat hij door zijn juridische vader is verzorgd en opgevoed na de erkenning of wettiging worden afgetrokken van de termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. Dit kan echter alleen als deze periode van verzorging en opvoeding direct vooraf is gegaan aan de meerderjarigheid van de verzoeker. De periode van verzorging en opvoeding moet dus direct vooraf zijn gegaan aan zijn achttiende jaar, zijn voordien gesloten huwelijk of zijn voordien in Nederland geregistreerd partnerschap of buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1). Het begrip ‘verzorging en opvoeding’ in deze bepaling komt overeen met het begrip ‘verzorging en opvoeding’ in de zin van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Voor de wijze waarop de verzoeker moet aantonen dat aan deze voorwaarde is voldaan, wordt hier verwezen naar de toelichting bij die bepaling.
### Paragraaf 8.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
[Artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4) bepaalt sinds 1 maart 2009 dat een minderjarige door erkenning of door wettiging zonder erkenning het Nederlanderschap verkrijgt of kan verkrijgen. Op grond van artikel 4, tweede en derde lid RWN verkrijgt de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte door een Nederlander wordt erkend en jonger is dan zeven jaar, dan wel de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt gewettigd zonder erkenning, het Nederlanderschap van rechtswege. Op grond van artikel 4, vierde lid RWN verkrijgen minderjarige vreemdelingen die door een Nederlander worden erkend als zij zeven jaar of ouder zijn, het Nederlanderschap als de Nederlandse erkenner zijn biologische vaderschap bij of binnen een jaar na de erkenning aantoont via DNA-bewijs dat voldoet aan de eisen zoals gesteld in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap. Zie voor meer informatie de toelichting op artikel 4 RWN in deze Handleiding.
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen
### 10-alg. Toelichting algemeen
Wet BRP: [artikel 2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15)
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): [artikelen 74a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) en [92 t/m 423](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92)
Dit heeft tot gevolg dat ten aanzien van verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend vóór 1 oktober 2010, nog steeds de uitzonderingscategorie bij afstand “de verzoeker die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn hoofdverblijf gehad heeft” van toepassing is. Voor verzoekers die op of na 1 oktober 2010 een verzoek indienen geldt deze uitzonderingscategorie dus niet meer.
### 1. Algemeen
Hieronder wordt uiteengezet wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of de veiligheid van het Koninkrijk. Daarbij staan centraal de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de vreemdeling. Die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden. Samengevat komt het beleid erop neer dat de naturalisatie of optie wordt geweigerd, als:
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
Ingevolge artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dat verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie ernstige reden bestaat te veronderstellen dat:
### Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Van belang is dat een afwijzende beslissing nimmer kan worden gebaseerd op alleen een enkel proces-verbaal. Een proces-verbaal leidt immers niet altijd tot het opleggen van een sanctie. Wel vormt het proces-verbaal aanleiding om een nader onderzoek in te stellen. Zolang niet vast staat dat de vreemdeling geen gevaar oplevert voor de openbare orde, kan hij geen Nederlander worden. Telkens zal zorgvuldig moeten worden onderzocht of er goede redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat het vermeende misdrijf zal kunnen leiden tot een sanctie.
Daarbij is niet van belang:
### Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Het zou onrechtvaardig zijn dat de vreemdeling die zich regelmatig schuldig maakt aan misdrijven, maar die daarvoor telkenmale sancties krijgt opgelegd van minder dan € 810,– wel, en de vreemdeling die eenmalig een misdrijf heeft begaan waarvoor hij met een boete van € 810,– of meer is bestraft gedurende vijf jaren nadien niet voor naturalisatie of optie in aanmerking komt. Met de cumulatieregeling is beoogd aan deze onrechtvaardigheid tegemoet te komen. Als de vreemdeling binnen een bepaald tijdsbestek wegens herhaalde misdrijven is gesanctioneerd, kan daarmee rekening worden gehouden. Om te voorkomen dat een opeenstapeling van vermogenssancties ter zake van diverse misdrijven (te snel) tot weigering van naturalisatie of optie leidt, is per sanctie een minimumbedrag van € 405,– vastgesteld. Deze ondergrens van € 405,– is gebaseerd op (in richtlijnen van het OM opgenomen vermogenssancties die kunnen worden opgelegd ter zake van) misdrijven, waarvan bij herhaling kan worden aangenomen dat er sprake is van ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde. Met het totaalbedrag van € 1.215,– is beoogd te voorkomen dat een te gering aantal sancties uiteindelijk toch tot weigering van naturalisatie of optie zal gaan leiden.
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
Omdat het bij de vraag naar het ernstige vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde oplevert, primair gaat om diens gedragingen, is in beginsel irrelevant waar deze gedragingen hebben plaatsgevonden. Een bepaalde gedraging is immers niet minder ernstig als het buiten de landsgrenzen heeft plaatsgevonden. Aangezien het gaat om het ernstige vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de Nederlandse openbare orde vormt, wordt niet tegengeworpen de bestraffing van een gedraging die naar Nederlands recht geen misdrijf vormt. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat in het buitenland bepaalde gedragingen in het algemeen zwaarder of lichter kunnen worden bestraft dan in Nederland. Daarom moet tevens worden beoordeeld of de buitenlandse beoordeling van het misdrijf vergelijkbaar is met de Nederlandse beoordeling. Buitenlandse feiten kunnen bijvoorbeeld blijken uit gegevens van de Justitiële documentatiedienst (JDD) of uit de verklaringen van de vreemdeling zelf. Voor vreemdelingen met een EU-nationaliteit wordt bij een naturalisatieverzoek ook ECRIS (European Criminal Records Information System) bevraagd. In ECRIS worden strafrechtelijke gegevens betreffende de eigen onderdanen tussen EU-lidstaten uitgewisseld.
### 4. Opsturen
De IND (bij naturalisatie) en de burgemeester (bij optie) vraagt gegevens op bij de Justitiële documentatiedienst (JDD). Let op: bij naturalisatie behoeft de burgemeester de JDD niet te raadplegen.
De IND (bij naturalisatie) en de burgemeester (bij optie) vraagt gegevens op bij de Justitiële documentatiedienst (JDD). Let op: bij naturalisatie behoeft de burgemeester de JDD niet te raadplegen.
De vermelding op het uittreksel van de Justitiële documentatiedienst (JDD) van een openstaande strafzaak ter zake van misdrijf is voldoende om aan te nemen dat er ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde. Er hoeft geen nader onderzoek verricht te worden naar de feiten vermeld op het uittreksel. De omstandigheid dat een feit voorkomt in het uittreksel van de JDD betekent dat er een vervolgingsbeslissing is genomen, die inhoudt dat er een strafbeschikking (van het OM) of een strafvonnis (van de strafrechter) kan volgen. Wel kan het verstandig zijn, om de zaak aan te houden als er een vermoeden is dat een straf kan volgen die niet onder het openbare orde beleid valt. Het uittreksel uit de Justitiële documentatie wordt ook wel het ‘strafblad’ genoemd en hierop worden strafbare feiten vermeld ter zake waarvan het OM vervolging heeft ingesteld. Als de zaak eenmaal is afgehandeld wordt de beslissing van het OM of de uitspraak van de rechter op het strafblad vermeld. Vermelding van een zaak op het strafblad betekent dus dat er sprake is van vervolging of veroordeling terzake van het desbetreffende strafbare feit.
Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van feiten en omstandigheden die niet overeenkomen met wat de vreemdeling (bij optie: op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01), bij naturalisatie: op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) zelf heeft verklaard, dan wordt de vreemdeling door de burgemeester (bij optie) en door de IND (bij naturalisatie) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.
Verder moet de burgemeester bij optie en de IND bij naturalisatie contact opnemen met de korpschef om na te gaan of de vreemdeling voorkomt in de Basisvoorziening Informatie – Integrale Bevraging (BVI-IB) van de nationale politie. De burgemeester kan voor raadpleging van de BVI-IB gebruik maken van [model 1.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-01-01&g=2024-01-01) uit deze Handleiding.
Verder moet de burgemeester bij optie en de IND bij naturalisatie contact opnemen met de korpschef om na te gaan of de vreemdeling voorkomt in de Basisvoorziening Informatie – Integrale Bevraging (BVI-IB) van de nationale politie. De burgemeester kan voor raadpleging van de BVI-IB gebruik maken van [model 1.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) uit deze Handleiding.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)
### paragraaf 3.13.1. De oproeping
### Paragraaf 3.4.3. Vreemdelingen die verblijfsrecht aan [Richtlijn 2004/38/EG](32004L0038) ontlenen, aan het VWEU of aan [Verordening 492/2011](32011R0492)
Na uitreiking van het desbetreffende uittreksel stuurt de burgemeester door middel van het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) daarvan zo spoedig mogelijk een bericht aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ([artikel 60b, negende lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Op het terugmeldformulier vermeldt de burgemeester onder andere de datum waarop het besluit is bekendgemaakt en de wijze van bekendmaking. Ingevolge [artikel 60b, twaalfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) deelt de uitreikende autoriteit de Minister mee ‘of en op welke wijze de verklaring van verbondenheid is afgelegd. Deze informatie wordt op het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) aangetekend en is alleen van toepassing op verzoeken om naturalisatie ingediend op of na 1 maart 2009. Ook vermeldt de burgemeester of hij na herhaalde oproepingen het besluit niet heeft kunnen bekendmaken, als gevolg waarvan het besluit is vervallen. De uittreksels die de burgemeester niet heeft kunnen uitreiken, stuurt hij terug aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
### Artikel 8
### Bijlage 1:. tabel oproepen en uitreiken
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van het verblijfsrecht
### Paragraaf 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van het verblijfsrecht
### Paragraaf 2.1.2. De aanvraagfase
### Paragraaf 3.4.2. Algemeen
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 3.4.3. Vreemdelingen die verblijfsrecht aan [Richtlijn 2004/38/EG](32004L0038) ontlenen, aan het VWEU of aan [Verordening 492/2011](32011R0492)
### Bijlage 4
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### Paragraaf 1.1.3. Inburgeringsplichtigen en niet-inburgeringsplichtigen
### Paragraaf 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2020-10-01&g=2020-10-01) Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
Een familielid-derdelander, die verblijfsrecht als ouder ontleent aan het verblijf bij een minderjarige burger van de Unie wordt in het bezit gesteld van een verblijfsdocument ‘familielid EU/EER’ met de opmerking ‘fam van een burger van de Unie conf. art. 10 Richtl. 2004/38/EG’.
### Paragraaf 2.2.1. Inleiding
### Paragraaf 2.2.1. Inleiding
### Paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
### Paragraaf 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2021-11-01&g=2021-11-01) Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### Paragraaf 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
### Bijlage 1
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
### Bijlage 4
### 8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
### Paragraaf 2.3.1. Inleiding
### Paragraaf 1. Geprivilegieerden
### 8-1-d. toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### paragraaf 3.4. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### Paragraaf 5.2. Transacties en strafbeschikkingen
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige naturalisandus. Daarnaast geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid ook voor de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie, op grond van [artikel 11, derde of vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) wordt ingediend zestien jaar of ouder is.
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### Paragraaf 2.3.3. Ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
### Paragraaf 1.1.2. Het inburgeringsexamen
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbaar geleverde inspanningen
### Paragraaf 2. Procedure
### Paragraaf 2.1. Inleiding
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
### Paragraaf 3.3. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
### paragraaf 3.4. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### Paragraaf 3. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken
Als de verzoeker niet voor vrijstelling of ontheffing in aanmerking komt (of daarover moet nog nader onderzoek plaatsvinden), noch het inburgeringsdiploma op het juiste taalniveau kan overleggen, adviseert de burgemeester de verzoeker te wachten met de indiening van het verzoek tot het moment waarop alle vereiste gegevens en documenten alsnog kunnen worden verstrekt.
### Paragraaf 2.2.1. Inleiding
De verzoeker kan een beroep doen op een volledige vrijstellingsgrond als genoemd in [artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3). Volledige vrijstelling betekent dat de verzoeker geen van de onderdelen van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen) hoeft af te leggen. Hij moet aantonen dat hij behoort tot een van de volgende categorieën vrijgestelde personen:
### 4. Afleggen verklaring van verbondenheid
De verzoeker is vrijgesteld van het onderdeel Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) als hij de volgende documenten overlegt:
### Paragraaf 3.1. Inleiding
De verzoeker is vrijgesteld van het afleggen van de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid als hij het volgende document overlegt:
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
Bij twijfel of het document tot vrijstelling leidt, kan de burgemeester in eerste instantie de eventueel beschikbare eigen registratie van afgegeven Verklaringen educatie raadplegen, of DUO raadplegen. DUO geeft een advies af op basis van de modelverklaringen die door de ROC’s aan DUO zijn geleverd en die zijn opgenomen in het door DUO beheerde modellenboek. De burgemeester verwijst een verzoeker die niet over een origineel document beschikt, of een document toont dat niet alle benodigde gegevens ter beoordeling bevat, naar het ROC dat de verklaring heeft afgegeven, om een document te verkrijgen dat aan de gestelde eisen voldoet.
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
De leeftijd van de naturalisatieverzoeker op de datum van de beslissing op het naturalisatieverzoek is bepalend voor het zijn vrijgesteld of niet. Op het moment van indiening van het naturalisatieverzoek hoeft de verzoeker dus nog niet pensioengerechtigd te zijn.
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
Om in aanmerking te komen hiervoor moet de verzoeker:
**Voorbeeld van ii:**
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
DUO toetst vanaf 28 mei 2019 of een verzoeker in aanmerking komt voor een vrijstelling voor het onderdeel “Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt” op grond van subonderdeel c 1°. Vanaf 1 oktober 2020 toetst DUO ook of een verzoeker in aanmerking komt voor een vrijstelling voor het onderdeel “Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt” op grond van subonderdeel c 2° en 3°. Indien dit het geval is ontvangt de verzoeker een inburgeringsdiploma, als hij aan de overige voorwaarden voor het inburgeringsexamen voldoet.
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
### Artikel 9
Bij twijfel over de echtheid van de beschikkingen kan de burgermeester dit op het adviesblad aantekenen, waarna de IND DUO kan raadplegen of het Informatiesysteem Inburgering (ISI) kan raadplegen.
Voor het medisch advies moet de verzoeker terecht bij een organisatie die door DUO (krachtens mandaat verleend door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) is gecontracteerd voor het uitbrengen van de medische adviezen als bedoeld in [artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.8), zoals dat luidde tot 1 januari 2022.
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
Het medisch advies mag bij het indienen van het naturalisatieverzoek niet ouder dan zes maanden zijn. De gemeente kan zonder nadere inhoudelijke controle afgaan op het medisch advies, en op het adviesblad naturalisatie bij ‘inburgering’ aantekenen dat ontheffing van het examen wordt geadviseerd. Mocht het advies niet conform het advies (model 2.27) of onvolledig zijn, dan adviseert de burgemeester de verzoeker een nieuw advies te krijgen. Wenst de verzoeker toch een verzoek om naturalisatie in te dienen, onder overlegging van een medisch advies dat onvolledig of onduidelijk is, dan wordt op het adviesblad naturalisatie bij inburgering ‘niet akkoord’ aangetekend.
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
Als de verzoeker inburgeringsplichtig is geweest, is het mogelijk dat hij door DUO is ontheven van de inburgeringsplicht wegens een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap. Deze beschikking geeft ook ontheffing van de naturalisatietoets op voorwaarde dat deze op de dag van indiening van het naturalisatieverzoek niet ouder is dan drie jaar.
### 9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
Deze ontheffing kan worden verleend in de volgende drie gevallen:
### Paragraaf 5.5. Taakstraffen
Buiten de hierboven genoemde voorwaarden kan DUO in het kader van maatwerk een advies voor ontheffing afgeven op grond van [artikel 6, vierde lid, Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6), als er sprake is van een samenloop van aantoonbaar aanzienlijke inspanningen met zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden. Daarbij moeten andere mogelijkheden tot ontheffing of andere maatwerkoplossingen (zoals de AGI-ontheffingen, medische ontheffingen) zijn uitgeput.
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
Voor het aanvragen van een advies van DUO inzake ontheffing aantoonbaar geleverde inspanningen moet de betrokkene gebruik maken van het formulier dat te verkrijgen is via www.inburgeren.nl of www.ind.nl. Op het formulier kruist de betrokkene aan of hij een beroep doet op mogelijkheid a, b of c als genoemd in [paragraaf 2.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.4&z=2024-04-01&g=2024-04-01). De betrokkene stuurt aan DUO de verklaring van de cursusinstelling(en) met het Blik op Werk Keurmerk, waaruit blijkt dat hij met voldoende inzet de onder ad a, ad b of ad c genoemde vereiste minimale uren heeft deelgenomen. Voor cursusinstellingen met het Blik op Werk Keurmerk: zie www.blikopwerk.nl/inburgeren.
### Paragraaf 3.1. Inleiding
Bij toepassing van [artikel 8, vijfde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) is het goed om te letten op het op 1 maart 2009 gewijzigde recht met betrekking tot verkrijging van het Nederlanderschap als minderjarige door een erkenning of een wettiging. Geadviseerd wordt dat voordat een naturalisatieverzoek ex art. 8, vijfde lid RWN wordt ingediend, eerst wordt bekeken of niet ná 1 maart 2009 het Nederlanderschap van rechtswege is verkregen door [artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4), dan wel dat gebruik kan worden gemaakt van het optierecht uit artikel II, Staatsblad 2008, 270.
Naast het in zijn bezit hebben van een door de wet bepaalde mate van kennis van de Nederlandse taal, staatsinrichting en maatschappij dient de verzoeker die in aanmerking wil komen voor naturalisatie zich te hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving. Deze voorwaarde wordt onder andere getoetst aan de hand van een monogaam huwelijk.
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
De Nederlandse openbare orde verzet zich dan ook tegen het voortbestaan of het aangaan van een polygaam huwelijk van een vreemdeling op het moment waarop deze het Nederlanderschap heeft verkregen. Onder inburgering valt dus ook dat verzoeker slechts met één persoon door het huwelijk verbonden kan zijn.
Als een verzoeker zich niet wenst te conformeren aan de in Nederland geldende fundamentele rechtsbeginselen, is hij in wezen feitelijk niet voldoende ingeburgerd. Bovendien is zijn situatie dan niet in overeenstemming met de Nederlandse civielrechtelijke openbare (rechts)orde (zie bij [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [9 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
### Paragraaf 3.3. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
De instemming of berusting van de vrouw kan wel worden afgeleid uit onder meer de volgende omstandigheden:
### Paragraaf 5.2. Transacties en strafbeschikkingen
Een ernstig vermoeden dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt niet gebaseerd op zo maar iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet wel voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen. Bovendien moet ook de sanctie die daarop is gevolgd, voldoende zwaar zijn. Dat betekent dat misdragingen die strafrechtelijk als overtreding worden gekwalificeerd of die buiten het strafrecht zijn afgedaan (bijvoorbeeld met een bestuurlijke boete of uitsluitend een civiele veroordeling tot schadevergoeding) buiten beschouwing blijven.
### 1. Algemeen
Hieronder wordt uiteengezet wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of de veiligheid van het Koninkrijk. Daarbij staan centraal de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de vreemdeling. Die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden. Samengevat komt het beleid erop neer dat de naturalisatie of optie wordt geweigerd, als:
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige naturalisandus. Daarnaast geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid ook voor de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie, op grond van [artikel 11, derde of vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) wordt ingediend zestien jaar of ouder is.
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 2.30). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling af voordat het uittreksel van het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01)**Afleggen verklaring van verbondenheid**).
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 2.30). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling af voordat het uittreksel van het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09)**Afleggen verklaring van verbondenheid**).
### Paragraaf 5.5. Taakstraffen
@@ -7908,7 +7908,7 @@
### Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is
Op 1 juli 2019 is in het openbare ordebeleid verduidelijkt dat onder het begrip ‘sanctie’ alle in artikel 9 Wetboek van Strafrecht voorkomende vormen van straffen zijn bedoeld. De tekstuele verduidelijking is opgenomen nadat bleek dat de bestaande tekst op dit punt verschil in interpretatie mogelijk maakte. Een lezing op grond waarvan een (te) beperkt begrip van ‘sanctie’ werd gehanteerd, was hierdoor niet onmogelijk. Omdat niet is uit te sluiten dat in een vóór 1 juli 2019 ingediende optieverklaring sprake is van een situatie waarin de beperkte uitleg van de eerdere tekst heeft geleid tot het indienen van het optieverzoek kan bij wijze van overgangsrecht in die zaken nog worden uitgegaan van de beperkte lezing van de oorspronkelijke tekst en kan de optieverklaring worden bevestigd.
Ingevolge artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dat verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie ernstige reden bestaat te veronderstellen dat:
### Paragraaf 4. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
@@ -7918,23 +7918,1027 @@
### paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### Paragraaf 5.1. Misdrijven
### Paragraaf 5.2. Transacties en strafbeschikkingen
### Paragraaf 5.2. Transacties en strafbeschikkingen
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### 3. Onderteken dit formulier
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 4. Opsturen
### 3. Onderteken dit formulier
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 4. Opsturen
### 3. Onderteken dit formulier
### 4. Opsturen
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### paragraaf 3.11. Bezwaar
### paragraaf 3.12. (Hoger) beroep
### paragraaf 3.13.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 3.4.2. Algemeen
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1.1.1. Historie
### Paragraaf 1. Geprivilegieerden
### 8-1-d. toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 1.1. Inleiding
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
### Paragraaf 2.2.2. Volledige vrijstelling van de naturalisatietoets
### Paragraaf 3.6. Molukkers
### Bijlage 5
### Paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
### Paragraaf 1.1.1. Historie
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
### Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase
### Paragraaf 2.1.2. De aanvraagfase
### Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
### Paragraaf 2.2.2. Volledige vrijstelling van de naturalisatietoets
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### 8-3. Toelichting ad [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### paragraaf 3.4. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
De verzoeker moet zelf aantonen dat hij in aanmerking komt voor ontheffing. De verzoeker kan dit aantonen met de volgende documenten:
### Paragraaf 2.3.3. Ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbaar geleverde inspanningen
Buiten de hierboven genoemde voorwaarden kan DUO in het kader van maatwerk een advies voor ontheffing afgeven op grond van [artikel 6, vierde lid, Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6), als er sprake is van een samenloop van aantoonbaar aanzienlijke inspanningen met zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden. Daarbij moeten andere mogelijkheden tot ontheffing of andere maatwerkoplossingen (zoals de AGI-ontheffingen, medische ontheffingen) zijn uitgeput.
Het rechtsbeginsel van monogamie komt onder andere tot uiting in [artikel 1:33 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=33) en [artikel 1:69 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=69). Deze artikelen bepalen respectievelijk dat een persoon slechts met één andere persoon kan zijn getrouwd en dat een polygaam huwelijk nietig kan worden verklaard. Het beginsel van monogamie komt ook tot uitdrukking in [artikel 10:28 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=28). Dit artikel verbiedt het voltrekken van een polygaam huwelijk in Nederland voor zowel Nederlanders als vreemdelingen.
### paragraaf 3.4. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
### Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
Op grond van dit artikellid geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf indien de verzoeker:
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
Voor kinderen die tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 zijn erkend of gewettigd, maar die geen gebruik kunnen maken van het optierecht in [artikel II, Staatsblad 2008, 270](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II), biedt [artikel 8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) eveneens een mogelijkheid om versneld Nederlander te worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om minderjarige kinderen die tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 op 7-jarige leeftijd of ouder zijn erkend, terwijl de erkenner niet de biologische vader is of waarbij de erkenner vanwege het kostenaspect geen DNA-onderzoek wil/kan laten uitvoeren. Ook kan gedacht worden aan kinderen die als meerderjarige zijn erkend.
Ook voor [artikel 8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt het overgangsrecht (zie de toelichting onder [artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII).)
### 9-1-b. Toelichting ad [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### Paragraaf 5.12. Gratie
### Artikel 11
### paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### Paragraaf 5.1. Misdrijven
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
### 3. Onderteken dit formulier
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.1. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
### Paragraaf 3.4.3. Vreemdelingen die verblijfsrecht aan [Richtlijn 2004/38/EG](32004L0038) ontlenen, aan het VWEU of aan [Verordening 492/2011](32011R0492)
### Paragraaf 3.6. Molukkers
### Paragraaf 3.4. Vreemdelingen die verblijfsrecht aan het Unierecht ontlenen of die verblijfsrecht ontlenen aan het Terugtrekkingsakkoord tussen VK en EU
### Paragraaf 2.1. Inleiding
### Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase
### Paragraaf 3.4.4. Britten met verblijfsrecht onder het Terugtrekkingsakkoord
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### Bijlage 5
### Paragraaf 2. Procedure
### Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
### 1. Algemeen
### Paragraaf 3.2. Polygamie
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
DUO beoordeelt de aanvraag en stelt een advies op. Aan de beoordeling van de ontheffingsgrond bij DUO (het advies) zijn geen kosten verbonden.
### Paragraaf 3.3. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
### paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
### Paragraaf 5.4. Voeging
De periode dat de vreemdeling op basis van een geprivilegieerde status in Nederland heeft verbleven, en derhalve ingeschreven heeft gestaan in het daarvoor bestemde register bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, geldt in het kader van een naturalisatieverzoek als toelating in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738), mits deze periode onmiddellijk voorafging aan de toelating in het kader van de Vreemdelingenwet. Deze (onafgebroken) periode mag derhalve worden meegeteld voor de vereiste termijn van drie jaren toelating in het kader van naturalisatie.
De bedragen voor het tegenwerpen van een vermogenssanctie zijn met ingang van 1 juli 2015 verhoogd. De verhoogde bedragen gelden voor naturalisatieverzoeken en optieverklaringen die op of na 1 juli 2015 zijn ingediend. Als het naturalisatieverzoek of de optieverklaring voor 1 juli 2015 is ingediend en op of na die datum nog niet onherroepelijk op het naturalisatieverzoek of optieverklaring is beslist, is het nieuwe beleid eveneens van toepassing.
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### Paragraaf 5.4. Voeging
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
### Paragraaf 5.5. Taakstraffen
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
### Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
### Paragraaf 5.8. Vijfjaartermijn
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### Paragraaf 5.12. Gratie
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
### paragraaf 3.4. Advies VWS
### Paragraaf 5.12. Gratie
### Paragraaf 7. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
### Paragraaf 7. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
### Paragraaf 7. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
De voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie of optie vereiste zorgvuldigheid strekt niet zover dat de IND of de burgemeester zich zelfstandig een oordeel behoort te vormen over de mogelijke uitkomst van de strafzaak. De beslissing op het verzoek om naturalisatie of optie wordt niet onnodig aangehouden in afwachting van de uitkomst van een strafprocedure.
Als er sprake is van een in het buitenland gepleegd delict, onderzoekt de IND bij naturalisatie en de burgemeester bij optie of het betreffende feit naar Nederlands recht een misdrijf is. De IND (bij naturalisatie) of burgemeester (bij optie) neemt dan contact op met het parket van de officier van justitie om te onderzoeken of de beoordeling van het misdrijf door de buitenlandse rechter vergelijkbaar is met de beoordeling naar Nederlandse maatstaven. Als het (Nederlandse) OM voor de eis ter zitting richtlijnen hanteert, dienen die richtlijnen als uitgangspunt. Met de individuele omstandigheden kan daarbij in het algemeen geen rekening worden gehouden. Het OM noch de IND/de burgemeester kan zich een oordeel vormen over het aan de strafrechter toekomend oordeel over de juiste strafmaat in een individuele casus. Het OM kan in het algemeen slechts adviseren over de eis ter zitting. De daarbij door het OM gehanteerde richtlijnen geven echter duidelijke en objectieve maatstaven aan de hand waarvan de gangbare straf voor de betreffende delicten uniform kan worden beoordeeld. Dat laat onverlet dat in zeer bijzondere (individuele) gevallen alleen dan tot een juiste toepassing van de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) kan worden gekomen door af te wijken.
### 3. Onderteken dit formulier
Zolang niet vast staat dat de vreemdeling geen gevaar oplevert voor de openbare orde, kan hij geen Nederlander worden. Telkens zal zorgvuldig moeten worden onderzocht of er goede redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat het vermeende misdrijf zal kunnen leiden tot een sanctie, die onder het openbare orde beleid valt.
Het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) wordt niettemin afgewezen, indien de verzoeker die een andere nationaliteit bezit, niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen dan wel niet bereid is het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de naturalisatie, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd.
Als er sprake is van een in het buitenland gepleegd delict, onderzoekt de IND bij naturalisatie en de burgemeester bij optie of het betreffende feit naar Nederlands recht een misdrijf is. De IND (bij naturalisatie) of burgemeester (bij optie) neemt dan contact op met het parket van de officier van justitie om te onderzoeken of de beoordeling van het misdrijf door de buitenlandse rechter vergelijkbaar is met de beoordeling naar Nederlandse maatstaven. Als het (Nederlandse) OM voor de eis ter zitting richtlijnen hanteert, dienen die richtlijnen als uitgangspunt. Met de individuele omstandigheden kan daarbij in het algemeen geen rekening worden gehouden. Het OM noch de IND/de burgemeester kan zich een oordeel vormen over het aan de strafrechter toekomend oordeel over de juiste strafmaat in een individuele casus. Het OM kan in het algemeen slechts adviseren over de eis ter zitting. De daarbij door het OM gehanteerde richtlijnen geven echter duidelijke en objectieve maatstaven aan de hand waarvan de gangbare straf voor de betreffende delicten uniform kan worden beoordeeld. Dat laat onverlet dat in zeer bijzondere (individuele) gevallen alleen dan tot een juiste toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap kan worden gekomen door af te wijken.
### 4. Opsturen
De verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie is ook na inwerkingtreding van het voorstel tot wijziging van de RWN op 1 april 2003 blijven bestaan, zij het met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd in het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (**Trb.** 1994, 265), hierna te noemen: Tweede Protocol. De uitgangspunten in het Tweede Protocol zijn neergelegd in [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), zoals dit luidt met ingang van 1 april 2003 (zie de toelichting bij artikel 9, derde lid, RWN).
Sinds 1 oktober 1997 moet de verzoeker om naturalisatie in beginsel weer aangeven of hij bereid is afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Op grond van [artikel 32 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32) dient een verzoeker die een of meerdere nationaliteiten bezit en die verplicht is daarvan afstand te doen, een bereidheidsverklaring te overleggen waarin staat dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de totstandkoming van de naturalisatie zijn andere nationaliteit(en) te verliezen.
De afstandsverplichting geldt niet als de verzoeker onder één van de hieronder genoemde uitzonderingscategorieën dan wel onder de uitzonderingscategorieën in [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) valt.
Een verzoeker die in de BRP is ingeschreven als staatloze en daardoor wordt aangemerkt als staatloze in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), kan logischerwijs geen afstand doen. Hij wordt immers door geen enkele staat als onderdaan beschouwd. Dit geldt niet voor een verzoeker die in de BRP is ingeschreven als zijnde van onbekende nationaliteit, omdat zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN). Hij zal in de meeste gevallen immers wél in het bezit zijn van een nationaliteit. Pas als deze verzoeker op grond van de daarvoor geldende regels ([artikel 2.15 dan wel artikel 2:17 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715)) in de BRP wordt opgenomen als zijnde staatloos, kan worden aangenomen dat hij geen afstand van een nationaliteit kan doen.
De verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie is ook na inwerkingtreding van het voorstel tot wijziging van de RWN op 1 april 2003 blijven bestaan, zij het met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd in het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (**Trb.** 1994, 265), hierna te noemen: Tweede Protocol. De uitgangspunten in het Tweede Protocol zijn neergelegd in [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), zoals dit luidt met ingang van 1 april 2003 (zie de toelichting bij artikel 9, derde lid, RWN).
Hoofdregel is dat een vreemdeling die verzoekt om naturalisatie afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is alleen anders indien het doen van afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd. Daarnaast zijn er categorieën verzoekers om naturalisatie waarop het vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is ([artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
De afstandsverplichting geldt niet als de verzoeker onder één van de hieronder genoemde uitzonderingscategorieën dan wel onder de uitzonderingscategorieën in [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) valt.
Niet alle verzoekers zijn verplicht om afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en). In [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) wordt een viertal uitzonderingen genoemd. Daarnaast zijn er vreemdelingen van wie redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en) (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). Samengevat komt het erop neer dat de hieronder genoemde categorieën verzoekers geen afstand hoeven te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit:
Hieronder worden de uitzonderingscategorieën 1 tot en met 11 toegelicht. De overige vier categorieën worden behandeld bij [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9).
Hoofdregel is dat een vreemdeling die verzoekt om naturalisatie afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is alleen anders indien het doen van afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd. Daarnaast zijn er categorieën verzoekers om naturalisatie waarop het vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is ([artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
Verzoeker heeft de Andorrese nationaliteit. In de wetgeving van Andorra is geregeld dat een Andorrees die vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt de Andorrese nationaliteit verliest. In geval van automatisch verlies door naturalisatie tot een andere nationaliteit heeft het geen zin afstand te vragen.
Niet alle verzoekers zijn verplicht om afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en). In [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) wordt een viertal uitzonderingen genoemd. Daarnaast zijn er vreemdelingen van wie redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en) (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). Samengevat komt het erop neer dat de hieronder genoemde categorieën verzoekers geen afstand hoeven te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit:
Verzoeker bezit de Marokkaanse nationaliteit. De Marokkaanse nationaliteitswetgeving geeft aan dat in geval van naturalisatie tot een vreemde nationaliteit betrokkene een machtiging kan krijgen om de Marokkaanse nationaliteit te verwerpen. In de praktijk blijkt evenwel dat de machtiging niet kan worden verkregen. In feite betekent dit dus behoud van de Marokkaanse nationaliteit en heeft het geen zin om afstand te vragen.
Verzoeker heeft de Andorrese nationaliteit. In de wetgeving van Andorra is geregeld dat een Andorrees die vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt de Andorrese nationaliteit verliest. In geval van automatisch verlies door naturalisatie tot een andere nationaliteit heeft het geen zin afstand te vragen.
In deze gevallen dient de verzoeker bij het in behandeling nemen van zijn verzoek een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij bereid is, na de totstandkoming van de naturalisatie, afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Overigens, in de praktijk geldt in alle gevallen dat eerst afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeft te worden gedaan nadat de naturalisatie tot stand is gekomen.
Een verzoeker die de Hongaarse nationaliteit bezit, kan eerst nadat hij is genaturaliseerd tot Nederlander de Hongaarse autoriteiten verzoeken of hij ontslag kan krijgen uit het Hongaarse staatsverband.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
In deze gevallen dient de verzoeker bij het in behandeling nemen van zijn verzoek een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij bereid is, na de totstandkoming van de naturalisatie, afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Overigens, in de praktijk geldt in alle gevallen dat eerst afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeft te worden gedaan nadat de naturalisatie tot stand is gekomen.
Indien een staat voor het doen van afstand van de nationaliteit slechts een kleine vergoeding vraagt, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het bedrag dat de staat hiervoor vraagt, zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
### 3. Onderteken dit formulier
Indien een verzoeker een beroep wenst te doen op deze uitzondering op de afstandsverplichting, dient hij, voor zover van toepassing, de volgende, meest recente bewijsstukken te overleggen:
Indien een staat voor het doen van afstand van de nationaliteit slechts een kleine vergoeding vraagt, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het bedrag dat de staat hiervoor vraagt, zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
Als niet-zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die zijn inkomsten verwerft anders dan uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
### 4. Opsturen
In dit kader geldt als vermogen het gemiddelde van de rendementsgrondslagen, bedoeld in [artikel 5.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.2) (vergelijk [artikel 1, eerste lid, onder o, Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1)).
Als niet-zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die zijn inkomsten verwerft anders dan uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
Als zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die inkomsten verwerft uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
Voor de vaststelling van het netto maandinkomen wordt uitgegaan van het inkomen voorafgaand aan het jaar van indienen van het verzoek om naturalisatie
Voor de vaststelling van het vermogen wordt uitgegaan van de toestand van het vermogen op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar van het indienen van het verzoek om naturalisatie.
Van een verzoeker die over een aanzienlijk vermogen beschikt kan niet snel worden aangenomen dat hij, gelet op zijn financiële draagkracht, een bedrag aan leges voor het doen van afstand moeilijk kan opbrengen. Hierbij geldt een vermogensgrens, waarboven niet meer kan worden gesproken van een door verzoeker te lijden substantieel financieel nadeel (uiteraard met inachtneming van het bepaalde in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. A overlegt verklaringen van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij voor het doen van afstand een bedrag van 750 moet betalen. Uit de viv en de overgelegde loonstroken blijkt dat A een baan heeft als bollenpeller waarmee hij 1200 netto per maand verdient. Hij heeft geen vermogen.
A lijdt door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Zijn netto maandinkomen is immers hoger dan het bedrag dat hij moet betalen voor het doen van afstand. Hij moet afstand doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
Verzoeker B is alleenstaande en bezit de nationaliteit van land Y. Uit verklaringen van de autoriteiten van land Y blijkt dat hij voor het doen van afstand van nationaliteit Y een bedrag van 1250 moet betalen. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat hij een netto maandinkomen van 1100 heeft, dat hij een eigen woning heeft met een huidige marktwaarde van 150.000 dat hij voor de aankoop van de woning een hypotheek heeft afgesloten en dat bij de bank nog een hypotheekschuld van 70.000 resteert.
B lijdt door het betalen van het bedrag voor het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Weliswaar is zijn netto maandinkomen lager dan het bedrag aan leges, maar zijn in aanmerking te nemen vermogen bedraagt 14.656 (150.000 minus 70.000 = 80.000 van welk bedrag 65.344 niet wordt meegerekend). Daarmee zit hij ruim boven de vermogensgrens van 6370.
B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzondering en moet afstand van de nationaliteit van land Y doen.
A lijdt door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Zijn netto maandinkomen is immers hoger dan het bedrag dat hij moet betalen voor het doen van afstand. Hij moet afstand doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
B lijdt door het betalen van het bedrag voor het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Weliswaar is zijn netto maandinkomen lager dan het bedrag aan leges, maar zijn in aanmerking te nemen vermogen bedraagt 14.656 (150.000 minus 70.000 = 80.000 van welk bedrag 65.344 niet wordt meegerekend). Daarmee zit hij ruim boven de vermogensgrens van 6370.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
De periode dat een vreemdeling op basis van een geprivilegieerde status bij een internationale organisatie in Nederland heeft verbleven, en derhalve ingeschreven heeft gestaan in het daarvoor bestemde register bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, geldt als toelating in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738), mits deze periode onmiddellijk voorafging aan de toelating in het kader van de Vreemdelingenwet of het voortzetten van het verblijf in Nederland op grond van het EU-recht. Deze (onafgebroken) periode mag worden meegeteld voor de vereiste termijn van toelating in het kader van een optieverklaring of naturalisatie.
### Paragraaf 6.2. Gemeenschapsonderdanen en afgifte bericht omtrent toelating
### Paragraaf 2. Hoofdverblijf
### 2-3. Toelichting ad artikel 2, derde lid
### Paragraaf 2.2.2. Volledige vrijstelling van de naturalisatietoets
### Paragraaf 3.6. Molukkers
### 8-1-d. toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 5.12. Gratie
### Paragraaf 2.1.2. De aanvraagfase
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Artikel 9
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### Paragraaf 2.3.3. Ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
### Paragraaf 5.1. Misdrijven
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### Paragraaf 5.5. Taakstraffen
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
### Paragraaf 5.12. Gratie
### Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag
### Paragraaf 8.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
### Paragraaf 3.11. Verzoeker die meerderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht
### paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
Zolang niet vast staat dat de vreemdeling geen gevaar oplevert voor de openbare orde, kan hij geen Nederlander worden. Telkens zal zorgvuldig moeten worden onderzocht of er goede redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat het vermeende misdrijf zal kunnen leiden tot een sanctie, die onder het openbare orde beleid valt.
De beoordeling van de door de vreemdeling naar voren gebrachte bijzondere feiten of omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND en bij optie bij de burgemeester.
### Paragraaf 1. Algemeen
### 9-1-b. Toelichting ad [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### 9-1-b. Toelichting ad [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
Verzoeker bezit de Marokkaanse nationaliteit. De Marokkaanse nationaliteitswetgeving geeft aan dat in geval van naturalisatie tot een vreemde nationaliteit betrokkene een machtiging kan krijgen om de Marokkaanse nationaliteit te verwerpen. In de praktijk blijkt evenwel dat de machtiging niet kan worden verkregen. In feite betekent dit dus behoud van de Marokkaanse nationaliteit en heeft het geen zin om afstand te vragen.
### paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
### paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
Indien verzoeker, wegens het feit dat hij substantieel financieel nadeel lijdt omdat hij voor de afstand een hoog bedrag moet betalen, geen afstand wenst te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit en waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie.
### paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
In dit kader geldt als inkomen; het maandinkomen (van verzoeker en eventueel zijn (huwelijks)partner), inclusief de overhevelingstoeslag, na aftrek van de over het bruto inkomen verschuldigde belasting, sociale verzekeringspremies, pensioenpremies en vaste lasten (zoals maandelijkse uitgaven in verband met alimentatie ten behoeve van de gewezen partner en ten behoeve van de kinderen, premies van vrijwillige verzekering tegen ziektekosten, premies krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) en de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614), verhaalsbedragen in het kader van de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) en eventuele andere bijzondere uitgaven die noodzakelijk ten laste van verzoeker komen) (vergelijk [artikel 1, onder b, Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1) en [artikel 7 Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=7)).
### paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
### 9-4. Toelichting ad [artikel 9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Indien het verlies aan vermogensrechtelijke rechten door het doen van afstand slechts zeer klein is, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het verlies zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt ook in dit kader een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Indien het verlies aan vermogensrechtelijke rechten door het doen van afstand slechts zeer klein is, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het verlies zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt ook in dit kader een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
Voor de vaststelling van het vermogen en de geldende vermogensgrenzen is het hierboven gestelde onder paragrafen [3.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.2&z=2024-05-09&g=2024-05-09),[3.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.4&z=2024-05-09&g=2024-05-09) van overeenkomstige toepassing.
Als maximum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan tien maal het bedrag van het normale tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker een bedrag verliest dat hoger ligt dan (of gelijk is aan) tien maal het bedrag van het normale tarief, kan altijd – ongeacht het vermogen van verzoeker – met succes een beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo hoog dat het te lijden nadeel als substantieel kan worden aangemerkt.
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
Is dat bedrag lager dan een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is geen sprake van substantieel financieel nadeel en kan verzoeker geen beroep doen op deze uitzondering (met inachtneming van het minimum en maximum financieel nadeel).
Verzoekster A heeft de nationaliteit van land Z en is 40 jaar oud. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie overlegt zij verklaringen van de autoriteiten van land Z, waaruit blijkt dat zij een pensioen heeft opgebouwd van 2000 en dat pensioenbedragen alleen worden uitgekeerd aan personen met de nationaliteit van land Z die de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. De betreffende wettelijke bepalingen zijn bijgevoegd. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat A in Nederland een spaartegoed heeft van 3000 en in Duitsland een spaartegoed heeft van 2000. A behoeft geen afstand te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit. Haar opgebouwd pensioen kan thans niet te gelde worden gemaakt, zodat zij dat pensioen zal verliezen door het doen van afstand. Het te verliezen bedrag van 2000 is voorts groter dan een vierde deel van haar overig vermogen van 5000.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Is dat bedrag lager dan een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is geen sprake van substantieel financieel nadeel en kan verzoeker geen beroep doen op deze uitzondering (met inachtneming van het minimum en maximum financieel nadeel).
Door betrokkene zal aan de hand van recente verklaringen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, moeten aantonen dat hij dienstplichtig is, dat hij zijn militaire dienst nog niet heeft vervuld en dat hij slechts afstand van die nationaliteit kan doen na vervulling (door middel van werkelijke dienst, al dan niet met afkoop van een gedeelte daarvan) aldaar van de militaire dienst.
Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. Hij overlegt een twee jaar oude verklaring van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij wordt opgeroepen voor het vervullen van de militaire dienst. Tevens overlegt hij een verklaring van de autoriteiten waarin staat dat personen die de dienstplicht nog moeten vervullen geen afstand kunnen doen van de nationaliteit van land Z. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands.
A kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie. Weliswaar heeft hij een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij is opgeroepen voor militaire dienst, maar hij heeft niet genoegzaam aangetoond dat hij de dienstplicht nog moet vervullen. De oproep voor militaire dienst is immers twee jaar oud, zodat het mogelijk is dat hij de dienstplicht inmiddels heeft vervuld.
Door betrokkene zal aan de hand van recente verklaringen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, moeten aantonen dat hij dienstplichtig is, dat hij zijn militaire dienst nog niet heeft vervuld en dat hij slechts afstand van die nationaliteit kan doen na vervulling (door middel van werkelijke dienst, al dan niet met afkoop van een gedeelte daarvan) aldaar van de militaire dienst.
Het betreft hier verzoekers die bij het indienen van het verzoek om naturalisatie aantonen dat zij in het bezit zijn van verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd) of verblijfsdocument IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd). Ingevolge [artikel 9, derde lid, aanhef en onder e RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) zijn bovenstaande verzoekers vrijgesteld van de afstandsplicht en zijn zij derhalve niet verplicht om de bereidheidsverklaring tot afstand van de oorspronkelijk nationaliteit(en) ([model 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) te ondertekenen.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
Het betreft hier verzoekers die bij het indienen van het verzoek om naturalisatie aantonen dat zij in het bezit zijn van verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd) of verblijfsdocument IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd). Ingevolge [artikel 9, derde lid, aanhef en onder e RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) zijn bovenstaande verzoekers vrijgesteld van de afstandsplicht en zijn zij derhalve niet verplicht om de bereidheidsverklaring tot afstand van de oorspronkelijk nationaliteit(en) ([model 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01)) te ondertekenen.
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### 3. Onderteken dit formulier
Indien een staat niet wordt erkend, wordt vanzelfsprekend ook de nationaliteit van deze staat niet erkend. In een dergelijk geval afstand eisen, betekent ook dat van een niet-erkende staat afkomstige bewijsstukken inzake het verlies van de nationaliteit door de Nederlandse autoriteiten in ontvangst en in behandeling worden genomen. Omdat dit niet strookt met het beginsel dat met een niet-erkende staat geen uitwisseling van officiële stukken plaatsvindt, wordt aan personen afkomstig uit staten die niet worden erkend door Nederland niet gevraagd afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Voorbeeld van een niet-erkende staat is Taiwan.
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
De meerderjarige verzoeker die minderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht en op wiens naturalisatieverzoek op of na 1 juni 2021 positief is beslist, is vrijgesteld van de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### 4. Opsturen
Indien een staat niet wordt erkend, wordt vanzelfsprekend ook de nationaliteit van deze staat niet erkend. In een dergelijk geval afstand eisen, betekent ook dat van een niet-erkende staat afkomstige bewijsstukken inzake het verlies van de nationaliteit door de Nederlandse autoriteiten in ontvangst en in behandeling worden genomen. Omdat dit niet strookt met het beginsel dat met een niet-erkende staat geen uitwisseling van officiële stukken plaatsvindt, wordt aan personen afkomstig uit staten die niet worden erkend door Nederland niet gevraagd afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Voorbeeld van een niet-erkende staat is Taiwan.
De verzoeker die meerderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht en op wiens naturalisatieverzoek op of na 1 november 2021 positief is beslist, is vrijgesteld van de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
De verzoeker hoeft geen bereidheidsverklaring tot afstand van de oorspronkelijke nationaliteit ([model 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) te ondertekenen.
De verzoeker hoeft geen bereidheidsverklaring tot afstand van de oorspronkelijke nationaliteit ([model 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) te ondertekenen.
In de toelichting op bovenstaande uitzonderingscategorieën wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat er verklaringen en/of documenten dienen te worden overgelegd indien verzoeker meent onder één van de uitzonderingscategorieën te vallen. Alleen authentieke akten worden in dit verband geaccepteerd als bewijsstukken. Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Authentieke akten zijn tevens akten, waarvan het opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt (zie artikel 183, tweede lid, WBRv). Onderhandse akten worden niet geaccepteerd. Onderhandse akten zijn alle akten die niet authentieke akten zijn (zie artikel 183, derde lid, WBRv).
Voor het verkrijgen van documenten, alsmede voor de vertaling en, indien nodig, legalisatie van deze stukken, dient de verzoeker zelf te zorgen. Zie de [toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.4&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
N.B. In Bijlage 1 bij dit artikellid is een lijst van landen opgenomen met vermelding of bij naturalisatie tot Nederlander al dan niet automatisch verlies intreedt, of het doen van afstand al dan niet mogelijk is, of het land partij is (geweest) bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en of het land partij is (geweest) bij het Tweede Protocol. Voorts is achter sommige landen aangegeven dat niet bekend is of men de oorspronkelijke nationaliteit behoudt of verliest. In dat geval kan betrokkene niet worden gevraagd een afstandsverklaring te ondertekenen en dient er vooralsnog van te worden uitgegaan dat hij de oorspronkelijke nationaliteit behoudt.
In de toelichting op bovenstaande uitzonderingscategorieën wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat er verklaringen en/of documenten dienen te worden overgelegd indien verzoeker meent onder één van de uitzonderingscategorieën te vallen. Alleen authentieke akten worden in dit verband geaccepteerd als bewijsstukken. Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Authentieke akten zijn tevens akten, waarvan het opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt (zie artikel 183, tweede lid, WBRv). Onderhandse akten worden niet geaccepteerd. Onderhandse akten zijn alle akten die niet authentieke akten zijn (zie artikel 183, derde lid, WBRv).
In de toelichting op bovenstaande uitzonderingscategorieën wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat er verklaringen en/of documenten dienen te worden overgelegd indien verzoeker meent onder één van de uitzonderingscategorieën te vallen. Alleen authentieke akten worden in dit verband geaccepteerd als bewijsstukken. Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Authentieke akten zijn tevens akten, waarvan het opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt (zie artikel 183, tweede lid, WBRv). Onderhandse akten worden niet geaccepteerd. Onderhandse akten zijn alle akten die niet authentieke akten zijn (zie artikel 183, derde lid, WBRv).
Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In deze gevallen heeft het immers geen zin om afstand te vragen. Met het oog op automatisch verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander of met het oog op eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan vooren- en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker reeds in de voorlichtingsfase door de burgemeester wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of het consulaat) of naar de voor hem geëigende organisaties voor minderheden voor het verkrijgen van informatie hieromtrent.
N.B. In Bijlage 1 bij dit artikellid is een lijst van landen opgenomen met vermelding of bij naturalisatie tot Nederlander al dan niet automatisch verlies intreedt, of het doen van afstand al dan niet mogelijk is, of het land partij is (geweest) bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en of het land partij is (geweest) bij het Tweede Protocol. Voorts is achter sommige landen aangegeven dat niet bekend is of men de oorspronkelijke nationaliteit behoudt of verliest. In dat geval kan betrokkene niet worden gevraagd een afstandsverklaring te ondertekenen en dient er vooralsnog van te worden uitgegaan dat hij de oorspronkelijke nationaliteit behoudt.
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de bestaande uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk en in een voorkomend geval aan de hand van berekeningen – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Hij wordt erop gewezen dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen indien een beroep op de uitzonderingscategorie niet wordt gehonoreerd en dat het bedrag aan betaalde leges in dat geval niet wordt teruggegeven.
In verband met eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan voor-en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker in de voorlichtingsfase wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie hieromtrent (dit geldt logischerwijs niet voor een verzoeker die valt onder uitzondering 7).
Indien verzoeker vervolgens een beroep wenst te doen op een van de uitzonderingen 4 tot en met 9 moet hij bij het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarin hij aangeeft dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit (zie model 2.4 en model 2.5). Uit de bereidheidsverklaring moet duidelijk blijken op welke uitzonderingscategorie een beroep wordt gedaan. Aan de hand van door hem overgelegde documenten/bewijsstukken (zie hierboven paragraaf 4 zal verzoeker moeten aantonen dat hij valt onder die uitzonderingscategorie.
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de bestaande uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk en in een voorkomend geval aan de hand van berekeningen – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Hij wordt erop gewezen dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen indien een beroep op de uitzonderingscategorie niet wordt gehonoreerd en dat het bedrag aan betaalde leges in dat geval niet wordt teruggegeven.
De betrokkene wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. De betrokkene wordt tevens gewezen op de uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voor zover mogelijk – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Een betrokkene die bereid is afstand te doen, wordt in de voorlichtingsfase verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit om te informeren naar de wijze waarop afstand van die nationaliteit kan worden gedaan (kan afstand worden gedaan op een ambassade of consulaire post in Nederland, kan alleen afstand worden gedaan in het land van herkomst, moet voor het doen van afstand worden betaald etc.) én naar de (eventuele) gevolgen van het doen van afstand (bijvoorbeeld het verlies van vermogensrechtelijke rechten). Dit is om te voorkomen dat de betrokkene, na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, bij het doen van afstand wordt geconfronteerd met daaraan verbonden voorwaarden waaraan hij niet kan of niet wenst te voldoen. Na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap kan hij immers niet meer met succes een beroep doen op één van de uitzonderingscategorieën. In dat kader is van belang dat uit de door de betrokkene ondertekende bereidheidsverklaring blijkt dat hij in verband met het doen van afstand is gewezen op de uitzonderingscategorieën en dat hij tevens is verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie over het doen van afstand. Ten slotte wordt de betrokkene in de voorlichtingsfase meegedeeld dat als hij na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap weigert afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit, het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend, kan worden ingetrokken.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
Na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap ontvangt de betrokkene een bericht van Onze Minister om binnen een termijn van drie maanden een verzoek te doen tot afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Daarbij wordt hij tevens gewezen op de mogelijkheid tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend, dit overeenkomstig het bepaalde in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Van dit bericht wordt een kopie gezonden aan de burgemeester ([artikel 58, eerste lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=58)).
De betrokkene die drie maanden na het versturen van het bericht niet heeft aangetoond dat hij actie heeft ondernomen om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, wordt door de IND schriftelijk verzocht om binnen een termijn van een maand stukken toe te zenden waaruit blijkt dat hij zijn oorspronkelijke nationaliteit heeft verloren door het doen van afstand, dan wel een verzoek om afstand heeft gedaan.
### 3. Onderteken dit formulier
De betrokkene zal in de drie maanden na het verkrijgen of verlenen van het Nederlanderschap op verschillende wijzen kunnen aantonen dat hij actie heeft ondernomen om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Zo zal hij kunnen aantonen dat hij een verzoek om afstand heeft gedaan of dat hij een verklaring van afstand heeft afgegeven, maar daarvan nog geen bevestiging heeft gehad van de bevoegde autoriteit. Als de betrokkene dit heeft gedaan, maar het heeft nog niet tot verlies van de andere nationaliteit geleid, zal hij zes maanden na zijn reactie door de IND schriftelijk worden verzocht binnen een maand informatie te verschaffen met betrekking tot de voortgang van het doen van afstand ([artikel 30b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30b), of 58, tweede lid, BvvN). Als de betrokkene hierop niet reageert, wordt hem een nieuwe brief gestuurd. In deze brief wordt het verzoek om binnen een maand informatie te verschaffen herhaald en wordt aangegeven dat als hij dit nalaat, het besluit waarbij het Nederlanderschap werd verkregen of verleend, door Onze Minister zal worden ingetrokken. Na verloop van deze termijn zonder dat betrokkene reageert, zal Onze Minister overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend. Voordat tot intrekking van het besluit wordt overgegaan, neemt de IND zekerheidshalve contact op met de gemeente om na te gaan of de betrokkene inderdaad geen verklaring tot afstand van de oorspronkelijke nationaliteit heeft overgelegd.
Als de betrokkene wél reageert op het verzoek of de verzoeken om informatie van de IND, kan hem een nadere termijn worden gesteld om het verlies van de andere nationaliteit te bewerkstelligen (artikel 30b, derde lid, of 58, derde lid, BvvN). Dit zal met name geschieden als de buitenlandse overheid nog niet heeft beslist op het verzoek om afstand of als deze nog geen bevestiging van het verlies van de andere nationaliteit na een verklaring van afstand heeft toegezonden. Onze Minister kan van de betrokkene verlangen dat hij zijn verzoek of verklaring herhaalt. Afhankelijk van de redenen die de betrokkene geeft op grond waarvan het nog niet is gelukt om afstand te doen, beslist Onze Minister of het Nederlanderschap met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, RWN wordt ingetrokken of dat hem opnieuw een termijn wordt gegund om te voldoen aan zijn verplichting om afstand te doen. De duur van de gegunde termijn hangt weer af van de gegeven redenen en de toepasselijke feiten en omstandigheden; afhankelijk van de omstandigheden kan dus meerdere keren een termijn worden gegund. De getoonde bereidheid van betrokkene om mee te werken en de moeite die hij heeft gedaan om de andere nationaliteit te verliezen, zal bij deze beslissing een rol spelen.
Als de betrokkene ondanks herhaalde herinneringsbrieven nalatig blijft al het mogelijke te doen zijn andere nationaliteit(en) te verliezen, zal op grond van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN worden overgegaan tot de intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend (zie de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, RWN).
### 4. Opsturen
Documenten uit het buitenland moeten, zo nodig, gelegaliseerd en vertaald worden.
De op dit moment geldende legalisatiecirculaire is van toepassing.
De betrokkene die afstand heeft gedaan, zal een bewijs daarvan moeten overleggen bij de afdeling Burgerzaken dan wel bij de IND. In de betreffende nationaliteitswetgeving moet worden nagegaan of de instantie die een verklaring van afstand heeft afgegeven of bevestigd dan wel de instantie die de beslissing op het verzoek om afstand heeft genomen wel daartoe is bevoegd. Een dergelijke verklaring van afstand is een akte die gelegaliseerd moet zijn, tenzij een uitzondering op die regel van toepassing is (zie hierboven paragraaf 4). Als de verklaringen en/of het document zijn opgesteld in een andere taal dan het Engels, Duits of Frans, moet de betrokkene zorg dragen voor een door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling. Deze vertaling moet worden gehecht aan het originele document (zie hierboven paragraaf 4). Een verklaring waarin wordt aangegeven dat de betrokkene zijn paspoort heeft ingeleverd, is niet voldoende. De verklaring van de autoriteiten moet in elk geval de personalia van betrokkene bevatten en (zo mogelijk) de datum met ingang waarvan hij niet meer in het bezit is van zijn oorspronkelijke nationaliteit. De IND heeft een eigen verantwoordelijkheid in het beoordelen van een verklaring van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit. Als een verklaring van afstand is ingediend bij de afdeling Burgerzaken van een gemeente en de IND is van mening dat de verklaring van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet voldoet, wordt contact met de betreffende afdeling Burgerzaken opgenomen.
Wordt het bewijs dat de andere nationaliteit is verloren, overgelegd bij de IND, dan zal een gewaarmerkt afschrift daarvan worden gezonden aan de gemeente waar de optieverklaring is afgelegd of het verzoek om naturalisatie is ingediend en tevens – in het geval de betrokkene is verhuisd naar een andere gemeente – naar de gemeente waar als ingezetene is ingeschreven in de BRP, met het verzoek de BRP aan dit gegeven aan te passen ([artikel 30c, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30c), of [59, eerste en derde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=59)).
Documenten uit het buitenland moeten, zo nodig, gelegaliseerd en vertaald worden.
Hierna volgt een lijst van landen met vermelding van behoud of verlies van de nationaliteit bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Bij deze lijst wordt het volgende aangetekend: het betreft hier een momentopname voor zover bij het Ministerie Justitie en Veiligheid bekend ten tijde van het verschijnen van deze gewijzigde landenlijst. Gebruikers van deze lijst die stuiten op wijzigingen of onjuistheden, wordt verzocht dit schriftelijk aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid te melden onder vermelding van het onderwerp: Afstandsverplichting bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap.
De schrijfwijze van de namen van staten is conform de ‘lijst van landnamen’, de officiële schrijfwijze voor het Nederlandse taalgebied, van de Werkgroep Buitenlandse Aardrijkskundige namen, 1994.
A = automatisch verlies
B = geen automatisch verlies maar het doen van afstand is mogelijk.
Als volgens de vreemde nationaliteitswetgeving het doen van afstand mogelijk is, betekent dit niet dat dit altijd daadwerkelijk door de Nederlandse autoriteiten wordt verlangd. Van de verplichting om de oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, bestaan vrijstellingen. Zie daarvoor [artikel 9 lid 3 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [artikel 6 Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=6) (Stcrt. 2003, 54).
C = geen automatisch verlies; het doen van afstand is niet mogelijk
D = partij bij het Verdrag van Straatsburg
E = partij geweest bij het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg
Onbekend = geen automatisch verlies, tot het tegendeel bewezen is
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2-2. Toelichting ad artikel 2, tweede lid
### Paragraaf 3.7. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
### Paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
### Paragraaf 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
### Paragraaf 2.2.3. Gedeeltelijke vrijstelling
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
### Paragraaf 5.1. Misdrijven
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
### Paragraaf 2. Geprivilegieerden
### 8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
### 8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
### Paragraaf 8.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### Paragraaf 7. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
### Paragraaf 8.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
### Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
### 9-1-b. Toelichting ad [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
In de periode van 1 januari 1992 tot 1 oktober 1997 werd het vereiste om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet toegepast (zie circulaire van 20 december 1991, **Stcrt.**1992, 25). Dit kwam doordat op 22 oktober 1991 de Tweede Kamer der Staten-Generaal de motie Apostolou/Soutendijk-van Apeldoorn (TK 1991–1992, 21 971, nr. 29) inzake het doen van afstand bij naturalisatie had aangenomen. Naar aanleiding van deze motie werd besloten met ingang van 1 januari 1992 de eis, zoals geformuleerd in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), vooruitlopend op de aanpassing van de RWN te laten vallen. Het voorstel tot schrappen van deze eis stuitte echter op bezwaren bij de meerderheid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, zodat het vanaf 1 januari 1992 gevoerde afstandsbeleid herziening behoefde. Dit herziene beleid inzake de afstandsverplichting is op 1 oktober 1997 in werking getreden (circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6, inzake wijziging van het beleid inzake het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander).
### paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
Als minimum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan het bedrag van het ver laagde tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker door het doen van afstand een bedrag verliest dat lager ligt dan (of gelijk is aan) het bedrag van het verlaagde tarief, kan nooit – ongeacht het vermogen van verzoeker – met succes een beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo laag dat het te lijden nadeel niet als substantieel kan worden aangemerkt.
Binnen de grenzen van het minimum en het maximum financieel nadeel is de verhouding tussen het overig vermogen van verzoeker én het bedrag dat wordt verloren door het doen van afstand bepalend voor de vraag of hij al dan niet afstand moet doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
Is het bedrag (de waarde van de vermogensrechtelijke rechten) dat wordt verloren door het doen van afstand hoger dan (of gelijk aan) een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is sprake van substantieel financieel nadeel in hier bedoelde zin en behoeft verzoeker geen afstand te doen.
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
B behoeft door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel te lijden. Weliswaar heeft hij genoegzaam aangetoond dat hij eigenaar van een stuk grond is met een aanzienlijke waarde en dat hij de grond door het doen van afstand zou verliezen, maar uit de stukken blijkt niet dat hij de grond slechts onder onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden kan verkopen. Integendeel. Het is een braakliggend stuk grond dat hij met een goede winst kan verkopen. B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie.
### paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
De reden voor bovenstaande uitzondering op de afstandsverplichting is dat het in deze gevallen onverantwoord is de verzoeker te verplichten contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden zijn deze categorieën vreemdelingen vrijgesteld van het legalisatievereiste, indien betrokkene bezwaar maakt tegen dat vereiste.
Daarnaast zijn verzoekers, die op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie in het bezit zijn van een reguliere verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel én in het kader van het verzoek om naturalisatie zijn vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) met ingang van 1 mei 2009 eveneens vrijgesteld van het doen van afstand. Deze groep vrijgestelden moet overigens bij de indiening van het verzoek om naturalisatie wel de bereidheidsverklaring tot afstand van de oorspronkelijk nationaliteit(en) (model 2.4) ondertekenen. Immers, de IND beslist pas ná de indiening van het naturalisatieverzoek of een verzoeker al dan niet voldoende bewijsstukken heeft aangeleverd om tot vrijstelling van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) over te gaan en derhalve ook in aanmerking komt voor deze uitzonderingscategorie van het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit.
### Paragraaf 3.10. Meerderjarige verzoeker die minderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht
De reden voor bovenstaande uitzondering op de afstandsverplichting is dat het in deze gevallen onverantwoord is de verzoeker te verplichten contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden zijn deze categorieën vreemdelingen vrijgesteld van het legalisatievereiste, indien betrokkene bezwaar maakt tegen dat vereiste.
### paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
De verzoeker hoeft geen bereidheidsverklaring tot afstand van de oorspronkelijke nationaliteit ([model 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) te ondertekenen.
### Paragraaf 3.11. Verzoeker die meerderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht
### Paragraaf 3.10. Meerderjarige verzoeker die minderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
### paragraaf 4. Bewijsstukken
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 3.7. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
### Paragraaf 2. Procedure
### Paragraaf 3.1. Inleiding
### Paragraaf 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
### Paragraaf 5.4. Voeging
### Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
### Artikel 9
### Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten
### 8-3. Toelichting ad [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### Paragraaf 5.4. Voeging
### Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten
### Paragraaf 5.8. Vijfjaartermijn
### paragraaf 4. Bewijsstukken
### Paragraaf 3.11. Verzoeker die meerderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht
### paragraaf 3.5. Beslissing
### Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
### Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
### Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
### paragraaf 4. Bewijsstukken
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
### Paragraaf 1. Algemeen
### 9-3. Toelichting ad [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### paragraaf 1. Optiegelden
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### Paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
Als maximum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan tien maal het bedrag van het normale tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker een bedrag verliest dat hoger ligt dan (of gelijk is aan) tien maal het bedrag van het normale tarief, kan altijd – ongeacht het vermogen van verzoeker – met succes een beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo hoog dat het te lijden nadeel als substantieel kan worden aangemerkt.
Verzoeker B bezit de nationaliteit van land Y. Hij heeft aldaar een aantal jaren geleden met het oog op de alsmaar stijgende grondprijzen een braakliggend stuk grond van een hectare gekocht voor 30.000. Nadien heeft hij niet meer naar het stuk grond omgekeken. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie toont hij aan de hand van verklaringen van de autoriteiten van land Y aan dat hij aldaar de eigendom heeft van de hectare grond. Hij overlegt tevens een notariële akte waaruit blijkt dat het stuk grond een huidige waarde heeft van 50.000. In een andere verklaring van de autoriteiten van land Y wordt gesteld dat personen die geen onderdaan zijn van land Y geen eigenaar mogen zijn van grond en dat zonodig de grond door de autoriteiten zonder geldelijke vergoeding in beslag wordt genomen. De stukken zijn gelegaliseerd en vertaald in het Nederlands.
### Artikel 10
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
### paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
### paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
### paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
Als de betrokkene wél bereid is afstand te doen, moet hij bij het afleggen van de optieverklaring of het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarop hij dat duidelijk aangeeft. Zie de [modellen 1.14-1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) HRWN, [2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) HRWN en 2.5 HRWN.
### Paragraaf 5.3. De betrokkene is wél bereid afstand te doen
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Als na verloop van tijd is gebleken dat de betrokkene al het mogelijke heeft gedaan dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen én is gebleken dat de autoriteiten van het land van de andere nationaliteit in het betreffende geval geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verzoek of de verklaring van afstand, dan kan Onze Minister besluiten hem te ontslaan van de verplichting om afstand te doen (artikel 30b, derde lid, of 58, derde lid, BvvN). Van geen of onvoldoende medewerking in deze zin kan worden gesproken als de autoriteit van het land van de andere nationaliteit na verloop van een aantal jaren nog steeds geen beslissing heeft genomen op de herhaalde verzoeken of verklaringen van de betrokkene om afstand van die nationaliteit te doen. Dit gaat uiteraard niet op als – eventueel na onderzoek – blijkt dat het gebrek aan medewerking van de autoriteit is te wijten aan betrokkene zelf. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan het niet betalen van leges of het niet aanleveren van stukken.
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 3.13.1. De oproeping
### Paragraaf 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### paragraaf 3.4. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### Paragraaf 5.12. Gratie
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
Indien verzoeker, wegens het feit dat hij substantieel financieel nadeel lijdt omdat hij voor de afstand een hoog bedrag moet betalen, geen afstand wenst te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit en waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie.
### paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
### Paragraaf 3.11. Verzoeker die meerderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht
### paragraaf 3.1. Advisering
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
### paragraaf 3.4. Advies VWS
### Artikel 10
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten
### Paragraaf 1.1.2. Het inburgeringsexamen
### Paragraaf 1.1.3. Inburgeringsplichtigen en niet-inburgeringsplichtigen
### Paragraaf 2.2.1. Inleiding
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
### Paragraaf 2.3.5. Procedure advies ontheffing aantoonbaar geleverde inspanningen
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
### paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
### Paragraaf 3.10. Meerderjarige verzoeker die minderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
### paragraaf 4. Bewijsstukken
Het origineel van de bereidheidsverklaring wordt door de burgemeester met het optiedossier of het advies betreffende naturalisatie verzonden naar de IND. Als de burgemeester dat noodzakelijk acht, kan hij een kopie van die verklaring behouden. Bij naturalisatie moet op het adviesblad worden aangegeven dat betrokkene bereid is afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit.
### Paragraaf 5.3. De betrokkene is wél bereid afstand te doen
### paragraaf 3.4. Advies VWS
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
Als betrokkene verplicht is afstand te doen, dan moet hij een bereidheidsverklaring tekenen. Als betrokkene is vrijgesteld van de plicht om afstand te doen, dan hoeft hij geen bereidheidsverklaring te tekenen.
**Let op!** Deze lijst geldt zowel bij optie als naturalisatie. De afstandsverplichting bij optie op grond van [artikel 6, eerste lid en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) is op 1 oktober 2010 ingevoerd. De afstandsverplichting geldt niet voor de overige optiecategorieën.
Met bevoegde autoriteit wordt bedoeld de bevoegde instantie die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt:
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
### Bijlage 7. Gemeenschapsonderdanen en familieleden derdelanders
### Paragraaf 1.1. Inleiding
### Paragraaf 3. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken
### Paragraaf 4. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 5.2. Transacties en strafbeschikkingen
### Paragraaf 5.1. Misdrijven
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
### paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
### Paragraaf 5.3. De betrokkene is wél bereid afstand te doen
### paragraaf 3.5. Beslissing
Als na die maand blijkt dat hij dit heeft nagelaten of dat hij niet heeft gereageerd, ontvangt hij een tweede rappel. In deze brief wordt het verzoek om toezending van de gevraagde stukken herhaald en wordt er tevens op gewezen dat, als hij nalaat dit binnen een maand te doen, het besluit waarbij het Nederlanderschap werd verkregen of verleend, door Onze Minister zal worden ingetrokken. Na verloop van deze termijn zonder dat betrokkene aan het verzoek om toezending van deze stukken heeft voldaan, zal Onze Minister overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend. ([artikel 30d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30d) of [60 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60)). Voordat tot intrekking van het besluit wordt overgegaan neemt de IND zekerheidshalve contact op met de gemeente om na te gaan of de betrokkene inderdaad geen verklaring tot afstand van de oorspronkelijke nationaliteit heeft overgelegd.
### Artikel 11
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### Paragraaf 5.2. Transacties en strafbeschikkingen
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
### Paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -7942,127 +8946,865 @@
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### 3. Onderteken dit formulier
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 4. Opsturen
### 3. Onderteken dit formulier
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 4. Opsturen
### 3. Onderteken dit formulier
### 4. Opsturen
Daar waar staat basisregistratie personen geldt:
voor Europees Nederland: de BRP;
voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten: de PIVA;
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
Daar waar staat basisregistratie personen geldt:
voor Europees Nederland: de BRP;
voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten: de PIVA;
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
In eerdere periodes kende de RWN ook een andere ‘Onze Minister’, zoals onder andere de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie en de Minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering.
Deze bepaling definieert het begrip ‘meerderjarigheid’. Bij de (mede)verkrijging, bij de (mede)verlening alsook bij het verlies van het Nederlanderschap speelt de leeftijd van de betrokkene een belangrijke rol. In alle gevallen is het van belang of de betrokkene al dan niet meerderjarig is. Zo moet bijvoorbeeld op grond van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) een vreemdeling meerderjarig zijn in de zin van deze bepaling. Het al dan niet meerderjarig zijn naar het eigen nationale recht van de vreemdeling speelt daarbij geen rol. Zo kan een negentienjarige vreemdeling, die naar zijn eigen nationale recht nog minderjarig is, geen verzoek om naturalisatie laten indienen door zijn ouder.
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c RWN.
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1.1.1. Historie
### Paragraaf 1.1.1. Historie
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### 11-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de bevolkingsregistratie.
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
Tot 1 oktober 2010 luidde [artikel 9, derde lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9):
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
Sinds 1 oktober 2010 is dit [artikel 9, derde lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) vervallen. De overige subleden zijn daardoor een letter opgeschoven.
### paragraaf 3. Topsporters
Tot 1 oktober 2010 luidde [artikel 9, derde lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9):
Dit artikellid geeft een opsomming van categorieën verzoekers om naturalisatie op wie het in het eerste lid aanhef en onder b van dit artikel neergelegde vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is. De hier vermelde uitzonderingen berusten op verdragsverplichtingen (in het bijzonder het Tweede Protocol en het Vluchtelingenverdrag van Geneve van 28 juli 1951).
Bij de beoordeling van de vraag of een verzoeker door naturalisatie tot Nederlander zijn oorspronkelijke nationaliteit verliest, speelt het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1964, 4) een belangrijke rol (het verdrag is op 10 juni 1985 in werking getreden voor het gehele Koninkrijk).
### Paragraaf 1. Algemeen
Het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol is voor het gehele Koninkrijk in werking getreden op 20 augustus 1996 en bevat een belangrijke aanpassing van de hierboven genoemde hoofdregel van het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963. In het Tweede Protocol wordt bepaald dat verdragspartijen bij het Tweede Protocol in hun wetgeving mogen opnemen dat de hoofdregel van het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 wordt doorbroken voor de volgende doelgroepen:
Sinds 4 juni 2010 is alleen Nederland (hele Koninkrijk) partij bij het Tweede Protocol. Aan de bepalingen uit het Tweede Protocol wordt daarom sinds 4 juni 2010 in de praktijk geen uitvoering gegeven.
Als de bepalingen van het Tweede Protocol (dat geen rechtstreekse werking heeft) in het nationale recht van een partij bij het Tweede Protocol zijn opgenomen, treedt voor personen van dit land die behoren tot een van deze doelgroepen geen verlies van de oorspronkelijke nationaliteit op bij het verkrijgen van een andere nationaliteit.
Logischerwijs geldt dan andersom dat een staat die is aangesloten bij het Tweede Protocol en waarvan de nationaliteit wordt verkregen van deze personen niet verlangt dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit.
Met ingang van 1 april 2003 bepaalt [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) dat personen die behoren tot een van deze doelgroepen – ongeacht of zij onderdaan zijn van een land dat partij is bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 dan wel het Tweede Protocol – bij naturalisatie tot Nederlander geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeven te doen.
Voor wat betreft kinderen heeft de uitzondering op de afstandseis tevens haar weerslag gevonden in [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). Personen die worden (mee)genaturaliseerd met toepassing van artikel 11 RWN behoeven immers geen afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.)11Zie ook de toelichting bij artikel 11 RWN en de Nota naar aanleiding van het verslag, TK 1998–1999, 25 891 (R 1609), nr. 5, p. 22.
Met ingang van 5 maart 2009 is voor Frankrijk de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd. Met ingang van 4 juni 2010 is ook voor Italië de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd.
Vóór 1 april 2003 behoefden verzoekers om naturalisatie die vielen onder de doelgroepen van het Tweede Protocol overigens evenmin afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit. De aan het Tweede Protocol ten grondslag liggende doelstellingen van integratie en van eenheid van nationaliteit binnen het gezin brachten mee dat de uitzondering op de afstandseis voor de in het Tweede Protocol genoemde gevallen niet uitsluitend beperkt kon blijven tot personen die onderdaan zijn van een land dat partij was bij het Tweede Protocol. De uitzondering op de afstandseis gold daardoor voor eenieder die verzocht om naturalisatie tot Nederlander en behoorde tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, ongeacht of de verzoeker onderdaan was van een land dat partij is bij het Tweede Protocol (zie circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6). Voor wat betreft de afstandsverplichting verandert er in deze gevallen dus feitelijk niets na 1 april 2003.
### 11-8. Toelichting ad [artikel 11, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
Voor wat betreft kinderen heeft de uitzondering op de afstandseis tevens haar weerslag gevonden in [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). Personen die worden (mee)genaturaliseerd met toepassing van artikel 11 RWN behoeven immers geen afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.)11Zie ook de toelichting bij artikel 11 RWN en de Nota naar aanleiding van het verslag, TK 1998–1999, 25 891 (R 1609), nr. 5, p. 22.
Met ingang van 5 maart 2009 is voor Frankrijk de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd. Met ingang van 4 juni 2010 is ook voor Italië de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd.
Een verzoeker, burger van Bosnië-Herzegovina, is geboren in Aruba. Kort na zijn geboorte vertrekt hij met zijn ouders naar Australië. Na zijn meerderjarigheid vestigt hij zich in Nederland. Zodra hij aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoet, dient hij een verzoek in. Van verzoeker wordt niet verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Immers, hij is in Aruba geboren en heeft ten tijde van het indienen van zijn verzoek om naturalisatie hoofdverblijf in Nederland.
### 9-3-c. Toelichting ad [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die gehuwd is met een Nederlander.
Alleen bij nationaliteiten van Staten waarbij in de ‘Landenlijst bij naturalisatie’ een B (geen automatisch verlies, maar het doen van afstand is mogelijk) staat, moet worden beoordeeld of desbetreffende verzoeker om naturalisatie afstandsplichtig is.
Voor een verzoeker die getrouwd is met een Nederlander (van het andere of van hetzelfde geslacht) geldt geen afstandsverplichting. Ook de verzoeker die in Europees Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander is aangegaan of buiten Europees Nederland een geregistreerd partnerschap is aangegaan als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), kan een beroep doen op deze uitzondering. De verzoeker hoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In het geval dat het huwelijk – anders dan door overlijden – tussen de indiening van het verzoek om naturalisatie en de beslissing hierop door echtscheiding is ontbonden, zal verzoeker alsnog afstand moeten doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Hetzelfde geldt voor de beëindiging met wederzijds goedvinden of door ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Immers, het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie is doorslaggevend voor de beoordeling of verzoeker aan de voorwaarden voldoet. Voor de verzoeker die met een ongetrouwde Nederlander een duurzame relatie heeft, geldt de afstandseis onverkort.
Een vrouw met de Amerikaanse nationaliteit is bij het indienen van het verzoek getrouwd met een Nederlander en verkrijgt door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster verliest door de naturalisatie tot Nederlandse niet haar Amerikaanse nationaliteit. Zij hoeft geen afstand te doen van de Amerikaanse nationaliteit.
Op gelijktijdige verzoeken van twee met elkaar getrouwde personen of twee geregistreerde partners, moet zoveel mogelijk tegelijkertijd te worden beslist. Het is niet de bedoeling dat een van de (huwelijks)partners eerder wordt genaturaliseerd, zodat de ander geen afstand meer hoeft te doen op grond van het feit dat hij of zij de (huwelijks)partner is van een Nederlander.
Geen afstandsplicht bestaat voor de echtgenoot/geregistreerd partner met een B-nationaliteit (zie landenlijst) die samen met zijn/haar echtgenoot/geregistreerd partner met een B-nationaliteit een verzoek om naturalisatie indient, waarbij één van hen op grond van [artikel 9, derde lid, onder a, b, of d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) dan wel [artikel 6, eerste lid, onderdeel d, e, f, g of h Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=6) (RVVN) niet afstandsplichtig is.
Een man en een vrouw met de Turkse nationaliteit dienen gezamenlijk een verzoek om naturalisatie tot Nederlander in. De vrouw hoeft op grond van één van de hierboven genoemde uitzonderingsgronden geen afstand te doen van haar Turkse nationaliteit. De man valt niet zelfstandig onder een uitzonderingsgrond maar omdat zijn echtgenote niet afstandsplichtig is, hoeft hij ook geen afstand te doen.
Een eventuele afstandsplicht vervalt als een verzoeker ná het indienen van het verzoek om naturalisatie maar vóór het Nederlanderschap per bij Koninklijk Besluit is verleend, trouwt (of een geregistreerd partnerschap aangaat) met een Nederlander. Immers, de regel is dat de datum van het naturalisatie Koninklijk Besluit doorslaggevend is voor het wel of niet bestaan van de afstandsplicht. Op de datum van het naturalisatie Koninklijk Besluit is de beslissing genomen door het bevoegd gezag op het verzoek om naturalisatie.
A, man, is niet getrouwd als hij op 12 augustus 2012 zijn verzoek om naturalisatie indient. Hij blijkt afstandsplichtig te zijn en tekent daarom de bereidheidsverklaring. Hij trouwt op 1 mei 2013 met B, van Nederlandse nationaliteit. Zijn verzoek om naturalisatie wordt bij Koninklijk Besluit ingewilligd op 8 mei 2013. Dit betekent dat A is getrouwd op de dag van zijn naturalisatie met een Nederlander. Om die reden is hij niet (langer) afstandsplichtig.
Personen die afstand moeten doen en die ná de totstandkoming van de naturalisatie trouwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) met een Nederlander aangaan, kunnen niet met succes een beroep doen op de bij onderdeel c van het derde lid van [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) bedoelde uitzondering.
Let op! Bovenstaand artikellid geldt alleen voor verzoeken die zijn ingediend op of na 1 oktober 2010. Verzoekers die voor 1 oktober 2010 een verzoek hebben ingediend waarop nog niet is beslist kunnen dus nog een beroep doen op [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) zoals dat luidde tot 1 oktober 2010 (voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in Nederland, de (voormalige) Nederlandse Antillen of Aruba zijn hoofdverblijf hebben). Zie overgangsbepaling [artikel II, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) (Stb. 2010, 242).
Een eventuele afstandsplicht vervalt als een verzoeker ná het indienen van het verzoek om naturalisatie maar vóór het Nederlanderschap per bij Koninklijk Besluit is verleend, trouwt (of een geregistreerd partnerschap aangaat) met een Nederlander. Immers, de regel is dat de datum van het naturalisatie Koninklijk Besluit doorslaggevend is voor het wel of niet bestaan van de afstandsplicht. Op de datum van het naturalisatie Koninklijk Besluit is de beslissing genomen door het bevoegd gezag op het verzoek om naturalisatie.
**Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba is erkend als vluchteling.**
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
Deze uitzondering geldt ook voor de verzoeker die in het bezit is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezeten derdelander dat de aantekening ‘Internationale bescherming op [datum] verleend door [lidstaat]’ bevat. Personen die internationale bescherming genieten zijn personen die als asielgerechtigden zijn toegelaten in een andere lidstaat en daarna in Nederland in het bezit zijn gesteld van een reguliere verblijfsvergunning op grond van richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten derdelanders.
Ingevolge onderdeel c van dit artikellid geldt de afstandsverplichting niet voor een verzoeker die is gehuwd met een Nederlander. Ook de verzoeker die in Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander is aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap is aangegaan als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), kan een beroep doen op deze uitzondering. Indien twee met elkaar gehuwde personen of twee geregistreerde partners beiden een verzoek om naturalisatie hebben ingediend, dient zoveel mogelijk tegelijkertijd op de verzoeken te worden beslist. Het is niet de bedoeling dat een van de (huwelijks)partners eerder wordt genaturaliseerd, waarna de ander geen afstand meer behoeft te doen op grond van het feit dat hij of zij de (huwelijks)partner is van een Nederlander.
Personen die afstand moeten doen en die ná de totstandkoming van de naturalisatie huwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) aangaan, kunnen evenmin met succes een beroep doen op onderdeel c.
De verzoeker die met succes een beroep wil doen op deze uitzonderingsgrond zal bij de indiening van het verzoek om naturalisatie dienen aan te tonen dat hij in het bezit is gesteld van verblijfsdocument IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd) of verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd). De reden voor deze uitzondering op de afstandsverplichting is dat het onverantwoord is voor een erkende vluchteling contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden is deze categorie vreemdelingen vrijgesteld van het legalisatie-vereiste, indien betrokkene bezwaar maakt tegen dat vereiste. De verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.
Deze uitzondering geldt ook voor de verzoeker die in het bezit is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezeten derdelander dat de aantekening ‘Internationale bescherming op [datum] verleend door [lidstaat]’ bevat. Personen die internationale bescherming genieten zijn personen die als asielgerechtigden zijn toegelaten in een andere lidstaat en daarna in Nederland in het bezit zijn gesteld van een reguliere verblijfsvergunning op grond van richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten derdelanders.
### Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
Ingevolge [artikel 34, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34) wordt, alvorens het verzoek om naturalisatie in behandeling wordt genomen, door de burgemeester onderzocht of de verzoeker naturalisatiegelden is verschuldigd op grond van het [Besluit optie- en naturalisatiegelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782).
### 9-4. Toelichting ad [artikel 9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
### paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen
### paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit
Ad b: De wet schrijft een schriftelijke instemming voor. In het dossier moet een stuk voorkomen waaruit blijkt dat de verzoeker schriftelijk heeft ingestemd met uitstel van de beslistermijn.
Ad c: de beslistermijn wordt opgeschort om redenen die toe te rekenen zijn aan de verzoeker. Dat de beslistermijn op deze grond is opgeschort, kan ook achteraf worden geconstateerd. Als voorbeelden kunnen worden gegeven:
### Artikel 10
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
Ad b: De wet schrijft een schriftelijke instemming voor. In het dossier moet een stuk voorkomen waaruit blijkt dat de verzoeker schriftelijk heeft ingestemd met uitstel van de beslistermijn.
Ad c: de beslistermijn wordt opgeschort om redenen die toe te rekenen zijn aan de verzoeker. Dat de beslistermijn op deze grond is opgeschort, kan ook achteraf worden geconstateerd. Als voorbeelden kunnen worden gegeven:
### Paragraaf 1. Algemeen
Geen.
### 10-alg. Toelichting algemeen
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [11.2 t/m 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [26.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
Dit artikel biedt de mogelijkheid van naturalisatie wanneer aan bepaalde in de [Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) zelf gestelde voorwaarden niet is voldaan. Uitgangspunt is dat er sprake is van een zeer ‘bijzonder geval’. In uitzonderlijke gevallen kunnen er belangen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn om van die voorwaarden af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige belangen van (één van de landen van) het Koninkrijk zich voordoen, zoals op het gebied van de internationale economische en culturele betrekkingen. In concreto kan worden gedacht aan vreemdelingen die in aanmerking komen voor een functie waarvoor het Nederlanderschap is vereist of gewenst en eventueel hun echtgenoten/partners. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie.
### 10-alg. Toelichting algemeen
Het is niet de bedoeling dat op grote schaal van onderhavig artikel gebruik wordt gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraken (zie uitspraak van 27 augustus 2014 in zaak nr. 201400641/1/V6 en uitspraak van 2 juli 2003 in zaak nr. 200204721/1) overwogen dat de minister bij de toepassing van [artikel 10 van de RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) beoordelingsvrijheid heeft waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort. De minister pleegt van dit wetsartikel terughoudend gebruik te maken. De uitzonderingen zijn alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen. Een verzoek om toepassing van artikel 10 RWN zal dus moeten worden gemotiveerd. Tevens moet exact worden aangegeven van welke vereisten in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) of [11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) afwijking wordt verzocht.
### Paragraaf 1. Algemeen
Let op! De [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) procedure is geen verkorte procedure. Ook bij een artikel 10 RWN verzoek geldt de beslistermijn zoals genoemd in [artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9). De verkorting zit in het feit dat van de verblijfstermijnen kan worden afgeweken, en niet van de wettelijke beslistermijn. Voorts moet rekening worden gehouden met het feit dat voor een artikel 10 RWN verzoek vaak advies moet worden ingewonnen bij een vakministerie, dat vervolgens een onderzoek verricht. Dit onderzoek kan enige tijd in beslag nemen.
Uit de wetstekst blijkt dat met [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) ook kan worden afgeweken van het bepaalde in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) (het inburgeringsvereiste). Of verzoeker moet worden geadviseerd een naturalisatietoets af te leggen, hangt af van de gevraagde afwijkingsgronden en de grootte van het belang om hem de Nederlandse nationaliteit te verlenen. Belangrijk hierbij is de vraag of alleen afwijking wordt gevraagd van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN of dat (ook) afwijking wordt gevraagd van andere voorwaarden voor naturalisatie. In het geval afwijking wordt gevraagd van andere voorwaarden dan artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN kan de burgemeester betrokkene erop wijzen dat het in zijn voordeel kan zijn te proberen aan de voorwaarde van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN te voldoen, zodat zo min mogelijk afwijking van artikel 8, [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) nodig is. Dit geldt temeer als het belang van de Nederlandse staat hem het Nederlanderschap te verlenen niet uitzonderlijk groot is. In het geval op voorhand duidelijk is dat betrokkene de naturalisatietoets niet zal halen (bijvoorbeeld omdat hij zelf stelt niet of onvoldoende de Nederlandse taal te beheersen), kan een dergelijk advies achterwege blijven. In dit geval zal de burgemeester in zijn advies aan de IND opnemen dat betrokkene ook afwijking verzoekt van het inburgeringsvereiste. Als overigens niet aan het inburgeringsvereiste wordt voldaan vanwege polygamie ligt – gelet op de bescherming van de civiele openbare orde – toepassing van artikel 10 RWN niet in de rede.
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
Op 1 april 2003 is aan [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) toegevoegd dat ook van de in [artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), genoemde termijn kan worden afgeweken.
### 12-alg. Toelichting algemeen
Verder kan evenmin – als het gaat om een kind dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt of dat tijdens de behandeling meerderjarig is geworden – worden afgeweken van het vereiste dat er geen ernstige vermoedens bestaan dat die persoon een gevaar oplevert voor de openbare orde als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en artikel 9, tweede lid, RWN. Gelet op het feit dat op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) kan worden afgeweken van de reguliere termijn van vijf jaar toelating en hoofdverblijf, zoals vermeld in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), is geredeneerd dat ook van de kortere termijn van drie jaar, zoals genoemd in [artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), kan worden afgeweken en is ook voor de volledigheid een verwijzing naar die termijn opgenomen.
[Artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) geeft aan van welke wettelijk gestelde voorwaarde wél en – impliciet – van welke voorwaarden niet kan worden afgeweken. Niet kan worden afgeweken van het vereiste:
### paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
Met het woord ‘termijn’ wordt gedoeld op de zinsnede ‘de onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf’. Met het opnemen van het woord ‘termijn’ is allereerst beoogd om te benadrukken dat van de andere toepasselijke voorwaarden in [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) niet kan worden afgeweken. Zo zal bij een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) bijvoorbeeld niet kunnen worden afgeweken van het vereiste in artikel 11, tweede lid, RWN (kind beneden de zestien jaar), derde lid (kind dat leeftijd van zestien jaar heeft bereikt), vierde lid (kind dat niet heeft gedeeld) en vijfde lid (meerderjarig geworden kind) dat het ‘sedert het tijdstip van het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft’.
### paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
[Artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) geeft aan van welke wettelijk gestelde voorwaarde wél en – impliciet – van welke voorwaarden niet kan worden afgeweken. Niet kan worden afgeweken van het vereiste:
Bovendien geldt ingeval van een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) dat verzoeker zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels. Dit betekent dat een op artikel 10 RWN gebaseerd naturalisatieverzoek geen basis kan bieden voor de toepassing van andere (soepelere) dan de algemeen geldende regels voor het aantonen van identiteit en nationaliteit (zie de toelichting op artikel 7, [par. 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.5&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en 3.5.6).
Ten behoeve van de beeldvorming, met betrekking tot de vraag wanneer er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan onderhavig artikel kan worden toegepast, volgt onderstaand een aantal praktijkvoorbeelden. Bij een aantal voorbeelden is aangegeven op welke wijze met vergelijkbare gevallen kan worden omgegaan.
### paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
Aangezien [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) geen afwijking van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) toestaat, wordt nogmaals benadrukt dat in alle hierboven omschreven voorbeelden de persoon die een beroep doet op artikel 10 RWN bij het indienen van het verzoek in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht dat naar zijn aard niet-tijdelijk is (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN) en verklaard moet hebben bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [toelichting bij artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, RWN). Let goed op dat een verzoeker die een beroep doet op artikel 10 RWN altijd zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels (zie de [toelichting op artikel 7, paragraaf 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.5&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en 3.5.6). Betreft het een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN die in het buitenland woont, dan geldt dat hij moet aantonen dat hij een dergelijk verblijfsrecht zou(den) verkrijgen, als daar om zou worden verzocht.
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
Vóór 1 april 2003 konden minderjarigen, die niet hadden gedeeld in de verlening van het Nederlanderschap aan de ouder(s), onder voorwaarden op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden voorgedragen voor naturalisatie. Voor deze minderjarigen is thans een bijzondere naturalisatieprocedure opgenomen in [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11).
Voor een geslaagd beroep op toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) wegens ambtelijk verzuim moet aangetoond worden dat dit zwaarwegend is. Het gestelde zwaarwegend zijn van het ambtelijk verzuim wordt afgewogen tegen het belang van betrokkene om eerder dan bij de toepassing van de reguliere voorwaarden voor naturalisatie Nederlander te worden. In de hier bedoelde belangenafweging wordt in ieder geval betrokken de mate van bijzonderheid van het geval, de mate waarin verzoeker niet voldoet aan de standaardvoorwaarden en de restrictieve wijze waarop toepassing dient te worden gegeven aan artikel 10 RWN. Bij zwaarwegend ambtelijk verzuim valt te denken aan:
De verscheidenheid van de gevallen waarbij een beroep op toepassing van dit artikel wordt gedaan, is groot. Om die reden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Ieder verzoek wordt op de eigen merites bezien. Het moet evenwel altijd een bijzonder geval betreffen. Uit de jurisprudentie van (onder meer) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de adviezen van de Raad van State kan wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet dermate bijzonder zijn dat ze naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN rechtvaardigen. Niet bijzonder is bijvoorbeeld:
### paragraaf 3. Topsporters
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
### paragraaf 3.1. Advisering
Om vast te kunnen stellen of met de naturalisatie van verzoeker een Nederlands belang op sportief gebied is gediend, wordt de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om advies gevraagd. Alleen indien bij het verzoek tot naturalisatie mede een verklaring van een Nederlandse sportbond wordt overgelegd inhoudende dat naturalisatie een Nederlands sportbelang op korte termijn dient, verzoekt de Minister van Justitie om advisering ter zake door de Staatssecretaris van VWS. Zonder een dergelijke ondersteunende verklaring wordt de zaak niet aan VWS aangeboden, maar direct afgewezen.
De Staatssecretaris van VWS laat zich ondersteunend adviseren door de desbetreffende nationale sportbond, maar heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het advies aan de Minister van Justitie.
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
### paragraaf 3.1. Advisering
Om vast te kunnen stellen of met de naturalisatie van verzoeker een Nederlands belang op sportief gebied is gediend, wordt de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om advies gevraagd. Alleen indien bij het verzoek tot naturalisatie mede een verklaring van een Nederlandse sportbond wordt overgelegd inhoudende dat naturalisatie een Nederlands sportbelang op korte termijn dient, verzoekt de Minister van Justitie om advisering ter zake door de Staatssecretaris van VWS. Zonder een dergelijke ondersteunende verklaring wordt de zaak niet aan VWS aangeboden, maar direct afgewezen.
Of een sporter direct na de naturalisatie tot Nederlander daadwerkelijk op een internationaal concours of een internationale sportwedstrijd kan uitkomen als Nederlander is echter afhankelijk van de regels van de nationale sportbond van het herkomstland. Is op grond van deze regels deelname namens Nederland pas mogelijk na het verstrijken van een bepaalde periode, de zgn. blokkeringstermijn, dan kan bij de nationale sportbond van het land van herkomst om ontheffing of bekorting van deze termijn worden verzocht.
Bij circulaire d.d. 9 april 1999, kenmerk S/BOA-99440 heeft de Staatssecretaris van VWS richtlijnen opgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of wordt voldaan aan het vereiste van een aanwezig Nederlands belang op sportief gebied. De circulaire stelt de eis dat de betrokkene bij de desbetreffende Nederlandse landelijke sportorganisatie op het niveau van de nationale top presteert. Dit betekent volgens de circulaire:
Met het ministerie van VWS is een aantal afspraken gemaakt met betrekking tot het advies aan de Minister van Justitie. Naast de toetsing aan de bovengenoemde richtlijnen uit de circulaire d.d. 9 april 1999 zal de Staatssecretaris van VWS in het advies aan de volgende onderwerpen aandacht besteden:
Ontbreekt de verklaring, dan vermeldt het advies van VWS de reden daarvan;
Of een sporter direct na de naturalisatie tot Nederlander daadwerkelijk op een internationaal concours of een internationale sportwedstrijd kan uitkomen als Nederlander is echter afhankelijk van de regels van de nationale sportbond van het herkomstland. Is op grond van deze regels deelname namens Nederland pas mogelijk na het verstrijken van een bepaalde periode, de zgn. blokkeringstermijn, dan kan bij de nationale sportbond van het land van herkomst om ontheffing of bekorting van deze termijn worden verzocht.
In het geval dat het advies van de Staatssecretaris van VWS inzake de ontheffing van een voor de verzoeker geldende blokkeringstermijn geen stukken bevat, die leiden tot de conclusie dat de verzoeker op korte termijn als genaturaliseerde Nederlander voor Nederland zou kunnen uitkomen, dient het verzoek tot naturalisatie te worden afgewezen.
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
Ontbreekt de verklaring, dan vermeldt het advies van VWS de reden daarvan;
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2 t/m 4; 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9);
[10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
[BOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831&artikel=3)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6); [31.1 t/m 31.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31); [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32) en [51 t/m 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56)
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
Tot 1 oktober 2010 gold voor de minderjarige die op grond van [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) mee-naturaliseerde geen plicht tot het ondertekenen van een bereidverklaring. Ook de verklaring van verbondenheid hoefde niet te worden afgelegd. Bij alle verzoeken ex artikel 11, derde lid, die op of na 1 oktober 2010 worden ingediend geldt dat de bereidverklaring moet worden ondertekend en de verklaring van verbondenheid moet worden afgelegd, tenzij betrokkene is vrijgesteld (zie overgangsbepaling [artikel II, lid 2a, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb.2010, 242 )).
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6); [31.1 t/m 31.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31); [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32) en [51 t/m 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56)
Dit artikel bevat bepalingen met betrekking tot de medeverlening van het Nederlanderschap aan minderjarigen en jongvolwassenen.
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
### 11-alg. Toelichting algemeen
Voor minderjarige kinderen en jongvolwassenen die met toepassing van het onderhavige artikel worden (mede)genaturaliseerd geldt niet het inburgeringsvereiste. De naturalisatietoets hoeft dan ook niet te worden afgelegd. Zij hoeven evenmin afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit.
Voor de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie op grond van [artikel 11, derde of vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) wordt ingediend zestien jaar of ouder is, geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid.
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
In [artikel 31 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) is aangegeven welke gegevens de verzoeker over zichzelf en over het (mede) te naturaliseren kind moet verstrekken. Als deze gegevens niet of onvoldoende worden verstrekt, zal Onze Minister, na inverzuimstelling, het verzoek afwijzen. De afwijzende beslissing van Onze Minister is een beschikking waartegen op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
Voor de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie op grond van [artikel 11, derde of vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) wordt ingediend zestien jaar of ouder is, geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid.
Als een ouder heeft verzocht om medeverlening voor een minderjarige, terwijl de minderjarige niet voldoet aan de geldende voorwaarden, worden de personalia van het kind niet vermeld in het Koninklijk Besluit en wordt het verzoek om medeverlening van het kind schriftelijk afgewezen. Hetzelfde geldt uiteraard voor een zelfstandig verzoek op grond van [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De afwijzende beslissing is een beschikking in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend (zie ook de [toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.11&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
In deze bepaling is tot uitdrukking gebracht dat oudere minderjarigen in het Nederlands recht in toenemende mate een bijzondere rechtspositie verkrijgen. Deze positie rechtvaardigt een eigen naturalisatieregeling.
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
Verblijf in het verleden in Nederland als afhankelijk gezinslid van een geprivilegieerde vreemdeling, werkzaam bij een internationale organisatie, geldt onder specifieke voorwaarden als toelating in hierboven bedoelde zin.
De periode dat het afhankelijk gezinslid op basis van een geprivilegieerde status bij de hoofdpersoon in Nederland heeft verbleven, en daardoor ingeschreven heeft gestaan in het daarvoor bestemde register bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, geldt in het kader van een verzoek om medeverlening als toelating in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738), mits deze periode onmiddellijk voorafging aan de toelating in het kader van de Vreemdelingenwet. Deze (onafgebroken) periode mag daarom worden meegeteld voor de vereiste termijn van drie jaren toelating in het kader van een verzoek om medeverlening.
Het verblijf als geprivilegieerde moet worden aangetoond door middel van het overleggen van een originele verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ingeval van contra-indicatie dat het verblijf als geprivilegieerde, ondanks de verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, niet onafgebroken is geweest, kan contact worden opgenomen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Ook voor de minderjarige van zestien jaar en ouder geldt dat hij ‘sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf’ in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij het tweede lid van onderhavig artikel).
Volgens onderhavig artikellid moet het kind dat ten tijde van de indiening van het verzoek zestien jaar of ouder is, zich bij de indiening bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen ([model 2.30 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09)). Vervolgens zal het kind dat de bereidverklaring afgegeven heeft, tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid moeten afleggen voordat hem het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap kan worden uitgereikt. Het vereiste tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt niet voor een kind dat bij het indienen van het verzoek om naturalisatie jonger dan zestien jaar is, maar gedurende de behandeling van het verzoek zestien jaar wordt (zie de [toelichting bij artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&z=2024-05-09&g=2024-05-09), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&z=2024-05-09&g=2024-05-09).)
Verzoeken om medeverlening voor kinderen die bij het indienen van het verzoek van de ouder zestien jaar of ouder zijn, worden afgewezen als er op grond van hun gedrag ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar opleveren voor de openbare orde als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en artikel 9, tweede lid, RWN. Bij deze groep kinderen wordt op dezelfde wijze als bij meerderjarige verzoekers beoordeeld of er openbare orde aspecten zijn op grond waarvan het verzoek moet worden afgewezen. In het kader van het onderzoek worden voor deze kinderen door de IND de vereiste justitiële documentatiegegevens opgevraagd (zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN).
Minderjarigen van zestien jaar en ouder worden geacht voldoende inzicht te hebben om zelf te kunnen beslissen over de vraag of ze de Nederlandse nationaliteit willen verkrijgen. Om die reden is in dit artikellid opgenomen dat een kind, dat ten tijde van het verzoek om medeverlening van het Nederlanderschap zestien jaar of ouder is, het Nederlanderschap alleen zal verkrijgen als het kind daar uitdrukkelijk mee instemt. Op grond van [artikel 31, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) moet deze verklaring voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in [artikel 3 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3). Dit betekent dat het kind in beginsel in persoon bij de burgemeester moet verschijnen om de instemmingsverklaring af te leggen (zie verder de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
### Paragraaf 2.4. Tarief H
Uit de tekst [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vloeit voort dat de vereisten van het in persoon een instemmingsverklaring afleggen niet geldt voor een kind dat bij het indienen van het verzoek om medeverlening jonger dan zestien jaar is, maar gedurende de behandeling van het verzoek zestien jaar wordt. Als dit kind echter al vóór het bereiken van de zestienjarige leeftijd een zienswijze omtrent de medeverlening van het Nederlanderschap naar voren heeft gebracht en het kind heeft daarbij te kennen gegeven geen prijs te stellen op medever lening, dan zal het kind niet worden meegenaturaliseerd (tenzij het zestienjarige kind op eigen initiatief alsnog een andere zienswijze geeft).
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
Voor de duidelijkheid worden hieronder de vereisten genoemd, waaraan moet zijn voldaan als het een verzoek om medeverlening betreft voor een kind dat ten tijde van indiening van dat verzoek zestien jaar of ouder is:
De verklaring moet op schrift worden gesteld en door het kind worden ondertekend.
Uit de tekst [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vloeit voort dat de vereisten van het in persoon een instemmingsverklaring afleggen niet geldt voor een kind dat bij het indienen van het verzoek om medeverlening jonger dan zestien jaar is, maar gedurende de behandeling van het verzoek zestien jaar wordt. Als dit kind echter al vóór het bereiken van de zestienjarige leeftijd een zienswijze omtrent de medeverlening van het Nederlanderschap naar voren heeft gebracht en het kind heeft daarbij te kennen gegeven geen prijs te stellen op medever lening, dan zal het kind niet worden meegenaturaliseerd (tenzij het zestienjarige kind op eigen initiatief alsnog een andere zienswijze geeft).
A is zeventien jaar op het moment dat zijn vader een verzoek om naturalisatie indient en daarbij vraagt om medenaturalisatie van A. Tijdens de behandeling van het verzoek wordt A achttien jaar. Op het moment dat de vader bij koninklijk besluit wordt genaturaliseerd, voldoet A aan de voorwaarden in [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) met uitzondering van het vereiste van minderjarigheid. Van de IND ontvangt hij een beschikking die inhoudt dat het verzoek om medenaturalisatie is afgewezen. A gaat hierna twee jaar in Groot-Brittannië wonen om te werken. Vervolgens hervestigt hij zich in Nederland en heeft daar drie jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf op het moment dat hij een verzoek om naturalisatie indient. A kan niet met succes een beroep doen op [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie is immers niet aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheid van A.
Voor de duidelijkheid worden hieronder de vereisten genoemd, waaraan moet zijn voldaan als het een verzoek om medeverlening betreft voor een kind dat ten tijde van indiening van dat verzoek zestien jaar of ouder is:
Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. “Feitelijk behoren tot het gezin” van de vader of moeder houdt in het kader van de RWN in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s)64Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.. De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.
A is zeventien jaar op het moment dat zijn vader een verzoek om naturalisatie indient en daarbij vraagt om medenaturalisatie van A. Tijdens de behandeling van het verzoek wordt A achttien jaar. Op het moment dat de vader bij koninklijk besluit wordt genaturaliseerd, voldoet A aan de voorwaarden in [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) met uitzondering van het vereiste van minderjarigheid. Van de IND ontvangt hij een beschikking die inhoudt dat het verzoek om medenaturalisatie is afgewezen. A gaat hierna twee jaar in Groot-Brittannië wonen om te werken. Vervolgens hervestigt hij zich in Nederland en heeft daar drie jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf op het moment dat hij een verzoek om naturalisatie indient. A kan niet met succes een beroep doen op [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie is immers niet aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheid van A.
A is zeventien jaar op het moment dat zijn vader een verzoek om naturalisatie indient en daarbij vraagt om medenaturalisatie van A. Tijdens de behandeling van het verzoek wordt A achttien jaar. Op het moment dat de vader bij koninklijk besluit wordt genaturaliseerd, voldoet A aan de voorwaarden in [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) met uitzondering van het vereiste van minderjarigheid. Van de IND ontvangt hij een beschikking die inhoudt dat het verzoek om medenaturalisatie is afgewezen. A gaat hierna twee jaar in Groot-Brittannië wonen om te werken. Vervolgens hervestigt hij zich in Nederland en heeft daar drie jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf op het moment dat hij een verzoek om naturalisatie indient. A kan niet met succes een beroep doen op [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie is immers niet aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheid van A.
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
Uit dit artikellid volgt dat de man of vrouw die een kind heeft geadopteerd ook voor dat kind op dezelfde wijze als voor een eigen kind kan verzoeken om medeverlening2Met ‘eigen kind’ wordt hier bedoeld het kind van de moeder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, RWN en het kind van de vader als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, RWN.. De adoptie moet dan wel in overeenstemming met de regels van internationaal privaatrecht tot stand zijn gekomen en de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen moeten zijn verbroken.
Met ‘eigen kind’ wordt hier bedoeld het kind van de moeder als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) en het kind van de vader als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, RWN.
### 11-8. Toelichting ad [artikel 11, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vader of moeder mede verstaan de adoptiefouder, indien de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken.
### paragraaf 1. Optiegelden
### Paragraaf 1.1. Tarieven
### Artikel 12
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [Boek 1, titel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=2)
[Boek 10 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068): [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=22) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=25)
Geen.
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikel 36.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36); [36.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [36.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [Boek 1, titel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=2)
Bij verlening van het Nederlanderschap is het Nederlands namenrecht van toepassing. Op 1 januari 2012 is de [Wet conflictenrecht namen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580) (WCN) vervallen. Vanaf die datum is [artikel 10:18 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=18) tot en met [artikel 10:26 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=26) van toepassing. Uitgangspunt is dat de naturalisatie plaatsvindt met toepassing van de namen van de verzoeker in de basisregistratie personen (BRP). Aan deze namen moet verder zo weinig mogelijk worden gesleuteld.
### 12-alg. Toelichting algemeen
“De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door een vreemdeling brengt geen wijziging in diens geslachtsnaam en voornamen, behoudens [artikel 25, onder b, van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=25) en de [artikelen 6 lid 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [12 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12).”
Als naamsvaststelling of naamswijziging is geboden op grond van [artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12), overlegt de burgemeester met de verzoeker over de vast te stellen of te wijzigen namen van de verzoeker en van de personen voor wie medeverlening wordt verzocht, alsmede over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen worden overgebracht ([artikel 36, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Daartoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.6 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) ‘Verzoek om naamsvaststelling bij naturalisatie’ of model 2.7 HRWN ‘Verzoek om naamswijziging bij naturalisatie’.
Wijziging van de namen gedurende de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend in het kader van de inburgering en dan alleen in de situaties zoals beschreven in de toelichting op [artikel 12, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12). Bij naturalisatie wordt uitgegaan van de schrijfwijze van de namen zoals opgenomen in de BRP. Deze inschrijving is gebaseerd op een (voldoende gelegaliseerd of van apostille voorzien) document of op een door de verzoeker afgelegde verklaring onder ede (VOE). Als de verzoeker desondanks iets aan de schrijfwijze van zijn na(a)m(en) wenst te veranderen, moet hij die verandering voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek om naturalisatie via de gemeente bewerkstelligen (door het overleggen van de juiste bewijsstukken zoals een nieuwe beëdigde vertaling of nieuwe brondocumenten). Voor het herstellen van veronderstelde schrijf- of vertaalfouten in de na(a)m(en) zoals opgenomen in de BRP is geen ruimte binnen de naturalisatieprocedure.
Als zij daarom verzoeken, worden de in het verzoek begrepen minderjarige kinderen van twaalf jaar of ouder, evenals de wettelijk vertegenwoordiger of de (andere) ouder als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de naamsvaststelling of naamswijziging kenbaar te maken ([artikel 36, vierde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.9 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) ‘Brief zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 t/m 15 jaar)’ en model 2.11 HRWN ‘Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 jaar t/m 15 jaar)’ respectievelijk model 2.13 HRWN ‘Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarigen’ en model 2.15 HRWN ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)’of model 2.16 HRWN. ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamswijziging kind(eren)’
De burgemeester brengt over de naamsvaststelling of naamswijziging advies uit aan Onze Minister ([artikel 36, vijfde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)).
Als naamsvaststelling of naamswijziging is geboden op grond van [artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12), overlegt de burgemeester met de verzoeker over de vast te stellen of te wijzigen namen van de verzoeker en van de personen voor wie medeverlening wordt verzocht, alsmede over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen worden overgebracht ([artikel 36, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Daartoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.6 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) ‘Verzoek om naamsvaststelling bij naturalisatie’ of model 2.7 HRWN ‘Verzoek om naamswijziging bij naturalisatie’.
### Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
### Artikel 14
### Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
Uitgangspunt in het Nederlands namenrecht is dat een minderjarig kind de naam van één van de ouders draagt. Hieruit vloeit voort dat kinderen die delen in de naturalisatie van de ouder onder bepaalde voorwaarden ook in de naamsvaststelling of -wijziging van die ouder kunnen delen.
Een kind kan, als daar door de (hoofd)verzoeker om verzocht wordt, in de naamsvaststelling of naamswijziging van de verzoeker delen als het:
### Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
Het verzoek om naamsvaststelling of -wijziging met betrekking tot het kind moet in een dergelijk geval beoordeeld worden zoals neergelegd in de paragrafen over naamsvaststelling en -wijziging bij kinderen in de toelichting op artikel 12, eerste en tweede lid RWN.
Als uit de BRP niet blijkt of een minderjarig kind kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de verzoeker, kan dit worden aangetoond met een bewijs van gezagsvoorziening. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een buitenlandse rechterlijke voogdijbeschikking of een echtscheidingsvonnis, waarbij tevens in het gezag over de kinderen is voorzien. Het gezag kan ook van rechtswege zijn ontstaan, bijvoorbeeld door een huwelijk.
### paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen
Op grond van [artikel 1:7, derde lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=7) heeft de wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam door de Koning geen invloed op de geslachtsnaam van de kinderen van de betrokken persoon die voor de datum van het besluit meerderjarig zijn geworden of die niet onder zijn gezag staan. In aansluiting hier op kunnen meerderjarige kinderen en kinderen die niet onder het gezag van verzoeker staan niet in de naamswijziging of -vaststelling van verzoeker delen.
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
Als uit de BRP niet blijkt of een minderjarig kind kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de verzoeker, kan dit worden aangetoond met een bewijs van gezagsvoorziening. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een buitenlandse rechterlijke voogdijbeschikking of een echtscheidingsvonnis, waarbij tevens in het gezag over de kinderen is voorzien. Het gezag kan ook van rechtswege zijn ontstaan, bijvoorbeeld door een huwelijk.
### paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit
De Minister van Justitie is gemachtigd correcties aan te brengen in een koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap. De machtiging is uitsluitend verleend om kennelijke administratieve misslagen in de vermelde persoonsgegevens van de verzoeker te herstellen. De kennelijke misslag dient een gevolg te zijn van (administratieve dan wel een vertalings-) onoplettendheid. Onder een ‘kennelijke administratieve misslag’ wordt niet verstaan het geval waarin de verzoeker na de verlening van het Nederlanderschap één of meer persoonsgegevens (namen, geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland) wenst te corrigeren, omdat hij is genaturaliseerd onder onjuiste, maar wel door hem aangeleverde, persoonsgegevens. De doorlopende machtiging is verleend voor de volgende kennelijke misstellingen in naturalisatiebesluiten:
Minderjarige kinderen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben en die niet delen in de naturalisatie, delen in principe niet in de naamsvaststelling of -wijziging. Voor hen geldt immers niet het Nederlandse namenrecht, maar het namenrecht van het land van herkomst. Zij delen enkel in de naamsvaststelling of -wijziging als dat voortkomt uit het namenrecht van het land van herkomst.
### paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen
In een voorkomend geval stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeker schriftelijk in de gelegenheid om aan te geven welke geslachtsnaam hij wenst en wijst verzoeker op het feit dat het achterwege blijven van een keuze voor een naamsvaststelling leidt tot afwijzing van het naturalisatieverzoek.
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
Blijkt in de procedure dat een verzoeker met een naamsketen (namenreeks) niet wenst dat bij zijn naturalisatie een geslachtsnaam voor hem wordt vastgesteld, dan leidt dat tot een afwijzing van het naturalisatieverzoek op grond van niet-inburgering. Verzoeker voldoet alsdan niet aan de in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) gestelde voorwaarde van ‘zich ook overigens in de Nederlandse (Nederlands Antilliaanse of Arubaanse) samenleving hebben doen opnemen’.
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
Ten aanzien van verzoekers van wie de namen worden bepaald door het recht van deze landen is dus naamsvaststelling geboden, óók wanneer hun namen met onderscheid tussen voornamen en geslachtsnaam in de BRP zijn opgenomen. In dat geval moet een enkelvoudige geslachtsnaam worden vastgesteld die overeenkomt met de naam van de (voor)ouder. Draagt de verzoeker een namenreeks waarin niet een naam van een (voor)ouder voorkomt, dan moet één van zijn eigen namen worden vastgesteld als geslachtsnaam en de andere eigen naam als voornaam.
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
De verzoeker komt uit Soedan en heeft de volgende namenreeks: Mariam el Amin Mohamed Abbas. Zij is meerderjarig en dient een verzoek om naturalisatie in. Aangezien Mariam uit Soedan komt en een namenreeks heeft, moet er bij naturalisatie naamsvaststelling plaatsvinden. Uit de gegevens van de BRP blijkt dat de namenreeks van haar vader El Amin Mohamed Abbas Osman luidt. In dit geval mag Mariam willekeurig welke na(a)m(en) uit haar namenreeks als voorna(a)m(en) laten vaststellen. Als geslachtsnaam mag zij echter alleen El Amin, Mohamed of Abbas kiezen. Deze namen komen immers zowel in haar eigen namenreeks als in de namenreeks van haar vader voor.
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
Indien de naam slechts bestaat uit één bestanddeel wordt deze naam in beginsel vastgesteld als voornaam. De geslachtsnaam wordt dan vastgesteld overeenkomstig de naam van de (voor)ouder. In voorkomende gevallen kan ook een gedeelte van de naam van betrokkene worden vastgesteld als geslachtsnaam en het andere gedeelte wordt dan vastgesteld als voornaam.
### paragraaf 2.3. Belangenafweging
De verzoeker komt uit Soedan en heeft de volgende namenreeks: Mariam el Amin Mohamed Abbas. Zij is meerderjarig en dient een verzoek om naturalisatie in. Aangezien Mariam uit Soedan komt en een namenreeks heeft, moet er bij naturalisatie naamsvaststelling plaatsvinden. Uit de gegevens van de BRP blijkt dat de namenreeks van haar vader El Amin Mohamed Abbas Osman luidt. In dit geval mag Mariam willekeurig welke na(a)m(en) uit haar namenreeks als voorna(a)m(en) laten vaststellen. Als geslachtsnaam mag zij echter alleen El Amin, Mohamed of Abbas kiezen. Deze namen komen immers zowel in haar eigen namenreeks als in de namenreeks van haar vader voor.
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk als het kind:
### paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
Het Pakistaanse kind Mohammad Jafar Houssien naturaliseert mee met zijn moeder. De vader van het kind, Jafar Houssien Mahmoud, is niet met zijn vrouw en kind meegekomen naar Nederland en verblijft nog in het land van herkomst. De moeder wil echter graag dat voor haar zoon een naam uit de namenreeks van haar man als geslachtsnaam wordt vastgesteld. Voor het kind kan sowieso de naam Jafar of de naam Houssien als geslachtsnaam worden vastgesteld, aangezien deze namen ook in zijn eigen namenreeks voorkomen. De naam Mahmoud mag hij echter alleen krijgen, als is aangetoond dat Jafar Houssien Mahmoud daadwerkelijk zijn (juridische) vader is.
Een minderjarig kind van wie de naam uit één bestanddeel bestaat, deelt in beginsel in de naamsvaststelling van verzoeker. Als gewenst kan echter ook een naam van de andere ouder (of een voorouder) als geslachtsnaam van het kind worden vastgesteld, als is aangetoond dat deze andere (voor)ouder daadwerkelijk een (voor)ouder van het kind is (en dus als zodanig in de BRP is geregistreerd op grond van een geboorteakte of verklaring onder eed of belofte).
Een meerderjarig geworden kind mag soms, bij wijze van uitzondering op de in paragraaf 1 geformuleerde beleidsregel, een naam die niet in zijn eigen naam of namenreeks voorkomt als geslachtsnaam laten vaststellen bij naturalisatie. Dit mag alleen in het geval de gewenste naam afkomstig is van één van de juridische ouders van de verzoeker én als die naam reeds voor andere leden van het (kern)gezin als geslachtsnaam is vastgesteld bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Dit is dus alleen mogelijk als de andere gezinsleden eerder dan de verzoeker tot Nederlander zijn genaturaliseerd.
De Egyptische Kamal Abdel Walad naturaliseert tot Nederlander en laat daarbij voor hem en zijn twee meenaturaliserende, minderjarige kinderen de naam Walad als geslachtsnaam vaststellen. Een half jaar later dient zijn negentienjarige zoon Ashraf Kamal Abdel zelfstandig een verzoek om naturalisatie in. Hoewel de naam Walad niet voorkomt in de namenreeks van Ashraf, kan hij toch deze naam als geslachtsnaam kiezen, aangezien zijn vader en jongere zusjes reeds deze naam als geslachtsnaam hebben verkregen.
Het Pakistaanse kind Mohammad Jafar Houssien naturaliseert mee met zijn moeder. De vader van het kind, Jafar Houssien Mahmoud, is niet met zijn vrouw en kind meegekomen naar Nederland en verblijft nog in het land van herkomst. De moeder wil echter graag dat voor haar zoon een naam uit de namenreeks van haar man als geslachtsnaam wordt vastgesteld. Voor het kind kan sowieso de naam Jafar of de naam Houssien als geslachtsnaam worden vastgesteld, aangezien deze namen ook in zijn eigen namenreeks voorkomen. De naam Mahmoud mag hij echter alleen krijgen, als is aangetoond dat Jafar Houssien Mahmoud daadwerkelijk zijn (juridische) vader is.
De naam van de verzoeker wordt zonodig in de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens overgebracht en kan, indien dit voor de inburgering van belang is, met toestemming van de verzoeker bij het besluit tot verlening van het Nederlanderschap worden gewijzigd.
### Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens
Hierbij moet worden gedacht aan overbrenging van de namen vanuit bijvoorbeeld het Arabisch, Chinees of Cyrillisch schrift naar het Latijns schrift. Met betrekking tot deze overbrenging dient altijd te worden overlegd met de verzoeker ([artikel 36, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Voor de transcriptie is echter géén expliciete toestemming van de verzoeker vereist.
### 12-2. Toelichting ad [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
De naam van de verzoeker wordt zonodig in de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens overgebracht en kan, indien dit voor de inburgering van belang is, met toestemming van de verzoeker bij het besluit tot verlening van het Nederlanderschap worden gewijzigd.
### Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens
Wijziging van de geslachtsnaam enerzijds, en wijziging van de geslachtsnaam en voornamen anderzijds, zijn mogelijk in uitsluitend de volgende gevallen:
### Paragraaf 2. Naamswijziging
### Paragraaf 2. Naamswijziging
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
Wijziging van de geslachtsnaam enerzijds, en wijziging van de geslachtsnaam en voornamen anderzijds, zijn mogelijk in uitsluitend de volgende gevallen:
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
Als de verzoeker uitsluitend zijn voornaam wenst te wijzigen, kan hij zo nodig worden geattendeerd op de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank ([artikel 1:4, vierde lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=4)).
Een verzoeker heeft de Russische nationaliteit en bezit volgens zijn (Russische) geboorteakte een patronymicum. Het Russisch patronymicum is een tussennaam (‘otchestvo’ in het Russisch), gebaseerd op de eerste naam van de vader. De verzoeker staat ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) met het patronymicum ingevuld bij de categorie “voornamen”. De verzoeker verklaart dat hij zonder het patronymicum wenst te worden genaturaliseerd. Het Russisch patronymicum maakt echter geen onderdeel uit van de geslachtsnaam. Als tussennaam kan het patronymicum daarom uitsluitend in combinatie met de geslachtsnaam worden gewijzigd dan wel vervallen, en dan uitsluitend wanneer dit voor de inburgering van belang is.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### paragraaf 3.11. Bezwaar
### paragraaf 3.12. (Hoger) beroep
### paragraaf 3.13.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 3.4.2. Algemeen
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2-3. Toelichting ad artikel 2, derde lid
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### Paragraaf 8.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1.1.1. Historie
### Paragraaf 1. Geprivilegieerden
### 8-1-d. toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 1.1. Inleiding
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
### Paragraaf 2.2.2. Volledige vrijstelling van de naturalisatietoets
### Paragraaf 3.6. Molukkers
### Bijlage 5
### Paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
### Paragraaf 1.1.1. Historie
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
### Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase
### Paragraaf 2.1.2. De aanvraagfase
### Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
### Paragraaf 2.2.2. Volledige vrijstelling van de naturalisatietoets
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### 8-3. Toelichting ad [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### paragraaf 3.4. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
De verzoeker moet zelf aantonen dat hij in aanmerking komt voor ontheffing. De verzoeker kan dit aantonen met de volgende documenten:
### Paragraaf 2.3.3. Ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbaar geleverde inspanningen
Buiten de hierboven genoemde voorwaarden kan DUO in het kader van maatwerk een advies voor ontheffing afgeven op grond van [artikel 6, vierde lid, Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6), als er sprake is van een samenloop van aantoonbaar aanzienlijke inspanningen met zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden. Daarbij moeten andere mogelijkheden tot ontheffing of andere maatwerkoplossingen (zoals de AGI-ontheffingen, medische ontheffingen) zijn uitgeput.
Het rechtsbeginsel van monogamie komt onder andere tot uiting in [artikel 1:33 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=33) en [artikel 1:69 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=69). Deze artikelen bepalen respectievelijk dat een persoon slechts met één andere persoon kan zijn getrouwd en dat een polygaam huwelijk nietig kan worden verklaard. Het beginsel van monogamie komt ook tot uitdrukking in [artikel 10:28 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=28). Dit artikel verbiedt het voltrekken van een polygaam huwelijk in Nederland voor zowel Nederlanders als vreemdelingen.
### paragraaf 3.4. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
### Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
Op grond van dit artikellid geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf indien de verzoeker:
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
Voor kinderen die tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 zijn erkend of gewettigd, maar die geen gebruik kunnen maken van het optierecht in [artikel II, Staatsblad 2008, 270](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II), biedt [artikel 8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) eveneens een mogelijkheid om versneld Nederlander te worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om minderjarige kinderen die tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 op 7-jarige leeftijd of ouder zijn erkend, terwijl de erkenner niet de biologische vader is of waarbij de erkenner vanwege het kostenaspect geen DNA-onderzoek wil/kan laten uitvoeren. Ook kan gedacht worden aan kinderen die als meerderjarige zijn erkend.
Ook voor [artikel 8, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt het overgangsrecht (zie de toelichting onder [artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII).)
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
### 11-3. Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### 11-3. Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba zijn hoofdverblijf gehad heeft.
De afstandsverplichting gold tot 1 oktober 2010 niet voor de verzoekers die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd vijf jaar onafgebroken in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba zijn hoofdverblijf heeft gehad. Vanaf 1 oktober 2010 geldt voor deze groep wel de afstandsverplichting. Deze groep moet dus bij alle verzoeken die op of na 1oktober 2010 worden ingediend, de bereidheidsverklaring ondertekenen (zie overgangsbepaling [artikel II, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb. 2010, 242)).
### Paragraaf 1. Algemeen
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
Hoofdregel van dit verdrag is dat een onderdaan van een verdragsstaat die vrijwillig de nationaliteit van een andere verdragsstaat verkrijgt, daardoor van rechtswege zijn oorspronkelijke nationaliteit verliest. Aangezien dit verdrag rechtstreekse werking heeft, gaat de nationaliteit in deze gevallen ook verloren als het nationale recht van de verdragsstaat dit verlies niet regelt. Bij hoofdstuk 1 (Beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit) van dit verdrag zijn aangesloten: Nederland (voor het gehele Koninkrijk) en Oostenrijk.
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 3.4. Advies VWS
Het hierboven bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing.
Het hierboven bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing.
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
### Artikel 14
De verzoeker die met succes een beroep wil doen op deze uitzonderingsgrond zal bij de indiening van het verzoek om naturalisatie dienen aan te tonen dat hij in het bezit is gesteld van verblijfsdocument IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd) of verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd). De reden voor deze uitzondering op de afstandsverplichting is dat het onverantwoord is voor een erkende vluchteling contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden is deze categorie vreemdelingen vrijgesteld van het legalisatie-vereiste, indien betrokkene bezwaar maakt tegen dat vereiste. De verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.
### 9-4. Toelichting ad [artikel 9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
**Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van het verschuldigde recht, bedoeld in artikel 13 of na de beslissing tot algehele ontheffing van die betaling, dan wel na de ontvangst van de gevraagde aanvulling van het verzoek, noodzakelijk voor de beoordeling daarvan. De beslissing kan ten hoogste tweemaal zes maanden worden aangehouden.**
In dit artikellid wordt bepaald dat de beslistermijn van één jaar eerst begint te lopen vanaf het moment dat verzoeker aan zijn verplichtingen voor het indienen van het verzoek heeft voldaan.
Er wordt naar gestreefd dat de naturalisatiegelden gelijktijdig met het indienen van het verzoek worden voldaan. Indien de verzoeker de verschuldigde naturalisatiegelden niet voldoet op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie, bijvoorbeeld omdat hij in aanmerking wenst te komen voor een verzoek om ontheffing van de betaling heeft ingediend, dan stelt de burgemeester hem in de gelegenheid de ontbrekende documenten alsnog in te leveren binnen zes weken na de indiening van het verzoek (zie de [toelichting bij artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [artikel 13 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)).
Het onderhavige artikellid bepaalt dat de beslistermijn van een jaar eerst aanvangt nadat de naturalisatiegelden zijn voldaan dan wel nadat is beslist op een eventueel verzoek om ontheffing van betaling.
In onderhavige artikellid wordt voorts bepaald dat de beslissing ten hoogste twee maal zes maanden kan worden aangehouden. Een aanhouding geeft de IND de gelegenheid om in voorkomende gevallen – bijvoorbeeld om nader onderzoek te doen – het nemen van een beslissing op het verzoek om naturalisatie uit te stellen.
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [11.2 t/m 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [26.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
### paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
Voor een geslaagd beroep op toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) wegens ambtelijk verzuim moet aangetoond worden dat dit zwaarwegend is. Het gestelde zwaarwegend zijn van het ambtelijk verzuim wordt afgewogen tegen het belang van betrokkene om eerder dan bij de toepassing van de reguliere voorwaarden voor naturalisatie Nederlander te worden. In de hier bedoelde belangenafweging wordt in ieder geval betrokken de mate van bijzonderheid van het geval, de mate waarin verzoeker niet voldoet aan de standaardvoorwaarden en de restrictieve wijze waarop toepassing dient te worden gegeven aan artikel 10 RWN. Bij zwaarwegend ambtelijk verzuim valt te denken aan:
### paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
De verscheidenheid van de gevallen waarbij een beroep op toepassing van dit artikel wordt gedaan, is groot. Om die reden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Ieder verzoek wordt op de eigen merites bezien. Het moet evenwel altijd een bijzonder geval betreffen. Uit de jurisprudentie van (onder meer) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de adviezen van de Raad van State kan wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet dermate bijzonder zijn dat ze naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN rechtvaardigen. Niet bijzonder is bijvoorbeeld:
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
Vóór 1 april 2003 konden minderjarigen, die niet hadden gedeeld in de verlening van het Nederlanderschap aan de ouder(s), onder voorwaarden op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden voorgedragen voor naturalisatie. Voor deze minderjarigen is thans een bijzondere naturalisatieprocedure opgenomen in [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11).
De verscheidenheid van de gevallen waarbij een beroep op toepassing van dit artikel wordt gedaan, is groot. Om die reden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Ieder verzoek wordt op de eigen merites bezien. Het moet evenwel altijd een bijzonder geval betreffen. Uit de jurisprudentie van (onder meer) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de adviezen van de Raad van State kan wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet dermate bijzonder zijn dat ze naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN rechtvaardigen. Niet bijzonder is bijvoorbeeld:
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
Het voorgaande geldt niet indien het een vreemdeling betreft waarvan de IND aan de Staatssecretaris van VWS in het verzoek om advies heeft laten weten dat de Nederlandse nationale sportbond dan wel het Nederlands Olympisch Comité geen contact met vertegenwoordigers van het herkomstland dient op te nemen.
### Artikel 11
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:233](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233) en [1:253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha)
Op grond van het bepaalde in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) wordt de wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder op zijn of haar verzoek in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over de medeverlening van het kind. De reden hiervoor is dat de wetgever wil voorkomen dat de rechtspositie van het kind door de enkele wil van de naturaliserende ouder wordt gewijzigd (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
Als een ouder heeft verzocht om medeverlening voor een minderjarige, terwijl de minderjarige niet voldoet aan de geldende voorwaarden, worden de personalia van het kind niet vermeld in het Koninklijk Besluit en wordt het verzoek om medeverlening van het kind schriftelijk afgewezen. Hetzelfde geldt uiteraard voor een zelfstandig verzoek op grond van [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De afwijzende beslissing is een beschikking in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend (zie ook de [toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.11&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
### 11-3. Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen
### Paragraaf 2.3. Tarieven F en G
De verklaring moet op schrift worden gesteld en door het kind worden ondertekend.
Op grond van [artikel 2, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) moeten verklaringen van minderjarigen betreffende de nationaliteit worden afgelegd door hun wettelijk vertegenwoordiger. Deze vertegenwoordigingsplicht geldt echter niet voor minderjarigen vanaf twaalf jaar bij het naar voren brengen van een zienswijze omtrent de verlening of medeverlening van het Nederlanderschap op grond van artikel 2, vierde lid, RWN. Die vertegenwoordigingsplicht geldt evenmin voor minderjarigen vanaf zestien jaar die op grond van het onderhavige derde lid uitdrukkelijk moeten verklaren in te stemmen met de medeverlening. Het gaat er bij het geven van bedoelde zienswijze of instemmingsverklaring immers om dat de minderjarige zijn eigen mening kenbaar maakt (zie ook de toelichting bij artikel 2, derde lid, RWN).
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vader of moeder mede verstaan de adoptiefouder, indien de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken.
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c en d RWN en in paragraaf ‘5a-alg Toelichting algemeen’ bij de toelichting op artikel 5a RWN.
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel IB.A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IB)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikel 36.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36); [36.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [36.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)
### Artikel 12
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
### 12-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 1. Algemeen
Zonder expliciete naamsvaststelling of naamswijziging is het Koninklijk Besluit tot verlening van het Nederlanderschap niet bepalend voor de namen van de verzoeker. Dit vloeit voort uit [artikel 10:22, lid 2 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=22) waarvan de tekst luidt:
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
In beginsel is het niet mogelijk dat een gehuwde vrouw bij de naturalisatie haar eigen geslachtsnaam laat wijzigen in die van haar (Nederlandse) echtgenoot. Immers, naar Nederlands recht mag de geslachtsnaam van de echtgenoot officieel niet worden toegevoegd aan de naam van de vrouw, noch draagt de vrouw rechtens de naam van haar echtgenoot. Wel is het toegestaan dat de vrouw in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van haar echtgenoot voert.
Echter, in sommige landen verkrijgt de vrouw bij het aangaan van het huwelijk van rechtswege of (later) op verzoek de geslachtsnaam van haar echtgenoot. In dat geval wordt de vrouw in principe genaturaliseerd onder deze later verkregen geslachtsnaam (van haar echtgenoot), tenzij ze te kennen geeft dat zij behoefte heeft aan wijziging van haar geslachtsnaam in haar meisjesnaam. In dat geval kan zij, op grond van [artikel 12, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12), weer haar meisjesnaam als geslachtsnaam krijgen. Het is daarom van belang dat de geslachtsnaam van gehuwde vrouwen niet alleen wordt beoordeeld aan de hand van de geboorteakte maar in voorkomend geval ook aan de hand van bijvoorbeeld de huwelijksakte en/of het paspoort.
De burgemeester brengt over de naamsvaststelling of naamswijziging advies uit aan Onze Minister ([artikel 36, vijfde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)).
### Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
### 14-1. Toelichting ad [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Voor een minderjarig kind kan soms ook een andere naamsvaststelling of -wijziging plaatsvinden dan voor de verzoeker met wie het kind meenaturaliseert. Daarnaast kan het voorkomen dat enkel de naam van het kind wordt vastgesteld of gewijzigd, terwijl de naam van de (hoofd)verzoeker hetzelfde blijft. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er een (zelfstandig) verzoek tot naturalisatie voor een minderjarige is ingediend door zijn wettelijk vertegenwoordiger. Zie voor de uitwerking van de mogelijkheden voor deze situaties de paragrafen met betrekking tot kinderen in de toelichting op artikel 12, eerste en tweede lid RWN.
Voor een minderjarig kind kan soms ook een andere naamsvaststelling of -wijziging plaatsvinden dan voor de verzoeker met wie het kind meenaturaliseert. Daarnaast kan het voorkomen dat enkel de naam van het kind wordt vastgesteld of gewijzigd, terwijl de naam van de (hoofd)verzoeker hetzelfde blijft. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er een (zelfstandig) verzoek tot naturalisatie voor een minderjarige is ingediend door zijn wettelijk vertegenwoordiger. Zie voor de uitwerking van de mogelijkheden voor deze situaties de paragrafen met betrekking tot kinderen in de toelichting op artikel 12, eerste en tweede lid RWN.
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
Als sprake is van een namenreeks kan geen onderscheid worden gemaakt tussen de geslachtsnaam en de voornamen van de verzoeker. Onder andere de volgende landen kunnen een zogenaamde namenreeks kennen:
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
Met uitzondering van voorvoegsels (bijvoorbeeld Ben, El, Al, etc.) en achtervoegsels (bijvoorbeeld Zade(h)) is het niet toegestaan om een dubbele of samengestelde geslachtsnaam vast te stellen. Staat de verzoeker, na schriftelijk in de gelegenheid te zijn gesteld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om aan te geven welke enkelvoudige geslachtsnaam hij wenst, nog steeds op naturalisatie met een dubbele of samengestelde geslachtsnaam anders dan toegestaan in de voorgaande zin, dan wordt het naturalisatieverzoek om die reden afgewezen.
### Paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
Als sprake is van een namenreeks kan geen onderscheid worden gemaakt tussen de geslachtsnaam en de voornamen van de verzoeker. Onder andere de volgende landen kunnen een zogenaamde namenreeks kennen:
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
De naam van de Afghaanse Nilab bestaat uit slechts één bestanddeel. Bij naturalisatie verzoekt zij in eerste instantie om vaststelling van haar voornaam als Nilab en van haar geslachtsnaam als Hassan, omdat dit de geslachtsnaam van haar reeds genaturaliseerde echtgenoot is. Dit is echter niet mogelijk. Zij moet immers de naam van een (voor)ouder laten vaststellen als geslachtsnaam of haar huidige naam laten opdelen in twee gedeeltes. Haar vader heet Hamid. Uiteindelijk besluit Nilab daarom zijn naam als geslachtsnaam te laten vaststellen. In het maatschappelijk verkeer kan zij vervolgens alsnog de naam van haar echtgenoot voeren ([artikel 1:9 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=9)).
### paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
Indien de naam slechts bestaat uit één bestanddeel wordt deze naam in beginsel vastgesteld als voornaam. De geslachtsnaam wordt dan vastgesteld overeenkomstig de naam van de (voor)ouder. In voorkomende gevallen kan ook een gedeelte van de naam van betrokkene worden vastgesteld als geslachtsnaam en het andere gedeelte wordt dan vastgesteld als voornaam.
### Paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen
Het kan echter ook voorkomen dat de (hoofd)verzoeker niet verzoekt zijn minderjarige kind te laten delen in zijn naamsvaststelling, maar om naamsvaststelling van de naam van het kind conform de geslachtsnaam of een naam uit de namenreeks van de andere ouder, terwijl die andere ouder (al) Nederlander is of niet tegelijkertijd naturaliseert. Deze naamsvaststelling is mogelijk als de gewenste geslachtsnaam in de naam of namenreeks van het kind zelf voorkomt. Komt de gewenste naam alleen in de naam of namenreeks van de andere ouder en niet in de naam van het kind voor, dan kan deze naam als geslachtsnaam voor het minderjarige kind worden vastgesteld als is aangetoond dat deze andere ouder daadwerkelijk een (juridische) ouder van het kind is (en dus als zodanig in de BRP is geregistreerd).
### paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
### paragraaf 4.2. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
### 12-2. Toelichting ad [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
Een meerderjarig geworden kind mag soms, bij wijze van uitzondering op de in paragraaf 1 geformuleerde beleidsregel, een naam die niet in zijn eigen naam of namenreeks voorkomt als geslachtsnaam laten vaststellen bij naturalisatie. Dit mag alleen in het geval de gewenste naam afkomstig is van één van de juridische ouders van de verzoeker én als die naam reeds voor andere leden van het (kern)gezin als geslachtsnaam is vastgesteld bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Dit is dus alleen mogelijk als de andere gezinsleden eerder dan de verzoeker tot Nederlander zijn genaturaliseerd.
Verzoeker is geboren in Egypte en heeft de Egyptische nationaliteit. Zijn geboorteakte is vanuit het Arabisch schrift overgebracht in het Latijns schrift. Volgens deze vertaling, opgesteld door een beëdigd vertaler, heeft verzoeker de naamsketen ‘Sayeed Muhammad Ben Sawi’, maar in alle overige overgelegde documenten is de tweede naam gespeld als ‘Mohamed’. Verzoeker verklaart dat hij sinds jaar en dag door het leven gaat met de naam ‘Mohamed’ en dat hij onder deze naam wenst te worden genaturaliseerd. Uitgangspunt voor de transcriptie is dat de namen worden omgezet overeenkomstig de door een beëdigd vertaler opgestelde vertaling van de geboorteakte. Tenzij betrokkene vóór de indiening van zijn verzoek een andere vertaling van een beëdigd vertaler overlegt, worden zijn voornamen vastgesteld als ‘Sayeed Muhammad’ en zijn geslachtsnaam als ‘Ben Sawi’.
Wijziging van de namen in het kader van de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend wanneer verzoeker te kennen geeft daaraan behoefte te hebben én dit gelet op de inburgering van belang is. Een verzoeker kan dus niet worden verplicht tot naamswijziging. In geval van naamswijziging wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de door de betrokkenen uitgesproken voorkeur.
### Artikel 14
Een samengestelde geslachtsnaam is een naam die bestaat uit twee of meer delen. Het ene deel is normaal gesproken afkomstig van vaderskant en het andere deel is afkomstig van moederskant. Niet iedere geslachtsnaam die uit meerdere namen bestaat, is dus een samengestelde geslachtsnaam.
Analoog aan artikel 1, tweede lid Besluit geslachtsnaamwijziging geschieden de hierboven onder 4 of 5 genoemde wijzigingen bij voorkeur door omzetting (of toevoeging of weglating) van enkele letters of door toevoeging van een voor- of achtervoegsel.
### Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen
Voor wijziging van uitsluitend de voornamen bestaat in de naturalisatieprocedure geen ruimte. De voornamen kunnen slechts gelijktijdig met de geslachtsnaam worden gewijzigd en ook hier geldt: uitsluitend als dit voor de inburgering van belang is.
### paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk als het kind:
### Artikel 13
Het kan voorkomen dat de andere ouder al is genaturaliseerd en dat zijn geslachtsnaam is gewijzigd bij zijn naturalisatie. Dan kan voor het minderjarige kind bij naturalisatie, als daarom wordt verzocht, dezelfde naamswijziging plaatsvinden. Dit mag echter alleen als het kind (mede) onder het gezag van deze andere ouder staat.
Moeder Natalya Vladimirova is met haar dochter Ekaterina Grzska naar Nederland gekomen om bij haar nieuwe partner te gaan wonen. Moeder Natalya laat haar geslachtsnaam bij haar naturalisatie tot Nederlander zoals deze is. Ze verzoekt echter wél om geslachtsnaamwijziging voor haar meenaturaliserende dochter. Ze wil namelijk graag dat de geslachtsnaam van haar dochter beter uitspreekbaar wordt voor Nederlanders. De geslachtsnaam Grzska is inderdaad moeilijk uitspreekbaar voor Nederlanders en zou in dit geval bijvoorbeeld gewijzigd kunnen worden in Grazeska, of Grezska.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 9-1-b. Toelichting ad [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### Paragraaf 5.12. Gratie
### 10-alg. Toelichting algemeen
### 11-alg. Toelichting algemeen
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
### 9-3. Toelichting ad [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### 9-3. Toelichting ad [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
### 9-3. Toelichting ad [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### paragraaf 3.1. Advisering
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
### 11-alg. Toelichting algemeen
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
In [artikel 31 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) en artikel 34 BVVN wordt aangegeven welke gegevens een verzoeker bij het indienen van het verzoek dient te verstrekken. Deze gegevens zijn noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek om naturalisatie. De burgemeester onderzoekt of de verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie (zie [artikel 36 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Indien de verzoeker niet alle gevraagde documenten overlegt op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie, stelt de burgemeester de verzoeker in de gelegenheid om de ontbrekende stukken alsnog in te leveren binnen zes weken na de indiening van het verzoek. De burgemeester deelt dit aan de verzoeker mee op het moment van de indiening van het verzoek. Eerst nadat alle voor de beoordeling van het verzoek noodzakelijke stukken door de burgemeester zijn ontvangen, vangt de beslistermijn van een jaar aan.
Uit de stukken die door de burgemeester aan de IND worden gestuurd, moet blijken op welk tijdstip de naturalisatiegelden zijn betaald, op welk tijdstip eventueel ontheffing van betaling is verleend dan wel op welk tijdstip de (aanvullende) stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, door de verzoeker zijn overgelegd. Indien uit het advies van de burgemeester niet of niet duidelijk blijkt dat verzoeker om aanvulling van de stukken is verzocht, stelt de IND de verzoeker alsnog een redelijke termijn om de ontbrekende stukken te overleggen. In deze situatie vangt de beslistermijn van een jaar aan op het moment dat de aanvullende stukken door de IND zijn ontvangen, zie ook de [toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.7.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.7&paragraaf=3.7.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Wanneer de IND niet binnen een jaar beslist op het naturalisatieverzoek en die beslissing ook niet – met medeweten van verzoeker – is aangehouden, dan kan de verzoeker na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn de IND in gebreke stellen wegens het niet tijdig nemen van een besluit ([artikel 4:17 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:17)). Indien twee weken zijn verstreken na de dag waarop de verzoeker de IND in gebreke heeft gesteld en er is nog geen besluit genomen, dan gaat van rechtswege de automatische dwangsom lopen ([artikel 4:17 t/m artikel 4:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:17)). De dwangsom loopt tot aan de dag waarop de IND verzoeker informeert over de ondertekening van het koninklijk besluit (KB) of tot aan de dag waarop de IND verzoeker een afwijzend besluit toestuurt.5Zie uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 1 april 2021 (LEE 20/2884) (niet gepubliceerd). Voorts kan de verzoeker gelijktijdig beroep instellen bij de rechter wegens het niet tijdig nemen van een besluit ([artikel 6:12 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:12)).
De beslistermijn van een naturalisatieverzoek eindigt in het geval van een positieve beslissing op het moment dat de verzoeker de bekendmaking in ontvangst heeft genomen (in beginsel) op een naturalisatieceremonie. Als de IND niet binnen de wettelijke beslistermijn op het naturalisatieverzoek kan beslissen of er kan binnen deze termijn geen ceremonie worden gehouden, dan zal de IND een in [artikel 4:15 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15) genoemde opschortingsgrond toepassen om de beslistermijn op te schorten.
Ad a: het moet hier gaan om een buitenlandse instantie. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is geen buitenlandse instantie. Als aan de Minister van Buitenlandse Zaken wordt verzocht om bijvoorbeeld een ambtsbericht, is deze opschorting niet van toepassing. Deze opschortingsgrond is wel van toepassing als de IND informatie opvraagt aan de autoriteiten van een ander land (bijvoorbeeld verificatie van een brondocument).
Als overmacht wordt in ieder geval niet aangemerkt:
### Paragraaf 1. Algemeen
### 10-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
### Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens
### Paragraaf 2. Naamswijziging
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
Ten behoeve van de beeldvorming, met betrekking tot de vraag wanneer er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan onderhavig artikel kan worden toegepast, volgt onderstaand een aantal praktijkvoorbeelden. Bij een aantal voorbeelden is aangegeven op welke wijze met vergelijkbare gevallen kan worden omgegaan.
### Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen
### paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
Een bijzonder geval kan zich voordoen als blijkt dat de verlening van het Nederlanderschap in zodanige mate een Nederlands cultureel belang dient, dat afwijking van één of meer reguliere voorwaarden wordt gerechtvaardigd. Onder een Nederlands cultureel belang wordt tevens verstaan een Nederlands belang op sportief gebied.
### paragraaf 3. Topsporters
Een bijzonder geval kan zich voordoen als blijkt dat de verlening van het Nederlanderschap in zodanige mate een Nederlands cultureel belang dient, dat afwijking van één of meer reguliere voorwaarden wordt gerechtvaardigd. Onder een Nederlands cultureel belang wordt tevens verstaan een Nederlands belang op sportief gebied.
Bij circulaire d.d. 9 april 1999, kenmerk S/BOA-99440 heeft de Staatssecretaris van VWS richtlijnen opgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of wordt voldaan aan het vereiste van een aanwezig Nederlands belang op sportief gebied. De circulaire stelt de eis dat de betrokkene bij de desbetreffende Nederlandse landelijke sportorganisatie op het niveau van de nationale top presteert. Dit betekent volgens de circulaire:
### paragraaf 3.4. Advies VWS
### paragraaf 3.4. Advies VWS
### Artikel 11
### paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### Paragraaf 5.1. Misdrijven
### 11-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
Een kind jonger dan twaalf jaar wordt op grond van artikel 2, vierde lid, RWN niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze over de medeverlening naar voren te brengen. Een kind van twaalf tot zestien jaar kan, als daar om wordt verzocht, een zienswijze hierover naar voren brengen. Een kind dat ten tijde van de indiening van het verzoek om (mede)naturalisatie zestien jaar of ouder is, is in beginsel verplicht om in persoon te verklaren in te stemmen met de medeverlening ([artikel 31, derde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) in samenhang met [artikel 3 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) (zie hierover ook de uitgebreide toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
Voor minderjarige kinderen en jongvolwassenen die met toepassing van het onderhavige artikel worden (mede)genaturaliseerd geldt niet het inburgeringsvereiste. De naturalisatietoets hoeft dan ook niet te worden afgelegd. Zij hoeven evenmin afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit.
### 11-3. Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
**Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt wordt ingewilligd indien het kind in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf en, sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft. Het Nederlanderschap wordt slechts verleend, indien het kind daarmee uitdrukkelijk instemt, hij bereid is bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en op hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.**
Anders dan bij een kind jonger dan zestien jaar (dat nog leerplichtig is en om die reden sneller ingeburgerd zal geraken), is in dit artikellid bepaald dat het kind dat ten tijde van het verzoek zestien jaar of ouder is in aanmerking kan komen voor medeverlening als hij ‘een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf’ in het Koninkrijk heeft. Ook bij medeverlening is hierbij de achterliggende gedachte dat in het kader van het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit een persoon pas rechten behoort op te kunnen bouwen, nadat de overheid heeft ingestemd met zijn bestendig verblijf in het Koninkrijk. Op grond van dit artikellid moet het kind derhalve gedurende een ononderbroken periode van drie jaren vóór de indiening van het verzoek zijn toegelaten zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) én moet hij drie jaren voor de indiening van het verzoek hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN. Deze periode van toelating kan blijken uit het verblijfsdocument van het kind met bijgevoegd een afschrift uit de BRP dan wel een bericht omtrent toelating (zie artikel 3 BOT en de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN).
### Paragraaf 2.1.2.2. [Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
Minderjarige kinderen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben en die niet delen in de naturalisatie, delen in principe niet in de naamsvaststelling of -wijziging. Voor hen geldt immers niet het Nederlandse namenrecht, maar het namenrecht van het land van herkomst. Zij delen enkel in de naamsvaststelling of -wijziging als dat voortkomt uit het namenrecht van het land van herkomst.
Blijkt in de procedure dat een verzoeker met een naamsketen (namenreeks) niet wenst dat bij zijn naturalisatie een geslachtsnaam voor hem wordt vastgesteld, dan leidt dat tot een afwijzing van het naturalisatieverzoek op grond van niet-inburgering. Verzoeker voldoet alsdan niet aan de in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) gestelde voorwaarde van ‘zich ook overigens in de Nederlandse (Nederlands Antilliaanse of Arubaanse) samenleving hebben doen opnemen’.
De Minister van Justitie is gemachtigd correcties aan te brengen in een koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap. De machtiging is uitsluitend verleend om kennelijke administratieve misslagen in de vermelde persoonsgegevens van de verzoeker te herstellen. De kennelijke misslag dient een gevolg te zijn van (administratieve dan wel een vertalings-) onoplettendheid. Onder een ‘kennelijke administratieve misslag’ wordt niet verstaan het geval waarin de verzoeker na de verlening van het Nederlanderschap één of meer persoonsgegevens (namen, geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland) wenst te corrigeren, omdat hij is genaturaliseerd onder onjuiste, maar wel door hem aangeleverde, persoonsgegevens. De doorlopende machtiging is verleend voor de volgende kennelijke misstellingen in naturalisatiebesluiten:
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
Met name in Oost-Europese landen wordt soms bij namen van vrouwen als achtervoegsel een -a aan de geslachtsnaam toegevoegd. Deze verbuiging naar een vrouwelijke vorm kan bij de naturalisatie tot Nederlander ongedaan worden gemaakt als betrokkene daar om verzoekt. Het omgekeerde, een (vrouwelijke) verbuiging toevoegen, is echter niet mogelijk, omdat het Nederlands namenrecht niet de mogelijkheid geeft om namen te verbuigen.
Voor wijziging van uitsluitend de voornamen bestaat in de naturalisatieprocedure geen ruimte. De voornamen kunnen slechts gelijktijdig met de geslachtsnaam worden gewijzigd en ook hier geldt: uitsluitend als dit voor de inburgering van belang is.
Daarnaast mag de geslachtsnaam van alleen het kind in het kader van de inburgering soms ook gewijzigd worden, terwijl de geslachtsnaam van verzoeker ongewijzigd blijft. Dit is mogelijk als zich één van de situaties voor doet die hierboven in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) Naamswijziging, beschreven zijn onder 3 (verbogen geslachtsnaam), 4 (onuitspreekbare naam) en 5 (bespottelijke of onwelvoeglijke naam). Aangezien er aan de namen zoals opgenomen in de BRP zo min mogelijk wordt gesleuteld bij de naturalisatie, vindt de wijziging in beginsel plaats door het verwijderen of toevoegen van één of enkele letters.
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk als het kind:
### paragraaf 2. Algemeen
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### Artikel 13
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
TOS: artikel 7.2
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
### paragraaf 1. Optiegelden
De te betalen bedragen voor het afleggen van een optieverklaring en voor het indienen van een verzoek om naturalisatie zijn vastgelegd in het [Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782) (BON).
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
**Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regelen gesteld betreffende het recht dat verschuldigd is voor het afleggen en de behandeling van de verklaring van optie en van het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap, de gevallen en de mate waarin daarvan ontheffing kan worden verleend en de wijze waarop het moet worden voldaan.**
**Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regelen gesteld betreffende het recht dat verschuldigd is voor het afleggen en de behandeling van de verklaring van optie en van het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap, de gevallen en de mate waarin daarvan ontheffing kan worden verleend en de wijze waarop het moet worden voldaan.**
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -8074,129 +9816,757 @@
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
### 3. Onderteken dit formulier
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.1. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten op grond van [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
### Paragraaf 3.4.3. Vreemdelingen die verblijfsrecht aan [Richtlijn 2004/38/EG](32004L0038) ontlenen, aan het VWEU of aan [Verordening 492/2011](32011R0492)
### Paragraaf 3.6. Molukkers
### Paragraaf 3.4. Vreemdelingen die verblijfsrecht aan het Unierecht ontlenen of die verblijfsrecht ontlenen aan het Terugtrekkingsakkoord tussen VK en EU
### Paragraaf 2.1. Inleiding
### Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase
### Paragraaf 3.4.4. Britten met verblijfsrecht onder het Terugtrekkingsakkoord
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### Bijlage 5
### Paragraaf 2. Procedure
### Paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
### 1. Algemeen
### Paragraaf 3.2. Polygamie
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
DUO beoordeelt de aanvraag en stelt een advies op. Aan de beoordeling van de ontheffingsgrond bij DUO (het advies) zijn geen kosten verbonden.
### Paragraaf 3.3. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
### paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### Paragraaf 1.1.2. Het inburgeringsexamen
### paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
### 9-3-c. Toelichting ad [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
### paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen
Ad d: van overmacht zal niet vaak sprake zijn. Het gaat in ieder geval om een onmogelijkheid om te beslissen die wordt veroorzaakt door abnormale en onvoorziene omstandigheden die buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen: bij bijvoorbeeld brand, overstromingen of in geval van oorlog.
De Kroon verleent het Nederlanderschap met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) nadat de Raad van State van het Koninkrijk is gehoord. Uit de wettekst volgt dat het raadplegen van de Raad van State slechts noodzakelijk is bij verlening van het Nederlanderschap met toepassing van artikel 10 RWN. Bij beslissingen tot afwijzing of aanhouding is [artikel 9, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) van toepassing.
De Kroon verleent het Nederlanderschap met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) nadat de Raad van State van het Koninkrijk is gehoord. Uit de wettekst volgt dat het raadplegen van de Raad van State slechts noodzakelijk is bij verlening van het Nederlanderschap met toepassing van artikel 10 RWN. Bij beslissingen tot afwijzing of aanhouding is [artikel 9, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) van toepassing.
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
### 12-2. Toelichting ad [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### paragraaf 3.5. Beslissing
### Artikel 11
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
### 12-alg. Toelichting algemeen
Een minderjarig kind kan niet delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van:
### paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit
### Paragraaf 2. Naamswijziging
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [11.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
[BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782): [artikelen 1 t/m 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=1)
TOI: artikel 10
### Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
Geen.
**Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regelen gesteld betreffende het recht dat verschuldigd is voor het afleggen en de behandeling van de verklaring van optie en van het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap, de gevallen en de mate waarin daarvan ontheffing kan worden verleend en de wijze waarop het moet worden voldaan.**
### Paragraaf 1.1. Tarieven
Met het oog op de jaarlijkse indexering van de optie- en naturalisatiegelden (zie [artikel 9, eerste lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9)) wordt verwezen naar de in onderstaande tabel vermelde tariefgroepen en de daarbij behorende tariefcodes en bedragen.
### paragraaf 1. Optiegelden
### Paragraaf 1.1. Tarieven
### Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
Tarief B is verschuldigd als twee optieverklaringen gelijktijdig worden afgelegd door twee personen die:
### paragraaf 1. Optiegelden
Tarief C is verschuldigd voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging als bedoeld in [artikel 6, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Dit betekent dat voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging voor een minderjarige, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen bij het afleggen van hun optieverklaring (tarief A of B), het tarief C moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een optieverklaring tot medeverkrijging wordt afgelegd.
Zie voor de betalingsprocedure verder [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=3&z=2024-05-09&g=2024-05-09) (betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden).
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### 11-8. Toelichting ad [artikel 11, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
### Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
Er zijn geen eenduidige criteria op grond waarvan met grote stelligheid kan worden voorspeld of een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) zal worden gehonoreerd. Dit is aan Onze Minister ter beoordeling en mede afhankelijk van het advies van de Raad van State. In zijn algemeenheid geldt dat naarmate het staatsbelang groter is en naarmate minder afwijkingsgronden worden aangevoerd, de drempel om artikel 10 RWN toe te passen gemakkelijker is te nemen. Zo zal iemand die nog maar een half jaar in Nederland is, nog nauwelijks Nederlands spreekt en met wiens naturalisatie wel belangen, maar geen uitzonderlijke, zijn gemoeid, minder snel langs deze weg worden genaturaliseerd dan iemand die hier al drie jaar is, in zijn functie of beroep volop participeert in de Nederlandse samenleving, redelijk Nederlands spreekt, hier wil blijven wonen en ten aanzien van wie het van groot belang is dat hij de Nederlandse nationaliteit krijgt. Bovendien kan het oordeel afhangen van de voorwaarde waarvan in het concrete geval wordt gevraagd af te wijken. Een beroep op artikel 10 RWN zal niet worden gehonoreerd als de verzoeker binnen afzienbare tijd voldoet aan de reguliere wettelijke voorwaarden.
### paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
### paragraaf 3.5. Beslissing
### Paragraaf 2.3. Tarieven F en G
### 11-alg. Toelichting algemeen
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen
### paragraaf 1. Optiegelden
### paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
Tarief B is verschuldigd als twee optieverklaringen gelijktijdig worden afgelegd door twee personen die:
Optanten die op grond van de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) als Nederlander worden behandeld zijn op grond van [artikel 4, eerste lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4) vrijgesteld van leges.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
### Paragraaf 5.4. Voeging
De periode dat de vreemdeling op basis van een geprivilegieerde status in Nederland heeft verbleven, en derhalve ingeschreven heeft gestaan in het daarvoor bestemde register bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, geldt in het kader van een naturalisatieverzoek als toelating in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738), mits deze periode onmiddellijk voorafging aan de toelating in het kader van de Vreemdelingenwet. Deze (onafgebroken) periode mag derhalve worden meegeteld voor de vereiste termijn van drie jaren toelating in het kader van naturalisatie.
De bedragen voor het tegenwerpen van een vermogenssanctie zijn met ingang van 1 juli 2015 verhoogd. De verhoogde bedragen gelden voor naturalisatieverzoeken en optieverklaringen die op of na 1 juli 2015 zijn ingediend. Als het naturalisatieverzoek of de optieverklaring voor 1 juli 2015 is ingediend en op of na die datum nog niet onherroepelijk op het naturalisatieverzoek of optieverklaring is beslist, is het nieuwe beleid eveneens van toepassing.
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
Hoewel dit niet expliciet in de tekst van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) is opgenomen, blijkt uit de parlementaire behandeling van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735) dat ook van de verkorte termijnen genoemd in [artikel 8, derde, vierde en vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), kan worden afgeweken.
Met het woord ‘termijn’ wordt gedoeld op de zinsnede ‘de onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf’. Met het opnemen van het woord ‘termijn’ is allereerst beoogd om te benadrukken dat van de andere toepasselijke voorwaarden in [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) niet kan worden afgeweken. Zo zal bij een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) bijvoorbeeld niet kunnen worden afgeweken van het vereiste in artikel 11, tweede lid, RWN (kind beneden de zestien jaar), derde lid (kind dat leeftijd van zestien jaar heeft bereikt), vierde lid (kind dat niet heeft gedeeld) en vijfde lid (meerderjarig geworden kind) dat het ‘sedert het tijdstip van het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft’.
### 11-3. Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit
### Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens
### Paragraaf 4.2.1. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
### Artikel 13
### Paragraaf 4.2.2. Vreemdelingrechtelijke gevolgen van intrekking van het Nederlanderschap
### Artikel 13
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
Tarief A is verschuldigd als een optant een optieverklaring aflegt op grond van [artikel 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) of [artikel II, eerste lid, van de Rijkswet van 27 juni 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) (Stb. 270).
De regeling voor de optiegelden bevat, anders dan bij de naturalisatiegelden het geval is, geen verlaagd tarief voor een houder van een asielvergunning dan wel een staatloze.
### Paragraaf 1.1. Tarieven
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
### paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
Op grond van [artikel 4, derde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4) bestaat de mogelijkheid in twee situaties ontheffing van de leges te verlenen. Hierbij moet het gaan om optieverklaringen van:
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
[Artikel 7, tweede lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=7) voorziet in de mogelijkheid dat de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post aan de rijksoverheid vergoeding verzoekt wegens, door ontheffing, niet-ontvangen optiegelden. Het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post moet een verzoek om vergoeding indienen door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken.
Op grond van [artikel 4, derde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4) bestaat de mogelijkheid in twee situaties ontheffing van de leges te verlenen. Hierbij moet het gaan om optieverklaringen van:
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
Bovendien geldt ingeval van een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) dat verzoeker zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels. Dit betekent dat een op artikel 10 RWN gebaseerd naturalisatieverzoek geen basis kan bieden voor de toepassing van andere (soepelere) dan de algemeen geldende regels voor het aantonen van identiteit en nationaliteit (zie de toelichting op artikel 7, [par. 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.5&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en 3.5.6).
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
### 11-8. Toelichting ad [artikel 11, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### Artikel 12
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
### paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
Om in aanmerking te komen voor ontheffing moet gelijktijdig met de indiening van de optieverklaring een gemotiveerd ontheffingsverzoek worden ingediend. In Nederland is de burgemeester gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van de optiegelden (zie [artikel 4, vijfde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)). In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.27 en 1.27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.28 en 1.28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) beschikbaar.
Niet vaak zal (nog) voorkomen dat een optierecht op het Nederlanderschap bestaat op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Indonesië (TOI, Stb. 1949, J 570) of de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS, Stb. 1975, 132). Voor deze opties (artikel 10 TOI en artikel 7, tweede lid, TOS) geldt, dat voor de verkrijging van het Nederlanderschap niet een bevestiging nodig is, noch dat leges moeten worden betaald. De optant verkrijgt het Nederlanderschap op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Op deze opties zijn het [BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782) en het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) niet van toepassing.
Om in aanmerking te komen voor ontheffing moet gelijktijdig met de indiening van de optieverklaring een gemotiveerd ontheffingsverzoek worden ingediend. In Nederland is de burgemeester gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van de optiegelden (zie [artikel 4, vijfde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)). In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.27 en 1.27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.28 en 1.28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) beschikbaar.
[Artikel 7, tweede lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=7) voorziet in de mogelijkheid dat de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post aan de rijksoverheid vergoeding verzoekt wegens, door ontheffing, niet-ontvangen optiegelden. Het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post moet een verzoek om vergoeding indienen door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken.
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
Zie voor gevallen van categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden [paragraaf 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.5&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en voor de mogelijkheid een ontheffingsverzoek van de betalingsverplichting in te dienen [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Voor E zal moeten worden nagegaan of hij door de intrekking van het Nederlanderschap van B het Nederlanderschap destijds op een andere rechtsgrond dan via B heeft verkregen, nu B geacht moet worden dit voor de periode na 1 april 2003 nooit verkregen te hebben. Bezien moet dus worden of E op andere gronden het Nederlanderschap mogelijk heeft verkregen.
Komen verzoekers niet in aanmerking voor het verlaagd tarief F of G (zie [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09)), dan zijn de tarieven D en E verschuldigd voor de behandeling van een enkelvoudig dan wel een gemeenschappelijk verzoek om naturalisatie.
Een gemeenschappelijk verzoek wil zeggen dat een verzoek om naturalisatie gelijktijdig is ingediend door twee personen die met elkaar getrouwd zijn, een geregistreerd partnerschap met elkaar zijn aangegaan of ongehuwd samenleven in een duurzame relatie.
Zie voor gevallen van categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden [paragraaf 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.5&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en voor de mogelijkheid een ontheffingsverzoek van de betalingsverplichting in te dienen [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Het verlaagd tarief voor een verzoek om naturalisatie geldt in de volgende gevallen:
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
### Paragraaf 2.4. Tarief H
### Paragraaf 2.3. Tarieven F en G
Het verlaagd tarief voor een verzoek om naturalisatie geldt in de volgende gevallen:
Personen die op grond van de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) als Nederlander worden behandeld, zijn vrijgesteld van naturalisatieleges.
### Paragraaf 2.4. Tarief H
Voor de behandeling van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), is het tarief onder H verschuldigd. Dit betekent dat voor de behandeling van een verzoek voor een minderjarige om met zijn ouder(s) mee te naturaliseren, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen voor hun naturalisatie (tarief D, E, F of G ), het tarief H moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een verzoek tot medeverlening wordt ingediend.
Onze Minister kan aan de volgende personen ontheffing verlenen van betaling van de naturalisatiegelden:
### Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen
Hieronder wordt toegelicht onder welke omstandigheden aan bovengenoemde categorieën van personen ontheffing wordt verleend.
### Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is in Nederland gemandateerd aan de burgemeester. In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 2.24 en 2.24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 2.25 en 2.25a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) beschikbaar.
### Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
De optie- en naturalisatiegelden zijn verschuldigd voordat een verklaring van optie of verzoek tot verlening van het Nederlanderschap in behandeling wordt genomen. De betaling wordt in Nederland voldaan bij de autoriteit die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, namelijk de burgemeester. In het buitenland is dat de Minister van Buitenlandse Zaken.
Eerst na ontvangst van de betaling dan wel na de beslissing op een ontheffingsverzoek wordt het ingediende verzoek om naturalisatie dan wel de afgelegde optieverklaring in behandeling genomen. Ongeacht het verdere verloop van de naturalisatieprocedure – toewijzing, afwijzing of intrekking van het verzoek nadat de behandeling is begonnen – zijn de rechten verschuldigd betaald (vergelijk [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=2) en [3 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=3)).
### Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
Modellen van een schriftelijke bevestiging door betrokkene dat hij is geïnformeerd over de hoogte en de termijn van de te betalen optie- en naturalisatiegelden en dat hij instemt met de betaling van de opgelegde optie- en naturalisatiegelden dan wel is vrijgesteld van de betaling dan wel een verzoek om ontheffing heeft ingediend, zijn opgenomen als model 1.25 HRWN, model 1.25a HRWN, model 2.8 HRWN en model 2.8a HRWN. De vaststelling van de hoogte van de te betalen naturalisatiegelden is een voorbereidingshandeling zoals bedoeld in [artikel 6:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:3) en is niet afzonderlijk vatbaar voor bezwaar of beroep.
### Paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b
Is verzocht om ontheffing van optie- of naturalisatiegelden, dan wordt de termijn van zes weken opgeschort tot de dag waarop op het ontheffingsverzoek (negatief) is beslist. Tegen de beslissing tot buitenbehandelingstelling van een optieverklaring of een verzoek om naturalisatie kan op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) binnen zes weken bezwaar worden aangetekend.
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
Als het gaat om een optie/naturalisatie dat is afgelegd/ingediend bij de Minister van Buitenlandse Zaken, dan moet het bezwaarschrift worden toegestuurd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Directie Regulier Verblijf en Nederlanderschap, Postbus 4, 9560 AA TER APEL.
### Paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
Is verzocht om ontheffing van optie- of naturalisatiegelden, dan wordt de termijn van zes weken opgeschort tot de dag waarop op het ontheffingsverzoek (negatief) is beslist. Tegen de beslissing tot buitenbehandelingstelling van een optieverklaring of een verzoek om naturalisatie kan op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) binnen zes weken bezwaar worden aangetekend.
### paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
[Artikel 8 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8) bepaalt dat een gedeelte van de ontvangen naturalisatiegelden moet worden afgedragen aan de Rijksoverheid. Gemeenten in Europees Nederland dragen rechtstreeks af aan Onze Minister.
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
De afdracht van naturalisatiegelden alsmede het indienen van verzoeken tot vergoeding van leges waarvoor ontheffing is verleend door het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post in het buitenland geschiedt via de Minister van Buitenlandse Zaken aan Onze Minister.
### Paragraaf 2.1.3. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c
Bij een gemeenschappelijk verzoek of een gelijktijdig verzoek om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin behoudt de gemeente € 370 eveneens ongeacht of het standaard of het verlaagde tarief is betaald. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen wordt afgedragen aan Onze Minister (€ 935 bij het standaard tarief en € 674 bij het verlaagd tarief). In het geval van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post € 24 per kind. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen (€ 127) wordt afgedragen aan Onze Minister. Als de verzoeker tijdens de naturalisatieprocedure verhuist, behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post die de leges geïnd heeft het gemeentelijk/consulair deel van de leges en draagt zorg voor de afdracht van het resterende bedrag.
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
Mocht er sprake zijn van een ontheffing van de naturalisatiegelden ([artikel 8, tweede lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8)) zal de vergoeding aan de afdrachtplichtige instantie worden meegenomen in de factuur met betrekking tot de afdracht van de leges. Als het verzoek door de IND wordt gehonoreerd, ontvangt de afdrachtplichtige instantie een bedrag van € 217 voor een enkelvoudig verzoek en € 370 voor een gemeenschappelijk verzoek.
Vanaf 1 januari 2024 gelden voor ontheffing van de naturalisatiegelden de volgende bedragen en codes:
Bij een gemeenschappelijk verzoek of een gelijktijdig verzoek om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin behoudt de gemeente € 370 eveneens ongeacht of het standaard of het verlaagde tarief is betaald. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen wordt afgedragen aan Onze Minister (€ 935 bij het standaard tarief en € 674 bij het verlaagd tarief). In het geval van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post € 24 per kind. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen (€ 127) wordt afgedragen aan Onze Minister. Als de verzoeker tijdens de naturalisatieprocedure verhuist, behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post die de leges geïnd heeft het gemeentelijk/consulair deel van de leges en draagt zorg voor de afdracht van het resterende bedrag.
Vanaf 1 januari 2024 gelden de volgende afdrachtbedragen en afdrachtcodes:
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): artikelen II en III; [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): artikelen 65 t/m 70
[Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448): artikel 1
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
[WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580): artikelen 1 en 4.1
### paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid bij fraude beperkt tot 12 jaar na uitvaardigen koninklijk Besluit
Zie voor het overgangsrecht toelichting bij artikel 14, zesde lid, RWN, paragraaf 2 en de toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN paragraaf 1.1.
### 14-1. Toelichting ad [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
[WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580): artikelen 1 en 4.1
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
### 14-1. Toelichting ad [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 14-1. Toelichting ad [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
N.B. In geval van fraude gepleegd bij het uitbrengen van een optieverklaring vóór de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vóór 1 april 2003, is intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk. Een optie die werd uitgebracht vóór de herziening van de RWN was een eenzijdige rechtshandeling. Indien achteraf wordt geconstateerd dat bij het uitbrengen van de optie niet aan alle wettelijke voorwaarden werd voldaan, moet worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden, waardoor de betrokkene geacht moet worden nimmer het Nederlanderschap door die optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is in dat geval dus niet aan de orde.
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
Tot 1 april 2015 werd de terugwerkende kracht van de intrekking beperkt door [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II). Op grond van dit artikel werkte intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Hierdoor had het intrekkingsbesluit geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór de inwerkingtreding van de Rijkswetten van 21 december 2000 en 18 april 2002 tot wijziging van de RWN. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap werd betrokkene geacht wél in het bezit te zijn geweest van de Nederlandse nationaliteit, maar vanaf het moment van inwerkingtreding van de wijzigingswetten van 2000 en 2002 niet meer in het bezit te zijn geweest van de Nederlandse nationaliteit.
De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optieof naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden “valse verklaring of bedrog” aansluiting gezocht bij [titel XII WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIII) (valsheid in geschriften) en bij [artikel 3:44 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=44) (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 9-3. Toelichting ad [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
Tarief C is verschuldigd voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging als bedoeld in [artikel 6, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Dit betekent dat voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging voor een minderjarige, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen bij het afleggen van hun optieverklaring (tarief A of B), het tarief C moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een optieverklaring tot medeverkrijging wordt afgelegd.
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
### paragraaf 2. Naturalisatiegelden
### Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
Een gemeenschappelijk verzoek wil zeggen dat een verzoek om naturalisatie gelijktijdig is ingediend door twee personen die met elkaar getrouwd zijn, een geregistreerd partnerschap met elkaar zijn aangegaan of ongehuwd samenleven in een duurzame relatie.
Voor de behandeling van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), is het tarief onder H verschuldigd. Dit betekent dat voor de behandeling van een verzoek voor een minderjarige om met zijn ouder(s) mee te naturaliseren, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen voor hun naturalisatie (tarief D, E, F of G ), het tarief H moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een verzoek tot medeverlening wordt ingediend.
Het uitgangspunt van de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) van 9 september 1976 (Stb. 468) brengt mee dat Molukkers, die op grond van genoemde wet als Nederlander worden behandeld, zijn vrijgesteld van het betalen van naturalisatiegelden. Op het adviesblad moet worden aangeven dat het gaat om een verzoek van een Molukker die op grond van genoemde wet wordt behandeld als Nederlander.
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
### Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
**Voorbeeld**
Stelt de burgemeester/de Minister van Buitenlandse Zaken een verzoek om naturalisatie buiten behandeling, dan brengt hij geen advies uit aan Onze Minister. Zowel als de verzoeker bezwaar aantekent tegen de buitenbehandelingstelling, als wanneer de verzoeker dat niet doet, stuurt de burgemeester/de Minister van Buitenlandse Zaken altijd het naturalisatiedossier aan de IND.
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
De in het kader van het afleggen van een optieverklaring ontvangen gelden behoeven niet te worden afgedragen. De behandeling van en de beslissing op de optieverklaring liggen immers geheel in handen van de ontvangende instantie.
### paragraaf 4.1. Voornemenprocedure
Tevens regelt [artikel 8 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8) de hoogte van het bedrag dat de gemeente behoudt en op welke wijze de afdracht aan de IND geschiedt. Bij de afdracht stuurt de gemeente aan de IND tevens een lijst met de namen van personen die een verzoek om naturalisatie hebben ingediend. Over de wijze van afdracht van de ontvangen naturalisatiegelden door de gemeente aan de IND worden gemeenten nader geïnformeerd met een brief van de Directie Bedrijfsvoering van de IND.
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
De gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post behoudt per enkelvoudig verzoek om naturalisatie € 217, ongeacht of betrokkene het standaard of het verlaagde tarief betaalt. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen, wordt afgedragen aan Onze Minister (€ 806 bij standaard tarief en € 543 bij verlaagd tarief).
### Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
Vanaf 1 januari 2024 gelden de volgende afdrachtbedragen en afdrachtcodes:
### Artikel 14
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): artikel 83 (Eerste Boek), titels I tot en met IV, artikel 205 en titel XII (Tweede Boek), artikel 134a (Tweede Boek)
BW: artikelen 1:202.1 en 3:44
Vóór de herziening van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) was het niet mogelijk om in geval van fraude over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Echter, sinds de inwerkingtreding van de herziene [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738), dus vanaf 1 april 2003, kan Onze Minister in geval van fraude overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap.
Ingevolge [artikel II, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) heeft een persoon van wie het Nederlanderschap is ingetrokken geen aanspraak op de rechten die de RWN in het algemeen verbindt aan de status van oud-Nederlander. Hij kan dan ook geen optie uitbrengen op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en ook niet in aanmerking komen voor een versnelde naturalisatie als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), eerste zinsdeel (‘verzoeker die te eniger tijd het Nederlanderschap (...) heeft bezeten’).
### paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid bij fraude beperkt tot 12 jaar na uitvaardigen koninklijk Besluit
A heeft in 1997 ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) geopteerd voor het Nederlanderschap. Eerst in 2021 komt aan het licht dat bij de optie niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat A bij het afleggen van de optieverklaring heeft gefraudeerd. Zou dat destijds bekend zijn geweest, dan zou de administratie aan de optieverklaring geen rechtsgevolg hebben toegekend. In het hier geschetste geval is geen sprake van intrekking van verkregen Nederlanderschap. De optieverklaring is afgelegd vóór 1 april 2003 en toentertijd werd het Nederlanderschap niet verkregen door een schriftelijke bevestiging van de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst nam, maar door slechts het simpele afleggen van de optieverklaring, mits daarbij was voldaan aan alle optievoorwaarden. Welnu, aangezien in het onderhavige geval is geconstateerd dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, zal achteraf bezien moeten worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden. A moet dan ook geacht worden niet het Nederlanderschap door de optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is hier niet aan de orde.
### paragraaf 2. Algemeen
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### paragraaf 2. Algemeen
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 juni 2006 aangegeven dat bij naturalisatiebesluiten die zijn genomen vóór 1 april 2003 in geval van bedrog omtrent de identiteit wordt aangenomen dat het Nederlanderschap niet is verkregen omdat het naturalisatiebesluit geen rechtsgevolg heeft gehad voor de betrokkene. Immers, door het opgeven van onjuiste personalia (valse identiteit) zijn niet de (juiste) personalia van betrokkene vermeld op het Koninklijk Besluit tot naturalisatie. Aan betrokkene is dan ook niet het Nederlanderschap verleend. Voor de optieverklaring geldt mutatis mutandis hetzelfde.
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 11 november 2005 ten aanzien van het vorenstaande nog opgemerkt dat sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene toch identificeert en daarom rechtsgevolg heeft. Daarop aansluitend heeft de Hoge Raad in de beschikking van 30 juni 2006, onder verwijzing naar zijn beschikking van 11 november 2005, gesteld dat bijzondere omstandigheden inhouden dat **‘de betrokkene desondanks wel voldoende geïdentificeerd was en de aanvrager door het tot stand gekomen naturalisatiebesluit wel het Nederlanderschap heeft verworven’.**Hiervan is sprake wanneer **‘ondanks de onjuistheid van de verschafte persoonsgegevens, omtrent de ware identiteit van de aanvrager bij de instanties die het verzoek moesten onderzoeken en beoordelen, een zodanige duidelijkheid heeft bestaan, dat niet gezegd kan worden dat de onjuistheid van de persoonsgegevens hun onderzoek en beoordeling belemmerd heeft’**.
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 juni 2006 aangegeven dat bij naturalisatiebesluiten die zijn genomen vóór 1 april 2003 in geval van bedrog omtrent de identiteit wordt aangenomen dat het Nederlanderschap niet is verkregen omdat het naturalisatiebesluit geen rechtsgevolg heeft gehad voor de betrokkene. Immers, door het opgeven van onjuiste personalia (valse identiteit) zijn niet de (juiste) personalia van betrokkene vermeld op het Koninklijk Besluit tot naturalisatie. Aan betrokkene is dan ook niet het Nederlanderschap verleend. Voor de optieverklaring geldt mutatis mutandis hetzelfde.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
### Artikel 10
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
### 14-2. Toelichting ad [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 2. Naturalisatiegelden
Om in aanmerking te komen voor het verlaagd tarief moet de verzoeker in de BRP staan ingeschreven met de nationaliteitscode voor ‘staatloos’ (code 499). Is de verzoeker in de BRP geregistreerd met ‘onbekende nationaliteit’, dan geldt dat het normale tarief van toepassing is, tenzij hij houder is van een verblijfsvergunning asiel.
Om in aanmerking te komen voor ontheffing moet gelijktijdig met de indiening van het verzoek om naturalisatie een gemotiveerd ontheffingsverzoek worden ingediend. De burgemeester is in Nederland gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van naturalisatiegelden. In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Zie [artikel 4, vijfde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4).
### 2.5.4. Algemeen belang
De hoogte van het verschuldigde bedrag voor het afleggen van de optieverklaring of voor het verzoek om naturalisatie wordt in beginsel vastgesteld op het moment dat de verklaring of het verzoek door de burgemeester/ de Minister van Buitenlandse Zaken in ontvangst wordt genomen. Zie de in de [paragrafen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=1&paragraaf=1.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09), [1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=1&paragraaf=1.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09), [2.2 tot en met 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2024-05-09&g=2024-05-09) opgenomen richtlijnen.
### Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
Uitgangspunt is dat de leges worden betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie. Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan, betaling in termijnen is niet mogelijk. Wordt niet betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt betrokkene op dat moment op grond van [artikel 4:5, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken te betalen. Hiervoor zijn model 1.25 HRWN, model 1.25a HRWN, model 2.8 HRWN en model 2.8a HRWN beschikbaar. De termijn van zes weken vloeit voort uit [artikel 6 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=6). Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen deze zes weken, dan wordt de optieverklaring of het naturalisatieverzoek buiten behandeling gesteld (artikel 6 BON). Een besluit tot buitenbehandelingstelling wegens niet- of niet tijdige betaling wordt schriftelijk meegedeeld aan betrokkene ([artikel 4, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=4)). Daarvoor zijn beschikbaar de modellen 1.26 HRWN, 1.26a HRWN, 2.23 HRWN en 2.23a HRWN.
### 2.5.6. Weging belangen
Als het gaat om een optie/naturalisatie dat is afgelegd/ingediend bij de gemeente, dan moet het bezwaarschrift worden toegestuurd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Directie Regulier Verblijf en Nederlanderschap, Postbus 3, 9560 AA TER APEL.
### Paragraaf 2.1.2.2. [Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)
### Paragraaf 4.2.2. Vreemdelingrechtelijke gevolgen van intrekking van het Nederlanderschap
### Artikel 14
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
BW: artikelen 1:202.1 en 3:44
### Artikel 14
Tot 1 april 2015 werd de terugwerkende kracht van de intrekking beperkt door [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II). Op grond van dit artikel werkte intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Hierdoor had het intrekkingsbesluit geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór de inwerkingtreding van de Rijkswetten van 21 december 2000 en 18 april 2002 tot wijziging van de RWN. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap werd betrokkene geacht wél in het bezit te zijn geweest van de Nederlandse nationaliteit, maar vanaf het moment van inwerkingtreding van de wijzigingswetten van 2000 en 2002 niet meer in het bezit te zijn geweest van de Nederlandse nationaliteit.
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
N.B. In geval van fraude gepleegd bij het uitbrengen van een optieverklaring vóór de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vóór 1 april 2003, is intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk. Een optie die werd uitgebracht vóór de herziening van de RWN was een eenzijdige rechtshandeling. Indien achteraf wordt geconstateerd dat bij het uitbrengen van de optie niet aan alle wettelijke voorwaarden werd voldaan, moet worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden, waardoor de betrokkene geacht moet worden nimmer het Nederlanderschap door die optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is in dat geval dus niet aan de orde.
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
Het bedrog, de valse verklaring of het verzwijgen van voor de naturalisatie of optie relevante feiten, kan betrekking hebben gehad op de personalia (identiteit/persoonsgegevens) van de naturalisandus. Wanneer met gebruikmaking van valse of (gedeeltelijk) fictieve personalia (die bestaan uit de voornaam, geslachtsnaam, geboortedatum en geboorteplaats) een verzoek om naturalisatie is ingediend, waardoor in het Koninklijk Besluit tot verlening van het Nederlanderschap valse personalia werden opgenomen, is dit een vorm van frauduleus handelen.
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
Ten aanzien van naturalisatiebesluiten die zijn genomen op of ná 1 april 2003 heeft de Hoge Raad bij beschikking van 30 juni 2006 overwogen dat “**In het licht van dit alles moet worden aangenomen dat de regeling van artikel 14 lid 1 (RWN) mede betrekking heeft op gevallen als het onderhavige, waarin de aanvrager zijn personalia niet juist heeft opgegeven en het naturalisatiebesluit hem derhalve niet met de juiste personalia aanduidt, doch wel duidelijk is op welke fysieke persoon het besluit betrekking heeft. Uit het systeem en de strekking van de wet volgt derhalve dat ook in dat geval een naturalisatiebesluit, verleend onder de werking van de RWN zoals deze sinds 1 april 2003 luidt, rechtsgevolg heeft, zolang het niet met toepassing van artikel 14 lid 1 RWN is ingetrokken**.” In het geval het Koninklijk Besluit dateert van op of ná 1 april 2003 geldt voor het opgeven van een valse identiteit derhalve dat rechtsgevolg is verbonden aan het Koninklijk Besluit en betrokkene Nederlander is geworden. Het Nederlanderschap kan wel conform [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) worden ingetrokken.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.4&paragraaf=3.13.4.2&z=2023-10-01&g=2023-10-01) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### 9-3-c. Toelichting ad [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### paragraaf 3. Topsporters
### 11-alg. Toelichting algemeen
### 12-2. Toelichting ad [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval moet worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:
### Paragraaf 1.1. Overgangsrecht
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
### Paragraaf 2.4. Tarief H
Om in aanmerking te komen voor ontheffing moet gelijktijdig met de indiening van het verzoek om naturalisatie een gemotiveerd ontheffingsverzoek worden ingediend. De burgemeester is in Nederland gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van naturalisatiegelden. In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Zie [artikel 4, vijfde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4).
### Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
### Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid bij fraude beperkt tot 12 jaar na uitvaardigen koninklijk Besluit
Het bedrog, de valse verklaring of het verzwijgen van voor de naturalisatie of optie relevante feiten, kan betrekking hebben gehad op de personalia (identiteit/persoonsgegevens) van de naturalisandus. Wanneer met gebruikmaking van valse of (gedeeltelijk) fictieve personalia (die bestaan uit de voornaam, geslachtsnaam, geboortedatum en geboorteplaats) een verzoek om naturalisatie is ingediend, waardoor in het Koninklijk Besluit tot verlening van het Nederlanderschap valse personalia werden opgenomen, is dit een vorm van frauduleus handelen.
De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optieof naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden “valse verklaring of bedrog” aansluiting gezocht bij [titel XII WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIII) (valsheid in geschriften) en bij [artikel 3:44 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=44) (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 11 november 2005 ten aanzien van het vorenstaande nog opgemerkt dat sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene toch identificeert en daarom rechtsgevolg heeft. Daarop aansluitend heeft de Hoge Raad in de beschikking van 30 juni 2006, onder verwijzing naar zijn beschikking van 11 november 2005, gesteld dat bijzondere omstandigheden inhouden dat **‘de betrokkene desondanks wel voldoende geïdentificeerd was en de aanvrager door het tot stand gekomen naturalisatiebesluit wel het Nederlanderschap heeft verworven’.**Hiervan is sprake wanneer **‘ondanks de onjuistheid van de verschafte persoonsgegevens, omtrent de ware identiteit van de aanvrager bij de instanties die het verzoek moesten onderzoeken en beoordelen, een zodanige duidelijkheid heeft bestaan, dat niet gezegd kan worden dat de onjuistheid van de persoonsgegevens hun onderzoek en beoordeling belemmerd heeft’**.
### paragraaf 2.3. Belangenafweging
In de afweging om tot intrekking over te gaan, zal worden meegewogen:
### paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
### paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
### paragraaf 2.3. Belangenafweging
In de belangenafweging komen de volgende zaken aan de orde:
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Het feit dat A staatloos zou worden, is toegestaan als het gaat om een intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en moet worden geacht te komen voor het risico van A. Gezien de aard en de ernst van de verzwijging moet het belang van de staat om in te trekken groter worden geacht dan het belang van A om niet staatloos te worden.
Verder geldt dat de voornemenprocedure is gestart op een moment dat A nog maar kort in het bezit van de Nederlandse nationaliteit is. Bij een relatief korte periode na de verkrijging van het Nederlanderschap bestaat minder reden om af te zien van intrekking dan bij een langere periode.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### Paragraaf 5.4. Voeging
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
### Paragraaf 5.5. Taakstraffen
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
### Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
### Paragraaf 5.8. Vijfjaartermijn
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 11 november 2005 ten aanzien van het vorenstaande nog opgemerkt dat sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene toch identificeert en daarom rechtsgevolg heeft. Daarop aansluitend heeft de Hoge Raad in de beschikking van 30 juni 2006, onder verwijzing naar zijn beschikking van 11 november 2005, gesteld dat bijzondere omstandigheden inhouden dat **‘de betrokkene desondanks wel voldoende geïdentificeerd was en de aanvrager door het tot stand gekomen naturalisatiebesluit wel het Nederlanderschap heeft verworven’.**Hiervan is sprake wanneer **‘ondanks de onjuistheid van de verschafte persoonsgegevens, omtrent de ware identiteit van de aanvrager bij de instanties die het verzoek moesten onderzoeken en beoordelen, een zodanige duidelijkheid heeft bestaan, dat niet gezegd kan worden dat de onjuistheid van de persoonsgegevens hun onderzoek en beoordeling belemmerd heeft’**.
In het kader van ‘overige relevante factoren’ kan onder meer worden gedacht aan eventuele bijzondere omstandigheden en aan de termijn waarbinnen de betrokkene het Nederlanderschap alsnog kan verkrijgen. Blijkt bij de afweging van de belangen een intrekking niet opportuun of disproportioneel, dan wordt niet ingetrokken (zie TK 1998–1999, 25 891, nr. 5, pg. 23-24). Onder de omstandigheden dat betrokkene woonachtig is binnen het Koninkrijk en hetzij door optie, hetzij door naturalisatie, onmiddellijk in aanmerking zou kunnen komen voor verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, is in zijn algemeenheid een intrekking niet opportuun.
Wegens verzwijging tijdens de naturalisatieprocedure van het feit dat er een strafzaak tegen hem loopt, zou het Nederlanderschap kunnen worden ingetrokken. Augustus 2004 wordt de voornemenprocedure gestart. Tijdens de voornemenprocedure tot intrekking voert A aan dat hij onschuldig is en stelt tevens dat van intrekken moet worden afgezien tot er een onherroepelijk strafvonnis is (er is nog niet beslist op het hoger beroep). Verder moet in de belangenafweging worden meegewogen dat hij, nu hij de Belgische nationaliteit kwijt is door naturalisatie tot Nederlander, na intrekking van het Nederlanderschap staatloos zal zijn.
### Paragraaf 1.1. Overgangsrecht
Voor de belangenafweging geldt dat A is genaturaliseerd, terwijl, naar later blijkt, sprake is van ernstige vermoedens dat A gevaar oplevert voor de openbare orde, hetgeen een grond tot weigering voor naturalisatie is. A heeft bij zijn naturalisatie verzwegen dat hij op dat moment strafrechtelijk werd vervolgd en heeft de zogenaamde waarheidsverklaring niet juist ingevuld (de aard van de verzwijging). A heeft een voor naturalisatie relevant feit verzwegen, dat zou hebben geleid tot weigering van zijn verzoek om naturalisatie (de ernst van de verzwijging). Een eventuele intrekking is dan niet, ten opzichte van de aard en de ernst van de verzwijging, disproportioneel.
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
### Paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen
Hebben de frauduleuze handelingen betrekking op de kinderen die destijds hebben gedeeld in de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, dan kan ook hun Nederlanderschap worden ingetrokken. Met zorgvuldigheid zal moeten worden nagegaan of ook ten aanzien van deze kinderen tot intrekking moet worden overgegaan. Voor elk van de kinderen die door mede-optie of medeverlening Nederlander zijn geworden, moet worden afgewogen of de individuele belangen van het kind de handhaving van het Nederlanderschap vereisen. Een dergelijke afweging is, gelet op het Verdrag tot beperking der staatloosheid, het Verdrag van de rechten van het kind en het Europese Nationaliteitsverdrag, in het bijzonder dan vereist, als het kind door de intrekking staatloos zou worden. Staatloosheid van het kind zou een disproportioneel gevolg kunnen zijn van het handelen van de ouder en zich niet verhouden tot het recht van een kind op een nationaliteit.
### Paragraaf 2. Voorwaarden intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid
Van kinderen die nadat een ouder het Nederlanderschap verkregen heeft, geboren zijn en die op grond van artikel 3, eerste lid, van de Rijkswet hun Nederlanderschap aan hun bij de intrekking betrokken ouder ontlenen, zal steeds moeten worden nagegaan of zij door de intrekking van het Nederlanderschap van deze ouder het Nederlanderschap verliezen. Dit geldt ook voor kinderen die, nadat een ouder het Nederlanderschap verkregen heeft, het Nederlanderschap van rechtswege hebben verkregen op grond van artikel 4, eerste, tweede, derde of vierde lid, van de Rijkswet en het Nederlanderschap aan hun bij de intrekking betrokken ouder ontlenen. Aangezien het Nederlanderschap van deze ouder met terugwerkende kracht wordt ingetrokken, kan dit betekenen dat de ouder ten tijde van de geboorte, vaststelling vaderschap, erkenning of wettiging, van het kind geen Nederlander was en het kind geen Nederlander is geworden op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of [artikel 4, eerste, tweede, derde of vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4). In dat geval moet wel beoordeeld worden of het kind op andere verkrijgingsgronden een beroep kan doen, zoals bijvoorbeeld het geval zal zijn als het kind een beroep kan doen op artikel 3, derde lid, van de Rijkswet (toelichting bij het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605), Stb. 2002, 231).
B is op 19 juni 1995 genaturaliseerd. Zijn minderjarige kinderen C en D zijn meegenaturaliseerd.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
### paragraaf 3.4. Advies VWS
### Paragraaf 5.12. Gratie
### Paragraaf 7. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
### Paragraaf 7. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
### Paragraaf 7. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag
### Paragraaf 2.3. Tarieven F en G
### Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -8206,227 +10576,651 @@
Vervallen.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
Als uit vorengenoemde check in BVI-IB blijkt dat er sprake is van een openstaande strafzaak en deze strafzaak niet vermeld is op het uittreksel van de JDD neemt de IND bij naturalisatie en de burgemeester bij optie contact op met het OM om te onderzoeken of de vreemdeling voor dat misdrijf al wordt of nog zal worden vervolgd. Nader onderzoek is noodzakelijk om duidelijkheid te verkrijgen, of de in de geraadpleegde systemen geregistreerde meldingen of processen verbaal staan nog zullen leiden tot vervolging.
Verder moet op basis van de informatie uit de check van BVI-IB worden nagegaan of er een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een taakstraf, een boete of een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 810,– of meer kan worden gevorderd. Als de vreemdeling een transactievoorstel zal kunnen worden gedaan of een strafbeschikking kan worden uitgevaardigd, moet worden nagegaan of de hoogte van het transactiebedrag € 810,– of meer (dan wel, als aan de vreemdeling al eerder vermogenssancties zijn opgelegd: € 405,– of meer) kan zijn. Als de zaak zal worden geseponeerd, moet worden nagegaan of het sepot een onvoorwaardelijk sepot zal zijn en zo dat niet het geval is, welke de voorwaarden en eventuele proeftijd zullen zijn.
### 3. Onderteken dit formulier
Zolang niet vast staat dat de vreemdeling geen gevaar oplevert voor de openbare orde, kan hij geen Nederlander worden. Telkens zal zorgvuldig moeten worden onderzocht of er goede redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat het vermeende misdrijf zal kunnen leiden tot een sanctie, die onder het openbare orde beleid valt.
De voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie of optie vereiste zorgvuldigheid strekt niet zover dat de IND of de burgemeester zich zelfstandig een oordeel behoort te vormen over de mogelijke uitkomst van de strafzaak. De beslissing op het verzoek om naturalisatie of optie wordt niet onnodig aangehouden in afwachting van de uitkomst van een strafprocedure.
Als er sprake is van een in het buitenland gepleegd delict, onderzoekt de IND bij naturalisatie en de burgemeester bij optie of het betreffende feit naar Nederlands recht een misdrijf is. De IND (bij naturalisatie) of burgemeester (bij optie) neemt dan contact op met het parket van de officier van justitie om te onderzoeken of de beoordeling van het misdrijf door de buitenlandse rechter vergelijkbaar is met de beoordeling naar Nederlandse maatstaven. Als het (Nederlandse) OM voor de eis ter zitting richtlijnen hanteert, dienen die richtlijnen als uitgangspunt. Met de individuele omstandigheden kan daarbij in het algemeen geen rekening worden gehouden. Het OM noch de IND/de burgemeester kan zich een oordeel vormen over het aan de strafrechter toekomend oordeel over de juiste strafmaat in een individuele casus. Het OM kan in het algemeen slechts adviseren over de eis ter zitting. De daarbij door het OM gehanteerde richtlijnen geven echter duidelijke en objectieve maatstaven aan de hand waarvan de gangbare straf voor de betreffende delicten uniform kan worden beoordeeld. Dat laat onverlet dat in zeer bijzondere (individuele) gevallen alleen dan tot een juiste toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap kan worden gekomen door af te wijken.
### 4. Opsturen
Het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) wordt niettemin afgewezen, indien de verzoeker die een andere nationaliteit bezit, niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen dan wel niet bereid is het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de naturalisatie, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd.
Het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) wordt niettemin afgewezen, indien de verzoeker die een andere nationaliteit bezit, niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen dan wel niet bereid is het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de naturalisatie, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd.
In de periode van 1 januari 1992 tot 1 oktober 1997 werd het vereiste om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet toegepast (zie circulaire van 20 december 1991, **Stcrt.**1992, 25). Dit kwam doordat op 22 oktober 1991 de Tweede Kamer der Staten-Generaal de motie Apostolou/Soutendijk-van Apeldoorn (TK 1991–1992, 21 971, nr. 29) inzake het doen van afstand bij naturalisatie had aangenomen. Naar aanleiding van deze motie werd besloten met ingang van 1 januari 1992 de eis, zoals geformuleerd in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), vooruitlopend op de aanpassing van de RWN te laten vallen. Het voorstel tot schrappen van deze eis stuitte echter op bezwaren bij de meerderheid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, zodat het vanaf 1 januari 1992 gevoerde afstandsbeleid herziening behoefde. Dit herziene beleid inzake de afstandsverplichting is op 1 oktober 1997 in werking getreden (circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6, inzake wijziging van het beleid inzake het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander).
In de periode van 1 januari 1992 tot 1 oktober 1997 werd het vereiste om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet toegepast (zie circulaire van 20 december 1991, **Stcrt.**1992, 25). Dit kwam doordat op 22 oktober 1991 de Tweede Kamer der Staten-Generaal de motie Apostolou/Soutendijk-van Apeldoorn (TK 1991–1992, 21 971, nr. 29) inzake het doen van afstand bij naturalisatie had aangenomen. Naar aanleiding van deze motie werd besloten met ingang van 1 januari 1992 de eis, zoals geformuleerd in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), vooruitlopend op de aanpassing van de RWN te laten vallen. Het voorstel tot schrappen van deze eis stuitte echter op bezwaren bij de meerderheid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, zodat het vanaf 1 januari 1992 gevoerde afstandsbeleid herziening behoefde. Dit herziene beleid inzake de afstandsverplichting is op 1 oktober 1997 in werking getreden (circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6, inzake wijziging van het beleid inzake het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander).
De verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie is ook na inwerkingtreding van het voorstel tot wijziging van de RWN op 1 april 2003 blijven bestaan, zij het met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd in het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (**Trb.** 1994, 265), hierna te noemen: Tweede Protocol. De uitgangspunten in het Tweede Protocol zijn neergelegd in [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), zoals dit luidt met ingang van 1 april 2003 (zie de toelichting bij artikel 9, derde lid, RWN).
Sinds 1 oktober 1997 moet de verzoeker om naturalisatie in beginsel weer aangeven of hij bereid is afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Op grond van [artikel 32 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32) dient een verzoeker die een of meerdere nationaliteiten bezit en die verplicht is daarvan afstand te doen, een bereidheidsverklaring te overleggen waarin staat dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de totstandkoming van de naturalisatie zijn andere nationaliteit(en) te verliezen.
De afstandsverplichting geldt niet als de verzoeker onder één van de hieronder genoemde uitzonderingscategorieën dan wel onder de uitzonderingscategorieën in [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) valt.
Een verzoeker die in de BRP is ingeschreven als staatloze en daardoor wordt aangemerkt als staatloze in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), kan logischerwijs geen afstand doen. Hij wordt immers door geen enkele staat als onderdaan beschouwd. Dit geldt niet voor een verzoeker die in de BRP is ingeschreven als zijnde van onbekende nationaliteit, omdat zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN). Hij zal in de meeste gevallen immers wél in het bezit zijn van een nationaliteit. Pas als deze verzoeker op grond van de daarvoor geldende regels ([artikel 2.15 dan wel artikel 2:17 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715)) in de BRP wordt opgenomen als zijnde staatloos, kan worden aangenomen dat hij geen afstand van een nationaliteit kan doen.
Hoofdregel is dat een vreemdeling die verzoekt om naturalisatie afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is alleen anders indien het doen van afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd. Daarnaast zijn er categorieën verzoekers om naturalisatie waarop het vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is ([artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
Hoofdregel is dat een vreemdeling die verzoekt om naturalisatie afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is alleen anders indien het doen van afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd. Daarnaast zijn er categorieën verzoekers om naturalisatie waarop het vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is ([artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
Niet alle verzoekers zijn verplicht om afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en). In [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) wordt een viertal uitzonderingen genoemd. Daarnaast zijn er vreemdelingen van wie redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en) (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). Samengevat komt het erop neer dat de hieronder genoemde categorieën verzoekers geen afstand hoeven te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit:
Niet alle verzoekers zijn verplicht om afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en). In [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) wordt een viertal uitzonderingen genoemd. Daarnaast zijn er vreemdelingen van wie redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en) (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). Samengevat komt het erop neer dat de hieronder genoemde categorieën verzoekers geen afstand hoeven te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit:
Hieronder worden de uitzonderingscategorieën 1 tot en met 11 toegelicht. De overige vier categorieën worden behandeld bij [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9).
Verzoeker heeft de Andorrese nationaliteit. In de wetgeving van Andorra is geregeld dat een Andorrees die vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt de Andorrese nationaliteit verliest. In geval van automatisch verlies door naturalisatie tot een andere nationaliteit heeft het geen zin afstand te vragen.
Verzoeker heeft de Andorrese nationaliteit. In de wetgeving van Andorra is geregeld dat een Andorrees die vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt de Andorrese nationaliteit verliest. In geval van automatisch verlies door naturalisatie tot een andere nationaliteit heeft het geen zin afstand te vragen.
Verzoeker bezit de Marokkaanse nationaliteit. De Marokkaanse nationaliteitswetgeving geeft aan dat in geval van naturalisatie tot een vreemde nationaliteit betrokkene een machtiging kan krijgen om de Marokkaanse nationaliteit te verwerpen. In de praktijk blijkt evenwel dat de machtiging niet kan worden verkregen. In feite betekent dit dus behoud van de Marokkaanse nationaliteit en heeft het geen zin om afstand te vragen.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
In deze gevallen dient de verzoeker bij het in behandeling nemen van zijn verzoek een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij bereid is, na de totstandkoming van de naturalisatie, afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Overigens, in de praktijk geldt in alle gevallen dat eerst afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeft te worden gedaan nadat de naturalisatie tot stand is gekomen.
Een verzoeker die de Hongaarse nationaliteit bezit, kan eerst nadat hij is genaturaliseerd tot Nederlander de Hongaarse autoriteiten verzoeken of hij ontslag kan krijgen uit het Hongaarse staatsverband.
### 3. Onderteken dit formulier
Indien verzoeker, wegens het feit dat hij substantieel financieel nadeel lijdt omdat hij voor de afstand een hoog bedrag moet betalen, geen afstand wenst te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit en waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie.
Indien een staat voor het doen van afstand van de nationaliteit slechts een kleine vergoeding vraagt, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het bedrag dat de staat hiervoor vraagt, zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
Indien een staat voor het doen van afstand van de nationaliteit slechts een kleine vergoeding vraagt, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het bedrag dat de staat hiervoor vraagt, zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
### 4. Opsturen
Indien een verzoeker een beroep wenst te doen op deze uitzondering op de afstandsverplichting, dient hij, voor zover van toepassing, de volgende, meest recente bewijsstukken te overleggen:
Als niet-zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die zijn inkomsten verwerft anders dan uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
Als niet-zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die zijn inkomsten verwerft anders dan uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
In dit kader geldt als inkomen; het maandinkomen (van verzoeker en eventueel zijn (huwelijks)partner), inclusief de overhevelingstoeslag, na aftrek van de over het bruto inkomen verschuldigde belasting, sociale verzekeringspremies, pensioenpremies en vaste lasten (zoals maandelijkse uitgaven in verband met alimentatie ten behoeve van de gewezen partner en ten behoeve van de kinderen, premies van vrijwillige verzekering tegen ziektekosten, premies krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) en de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614), verhaalsbedragen in het kader van de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) en eventuele andere bijzondere uitgaven die noodzakelijk ten laste van verzoeker komen) (vergelijk [artikel 1, onder b, Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1) en [artikel 7 Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=7)).
In dit kader geldt als vermogen het gemiddelde van de rendementsgrondslagen, bedoeld in [artikel 5.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.2) (vergelijk [artikel 1, eerste lid, onder o, Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1)).
Als zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die inkomsten verwerft uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
Als zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die inkomsten verwerft uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
Voor de vaststelling van het netto maandinkomen wordt uitgegaan van het inkomen voorafgaand aan het jaar van indienen van het verzoek om naturalisatie
Voor de vaststelling van het vermogen wordt uitgegaan van de toestand van het vermogen op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar van het indienen van het verzoek om naturalisatie.
Van een verzoeker die over een aanzienlijk vermogen beschikt kan niet snel worden aangenomen dat hij, gelet op zijn financiële draagkracht, een bedrag aan leges voor het doen van afstand moeilijk kan opbrengen. Hierbij geldt een vermogensgrens, waarboven niet meer kan worden gesproken van een door verzoeker te lijden substantieel financieel nadeel (uiteraard met inachtneming van het bepaalde in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. A overlegt verklaringen van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij voor het doen van afstand een bedrag van 750 moet betalen. Uit de viv en de overgelegde loonstroken blijkt dat A een baan heeft als bollenpeller waarmee hij 1200 netto per maand verdient. Hij heeft geen vermogen.
A lijdt door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Zijn netto maandinkomen is immers hoger dan het bedrag dat hij moet betalen voor het doen van afstand. Hij moet afstand doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
Verzoeker B is alleenstaande en bezit de nationaliteit van land Y. Uit verklaringen van de autoriteiten van land Y blijkt dat hij voor het doen van afstand van nationaliteit Y een bedrag van 1250 moet betalen. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat hij een netto maandinkomen van 1100 heeft, dat hij een eigen woning heeft met een huidige marktwaarde van 150.000 dat hij voor de aankoop van de woning een hypotheek heeft afgesloten en dat bij de bank nog een hypotheekschuld van 70.000 resteert.
B lijdt door het betalen van het bedrag voor het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Weliswaar is zijn netto maandinkomen lager dan het bedrag aan leges, maar zijn in aanmerking te nemen vermogen bedraagt 14.656 (150.000 minus 70.000 = 80.000 van welk bedrag 65.344 niet wordt meegerekend). Daarmee zit hij ruim boven de vermogensgrens van 6370.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
### paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
### paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
### paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
A is genaturaliseerd op 15 april 2003. Mei 2003 wordt A in België veroordeeld wegens het plegen van een gewapende overval in 1999. A gaat in hoger beroep van de veroordeling. A wist bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie dat de strafzaak tegen hem aanhangig was.
### Paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen
Bij de overig te wegen relevante factoren geldt dat voor de intrekking niet hoeft te worden gewacht tot er een onherroepelijk strafvonnis is, omdat reeds een openstaande strafzaak voldoende grond is om een verzoek tot naturalisatie af te wijzen. In de belangenafweging moet nog worden gekeken naar het eventueel niet-opportuun zijn van de intrekking (dit betreft de vraag binnen welke termijn A, na intrekking, weer Nederlander zou kunnen worden).
Het feit dat A staatloos zou worden, is toegestaan als het gaat om een intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en moet worden geacht te komen voor het risico van A. Gezien de aard en de ernst van de verzwijging moet het belang van de staat om in te trekken groter worden geacht dan het belang van A om niet staatloos te worden.
### paragraaf 2. Algemeen
Het besluit tot intrekking heeft voor de kinderen alleen gevolgen indien dat expliciet is vermeld in het intrekkingsbesluit. Is in het intrekkingsbesluit niet opgenomen dat de intrekking ook kinderen betreft, dan hebben zij het Nederlanderschap behouden, aangezien uit [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) en [16A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16A) geen verlies voor hen voortvloeit.
### Paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
In 2004 wordt vastgesteld dat B in het kader van de naturalisatieprocedure bedrog heeft gepleegd en dat de fraude hem kan worden toegerekend. Het bedrog heeft ook betrekking gehad op de meegenaturaliseerde kinderen C en D. Op 6 augustus 2004 wordt het aan B, C en D verleende Nederlanderschap ingetrokken. De gevolgen van de intrekking zijn: B, C en D hebben hun Nederlanderschap verloren. Zij moeten echter wel geacht worden van 19 juni 1995 tot 1 april 2003 Nederlander te zijn geweest, aangezien ingevolge [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) de intrekking niet verder terugwerkt dan tot het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, indien de naturalisatie vóór dat tijdstip tot stand is gekomen.
### 14-5. Toelichting ad [artikel 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Voor E zal moeten worden nagegaan of hij door de intrekking van het Nederlanderschap van B het Nederlanderschap destijds op een andere rechtsgrond dan via B heeft verkregen, nu B geacht moet worden dit voor de periode na 1 april 2003 nooit verkregen te hebben. Bezien moet dus worden of E op andere gronden het Nederlanderschap mogelijk heeft verkregen.
In 2003 wordt zoon E geboren. Zoon E verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap ingevolge artikel 3, eerste lid, RWN.
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.12HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) opgenomen in de [artikelen 68 t/m 68c BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68).
De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap.
De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit.
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
### 2.5.1. Rechten Unieburgerschap
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
### 2.5.3. Individueel belang
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
### 2.5.1. Rechten Unieburgerschap
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
### 2.5.2. Bewijslast
### 2.5.2. Bewijslast
### 2.5.3. Individueel belang
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
### Paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese Parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
De periode dat een vreemdeling op basis van een geprivilegieerde status bij een internationale organisatie in Nederland heeft verbleven, en derhalve ingeschreven heeft gestaan in het daarvoor bestemde register bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, geldt als toelating in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738), mits deze periode onmiddellijk voorafging aan de toelating in het kader van de Vreemdelingenwet of het voortzetten van het verblijf in Nederland op grond van het EU-recht. Deze (onafgebroken) periode mag worden meegeteld voor de vereiste termijn van toelating in het kader van een optieverklaring of naturalisatie.
### Paragraaf 6.2. Gemeenschapsonderdanen en afgifte bericht omtrent toelating
### Paragraaf 2. Hoofdverblijf
### 2-3. Toelichting ad artikel 2, derde lid
### Paragraaf 2.2.2. Volledige vrijstelling van de naturalisatietoets
### Paragraaf 3.6. Molukkers
### 8-1-d. toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Paragraaf 5.12. Gratie
### Paragraaf 2.1.2. De aanvraagfase
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### Artikel 9
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### Paragraaf 2.3.3. Ontheffing op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen
### Paragraaf 5.1. Misdrijven
### Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
### paragraaf 3. Topsporters
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
### Paragraaf 5.12. Gratie
### Paragraaf 8. Procedure bij naturalisatie
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
### Paragraaf 3.11. Verzoeker die meerderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht
### paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van omstandigheden die niet overeenkomen met wat de vreemdeling (bij optie: op model 1.14, bij naturalisatie: op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) zelf heeft verklaard, dan wordt de vreemdeling door de burgemeester (bij optie) en door de IND (bij naturalisatie) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.
Als de vreemdeling een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is (of nog kan worden) opgelegd, moet worden nagegaan wanneer de laatst opgelegde sanctie ten uitvoer is gelegd. Het kan daarbij voorkomen dat de ontnemingsmaatregel pas (veel) later ten uitvoer is gelegd dan de eventueel eveneens opgelegde vrijheidsstraf of geldboete.
### Paragraaf 5.3. De betrokkene is wél bereid afstand te doen
### 9-1-b. Toelichting ad [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### 9-1-b. Toelichting ad [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
Verzoeker bezit de Marokkaanse nationaliteit. De Marokkaanse nationaliteitswetgeving geeft aan dat in geval van naturalisatie tot een vreemde nationaliteit betrokkene een machtiging kan krijgen om de Marokkaanse nationaliteit te verwerpen. In de praktijk blijkt evenwel dat de machtiging niet kan worden verkregen. In feite betekent dit dus behoud van de Marokkaanse nationaliteit en heeft het geen zin om afstand te vragen.
### paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
### paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
Indien verzoeker, wegens het feit dat hij substantieel financieel nadeel lijdt omdat hij voor de afstand een hoog bedrag moet betalen, geen afstand wenst te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit en waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie.
### paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
Indien een verzoeker een beroep wenst te doen op deze uitzondering op de afstandsverplichting, dient hij, voor zover van toepassing, de volgende, meest recente bewijsstukken te overleggen:
### paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
### 9-4. Toelichting ad [artikel 9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
De slotsom in dit voorbeeld is dat na afweging van alle bovengenoemde aspecten de belangenafweging er toe leidt dat het belang van de staat tot intrekking in casu groter is dan het belang van A om Nederlander te blijven.
In 2003 wordt zoon E geboren. Zoon E verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap ingevolge artikel 3, eerste lid, RWN.
B, C en D zijn dus wel oud-Nederlanders, maar ingevolge artikel II, tweede lid, RRWN kunnen zij geen optie uitbrengen op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en ook niet in aanmerking komen voor een versnelde naturalisatie als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), eerste zinsnede.
### 14-6. Toelichting ad [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 2.5. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
### 2.5. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.12HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) opgenomen in de [artikelen 68 t/m 68c BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68).
Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.
Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese Parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.
### 2.5.3. Individueel belang
Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.
### Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
### Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen
De IND betrekt bij de evenredigheidstoets aan het Unieburgerschap onder meer de volgende aspecten:
### 2.5.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
### 2.5.6. Weging belangen
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
### 2.5.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
### 2.5.6. Weging belangen
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
### paragraaf 4.1. Voornemenprocedure
Gezien het belang van het bezit van het Nederlanderschap, in het bijzonder als het verlies daarvan zou leiden tot staatloosheid, is de procedure tot intrekking wegens fraude omgeven met bijzondere waarborgen. De procedure is beschreven in de [artikelen 66 tot en met 69 van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66). De procedure biedt de rechtstreeks betrokken personen en autoriteiten de mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen, waardoor de Minister van Justitie zoveel mogelijk argumenten pro en contra de intrekking van het Nederlanderschap tegen elkaar kan afwegen.
[Artikel 65 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=65) bepaalt dat de autoriteiten en ambtenaren die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en verzoek om naturalisatie en die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat heeft geleid tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan Onze Minister, zo nodig onder medezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. De ambtenaar die op de hoogte is van frauduleuze handelingen in de hiervoor bedoelde zin, wordt verzocht contact op te nemen met de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (zie hoofdstuk Voorlichting). In onderling overleg kan dan een standpunt worden bepaald over de te nemen stappen, zoals wijziging van de nationaliteit van de betrokken persoon in de BRP en/of intrekking van het verstrekte Nederlandse reisdocument. Voorts zorgt deze afdeling voor het plaatsen van een aantekening in het nationaliteitenregister bij het Koninklijk Besluit of bij de bevestiging van de optieverklaring.
Volgens [artikel 69 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=69) dient de Minister van Justitie een besluit tot intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) uiterlijk te nemen binnen zestien weken nadat hij mededeling van zijn voornemen tot intrekking heeft gedaan. In [artikel 68, eerste lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) is geregeld dat bij het besluit tot intrekking onder meer rekening moet worden gehouden met de aard en ernst van de fraude, de mogelijke staatloosheid van betrokkene na de intrekking, de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen en de overige relevante factoren. Geen intrekking zal plaatsvinden indien die beslissing, afgewogen tegen de mate van bedrog of verzwijging, disproportioneel moet worden geacht. Aan iedere intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN dient een belangenafweging vooraf te gaan. Weegt het belang van betrokkene om niet in te trekken uiteindelijk zwaarder dan het belang van de overheid om wel in te trekken, dan dient niet te worden ingetrokken (zie de toelichting op het [BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605), **Stb.** 2002, 231).
Artikel 68, tweede lid, BvvN bepaalt dat het besluit tot intrekking de personen vermeldt van wie het Nederlanderschap is ingetrokken. Aldus kan geen misverstand bestaan over de reikwijdte van de intrekking van het Nederlanderschap.
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap is een beschikking als bedoeld in de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). De Awb is in het kader van de intrekking van toepassing, ongeacht of de persoon in kwestie door tussenkomst van de burgemeester, de gezaghebber, de Gouverneur of een diplomatieke of consulaire post is genaturaliseerd of door optie Nederlander is geworden, nu het besluit tot intrekking wordt genomen door de Minister van Justitie van het Koninkrijk.
Belanghebbenden kunnen bezwaar maken tegen het besluit tot intrekking, doch dit bezwaar heeft geen schorsende werking. Wordt het bezwaarschrift gegrond verklaard, dan zal het besluit tot intrekking worden herroepen. Die herroeping werkt terug tot de datum van het zogenaamde intrekkingsbesluit, als gevolg waarvan betrokkene geacht moet worden nimmer zijn Nederlanderschap door intrekking te hebben verloren. Wordt het bezwaarschrift ongegrond verklaard, dan staat beroep bij de rechtbank, sector Bestuursrecht open.
### Paragraaf 4.2.2. Vreemdelingrechtelijke gevolgen van intrekking van het Nederlanderschap
Na intrekking van het Nederlanderschap is de betrokken persoon weer vreemdeling in de zin van de [Vreemdelingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Of de vreemdeling dan een verblijfsrecht heeft hangt af van de verblijfspositie voorafgaand aan de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap.
### 14-9. Toelichting ad [artikel 14, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Deze personen vallen na intrekking van het Nederlanderschap terug op de verblijfstitel die zij voorafgaand aan de verlening van het Nederlanderschap bezaten.
### Paragraaf 4.2.2. Vreemdelingrechtelijke gevolgen van intrekking van het Nederlanderschap
Daarvan is sprake als de intrekking terugwerkt tot het moment van de verlening van de Nederlandse nationaliteit of als het rechtsgevolg aan het KB is onthouden.
### Paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Artikel 15
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
In deze situatie werkt de intrekking terug tot de datum van inwerkingtreding van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). De persoon wordt geacht vanaf het moment van verlening van het Nederlanderschap tot 1 april 2003 Nederlander te zijn geweest. Als gevolg van de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap is de verblijfstitel van rechtswege vervallen. De vreemdeling heeft dan ook geen verblijfsrecht meer.
### 2.4.3. Individueel belang
De vreemdeling heeft in deze situatie geen verblijfsrecht meer.
**Vreemdelingen die voor inwerkingtreding van artikel 14 lid 1 RWN (1 april 2003) Nederlander zijn geworden en van wie het Nederlanderschap niet wegens identiteitsfraude (maar op grond van een andere vorm van fraude) is ingetrokken.**
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 12-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen
### 2.5. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap
De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten:
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
Op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan de IND het Nederlanderschap intrekken als de verkrijging of verlening berust op fraude en bedrog. Het algemeen belang bij deze intrekkingsgrond is gelegen in de bijzondere band van solidariteit en loyaliteit tussen de lidstaten en zijn onderdanen en wederkerigheid van rechten en plichten die de grondslag vormen van de nationaliteitsverhouding.
### 2.5.6. Weging belangen
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
### 2.5.4. Algemeen belang
Op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan de IND het Nederlanderschap intrekken als de verkrijging of verlening berust op fraude en bedrog. Het algemeen belang bij deze intrekkingsgrond is gelegen in de bijzondere band van solidariteit en loyaliteit tussen de lidstaten en zijn onderdanen en wederkerigheid van rechten en plichten die de grondslag vormen van de nationaliteitsverhouding.
### 2.5.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
### Paragraaf 4.2.1. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
### paragraaf 4.1. Voornemenprocedure
### Paragraaf 4.2.1. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
Volgens [artikel 69 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=69) dient de Minister van Justitie een besluit tot intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) uiterlijk te nemen binnen zestien weken nadat hij mededeling van zijn voornemen tot intrekking heeft gedaan. In [artikel 68, eerste lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) is geregeld dat bij het besluit tot intrekking onder meer rekening moet worden gehouden met de aard en ernst van de fraude, de mogelijke staatloosheid van betrokkene na de intrekking, de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen en de overige relevante factoren. Geen intrekking zal plaatsvinden indien die beslissing, afgewogen tegen de mate van bedrog of verzwijging, disproportioneel moet worden geacht. Aan iedere intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN dient een belangenafweging vooraf te gaan. Weegt het belang van betrokkene om niet in te trekken uiteindelijk zwaarder dan het belang van de overheid om wel in te trekken, dan dient niet te worden ingetrokken (zie de toelichting op het [BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605), **Stb.** 2002, 231).
### 14-9. Toelichting ad [artikel 14, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**Vreemdelingen die voor hun naturalisatie of optie in het bezit waren van een** **verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd dan wel een verblijfsvergunning voor** **bepaalde tijd waarvan, op het moment van beoordelen van het verblijfsrecht, de** **geldigheidsduur nog niet is verstreken.**
### Paragraaf 4.2.2. Vreemdelingrechtelijke gevolgen van intrekking van het Nederlanderschap
Voorwaarde is dat de persoon geacht kan worden nooit Nederlander te zijn geweest.
### 2.4.1. Rechten Unieburgerschap
**Vreemdelingen die voor hun naturalisatie of optie in het bezit waren van een** **verblijfsvergunning voor bepaalde tijd waarvan, op het moment van beoordelen van** **het verblijfsrecht, de geldigheidsduur is verstreken.**
De vreemdeling heeft in deze situatie geen verblijfsrecht meer.
**Vreemdelingen die voor inwerkingtreding van artikel 14 lid 1 RWN (1 april 2003) Nederlander zijn geworden en van wie het Nederlanderschap niet wegens identiteitsfraude (maar op grond van een andere vorm van fraude) is ingetrokken.**
De vreemdeling die zijn eerder verleende verblijfsvergunning niet terugkrijgt kan een verblijfsvergunning aanvragen. Die aanvraag zal in een vreemdelingrechtelijke procedure worden behandeld. Verder is het mogelijk dat de grond voor het eerdere verblijfsrecht kan komen te vervallen (bijvoorbeeld omdat de fraude die heeft geleid tot intrekking van het Nederlanderschap ook kan leiden tot intrekking van de verblijfsvergunning). Het mogelijk vervallen van een verblijfsvergunning zal eveneens in een vreemdelingrechtelijke procedure worden behandeld.
### Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van een besluit tot intrekking bedoeld in [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) of in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de betreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties. [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent dat:
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.
### Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
Mocht na ingesteld bezwaar of beroep betrokkene alsnog moeten worden aangemerkt als Nederlander, dan wordt de burgemeester wederom door de Immigratie -en Naturalisatiedienst (IND) hiervan in kennis gesteld.
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
### Paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
### 14-7. Toelichting ad [artikel 14, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Wordt het intrekkingsbesluit in gevallen als hier bedoeld herroepen of vernietigd, dan herleeft de situatie van vóór de intrekking. Wat betreft de namen betekent dat, dat betrokkene alsdan geacht moet worden sedert de verlening c.q. verkrijging van het Nederlanderschap rechtens de namen te dragen zoals die voor hem bij de naturalisatie c.q. optie zijn gewijzigd of vastgesteld.
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
[Artikel 10:22, lid 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=22) luidt:
In geval van verandering van nationaliteit is het recht van de staat van de nieuwe nationaliteit van toepassing, daaronder begrepen de regels van dat recht betreffende de gevolgen van de nationaliteitsverandering voor de naam.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### 2.5.1. Rechten Unieburgerschap
### 2.5. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap
### 2.5.3. Individueel belang
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
### 2.5.4. Algemeen belang
### Paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
[Artikel 65 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=65) bepaalt dat de autoriteiten en ambtenaren die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en verzoek om naturalisatie en die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat heeft geleid tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan Onze Minister, zo nodig onder medezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. De ambtenaar die op de hoogte is van frauduleuze handelingen in de hiervoor bedoelde zin, wordt verzocht contact op te nemen met de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (zie hoofdstuk Voorlichting). In onderling overleg kan dan een standpunt worden bepaald over de te nemen stappen, zoals wijziging van de nationaliteit van de betrokken persoon in de BRP en/of intrekking van het verstrekte Nederlandse reisdocument. Voorts zorgt deze afdeling voor het plaatsen van een aantekening in het nationaliteitenregister bij het Koninklijk Besluit of bij de bevestiging van de optieverklaring.
### paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
### Paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
### Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
De verzending aan de perso(o)n(en) van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, geschiedt per aangetekende post met ontvangstbevestiging.
Wordt de burgemeester door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:
Zijn de namen van betrokkene bij de naturalisatie c.q. optie gewijzigd of vastgesteld, dan doet zich na intrekking van het Nederlanderschap één van de volgende drie situaties voor:
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
### 14-2. Toelichting ad [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
[Artikel 10:22, lid 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=22) luidt:
### 14-2. Toelichting ad [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Vóór de inwerkingtreding van deze rijkswetwijziging was intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk op grond van veroordelingen voor misdrijven genoemd in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN, indien een persoon deze misdrijven pleegde nadat hij het Nederlanderschap had verkregen en hiervoor was veroordeeld. Intrekking van het Nederlanderschap was vóór de rijkswetswijziging alleen mogelijk als sprake was van misdrijven of (buitenlandse) veroordelingen die een afwijzingsgrond vormen voor optie of naturalisatie en die hadden plaatsgevonden voorafgaand aan de naturalisatie of optie en waren verzwegen in deze procedures. In dat geval kon het Nederlanderschap worden ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid RWN.
Met de rijkswet van 5 maart 2016 (Stb. 2016, 121) is het bereik van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, RWN verruimd door het toevoegen van de mogelijkheid het Nederlanderschap in te trekken als sprake is van een veroordeling voor een misdrijf genoemd in [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a). Deze wijziging in artikel 14 RWN is met ingang van 31 maart 2016 in werking getreden.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### Paragraaf 2.3. Tarieven F en G
### paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### Paragraaf 4.2.1. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
### 2.4.4. Algemeen belang
De verzending aan de perso(o)n(en) van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, geschiedt per aangetekende post met ontvangstbevestiging.
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
[Artikel 10:19 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=19) luidt:
### 2.4.6. Weging belangen
Wordt het intrekkingsbesluit in gevallen als hier bedoeld herroepen of vernietigd, dan herleeft de situatie van vóór de intrekking. Wat betreft de namen betekent dat, dat betrokkene alsdan geacht moet worden sedert de verlening c.q. verkrijging van het Nederlanderschap rechtens de namen te dragen zoals die voor hem bij de naturalisatie c.q. optie zijn gewijzigd of vastgesteld.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
De terugwerkende kracht van een intrekkingsbesluit op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) ziet uitsluitend op het Nederlanderschap. Dit betekent dat indien betrokkene, die na deze intrekking niet staatloos is geworden en die op grond van het recht van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, terugkeert naar zijn ‘oude’ namen, in ieder geval (ook na de intrekking bezien) vanaf de verlening c.q. verkrijging van het Nederlanderschap tot de intrekking daarvan rechtens de namen heeft gedragen zoals die voor hem bij de naturalisatie c.q. optie zijn gewijzigd of vastgesteld.
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
De [rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831) (Stb. 2010, 242) vult regels aan met betrekking tot verlies van het Nederlanderschap. In [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is toen een lid ingevoegd dat beoogt een bijdrage te leveren in de strijd tegen het internationaal terrorisme. Het betreft een nieuw tweede lid dat intrekking mogelijk maakt van het Nederlanderschap indien sprake is van een veroordeling wegens misdrijven die zich richten tegen de essentiële belangen van het Koninkrijk. Deze wijziging in artikel 14 RWN is per 1 oktober 2010 in werking getreden.
### 14-2. Toelichting ad [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Met de rijkswet van 6 juli 2016 (Stb. 2016, 281) is het bereik van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d, RWN verruimd door toevoeging van het misdrijf agressie zoals omschreven in artikel 8bis van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Trb. 2000,120 en Trb. 2011,73). Bij besluit van 29 mei 2018 is bepaald dat deze wijziging per 1 augustus 2018 in werking treedt (Stb. 2018, 164).
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
**Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens:**
De [rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831) (Stb. 2010, 242) vult regels aan met betrekking tot verlies van het Nederlanderschap. In [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is toen een lid ingevoegd dat beoogt een bijdrage te leveren in de strijd tegen het internationaal terrorisme. Het betreft een nieuw tweede lid dat intrekking mogelijk maakt van het Nederlanderschap indien sprake is van een veroordeling wegens misdrijven die zich richten tegen de essentiële belangen van het Koninkrijk. Deze wijziging in artikel 14 RWN is per 1 oktober 2010 in werking getreden.
[Artikel II van de rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb. 2010, 242) bepaalt dat intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk is, indien het misdrijf bedoeld in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), is gepleegd vóór de datum van inwerkingtreding van deze rijkswet. Dit betekent dat alleen een misdrijf als bedoeld in voornoemd artikellid dat is gepleegd ná inwerkingtreding van de wet (dus ná 1 oktober 2010) reden kan zijn om het Nederlanderschap in te trekken op grond van artikel 14, tweede lid.
[Artikel II van de rijkswet van 5 maart 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037779&artikel=II) (Stb. 2016, 121) bepaalt dat intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), wegens een misdrijf als bedoeld in [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) niet is toegestaan in geval van een veroordeling wegens dit misdrijf, als dit onherroepelijk is geworden voor inwerkingtreding van deze Rijkswet. Dit betekent dat intrekking van het Nederlanderschap kan plaatsvinden als de veroordeling op grond van artikel 134a Wetboek van Strafrecht op of na 31 maart 2016 onherroepelijk is geworden.
A is als minderjarige in 2000 medegenaturaliseerd met zijn vader en pleegt op 18-jarige leeftijd in 2009 een moord ([artikel 289 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=289)) met een terroristisch oogmerk als bedoeld in [artikel 83 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=83). Hij wordt hiervoor in november 2010 onherroepelijk veroordeeld.
### Paragraaf 1.1. Overgangsrecht
### 15-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht
A is als minderjarige in 2000 medegenaturaliseerd met zijn vader en pleegt op 18-jarige leeftijd in 2009 een moord ([artikel 289 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=289)) met een terroristisch oogmerk als bedoeld in [artikel 83 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=83). Hij wordt hiervoor in november 2010 onherroepelijk veroordeeld.
Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken als de persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf waarbij ernstige schade is toegebracht aan de essentiële belangen van het Koninkrijk of van een of meer landen van het Koninkrijk.
### paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht
Hiervan is sprake als de betrokken persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf genoemd in [artikel 14 tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
Uitgangspunt voor [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is artikel 7 van het Europese Verdrag inzake Nationaliteit (EVN). Artikel 7, derde lid, EVN beperkt de verliesmogelijkheid door het verlies alleen toe te staan als de betrokken persoon daardoor niet staatloos zal worden. Artikel 14, zesde lid, neemt dit over en bepaalt dat geen verlies van het Nederlanderschap plaatsvindt, als staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn. Intrekking van het Nederlanderschap op grond van het tweede lid van artikel 14 RWN is dus niet mogelijk als de betrokken persoon daardoor staatloos wordt. Hij moet dus op het moment van het besluit tot intrekking behalve over de Nederlandse nationaliteit ook over een of meer andere nationaliteit(en) beschikken.
### 15-alg. Toelichting algemeen
Bij de intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, is niet van belang op welke wijze het Nederlanderschap is verkregen. Dit kan zijn door naturalisatie en optie, maar ook kan sprake zijn van verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege, bijvoorbeeld vanaf geboorte door afstamming van een Nederlandse vader of moeder op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
### paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid
De termijn van 12 jaar, als genoemd in het eerste lid, is niet van toepassing als het Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, RWN. Dit betekent dat intrekking van het Nederlanderschap ook mogelijk is, als de betrokken persoon langer dan 12 jaar het Nederlanderschap bezit, bijvoorbeeld vanaf zijn geboorte.
### Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
Bij de intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, is niet van belang op welke wijze het Nederlanderschap is verkregen. Dit kan zijn door naturalisatie en optie, maar ook kan sprake zijn van verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege, bijvoorbeeld vanaf geboorte door afstamming van een Nederlandse vader of moeder op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
In [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) wordt een aantal misdrijven opgesomd. Indien een persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een van deze misdrijven, kan zijn Nederlanderschap worden ingetrokken door de Minister.
### Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
A, van Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit, heeft in 1990 door geboorte in Nederland op grond van [artikel 3, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) (derde generatieartikel) het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Hij pleegt in 2011 een aanslag tegen de troonopvolger ([artikel 94 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=94)). In 2012 wordt A hiervoor onherroepelijk veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Het Nederlanderschap van A kan worden ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), ook al heeft hij het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Van belang is wel dat hij door de intrekking niet staatloos mag worden. De termijn van 12 jaar geldt in dit geval niet, omdat geen sprake is van toepassing van artikel 14, eerste lid RWN waar het gaat om intrekking wegens bedrog in de optie- of naturalisatieprocedure. Daarentegen is sprake van toepassing van artikel 14, tweede lid RWN wegens een onherroepelijke veroordeling wegens staatsondermijnende handelingen.
### Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
In [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) wordt een aantal misdrijven opgesomd. Indien een persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een van deze misdrijven, kan zijn Nederlanderschap worden ingetrokken door de Minister.
### Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
Een onherroepelijke veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan eveneens leiden tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
### Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
Het zonder toestemming van de Koning(in) werven van personen voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd moet als een schending van de essentiële belangen van de staat worden beschouwd, als die gewapende strijd zich tegen het Koninkrijk richt.
### Paragraaf 2.1.2.3. [Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205)
Een man van Nederlandse en Syrische nationaliteit maakt zich schuldig in 2011 aan het werven van jongeren in Nederland voor de gewapende strijd in het kader van een politieke dan wel religieuze overtuiging. De man wordt hiervoor op grond van [artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205) in hetzelfde jaar onherroepelijk veroordeeld. Zijn Nederlanderschap kan worden ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), want hij wordt door de intrekking van het Nederlanderschap niet staatloos.
### Paragraaf 2.1.3. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c
Het Nederlanderschap kan worden ingetrokken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving soortgelijk is aan de misdrijven, bedoeld onder [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), en waartegen de strafwet van de andere drie landen van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten) straf bedreigt. De gestelde straf op het misdrijf bedoeld onder a van acht jaar of meer dient ook in de strafwet van één van de landen van Koninkrijk op acht jaar of meer gesteld te zijn.
### Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
Oorlogsmisdrijven, genocide, foltering (voorheen verspreid over diverse wetten: [Wet Oorlogsstrafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002099), de [Uitvoeringswet folteringsverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004409) en de [Uitvoeringswet genocideverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002453)) en misdrijven tegen de menselijkheid, zijn sinds 1 oktober 2003 opgenomen in de [Wet internationale misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015252) (Wim). Op 1 augustus 2018 is hieraan het misdrijf agressie toegevoegd. Met de Wim hebben misdrijven tegen de menselijkheid een wettelijk basis gekregen, welke voordien ontbrak.
### Paragraaf 2.1.3. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c
Materieel gezien komen de bedoelde strafbepalingen overeen met de misdrijven genoemd in artikelen 6 (genocide), 7 (misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder foltering) en 8 (oorlogsmisdrijven, waaronder foltering) en 8 bis (agressie) van het op 17 juli 1998 tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof (Trb. 2000, 120 en Trb. 2011,73).
Voor de aanduiding van bedoelde misdrijven ligt verwijzing naar dit internationale verdrag voor de hand, nu het hier een rijkswet betreft en de Wim alleen geldt in Nederland.
De rechtsorde van Nederland is onlosmakelijk verbonden met de internationale rechtsorde. Een veroordeling voor een misdrijf dat een ernstige schending vormt van de internationale rechtsorde wordt beschouwd als een ernstige schending van de essentiële belangen van het Koninkrijk (TK 31 813 (R1873), nr. 27 vierde nota van wijziging).
Een onherroepelijke veroordeling in zowel Nederland als in het buitenland voor een misdrijf omschreven in artikelen 6, 7, 8 en 8 bis van het op 17 juli 1998 tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof kan leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.
Een man van Nederlandse en Argentijnse man nationaliteit heeft zich in Argentinië in het verleden schuldig gemaakt aan misdrijven tegen de menselijkheid en wordt hiervoor in 2011 onherroepelijk veroordeeld door de Argentijnse rechter op grond van het betreffende wetsartikel in het Argentijnse wetboek van Strafrecht welk overeenkomt met artikel 7 van het Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof tot een langdurige gevangenisstraf. Het Nederlanderschap kan ingevolge het overgangsrecht ([artikel II, derde lid van de rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb. 2010, 242) niet worden ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), omdat de het misdrijf is gepleegd vóór 1 oktober 2010.
Een Servische man krijgt in 2004 de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie. Hij heeft in het kader van deze naturalisatie afstand gedaan van de Servische nationaliteit. In 2011 wordt hij voor oorlogsmisdaden veroordeeld door de Nederlandse rechter op grond van [artikel 5 van de Wim](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015252&artikel=5) (welk overeenkomt met artikel 8 van het Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof) tot een langdurige gevangenisstraf. De oorlogsmisdaden heeft A gepleegd in 1995 in voormalig Joegoslavië en deze heeft hij verzwegen in de naturalisatieprocedure. Weliswaar kan het Nederlanderschap niet worden ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d RWN, omdat het misdrijf is gepleegd vóór 1 oktober 2010, maar de intrekking kan wel op grond van artikel 14, eerste lid, omdat hij heeft gelogen in zijn naturalisatieprocedure door de feiten uit 1995 te verzwijgen.
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
Een onherroepelijke veroordeling in zowel Nederland als in het buitenland voor een misdrijf omschreven in artikelen 6, 7, 8 en 8 bis van het op 17 juli 1998 tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof kan leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.
### Paragraaf 2. Voorwaarden intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid
Hij heeft daartoe een discretionaire bevoegdheid.
### Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Daartegenover staat dat een intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is beperkt tot Nederlanders die het Nederlanderschap door naturalisatie of optie hebben verkregen.
### Paragraaf 2. [Rijkswet inperking gevolgen Brexit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173)(terugtreden Verenigd Koninkrijk uit de EU)
### 2.4. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
### paragraaf 2.3. Het Nederlanderschap van het minderjarige kind van degene wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid RWN
Net als bij een meerderjarige wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), maak het bij de minderjarige als zojuist bedoeld, niet uit op welke wijze hij het Nederlanderschap heeft verkregen.
### 2.4. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.13HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) opgenomen in de [artikelen 68 t/m 68c BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68).
De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
### Paragraaf 1.1. Overgangsrecht
Omdat het hier gaat om een feit dat is gepleegd in 2009 dus vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging per 1 oktober 2010 ([artikel II van de rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb. 2010, 242), kan wegens dit strafrechtelijk feit met terroristisch oogmerk nooit sprake zijn van intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). A behoudt dan ook zijn Nederlanderschap.
Een vrouw die naast de Nederlandse nationaliteit een tweede nationaliteit heeft reist in 2014 naar Syrië om zich daar te laten trainen om in Nederland terroristische misdrijven te plegen. Bij terugkeer in Nederland wordt zij vervolgd op grond van [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a). De vrouw wordt veroordeeld en op 5 april 2016 wordt de veroordeling onherroepelijk. Omdat de veroordeling onherroepelijk is geworden na 30 maart 2016 en de intrekking niet tot staatloosheid leidt kan het Nederlanderschap worden ingetrokken.
[Artikel II van de rijkswet van 5 maart 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037779&artikel=II) (Stb. 2016, 121) bepaalt dat intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), wegens een misdrijf als bedoeld in [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) niet is toegestaan in geval van een veroordeling wegens dit misdrijf, als dit onherroepelijk is geworden voor inwerkingtreding van deze Rijkswet. Dit betekent dat intrekking van het Nederlanderschap kan plaatsvinden als de veroordeling op grond van artikel 134a Wetboek van Strafrecht op of na 31 maart 2016 onherroepelijk is geworden.
Het gaat dus om een misdrijf dat tegen de staat en zijn instituties is gericht en een ernstig gewelddadig of vijandelijk element bevat.
### paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht
### paragraaf 2. Algemeen
Voorts kan het Nederlanderschap, als er aanleiding toe is, van een veroordeelde minderjarige worden ingetrokken. In [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), wordt immers algemeen gesproken over de persoon van wie het Nederlanderschap kan worden ingetrokken. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen een minderjarige of een meerderjarige.
### 15-1-a. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
A, van Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit, heeft in 1990 door geboorte in Nederland op grond van [artikel 3, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) (derde generatieartikel) het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Hij pleegt in 2011 een aanslag tegen de troonopvolger ([artikel 94 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=94)). In 2012 wordt A hiervoor onherroepelijk veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Het Nederlanderschap van A kan worden ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), ook al heeft hij het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Van belang is wel dat hij door de intrekking niet staatloos mag worden. De termijn van 12 jaar geldt in dit geval niet, omdat geen sprake is van toepassing van artikel 14, eerste lid RWN waar het gaat om intrekking wegens bedrog in de optie- of naturalisatieprocedure. Daarentegen is sprake van toepassing van artikel 14, tweede lid RWN wegens een onherroepelijke veroordeling wegens staatsondermijnende handelingen.
### Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
De termijn van 12 jaar, als genoemd in het eerste lid, is niet van toepassing als het Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, RWN. Dit betekent dat intrekking van het Nederlanderschap ook mogelijk is, als de betrokken persoon langer dan 12 jaar het Nederlanderschap bezit, bijvoorbeeld vanaf zijn geboorte.
### Paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b
In [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) wordt een aantal misdrijven opgesomd. Indien een persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een van deze misdrijven, kan zijn Nederlanderschap worden ingetrokken door de Minister.
### Paragraaf 2.1.2.2. [Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)
Met ingang van 31 maart 2016 is in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)[artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) opgenomen als grond voor intrekking van het Nederlanderschap. Artikel 134a gaat om gevallen waarin sprake is van hulp bij het plegen van terroristische misdrijven of bij de voorbereiding van dergelijke misdrijven. Als sprake is van een onherroepelijk veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan dit leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.
### Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
### Paragraaf 1. Algemeen
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzondering en moet afstand van de nationaliteit van land Y doen.
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Indien het verlies aan vermogensrechtelijke rechten door het doen van afstand slechts zeer klein is, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het verlies zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt ook in dit kader een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
Als minimum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan het bedrag van het ver laagde tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker door het doen van afstand een bedrag verliest dat lager ligt dan (of gelijk is aan) het bedrag van het verlaagde tarief, kan nooit – ongeacht het vermogen van verzoeker – met succes een beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo laag dat het te lijden nadeel niet als substantieel kan worden aangemerkt.
Als maximum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan tien maal het bedrag van het normale tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker een bedrag verliest dat hoger ligt dan (of gelijk is aan) tien maal het bedrag van het normale tarief, kan altijd – ongeacht het vermogen van verzoeker – met succes een beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo hoog dat het te lijden nadeel als substantieel kan worden aangemerkt.
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
Voor de vaststelling van het vermogen en de geldende vermogensgrenzen is het hierboven gestelde onder paragrafen [3.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.2&z=2024-01-01&g=2024-01-01),[3.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) en [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.4&z=2024-01-01&g=2024-01-01) van overeenkomstige toepassing.
Voor de vaststelling van het vermogen en de geldende vermogensgrenzen is het hierboven gestelde onder paragrafen [3.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01),[3.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.4&z=2024-04-01&g=2024-04-01) van overeenkomstige toepassing.
### Paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
Artikel 14, zesde lid RWN (tot 1 maart 2017) en na 1 maart 2017 artikel 14, achtste lid RWN, bepaalt immers dat verlies van Nederlanderschap ingevolge het eerste lid kan plaatshebben ook al is staatloosheid daarvan het gevolg.
De beslissing tot intrekking is aan Onze Minister
Het feit dat het aantal misdrijven in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), is beperkt tot ernstige misdrijven, dat het misdrijf moeten hebben geleid tot een onherroepelijke veroordeling, dat het misdrijf moet zijn gepleegd ná de inwerkingtreding van het intrekkingsartikel artikel 14, tweede lid en (in het geval van veroordeling op grond van [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)) onherroepelijk moet zijn geworden na 30 maart 2016 en de omstandigheid dat het Nederlanderschap niet wordt ingetrokken indien de betrokken persoon staatloos wordt, brengen mee dat sprake is van een meer door de wetgever bepaald kader waarbinnen de intrekking ex artikel 14, tweede lid RWN plaats heeft dan bij een intrekking ex artikel 14, eerste lid. Het kader om tot intrekking over te gaan, geeft bij het tweede lid minder discretionaire ruimte aan de Minister dan dat bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste lid.
De veiligheid van het Koninkrijk is bij de genoemde misdrijven bijna altijd in het geding en maakt deel uit van de criteria voor de afweging bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot intrekking (TK 31 813 (R1873), nr. 27 vierde nota van wijziging). Daarnaast zullen zeer bijzondere omstandigheden betrekking hebbende op de persoon van de dader en prangende humanitaire redenen worden meegewogen. Dit zijn in de regel andere omstandigheden en redenen dan die de strafrechter heeft meegenomen in zijn oordeel, nu de Minister een ander, bestuursrechtelijk, toetsingskader hanteert. De duur van de opgelegde straf maakt slechts in zeer beperkte mate deel uit van de afweging. Dit volgt uit de parlementaire behandeling van de wet waarmee [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) is toegevoegd aan de artikelen die op grond van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kunnen leiden tot intrekking van het Nederlanderschap. Alleen in geval van schuldigverklaring zonder oplegging van straf of in geval van het opleggen van een gevangenisstraf van (zeer) korte duur wegens (sterk) verminderde toerekeningsvatbaarheid, zou sprake kunnen zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding is af te zien van intrekking van het Nederlanderschap (EK 34 016 (R2036) memorie van antwoord).
### paragraaf 2.3. Het Nederlanderschap van het minderjarige kind van degene wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid RWN
### 2.4. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
### 2.4. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.13HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) opgenomen in de [artikelen 68 t/m 68c BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68).
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten:
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -8438,227 +11232,99 @@
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Is dat bedrag lager dan een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is geen sprake van substantieel financieel nadeel en kan verzoeker geen beroep doen op deze uitzondering (met inachtneming van het minimum en maximum financieel nadeel).
Verzoekster A heeft de nationaliteit van land Z en is 40 jaar oud. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie overlegt zij verklaringen van de autoriteiten van land Z, waaruit blijkt dat zij een pensioen heeft opgebouwd van 2000 en dat pensioenbedragen alleen worden uitgekeerd aan personen met de nationaliteit van land Z die de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. De betreffende wettelijke bepalingen zijn bijgevoegd. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat A in Nederland een spaartegoed heeft van 3000 en in Duitsland een spaartegoed heeft van 2000. A behoeft geen afstand te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit. Haar opgebouwd pensioen kan thans niet te gelde worden gemaakt, zodat zij dat pensioen zal verliezen door het doen van afstand. Het te verliezen bedrag van 2000 is voorts groter dan een vierde deel van haar overig vermogen van 5000.
Verzoeker B bezit de nationaliteit van land Y. Hij heeft aldaar een aantal jaren geleden met het oog op de alsmaar stijgende grondprijzen een braakliggend stuk grond van een hectare gekocht voor 30.000. Nadien heeft hij niet meer naar het stuk grond omgekeken. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie toont hij aan de hand van verklaringen van de autoriteiten van land Y aan dat hij aldaar de eigendom heeft van de hectare grond. Hij overlegt tevens een notariële akte waaruit blijkt dat het stuk grond een huidige waarde heeft van 50.000. In een andere verklaring van de autoriteiten van land Y wordt gesteld dat personen die geen onderdaan zijn van land Y geen eigenaar mogen zijn van grond en dat zonodig de grond door de autoriteiten zonder geldelijke vergoeding in beslag wordt genomen. De stukken zijn gelegaliseerd en vertaald in het Nederlands.
B behoeft door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel te lijden. Weliswaar heeft hij genoegzaam aangetoond dat hij eigenaar van een stuk grond is met een aanzienlijke waarde en dat hij de grond door het doen van afstand zou verliezen, maar uit de stukken blijkt niet dat hij de grond slechts onder onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden kan verkopen. Integendeel. Het is een braakliggend stuk grond dat hij met een goede winst kan verkopen. B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie.
Door betrokkene zal aan de hand van recente verklaringen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, moeten aantonen dat hij dienstplichtig is, dat hij zijn militaire dienst nog niet heeft vervuld en dat hij slechts afstand van die nationaliteit kan doen na vervulling (door middel van werkelijke dienst, al dan niet met afkoop van een gedeelte daarvan) aldaar van de militaire dienst.
Door betrokkene zal aan de hand van recente verklaringen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, moeten aantonen dat hij dienstplichtig is, dat hij zijn militaire dienst nog niet heeft vervuld en dat hij slechts afstand van die nationaliteit kan doen na vervulling (door middel van werkelijke dienst, al dan niet met afkoop van een gedeelte daarvan) aldaar van de militaire dienst.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
Het betreft hier verzoekers die bij het indienen van het verzoek om naturalisatie aantonen dat zij in het bezit zijn van verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd) of verblijfsdocument IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd). Ingevolge [artikel 9, derde lid, aanhef en onder e RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) zijn bovenstaande verzoekers vrijgesteld van de afstandsplicht en zijn zij derhalve niet verplicht om de bereidheidsverklaring tot afstand van de oorspronkelijk nationaliteit(en) ([model 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-01-01&g=2024-01-01)) te ondertekenen.
Het betreft hier verzoekers die bij het indienen van het verzoek om naturalisatie aantonen dat zij in het bezit zijn van verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd) of verblijfsdocument IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd). Ingevolge [artikel 9, derde lid, aanhef en onder e RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) zijn bovenstaande verzoekers vrijgesteld van de afstandsplicht en zijn zij derhalve niet verplicht om de bereidheidsverklaring tot afstand van de oorspronkelijk nationaliteit(en) ([model 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) te ondertekenen.
### 3. Onderteken dit formulier
Daarnaast zijn verzoekers, die op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie in het bezit zijn van een reguliere verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel én in het kader van het verzoek om naturalisatie zijn vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) met ingang van 1 mei 2009 eveneens vrijgesteld van het doen van afstand. Deze groep vrijgestelden moet overigens bij de indiening van het verzoek om naturalisatie wel de bereidheidsverklaring tot afstand van de oorspronkelijk nationaliteit(en) (model 2.4) ondertekenen. Immers, de IND beslist pas ná de indiening van het naturalisatieverzoek of een verzoeker al dan niet voldoende bewijsstukken heeft aangeleverd om tot vrijstelling van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) over te gaan en derhalve ook in aanmerking komt voor deze uitzonderingscategorie van het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit.
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### 4. Opsturen
Indien een staat niet wordt erkend, wordt vanzelfsprekend ook de nationaliteit van deze staat niet erkend. In een dergelijk geval afstand eisen, betekent ook dat van een niet-erkende staat afkomstige bewijsstukken inzake het verlies van de nationaliteit door de Nederlandse autoriteiten in ontvangst en in behandeling worden genomen. Omdat dit niet strookt met het beginsel dat met een niet-erkende staat geen uitwisseling van officiële stukken plaatsvindt, wordt aan personen afkomstig uit staten die niet worden erkend door Nederland niet gevraagd afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Voorbeeld van een niet-erkende staat is Taiwan.
De meerderjarige verzoeker die minderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht en op wiens naturalisatieverzoek op of na 1 juni 2021 positief is beslist, is vrijgesteld van de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
De meerderjarige verzoeker die minderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht en op wiens naturalisatieverzoek op of na 1 juni 2021 positief is beslist, is vrijgesteld van de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
De verzoeker hoeft geen bereidheidsverklaring tot afstand van de oorspronkelijke nationaliteit ([model 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) te ondertekenen.
De verzoeker die meerderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht en op wiens naturalisatieverzoek op of na 1 november 2021 positief is beslist, is vrijgesteld van de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
De verzoeker die meerderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht en op wiens naturalisatieverzoek op of na 1 november 2021 positief is beslist, is vrijgesteld van de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
De verzoeker hoeft geen bereidheidsverklaring tot afstand van de oorspronkelijke nationaliteit ([model 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) te ondertekenen.
In de toelichting op bovenstaande uitzonderingscategorieën wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat er verklaringen en/of documenten dienen te worden overgelegd indien verzoeker meent onder één van de uitzonderingscategorieën te vallen. Alleen authentieke akten worden in dit verband geaccepteerd als bewijsstukken. Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Authentieke akten zijn tevens akten, waarvan het opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt (zie artikel 183, tweede lid, WBRv). Onderhandse akten worden niet geaccepteerd. Onderhandse akten zijn alle akten die niet authentieke akten zijn (zie artikel 183, derde lid, WBRv).
In de toelichting op bovenstaande uitzonderingscategorieën wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat er verklaringen en/of documenten dienen te worden overgelegd indien verzoeker meent onder één van de uitzonderingscategorieën te vallen. Alleen authentieke akten worden in dit verband geaccepteerd als bewijsstukken. Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Authentieke akten zijn tevens akten, waarvan het opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt (zie artikel 183, tweede lid, WBRv). Onderhandse akten worden niet geaccepteerd. Onderhandse akten zijn alle akten die niet authentieke akten zijn (zie artikel 183, derde lid, WBRv).
Voor het verkrijgen van documenten, alsmede voor de vertaling en, indien nodig, legalisatie van deze stukken, dient de verzoeker zelf te zorgen. Zie de [toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.4&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
N.B. In Bijlage 1 bij dit artikellid is een lijst van landen opgenomen met vermelding of bij naturalisatie tot Nederlander al dan niet automatisch verlies intreedt, of het doen van afstand al dan niet mogelijk is, of het land partij is (geweest) bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en of het land partij is (geweest) bij het Tweede Protocol. Voorts is achter sommige landen aangegeven dat niet bekend is of men de oorspronkelijke nationaliteit behoudt of verliest. In dat geval kan betrokkene niet worden gevraagd een afstandsverklaring te ondertekenen en dient er vooralsnog van te worden uitgegaan dat hij de oorspronkelijke nationaliteit behoudt.
Ingevolge [artikel 34, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34) wordt, alvorens het verzoek om naturalisatie in behandeling wordt genomen, door de burgemeester onderzocht of de verzoeker naturalisatiegelden is verschuldigd op grond van het [Besluit optie- en naturalisatiegelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782).
Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In deze gevallen heeft het immers geen zin om afstand te vragen. Met het oog op automatisch verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander of met het oog op eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan vooren- en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker reeds in de voorlichtingsfase door de burgemeester wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of het consulaat) of naar de voor hem geëigende organisaties voor minderheden voor het verkrijgen van informatie hieromtrent.
Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In deze gevallen heeft het immers geen zin om afstand te vragen. Met het oog op automatisch verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander of met het oog op eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan vooren- en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker reeds in de voorlichtingsfase door de burgemeester wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of het consulaat) of naar de voor hem geëigende organisaties voor minderheden voor het verkrijgen van informatie hieromtrent.
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de bestaande uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk en in een voorkomend geval aan de hand van berekeningen – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Hij wordt erop gewezen dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen indien een beroep op de uitzonderingscategorie niet wordt gehonoreerd en dat het bedrag aan betaalde leges in dat geval niet wordt teruggegeven.
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de bestaande uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk en in een voorkomend geval aan de hand van berekeningen – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Hij wordt erop gewezen dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen indien een beroep op de uitzonderingscategorie niet wordt gehonoreerd en dat het bedrag aan betaalde leges in dat geval niet wordt teruggegeven.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
### 2. Voldoet u (= aanvrager) aan de volgende voorwaarden?
De betrokkene wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. De betrokkene wordt tevens gewezen op de uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voor zover mogelijk – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Een betrokkene die bereid is afstand te doen, wordt in de voorlichtingsfase verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit om te informeren naar de wijze waarop afstand van die nationaliteit kan worden gedaan (kan afstand worden gedaan op een ambassade of consulaire post in Nederland, kan alleen afstand worden gedaan in het land van herkomst, moet voor het doen van afstand worden betaald etc.) én naar de (eventuele) gevolgen van het doen van afstand (bijvoorbeeld het verlies van vermogensrechtelijke rechten). Dit is om te voorkomen dat de betrokkene, na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, bij het doen van afstand wordt geconfronteerd met daaraan verbonden voorwaarden waaraan hij niet kan of niet wenst te voldoen. Na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap kan hij immers niet meer met succes een beroep doen op één van de uitzonderingscategorieën. In dat kader is van belang dat uit de door de betrokkene ondertekende bereidheidsverklaring blijkt dat hij in verband met het doen van afstand is gewezen op de uitzonderingscategorieën en dat hij tevens is verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie over het doen van afstand. Ten slotte wordt de betrokkene in de voorlichtingsfase meegedeeld dat als hij na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap weigert afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit, het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend, kan worden ingetrokken.
De betrokkene wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. De betrokkene wordt tevens gewezen op de uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voor zover mogelijk – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Een betrokkene die bereid is afstand te doen, wordt in de voorlichtingsfase verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit om te informeren naar de wijze waarop afstand van die nationaliteit kan worden gedaan (kan afstand worden gedaan op een ambassade of consulaire post in Nederland, kan alleen afstand worden gedaan in het land van herkomst, moet voor het doen van afstand worden betaald etc.) én naar de (eventuele) gevolgen van het doen van afstand (bijvoorbeeld het verlies van vermogensrechtelijke rechten). Dit is om te voorkomen dat de betrokkene, na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, bij het doen van afstand wordt geconfronteerd met daaraan verbonden voorwaarden waaraan hij niet kan of niet wenst te voldoen. Na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap kan hij immers niet meer met succes een beroep doen op één van de uitzonderingscategorieën. In dat kader is van belang dat uit de door de betrokkene ondertekende bereidheidsverklaring blijkt dat hij in verband met het doen van afstand is gewezen op de uitzonderingscategorieën en dat hij tevens is verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie over het doen van afstand. Ten slotte wordt de betrokkene in de voorlichtingsfase meegedeeld dat als hij na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap weigert afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit, het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend, kan worden ingetrokken.
### 3. Onderteken dit formulier
Het origineel van de bereidheidsverklaring wordt door de burgemeester met het optiedossier of het advies betreffende naturalisatie verzonden naar de IND. Als de burgemeester dat noodzakelijk acht, kan hij een kopie van die verklaring behouden. Bij naturalisatie moet op het adviesblad worden aangegeven dat betrokkene bereid is afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit.
Na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap ontvangt de betrokkene een bericht van Onze Minister om binnen een termijn van drie maanden een verzoek te doen tot afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Daarbij wordt hij tevens gewezen op de mogelijkheid tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend, dit overeenkomstig het bepaalde in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Van dit bericht wordt een kopie gezonden aan de burgemeester ([artikel 58, eerste lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=58)).
De betrokkene die drie maanden na het versturen van het bericht niet heeft aangetoond dat hij actie heeft ondernomen om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, wordt door de IND schriftelijk verzocht om binnen een termijn van een maand stukken toe te zenden waaruit blijkt dat hij zijn oorspronkelijke nationaliteit heeft verloren door het doen van afstand, dan wel een verzoek om afstand heeft gedaan.
### 4. Opsturen
De betrokkene zal in de drie maanden na het verkrijgen of verlenen van het Nederlanderschap op verschillende wijzen kunnen aantonen dat hij actie heeft ondernomen om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Zo zal hij kunnen aantonen dat hij een verzoek om afstand heeft gedaan of dat hij een verklaring van afstand heeft afgegeven, maar daarvan nog geen bevestiging heeft gehad van de bevoegde autoriteit. Als de betrokkene dit heeft gedaan, maar het heeft nog niet tot verlies van de andere nationaliteit geleid, zal hij zes maanden na zijn reactie door de IND schriftelijk worden verzocht binnen een maand informatie te verschaffen met betrekking tot de voortgang van het doen van afstand ([artikel 30b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30b), of 58, tweede lid, BvvN). Als de betrokkene hierop niet reageert, wordt hem een nieuwe brief gestuurd. In deze brief wordt het verzoek om binnen een maand informatie te verschaffen herhaald en wordt aangegeven dat als hij dit nalaat, het besluit waarbij het Nederlanderschap werd verkregen of verleend, door Onze Minister zal worden ingetrokken. Na verloop van deze termijn zonder dat betrokkene reageert, zal Onze Minister overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend. Voordat tot intrekking van het besluit wordt overgegaan, neemt de IND zekerheidshalve contact op met de gemeente om na te gaan of de betrokkene inderdaad geen verklaring tot afstand van de oorspronkelijke nationaliteit heeft overgelegd.
Als de betrokkene wél reageert op het verzoek of de verzoeken om informatie van de IND, kan hem een nadere termijn worden gesteld om het verlies van de andere nationaliteit te bewerkstelligen (artikel 30b, derde lid, of 58, derde lid, BvvN). Dit zal met name geschieden als de buitenlandse overheid nog niet heeft beslist op het verzoek om afstand of als deze nog geen bevestiging van het verlies van de andere nationaliteit na een verklaring van afstand heeft toegezonden. Onze Minister kan van de betrokkene verlangen dat hij zijn verzoek of verklaring herhaalt. Afhankelijk van de redenen die de betrokkene geeft op grond waarvan het nog niet is gelukt om afstand te doen, beslist Onze Minister of het Nederlanderschap met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, RWN wordt ingetrokken of dat hem opnieuw een termijn wordt gegund om te voldoen aan zijn verplichting om afstand te doen. De duur van de gegunde termijn hangt weer af van de gegeven redenen en de toepasselijke feiten en omstandigheden; afhankelijk van de omstandigheden kan dus meerdere keren een termijn worden gegund. De getoonde bereidheid van betrokkene om mee te werken en de moeite die hij heeft gedaan om de andere nationaliteit te verliezen, zal bij deze beslissing een rol spelen.
Als de betrokkene ondanks herhaalde herinneringsbrieven nalatig blijft al het mogelijke te doen zijn andere nationaliteit(en) te verliezen, zal op grond van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN worden overgegaan tot de intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend (zie de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, RWN).
Als na verloop van tijd is gebleken dat de betrokkene al het mogelijke heeft gedaan dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen én is gebleken dat de autoriteiten van het land van de andere nationaliteit in het betreffende geval geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verzoek of de verklaring van afstand, dan kan Onze Minister besluiten hem te ontslaan van de verplichting om afstand te doen (artikel 30b, derde lid, of 58, derde lid, BvvN). Van geen of onvoldoende medewerking in deze zin kan worden gesproken als de autoriteit van het land van de andere nationaliteit na verloop van een aantal jaren nog steeds geen beslissing heeft genomen op de herhaalde verzoeken of verklaringen van de betrokkene om afstand van die nationaliteit te doen. Dit gaat uiteraard niet op als – eventueel na onderzoek – blijkt dat het gebrek aan medewerking van de autoriteit is te wijten aan betrokkene zelf. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan het niet betalen van leges of het niet aanleveren van stukken.
Documenten uit het buitenland moeten, zo nodig, gelegaliseerd en vertaald worden.
De op dit moment geldende legalisatiecirculaire is van toepassing.
De betrokkene die afstand heeft gedaan, zal een bewijs daarvan moeten overleggen bij de afdeling Burgerzaken dan wel bij de IND. In de betreffende nationaliteitswetgeving moet worden nagegaan of de instantie die een verklaring van afstand heeft afgegeven of bevestigd dan wel de instantie die de beslissing op het verzoek om afstand heeft genomen wel daartoe is bevoegd. Een dergelijke verklaring van afstand is een akte die gelegaliseerd moet zijn, tenzij een uitzondering op die regel van toepassing is (zie hierboven paragraaf 4). Als de verklaringen en/of het document zijn opgesteld in een andere taal dan het Engels, Duits of Frans, moet de betrokkene zorg dragen voor een door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling. Deze vertaling moet worden gehecht aan het originele document (zie hierboven paragraaf 4). Een verklaring waarin wordt aangegeven dat de betrokkene zijn paspoort heeft ingeleverd, is niet voldoende. De verklaring van de autoriteiten moet in elk geval de personalia van betrokkene bevatten en (zo mogelijk) de datum met ingang waarvan hij niet meer in het bezit is van zijn oorspronkelijke nationaliteit. De IND heeft een eigen verantwoordelijkheid in het beoordelen van een verklaring van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit. Als een verklaring van afstand is ingediend bij de afdeling Burgerzaken van een gemeente en de IND is van mening dat de verklaring van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet voldoet, wordt contact met de betreffende afdeling Burgerzaken opgenomen.
Wordt het bewijs dat de andere nationaliteit is verloren, overgelegd bij de IND, dan zal een gewaarmerkt afschrift daarvan worden gezonden aan de gemeente waar de optieverklaring is afgelegd of het verzoek om naturalisatie is ingediend en tevens – in het geval de betrokkene is verhuisd naar een andere gemeente – naar de gemeente waar als ingezetene is ingeschreven in de BRP, met het verzoek de BRP aan dit gegeven aan te passen ([artikel 30c, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30c), of [59, eerste en derde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=59)).
Hierna volgt een lijst van landen met vermelding van behoud of verlies van de nationaliteit bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Bij deze lijst wordt het volgende aangetekend: het betreft hier een momentopname voor zover bij het Ministerie Justitie en Veiligheid bekend ten tijde van het verschijnen van deze gewijzigde landenlijst. Gebruikers van deze lijst die stuiten op wijzigingen of onjuistheden, wordt verzocht dit schriftelijk aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid te melden onder vermelding van het onderwerp: Afstandsverplichting bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap.
Hierna volgt een lijst van landen met vermelding van behoud of verlies van de nationaliteit bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Bij deze lijst wordt het volgende aangetekend: het betreft hier een momentopname voor zover bij het Ministerie Justitie en Veiligheid bekend ten tijde van het verschijnen van deze gewijzigde landenlijst. Gebruikers van deze lijst die stuiten op wijzigingen of onjuistheden, wordt verzocht dit schriftelijk aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid te melden onder vermelding van het onderwerp: Afstandsverplichting bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap.
De schrijfwijze van de namen van staten is conform de ‘lijst van landnamen’, de officiële schrijfwijze voor het Nederlandse taalgebied, van de Werkgroep Buitenlandse Aardrijkskundige namen, 1994.
A = automatisch verlies
B = geen automatisch verlies maar het doen van afstand is mogelijk.
Als volgens de vreemde nationaliteitswetgeving het doen van afstand mogelijk is, betekent dit niet dat dit altijd daadwerkelijk door de Nederlandse autoriteiten wordt verlangd. Van de verplichting om de oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, bestaan vrijstellingen. Zie daarvoor [artikel 9 lid 3 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [artikel 6 Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=6) (Stcrt. 2003, 54).
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2-2. Toelichting ad artikel 2, tweede lid
### Paragraaf 3.7. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
### Paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
### Paragraaf 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
### Paragraaf 2.2.3. Gedeeltelijke vrijstelling
### Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
### Paragraaf 5.1. Misdrijven
### Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
### Paragraaf 2. Geprivilegieerden
### 8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
### 8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
### Paragraaf 8.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
### Paragraaf 8.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
### Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag
### Paragraaf 8.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
### 9-3. Toelichting ad [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
De beoordeling van de door de vreemdeling naar voren gebrachte bijzondere feiten of omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND en bij optie bij de burgemeester.
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
Indien het verlies aan vermogensrechtelijke rechten door het doen van afstand slechts zeer klein is, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het verlies zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt ook in dit kader een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
### Artikel 10
### 10-alg. Toelichting algemeen
Binnen de grenzen van het minimum en het maximum financieel nadeel is de verhouding tussen het overig vermogen van verzoeker én het bedrag dat wordt verloren door het doen van afstand bepalend voor de vraag of hij al dan niet afstand moet doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
Is het bedrag (de waarde van de vermogensrechtelijke rechten) dat wordt verloren door het doen van afstand hoger dan (of gelijk aan) een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is sprake van substantieel financieel nadeel in hier bedoelde zin en behoeft verzoeker geen afstand te doen.
### Artikel 10
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. Hij overlegt een twee jaar oude verklaring van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij wordt opgeroepen voor het vervullen van de militaire dienst. Tevens overlegt hij een verklaring van de autoriteiten waarin staat dat personen die de dienstplicht nog moeten vervullen geen afstand kunnen doen van de nationaliteit van land Z. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands.
A kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie. Weliswaar heeft hij een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij is opgeroepen voor militaire dienst, maar hij heeft niet genoegzaam aangetoond dat hij de dienstplicht nog moet vervullen. De oproep voor militaire dienst is immers twee jaar oud, zodat het mogelijk is dat hij de dienstplicht inmiddels heeft vervuld.
### Paragraaf 3.10. Meerderjarige verzoeker die minderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht
De reden voor bovenstaande uitzondering op de afstandsverplichting is dat het in deze gevallen onverantwoord is de verzoeker te verplichten contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden zijn deze categorieën vreemdelingen vrijgesteld van het legalisatievereiste, indien betrokkene bezwaar maakt tegen dat vereiste.
### paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
Indien een staat niet wordt erkend, wordt vanzelfsprekend ook de nationaliteit van deze staat niet erkend. In een dergelijk geval afstand eisen, betekent ook dat van een niet-erkende staat afkomstige bewijsstukken inzake het verlies van de nationaliteit door de Nederlandse autoriteiten in ontvangst en in behandeling worden genomen. Omdat dit niet strookt met het beginsel dat met een niet-erkende staat geen uitwisseling van officiële stukken plaatsvindt, wordt aan personen afkomstig uit staten die niet worden erkend door Nederland niet gevraagd afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Voorbeeld van een niet-erkende staat is Taiwan.
### Paragraaf 3.10. Meerderjarige verzoeker die minderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht
### Paragraaf 3.10. Meerderjarige verzoeker die minderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
### paragraaf 4. Bewijsstukken
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Als het Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van het eerste lid van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) mag staatloosheid daarentegen wel het gevolg zijn.
Voorts wordt in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), verwezen naar [artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205).
Een onherroepelijke veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan eveneens leiden tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
Een onherroepelijke veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan eveneens leiden tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
In [artikel 3 van de Wim](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015252&artikel=3) wordt genocide strafbaar gesteld en in [artikel 4 van de Wim](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015252&artikel=4) misdrijven tegen de menselijkheid. Oorlogsmisdrijven worden in [artikel 5 tot en met 7 van de Wim](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015252&artikel=5) strafbaar gesteld en in [artikel 8 van de Wim](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015252&artikel=8) wordt foltering als afzonderlijk misdrijf strafbaar gesteld (d.w.z. niet als een misdrijf tegen de menselijkheid of als een oorlogsmisdrijf). In [artikel 8b van de Wim](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015252&artikel=8b)wordt agressie strafbaar gesteld.
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Van Nederlanders die het Nederlanderschap op een andere wijze dan door optie of naturalisatie hebben gekregen, is het wel mogelijk het Nederlanderschap te ontnemen op grond van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), mits zij over nog een nationaliteit beschikken.
### paragraaf 2.3. Het Nederlanderschap van het minderjarige kind van degene wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid RWN
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
### 2.4.1. Rechten Unieburgerschap
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
### 2.4.3. Individueel belang
### 2.4.1. Rechten Unieburgerschap
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
### 2.4.2. Bewijslast
Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.
### 2.4.3. Individueel belang
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese Parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.
Op grond van [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), kan de IND het Nederlanderschap intrekken als de persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf waarbij ernstige schade is toegebracht aan de essentiële belangen van het Koninkrijk of van een of meer landen van het Koninkrijk. Het gaat dus om een misdrijf dat tegen de staat en zijn instituties is gericht en een ernstig gewelddadig of vijandelijk element bevat.
Het belang van de staat is dat hiermee tot uitdrukking wordt gebracht dat de onherroepelijk veroordeelde persoon zijn band met het Koninkrijk heeft opgezegd. Hierom wordt er geen belang gehecht aan de rechten van het Unieburgerschap. Aan dit algemeen belang komt een zwaar gewicht toe, gelet op de aard van de door betrokkene gepleegde vergrijpen.
De IND betrekt bij de evenredigheidstoets aan het Unieburgerschap onder meer de volgende aspecten:
Op grond van [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), kan de IND het Nederlanderschap intrekken als de persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf waarbij ernstige schade is toegebracht aan de essentiële belangen van het Koninkrijk of van een of meer landen van het Koninkrijk. Het gaat dus om een misdrijf dat tegen de staat en zijn instituties is gericht en een ernstig gewelddadig of vijandelijk element bevat.
### 2.2.2. Bewijslast
Het belang van de staat is dat hiermee tot uitdrukking wordt gebracht dat de onherroepelijk veroordeelde persoon zijn band met het Koninkrijk heeft opgezegd. Hierom wordt er geen belang gehecht aan de rechten van het Unieburgerschap. Aan dit algemeen belang komt een zwaar gewicht toe, gelet op de aard van de door betrokkene gepleegde vergrijpen.
### 2.4.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
### paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
### paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
Het Nederlanderschap wordt niet ingetrokken als de betrokkene daardoor staatloos wordt (zie artikel 14, achtste lid, RWN). De omstandigheid dat de betrokkene minderjarig is vormt geen reden om van de intrekking van het Nederlanderschap af te zien maar maakt deel uit van de belangenafweging in het besluit tot intrekking.
### Paragraaf 1. Algemeen
Om het Nederlanderschap wegens in dienst treden in vreemde krijgsdienst te kunnen intrekken moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
Het Nederlanderschap wordt niet ingetrokken als de betrokkene daardoor staatloos wordt (zie artikel 14, achtste lid, RWN). De omstandigheid dat de betrokkene minderjarig is vormt geen reden om van de intrekking van het Nederlanderschap af te zien maar maakt deel uit van de belangenafweging in het besluit tot intrekking.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -8670,107 +11336,345 @@
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 3.7. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
### Paragraaf 2. Procedure
### Paragraaf 3.1. Inleiding
### Paragraaf 3.5.1. Niet duurzaam verblijvend personeel
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
### Paragraaf 5.4. Voeging
### Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten
### Paragraaf 5.7. Jeugdigen
### Artikel 9
### Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten
### 8-3. Toelichting ad [artikel 8, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### Paragraaf 5.5. Taakstraffen
### Paragraaf 5.4. Voeging
### Paragraaf 5.8. Vijfjaartermijn
### paragraaf 4. Bewijsstukken
### Paragraaf 3.11. Verzoeker die meerderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht
### paragraaf 3.5. Beslissing
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
### Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
### Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
### paragraaf 4. Bewijsstukken
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
### 2.5.2. Bewijslast
### 14-9. Toelichting ad [artikel 14, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid
### Paragraaf 2.1.2.2. [Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)
Voorts wordt in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), verwezen naar [artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205).
### Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
### Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Van Nederlanders die het Nederlanderschap op een andere wijze dan door optie of naturalisatie hebben gekregen, is het wel mogelijk het Nederlanderschap te ontnemen op grond van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), mits zij over nog een nationaliteit beschikken.
De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit.
### 2.4.2. Bewijslast
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
### 2.4.3. Individueel belang
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
### 2.4.2. Bewijslast
Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese Parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.
Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.
### 2.2.1. Rechten Unieburgerschap
### 2.4.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND bekijkt of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
### 2.4.6. Weging belangen
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
### 2.4.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
### 14-3. Toelichting ad [artikel 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Deze wijziging van de Rijkswet kent geen bepaling van overgangsrecht. Dit betekent dat een persoon die op of na 1 maart 2017 in vreemde krijgsdienst treedt het Nederlanderschap alleen verliest na een besluit van Onze Minister.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
alsook: **Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 14-9. Toelichting ad [artikel 14, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 2. Algemeen
### 15-alg. Toelichting algemeen
### 2.4.4. Algemeen belang
### 2.4.4. Algemeen belang
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND bekijkt of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
Met de inwerkingtreding op 1 maart 2017 van de Rijkswet van 10 februari 2017 is het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden van een staat als bedoeld in [artikel 14, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) als grond voor de intrekking van het Nederlanderschap in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) opgenomen. Tot deze datum leidde het in vreemde krijgsdienst treden voor meerderjarigen op grond van [artikel 15, lid 1 onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) van rechtswege tot verlies van het Nederlanderschap. Met ingang van 1 maart 2017 gaat het Nederlanderschap niet meer van rechtswege verloren maar moet een besluit worden genomen door Onze Minister. Omdat het Nederlanderschap niet langer van rechtswege verloren gaat kan in het intrekkingsbesluit een proportionaliteitstoets plaatsvinden waarin (onder meer) wordt ingegaan op de gevolgen van het verlies van het burgerschap van de Europese Unie.
### Paragraaf 2. Intrekking wegens vreemde krijgsdienst
Op grond van [artikel 14, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan het Nederlanderschap worden ingetrokken van de bipatride Nederlander die vrijwillig dienst heeft genomen in het leger van een vreemde mogendheid. Voorwaarde is dat deze vreemde mogendheid betrokken is in gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Voor de intrekking is niet noodzakelijk dat de betrokkene zelf gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk heeft verricht.
Onder ‘krijgsdienst van een staat’ wordt verstaan: dienstneming in het leger van een vreemde mogendheid. Het hoeft hier niet te betreffen een staat die is erkend door het Koninkrijk. Paramilitaire strijdkrachten van een vreemde mogendheid vallen in dit verband niet onder het begrip krijgsdienst.
Sprake moet zijn van krijgsdienst bij een vreemde mogendheid; bij een staat. Dat hieronder bijvoorbeeld niet moet worden verstaan groeperingen als legers van opstandelingen, guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is duidelijk gebleken tijdens de parlementaire behandeling van de Rijkswet van 21 december 2000 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap (Staatsblad 2000, 618). Zie daarvoor de in de Tweede Kamer op 17 februari 2000 aangenomen motie van 14 november 2000 (TK 2000–2001, 26 990, nr. 8) en de niet aangenomen amendementen van 15 februari 2000 (TK 1999–2000, 25 891, nr. 15) en van 16 februari 2000 (TK 1999–2000, 25 891, nr. 23). Welbewust is de mogelijkheid het Nederlanderschap in te trekken beperkt tot het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden van een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk dan wel een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Aan deelneming in groeperingen als legers van opstandelingen; guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is tijdens de parlementaire behandeling aandacht besteed, maar uiteindelijk is een zodanige deelname niet in de wet opgenomen als grond voor intrekking van het Nederlanderschap.
Om het Nederlanderschap te kunnen intrekken, moet de indiensttreding vrijwillig zijn geweest, of er moet sprake zijn van vrijwillige voortzetting van het dienstverband. Het gevolg geven door een bipatride Nederlander aan een oproep voor de militaire dienstplicht van een vreemde staat is geen vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst. Ook het enkel vrijwillige dienstnemen in vreemde krijgsdienst zal geen grond zijn voor intrekking van het Nederlanderschap.
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
### Paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
Om het Nederlanderschap te kunnen intrekken, moet de indiensttreding vrijwillig zijn geweest, of er moet sprake zijn van vrijwillige voortzetting van het dienstverband. Het gevolg geven door een bipatride Nederlander aan een oproep voor de militaire dienstplicht van een vreemde staat is geen vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst. Ook het enkel vrijwillige dienstnemen in vreemde krijgsdienst zal geen grond zijn voor intrekking van het Nederlanderschap.
Bij de intrekking van het Nederlanderschap wordt een belangenafweging gemaakt waarin de belangen van de betrokkene worden afgewogen tegen de belangen van de Staat. In het geval sprake is van zeer bijzondere individuele omstandigheden kan van de intrekking van het Nederlanderschap worden afgezien. Elementen die bij deze belangenafweging worden meegewogen zijn in ieder geval de eventuele minderjarigheid van betrokkene, prangende redenen van humanitaire aard en voor zover van toepassing de gevolgen voor betrokkene van het verlies van het burgerschap van de Europese Unie.
### Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.14HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) opgenomen in de [artikelen 68 t/m 68c BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68).
De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap.
### Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
### 2.2.1. Rechten Unieburgerschap
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
### 2.2.3. Individueel belang
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
### 2.2.3. Individueel belang
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
### 2.2.2. Bewijslast
Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese Parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.
### 2.2.3. Individueel belang
Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.
### Artikel 22
Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese Parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.
### 15a-alg. Toelichting algemeen
De IND betrekt bij de evenredigheidstoets aan het Unieburgerschap onder meer de volgende aspecten:
### 2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
### 2.2.6. Weging belangen
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
### 2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
**Onze Minister kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en die zich buiten het Koninkrijk bevindt, indien uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die door Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid.**
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
De Rijkswet van 10 februari 2017 (Stb. 52) tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid vult regels aan met betrekking tot het verlies van het Nederlanderschap. Aan [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is in verband met de dreiging die uitgaat van het mondiale jihadisme een nieuw lid toegevoegd dat het mogelijk maakt het Nederlanderschap in te trekken van personen die uitreizen naar een strijdgebied en zich vrijwillig in krijgsdienst begeven van een terroristische strijdgroep. Deze wijziging van de Rijkswet draagt bij aan de bescherming van de nationale veiligheid door te voorkomen dat een persoon die zich heeft aangesloten bij een terroristische strijdgroep legaal kan terugkeren naar Nederland en hier te lande terroristische activiteiten kan ontplooien.
De Rijkswet van 10 februari 2017 (Stb. 2017, 52) bevat geen bepaling die het mogelijk maakt deze wet met terugwerkende kracht toe te passen. In het besluit van 10 februari 2017 (Stb. 2017, 67) waarin het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 14, vierde lid, van de RWN is vastgesteld op 1 maart 2017, zijn dan ook geen bijzondere werkingsregels opgenomen. Dat betekent dat deze bepaling onmiddellijke werking heeft en daarmee van toepassing is op feiten en omstandigheden die zich op of na 1 maart 2017 voordeden. Artikel 14, vierde lid kan niet worden toegepast in gevallen waarin de aan de beoogde intrekking ten grondslag liggende relevante feiten zich vóór 1 maart 2017 hebben voorgedaan (zie ECLI:NL:RVS:2019:990; ECLI:NL:RVS:2019:1246).
Artikel 14 lid 4 RWN heeft een geldigheidsduur van tien jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit artikel op 1 maart 2017. Reden hiervoor is dat bij de behandeling in de Tweede Kamer van deze Rijkswet een amendement is aangenomen dat voorziet in een horizonbepaling. Deze bepaling houdt in dat vijf jaar na inwerkingtreding een bezinning plaatsvindt over de wenselijkheid van de maatregelen. Bij Rijkswet van 23 februari 2022 (Staatsblad 2022, 84), in werking getreden op 28 februari 2022, is bepaald dat de geldigheid van deze wet is verlengd tot tien jaar. Gevolg hiervan is dat artikel 14, vierde lid, RWN en de daarmee samenhangende [artikelen 22A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22a), [22B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22b), [22C, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22c) in beginsel met ingang van 1 maart 2027 komen te vervallen.
### Paragraaf 2. Voorwaarden intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid
Onze Minister kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon als uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Deze lijst wordt vastgesteld in de Rijksministerraad en gepubliceerd in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten. In de Staatscourant van 10 maart 2017 (nr 13023) is een lijst met drie organisaties gepubliceerd. Dit [Besluit tot vaststelling van de lijst met organisaties die een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039312) is een dag later in werking getreden. In de Staatscourant van 26 oktober 2020 (nr. 52922) is de lijst aangepast.
### Artikel 22C
Uit de memorie van toelichting (TK, 2015–2016, 34 356 (R2064), nr 3) blijkt wat de wetgever met het begrip aansluiting bedoelt. Voordat sprake is van ‘aansluiting’ moeten twee voorwaarden zijn vervuld:
### Paragraaf 2. Voorwaarden intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid
Aansluiting bij een terroristische organisatie in de zin van [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan onder meer blijken uit:
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
### 15a-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
Aansluiting bij een terroristische organisatie in de zin van [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan onder meer blijken uit:
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
De elementen zijn niet limitatief voorgeschreven, ook andere elementen die relevant zijn voor de belangenafweging zullen worden betrokken.
Ad 1
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
alsook: **Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
### Paragraaf 2.1.2.3. [Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205)
### Paragraaf 2.1.2.3. [Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205)
### paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
### 2.4.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
### 17-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 2. Intrekking wegens vreemde krijgsdienst
Anders wordt de situatie als vervolgens de betreffende staat betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk (dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is) en betrokkene de aangegane verbintenis straffeloos kan verbreken, doch dat nalaat of na afloop van zijn contract de dienst vrijwillig voortzet. Onder dergelijke omstandigheden moet de betrokkene worden geacht zich vrijwillig in de betreffende krijgsdienst te hebben begeven, en kan het Nederlanderschap worden ingetrokken. Het gaat hier in feite om de vraag welke grenzen moeten worden gesteld aan het begrip ‘vrijwillig’. De dienstneming in de betreffende vreemde krijgsdienst moet het gevolg zijn van een specifieke op dat doel gerichte wilsdaad van de betrokkene, wil er sprake zijn van vrijwilligheid die tot intrekking van het Nederlanderschap kan leiden.
Er moet sprake zijn van gevechtshandelingen door het leger waarbij de betrokkene (vrijwillig) in dienst is getreden (of blijft). Bij ‘bondgenootschap’ kan worden gedacht aan bijvoorbeeld de Noord Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de West-Europese Unie (WEU).
Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk, vervult betrokkene in het leger van dat land zijn militaire dienstplicht. Op dat moment is er geen grond voor intrekking van zijn Nederlandse nationaliteit. Zet hij echter, na het verstrijken van de dienstplichttijd, de dienst vrijwillig voort, en is het land op dat moment nog betrokken bij gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk of een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is, dan kan het Nederlanderschap wel worden ingetrokken.
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
Er moet sprake zijn van gevechtshandelingen door het leger waarbij de betrokkene (vrijwillig) in dienst is getreden (of blijft). Bij ‘bondgenootschap’ kan worden gedacht aan bijvoorbeeld de Noord Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de West-Europese Unie (WEU).
De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit.
### paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.
### 2.2.3. Individueel belang
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
### Paragraaf 1. Algemeen
### 9-3. Toelichting ad [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 1. Optiegelden
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### Paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
Is het bedrag (de waarde van de vermogensrechtelijke rechten) dat wordt verloren door het doen van afstand hoger dan (of gelijk aan) een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is sprake van substantieel financieel nadeel in hier bedoelde zin en behoeft verzoeker geen afstand te doen.
### Artikel 10
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
### paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
### paragraaf 4. Bewijsstukken
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
### paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
In verband met eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan voor-en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker in de voorlichtingsfase wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie hieromtrent (dit geldt logischerwijs niet voor een verzoeker die valt onder uitzondering 7).
### Paragraaf 5.3. De betrokkene is wél bereid afstand te doen
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
### 2.2.4. Algemeen belang
Op grond van [artikel 14, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan de IND het Nederlanderschap intrekken van de bipatride Nederlander die vrijwillig dienst heeft genomen in het leger van een vreemde mogendheid. Voorwaarde is dat deze vreemde mogendheid betrokken is in gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Hierom wordt er geen belang gehecht aan het Unieburgerschap.
### 2.2.6. Weging belangen
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
De Rijkswet van 10 februari 2017 (Stb. 52) tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid vult regels aan met betrekking tot het verlies van het Nederlanderschap. Aan [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is in verband met de dreiging die uitgaat van het mondiale jihadisme een nieuw lid toegevoegd dat het mogelijk maakt het Nederlanderschap in te trekken van personen die uitreizen naar een strijdgebied en zich vrijwillig in krijgsdienst begeven van een terroristische strijdgroep. Deze wijziging van de Rijkswet draagt bij aan de bescherming van de nationale veiligheid door te voorkomen dat een persoon die zich heeft aangesloten bij een terroristische strijdgroep legaal kan terugkeren naar Nederland en hier te lande terroristische activiteiten kan ontplooien.
### 15-4. Toelichting ad [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Om het Nederlanderschap te kunnen intrekken moet sprake zijn van aansluiting bij een organisatie op de hiervoor genoemde lijst. De intrekking kan alleen plaatsvinden als betrokkene bij de organisatie was of zich heeft aangesloten op of na 11 maart 2017 (zie ECLI:NL:RVS:2019:990; ECLI:NL:RVS:2019:1246).
### Paragraaf 2. Voorwaarden intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid
Met de voorwaarde van de uit de gedragingen van betrokkene blijkende intentie om zich aan te sluiten is gegarandeerd dat altijd sprake is van vrijwillige aansluiting. De intentie tot aansluiting kan bijvoorbeeld blijken uit eerdere uitingen van betrokkene, bijvoorbeeld op internet of op sociale media.
De intrekking van het Nederlanderschap vindt alleen plaats als de betrokkene ongewenst kan worden verklaard. De ongewenstverklaring is noodzakelijk om de legale terugkeer naar Nederlands grondgebied te voorkomen. Redenen om van de ongewenstverklaring af te zien kunnen in de eerste plaats zijn gelegen in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Gedacht kan worden aan de situatie dat het belang van betrokkene om ongehinderd in Nederland zijn gezinsleven te kunnen uitoefenen zwaarder weegt dat het belang van de Nederlandse staat. Gelet op de ernst van de bedreiging van de nationale veiligheid bij een dreigende terroristische aanslag zal ongewenstverklaring alleen in uitzonderingssituaties niet aan de orde zijn. Als ongewenstverklaring niet mogelijk is wordt van de intrekking van het Nederlanderschap afgezien.
De intrekking van het Nederlanderschap vindt niet plaats als de betrokken persoon zich in Nederland bevindt. In dat geval ligt aanhouding en strafrechtelijke vervolging meer in de rede dan het intrekken van het Nederlanderschap. Als de betrokkene vervolgens onherroepelijk voor een terroristisch misdrijf wordt veroordeeld zal het Nederlanderschap in beginsel op grond van artikel 14, tweede lid, RWN kunnen worden ingetrokken.
De intrekking van het Nederlanderschap vindt evenmin plaats als staatloosheid daarvan het gevolg is of als de betrokkene jonger is dan achttien jaar.
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
Doorgaans zal sprake zijn van een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten dat de feiten bevat waaronder de aansluiting van betrokkene bij een van de organisaties op de lijst en de gedragingen van betrokkene waaruit deze aansluiting kan worden afgeleid. Het is aan Onze Minister om deze informatie te wegen en te beoordelen of de informatie kan leiden tot de intrekking van het Nederlanderschap. Op basis van de in het ambtsbericht opgenomen feiten en gedragingen beoordeelt Onze Minister daarnaast het gevaar voor de nationale veiligheid.
### 15-4. Toelichting ad [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Behalve uit een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kan ook
### 14-8. Toelichting ad [artikel 14, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Artikel 15a
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Ad 3 en 4
### 15a-alg. Toelichting algemeen
Op grond van artikel 68c, tweede lid, BVVN dient reeds bij de intrekking van het Nederlanderschap expliciet te worden getoetst aan artikel 8 EVRM. De reden hiervoor is dat intrekking op deze grond in alle gevallen gepaard zal gaan met het weigeren van de toegang tot Nederland, en derhalve een inbreuk kan vormen op het recht op gezinsleven en het recht op privéleven van artikel 8 EVRM. De toets aan artikel 8 EVRM wordt opgenomen in het besluit tot ongewenstverklaring.
Er vindt een afweging plaats of intrekking van het Nederlanderschap het belang van strafrechtelijke vervolging op onaanvaardbare wijze schaadt. Hiervan kan sprake zijn wanneer bijvoorbeeld bij het Openbaar Ministerie al een omvangrijk dossier is voorbereid en er sprake is van een reële verwachting dat betrokkene op korte termijn effectief vervolgd kan worden. De IND neemt voordat een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt genomen contact op met het Openbaar Ministerie zodat kan worden afgewogen of in het voorliggende geval de strafrechtelijke of de bestuurlijke aanpak moet prevaleren.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -8780,53 +11684,93 @@
Vervallen.
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Als na die maand blijkt dat hij dit heeft nagelaten of dat hij niet heeft gereageerd, ontvangt hij een tweede rappel. In deze brief wordt het verzoek om toezending van de gevraagde stukken herhaald en wordt er tevens op gewezen dat, als hij nalaat dit binnen een maand te doen, het besluit waarbij het Nederlanderschap werd verkregen of verleend, door Onze Minister zal worden ingetrokken. Na verloop van deze termijn zonder dat betrokkene aan het verzoek om toezending van deze stukken heeft voldaan, zal Onze Minister overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend. ([artikel 30d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30d) of [60 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60)). Voordat tot intrekking van het besluit wordt overgegaan neemt de IND zekerheidshalve contact op met de gemeente om na te gaan of de betrokkene inderdaad geen verklaring tot afstand van de oorspronkelijke nationaliteit heeft overgelegd.
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 3.13.1. De oproeping
### Paragraaf 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### 8-4. Toelichting ad [artikel 8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
### paragraaf 3.4. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### Paragraaf 5.12. Gratie
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
In deze gevallen dient de verzoeker bij het in behandeling nemen van zijn verzoek een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij bereid is, na de totstandkoming van de naturalisatie, afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Overigens, in de praktijk geldt in alle gevallen dat eerst afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeft te worden gedaan nadat de naturalisatie tot stand is gekomen.
### paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
### paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
### Paragraaf 3.11. Verzoeker die meerderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht
### paragraaf 3.1. Advisering
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
### paragraaf 3.4. Advies VWS
### Artikel 10
alsook: **Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
### paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging
### Paragraaf 2.1.3. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c
Het feit dat het aantal misdrijven in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), is beperkt tot ernstige misdrijven, dat het misdrijf moeten hebben geleid tot een onherroepelijke veroordeling, dat het misdrijf moet zijn gepleegd ná de inwerkingtreding van het intrekkingsartikel artikel 14, tweede lid en (in het geval van veroordeling op grond van [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)) onherroepelijk moet zijn geworden na 30 maart 2016 en de omstandigheid dat het Nederlanderschap niet wordt ingetrokken indien de betrokken persoon staatloos wordt, brengen mee dat sprake is van een meer door de wetgever bepaald kader waarbinnen de intrekking ex artikel 14, tweede lid RWN plaats heeft dan bij een intrekking ex artikel 14, eerste lid. Het kader om tot intrekking over te gaan, geeft bij het tweede lid minder discretionaire ruimte aan de Minister dan dat bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste lid.
### 2.4.3. Individueel belang
### Paragraaf 2. Intrekking wegens vreemde krijgsdienst
### Paragraaf 1. Algemeen
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.14HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) opgenomen in de [artikelen 68 t/m 68c BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68).
De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten:
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
### 2.2.4. Algemeen belang
Op grond van [artikel 14, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan de IND het Nederlanderschap intrekken van de bipatride Nederlander die vrijwillig dienst heeft genomen in het leger van een vreemde mogendheid. Voorwaarde is dat deze vreemde mogendheid betrokken is in gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Hierom wordt er geen belang gehecht aan het Unieburgerschap.
### 2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
De elementen die betrokken worden bij de belangenafweging zijn dwingend voorgeschreven in [artikel 68c BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68c). Dit betekent dat de volgende elementen in ieder individueel besluit terug moeten komen:
### 15-1-e. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Het is niet van doorslaggevend belang of betrokkene zelf geweld heeft gebruikt of heeft deelgenomen aan de gewelddadige strijd. De rol van betrokkene kan wel van belang zijn in het kader van de belangenafweging bij intrekking (zie in die zin: Kamerstukken II, 34 356, nr. 3, blz. 7).
bijvoorbeeld uit een verstekvonnis of informatie van politie of het Openbaar Ministerie blijken dat sprake is van aansluiting in de zin van artikel 14, vierde lid, RWN.
Ad 2
### Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.15HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) opgenomen in de [artikelen 68 t/m 68c BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68).
### 2.2.1. Rechten Unieburgerschap
### Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
### Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.15HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) opgenomen in de [artikelen 68 t/m 68c BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68).
### 15a-alg. Toelichting algemeen
De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten:
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -8836,51 +11780,65 @@
Vervallen.
**alsook: Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
**alsook: Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2. Verblijfsvergunningen en verblijfsdocumenten
### Paragraaf 1.1.2. Het inburgeringsexamen
### Paragraaf 1.1.3. Inburgeringsplichtigen en niet-inburgeringsplichtigen
### Paragraaf 2.2.1. Inleiding
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
### Paragraaf 2.3.5. Procedure advies ontheffing aantoonbaar geleverde inspanningen
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
### Paragraaf 3.11. Verzoeker die meerderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht
Indien verzoeker vervolgens een beroep wenst te doen op een van de uitzonderingen 4 tot en met 9 moet hij bij het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarin hij aangeeft dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit (zie model 2.4 en model 2.5). Uit de bereidheidsverklaring moet duidelijk blijken op welke uitzonderingscategorie een beroep wordt gedaan. Aan de hand van door hem overgelegde documenten/bewijsstukken (zie hierboven paragraaf 4 zal verzoeker moeten aantonen dat hij valt onder die uitzonderingscategorie.
### Paragraaf 5.3. De betrokkene is wél bereid afstand te doen
### paragraaf 3.4. Advies VWS
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
**alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
**alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 1.1. Overgangsrecht
### 15-1-a. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
### 2.2.6. Weging belangen
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
### Paragraaf 2. Evenredigheidstoets bij verlies van Unieburgerschap na van rechtswege verlies van de Nederlandse nationaliteit
Er vindt een afweging plaats of intrekking van het Nederlanderschap het belang van strafrechtelijke vervolging op onaanvaardbare wijze schaadt. Hiervan kan sprake zijn wanneer bijvoorbeeld bij het Openbaar Ministerie al een omvangrijk dossier is voorbereid en er sprake is van een reële verwachting dat betrokkene op korte termijn effectief vervolgd kan worden. De IND neemt voordat een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt genomen contact op met het Openbaar Ministerie zodat kan worden afgewogen of in het voorliggende geval de strafrechtelijke of de bestuurlijke aanpak moet prevaleren.
Het mogelijke verlies van het Unieburgerschap wordt meegewogen bij het intrekkingsbesluit. Daarnaast worden overige elementen meegewogen, zoals de leeftijd van betrokkene, de gevolgen van de intrekking voor betrokkene en zijn gezinsleden en de banden met Nederland en het land van de tweede nationaliteit.
De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit.
### 2.2.3. Individueel belang
### 2.2.2. Bewijslast
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
### 2.2.3. Individueel belang
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -8890,55 +11848,157 @@
Vervallen.
Vervallen.
**alsook: Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
**alsook: Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
C = geen automatisch verlies; het doen van afstand is niet mogelijk
D = partij bij het Verdrag van Straatsburg
E = partij geweest bij het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
### Bijlage 7. Gemeenschapsonderdanen en familieleden derdelanders
### Paragraaf 1.1. Inleiding
### Paragraaf 3. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken
### Paragraaf 3. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken
**alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
**alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid
### Paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
### 2.2.6. Weging belangen
### 15-1-e. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
### 14-10. Toelichting ad [artikel 14, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap.
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese Parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
### 2.2.4. Algemeen belang
Op grond van [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan de IND het Nederlanderschap intrekken van de bipatride Nederlander die vrijwillig dienst heeft genomen in het leger van een vreemde mogendheid. Voorwaarde is dat deze vreemde mogendheid betrokken is in gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Hierom wordt geen belang gehecht aan het Unieburgerschap.
De IND betrekt bij de evenredigheidstoets aan het Unieburgerschap onder meer de volgende aspecten:
### 2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
Op grond van [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan de IND het Nederlanderschap intrekken van de bipatride Nederlander die vrijwillig dienst heeft genomen in het leger van een vreemde mogendheid. Voorwaarde is dat deze vreemde mogendheid betrokken is in gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Hierom wordt geen belang gehecht aan het Unieburgerschap.
### 2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
### Paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) wordt niet voorafgegaan door het uitbrengen van een voornemen waarop de betrokkene een zienswijze kan geven (Kamerstukken I, 34 356, nr. C, blz. 13). [Artikel 4:11, onder a en onder c Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:11) verzet zich hiertegen. De personen waar het om gaat vormen namelijk een gevaar voor de nationale veiligheid en het is daarom van belang dat het besluit tot intrekking zo snel mogelijk na het bekend worden van de relevante feiten kan worden genomen, zonder dat de betrokken persoon naar aanleiding van een voornemen de gelegenheid wordt geboden terug te keren naar Nederland. Zo wordt de legale terugkeer naar Nederland onmogelijk en wordt de dreiging die van de betrokkenen uitgaat zoveel mogelijk weggenomen.
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
Anders dan bij intrekking op grond van het eerste en tweede lid staat tegen de intrekking van het Nederlanderschap op grond van het vierde lid geen bezwaar open. De betrokkene of zijn gemachtigde kan rechtstreeks beroep indienen tegen het besluit. Bepalingen over beroep en hoger beroep zijn opgenomen in [artikel 22A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22a), [22B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22b) en [22C, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22c).
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) wordt niet voorafgegaan door het uitbrengen van een voornemen waarop de betrokkene een zienswijze kan geven (Kamerstukken I, 34 356, nr. C, blz. 13). [Artikel 4:11, onder a en onder c Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:11) verzet zich hiertegen. De personen waar het om gaat vormen namelijk een gevaar voor de nationale veiligheid en het is daarom van belang dat het besluit tot intrekking zo snel mogelijk na het bekend worden van de relevante feiten kan worden genomen, zonder dat de betrokken persoon naar aanleiding van een voornemen de gelegenheid wordt geboden terug te keren naar Nederland. Zo wordt de legale terugkeer naar Nederland onmogelijk en wordt de dreiging die van de betrokkenen uitgaat zoveel mogelijk weggenomen.
### 14-5. Toelichting ad [artikel 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Als het Nederlanderschap wordt ingetrokken vervalt het Nederlandse paspoort van rechtswege ([art. 47 lid 1 onder a Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=47)). Van het vervallen van het paspoort wordt terstond melding gedaan bij de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties. Deze melding heeft tot doel te voorkomen dat paspoort uitgevende autoriteiten een nieuw reisdocument verstrekken waarmee de betrokkene Nederland kan inreizen.
### Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van het besluit tot intrekking bedoeld in [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) verzonden aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon of aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken. In het belang van het voorkomen van de terugkeer naar Nederland verwerkt de betreffende autoriteit het besluit op zo kort mogelijk termijn in de basisadministratie, ook als het besluit nog niet onherroepelijk is.
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
De persoon, van wie het Nederlanderschap is ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), kan in beginsel het Nederlanderschap niet opnieuw verkrijgen. Een optie of een naturalisatie is derhalve in beginsel niet mogelijk als gevolg van de werking van artikel 14, vijfde lid RWN.
### 14-5. Toelichting ad [artikel 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Het is mogelijk het Nederlanderschap te herkrijgen als ten minste vijf jaren zijn verstreken sinds de intrekking van het Nederlanderschap.
### Artikel 16
Het Nederlanderschap kan worden herkregen nadat de Raad van State van het Koninkrijk is gehoord. De Minister zal aan de Raad van State dus advies dienen te vragen.
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
Indien de Kroon niet de vereiste toestemming verleend voor de herkrijging van het Nederlanderschap, kan tegen een geweigerd toestemmings-KB bezwaar worden gemaakt en vervolgens beroep en hoger beroep worden ingesteld.
### 14-6. Toelichting ad [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**Het Nederlanderschap wordt door een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend ingevolge artikel 3, 4, 5, 5a, 5b, 5c of 6, eerste lid, aanhef en onder c, alsmede ingevolge artikel 4 zoals dit luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap van 21 december 2000,** **Stb. 618** **en ingevolge artikel 5 zoals dat luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet van 3 juli 2003 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met de totstandkoming van de Wet conflictrecht adoptie (** **Stb. 284** **). Het verlies bedoeld in de eerste zin treedt niet in indien de andere ouder op het tijdstip van het vervallen van die betrekking Nederlander is of dat was ten tijde van zijn overlijden. Het verlies treedt evenmin in indien het Nederlanderschap ook kan worden ontleend aan artikel 3, derde lid, of aan artikel 2, onder a, van de Wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (** **Stb. 268** **).**
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
### 9-4. Toelichting ad [artikel 9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
### paragraaf 3.5. Beslissing
Als de betrokkene wél bereid is afstand te doen, moet hij bij het afleggen van de optieverklaring of het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarop hij dat duidelijk aangeeft. Zie de [modellen 1.14-1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) HRWN, [2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) HRWN en 2.5 HRWN.
### Artikel 11
De huidige redactie van deze bepaling is in de wet gekomen met de wetswijzigingen van 2003 en 2010. Ten gevolge van [artikel III RRWN 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft de redactie van het huidige [artikel 14, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap (1 januari 1985). Zie de toelichting bij artikel 14, zesde lid, RWN, paragraaf 2.
Ingevolge dit artikellid gaat het Nederlanderschap voor een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend. Het Nederlanderschap moet dan wel zijn verkregen ingevolge [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4), 5 oud, [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5), [5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5a), [5b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5b), [5c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5c) of [6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), dan wel ingevolge artikel 4 RWN, zoals die bepaling luidde tot 1 april 2003 (dat betrof verkrijging van het Nederlanderschap door erkenning of wettiging door een Nederlander).
Op grond van [artikel II, lid 4 RRWN 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) gaat het Nederlanderschap voor minderjarigen op grond van dit artikel verloren als het Nederlanderschap is verkregen op grond van artikel II, lid 1 RRWN 2009 (optie op grond van het overgangsrecht).
Bij de verkrijging op grond van artikel 6, lid 1 onder c RWN en op grond van artikel II, lid 1 RRWN 2009 (optie na 01.03.2009 na een erkenning in de periode 01.04.2003 – 01.03.2009 door een Nederlandse man) is het Nederlanderschap verkregen door een optiebesluit en niet van rechtswege. De optieverklaring kan alleen afgelegd worden als het kind is erkend door een Nederlander. Als de familierechtelijke betrekking met de Nederlandse erkenner vervalt, dan gaat het Nederlanderschap ook automatisch verloren. Er is geen intrekkingsbesluit nodig.
Verlies als bedoeld zal echter niet intreden indien:
Bij het vervallen van familierechtelijke betrekkingen moet worden gedacht aan bijvoorbeeld: ontkenning vaderschap, vernietiging erkenning of herroeping adoptie.
### Paragraaf 2. [Rijkswet inperking gevolgen Brexit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173)(terugtreden Verenigd Koninkrijk uit de EU)
Hierbij dient wel te worden bedacht dat, indien bovenbedoelde beroepstermijn eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, die termijn ingevolge [artikel 1 van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=1) wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Pas de dag daarop gaat dan het Nederlanderschap verloren.
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
Voor rechterlijke uitspraken van na 1 januari 1985, maar vóór 1 januari 2002 dient te worden bedacht dat de termijn voor het instellen van de rechtsmiddelen hoger beroep en cassatie korter is geweest dan de termijn van drie maanden die per 1 januari 2002 geldt. Voor de bepaling van de dag waarop het Nederlanderschap is verloren, dient rekening te worden gehouden met het feit dat deze uitspraken eerder in kracht van gewijsde zijn gegaan.
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
Immers, zonder bedoelde familierechtelijke betrekking had nooit sprake kunnen zijn van het Nederlanderschap ex artikel 3, derde lid, RWN. Met andere woorden, vervalt de familierechtelijke betrekking met de persoon via wie het Nederlanderschap wordt ontleend aan artikel 3, derde lid, RWN, ook dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.
### 22-2. Toelichting ad [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22)
### Paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
### Paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Ingevolge overgangsbepaling [artikel III RRWN 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van het voormalige tweede lid (tot 2010, en daarna het vierde lid, en vanaf 2017 het zesde lid van artikel 14 RWN). Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, zesde lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen. Echter, als gevolg van het bepaalde bij overgangsbepaling artikel III RRWN moet, wat betreft de toepassing van onderhavig artikellid ervan worden uitgegaan dat bedoelde uitzonderingen reeds gelden vanaf 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend (ingevolge bijvoorbeeld artikel 3, eerste lid, RWN), zulks ondanks bijvoorbeeld dat de minderjarige het Nederlanderschap tevens ontleende aan artikel 3, derde lid, RWN, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
N.B. Tot 1 april 2003 gold een verliesgrond, in hoofdlijnen overeenkomend met het huidige artikel 14, zesde lid, RWN. Die verliesgrond was opgenomen in het eerste lid van het oude artikel 14 RWN en tevens van toepassing op meerderjarigen. Voorwaarde was dat het Nederlanderschap moest worden ontleend aan artikel 3, [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4) of [5 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5). De vraag die zich bij de toepassing van die bepaling voordeed was: wat rechtens indien de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892? Uit de uitspraak van de Rechtbank ‘s-Gravenhage van 16 april 1999, nr. 98 637, blijkt dat het oude artikel 14, eerste lid, RWN naar de letter dient te worden toegepast. Dit heeft tot gevolg dat in die gevallen waarin de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de WNI, betrokkene niet geacht wordt het Nederlanderschap door het vervallen van de betrekking te hebben verloren.
A, geboren in 1990, is het kind van een Nederlandse man en een Franse vrouw. A ontleent het Nederlanderschap aan uitsluitend artikel 3, eerste lid, RWN en is tevens van Franse nationaliteit.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -8948,463 +12008,403 @@
Vervallen.
Vervallen.
**alsook: Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
**alsook: Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Onbekend = geen automatisch verlies, tot het tegendeel bewezen is
Als betrokkene verplicht is afstand te doen, dan moet hij een bereidheidsverklaring tekenen. Als betrokkene is vrijgesteld van de plicht om afstand te doen, dan hoeft hij geen bereidheidsverklaring te tekenen.
**Let op!** Deze lijst geldt zowel bij optie als naturalisatie. De afstandsverplichting bij optie op grond van [artikel 6, eerste lid en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) is op 1 oktober 2010 ingevoerd. De afstandsverplichting geldt niet voor de overige optiecategorieën.
### Bijlage adviesblad: vrijstellingen inburgering
Daar waar staat basisregistratie personen geldt:
voor Europees Nederland: de BRP;
voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten: de PIVA;
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
In eerdere periodes kende de RWN ook een andere ‘Onze Minister’, zoals onder andere de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie en de Minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering.
Deze bepaling definieert het begrip ‘meerderjarigheid’. Bij de (mede)verkrijging, bij de (mede)verlening alsook bij het verlies van het Nederlanderschap speelt de leeftijd van de betrokkene een belangrijke rol. In alle gevallen is het van belang of de betrokkene al dan niet meerderjarig is. Zo moet bijvoorbeeld op grond van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) een vreemdeling meerderjarig zijn in de zin van deze bepaling. Het al dan niet meerderjarig zijn naar het eigen nationale recht van de vreemdeling speelt daarbij geen rol. Zo kan een negentienjarige vreemdeling, die naar zijn eigen nationale recht nog minderjarig is, geen verzoek om naturalisatie laten indienen door zijn ouder.
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c RWN.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### 2.2.1. Rechten Unieburgerschap
Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1.1.1. Historie
### Paragraaf 1.1.1. Historie
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
### 11-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
Met bevoegde autoriteit wordt bedoeld de bevoegde instantie die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt:
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
De afstandsverplichting gold tot 1 oktober 2010 niet voor de verzoekers die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd vijf jaar onafgebroken in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba zijn hoofdverblijf heeft gehad. Vanaf 1 oktober 2010 geldt voor deze groep wel de afstandsverplichting. Deze groep moet dus bij alle verzoeken die op of na 1oktober 2010 worden ingediend, de bereidheidsverklaring ondertekenen (zie overgangsbepaling [artikel II, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb. 2010, 242)).
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op
### paragraaf 3. Topsporters
Tot 1 oktober 2010 luidde [artikel 9, derde lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9):
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba zijn hoofdverblijf gehad heeft.
Sinds 1 oktober 2010 is dit [artikel 9, derde lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) vervallen. De overige subleden zijn daardoor een letter opgeschoven.
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
### 2.2.4. Algemeen belang
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
### 2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
### 2.2.6. Weging belangen
Alvorens een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt genomen wordt dit ter beoordeling aan Onze Minister voorgelegd.
### Paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van het besluit tot intrekking bedoeld in [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) verzonden aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon of aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken. In het belang van het voorkomen van de terugkeer naar Nederland verwerkt de betreffende autoriteit het besluit op zo kort mogelijk termijn in de basisadministratie, ook als het besluit nog niet onherroepelijk is.
### Paragraaf 1.3.1. Statenopvolging bij de toepassing van [artikel 15, lid 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Naar aanleiding van de melding wordt het paspoort opgenomen in het Basisregister Reisdocumenten (BR) en in het Register Paspoortsignaleringen (RPS). Deze registers zijn gekoppeld aan het Schengeninformatiesysteem (SIS-II) en de database Stolen and Lost Travel Documents (SLTD) van Interpol.
### 14-5. Toelichting ad [artikel 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**De persoon die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van het tweede, derde of vierde lid, kan de Nederlandse nationaliteit niet herkrijgen. Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken, indien ten minste vijf jaar jaren zijn verstreken sedert het verlies van de Nederlandse nationaliteit.**
### paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
Door de intrekking van het Nederlanderschap is de band met het Koninkrijk definitief verbroken. De tweede zin van artikel 14, vijfde lid, maakt evenwel in een bijzonder geval de herkrijging van het Nederlanderschap mogelijk.
### 14-5. Toelichting ad [artikel 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Het is echter niet de bedoeling dat op grote schaal van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. De uitzondering is alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen.
### 14-6. Toelichting ad [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Bij Koninklijk Besluit (KB) zal de Kroon al dan niet toestemming verlenen voor de herkrijging van het Nederlanderschap. Zonder deze toestemming kan het Nederlanderschap niet worden verkregen of verleend. Dit betekent dat de betrokken persoon alvorens een naturalisatieverzoek in te dienen of optieverklaring af te leggen, een toestemmings-KB moet overleggen, wil zijn verzoek toegewezen kunnen worden. Hij zal de Minister in de eerste plaats gemotiveerd, onder aanvoering van de zeer bijzonderheid van zijn omstandigheden, moeten verzoeken om te bevorderen dat er een toestemmings-KB wordt geslagen.
### Paragraaf 1. Algemeen
Dit artikellid geeft een opsomming van categorieën verzoekers om naturalisatie op wie het in het eerste lid aanhef en onder b van dit artikel neergelegde vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is. De hier vermelde uitzonderingen berusten op verdragsverplichtingen (in het bijzonder het Tweede Protocol en het Vluchtelingenverdrag van Geneve van 28 juli 1951).
Dit artikellid geeft een opsomming van categorieën verzoekers om naturalisatie op wie het in het eerste lid aanhef en onder b van dit artikel neergelegde vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is. De hier vermelde uitzonderingen berusten op verdragsverplichtingen (in het bijzonder het Tweede Protocol en het Vluchtelingenverdrag van Geneve van 28 juli 1951).
Bij de beoordeling van de vraag of een verzoeker door naturalisatie tot Nederlander zijn oorspronkelijke nationaliteit verliest, speelt het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1964, 4) een belangrijke rol (het verdrag is op 10 juni 1985 in werking getreden voor het gehele Koninkrijk).
Hoofdregel van dit verdrag is dat een onderdaan van een verdragsstaat die vrijwillig de nationaliteit van een andere verdragsstaat verkrijgt, daardoor van rechtswege zijn oorspronkelijke nationaliteit verliest. Aangezien dit verdrag rechtstreekse werking heeft, gaat de nationaliteit in deze gevallen ook verloren als het nationale recht van de verdragsstaat dit verlies niet regelt. Bij hoofdstuk 1 (Beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit) van dit verdrag zijn aangesloten: Nederland (voor het gehele Koninkrijk) en Oostenrijk.
Het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol is voor het gehele Koninkrijk in werking getreden op 20 augustus 1996 en bevat een belangrijke aanpassing van de hierboven genoemde hoofdregel van het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963. In het Tweede Protocol wordt bepaald dat verdragspartijen bij het Tweede Protocol in hun wetgeving mogen opnemen dat de hoofdregel van het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 wordt doorbroken voor de volgende doelgroepen:
Sinds 4 juni 2010 is alleen Nederland (hele Koninkrijk) partij bij het Tweede Protocol. Aan de bepalingen uit het Tweede Protocol wordt daarom sinds 4 juni 2010 in de praktijk geen uitvoering gegeven.
Als de bepalingen van het Tweede Protocol (dat geen rechtstreekse werking heeft) in het nationale recht van een partij bij het Tweede Protocol zijn opgenomen, treedt voor personen van dit land die behoren tot een van deze doelgroepen geen verlies van de oorspronkelijke nationaliteit op bij het verkrijgen van een andere nationaliteit.
Logischerwijs geldt dan andersom dat een staat die is aangesloten bij het Tweede Protocol en waarvan de nationaliteit wordt verkregen van deze personen niet verlangt dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit.
### 11-8. Toelichting ad [artikel 11, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
Voor wat betreft kinderen heeft de uitzondering op de afstandseis tevens haar weerslag gevonden in [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). Personen die worden (mee)genaturaliseerd met toepassing van artikel 11 RWN behoeven immers geen afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.)11Zie ook de toelichting bij artikel 11 RWN en de Nota naar aanleiding van het verslag, TK 1998–1999, 25 891 (R 1609), nr. 5, p. 22.
Met ingang van 5 maart 2009 is voor Frankrijk de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd. Met ingang van 4 juni 2010 is ook voor Italië de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd.
Vóór 1 april 2003 behoefden verzoekers om naturalisatie die vielen onder de doelgroepen van het Tweede Protocol overigens evenmin afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit. De aan het Tweede Protocol ten grondslag liggende doelstellingen van integratie en van eenheid van nationaliteit binnen het gezin brachten mee dat de uitzondering op de afstandseis voor de in het Tweede Protocol genoemde gevallen niet uitsluitend beperkt kon blijven tot personen die onderdaan zijn van een land dat partij was bij het Tweede Protocol. De uitzondering op de afstandseis gold daardoor voor eenieder die verzocht om naturalisatie tot Nederlander en behoorde tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, ongeacht of de verzoeker onderdaan was van een land dat partij is bij het Tweede Protocol (zie circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6). Voor wat betreft de afstandsverplichting verandert er in deze gevallen dus feitelijk niets na 1 april 2003.
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
Een vrouw met de Amerikaanse nationaliteit is bij het indienen van het verzoek getrouwd met een Nederlander en verkrijgt door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster verliest door de naturalisatie tot Nederlandse niet haar Amerikaanse nationaliteit. Zij hoeft geen afstand te doen van de Amerikaanse nationaliteit.
Een verzoeker, burger van Bosnië-Herzegovina, is geboren in Aruba. Kort na zijn geboorte vertrekt hij met zijn ouders naar Australië. Na zijn meerderjarigheid vestigt hij zich in Nederland. Zodra hij aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoet, dient hij een verzoek in. Van verzoeker wordt niet verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Immers, hij is in Aruba geboren en heeft ten tijde van het indienen van zijn verzoek om naturalisatie hoofdverblijf in Nederland.
Een verzoeker, burger van Bosnië-Herzegovina, is geboren in Aruba. Kort na zijn geboorte vertrekt hij met zijn ouders naar Australië. Na zijn meerderjarigheid vestigt hij zich in Nederland. Zodra hij aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoet, dient hij een verzoek in. Van verzoeker wordt niet verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Immers, hij is in Aruba geboren en heeft ten tijde van het indienen van zijn verzoek om naturalisatie hoofdverblijf in Nederland.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die gehuwd is met een Nederlander.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die gehuwd is met een Nederlander.
Alleen bij nationaliteiten van Staten waarbij in de ‘Landenlijst bij naturalisatie’ een B (geen automatisch verlies, maar het doen van afstand is mogelijk) staat, moet worden beoordeeld of desbetreffende verzoeker om naturalisatie afstandsplichtig is.
Voor een verzoeker die getrouwd is met een Nederlander (van het andere of van hetzelfde geslacht) geldt geen afstandsverplichting. Ook de verzoeker die in Europees Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander is aangegaan of buiten Europees Nederland een geregistreerd partnerschap is aangegaan als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), kan een beroep doen op deze uitzondering. De verzoeker hoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In het geval dat het huwelijk – anders dan door overlijden – tussen de indiening van het verzoek om naturalisatie en de beslissing hierop door echtscheiding is ontbonden, zal verzoeker alsnog afstand moeten doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Hetzelfde geldt voor de beëindiging met wederzijds goedvinden of door ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Immers, het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie is doorslaggevend voor de beoordeling of verzoeker aan de voorwaarden voldoet. Voor de verzoeker die met een ongetrouwde Nederlander een duurzame relatie heeft, geldt de afstandseis onverkort.
Een vrouw met de Amerikaanse nationaliteit is bij het indienen van het verzoek getrouwd met een Nederlander en verkrijgt door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster verliest door de naturalisatie tot Nederlandse niet haar Amerikaanse nationaliteit. Zij hoeft geen afstand te doen van de Amerikaanse nationaliteit.
Op gelijktijdige verzoeken van twee met elkaar getrouwde personen of twee geregistreerde partners, moet zoveel mogelijk tegelijkertijd te worden beslist. Het is niet de bedoeling dat een van de (huwelijks)partners eerder wordt genaturaliseerd, zodat de ander geen afstand meer hoeft te doen op grond van het feit dat hij of zij de (huwelijks)partner is van een Nederlander.
Geen afstandsplicht bestaat voor de echtgenoot/geregistreerd partner met een B-nationaliteit (zie landenlijst) die samen met zijn/haar echtgenoot/geregistreerd partner met een B-nationaliteit een verzoek om naturalisatie indient, waarbij één van hen op grond van [artikel 9, derde lid, onder a, b, of d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) dan wel [artikel 6, eerste lid, onderdeel d, e, f, g of h Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=6) (RVVN) niet afstandsplichtig is.
Een man en een vrouw met de Turkse nationaliteit dienen gezamenlijk een verzoek om naturalisatie tot Nederlander in. De vrouw hoeft op grond van één van de hierboven genoemde uitzonderingsgronden geen afstand te doen van haar Turkse nationaliteit. De man valt niet zelfstandig onder een uitzonderingsgrond maar omdat zijn echtgenote niet afstandsplichtig is, hoeft hij ook geen afstand te doen.
Een eventuele afstandsplicht vervalt als een verzoeker ná het indienen van het verzoek om naturalisatie maar vóór het Nederlanderschap per bij Koninklijk Besluit is verleend, trouwt (of een geregistreerd partnerschap aangaat) met een Nederlander. Immers, de regel is dat de datum van het naturalisatie Koninklijk Besluit doorslaggevend is voor het wel of niet bestaan van de afstandsplicht. Op de datum van het naturalisatie Koninklijk Besluit is de beslissing genomen door het bevoegd gezag op het verzoek om naturalisatie.
A, man, is niet getrouwd als hij op 12 augustus 2012 zijn verzoek om naturalisatie indient. Hij blijkt afstandsplichtig te zijn en tekent daarom de bereidheidsverklaring. Hij trouwt op 1 mei 2013 met B, van Nederlandse nationaliteit. Zijn verzoek om naturalisatie wordt bij Koninklijk Besluit ingewilligd op 8 mei 2013. Dit betekent dat A is getrouwd op de dag van zijn naturalisatie met een Nederlander. Om die reden is hij niet (langer) afstandsplichtig.
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
Let op! Bovenstaand artikellid geldt alleen voor verzoeken die zijn ingediend op of na 1 oktober 2010. Verzoekers die voor 1 oktober 2010 een verzoek hebben ingediend waarop nog niet is beslist kunnen dus nog een beroep doen op [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) zoals dat luidde tot 1 oktober 2010 (voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in Nederland, de (voormalige) Nederlandse Antillen of Aruba zijn hoofdverblijf hebben). Zie overgangsbepaling [artikel II, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) (Stb. 2010, 242).
**Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba is erkend als vluchteling.**
**Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba is erkend als vluchteling.**
De verzoeker die met succes een beroep wil doen op deze uitzonderingsgrond zal bij de indiening van het verzoek om naturalisatie dienen aan te tonen dat hij in het bezit is gesteld van verblijfsdocument IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd) of verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd). De reden voor deze uitzondering op de afstandsverplichting is dat het onverantwoord is voor een erkende vluchteling contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden is deze categorie vreemdelingen vrijgesteld van het legalisatie-vereiste, indien betrokkene bezwaar maakt tegen dat vereiste. De verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.
Deze uitzondering geldt ook voor de verzoeker die in het bezit is van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezeten derdelander dat de aantekening ‘Internationale bescherming op [datum] verleend door [lidstaat]’ bevat. Personen die internationale bescherming genieten zijn personen die als asielgerechtigden zijn toegelaten in een andere lidstaat en daarna in Nederland in het bezit zijn gesteld van een reguliere verblijfsvergunning op grond van richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten derdelanders.
### Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
In [artikel 31 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) en artikel 34 BVVN wordt aangegeven welke gegevens een verzoeker bij het indienen van het verzoek dient te verstrekken. Deze gegevens zijn noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek om naturalisatie. De burgemeester onderzoekt of de verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie (zie [artikel 36 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Indien de verzoeker niet alle gevraagde documenten overlegt op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie, stelt de burgemeester de verzoeker in de gelegenheid om de ontbrekende stukken alsnog in te leveren binnen zes weken na de indiening van het verzoek. De burgemeester deelt dit aan de verzoeker mee op het moment van de indiening van het verzoek. Eerst nadat alle voor de beoordeling van het verzoek noodzakelijke stukken door de burgemeester zijn ontvangen, vangt de beslistermijn van een jaar aan.
### 9-4. Toelichting ad [artikel 9, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
### paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen
### paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit
In onderhavige artikellid wordt voorts bepaald dat de beslissing ten hoogste twee maal zes maanden kan worden aangehouden. Een aanhouding geeft de IND de gelegenheid om in voorkomende gevallen – bijvoorbeeld om nader onderzoek te doen – het nemen van een beslissing op het verzoek om naturalisatie uit te stellen.
Wanneer de IND niet binnen een jaar beslist op het naturalisatieverzoek en die beslissing ook niet – met medeweten van verzoeker – is aangehouden, dan kan de verzoeker na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn de IND in gebreke stellen wegens het niet tijdig nemen van een besluit ([artikel 4:17 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:17)). Indien twee weken zijn verstreken na de dag waarop de verzoeker de IND in gebreke heeft gesteld en er is nog geen besluit genomen, dan gaat van rechtswege de automatische dwangsom lopen ([artikel 4:17 t/m artikel 4:20 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:17)). De dwangsom loopt tot aan de dag waarop de IND verzoeker informeert over de ondertekening van het koninklijk besluit (KB) of tot aan de dag waarop de IND verzoeker een afwijzend besluit toestuurt.5Zie uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 1 april 2021 (LEE 20/2884) (niet gepubliceerd). Voorts kan de verzoeker gelijktijdig beroep instellen bij de rechter wegens het niet tijdig nemen van een besluit ([artikel 6:12 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:12)).
### Artikel 10
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
Ad b: De wet schrijft een schriftelijke instemming voor. In het dossier moet een stuk voorkomen waaruit blijkt dat de verzoeker schriftelijk heeft ingestemd met uitstel van de beslistermijn.
Ad c: de beslistermijn wordt opgeschort om redenen die toe te rekenen zijn aan de verzoeker. Dat de beslistermijn op deze grond is opgeschort, kan ook achteraf worden geconstateerd. Als voorbeelden kunnen worden gegeven:
Het is echter niet de bedoeling dat op grote schaal van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. De uitzondering is alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen.
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
Bij Koninklijk Besluit (KB) zal de Kroon al dan niet toestemming verlenen voor de herkrijging van het Nederlanderschap. Zonder deze toestemming kan het Nederlanderschap niet worden verkregen of verleend. Dit betekent dat de betrokken persoon alvorens een naturalisatieverzoek in te dienen of optieverklaring af te leggen, een toestemmings-KB moet overleggen, wil zijn verzoek toegewezen kunnen worden. Hij zal de Minister in de eerste plaats gemotiveerd, onder aanvoering van de zeer bijzonderheid van zijn omstandigheden, moeten verzoeken om te bevorderen dat er een toestemmings-KB wordt geslagen.
### 14-6. Toelichting ad [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Het verlies van het Nederlanderschap treedt in op de dag waarop in het algemeen de rechterlijke uitspraak niet meer openstaat voor beroep, mits het kind op die dag (nog) minderjarig is. Betreft het een Nederlandse rechterlijke uitspraak dan is dat als gevolg van wijziging van het Burgerlijk Procesrecht met ingang van 1 januari 2002 (zie [artikel 358 WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=358) en [artikel 426 WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=426)):
### Paragraaf 1. Algemeen
Als overmacht wordt in ieder geval niet aangemerkt:
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [11.2 t/m 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [26.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [11.2 t/m 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [26.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### 10-alg. Toelichting algemeen
Uit de wetstekst blijkt dat met [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) ook kan worden afgeweken van het bepaalde in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) (het inburgeringsvereiste). Of verzoeker moet worden geadviseerd een naturalisatietoets af te leggen, hangt af van de gevraagde afwijkingsgronden en de grootte van het belang om hem de Nederlandse nationaliteit te verlenen. Belangrijk hierbij is de vraag of alleen afwijking wordt gevraagd van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN of dat (ook) afwijking wordt gevraagd van andere voorwaarden voor naturalisatie. In het geval afwijking wordt gevraagd van andere voorwaarden dan artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN kan de burgemeester betrokkene erop wijzen dat het in zijn voordeel kan zijn te proberen aan de voorwaarde van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN te voldoen, zodat zo min mogelijk afwijking van artikel 8, [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) nodig is. Dit geldt temeer als het belang van de Nederlandse staat hem het Nederlanderschap te verlenen niet uitzonderlijk groot is. In het geval op voorhand duidelijk is dat betrokkene de naturalisatietoets niet zal halen (bijvoorbeeld omdat hij zelf stelt niet of onvoldoende de Nederlandse taal te beheersen), kan een dergelijk advies achterwege blijven. In dit geval zal de burgemeester in zijn advies aan de IND opnemen dat betrokkene ook afwijking verzoekt van het inburgeringsvereiste. Als overigens niet aan het inburgeringsvereiste wordt voldaan vanwege polygamie ligt – gelet op de bescherming van de civiele openbare orde – toepassing van artikel 10 RWN niet in de rede.
Betreft het een buitenlandse rechterlijke uitspraak, die volgens de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht hier te lande moet worden erkend, dan gaat het Nederlanderschap verloren op de dag waarop deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
De persoon ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking vervalt, hoeft niet noodzakelijk Nederlander te zijn. Het kind kan namelijk via die persoon het Nederlanderschap ontlenen aan uitsluitend artikel 3, derde lid, RWN. Ook in dat geval moet worden gesteld dat het Nederlanderschap wordt ontleend aan de familierechtelijke betrekking met die persoon.
### Paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c en d RWN en in paragraaf ‘5a-alg Toelichting algemeen’ bij de toelichting op artikel 5a RWN.
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
Verder is sedert 1 april 2003 in onderhavig artikellid tot uitdrukking gebracht dat de betreffende verliesbepaling alleen van toepassing is op minderjarigen. Ook dat moet ingevolge overgangsbepaling artikel III RRWN geacht worden te gelden sedert 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een meerderjarige, op grond van het toen geldende artikel 14, eerste lid, RWN, zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het als gevolg van bijvoorbeeld herroeping van adoptie vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
### Paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Bij beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 7 januari 2004 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van de minderjarige A. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld. Ingevolge [artikel 1:202, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=202) vervalt de familierechtelijke betrekking tussen de Nederlandse man en A op het moment dat de beschikking van 7 januari 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2.2.2. Bewijslast
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese Parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.
### Paragraaf 1. Algemeen
Dit artikel biedt de mogelijkheid van naturalisatie wanneer aan bepaalde in de [Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) zelf gestelde voorwaarden niet is voldaan. Uitgangspunt is dat er sprake is van een zeer ‘bijzonder geval’. In uitzonderlijke gevallen kunnen er belangen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn om van die voorwaarden af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige belangen van (één van de landen van) het Koninkrijk zich voordoen, zoals op het gebied van de internationale economische en culturele betrekkingen. In concreto kan worden gedacht aan vreemdelingen die in aanmerking komen voor een functie waarvoor het Nederlanderschap is vereist of gewenst en eventueel hun echtgenoten/partners. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie.
De Kroon verleent het Nederlanderschap met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) nadat de Raad van State van het Koninkrijk is gehoord. Uit de wettekst volgt dat het raadplegen van de Raad van State slechts noodzakelijk is bij verlening van het Nederlanderschap met toepassing van artikel 10 RWN. Bij beslissingen tot afwijzing of aanhouding is [artikel 9, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) van toepassing.
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
Er zijn geen eenduidige criteria op grond waarvan met grote stelligheid kan worden voorspeld of een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) zal worden gehonoreerd. Dit is aan Onze Minister ter beoordeling en mede afhankelijk van het advies van de Raad van State. In zijn algemeenheid geldt dat naarmate het staatsbelang groter is en naarmate minder afwijkingsgronden worden aangevoerd, de drempel om artikel 10 RWN toe te passen gemakkelijker is te nemen. Zo zal iemand die nog maar een half jaar in Nederland is, nog nauwelijks Nederlands spreekt en met wiens naturalisatie wel belangen, maar geen uitzonderlijke, zijn gemoeid, minder snel langs deze weg worden genaturaliseerd dan iemand die hier al drie jaar is, in zijn functie of beroep volop participeert in de Nederlandse samenleving, redelijk Nederlands spreekt, hier wil blijven wonen en ten aanzien van wie het van groot belang is dat hij de Nederlandse nationaliteit krijgt. Bovendien kan het oordeel afhangen van de voorwaarde waarvan in het concrete geval wordt gevraagd af te wijken. Een beroep op artikel 10 RWN zal niet worden gehonoreerd als de verzoeker binnen afzienbare tijd voldoet aan de reguliere wettelijke voorwaarden.
### 12-alg. Toelichting algemeen
Uit de wetstekst blijkt dat met [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) ook kan worden afgeweken van het bepaalde in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) (het inburgeringsvereiste). Of verzoeker moet worden geadviseerd een naturalisatietoets af te leggen, hangt af van de gevraagde afwijkingsgronden en de grootte van het belang om hem de Nederlandse nationaliteit te verlenen. Belangrijk hierbij is de vraag of alleen afwijking wordt gevraagd van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN of dat (ook) afwijking wordt gevraagd van andere voorwaarden voor naturalisatie. In het geval afwijking wordt gevraagd van andere voorwaarden dan artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN kan de burgemeester betrokkene erop wijzen dat het in zijn voordeel kan zijn te proberen aan de voorwaarde van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN te voldoen, zodat zo min mogelijk afwijking van artikel 8, [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en [11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) nodig is. Dit geldt temeer als het belang van de Nederlandse staat hem het Nederlanderschap te verlenen niet uitzonderlijk groot is. In het geval op voorhand duidelijk is dat betrokkene de naturalisatietoets niet zal halen (bijvoorbeeld omdat hij zelf stelt niet of onvoldoende de Nederlandse taal te beheersen), kan een dergelijk advies achterwege blijven. In dit geval zal de burgemeester in zijn advies aan de IND opnemen dat betrokkene ook afwijking verzoekt van het inburgeringsvereiste. Als overigens niet aan het inburgeringsvereiste wordt voldaan vanwege polygamie ligt – gelet op de bescherming van de civiele openbare orde – toepassing van artikel 10 RWN niet in de rede.
Hoewel dit niet expliciet in de tekst van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) is opgenomen, blijkt uit de parlementaire behandeling van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0022735) dat ook van de verkorte termijnen genoemd in [artikel 8, derde, vierde en vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), kan worden afgeweken.
### paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
Met het woord ‘termijn’ wordt gedoeld op de zinsnede ‘de onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf’. Met het opnemen van het woord ‘termijn’ is allereerst beoogd om te benadrukken dat van de andere toepasselijke voorwaarden in [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) niet kan worden afgeweken. Zo zal bij een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) bijvoorbeeld niet kunnen worden afgeweken van het vereiste in artikel 11, tweede lid, RWN (kind beneden de zestien jaar), derde lid (kind dat leeftijd van zestien jaar heeft bereikt), vierde lid (kind dat niet heeft gedeeld) en vijfde lid (meerderjarig geworden kind) dat het ‘sedert het tijdstip van het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft’.
### paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
[Artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) geeft aan van welke wettelijk gestelde voorwaarde wél en – impliciet – van welke voorwaarden niet kan worden afgeweken. Niet kan worden afgeweken van het vereiste:
Bovendien geldt ingeval van een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) dat verzoeker zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels. Dit betekent dat een op artikel 10 RWN gebaseerd naturalisatieverzoek geen basis kan bieden voor de toepassing van andere (soepelere) dan de algemeen geldende regels voor het aantonen van identiteit en nationaliteit (zie de toelichting op artikel 7, [par. 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.5&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en 3.5.6).
Ten behoeve van de beeldvorming, met betrekking tot de vraag wanneer er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan onderhavig artikel kan worden toegepast, volgt onderstaand een aantal praktijkvoorbeelden. Bij een aantal voorbeelden is aangegeven op welke wijze met vergelijkbare gevallen kan worden omgegaan.
### paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
In beginsel is het niet mogelijk dat een gehuwde vrouw bij de naturalisatie haar eigen geslachtsnaam laat wijzigen in die van haar (Nederlandse) echtgenoot. Immers, naar Nederlands recht mag de geslachtsnaam van de echtgenoot officieel niet worden toegevoegd aan de naam van de vrouw, noch draagt de vrouw rechtens de naam van haar echtgenoot. Wel is het toegestaan dat de vrouw in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van haar echtgenoot voert.
### Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen
Voor een geslaagd beroep op toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) wegens ambtelijk verzuim moet aangetoond worden dat dit zwaarwegend is. Het gestelde zwaarwegend zijn van het ambtelijk verzuim wordt afgewogen tegen het belang van betrokkene om eerder dan bij de toepassing van de reguliere voorwaarden voor naturalisatie Nederlander te worden. In de hier bedoelde belangenafweging wordt in ieder geval betrokken de mate van bijzonderheid van het geval, de mate waarin verzoeker niet voldoet aan de standaardvoorwaarden en de restrictieve wijze waarop toepassing dient te worden gegeven aan artikel 10 RWN. Bij zwaarwegend ambtelijk verzuim valt te denken aan:
Voor een geslaagd beroep op toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) wegens ambtelijk verzuim moet aangetoond worden dat dit zwaarwegend is. Het gestelde zwaarwegend zijn van het ambtelijk verzuim wordt afgewogen tegen het belang van betrokkene om eerder dan bij de toepassing van de reguliere voorwaarden voor naturalisatie Nederlander te worden. In de hier bedoelde belangenafweging wordt in ieder geval betrokken de mate van bijzonderheid van het geval, de mate waarin verzoeker niet voldoet aan de standaardvoorwaarden en de restrictieve wijze waarop toepassing dient te worden gegeven aan artikel 10 RWN. Bij zwaarwegend ambtelijk verzuim valt te denken aan:
Aangezien [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) geen afwijking van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) toestaat, wordt nogmaals benadrukt dat in alle hierboven omschreven voorbeelden de persoon die een beroep doet op artikel 10 RWN bij het indienen van het verzoek in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht dat naar zijn aard niet-tijdelijk is (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN) en verklaard moet hebben bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [toelichting bij artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, RWN). Let goed op dat een verzoeker die een beroep doet op artikel 10 RWN altijd zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels (zie de [toelichting op artikel 7, paragraaf 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.5&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en 3.5.6). Betreft het een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN die in het buitenland woont, dan geldt dat hij moet aantonen dat hij een dergelijk verblijfsrecht zou(den) verkrijgen, als daar om zou worden verzocht.
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
De verscheidenheid van de gevallen waarbij een beroep op toepassing van dit artikel wordt gedaan, is groot. Om die reden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Ieder verzoek wordt op de eigen merites bezien. Het moet evenwel altijd een bijzonder geval betreffen. Uit de jurisprudentie van (onder meer) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de adviezen van de Raad van State kan wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet dermate bijzonder zijn dat ze naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN rechtvaardigen. Niet bijzonder is bijvoorbeeld:
Een bijzonder geval kan zich voordoen als blijkt dat de verlening van het Nederlanderschap in zodanige mate een Nederlands cultureel belang dient, dat afwijking van één of meer reguliere voorwaarden wordt gerechtvaardigd. Onder een Nederlands cultureel belang wordt tevens verstaan een Nederlands belang op sportief gebied.
### paragraaf 3.1. Advisering
### paragraaf 3.1. Advisering
Om vast te kunnen stellen of met de naturalisatie van verzoeker een Nederlands belang op sportief gebied is gediend, wordt de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om advies gevraagd. Alleen indien bij het verzoek tot naturalisatie mede een verklaring van een Nederlandse sportbond wordt overgelegd inhoudende dat naturalisatie een Nederlands sportbelang op korte termijn dient, verzoekt de Minister van Justitie om advisering ter zake door de Staatssecretaris van VWS. Zonder een dergelijke ondersteunende verklaring wordt de zaak niet aan VWS aangeboden, maar direct afgewezen.
De Staatssecretaris van VWS laat zich ondersteunend adviseren door de desbetreffende nationale sportbond, maar heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het advies aan de Minister van Justitie.
Bij circulaire d.d. 9 april 1999, kenmerk S/BOA-99440 heeft de Staatssecretaris van VWS richtlijnen opgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of wordt voldaan aan het vereiste van een aanwezig Nederlands belang op sportief gebied. De circulaire stelt de eis dat de betrokkene bij de desbetreffende Nederlandse landelijke sportorganisatie op het niveau van de nationale top presteert. Dit betekent volgens de circulaire:
Bij circulaire d.d. 9 april 1999, kenmerk S/BOA-99440 heeft de Staatssecretaris van VWS richtlijnen opgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of wordt voldaan aan het vereiste van een aanwezig Nederlands belang op sportief gebied. De circulaire stelt de eis dat de betrokkene bij de desbetreffende Nederlandse landelijke sportorganisatie op het niveau van de nationale top presteert. Dit betekent volgens de circulaire:
Of een sporter direct na de naturalisatie tot Nederlander daadwerkelijk op een internationaal concours of een internationale sportwedstrijd kan uitkomen als Nederlander is echter afhankelijk van de regels van de nationale sportbond van het herkomstland. Is op grond van deze regels deelname namens Nederland pas mogelijk na het verstrijken van een bepaalde periode, de zgn. blokkeringstermijn, dan kan bij de nationale sportbond van het land van herkomst om ontheffing of bekorting van deze termijn worden verzocht.
Of een sporter direct na de naturalisatie tot Nederlander daadwerkelijk op een internationaal concours of een internationale sportwedstrijd kan uitkomen als Nederlander is echter afhankelijk van de regels van de nationale sportbond van het herkomstland. Is op grond van deze regels deelname namens Nederland pas mogelijk na het verstrijken van een bepaalde periode, de zgn. blokkeringstermijn, dan kan bij de nationale sportbond van het land van herkomst om ontheffing of bekorting van deze termijn worden verzocht.
Met het ministerie van VWS is een aantal afspraken gemaakt met betrekking tot het advies aan de Minister van Justitie. Naast de toetsing aan de bovengenoemde richtlijnen uit de circulaire d.d. 9 april 1999 zal de Staatssecretaris van VWS in het advies aan de volgende onderwerpen aandacht besteden:
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
Ontbreekt de verklaring, dan vermeldt het advies van VWS de reden daarvan;
In het geval dat het advies van de Staatssecretaris van VWS inzake de ontheffing van een voor de verzoeker geldende blokkeringstermijn geen stukken bevat, die leiden tot de conclusie dat de verzoeker op korte termijn als genaturaliseerde Nederlander voor Nederland zou kunnen uitkomen, dient het verzoek tot naturalisatie te worden afgewezen.
In het geval dat het advies van de Staatssecretaris van VWS inzake de ontheffing van een voor de verzoeker geldende blokkeringstermijn geen stukken bevat, die leiden tot de conclusie dat de verzoeker op korte termijn als genaturaliseerde Nederlander voor Nederland zou kunnen uitkomen, dient het verzoek tot naturalisatie te worden afgewezen.
Het voorgaande geldt niet indien het een vreemdeling betreft waarvan de IND aan de Staatssecretaris van VWS in het verzoek om advies heeft laten weten dat de Nederlandse nationale sportbond dan wel het Nederlands Olympisch Comité geen contact met vertegenwoordigers van het herkomstland dient op te nemen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2 t/m 4; 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9);
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2 t/m 4; 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9);
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
[BOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831&artikel=3)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6); [31.1 t/m 31.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31); [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32) en [51 t/m 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56)
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
### 11-alg. Toelichting algemeen
Dit artikel bevat bepalingen met betrekking tot de medeverlening van het Nederlanderschap aan minderjarigen en jongvolwassenen.
Dit artikel bevat bepalingen met betrekking tot de medeverlening van het Nederlanderschap aan minderjarigen en jongvolwassenen.
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
Een kind jonger dan twaalf jaar wordt op grond van artikel 2, vierde lid, RWN niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze over de medeverlening naar voren te brengen. Een kind van twaalf tot zestien jaar kan, als daar om wordt verzocht, een zienswijze hierover naar voren brengen. Een kind dat ten tijde van de indiening van het verzoek om (mede)naturalisatie zestien jaar of ouder is, is in beginsel verplicht om in persoon te verklaren in te stemmen met de medeverlening ([artikel 31, derde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) in samenhang met [artikel 3 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) (zie hierover ook de uitgebreide toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
Voor de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie op grond van [artikel 11, derde of vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) wordt ingediend zestien jaar of ouder is, geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid.
Als een ouder heeft verzocht om medeverlening voor een minderjarige, terwijl de minderjarige niet voldoet aan de geldende voorwaarden, worden de personalia van het kind niet vermeld in het Koninklijk Besluit en wordt het verzoek om medeverlening van het kind schriftelijk afgewezen. Hetzelfde geldt uiteraard voor een zelfstandig verzoek op grond van [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De afwijzende beslissing is een beschikking in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend (zie ook de [toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.11&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
De periode dat het afhankelijk gezinslid op basis van een geprivilegieerde status bij de hoofdpersoon in Nederland heeft verbleven, en daardoor ingeschreven heeft gestaan in het daarvoor bestemde register bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, geldt in het kader van een verzoek om medeverlening als toelating in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738), mits deze periode onmiddellijk voorafging aan de toelating in het kader van de Vreemdelingenwet. Deze (onafgebroken) periode mag daarom worden meegeteld voor de vereiste termijn van drie jaren toelating in het kader van een verzoek om medeverlening.
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
**Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt wordt ingewilligd indien het kind in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf en, sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft. Het Nederlanderschap wordt slechts verleend, indien het kind daarmee uitdrukkelijk instemt, hij bereid is bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en op hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.**
**Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt wordt ingewilligd indien het kind in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf en, sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft. Het Nederlanderschap wordt slechts verleend, indien het kind daarmee uitdrukkelijk instemt, hij bereid is bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en op hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.**
In deze bepaling is tot uitdrukking gebracht dat oudere minderjarigen in het Nederlands recht in toenemende mate een bijzondere rechtspositie verkrijgen. Deze positie rechtvaardigt een eigen naturalisatieregeling.
Anders dan bij een kind jonger dan zestien jaar (dat nog leerplichtig is en om die reden sneller ingeburgerd zal geraken), is in dit artikellid bepaald dat het kind dat ten tijde van het verzoek zestien jaar of ouder is in aanmerking kan komen voor medeverlening als hij ‘een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf’ in het Koninkrijk heeft. Ook bij medeverlening is hierbij de achterliggende gedachte dat in het kader van het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit een persoon pas rechten behoort op te kunnen bouwen, nadat de overheid heeft ingestemd met zijn bestendig verblijf in het Koninkrijk. Op grond van dit artikellid moet het kind derhalve gedurende een ononderbroken periode van drie jaren vóór de indiening van het verzoek zijn toegelaten zoals bedoeld in [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) én moet hij drie jaren voor de indiening van het verzoek hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN. Deze periode van toelating kan blijken uit het verblijfsdocument van het kind met bijgevoegd een afschrift uit de BRP dan wel een bericht omtrent toelating (zie artikel 3 BOT en de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN).
Verblijf in het verleden in Nederland als afhankelijk gezinslid van een geprivilegieerde vreemdeling, werkzaam bij een internationale organisatie, geldt onder specifieke voorwaarden als toelating in hierboven bedoelde zin.
De periode dat het afhankelijk gezinslid op basis van een geprivilegieerde status bij de hoofdpersoon in Nederland heeft verbleven, en daardoor ingeschreven heeft gestaan in het daarvoor bestemde register bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, geldt in het kader van een verzoek om medeverlening als toelating in de zin van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738), mits deze periode onmiddellijk voorafging aan de toelating in het kader van de Vreemdelingenwet. Deze (onafgebroken) periode mag daarom worden meegeteld voor de vereiste termijn van drie jaren toelating in het kader van een verzoek om medeverlening.
Het verblijf als geprivilegieerde moet worden aangetoond door middel van het overleggen van een originele verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ingeval van contra-indicatie dat het verblijf als geprivilegieerde, ondanks de verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, niet onafgebroken is geweest, kan contact worden opgenomen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
### Paragraaf 2.4. Tarief H
Volgens onderhavig artikellid moet het kind dat ten tijde van de indiening van het verzoek zestien jaar of ouder is, zich bij de indiening bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen ([model 2.30 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01)). Vervolgens zal het kind dat de bereidverklaring afgegeven heeft, tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid moeten afleggen voordat hem het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap kan worden uitgereikt. Het vereiste tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt niet voor een kind dat bij het indienen van het verzoek om naturalisatie jonger dan zestien jaar is, maar gedurende de behandeling van het verzoek zestien jaar wordt (zie de [toelichting bij artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&z=2024-04-01&g=2024-04-01), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&z=2024-04-01&g=2024-04-01).)
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
Minderjarigen van zestien jaar en ouder worden geacht voldoende inzicht te hebben om zelf te kunnen beslissen over de vraag of ze de Nederlandse nationaliteit willen verkrijgen. Om die reden is in dit artikellid opgenomen dat een kind, dat ten tijde van het verzoek om medeverlening van het Nederlanderschap zestien jaar of ouder is, het Nederlanderschap alleen zal verkrijgen als het kind daar uitdrukkelijk mee instemt. Op grond van [artikel 31, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) moet deze verklaring voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in [artikel 3 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3). Dit betekent dat het kind in beginsel in persoon bij de burgemeester moet verschijnen om de instemmingsverklaring af te leggen (zie verder de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
De verklaring moet op schrift worden gesteld en door het kind worden ondertekend.
Uit de tekst [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vloeit voort dat de vereisten van het in persoon een instemmingsverklaring afleggen niet geldt voor een kind dat bij het indienen van het verzoek om medeverlening jonger dan zestien jaar is, maar gedurende de behandeling van het verzoek zestien jaar wordt. Als dit kind echter al vóór het bereiken van de zestienjarige leeftijd een zienswijze omtrent de medeverlening van het Nederlanderschap naar voren heeft gebracht en het kind heeft daarbij te kennen gegeven geen prijs te stellen op medever lening, dan zal het kind niet worden meegenaturaliseerd (tenzij het zestienjarige kind op eigen initiatief alsnog een andere zienswijze geeft).
Op grond van [artikel 2, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) moeten verklaringen van minderjarigen betreffende de nationaliteit worden afgelegd door hun wettelijk vertegenwoordiger. Deze vertegenwoordigingsplicht geldt echter niet voor minderjarigen vanaf twaalf jaar bij het naar voren brengen van een zienswijze omtrent de verlening of medeverlening van het Nederlanderschap op grond van artikel 2, vierde lid, RWN. Die vertegenwoordigingsplicht geldt evenmin voor minderjarigen vanaf zestien jaar die op grond van het onderhavige derde lid uitdrukkelijk moeten verklaren in te stemmen met de medeverlening. Het gaat er bij het geven van bedoelde zienswijze of instemmingsverklaring immers om dat de minderjarige zijn eigen mening kenbaar maakt (zie ook de toelichting bij artikel 2, derde lid, RWN).
Voor de duidelijkheid worden hieronder de vereisten genoemd, waaraan moet zijn voldaan als het een verzoek om medeverlening betreft voor een kind dat ten tijde van indiening van dat verzoek zestien jaar of ouder is:
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vader of moeder mede verstaan de adoptiefouder, indien de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken.
A is zeventien jaar op het moment dat zijn vader een verzoek om naturalisatie indient en daarbij vraagt om medenaturalisatie van A. Tijdens de behandeling van het verzoek wordt A achttien jaar. Op het moment dat de vader bij koninklijk besluit wordt genaturaliseerd, voldoet A aan de voorwaarden in [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) met uitzondering van het vereiste van minderjarigheid. Van de IND ontvangt hij een beschikking die inhoudt dat het verzoek om medenaturalisatie is afgewezen. A gaat hierna twee jaar in Groot-Brittannië wonen om te werken. Vervolgens hervestigt hij zich in Nederland en heeft daar drie jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf op het moment dat hij een verzoek om naturalisatie indient. A kan niet met succes een beroep doen op [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie is immers niet aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheid van A.
A is zeventien jaar op het moment dat zijn vader een verzoek om naturalisatie indient en daarbij vraagt om medenaturalisatie van A. Tijdens de behandeling van het verzoek wordt A achttien jaar. Op het moment dat de vader bij koninklijk besluit wordt genaturaliseerd, voldoet A aan de voorwaarden in [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) met uitzondering van het vereiste van minderjarigheid. Van de IND ontvangt hij een beschikking die inhoudt dat het verzoek om medenaturalisatie is afgewezen. A gaat hierna twee jaar in Groot-Brittannië wonen om te werken. Vervolgens hervestigt hij zich in Nederland en heeft daar drie jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf op het moment dat hij een verzoek om naturalisatie indient. A kan niet met succes een beroep doen op [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie is immers niet aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheid van A.
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. “Feitelijk behoren tot het gezin” van de vader of moeder houdt in het kader van de RWN in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s)64Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.. De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### 11-8. Toelichting ad [artikel 11, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vader of moeder mede verstaan de adoptiefouder, indien de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken.
### paragraaf 1. Optiegelden
### Paragraaf 1.1. Tarieven
### Artikel 12
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel IB.A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IB)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikel 36.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36); [36.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [36.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [Boek 1, titel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=2)
[Boek 10 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068): [artikelen 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=22) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=25)
### 12-alg. Toelichting algemeen
Als zij daarom verzoeken, worden de in het verzoek begrepen minderjarige kinderen van twaalf jaar of ouder, evenals de wettelijk vertegenwoordiger of de (andere) ouder als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de naamsvaststelling of naamswijziging kenbaar te maken ([artikel 36, vierde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.9 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2023-10-01&g=2023-10-01) ‘Brief zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 t/m 15 jaar)’ en model 2.11 HRWN ‘Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 jaar t/m 15 jaar)’ respectievelijk model 2.13 HRWN ‘Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarigen’ en model 2.15 HRWN ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)’of model 2.16 HRWN. ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamswijziging kind(eren)’
Bij verlening van het Nederlanderschap is het Nederlands namenrecht van toepassing. Op 1 januari 2012 is de [Wet conflictenrecht namen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580) (WCN) vervallen. Vanaf die datum is [artikel 10:18 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=18) tot en met [artikel 10:26 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=26) van toepassing. Uitgangspunt is dat de naturalisatie plaatsvindt met toepassing van de namen van de verzoeker in de basisregistratie personen (BRP). Aan deze namen moet verder zo weinig mogelijk worden gesleuteld.
Bij verlening van het Nederlanderschap is het Nederlands namenrecht van toepassing. Op 1 januari 2012 is de [Wet conflictenrecht namen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580) (WCN) vervallen. Vanaf die datum is [artikel 10:18 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=18) tot en met [artikel 10:26 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=26) van toepassing. Uitgangspunt is dat de naturalisatie plaatsvindt met toepassing van de namen van de verzoeker in de basisregistratie personen (BRP). Aan deze namen moet verder zo weinig mogelijk worden gesleuteld.
Zonder expliciete naamsvaststelling of naamswijziging is het Koninklijk Besluit tot verlening van het Nederlanderschap niet bepalend voor de namen van de verzoeker. Dit vloeit voort uit [artikel 10:22, lid 2 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=22) waarvan de tekst luidt:
“De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door een vreemdeling brengt geen wijziging in diens geslachtsnaam en voornamen, behoudens [artikel 25, onder b, van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=25) en de [artikelen 6 lid 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [12 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12).”
Als naamsvaststelling of naamswijziging is geboden op grond van [artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12), overlegt de burgemeester met de verzoeker over de vast te stellen of te wijzigen namen van de verzoeker en van de personen voor wie medeverlening wordt verzocht, alsmede over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen worden overgebracht ([artikel 36, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Daartoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.6 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) ‘Verzoek om naamsvaststelling bij naturalisatie’ of model 2.7 HRWN ‘Verzoek om naamswijziging bij naturalisatie’.
### Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
### Artikel 14
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
In beginsel is het niet mogelijk dat een gehuwde vrouw bij de naturalisatie haar eigen geslachtsnaam laat wijzigen in die van haar (Nederlandse) echtgenoot. Immers, naar Nederlands recht mag de geslachtsnaam van de echtgenoot officieel niet worden toegevoegd aan de naam van de vrouw, noch draagt de vrouw rechtens de naam van haar echtgenoot. Wel is het toegestaan dat de vrouw in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van haar echtgenoot voert.
In beginsel is het niet mogelijk dat een gehuwde vrouw bij de naturalisatie haar eigen geslachtsnaam laat wijzigen in die van haar (Nederlandse) echtgenoot. Immers, naar Nederlands recht mag de geslachtsnaam van de echtgenoot officieel niet worden toegevoegd aan de naam van de vrouw, noch draagt de vrouw rechtens de naam van haar echtgenoot. Wel is het toegestaan dat de vrouw in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van haar echtgenoot voert.
### Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
Uitgangspunt in het Nederlands namenrecht is dat een minderjarig kind de naam van één van de ouders draagt. Hieruit vloeit voort dat kinderen die delen in de naturalisatie van de ouder onder bepaalde voorwaarden ook in de naamsvaststelling of -wijziging van die ouder kunnen delen.
Uitgangspunt in het Nederlands namenrecht is dat een minderjarig kind de naam van één van de ouders draagt. Hieruit vloeit voort dat kinderen die delen in de naturalisatie van de ouder onder bepaalde voorwaarden ook in de naamsvaststelling of -wijziging van die ouder kunnen delen.
### paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen
Een minderjarig kind kan niet delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van:
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
Als uit de BRP niet blijkt of een minderjarig kind kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de verzoeker, kan dit worden aangetoond met een bewijs van gezagsvoorziening. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een buitenlandse rechterlijke voogdijbeschikking of een echtscheidingsvonnis, waarbij tevens in het gezag over de kinderen is voorzien. Het gezag kan ook van rechtswege zijn ontstaan, bijvoorbeeld door een huwelijk.
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
Op grond van [artikel 1:7, derde lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=7) heeft de wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam door de Koning geen invloed op de geslachtsnaam van de kinderen van de betrokken persoon die voor de datum van het besluit meerderjarig zijn geworden of die niet onder zijn gezag staan. In aansluiting hier op kunnen meerderjarige kinderen en kinderen die niet onder het gezag van verzoeker staan niet in de naamswijziging of -vaststelling van verzoeker delen.
Minderjarige kinderen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben en die niet delen in de naturalisatie, delen in principe niet in de naamsvaststelling of -wijziging. Voor hen geldt immers niet het Nederlandse namenrecht, maar het namenrecht van het land van herkomst. Zij delen enkel in de naamsvaststelling of -wijziging als dat voortkomt uit het namenrecht van het land van herkomst.
### paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen
De Minister van Justitie is gemachtigd correcties aan te brengen in een koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap. De machtiging is uitsluitend verleend om kennelijke administratieve misslagen in de vermelde persoonsgegevens van de verzoeker te herstellen. De kennelijke misslag dient een gevolg te zijn van (administratieve dan wel een vertalings-) onoplettendheid. Onder een ‘kennelijke administratieve misslag’ wordt niet verstaan het geval waarin de verzoeker na de verlening van het Nederlanderschap één of meer persoonsgegevens (namen, geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland) wenst te corrigeren, omdat hij is genaturaliseerd onder onjuiste, maar wel door hem aangeleverde, persoonsgegevens. De doorlopende machtiging is verleend voor de volgende kennelijke misstellingen in naturalisatiebesluiten:
### paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
Blijkt in de procedure dat een verzoeker met een naamsketen (namenreeks) niet wenst dat bij zijn naturalisatie een geslachtsnaam voor hem wordt vastgesteld, dan leidt dat tot een afwijzing van het naturalisatieverzoek op grond van niet-inburgering. Verzoeker voldoet alsdan niet aan de in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) gestelde voorwaarde van ‘zich ook overigens in de Nederlandse (Nederlands Antilliaanse of Arubaanse) samenleving hebben doen opnemen’.
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
In een voorkomend geval stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeker schriftelijk in de gelegenheid om aan te geven welke geslachtsnaam hij wenst en wijst verzoeker op het feit dat het achterwege blijven van een keuze voor een naamsvaststelling leidt tot afwijzing van het naturalisatieverzoek.
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
Als sprake is van een namenreeks kan geen onderscheid worden gemaakt tussen de geslachtsnaam en de voornamen van de verzoeker. Onder andere de volgende landen kunnen een zogenaamde namenreeks kennen:
### paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
Ten aanzien van verzoekers van wie de namen worden bepaald door het recht van deze landen is dus naamsvaststelling geboden, óók wanneer hun namen met onderscheid tussen voornamen en geslachtsnaam in de BRP zijn opgenomen. In dat geval moet een enkelvoudige geslachtsnaam worden vastgesteld die overeenkomt met de naam van de (voor)ouder. Draagt de verzoeker een namenreeks waarin niet een naam van een (voor)ouder voorkomt, dan moet één van zijn eigen namen worden vastgesteld als geslachtsnaam en de andere eigen naam als voornaam.
### paragraaf 2.3. Belangenafweging
De verzoeker komt uit Soedan en heeft de volgende namenreeks: Mariam el Amin Mohamed Abbas. Zij is meerderjarig en dient een verzoek om naturalisatie in. Aangezien Mariam uit Soedan komt en een namenreeks heeft, moet er bij naturalisatie naamsvaststelling plaatsvinden. Uit de gegevens van de BRP blijkt dat de namenreeks van haar vader El Amin Mohamed Abbas Osman luidt. In dit geval mag Mariam willekeurig welke na(a)m(en) uit haar namenreeks als voorna(a)m(en) laten vaststellen. Als geslachtsnaam mag zij echter alleen El Amin, Mohamed of Abbas kiezen. Deze namen komen immers zowel in haar eigen namenreeks als in de namenreeks van haar vader voor.
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
Indien de naam slechts bestaat uit één bestanddeel wordt deze naam in beginsel vastgesteld als voornaam. De geslachtsnaam wordt dan vastgesteld overeenkomstig de naam van de (voor)ouder. In voorkomende gevallen kan ook een gedeelte van de naam van betrokkene worden vastgesteld als geslachtsnaam en het andere gedeelte wordt dan vastgesteld als voornaam.
### paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
De Egyptische Kamal Abdel Walad naturaliseert tot Nederlander en laat daarbij voor hem en zijn twee meenaturaliserende, minderjarige kinderen de naam Walad als geslachtsnaam vaststellen. Een half jaar later dient zijn negentienjarige zoon Ashraf Kamal Abdel zelfstandig een verzoek om naturalisatie in. Hoewel de naam Walad niet voorkomt in de namenreeks van Ashraf, kan hij toch deze naam als geslachtsnaam kiezen, aangezien zijn vader en jongere zusjes reeds deze naam als geslachtsnaam hebben verkregen.
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk als het kind:
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk als het kind:
Het kan echter ook voorkomen dat de (hoofd)verzoeker niet verzoekt zijn minderjarige kind te laten delen in zijn naamsvaststelling, maar om naamsvaststelling van de naam van het kind conform de geslachtsnaam of een naam uit de namenreeks van de andere ouder, terwijl die andere ouder (al) Nederlander is of niet tegelijkertijd naturaliseert. Deze naamsvaststelling is mogelijk als de gewenste geslachtsnaam in de naam of namenreeks van het kind zelf voorkomt. Komt de gewenste naam alleen in de naam of namenreeks van de andere ouder en niet in de naam van het kind voor, dan kan deze naam als geslachtsnaam voor het minderjarige kind worden vastgesteld als is aangetoond dat deze andere ouder daadwerkelijk een (juridische) ouder van het kind is (en dus als zodanig in de BRP is geregistreerd).
Het Pakistaanse kind Mohammad Jafar Houssien naturaliseert mee met zijn moeder. De vader van het kind, Jafar Houssien Mahmoud, is niet met zijn vrouw en kind meegekomen naar Nederland en verblijft nog in het land van herkomst. De moeder wil echter graag dat voor haar zoon een naam uit de namenreeks van haar man als geslachtsnaam wordt vastgesteld. Voor het kind kan sowieso de naam Jafar of de naam Houssien als geslachtsnaam worden vastgesteld, aangezien deze namen ook in zijn eigen namenreeks voorkomen. De naam Mahmoud mag hij echter alleen krijgen, als is aangetoond dat Jafar Houssien Mahmoud daadwerkelijk zijn (juridische) vader is.
Een minderjarig kind van wie de naam uit één bestanddeel bestaat, deelt in beginsel in de naamsvaststelling van verzoeker. Als gewenst kan echter ook een naam van de andere ouder (of een voorouder) als geslachtsnaam van het kind worden vastgesteld, als is aangetoond dat deze andere (voor)ouder daadwerkelijk een (voor)ouder van het kind is (en dus als zodanig in de BRP is geregistreerd op grond van een geboorteakte of verklaring onder eed of belofte).
### Paragraaf 2. Naamswijziging
De Egyptische Kamal Abdel Walad naturaliseert tot Nederlander en laat daarbij voor hem en zijn twee meenaturaliserende, minderjarige kinderen de naam Walad als geslachtsnaam vaststellen. Een half jaar later dient zijn negentienjarige zoon Ashraf Kamal Abdel zelfstandig een verzoek om naturalisatie in. Hoewel de naam Walad niet voorkomt in de namenreeks van Ashraf, kan hij toch deze naam als geslachtsnaam kiezen, aangezien zijn vader en jongere zusjes reeds deze naam als geslachtsnaam hebben verkregen.
### 12-2. Toelichting ad [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
De naam van de verzoeker wordt zonodig in de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens overgebracht en kan, indien dit voor de inburgering van belang is, met toestemming van de verzoeker bij het besluit tot verlening van het Nederlanderschap worden gewijzigd.
### Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens
Hierbij moet worden gedacht aan overbrenging van de namen vanuit bijvoorbeeld het Arabisch, Chinees of Cyrillisch schrift naar het Latijns schrift. Met betrekking tot deze overbrenging dient altijd te worden overlegd met de verzoeker ([artikel 36, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Voor de transcriptie is echter géén expliciete toestemming van de verzoeker vereist.
### Paragraaf 2. Naamswijziging
### Paragraaf 2. Naamswijziging
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
De persoon ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking vervalt, hoeft niet noodzakelijk Nederlander te zijn. Het kind kan namelijk via die persoon het Nederlanderschap ontlenen aan uitsluitend artikel 3, derde lid, RWN. Ook in dat geval moet worden gesteld dat het Nederlanderschap wordt ontleend aan de familierechtelijke betrekking met die persoon.
### paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
Derhalve verliest de minderjarige A op 8 april 2004 het Nederlanderschap op grond van het toen geldende artikel 14, tweede lid RWN, (dit artikellid, is in 2010 vernummerd tot het vierde lid RWN en vervolgens in 2017 tot het zesde lid RWN). Het verlies kan niet worden voorkomen; immers, de moeder is niet van Nederlandse nationaliteit, A ontleent het Nederlanderschap niet tevens aan artikel 3, derde lid, RWN, en hij zal door het verlies van het Nederlanderschap ook niet staatloos worden.
### Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
Bij beschikking van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 5 maart 2011 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van B. Tegen de uitspraak wordt hoger beroep ingesteld. De uitspraak in dat beroep volgt op 9 juli 2011 en bij die uitspraak wordt de beschikking van de rechtbank bevestigd. Beroep in cassatie wordt niet ingesteld.
### Paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
Zou B het Nederlanderschap tevens via de moeder aan artikel 3, derde lid, RWN ontlenen, dan zou voor hem geen verlies intreden. De familierechtelijke betrekking met de moeder is immers niet vervallen.
C is in 1999 geboren in Australië als dochter van een Australische vrouw. In 2000 is C erkend door een Nederlander, waardoor zij het Nederlanderschap verkreeg op grond van het toen geldende artikel 4 RWN. Sindsdien is C van Nederlandse en Australische nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent zij uitsluitend aan het toen geldende artikel 4 RWN. In 2001 verkrijgt de moeder van C het Nederlanderschap door naturalisatie. Na het overlijden van de Nederlandse moeder wordt bij beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 7 april 2004 de erkenning van C vernietigd. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld.
In principe zou dit voor de minderjarige C verlies van het Nederlanderschap meebrengen, en wel met ingang van 8 juli 2004. Echter, in dit geval treedt geen verlies in, omdat de andere ouder ten tijde van haar overlijden Nederlander was.
D ontleent bij haar geboorte in 2006 de Dominicaanse nationaliteit aan haar ongehuwde moeder. Op 11 maart 2012 wordt zij erkend door een Nederlandse man. Zij verkrijgt daardoor het Nederlanderschap op grond van artikel 4 lid 2 RWN en behoudt de Dominicaanse nationaliteit. Haar moeder vestigt zich kort daarna met D in Nederland en dient op 20 oktober 2017, na vijf jaar toelating en hoofdverblijf, een verzoek om naturalisatie in. In april 2018 wordt aan haar het Nederlanderschap verleend. De Nederlandse man verzoekt de rechtbank in mei 2018 zijn erkenning van D te vernietigen. De rechtbank gaat daartoe over bij beschikking van 30 september 2018. Daartegen wordt geen hoger beroep ingesteld, zodat de beschikking op 31 december 2018 in kracht van gewijsde gaat. Hoewel uit [artikel 1:206 lid 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=206) volgt dat de erkenning wordt geacht nimmer rechts gevolg te hebben gehad, verliest D het Nederlanderschap niet omdat haar moeder op 31 december 2018 Nederlander was. Dat de moeder op 11 maart 2012 nog geen Nederlander was, is niet van belang.
Zou B het Nederlanderschap tevens via de moeder aan artikel 3, derde lid, RWN ontlenen, dan zou voor hem geen verlies intreden. De familierechtelijke betrekking met de moeder is immers niet vervallen.
**Het Nederlanderschap wordt niet verloren dan krachtens een van de bepalingen van dit hoofdstuk.**
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
D ontleent bij haar geboorte in 2006 de Dominicaanse nationaliteit aan haar ongehuwde moeder. Op 11 maart 2012 wordt zij erkend door een Nederlandse man. Zij verkrijgt daardoor het Nederlanderschap op grond van artikel 4 lid 2 RWN en behoudt de Dominicaanse nationaliteit. Haar moeder vestigt zich kort daarna met D in Nederland en dient op 20 oktober 2017, na vijf jaar toelating en hoofdverblijf, een verzoek om naturalisatie in. In april 2018 wordt aan haar het Nederlanderschap verleend. De Nederlandse man verzoekt de rechtbank in mei 2018 zijn erkenning van D te vernietigen. De rechtbank gaat daartoe over bij beschikking van 30 september 2018. Daartegen wordt geen hoger beroep ingesteld, zodat de beschikking op 31 december 2018 in kracht van gewijsde gaat. Hoewel uit [artikel 1:206 lid 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=206) volgt dat de erkenning wordt geacht nimmer rechts gevolg te hebben gehad, verliest D het Nederlanderschap niet omdat haar moeder op 31 december 2018 Nederlander was. Dat de moeder op 11 maart 2012 nog geen Nederlander was, is niet van belang.
### 14-7. Toelichting ad [artikel 14, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Hoofdregel bij verlies van het Nederlanderschap is, dat geen verlies optreedt indien dat leidt tot staatloosheid. Op de hoofdregel formuleert dit artikellid één uitzondering, namelijk het geval waarin sprake is van intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) (intrekking wegens valse verklaring, bedrog of verzwijging van een relevant feit). In een dergelijk geval kan het verlies van het Nederlanderschap wél leiden tot staatloosheid.
### 14-8. Toelichting ad [artikel 14, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, vindt geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien het gevolg daarvan zou zijn dat betrokkene door geen enkele staat, krachtens en diens wetgeving, als zijn onderdaan wordt beschouwd.**
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
### 14-10. Toelichting ad [artikel 14, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 14-9. Toelichting ad [artikel 14, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
In [artikel 68 tot en met 68 c BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) zijn nadere regels gesteld over de belangenafweging die plaatsvindt bij een intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste tot en met het vierde lid. Deze belangenafweging is in deze handleiding nader uitgewerkt in de toelichting op [artikel 14, eerste tot en met vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
### Artikel 15
RWN: [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); 1.2; [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) en [14.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
RRWN: [artikelen IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) en[V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### 2.2.1. Rechten Unieburgerschap
### 2.2.1. Rechten Unieburgerschap
### Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen
### Paragraaf 1. Algemeen
Als met het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap ook het Unieburgerschap verloren is gegaan en dit verlies onevenredige gevolgen heeft gehad vanuit het oogpunt van het Unierecht, kan het Nederlanderschap gelet op het arrest van 12 maart 2019 van het Europese Hof van Justitie (C-221/17) met terugwerkende kracht worden herkregen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN. Zie verder de toelichting bij dat artikel. In voorkomende gevallen en indien mogelijk, ligt het voor de hand om door de verliesbepaling van artikel 14, zesde lid, RWN geraakte personen actief voor te lichten over deze mogelijkheid om het Nederlanderschap te herkrijgen.
### 14-7. Toelichting ad [artikel 14, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Artikel V RRWN
### paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
Uit deze bepaling blijkt dat de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) limitatief de rechtsgronden opsomt waarop het Nederlanderschap verloren gaat. Alle verliesgronden zijn opgenomen in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=5) ([artikelen 14 t/m 16A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)).
### 14-8. Toelichting ad [artikel 14, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, vindt geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien het gevolg daarvan zou zijn dat betrokkene door geen enkele staat, krachtens en diens wetgeving, als zijn onderdaan wordt beschouwd.**
Deze staatloosheid wordt niet vastgesteld op grond van de [Wet vaststellingsprocedure staatloosheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048458). Daarom wordt de term staatloosheid hier niet (meer) genoemd in de wettekst. De vraag of iemand door geen enkele staat, krachtens en diens wetgeving, als zijn onderdaan wordt beschouwd wordt bepaald door uitleg van de toepasselijke nationaliteitswetgeving.
**De in het vierde lid bedoelde lijst wordt na vaststelling of wijziging toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de Staten van Aruba, aan die van Curaçao en aan die van Sint Maarten en wordt gepubliceerd in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten.**
Hoofdregel bij verlies van het Nederlanderschap is, dat geen verlies optreedt indien dat leidt tot staatloosheid. Op de hoofdregel formuleert dit artikellid één uitzondering, namelijk het geval waarin sprake is van intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) (intrekking wegens valse verklaring, bedrog of verzwijging van een relevant feit). In een dergelijk geval kan het verlies van het Nederlanderschap wél leiden tot staatloosheid.
### Paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
BVVN: [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [61 t/m 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61) en [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=72)
### Artikel 15
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
### 15-alg. Toelichting algemeen
Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door meerderjarigen. Meerderjarig zijn volgens [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1):
### paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
Zie voor het overgangsrecht de toelichting bij de afzonderlijke artikelleden.
Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door meerderjarigen. Meerderjarig zijn volgens [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1):
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
### 2.2.2. Bewijslast
### 2.2.3. Individueel belang
### Paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
B, minderjarig kind van Belgische ouders, ontleent het Nederlanderschap via de vader aan artikel 3, derde lid, RWN en is tevens van Belgische nationaliteit.
### Paragraaf 1. Algemeen
### 14-7. Toelichting ad [artikel 14, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
### 14-9. Toelichting ad [artikel 14, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere regels gesteld omtrent de elementen die betrokken worden bij de belangenafweging inzake een beslissing omtrent intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste, tweede, derde of vierde lid.**
### 14-9. Toelichting ad [artikel 14, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**De in het vierde lid bedoelde lijst wordt na vaststelling of wijziging toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de Staten van Aruba, aan die van Curaçao en aan die van Sint Maarten en wordt gepubliceerd in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten.**
### 14-10. Toelichting ad [artikel 14, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Artikel 15
Boek 10 BW: [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=19)
RRWN: [artikelen IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) en[V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
Als met het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap ook het Unieburgerschap verloren is gegaan en dit verlies onevenredige gevolgen heeft gehad vanuit het oogpunt van het Unierecht, kan het Nederlanderschap gelet op het arrest van 12 maart 2019 van het Europese Hof van Justitie (C-221/17) met terugwerkende kracht worden herkregen op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Zie verder de toelichting bij dat artikel.
De verkrijging van de andere nationaliteit, door bijvoorbeeld optie of naturalisatie, moet vrijwillig zijn. Het moet gaan om een wilsdaad die specifiek is gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit.
Als met het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap ook het Unieburgerschap verloren is gegaan en dit verlies onevenredige gevolgen heeft gehad vanuit het oogpunt van het Unierecht, kan het Nederlanderschap gelet op het arrest van 12 maart 2019 van het Europese Hof van Justitie (C-221/17) met terugwerkende kracht worden herkregen op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Zie verder de toelichting bij dat artikel.
De wettelijke bepalingen met betrekking tot het verkrijgen van een vreemde nationaliteit door een Nederlander beogen van oudsher te leiden tot verlies van het Nederlanderschap en strekken op die manier tot het vermijden van meervoudige nationaliteit.
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
Het is bij deze regel van belang of de vreemde nationaliteit voor of na 1 april 2003 is verkregen. Op 1 april 2003 is [artikel 15, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) ingevoerd. Hierin zijn gronden opgenomen die het verlies van het Nederlanderschap tegenhouden. In de gevallen die artikel 15, tweede lid RWN noemt, zal dus na 1 april 2003 wel meervoudige nationaliteit (zijn) ontstaan, omdat het Nederlanderschap dan niet is of wordt verloren.
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
Wijziging van de geslachtsnaam enerzijds, en wijziging van de geslachtsnaam en voornamen anderzijds, zijn mogelijk in uitsluitend de volgende gevallen:
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
Met name in Oost-Europese landen wordt soms bij namen van vrouwen als achtervoegsel een -a aan de geslachtsnaam toegevoegd. Deze verbuiging naar een vrouwelijke vorm kan bij de naturalisatie tot Nederlander ongedaan worden gemaakt als betrokkene daar om verzoekt. Het omgekeerde, een (vrouwelijke) verbuiging toevoegen, is echter niet mogelijk, omdat het Nederlands namenrecht niet de mogelijkheid geeft om namen te verbuigen.
Analoog aan artikel 1, tweede lid Besluit geslachtsnaamwijziging geschieden de hierboven onder 4 of 5 genoemde wijzigingen bij voorkeur door omzetting (of toevoeging of weglating) van enkele letters of door toevoeging van een voor- of achtervoegsel.
Het moment waarop het verlies van het Nederlanderschap wegens het niet (tijdig) verwerpen van de vreemde nationaliteit intreedt, is afhankelijk van de omstandigheid of de termijn van verwerping vóór of na de verkrijging van de vreemde nationaliteit ligt.
### Paragraaf 1
Kent de vreemde nationaliteitswetgeving (soms: ook) een termijn waarbinnen een verwerping moet plaatsvinden dat gelegen is**na de verkrijging** van de vreemde nationaliteit, dan gaat het Nederlanderschap verloren op de dag dat deze verwerpingstermijn afloopt. Men is in dit geval dus enige tijd bipatride.
### Paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
### Paragraaf 1. Algemeen
### 16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
Onder echtgenoot wordt tevens verstaan de partner in een in Nederland geregistreerd partnerschap of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, en het buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) (zie voor een uitzondering hierop de toelichting bij artikel 15A RWN).
### Paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
Als in het concrete geval sprake is van zogenaamde ‘statenopvolging’: zie voor een uitleg van het begrip ‘**geboren in het land van die andere nationaliteit**’ ([art. 15, tweede lid, a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)) of het **‘in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad**’ ([art. 15, tweede lid, b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)) hieronder in [paragraaf 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
Deze uitzonderingen gelden niet als de betrokkene de nationaliteit heeft verkregen van een staat, die partij is bij het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1964, nr. 4), maar niet ook partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol (Trb. 1994, 265). Sinds 19 december 2019 is alleen Oostenrijk partij bij het Verdrag van Straatsburg, terwijl Oostenrijk geen partij is bij het Tweede Protocol (voor nadere uitleg zie de [toelichting bij artikel 15A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15a&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2.2.2. Bewijslast
### 2.2.3. Individueel belang
### 2.2.6. Weging belangen
### 14-6. Toelichting ad [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
De minderjarige B verliest met ingang van 10 oktober 2011 het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid RWN. B wordt daardoor niet staatloos, omdat hij de Belgische nationaliteit bezit. Weliswaar kan verlies van het Nederlanderschap niet intreden indien betrokkene het Nederlanderschap tevens ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN, maar B ontleent het Nederlanderschap niet óók aan artikel 3, derde lid, RWN. Hij bezat het via de vader uitsluitend op grond van die bepaling.
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
### 15-1-d. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Op grond van [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) treedt ondanks vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit géén verlies van het Nederlanderschap in als betrokkene:
Zie ook de toelichting op artikel 15, tweede lid, RWN, waarin is aangegeven wanneer de uitzondering van [artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet van toepassing is.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -9414,6 +12414,8 @@
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
@@ -9428,215 +12430,741 @@
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2-3. Toelichting ad artikel 2, derde lid
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
### Paragraaf 8.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
Vervallen.
### 2.2.2. Bewijslast
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### 2.2.6. Weging belangen
### 15-1-a. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### 15-1-a. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Als een andere nationaliteit, anders dan de in [paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) genoemde voorbeelden, van rechtswege wordt verkregen en de wetgeving van die andere nationaliteit biedt de mogelijkheid om de ontvangen nationaliteit te verwerpen of het verkrijgen ervan te voorkomen, dan verliest men de Nederlandse nationaliteit als men geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot verwerping van de andere nationaliteit of van de mogelijkheid om de andere nationaliteit niet te verkrijgen. Als geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid de andere nationaliteit te verwerpen, wordt de verkrijging van de andere nationaliteit geacht vrijwillig te zijn. Alleen bij noodgedwongen niet-verwerping van de andere nationaliteit (bijv. als men daardoor gedwongen zou worden zijn woonland te moeten verlaten) wordt de verkrijging van de andere nationaliteit onvrijwillig geacht en treedt geen verlies van het Nederlanderschap in.
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
Een voorbeeld van het bovenstaande is artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet. Tot 1 april 2003 heeft de toepassing van dat artikel geleid tot verlies van het Nederlanderschap. Door invoering van [artikel 15, tweede lid en onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) heeft artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet geen impact meer op het bezit van het Nederlanderschap van de Nederlander op wie op of na 1 april 2003 artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet van toepassing is.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Zie voor het overgangsrecht de toelichting bij de afzonderlijke artikelleden.
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
Kent de vreemde nationaliteitswetgeving alleen een termijn waarbinnen een **komende verkrijging** van die nationaliteit kan worden voorkomen en maakt men van deze mogelijkheid tot niet-verkrijging geen gebruik, dan treedt het verlies van het Nederlanderschap in op de dag dat de vreemde nationaliteit van rechtswege wordt verkregen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
Een voorbeeld van het bovenstaande is artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet. Tot 1 april 2003 heeft de toepassing van dat artikel geleid tot verlies van het Nederlanderschap. Door invoering van [artikel 15, tweede lid en onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) heeft artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet geen impact meer op het bezit van het Nederlanderschap van de Nederlander op wie op of na 1 april 2003 artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet van toepassing is.
Deze uitzonderingen gelden niet als de betrokkene de nationaliteit heeft verkregen van een staat, die partij is bij het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1964, nr. 4), maar niet ook partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol (Trb. 1994, 265). Sinds 19 december 2019 is alleen Oostenrijk partij bij het Verdrag van Straatsburg, terwijl Oostenrijk geen partij is bij het Tweede Protocol (voor nadere uitleg zie de [toelichting bij artikel 15A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15a&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
### Paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
Bij statenopvolging kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het uiteenvallen van een staat in diverse nieuwe staten of aan een splitsing van een staat als gevolg van een afscheidingsverklaring. In het kader van de hier bedoelde statenopvolging wordt veelal door de nieuw ontstane staten aan bepaalde (in het buitenland wonende) voormalige burgers van de oude uiteengevallen/gesplitste staat de mogelijkheid geboden om (onder bepaalde voorwaarden) de nationaliteit van de nieuwe staat door optie te verkrijgen.
Als een Nederlander, die op het moment dat de oude staat ophield te bestaan in het bezit was van de nationaliteit van die uiteenvallende staat door het afleggen van een optie, als hierboven bedoeld, de nationaliteit van een nieuwe staat verkrijgt, heeft dat geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg. Deze nationaliteitsmutatie houdt zo duidelijk en uitsluitend verband met de staatkundige veranderingen in het andere land, dat niet gesproken kan worden van ‘vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit’ als bedoeld in onderhavig artikellid. Het hier gestelde geldt alleen voor de Nederlander die tot het moment van het uiteenvallen of splitsing van de betreffende oude staat de nationaliteit van die staat bezat en dus niet voor degene die die nationaliteit voor dat tijdstip heeft verloren (bijvoorbeeld als gevolg van naturalisatie tot Nederlander). Laatstgenoemde persoon is dan op het moment van uiteenvallen of splitsing van de staat niet meer in het bezit van de nationaliteit van de uiteenvallende staat. In dat geval is duidelijk sprake van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit.
Als in het concrete geval sprake is van zogenaamde ‘statenopvolging’: zie voor een uitleg van het begrip ‘**geboren in het land van die andere nationaliteit**’ ([art. 15, tweede lid, a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)) of het **‘in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad**’ ([art. 15, tweede lid, b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)) hieronder in [paragraaf 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Ook bij de toepassing van [15, tweede lid onder a of b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan statenopvolging een rol spelen. Als een persoon vrijwillig een vreemde nationaliteit heeft verkregen, dan kan het verlies van de Nederlandse nationaliteit toch niet intreden als de persoon in het land van die nieuwe nationaliteit is geboren en daar verblijft op het moment van de verkrijging of als hij daar vijf jaar voor zijn meerderjarigheid heeft gewoond. De Hoge Raad heeft op 26 juni 2015 uitspraak gedaan inzake de interpretatie van artikel 15 lid 2 RWN bij een statenopvolging. Het betrof in deze zaak een persoon die vóór de onafhankelijkheid van Suriname aldaar is geboren en die tevens vóór de onafhankelijkheid van Suriname vijf jaar als minderjarige aldaar had gewoond. De vraag was of hij door vrijwillige verkrijging van de Surinaamse nationaliteit (ná 1 april 2003) de Nederlandse nationaliteit had verloren. De Hoge Raad oordeelde met de volgende overweging dat deze persoon het Nederlanderschap had behouden:
**‘De in art. 15 lid 2, aanhef en onder a en b, RWN omschreven bescherming tegen het verlies van het Nederlanderschap komt ook toe aan een meerderjarige Nederlander die vrijwillig de nationaliteit van een nieuwe soevereine staat verkrijgt en – op het grondgebied van die staat is geboren voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd, en ten tijde van zijn naturalisatie zijn hoofdverblijf in die nieuwe soevereine staat heeft (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder a, RWN), dan wel – als minderjarige gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren zijn hoofdverblijf heeft gehad op het grondgebied van die staat voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder b, RWN).’**
### Paragraaf 1.3.1. Statenopvolging bij de toepassing van [artikel 15, lid 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Artikel 15 lid 2 onder a: Onder ‘**die in het land van die andere nationaliteit is geboren**’ moet worden verstaan: geboren op het huidige grondgebied van de staat waarvan de nationaliteit wordt verkregen.
Artikel 15 lid 2 onder b: onder ‘**die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad**’ moet worden verstaan: die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren op het huidige grondgebied van de staat waarvan de nationaliteit wordt verkregen zijn hoofdverblijf heeft gehad. Kort samengevat, in de visie van de Hoge Raad moeten de volgende vragen worden gesteld:
### 3.1. Rechten Unieburgerschap
Als bij 3. ‘ja’ moet worden geantwoord, blijft betrokkene Nederlander.
### Paragraaf 1.4. Evenredigheidstoets bij automatisch verlies van de Nederlandse nationaliteit en van het Unieburgerschap1Burger van de Europese Unie is een ieder die de nationaliteit van een Europese lidstaat bezit. Het burgerschap van de Europese Unie geldt naast het nationale burgerschap.
### 3.2. Bewijslast
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
Daarna heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:423) geoordeeld dat de evenredigheidstoets op het verlies van het Unieburgerschap kan worden uitgevoerd op basis van het rechtstreeks werkende artikel 20 VWEU.
Verder heeft de Raad van State in een uitspraak van 20 mei 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1269) geoordeeld dat een evenredigheidstoets mogelijk moet zijn, indien men het Nederlanderschap is verloren op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. De Raad van State overwoog hierbij dat het Hof een breed toepassingsbereik van de evenredigheidstoets op het oog had (ro. 2.6).
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 3 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:593) geoordeeld dat deze evenredigheidstoets ook kan plaatsvinden in een gerechtelijke procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17).
Naar aanleiding van deze jurisprudentie is een wetswijziging van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) in voorbereiding. Totdat de RWN is aangepast kan bij constatering van het automatisch verlies van het Nederlanderschap, een dergelijke evenredigheidstoets worden verricht bij een aanvraag voor een Nederlands paspoort, of een Nederlandse identiteitskaart of door het aanvragen van een “Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap”, zoals beschreven in artikel 15, vierde lid RWN, in combinatie met [artikel 61 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61).
Bij een verzoek tot registratie in de BRP of wijziging van die registratie is geen plaats voor een evenredigheidstoets. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State noch uit de [Wet Basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715) volgt dat in het kader van (een verzoek tot) inschrijving in de BRP aan het evenredigheidsbeginsel moet worden getoetst. De evenredigheidstoets moet worden uitgevoerd volgens de procedurele regels van het nationale recht en door een volgens het nationale recht bevoegd orgaan. De Wet BRP strekt slechts tot registratie, en niet tot verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. De Wet Basisregistratie personen biedt dan ook geen grondslag voor toetsing aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en een herkrijging van het Nederlanderschap. Voor een toets aan het evenredigheidsbeginsel in de BRP-procedure is daarom geen plaats.
Indien in een van de voorgaande aanvraagprocedures wordt gesteld dat het automatisch verlies van het Nederlanderschap in een individuele situatie onevenredig is geweest uit het oogpunt van het Unierecht, dan vraagt het betreffende bestuursorgaan advies aan de IND over de evenredigheid van het verlies van het Unieburgerschap.
### Paragraaf 2. [Rijkswet inperking gevolgen Brexit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173)(terugtreden Verenigd Koninkrijk uit de EU)
Aan niet op het Unierecht betrekking hebbende argumenten, zoals het argument dat iemand zich nog steeds als Nederlander beschouwt of een sterke verbondenheid voelt met Nederland, komt geen gewicht toe. Evenmin dient rekening te worden gehouden met rechten, die louter gebaseerd zijn op nationaal recht. In de evenredigheidstoets geldt als peildatum de dag waarop men het Nederlanderschap van rechtswege verloor, waarbij tevens gevolgen die op dat moment redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden meegewogen. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar zijn worden niet meegewogen.
Als sprake is van onevenredige gevolgen ten aanzien van het verlies van Unierechten, dan herkrijgt de aanvrager het Nederlanderschap, met terugwerkende kracht tot de datum van het eerdere van rechtswege verlies. Als geen sprake is van onevenredige gevolgen ten aanzien van het verlies van het Unieburgerschap, dan blijft het verlies in stand, dus herkrijgt de aanvrager niet het Nederlanderschap.
Indien in een van de voorgaande aanvraagprocedures wordt gesteld dat het automatisch verlies van het Nederlanderschap in een individuele situatie onevenredig is geweest uit het oogpunt van het Unierecht, dan vraagt het betreffende bestuursorgaan advies aan de IND over de evenredigheid van het verlies van het Unieburgerschap.
Op 5 oktober 2020 is de [Rijkswet van 11 september 2020, houdende regels inzake het creëren van tijdelijke uitzonderingen op de Rijkswet op het Nederlanderschap gepubliceerd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173) (Rijkswet inperking gevolgen Brexit; Stb. 369). Deze Rijkswet bevat tijdelijke uitzonderingen op de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) voor Nederlanders, die de Britse nationaliteit verkrijgen.
Na de publicatie in het Staatsblad op 5 oktober 2020 is deze Rijkswet vooralsnog niet in werking getreden (zie [artikel 4, eerste lid Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173&artikel=4)). De Rijkswet inperking gevolgen Brexit kan slechts worden ingetrokken door een andere Rijkswet. Het toepassen van artikel 4, tweede lid Rijkswet, dat gaat over het vervallen van de Rijkswet, is alleen mogelijk als eerder artikel 4, eerste lid Rijkswet heeft plaats gehad.
Dit betekent dat een Nederlander, die de Britse nationaliteit heeft aangevraagd en verkregen, het Nederlanderschap verliest, tenzij een van de situaties in [paragraaf 1.2 bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.2&z=2024-05-09&g=2024-05-09) van toepassing is of één van de uitzonderingen van [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15).
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 1. Algemeen
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
### 11-3. Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### 11-3. Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de bevolkingsregistratie.
Het verblijf als geprivilegieerde moet worden aangetoond door middel van het overleggen van een originele verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ingeval van contra-indicatie dat het verblijf als geprivilegieerde, ondanks de verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, niet onafgebroken is geweest, kan contact worden opgenomen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
De afstandsverplichting gold tot 1 oktober 2010 niet voor de verzoekers die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd vijf jaar onafgebroken in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba zijn hoofdverblijf heeft gehad. Vanaf 1 oktober 2010 geldt voor deze groep wel de afstandsverplichting. Deze groep moet dus bij alle verzoeken die op of na 1oktober 2010 worden ingediend, de bereidheidsverklaring ondertekenen (zie overgangsbepaling [artikel II, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb. 2010, 242)).
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
Dit betekent dat een Nederlander, die de Britse nationaliteit heeft aangevraagd en verkregen, het Nederlanderschap verliest, tenzij een van de situaties in [paragraaf 1.2 bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) van toepassing is of één van de uitzonderingen van [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15).
Een verklaring van afstand (zie [model 3.2 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) moet in Nederland worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester ([artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene met een adres in de BRP is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
Een verklaring van afstand wordt in beginsel in persoon ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) en schriftelijk ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)) afgelegd, omdat van belang is dat wordt aangetoond dat de betrokkene is wie hij zegt te zijn. De burgemeester, moet zich de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de betreffende persoon ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). In dat kader wordt betrokkene verzocht een geldig identiteitsdocument te overleggen.
Een verklaring van afstand (zie [model 3.2 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01)) moet in Nederland worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester ([artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene met een adres in de BRP is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
Een verklaring van afstand wordt in beginsel in persoon ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) en schriftelijk ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)) afgelegd, omdat van belang is dat wordt aangetoond dat de betrokkene is wie hij zegt te zijn. De burgemeester, moet zich de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de betreffende persoon ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). In dat kader wordt betrokkene verzocht een geldig identiteitsdocument te overleggen.
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
De verklaring van afstand vermeldt dat de persoon die de verklaring aflegt, bekend is met het feit dat ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) minderjarige kinderen onder omstandigheden zullen delen in het verlies van het Nederlanderschap ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen bepaalt de burgemeester, voor zoveel mogelijk, of hiervan sprake zal zijn ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)) en licht hij degene die de afstandsverklaring aflegt daarover in.
### paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
De door de burgemeester opgemaakte verklaring van afstand wordt door de betrokkene of, in het voorkomend geval, door zijn gemachtigde ondertekend ([artikel 3, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Tevens vindt ondertekening plaats door of namens de burgemeester. Tenzij de betrokkene daardoor staatloos zou worden, treedt verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in door de verklaring zelf. Aan het verlies ligt dan ook geen enkele beslissing van overheidswege ten grondslag.
Als de verklaring van afstand met rechtsgevolg is afgelegd, bevordert de burgemeester ([artikel 64, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)) dat:
### 15-1-c. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
De burgemeester zendt het origineel van de afgelegde afstandsverklaring en een afschrift van de bevestiging, ter opneming in het nationaliteitenregister bedoeld in [artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22), aan de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie en behoudt zelf afschriften van deze documenten ([artikel 64, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)). Tevens zendt hij een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de personen, die door of als gevolg van de verklaring van afstand hun Nederlanderschap verloren hebben, in de BRP zijn ingeschreven. Wonen de hier bedoelde personen in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, dan zendt hij een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie en Verslavingszorg van Aruba, de Minister van Justitie van Curaçao en de Minister van Justitie van Sint Maarten (artikel 64, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
### Paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
Echter, ook al wordt voldaan aan de hierboven genoemde voorwaarden, dan nog treedt géén verlies van het Nederlanderschap in, indien:
### 15-1-c. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Als een Nederlander ingevolge paragraaf 3 Abs (2) Staatsangehörigkeitsgesetz (2007) in 2007 met terugwerkende kracht de Duitse nationaliteit heeft verkregen zou dit kunnen betekenen dat hij/zij – achteraf bezien – het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid en aanhef onder c, RWN. Voor deze benadering wordt echter niet gekozen omdat het nationaliteitsbeleid ten aanzien van Nederlanders in het buitenland daardoor zou worden beïnvloed door wetgeving van een vreemde overheid. Immers, een vreemde staat zou door het met terugwerkende kracht van rechtswege verschaffen van zijn nationaliteit aan Nederlanders, hen het Nederlanderschap kunnen ontnemen. Dat is niet gewenst.
### Artikel 22B
Betrokkene Y is het bezit van zowel de Nederlandse als de Australische nationaliteit en heeft nog nooit binnen het Koninkrijk of binnen de Europese Unie gewoond. Zij is ook nog nooit in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument. Y werd meerderjarig op 1 mei 2012. Wanneer verliest zij het Nederlanderschap? Antwoord: Op 1 april 2022 is de verliestermijn van tien jaar van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN (zoals dat artikel luidde van 1 april 2003 tot 1 april 2022) nog niet voltooid. De verliestermijn wordt door de verlenging van de verliestermijn van tien naar dertien jaar per 1 april 2022, met drie jaar verlengd. Derhalve verliest Y het Nederlanderschap op 1 mei 2025.
### 22-2. Toelichting ad [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22)
Tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Dit was geregeld in het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
### 17-alg. Toelichting algemeen
N.B. Onder vigeur van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN kon verlies van het Nederlanderschap niet worden voorkomen door de afgifte van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument. Het verlies kon alleen worden tegengegaan óf door vóór het einde van de periode van tien jaar de woonplaats te vestigen in een ander land dan het geboorteland, óf door afstand te doen van de nationaliteit van het land van geboorte.
### Paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn
Door de verstrekking van één van laatstbedoelde documenten wordt de verliestermijn van dertien jaren gestuit. In het document moet op grond van [artikel 3, zesde lid Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=3) het Nederlanderschap van de houder zijn vermeld. Behalve door afgifte van een Nederlands paspoort of een Nederlandse identiteitskaart wordt de termijn ook gestuit bij afgifte van een:
### Paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
Als ‘de dag der verstrekking’ van het Nederlandse paspoort geldt in beginsel de afgiftedatum van het reisdocument. Op die in het reisdocument vermelde datum stopt in beginsel een op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende dertienjaarstermijn en start een nieuwe termijn. Het gaat hier om een voor iedere burger en wetstoepasser duidelijke en goed vindbare datum.
Onder daartoe aanleiding gevende omstandigheden kan in een incidenteel geval worden onderzocht op welke datum (vlak voor de afgiftedatum) door de paspoortautoriteit intern is besloten om het paspoort te laten produceren. Dit is alleen van belang als een op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende dertienjaarstermijn afloopt/eindigt in de korte periode tussen de beslisdatum om het paspoort ten behoeve van de Nederlander te laten produceren en de in het vervolgens geproduceerde paspoort vermelde afgiftedatum. Het zal hier om zeer incidentele gevallen gaan. In een voorkomend geval is een op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende dertienjaarstermijn gestuit op de beslisdatum om het paspoort ten behoeve van de Nederlander te laten produceren. In een dergelijk geval wordt evenwel tevens aangenomen dat de volgende op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende dertienjaarstermijn is gestart op de afgiftedatum van het paspoort.
Door de verstrekking van één van laatstbedoelde documenten wordt de verliestermijn van dertien jaren gestuit. In het document moet op grond van [artikel 3, zesde lid Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=3) het Nederlanderschap van de houder zijn vermeld. Behalve door afgifte van een Nederlands paspoort of een Nederlandse identiteitskaart wordt de termijn ook gestuit bij afgifte van een:
Uit [artikel 61 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61) volgt dat als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap als bedoeld in [artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en in [artikel V, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) geldt:
Verder is in artikel 61 BVVN geregeld dat:
Is de verklaring afgegeven vóór 1 april 2003 en bedoeld om te dienen als bewijs van het bezit van het Nederlanderschap, dan wordt het document als zodanig aanvaard, mits het is verstrekt door een Nederlandse, (voormalige) Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse autoriteit (zie [artikel 73, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)).
### Paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
Volgens [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de verliestermijn bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dat betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN zoals dat toen luidde, verlies van het Nederlanderschap kon intreden.
### paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
De verliestermijn kan niet worden omzeild door binnen de termijn van dertien jaren ‘eventjes’ naar bijvoorbeeld Nederland te komen. Immers, [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) bepaalt dat de verliestermijn van dertien jaren geacht wordt niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan wel op gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. Zie voor wat betreft het tijdstip van aanvang en/of eventuele verlenging van de termijn paragraaf 2.
### Artikel 19
Volgens [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de verliestermijn bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dat betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN zoals dat toen luidde, verlies van het Nederlanderschap kon intreden.
### paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
### 19-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Blijkens artikel IV RRWN vangt de verliestermijn als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, die van 1 april 2003 tot 1 april 2022 tien jaar was, niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dat betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal op grond van die bepaling verlies van het Nederlanderschap kan intreden.
### 15-1-d. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Als hij – in het bezit van beide nationaliteiten – in de Verenigde Staten is blijven wonen, verloor hij zijn Nederlanderschap op 1 april 2013 (en dus niet op 15 maart 2006!).
A had echter het verlies van het Nederlanderschap kunnen voorkomen door ervoor te zorgen dat hij vóór 1 april 2013 in het bezit werd gesteld van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument (vergelijk artikel 15, lid 4, RWN). Vanaf de datum van de verstrekking van een van beide documenten zou dan voor hem een nieuwe verliestermijn van tien jaar zijn gaan lopen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging
Deze beschikking van de Hoge Raad is niet alleen van toepassing op Suriname, maar ook op andere landen als sprake is van het krijgen van de nationaliteit van een nieuw gevormde soevereine staat. Het begrip ‘land’ van artikel 15 lid 2 onder a en b dient dan als volgt te worden uitgelegd:
Artikel 15 lid 2 onder a: Onder ‘**die in het land van die andere nationaliteit is geboren**’ moet worden verstaan: geboren op het huidige grondgebied van de staat waarvan de nationaliteit wordt verkregen.
Het Unieburgerschap is ingevoerd met het Verdrag van Maastricht, dat in werking trad op 1 november 1993. Verlies van het Nederlanderschap ingetreden voor 1 november 1993 valt daarom niet onder de uitspraak van de Europese rechter, waardoor in deze gevallen geen evenredigheidstoets op verlies van het Unieburgerschap hoeft plaats te vinden.
### Paragraaf 1.4. Evenredigheidstoets bij automatisch verlies van de Nederlandse nationaliteit en van het Unieburgerschap1Burger van de Europese Unie is een ieder die de nationaliteit van een Europese lidstaat bezit. Het burgerschap van de Europese Unie geldt naast het nationale burgerschap.
### Paragraaf 1.4. Evenredigheidstoets bij automatisch verlies van de Nederlandse nationaliteit en van het Unieburgerschap1Burger van de Europese Unie is een ieder die de nationaliteit van een Europese lidstaat bezit. Het burgerschap van de Europese Unie geldt naast het nationale burgerschap.
### 16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
In de evenredigheidstoets wordt door de IND beoordeeld of het verlies van het Unieburgerschap in het individuele geval gevolgen heeft gehad die vanuit het oogpunt van het Unierecht onevenredig zijn, afgewogen tegen de wettelijke doelstelling van de desbetreffende verliesbepaling. Bij deze beoordeling komt overigens louter gewicht toe aan gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap en de daaraan verbonden unierechten, zoals de uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie, de mogelijkheid daar beroepsactiviteiten te verrichten, en het in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde rechten zoals de eerbiediging van het familie-en gezinsleven en het belang van het kind.
### Paragraaf 2. [Rijkswet inperking gevolgen Brexit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173)(terugtreden Verenigd Koninkrijk uit de EU)
Op 5 oktober 2020 is de [Rijkswet van 11 september 2020, houdende regels inzake het creëren van tijdelijke uitzonderingen op de Rijkswet op het Nederlanderschap gepubliceerd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173) (Rijkswet inperking gevolgen Brexit; Stb. 369). Deze Rijkswet bevat tijdelijke uitzonderingen op de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) voor Nederlanders, die de Britse nationaliteit verkrijgen.
Op 5 oktober 2020 is de [Rijkswet van 11 september 2020, houdende regels inzake het creëren van tijdelijke uitzonderingen op de Rijkswet op het Nederlanderschap gepubliceerd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173) (Rijkswet inperking gevolgen Brexit; Stb. 369). Deze Rijkswet bevat tijdelijke uitzonderingen op de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) voor Nederlanders, die de Britse nationaliteit verkrijgen.
Behalve het vereiste van meerderjarigheid, geldt hier verder als enige voorwaarde dat betrokkene naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit bezit. Hij mag immers volgens [artikel 14, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) niet staatloos worden. Het bezit van die andere nationaliteit zal in de meeste gevallen blijken uit de beschrijving van betrokkene in de BRP. Is dat niet het geval, dan moet een bewijs van de andere nationaliteit worden overgelegd. Dit bewijs kan ook worden verlangd als bijvoorbeeld aan het al dan niet bezitten van een andere nationaliteit wordt getwijfeld (vergelijk [artikel 62, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Dit geldt eveneens ten aanzien van de minderjarige kinderen van betrokkene, die – mits zij daardoor niet staatloos worden – op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) delen in de afstand.
### Paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
De door de burgemeester opgemaakte verklaring van afstand wordt door de betrokkene of, in het voorkomend geval, door zijn gemachtigde ondertekend ([artikel 3, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Tevens vindt ondertekening plaats door of namens de burgemeester. Tenzij de betrokkene daardoor staatloos zou worden, treedt verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in door de verklaring zelf. Aan het verlies ligt dan ook geen enkele beslissing van overheidswege ten grondslag.
### Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
De burgemeester zendt het origineel van de afgelegde afstandsverklaring en een afschrift van de bevestiging, ter opneming in het nationaliteitenregister bedoeld in [artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22), aan de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie en behoudt zelf afschriften van deze documenten ([artikel 64, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)). Tevens zendt hij een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de personen, die door of als gevolg van de verklaring van afstand hun Nederlanderschap verloren hebben, in de BRP zijn ingeschreven. Wonen de hier bedoelde personen in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, dan zendt hij een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie en Verslavingszorg van Aruba, de Minister van Justitie van Curaçao en de Minister van Justitie van Sint Maarten (artikel 64, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
### Paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
Behoudens het gestelde in de volgende alinea, treedt verlies van het Nederlanderschap in door langdurig verblijf in het buitenland. Van belang hierbij is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan. Betrokkene:
### 15-1-c. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
In verband met de wijziging van de Paspoortwet (Stb 2014, 10) heeft de Nederlandse identiteitskaart sinds 20 januari 2014 (Stb 2014, 11) binnen de EU niet langer de status van een reisdocument, maar van een identiteitskaart. De Nederlandse identiteitskaart is geldig voor de landen die behoren tot de Europese Unie. Als landen buiten de Europese Unie zijn aangewezen Andorra, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen, San Marino, Turkije, IJsland en Zwitserland waar binnen de grenzen van de Paspoortwet een daar woonachtige Nederlander recht heeft op verstrekking van een Nederlandse identiteitskaart ([artikel 5a Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012810&artikel=5a)).
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 3.4. Advies VWS
Met ingang van 1 april 2003 bepaalt [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) dat personen die behoren tot een van deze doelgroepen – ongeacht of zij onderdaan zijn van een land dat partij is bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 dan wel het Tweede Protocol – bij naturalisatie tot Nederlander geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeven te doen.
Het hierboven bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing.
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
### Artikel 14
Personen die afstand moeten doen en die ná de totstandkoming van de naturalisatie trouwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) met een Nederlander aangaan, kunnen niet met succes een beroep doen op de bij onderdeel c van het derde lid van [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) bedoelde uitzondering.
### paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit
Ingevolge onderdeel c van dit artikellid geldt de afstandsverplichting niet voor een verzoeker die is gehuwd met een Nederlander. Ook de verzoeker die in Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander is aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap is aangegaan als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), kan een beroep doen op deze uitzondering. Indien twee met elkaar gehuwde personen of twee geregistreerde partners beiden een verzoek om naturalisatie hebben ingediend, dient zoveel mogelijk tegelijkertijd op de verzoeken te worden beslist. Het is niet de bedoeling dat een van de (huwelijks)partners eerder wordt genaturaliseerd, waarna de ander geen afstand meer behoeft te doen op grond van het feit dat hij of zij de (huwelijks)partner is van een Nederlander.
Personen die afstand moeten doen en die ná de totstandkoming van de naturalisatie huwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) aangaan, kunnen evenmin met succes een beroep doen op onderdeel c.
**Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van het verschuldigde recht, bedoeld in artikel 13 of na de beslissing tot algehele ontheffing van die betaling, dan wel na de ontvangst van de gevraagde aanvulling van het verzoek, noodzakelijk voor de beoordeling daarvan. De beslissing kan ten hoogste tweemaal zes maanden worden aangehouden.**
**Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van het verschuldigde recht, bedoeld in artikel 13 of na de beslissing tot algehele ontheffing van die betaling, dan wel na de ontvangst van de gevraagde aanvulling van het verzoek, noodzakelijk voor de beoordeling daarvan. De beslissing kan ten hoogste tweemaal zes maanden worden aangehouden.**
Er wordt naar gestreefd dat de naturalisatiegelden gelijktijdig met het indienen van het verzoek worden voldaan. Indien de verzoeker de verschuldigde naturalisatiegelden niet voldoet op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie, bijvoorbeeld omdat hij in aanmerking wenst te komen voor een verzoek om ontheffing van de betaling heeft ingediend, dan stelt de burgemeester hem in de gelegenheid de ontbrekende documenten alsnog in te leveren binnen zes weken na de indiening van het verzoek (zie de [toelichting bij artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [artikel 13 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)).
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
Ad d: van overmacht zal niet vaak sprake zijn. Het gaat in ieder geval om een onmogelijkheid om te beslissen die wordt veroorzaakt door abnormale en onvoorziene omstandigheden die buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen: bij bijvoorbeeld brand, overstromingen of in geval van oorlog.
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
Ten behoeve van de beeldvorming, met betrekking tot de vraag wanneer er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan onderhavig artikel kan worden toegepast, volgt onderstaand een aantal praktijkvoorbeelden. Bij een aantal voorbeelden is aangegeven op welke wijze met vergelijkbare gevallen kan worden omgegaan.
### paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
De verscheidenheid van de gevallen waarbij een beroep op toepassing van dit artikel wordt gedaan, is groot. Om die reden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Ieder verzoek wordt op de eigen merites bezien. Het moet evenwel altijd een bijzonder geval betreffen. Uit de jurisprudentie van (onder meer) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de adviezen van de Raad van State kan wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet dermate bijzonder zijn dat ze naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN rechtvaardigen. Niet bijzonder is bijvoorbeeld:
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
Vóór 1 april 2003 konden minderjarigen, die niet hadden gedeeld in de verlening van het Nederlanderschap aan de ouder(s), onder voorwaarden op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden voorgedragen voor naturalisatie. Voor deze minderjarigen is thans een bijzondere naturalisatieprocedure opgenomen in [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11).
De verscheidenheid van de gevallen waarbij een beroep op toepassing van dit artikel wordt gedaan, is groot. Om die reden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Ieder verzoek wordt op de eigen merites bezien. Het moet evenwel altijd een bijzonder geval betreffen. Uit de jurisprudentie van (onder meer) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de adviezen van de Raad van State kan wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet dermate bijzonder zijn dat ze naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN rechtvaardigen. Niet bijzonder is bijvoorbeeld:
### paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
Met het ministerie van VWS is een aantal afspraken gemaakt met betrekking tot het advies aan de Minister van Justitie. Naast de toetsing aan de bovengenoemde richtlijnen uit de circulaire d.d. 9 april 1999 zal de Staatssecretaris van VWS in het advies aan de volgende onderwerpen aandacht besteden:
### Artikel 11
[10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:233](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233) en [1:253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha)
Op grond van het bepaalde in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) wordt de wettelijk vertegenwoordiger of de andere ouder op zijn of haar verzoek in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over de medeverlening van het kind. De reden hiervoor is dat de wetgever wil voorkomen dat de rechtspositie van het kind door de enkele wil van de naturaliserende ouder wordt gewijzigd (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
### 11-3. Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen
### Paragraaf 2.3. Tarieven F en G
Ook voor de minderjarige van zestien jaar en ouder geldt dat hij ‘sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf’ in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij het tweede lid van onderhavig artikel).
Verzoeken om medeverlening voor kinderen die bij het indienen van het verzoek van de ouder zestien jaar of ouder zijn, worden afgewezen als er op grond van hun gedrag ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar opleveren voor de openbare orde als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en artikel 9, tweede lid, RWN. Bij deze groep kinderen wordt op dezelfde wijze als bij meerderjarige verzoekers beoordeeld of er openbare orde aspecten zijn op grond waarvan het verzoek moet worden afgewezen. In het kader van het onderzoek worden voor deze kinderen door de IND de vereiste justitiële documentatiegegevens opgevraagd (zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN).
### Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. “Feitelijk behoren tot het gezin” van de vader of moeder houdt in het kader van de RWN in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s)64Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.. De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vader of moeder mede verstaan de adoptiefouder, indien de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken.
Met ‘eigen kind’ wordt hier bedoeld het kind van de moeder als bedoeld in [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) en het kind van de vader als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, RWN.
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c en d RWN en in paragraaf ‘5a-alg Toelichting algemeen’ bij de toelichting op artikel 5a RWN.
### Artikel 12
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
Sinds 1 april 2022 bedraagt de verliestermijn van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN dertien jaar. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2022 bedroeg deze verliestermijn tien jaar. De verlenging van de verliestermijn van tien naar dertien jaar had onmiddelijke werking (Stb. 2021, nr. 572). Dat betekent dat, indien de verliestermijn van tien jaar op op 1 april 2022 nog niet was volgelopen, deze met drie jaar werd verlengd.
### Artikel 17
Tussen 1 april 2003 en 1 april 2022 bedroeg de verliestermijn van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN tien jaar. Voor het overige was de tekst van dit artikel in deze periode gelijk aan de tekst van het huidige artikel.
### Paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn
Het verlies als hiervoor bedoeld, trad niet in indien:
### 23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
Tussen 1 april 2003 en 1 april 2022 bedroeg de verliestermijn van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN tien jaar. Voor het overige was de tekst van dit artikel in deze periode gelijk aan de tekst van het huidige artikel.
### Artikel 22B
Vanaf de dag van de verstrekking van een dergelijk document begint een nieuwe verliestermijn van dertien jaren te lopen ([artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)). Dus, als men er – steeds binnen dertien jaren – voor zorgt in het bezit te worden gesteld van bedoelde verklaring van Nederlanderschap, een Nederlands reisdocument of Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212), kan het Nederlanderschap nimmer op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN verloren gaan door verblijf in het buitenland.
### Paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn
### Paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
Uit de toelichting bij artikel 61 BVVN blijkt dat verklaringen omtrent het bezit van het Nederlanderschap geen andere betekenis hebben dan dat daaruit blijkt dat door de nationaliteitsrechter op het tijdstip van zijn beschikking, respectievelijk door de verstrekkende autoriteit op het tijdstip van verstrekking is vastgesteld, dat de in de beschikking of verklaring genoemde persoon op dat tijdstip de Nederlandse nationaliteit bezit.
Verder is in artikel 61 BVVN geregeld dat:
### Artikel VI RRWN
A, geboren op 1 mei 1995 in Australië, is van Nederlandse en Australische nationaliteit en woont sedert zijn geboorte in Australië. De verliestermijn van dertien jaar van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN vangt voor A aan op 1 mei 2013. Op 5 september 2025 gaat A in Italië wonen. Op 1 mei 2026 woont hij daar nog steeds. A is nimmer in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument of van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. A verliest daarom op 1 mei 2026 zijn Nederlanderschap omdat hij op die datum nog niet een jaar of langer zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan wel in landen waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.
### paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Met betrekking tot [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) zoals dat luidde tot 1 april 2022 kent de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) twee overgangsbepalingen, namelijk [artikel IV RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) voor personen die op 1 april 2003 hun Nederlanderschap nog niet hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN en [artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) voor personen die op grond van laatstbedoelde verliesbepaling hun Nederlanderschap vóór 1 april 2003 hebben verloren. Zie voor een uitleg van artikel V RRWN de toelichting onder dat artikel.
De in artikel 15, eerste lid, onder c, genoemde periode vangt niet eerder aan dan op het tijdstip van inwerkingtreding van deze Rijkswet.
### paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### Artikel 22A
### 15-1-d. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door Onze Minister van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, welke kan plaatsvinden, indien de betrokkene heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.**
Als hij – in het bezit van beide nationaliteiten – in de Verenigde Staten is blijven wonen, verloor hij zijn Nederlanderschap op 1 april 2013 (en dus niet op 15 maart 2006!).
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### Paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
### Artikel 22
### Paragraaf 1.3.1. Statenopvolging bij de toepassing van [artikel 15, lid 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Als bij 2. er twee keer ‘ja’ moet worden geantwoord, blijft betrokkene Nederlander.
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
### 16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
### Paragraaf 2. [Rijkswet inperking gevolgen Brexit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173)(terugtreden Verenigd Koninkrijk uit de EU)
Behalve het vereiste van meerderjarigheid, geldt hier verder als enige voorwaarde dat betrokkene naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit bezit. Hij mag immers volgens [artikel 14, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) niet staatloos worden. Het bezit van die andere nationaliteit zal in de meeste gevallen blijken uit de beschrijving van betrokkene in de BRP. Is dat niet het geval, dan moet een bewijs van de andere nationaliteit worden overgelegd. Dit bewijs kan ook worden verlangd als bijvoorbeeld aan het al dan niet bezitten van een andere nationaliteit wordt getwijfeld (vergelijk [artikel 62, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Dit geldt eveneens ten aanzien van de minderjarige kinderen van betrokkene, die – mits zij daardoor niet staatloos worden – op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) delen in de afstand.
### Paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
De verklaring van afstand vermeldt dat de persoon die de verklaring aflegt, bekend is met het feit dat ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) minderjarige kinderen onder omstandigheden zullen delen in het verlies van het Nederlanderschap ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen bepaalt de burgemeester, voor zoveel mogelijk, of hiervan sprake zal zijn ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)) en licht hij degene die de afstandsverklaring aflegt daarover in.
### Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
De burgemeester zendt het origineel van de afgelegde afstandsverklaring en een afschrift van de bevestiging, ter opneming in het nationaliteitenregister bedoeld in [artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22), aan de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie en behoudt zelf afschriften van deze documenten ([artikel 64, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)). Tevens zendt hij een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de personen, die door of als gevolg van de verklaring van afstand hun Nederlanderschap verloren hebben, in de BRP zijn ingeschreven. Wonen de hier bedoelde personen in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, dan zendt hij een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie en Verslavingszorg van Aruba, de Minister van Justitie van Curaçao en de Minister van Justitie van Sint Maarten (artikel 64, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn
Blijkens artikel IV RRWN vangt de verliestermijn als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, die van 1 april 2003 tot 1 april 2022 tien jaar was, niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dat betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal op grond van die bepaling verlies van het Nederlanderschap kan intreden.
Van de verzoeker om naturalisatie wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de totstandkoming van de naturalisatie het mogelijke te zullen doen om die nationaliteit te verliezen ([artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). Dit is alleen anders als iemand valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie detoelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN).
Een afstandsverklaring van de oorspronkelijke nationaliteit moet in beginsel gelegaliseerd zijn. Zonder legalisatie kan in beginsel geen waarde aan de afstandsverklaring worden gehecht. Alleen als uit algemene bronnen uit het betreffende land blijkt dat dit land nooit overgaat tot legalisatie kan een afstandsverklaring worden geaccepteerd zonder legalisatie. Ook andere documenten afgegeven door de autoriteiten van het land van oorspronkelijke nationaliteit moeten in beginsel gelegaliseerd zijn, als met deze documenten wordt beoogd aan te tonen dat voldoende inspanningen zijn verricht op grond waarvan de IND de afstandsprocedure kan afsluiten.
### Paragraaf 1. Algemeen
De IND kan geen contact opnemen met een buitenlandse ambassade om de voortgang van het afstandsverzoek van een betrokkene te bespreken, tenzij betrokkene hiertoe schriftelijk toestemming heeft gegeven. Als een ambassade op eigen initiatief informatie aanlevert bij de IND over een specifiek afstandsverzoek, dan moet de IND dat aan betrokkene overleggen, als deze informatie (mede) leidt tot intrekking van het Nederlanderschap.
Als een afstandsplichtige die een afstandsverzoek heeft ingediend drie jaar nadat de afstandsprocedure is gestart nog geen bewijs van afstand heeft overgelegd, beoordeelt de IND of betrokkene al het nodige heeft gedaan om afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Hierbij zijn drie conclusies mogelijk:
Een afstandsverklaring van de oorspronkelijke nationaliteit moet in beginsel gelegaliseerd zijn. Zonder legalisatie kan in beginsel geen waarde aan de afstandsverklaring worden gehecht. Alleen als uit algemene bronnen uit het betreffende land blijkt dat dit land nooit overgaat tot legalisatie kan een afstandsverklaring worden geaccepteerd zonder legalisatie. Ook andere documenten afgegeven door de autoriteiten van het land van oorspronkelijke nationaliteit moeten in beginsel gelegaliseerd zijn, als met deze documenten wordt beoogd aan te tonen dat voldoende inspanningen zijn verricht op grond waarvan de IND de afstandsprocedure kan afsluiten.
Als de betrokkene, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na totstandkoming van de naturalisatie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan de IND namens Onze Minister overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap.
Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van het intrekkingsbesluit. De hier bedoelde intrekking heeft – in tegenstelling tot de intrekking van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) – geen terugwerkende kracht. Het intrekkingsbesluit kan ook verlies van het Nederlanderschap tot gevolg hebben van de minderjarige kinderen die aanvankelijk zijn meegenaturaliseerd, en wel op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) (zie de toelichting bij artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN).
Als een afstandsplichtige die een afstandsverzoek heeft ingediend drie jaar nadat de afstandsprocedure is gestart nog geen bewijs van afstand heeft overgelegd, beoordeelt de IND of betrokkene al het nodige heeft gedaan om afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Hierbij zijn drie conclusies mogelijk:
### Paragraaf 2. Intrekking van het Nederlanderschap
### 3.1. Rechten Unieburgerschap
### Paragraaf 3. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.16HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678).
### 23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten:
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
### 3.1. Rechten Unieburgerschap
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
### 3.2. Bewijslast
Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.
### 3.3. Individueel belang
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.
### Artikel 27
Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese Parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.
### 27-alg. Toelichting algemeen
De IND betrekt bij de toets of het verlies van het Unieburgerschap evenredig is het feit dat betrokkene al vanaf het begin van de naturalisatieprocedure er op is gewezen dat hij afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit.
### 3.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
### 3.6. Weging belangen
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
### 3.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
### 3.6. Weging belangen
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
### Paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
Zie voor de gevolgen van de intrekking voor bij de naturalisatie gewijzigde of vastgestelde namen, de [toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN, paragraaf 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14&paragraaf=5&paragraaf=5.3&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
### Paragraaf 6. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van het besluit tot intrekking gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties (artikel 70, eerste lid, BvvN). [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent:
De IND deelt namens Onze Minister direct na intrekking van het Nederlanderschap aan betrokkene mee dat hij niet langer afstand hoeft te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit.
Wordt de burgemeester door de IND in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van het besluit tot intrekking gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties (artikel 70, eerste lid, BvvN). [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent:
De intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg als betrokkene tijdens de bezwaarprocedure of nadat de intrekking in rechte is vast komen te staan, aantoont dat hij afstand had gedaan van zijn oorspronkelijke nationaliteit voor de datum van het intrekkingsbesluit. Betrokkene is dan altijd Nederlander gebleven. Uit [artikel 14 lid 8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) volgt immers dat intrekking van het Nederlanderschap anders dan op grond van [artikel 14 lid 1 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), geen staatloosheid tot gevolg mag hebben.
Wordt de burgemeester door de IND in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:
### Paragraaf 8. Feitelijk afstand van de oorspronkelijke nationaliteit voor datum intrekkingsbesluit
Wordt het bezwaar gegrond verklaard, dan zal het intrekkingsbesluit worden herroepen.
### Paragraaf 9. Bezwaar tegen het intrekkingsbesluit
Mocht betrokkene na ingesteld bezwaar c.q. beroep alsnog moeten worden aangemerkt als Nederlander, wordt de burgemeester wederom door de IND hiervan in kennis gesteld.
### Paragraaf 10. Afstand tijdens bezwaarprocedure maar na intrekking van het Nederlanderschap
Als betrokkene tijdens de bezwaarprocedure aantoont dat hij afstand heeft gedaan na de datum van het intrekkingsbesluit, kan de IND besluiten het bezwaar tegen de intrekking gegrond te verklaren. Ook kan de IND in de bezwaarprocedure besluiten betrokkene alsnog meer tijd te geven om afstand te doen als tijdens die procedure is gebleken dat betrokkene door omstandigheden niet al het mogelijke heeft kunnen doen om afstand te doen en de IND daar eerder niet van wist.
### Paragraaf 11. Ontheffing van het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit na het Koninklijk Besluit
### Paragraaf 10. Afstand tijdens bezwaarprocedure maar na intrekking van het Nederlanderschap
### Paragraaf 10. Afstand tijdens bezwaarprocedure maar na intrekking van het Nederlanderschap
Ontheffing van de afstandsplicht kan in ieder geval wel aan de orde zijn als:
### Paragraaf 11. Ontheffing van het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit na het Koninklijk Besluit
In gevallen waarin sprake is van uitzonderlijke omstandigheden kan de IND betrokkene op grond van artikel 60 BvvN ontheffen van de afstandsplicht.
Van uitzonderlijke omstandigheden is, bijvoorbeeld, geen sprake als betrokkene zich beroept op gevolgen van het doen van afstand die zich bevinden in de sfeer van het verliezen van een baan, het moeten verhuizen, het niet op vakantie kunnen gaan in het land van de andere nationaliteit, het mislopen van een erfenis waar hij na verkrijging van het Nederlanderschap recht op heeft gekregen, of het feit dat de kinderen van betrokkene de betreffende nationaliteit ook verliezen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
Met ingang van 1 april 2014 verkrijgt ook de vrouwelijke partner van de moeder uit wie het kind is geboren het juridische moederschap. Voor de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) is de moeder die het kind geadopteerd heeft, niet gelijk gesteld aan de moeder ([artikel 1:198 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=198)).
### Paragraaf 1.4. Evenredigheidstoets bij automatisch verlies van de Nederlandse nationaliteit en van het Unieburgerschap1Burger van de Europese Unie is een ieder die de nationaliteit van een Europese lidstaat bezit. Het burgerschap van de Europese Unie geldt naast het nationale burgerschap.
Op 12 maart 2019 stelde de rechter van de Europese Unie vast dat de Nederlandse verliesbepalingen [artikel 15, eerste lid en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [artikel 16, eerste lid en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) in overeenstemming zijn met het recht van de Europese Unie. Daaraan verbond de rechter wel als voorwaarde dat in een individuele en concrete situatie het mogelijk is om te laten toetsen of het verlies van het Unieburgerschap evenredig is aan het door de Nederlandse verliesbepaling beoogde doel.1Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:189. In geval van gebleken onevenredigheid moet de verloren nationaliteit met terugwerkende kracht kunnen worden herkregen. Deze uitspraak geldt alleen voor situaties waarin door het verlies van het Nederlanderschap tevens sprake is van verlies van het Unieburgerschap.
### 3.4. Algemeen belang
### 23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
De tekst van artikel IV RRWN luidt:
### Paragraaf 1. Algemeen
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.16HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678).
De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap.
De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit.
### Paragraaf 3. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese Parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.
### 23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
### 3.4. Algemeen belang
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
De IND volgt de voornemenprocedure bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van het niet voldoen aan de afstandsplicht. Deze procedure is gelijk aan de procedure als beschreven in de [toelichting ad artikel 14, eerste lid, paragraaf 4.1 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14&paragraaf=4&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
De IND deelt namens Onze Minister direct na intrekking van het Nederlanderschap aan betrokkene mee dat hij niet langer afstand hoeft te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit.
### Paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
De IND volgt de voornemenprocedure bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van het niet voldoen aan de afstandsplicht. Deze procedure is gelijk aan de procedure als beschreven in de [toelichting ad artikel 14, eerste lid, paragraaf 4.1 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14&paragraaf=4&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
### Paragraaf 9. Bezwaar tegen het intrekkingsbesluit
### Paragraaf 8. Feitelijk afstand van de oorspronkelijke nationaliteit voor datum intrekkingsbesluit
De herroeping werkt terug tot de datum van het intrekkingsbesluit. Hierdoor wordt betrokkene geacht nimmer het Nederlanderschap door intrekking te hebben verloren. Bij een ongegrond bezwaar is beroep mogelijk bij de rechtbank, sector Bestuursrecht.
De herroeping werkt terug tot de datum van het intrekkingsbesluit. Hierdoor wordt betrokkene geacht nimmer het Nederlanderschap door intrekking te hebben verloren. Bij een ongegrond bezwaar is beroep mogelijk bij de rechtbank, sector Bestuursrecht.
Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek om ontheffing is dat na de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap in beginsel niet meer met succes een beroep kan worden gedaan op één van de uitzonderingcategorieën, die zijn geformuleerd voor de nadere uitvoering van [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en zijn vastgelegd in [artikel 6 RvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=6). Op dit uitgangspunt bestaan enkele uitzonderingen.
### Paragraaf 11. Ontheffing van het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit na het Koninklijk Besluit
Een verzoek om ontheffing van de afstandsverplichting wordt in beginsel geweigerd als betrokkene daarvoor ten aanzien van één van de bestaande beleidsmatige uitzonderingcategorieën van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN feiten en/of omstandigheden aanvoert die hij ook al voor de naturalisatiedatum had kunnen weten of zich had kunnen realiseren. Ook gewijzigde persoonlijke omstandigheden of gewijzigde omstandigheden in het land van de andere nationaliteit (niet zijnde gewijzigde regels of praktijken ten aanzien van het doen van afstand) na verkrijging van het Nederlanderschap kunnen in beginsel niet leiden tot ontheffing van de afstandsverplichting.
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
Het indienen van een verzoek om ontheffing, schort de lopende afstandsprocedure niet op. De voor die procedure gangbare termijnen blijven in beginsel van kracht. Indien positief wordt beslist op het verzoek tot ontheffing, wordt de lopende afstandsprocedure gelijktijdig afgerond.
### Paragraaf 1. Algemeen
In het geval verzoeker aangeeft de afstandsverplichting niet na te zullen komen, of niet reageert, kan in beginsel meteen worden overgegaan tot het uitbrengen van een voornemen tot intrekking van het Nederlanderschap.
### 15-1-e. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door onze Minister van het besluit waarbij de verkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd, welke kan plaatsvinden, indien de vreemdeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, heeft nagelaten na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.**
### 26-3. Toelichting ad [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
Van de optant die een optieverzoek indient op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijk te zullen doen om die nationaliteit te verliezen (artikel 6a, eerste lid, RWN). Dit is alleen anders als de optant valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie de toelichting bij artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN) ([artikel 30b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30b)).
### 15-1-e. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van het intrekkingsbesluit. De intrekking heeft geen terugwerkende kracht.
### 27-alg. Toelichting algemeen
Van de optant die een optieverzoek indient op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijk te zullen doen om die nationaliteit te verliezen (artikel 6a, eerste lid, RWN). Dit is alleen anders als de optant valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie de toelichting bij artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN) ([artikel 30b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30b)).
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
Zie de [toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.1&z=2024-05-09&g=2024-05-09) en [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.2&z=2024-05-09&g=2024-05-09).
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, RWN is dus niet van toepassing als twee echtelieden met de Nederlandse nationaliteit gelijktijdig, op dezelfde dag, een andere nationaliteit verkrijgen. De echtelieden zijn in die situatie niet gehuwd met een persoon die de andere nationaliteit (al) ‘bezit’.19Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2011 (ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7378).
### 15-4. Toelichting ad [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
De heer C is gehuwd met mevrouw D. De heer C is in het bezit van het Nederlanderschap en mevrouw D is in het bezit van de Zuid-Afrikaanse nationaliteit. Zij wonen sinds 14 februari 2015 in de Verenigde Staten van Amerika. Op 12 december 2022 verkrijgen zowel de heer C als mevrouw D vrijwillig de Amerikaanse nationaliteit. De heer C verliest hierdoor van rechtswege het Nederlanderschap op 12 december 2022 ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. Hij heeft niet de nationaliteit van het land van zijn echtgenote verkregen, want de echtgenote is Zuid-Afrikaanse.
Met de uitzondering van [artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) is beoogd te komen tot het wegnemen van een drempel voor het aannemen van de nationaliteit van de andere echtgenoot in ‘nationaliteitsrechtelijk gemengde huwelijken’. Om diverse redenen werd het wenselijk geacht dat de Nederlandse echtgenoot in een dergelijk geval de nationaliteit van de andere echtgenoot verkrijgt. Daardoor krijgt betrokkene alle rechten en plichten van een staatsburger van het land waarvan hij de nationaliteit verwerft (het land van de echtgenoot) en kan hij volledig integreren en deelnemen aan het politieke leven in dat land. Om die wenselijk geachte stap te vergemakkelijken is, als uitzondering op de hoofdregel van het verlies van Nederlanderschap bij naturalisatie in een ander land, in de RWN bepaald dat in dat geval het Nederlanderschap behouden blijft.18Zie TK 1997–1998, 25 891 (R1609), nr. 3, p 1–3.
Artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, RWN is dus niet van toepassing als twee echtelieden met de Nederlandse nationaliteit gelijktijdig, op dezelfde dag, een andere nationaliteit verkrijgen. De echtelieden zijn in die situatie niet gehuwd met een persoon die de andere nationaliteit (al) ‘bezit’.19Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2011 (ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7378).
**De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van dertien jaren te lopen. Indien het Nederlanderschap is herkregen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, begint de periode te lopen op de dag dat de optie is bevestigd.**
Zie de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, paragraaf 1.1 en paragraaf 1.2.
**Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger, is niet aanwezig**
### 15-4. Toelichting ad [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Geen.
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
Wijziging van de namen gedurende de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend in het kader van de inburgering en dan alleen in de situaties zoals beschreven in de toelichting op [artikel 12, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12). Bij naturalisatie wordt uitgegaan van de schrijfwijze van de namen zoals opgenomen in de BRP. Deze inschrijving is gebaseerd op een (voldoende gelegaliseerd of van apostille voorzien) document of op een door de verzoeker afgelegde verklaring onder ede (VOE). Als de verzoeker desondanks iets aan de schrijfwijze van zijn na(a)m(en) wenst te veranderen, moet hij die verandering voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek om naturalisatie via de gemeente bewerkstelligen (door het overleggen van de juiste bewijsstukken zoals een nieuwe beëdigde vertaling of nieuwe brondocumenten). Voor het herstellen van veronderstelde schrijf- of vertaalfouten in de na(a)m(en) zoals opgenomen in de BRP is geen ruimte binnen de naturalisatieprocedure.
Als zij daarom verzoeken, worden de in het verzoek begrepen minderjarige kinderen van twaalf jaar of ouder, evenals de wettelijk vertegenwoordiger of de (andere) ouder als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de naamsvaststelling of naamswijziging kenbaar te maken ([artikel 36, vierde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.9 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) ‘Brief zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 t/m 15 jaar)’ en model 2.11 HRWN ‘Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 jaar t/m 15 jaar)’ respectievelijk model 2.13 HRWN ‘Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarigen’ en model 2.15 HRWN ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)’of model 2.16 HRWN. ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamswijziging kind(eren)’
De burgemeester brengt over de naamsvaststelling of naamswijziging advies uit aan Onze Minister ([artikel 36, vijfde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)).
### Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
### 14-1. Toelichting ad [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Een kind kan, als daar door de (hoofd)verzoeker om verzocht wordt, in de naamsvaststelling of naamswijziging van de verzoeker delen als het:
Voor een minderjarig kind kan soms ook een andere naamsvaststelling of -wijziging plaatsvinden dan voor de verzoeker met wie het kind meenaturaliseert. Daarnaast kan het voorkomen dat enkel de naam van het kind wordt vastgesteld of gewijzigd, terwijl de naam van de (hoofd)verzoeker hetzelfde blijft. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er een (zelfstandig) verzoek tot naturalisatie voor een minderjarige is ingediend door zijn wettelijk vertegenwoordiger. Zie voor de uitwerking van de mogelijkheden voor deze situaties de paragrafen met betrekking tot kinderen in de toelichting op artikel 12, eerste en tweede lid RWN.
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
Blijkt in de procedure dat een verzoeker met een naamsketen (namenreeks) niet wenst dat bij zijn naturalisatie een geslachtsnaam voor hem wordt vastgesteld, dan leidt dat tot een afwijzing van het naturalisatieverzoek op grond van niet-inburgering. Verzoeker voldoet alsdan niet aan de in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) gestelde voorwaarde van ‘zich ook overigens in de Nederlandse (Nederlands Antilliaanse of Arubaanse) samenleving hebben doen opnemen’.
### 12-1. Toelichting ad [artikel 12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
Indien de naam slechts bestaat uit één bestanddeel wordt deze naam in beginsel vastgesteld als voornaam. De geslachtsnaam wordt dan vastgesteld overeenkomstig de naam van de (voor)ouder. In voorkomende gevallen kan ook een gedeelte van de naam van betrokkene worden vastgesteld als geslachtsnaam en het andere gedeelte wordt dan vastgesteld als voornaam.
### Paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
Als sprake is van een namenreeks kan geen onderscheid worden gemaakt tussen de geslachtsnaam en de voornamen van de verzoeker. Onder andere de volgende landen kunnen een zogenaamde namenreeks kennen:
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
Met uitzondering van voorvoegsels (bijvoorbeeld Ben, El, Al, etc.) en achtervoegsels (bijvoorbeeld Zade(h)) is het niet toegestaan om een dubbele of samengestelde geslachtsnaam vast te stellen. Staat de verzoeker, na schriftelijk in de gelegenheid te zijn gesteld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) om aan te geven welke enkelvoudige geslachtsnaam hij wenst, nog steeds op naturalisatie met een dubbele of samengestelde geslachtsnaam anders dan toegestaan in de voorgaande zin, dan wordt het naturalisatieverzoek om die reden afgewezen.
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
Indien de naam slechts bestaat uit één bestanddeel wordt deze naam in beginsel vastgesteld als voornaam. De geslachtsnaam wordt dan vastgesteld overeenkomstig de naam van de (voor)ouder. In voorkomende gevallen kan ook een gedeelte van de naam van betrokkene worden vastgesteld als geslachtsnaam en het andere gedeelte wordt dan vastgesteld als voornaam.
### Paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen
De naam van de Afghaanse Nilab bestaat uit slechts één bestanddeel. Bij naturalisatie verzoekt zij in eerste instantie om vaststelling van haar voornaam als Nilab en van haar geslachtsnaam als Hassan, omdat dit de geslachtsnaam van haar reeds genaturaliseerde echtgenoot is. Dit is echter niet mogelijk. Zij moet immers de naam van een (voor)ouder laten vaststellen als geslachtsnaam of haar huidige naam laten opdelen in twee gedeeltes. Haar vader heet Hamid. Uiteindelijk besluit Nilab daarom zijn naam als geslachtsnaam te laten vaststellen. In het maatschappelijk verkeer kan zij vervolgens alsnog de naam van haar echtgenoot voeren ([artikel 1:9 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=9)).
### paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
### paragraaf 4.2. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
### Paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
Een meerderjarig geworden kind mag soms, bij wijze van uitzondering op de in paragraaf 1 geformuleerde beleidsregel, een naam die niet in zijn eigen naam of namenreeks voorkomt als geslachtsnaam laten vaststellen bij naturalisatie. Dit mag alleen in het geval de gewenste naam afkomstig is van één van de juridische ouders van de verzoeker én als die naam reeds voor andere leden van het (kern)gezin als geslachtsnaam is vastgesteld bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Dit is dus alleen mogelijk als de andere gezinsleden eerder dan de verzoeker tot Nederlander zijn genaturaliseerd.
De naam van de verzoeker wordt zonodig in de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens overgebracht en kan, indien dit voor de inburgering van belang is, met toestemming van de verzoeker bij het besluit tot verlening van het Nederlanderschap worden gewijzigd.
Hierbij moet worden gedacht aan overbrenging van de namen vanuit bijvoorbeeld het Arabisch, Chinees of Cyrillisch schrift naar het Latijns schrift. Met betrekking tot deze overbrenging dient altijd te worden overlegd met de verzoeker ([artikel 36, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Voor de transcriptie is echter géén expliciete toestemming van de verzoeker vereist.
### Artikel 14
Verzoeker is geboren in Egypte en heeft de Egyptische nationaliteit. Zijn geboorteakte is vanuit het Arabisch schrift overgebracht in het Latijns schrift. Volgens deze vertaling, opgesteld door een beëdigd vertaler, heeft verzoeker de naamsketen ‘Sayeed Muhammad Ben Sawi’, maar in alle overige overgelegde documenten is de tweede naam gespeld als ‘Mohamed’. Verzoeker verklaart dat hij sinds jaar en dag door het leven gaat met de naam ‘Mohamed’ en dat hij onder deze naam wenst te worden genaturaliseerd. Uitgangspunt voor de transcriptie is dat de namen worden omgezet overeenkomstig de door een beëdigd vertaler opgestelde vertaling van de geboorteakte. Tenzij betrokkene vóór de indiening van zijn verzoek een andere vertaling van een beëdigd vertaler overlegt, worden zijn voornamen vastgesteld als ‘Sayeed Muhammad’ en zijn geslachtsnaam als ‘Ben Sawi’.
Wijziging van de namen in het kader van de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend wanneer verzoeker te kennen geeft daaraan behoefte te hebben én dit gelet op de inburgering van belang is. Een verzoeker kan dus niet worden verplicht tot naamswijziging. In geval van naamswijziging wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de door de betrokkenen uitgesproken voorkeur.
### Paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
Een samengestelde geslachtsnaam is een naam die bestaat uit twee of meer delen. Het ene deel is normaal gesproken afkomstig van vaderskant en het andere deel is afkomstig van moederskant. Niet iedere geslachtsnaam die uit meerdere namen bestaat, is dus een samengestelde geslachtsnaam.
### paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen
### Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen
Voor wijziging van uitsluitend de voornamen bestaat in de naturalisatieprocedure geen ruimte. De voornamen kunnen slechts gelijktijdig met de geslachtsnaam worden gewijzigd en ook hier geldt: uitsluitend als dit voor de inburgering van belang is.
### Artikel 13
Een verzoeker heeft de Russische nationaliteit en bezit volgens zijn (Russische) geboorteakte een patronymicum. Het Russisch patronymicum is een tussennaam (‘otchestvo’ in het Russisch), gebaseerd op de eerste naam van de vader. De verzoeker staat ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) met het patronymicum ingevuld bij de categorie “voornamen”. De verzoeker verklaart dat hij zonder het patronymicum wenst te worden genaturaliseerd. Het Russisch patronymicum maakt echter geen onderdeel uit van de geslachtsnaam. Als tussennaam kan het patronymicum daarom uitsluitend in combinatie met de geslachtsnaam worden gewijzigd dan wel vervallen, en dan uitsluitend wanneer dit voor de inburgering van belang is.
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk als het kind:
### 15a-alg. Toelichting algemeen
De regeling van [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) die in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, is zonder nadere beperking in strijd met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten.
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
De verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS hebben voorrang boven de regeling neergelegd in de RWN, met name in artikel 15, tweede lid, RWN. Het verlies van het Nederlanderschap treedt overigens ook niet in op grond van het [artikel 15A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A), maar op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van het Verdrag van Straatsburg of van de TOS.
### 15a-alg. Toelichting algemeen
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
### Artikel VI RRWN
Hoofdregel van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg is dat vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van een ander verdragsland automatisch leidt tot verlies van de oorspronkelijke nationaliteit. Dit betekent dat een meerderjarige Nederlander, die vrijwillig de nationaliteit van een ander verdragsland verkrijgt, het Nederlanderschap verliest, ook al zou hij behoren tot een van de categorieën, genoemd in [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), tenzij de nationaliteit wordt verkregen van een land dat was aangesloten bij het 2e protocol (verdrag gaat immers boven de wet). Het verlies vloeit rechtstreeks voort uit het verdrag.
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
Nederland (gehele Koninkrijk): vanaf 10 juni 1985;
Oostenrijk: vanaf 1 september 1975;
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -9646,6 +13174,14 @@
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
@@ -9660,151 +13196,153 @@
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 9-1-b. Toelichting ad [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### 10-alg. Toelichting algemeen
### 11-alg. Toelichting algemeen
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
### 9-3. Toelichting ad [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### 11-8. Toelichting ad [artikel 11, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
### 9-3. Toelichting ad [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### paragraaf 3.1. Advisering
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
### Artikel 11
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
### 11-alg. Toelichting algemeen
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
In dit artikellid wordt bepaald dat de beslistermijn van één jaar eerst begint te lopen vanaf het moment dat verzoeker aan zijn verplichtingen voor het indienen van het verzoek heeft voldaan.
Ingevolge [artikel 34, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34) wordt, alvorens het verzoek om naturalisatie in behandeling wordt genomen, door de burgemeester onderzocht of de verzoeker naturalisatiegelden is verschuldigd op grond van het [Besluit optie- en naturalisatiegelden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782).
Het onderhavige artikellid bepaalt dat de beslistermijn van een jaar eerst aanvangt nadat de naturalisatiegelden zijn voldaan dan wel nadat is beslist op een eventueel verzoek om ontheffing van betaling.
In [artikel 31 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) en artikel 34 BVVN wordt aangegeven welke gegevens een verzoeker bij het indienen van het verzoek dient te verstrekken. Deze gegevens zijn noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek om naturalisatie. De burgemeester onderzoekt of de verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie (zie [artikel 36 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Indien de verzoeker niet alle gevraagde documenten overlegt op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie, stelt de burgemeester de verzoeker in de gelegenheid om de ontbrekende stukken alsnog in te leveren binnen zes weken na de indiening van het verzoek. De burgemeester deelt dit aan de verzoeker mee op het moment van de indiening van het verzoek. Eerst nadat alle voor de beoordeling van het verzoek noodzakelijke stukken door de burgemeester zijn ontvangen, vangt de beslistermijn van een jaar aan.
Uit de stukken die door de burgemeester aan de IND worden gestuurd, moet blijken op welk tijdstip de naturalisatiegelden zijn betaald, op welk tijdstip eventueel ontheffing van betaling is verleend dan wel op welk tijdstip de (aanvullende) stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, door de verzoeker zijn overgelegd. Indien uit het advies van de burgemeester niet of niet duidelijk blijkt dat verzoeker om aanvulling van de stukken is verzocht, stelt de IND de verzoeker alsnog een redelijke termijn om de ontbrekende stukken te overleggen. In deze situatie vangt de beslistermijn van een jaar aan op het moment dat de aanvullende stukken door de IND zijn ontvangen, zie ook de [toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.7.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.7&paragraaf=3.7.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Ad a: het moet hier gaan om een buitenlandse instantie. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is geen buitenlandse instantie. Als aan de Minister van Buitenlandse Zaken wordt verzocht om bijvoorbeeld een ambtsbericht, is deze opschorting niet van toepassing. Deze opschortingsgrond is wel van toepassing als de IND informatie opvraagt aan de autoriteiten van een ander land (bijvoorbeeld verificatie van een brondocument).
### Artikel 10
### 10-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
### Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens
### Paragraaf 2. Naamswijziging
### Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen
Verder kan evenmin – als het gaat om een kind dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt of dat tijdens de behandeling meerderjarig is geworden – worden afgeweken van het vereiste dat er geen ernstige vermoedens bestaan dat die persoon een gevaar oplevert voor de openbare orde als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en artikel 9, tweede lid, RWN. Gelet op het feit dat op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) kan worden afgeweken van de reguliere termijn van vijf jaar toelating en hoofdverblijf, zoals vermeld in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), is geredeneerd dat ook van de kortere termijn van drie jaar, zoals genoemd in [artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), kan worden afgeweken en is ook voor de volledigheid een verwijzing naar die termijn opgenomen.
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
### paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
Vóór 1 april 2003 konden minderjarigen, die niet hadden gedeeld in de verlening van het Nederlanderschap aan de ouder(s), onder voorwaarden op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden voorgedragen voor naturalisatie. Voor deze minderjarigen is thans een bijzondere naturalisatieprocedure opgenomen in [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11).
### paragraaf 3. Topsporters
Een bijzonder geval kan zich voordoen als blijkt dat de verlening van het Nederlanderschap in zodanige mate een Nederlands cultureel belang dient, dat afwijking van één of meer reguliere voorwaarden wordt gerechtvaardigd. Onder een Nederlands cultureel belang wordt tevens verstaan een Nederlands belang op sportief gebied.
Om vast te kunnen stellen of met de naturalisatie van verzoeker een Nederlands belang op sportief gebied is gediend, wordt de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om advies gevraagd. Alleen indien bij het verzoek tot naturalisatie mede een verklaring van een Nederlandse sportbond wordt overgelegd inhoudende dat naturalisatie een Nederlands sportbelang op korte termijn dient, verzoekt de Minister van Justitie om advisering ter zake door de Staatssecretaris van VWS. Zonder een dergelijke ondersteunende verklaring wordt de zaak niet aan VWS aangeboden, maar direct afgewezen.
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
### paragraaf 3.4. Advies VWS
### paragraaf 3.5. Beslissing
### 11-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
Tot 1 oktober 2010 gold voor de minderjarige die op grond van [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) mee-naturaliseerde geen plicht tot het ondertekenen van een bereidverklaring. Ook de verklaring van verbondenheid hoefde niet te worden afgelegd. Bij alle verzoeken ex artikel 11, derde lid, die op of na 1 oktober 2010 worden ingediend geldt dat de bereidverklaring moet worden ondertekend en de verklaring van verbondenheid moet worden afgelegd, tenzij betrokkene is vrijgesteld (zie overgangsbepaling [artikel II, lid 2a, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb.2010, 242 )).
Voor minderjarige kinderen en jongvolwassenen die met toepassing van het onderhavige artikel worden (mede)genaturaliseerd geldt niet het inburgeringsvereiste. De naturalisatietoets hoeft dan ook niet te worden afgelegd. Zij hoeven evenmin afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit.
### Paragraaf 2. Naamswijziging
In [artikel 31 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) is aangegeven welke gegevens de verzoeker over zichzelf en over het (mede) te naturaliseren kind moet verstrekken. Als deze gegevens niet of onvoldoende worden verstrekt, zal Onze Minister, na inverzuimstelling, het verzoek afwijzen. De afwijzende beslissing van Onze Minister is een beschikking waartegen op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
Het verblijf als geprivilegieerde moet worden aangetoond door middel van het overleggen van een originele verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ingeval van contra-indicatie dat het verblijf als geprivilegieerde, ondanks de verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, niet onafgebroken is geweest, kan contact worden opgenomen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
### Paragraaf 2.1.2.2. [Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
Uit dit artikellid volgt dat de man of vrouw die een kind heeft geadopteerd ook voor dat kind op dezelfde wijze als voor een eigen kind kan verzoeken om medeverlening2Met ‘eigen kind’ wordt hier bedoeld het kind van de moeder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, RWN en het kind van de vader als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, RWN.. De adoptie moet dan wel in overeenstemming met de regels van internationaal privaatrecht tot stand zijn gekomen en de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen moeten zijn verbroken.
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
Het verzoek om naamsvaststelling of -wijziging met betrekking tot het kind moet in een dergelijk geval beoordeeld worden zoals neergelegd in de paragrafen over naamsvaststelling en -wijziging bij kinderen in de toelichting op artikel 12, eerste en tweede lid RWN.
Onze Minister kan aan de volgende personen ontheffing verlenen van betaling van de naturalisatiegelden:
De Minister van Justitie is gemachtigd correcties aan te brengen in een koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap. De machtiging is uitsluitend verleend om kennelijke administratieve misslagen in de vermelde persoonsgegevens van de verzoeker te herstellen. De kennelijke misslag dient een gevolg te zijn van (administratieve dan wel een vertalings-) onoplettendheid. Onder een ‘kennelijke administratieve misslag’ wordt niet verstaan het geval waarin de verzoeker na de verlening van het Nederlanderschap één of meer persoonsgegevens (namen, geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland) wenst te corrigeren, omdat hij is genaturaliseerd onder onjuiste, maar wel door hem aangeleverde, persoonsgegevens. De doorlopende machtiging is verleend voor de volgende kennelijke misstellingen in naturalisatiebesluiten:
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
Wijziging van de namen in het kader van de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend wanneer verzoeker te kennen geeft daaraan behoefte te hebben én dit gelet op de inburgering van belang is. Een verzoeker kan dus niet worden verplicht tot naamswijziging. In geval van naamswijziging wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de door de betrokkenen uitgesproken voorkeur.
Voor wijziging van uitsluitend de voornamen bestaat in de naturalisatieprocedure geen ruimte. De voornamen kunnen slechts gelijktijdig met de geslachtsnaam worden gewijzigd en ook hier geldt: uitsluitend als dit voor de inburgering van belang is.
Als de verzoeker uitsluitend zijn voornaam wenst te wijzigen, kan hij zo nodig worden geattendeerd op de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank ([artikel 1:4, vierde lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=4)).
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk als het kind:
### paragraaf 2. Algemeen
Het kan voorkomen dat de andere ouder al is genaturaliseerd en dat zijn geslachtsnaam is gewijzigd bij zijn naturalisatie. Dan kan voor het minderjarige kind bij naturalisatie, als daarom wordt verzocht, dezelfde naamswijziging plaatsvinden. Dit mag echter alleen als het kind (mede) onder het gezag van deze andere ouder staat.
### Artikel 13
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [11.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
### paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht
### paragraaf 1. Optiegelden
TOS: artikel 7.2
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
**Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regelen gesteld betreffende het recht dat verschuldigd is voor het afleggen en de behandeling van de verklaring van optie en van het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap, de gevallen en de mate waarin daarvan ontheffing kan worden verleend en de wijze waarop het moet worden voldaan.**
**Bij algemene maatregel van rijksbestuur worden regelen gesteld betreffende het recht dat verschuldigd is voor het afleggen en de behandeling van de verklaring van optie en van het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap, de gevallen en de mate waarin daarvan ontheffing kan worden verleend en de wijze waarop het moet worden voldaan.**
### 16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
### Paragraaf 1. Algemeen
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
### Artikel 21
### 15-1-d. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Buitenlandse documenten die niet in het Nederlands, Engels, Duits of Frans zijn opgesteld moeten in principe worden vertaald. De genaturaliseerde is zelf verantwoordelijk voor het laten vertalen van de door hem of haar ingebrachte documenten. Als uit een overgelegd document, dat niet vertaald is, niet valt af te leiden wat de inhoud van het stuk is, dan kan aan het document geen waarde voor wat betreft de afstandsprocedure worden toegekend.
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 2. Intrekking van het Nederlanderschap
### 3.1. Rechten Unieburgerschap
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
### 3.3. Individueel belang
Op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan de IND de Nederlandse nationaliteit intrekken als betrokkene na verlening of verkrijging van de Nederlandse nationaliteit heeft nagelaten al het mogelijk te doen om zin oorspronkelijke nationaliteit te verliezen. Het algemeen belang is gelegen in het nastreven van enkelvoudige nationaliteit, van oudsher een belangrijke doelstelling van het Nederlandse nationaliteitsrecht.
### 3.6. Weging belangen
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
### 3.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap is een beschikking als bedoeld in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) (Awb). De Awb is in het kader van de intrekking van toepassing ongeacht of de persoon in kwestie door tussenkomst van de burgemeester, de gezaghebber, de Gouverneur of een diplomatieke of consulaire post is genaturaliseerd, nu de beslissing tot intrekking zelf genomen wordt door Onze Minister in zijn hoedanigheid van Minister van het Koninkrijk. De persoon in kwestie kan tegen de beschikking bezwaar maken doch dit bezwaar heeft geen schorsende werking.
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
De systematiek van de RWN staat er niet aan in de weg dat de IND, na verlening van het Nederlanderschap, de genaturaliseerde die in beginsel afstandsplichtig is, alsnog ontheft van de afstandsplicht.17[Raad van State 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:336](https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2017:336) Dat betekent dat een (expliciet of impliciet) verzoek om ontheven te worden van de afstandsplicht nadat het Nederlanderschap is verleend, aangemerkt moet worden als een aanvraag in de zin van [artikel 1:3, derde lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3) en dat daarop een besluit in de zin van die bepaling dient te worden genomen. Deze beoordeling wordt neergelegd in een beschikking, waartegen rechtsmiddelen (bezwaar, beroep en hoger beroep) kunnen worden aangewend. Is het verzoek om ontheffing niet of onvoldoende duidelijk gemotiveerd, dan wordt herstelverzuim geboden.
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
Indien het verzoek om alsnog ontheven te worden van de afstandsplicht wordt afgewezen, dan wijst de IND betrokkene er in het besluit op dat hij of zij nog steeds afstandsplichtig is. Tevens wordt in het besluit verzocht om binnen 4 weken aan te geven of betrokkene van plan is gehoor te geven aan de afstandsverplichting. Geeft betrokkene aan dat hij of zij de afstandsverplichting nakomt, dan gelden in beginsel de normale termijnen voor de onderliggende procedure. Eventueel kan op basis van een gemotiveerd verzoek uitstel worden verleend voor het doen van afstand.
### Artikel II RRWN
Van uitzonderlijke omstandigheden is, bijvoorbeeld, geen sprake als betrokkene zich beroept op gevolgen van het doen van afstand die zich bevinden in de sfeer van het verliezen van een baan, het moeten verhuizen, het niet op vakantie kunnen gaan in het land van de andere nationaliteit, het mislopen van een erfenis waar hij na verkrijging van het Nederlanderschap recht op heeft gekregen, of het feit dat de kinderen van betrokkene de betreffende nationaliteit ook verliezen.
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
Dit artikellid is niet van toepassing op optieverklaringen die zijn ingediend vóór 1 oktober 2010.
### 15-1-e. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Indien de optant, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na de verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan de Minister van Justitie overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen ([artikel 30d BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30d)).
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting in de Handleiding bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN ([artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70)).
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
**Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de verkrijger**
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
Met de uitzondering van [artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) is beoogd te komen tot het wegnemen van een drempel voor het aannemen van de nationaliteit van de andere echtgenoot in ‘nationaliteitsrechtelijk gemengde huwelijken’. Om diverse redenen werd het wenselijk geacht dat de Nederlandse echtgenoot in een dergelijk geval de nationaliteit van de andere echtgenoot verkrijgt. Daardoor krijgt betrokkene alle rechten en plichten van een staatsburger van het land waarvan hij de nationaliteit verwerft (het land van de echtgenoot) en kan hij volledig integreren en deelnemen aan het politieke leven in dat land. Om die wenselijk geachte stap te vergemakkelijken is, als uitzondering op de hoofdregel van het verlies van Nederlanderschap bij naturalisatie in een ander land, in de RWN bepaald dat in dat geval het Nederlanderschap behouden blijft.18Zie TK 1997–1998, 25 891 (R1609), nr. 3, p 1–3.
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
De heer A is gehuwd met mevrouw B. Beiden zijn in het bezit van het Nederlanderschap. Zij wonen sinds 2018 in het Verenigd Koninkrijk. Op 10 januari 2023 verkrijgen zowel de heer A als mevrouw B tegelijkertijd vrijwillig de Britse nationaliteit. Het echtpaar verliest hierdoor van rechtswege het Nederlanderschap op 10 januari 2023 ingevolge [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15).
### Artikel 29
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
Zie de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, paragraaf 1.1 en paragraaf 1.2.
### Artikel 15a
Die volkenrechtelijke verplichtingen volgen uit:
### 15a-alg. Toelichting algemeen
Bij het Verdrag van Straatsburg zijn sinds 19 december 2019 alleen Nederland en Oostenrijk partij. Bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol (Trb. 1994, 265), dat een uitzondering biedt op de verliesgronden uit het Verdrag van Straatsburg, is sinds 4 juni 2010 alleen Nederland partij (zie verder de toelichting op artikel 15A, aanhef en onder a, RWN).
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Van verlies als bedoeld in Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg is alleen sprake bij verkrijging van de nationaliteit van landen waarvoor het Verdrag van Straatsburg in werking is getreden en die Hoofdstuk I van het Verdrag toepassen of toegepast hebben.
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
België: van 19 juli 1991 tot 28 april 2008;
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### 16-1-e. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Paragraaf 1.3.1. Statenopvolging bij de toepassing van [artikel 15, lid 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
### paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
### 17-alg. Toelichting algemeen
A, van Nederlandse en Franse nationaliteit, geboren in 1945 in Nederland, woont sedert 15 maart 1996 in de Verenigde Staten).
### 15-1-d. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### Artikel 22
### 3.2. Bewijslast
### 3.3. Individueel belang
Op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan de IND de Nederlandse nationaliteit intrekken als betrokkene na verlening of verkrijging van de Nederlandse nationaliteit heeft nagelaten al het mogelijk te doen om zin oorspronkelijke nationaliteit te verliezen. Het algemeen belang is gelegen in het nastreven van enkelvoudige nationaliteit, van oudsher een belangrijke doelstelling van het Nederlandse nationaliteitsrecht.
### 15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
### Artikel 15a
De regeling van [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) die in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, is zonder nadere beperking in strijd met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten.
### Artikel VII RRWN
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
### Artikel 29
Italië: van 10 juni 1985 tot 4 juni 2010 (geldt ook voor Tweede Protocol, zie hieronder);
### paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
Noorwegen: van 27 december 1969 tot 19 december 2019;
Zweden: van 6 april 1969 tot 29 juni 2002.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -9828,81 +13366,699 @@
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 1.1.2. Het inburgeringsexamen
### paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
### 9-3-c. Toelichting ad [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
### paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen
De beslistermijn van een naturalisatieverzoek eindigt in het geval van een positieve beslissing op het moment dat de verzoeker de bekendmaking in ontvangst heeft genomen (in beginsel) op een naturalisatieceremonie. Als de IND niet binnen de wettelijke beslistermijn op het naturalisatieverzoek kan beslissen of er kan binnen deze termijn geen ceremonie worden gehouden, dan zal de IND een in [artikel 4:15 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15) genoemde opschortingsgrond toepassen om de beslistermijn op te schorten.
De Kroon verleent het Nederlanderschap met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) nadat de Raad van State van het Koninkrijk is gehoord. Uit de wettekst volgt dat het raadplegen van de Raad van State slechts noodzakelijk is bij verlening van het Nederlanderschap met toepassing van artikel 10 RWN. Bij beslissingen tot afwijzing of aanhouding is [artikel 9, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) van toepassing.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### Paragraaf 2. Intrekking van het Nederlanderschap
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
### Paragraaf 1. Algemeen
### 3.4. Algemeen belang
### Paragraaf 7. Administratieve verwerking van het intrekkingsbesluit
### Paragraaf 8. Feitelijk afstand van de oorspronkelijke nationaliteit voor datum intrekkingsbesluit
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap is een beschikking als bedoeld in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) (Awb). De Awb is in het kader van de intrekking van toepassing ongeacht of de persoon in kwestie door tussenkomst van de burgemeester, de gezaghebber, de Gouverneur of een diplomatieke of consulaire post is genaturaliseerd, nu de beslissing tot intrekking zelf genomen wordt door Onze Minister in zijn hoedanigheid van Minister van het Koninkrijk. De persoon in kwestie kan tegen de beschikking bezwaar maken doch dit bezwaar heeft geen schorsende werking.
### 15-1-e. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
**Voorts gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren indien hij ten gevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring door naturalisatie, optie of herstel daarin de nationaliteit verkrijgt van een Staat die Partij is bij het op 6 mei 1963 te Straatsburg gesloten verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (** **Trb. 1964, nr. 4** **) en dit Verdrag dat verlies meebrengt. Het voorgaande is echter niet van toepassing indien die Staat tevens Partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag (** **Trb. 1994, nr. 265** **) en de betrokkene behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid.**
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
Denemarken: van 17 december 1972 tot 26 augustus 2015;
Frankrijk: van 28 maart 1968 tot 5 maart 2009 (geldt ook voor Tweede Protocol, zie hieronder);
### V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
Luxemburg: van 12 november 1971 tot 9 juli 2009;
### 16-1-c. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Paragraaf 1. Algemeen
De Nederlander, die vrijwillig de Oostenrijkse nationaliteit verkrijgt, verliest nog steeds automatisch zijn Nederlandse nationaliteit.
Het verlies op grond van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geldt niet als het betreffende verdragsland ook partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1994, nr. 265). Het Tweede Protocol maakt het voor elke verdragsluitende partij mogelijk om in bepaalde gevallen door middel van de eigen interne wetgeving de hoofdregel van het verdrag uit te sluiten, waarbij elke staat, die ratificeert, zelf ten aanzien van die gevallen bepaalt in welke mate van dat recht gebruik wordt gemaakt. De gevallen als hier bedoeld, zijn:
Nederland heeft van die mogelijkheid gebruikgemaakt door opneming in de RWN in [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en in [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, f en g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16).
Frankrijk: in werking tussen 24 maart 1995 en 05 maart 2009
Italië: in werking tussen 24 maart 1995 en 4 juni 2010
Nederland: in werking sinds 20 augustus 1996, in RWN verwerkt sinds 1 april 2003.
### Artikel VI RRWN
Het bovenstaande betekent dan ook dat vanaf 1 april 2003 de meerderjarige Nederlander, die vrijwillig de nationaliteit van een verdragsland verkrijgt op een moment dat het land partij bij Hoofdstuk I van het Verdrag is, het Nederlanderschap verliest, tenzij:
### Artikel II RRWN
De Nederlander A, die in 1950 in Oostenrijk is geboren, wordt in januari 2004 genaturaliseerd tot Oostenrijker. Ten tijde van zijn naturalisatie woont hij in Oostenrijk. Kijken we uitsluitend naar [artikel 15, eerste en tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) dan zouden we tot de conclusie komen, dat A zijn Nederlanderschap niet heeft verloren. Immers, hij is geboren in het land waarvan hij de nationaliteit heeft verkregen en hij woont daar ten tijde van die verkrijging, en artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, RWN bepaalt dan dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
### II RRWN-alg. Toelichting algemeen
De Nederlander B, die in 1949 in Nederland is geboren, woont sedert 1990 in Italië en wordt in januari 2004 tot Italiaan genaturaliseerd. Ten tijde van zijn naturalisatie is hij gehuwd met een vrouw van Italiaanse nationaliteit.
### Artikel III RRWN
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) (1 april 2003)
De uitkomst is hier echter anders. Weliswaar is Italië ook partij bij het Tweede Protocol, maar in dit geval kan ten aanzien van B niet worden gesteld dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Immers, ingevolge artikel 1, tweede lid, RWN mag voor de toepassing van artikel 15A RWN onder huwelijk niet tevens geregistreerde partnerschap worden verstaan.
### Artikel 16
De voorbeelden 2 en 3 gelden voor de periode van 1 april 2003 tot 5 maart 2009 ook in het geval B de Franse nationaliteit heeft verkregen. Vanaf 5 maart 2009 is Frankrijk geen partij meer bij Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg. Artikel 15A is sindsdien niet meer van toepassing als een Nederlander vrijwillig de Franse nationaliteit verkrijgt. De Nederlander verliest zijn nationaliteit bij het verkrijgen van de Franse nationaliteit op grond van artikel 15, eerste lid aanhef en onder a, tenzij één van de gronden van artikel 15, tweede lid, van toepassing is.
De in voorbeeld 2 bedoelde B is niet gehuwd met een Italiaanse vrouw. Wel zijn B en de vrouw partners in een in Nederland geregistreerd partnerschap. Voor het overige is de casus exact hetzelfde als die bij voorbeeld 2.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### Paragraaf 3. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap
### Paragraaf 5. Gevolgen van de intrekking
### Paragraaf 7. Administratieve verwerking van het intrekkingsbesluit
### 15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
Dat betekent bijvoorbeeld, dat een Nederlander, die op 20 augustus 2007 vrijwillig de Deense nationaliteit heeft verkregen, op dat moment op grond van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg automatisch zijn Nederlandse nationaliteit verloor.
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
### Artikel 29
### Artikel III RRWN
Bij het Tweede Protocol is sinds 4 juni 2010 alleen Nederland partij. De laatste volzin van [artikel 15A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) kan daardoor vanaf die datum geen gevolg hebben. Die uitzondering zal zich namelijk niet meer voor kunnen doen, zolang geen ander land partij is bij het Tweede Protocol.
### 16-1-d. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
[Artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) bepaalt dat voor de toepassing van [artikel 15A, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) onder ‘echtgenoot’ niet is begrepen ‘geregistreerd partner’; en dat onder ‘huwelijk’ niet is begrepen ‘geregistreerde partnerschap’. Artikel 1, tweede lid RWN, vloeit voort uit het Verdrag van Straatsburg. Hieronder wordt een en ander met voorbeelden verduidelijkt.
### Paragraaf 1
Echter, Oostenrijk is partij bij het Verdrag van Straatsburg, zodat in dit geval wel verlies van het Nederlanderschap intreedt. Het verlies vloeit rechtstreeks voort uit artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg. Het Tweede Protocol biedt A geen soelaas, aangezien Oostenrijk daarbij geen partij is.
### Artikel IV RRWN
Aangezien Italië partij is bij het Verdrag van Straatsburg, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat B, ondanks het feit dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN, als gevolg van de directe werking van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg zijn Nederlanderschap heeft verloren door zijn naturalisatie tot Italiaan.
De in voorbeeld 2 bedoelde B is niet gehuwd met een Italiaanse vrouw. Wel zijn B en de vrouw partners in een in Nederland geregistreerd partnerschap. Voor het overige is de casus exact hetzelfde als die bij voorbeeld 2.
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
B verliest dan ook zijn Nederlanderschap als gevolg van de directe werking van het Verdrag van Straatsburg (artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg) en hij kan zich niet beroepen op het gestelde in de tweede zin van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
### Artikel 16
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [14.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16A)[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
Op grond van [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, RWN. Artikel 16, tweede lid, RWN bepaalt de gevallen waarin, als uitzondering op de hoofdregelen van verlies, toch geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
Als gevolg van [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) moet, wat betreft de toepassing van [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), ervan worden uitgegaan dat de uitzonderingen uit artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN reeds vanaf 1 januari 1985 gelden.
Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige, op grond van het toen geldende [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap en kunnen we nu vaststellen, dat de betreffende persoon destijds behoorde tot een van de categorieën, nu genoemd in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c of d, RWN dan moet die persoon thans geacht worden zijn Nederlanderschap nimmer te hebben verloren. Zie ook de toelichting onder artikel 16, tweede lid, RWN en onder [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III).
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [62 t/m 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)
Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door minderjarigen. Behalve in het onderhavige artikel zijn ook verliesbepalingen voor minderjarigen opgenomen in [artikel 14, tweede, derde, vierde en zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). [Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) definieert het begrip ‘meerderjarigheid’. Uit die bepaling vloeit voort dat personen jonger dan achttien jaar, minderjarig zijn. Echter, personen, jonger dan achttien jaar, zijn wél meerderjarig indien:
Bedacht moet worden, dat verlies van het Nederlanderschap als hier bedoeld nooit kan intreden indien betrokkene daardoor staatloos zou worden (vergelijk artikel 14, achtste lid, RWN) en verder dat – ook al valt de minderjarige in principe onder een van de verliesbepalingen van [artikel 16, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) – géén verlies zal intreden indien artikel 16, tweede lid, RWN van toepassing is.
### 16-alg. Toelichting algemeen
De adoptie c.q. gezagsvoorziening moet dus het kind het Nederlanderschap hebben bezorgd (denk daarbij wat betreft de gezagsvoorziening aan de optie bedoeld in [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)). Is dat niet het geval, omdat het kind reeds op een andere grond Nederlander was, dan zal voor het kind geen verlies van het Nederlanderschap intreden indien zijn adoptiefouder(s)/de persoon die mede het gezamenlijk gezag over hem uitoefent het Nederlanderschap verlie(st)(zen), of, indien het kind zelfstandig dezelfde vreemde nationaliteit verkrijgt als zijn adoptiefouder(s)/de persoon die mede het gezamenlijk gezag over hem uitoefent.
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Bedacht moet worden, dat verlies van het Nederlanderschap als hier bedoeld nooit kan intreden indien betrokkene daardoor staatloos zou worden (vergelijk artikel 14, achtste lid, RWN) en verder dat – ook al valt de minderjarige in principe onder een van de verliesbepalingen van [artikel 16, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) – géén verlies zal intreden indien artikel 16, tweede lid, RWN van toepassing is.
### Artikel VII RRWN
Het minderjarige Nederlandse kind A, geboren in Nederland, heeft de Nederlandse vrouw B tot moeder en wordt erkend door de Turkse man C. Als gevolg van die erkenning is A van Turkse nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent A uitsluitend aan [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
Uit een ongehuwde Turkse vrouw is in 2004 kind F geboren in Amsterdam. F, die de Turkse nationaliteit bezit, is tevens van Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 3, derde lid, RWN.
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Voor A geldt wel, dat hij tijdens zijn minderjarigheid het Nederlanderschap alleen maar kan behouden zolang zijn moeder het Nederlanderschap bezit (tenzij hij tevens behoort tot een van de andere categorieën, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN). Zodra de moeder het Nederlanderschap verliest – bijvoorbeeld als gevolg van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit – verliest ook A zijn Nederlanderschap, mits hij nog minderjarig is.
A zou zijn Nederlanderschap door voormelde erkenning evenmin verliezen als:
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### 3.2. Bewijslast
### 3.3. Individueel belang
### Paragraaf 9. Bezwaar tegen het intrekkingsbesluit
Duitsland: van 18 december 1969 tot 22 december 2002;
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
### 29-alg. Toelichting algemeen
In dit geval echter, biedt het Tweede Protocol wél soelaas. Immers, Italië is ook partij bij het Tweede Protocol en uit het bepaalde in artikel 15A, aanhef en onder a, RWN, tweede zin vloeit voort dat verlies van het Nederlanderschap in dat geval niet intreedt, mits betrokkene behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Welnu, B behoort tot een van die categorieën, namelijk categorie c; hij is immers gehuwd met een vrouw van Italiaanse nationaliteit. De conclusie is dan ook, dat B zijn Nederlanderschap niet heeft verloren door zijn naturalisatie tot Italiaan.
### Artikel 16
### 16-alg. Toelichting algemeen
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
Met het begrip ‘vader of moeder’ in artikel 16, eerste lid, RWN wordt mede bedoeld:
### 16-alg. Toelichting algemeen
Als met het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap ook het Unieburgerschap verloren is gegaan en dit verlies onevenredige gevolgen heeft gehad vanuit het oogpunt van het Unierecht, kan het Nederlanderschap gelet op het arrest van 12 maart 2019 van het Europese Hof van Justitie (C-221/17) met terugwerkende kracht worden herkregen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN. Zie verder de toelichting bij dat artikel.
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, indien hij diens nationaliteit daardoor verkrijgt, of deze reeds bezit.**
Verlies van het Nederlanderschap zou voor A intreden op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16). In dit geval verliest de minderjarige de Nederlandse nationaliteit echter niet, omdat een ouder, namelijk de moeder van A, het Nederlanderschap bezit.
Voor A geldt wel, dat hij tijdens zijn minderjarigheid het Nederlanderschap alleen maar kan behouden zolang zijn moeder het Nederlanderschap bezit (tenzij hij tevens behoort tot een van de andere categorieën, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN). Zodra de moeder het Nederlanderschap verliest – bijvoorbeeld als gevolg van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit – verliest ook A zijn Nederlanderschap, mits hij nog minderjarig is.
### Paragraaf 1. Algemeen
De mogelijkheid dat een minderjarige een verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit kan afleggen, bestond voor 1 april 2003 niet. Tot dat moment kon alleen een meerderjarige afstand doen van het Nederlanderschap.
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
### Paragraaf 1. Algemeen
De mogelijkheid dat een minderjarige een verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit kan afleggen, bestond voor 1 april 2003 niet. Tot dat moment kon alleen een meerderjarige afstand doen van het Nederlanderschap.
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
Ingevolge [artikel 2, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), wordt een verklaring van afstand voor een minderjarige door zijn wettelijke vertegenwoordiger afgelegd. De minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, legt de verklaring van afstand echter zelfstandig af.5Zie voor procedurele voorschriften aangaande verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand de toelichting bij artikel 15, eerste lid aanhef en onder b, RWN en de modellen 3.2 en 3.3.
Minderjarigen van twaalf tot zestien jaar worden geacht voldoende inzicht te hebben in de gevolgen van het doen van afstand van de Nederlandse nationaliteit. Daarom wordt het kind hierover gehoord.Ook de ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, moet op zijn verzoek worden gehoord om zo zijn bedenkingen over het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging
De uitkomst is hier echter anders. Weliswaar is Italië ook partij bij het Tweede Protocol, maar in dit geval kan ten aanzien van B niet worden gesteld dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Immers, ingevolge artikel 1, tweede lid, RWN mag voor de toepassing van artikel 15A RWN onder huwelijk niet tevens geregistreerde partnerschap worden verstaan.
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [62 t/m 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
A zou zijn Nederlanderschap door voormelde erkenning evenmin verliezen als:
De minderjarige F wordt rechtsgeldig erkend door de Turkse man M. F bezit op het moment van de erkenning al de Turkse nationaliteit, zodat artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN op hem van toepassing is. F verliest evenwel niet zijn Nederlanderschap. Het verlies wordt verhinderd door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN.
### 16-2-alg. Toelichting algemeen
De verklaring van afstand kan door een minderjarige alleen met rechtsgevolg worden afgelegd, als hij naast het Nederlanderschap tevens de nationaliteit bezit van zijn vader, moeder of adoptiefouder4[127] (als bedoeld in [artikel 11, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)). In de meeste gevallen zal van die nationaliteit blijken uit de beschrijving van de minderjarige in de BRP. Is dat niet het geval, of wordt bijvoorbeeld getwijfeld aan het al dan niet bezitten van de nationaliteit van de (adoptief)ouder, dan kan overlegging van een bewijs van de nationaliteit van de minderjarige en/of zijn (adoptief)ouder worden verlangd (vergelijk [artikel 62, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)).
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
De wettelijk vertegenwoordiger legt namens de minderjarige (tussen de twaalf en zestien jaar), de verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) af. De minderjarige wordt hierover gehoord.
**Minderjarige is aanwezig**
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
**Minderjarige is niet aanwezig**
Indien de minderjarige niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij door de burgemeester alsnog opgeroepen om gehoord te worden over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap. Zolang de minderjarige niet gehoord is, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet in (zie tevens paragraaf 3 **Geen verlies Nederlanderschap**)
**Minderjarige is aanwezig**
De ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt wordt, op haar/zijn verzoek, gehoord om zo haar/zijn bedenkingen tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken. Uit de woorden ‘op zijn verzoek’ volgt dat de andere ouder niet verplicht is bedenkingen kenbaar te maken. Indien deze ouder te kennen geeft niet gehoord te willen worden of niet reageert op een uitnodiging daartoe, dan wordt zij/hij geacht geen bedenkingen te hebben tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van haar/zijn kind.
**Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger, is aanwezig**
Indien de andere ouder aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt zij/hij door de burgemeester gevraagd of zij/hij tegen het verlies van het Nederlanderschap door de minderjarige is. Wordt niet een duidelijk antwoord gegeven op deze vraag of ontstaat twijfel over de vrijwilligheid van het afgelegde antwoord dan wordt de andere ouder gewezen op de mogelijkheid op een later moment en alleen gehoord te worden over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind. Alleen indien de andere ouder hierover gehoord wil worden, wordt hij hiertoe door de burgemeester in de gelegenheid gesteld.
**Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger, is niet aanwezig**
### Artikel 17
Zolang de andere ouder, ondanks zijn verzoek, niet is gehoord, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet op (zie tevens paragraaf 3 **Geen verlies Nederlanderschap**).
Indien de andere ouder aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt zij/hij door de burgemeester gevraagd of zij/hij tegen het verlies van het Nederlanderschap door de minderjarige is. Wordt niet een duidelijk antwoord gegeven op deze vraag of ontstaat twijfel over de vrijwilligheid van het afgelegde antwoord dan wordt de andere ouder gewezen op de mogelijkheid op een later moment en alleen gehoord te worden over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind. Alleen indien de andere ouder hierover gehoord wil worden, wordt hij hiertoe door de burgemeester in de gelegenheid gesteld.
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
Indien de andere ouder niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij door de burgemeester alsnog, bijvoorbeeld middels toezending van een brief, gewezen op de mogelijkheid om gehoord te worden over zijn eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind.Dit wordt door de burgemeester gedaan indien de andere ouder bekend is, hij in Nederland woont en tevens zijn adres bekend is.
### paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
Na het horen van de minderjarige en/of de andere ouder, die niet de wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt, kunnen zich de volgende, niet limitatieve, situaties voordoen:
Het verlies van het Nederlanderschap treedt in als aan de wettelijke voorwaarden uit [artikel 16, eerste en tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) wordt voldaan. Het verlies gebeurt van rechtswege door het ondertekenen van de verklaring van afstand door de zestien of zeventien jarige of de wettelijk vertegenwoordiger van een jonger kind.
### paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
Het in de bevestiging7De bevestiging is een bevestiging dát er een afstandsverklaring in ontvangst is genomen. Niet een bevestiging dat het Nederlanderschap is verloren. opgenomen oordeel dat de verklaring van afstand geen rechtsgevolg heeft, kan betrokkene betwisten in een gerechtelijke procedure, voorzien in [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17).
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
**Minderjarige tussen de 12 tot 16 jaar is niet gehoord**
Ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) dient een minderjarige van twaalf jaar en ouder gehoord te worden, om zo zijn bedenkingen over het verlies van de Nederlandse nationaliteit kenbaar te kunnen maken. Zolang de minderjarige niet is gehoord, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet op.
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
Ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) wordt ook de ouder die niet de wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt, op zijn verzoek, gehoord om zo zijn bedenkingen tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken. Zolang de andere ouder, ondanks zijn verzoek, niet is gehoord, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet op.
### Artikel 20
C verkrijgt bij zijn geboorte naast de Turkse ook de Nederlandse nationaliteit, aangezien is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
In 2005 legt A, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, namens C een verklaring van afstand af als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16).
### Paragraaf 1. Algemeen
In 2004 is in Rotterdam kind C geboren uit het huwelijk van A en B. Moeder en vader zijn van Turkse nationaliteit. Ten tijde van de geboorte van C wonen A en B in Rotterdam. A is zelf geboren in Dordrecht uit ouders die daar toentertijd hoofdverblijf hadden.
### Artikel 21
In 2005 legt A, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, namens C een verklaring van afstand af als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16).
Een minderjarige verliest de Nederlandse nationaliteit op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), als de vader of moeder het Nederlanderschap verliest op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15).
De minderjarige verliest de Nederlandse nationaliteit in de situatie dat hij:
### Paragraaf 1. Algemeen
Een Nederlands echtpaar emigreert naar Australië, waar kind A wordt geboren. A verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap, maar daarnaast ook de Australische nationaliteit door geboorte op het grondgebied van Australië.
Zes jaren na de geboorte van A verkrijgen de ouders door naturalisatie de Australische nationaliteit en zij verliezen beiden de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. A deelt daar niet in, omdat hij al Australiër is. Desondanks verliest hij het Nederlanderschap, aangezien hij reeds de nationaliteit bezit die zijn ouders op hun verzoek hebben verkregen.
De uitzonderingen, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN zijn op A niet van toepassing.
Er is in dit geval namelijk geen sprake van verkrijging van een nationaliteit door A, als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e of f, RWN. A heeft immers de Australische nationaliteit al verkregen bij geboorte.
### 16-1-d. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien zijn vader of moeder het Nederlanderschap verliest ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, c of d, of ingevolge artikel 15A.**
De uitzonderingen, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN zijn op A niet van toepassing.
De minderjarige verliest het Nederlanderschap indien zijn vader of moeder die nationaliteit verliest door:
### 16-1-d. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Paragraaf 1
B wordt genaturaliseerd tot Nederlander, waarin A deelt. B verliest door de naturalisatie niet haar oorspronkelijke nationaliteit. Tijdens de minderjarigheid van A doet B afstand van het Nederlanderschap.
Volgens [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) zou ook A, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, ingevolge artikel 14, achtste lid, RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien A, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest hij zijn Nederlanderschap niet.
In 2005 wordt in Nederland kind B geboren uit de in Australië geboren ongehuwde vrouw A. A is van Nederlandse en Australische nationaliteit. B verkrijgt bij zijn geboorte uitsluitend de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft nimmer de Australische nationaliteit verkregen, omdat zijn geboorte niet is geregistreerd bij een Australisch Consulaat.
### Artikel 22A
### Artikel 22B
### Artikel 22C
### Artikel 23
Het besluit waarbij aan A het Nederlanderschap werd verleend, wordt op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN ingetrokken, aangezien hij heeft nagelaten na zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.
Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook B zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, voor B geldt de uitzonderingscategorie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN. Hij ontleent het Nederlanderschap immers tevens aan artikel 3 derde lid, RWN. Voor B gaat het Nederlanderschap dan ook niet verloren.
### 23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
### 23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
A vestigt zich na zijn naturalisatie tot Nederlander in Denemarken. In 2002 wordt zijn huwelijk met B door echtscheiding ontbonden en trouwt hij in Denemarken met een Deense vrouw. Als hij zes jaren in Denemarken woont, wordt hij daar genaturaliseerd (in 2008). Zijn minderjarig kind C, die in Nederland bij B verblijft, verkrijgt niet de Deense nationaliteit. B bezit op het moment dat A de Deense nationaliteit verkrijgt nog steeds uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit en kind C heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit.
A verliest in 2008 zijn Nederlanderschap door de vrijwillige verkrijging van de Deense nationaliteit op grond van de rechtstreekse werking van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg (zie hiervoor de toelichting onder artikel 15A RWN).
Voor A geldt derhalve dat hij in 2008 zijn Nederlanderschap verliest op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg.
A heeft immers – op zijn verzoek – door naturalisatie de nationaliteit verkregen van een staat die op het moment van verkrijging (2008) partij is bij het Verdrag van Straatsburg, en die geen partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag.
Ook C verliest in 2008 zijn Nederlanderschap. Voor C gaat het Nederlanderschap in 2008 verloren op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Dit omdat zijn vader het Nederlanderschap heeft verloren ingevolge één van de verdragen genoemd in artikel 15A RWN. Het verlies van het Nederlanderschap wordt niet belet door artikel 14, zesde lid (vanaf 1 maart 2017 is dit het achtste lid), RWN aangezien C niet staatloos wordt (C bezit nog de Marokkaanse nationaliteit). C valt niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN die verlies van het Nederlanderschap beletten.
A verliest in 2008 zijn Nederlanderschap door de vrijwillige verkrijging van de Deense nationaliteit op grond van de rechtstreekse werking van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg (zie hiervoor de toelichting onder artikel 15A RWN).
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkrijgt als zijn vader of moeder.**
### Paragraaf 1. Algemeen
Van verlies op grond van deze bepaling is alleen sprake indien de vreemde nationaliteitswetgeving de mogelijkheid kent dat een (Nederlandse) minderjarige zelfstandig die vreemde nationaliteit kan verkrijgen én de minderjarige door middel van deze zelfstandige verkrijgingsgrond de vreemde nationaliteit heeft verkregen. Om tot verlies van het Nederlanderschap te kunnen leiden, moet het gaan om een nationaliteit die zijn vader of moeder ook heeft.
Aan de verkrijging moet vrijwilligheid ten grondslag liggen. Zou een minderjarige – bijvoorbeeld als gevolg van gewijzigde wetgeving in een bepaald land – van rechtswege de nationaliteit van dat land verkrijgen, terwijl dat bovendien de nationaliteit van zijn vader of moeder is, dan zal dat voor de betreffende minderjarige geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg hebben, omdat het element vrijwilligheid ten aanzien van de verkregen nationaliteit ontbreekt. De nationaliteit van de vader of moeder dient aldus vrijwillig te zijn verkregen, hetzij op eigen verzoek, hetzij als gevolg van een namens de minderjarige gepleegde rechtshandeling door zijn wettelijk vertegenwoordiger(s).
Behoort de minderjarige tot een van de categorieën, genoemd in [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), dan treedt geen verlies van het Nederlanderschap in. Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN voorziet ten dele ook in het verlies van de nationaliteit als bedoeld in artikel 1, tweede lid, Verdrag van Straatsburg (zie ook de [toelichting bij artikel 16A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=16a&z=2024-05-09&g=2024-05-09)).
A is in Nederland geboren uit het huwelijk van de Nederlandse man B en de in Frankrijk geboren Britse vrouw C.
A verkrijgt bij zijn geboorte het Nederlanderschap uitsluitend op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3). Het Brits burgerschap verkrijgt hij niet bij zijn geboorte, aangezien zijn moeder Brits burger door afstamming is.
Enkele maanden na zijn geboorte wordt A op verzoek van zijn ouders geregistreerd tot Brits burger. Ten aanzien van hem moet dus worden gesteld dat hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkregen heeft als zijn moeder, hetgeen ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN zou moeten leiden tot verlies van zijn Nederlanderschap.
### 16-2-alg. Toelichting algemeen
Een eventueel toekomstig verlies van het Nederlanderschap door B leidt voor A niet tot verlies van het Nederlanderschap. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN is, wat dat betreft, anders geredigeerd dan artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN.
A verkrijgt bij zijn geboorte het Nederlanderschap uitsluitend op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3). Het Brits burgerschap verkrijgt hij niet bij zijn geboorte, aangezien zijn moeder Brits burger door afstamming is.
Enkele maanden na zijn geboorte wordt A op verzoek van zijn ouders geregistreerd tot Brits burger. Ten aanzien van hem moet dus worden gesteld dat hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkregen heeft als zijn moeder, hetgeen ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN zou moeten leiden tot verlies van zijn Nederlanderschap.
### 16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
Geen.
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
### 12-2. Toelichting ad [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### paragraaf 3.4. Advies VWS
### Artikel 11
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
### 12-alg. Toelichting algemeen
Echter, in sommige landen verkrijgt de vrouw bij het aangaan van het huwelijk van rechtswege of (later) op verzoek de geslachtsnaam van haar echtgenoot. In dat geval wordt de vrouw in principe genaturaliseerd onder deze later verkregen geslachtsnaam (van haar echtgenoot), tenzij ze te kennen geeft dat zij behoefte heeft aan wijziging van haar geslachtsnaam in haar meisjesnaam. In dat geval kan zij, op grond van [artikel 12, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12), weer haar meisjesnaam als geslachtsnaam krijgen. Het is daarom van belang dat de geslachtsnaam van gehuwde vrouwen niet alleen wordt beoordeeld aan de hand van de geboorteakte maar in voorkomend geval ook aan de hand van bijvoorbeeld de huwelijksakte en/of het paspoort.
### paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit
### Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
Daarnaast mag de geslachtsnaam van alleen het kind in het kader van de inburgering soms ook gewijzigd worden, terwijl de geslachtsnaam van verzoeker ongewijzigd blijft. Dit is mogelijk als zich één van de situaties voor doet die hierboven in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) Naamswijziging, beschreven zijn onder 3 (verbogen geslachtsnaam), 4 (onuitspreekbare naam) en 5 (bespottelijke of onwelvoeglijke naam). Aangezien er aan de namen zoals opgenomen in de BRP zo min mogelijk wordt gesleuteld bij de naturalisatie, vindt de wijziging in beginsel plaats door het verwijderen of toevoegen van één of enkele letters.
Moeder Natalya Vladimirova is met haar dochter Ekaterina Grzska naar Nederland gekomen om bij haar nieuwe partner te gaan wonen. Moeder Natalya laat haar geslachtsnaam bij haar naturalisatie tot Nederlander zoals deze is. Ze verzoekt echter wél om geslachtsnaamwijziging voor haar meenaturaliserende dochter. Ze wil namelijk graag dat de geslachtsnaam van haar dochter beter uitspreekbaar wordt voor Nederlanders. De geslachtsnaam Grzska is inderdaad moeilijk uitspreekbaar voor Nederlanders en zou in dit geval bijvoorbeeld gewijzigd kunnen worden in Grazeska, of Grezska.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [11.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
[BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782): [artikelen 1 t/m 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=1)
TOI: artikel 10
### Paragraaf 1.1. Tarieven
Met het begrip ‘ouder’ in [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) is ook bedoeld de adoptiefouder, mits de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken, alsmede de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.
### 16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
De invoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap op 1 januari 1985 heeft geen verandering gebracht in de nationaliteitsrechtelijke positie van personen die het Nederlanderschap hebben verkregen op grond van eerder geldende wettelijke regelingen. Met andere woorden, personen die onmiddellijk vóór 1 januari 1985 Nederlander waren, zijn dat op 1 januari 1985 gebleven. Het onderhavige artikel bepaalt dat deze personen Nederlander zijn in de zin van de RWN.
### 16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
Geen.
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
### Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
### Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
Met het oog op de jaarlijkse indexering van de optie- en naturalisatiegelden (zie [artikel 9, eerste lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=9)) wordt verwezen naar de in onderstaande tabel vermelde tariefgroepen en de daarbij behorende tariefcodes en bedragen.
### paragraaf 1. Optiegelden
Tarief A is verschuldigd als een optant een optieverklaring aflegt op grond van [artikel 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) of [artikel II, eerste lid, van de Rijkswet van 27 juni 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) (Stb. 270).
Tarief A is verschuldigd als een optant een optieverklaring aflegt op grond van [artikel 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) of [artikel II, eerste lid, van de Rijkswet van 27 juni 2008](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) (Stb. 270).
Geen.
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
Geen.
### 16a-alg. Toelichting
Deze bepaling bevat voor minderjarigen een zelfde regeling als [artikel 15A, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) voor meerderjarigen. Het gestelde bij [artikel 15A, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) hoefde bij de onderhavige bepaling niet te worden opgenomen, aangezien de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen Nederland en Suriname, alleen van toepassing is op personen die op 25 november 1975 reeds waren geboren. Nu deze personen inmiddels niet meer minderjarig zijn, is het uitgesloten dat nu nog een minderjarige ingevolge die Overeenkomst de Surinaamse nationaliteit verkrijgt.
[Artikel 16A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), welke bepaling overigens geen zelfstandige verliesgrond is, ziet op verlies van het Nederlanderschap als gevolg van vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van landen waarvoor het Verdrag van Straatsburg in werking is getreden en die Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg, dat handelt over beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit, toepassen.
Een overzicht van landen die partij zijn bij het Verdrag van Straatsburg of die dat in het verleden zijn geweest is op genomen in de toelichting op artikel 15A, aanhef en onder a, HRWN.
Hoofdregel van artikel 1, tweede lid, Verdrag van Straatsburg houdt, dat een minderjarige onderdaan van een verdragstaat zijn nationaliteit verliest als de onderdaan ten gevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring (hetzij op eigen verzoek dan wel met inachtneming van de regels omtrent bevoegdheid of vertegenwoordiging van het land waarvan betrokkene de nationaliteit bezit) de nationaliteit van een andere verdragstaat verkrijgten door naturalisatie, optie of herstel in die nationaliteit, mits hun nationale wet in de mogelijkheid van verlies voorziet.
Het verlies op grond van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geldt – op onderdelen – niet als het betreffende verdragsland ook partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1994, nr. 265). Omdat sinds 4 juni 2010 alleen Nederland partij is bij het Tweede Protocol wordt hier kortheidshalve verwezen naar de toelichting op artikel 15A, aanhef en onder a, HRWN.
Een overzicht van landen die partij zijn (geweest) bij het Tweede Protocol is op genomen in de toelichting op artikel 15A, aanhef en onder a, HRWN.
De RWN voorziet in de mogelijkheid van verlies als bedoeld in artikel 1, tweede lid, Verdrag van Straatsburg, namelijk in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16). Echter, alleen indien de minderjarige dezelfde nationaliteit heeft verkregen als zijn vader of moeder en bovendien geen sprake is van de in [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) genoemde uitzonderingen. Voor de beoordeling van de vraag of een minderjarige het Nederlanderschap al dan niet heeft verloren, heeft artikel 16A RWN dan ook geen zelfstandige betekenis en kan worden volstaan met toepassing van artikel 16 RWN.
### Artikel 17
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### Artikel 18
De RWN voorziet in de mogelijkheid van verlies als bedoeld in artikel 1, tweede lid, Verdrag van Straatsburg, namelijk in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16). Echter, alleen indien de minderjarige dezelfde nationaliteit heeft verkregen als zijn vader of moeder en bovendien geen sprake is van de in [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) genoemde uitzonderingen. Voor de beoordeling van de vraag of een minderjarige het Nederlanderschap al dan niet heeft verloren, heeft artikel 16A RWN dan ook geen zelfstandige betekenis en kan worden volstaan met toepassing van artikel 16 RWN.
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
Geen.
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### 18-alg. Toelichting algemeen
Geen.
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
### Artikel 19
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### 19-alg. Toelichting algemeen
### 19-alg. Toelichting algemeen
### 20-alg. Toelichting algemeen
In [hoofdstuk 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6) is de vaststelling van het Nederlanderschap geregeld. Die vaststelling kan als volgt geschieden. Wanneer alleen de vaststelling van de nationaliteit aan de orde is, dan is in Nederland uitsluitend bevoegd de Rechtbank ’s-Gravenhage, en in Curaçao en Sint Maarten of Aruba het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Is echter elders al een zaak aanhangig bij een rechterlijke instantie of in een administratief beroep, waarbij het al of niet bezitten van het Nederlanderschap ook wordt vastgesteld, dan is een procedure voor de Haagse rechtbank of het gemeenschappelijk Hof van Justitie niet mogelijk. Iemand kan dus niet ‘twee ijzers in het vuur hebben’.
De Haagse rechtbank c.q. het gemeenschappelijk Hof van Justitie kan ook het al dan niet bezitten van het Nederlanderschap op een bepaald tijdstip vaststellen. Dit geldt ook ten aanzien van een reeds overleden persoon. (Bijvoorbeeld: iemand heeft recht op een uitkering wanneer is aangetoond dat hij tussen 10 mei 1940 en 15 augustus 1945 Nederlander was. Heeft hij beroep aangetekend tegen een beschikking waarbij hem die uitkering is geweigerd, dan kan hij zich niet daarnaast tot de Haagse rechtbank c.q. het gemeenschappelijk Hof van Justitie wenden.)
De Haagse rechtbank hoort de IND als belanghebbende. En het gemeenschappelijk Hof van Justitie hoort het Openbaar Ministerie. Van de beschikking van de rechtbank c.q. het gemeenschappelijk Hof van Justitie staat uitsluitend beroep in cassatie open. Is een beschikking onherroepelijk geworden, dan is elk orgaan dat is belast met de uitvoering van enige wettelijke regeling (korter gezegd: de administratie) daaraan gebonden.
In een rechtszaak, waarin de vraag van belang is of iemand al dan niet Nederlander is, of op een bepaald moment al dan niet Nederlander was, kan de rechter het advies vragen van de Nederlandse Minister van Justitie dan wel de Nederlands-Antilliaanse Minister van Justitie. Komt die vraag naar voren in een administratief beroep, dan moet het advies van de Nederlandse Minister van Justitie dan wel de Nederlands-Antilliaanse Minister van Justitie verplicht worden gevraagd. De zaak wordt terstond hervat, zodra het advies van de Minister is ontvangen.
In [hoofdstuk 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6) is de vaststelling van het Nederlanderschap geregeld. Die vaststelling kan als volgt geschieden. Wanneer alleen de vaststelling van de nationaliteit aan de orde is, dan is in Nederland uitsluitend bevoegd de Rechtbank ’s-Gravenhage, en in Curaçao en Sint Maarten of Aruba het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Is echter elders al een zaak aanhangig bij een rechterlijke instantie of in een administratief beroep, waarbij het al of niet bezitten van het Nederlanderschap ook wordt vastgesteld, dan is een procedure voor de Haagse rechtbank of het gemeenschappelijk Hof van Justitie niet mogelijk. Iemand kan dus niet ‘twee ijzers in het vuur hebben’.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7) en [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7) en [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
De in [artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) bedoelde algemene maatregel van rijksbestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BVVN, van 15 april 2002, Stb. 2002, 231)
[Hoofdstuk I van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=I) bevat algemene bepalingen, [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II) handelt over de administratieve behandeling van optieverklaringen, [hoofdstuk III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=III) over de administratieve behandeling van verzoeken om naturalisatie (inclusief de administratieve handelingen inzake de afstandsverplichting), [hoofdstuk IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=IV) over het bewijs van Nederlanderschap, [hoofdstuk V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=V) over verlies van het Nederlanderschap door afstand en intrekking wegens fraude en het niet nakomen van de afstandsverplichting en [hoofdstuk VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=VI) bevat overgangs- en slotbepalingen.
Op grond van [artikel 2 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2) en [artikel 63 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63) zijn de volgende autoriteiten bevoegd tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen, verzoeken om naturalisatie en verklaringen van afstand van het Nederlanderschap:
In de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=7), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=13), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=19), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=25), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=39), [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=45) en [51 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=51) wordt nader geregeld van welke personen deze autoriteiten optieverklaringen c.q. verzoeken om naturalisatie in ontvangst mogen nemen. Daarentegen zijn alle genoemde autoriteiten bevoegd om afstandsverklaringen van ongeacht welke persoon in ontvangst te nemen.
De in [artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) bedoelde algemene maatregel van rijksbestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BVVN, van 15 april 2002, Stb. 2002, 231)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14); [15.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12); [18.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=18); [24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=24); [30.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30) en [64.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14); [15.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14); [15.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
Onze Ministers van Justitie van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten houden een openbaar register van de in het eerste lid bedoelde akten welke betrekking hebben op personen die in hun land woonachtig zijn.
Ten aanzien van personen woonachtig in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba berusten de optieregisters bij:
Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben eveneens een openbaar register, waarin ten aanzien van de aldaar wonende personen dezelfde gegevens worden bijgehouden als die genoemd in [artikel 22, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22). De in deze bepaling bedoelde registers zijn dus zowel in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als bij de IND in Rijswijk, Europees Nederland aanwezig. Voor wat betreft de in voornoemde landen uitgebrachte optieverklaringen volgt dit ook uit [artikel 18, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=18) en [artikel 24, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=24).
### Artikel 22A
### Artikel 22B
### Artikel 22C
Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben eveneens een openbaar register, waarin ten aanzien van de aldaar wonende personen dezelfde gegevens worden bijgehouden als die genoemd in [artikel 22, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22). De in deze bepaling bedoelde registers zijn dus zowel in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als bij de IND in Rijswijk, Europees Nederland aanwezig. Voor wat betreft de in voornoemde landen uitgebrachte optieverklaringen volgt dit ook uit [artikel 18, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=18) en [artikel 24, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=24).
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21)
### Artikel 22B
De verklaring van verbondenheid wordt in de regel in persoon op een naturalisatieceremonie, mondeling en zonder uitzondering in het Nederlands afgelegd.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21)
### Artikel II RRWN
De verklaring van verbondenheid wordt in de regel in persoon op een naturalisatieceremonie, mondeling en zonder uitzondering in het Nederlands afgelegd.
### 23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
Wanneer betrokkene ervoor kiest de verklaring van verbondenheid te bevestigen met de eerste mogelijkheid, betreft de verklaring van verbondenheid de volgende woorden: ‘Ik zweer dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging : ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’.
### 23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
De keuze voor de eerste of tweede variant van de bevestiging van de verklaring van verbondenheid, ligt bij betrokkene. De tekst van de verklaring van verbondenheid als die van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan **niet** worden afgeweken.
Indien de bevoegde autoriteit heeft bepaald dat de verklaring van verbondenheid schriftelijk kan worden afgelegd (zie [artikel 23, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23)), wordt de schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. Voor het schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn twee modellen ontwikkeld. In model 4.1 is de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ en in model 4.2 de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met ‘Dat verklaar en beloof ik’. De schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid wordt door de burgemeester in het bij de gemeente aanwezige optiedossier of naturalisatiedossier gevoegd.
### 23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
**De gevallen waarin het afleggen van de verklaring, in afwijking van artikel 6, tweede lid, 6 achtste lid, 8, eerste lid onder e, 11, vierde lid, 11 vijfde lid onder b, 26, derde lid en 28, derde lid, niet gevraagd zal worden of redelijkerwijs niet gevraagd kan worden en de wijze waarop deze verklaring kan worden afgelegd, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.**
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
In [artikel 60a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) is de wijze van afleggen van de verklaring van verbondenheid vastgesteld. Daarnaast is in voornoemde artikelen bepaald de gevallen waarin het afleggen van de verklaring niet wordt gevraagd of om redenen van redelijkheid niet gevraagd kan worden.
### 23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
Voorts is opgenomen dat de bevoegde autoriteit kan bepalen dat de betrokkene de verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt, indien van hem redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij deze mondeling aflegt ([artikel 60a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit geldt in elk geval voor de gevallen die in het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) reeds zijn onderkend als de gevallen waarin niet kan worden verlangd dat men de ceremonie bijwoont ([artikel 60a, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, negende lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Maar ook kan het gaan om gevallen waarin de persoon in kwestie wel in staat is om de ceremonie bij te wonen, maar niet in staat is om de verklaring uit te spreken. Dan kan de verklaring van verbondenheid schriftelijk worden afgelegd, door het ondertekenen van de tekst van de verklaring (model 4.1 of model 4.2).
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
In [artikel 60a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) is de wijze van afleggen van de verklaring van verbondenheid vastgesteld. Daarnaast is in voornoemde artikelen bepaald de gevallen waarin het afleggen van de verklaring niet wordt gevraagd of om redenen van redelijkheid niet gevraagd kan worden.
### 24-alg. Toelichting algemeen
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### Artikel 24
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6)
### Artikel 25
Geen.
### 24-alg. Toelichting algemeen
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [15A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) WNI: artikelen 5 (oud); 7.1 en 7.3
De invoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap op 1 januari 1985 heeft geen verandering gebracht in de nationaliteitsrechtelijke positie van personen die het Nederlanderschap hebben verkregen op grond van eerder geldende wettelijke regelingen. Met andere woorden, personen die onmiddellijk vóór 1 januari 1985 Nederlander waren, zijn dat op 1 januari 1985 gebleven. Het onderhavige artikel bepaalt dat deze personen Nederlander zijn in de zin van de RWN.
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [15A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) WNI: artikelen 5 (oud); 7.1 en 7.3
Geen.
De invoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap op 1 januari 1985 heeft geen verandering gebracht in de nationaliteitsrechtelijke positie van personen die het Nederlanderschap hebben verkregen op grond van eerder geldende wettelijke regelingen. Met andere woorden, personen die onmiddellijk vóór 1 januari 1985 Nederlander waren, zijn dat op 1 januari 1985 gebleven. Het onderhavige artikel bepaalt dat deze personen Nederlander zijn in de zin van de RWN.
### Artikel 26
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [15A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) WNI: artikelen 5 (oud); 7.1 en 7.3
### 26-alg. Toelichting algemeen
Let op! Voor 1 januari 1985 was de WNI van toepassing. Bij de beoordeling of iemand voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad moet op grond van het op dat moment geldende Nederlandse Burgerlijk Wetboek onderscheid gemaakt worden tussen het begrip meerderjarig tot 1 januari 1985 (21 jaar) en vanaf 1 januari 1985 (18 jaar).
### 26-1. Toelichting ad [artikel 26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
Alleen personen die tijdens hun meerderjarigheid, dus op of na hun achttiende jaar (of als het verlies vóór 1 januari 1985 is ingetreden, op of na hun 21ste jaar), of indien zij voordien gehuwd zijn of indien zij een in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), de Nederlandse nationaliteit hebben verloren, vallen onder deze bepaling. Het moet bovendien gaan om:
### 26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
### VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### 26-3. Toelichting ad [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
Alleen personen die tijdens hun meerderjarigheid, dus op of na hun achttiende jaar (of als het verlies vóór 1 januari 1985 is ingetreden, op of na hun 21ste jaar), of indien zij voordien gehuwd zijn of indien zij een in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), de Nederlandse nationaliteit hebben verloren, vallen onder deze bepaling. Het moet bovendien gaan om:
### paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
Daarnaast moet ook worden voldaan aan één van de onder a, b of c genoemde voorwaarden:
**Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de vader of moeder, die de vreemdeling is bedoeld in het eerste lid, deelt in diens verkrijging van het Nederlanderschap, indien hij in de verklaring tot dat doel is vermeld. Kinderen van een kind dat in de verkrijging deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verkrijging. Een kind dat ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, deelt in de verkrijging indien het daarmee uitdrukkelijk instemt, de in het tweede lid van artikel 6 bedoelde bereidverklaring daadwerkelijk aflegt en jegens hem geen vermoedens bestaan als bedoeld in het vierde lid dat artikel. Het besluit tot bevestiging wordt niet bekend gemaakt dat nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Artikel 11, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.**
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -9926,6 +14082,350 @@
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 5. Gevolgen van de intrekking
### Paragraaf 6. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
### 15-4. Toelichting ad [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
### Paragraaf 1. Algemeen
De verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2023-10-01&g=2023-10-01)) wordt, namens de minderjarige tot twaalf jaar, door zijn wettelijk vertegenwoordiger afgelegd. Deze minderjarige wordt hierover niet gehoord.
De verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2024-05-09&g=2024-05-09)) wordt, namens de minderjarige tot twaalf jaar, door zijn wettelijk vertegenwoordiger afgelegd. Deze minderjarige wordt hierover niet gehoord.
Indien blijkt dat zowel het kind als deze ouder bedenkingen hebben tegen de afstand van het Nederlanderschap, dan heeft de verklaring van afstand die is afgelegd door de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige geen rechtsgevolg (zie paragraaf 2.2.3 en 3 in de toelichting bij artikel 16, eerste lid, onder b, RWN).
De verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) wordt, namens de minderjarige tot twaalf jaar, door zijn wettelijk vertegenwoordiger afgelegd. Deze minderjarige wordt hierover niet gehoord.
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
Indien de andere ouder niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij door de burgemeester alsnog, bijvoorbeeld middels toezending van een brief, gewezen op de mogelijkheid om gehoord te worden over zijn eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind.Dit wordt door de burgemeester gedaan indien de andere ouder bekend is, hij in Nederland woont en tevens zijn adres bekend is.
### paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
Minderjarigen van zestien en zeventien jaar worden geacht zelfstandig te kunnen beslissen over het verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand. Zij kunnen bij die rechtshandeling niet worden vertegenwoordigd door hun wettelijke vertegenwoordiger.6Zie voor procedurele voorschriften aangaande verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand de toelichting bij artikel 15, eerste lid aanhef en onder b, RWN
### paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
Geen verlies treedt in indien:
Het verlies van het Nederlanderschap treedt in als aan de wettelijke voorwaarden uit [artikel 16, eerste en tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) wordt voldaan. Het verlies gebeurt van rechtswege door het ondertekenen van de verklaring van afstand door de zestien of zeventien jarige of de wettelijk vertegenwoordiger van een jonger kind.
**Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige, is niet gehoord**
In 2004 is in Rotterdam kind C geboren uit het huwelijk van A en B. Moeder en vader zijn van Turkse nationaliteit. Ten tijde van de geboorte van C wonen A en B in Rotterdam. A is zelf geboren in Dordrecht uit ouders die daar toentertijd hoofdverblijf hadden.
### 16-1-c. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien zijn vader of moeder vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt en hij in deze verkrijging deelt of deze nationaliteit reeds bezit.**
Ook hier geldt dat geen verlies van het Nederlanderschap zal intreden, als het kind behoort tot een van de categorieën van artikel 16, tweede lid, RWN.
### 16-1-d. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Paragraaf 1
Een Nederlands echtpaar emigreert naar Australië, waar kind A wordt geboren. A verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap, maar daarnaast ook de Australische nationaliteit door geboorte op het grondgebied van Australië.
Ook hier geldt dat geen verlies van het Nederlanderschap zal intreden indien het kind behoort tot een van de categorieën van artikel 16, tweede lid, RWN dan wel indien het staatloos zou worden (artikel 14, achtste lid, RWN).
A is geboren uit de ongehuwde vrouw B, die weliswaar een nationaliteit bezit, maar die nationaliteit niet aan A heeft doorgegeven. A is dus staatloos.
Enkele maanden na de geboorte van B emigreren hij en zijn moeder naar Australië. Na tien jaren hoofdverblijf in Australië verliest A haar Nederlanderschap ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN zoals dat destijds luidde (aan haar is in die tien jaren geen Nederlands reisdocument of bewijs van Nederlanderschap afgegeven).
Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook B, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, zijn Nederlanderschap moeten verliezen (waar B al die jaren hoofdverblijf heeft gehad speelt hierbij geen enkele rol).
Echter, ingevolge het toen geldende artikel 14, zesde lid (vanaf 1 maart 2017 is dit het achtste lid), RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien B, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest hij zijn Nederlanderschap niet.
Na de naturalisatie van A tot Nederlander wordt zijn zoon B geboren. Zowel A als B zijn in Nederland geboren. B ontleent het Nederlanderschap zowel aan [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) als aan artikel 3, derde lid, RWN.
Het echtpaar A en B, beiden geboren in Marokko in 1965, woont sedert 1995 in Nederland. In 2000 wordt in Marokko uit het huwelijk C geboren. Alle leden van het gezin zijn van Marokkaanse nationaliteit.
In 2001 wordt vader A genaturaliseerd tot Nederlander. A behoudt daarbij de Marokkaanse nationaliteit. Kind C deelt in de naturalisatie. Moeder B wordt niet genaturaliseerd. Vader en kind bezitten na naturalisatie de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.
### 16-1-e. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Paragraaf 1. Algemeen
A heeft immers – op zijn verzoek – door naturalisatie de nationaliteit verkregen van een staat die op het moment van verkrijging (2008) partij is bij het Verdrag van Straatsburg, en die geen partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
### 16-2-alg. Toelichting algemeen
### 16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
### 16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
Geen.
### Artikel 16a
Geen.
Een overzicht van landen die partij zijn bij het Verdrag van Straatsburg of die dat in het verleden zijn geweest is op genomen in de toelichting op artikel 15A, aanhef en onder a, HRWN.
### Artikel 17
### Artikel 18
### 17-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 19
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### 18-alg. Toelichting algemeen
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
### Artikel 20
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
Geen.
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
### Artikel 21
### 21-alg. Toelichting algemeen
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=7); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=13); [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=19); [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=25); [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33); [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=39); [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=45); [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=51) en [63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)
### Artikel 22
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
### 22-2. Toelichting ad [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22)
### Artikel 22A
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
Onze Ministers van Justitie van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten houden een openbaar register van de in het eerste lid bedoelde akten welke betrekking hebben op personen die in hun land woonachtig zijn.
Ten aanzien van personen woonachtig in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba berusten de optieregisters bij:
### Artikel 23
### Artikel 22A
Geen.
**De verklaring van verbondenheid, bedoeld in artikel 6, tweede lid, artikel 8, eerste lid onder e en artikel 11, vierde en vijfde lid, wordt afgelegd met de volgende woorden: Ik zweer (verklaar) dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer (beloof) de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen. Degene die de verklaring aflegt voegt daar ter bevestiging aan toe: Zo waarlijk helpe mij God almachtig, of: Dat verklaar en beloof ik.**
De verklaring van verbondenheid wordt bevestigd met de woorden ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’.
Wanneer betrokkene ervoor kiest de verklaring van verbondenheid te bevestigen met de eerste mogelijkheid, betreft de verklaring van verbondenheid de volgende woorden: ‘Ik zweer dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging : ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’.
De in [artikel 23, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23) bedoelde algemene maatregel van bestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BVVN, van 15 april 2002, **Stb.** 2002, 231, gewijzigd bij **Stb**. 2009, 2).
Ten slotte is in het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) opgenomen dat indien betrokkene vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is om de verklaring van verbondenheid op de voorgeschreven wijze af te leggen, de bevestiging van verkrijging van het Nederlanderschap of het uittreksel van verlening van het Nederlanderschap bekend wordt gemaakt zonder dat de verklaring is afgelegd ([artikel 60a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Het gaat hier om zeer bijzondere omstandigheden, gelegen in de fysieke of psychische omstandigheden van deze persoon.59Zie ook toelichting bij artikel 6, artikel 7, artikel 8, eerste lid, onder e, RWN.
### Artikel 25
Geen.
### Artikel 26
### 25-alg. Toelichting algemeen
Dit artikel heeft tot doel oud-Nederlanders die op grond van oude nationaliteitswetgeving de Nederlandse nationaliteit hebben verloren en die behoren tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, gedurende een overgangstermijn van tien jaar na inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) op 1 april 2003 in de gelegenheid te stellen de Nederlandse nationaliteit op eenvoudiger wijze te herkrijgen. De personen waar het hier om gaat, wonen in het algemeen buiten het Koninkrijk. De in [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) genoemde voorwaarde, dat een optant gedurende een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk moet hebben, wordt daarom niet gesteld. Alle overige bij optie gestelde voorwaarden en vormvereisten zijn wél van toepassing.
**Het vereiste van toelating en hoofdverblijf, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder f, is niet van toepassing op de vreemdeling die nadat hij meerderjarig is geworden het Nederlanderschap heeft verloren als gevolg van verkrijging van een andere nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) zoals dit luidde tot 1 maart 1964, en artikel 7, aanhef en ten eerste of ten derde, van de Wet van 12 december 1892,** **Stb. 268** **, op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, dan wel dit heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, indien de persoon:**
[Artikel 26, eerste lid aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) moet als volgt worden gelezen:
Daarnaast moet ook worden voldaan aan één van de onder a, b of c genoemde voorwaarden:
Ingevolge deze bepaling kunnen oud-Nederlanders die voldoen aan de voorwaarden van [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) tot en met 31 maart 2013 een beroep doen op het onderhavige artikel.
Een op het moment van de bevestiging van de optie minderjarig kind van de in [artikel 26, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) bedoelde persoon hoeft evenmin in het Koninkrijk te wonen om in de optie te kunnen delen. Hetzelfde geldt voor het kind van dit kind. Alleen als het kind in de optieverklaring van de ouder wordt genoemd, deelt het in de verkrijging van het Nederlanderschap.
Een kind dat ten tijde van het afleggen van de optieverklaring zestien jaar of ouder is, deelt alleen in de verkrijging als het daarmee uitdrukkelijk instemt en zich bereid heeft verklaart bij de verkrijging van het Nederlanderschap de verklaring van verbondenheid af te leggen. De instemming van het kind moet blijken uit [model 1.9 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-05-09&g=2024-05-09). De bereidheid van de medeoptanten van zestien of zeventien jaar tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt met het formulier ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 1.36 HRWN) vastgelegd op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Als blijkt dat tegen hem ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, wordt de bevestiging ten aanzien van het kind geweigerd.
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). In aanvulling daarop geldt het volgende. De persoon die een beroep doet op deze bepaling, zal zelf moeten aantonen wanneer en op grond van welk artikel hij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. In een aantal gevallen zal dit al blijken uit een vermelding in de BRP. In dat geval is geen aanvullend bewijs nodig. Is de verliesgrond echter niet vermeld, dan zal de vrouw die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren als gevolg van het door haar voor 1 maart 1964 gesloten huwelijk bijvoorbeeld een uittreksel uit het huwelijksregister kunnen tonen. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen. Verlies op grond van artikel 7, aanhef ten eerste of ten derde, WNI of [artikel 15, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan worden aangetoond door het overleggen van het naturalisatiebesluit, een bij de naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit een naturalisatie c.q. optieregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het vreemde nationaliteitsrecht. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het om de griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. De optant moet daarover zelf inlichtingen inwinnen, bijvoorbeeld bij de vertegenwoordiging van zijn land in Nederland en moet – als de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aantonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van dat land in Nederland bevoegd zijn om een verklaring af te geven. Deze verklaring moet, als nodig, gelegaliseerd en vertaald worden. De burgemeester zal vervolgens aan de hand van het (destijds geldende) vreemde recht en het (destijds geldende) Nederlandse nationaliteitsrecht moeten bepalen of sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit en zo ja, op grond van welk artikel in de WNI of de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
Voor de administratieve afhandeling geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
### Artikel 27
De Nederlandse jongen B verhuist in 1950 op zesjarige leeftijd met zijn Nederlandse ouders naar de Verenigde Staten van Amerika. Op veertienjarige leeftijd verkrijgt hij de Amerikaanse nationaliteit door medenaturalisatie met zijn vader. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Deze oud-Nederlander valt niet onder overgangsbepaling [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). Weliswaar heeft hij de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI en heeft hij voor zijn achttiende jaar vijf jaar onafgebroken in de Verenigde Staten van Amerika gewoond, maar hij heeft de Nederlandse nationaliteit verloren toen hij minderjarig was.
Een Nederlandse vrouw C trouwt in 1962 met een Italiaanse man. Zij verkrijgt als gevolg van haar huwelijk automatisch de Italiaanse nationaliteit. Zij verliest van rechtswege de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) WNI. Deze vrouw kan, mits tegen haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 hoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26).
### Artikel 27
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3)
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
### 27-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 27
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3)
Geen.
Bij de tot 1 januari 2005 geldende redactie van [artikel 27, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=27), viel strikt genomen het kind dat werd geboren op 1 april 2003 niet onder de werking van artikel 27, tweede lid RWN, dat op die dag in werking was getreden. Pas een kind geboren op 2 april 2003 (of daarna) viel onder de redactie van het op 1 april 2003 gewijzigde artikel. Dit is nimmer de bedoeling geweest, en met de wetswijziging is dit rechtgezet.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [6.2 t/m 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VI)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [6.1 t/m 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)
### Artikel 28
WNI: artikel 5, zoals dat luidde vóór 1 maart 1964
Geen.
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [6.1 t/m 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)
De vrouw die het Nederlanderschap heeft verloren door of in verband met haar vóór de inwerkingtreding van deze Rijkswet gesloten huwelijk, verkrijgt het Nederlanderschap door het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke en door een bevestiging gevolgde verklaring, welke moet worden afgelegd binnen een jaar na de ontbinding van dat huwelijk of binnen een jaar nadat zij van die ontbinding heeft kunnen kennis nemen. Deze verkrijging werkt terug tot de datum van ontbinding van het huwelijk.
[Artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) geeft een vrouw die het Nederlanderschap heeft verloren door of in verband met haar vóór 1 januari 1985 gesloten huwelijk de mogelijkheid het Nederlanderschap te herkrijgen door het uitbrengen van een optieverklaring.
De optieverklaring moet schriftelijk worden afgelegd bij een daartoe bevoegde autoriteit binnen een jaar nadat het huwelijk is ontbonden of binnen een jaar nadat de vrouw van de ontbinding van het huwelijk op de hoogte is gekomen. In Nederland is de burgemeester de bevoegde autoriteit om de verklaring in ontvangst te nemen. In het buitenland is het hoofd van de diplomatieke of consulaire post daartoe bevoegd ([artikel 2 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2)). De verklaring moet in persoon worden afgelegd (zie [artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) en [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)).
Slechts indien om zwaarwegende redenen van de optante niet kan worden verlangd dat zij de verklaring in persoon aflegt, kan daarvan worden afgeweken. In dat geval kan de optieverklaring worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de optante en van de gemachtigde (zie artikel 3, tweede lid, BVVN). Voor de administratieve behandeling van optieverklaringen gelden de bepalingen van [hoofdstuk II BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II). Zie ook de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN.
De Nederlandse nationaliteit wordt verkregen indien de burgemeester de optieverklaring heeft bevestigd. De burgemeester dient de bevestiging te weigeren indien er op grond van het gedrag van de optante ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Dit volgt uit artikel 28, tweede lid, RWN, waar onder meer [artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) van overeenkomstige toepassing is verklaard. Het openbare orde vereiste van artikel 6, vierde lid, RWN geldt dan ook onverkort voor de persoon die opteert op grond van het onderhavige artikel.
Bij de woorden ‘door of in verband met haar (...) huwelijk’ moet niet alleen worden gedacht aan het verlies van de Nederlandse nationaliteit van rechtswege door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander (situatie van vóór 1 maart 1964). Hieronder valt ook de situatie dat de vrouw in verband met het huwelijk (dus niet na ontbinding van dat huwelijk) vrijwillig de nationaliteit van haar echtgenoot heeft aangenomen of dat zij samen met hem een andere nationaliteit heeft aangenomen (de vrouw en haar echtgenoot hebben bijvoorbeeld tegelijkertijd een andere nationaliteit aangevraagd en verkregen).
De verkrijging van het Nederlanderschap op grond van het onderhavige artikel werkt terug tot de datum waarop het huwelijk is ontbonden. Dit is een uitzondering op het in artikel 2, eerste lid, RWN geformuleerde beginsel dat verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. Volgens Nederlands recht wordt het huwelijk onder meer ontbonden door de dood, door echtscheiding en door ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed ([artikel 1:149 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=149)). De echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed komt tot stand op het moment dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ([artikel 1:163, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=163) en [artikel 1:183, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=183)). In andere rechtsstelsels geldt veelal dat het huwelijk is beëindigd op een moment dat een rechterlijke uitspraak waarbij het huwelijk is ontbonden in kracht van gewijsde is gegaan.
De verkrijging van het Nederlanderschap werkt ook terug voor de in de optieverklaring vermelde kinderen van de vrouw die delen in de verkrijging. Kinderen geboren vóór de datum van ontbinding van het huwelijk delen op grond van artikel 28, derde lid, RWN in de verkrijging door de moeder. Bij deze kinderen werkt de verkrijging – net als bij de moeder – terug tot op de datum van de ontbinding van het huwelijk. Daarnaast delen deze kinderen alleen, indien zij tot dat doel in de optieverklaring en in de daarop volgende bevestiging zijn vermeld.
Kinderen geboren na de datum van ontbinding van het huwelijk maar vóór de datum van de optie verkrijgen van rechtswege de Nederlandse nationaliteit. Achteraf bezien zijn zij immers geboren uit een Nederlandse moeder en verkrijgen zij het Nederlanderschap op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3). Van delen in de zin van het derde lid is in deze gevallen geen sprake. Van deze verkrijging van rechtswege is óók sprake indien de kinderen niet in de optieverklaring en dientengevolge niet in de daarop volgende bevestiging worden vermeld.
N.B. Tot 1 april 2003 konden vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander hadden verloren, nog een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb.467). Op grond van die wet konden deze vrouwen – ook na inwerkingtreding van de RWN op 1 januari 1985 – onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het uitbrengen van een optie. In overgangsbepaling [artikel VI RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VI) is bepaald dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij artikel 6, derde lid, RWN en artikel 2 RWN. In aanvulling daarop geldt het volgende. De vrouw die een beroep doet op de onderhavige bepaling, dient zelf aan te tonen dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren door of in verband met het huwelijk. Tevens zal zij moeten aantonen dat het huwelijk is ontbonden en op welk moment dat is gebeurd. In dit verband kan zij een recent uittreksel uit een huwelijksregister overleggen; een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waaruit blijkt dat het huwelijk is ontbonden, dan wel – bij ontbinding door overlijden – een overlijdensakte van haar echtgenoot. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen.
Geeft de betreffende nationaliteitswetgeving daaromtrent geen uitsluitsel of blijkt uit die nationaliteitswetgeving dat de vrouw door het huwelijk niet van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen, dan dient de verkrijging van die andere nationaliteit te worden aangetoond door bijvoorbeeld een naturalisatiebesluit, een bij naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit het nationaliteitenregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en de juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het nationaliteitsrecht. Uit die gegevens kan (mede) worden afgeleid of het Nederlanderschap is verloren door of in verband met het huwelijk. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het bijvoorbeeld om een griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen bij bijvoorbeeld de vertegenwoordiging van haar land in Nederland en dient – indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van haar land in Nederland bevoegd zijn om de verklaring af te geven. Deze verklaring dient, indien nodig, te worden gelegaliseerd en vertaald. De circulaire legalisatie en verificatie buitenlandse bewijsstukken (staat van personen en toepassing van DNA-onderzoek) is van toepassing.
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
### Artikel 29
Geeft de betreffende nationaliteitswetgeving daaromtrent geen uitsluitsel of blijkt uit die nationaliteitswetgeving dat de vrouw door het huwelijk niet van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen, dan dient de verkrijging van die andere nationaliteit te worden aangetoond door bijvoorbeeld een naturalisatiebesluit, een bij naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit het nationaliteitenregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en de juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het nationaliteitsrecht. Uit die gegevens kan (mede) worden afgeleid of het Nederlanderschap is verloren door of in verband met het huwelijk. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het bijvoorbeeld om een griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen bij bijvoorbeeld de vertegenwoordiging van haar land in Nederland en dient – indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van haar land in Nederland bevoegd zijn om de verklaring af te geven. Deze verklaring dient, indien nodig, te worden gelegaliseerd en vertaald. De circulaire legalisatie en verificatie buitenlandse bewijsstukken (staat van personen en toepassing van DNA-onderzoek) is van toepassing.
Samenvattend zijn de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap op grond van artikel 28 RWN:
### Artikel 29
RWN: [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
RvvN: [artikel 14.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=14)
### 29-alg. Toelichting algemeen
Op grond van dit artikel telt de periode van hoofdverblijf die vóór 10 oktober 2010 is doorgebracht in de toenmalige Nederlandse Antillen mee bij de vraag of wordt voldaan aan de vereiste termijn van hoofdverblijf in het land Curaçao, het land Sint Maarten, het land Aruba en in de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius.
### II RRWN-alg. Toelichting algemeen
RvvN: [artikel 14.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=14)
### 29-alg. Toelichting algemeen
Op grond van dit artikel telt de periode van hoofdverblijf die vóór 10 oktober 2010 is doorgebracht in de toenmalige Nederlandse Antillen mee bij de vraag of wordt voldaan aan de vereiste termijn van hoofdverblijf in het land Curaçao, het land Sint Maarten, het land Aruba en in de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius.
Indien vóór inwerkingtreding van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) (nieuw) de naturalisatie heeft plaatsgevonden, werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Aldus bepaalt [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II). Een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór 1 april 2003. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij tot 1 april 2003 wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, en na deze datum niet meer.
### Artikel III RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4); [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5); [14.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### II RRWN-alg. Toelichting algemeen
Indien vóór inwerkingtreding van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) (nieuw) de naturalisatie heeft plaatsgevonden, werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Aldus bepaalt [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II). Een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór 1 april 2003. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij tot 1 april 2003 wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, en na deze datum niet meer.
### Artikel III RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4); [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5); [14.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van artikel 14, tweede lid, RWN. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder b, c en d van bedoeld tweede lid, waar is geregeld dat in bepaalde uitzonderingsgevallen geen verlies van het Nederlanderschap, als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) intreedt. De onder b, c en d genoemde uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in het tweede lid van artikel 16 RWN opgenomen.
### Artikel IV RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
Ingevolge [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de verliestermijn van tien jaren uit [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dit betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal verlies van het Nederlanderschap kan intreden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
### Artikel V RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
De optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap zoals neergelegd in [artikel V, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) eindigde op 31 maart 2005.
Aangezien de verliestermijn van het oude [artikel 15, onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) ingevolge [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) (oud) niet eerder kan zijn aangevangen dan op 1 januari 1985, heeft inmiddels sedert 1 januari 1995 een fors aantal personen het Nederlanderschap verloren als gevolg van tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan men tevens de nationaliteit bezit. [Artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) biedt wat dat betreft een reparatiemogelijkheid. Deze optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap eindigde op 31 maart 2005.
F, geboren in 1962 in Australië, heeft op 1 januari 1995 zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Aan hem is laatstelijk op 10 augustus 1992 een Nederlands paspoort afgegeven. Als gevolg van voormeld verlies heeft zijn zoon G, geboren in 1993, op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN eveneens op 1 januari 1995 het Nederlanderschap verloren. Zoon H, geboren in 1996, verkreeg bij geboorte niet het Nederlanderschap (geen van de ouders was toen Nederlander). F is in 1998 overleden. Hij bezat uitsluitend de Australische nationaliteit.
E, van Nederlandse en Australische nationaliteit, geboren in 1960 in Australië, woont sedert 10 februari 1987 in Australië. E is laatstelijk op 5 augustus 1991 in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 februari 1997 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit).
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt E geacht zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren, aangezien aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. Hebben minderjarige kinderen van E op grond van het oude [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) tegelijk met hem het Nederlanderschap verloren, dan worden ook die kinderen geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Of de kinderen inmiddels (na het aanvankelijke verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig zijn geworden speelt geen rol.
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt E geacht zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren, aangezien aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. Hebben minderjarige kinderen van E op grond van het oude [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) tegelijk met hem het Nederlanderschap verloren, dan worden ook die kinderen geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Of de kinderen inmiddels (na het aanvankelijke verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig zijn geworden speelt geen rol.
### Artikel VII RRWN
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
### Artikel VI RRWN
### Artikel VII RRWN
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voornoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.
### VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=7)[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 34.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34); [36.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [73.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)
Deze toelichting is vervallen in 2014.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
@@ -9934,119 +14434,189 @@
Vervallen.
### 11-8. Toelichting ad [artikel 11, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
### Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
Dit artikel biedt de mogelijkheid van naturalisatie wanneer aan bepaalde in de [Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) zelf gestelde voorwaarden niet is voldaan. Uitgangspunt is dat er sprake is van een zeer ‘bijzonder geval’. In uitzonderlijke gevallen kunnen er belangen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn om van die voorwaarden af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige belangen van (één van de landen van) het Koninkrijk zich voordoen, zoals op het gebied van de internationale economische en culturele betrekkingen. In concreto kan worden gedacht aan vreemdelingen die in aanmerking komen voor een functie waarvoor het Nederlanderschap is vereist of gewenst en eventueel hun echtgenoten/partners. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie.
### Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen
### paragraaf 3.5. Beslissing
### Paragraaf 2.3. Tarieven F en G
### 11-alg. Toelichting algemeen
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
### paragraaf 1. Optiegelden
### paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
Tarief B is verschuldigd als twee optieverklaringen gelijktijdig worden afgelegd door twee personen die:
De regeling voor de optiegelden bevat, anders dan bij de naturalisatiegelden het geval is, geen verlaagd tarief voor een houder van een asielvergunning dan wel een staatloze.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
### 9-3-c. Toelichting ad [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
(invullen verzoekers 16 jaar en ouder)
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### Paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
Ingevolge [artikel 2, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), wordt een verklaring van afstand voor een minderjarige door zijn wettelijke vertegenwoordiger afgelegd. De minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, legt de verklaring van afstand echter zelfstandig af.5Zie voor procedurele voorschriften aangaande verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand de toelichting bij artikel 15, eerste lid aanhef en onder b, RWN en de modellen 3.2 en 3.3.
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
Na het horen van de minderjarige en/of de andere ouder, die niet de wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt, kunnen zich de volgende, niet limitatieve, situaties voordoen:
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
Door de verklaring van afstand verliest C het Nederlanderschap. Geen van de onderdelen van [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) verhindert het intreden van het verlies. Met name belet [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) het verlies niet, daar is immers vermeld dat de uitzondering om niet het Nederlanderschap te verliezen niet geldt in geval van het afleggen van een verklaring van afstand.
### 16-1-c. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 16-1-d. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 16-1-e. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
Het is niet de bedoeling dat op grote schaal van onderhavig artikel gebruik wordt gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraken (zie uitspraak van 27 augustus 2014 in zaak nr. 201400641/1/V6 en uitspraak van 2 juli 2003 in zaak nr. 200204721/1) overwogen dat de minister bij de toepassing van [artikel 10 van de RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) beoordelingsvrijheid heeft waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort. De minister pleegt van dit wetsartikel terughoudend gebruik te maken. De uitzonderingen zijn alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen. Een verzoek om toepassing van artikel 10 RWN zal dus moeten worden gemotiveerd. Tevens moet exact worden aangegeven van welke vereisten in [artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) of [11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) afwijking wordt verzocht.
Let op! De [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) procedure is geen verkorte procedure. Ook bij een artikel 10 RWN verzoek geldt de beslistermijn zoals genoemd in [artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9). De verkorting zit in het feit dat van de verblijfstermijnen kan worden afgeweken, en niet van de wettelijke beslistermijn. Voorts moet rekening worden gehouden met het feit dat voor een artikel 10 RWN verzoek vaak advies moet worden ingewonnen bij een vakministerie, dat vervolgens een onderzoek verricht. Dit onderzoek kan enige tijd in beslag nemen.
### 11-3. Toelichting ad [artikel 11, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
### Paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
### paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit
### Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens
### Paragraaf 4.2.1. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
### Paragraaf 2. Intrekking wegens vreemde krijgsdienst
### Paragraaf 4.2.2. Vreemdelingrechtelijke gevolgen van intrekking van het Nederlanderschap
### Artikel 13
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
De te betalen bedragen voor het afleggen van een optieverklaring en voor het indienen van een verzoek om naturalisatie zijn vastgelegd in het [Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782) (BON).
Wegens verzwijging tijdens de naturalisatieprocedure van het feit dat er een strafzaak tegen hem loopt, zou het Nederlanderschap kunnen worden ingetrokken. Augustus 2004 wordt de voornemenprocedure gestart. Tijdens de voornemenprocedure tot intrekking voert A aan dat hij onschuldig is en stelt tevens dat van intrekken moet worden afgezien tot er een onherroepelijk strafvonnis is (er is nog niet beslist op het hoger beroep). Verder moet in de belangenafweging worden meegewogen dat hij, nu hij de Belgische nationaliteit kwijt is door naturalisatie tot Nederlander, na intrekking van het Nederlanderschap staatloos zal zijn.
### Paragraaf 1.1. Tarieven
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
Zie voor de betalingsprocedure verder [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=3&z=2024-04-01&g=2024-04-01) (betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden).
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
Optanten die op grond van de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) als Nederlander worden behandeld zijn op grond van [artikel 4, eerste lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4) vrijgesteld van leges.
Op grond van [artikel 4, derde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4) bestaat de mogelijkheid in twee situaties ontheffing van de leges te verlenen. Hierbij moet het gaan om optieverklaringen van:
Echter, in dit geval wordt verlies van het Nederlanderschap voorkomen door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN. De vader van A is Nederlander.
Met het begrip ‘ouder’ in [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) is ook bedoeld de adoptiefouder, mits de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken, alsmede de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.
### 16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
### 16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
### 16a-alg. Toelichting
Hoofdregel van artikel 1, tweede lid, Verdrag van Straatsburg houdt, dat een minderjarige onderdaan van een verdragstaat zijn nationaliteit verliest als de onderdaan ten gevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring (hetzij op eigen verzoek dan wel met inachtneming van de regels omtrent bevoegdheid of vertegenwoordiging van het land waarvan betrokkene de nationaliteit bezit) de nationaliteit van een andere verdragstaat verkrijgten door naturalisatie, optie of herstel in die nationaliteit, mits hun nationale wet in de mogelijkheid van verlies voorziet.
Geen.
### 17-alg. Toelichting algemeen
### 17-alg. Toelichting algemeen
### 18-alg. Toelichting algemeen
### 19-alg. Toelichting algemeen
### 20-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 21
### 21-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 22
Onze Ministers van Justitie van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten houden een openbaar register van de in het eerste lid bedoelde akten welke betrekking hebben op personen die in hun land woonachtig zijn.
### 23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
### 23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
Wanneer betrokkene ervoor kiest de andere (neutrale) verklaring van verbondenheid te bevestigen met de tweede mogelijkheid, betreft de verklaring van verbondenheid de volgende woorden:‘ Ik verklaar dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en beloof de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging : ‘Dat verklaar en beloof ik’.
### 23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
In het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) is opgenomen dat de degene aan wie de bevestiging van verkrijging van het Nederlanderschap of het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap in persoon wordt uitgereikt, de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt op een door de bevoegde autoriteiten te bepalen wijze ([artikel 60a, vierde, lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)) .
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6)
### 25-alg. Toelichting algemeen
### 25-alg. Toelichting algemeen
### 26-alg. Toelichting algemeen
De oud-Nederlander die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op een andere grond kan geen beroep doen op dit artikel. Zo kan degene die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van de TOI, de TOS of op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg geen beroep doen op dit artikel. Bij het verlies op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg gaat het om oud-Nederlanders die na 9 juni 1985 vrijwillig de nationaliteit hebben verkregen van Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk of na 18 juni 1991 van België. Op grond van [artikel 15A, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) is er echter geen sprake van verlies op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg als de oud-Nederlander vrijwillig de Franse of Italiaanse nationaliteit heeft verkregen terwijl hij behoorde tot de doelgroep van het Tweede Protocol.
[Artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) geldt niet voor personen die uitsluitend de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander hebben bezeten.
### 26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
### 26-3. Toelichting ad [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
De Nederlandse vrouw A, emigreert in 1970 samen met haar Nederlandse echtgenoot naar Canada. Haar echtgenoot krijgt in 1977 de Canadese nationaliteit door naturalisatie. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Zelf verkrijgt A de Canadese nationaliteit in 1980 door naturalisatie en verliest daardoor op grond van hetzelfde artikel het Nederlanderschap. Deze vrouw kan, mits tegen haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 hoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). Haar man heeft de Canadese nationaliteit op het moment dat zij de Canadese nationaliteit verkrijgt. Ervan uitgaande dat haar man voor zijn komst naar Canada altijd in Nederland heeft gewoond, moet hij wel ten minste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben om de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie te verkrijgen. Hij voldoet immers niet aan artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, RWN.
Voor de administratieve afhandeling geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
Geen.
Bij de tot 1 januari 2005 geldende redactie van [artikel 27, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=27), viel strikt genomen het kind dat werd geboren op 1 april 2003 niet onder de werking van artikel 27, tweede lid RWN, dat op die dag in werking was getreden. Pas een kind geboren op 2 april 2003 (of daarna) viel onder de redactie van het op 1 april 2003 gewijzigde artikel. Dit is nimmer de bedoeling geweest, en met de wetswijziging is dit rechtgezet.
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=133); [1:163.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=163); [1:253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha) en [1:183.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=183)
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
Samenvattend zijn de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap op grond van artikel 28 RWN:
Een Nederlandse vrouw is in 1963 gehuwd met een Belgische man. Op grond van de Belgische nationaliteitswetgeving heeft zij door dit huwelijk de Belgische nationaliteit verkregen. Op grond van artikel 5 WNI – zoals dat luidde tot 1 maart 1964 – heeft zij door dit huwelijk het Nederlanderschap verloren. Uit het huwelijk wordt in 1986 een kind geboren. De Belgische man is op 20 november 2002 overleden. Zij heeft op 14 oktober 2003 de optieverklaring afgelegd. In de verklaring heeft zij met het oog op medeverkrijging de naam van het kind vermeld. Op 1 december 2003 is de verklaring door de burgemeester bevestigd. Zij en het kind hebben het Nederlanderschap op 20 november 2002 verkregen.
Een Nederlandse vrouw is in 1965 gehuwd met een Belgische man. Zij heeft hierdoor de Belgische nationaliteit verkregen. Zij heeft door het huwelijk niet van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verloren (artikel 5 WNI (oud) is per 1 maart 1964 vervallen). Zij heeft in 1966 het Nederlanderschap verworpen teneinde eenheid van nationaliteit tussen haar en haar man te bewerkstelligen. In januari 2003 is in Nederland de echtscheiding uitgesproken en op 5 februari 2003 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw kan tot 5 februari 2004 een schriftelijke verklaring afleggen om het Nederlanderschap te herkrijgen. Als zij dat doet, verkrijgt zij het Nederlanderschap met ingang van 5 februari 2003.
Een Nederlandse vrouw is in 1963 gehuwd met een Belgische man. Op grond van de Belgische nationaliteitswetgeving heeft zij door dit huwelijk de Belgische nationaliteit verkregen. Op grond van artikel 5 WNI – zoals dat luidde tot 1 maart 1964 – heeft zij door dit huwelijk het Nederlanderschap verloren. Uit het huwelijk wordt in 1986 een kind geboren. De Belgische man is op 20 november 2002 overleden. Zij heeft op 14 oktober 2003 de optieverklaring afgelegd. In de verklaring heeft zij met het oog op medeverkrijging de naam van het kind vermeld. Op 1 december 2003 is de verklaring door de burgemeester bevestigd. Zij en het kind hebben het Nederlanderschap op 20 november 2002 verkregen.
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
Op grond van [artikel 14, derde lid Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=14) (RvvN) worden de tijdvakken van toelating in de Nederlandse Antillen, gelegen voor de inwerkingtreding van de [Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028128), in aanmerking genomen als ware het toelating in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
### Artikel II RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Artikel II RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### II RRWN-alg. Toelichting algemeen
WNI: artikel 2.a
### 14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van artikel 14, tweede lid, RWN. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen.
### V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
G, geboren op 10 januari 1967 in Zuid-Afrika, van Nederlandse en Zuid-Afrikaanse nationaliteit, woont sedert zijn geboorte in Zuid-Afrika. Op 15 maart 1994 wordt G in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 januari 1995 verliest G zijn Nederlanderschap op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers na zijn meerderjarigheid gedurende tien jaren in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit). Op 1 februari 1995 emigreert G naar Australië, waar hij op 20 december 2000 wordt genaturaliseerd tot Australiër.
G wordt dus door de werking van artikel V, tweede lid, RRWN weliswaar hersteld in zijn Nederlanderschap, doch slechts tot 20 december 2000, op welke datum voor hem de verliesbepaling van artikel 15, aanhef en onder a, RWN, van toepassing is geworden. Na inwerkingtreding van de overige bepalingen van de RRWN kan G het Nederlanderschap niet herkrijgen door optie ingevolge artikel V, eerste lid, RRWN, omdat hij geacht wordt zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN; hij heeft het verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
### VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
### paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -10056,163 +14626,199 @@
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
Op 1 april 2003 is aan [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) toegevoegd dat ook van de in [artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), genoemde termijn kan worden afgeweken.
### Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
### Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
### paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
Optanten die op grond van de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) als Nederlander worden behandeld zijn op grond van [artikel 4, eerste lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4) vrijgesteld van leges.
Op grond van [artikel 4, derde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4) bestaat de mogelijkheid in twee situaties ontheffing van de leges te verlenen. Hierbij moet het gaan om optieverklaringen van:
Om in aanmerking te komen voor ontheffing moet gelijktijdig met de indiening van de optieverklaring een gemotiveerd ontheffingsverzoek worden ingediend. In Nederland is de burgemeester gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van de optiegelden (zie [artikel 4, vijfde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)). In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.27 en 1.27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.28 en 1.28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) beschikbaar.
[Artikel 7, tweede lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=7) voorziet in de mogelijkheid dat de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post aan de rijksoverheid vergoeding verzoekt wegens, door ontheffing, niet-ontvangen optiegelden. Het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post moet een verzoek om vergoeding indienen door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken.
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
Niet vaak zal (nog) voorkomen dat een optierecht op het Nederlanderschap bestaat op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Indonesië (TOI, Stb. 1949, J 570) of de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS, Stb. 1975, 132). Voor deze opties (artikel 10 TOI en artikel 7, tweede lid, TOS) geldt, dat voor de verkrijging van het Nederlanderschap niet een bevestiging nodig is, noch dat leges moeten worden betaald. De optant verkrijgt het Nederlanderschap op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Op deze opties zijn het [BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782) en het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) niet van toepassing.
Voor E zal moeten worden nagegaan of hij door de intrekking van het Nederlanderschap van B het Nederlanderschap destijds op een andere rechtsgrond dan via B heeft verkregen, nu B geacht moet worden dit voor de periode na 1 april 2003 nooit verkregen te hebben. Bezien moet dus worden of E op andere gronden het Nederlanderschap mogelijk heeft verkregen.
Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval moet worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:
Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval moet worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:
Zie voor gevallen van categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden [paragraaf 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.5&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en voor de mogelijkheid een ontheffingsverzoek van de betalingsverplichting in te dienen [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Komen verzoekers niet in aanmerking voor het verlaagd tarief F of G (zie [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2024-01-01&g=2024-01-01)), dan zijn de tarieven D en E verschuldigd voor de behandeling van een enkelvoudig dan wel een gemeenschappelijk verzoek om naturalisatie.
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
### Paragraaf 2.3. Tarieven F en G
### Paragraaf 2.3. Tarieven F en G
Het verlaagd tarief voor een verzoek om naturalisatie geldt in de volgende gevallen:
Om in aanmerking te komen voor het verlaagd tarief moet de verzoeker in de BRP staan ingeschreven met de nationaliteitscode voor ‘staatloos’ (code 499). Is de verzoeker in de BRP geregistreerd met ‘onbekende nationaliteit’, dan geldt dat het normale tarief van toepassing is, tenzij hij houder is van een verblijfsvergunning asiel.
### Paragraaf 2.4. Tarief H
Voor de behandeling van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), is het tarief onder H verschuldigd. Dit betekent dat voor de behandeling van een verzoek voor een minderjarige om met zijn ouder(s) mee te naturaliseren, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen voor hun naturalisatie (tarief D, E, F of G ), het tarief H moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een verzoek tot medeverlening wordt ingediend.
Personen die op grond van de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) als Nederlander worden behandeld, zijn vrijgesteld van naturalisatieleges.
### Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen
Het uitgangspunt van de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) van 9 september 1976 (Stb. 468) brengt mee dat Molukkers, die op grond van genoemde wet als Nederlander worden behandeld, zijn vrijgesteld van het betalen van naturalisatiegelden. Op het adviesblad moet worden aangeven dat het gaat om een verzoek van een Molukker die op grond van genoemde wet wordt behandeld als Nederlander.
### Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
Onze Minister kan aan de volgende personen ontheffing verlenen van betaling van de naturalisatiegelden:
### Paragraaf 2.1.2.2. [Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)
Hieronder wordt toegelicht onder welke omstandigheden aan bovengenoemde categorieën van personen ontheffing wordt verleend.
**Voorbeeld**
### Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
De optie- en naturalisatiegelden zijn verschuldigd voordat een verklaring van optie of verzoek tot verlening van het Nederlanderschap in behandeling wordt genomen. De betaling wordt in Nederland voldaan bij de autoriteit die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, namelijk de burgemeester. In het buitenland is dat de Minister van Buitenlandse Zaken.
### Paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b
Eerst na ontvangst van de betaling dan wel na de beslissing op een ontheffingsverzoek wordt het ingediende verzoek om naturalisatie dan wel de afgelegde optieverklaring in behandeling genomen. Ongeacht het verdere verloop van de naturalisatieprocedure – toewijzing, afwijzing of intrekking van het verzoek nadat de behandeling is begonnen – zijn de rechten verschuldigd betaald (vergelijk [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=2) en [3 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=3)).
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
Modellen van een schriftelijke bevestiging door betrokkene dat hij is geïnformeerd over de hoogte en de termijn van de te betalen optie- en naturalisatiegelden en dat hij instemt met de betaling van de opgelegde optie- en naturalisatiegelden dan wel is vrijgesteld van de betaling dan wel een verzoek om ontheffing heeft ingediend, zijn opgenomen als model 1.25 HRWN, model 1.25a HRWN, model 2.8 HRWN en model 2.8a HRWN. De vaststelling van de hoogte van de te betalen naturalisatiegelden is een voorbereidingshandeling zoals bedoeld in [artikel 6:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:3) en is niet afzonderlijk vatbaar voor bezwaar of beroep.
### Paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
Is verzocht om ontheffing van optie- of naturalisatiegelden, dan wordt de termijn van zes weken opgeschort tot de dag waarop op het ontheffingsverzoek (negatief) is beslist. Tegen de beslissing tot buitenbehandelingstelling van een optieverklaring of een verzoek om naturalisatie kan op grond van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) binnen zes weken bezwaar worden aangetekend.
### paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
Als het gaat om een optie/naturalisatie dat is afgelegd/ingediend bij de Minister van Buitenlandse Zaken, dan moet het bezwaarschrift worden toegestuurd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Directie Regulier Verblijf en Nederlanderschap, Postbus 4, 9560 AA TER APEL.
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
De in het kader van het afleggen van een optieverklaring ontvangen gelden behoeven niet te worden afgedragen. De behandeling van en de beslissing op de optieverklaring liggen immers geheel in handen van de ontvangende instantie.
### Paragraaf 2.1.3. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c
[Artikel 8 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8) bepaalt dat een gedeelte van de ontvangen naturalisatiegelden moet worden afgedragen aan de Rijksoverheid. Gemeenten in Europees Nederland dragen rechtstreeks af aan Onze Minister.
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
De afdracht van naturalisatiegelden alsmede het indienen van verzoeken tot vergoeding van leges waarvoor ontheffing is verleend door het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post in het buitenland geschiedt via de Minister van Buitenlandse Zaken aan Onze Minister.
De gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post behoudt per enkelvoudig verzoek om naturalisatie € 217, ongeacht of betrokkene het standaard of het verlaagde tarief betaalt. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen, wordt afgedragen aan Onze Minister (€ 806 bij standaard tarief en € 543 bij verlaagd tarief).
Bij een gemeenschappelijk verzoek of een gelijktijdig verzoek om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin behoudt de gemeente € 370 eveneens ongeacht of het standaard of het verlaagde tarief is betaald. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen wordt afgedragen aan Onze Minister (€ 935 bij het standaard tarief en € 674 bij het verlaagd tarief). In het geval van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post € 24 per kind. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen (€ 127) wordt afgedragen aan Onze Minister. Als de verzoeker tijdens de naturalisatieprocedure verhuist, behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post die de leges geïnd heeft het gemeentelijk/consulair deel van de leges en draagt zorg voor de afdracht van het resterende bedrag.
Vanaf 1 januari 2024 gelden de volgende afdrachtbedragen en afdrachtcodes:
Mocht er sprake zijn van een ontheffing van de naturalisatiegelden ([artikel 8, tweede lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8)) zal de vergoeding aan de afdrachtplichtige instantie worden meegenomen in de factuur met betrekking tot de afdracht van de leges. Als het verzoek door de IND wordt gehonoreerd, ontvangt de afdrachtplichtige instantie een bedrag van € 217 voor een enkelvoudig verzoek en € 370 voor een gemeenschappelijk verzoek.
Vanaf 1 januari 2024 gelden voor ontheffing van de naturalisatiegelden de volgende bedragen en codes:
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): artikelen II en III; [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): artikelen 65 t/m 70
### paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid bij fraude beperkt tot 12 jaar na uitvaardigen koninklijk Besluit
[Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448): artikel 1
### paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
[WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580): artikelen 1 en 4.1
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
### 14-1. Toelichting ad [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 14-1. Toelichting ad [artikel 14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Vóór de herziening van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) was het niet mogelijk om in geval van fraude over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Echter, sinds de inwerkingtreding van de herziene [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738), dus vanaf 1 april 2003, kan Onze Minister in geval van fraude overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap.
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
Tot 1 april 2015 werd de terugwerkende kracht van de intrekking beperkt door [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II). Op grond van dit artikel werkte intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Hierdoor had het intrekkingsbesluit geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór de inwerkingtreding van de Rijkswetten van 21 december 2000 en 18 april 2002 tot wijziging van de RWN. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap werd betrokkene geacht wél in het bezit te zijn geweest van de Nederlandse nationaliteit, maar vanaf het moment van inwerkingtreding van de wijzigingswetten van 2000 en 2002 niet meer in het bezit te zijn geweest van de Nederlandse nationaliteit.
Ingevolge [artikel II, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) heeft een persoon van wie het Nederlanderschap is ingetrokken geen aanspraak op de rechten die de RWN in het algemeen verbindt aan de status van oud-Nederlander. Hij kan dan ook geen optie uitbrengen op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en ook niet in aanmerking komen voor een versnelde naturalisatie als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), eerste zinsdeel (‘verzoeker die te eniger tijd het Nederlanderschap (...) heeft bezeten’).
(invullen verzoekers 16 jaar en ouder)
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
Indien de minderjarige aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij direct gehoord over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap.
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
### 16-1-c. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1
### 16-1-e. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Paragraaf 1. Algemeen
Een eventueel toekomstig verlies van het Nederlanderschap door B leidt voor A niet tot verlies van het Nederlanderschap. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN is, wat dat betreft, anders geredigeerd dan artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN.
Met het begrip ‘ouder’ in [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) is ook bedoeld de adoptiefouder, mits de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken, alsmede de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.
### Artikel 16a
### 16a-alg. Toelichting
### Artikel 17
### Artikel 18
### Artikel 20
### 20-alg. Toelichting algemeen
### 21-alg. Toelichting algemeen
### 21-alg. Toelichting algemeen
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
### 23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
### 23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
### 24-alg. Toelichting algemeen
Geen.
### Artikel 25
### 26-alg. Toelichting algemeen
### 26-1. Toelichting ad [artikel 26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
### 26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
### 26-3. Toelichting ad [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
Een Nederlandse vrouw C trouwt in 1962 met een Italiaanse man. Zij verkrijgt als gevolg van haar huwelijk automatisch de Italiaanse nationaliteit. Zij verliest van rechtswege de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) WNI. Deze vrouw kan, mits tegen haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 hoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26).
### Artikel 28
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
### Artikel 29
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder b, c en d van bedoeld tweede lid, waar is geregeld dat in bepaalde uitzonderingsgevallen geen verlies van het Nederlanderschap, als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) intreedt. De onder b, c en d genoemde uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in het tweede lid van artikel 16 RWN opgenomen.
### Artikel IV RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
Ingevolge [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de verliestermijn van tien jaren uit [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dit betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal verlies van het Nederlanderschap kan intreden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
### Artikel V RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
Aangezien de verliestermijn van het oude [artikel 15, onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) ingevolge [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) (oud) niet eerder kan zijn aangevangen dan op 1 januari 1985, heeft inmiddels sedert 1 januari 1995 een fors aantal personen het Nederlanderschap verloren als gevolg van tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan men tevens de nationaliteit bezit. [Artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) biedt wat dat betreft een reparatiemogelijkheid. Deze optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap eindigde op 31 maart 2005.
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voornoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=7)[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 34.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34); [36.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [73.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)
### VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voornoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.
### Paragraaf 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) (1 april 2003)
### Paragraaf 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) (1 april 2003)
Deze toelichting is vervallen in 2014.
### paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
### paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
### paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
### 16-1-c. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1
### 16-1-e. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Artikel 21
### Artikel 22
### 22-2. Toelichting ad [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22)
### Artikel 24
### 26-1. Toelichting ad [artikel 26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
### 26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
### 26-3. Toelichting ad [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
### II RRWN-alg. Toelichting algemeen
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
### Artikel VI RRWN
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -10236,4536 +14842,12 @@
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 9-3. Toelichting ad [artikel 9, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
Tarief C is verschuldigd voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging als bedoeld in [artikel 6, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Dit betekent dat voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging voor een minderjarige, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen bij het afleggen van hun optieverklaring (tarief A of B), het tarief C moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een optieverklaring tot medeverkrijging wordt afgelegd.
### paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
### 14-2. Toelichting ad [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
Een gemeenschappelijk verzoek wil zeggen dat een verzoek om naturalisatie gelijktijdig is ingediend door twee personen die met elkaar getrouwd zijn, een geregistreerd partnerschap met elkaar zijn aangegaan of ongehuwd samenleven in een duurzame relatie.
Het verlaagd tarief voor een verzoek om naturalisatie geldt in de volgende gevallen:
Voor de behandeling van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), is het tarief onder H verschuldigd. Dit betekent dat voor de behandeling van een verzoek voor een minderjarige om met zijn ouder(s) mee te naturaliseren, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen voor hun naturalisatie (tarief D, E, F of G ), het tarief H moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een verzoek tot medeverlening wordt ingediend.
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
### Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
Onze Minister kan aan de volgende personen ontheffing verlenen van betaling van de naturalisatiegelden:
Uitgangspunt is dat de leges worden betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie. Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan, betaling in termijnen is niet mogelijk. Wordt niet betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt betrokkene op dat moment op grond van [artikel 4:5, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken te betalen. Hiervoor zijn model 1.25 HRWN, model 1.25a HRWN, model 2.8 HRWN en model 2.8a HRWN beschikbaar. De termijn van zes weken vloeit voort uit [artikel 6 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=6). Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen deze zes weken, dan wordt de optieverklaring of het naturalisatieverzoek buiten behandeling gesteld (artikel 6 BON). Een besluit tot buitenbehandelingstelling wegens niet- of niet tijdige betaling wordt schriftelijk meegedeeld aan betrokkene ([artikel 4, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=4)). Daarvoor zijn beschikbaar de modellen 1.26 HRWN, 1.26a HRWN, 2.23 HRWN en 2.23a HRWN.
### Paragraaf 2.1.2.3. [Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205)
Als het gaat om een optie/naturalisatie dat is afgelegd/ingediend bij de gemeente, dan moet het bezwaarschrift worden toegestuurd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Directie Regulier Verblijf en Nederlanderschap, Postbus 3, 9560 AA TER APEL.
### paragraaf 4.1. Voornemenprocedure
Stelt de burgemeester/de Minister van Buitenlandse Zaken een verzoek om naturalisatie buiten behandeling, dan brengt hij geen advies uit aan Onze Minister. Zowel als de verzoeker bezwaar aantekent tegen de buitenbehandelingstelling, als wanneer de verzoeker dat niet doet, stuurt de burgemeester/de Minister van Buitenlandse Zaken altijd het naturalisatiedossier aan de IND.
### Paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
De in het kader van het afleggen van een optieverklaring ontvangen gelden behoeven niet te worden afgedragen. De behandeling van en de beslissing op de optieverklaring liggen immers geheel in handen van de ontvangende instantie.
### Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
Tevens regelt [artikel 8 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8) de hoogte van het bedrag dat de gemeente behoudt en op welke wijze de afdracht aan de IND geschiedt. Bij de afdracht stuurt de gemeente aan de IND tevens een lijst met de namen van personen die een verzoek om naturalisatie hebben ingediend. Over de wijze van afdracht van de ontvangen naturalisatiegelden door de gemeente aan de IND worden gemeenten nader geïnformeerd met een brief van de Directie Bedrijfsvoering van de IND.
### Artikel 14
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): artikelen II en III; [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): artikelen 65 t/m 70
BW: artikelen 1:202.1 en 3:44
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): artikel 83 (Eerste Boek), titels I tot en met IV, artikel 205 en titel XII (Tweede Boek), artikel 134a (Tweede Boek)
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van een besluit tot intrekking bedoeld in [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) of in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de betreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties. [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent dat:
### paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid bij fraude beperkt tot 12 jaar na uitvaardigen koninklijk Besluit
Vóór de herziening van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) was het niet mogelijk om in geval van fraude over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Echter, sinds de inwerkingtreding van de herziene [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738), dus vanaf 1 april 2003, kan Onze Minister in geval van fraude overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap.
### paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
### paragraaf 2. Algemeen
### paragraaf 2. Algemeen
De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optieof naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden “valse verklaring of bedrog” aansluiting gezocht bij [titel XII WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIII) (valsheid in geschriften) en bij [artikel 3:44 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=44) (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
Het bedrog, de valse verklaring of het verzwijgen van voor de naturalisatie of optie relevante feiten, kan betrekking hebben gehad op de personalia (identiteit/persoonsgegevens) van de naturalisandus. Wanneer met gebruikmaking van valse of (gedeeltelijk) fictieve personalia (die bestaan uit de voornaam, geslachtsnaam, geboortedatum en geboorteplaats) een verzoek om naturalisatie is ingediend, waardoor in het Koninklijk Besluit tot verlening van het Nederlanderschap valse personalia werden opgenomen, is dit een vorm van frauduleus handelen.
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 juni 2006 aangegeven dat bij naturalisatiebesluiten die zijn genomen vóór 1 april 2003 in geval van bedrog omtrent de identiteit wordt aangenomen dat het Nederlanderschap niet is verkregen omdat het naturalisatiebesluit geen rechtsgevolg heeft gehad voor de betrokkene. Immers, door het opgeven van onjuiste personalia (valse identiteit) zijn niet de (juiste) personalia van betrokkene vermeld op het Koninklijk Besluit tot naturalisatie. Aan betrokkene is dan ook niet het Nederlanderschap verleend. Voor de optieverklaring geldt mutatis mutandis hetzelfde.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
### 10-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
### 14-2. Toelichting ad [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 2. Naturalisatiegelden
Komen verzoekers niet in aanmerking voor het verlaagd tarief F of G (zie [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01)), dan zijn de tarieven D en E verschuldigd voor de behandeling van een enkelvoudig dan wel een gemeenschappelijk verzoek om naturalisatie.
Om in aanmerking te komen voor ontheffing moet gelijktijdig met de indiening van het verzoek om naturalisatie een gemotiveerd ontheffingsverzoek worden ingediend. De burgemeester is in Nederland gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van naturalisatiegelden. In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Zie [artikel 4, vijfde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4).
### 2.5.4. Algemeen belang
De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is in Nederland gemandateerd aan de burgemeester. In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 2.24 en 2.24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 2.25 en 2.25a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) beschikbaar.
### Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
De optie- en naturalisatiegelden zijn verschuldigd voordat een verklaring van optie of verzoek tot verlening van het Nederlanderschap in behandeling wordt genomen. De betaling wordt in Nederland voldaan bij de autoriteit die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, namelijk de burgemeester. In het buitenland is dat de Minister van Buitenlandse Zaken.
### 2.5.6. Weging belangen
De hoogte van het verschuldigde bedrag voor het afleggen van de optieverklaring of voor het verzoek om naturalisatie wordt in beginsel vastgesteld op het moment dat de verklaring of het verzoek door de burgemeester/ de Minister van Buitenlandse Zaken in ontvangst wordt genomen. Zie de in de [paragrafen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=1&paragraaf=1.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01), [1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=1&paragraaf=1.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01), [2.2 tot en met 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2024-04-01&g=2024-04-01) opgenomen richtlijnen.
### Paragraaf 2.1.2.2. [Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)
### Paragraaf 4.2.2. Vreemdelingrechtelijke gevolgen van intrekking van het Nederlanderschap
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
Zie voor het overgangsrecht toelichting bij artikel 14, zesde lid, RWN, paragraaf 2 en de toelichting bij artikel
### Artikel 14
Zie voor het overgangsrecht toelichting bij artikel 14, zesde lid, RWN, paragraaf 2 en de toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN paragraaf 1.1.
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
N.B. In geval van fraude gepleegd bij het uitbrengen van een optieverklaring vóór de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vóór 1 april 2003, is intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk. Een optie die werd uitgebracht vóór de herziening van de RWN was een eenzijdige rechtshandeling. Indien achteraf wordt geconstateerd dat bij het uitbrengen van de optie niet aan alle wettelijke voorwaarden werd voldaan, moet worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden, waardoor de betrokkene geacht moet worden nimmer het Nederlanderschap door die optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is in dat geval dus niet aan de orde.
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
Het bedrog, de valse verklaring of het verzwijgen van voor de naturalisatie of optie relevante feiten, kan betrekking hebben gehad op de personalia (identiteit/persoonsgegevens) van de naturalisandus. Wanneer met gebruikmaking van valse of (gedeeltelijk) fictieve personalia (die bestaan uit de voornaam, geslachtsnaam, geboortedatum en geboorteplaats) een verzoek om naturalisatie is ingediend, waardoor in het Koninklijk Besluit tot verlening van het Nederlanderschap valse personalia werden opgenomen, is dit een vorm van frauduleus handelen.
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 juni 2006 aangegeven dat bij naturalisatiebesluiten die zijn genomen vóór 1 april 2003 in geval van bedrog omtrent de identiteit wordt aangenomen dat het Nederlanderschap niet is verkregen omdat het naturalisatiebesluit geen rechtsgevolg heeft gehad voor de betrokkene. Immers, door het opgeven van onjuiste personalia (valse identiteit) zijn niet de (juiste) personalia van betrokkene vermeld op het Koninklijk Besluit tot naturalisatie. Aan betrokkene is dan ook niet het Nederlanderschap verleend. Voor de optieverklaring geldt mutatis mutandis hetzelfde.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.4&paragraaf=3.13.4.2&z=2023-10-01&g=2023-10-01) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### 9-3-c. Toelichting ad [artikel 9, derde lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
### paragraaf 3. Topsporters
### paragraaf 2. Naturalisatiegelden
### 12-2. Toelichting ad [artikel 12, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12)
### paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
Niet vaak zal (nog) voorkomen dat een optierecht op het Nederlanderschap bestaat op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Indonesië (TOI, Stb. 1949, J 570) of de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS, Stb. 1975, 132). Voor deze opties (artikel 10 TOI en artikel 7, tweede lid, TOS) geldt, dat voor de verkrijging van het Nederlanderschap niet een bevestiging nodig is, noch dat leges moeten worden betaald. De optant verkrijgt het Nederlanderschap op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Op deze opties zijn het [BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782) en het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) niet van toepassing.
### Paragraaf 1.1. Overgangsrecht
### Paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
### Paragraaf 2.4. Tarief H
Personen die op grond van de [Wet betreffende de positie van Molukkers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) als Nederlander worden behandeld, zijn vrijgesteld van naturalisatieleges.
### Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
### Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 14-3. Toelichting ad [artikel 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
A heeft in 1997 ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) geopteerd voor het Nederlanderschap. Eerst in 2021 komt aan het licht dat bij de optie niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat A bij het afleggen van de optieverklaring heeft gefraudeerd. Zou dat destijds bekend zijn geweest, dan zou de administratie aan de optieverklaring geen rechtsgevolg hebben toegekend. In het hier geschetste geval is geen sprake van intrekking van verkregen Nederlanderschap. De optieverklaring is afgelegd vóór 1 april 2003 en toentertijd werd het Nederlanderschap niet verkregen door een schriftelijke bevestiging van de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst nam, maar door slechts het simpele afleggen van de optieverklaring, mits daarbij was voldaan aan alle optievoorwaarden. Welnu, aangezien in het onderhavige geval is geconstateerd dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, zal achteraf bezien moeten worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden. A moet dan ook geacht worden niet het Nederlanderschap door de optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is hier niet aan de orde.
De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optieof naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden “valse verklaring of bedrog” aansluiting gezocht bij [titel XII WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIII) (valsheid in geschriften) en bij [artikel 3:44 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=44) (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 11 november 2005 ten aanzien van het vorenstaande nog opgemerkt dat sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene toch identificeert en daarom rechtsgevolg heeft. Daarop aansluitend heeft de Hoge Raad in de beschikking van 30 juni 2006, onder verwijzing naar zijn beschikking van 11 november 2005, gesteld dat bijzondere omstandigheden inhouden dat **‘de betrokkene desondanks wel voldoende geïdentificeerd was en de aanvrager door het tot stand gekomen naturalisatiebesluit wel het Nederlanderschap heeft verworven’.**Hiervan is sprake wanneer **‘ondanks de onjuistheid van de verschafte persoonsgegevens, omtrent de ware identiteit van de aanvrager bij de instanties die het verzoek moesten onderzoeken en beoordelen, een zodanige duidelijkheid heeft bestaan, dat niet gezegd kan worden dat de onjuistheid van de persoonsgegevens hun onderzoek en beoordeling belemmerd heeft’**.
### paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
Ten aanzien van naturalisatiebesluiten die zijn genomen op of ná 1 april 2003 heeft de Hoge Raad bij beschikking van 30 juni 2006 overwogen dat “**In het licht van dit alles moet worden aangenomen dat de regeling van artikel 14 lid 1 (RWN) mede betrekking heeft op gevallen als het onderhavige, waarin de aanvrager zijn personalia niet juist heeft opgegeven en het naturalisatiebesluit hem derhalve niet met de juiste personalia aanduidt, doch wel duidelijk is op welke fysieke persoon het besluit betrekking heeft. Uit het systeem en de strekking van de wet volgt derhalve dat ook in dat geval een naturalisatiebesluit, verleend onder de werking van de RWN zoals deze sinds 1 april 2003 luidt, rechtsgevolg heeft, zolang het niet met toepassing van artikel 14 lid 1 RWN is ingetrokken**.” In het geval het Koninklijk Besluit dateert van op of ná 1 april 2003 geldt voor het opgeven van een valse identiteit derhalve dat rechtsgevolg is verbonden aan het Koninklijk Besluit en betrokkene Nederlander is geworden. Het Nederlanderschap kan wel conform [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) worden ingetrokken.
### paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
### paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
### paragraaf 2.3. Belangenafweging
In de afweging om tot intrekking over te gaan, zal worden meegewogen:
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
A is genaturaliseerd op 15 april 2003. Mei 2003 wordt A in België veroordeeld wegens het plegen van een gewapende overval in 1999. A gaat in hoger beroep van de veroordeling. A wist bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie dat de strafzaak tegen hem aanhangig was.
Wegens verzwijging tijdens de naturalisatieprocedure van het feit dat er een strafzaak tegen hem loopt, zou het Nederlanderschap kunnen worden ingetrokken. Augustus 2004 wordt de voornemenprocedure gestart. Tijdens de voornemenprocedure tot intrekking voert A aan dat hij onschuldig is en stelt tevens dat van intrekken moet worden afgezien tot er een onherroepelijk strafvonnis is (er is nog niet beslist op het hoger beroep). Verder moet in de belangenafweging worden meegewogen dat hij, nu hij de Belgische nationaliteit kwijt is door naturalisatie tot Nederlander, na intrekking van het Nederlanderschap staatloos zal zijn.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
### paragraaf 2. Naturalisatiegelden
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 11 november 2005 ten aanzien van het vorenstaande nog opgemerkt dat sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene toch identificeert en daarom rechtsgevolg heeft. Daarop aansluitend heeft de Hoge Raad in de beschikking van 30 juni 2006, onder verwijzing naar zijn beschikking van 11 november 2005, gesteld dat bijzondere omstandigheden inhouden dat **‘de betrokkene desondanks wel voldoende geïdentificeerd was en de aanvrager door het tot stand gekomen naturalisatiebesluit wel het Nederlanderschap heeft verworven’.**Hiervan is sprake wanneer **‘ondanks de onjuistheid van de verschafte persoonsgegevens, omtrent de ware identiteit van de aanvrager bij de instanties die het verzoek moesten onderzoeken en beoordelen, een zodanige duidelijkheid heeft bestaan, dat niet gezegd kan worden dat de onjuistheid van de persoonsgegevens hun onderzoek en beoordeling belemmerd heeft’**.
Ten aanzien van naturalisatiebesluiten die zijn genomen op of ná 1 april 2003 heeft de Hoge Raad bij beschikking van 30 juni 2006 overwogen dat “**In het licht van dit alles moet worden aangenomen dat de regeling van artikel 14 lid 1 (RWN) mede betrekking heeft op gevallen als het onderhavige, waarin de aanvrager zijn personalia niet juist heeft opgegeven en het naturalisatiebesluit hem derhalve niet met de juiste personalia aanduidt, doch wel duidelijk is op welke fysieke persoon het besluit betrekking heeft. Uit het systeem en de strekking van de wet volgt derhalve dat ook in dat geval een naturalisatiebesluit, verleend onder de werking van de RWN zoals deze sinds 1 april 2003 luidt, rechtsgevolg heeft, zolang het niet met toepassing van artikel 14 lid 1 RWN is ingetrokken**.” In het geval het Koninklijk Besluit dateert van op of ná 1 april 2003 geldt voor het opgeven van een valse identiteit derhalve dat rechtsgevolg is verbonden aan het Koninklijk Besluit en betrokkene Nederlander is geworden. Het Nederlanderschap kan wel conform [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) worden ingetrokken.
In de afweging om tot intrekking over te gaan, zal worden meegewogen:
### Paragraaf 1.1. Overgangsrecht
In het kader van ‘overige relevante factoren’ kan onder meer worden gedacht aan eventuele bijzondere omstandigheden en aan de termijn waarbinnen de betrokkene het Nederlanderschap alsnog kan verkrijgen. Blijkt bij de afweging van de belangen een intrekking niet opportuun of disproportioneel, dan wordt niet ingetrokken (zie TK 1998–1999, 25 891, nr. 5, pg. 23-24). Onder de omstandigheden dat betrokkene woonachtig is binnen het Koninkrijk en hetzij door optie, hetzij door naturalisatie, onmiddellijk in aanmerking zou kunnen komen voor verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, is in zijn algemeenheid een intrekking niet opportuun.
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
### Paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht
Verder geldt dat de voornemenprocedure is gestart op een moment dat A nog maar kort in het bezit van de Nederlandse nationaliteit is. Bij een relatief korte periode na de verkrijging van het Nederlanderschap bestaat minder reden om af te zien van intrekking dan bij een langere periode.
### Paragraaf 2. Voorwaarden intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid
De slotsom in dit voorbeeld is dat na afweging van alle bovengenoemde aspecten de belangenafweging er toe leidt dat het belang van de staat tot intrekking in casu groter is dan het belang van A om Nederlander te blijven.
Hebben de frauduleuze handelingen betrekking op de kinderen die destijds hebben gedeeld in de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, dan kan ook hun Nederlanderschap worden ingetrokken. Met zorgvuldigheid zal moeten worden nagegaan of ook ten aanzien van deze kinderen tot intrekking moet worden overgegaan. Voor elk van de kinderen die door mede-optie of medeverlening Nederlander zijn geworden, moet worden afgewogen of de individuele belangen van het kind de handhaving van het Nederlanderschap vereisen. Een dergelijke afweging is, gelet op het Verdrag tot beperking der staatloosheid, het Verdrag van de rechten van het kind en het Europese Nationaliteitsverdrag, in het bijzonder dan vereist, als het kind door de intrekking staatloos zou worden. Staatloosheid van het kind zou een disproportioneel gevolg kunnen zijn van het handelen van de ouder en zich niet verhouden tot het recht van een kind op een nationaliteit.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
### Paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### Paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
### paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
Voor de belangenafweging geldt dat A is genaturaliseerd, terwijl, naar later blijkt, sprake is van ernstige vermoedens dat A gevaar oplevert voor de openbare orde, hetgeen een grond tot weigering voor naturalisatie is. A heeft bij zijn naturalisatie verzwegen dat hij op dat moment strafrechtelijk werd vervolgd en heeft de zogenaamde waarheidsverklaring niet juist ingevuld (de aard van de verzwijging). A heeft een voor naturalisatie relevant feit verzwegen, dat zou hebben geleid tot weigering van zijn verzoek om naturalisatie (de ernst van de verzwijging). Een eventuele intrekking is dan niet, ten opzichte van de aard en de ernst van de verzwijging, disproportioneel.
### Paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen
In de belangenafweging komen de volgende zaken aan de orde:
Het feit dat A staatloos zou worden, is toegestaan als het gaat om een intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en moet worden geacht te komen voor het risico van A. Gezien de aard en de ernst van de verzwijging moet het belang van de staat om in te trekken groter worden geacht dan het belang van A om niet staatloos te worden.
### paragraaf 2. Algemeen
Bij de overig te wegen relevante factoren geldt dat voor de intrekking niet hoeft te worden gewacht tot er een onherroepelijk strafvonnis is, omdat reeds een openstaande strafzaak voldoende grond is om een verzoek tot naturalisatie af te wijzen. In de belangenafweging moet nog worden gekeken naar het eventueel niet-opportuun zijn van de intrekking (dit betreft de vraag binnen welke termijn A, na intrekking, weer Nederlander zou kunnen worden).
### Paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
Het besluit tot intrekking heeft voor de kinderen alleen gevolgen indien dat expliciet is vermeld in het intrekkingsbesluit. Is in het intrekkingsbesluit niet opgenomen dat de intrekking ook kinderen betreft, dan hebben zij het Nederlanderschap behouden, aangezien uit [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) en [16A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16A) geen verlies voor hen voortvloeit.
### 14-5. Toelichting ad [artikel 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
B is op 19 juni 1995 genaturaliseerd. Zijn minderjarige kinderen C en D zijn meegenaturaliseerd.
In 2003 wordt zoon E geboren. Zoon E verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap ingevolge artikel 3, eerste lid, RWN.
In 2004 wordt vastgesteld dat B in het kader van de naturalisatieprocedure bedrog heeft gepleegd en dat de fraude hem kan worden toegerekend. Het bedrog heeft ook betrekking gehad op de meegenaturaliseerde kinderen C en D. Op 6 augustus 2004 wordt het aan B, C en D verleende Nederlanderschap ingetrokken. De gevolgen van de intrekking zijn: B, C en D hebben hun Nederlanderschap verloren. Zij moeten echter wel geacht worden van 19 juni 1995 tot 1 april 2003 Nederlander te zijn geweest, aangezien ingevolge [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) de intrekking niet verder terugwerkt dan tot het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, indien de naturalisatie vóór dat tijdstip tot stand is gekomen.
B, C en D zijn dus wel oud-Nederlanders, maar ingevolge artikel II, tweede lid, RRWN kunnen zij geen optie uitbrengen op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en ook niet in aanmerking komen voor een versnelde naturalisatie als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), eerste zinsnede.
Voor E zal moeten worden nagegaan of hij door de intrekking van het Nederlanderschap van B het Nederlanderschap destijds op een andere rechtsgrond dan via B heeft verkregen, nu B geacht moet worden dit voor de periode na 1 april 2003 nooit verkregen te hebben. Bezien moet dus worden of E op andere gronden het Nederlanderschap mogelijk heeft verkregen.
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.12HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) opgenomen in de [artikelen 68 t/m 68c BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68).
### 2.5.2. Bewijslast
De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap.
### 2.5.3. Individueel belang
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
### 2.5.1. Rechten Unieburgerschap
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
### 2.5.2. Bewijslast
### 2.5.2. Bewijslast
### 2.5.3. Individueel belang
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
### Paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.
Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese Parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
Verklaring vrijgesteld van optiegelden
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
### Paragraaf 2.2. Tarieven D en E
Voor de belangenafweging geldt dat A is genaturaliseerd, terwijl, naar later blijkt, sprake is van ernstige vermoedens dat A gevaar oplevert voor de openbare orde, hetgeen een grond tot weigering voor naturalisatie is. A heeft bij zijn naturalisatie verzwegen dat hij op dat moment strafrechtelijk werd vervolgd en heeft de zogenaamde waarheidsverklaring niet juist ingevuld (de aard van de verzwijging). A heeft een voor naturalisatie relevant feit verzwegen, dat zou hebben geleid tot weigering van zijn verzoek om naturalisatie (de ernst van de verzwijging). Een eventuele intrekking is dan niet, ten opzichte van de aard en de ernst van de verzwijging, disproportioneel.
Hebben de frauduleuze handelingen betrekking op de kinderen die destijds hebben gedeeld in de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, dan kan ook hun Nederlanderschap worden ingetrokken. Met zorgvuldigheid zal moeten worden nagegaan of ook ten aanzien van deze kinderen tot intrekking moet worden overgegaan. Voor elk van de kinderen die door mede-optie of medeverlening Nederlander zijn geworden, moet worden afgewogen of de individuele belangen van het kind de handhaving van het Nederlanderschap vereisen. Een dergelijke afweging is, gelet op het Verdrag tot beperking der staatloosheid, het Verdrag van de rechten van het kind en het Europese Nationaliteitsverdrag, in het bijzonder dan vereist, als het kind door de intrekking staatloos zou worden. Staatloosheid van het kind zou een disproportioneel gevolg kunnen zijn van het handelen van de ouder en zich niet verhouden tot het recht van een kind op een nationaliteit.
Van kinderen die nadat een ouder het Nederlanderschap verkregen heeft, geboren zijn en die op grond van artikel 3, eerste lid, van de Rijkswet hun Nederlanderschap aan hun bij de intrekking betrokken ouder ontlenen, zal steeds moeten worden nagegaan of zij door de intrekking van het Nederlanderschap van deze ouder het Nederlanderschap verliezen. Dit geldt ook voor kinderen die, nadat een ouder het Nederlanderschap verkregen heeft, het Nederlanderschap van rechtswege hebben verkregen op grond van artikel 4, eerste, tweede, derde of vierde lid, van de Rijkswet en het Nederlanderschap aan hun bij de intrekking betrokken ouder ontlenen. Aangezien het Nederlanderschap van deze ouder met terugwerkende kracht wordt ingetrokken, kan dit betekenen dat de ouder ten tijde van de geboorte, vaststelling vaderschap, erkenning of wettiging, van het kind geen Nederlander was en het kind geen Nederlander is geworden op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of [artikel 4, eerste, tweede, derde of vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4). In dat geval moet wel beoordeeld worden of het kind op andere verkrijgingsgronden een beroep kan doen, zoals bijvoorbeeld het geval zal zijn als het kind een beroep kan doen op artikel 3, derde lid, van de Rijkswet (toelichting bij het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605), Stb. 2002, 231).
### 14-6. Toelichting ad [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 14-6. Toelichting ad [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
### 2.5. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.12HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) opgenomen in de [artikelen 68 t/m 68c BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68).
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
### 2.5.3. Individueel belang
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
### Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
### Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen
Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.
### 2.5.4. Algemeen belang
Op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan de IND het Nederlanderschap intrekken als de verkrijging of verlening berust op fraude en bedrog. Het algemeen belang bij deze intrekkingsgrond is gelegen in de bijzondere band van solidariteit en loyaliteit tussen de lidstaten en zijn onderdanen en wederkerigheid van rechten en plichten die de grondslag vormen van de nationaliteitsverhouding.
### Paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
De IND betrekt bij de evenredigheidstoets aan het Unieburgerschap onder meer de volgende aspecten:
### 2.5.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
### 2.5.6. Weging belangen
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
### Paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
[Artikel 65 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=65) bepaalt dat de autoriteiten en ambtenaren die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en verzoek om naturalisatie en die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat heeft geleid tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan Onze Minister, zo nodig onder medezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. De ambtenaar die op de hoogte is van frauduleuze handelingen in de hiervoor bedoelde zin, wordt verzocht contact op te nemen met de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (zie hoofdstuk Voorlichting). In onderling overleg kan dan een standpunt worden bepaald over de te nemen stappen, zoals wijziging van de nationaliteit van de betrokken persoon in de BRP en/of intrekking van het verstrekte Nederlandse reisdocument. Voorts zorgt deze afdeling voor het plaatsen van een aantekening in het nationaliteitenregister bij het Koninklijk Besluit of bij de bevestiging van de optieverklaring.
[Artikel 65 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=65) bepaalt dat de autoriteiten en ambtenaren die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en verzoek om naturalisatie en die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat heeft geleid tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan Onze Minister, zo nodig onder medezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. De ambtenaar die op de hoogte is van frauduleuze handelingen in de hiervoor bedoelde zin, wordt verzocht contact op te nemen met de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (zie hoofdstuk Voorlichting). In onderling overleg kan dan een standpunt worden bepaald over de te nemen stappen, zoals wijziging van de nationaliteit van de betrokken persoon in de BRP en/of intrekking van het verstrekte Nederlandse reisdocument. Voorts zorgt deze afdeling voor het plaatsen van een aantekening in het nationaliteitenregister bij het Koninklijk Besluit of bij de bevestiging van de optieverklaring.
Belanghebbenden kunnen bezwaar maken tegen het besluit tot intrekking, doch dit bezwaar heeft geen schorsende werking. Wordt het bezwaarschrift gegrond verklaard, dan zal het besluit tot intrekking worden herroepen. Die herroeping werkt terug tot de datum van het zogenaamde intrekkingsbesluit, als gevolg waarvan betrokkene geacht moet worden nimmer zijn Nederlanderschap door intrekking te hebben verloren. Wordt het bezwaarschrift ongegrond verklaard, dan staat beroep bij de rechtbank, sector Bestuursrecht open.
Gezien het belang van het bezit van het Nederlanderschap, in het bijzonder als het verlies daarvan zou leiden tot staatloosheid, is de procedure tot intrekking wegens fraude omgeven met bijzondere waarborgen. De procedure is beschreven in de [artikelen 66 tot en met 69 van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66). De procedure biedt de rechtstreeks betrokken personen en autoriteiten de mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen, waardoor de Minister van Justitie zoveel mogelijk argumenten pro en contra de intrekking van het Nederlanderschap tegen elkaar kan afwegen.
Gezien het belang van het bezit van het Nederlanderschap, in het bijzonder als het verlies daarvan zou leiden tot staatloosheid, is de procedure tot intrekking wegens fraude omgeven met bijzondere waarborgen. De procedure is beschreven in de [artikelen 66 tot en met 69 van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66). De procedure biedt de rechtstreeks betrokken personen en autoriteiten de mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen, waardoor de Minister van Justitie zoveel mogelijk argumenten pro en contra de intrekking van het Nederlanderschap tegen elkaar kan afwegen.
Volgens [artikel 69 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=69) dient de Minister van Justitie een besluit tot intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) uiterlijk te nemen binnen zestien weken nadat hij mededeling van zijn voornemen tot intrekking heeft gedaan. In [artikel 68, eerste lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) is geregeld dat bij het besluit tot intrekking onder meer rekening moet worden gehouden met de aard en ernst van de fraude, de mogelijke staatloosheid van betrokkene na de intrekking, de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen en de overige relevante factoren. Geen intrekking zal plaatsvinden indien die beslissing, afgewogen tegen de mate van bedrog of verzwijging, disproportioneel moet worden geacht. Aan iedere intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN dient een belangenafweging vooraf te gaan. Weegt het belang van betrokkene om niet in te trekken uiteindelijk zwaarder dan het belang van de overheid om wel in te trekken, dan dient niet te worden ingetrokken (zie de toelichting op het [BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605), **Stb.** 2002, 231).
### 2.4. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
Artikel 68, tweede lid, BvvN bepaalt dat het besluit tot intrekking de personen vermeldt van wie het Nederlanderschap is ingetrokken. Aldus kan geen misverstand bestaan over de reikwijdte van de intrekking van het Nederlanderschap.
### 14-9. Toelichting ad [artikel 14, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Belanghebbenden kunnen bezwaar maken tegen het besluit tot intrekking, doch dit bezwaar heeft geen schorsende werking. Wordt het bezwaarschrift gegrond verklaard, dan zal het besluit tot intrekking worden herroepen. Die herroeping werkt terug tot de datum van het zogenaamde intrekkingsbesluit, als gevolg waarvan betrokkene geacht moet worden nimmer zijn Nederlanderschap door intrekking te hebben verloren. Wordt het bezwaarschrift ongegrond verklaard, dan staat beroep bij de rechtbank, sector Bestuursrecht open.
### Paragraaf 4.2.2. Vreemdelingrechtelijke gevolgen van intrekking van het Nederlanderschap
Na intrekking van het Nederlanderschap is de betrokken persoon weer vreemdeling in de zin van de [Vreemdelingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Of de vreemdeling dan een verblijfsrecht heeft hangt af van de verblijfspositie voorafgaand aan de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap.
### Paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Artikel 15
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
Daarvan is sprake als de intrekking terugwerkt tot het moment van de verlening van de Nederlandse nationaliteit of als het rechtsgevolg aan het KB is onthouden.
### 2.4.3. Individueel belang
De vreemdeling heeft in deze situatie geen verblijfsrecht meer.
**Vreemdelingen die voor inwerkingtreding van artikel 14 lid 1 RWN (1 april 2003) Nederlander zijn geworden en van wie het Nederlanderschap niet wegens identiteitsfraude (maar op grond van een andere vorm van fraude) is ingetrokken.**
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 12-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen
### 2.5. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap
De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit.
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
### 2.5.6. Weging belangen
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
### 2.5.4. Algemeen belang
Op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan de IND het Nederlanderschap intrekken als de verkrijging of verlening berust op fraude en bedrog. Het algemeen belang bij deze intrekkingsgrond is gelegen in de bijzondere band van solidariteit en loyaliteit tussen de lidstaten en zijn onderdanen en wederkerigheid van rechten en plichten die de grondslag vormen van de nationaliteitsverhouding.
### 2.5.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
### paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### paragraaf 4.1. Voornemenprocedure
### Paragraaf 4.2.1. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
Volgens [artikel 69 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=69) dient de Minister van Justitie een besluit tot intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) uiterlijk te nemen binnen zestien weken nadat hij mededeling van zijn voornemen tot intrekking heeft gedaan. In [artikel 68, eerste lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) is geregeld dat bij het besluit tot intrekking onder meer rekening moet worden gehouden met de aard en ernst van de fraude, de mogelijke staatloosheid van betrokkene na de intrekking, de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen en de overige relevante factoren. Geen intrekking zal plaatsvinden indien die beslissing, afgewogen tegen de mate van bedrog of verzwijging, disproportioneel moet worden geacht. Aan iedere intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN dient een belangenafweging vooraf te gaan. Weegt het belang van betrokkene om niet in te trekken uiteindelijk zwaarder dan het belang van de overheid om wel in te trekken, dan dient niet te worden ingetrokken (zie de toelichting op het [BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605), **Stb.** 2002, 231).
### 14-9. Toelichting ad [artikel 14, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap is een beschikking als bedoeld in de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). De Awb is in het kader van de intrekking van toepassing, ongeacht of de persoon in kwestie door tussenkomst van de burgemeester, de gezaghebber, de Gouverneur of een diplomatieke of consulaire post is genaturaliseerd of door optie Nederlander is geworden, nu het besluit tot intrekking wordt genomen door de Minister van Justitie van het Koninkrijk.
### Paragraaf 4.2.2. Vreemdelingrechtelijke gevolgen van intrekking van het Nederlanderschap
Na intrekking van het Nederlanderschap is de betrokken persoon weer vreemdeling in de zin van de [Vreemdelingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Of de vreemdeling dan een verblijfsrecht heeft hangt af van de verblijfspositie voorafgaand aan de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap.
### 2.4.1. Rechten Unieburgerschap
**Vreemdelingen die voor hun naturalisatie of optie in het bezit waren van een** **verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd dan wel een verblijfsvergunning voor** **bepaalde tijd waarvan, op het moment van beoordelen van het verblijfsrecht, de** **geldigheidsduur nog niet is verstreken.**
Deze personen vallen na intrekking van het Nederlanderschap terug op de verblijfstitel die zij voorafgaand aan de verlening van het Nederlanderschap bezaten.
Voorwaarde is dat de persoon geacht kan worden nooit Nederlander te zijn geweest.
**Vreemdelingen die voor hun naturalisatie of optie in het bezit waren van een** **verblijfsvergunning voor bepaalde tijd waarvan, op het moment van beoordelen van** **het verblijfsrecht, de geldigheidsduur is verstreken.**
### Paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
In deze situatie werkt de intrekking terug tot de datum van inwerkingtreding van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). De persoon wordt geacht vanaf het moment van verlening van het Nederlanderschap tot 1 april 2003 Nederlander te zijn geweest. Als gevolg van de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap is de verblijfstitel van rechtswege vervallen. De vreemdeling heeft dan ook geen verblijfsrecht meer.
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.
### Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van een besluit tot intrekking bedoeld in [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) of in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de betreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties. [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent dat:
### Paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
### Paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
### 14-7. Toelichting ad [artikel 14, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Mocht na ingesteld bezwaar of beroep betrokkene alsnog moeten worden aangemerkt als Nederlander, dan wordt de burgemeester wederom door de Immigratie -en Naturalisatiedienst (IND) hiervan in kennis gesteld.
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
Zijn de namen van betrokkene bij de naturalisatie c.q. optie gewijzigd of vastgesteld, dan doet zich na intrekking van het Nederlanderschap één van de volgende drie situaties voor:
De terugwerkende kracht van een intrekkingsbesluit op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) ziet uitsluitend op het Nederlanderschap. Dit betekent dat indien betrokkene, die na deze intrekking niet staatloos is geworden en die op grond van het recht van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, terugkeert naar zijn ‘oude’ namen, in ieder geval (ook na de intrekking bezien) vanaf de verlening c.q. verkrijging van het Nederlanderschap tot de intrekking daarvan rechtens de namen heeft gedragen zoals die voor hem bij de naturalisatie c.q. optie zijn gewijzigd of vastgesteld.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### 2.5.1. Rechten Unieburgerschap
### 2.5. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap
### 14-6. Toelichting ad [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten:
### 2.5.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
### 2.5.6. Weging belangen
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
### Paragraaf 4.2.1. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
### Paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
### Paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
### 14-10. Toelichting ad [artikel 14, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
De vreemdeling die zijn eerder verleende verblijfsvergunning niet terugkrijgt kan een verblijfsvergunning aanvragen. Die aanvraag zal in een vreemdelingrechtelijke procedure worden behandeld. Verder is het mogelijk dat de grond voor het eerdere verblijfsrecht kan komen te vervallen (bijvoorbeeld omdat de fraude die heeft geleid tot intrekking van het Nederlanderschap ook kan leiden tot intrekking van de verblijfsvergunning). Het mogelijk vervallen van een verblijfsvergunning zal eveneens in een vreemdelingrechtelijke procedure worden behandeld.
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van een besluit tot intrekking bedoeld in [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) of in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de betreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties. [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent dat:
Wordt de burgemeester door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
### paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
[Artikel 10:22, lid 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=22) luidt:
### 14-2. Toelichting ad [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens:**
**Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens:**
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### Paragraaf 2.3. Tarieven F en G
### paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### Paragraaf 4.2.1. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
### 2.4.4. Algemeen belang
De verzending aan de perso(o)n(en) van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, geschiedt per aangetekende post met ontvangstbevestiging.
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
Zijn de namen van betrokkene bij de naturalisatie c.q. optie gewijzigd of vastgesteld, dan doet zich na intrekking van het Nederlanderschap één van de volgende drie situaties voor:
### 2.4.6. Weging belangen
Wordt het intrekkingsbesluit in gevallen als hier bedoeld herroepen of vernietigd, dan herleeft de situatie van vóór de intrekking. Wat betreft de namen betekent dat, dat betrokkene alsdan geacht moet worden sedert de verlening c.q. verkrijging van het Nederlanderschap rechtens de namen te dragen zoals die voor hem bij de naturalisatie c.q. optie zijn gewijzigd of vastgesteld.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Wordt de burgemeester door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:
### 14-3. Toelichting ad [artikel 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
In geval van verandering van nationaliteit is het recht van de staat van de nieuwe nationaliteit van toepassing, daaronder begrepen de regels van dat recht betreffende de gevolgen van de nationaliteitsverandering voor de naam.
### 14-2. Toelichting ad [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
De [rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831) (Stb. 2010, 242) vult regels aan met betrekking tot verlies van het Nederlanderschap. In [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is toen een lid ingevoegd dat beoogt een bijdrage te leveren in de strijd tegen het internationaal terrorisme. Het betreft een nieuw tweede lid dat intrekking mogelijk maakt van het Nederlanderschap indien sprake is van een veroordeling wegens misdrijven die zich richten tegen de essentiële belangen van het Koninkrijk. Deze wijziging in artikel 14 RWN is per 1 oktober 2010 in werking getreden.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
[Artikel 10:19 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=19) luidt:
De [rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831) (Stb. 2010, 242) vult regels aan met betrekking tot verlies van het Nederlanderschap. In [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is toen een lid ingevoegd dat beoogt een bijdrage te leveren in de strijd tegen het internationaal terrorisme. Het betreft een nieuw tweede lid dat intrekking mogelijk maakt van het Nederlanderschap indien sprake is van een veroordeling wegens misdrijven die zich richten tegen de essentiële belangen van het Koninkrijk. Deze wijziging in artikel 14 RWN is per 1 oktober 2010 in werking getreden.
Vóór de inwerkingtreding van deze rijkswetwijziging was intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk op grond van veroordelingen voor misdrijven genoemd in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN, indien een persoon deze misdrijven pleegde nadat hij het Nederlanderschap had verkregen en hiervoor was veroordeeld. Intrekking van het Nederlanderschap was vóór de rijkswetswijziging alleen mogelijk als sprake was van misdrijven of (buitenlandse) veroordelingen die een afwijzingsgrond vormen voor optie of naturalisatie en die hadden plaatsgevonden voorafgaand aan de naturalisatie of optie en waren verzwegen in deze procedures. In dat geval kon het Nederlanderschap worden ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid RWN.
Met de rijkswet van 5 maart 2016 (Stb. 2016, 121) is het bereik van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, RWN verruimd door het toevoegen van de mogelijkheid het Nederlanderschap in te trekken als sprake is van een veroordeling voor een misdrijf genoemd in [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a). Deze wijziging in artikel 14 RWN is met ingang van 31 maart 2016 in werking getreden.
Met de rijkswet van 6 juli 2016 (Stb. 2016, 281) is het bereik van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d, RWN verruimd door toevoeging van het misdrijf agressie zoals omschreven in artikel 8bis van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Trb. 2000,120 en Trb. 2011,73). Bij besluit van 29 mei 2018 is bepaald dat deze wijziging per 1 augustus 2018 in werking treedt (Stb. 2018, 164).
### Paragraaf 1.1. Overgangsrecht
### 15-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 15
A is als minderjarige in 2000 medegenaturaliseerd met zijn vader en pleegt op 18-jarige leeftijd in 2009 een moord ([artikel 289 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=289)) met een terroristisch oogmerk als bedoeld in [artikel 83 Sr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=83). Hij wordt hiervoor in november 2010 onherroepelijk veroordeeld.
Omdat het hier gaat om een feit dat is gepleegd in 2009 dus vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging per 1 oktober 2010 ([artikel II van de rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb. 2010, 242), kan wegens dit strafrechtelijk feit met terroristisch oogmerk nooit sprake zijn van intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). A behoudt dan ook zijn Nederlanderschap.
### paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht
Bij de intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, is niet van belang op welke wijze het Nederlanderschap is verkregen. Dit kan zijn door naturalisatie en optie, maar ook kan sprake zijn van verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege, bijvoorbeeld vanaf geboorte door afstamming van een Nederlandse vader of moeder op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken als de persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf waarbij ernstige schade is toegebracht aan de essentiële belangen van het Koninkrijk of van een of meer landen van het Koninkrijk.
### 15-alg. Toelichting algemeen
Het gaat dus om een misdrijf dat tegen de staat en zijn instituties is gericht en een ernstig gewelddadig of vijandelijk element bevat.
### paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid
Uitgangspunt voor [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is artikel 7 van het Europese Verdrag inzake Nationaliteit (EVN). Artikel 7, derde lid, EVN beperkt de verliesmogelijkheid door het verlies alleen toe te staan als de betrokken persoon daardoor niet staatloos zal worden. Artikel 14, zesde lid, neemt dit over en bepaalt dat geen verlies van het Nederlanderschap plaatsvindt, als staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn. Intrekking van het Nederlanderschap op grond van het tweede lid van artikel 14 RWN is dus niet mogelijk als de betrokken persoon daardoor staatloos wordt. Hij moet dus op het moment van het besluit tot intrekking behalve over de Nederlandse nationaliteit ook over een of meer andere nationaliteit(en) beschikken.
### Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
Bij de intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, is niet van belang op welke wijze het Nederlanderschap is verkregen. Dit kan zijn door naturalisatie en optie, maar ook kan sprake zijn van verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege, bijvoorbeeld vanaf geboorte door afstamming van een Nederlandse vader of moeder op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
Voorts kan het Nederlanderschap, als er aanleiding toe is, van een veroordeelde minderjarige worden ingetrokken. In [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), wordt immers algemeen gesproken over de persoon van wie het Nederlanderschap kan worden ingetrokken. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen een minderjarige of een meerderjarige.
### Paragraaf 2.1.2.2. [Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)
A, van Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit, heeft in 1990 door geboorte in Nederland op grond van [artikel 3, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) (derde generatieartikel) het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Hij pleegt in 2011 een aanslag tegen de troonopvolger ([artikel 94 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=94)). In 2012 wordt A hiervoor onherroepelijk veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Het Nederlanderschap van A kan worden ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), ook al heeft hij het Nederlanderschap van rechtswege verkregen. Van belang is wel dat hij door de intrekking niet staatloos mag worden. De termijn van 12 jaar geldt in dit geval niet, omdat geen sprake is van toepassing van artikel 14, eerste lid RWN waar het gaat om intrekking wegens bedrog in de optie- of naturalisatieprocedure. Daarentegen is sprake van toepassing van artikel 14, tweede lid RWN wegens een onherroepelijke veroordeling wegens staatsondermijnende handelingen.
### paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid
In [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) wordt een aantal misdrijven opgesomd. Indien een persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een van deze misdrijven, kan zijn Nederlanderschap worden ingetrokken door de Minister.
### Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
Een onherroepelijke veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan eveneens leiden tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
### Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
Met ingang van 31 maart 2016 is in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)[artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) opgenomen als grond voor intrekking van het Nederlanderschap. Artikel 134a gaat om gevallen waarin sprake is van hulp bij het plegen van terroristische misdrijven of bij de voorbereiding van dergelijke misdrijven. Als sprake is van een onherroepelijk veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan dit leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.
### Paragraaf 2.1.2.3. [Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205)
Voorts wordt in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), verwezen naar [artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205).
### Paragraaf 2. [Rijkswet inperking gevolgen Brexit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173)(terugtreden Verenigd Koninkrijk uit de EU)
Het zonder toestemming van de Koning(in) werven van personen voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd moet als een schending van de essentiële belangen van de staat worden beschouwd, als die gewapende strijd zich tegen het Koninkrijk richt.
### 2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Een man van Nederlandse en Syrische nationaliteit maakt zich schuldig in 2011 aan het werven van jongeren in Nederland voor de gewapende strijd in het kader van een politieke dan wel religieuze overtuiging. De man wordt hiervoor op grond van [artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205) in hetzelfde jaar onherroepelijk veroordeeld. Zijn Nederlanderschap kan worden ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), want hij wordt door de intrekking van het Nederlanderschap niet staatloos.
### Paragraaf 2.1.3. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c
Het Nederlanderschap kan worden ingetrokken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving soortgelijk is aan de misdrijven, bedoeld onder [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), en waartegen de strafwet van de andere drie landen van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten) straf bedreigt. De gestelde straf op het misdrijf bedoeld onder a van acht jaar of meer dient ook in de strafwet van één van de landen van Koninkrijk op acht jaar of meer gesteld te zijn.
Oorlogsmisdrijven, genocide, foltering (voorheen verspreid over diverse wetten: [Wet Oorlogsstrafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002099), de [Uitvoeringswet folteringsverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004409) en de [Uitvoeringswet genocideverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002453)) en misdrijven tegen de menselijkheid, zijn sinds 1 oktober 2003 opgenomen in de [Wet internationale misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015252) (Wim). Op 1 augustus 2018 is hieraan het misdrijf agressie toegevoegd. Met de Wim hebben misdrijven tegen de menselijkheid een wettelijk basis gekregen, welke voordien ontbrak.
Oorlogsmisdrijven, genocide, foltering (voorheen verspreid over diverse wetten: [Wet Oorlogsstrafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002099), de [Uitvoeringswet folteringsverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004409) en de [Uitvoeringswet genocideverdrag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002453)) en misdrijven tegen de menselijkheid, zijn sinds 1 oktober 2003 opgenomen in de [Wet internationale misdrijven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015252) (Wim). Op 1 augustus 2018 is hieraan het misdrijf agressie toegevoegd. Met de Wim hebben misdrijven tegen de menselijkheid een wettelijk basis gekregen, welke voordien ontbrak.
In [artikel 3 van de Wim](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015252&artikel=3) wordt genocide strafbaar gesteld en in [artikel 4 van de Wim](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015252&artikel=4) misdrijven tegen de menselijkheid. Oorlogsmisdrijven worden in [artikel 5 tot en met 7 van de Wim](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015252&artikel=5) strafbaar gesteld en in [artikel 8 van de Wim](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015252&artikel=8) wordt foltering als afzonderlijk misdrijf strafbaar gesteld (d.w.z. niet als een misdrijf tegen de menselijkheid of als een oorlogsmisdrijf). In [artikel 8b van de Wim](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015252&artikel=8b)wordt agressie strafbaar gesteld.
Materieel gezien komen de bedoelde strafbepalingen overeen met de misdrijven genoemd in artikelen 6 (genocide), 7 (misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder foltering) en 8 (oorlogsmisdrijven, waaronder foltering) en 8 bis (agressie) van het op 17 juli 1998 tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof (Trb. 2000, 120 en Trb. 2011,73).
Voor de aanduiding van bedoelde misdrijven ligt verwijzing naar dit internationale verdrag voor de hand, nu het hier een rijkswet betreft en de Wim alleen geldt in Nederland.
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
Een onherroepelijke veroordeling in zowel Nederland als in het buitenland voor een misdrijf omschreven in artikelen 6, 7, 8 en 8 bis van het op 17 juli 1998 tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof kan leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.
### Paragraaf 2. Voorwaarden intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid
Een Servische man krijgt in 2004 de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie. Hij heeft in het kader van deze naturalisatie afstand gedaan van de Servische nationaliteit. In 2011 wordt hij voor oorlogsmisdaden veroordeeld door de Nederlandse rechter op grond van [artikel 5 van de Wim](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015252&artikel=5) (welk overeenkomt met artikel 8 van het Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof) tot een langdurige gevangenisstraf. De oorlogsmisdaden heeft A gepleegd in 1995 in voormalig Joegoslavië en deze heeft hij verzwegen in de naturalisatieprocedure. Weliswaar kan het Nederlanderschap niet worden ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d RWN, omdat het misdrijf is gepleegd vóór 1 oktober 2010, maar de intrekking kan wel op grond van artikel 14, eerste lid, omdat hij heeft gelogen in zijn naturalisatieprocedure door de feiten uit 1995 te verzwijgen.
### Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
De beslissing tot intrekking is aan Onze Minister
### Paragraaf 2. [Rijkswet inperking gevolgen Brexit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173)(terugtreden Verenigd Koninkrijk uit de EU)
### 2.4. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
### 15-1-c. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Daartegenover staat dat een intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is beperkt tot Nederlanders die het Nederlanderschap door naturalisatie of optie hebben verkregen.
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
De veiligheid van het Koninkrijk is bij de genoemde misdrijven bijna altijd in het geding en maakt deel uit van de criteria voor de afweging bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot intrekking (TK 31 813 (R1873), nr. 27 vierde nota van wijziging). Daarnaast zullen zeer bijzondere omstandigheden betrekking hebbende op de persoon van de dader en prangende humanitaire redenen worden meegewogen. Dit zijn in de regel andere omstandigheden en redenen dan die de strafrechter heeft meegenomen in zijn oordeel, nu de Minister een ander, bestuursrechtelijk, toetsingskader hanteert. De duur van de opgelegde straf maakt slechts in zeer beperkte mate deel uit van de afweging. Dit volgt uit de parlementaire behandeling van de wet waarmee [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) is toegevoegd aan de artikelen die op grond van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kunnen leiden tot intrekking van het Nederlanderschap. Alleen in geval van schuldigverklaring zonder oplegging van straf of in geval van het opleggen van een gevangenisstraf van (zeer) korte duur wegens (sterk) verminderde toerekeningsvatbaarheid, zou sprake kunnen zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding is af te zien van intrekking van het Nederlanderschap (EK 34 016 (R2036) memorie van antwoord).
Net als bij een meerderjarige wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), maak het bij de minderjarige als zojuist bedoeld, niet uit op welke wijze hij het Nederlanderschap heeft verkregen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
### Paragraaf 1.1. Overgangsrecht
[Artikel II van de rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb. 2010, 242) bepaalt dat intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk is, indien het misdrijf bedoeld in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), is gepleegd vóór de datum van inwerkingtreding van deze rijkswet. Dit betekent dat alleen een misdrijf als bedoeld in voornoemd artikellid dat is gepleegd ná inwerkingtreding van de wet (dus ná 1 oktober 2010) reden kan zijn om het Nederlanderschap in te trekken op grond van artikel 14, tweede lid.
[Artikel II van de rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb. 2010, 242) bepaalt dat intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk is, indien het misdrijf bedoeld in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), is gepleegd vóór de datum van inwerkingtreding van deze rijkswet. Dit betekent dat alleen een misdrijf als bedoeld in voornoemd artikellid dat is gepleegd ná inwerkingtreding van de wet (dus ná 1 oktober 2010) reden kan zijn om het Nederlanderschap in te trekken op grond van artikel 14, tweede lid.
[Artikel II van de rijkswet van 5 maart 2016](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037779&artikel=II) (Stb. 2016, 121) bepaalt dat intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), wegens een misdrijf als bedoeld in [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) niet is toegestaan in geval van een veroordeling wegens dit misdrijf, als dit onherroepelijk is geworden voor inwerkingtreding van deze Rijkswet. Dit betekent dat intrekking van het Nederlanderschap kan plaatsvinden als de veroordeling op grond van artikel 134a Wetboek van Strafrecht op of na 31 maart 2016 onherroepelijk is geworden.
Een vrouw die naast de Nederlandse nationaliteit een tweede nationaliteit heeft reist in 2014 naar Syrië om zich daar te laten trainen om in Nederland terroristische misdrijven te plegen. Bij terugkeer in Nederland wordt zij vervolgd op grond van [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a). De vrouw wordt veroordeeld en op 5 april 2016 wordt de veroordeling onherroepelijk. Omdat de veroordeling onherroepelijk is geworden na 30 maart 2016 en de intrekking niet tot staatloosheid leidt kan het Nederlanderschap worden ingetrokken.
### paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht
### paragraaf 2. Algemeen
Hiervan is sprake als de betrokken persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf genoemd in [artikel 14 tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
### 15-1-a. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Als het Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van het eerste lid van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) mag staatloosheid daarentegen wel het gevolg zijn.
### Paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht
De termijn van 12 jaar, als genoemd in het eerste lid, is niet van toepassing als het Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, RWN. Dit betekent dat intrekking van het Nederlanderschap ook mogelijk is, als de betrokken persoon langer dan 12 jaar het Nederlanderschap bezit, bijvoorbeeld vanaf zijn geboorte.
### paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid
In [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) wordt een aantal misdrijven opgesomd. Indien een persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een van deze misdrijven, kan zijn Nederlanderschap worden ingetrokken door de Minister.
### Paragraaf 2.1.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
Het zonder toestemming van de Koning(in) werven van personen voor vreemde krijgsdienst of gewapende strijd moet als een schending van de essentiële belangen van de staat worden beschouwd, als die gewapende strijd zich tegen het Koninkrijk richt.
### Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
De rechtsorde van Nederland is onlosmakelijk verbonden met de internationale rechtsorde. Een veroordeling voor een misdrijf dat een ernstige schending vormt van de internationale rechtsorde wordt beschouwd als een ernstige schending van de essentiële belangen van het Koninkrijk (TK 31 813 (R1873), nr. 27 vierde nota van wijziging).
Een man van Nederlandse en Argentijnse man nationaliteit heeft zich in Argentinië in het verleden schuldig gemaakt aan misdrijven tegen de menselijkheid en wordt hiervoor in 2011 onherroepelijk veroordeeld door de Argentijnse rechter op grond van het betreffende wetsartikel in het Argentijnse wetboek van Strafrecht welk overeenkomt met artikel 7 van het Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof tot een langdurige gevangenisstraf. Het Nederlanderschap kan ingevolge het overgangsrecht ([artikel II, derde lid van de rijkswet van 29 juni 2010](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027831&artikel=II) (Stb. 2010, 242) niet worden ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), omdat de het misdrijf is gepleegd vóór 1 oktober 2010.
Artikel 14, zesde lid RWN (tot 1 maart 2017) en na 1 maart 2017 artikel 14, achtste lid RWN, bepaalt immers dat verlies van Nederlanderschap ingevolge het eerste lid kan plaatshebben ook al is staatloosheid daarvan het gevolg.
Hij heeft daartoe een discretionaire bevoegdheid.
### paragraaf 2.3. Het Nederlanderschap van het minderjarige kind van degene wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid RWN
### 2.4. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
### 2.4. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.13HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) opgenomen in de [artikelen 68 t/m 68c BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68).
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit.
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken als de persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf waarbij ernstige schade is toegebracht aan de essentiële belangen van het Koninkrijk of van een of meer landen van het Koninkrijk.
Een man van Nederlandse en Syrische nationaliteit maakt zich schuldig in 2011 aan het werven van jongeren in Nederland voor de gewapende strijd in het kader van een politieke dan wel religieuze overtuiging. De man wordt hiervoor op grond van [artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205) in hetzelfde jaar onherroepelijk veroordeeld. Zijn Nederlanderschap kan worden ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), want hij wordt door de intrekking van het Nederlanderschap niet staatloos.
Met ingang van 31 maart 2016 is in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)[artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a) opgenomen als grond voor intrekking van het Nederlanderschap. Artikel 134a gaat om gevallen waarin sprake is van hulp bij het plegen van terroristische misdrijven of bij de voorbereiding van dergelijke misdrijven. Als sprake is van een onherroepelijk veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan dit leiden tot intrekking van het Nederlanderschap.
Een onherroepelijke veroordeling voor een dergelijk misdrijf kan eveneens leiden tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, tweede lid, aanhef onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
Het Nederlanderschap kan worden ingetrokken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving soortgelijk is aan de misdrijven, bedoeld onder [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), en waartegen de strafwet van de andere drie landen van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten) straf bedreigt. De gestelde straf op het misdrijf bedoeld onder a van acht jaar of meer dient ook in de strafwet van één van de landen van Koninkrijk op acht jaar of meer gesteld te zijn.
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 1.4. Evenredigheidstoets bij automatisch verlies van de Nederlandse nationaliteit en van het Unieburgerschap1Burger van de Europese Unie is een ieder die de nationaliteit van een Europese lidstaat bezit. Het burgerschap van de Europese Unie geldt naast het nationale burgerschap.
Van Nederlanders die het Nederlanderschap op een andere wijze dan door optie of naturalisatie hebben gekregen, is het wel mogelijk het Nederlanderschap te ontnemen op grond van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), mits zij over nog een nationaliteit beschikken.
### paragraaf 2.3. Het Nederlanderschap van het minderjarige kind van degene wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid RWN
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.13HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) opgenomen in de [artikelen 68 t/m 68c BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68).
### 2.4.2. Bewijslast
De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap.
### 2.4.3. Individueel belang
### 2.4.1. Rechten Unieburgerschap
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
### 2.4.2. Bewijslast
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
### 2.4.3. Individueel belang
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.
Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese Parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
Op grond van [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), kan de IND het Nederlanderschap intrekken als de persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf waarbij ernstige schade is toegebracht aan de essentiële belangen van het Koninkrijk of van een of meer landen van het Koninkrijk. Het gaat dus om een misdrijf dat tegen de staat en zijn instituties is gericht en een ernstig gewelddadig of vijandelijk element bevat.
### 2.2.2. Bewijslast
Het belang van de staat is dat hiermee tot uitdrukking wordt gebracht dat de onherroepelijk veroordeelde persoon zijn band met het Koninkrijk heeft opgezegd. Hierom wordt er geen belang gehecht aan de rechten van het Unieburgerschap. Aan dit algemeen belang komt een zwaar gewicht toe, gelet op de aard van de door betrokkene gepleegde vergrijpen.
### 2.4.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND bekijkt of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
### 2.4.6. Weging belangen
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
### Paragraaf 2. Intrekking wegens vreemde krijgsdienst
### paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
### paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
Het Nederlanderschap wordt niet ingetrokken als de betrokkene daardoor staatloos wordt (zie artikel 14, achtste lid, RWN). De omstandigheid dat de betrokkene minderjarig is vormt geen reden om van de intrekking van het Nederlanderschap af te zien maar maakt deel uit van de belangenafweging in het besluit tot intrekking.
### Paragraaf 1. Algemeen
Met de inwerkingtreding op 1 maart 2017 van de Rijkswet van 10 februari 2017 is het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden van een staat als bedoeld in [artikel 14, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) als grond voor de intrekking van het Nederlanderschap in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) opgenomen. Tot deze datum leidde het in vreemde krijgsdienst treden voor meerderjarigen op grond van [artikel 15, lid 1 onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) van rechtswege tot verlies van het Nederlanderschap. Met ingang van 1 maart 2017 gaat het Nederlanderschap niet meer van rechtswege verloren maar moet een besluit worden genomen door Onze Minister. Omdat het Nederlanderschap niet langer van rechtswege verloren gaat kan in het intrekkingsbesluit een proportionaliteitstoets plaatsvinden waarin (onder meer) wordt ingegaan op de gevolgen van het verlies van het burgerschap van de Europese Unie.
Deze wijziging van de Rijkswet kent geen bepaling van overgangsrecht. Dit betekent dat een persoon die op of na 1 maart 2017 in vreemde krijgsdienst treedt het Nederlanderschap alleen verliest na een besluit van Onze Minister.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 4. Naamswijziging bij kinderen
### 2.5.1. Rechten Unieburgerschap
### 14-9. Toelichting ad [artikel 14, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 2.1.2.2. [Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)
Voorts wordt in [artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), verwezen naar [artikel 205 van het Nederlands Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205).
### Paragraaf 2.1.4. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
### Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van [artikel 14, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
De beslissing tot intrekking is aan Onze Minister
Net als bij een meerderjarige wiens Nederlanderschap wordt ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), maak het bij de minderjarige als zojuist bedoeld, niet uit op welke wijze hij het Nederlanderschap heeft verkregen.
### 2.4.1. Rechten Unieburgerschap
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
### Paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten:
### 2.4.2. Bewijslast
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
### 2.2.1. Rechten Unieburgerschap
### 2.4.4. Algemeen belang
Op grond van [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), kan de IND het Nederlanderschap intrekken als de persoon onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf waarbij ernstige schade is toegebracht aan de essentiële belangen van het Koninkrijk of van een of meer landen van het Koninkrijk. Het gaat dus om een misdrijf dat tegen de staat en zijn instituties is gericht en een ernstig gewelddadig of vijandelijk element bevat.
### paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling
De IND betrekt bij de evenredigheidstoets aan het Unieburgerschap onder meer de volgende aspecten:
### 2.4.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
### 2.4.6. Weging belangen
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Om het Nederlanderschap wegens in dienst treden in vreemde krijgsdienst te kunnen intrekken moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
alsook: **Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 14-9. Toelichting ad [artikel 14, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Artikel 15
### 15-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
### 2.4.4. Algemeen belang
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND bekijkt of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
### 14-3. Toelichting ad [artikel 14, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Met de inwerkingtreding op 1 maart 2017 van de Rijkswet van 10 februari 2017 is het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden van een staat als bedoeld in [artikel 14, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) als grond voor de intrekking van het Nederlanderschap in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) opgenomen. Tot deze datum leidde het in vreemde krijgsdienst treden voor meerderjarigen op grond van [artikel 15, lid 1 onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) van rechtswege tot verlies van het Nederlanderschap. Met ingang van 1 maart 2017 gaat het Nederlanderschap niet meer van rechtswege verloren maar moet een besluit worden genomen door Onze Minister. Omdat het Nederlanderschap niet langer van rechtswege verloren gaat kan in het intrekkingsbesluit een proportionaliteitstoets plaatsvinden waarin (onder meer) wordt ingegaan op de gevolgen van het verlies van het burgerschap van de Europese Unie.
Op grond van [artikel 14, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan het Nederlanderschap worden ingetrokken van de bipatride Nederlander die vrijwillig dienst heeft genomen in het leger van een vreemde mogendheid. Voorwaarde is dat deze vreemde mogendheid betrokken is in gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Voor de intrekking is niet noodzakelijk dat de betrokkene zelf gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk heeft verricht.
Op grond van [artikel 14, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan het Nederlanderschap worden ingetrokken van de bipatride Nederlander die vrijwillig dienst heeft genomen in het leger van een vreemde mogendheid. Voorwaarde is dat deze vreemde mogendheid betrokken is in gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Voor de intrekking is niet noodzakelijk dat de betrokkene zelf gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk heeft verricht.
Om het Nederlanderschap wegens in dienst treden in vreemde krijgsdienst te kunnen intrekken moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
### Paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
Om het Nederlanderschap te kunnen intrekken, moet de indiensttreding vrijwillig zijn geweest, of er moet sprake zijn van vrijwillige voortzetting van het dienstverband. Het gevolg geven door een bipatride Nederlander aan een oproep voor de militaire dienstplicht van een vreemde staat is geen vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst. Ook het enkel vrijwillige dienstnemen in vreemde krijgsdienst zal geen grond zijn voor intrekking van het Nederlanderschap.
Anders wordt de situatie als vervolgens de betreffende staat betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk (dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is) en betrokkene de aangegane verbintenis straffeloos kan verbreken, doch dat nalaat of na afloop van zijn contract de dienst vrijwillig voortzet. Onder dergelijke omstandigheden moet de betrokkene worden geacht zich vrijwillig in de betreffende krijgsdienst te hebben begeven, en kan het Nederlanderschap worden ingetrokken. Het gaat hier in feite om de vraag welke grenzen moeten worden gesteld aan het begrip ‘vrijwillig’. De dienstneming in de betreffende vreemde krijgsdienst moet het gevolg zijn van een specifieke op dat doel gerichte wilsdaad van de betrokkene, wil er sprake zijn van vrijwilligheid die tot intrekking van het Nederlanderschap kan leiden.
### Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen
Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk, vervult betrokkene in het leger van dat land zijn militaire dienstplicht. Op dat moment is er geen grond voor intrekking van zijn Nederlandse nationaliteit. Zet hij echter, na het verstrijken van de dienstplichttijd, de dienst vrijwillig voort, en is het land op dat moment nog betrokken bij gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk of een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is, dan kan het Nederlanderschap wel worden ingetrokken.
Bij de intrekking van het Nederlanderschap wordt een belangenafweging gemaakt waarin de belangen van de betrokkene worden afgewogen tegen de belangen van de Staat. In het geval sprake is van zeer bijzondere individuele omstandigheden kan van de intrekking van het Nederlanderschap worden afgezien. Elementen die bij deze belangenafweging worden meegewogen zijn in ieder geval de eventuele minderjarigheid van betrokkene, prangende redenen van humanitaire aard en voor zover van toepassing de gevolgen voor betrokkene van het verlies van het burgerschap van de Europese Unie.
### Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.14HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) opgenomen in de [artikelen 68 t/m 68c BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68).
### 2.2.2. Bewijslast
De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap.
### 2.2.3. Individueel belang
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
### 15a-alg. Toelichting algemeen
De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten:
### 2.2.2. Bewijslast
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
### 2.2.3. Individueel belang
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
### Artikel 22
Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese Parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.
### 15a-alg. Toelichting algemeen
Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.
### 2.2.4. Algemeen belang
Op grond van [artikel 14, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan de IND het Nederlanderschap intrekken van de bipatride Nederlander die vrijwillig dienst heeft genomen in het leger van een vreemde mogendheid. Voorwaarde is dat deze vreemde mogendheid betrokken is in gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Hierom wordt er geen belang gehecht aan het Unieburgerschap.
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
De IND betrekt bij de evenredigheidstoets aan het Unieburgerschap onder meer de volgende aspecten:
### 2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
**Onze Minister kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en die zich buiten het Koninkrijk bevindt, indien uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die door Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid.**
**Onze Minister kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en die zich buiten het Koninkrijk bevindt, indien uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die door Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid.**
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
De Rijkswet van 10 februari 2017 (Stb. 52) tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid vult regels aan met betrekking tot het verlies van het Nederlanderschap. Aan [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is in verband met de dreiging die uitgaat van het mondiale jihadisme een nieuw lid toegevoegd dat het mogelijk maakt het Nederlanderschap in te trekken van personen die uitreizen naar een strijdgebied en zich vrijwillig in krijgsdienst begeven van een terroristische strijdgroep. Deze wijziging van de Rijkswet draagt bij aan de bescherming van de nationale veiligheid door te voorkomen dat een persoon die zich heeft aangesloten bij een terroristische strijdgroep legaal kan terugkeren naar Nederland en hier te lande terroristische activiteiten kan ontplooien.
### Artikel 22C
Artikel 14 lid 4 RWN heeft een geldigheidsduur van tien jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit artikel op 1 maart 2017. Reden hiervoor is dat bij de behandeling in de Tweede Kamer van deze Rijkswet een amendement is aangenomen dat voorziet in een horizonbepaling. Deze bepaling houdt in dat vijf jaar na inwerkingtreding een bezinning plaatsvindt over de wenselijkheid van de maatregelen. Bij Rijkswet van 23 februari 2022 (Staatsblad 2022, 84), in werking getreden op 28 februari 2022, is bepaald dat de geldigheid van deze wet is verlengd tot tien jaar. Gevolg hiervan is dat artikel 14, vierde lid, RWN en de daarmee samenhangende [artikelen 22A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22a), [22B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22b), [22C, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22c) in beginsel met ingang van 1 maart 2027 komen te vervallen.
### Paragraaf 2. Voorwaarden intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid
Onze Minister kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon als uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Deze lijst wordt vastgesteld in de Rijksministerraad en gepubliceerd in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten. In de Staatscourant van 10 maart 2017 (nr 13023) is een lijst met drie organisaties gepubliceerd. Dit [Besluit tot vaststelling van de lijst met organisaties die een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039312) is een dag later in werking getreden. In de Staatscourant van 26 oktober 2020 (nr. 52922) is de lijst aangepast.
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
### 15a-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
Aansluiting bij een terroristische organisatie in de zin van [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan onder meer blijken uit:
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
De intrekking van het Nederlanderschap vindt niet plaats als de betrokken persoon zich in Nederland bevindt. In dat geval ligt aanhouding en strafrechtelijke vervolging meer in de rede dan het intrekken van het Nederlanderschap. Als de betrokkene vervolgens onherroepelijk voor een terroristisch misdrijf wordt veroordeeld zal het Nederlanderschap in beginsel op grond van artikel 14, tweede lid, RWN kunnen worden ingetrokken.
De intrekking van het Nederlanderschap vindt evenmin plaats als staatloosheid daarvan het gevolg is of als de betrokkene jonger is dan achttien jaar.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
alsook: **Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
### Paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 2.1.2.3. [Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=205)
### paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
### 2.4.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
### 17-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 2. Intrekking wegens vreemde krijgsdienst
Het Nederlanderschap wordt niet ingetrokken als de betrokkene daardoor staatloos wordt (zie artikel 14, achtste lid, RWN). De omstandigheid dat de betrokkene minderjarig is vormt geen reden om van de intrekking van het Nederlanderschap af te zien maar maakt deel uit van de belangenafweging in het besluit tot intrekking.
Onder ‘krijgsdienst van een staat’ wordt verstaan: dienstneming in het leger van een vreemde mogendheid. Het hoeft hier niet te betreffen een staat die is erkend door het Koninkrijk. Paramilitaire strijdkrachten van een vreemde mogendheid vallen in dit verband niet onder het begrip krijgsdienst.
Sprake moet zijn van krijgsdienst bij een vreemde mogendheid; bij een staat. Dat hieronder bijvoorbeeld niet moet worden verstaan groeperingen als legers van opstandelingen, guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is duidelijk gebleken tijdens de parlementaire behandeling van de Rijkswet van 21 december 2000 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap (Staatsblad 2000, 618). Zie daarvoor de in de Tweede Kamer op 17 februari 2000 aangenomen motie van 14 november 2000 (TK 2000–2001, 26 990, nr. 8) en de niet aangenomen amendementen van 15 februari 2000 (TK 1999–2000, 25 891, nr. 15) en van 16 februari 2000 (TK 1999–2000, 25 891, nr. 23). Welbewust is de mogelijkheid het Nederlanderschap in te trekken beperkt tot het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden van een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk dan wel een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Aan deelneming in groeperingen als legers van opstandelingen; guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is tijdens de parlementaire behandeling aandacht besteed, maar uiteindelijk is een zodanige deelname niet in de wet opgenomen als grond voor intrekking van het Nederlanderschap.
### paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Er moet sprake zijn van gevechtshandelingen door het leger waarbij de betrokkene (vrijwillig) in dienst is getreden (of blijft). Bij ‘bondgenootschap’ kan worden gedacht aan bijvoorbeeld de Noord Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de West-Europese Unie (WEU).
Bij de intrekking van het Nederlanderschap wordt een belangenafweging gemaakt waarin de belangen van de betrokkene worden afgewogen tegen de belangen van de Staat. In het geval sprake is van zeer bijzondere individuele omstandigheden kan van de intrekking van het Nederlanderschap worden afgezien. Elementen die bij deze belangenafweging worden meegewogen zijn in ieder geval de eventuele minderjarigheid van betrokkene, prangende redenen van humanitaire aard en voor zover van toepassing de gevolgen voor betrokkene van het verlies van het burgerschap van de Europese Unie.
### paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
### 2.2.3. Individueel belang
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
### Paragraaf 1. Algemeen
Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.
### 2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
### 2.2.6. Weging belangen
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
De Rijkswet van 10 februari 2017 (Stb. 52) tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid vult regels aan met betrekking tot het verlies van het Nederlanderschap. Aan [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) is in verband met de dreiging die uitgaat van het mondiale jihadisme een nieuw lid toegevoegd dat het mogelijk maakt het Nederlanderschap in te trekken van personen die uitreizen naar een strijdgebied en zich vrijwillig in krijgsdienst begeven van een terroristische strijdgroep. Deze wijziging van de Rijkswet draagt bij aan de bescherming van de nationale veiligheid door te voorkomen dat een persoon die zich heeft aangesloten bij een terroristische strijdgroep legaal kan terugkeren naar Nederland en hier te lande terroristische activiteiten kan ontplooien.
### 15-4. Toelichting ad [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
De Rijkswet van 10 februari 2017 (Stb. 2017, 52) bevat geen bepaling die het mogelijk maakt deze wet met terugwerkende kracht toe te passen. In het besluit van 10 februari 2017 (Stb. 2017, 67) waarin het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 14, vierde lid, van de RWN is vastgesteld op 1 maart 2017, zijn dan ook geen bijzondere werkingsregels opgenomen. Dat betekent dat deze bepaling onmiddellijke werking heeft en daarmee van toepassing is op feiten en omstandigheden die zich op of na 1 maart 2017 voordeden. Artikel 14, vierde lid kan niet worden toegepast in gevallen waarin de aan de beoogde intrekking ten grondslag liggende relevante feiten zich vóór 1 maart 2017 hebben voorgedaan (zie ECLI:NL:RVS:2019:990; ECLI:NL:RVS:2019:1246).
### Paragraaf 2. Voorwaarden intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid
Onze Minister kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon als uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Deze lijst wordt vastgesteld in de Rijksministerraad en gepubliceerd in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten. In de Staatscourant van 10 maart 2017 (nr 13023) is een lijst met drie organisaties gepubliceerd. Dit [Besluit tot vaststelling van de lijst met organisaties die een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0039312) is een dag later in werking getreden. In de Staatscourant van 26 oktober 2020 (nr. 52922) is de lijst aangepast.
Om het Nederlanderschap te kunnen intrekken moet sprake zijn van aansluiting bij een organisatie op de hiervoor genoemde lijst. De intrekking kan alleen plaatsvinden als betrokkene bij de organisatie was of zich heeft aangesloten op of na 11 maart 2017 (zie ECLI:NL:RVS:2019:990; ECLI:NL:RVS:2019:1246).
Uit de memorie van toelichting (TK, 2015–2016, 34 356 (R2064), nr 3) blijkt wat de wetgever met het begrip aansluiting bedoelt. Voordat sprake is van ‘aansluiting’ moeten twee voorwaarden zijn vervuld:
Met de voorwaarde van de uit de gedragingen van betrokkene blijkende intentie om zich aan te sluiten is gegarandeerd dat altijd sprake is van vrijwillige aansluiting. De intentie tot aansluiting kan bijvoorbeeld blijken uit eerdere uitingen van betrokkene, bijvoorbeeld op internet of op sociale media.
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
De elementen die betrokken worden bij de belangenafweging zijn dwingend voorgeschreven in [artikel 68c BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68c). Dit betekent dat de volgende elementen in ieder individueel besluit terug moeten komen:
### 15-4. Toelichting ad [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
De elementen zijn niet limitatief voorgeschreven, ook andere elementen die relevant zijn voor de belangenafweging zullen worden betrokken.
### 14-8. Toelichting ad [artikel 14, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Artikel 15a
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Behalve uit een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kan ook
### 15a-alg. Toelichting algemeen
Ad 2
Er vindt een afweging plaats of intrekking van het Nederlanderschap het belang van strafrechtelijke vervolging op onaanvaardbare wijze schaadt. Hiervan kan sprake zijn wanneer bijvoorbeeld bij het Openbaar Ministerie al een omvangrijk dossier is voorbereid en er sprake is van een reële verwachting dat betrokkene op korte termijn effectief vervolgd kan worden. De IND neemt voordat een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt genomen contact op met het Openbaar Ministerie zodat kan worden afgewogen of in het voorliggende geval de strafrechtelijke of de bestuurlijke aanpak moet prevaleren.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
alsook: **Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
alsook: **Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten
### paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging
### Paragraaf 2.1.3. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c
Het feit dat het aantal misdrijven in [artikel 14, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), is beperkt tot ernstige misdrijven, dat het misdrijf moeten hebben geleid tot een onherroepelijke veroordeling, dat het misdrijf moet zijn gepleegd ná de inwerkingtreding van het intrekkingsartikel artikel 14, tweede lid en (in het geval van veroordeling op grond van [artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=134a)) onherroepelijk moet zijn geworden na 30 maart 2016 en de omstandigheid dat het Nederlanderschap niet wordt ingetrokken indien de betrokken persoon staatloos wordt, brengen mee dat sprake is van een meer door de wetgever bepaald kader waarbinnen de intrekking ex artikel 14, tweede lid RWN plaats heeft dan bij een intrekking ex artikel 14, eerste lid. Het kader om tot intrekking over te gaan, geeft bij het tweede lid minder discretionaire ruimte aan de Minister dan dat bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste lid.
### 2.4.3. Individueel belang
### Paragraaf 2. Intrekking wegens vreemde krijgsdienst
### Paragraaf 1. Algemeen
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.14HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) opgenomen in de [artikelen 68 t/m 68c BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68).
De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit.
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
### 2.2.4. Algemeen belang
Op grond van [artikel 14, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan de IND het Nederlanderschap intrekken van de bipatride Nederlander die vrijwillig dienst heeft genomen in het leger van een vreemde mogendheid. Voorwaarde is dat deze vreemde mogendheid betrokken is in gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Hierom wordt er geen belang gehecht aan het Unieburgerschap.
### 2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
### 2.2.6. Weging belangen
### 23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
### Paragraaf 1. Algemeen
De intrekking van het Nederlanderschap vindt alleen plaats als de betrokkene ongewenst kan worden verklaard. De ongewenstverklaring is noodzakelijk om de legale terugkeer naar Nederlands grondgebied te voorkomen. Redenen om van de ongewenstverklaring af te zien kunnen in de eerste plaats zijn gelegen in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Gedacht kan worden aan de situatie dat het belang van betrokkene om ongehinderd in Nederland zijn gezinsleven te kunnen uitoefenen zwaarder weegt dat het belang van de Nederlandse staat. Gelet op de ernst van de bedreiging van de nationale veiligheid bij een dreigende terroristische aanslag zal ongewenstverklaring alleen in uitzonderingssituaties niet aan de orde zijn. Als ongewenstverklaring niet mogelijk is wordt van de intrekking van het Nederlanderschap afgezien.
### 15-1-e. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
De elementen die betrokken worden bij de belangenafweging zijn dwingend voorgeschreven in [artikel 68c BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68c). Dit betekent dat de volgende elementen in ieder individueel besluit terug moeten komen:
Ad 1
Doorgaans zal sprake zijn van een ambtsbericht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten dat de feiten bevat waaronder de aansluiting van betrokkene bij een van de organisaties op de lijst en de gedragingen van betrokkene waaruit deze aansluiting kan worden afgeleid. Het is aan Onze Minister om deze informatie te wegen en te beoordelen of de informatie kan leiden tot de intrekking van het Nederlanderschap. Op basis van de in het ambtsbericht opgenomen feiten en gedragingen beoordeelt Onze Minister daarnaast het gevaar voor de nationale veiligheid.
### 15-4. Toelichting ad [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Ad 3 en 4
### 2.2.1. Rechten Unieburgerschap
### Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
### Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.15HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) opgenomen in de [artikelen 68 t/m 68c BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68).
### 15a-alg. Toelichting algemeen
De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit.
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
**alsook: Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
**alsook: Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
**alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
**alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
### 15-1-a. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
### 2.2.6. Weging belangen
### Artikel 22C
### 14-4. Toelichting ad [artikel 14, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Paragraaf 2.1. Belangenafweging
### Paragraaf 2. Evenredigheidstoets bij verlies van Unieburgerschap na van rechtswege verlies van de Nederlandse nationaliteit
Het is niet van doorslaggevend belang of betrokkene zelf geweld heeft gebruikt of heeft deelgenomen aan de gewelddadige strijd. De rol van betrokkene kan wel van belang zijn in het kader van de belangenafweging bij intrekking (zie in die zin: Kamerstukken II, 34 356, nr. 3, blz. 7).
bijvoorbeeld uit een verstekvonnis of informatie van politie of het Openbaar Ministerie blijken dat sprake is van aansluiting in de zin van artikel 14, vierde lid, RWN.
Op grond van artikel 68c, tweede lid, BVVN dient reeds bij de intrekking van het Nederlanderschap expliciet te worden getoetst aan artikel 8 EVRM. De reden hiervoor is dat intrekking op deze grond in alle gevallen gepaard zal gaan met het weigeren van de toegang tot Nederland, en derhalve een inbreuk kan vormen op het recht op gezinsleven en het recht op privéleven van artikel 8 EVRM. De toets aan artikel 8 EVRM wordt opgenomen in het besluit tot ongewenstverklaring.
### 2.2.3. Individueel belang
### 2.2.1. Rechten Unieburgerschap
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten:
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
**alsook: Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
**alsook: Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
**alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
**alsook: Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden**
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid
### Paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
### 2.2.6. Weging belangen
### 15-1-e. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
### 14-10. Toelichting ad [artikel 14, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
Het mogelijke verlies van het Unieburgerschap wordt meegewogen bij het intrekkingsbesluit. Daarnaast worden overige elementen meegewogen, zoals de leeftijd van betrokkene, de gevolgen van de intrekking voor betrokkene en zijn gezinsleden en de banden met Nederland en het land van de tweede nationaliteit.
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.15HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678). Deze evenredigheidstoets is voor de verliesgronden van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) opgenomen in de [artikelen 68 t/m 68c BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68).
De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap.
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
### 2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.
### 2.2.4. Algemeen belang
Op grond van [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan de IND het Nederlanderschap intrekken van de bipatride Nederlander die vrijwillig dienst heeft genomen in het leger van een vreemde mogendheid. Voorwaarde is dat deze vreemde mogendheid betrokken is in gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Hierom wordt geen belang gehecht aan het Unieburgerschap.
Op grond van [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan de IND het Nederlanderschap intrekken van de bipatride Nederlander die vrijwillig dienst heeft genomen in het leger van een vreemde mogendheid. Voorwaarde is dat deze vreemde mogendheid betrokken is in gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Hierom wordt geen belang gehecht aan het Unieburgerschap.
### 2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
### 2.2.6. Weging belangen
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) wordt niet voorafgegaan door het uitbrengen van een voornemen waarop de betrokkene een zienswijze kan geven (Kamerstukken I, 34 356, nr. C, blz. 13). [Artikel 4:11, onder a en onder c Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:11) verzet zich hiertegen. De personen waar het om gaat vormen namelijk een gevaar voor de nationale veiligheid en het is daarom van belang dat het besluit tot intrekking zo snel mogelijk na het bekend worden van de relevante feiten kan worden genomen, zonder dat de betrokken persoon naar aanleiding van een voornemen de gelegenheid wordt geboden terug te keren naar Nederland. Zo wordt de legale terugkeer naar Nederland onmogelijk en wordt de dreiging die van de betrokkenen uitgaat zoveel mogelijk weggenomen.
### 14-5. Toelichting ad [artikel 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Alvorens een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt genomen wordt dit ter beoordeling aan Onze Minister voorgelegd.
### Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van het besluit tot intrekking bedoeld in [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) verzonden aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon of aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken. In het belang van het voorkomen van de terugkeer naar Nederland verwerkt de betreffende autoriteit het besluit op zo kort mogelijk termijn in de basisadministratie, ook als het besluit nog niet onherroepelijk is.
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
Als het Nederlanderschap wordt ingetrokken vervalt het Nederlandse paspoort van rechtswege ([art. 47 lid 1 onder a Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=47)). Van het vervallen van het paspoort wordt terstond melding gedaan bij de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties. Deze melding heeft tot doel te voorkomen dat paspoort uitgevende autoriteiten een nieuw reisdocument verstrekken waarmee de betrokkene Nederland kan inreizen.
### 14-5. Toelichting ad [artikel 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**De persoon die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van het tweede, derde of vierde lid, kan de Nederlandse nationaliteit niet herkrijgen. Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken, indien ten minste vijf jaar jaren zijn verstreken sedert het verlies van de Nederlandse nationaliteit.**
### Artikel 16
De persoon, van wie het Nederlanderschap is ingetrokken op grond van [artikel 14, tweede, derde of vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), kan in beginsel het Nederlanderschap niet opnieuw verkrijgen. Een optie of een naturalisatie is derhalve in beginsel niet mogelijk als gevolg van de werking van artikel 14, vijfde lid RWN.
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
Het is mogelijk het Nederlanderschap te herkrijgen als ten minste vijf jaren zijn verstreken sinds de intrekking van het Nederlanderschap.
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
Het Nederlanderschap kan worden herkregen nadat de Raad van State van het Koninkrijk is gehoord. De Minister zal aan de Raad van State dus advies dienen te vragen.
### 16-alg. Toelichting algemeen
Indien de Kroon niet de vereiste toestemming verleend voor de herkrijging van het Nederlanderschap, kan tegen een geweigerd toestemmings-KB bezwaar worden gemaakt en vervolgens beroep en hoger beroep worden ingesteld.
**Het Nederlanderschap wordt door een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend ingevolge artikel 3, 4, 5, 5a, 5b, 5c of 6, eerste lid, aanhef en onder c, alsmede ingevolge artikel 4 zoals dit luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap van 21 december 2000,** **Stb. 618** **en ingevolge artikel 5 zoals dat luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet van 3 juli 2003 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met de totstandkoming van de Wet conflictrecht adoptie (** **Stb. 284** **). Het verlies bedoeld in de eerste zin treedt niet in indien de andere ouder op het tijdstip van het vervallen van die betrekking Nederlander is of dat was ten tijde van zijn overlijden. Het verlies treedt evenmin in indien het Nederlanderschap ook kan worden ontleend aan artikel 3, derde lid, of aan artikel 2, onder a, van de Wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (** **Stb. 268** **).**
**Het Nederlanderschap wordt door een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend ingevolge artikel 3, 4, 5, 5a, 5b, 5c of 6, eerste lid, aanhef en onder c, alsmede ingevolge artikel 4 zoals dit luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap van 21 december 2000,** **Stb. 618** **en ingevolge artikel 5 zoals dat luidde tot de inwerkingtreding van de Rijkswet van 3 juli 2003 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met de totstandkoming van de Wet conflictrecht adoptie (** **Stb. 284** **). Het verlies bedoeld in de eerste zin treedt niet in indien de andere ouder op het tijdstip van het vervallen van die betrekking Nederlander is of dat was ten tijde van zijn overlijden. Het verlies treedt evenmin in indien het Nederlanderschap ook kan worden ontleend aan artikel 3, derde lid, of aan artikel 2, onder a, van de Wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (** **Stb. 268** **).**
De huidige redactie van deze bepaling is in de wet gekomen met de wetswijzigingen van 2003 en 2010. Ten gevolge van [artikel III RRWN 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft de redactie van het huidige [artikel 14, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap (1 januari 1985). Zie de toelichting bij artikel 14, zesde lid, RWN, paragraaf 2.
De huidige redactie van deze bepaling is in de wet gekomen met de wetswijzigingen van 2003 en 2010. Ten gevolge van [artikel III RRWN 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft de redactie van het huidige [artikel 14, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap (1 januari 1985). Zie de toelichting bij artikel 14, zesde lid, RWN, paragraaf 2.
Ingevolge dit artikellid gaat het Nederlanderschap voor een minderjarige verloren door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het wordt ontleend. Het Nederlanderschap moet dan wel zijn verkregen ingevolge [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3), [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4), 5 oud, [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5), [5a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5a), [5b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5b), [5c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5c) of [6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), dan wel ingevolge artikel 4 RWN, zoals die bepaling luidde tot 1 april 2003 (dat betrof verkrijging van het Nederlanderschap door erkenning of wettiging door een Nederlander).
### Paragraaf 2. [Rijkswet inperking gevolgen Brexit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173)(terugtreden Verenigd Koninkrijk uit de EU)
Bij de verkrijging op grond van artikel 6, lid 1 onder c RWN en op grond van artikel II, lid 1 RRWN 2009 (optie na 01.03.2009 na een erkenning in de periode 01.04.2003 – 01.03.2009 door een Nederlandse man) is het Nederlanderschap verkregen door een optiebesluit en niet van rechtswege. De optieverklaring kan alleen afgelegd worden als het kind is erkend door een Nederlander. Als de familierechtelijke betrekking met de Nederlandse erkenner vervalt, dan gaat het Nederlanderschap ook automatisch verloren. Er is geen intrekkingsbesluit nodig.
### Paragraaf 1. Algemeen
Bij het vervallen van familierechtelijke betrekkingen moet worden gedacht aan bijvoorbeeld: ontkenning vaderschap, vernietiging erkenning of herroeping adoptie.
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
Hierbij dient wel te worden bedacht dat, indien bovenbedoelde beroepstermijn eindigt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, die termijn ingevolge [artikel 1 van de Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=1) wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Pas de dag daarop gaat dan het Nederlanderschap verloren.
### 22-2. Toelichting ad [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22)
### Paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
### Paragraaf 1. Algemeen
Immers, zonder bedoelde familierechtelijke betrekking had nooit sprake kunnen zijn van het Nederlanderschap ex artikel 3, derde lid, RWN. Met andere woorden, vervalt de familierechtelijke betrekking met de persoon via wie het Nederlanderschap wordt ontleend aan artikel 3, derde lid, RWN, ook dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
Als met het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap ook het Unieburgerschap verloren is gegaan en dit verlies onevenredige gevolgen heeft gehad vanuit het oogpunt van het Unierecht, kan het Nederlanderschap gelet op het arrest van 12 maart 2019 van het Europese Hof van Justitie (C-221/17) met terugwerkende kracht worden herkregen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN. Zie verder de toelichting bij dat artikel. In voorkomende gevallen en indien mogelijk, ligt het voor de hand om door de verliesbepaling van artikel 14, zesde lid, RWN geraakte personen actief voor te lichten over deze mogelijkheid om het Nederlanderschap te herkrijgen.
Ingevolge overgangsbepaling [artikel III RRWN 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van het voormalige tweede lid (tot 2010, en daarna het vierde lid, en vanaf 2017 het zesde lid van artikel 14 RWN). Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, zesde lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen. Echter, als gevolg van het bepaalde bij overgangsbepaling artikel III RRWN moet, wat betreft de toepassing van onderhavig artikellid ervan worden uitgegaan dat bedoelde uitzonderingen reeds gelden vanaf 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend (ingevolge bijvoorbeeld artikel 3, eerste lid, RWN), zulks ondanks bijvoorbeeld dat de minderjarige het Nederlanderschap tevens ontleende aan artikel 3, derde lid, RWN, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
**alsook: Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
**alsook: Verklaring vrijgesteld van optiegelden**
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### 2.2.1. Rechten Unieburgerschap
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
### Paragraaf 1. Algemeen
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
### 2.2.4. Algemeen belang
De IND betrekt bij de evenredigheidstoets aan het Unieburgerschap onder meer de volgende aspecten:
### 2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
### 2.2.6. Weging belangen
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
### Paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) wordt niet voorafgegaan door het uitbrengen van een voornemen waarop de betrokkene een zienswijze kan geven (Kamerstukken I, 34 356, nr. C, blz. 13). [Artikel 4:11, onder a en onder c Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:11) verzet zich hiertegen. De personen waar het om gaat vormen namelijk een gevaar voor de nationale veiligheid en het is daarom van belang dat het besluit tot intrekking zo snel mogelijk na het bekend worden van de relevante feiten kan worden genomen, zonder dat de betrokken persoon naar aanleiding van een voornemen de gelegenheid wordt geboden terug te keren naar Nederland. Zo wordt de legale terugkeer naar Nederland onmogelijk en wordt de dreiging die van de betrokkenen uitgaat zoveel mogelijk weggenomen.
### Paragraaf 1.3.1. Statenopvolging bij de toepassing van [artikel 15, lid 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Anders dan bij intrekking op grond van het eerste en tweede lid staat tegen de intrekking van het Nederlanderschap op grond van het vierde lid geen bezwaar open. De betrokkene of zijn gemachtigde kan rechtstreeks beroep indienen tegen het besluit. Bepalingen over beroep en hoger beroep zijn opgenomen in [artikel 22A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22a), [22B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22b) en [22C, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22c).
### Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van het besluit tot intrekking bedoeld in [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) verzonden aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon of aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken. In het belang van het voorkomen van de terugkeer naar Nederland verwerkt de betreffende autoriteit het besluit op zo kort mogelijk termijn in de basisadministratie, ook als het besluit nog niet onherroepelijk is.
### paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
Naar aanleiding van de melding wordt het paspoort opgenomen in het Basisregister Reisdocumenten (BR) en in het Register Paspoortsignaleringen (RPS). Deze registers zijn gekoppeld aan het Schengeninformatiesysteem (SIS-II) en de database Stolen and Lost Travel Documents (SLTD) van Interpol.
### 14-5. Toelichting ad [artikel 14, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**De persoon die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van het tweede, derde of vierde lid, kan de Nederlandse nationaliteit niet herkrijgen. Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken, indien ten minste vijf jaar jaren zijn verstreken sedert het verlies van de Nederlandse nationaliteit.**
### 14-6. Toelichting ad [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Door de intrekking van het Nederlanderschap is de band met het Koninkrijk definitief verbroken. De tweede zin van artikel 14, vijfde lid, maakt evenwel in een bijzonder geval de herkrijging van het Nederlanderschap mogelijk.
### Paragraaf 1. Algemeen
Het is echter niet de bedoeling dat op grote schaal van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. De uitzondering is alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen.
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
Bij Koninklijk Besluit (KB) zal de Kroon al dan niet toestemming verlenen voor de herkrijging van het Nederlanderschap. Zonder deze toestemming kan het Nederlanderschap niet worden verkregen of verleend. Dit betekent dat de betrokken persoon alvorens een naturalisatieverzoek in te dienen of optieverklaring af te leggen, een toestemmings-KB moet overleggen, wil zijn verzoek toegewezen kunnen worden. Hij zal de Minister in de eerste plaats gemotiveerd, onder aanvoering van de zeer bijzonderheid van zijn omstandigheden, moeten verzoeken om te bevorderen dat er een toestemmings-KB wordt geslagen.
### 14-6. Toelichting ad [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Op grond van [artikel II, lid 4 RRWN 2009](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) gaat het Nederlanderschap voor minderjarigen op grond van dit artikel verloren als het Nederlanderschap is verkregen op grond van artikel II, lid 1 RRWN 2009 (optie op grond van het overgangsrecht).
### Paragraaf 1. Algemeen
Verlies als bedoeld zal echter niet intreden indien:
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
Het verlies van het Nederlanderschap treedt in op de dag waarop in het algemeen de rechterlijke uitspraak niet meer openstaat voor beroep, mits het kind op die dag (nog) minderjarig is. Betreft het een Nederlandse rechterlijke uitspraak dan is dat als gevolg van wijziging van het Burgerlijk Procesrecht met ingang van 1 januari 2002 (zie [artikel 358 WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=358) en [artikel 426 WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=426)):
### Paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Betreft het een buitenlandse rechterlijke uitspraak, die volgens de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht hier te lande moet worden erkend, dan gaat het Nederlanderschap verloren op de dag waarop deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c en d RWN en in paragraaf ‘5a-alg Toelichting algemeen’ bij de toelichting op artikel 5a RWN.
### Paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Ingevolge overgangsbepaling [artikel III RRWN 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van het voormalige tweede lid (tot 2010, en daarna het vierde lid, en vanaf 2017 het zesde lid van artikel 14 RWN). Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, zesde lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen. Echter, als gevolg van het bepaalde bij overgangsbepaling artikel III RRWN moet, wat betreft de toepassing van onderhavig artikellid ervan worden uitgegaan dat bedoelde uitzonderingen reeds gelden vanaf 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend (ingevolge bijvoorbeeld artikel 3, eerste lid, RWN), zulks ondanks bijvoorbeeld dat de minderjarige het Nederlanderschap tevens ontleende aan artikel 3, derde lid, RWN, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2.2.2. Bewijslast
Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.
Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese Parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.
### Paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
De persoon ten aanzien van wie de familierechtelijke betrekking vervalt, hoeft niet noodzakelijk Nederlander te zijn. Het kind kan namelijk via die persoon het Nederlanderschap ontlenen aan uitsluitend artikel 3, derde lid, RWN. Ook in dat geval moet worden gesteld dat het Nederlanderschap wordt ontleend aan de familierechtelijke betrekking met die persoon.
### paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
Verder is sedert 1 april 2003 in onderhavig artikellid tot uitdrukking gebracht dat de betreffende verliesbepaling alleen van toepassing is op minderjarigen. Ook dat moet ingevolge overgangsbepaling artikel III RRWN geacht worden te gelden sedert 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een meerderjarige, op grond van het toen geldende artikel 14, eerste lid, RWN, zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het als gevolg van bijvoorbeeld herroeping van adoptie vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
### Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
A, geboren in 1990, is het kind van een Nederlandse man en een Franse vrouw. A ontleent het Nederlanderschap aan uitsluitend artikel 3, eerste lid, RWN en is tevens van Franse nationaliteit.
### Paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
Derhalve verliest de minderjarige A op 8 april 2004 het Nederlanderschap op grond van het toen geldende artikel 14, tweede lid RWN, (dit artikellid, is in 2010 vernummerd tot het vierde lid RWN en vervolgens in 2017 tot het zesde lid RWN). Het verlies kan niet worden voorkomen; immers, de moeder is niet van Nederlandse nationaliteit, A ontleent het Nederlanderschap niet tevens aan artikel 3, derde lid, RWN, en hij zal door het verlies van het Nederlanderschap ook niet staatloos worden.
B, minderjarig kind van Belgische ouders, ontleent het Nederlanderschap via de vader aan artikel 3, derde lid, RWN en is tevens van Belgische nationaliteit.
Bij beschikking van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 5 maart 2011 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van B. Tegen de uitspraak wordt hoger beroep ingesteld. De uitspraak in dat beroep volgt op 9 juli 2011 en bij die uitspraak wordt de beschikking van de rechtbank bevestigd. Beroep in cassatie wordt niet ingesteld.
De minderjarige B verliest met ingang van 10 oktober 2011 het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid RWN. B wordt daardoor niet staatloos, omdat hij de Belgische nationaliteit bezit. Weliswaar kan verlies van het Nederlanderschap niet intreden indien betrokkene het Nederlanderschap tevens ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN, maar B ontleent het Nederlanderschap niet óók aan artikel 3, derde lid, RWN. Hij bezat het via de vader uitsluitend op grond van die bepaling.
Zou B het Nederlanderschap tevens via de moeder aan artikel 3, derde lid, RWN ontlenen, dan zou voor hem geen verlies intreden. De familierechtelijke betrekking met de moeder is immers niet vervallen.
C is in 1999 geboren in Australië als dochter van een Australische vrouw. In 2000 is C erkend door een Nederlander, waardoor zij het Nederlanderschap verkreeg op grond van het toen geldende artikel 4 RWN. Sindsdien is C van Nederlandse en Australische nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent zij uitsluitend aan het toen geldende artikel 4 RWN. In 2001 verkrijgt de moeder van C het Nederlanderschap door naturalisatie. Na het overlijden van de Nederlandse moeder wordt bij beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 7 april 2004 de erkenning van C vernietigd. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld.
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
D ontleent bij haar geboorte in 2006 de Dominicaanse nationaliteit aan haar ongehuwde moeder. Op 11 maart 2012 wordt zij erkend door een Nederlandse man. Zij verkrijgt daardoor het Nederlanderschap op grond van artikel 4 lid 2 RWN en behoudt de Dominicaanse nationaliteit. Haar moeder vestigt zich kort daarna met D in Nederland en dient op 20 oktober 2017, na vijf jaar toelating en hoofdverblijf, een verzoek om naturalisatie in. In april 2018 wordt aan haar het Nederlanderschap verleend. De Nederlandse man verzoekt de rechtbank in mei 2018 zijn erkenning van D te vernietigen. De rechtbank gaat daartoe over bij beschikking van 30 september 2018. Daartegen wordt geen hoger beroep ingesteld, zodat de beschikking op 31 december 2018 in kracht van gewijsde gaat. Hoewel uit [artikel 1:206 lid 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=206) volgt dat de erkenning wordt geacht nimmer rechts gevolg te hebben gehad, verliest D het Nederlanderschap niet omdat haar moeder op 31 december 2018 Nederlander was. Dat de moeder op 11 maart 2012 nog geen Nederlander was, is niet van belang.
### 14-7. Toelichting ad [artikel 14, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**Het Nederlanderschap wordt niet verloren dan krachtens een van de bepalingen van dit hoofdstuk.**
### 14-8. Toelichting ad [artikel 14, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, vindt geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien het gevolg daarvan zou zijn dat betrokkene door geen enkele staat, krachtens en diens wetgeving, als zijn onderdaan wordt beschouwd.**
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
### Artikel 15
### 14-9. Toelichting ad [artikel 14, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**De in het vierde lid bedoelde lijst wordt na vaststelling of wijziging toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de Staten van Aruba, aan die van Curaçao en aan die van Sint Maarten en wordt gepubliceerd in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten.**
### 14-10. Toelichting ad [artikel 14, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere regels gesteld omtrent de elementen die betrokken worden bij de belangenafweging inzake een beslissing omtrent intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste, tweede, derde of vierde lid.**
**Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur worden nadere regels gesteld omtrent de elementen die betrokken worden bij de belangenafweging inzake een beslissing omtrent intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste, tweede, derde of vierde lid.**
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### 2.2.1. Rechten Unieburgerschap
### 2.2.2. Bewijslast
### Paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### Paragraaf 1. Algemeen
Voor rechterlijke uitspraken van na 1 januari 1985, maar vóór 1 januari 2002 dient te worden bedacht dat de termijn voor het instellen van de rechtsmiddelen hoger beroep en cassatie korter is geweest dan de termijn van drie maanden die per 1 januari 2002 geldt. Voor de bepaling van de dag waarop het Nederlanderschap is verloren, dient rekening te worden gehouden met het feit dat deze uitspraken eerder in kracht van gewijsde zijn gegaan.
### 14-7. Toelichting ad [artikel 14, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Artikel V RRWN
### paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
In principe zou dit voor de minderjarige C verlies van het Nederlanderschap meebrengen, en wel met ingang van 8 juli 2004. Echter, in dit geval treedt geen verlies in, omdat de andere ouder ten tijde van haar overlijden Nederlander was.
### 14-7. Toelichting ad [artikel 14, zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**Het Nederlanderschap wordt niet verloren dan krachtens een van de bepalingen van dit hoofdstuk.**
Uit deze bepaling blijkt dat de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) limitatief de rechtsgronden opsomt waarop het Nederlanderschap verloren gaat. Alle verliesgronden zijn opgenomen in [hoofdstuk 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=5) ([artikelen 14 t/m 16A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)).
**Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, vindt geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien het gevolg daarvan zou zijn dat betrokkene door geen enkele staat, krachtens en diens wetgeving, als zijn onderdaan wordt beschouwd.**
Hoofdregel bij verlies van het Nederlanderschap is, dat geen verlies optreedt indien dat leidt tot staatloosheid. Op de hoofdregel formuleert dit artikellid één uitzondering, namelijk het geval waarin sprake is van intrekking van het Nederlanderschap op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) (intrekking wegens valse verklaring, bedrog of verzwijging van een relevant feit). In een dergelijk geval kan het verlies van het Nederlanderschap wél leiden tot staatloosheid.
### Paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
In [artikel 68 tot en met 68 c BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) zijn nadere regels gesteld over de belangenafweging die plaatsvindt bij een intrekking van het Nederlanderschap op grond van het eerste tot en met het vierde lid. Deze belangenafweging is in deze handleiding nader uitgewerkt in de toelichting op [artikel 14, eerste tot en met vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14).
### Artikel 15
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
### 15-1-a. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
BVVN: [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [61 t/m 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61) en [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=72)
### paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
Zie voor het overgangsrecht de toelichting bij de afzonderlijke artikelleden.
Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door meerderjarigen. Meerderjarig zijn volgens [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1):
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap
### 2.2.2. Bewijslast
### 2.2.3. Individueel belang
### Paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
N.B. Tot 1 april 2003 gold een verliesgrond, in hoofdlijnen overeenkomend met het huidige artikel 14, zesde lid, RWN. Die verliesgrond was opgenomen in het eerste lid van het oude artikel 14 RWN en tevens van toepassing op meerderjarigen. Voorwaarde was dat het Nederlanderschap moest worden ontleend aan artikel 3, [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4) of [5 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5). De vraag die zich bij de toepassing van die bepaling voordeed was: wat rechtens indien de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892? Uit de uitspraak van de Rechtbank ‘s-Gravenhage van 16 april 1999, nr. 98 637, blijkt dat het oude artikel 14, eerste lid, RWN naar de letter dient te worden toegepast. Dit heeft tot gevolg dat in die gevallen waarin de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de WNI, betrokkene niet geacht wordt het Nederlanderschap door het vervallen van de betrekking te hebben verloren.
### Paragraaf 1. Algemeen
### 14-8. Toelichting ad [artikel 14, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
### 14-8. Toelichting ad [artikel 14, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Deze staatloosheid wordt niet vastgesteld op grond van de [Wet vaststellingsprocedure staatloosheid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0048458). Daarom wordt de term staatloosheid hier niet (meer) genoemd in de wettekst. De vraag of iemand door geen enkele staat, krachtens en diens wetgeving, als zijn onderdaan wordt beschouwd wordt bepaald door uitleg van de toepasselijke nationaliteitswetgeving.
### 14-9. Toelichting ad [artikel 14, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
**De in het vierde lid bedoelde lijst wordt na vaststelling of wijziging toegezonden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de Staten van Aruba, aan die van Curaçao en aan die van Sint Maarten en wordt gepubliceerd in de Staatscourant, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten.**
### 14-10. Toelichting ad [artikel 14, tiende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### Artikel 15
RWN: [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); 1.2; [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) en [14.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
RRWN: [artikelen IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) en[V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
Boek 10 BW: [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=19)
Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door meerderjarigen. Meerderjarig zijn volgens [artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1):
Als met het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap ook het Unieburgerschap verloren is gegaan en dit verlies onevenredige gevolgen heeft gehad vanuit het oogpunt van het Unierecht, kan het Nederlanderschap gelet op het arrest van 12 maart 2019 van het Europese Hof van Justitie (C-221/17) met terugwerkende kracht worden herkregen op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Zie verder de toelichting bij dat artikel.
Een voorbeeld van het bovenstaande is artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet. Tot 1 april 2003 heeft de toepassing van dat artikel geleid tot verlies van het Nederlanderschap. Door invoering van [artikel 15, tweede lid en onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) heeft artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet geen impact meer op het bezit van het Nederlanderschap van de Nederlander op wie op of na 1 april 2003 artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet van toepassing is.
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
De verkrijging van de andere nationaliteit, door bijvoorbeeld optie of naturalisatie, moet vrijwillig zijn. Het moet gaan om een wilsdaad die specifiek is gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit.
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
De wettelijke bepalingen met betrekking tot het verkrijgen van een vreemde nationaliteit door een Nederlander beogen van oudsher te leiden tot verlies van het Nederlanderschap en strekken op die manier tot het vermijden van meervoudige nationaliteit.
### Paragraaf 1
Het is bij deze regel van belang of de vreemde nationaliteit voor of na 1 april 2003 is verkregen. Op 1 april 2003 is [artikel 15, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) ingevoerd. Hierin zijn gronden opgenomen die het verlies van het Nederlanderschap tegenhouden. In de gevallen die artikel 15, tweede lid RWN noemt, zal dus na 1 april 2003 wel meervoudige nationaliteit (zijn) ontstaan, omdat het Nederlanderschap dan niet is of wordt verloren.
### 16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 1. Algemeen
### 16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
Kent de vreemde nationaliteitswetgeving (soms: ook) een termijn waarbinnen een verwerping moet plaatsvinden dat gelegen is**na de verkrijging** van de vreemde nationaliteit, dan gaat het Nederlanderschap verloren op de dag dat deze verwerpingstermijn afloopt. Men is in dit geval dus enige tijd bipatride.
### Paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
Op grond van [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) treedt ondanks vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit géén verlies van het Nederlanderschap in als betrokkene:
Deze uitzonderingen gelden niet als de betrokkene de nationaliteit heeft verkregen van een staat, die partij is bij het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1964, nr. 4), maar niet ook partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol (Trb. 1994, 265). Sinds 19 december 2019 is alleen Oostenrijk partij bij het Verdrag van Straatsburg, terwijl Oostenrijk geen partij is bij het Tweede Protocol (voor nadere uitleg zie de [toelichting bij artikel 15A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15a&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2.2.2. Bewijslast
### 2.2.3. Individueel belang
### 2.2.6. Weging belangen
### 14-6. Toelichting ad [artikel 14, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Bij beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 7 januari 2004 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van de minderjarige A. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld. Ingevolge [artikel 1:202, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=202) vervalt de familierechtelijke betrekking tussen de Nederlandse man en A op het moment dat de beschikking van 7 januari 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
### 15-1-a. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### 15-1-d. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Het moment waarop het verlies van het Nederlanderschap wegens het niet (tijdig) verwerpen van de vreemde nationaliteit intreedt, is afhankelijk van de omstandigheid of de termijn van verwerping vóór of na de verkrijging van de vreemde nationaliteit ligt.
Op grond van [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) treedt ondanks vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit géén verlies van het Nederlanderschap in als betrokkene:
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### 2.2.1. Rechten Unieburgerschap
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### Paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### 15-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### 15-1-a. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
De verkrijging van de andere nationaliteit, door bijvoorbeeld optie of naturalisatie, moet vrijwillig zijn. Het moet gaan om een wilsdaad die specifiek is gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit.
### paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
De wettelijke bepalingen met betrekking tot het verkrijgen van een vreemde nationaliteit door een Nederlander beogen van oudsher te leiden tot verlies van het Nederlanderschap en strekken op die manier tot het vermijden van meervoudige nationaliteit.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
RWN: [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); 1.2; [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) en [14.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### 15-alg. Toelichting algemeen
Als een andere nationaliteit, anders dan de in [paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) genoemde voorbeelden, van rechtswege wordt verkregen en de wetgeving van die andere nationaliteit biedt de mogelijkheid om de ontvangen nationaliteit te verwerpen of het verkrijgen ervan te voorkomen, dan verliest men de Nederlandse nationaliteit als men geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot verwerping van de andere nationaliteit of van de mogelijkheid om de andere nationaliteit niet te verkrijgen. Als geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid de andere nationaliteit te verwerpen, wordt de verkrijging van de andere nationaliteit geacht vrijwillig te zijn. Alleen bij noodgedwongen niet-verwerping van de andere nationaliteit (bijv. als men daardoor gedwongen zou worden zijn woonland te moeten verlaten) wordt de verkrijging van de andere nationaliteit onvrijwillig geacht en treedt geen verlies van het Nederlanderschap in.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
Een voorbeeld van het bovenstaande is artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet. Tot 1 april 2003 heeft de toepassing van dat artikel geleid tot verlies van het Nederlanderschap. Door invoering van [artikel 15, tweede lid en onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) heeft artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet geen impact meer op het bezit van het Nederlanderschap van de Nederlander op wie op of na 1 april 2003 artikel 5 van de Surinaamse nationaliteitswet van toepassing is.
Kent de vreemde nationaliteitswetgeving alleen een termijn waarbinnen een **komende verkrijging** van die nationaliteit kan worden voorkomen en maakt men van deze mogelijkheid tot niet-verkrijging geen gebruik, dan treedt het verlies van het Nederlanderschap in op de dag dat de vreemde nationaliteit van rechtswege wordt verkregen.
### Paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
Onder echtgenoot wordt tevens verstaan de partner in een in Nederland geregistreerd partnerschap of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, en het buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) (zie voor een uitzondering hierop de toelichting bij artikel 15A RWN).
Zie ook de toelichting op artikel 15, tweede lid, RWN, waarin is aangegeven wanneer de uitzondering van [artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet van toepassing is.
Als in het concrete geval sprake is van zogenaamde ‘statenopvolging’: zie voor een uitleg van het begrip ‘**geboren in het land van die andere nationaliteit**’ ([art. 15, tweede lid, a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)) of het **‘in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad**’ ([art. 15, tweede lid, b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)) hieronder in [paragraaf 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Bij statenopvolging kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het uiteenvallen van een staat in diverse nieuwe staten of aan een splitsing van een staat als gevolg van een afscheidingsverklaring. In het kader van de hier bedoelde statenopvolging wordt veelal door de nieuw ontstane staten aan bepaalde (in het buitenland wonende) voormalige burgers van de oude uiteengevallen/gesplitste staat de mogelijkheid geboden om (onder bepaalde voorwaarden) de nationaliteit van de nieuwe staat door optie te verkrijgen.
Bij statenopvolging kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het uiteenvallen van een staat in diverse nieuwe staten of aan een splitsing van een staat als gevolg van een afscheidingsverklaring. In het kader van de hier bedoelde statenopvolging wordt veelal door de nieuw ontstane staten aan bepaalde (in het buitenland wonende) voormalige burgers van de oude uiteengevallen/gesplitste staat de mogelijkheid geboden om (onder bepaalde voorwaarden) de nationaliteit van de nieuwe staat door optie te verkrijgen.
### Paragraaf 1.3.1. Statenopvolging bij de toepassing van [artikel 15, lid 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Ook bij de toepassing van [15, tweede lid onder a of b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan statenopvolging een rol spelen. Als een persoon vrijwillig een vreemde nationaliteit heeft verkregen, dan kan het verlies van de Nederlandse nationaliteit toch niet intreden als de persoon in het land van die nieuwe nationaliteit is geboren en daar verblijft op het moment van de verkrijging of als hij daar vijf jaar voor zijn meerderjarigheid heeft gewoond. De Hoge Raad heeft op 26 juni 2015 uitspraak gedaan inzake de interpretatie van artikel 15 lid 2 RWN bij een statenopvolging. Het betrof in deze zaak een persoon die vóór de onafhankelijkheid van Suriname aldaar is geboren en die tevens vóór de onafhankelijkheid van Suriname vijf jaar als minderjarige aldaar had gewoond. De vraag was of hij door vrijwillige verkrijging van de Surinaamse nationaliteit (ná 1 april 2003) de Nederlandse nationaliteit had verloren. De Hoge Raad oordeelde met de volgende overweging dat deze persoon het Nederlanderschap had behouden:
Ook bij de toepassing van [15, tweede lid onder a of b RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan statenopvolging een rol spelen. Als een persoon vrijwillig een vreemde nationaliteit heeft verkregen, dan kan het verlies van de Nederlandse nationaliteit toch niet intreden als de persoon in het land van die nieuwe nationaliteit is geboren en daar verblijft op het moment van de verkrijging of als hij daar vijf jaar voor zijn meerderjarigheid heeft gewoond. De Hoge Raad heeft op 26 juni 2015 uitspraak gedaan inzake de interpretatie van artikel 15 lid 2 RWN bij een statenopvolging. Het betrof in deze zaak een persoon die vóór de onafhankelijkheid van Suriname aldaar is geboren en die tevens vóór de onafhankelijkheid van Suriname vijf jaar als minderjarige aldaar had gewoond. De vraag was of hij door vrijwillige verkrijging van de Surinaamse nationaliteit (ná 1 april 2003) de Nederlandse nationaliteit had verloren. De Hoge Raad oordeelde met de volgende overweging dat deze persoon het Nederlanderschap had behouden:
### 3.1. Rechten Unieburgerschap
Deze beschikking van de Hoge Raad is niet alleen van toepassing op Suriname, maar ook op andere landen als sprake is van het krijgen van de nationaliteit van een nieuw gevormde soevereine staat. Het begrip ‘land’ van artikel 15 lid 2 onder a en b dient dan als volgt te worden uitgelegd:
### 16-2-alg. Toelichting algemeen
### 3.2. Bewijslast
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
Als bij 3. ‘ja’ moet worden geantwoord, blijft betrokkene Nederlander.
Op 12 maart 2019 stelde de rechter van de Europese Unie vast dat de Nederlandse verliesbepalingen [artikel 15, eerste lid en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [artikel 16, eerste lid en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) in overeenstemming zijn met het recht van de Europese Unie. Daaraan verbond de rechter wel als voorwaarde dat in een individuele en concrete situatie het mogelijk is om te laten toetsen of het verlies van het Unieburgerschap evenredig is aan het door de Nederlandse verliesbepaling beoogde doel.1Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:189. In geval van gebleken onevenredigheid moet de verloren nationaliteit met terugwerkende kracht kunnen worden herkregen. Deze uitspraak geldt alleen voor situaties waarin door het verlies van het Nederlanderschap tevens sprake is van verlies van het Unieburgerschap.
Op 12 maart 2019 stelde de rechter van de Europese Unie vast dat de Nederlandse verliesbepalingen [artikel 15, eerste lid en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [artikel 16, eerste lid en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) in overeenstemming zijn met het recht van de Europese Unie. Daaraan verbond de rechter wel als voorwaarde dat in een individuele en concrete situatie het mogelijk is om te laten toetsen of het verlies van het Unieburgerschap evenredig is aan het door de Nederlandse verliesbepaling beoogde doel.1Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:189. In geval van gebleken onevenredigheid moet de verloren nationaliteit met terugwerkende kracht kunnen worden herkregen. Deze uitspraak geldt alleen voor situaties waarin door het verlies van het Nederlanderschap tevens sprake is van verlies van het Unieburgerschap.
Het Unieburgerschap is ingevoerd met het Verdrag van Maastricht, dat in werking trad op 1 november 1993. Verlies van het Nederlanderschap ingetreden voor 1 november 1993 valt daarom niet onder de uitspraak van de Europese rechter, waardoor in deze gevallen geen evenredigheidstoets op verlies van het Unieburgerschap hoeft plaats te vinden.
Daarna heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:423) geoordeeld dat de evenredigheidstoets op het verlies van het Unieburgerschap kan worden uitgevoerd op basis van het rechtstreeks werkende artikel 20 VWEU.
Verder heeft de Raad van State in een uitspraak van 20 mei 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1269) geoordeeld dat een evenredigheidstoets mogelijk moet zijn, indien men het Nederlanderschap is verloren op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. De Raad van State overwoog hierbij dat het Hof een breed toepassingsbereik van de evenredigheidstoets op het oog had (ro. 2.6).
### Paragraaf 2. [Rijkswet inperking gevolgen Brexit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173)(terugtreden Verenigd Koninkrijk uit de EU)
Naar aanleiding van deze jurisprudentie is een wetswijziging van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) in voorbereiding. Totdat de RWN is aangepast kan bij constatering van het automatisch verlies van het Nederlanderschap, een dergelijke evenredigheidstoets worden verricht bij een aanvraag voor een Nederlands paspoort, of een Nederlandse identiteitskaart of door het aanvragen van een “Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap”, zoals beschreven in artikel 15, vierde lid RWN, in combinatie met [artikel 61 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61).
Bij een verzoek tot registratie in de BRP of wijziging van die registratie is geen plaats voor een evenredigheidstoets. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State noch uit de [Wet Basisregistratie personen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715) volgt dat in het kader van (een verzoek tot) inschrijving in de BRP aan het evenredigheidsbeginsel moet worden getoetst. De evenredigheidstoets moet worden uitgevoerd volgens de procedurele regels van het nationale recht en door een volgens het nationale recht bevoegd orgaan. De Wet BRP strekt slechts tot registratie, en niet tot verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. De Wet Basisregistratie personen biedt dan ook geen grondslag voor toetsing aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en een herkrijging van het Nederlanderschap. Voor een toets aan het evenredigheidsbeginsel in de BRP-procedure is daarom geen plaats.
Indien in een van de voorgaande aanvraagprocedures wordt gesteld dat het automatisch verlies van het Nederlanderschap in een individuele situatie onevenredig is geweest uit het oogpunt van het Unierecht, dan vraagt het betreffende bestuursorgaan advies aan de IND over de evenredigheid van het verlies van het Unieburgerschap.
In de evenredigheidstoets wordt door de IND beoordeeld of het verlies van het Unieburgerschap in het individuele geval gevolgen heeft gehad die vanuit het oogpunt van het Unierecht onevenredig zijn, afgewogen tegen de wettelijke doelstelling van de desbetreffende verliesbepaling. Bij deze beoordeling komt overigens louter gewicht toe aan gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap en de daaraan verbonden unierechten, zoals de uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie, de mogelijkheid daar beroepsactiviteiten te verrichten, en het in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde rechten zoals de eerbiediging van het familie-en gezinsleven en het belang van het kind.
Aan niet op het Unierecht betrekking hebbende argumenten, zoals het argument dat iemand zich nog steeds als Nederlander beschouwt of een sterke verbondenheid voelt met Nederland, komt geen gewicht toe. Evenmin dient rekening te worden gehouden met rechten, die louter gebaseerd zijn op nationaal recht. In de evenredigheidstoets geldt als peildatum de dag waarop men het Nederlanderschap van rechtswege verloor, waarbij tevens gevolgen die op dat moment redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden meegewogen. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar zijn worden niet meegewogen.
Als sprake is van onevenredige gevolgen ten aanzien van het verlies van Unierechten, dan herkrijgt de aanvrager het Nederlanderschap, met terugwerkende kracht tot de datum van het eerdere van rechtswege verlies. Als geen sprake is van onevenredige gevolgen ten aanzien van het verlies van het Unieburgerschap, dan blijft het verlies in stand, dus herkrijgt de aanvrager niet het Nederlanderschap.
### Paragraaf 2. [Rijkswet inperking gevolgen Brexit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173)(terugtreden Verenigd Koninkrijk uit de EU)
### 16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
Dit betekent dat een Nederlander, die de Britse nationaliteit heeft aangevraagd en verkregen, het Nederlanderschap verliest, tenzij een van de situaties in [paragraaf 1.2 bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01) van toepassing is of één van de uitzonderingen van [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15).
Noorwegen heeft Hoofdstuk I van het Verdrag toegepast van 27 december 1969 tot 19 december 2019. Voor Noorwegen is op 27 december 1969 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. Met ingang van 19 december 2019 is voor Noorwegen de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd.
### Paragraaf 1. Algemeen
Behalve het vereiste van meerderjarigheid, geldt hier verder als enige voorwaarde dat betrokkene naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit bezit. Hij mag immers volgens [artikel 14, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) niet staatloos worden. Het bezit van die andere nationaliteit zal in de meeste gevallen blijken uit de beschrijving van betrokkene in de BRP. Is dat niet het geval, dan moet een bewijs van de andere nationaliteit worden overgelegd. Dit bewijs kan ook worden verlangd als bijvoorbeeld aan het al dan niet bezitten van een andere nationaliteit wordt getwijfeld (vergelijk [artikel 62, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Dit geldt eveneens ten aanzien van de minderjarige kinderen van betrokkene, die – mits zij daardoor niet staatloos worden – op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) delen in de afstand.
Een verklaring van afstand (zie [model 3.2 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01)) moet in Nederland worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester ([artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene met een adres in de BRP is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
Een verklaring van afstand wordt in beginsel in persoon ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) en schriftelijk ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)) afgelegd, omdat van belang is dat wordt aangetoond dat de betrokkene is wie hij zegt te zijn. De burgemeester, moet zich de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de betreffende persoon ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). In dat kader wordt betrokkene verzocht een geldig identiteitsdocument te overleggen.
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
De verklaring van afstand vermeldt dat de persoon die de verklaring aflegt, bekend is met het feit dat ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) minderjarige kinderen onder omstandigheden zullen delen in het verlies van het Nederlanderschap ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen bepaalt de burgemeester, voor zoveel mogelijk, of hiervan sprake zal zijn ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)) en licht hij degene die de afstandsverklaring aflegt daarover in.
### paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
De door de burgemeester opgemaakte verklaring van afstand wordt door de betrokkene of, in het voorkomend geval, door zijn gemachtigde ondertekend ([artikel 3, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Tevens vindt ondertekening plaats door of namens de burgemeester. Tenzij de betrokkene daardoor staatloos zou worden, treedt verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in door de verklaring zelf. Aan het verlies ligt dan ook geen enkele beslissing van overheidswege ten grondslag.
De door de burgemeester opgemaakte verklaring van afstand wordt door de betrokkene of, in het voorkomend geval, door zijn gemachtigde ondertekend ([artikel 3, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Tevens vindt ondertekening plaats door of namens de burgemeester. Tenzij de betrokkene daardoor staatloos zou worden, treedt verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in door de verklaring zelf. Aan het verlies ligt dan ook geen enkele beslissing van overheidswege ten grondslag.
### Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
De burgemeester zendt het origineel van de afgelegde afstandsverklaring en een afschrift van de bevestiging, ter opneming in het nationaliteitenregister bedoeld in [artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22), aan de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie en behoudt zelf afschriften van deze documenten ([artikel 64, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)). Tevens zendt hij een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de personen, die door of als gevolg van de verklaring van afstand hun Nederlanderschap verloren hebben, in de BRP zijn ingeschreven. Wonen de hier bedoelde personen in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, dan zendt hij een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie en Verslavingszorg van Aruba, de Minister van Justitie van Curaçao en de Minister van Justitie van Sint Maarten (artikel 64, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
### Paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
Als de verklaring van afstand met rechtsgevolg is afgelegd, bevordert de burgemeester ([artikel 64, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)) dat:
### 15-1-c. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Behoudens het gestelde in de volgende alinea, treedt verlies van het Nederlanderschap in door langdurig verblijf in het buitenland. Van belang hierbij is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan. Betrokkene:
### Artikel 22B
Echter, ook al wordt voldaan aan de hierboven genoemde voorwaarden, dan nog treedt géén verlies van het Nederlanderschap in, indien:
### 22-2. Toelichting ad [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22)
Als een Nederlander ingevolge paragraaf 3 Abs (2) Staatsangehörigkeitsgesetz (2007) in 2007 met terugwerkende kracht de Duitse nationaliteit heeft verkregen zou dit kunnen betekenen dat hij/zij – achteraf bezien – het Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, eerste lid en aanhef onder c, RWN. Voor deze benadering wordt echter niet gekozen omdat het nationaliteitsbeleid ten aanzien van Nederlanders in het buitenland daardoor zou worden beïnvloed door wetgeving van een vreemde overheid. Immers, een vreemde staat zou door het met terugwerkende kracht van rechtswege verschaffen van zijn nationaliteit aan Nederlanders, hen het Nederlanderschap kunnen ontnemen. Dat is niet gewenst.
### 17-alg. Toelichting algemeen
Betrokkene Y is het bezit van zowel de Nederlandse als de Australische nationaliteit en heeft nog nooit binnen het Koninkrijk of binnen de Europese Unie gewoond. Zij is ook nog nooit in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument. Y werd meerderjarig op 1 mei 2012. Wanneer verliest zij het Nederlanderschap? Antwoord: Op 1 april 2022 is de verliestermijn van tien jaar van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN (zoals dat artikel luidde van 1 april 2003 tot 1 april 2022) nog niet voltooid. De verliestermijn wordt door de verlenging van de verliestermijn van tien naar dertien jaar per 1 april 2022, met drie jaar verlengd. Derhalve verliest Y het Nederlanderschap op 1 mei 2025.
### Artikel 18
Tussen 1 januari 1985 en 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Dit was geregeld in het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
### Paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
N.B. Onder vigeur van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN kon verlies van het Nederlanderschap niet worden voorkomen door de afgifte van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument. Het verlies kon alleen worden tegengegaan óf door vóór het einde van de periode van tien jaar de woonplaats te vestigen in een ander land dan het geboorteland, óf door afstand te doen van de nationaliteit van het land van geboorte.
Door de verstrekking van één van laatstbedoelde documenten wordt de verliestermijn van dertien jaren gestuit. In het document moet op grond van [artikel 3, zesde lid Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=3) het Nederlanderschap van de houder zijn vermeld. Behalve door afgifte van een Nederlands paspoort of een Nederlandse identiteitskaart wordt de termijn ook gestuit bij afgifte van een:
Door de verstrekking van één van laatstbedoelde documenten wordt de verliestermijn van dertien jaren gestuit. In het document moet op grond van [artikel 3, zesde lid Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212&artikel=3) het Nederlanderschap van de houder zijn vermeld. Behalve door afgifte van een Nederlands paspoort of een Nederlandse identiteitskaart wordt de termijn ook gestuit bij afgifte van een:
Vanaf de dag van de verstrekking van een dergelijk document begint een nieuwe verliestermijn van dertien jaren te lopen ([artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)). Dus, als men er – steeds binnen dertien jaren – voor zorgt in het bezit te worden gesteld van bedoelde verklaring van Nederlanderschap, een Nederlands reisdocument of Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in de [Paspoortwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005212), kan het Nederlanderschap nimmer op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN verloren gaan door verblijf in het buitenland.
Als ‘de dag der verstrekking’ van het Nederlandse paspoort geldt in beginsel de afgiftedatum van het reisdocument. Op die in het reisdocument vermelde datum stopt in beginsel een op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende dertienjaarstermijn en start een nieuwe termijn. Het gaat hier om een voor iedere burger en wetstoepasser duidelijke en goed vindbare datum.
Onder daartoe aanleiding gevende omstandigheden kan in een incidenteel geval worden onderzocht op welke datum (vlak voor de afgiftedatum) door de paspoortautoriteit intern is besloten om het paspoort te laten produceren. Dit is alleen van belang als een op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende dertienjaarstermijn afloopt/eindigt in de korte periode tussen de beslisdatum om het paspoort ten behoeve van de Nederlander te laten produceren en de in het vervolgens geproduceerde paspoort vermelde afgiftedatum. Het zal hier om zeer incidentele gevallen gaan. In een voorkomend geval is een op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende dertienjaarstermijn gestuit op de beslisdatum om het paspoort ten behoeve van de Nederlander te laten produceren. In een dergelijk geval wordt evenwel tevens aangenomen dat de volgende op grond van artikel 15, eerste lid en onder c RWN lopende dertienjaarstermijn is gestart op de afgiftedatum van het paspoort.
### Paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
Uit [artikel 61 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61) volgt dat als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap als bedoeld in [artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en in [artikel V, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) geldt:
### paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Is de verklaring afgegeven vóór 1 april 2003 en bedoeld om te dienen als bewijs van het bezit van het Nederlanderschap, dan wordt het document als zodanig aanvaard, mits het is verstrekt door een Nederlandse, (voormalige) Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse autoriteit (zie [artikel 73, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)).
### Artikel 19
Volgens [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de verliestermijn bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dat betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN zoals dat toen luidde, verlies van het Nederlanderschap kon intreden.
### paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
### 19-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Met betrekking tot [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) zoals dat luidde tot 1 april 2022 kent de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) twee overgangsbepalingen, namelijk [artikel IV RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) voor personen die op 1 april 2003 hun Nederlanderschap nog niet hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN en [artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) voor personen die op grond van laatstbedoelde verliesbepaling hun Nederlanderschap vóór 1 april 2003 hebben verloren. Zie voor een uitleg van artikel V RRWN de toelichting onder dat artikel.
### 15-1-d. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
De tekst van artikel IV RRWN luidt:
De in artikel 15, eerste lid, onder c, genoemde periode vangt niet eerder aan dan op het tijdstip van inwerkingtreding van deze Rijkswet.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### Paragraaf 1.3.1. Statenopvolging bij de toepassing van [artikel 15, lid 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Als een Nederlander, die op het moment dat de oude staat ophield te bestaan in het bezit was van de nationaliteit van die uiteenvallende staat door het afleggen van een optie, als hierboven bedoeld, de nationaliteit van een nieuwe staat verkrijgt, heeft dat geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg. Deze nationaliteitsmutatie houdt zo duidelijk en uitsluitend verband met de staatkundige veranderingen in het andere land, dat niet gesproken kan worden van ‘vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit’ als bedoeld in onderhavig artikellid. Het hier gestelde geldt alleen voor de Nederlander die tot het moment van het uiteenvallen of splitsing van de betreffende oude staat de nationaliteit van die staat bezat en dus niet voor degene die die nationaliteit voor dat tijdstip heeft verloren (bijvoorbeeld als gevolg van naturalisatie tot Nederlander). Laatstgenoemde persoon is dan op het moment van uiteenvallen of splitsing van de staat niet meer in het bezit van de nationaliteit van de uiteenvallende staat. In dat geval is duidelijk sprake van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit.
Artikel 15 lid 2 onder a: Onder ‘**die in het land van die andere nationaliteit is geboren**’ moet worden verstaan: geboren op het huidige grondgebied van de staat waarvan de nationaliteit wordt verkregen.
Als bij 2. er twee keer ‘ja’ moet worden geantwoord, blijft betrokkene Nederlander.
### Paragraaf 1.4. Evenredigheidstoets bij automatisch verlies van de Nederlandse nationaliteit en van het Unieburgerschap1Burger van de Europese Unie is een ieder die de nationaliteit van een Europese lidstaat bezit. Het burgerschap van de Europese Unie geldt naast het nationale burgerschap.
### Paragraaf 1.4. Evenredigheidstoets bij automatisch verlies van de Nederlandse nationaliteit en van het Unieburgerschap1Burger van de Europese Unie is een ieder die de nationaliteit van een Europese lidstaat bezit. Het burgerschap van de Europese Unie geldt naast het nationale burgerschap.
### 16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 3 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:593) geoordeeld dat deze evenredigheidstoets ook kan plaatsvinden in een gerechtelijke procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17).
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
Op 5 oktober 2020 is de [Rijkswet van 11 september 2020, houdende regels inzake het creëren van tijdelijke uitzonderingen op de Rijkswet op het Nederlanderschap gepubliceerd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173) (Rijkswet inperking gevolgen Brexit; Stb. 369). Deze Rijkswet bevat tijdelijke uitzonderingen op de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) voor Nederlanders, die de Britse nationaliteit verkrijgen.
Op 5 oktober 2020 is de [Rijkswet van 11 september 2020, houdende regels inzake het creëren van tijdelijke uitzonderingen op de Rijkswet op het Nederlanderschap gepubliceerd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173) (Rijkswet inperking gevolgen Brexit; Stb. 369). Deze Rijkswet bevat tijdelijke uitzonderingen op de [Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) voor Nederlanders, die de Britse nationaliteit verkrijgen.
Na de publicatie in het Staatsblad op 5 oktober 2020 is deze Rijkswet vooralsnog niet in werking getreden (zie [artikel 4, eerste lid Rijkswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173&artikel=4)). De Rijkswet inperking gevolgen Brexit kan slechts worden ingetrokken door een andere Rijkswet. Het toepassen van artikel 4, tweede lid Rijkswet, dat gaat over het vervallen van de Rijkswet, is alleen mogelijk als eerder artikel 4, eerste lid Rijkswet heeft plaats gehad.
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
Een verklaring van afstand wordt in beginsel in persoon ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) en schriftelijk ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)) afgelegd, omdat van belang is dat wordt aangetoond dat de betrokkene is wie hij zegt te zijn. De burgemeester, moet zich de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de betreffende persoon ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). In dat kader wordt betrokkene verzocht een geldig identiteitsdocument te overleggen.
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
De verklaring van afstand vermeldt dat de persoon die de verklaring aflegt, bekend is met het feit dat ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) minderjarige kinderen onder omstandigheden zullen delen in het verlies van het Nederlanderschap ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen bepaalt de burgemeester, voor zoveel mogelijk, of hiervan sprake zal zijn ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)) en licht hij degene die de afstandsverklaring aflegt daarover in.
### paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
Als de verklaring van afstand met rechtsgevolg is afgelegd, bevordert de burgemeester ([artikel 64, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)) dat:
### 15-1-c. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Betrokkene Y is het bezit van zowel de Nederlandse als de Australische nationaliteit en heeft nog nooit binnen het Koninkrijk of binnen de Europese Unie gewoond. Zij is ook nog nooit in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument. Y werd meerderjarig op 1 mei 2012. Wanneer verliest zij het Nederlanderschap? Antwoord: Op 1 april 2022 is de verliestermijn van tien jaar van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN (zoals dat artikel luidde van 1 april 2003 tot 1 april 2022) nog niet voltooid. De verliestermijn wordt door de verlenging van de verliestermijn van tien naar dertien jaar per 1 april 2022, met drie jaar verlengd. Derhalve verliest Y het Nederlanderschap op 1 mei 2025.
### Paragraaf 1. Algemeen
Behoudens het gestelde in de volgende alinea, treedt verlies van het Nederlanderschap in door langdurig verblijf in het buitenland. Van belang hierbij is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan. Betrokkene:
### Artikel 17
In verband met de wijziging van de Paspoortwet (Stb 2014, 10) heeft de Nederlandse identiteitskaart sinds 20 januari 2014 (Stb 2014, 11) binnen de EU niet langer de status van een reisdocument, maar van een identiteitskaart. De Nederlandse identiteitskaart is geldig voor de landen die behoren tot de Europese Unie. Als landen buiten de Europese Unie zijn aangewezen Andorra, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen, San Marino, Turkije, IJsland en Zwitserland waar binnen de grenzen van de Paspoortwet een daar woonachtige Nederlander recht heeft op verstrekking van een Nederlandse identiteitskaart ([artikel 5a Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012810&artikel=5a)).
### Paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn
Sinds 1 april 2022 bedraagt de verliestermijn van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN dertien jaar. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2022 bedroeg deze verliestermijn tien jaar. De verlenging van de verliestermijn van tien naar dertien jaar had onmiddelijke werking (Stb. 2021, nr. 572). Dat betekent dat, indien de verliestermijn van tien jaar op op 1 april 2022 nog niet was volgelopen, deze met drie jaar werd verlengd.
### 23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
Tussen 1 april 2003 en 1 april 2022 bedroeg de verliestermijn van artikel 15, eerste lid, onder c, RWN tien jaar. Voor het overige was de tekst van dit artikel in deze periode gelijk aan de tekst van het huidige artikel.
### Artikel 22B
Het verlies als hiervoor bedoeld, trad niet in indien:
### Paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn
### Artikel 19
Uit [artikel 61 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61) volgt dat als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap als bedoeld in [artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en in [artikel V, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) geldt:
Verder is in artikel 61 BVVN geregeld dat:
### Artikel VI RRWN
Uit de toelichting bij artikel 61 BVVN blijkt dat verklaringen omtrent het bezit van het Nederlanderschap geen andere betekenis hebben dan dat daaruit blijkt dat door de nationaliteitsrechter op het tijdstip van zijn beschikking, respectievelijk door de verstrekkende autoriteit op het tijdstip van verstrekking is vastgesteld, dat de in de beschikking of verklaring genoemde persoon op dat tijdstip de Nederlandse nationaliteit bezit.
### paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
De verliestermijn kan niet worden omzeild door binnen de termijn van dertien jaren ‘eventjes’ naar bijvoorbeeld Nederland te komen. Immers, [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) bepaalt dat de verliestermijn van dertien jaren geacht wordt niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan wel op gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. Zie voor wat betreft het tijdstip van aanvang en/of eventuele verlenging van de termijn paragraaf 2.
A, geboren op 1 mei 1995 in Australië, is van Nederlandse en Australische nationaliteit en woont sedert zijn geboorte in Australië. De verliestermijn van dertien jaar van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN vangt voor A aan op 1 mei 2013. Op 5 september 2025 gaat A in Italië wonen. Op 1 mei 2026 woont hij daar nog steeds. A is nimmer in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument of van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. A verliest daarom op 1 mei 2026 zijn Nederlanderschap omdat hij op die datum nog niet een jaar of langer zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan wel in landen waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.
### paragraaf 2. Overgangsrecht [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### Artikel 22A
### Artikel 22C
A, van Nederlandse en Franse nationaliteit, geboren in 1945 in Nederland, woont sedert 15 maart 1996 in de Verenigde Staten).
Als hij – in het bezit van beide nationaliteiten – in de Verenigde Staten is blijven wonen, verloor hij zijn Nederlanderschap op 1 april 2013 (en dus niet op 15 maart 2006!).
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### Paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
### Artikel 22
### Paragraaf 1.3.1. Statenopvolging bij de toepassing van [artikel 15, lid 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
**‘De in art. 15 lid 2, aanhef en onder a en b, RWN omschreven bescherming tegen het verlies van het Nederlanderschap komt ook toe aan een meerderjarige Nederlander die vrijwillig de nationaliteit van een nieuwe soevereine staat verkrijgt en – op het grondgebied van die staat is geboren voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd, en ten tijde van zijn naturalisatie zijn hoofdverblijf in die nieuwe soevereine staat heeft (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder a, RWN), dan wel – als minderjarige gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren zijn hoofdverblijf heeft gehad op het grondgebied van die staat voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder b, RWN).’**
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
### 16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
### Paragraaf 2. [Rijkswet inperking gevolgen Brexit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0044173)(terugtreden Verenigd Koninkrijk uit de EU)
Behalve het vereiste van meerderjarigheid, geldt hier verder als enige voorwaarde dat betrokkene naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit bezit. Hij mag immers volgens [artikel 14, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) niet staatloos worden. Het bezit van die andere nationaliteit zal in de meeste gevallen blijken uit de beschrijving van betrokkene in de BRP. Is dat niet het geval, dan moet een bewijs van de andere nationaliteit worden overgelegd. Dit bewijs kan ook worden verlangd als bijvoorbeeld aan het al dan niet bezitten van een andere nationaliteit wordt getwijfeld (vergelijk [artikel 62, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Dit geldt eveneens ten aanzien van de minderjarige kinderen van betrokkene, die – mits zij daardoor niet staatloos worden – op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) delen in de afstand.
### Paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
Een verklaring van afstand (zie [model 3.2 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) moet in Nederland worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester ([artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene met een adres in de BRP is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.
### Paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
De burgemeester zendt het origineel van de afgelegde afstandsverklaring en een afschrift van de bevestiging, ter opneming in het nationaliteitenregister bedoeld in [artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22), aan de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie en behoudt zelf afschriften van deze documenten ([artikel 64, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)). Tevens zendt hij een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de personen, die door of als gevolg van de verklaring van afstand hun Nederlanderschap verloren hebben, in de BRP zijn ingeschreven. Wonen de hier bedoelde personen in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, dan zendt hij een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie en Verslavingszorg van Aruba, de Minister van Justitie van Curaçao en de Minister van Justitie van Sint Maarten (artikel 64, tweede lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
### Paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
### Paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn
Blijkens artikel IV RRWN vangt de verliestermijn als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, die van 1 april 2003 tot 1 april 2022 tien jaar was, niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dat betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal op grond van die bepaling verlies van het Nederlanderschap kan intreden.
A had echter het verlies van het Nederlanderschap kunnen voorkomen door ervoor te zorgen dat hij vóór 1 april 2013 in het bezit werd gesteld van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument (vergelijk artikel 15, lid 4, RWN). Vanaf de datum van de verstrekking van een van beide documenten zou dan voor hem een nieuwe verliestermijn van tien jaar zijn gaan lopen.
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door Onze Minister van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, welke kan plaatsvinden, indien de betrokkene heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.**
### Paragraaf 1. Algemeen
Van de verzoeker om naturalisatie wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de totstandkoming van de naturalisatie het mogelijke te zullen doen om die nationaliteit te verliezen ([artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). Dit is alleen anders als iemand valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie detoelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN).
Van de verzoeker om naturalisatie wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de totstandkoming van de naturalisatie het mogelijke te zullen doen om die nationaliteit te verliezen ([artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). Dit is alleen anders als iemand valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie detoelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN).
Een afstandsverklaring van de oorspronkelijke nationaliteit moet in beginsel gelegaliseerd zijn. Zonder legalisatie kan in beginsel geen waarde aan de afstandsverklaring worden gehecht. Alleen als uit algemene bronnen uit het betreffende land blijkt dat dit land nooit overgaat tot legalisatie kan een afstandsverklaring worden geaccepteerd zonder legalisatie. Ook andere documenten afgegeven door de autoriteiten van het land van oorspronkelijke nationaliteit moeten in beginsel gelegaliseerd zijn, als met deze documenten wordt beoogd aan te tonen dat voldoende inspanningen zijn verricht op grond waarvan de IND de afstandsprocedure kan afsluiten.
Buitenlandse documenten die niet in het Nederlands, Engels, Duits of Frans zijn opgesteld moeten in principe worden vertaald. De genaturaliseerde is zelf verantwoordelijk voor het laten vertalen van de door hem of haar ingebrachte documenten. Als uit een overgelegd document, dat niet vertaald is, niet valt af te leiden wat de inhoud van het stuk is, dan kan aan het document geen waarde voor wat betreft de afstandsprocedure worden toegekend.
De IND kan geen contact opnemen met een buitenlandse ambassade om de voortgang van het afstandsverzoek van een betrokkene te bespreken, tenzij betrokkene hiertoe schriftelijk toestemming heeft gegeven. Als een ambassade op eigen initiatief informatie aanlevert bij de IND over een specifiek afstandsverzoek, dan moet de IND dat aan betrokkene overleggen, als deze informatie (mede) leidt tot intrekking van het Nederlanderschap.
Als een afstandsplichtige die een afstandsverzoek heeft ingediend drie jaar nadat de afstandsprocedure is gestart nog geen bewijs van afstand heeft overgelegd, beoordeelt de IND of betrokkene al het nodige heeft gedaan om afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Hierbij zijn drie conclusies mogelijk:
### Paragraaf 2. Intrekking van het Nederlanderschap
### 3.1. Rechten Unieburgerschap
### Paragraaf 3. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.16HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678).
De IND beoordeelt bij elke intrekking van de Nederlandse nationaliteit of het intrekkingsbesluit evenredig is in het licht van het Unierecht.16HvJEU 2 maart 2010, C-135/08 (Rottmann); ABRvS 8 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2678).
### 23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
De IND voert geen evenredigheidstoets uit als betrokkene over een andere EU-nationaliteit beschikt naast het Nederlanderschap. De Unierechten kunnen dan immers uitgeoefend worden door het bezit van die andere EU-nationaliteit.
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
### 3.1. Rechten Unieburgerschap
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
### 3.2. Bewijslast
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
### 3.3. Individueel belang
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
Het individueel belang van betrokkene in het kader van de evenredigheidstoets is gelegen in het aangetoonde belang om het Unieburgerschap te behouden
### Artikel 27
Daarnaast is relevant wanneer, hoe vaak en hoeveel hij daarvan gebruik heeft gemaakt. Als betrokkene een keer per jaar een kerstmarkt in Duitsland bezoekt, kan op basis van het zeer beperkte gebruik geconcludeerd worden dat het verlies daarvan evenredig is. Datzelfde geldt voor de situatie dat betrokkene een keer in de vier jaar gebruik heeft gemaakt van zijn kiesrecht voor het Europese Parlement. Dergelijke belangen zullen niet zwaar wegen. Het belang weegt zwaarder als betrokkene regelmatig werkzaamheden in een van de EU-lidstaten uitvoert of daar een bedrijf heeft of in een EU-lidstaat studeert.
### 27-alg. Toelichting algemeen
Vervolgens is van belang of betrokkene mogelijk op een andere wijze hetzelfde kan bereiken. Als betrokkene bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om visumvrij de EU te reizen dan heeft hij een alternatief voor het vrij verkeer en verblijf en kan het verlies van het Unieburgerschap gemakkelijker als evenredig worden aangemerkt. Ditzelfde geldt als betrokkene relatief gemakkelijk aan een verblijfsvergunning voor een EU-lidstaat kan komen.
### 3.4. Algemeen belang
Op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan de IND de Nederlandse nationaliteit intrekken als betrokkene na verlening of verkrijging van de Nederlandse nationaliteit heeft nagelaten al het mogelijk te doen om zin oorspronkelijke nationaliteit te verliezen. Het algemeen belang is gelegen in het nastreven van enkelvoudige nationaliteit, van oudsher een belangrijke doelstelling van het Nederlandse nationaliteitsrecht.
### Paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
De IND betrekt bij de toets of het verlies van het Unieburgerschap evenredig is het feit dat betrokkene al vanaf het begin van de naturalisatieprocedure er op is gewezen dat hij afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit.
### 3.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
### 3.6. Weging belangen
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
### Paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
De IND volgt de voornemenprocedure bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van het niet voldoen aan de afstandsplicht. Deze procedure is gelijk aan de procedure als beschreven in de [toelichting ad artikel 14, eerste lid, paragraaf 4.1 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14&paragraaf=4&z=2024-01-01&g=2024-01-01).
### Paragraaf 5. Gevolgen van de intrekking
De IND deelt namens Onze Minister direct na intrekking van het Nederlanderschap aan betrokkene mee dat hij niet langer afstand hoeft te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit.
De IND deelt namens Onze Minister direct na intrekking van het Nederlanderschap aan betrokkene mee dat hij niet langer afstand hoeft te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit.
Zie voor de gevolgen van de intrekking voor bij de naturalisatie gewijzigde of vastgestelde namen, de [toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN, paragraaf 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14&paragraaf=5&paragraaf=5.3&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van het besluit tot intrekking gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties (artikel 70, eerste lid, BvvN). [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent:
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van het besluit tot intrekking gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties (artikel 70, eerste lid, BvvN). [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent:
Wordt de burgemeester door de IND in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:
### Paragraaf 8. Feitelijk afstand van de oorspronkelijke nationaliteit voor datum intrekkingsbesluit
De intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg als betrokkene tijdens de bezwaarprocedure of nadat de intrekking in rechte is vast komen te staan, aantoont dat hij afstand had gedaan van zijn oorspronkelijke nationaliteit voor de datum van het intrekkingsbesluit. Betrokkene is dan altijd Nederlander gebleven. Uit [artikel 14 lid 8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) volgt immers dat intrekking van het Nederlanderschap anders dan op grond van [artikel 14 lid 1 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), geen staatloosheid tot gevolg mag hebben.
### Paragraaf 9. Bezwaar tegen het intrekkingsbesluit
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap is een beschikking als bedoeld in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) (Awb). De Awb is in het kader van de intrekking van toepassing ongeacht of de persoon in kwestie door tussenkomst van de burgemeester, de gezaghebber, de Gouverneur of een diplomatieke of consulaire post is genaturaliseerd, nu de beslissing tot intrekking zelf genomen wordt door Onze Minister in zijn hoedanigheid van Minister van het Koninkrijk. De persoon in kwestie kan tegen de beschikking bezwaar maken doch dit bezwaar heeft geen schorsende werking.
### 29-alg. Toelichting algemeen
Wordt het bezwaar gegrond verklaard, dan zal het intrekkingsbesluit worden herroepen.
### 26-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 10. Afstand tijdens bezwaarprocedure maar na intrekking van het Nederlanderschap
### Paragraaf 10. Afstand tijdens bezwaarprocedure maar na intrekking van het Nederlanderschap
Als betrokkene tijdens de bezwaarprocedure aantoont dat hij afstand heeft gedaan na de datum van het intrekkingsbesluit, kan de IND besluiten het bezwaar tegen de intrekking gegrond te verklaren. Ook kan de IND in de bezwaarprocedure besluiten betrokkene alsnog meer tijd te geven om afstand te doen als tijdens die procedure is gebleken dat betrokkene door omstandigheden niet al het mogelijke heeft kunnen doen om afstand te doen en de IND daar eerder niet van wist.
### Paragraaf 11. Ontheffing van het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit na het Koninklijk Besluit
De systematiek van de RWN staat er niet aan in de weg dat de IND, na verlening van het Nederlanderschap, de genaturaliseerde die in beginsel afstandsplichtig is, alsnog ontheft van de afstandsplicht.17[Raad van State 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:336](https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2017:336) Dat betekent dat een (expliciet of impliciet) verzoek om ontheven te worden van de afstandsplicht nadat het Nederlanderschap is verleend, aangemerkt moet worden als een aanvraag in de zin van [artikel 1:3, derde lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3) en dat daarop een besluit in de zin van die bepaling dient te worden genomen. Deze beoordeling wordt neergelegd in een beschikking, waartegen rechtsmiddelen (bezwaar, beroep en hoger beroep) kunnen worden aangewend. Is het verzoek om ontheffing niet of onvoldoende duidelijk gemotiveerd, dan wordt herstelverzuim geboden.
Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek om ontheffing is dat na de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap in beginsel niet meer met succes een beroep kan worden gedaan op één van de uitzonderingcategorieën, die zijn geformuleerd voor de nadere uitvoering van [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) en zijn vastgelegd in [artikel 6 RvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=6). Op dit uitgangspunt bestaan enkele uitzonderingen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
Met ingang van 1 april 2014 verkrijgt ook de vrouwelijke partner van de moeder uit wie het kind is geboren het juridische moederschap. Voor de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) is de moeder die het kind geadopteerd heeft, niet gelijk gesteld aan de moeder ([artikel 1:198 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=198)).
### Paragraaf 1.4. Evenredigheidstoets bij automatisch verlies van de Nederlandse nationaliteit en van het Unieburgerschap1Burger van de Europese Unie is een ieder die de nationaliteit van een Europese lidstaat bezit. Het burgerschap van de Europese Unie geldt naast het nationale burgerschap.
Artikel 15 lid 2 onder b: onder ‘**die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad**’ moet worden verstaan: die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren op het huidige grondgebied van de staat waarvan de nationaliteit wordt verkregen zijn hoofdverblijf heeft gehad. Kort samengevat, in de visie van de Hoge Raad moeten de volgende vragen worden gesteld:
### 3.4. Algemeen belang
### 23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
De verliestermijn kan niet worden omzeild door binnen de termijn van dertien jaren ‘eventjes’ naar bijvoorbeeld Nederland te komen. Immers, [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) bepaalt dat de verliestermijn van dertien jaren geacht wordt niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba, dan wel op gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. Zie voor wat betreft het tijdstip van aanvang en/of eventuele verlenging van de termijn paragraaf 2.
### 15a-alg. Toelichting algemeen
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
Als de betrokkene, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na totstandkoming van de naturalisatie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan de IND namens Onze Minister overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap.
Als de betrokkene, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na totstandkoming van de naturalisatie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan de IND namens Onze Minister overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap.
Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van het intrekkingsbesluit. De hier bedoelde intrekking heeft – in tegenstelling tot de intrekking van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) – geen terugwerkende kracht. Het intrekkingsbesluit kan ook verlies van het Nederlanderschap tot gevolg hebben van de minderjarige kinderen die aanvankelijk zijn meegenaturaliseerd, en wel op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) (zie de toelichting bij artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN).
### Paragraaf 3. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap
De rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap zijn neergelegd in artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
De genoemde verdragen geven Unieburgers onder meer de volgende rechten:
Het is aan betrokkene om te onderbouwen en zo veel mogelijk aan te tonen dat het verlies van het Unieburgerschap in zijn concrete geval onevenredig is. De IND is niet gehouden tot het instellen van ambtshalve onderzoek.
### 23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
Betrokkene moet aantonen dat hij op de datum van het intrekkingsbesluit of binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna daadwerkelijk en concreet gebruik maakte van de rechten die verbonden zijn aan het Unieburgerschap. Als betrokkene niet heeft aangetoond hiervan gebruik te hebben gemaakt, dan is de conclusie mogelijk dat het verlies van het Unieburgerschap niet onevenredig is.
### 3.4. Algemeen belang
Als peilmoment geldt de datum waarop het Nederlanderschap verloren gaat. De IND toetst of de betrokkene binnen een redelijke termijn daarvoor of voorzienbaar daarna concrete invulling gaf of zou hebben gegeven aan de uitoefening van Unierechten of welke toen bestaande belangen hij had bij behoud van het Unieburgerschap. Een richtlijn voor een redelijke termijn voor of na het verliesmoment is zes maanden. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden niet meegewogen.
De IND weegt de persoonlijke belangen af tegen de het algemeen belang. Deze afweging is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
De belangenafweging vindt plaats op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze bekend zijn op de datum van het nemen van het intrekkingsbesluit of de datum van de beslissing op bezwaar.
### Paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
De IND volgt de voornemenprocedure bij intrekking van het Nederlanderschap op grond van het niet voldoen aan de afstandsplicht. Deze procedure is gelijk aan de procedure als beschreven in de [toelichting ad artikel 14, eerste lid, paragraaf 4.1 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14&paragraaf=4&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
### Paragraaf 7. Administratieve verwerking van het intrekkingsbesluit
### Paragraaf 8. Feitelijk afstand van de oorspronkelijke nationaliteit voor datum intrekkingsbesluit
De intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg als betrokkene tijdens de bezwaarprocedure of nadat de intrekking in rechte is vast komen te staan, aantoont dat hij afstand had gedaan van zijn oorspronkelijke nationaliteit voor de datum van het intrekkingsbesluit. Betrokkene is dan altijd Nederlander gebleven. Uit [artikel 14 lid 8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) volgt immers dat intrekking van het Nederlanderschap anders dan op grond van [artikel 14 lid 1 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), geen staatloosheid tot gevolg mag hebben.
De herroeping werkt terug tot de datum van het intrekkingsbesluit. Hierdoor wordt betrokkene geacht nimmer het Nederlanderschap door intrekking te hebben verloren. Bij een ongegrond bezwaar is beroep mogelijk bij de rechtbank, sector Bestuursrecht.
Als betrokkene tijdens de bezwaarprocedure aantoont dat hij afstand heeft gedaan na de datum van het intrekkingsbesluit, kan de IND besluiten het bezwaar tegen de intrekking gegrond te verklaren. Ook kan de IND in de bezwaarprocedure besluiten betrokkene alsnog meer tijd te geven om afstand te doen als tijdens die procedure is gebleken dat betrokkene door omstandigheden niet al het mogelijke heeft kunnen doen om afstand te doen en de IND daar eerder niet van wist.
### Paragraaf 11. Ontheffing van het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit na het Koninklijk Besluit
De systematiek van de RWN staat er niet aan in de weg dat de IND, na verlening van het Nederlanderschap, de genaturaliseerde die in beginsel afstandsplichtig is, alsnog ontheft van de afstandsplicht.17[Raad van State 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:336](https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2017:336) Dat betekent dat een (expliciet of impliciet) verzoek om ontheven te worden van de afstandsplicht nadat het Nederlanderschap is verleend, aangemerkt moet worden als een aanvraag in de zin van [artikel 1:3, derde lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=1:3) en dat daarop een besluit in de zin van die bepaling dient te worden genomen. Deze beoordeling wordt neergelegd in een beschikking, waartegen rechtsmiddelen (bezwaar, beroep en hoger beroep) kunnen worden aangewend. Is het verzoek om ontheffing niet of onvoldoende duidelijk gemotiveerd, dan wordt herstelverzuim geboden.
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
Ontheffing van de afstandsplicht kan in ieder geval wel aan de orde zijn als:
### Paragraaf 1. Algemeen
In gevallen waarin sprake is van uitzonderlijke omstandigheden kan de IND betrokkene op grond van artikel 60 BvvN ontheffen van de afstandsplicht.
### 26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
Het indienen van een verzoek om ontheffing, schort de lopende afstandsprocedure niet op. De voor die procedure gangbare termijnen blijven in beginsel van kracht. Indien positief wordt beslist op het verzoek tot ontheffing, wordt de lopende afstandsprocedure gelijktijdig afgerond.
### 26-3. Toelichting ad [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
In het geval verzoeker aangeeft de afstandsverplichting niet na te zullen komen, of niet reageert, kan in beginsel meteen worden overgegaan tot het uitbrengen van een voornemen tot intrekking van het Nederlanderschap.
### 15-1-e. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door onze Minister van het besluit waarbij de verkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd, welke kan plaatsvinden, indien de vreemdeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, heeft nagelaten na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.**
### 27-alg. Toelichting algemeen
Van de optant die een optieverzoek indient op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) wordt verlangd dat hij het mogelijke doet om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen dan wel zich bereid verklaart om na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijk te zullen doen om die nationaliteit te verliezen (artikel 6a, eerste lid, RWN). Dit is alleen anders als de optant valt onder een van de uitzonderingscategorieën (zie de toelichting bij artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a t/m d RWN) ([artikel 30b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30b)).
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van het intrekkingsbesluit. De intrekking heeft geen terugwerkende kracht.
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
**Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de verkrijger**
### 15-4. Toelichting ad [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Zie de [toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.1&z=2024-04-01&g=2024-04-01) en [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.2&z=2024-04-01&g=2024-04-01).
Met de uitzondering van [artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) is beoogd te komen tot het wegnemen van een drempel voor het aannemen van de nationaliteit van de andere echtgenoot in ‘nationaliteitsrechtelijk gemengde huwelijken’. Om diverse redenen werd het wenselijk geacht dat de Nederlandse echtgenoot in een dergelijk geval de nationaliteit van de andere echtgenoot verkrijgt. Daardoor krijgt betrokkene alle rechten en plichten van een staatsburger van het land waarvan hij de nationaliteit verwerft (het land van de echtgenoot) en kan hij volledig integreren en deelnemen aan het politieke leven in dat land. Om die wenselijk geachte stap te vergemakkelijken is, als uitzondering op de hoofdregel van het verlies van Nederlanderschap bij naturalisatie in een ander land, in de RWN bepaald dat in dat geval het Nederlanderschap behouden blijft.18Zie TK 1997–1998, 25 891 (R1609), nr. 3, p 1–3.
Artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, RWN is dus niet van toepassing als twee echtelieden met de Nederlandse nationaliteit gelijktijdig, op dezelfde dag, een andere nationaliteit verkrijgen. De echtelieden zijn in die situatie niet gehuwd met een persoon die de andere nationaliteit (al) ‘bezit’.19Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2011 (ECLI:NL:RBSGR:2011:BP7378).
De heer A is gehuwd met mevrouw B. Beiden zijn in het bezit van het Nederlanderschap. Zij wonen sinds 2018 in het Verenigd Koninkrijk. Op 10 januari 2023 verkrijgen zowel de heer A als mevrouw B tegelijkertijd vrijwillig de Britse nationaliteit. Het echtpaar verliest hierdoor van rechtswege het Nederlanderschap op 10 januari 2023 ingevolge [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15).
De heer C is gehuwd met mevrouw D. De heer C is in het bezit van het Nederlanderschap en mevrouw D is in het bezit van de Zuid-Afrikaanse nationaliteit. Zij wonen sinds 14 februari 2015 in de Verenigde Staten van Amerika. Op 12 december 2022 verkrijgen zowel de heer C als mevrouw D vrijwillig de Amerikaanse nationaliteit. De heer C verliest hierdoor van rechtswege het Nederlanderschap op 12 december 2022 ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. Hij heeft niet de nationaliteit van het land van zijn echtgenote verkregen, want de echtgenote is Zuid-Afrikaanse.
**Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger, is niet aanwezig**
### 15-4. Toelichting ad [artikel 15, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
**De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van dertien jaren te lopen. Indien het Nederlanderschap is herkregen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, begint de periode te lopen op de dag dat de optie is bevestigd.**
### Artikel 15a
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
Geen.
### 15a-alg. Toelichting algemeen
### 14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN
### Artikel VI RRWN
De verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS hebben voorrang boven de regeling neergelegd in de RWN, met name in artikel 15, tweede lid, RWN. Het verlies van het Nederlanderschap treedt overigens ook niet in op grond van het [artikel 15A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A), maar op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van het Verdrag van Straatsburg of van de TOS.
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
**Voorts gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren indien hij ten gevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring door naturalisatie, optie of herstel daarin de nationaliteit verkrijgt van een Staat die Partij is bij het op 6 mei 1963 te Straatsburg gesloten verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (** **Trb. 1964, nr. 4** **) en dit Verdrag dat verlies meebrengt. Het voorgaande is echter niet van toepassing indien die Staat tevens Partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag (** **Trb. 1994, nr. 265** **) en de betrokkene behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid.**
**Voorts gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren indien hij ten gevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring door naturalisatie, optie of herstel daarin de nationaliteit verkrijgt van een Staat die Partij is bij het op 6 mei 1963 te Straatsburg gesloten verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (** **Trb. 1964, nr. 4** **) en dit Verdrag dat verlies meebrengt. Het voorgaande is echter niet van toepassing indien die Staat tevens Partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag (** **Trb. 1994, nr. 265** **) en de betrokkene behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid.**
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### 16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
### Paragraaf 1. Algemeen
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
### Artikel 21
### 15-1-d. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door Onze Minister van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verleend, welke kan plaatsvinden, indien de betrokkene heeft nagelaten na de totstandkoming van zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.**
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 3. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap
### 3.2. Bewijslast
De IND toetst of tussen het met de intrekking nagestreefde doel en de concrete Unierechten die door intrekking verloren gaan geen sprake is van onevenredigheid. Daarbij maakt de IND een afweging tussen enerzijds het algemeen belang bij intrekking van de Nederlandse nationaliteit en anderzijds het individuele belang dat betrokkene heeft bij het behoud van de rechten van het Unieburgerschap.
### 3.3. Individueel belang
Voorts is van belang hoelang betrokkene al in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap. Als betrokkene slechts kort in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en het Unieburgerschap zal er minder snel sprake zijn van onevenredige gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap.
### 3.6. Weging belangen
Ten slotte is relevant of betrokkene familie- of gezinsleven uitoefent op het grondgebied van de Europese Unie (artikel 7 Handvest). Daarbij spelen ook de belangen van de kinderen jonger dan 18 jaar die binnen de Europese Unie verblijven een rol (artikel 24 Handvest). Hierbij is de concrete invulling van deze rechten relevant. Bij minderjarigen is niet alleen de vraag relevant wat het betekent als zij hun Unieburgerschap verliezen, maar ook de vraag wat het voor hen betekent als een van de ouders het Unieburgerschap verliest. In dat kader zijn situaties denkbaar waarin geconcludeerd kan worden dat het verlies van het Unieburgerschap voor de ouder(s) onevenredig is vanwege de belangen van het kind.
### 3.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap is een beschikking als bedoeld in de [Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) (Awb). De Awb is in het kader van de intrekking van toepassing ongeacht of de persoon in kwestie door tussenkomst van de burgemeester, de gezaghebber, de Gouverneur of een diplomatieke of consulaire post is genaturaliseerd, nu de beslissing tot intrekking zelf genomen wordt door Onze Minister in zijn hoedanigheid van Minister van het Koninkrijk. De persoon in kwestie kan tegen de beschikking bezwaar maken doch dit bezwaar heeft geen schorsende werking.
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
Mocht betrokkene na ingesteld bezwaar c.q. beroep alsnog moeten worden aangemerkt als Nederlander, wordt de burgemeester wederom door de IND hiervan in kennis gesteld.
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
Een verzoek om ontheffing van de afstandsverplichting wordt in beginsel geweigerd als betrokkene daarvoor ten aanzien van één van de bestaande beleidsmatige uitzonderingcategorieën van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN feiten en/of omstandigheden aanvoert die hij ook al voor de naturalisatiedatum had kunnen weten of zich had kunnen realiseren. Ook gewijzigde persoonlijke omstandigheden of gewijzigde omstandigheden in het land van de andere nationaliteit (niet zijnde gewijzigde regels of praktijken ten aanzien van het doen van afstand) na verkrijging van het Nederlanderschap kunnen in beginsel niet leiden tot ontheffing van de afstandsverplichting.
### Artikel II RRWN
Van uitzonderlijke omstandigheden is, bijvoorbeeld, geen sprake als betrokkene zich beroept op gevolgen van het doen van afstand die zich bevinden in de sfeer van het verliezen van een baan, het moeten verhuizen, het niet op vakantie kunnen gaan in het land van de andere nationaliteit, het mislopen van een erfenis waar hij na verkrijging van het Nederlanderschap recht op heeft gekregen, of het feit dat de kinderen van betrokkene de betreffende nationaliteit ook verliezen.
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
Indien het verzoek om alsnog ontheven te worden van de afstandsplicht wordt afgewezen, dan wijst de IND betrokkene er in het besluit op dat hij of zij nog steeds afstandsplichtig is. Tevens wordt in het besluit verzocht om binnen 4 weken aan te geven of betrokkene van plan is gehoor te geven aan de afstandsverplichting. Geeft betrokkene aan dat hij of zij de afstandsverplichting nakomt, dan gelden in beginsel de normale termijnen voor de onderliggende procedure. Eventueel kan op basis van een gemotiveerd verzoek uitstel worden verleend voor het doen van afstand.
### 15-1-e. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door intrekking door onze Minister van het besluit waarbij de verkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd, welke kan plaatsvinden, indien de vreemdeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder e, heeft nagelaten na de verkrijging van het Nederlanderschap het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.**
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
Dit artikellid is niet van toepassing op optieverklaringen die zijn ingediend vóór 1 oktober 2010.
### Artikel V RRWN
Indien de optant, ondanks zijn eerdere verklaring bereid te zijn tot het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit, na de verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan de Minister van Justitie overgaan tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen ([artikel 30d BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30d)).
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting in de Handleiding bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN ([artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70)).
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
**Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de verkrijger**
### Artikel 29
**De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van dertien jaren te lopen. Indien het Nederlanderschap is herkregen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, begint de periode te lopen op de dag dat de optie is bevestigd.**
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
Zie de toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, paragraaf 1.1 en paragraaf 1.2.
### Artikel 15a
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)
### 15a-alg. Toelichting algemeen
De regeling van [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) die in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, is zonder nadere beperking in strijd met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Bij het Verdrag van Straatsburg zijn sinds 19 december 2019 alleen Nederland en Oostenrijk partij. Bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol (Trb. 1994, 265), dat een uitzondering biedt op de verliesgronden uit het Verdrag van Straatsburg, is sinds 4 juni 2010 alleen Nederland partij (zie verder de toelichting op artikel 15A, aanhef en onder a, RWN).
### 15a-a. Toelichting ad [artikel 15a, aanhef en sub a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) (Verdrag van Straatsburg)
Hoofdregel van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg is dat vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van een ander verdragsland automatisch leidt tot verlies van de oorspronkelijke nationaliteit. Dit betekent dat een meerderjarige Nederlander, die vrijwillig de nationaliteit van een ander verdragsland verkrijgt, het Nederlanderschap verliest, ook al zou hij behoren tot een van de categorieën, genoemd in [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), tenzij de nationaliteit wordt verkregen van een land dat was aangesloten bij het 2e protocol (verdrag gaat immers boven de wet). Het verlies vloeit rechtstreeks voort uit het verdrag.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### 16-1-e. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging
### Paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
### 17-alg. Toelichting algemeen
Met betrekking tot [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) zoals dat luidde tot 1 april 2022 kent de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) twee overgangsbepalingen, namelijk [artikel IV RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) voor personen die op 1 april 2003 hun Nederlanderschap nog niet hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN en [artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) voor personen die op grond van laatstbedoelde verliesbepaling hun Nederlanderschap vóór 1 april 2003 hebben verloren. Zie voor een uitleg van artikel V RRWN de toelichting onder dat artikel.
### 15-1-d. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### Artikel 22
### 3.2. Bewijslast
### 3.3. Individueel belang
Op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan de IND de Nederlandse nationaliteit intrekken als betrokkene na verlening of verkrijging van de Nederlandse nationaliteit heeft nagelaten al het mogelijk te doen om zin oorspronkelijke nationaliteit te verliezen. Het algemeen belang is gelegen in het nastreven van enkelvoudige nationaliteit, van oudsher een belangrijke doelstelling van het Nederlandse nationaliteitsrecht.
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
### 15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
De regeling van [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) die in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, is zonder nadere beperking in strijd met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten.
### Artikel VII RRWN
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
### Artikel 29
België: van 19 juli 1991 tot 28 april 2008;
### paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
Duitsland: van 18 december 1969 tot 22 december 2002;
Frankrijk: van 28 maart 1968 tot 5 maart 2009 (geldt ook voor Tweede Protocol, zie hieronder);
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### Paragraaf 2. Intrekking van het Nederlanderschap
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
### Paragraaf 1. Algemeen
### 3.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
### Artikel 26
### Paragraaf 6. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
Wordt de burgemeester door de IND in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:
### 15-1-e. Toelichting ad [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
Die volkenrechtelijke verplichtingen volgen uit:
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
Van verlies als bedoeld in Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg is alleen sprake bij verkrijging van de nationaliteit van landen waarvoor het Verdrag van Straatsburg in werking is getreden en die Hoofdstuk I van het Verdrag toepassen of toegepast hebben.
Oostenrijk: vanaf 1 september 1975;
### V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
Denemarken: van 17 december 1972 tot 26 augustus 2015;
### 16-1-c. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Paragraaf 1. Algemeen
Luxemburg: van 12 november 1971 tot 9 juli 2009;
Noorwegen: van 27 december 1969 tot 19 december 2019;
Zweden: van 6 april 1969 tot 29 juni 2002.
Dat betekent bijvoorbeeld, dat een Nederlander, die op 20 augustus 2007 vrijwillig de Deense nationaliteit heeft verkregen, op dat moment op grond van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg automatisch zijn Nederlandse nationaliteit verloor.
De Nederlander, die vrijwillig de Oostenrijkse nationaliteit verkrijgt, verliest nog steeds automatisch zijn Nederlandse nationaliteit.
Het verlies op grond van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geldt niet als het betreffende verdragsland ook partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1994, nr. 265). Het Tweede Protocol maakt het voor elke verdragsluitende partij mogelijk om in bepaalde gevallen door middel van de eigen interne wetgeving de hoofdregel van het verdrag uit te sluiten, waarbij elke staat, die ratificeert, zelf ten aanzien van die gevallen bepaalt in welke mate van dat recht gebruik wordt gemaakt. De gevallen als hier bedoeld, zijn:
### Artikel VI RRWN
Frankrijk: in werking tussen 24 maart 1995 en 05 maart 2009
### Artikel II RRWN
Nederland: in werking sinds 20 augustus 1996, in RWN verwerkt sinds 1 april 2003.
### II RRWN-alg. Toelichting algemeen
Het bovenstaande betekent dan ook dat vanaf 1 april 2003 de meerderjarige Nederlander, die vrijwillig de nationaliteit van een verdragsland verkrijgt op een moment dat het land partij bij Hoofdstuk I van het Verdrag is, het Nederlanderschap verliest, tenzij:
### Artikel III RRWN
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
### Paragraaf 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) (1 april 2003)
De Nederlander B, die in 1949 in Nederland is geboren, woont sedert 1990 in Italië en wordt in januari 2004 tot Italiaan genaturaliseerd. Ten tijde van zijn naturalisatie is hij gehuwd met een vrouw van Italiaanse nationaliteit.
### Artikel 16
In dit geval echter, biedt het Tweede Protocol wél soelaas. Immers, Italië is ook partij bij het Tweede Protocol en uit het bepaalde in artikel 15A, aanhef en onder a, RWN, tweede zin vloeit voort dat verlies van het Nederlanderschap in dat geval niet intreedt, mits betrokkene behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Welnu, B behoort tot een van die categorieën, namelijk categorie c; hij is immers gehuwd met een vrouw van Italiaanse nationaliteit. De conclusie is dan ook, dat B zijn Nederlanderschap niet heeft verloren door zijn naturalisatie tot Italiaan.
De in voorbeeld 2 bedoelde B is niet gehuwd met een Italiaanse vrouw. Wel zijn B en de vrouw partners in een in Nederland geregistreerd partnerschap. Voor het overige is de casus exact hetzelfde als die bij voorbeeld 2.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### 15-2. Toelichting ad [artikel 15, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### Paragraaf 2. Intrekking van het Nederlanderschap
### Paragraaf 6. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
### Paragraaf 7. Administratieve verwerking van het intrekkingsbesluit
### 15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
Italië: van 10 juni 1985 tot 4 juni 2010 (geldt ook voor Tweede Protocol, zie hieronder);
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
### Artikel 29
### Artikel III RRWN
Nederland heeft van die mogelijkheid gebruikgemaakt door opneming in de RWN in [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en in [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, f en g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16).
### 16-1-d. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
Italië: in werking tussen 24 maart 1995 en 4 juni 2010
### Paragraaf 1
Bij het Tweede Protocol is sinds 4 juni 2010 alleen Nederland partij. De laatste volzin van [artikel 15A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) kan daardoor vanaf die datum geen gevolg hebben. Die uitzondering zal zich namelijk niet meer voor kunnen doen, zolang geen ander land partij is bij het Tweede Protocol.
### Artikel IV RRWN
[Artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) bepaalt dat voor de toepassing van [artikel 15A, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) onder ‘echtgenoot’ niet is begrepen ‘geregistreerd partner’; en dat onder ‘huwelijk’ niet is begrepen ‘geregistreerde partnerschap’. Artikel 1, tweede lid RWN, vloeit voort uit het Verdrag van Straatsburg. Hieronder wordt een en ander met voorbeelden verduidelijkt.
Echter, Oostenrijk is partij bij het Verdrag van Straatsburg, zodat in dit geval wel verlies van het Nederlanderschap intreedt. Het verlies vloeit rechtstreeks voort uit artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg. Het Tweede Protocol biedt A geen soelaas, aangezien Oostenrijk daarbij geen partij is.
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
Aangezien Italië partij is bij het Verdrag van Straatsburg, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat B, ondanks het feit dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN, als gevolg van de directe werking van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg zijn Nederlanderschap heeft verloren door zijn naturalisatie tot Italiaan.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
### Artikel IV RRWN
B verliest dan ook zijn Nederlanderschap als gevolg van de directe werking van het Verdrag van Straatsburg (artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg) en hij kan zich niet beroepen op het gestelde in de tweede zin van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN.
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
Het echtpaar A en B, beiden geboren in Marokko in 1965, woont sedert 1995 in Nederland. In 2000 wordt in Marokko uit het huwelijk C geboren. Alle leden van het gezin zijn van Marokkaanse nationaliteit.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [14.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16A)[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [14.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16A)[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [62 t/m 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)
Op grond van [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, RWN. Artikel 16, tweede lid, RWN bepaalt de gevallen waarin, als uitzondering op de hoofdregelen van verlies, toch geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
Als gevolg van [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) moet, wat betreft de toepassing van [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), ervan worden uitgegaan dat de uitzonderingen uit artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN reeds vanaf 1 januari 1985 gelden.
### 16-alg. Toelichting algemeen
Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door minderjarigen. Behalve in het onderhavige artikel zijn ook verliesbepalingen voor minderjarigen opgenomen in [artikel 14, tweede, derde, vierde en zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). [Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) definieert het begrip ‘meerderjarigheid’. Uit die bepaling vloeit voort dat personen jonger dan achttien jaar, minderjarig zijn. Echter, personen, jonger dan achttien jaar, zijn wél meerderjarig indien:
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Bedacht moet worden, dat verlies van het Nederlanderschap als hier bedoeld nooit kan intreden indien betrokkene daardoor staatloos zou worden (vergelijk artikel 14, achtste lid, RWN) en verder dat – ook al valt de minderjarige in principe onder een van de verliesbepalingen van [artikel 16, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) – géén verlies zal intreden indien artikel 16, tweede lid, RWN van toepassing is.
### Artikel VII RRWN
De adoptie c.q. gezagsvoorziening moet dus het kind het Nederlanderschap hebben bezorgd (denk daarbij wat betreft de gezagsvoorziening aan de optie bedoeld in [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)). Is dat niet het geval, omdat het kind reeds op een andere grond Nederlander was, dan zal voor het kind geen verlies van het Nederlanderschap intreden indien zijn adoptiefouder(s)/de persoon die mede het gezamenlijk gezag over hem uitoefent het Nederlanderschap verlie(st)(zen), of, indien het kind zelfstandig dezelfde vreemde nationaliteit verkrijgt als zijn adoptiefouder(s)/de persoon die mede het gezamenlijk gezag over hem uitoefent.
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 16-1-a. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
Het minderjarige Nederlandse kind A, geboren in Nederland, heeft de Nederlandse vrouw B tot moeder en wordt erkend door de Turkse man C. Als gevolg van die erkenning is A van Turkse nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent A uitsluitend aan [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Voor A geldt wel, dat hij tijdens zijn minderjarigheid het Nederlanderschap alleen maar kan behouden zolang zijn moeder het Nederlanderschap bezit (tenzij hij tevens behoort tot een van de andere categorieën, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN). Zodra de moeder het Nederlanderschap verliest – bijvoorbeeld als gevolg van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit – verliest ook A zijn Nederlanderschap, mits hij nog minderjarig is.
A zou zijn Nederlanderschap door voormelde erkenning evenmin verliezen als:
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### 3.1. Rechten Unieburgerschap
### Artikel 22C
### Paragraaf 9. Bezwaar tegen het intrekkingsbesluit
Nederland (gehele Koninkrijk): vanaf 10 juni 1985;
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
### 29-alg. Toelichting algemeen
De Nederlander A, die in 1950 in Oostenrijk is geboren, wordt in januari 2004 genaturaliseerd tot Oostenrijker. Ten tijde van zijn naturalisatie woont hij in Oostenrijk. Kijken we uitsluitend naar [artikel 15, eerste en tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) dan zouden we tot de conclusie komen, dat A zijn Nederlanderschap niet heeft verloren. Immers, hij is geboren in het land waarvan hij de nationaliteit heeft verkregen en hij woont daar ten tijde van die verkrijging, en artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, RWN bepaalt dan dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
### Artikel 16
### V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige, op grond van het toen geldende [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap en kunnen we nu vaststellen, dat de betreffende persoon destijds behoorde tot een van de categorieën, nu genoemd in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c of d, RWN dan moet die persoon thans geacht worden zijn Nederlanderschap nimmer te hebben verloren. Zie ook de toelichting onder artikel 16, tweede lid, RWN en onder [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III).
### 16-alg. Toelichting algemeen
Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door minderjarigen. Behalve in het onderhavige artikel zijn ook verliesbepalingen voor minderjarigen opgenomen in [artikel 14, tweede, derde, vierde en zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). [Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) definieert het begrip ‘meerderjarigheid’. Uit die bepaling vloeit voort dat personen jonger dan achttien jaar, minderjarig zijn. Echter, personen, jonger dan achttien jaar, zijn wél meerderjarig indien:
Met het begrip ‘vader of moeder’ in artikel 16, eerste lid, RWN wordt mede bedoeld:
Als met het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap ook het Unieburgerschap verloren is gegaan en dit verlies onevenredige gevolgen heeft gehad vanuit het oogpunt van het Unierecht, kan het Nederlanderschap gelet op het arrest van 12 maart 2019 van het Europese Hof van Justitie (C-221/17) met terugwerkende kracht worden herkregen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN. Zie verder de toelichting bij dat artikel.
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, indien hij diens nationaliteit daardoor verkrijgt, of deze reeds bezit.**
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
Uit een ongehuwde Turkse vrouw is in 2004 kind F geboren in Amsterdam. F, die de Turkse nationaliteit bezit, is tevens van Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 3, derde lid, RWN.
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### Paragraaf 1. Algemeen
De mogelijkheid dat een minderjarige een verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit kan afleggen, bestond voor 1 april 2003 niet. Tot dat moment kon alleen een meerderjarige afstand doen van het Nederlanderschap.
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
Ingevolge [artikel 2, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), wordt een verklaring van afstand voor een minderjarige door zijn wettelijke vertegenwoordiger afgelegd. De minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, legt de verklaring van afstand echter zelfstandig af.5Zie voor procedurele voorschriften aangaande verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand de toelichting bij artikel 15, eerste lid aanhef en onder b, RWN en de modellen 3.2 en 3.3.
Ingevolge [artikel 2, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), wordt een verklaring van afstand voor een minderjarige door zijn wettelijke vertegenwoordiger afgelegd. De minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, legt de verklaring van afstand echter zelfstandig af.5Zie voor procedurele voorschriften aangaande verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand de toelichting bij artikel 15, eerste lid aanhef en onder b, RWN en de modellen 3.2 en 3.3.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging
De uitkomst is hier echter anders. Weliswaar is Italië ook partij bij het Tweede Protocol, maar in dit geval kan ten aanzien van B niet worden gesteld dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Immers, ingevolge artikel 1, tweede lid, RWN mag voor de toepassing van artikel 15A RWN onder huwelijk niet tevens geregistreerde partnerschap worden verstaan.
De voorbeelden 2 en 3 gelden voor de periode van 1 april 2003 tot 5 maart 2009 ook in het geval B de Franse nationaliteit heeft verkregen. Vanaf 5 maart 2009 is Frankrijk geen partij meer bij Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg. Artikel 15A is sindsdien niet meer van toepassing als een Nederlander vrijwillig de Franse nationaliteit verkrijgt. De Nederlander verliest zijn nationaliteit bij het verkrijgen van de Franse nationaliteit op grond van artikel 15, eerste lid aanhef en onder a, tenzij één van de gronden van artikel 15, tweede lid, van toepassing is.
### Paragraaf 1. Algemeen
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, indien hij diens nationaliteit daardoor verkrijgt, of deze reeds bezit.**
Verlies van het Nederlanderschap zou voor A intreden op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16). In dit geval verliest de minderjarige de Nederlandse nationaliteit echter niet, omdat een ouder, namelijk de moeder van A, het Nederlanderschap bezit.
### 16-2-alg. Toelichting algemeen
De minderjarige F wordt rechtsgeldig erkend door de Turkse man M. F bezit op het moment van de erkenning al de Turkse nationaliteit, zodat artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN op hem van toepassing is. F verliest evenwel niet zijn Nederlanderschap. Het verlies wordt verhinderd door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN.
### 16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
### paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
Minderjarigen van twaalf tot zestien jaar worden geacht voldoende inzicht te hebben in de gevolgen van het doen van afstand van de Nederlandse nationaliteit. Daarom wordt het kind hierover gehoord.Ook de ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, moet op zijn verzoek worden gehoord om zo zijn bedenkingen over het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken.
Minderjarigen van twaalf tot zestien jaar worden geacht voldoende inzicht te hebben in de gevolgen van het doen van afstand van de Nederlandse nationaliteit. Daarom wordt het kind hierover gehoord.Ook de ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, moet op zijn verzoek worden gehoord om zo zijn bedenkingen over het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken.
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
De wettelijk vertegenwoordiger legt namens de minderjarige (tussen de twaalf en zestien jaar), de verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01)) af. De minderjarige wordt hierover gehoord.
De wettelijk vertegenwoordiger legt namens de minderjarige (tussen de twaalf en zestien jaar), de verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) af. De minderjarige wordt hierover gehoord.
**Minderjarige is aanwezig**
Indien de minderjarige aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij direct gehoord over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap.
**Minderjarige is niet aanwezig**
Indien de minderjarige niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij door de burgemeester alsnog opgeroepen om gehoord te worden over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap. Zolang de minderjarige niet gehoord is, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet in (zie tevens paragraaf 3 **Geen verlies Nederlanderschap**)
De ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt wordt, op haar/zijn verzoek, gehoord om zo haar/zijn bedenkingen tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken. Uit de woorden ‘op zijn verzoek’ volgt dat de andere ouder niet verplicht is bedenkingen kenbaar te maken. Indien deze ouder te kennen geeft niet gehoord te willen worden of niet reageert op een uitnodiging daartoe, dan wordt zij/hij geacht geen bedenkingen te hebben tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van haar/zijn kind.
### Artikel 17
**Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger, is aanwezig**
Indien de andere ouder aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt zij/hij door de burgemeester gevraagd of zij/hij tegen het verlies van het Nederlanderschap door de minderjarige is. Wordt niet een duidelijk antwoord gegeven op deze vraag of ontstaat twijfel over de vrijwilligheid van het afgelegde antwoord dan wordt de andere ouder gewezen op de mogelijkheid op een later moment en alleen gehoord te worden over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind. Alleen indien de andere ouder hierover gehoord wil worden, wordt hij hiertoe door de burgemeester in de gelegenheid gesteld.
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
Indien de andere ouder niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij door de burgemeester alsnog, bijvoorbeeld middels toezending van een brief, gewezen op de mogelijkheid om gehoord te worden over zijn eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind.Dit wordt door de burgemeester gedaan indien de andere ouder bekend is, hij in Nederland woont en tevens zijn adres bekend is.
### paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
Na het horen van de minderjarige en/of de andere ouder, die niet de wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt, kunnen zich de volgende, niet limitatieve, situaties voordoen:
Na het horen van de minderjarige en/of de andere ouder, die niet de wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt, kunnen zich de volgende, niet limitatieve, situaties voordoen:
### paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
Minderjarigen van zestien en zeventien jaar worden geacht zelfstandig te kunnen beslissen over het verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand. Zij kunnen bij die rechtshandeling niet worden vertegenwoordigd door hun wettelijke vertegenwoordiger.6Zie voor procedurele voorschriften aangaande verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand de toelichting bij artikel 15, eerste lid aanhef en onder b, RWN
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
Het verlies van het Nederlanderschap treedt in als aan de wettelijke voorwaarden uit [artikel 16, eerste en tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) wordt voldaan. Het verlies gebeurt van rechtswege door het ondertekenen van de verklaring van afstand door de zestien of zeventien jarige of de wettelijk vertegenwoordiger van een jonger kind.
Geen verlies treedt in indien:
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
**Minderjarige tussen de 12 tot 16 jaar is niet gehoord**
### Artikel 20
Ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) dient een minderjarige van twaalf jaar en ouder gehoord te worden, om zo zijn bedenkingen over het verlies van de Nederlandse nationaliteit kenbaar te kunnen maken. Zolang de minderjarige niet is gehoord, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet op.
**Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige, is niet gehoord**
### Paragraaf 1. Algemeen
In 2004 is in Rotterdam kind C geboren uit het huwelijk van A en B. Moeder en vader zijn van Turkse nationaliteit. Ten tijde van de geboorte van C wonen A en B in Rotterdam. A is zelf geboren in Dordrecht uit ouders die daar toentertijd hoofdverblijf hadden.
### Artikel 21
In 2005 legt A, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, namens C een verklaring van afstand af als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16).
Door de verklaring van afstand verliest C het Nederlanderschap. Geen van de onderdelen van [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) verhindert het intreden van het verlies. Met name belet [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) het verlies niet, daar is immers vermeld dat de uitzondering om niet het Nederlanderschap te verliezen niet geldt in geval van het afleggen van een verklaring van afstand.
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien zijn vader of moeder vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt en hij in deze verkrijging deelt of deze nationaliteit reeds bezit.**
### Paragraaf 1. Algemeen
Een minderjarige verliest de Nederlandse nationaliteit op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), als de vader of moeder het Nederlanderschap verliest op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15).
Een minderjarige verliest de Nederlandse nationaliteit op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), als de vader of moeder het Nederlanderschap verliest op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15).
De minderjarige verliest de Nederlandse nationaliteit in de situatie dat hij:
Ook hier geldt dat geen verlies van het Nederlanderschap zal intreden, als het kind behoort tot een van de categorieën van artikel 16, tweede lid, RWN.
### Artikel 22
Zes jaren na de geboorte van A verkrijgen de ouders door naturalisatie de Australische nationaliteit en zij verliezen beiden de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. A deelt daar niet in, omdat hij al Australiër is. Desondanks verliest hij het Nederlanderschap, aangezien hij reeds de nationaliteit bezit die zijn ouders op hun verzoek hebben verkregen.
De uitzonderingen, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN zijn op A niet van toepassing.
Er is in dit geval namelijk geen sprake van verkrijging van een nationaliteit door A, als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e of f, RWN. A heeft immers de Australische nationaliteit al verkregen bij geboorte.
### 16-1-d. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Paragraaf 1
De minderjarige verliest het Nederlanderschap indien zijn vader of moeder die nationaliteit verliest door:
De minderjarige verliest het Nederlanderschap indien zijn vader of moeder die nationaliteit verliest door:
Ook hier geldt dat geen verlies van het Nederlanderschap zal intreden indien het kind behoort tot een van de categorieën van artikel 16, tweede lid, RWN dan wel indien het staatloos zou worden (artikel 14, achtste lid, RWN).
### Artikel 22A
### Artikel 22B
### Artikel 22C
### Artikel 23
Enkele maanden na de geboorte van B emigreren hij en zijn moeder naar Australië. Na tien jaren hoofdverblijf in Australië verliest A haar Nederlanderschap ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN zoals dat destijds luidde (aan haar is in die tien jaren geen Nederlands reisdocument of bewijs van Nederlanderschap afgegeven).
Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook B, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, zijn Nederlanderschap moeten verliezen (waar B al die jaren hoofdverblijf heeft gehad speelt hierbij geen enkele rol).
### 23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
### 23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
Het besluit waarbij aan A het Nederlanderschap werd verleend, wordt op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN ingetrokken, aangezien hij heeft nagelaten na zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.
Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook B zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, voor B geldt de uitzonderingscategorie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN. Hij ontleent het Nederlanderschap immers tevens aan artikel 3 derde lid, RWN. Voor B gaat het Nederlanderschap dan ook niet verloren.
Het echtpaar A en B, beiden geboren in Marokko in 1965, woont sedert 1995 in Nederland. In 2000 wordt in Marokko uit het huwelijk C geboren. Alle leden van het gezin zijn van Marokkaanse nationaliteit.
In 2001 wordt vader A genaturaliseerd tot Nederlander. A behoudt daarbij de Marokkaanse nationaliteit. Kind C deelt in de naturalisatie. Moeder B wordt niet genaturaliseerd. Vader en kind bezitten na naturalisatie de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.
A vestigt zich na zijn naturalisatie tot Nederlander in Denemarken. In 2002 wordt zijn huwelijk met B door echtscheiding ontbonden en trouwt hij in Denemarken met een Deense vrouw. Als hij zes jaren in Denemarken woont, wordt hij daar genaturaliseerd (in 2008). Zijn minderjarig kind C, die in Nederland bij B verblijft, verkrijgt niet de Deense nationaliteit. B bezit op het moment dat A de Deense nationaliteit verkrijgt nog steeds uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit en kind C heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit.
A verliest in 2008 zijn Nederlanderschap door de vrijwillige verkrijging van de Deense nationaliteit op grond van de rechtstreekse werking van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg (zie hiervoor de toelichting onder artikel 15A RWN).
Voor A geldt derhalve dat hij in 2008 zijn Nederlanderschap verliest op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg.
### 23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
Ook C verliest in 2008 zijn Nederlanderschap. Voor C gaat het Nederlanderschap in 2008 verloren op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Dit omdat zijn vader het Nederlanderschap heeft verloren ingevolge één van de verdragen genoemd in artikel 15A RWN. Het verlies van het Nederlanderschap wordt niet belet door artikel 14, zesde lid (vanaf 1 maart 2017 is dit het achtste lid), RWN aangezien C niet staatloos wordt (C bezit nog de Marokkaanse nationaliteit). C valt niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN die verlies van het Nederlanderschap beletten.
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkrijgt als zijn vader of moeder.**
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkrijgt als zijn vader of moeder.**
Van verlies op grond van deze bepaling is alleen sprake indien de vreemde nationaliteitswetgeving de mogelijkheid kent dat een (Nederlandse) minderjarige zelfstandig die vreemde nationaliteit kan verkrijgen én de minderjarige door middel van deze zelfstandige verkrijgingsgrond de vreemde nationaliteit heeft verkregen. Om tot verlies van het Nederlanderschap te kunnen leiden, moet het gaan om een nationaliteit die zijn vader of moeder ook heeft.
Van verlies op grond van deze bepaling is alleen sprake indien de vreemde nationaliteitswetgeving de mogelijkheid kent dat een (Nederlandse) minderjarige zelfstandig die vreemde nationaliteit kan verkrijgen én de minderjarige door middel van deze zelfstandige verkrijgingsgrond de vreemde nationaliteit heeft verkregen. Om tot verlies van het Nederlanderschap te kunnen leiden, moet het gaan om een nationaliteit die zijn vader of moeder ook heeft.
Aan de verkrijging moet vrijwilligheid ten grondslag liggen. Zou een minderjarige – bijvoorbeeld als gevolg van gewijzigde wetgeving in een bepaald land – van rechtswege de nationaliteit van dat land verkrijgen, terwijl dat bovendien de nationaliteit van zijn vader of moeder is, dan zal dat voor de betreffende minderjarige geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg hebben, omdat het element vrijwilligheid ten aanzien van de verkregen nationaliteit ontbreekt. De nationaliteit van de vader of moeder dient aldus vrijwillig te zijn verkregen, hetzij op eigen verzoek, hetzij als gevolg van een namens de minderjarige gepleegde rechtshandeling door zijn wettelijk vertegenwoordiger(s).
### 16-2-alg. Toelichting algemeen
A is in Nederland geboren uit het huwelijk van de Nederlandse man B en de in Frankrijk geboren Britse vrouw C.
A verkrijgt bij zijn geboorte het Nederlanderschap uitsluitend op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3). Het Brits burgerschap verkrijgt hij niet bij zijn geboorte, aangezien zijn moeder Brits burger door afstamming is.
Enkele maanden na zijn geboorte wordt A op verzoek van zijn ouders geregistreerd tot Brits burger. Ten aanzien van hem moet dus worden gesteld dat hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkregen heeft als zijn moeder, hetgeen ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN zou moeten leiden tot verlies van zijn Nederlanderschap.
### 16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
Geen.
Met het begrip ‘ouder’ in [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) is ook bedoeld de adoptiefouder, mits de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken, alsmede de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
De invoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap op 1 januari 1985 heeft geen verandering gebracht in de nationaliteitsrechtelijke positie van personen die het Nederlanderschap hebben verkregen op grond van eerder geldende wettelijke regelingen. Met andere woorden, personen die onmiddellijk vóór 1 januari 1985 Nederlander waren, zijn dat op 1 januari 1985 gebleven. Het onderhavige artikel bepaalt dat deze personen Nederlander zijn in de zin van de RWN.
### 16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
Geen.
Geen.
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
[Artikel 16A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), welke bepaling overigens geen zelfstandige verliesgrond is, ziet op verlies van het Nederlanderschap als gevolg van vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van landen waarvoor het Verdrag van Straatsburg in werking is getreden en die Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg, dat handelt over beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit, toepassen.
### 16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
Geen.
Geen.
Geen.
Deze bepaling bevat voor minderjarigen een zelfde regeling als [artikel 15A, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) voor meerderjarigen. Het gestelde bij [artikel 15A, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) hoefde bij de onderhavige bepaling niet te worden opgenomen, aangezien de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen Nederland en Suriname, alleen van toepassing is op personen die op 25 november 1975 reeds waren geboren. Nu deze personen inmiddels niet meer minderjarig zijn, is het uitgesloten dat nu nog een minderjarige ingevolge die Overeenkomst de Surinaamse nationaliteit verkrijgt.
Deze bepaling bevat voor minderjarigen een zelfde regeling als [artikel 15A, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) voor meerderjarigen. Het gestelde bij [artikel 15A, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) hoefde bij de onderhavige bepaling niet te worden opgenomen, aangezien de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen Nederland en Suriname, alleen van toepassing is op personen die op 25 november 1975 reeds waren geboren. Nu deze personen inmiddels niet meer minderjarig zijn, is het uitgesloten dat nu nog een minderjarige ingevolge die Overeenkomst de Surinaamse nationaliteit verkrijgt.
[Artikel 16A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), welke bepaling overigens geen zelfstandige verliesgrond is, ziet op verlies van het Nederlanderschap als gevolg van vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van landen waarvoor het Verdrag van Straatsburg in werking is getreden en die Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg, dat handelt over beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit, toepassen.
Een overzicht van landen die partij zijn bij het Verdrag van Straatsburg of die dat in het verleden zijn geweest is op genomen in de toelichting op artikel 15A, aanhef en onder a, HRWN.
### 17-alg. Toelichting algemeen
Het verlies op grond van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geldt – op onderdelen – niet als het betreffende verdragsland ook partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1994, nr. 265). Omdat sinds 4 juni 2010 alleen Nederland partij is bij het Tweede Protocol wordt hier kortheidshalve verwezen naar de toelichting op artikel 15A, aanhef en onder a, HRWN.
### Artikel 18
De RWN voorziet in de mogelijkheid van verlies als bedoeld in artikel 1, tweede lid, Verdrag van Straatsburg, namelijk in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16). Echter, alleen indien de minderjarige dezelfde nationaliteit heeft verkregen als zijn vader of moeder en bovendien geen sprake is van de in [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) genoemde uitzonderingen. Voor de beoordeling van de vraag of een minderjarige het Nederlanderschap al dan niet heeft verloren, heeft artikel 16A RWN dan ook geen zelfstandige betekenis en kan worden volstaan met toepassing van artikel 16 RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
Geen.
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### 18-alg. Toelichting algemeen
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
### Artikel 19
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### 19-alg. Toelichting algemeen
### 19-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 20
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
Geen.
In [hoofdstuk 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6) is de vaststelling van het Nederlanderschap geregeld. Die vaststelling kan als volgt geschieden. Wanneer alleen de vaststelling van de nationaliteit aan de orde is, dan is in Nederland uitsluitend bevoegd de Rechtbank ’s-Gravenhage, en in Curaçao en Sint Maarten of Aruba het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Is echter elders al een zaak aanhangig bij een rechterlijke instantie of in een administratief beroep, waarbij het al of niet bezitten van het Nederlanderschap ook wordt vastgesteld, dan is een procedure voor de Haagse rechtbank of het gemeenschappelijk Hof van Justitie niet mogelijk. Iemand kan dus niet ‘twee ijzers in het vuur hebben’.
In [hoofdstuk 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6) is de vaststelling van het Nederlanderschap geregeld. Die vaststelling kan als volgt geschieden. Wanneer alleen de vaststelling van de nationaliteit aan de orde is, dan is in Nederland uitsluitend bevoegd de Rechtbank ’s-Gravenhage, en in Curaçao en Sint Maarten of Aruba het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curaçao en Sint Maarten en Aruba. Is echter elders al een zaak aanhangig bij een rechterlijke instantie of in een administratief beroep, waarbij het al of niet bezitten van het Nederlanderschap ook wordt vastgesteld, dan is een procedure voor de Haagse rechtbank of het gemeenschappelijk Hof van Justitie niet mogelijk. Iemand kan dus niet ‘twee ijzers in het vuur hebben’.
De Haagse rechtbank c.q. het gemeenschappelijk Hof van Justitie kan ook het al dan niet bezitten van het Nederlanderschap op een bepaald tijdstip vaststellen. Dit geldt ook ten aanzien van een reeds overleden persoon. (Bijvoorbeeld: iemand heeft recht op een uitkering wanneer is aangetoond dat hij tussen 10 mei 1940 en 15 augustus 1945 Nederlander was. Heeft hij beroep aangetekend tegen een beschikking waarbij hem die uitkering is geweigerd, dan kan hij zich niet daarnaast tot de Haagse rechtbank c.q. het gemeenschappelijk Hof van Justitie wenden.)
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
In een rechtszaak, waarin de vraag van belang is of iemand al dan niet Nederlander is, of op een bepaald moment al dan niet Nederlander was, kan de rechter het advies vragen van de Nederlandse Minister van Justitie dan wel de Nederlands-Antilliaanse Minister van Justitie. Komt die vraag naar voren in een administratief beroep, dan moet het advies van de Nederlandse Minister van Justitie dan wel de Nederlands-Antilliaanse Minister van Justitie verplicht worden gevraagd. De zaak wordt terstond hervat, zodra het advies van de Minister is ontvangen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7) en [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7) en [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=7); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=13); [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=19); [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=25); [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33); [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=39); [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=45); [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=51) en [63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)
Geen.
De in [artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) bedoelde algemene maatregel van rijksbestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BVVN, van 15 april 2002, Stb. 2002, 231)
De in [artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) bedoelde algemene maatregel van rijksbestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BVVN, van 15 april 2002, Stb. 2002, 231)
[Hoofdstuk I van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=I) bevat algemene bepalingen, [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II) handelt over de administratieve behandeling van optieverklaringen, [hoofdstuk III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=III) over de administratieve behandeling van verzoeken om naturalisatie (inclusief de administratieve handelingen inzake de afstandsverplichting), [hoofdstuk IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=IV) over het bewijs van Nederlanderschap, [hoofdstuk V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=V) over verlies van het Nederlanderschap door afstand en intrekking wegens fraude en het niet nakomen van de afstandsverplichting en [hoofdstuk VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=VI) bevat overgangs- en slotbepalingen.
Op grond van [artikel 2 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2) en [artikel 63 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63) zijn de volgende autoriteiten bevoegd tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen, verzoeken om naturalisatie en verklaringen van afstand van het Nederlanderschap:
In de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=7), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=13), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=19), [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=25), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33), [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=39), [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=45) en [51 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=51) wordt nader geregeld van welke personen deze autoriteiten optieverklaringen c.q. verzoeken om naturalisatie in ontvangst mogen nemen. Daarentegen zijn alle genoemde autoriteiten bevoegd om afstandsverklaringen van ongeacht welke persoon in ontvangst te nemen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14); [15.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14); [15.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12); [18.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=18); [24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=24); [30.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30) en [64.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)
Geen.
Een Nederlandse vrouw is in 1965 gehuwd met een Belgische man. Zij heeft hierdoor de Belgische nationaliteit verkregen. Zij heeft door het huwelijk niet van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verloren (artikel 5 WNI (oud) is per 1 maart 1964 vervallen). Zij heeft in 1966 het Nederlanderschap verworpen teneinde eenheid van nationaliteit tussen haar en haar man te bewerkstelligen. In januari 2003 is in Nederland de echtscheiding uitgesproken en op 5 februari 2003 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw kan tot 5 februari 2004 een schriftelijke verklaring afleggen om het Nederlanderschap te herkrijgen. Als zij dat doet, verkrijgt zij het Nederlanderschap met ingang van 5 februari 2003.
### 22-2. Toelichting ad [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22)
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
### Artikel 29
Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben eveneens een openbaar register, waarin ten aanzien van de aldaar wonende personen dezelfde gegevens worden bijgehouden als die genoemd in [artikel 22, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22). De in deze bepaling bedoelde registers zijn dus zowel in Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als bij de IND in Rijswijk, Europees Nederland aanwezig. Voor wat betreft de in voornoemde landen uitgebrachte optieverklaringen volgt dit ook uit [artikel 18, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=18) en [artikel 24, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=24).
RvvN: [artikel 14.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=14)
### Artikel 22B
De verklaring van verbondenheid wordt in de regel in persoon op een naturalisatieceremonie, mondeling en zonder uitzondering in het Nederlands afgelegd.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21)
### Artikel II RRWN
Geen.
### 23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
**De verklaring van verbondenheid, bedoeld in artikel 6, tweede lid, artikel 8, eerste lid onder e en artikel 11, vierde en vijfde lid, wordt afgelegd met de volgende woorden: Ik zweer (verklaar) dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer (beloof) de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen. Degene die de verklaring aflegt voegt daar ter bevestiging aan toe: Zo waarlijk helpe mij God almachtig, of: Dat verklaar en beloof ik.**
### 23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
De verklaring van verbondenheid wordt in de regel in persoon op een naturalisatieceremonie, mondeling en zonder uitzondering in het Nederlands afgelegd.
De verklaring van verbondenheid wordt bevestigd met de woorden ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’.
### 14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN
Wanneer betrokkene ervoor kiest de andere (neutrale) verklaring van verbondenheid te bevestigen met de tweede mogelijkheid, betreft de verklaring van verbondenheid de volgende woorden:‘ Ik verklaar dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en beloof de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging : ‘Dat verklaar en beloof ik’.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Indien de bevoegde autoriteit heeft bepaald dat de verklaring van verbondenheid schriftelijk kan worden afgelegd (zie [artikel 23, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23)), wordt de schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. Voor het schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn twee modellen ontwikkeld. In model 4.1 is de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ en in model 4.2 de verklaring van verbondenheid opgenomen die besluit met ‘Dat verklaar en beloof ik’. De schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid wordt door de burgemeester in het bij de gemeente aanwezige optiedossier of naturalisatiedossier gevoegd.
### 23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
**De gevallen waarin het afleggen van de verklaring, in afwijking van artikel 6, tweede lid, 6 achtste lid, 8, eerste lid onder e, 11, vierde lid, 11 vijfde lid onder b, 26, derde lid en 28, derde lid, niet gevraagd zal worden of redelijkerwijs niet gevraagd kan worden en de wijze waarop deze verklaring kan worden afgelegd, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.**
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
In [artikel 60a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) is de wijze van afleggen van de verklaring van verbondenheid vastgesteld. Daarnaast is in voornoemde artikelen bepaald de gevallen waarin het afleggen van de verklaring niet wordt gevraagd of om redenen van redelijkheid niet gevraagd kan worden.
### 24-alg. Toelichting algemeen
Voorts is opgenomen dat de bevoegde autoriteit kan bepalen dat de betrokkene de verklaring van verbondenheid schriftelijk aflegt, indien van hem redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij deze mondeling aflegt ([artikel 60a, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit geldt in elk geval voor de gevallen die in het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) reeds zijn onderkend als de gevallen waarin niet kan worden verlangd dat men de ceremonie bijwoont ([artikel 60a, negende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, negende lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Maar ook kan het gaan om gevallen waarin de persoon in kwestie wel in staat is om de ceremonie bij te wonen, maar niet in staat is om de verklaring uit te spreken. Dan kan de verklaring van verbondenheid schriftelijk worden afgelegd, door het ondertekenen van de tekst van de verklaring (model 4.1 of model 4.2).
### Artikel 24
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6)
### 25-alg. Toelichting algemeen
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### 24-alg. Toelichting algemeen
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [15A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) WNI: artikelen 5 (oud); 7.1 en 7.3
Geen.
Geen.
Geen.
De invoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap op 1 januari 1985 heeft geen verandering gebracht in de nationaliteitsrechtelijke positie van personen die het Nederlanderschap hebben verkregen op grond van eerder geldende wettelijke regelingen. Met andere woorden, personen die onmiddellijk vóór 1 januari 1985 Nederlander waren, zijn dat op 1 januari 1985 gebleven. Het onderhavige artikel bepaalt dat deze personen Nederlander zijn in de zin van de RWN.
De invoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap op 1 januari 1985 heeft geen verandering gebracht in de nationaliteitsrechtelijke positie van personen die het Nederlanderschap hebben verkregen op grond van eerder geldende wettelijke regelingen. Met andere woorden, personen die onmiddellijk vóór 1 januari 1985 Nederlander waren, zijn dat op 1 januari 1985 gebleven. Het onderhavige artikel bepaalt dat deze personen Nederlander zijn in de zin van de RWN.
### Artikel 26
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [15A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) WNI: artikelen 5 (oud); 7.1 en 7.3
### 26-alg. Toelichting algemeen
Dit artikel heeft tot doel oud-Nederlanders die op grond van oude nationaliteitswetgeving de Nederlandse nationaliteit hebben verloren en die behoren tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, gedurende een overgangstermijn van tien jaar na inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) op 1 april 2003 in de gelegenheid te stellen de Nederlandse nationaliteit op eenvoudiger wijze te herkrijgen. De personen waar het hier om gaat, wonen in het algemeen buiten het Koninkrijk. De in [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) genoemde voorwaarde, dat een optant gedurende een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk moet hebben, wordt daarom niet gesteld. Alle overige bij optie gestelde voorwaarden en vormvereisten zijn wél van toepassing.
### 26-1. Toelichting ad [artikel 26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
**Het vereiste van toelating en hoofdverblijf, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder f, is niet van toepassing op de vreemdeling die nadat hij meerderjarig is geworden het Nederlanderschap heeft verloren als gevolg van verkrijging van een andere nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) zoals dit luidde tot 1 maart 1964, en artikel 7, aanhef en ten eerste of ten derde, van de Wet van 12 december 1892,** **Stb. 268** **, op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, dan wel dit heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, indien de persoon:**
### 26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
### VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### 26-3. Toelichting ad [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
Alleen personen die tijdens hun meerderjarigheid, dus op of na hun achttiende jaar (of als het verlies vóór 1 januari 1985 is ingetreden, op of na hun 21ste jaar), of indien zij voordien gehuwd zijn of indien zij een in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), de Nederlandse nationaliteit hebben verloren, vallen onder deze bepaling. Het moet bovendien gaan om:
### paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
Daarnaast moet ook worden voldaan aan één van de onder a, b of c genoemde voorwaarden:
[Artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) geldt niet voor personen die uitsluitend de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander hebben bezeten.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 5. Gevolgen van de intrekking
### Paragraaf 6. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
### Artikel 15a
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
### Paragraaf 1. Algemeen
De verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2023-10-01&g=2023-10-01)) wordt, namens de minderjarige tot twaalf jaar, door zijn wettelijk vertegenwoordiger afgelegd. Deze minderjarige wordt hierover niet gehoord.
De verklaring van afstand kan door een minderjarige alleen met rechtsgevolg worden afgelegd, als hij naast het Nederlanderschap tevens de nationaliteit bezit van zijn vader, moeder of adoptiefouder4[127] (als bedoeld in [artikel 11, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)). In de meeste gevallen zal van die nationaliteit blijken uit de beschrijving van de minderjarige in de BRP. Is dat niet het geval, of wordt bijvoorbeeld getwijfeld aan het al dan niet bezitten van de nationaliteit van de (adoptief)ouder, dan kan overlegging van een bewijs van de nationaliteit van de minderjarige en/of zijn (adoptief)ouder worden verlangd (vergelijk [artikel 62, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)).
De verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2024-01-01&g=2024-01-01)) wordt, namens de minderjarige tot twaalf jaar, door zijn wettelijk vertegenwoordiger afgelegd. Deze minderjarige wordt hierover niet gehoord.
De verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2024-04-01&g=2024-04-01)) wordt, namens de minderjarige tot twaalf jaar, door zijn wettelijk vertegenwoordiger afgelegd. Deze minderjarige wordt hierover niet gehoord.
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
De ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt wordt, op haar/zijn verzoek, gehoord om zo haar/zijn bedenkingen tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken. Uit de woorden ‘op zijn verzoek’ volgt dat de andere ouder niet verplicht is bedenkingen kenbaar te maken. Indien deze ouder te kennen geeft niet gehoord te willen worden of niet reageert op een uitnodiging daartoe, dan wordt zij/hij geacht geen bedenkingen te hebben tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van haar/zijn kind.
### paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
Zolang de andere ouder, ondanks zijn verzoek, niet is gehoord, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet op (zie tevens paragraaf 3 **Geen verlies Nederlanderschap**).
### paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
Minderjarigen van zestien en zeventien jaar worden geacht zelfstandig te kunnen beslissen over het verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand. Zij kunnen bij die rechtshandeling niet worden vertegenwoordigd door hun wettelijke vertegenwoordiger.6Zie voor procedurele voorschriften aangaande verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand de toelichting bij artikel 15, eerste lid aanhef en onder b, RWN
Het verlies van het Nederlanderschap treedt in als aan de wettelijke voorwaarden uit [artikel 16, eerste en tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) wordt voldaan. Het verlies gebeurt van rechtswege door het ondertekenen van de verklaring van afstand door de zestien of zeventien jarige of de wettelijk vertegenwoordiger van een jonger kind.
Het in de bevestiging7De bevestiging is een bevestiging dát er een afstandsverklaring in ontvangst is genomen. Niet een bevestiging dat het Nederlanderschap is verloren. opgenomen oordeel dat de verklaring van afstand geen rechtsgevolg heeft, kan betrokkene betwisten in een gerechtelijke procedure, voorzien in [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17).
**Minderjarige tussen de 12 tot 16 jaar is niet gehoord**
### 16-1-c. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
C verkrijgt bij zijn geboorte naast de Turkse ook de Nederlandse nationaliteit, aangezien is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien zijn vader of moeder vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt en hij in deze verkrijging deelt of deze nationaliteit reeds bezit.**
### 16-1-d. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Paragraaf 1
Een Nederlands echtpaar emigreert naar Australië, waar kind A wordt geboren. A verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap, maar daarnaast ook de Australische nationaliteit door geboorte op het grondgebied van Australië.
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien zijn vader of moeder het Nederlanderschap verliest ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, c of d, of ingevolge artikel 15A.**
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien zijn vader of moeder het Nederlanderschap verliest ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, c of d, of ingevolge artikel 15A.**
A is geboren uit de ongehuwde vrouw B, die weliswaar een nationaliteit bezit, maar die nationaliteit niet aan A heeft doorgegeven. A is dus staatloos.
B wordt genaturaliseerd tot Nederlander, waarin A deelt. B verliest door de naturalisatie niet haar oorspronkelijke nationaliteit. Tijdens de minderjarigheid van A doet B afstand van het Nederlanderschap.
Volgens [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) zou ook A, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, ingevolge artikel 14, achtste lid, RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien A, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest hij zijn Nederlanderschap niet.
In 2005 wordt in Nederland kind B geboren uit de in Australië geboren ongehuwde vrouw A. A is van Nederlandse en Australische nationaliteit. B verkrijgt bij zijn geboorte uitsluitend de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft nimmer de Australische nationaliteit verkregen, omdat zijn geboorte niet is geregistreerd bij een Australisch Consulaat.
Echter, ingevolge het toen geldende artikel 14, zesde lid (vanaf 1 maart 2017 is dit het achtste lid), RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien B, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest hij zijn Nederlanderschap niet.
Na de naturalisatie van A tot Nederlander wordt zijn zoon B geboren. Zowel A als B zijn in Nederland geboren. B ontleent het Nederlanderschap zowel aan [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) als aan artikel 3, derde lid, RWN.
### 16-1-e. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Paragraaf 1. Algemeen
A heeft immers – op zijn verzoek – door naturalisatie de nationaliteit verkregen van een staat die op het moment van verkrijging (2008) partij is bij het Verdrag van Straatsburg, en die geen partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
### 16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
### 16-2-alg. Toelichting algemeen
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
Geen.
### 16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
Deze bepaling bevat voor minderjarigen een zelfde regeling als [artikel 15A, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) voor meerderjarigen. Het gestelde bij [artikel 15A, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) hoefde bij de onderhavige bepaling niet te worden opgenomen, aangezien de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen Nederland en Suriname, alleen van toepassing is op personen die op 25 november 1975 reeds waren geboren. Nu deze personen inmiddels niet meer minderjarig zijn, is het uitgesloten dat nu nog een minderjarige ingevolge die Overeenkomst de Surinaamse nationaliteit verkrijgt.
Een overzicht van landen die partij zijn bij het Verdrag van Straatsburg of die dat in het verleden zijn geweest is op genomen in de toelichting op artikel 15A, aanhef en onder a, HRWN.
### Artikel 17
### 18-alg. Toelichting algemeen
### 17-alg. Toelichting algemeen
### 19-alg. Toelichting algemeen
Geen.
### 18-alg. Toelichting algemeen
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### 20-alg. Toelichting algemeen
Geen.
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
### Artikel 21
### 21-alg. Toelichting algemeen
De Haagse rechtbank hoort de IND als belanghebbende. En het gemeenschappelijk Hof van Justitie hoort het Openbaar Ministerie. Van de beschikking van de rechtbank c.q. het gemeenschappelijk Hof van Justitie staat uitsluitend beroep in cassatie open. Is een beschikking onherroepelijk geworden, dan is elk orgaan dat is belast met de uitvoering van enige wettelijke regeling (korter gezegd: de administratie) daaraan gebonden.
### Artikel 22
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
### 22-2. Toelichting ad [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22)
### Artikel 22A
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
Onze Ministers van Justitie van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten houden een openbaar register van de in het eerste lid bedoelde akten welke betrekking hebben op personen die in hun land woonachtig zijn.
Ten aanzien van personen woonachtig in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba berusten de optieregisters bij:
### Artikel 22A
### Artikel 22A
**De verklaring van verbondenheid, bedoeld in artikel 6, tweede lid, artikel 8, eerste lid onder e en artikel 11, vierde en vijfde lid, wordt afgelegd met de volgende woorden: Ik zweer (verklaar) dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer (beloof) de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen. Degene die de verklaring aflegt voegt daar ter bevestiging aan toe: Zo waarlijk helpe mij God almachtig, of: Dat verklaar en beloof ik.**
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21)
De keuze voor de eerste of tweede variant van de bevestiging van de verklaring van verbondenheid, ligt bij betrokkene. De tekst van de verklaring van verbondenheid als die van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan **niet** worden afgeweken.
Wanneer betrokkene ervoor kiest de verklaring van verbondenheid te bevestigen met de eerste mogelijkheid, betreft de verklaring van verbondenheid de volgende woorden: ‘Ik zweer dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ en eindigt met de volgende bevestiging : ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’.
De keuze voor de eerste of tweede variant van de bevestiging van de verklaring van verbondenheid, ligt bij betrokkene. De tekst van de verklaring van verbondenheid als die van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan **niet** worden afgeweken.
De in [artikel 23, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23) bedoelde algemene maatregel van bestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BVVN, van 15 april 2002, **Stb.** 2002, 231, gewijzigd bij **Stb**. 2009, 2).
### Artikel 25
Ten slotte is in het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) opgenomen dat indien betrokkene vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is om de verklaring van verbondenheid op de voorgeschreven wijze af te leggen, de bevestiging van verkrijging van het Nederlanderschap of het uittreksel van verlening van het Nederlanderschap bekend wordt gemaakt zonder dat de verklaring is afgelegd ([artikel 60a, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Het gaat hier om zeer bijzondere omstandigheden, gelegen in de fysieke of psychische omstandigheden van deze persoon.59Zie ook toelichting bij artikel 6, artikel 7, artikel 8, eerste lid, onder e, RWN.
### 26-alg. Toelichting algemeen
### 25-alg. Toelichting algemeen
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [15A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) WNI: artikelen 5 (oud); 7.1 en 7.3
Geen.
Dit artikel heeft tot doel oud-Nederlanders die op grond van oude nationaliteitswetgeving de Nederlandse nationaliteit hebben verloren en die behoren tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, gedurende een overgangstermijn van tien jaar na inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) op 1 april 2003 in de gelegenheid te stellen de Nederlandse nationaliteit op eenvoudiger wijze te herkrijgen. De personen waar het hier om gaat, wonen in het algemeen buiten het Koninkrijk. De in [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) genoemde voorwaarde, dat een optant gedurende een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk moet hebben, wordt daarom niet gesteld. Alle overige bij optie gestelde voorwaarden en vormvereisten zijn wél van toepassing.
Let op! Voor 1 januari 1985 was de WNI van toepassing. Bij de beoordeling of iemand voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad moet op grond van het op dat moment geldende Nederlandse Burgerlijk Wetboek onderscheid gemaakt worden tussen het begrip meerderjarig tot 1 januari 1985 (21 jaar) en vanaf 1 januari 1985 (18 jaar).
De oud-Nederlander die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op een andere grond kan geen beroep doen op dit artikel. Zo kan degene die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van de TOI, de TOS of op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg geen beroep doen op dit artikel. Bij het verlies op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg gaat het om oud-Nederlanders die na 9 juni 1985 vrijwillig de nationaliteit hebben verkregen van Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk of na 18 juni 1991 van België. Op grond van [artikel 15A, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) is er echter geen sprake van verlies op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg als de oud-Nederlander vrijwillig de Franse of Italiaanse nationaliteit heeft verkregen terwijl hij behoorde tot de doelgroep van het Tweede Protocol.
Ingevolge deze bepaling kunnen oud-Nederlanders die voldoen aan de voorwaarden van [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) tot en met 31 maart 2013 een beroep doen op het onderhavige artikel.
Ingevolge deze bepaling kunnen oud-Nederlanders die voldoen aan de voorwaarden van [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) tot en met 31 maart 2013 een beroep doen op het onderhavige artikel.
**Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de vader of moeder, die de vreemdeling is bedoeld in het eerste lid, deelt in diens verkrijging van het Nederlanderschap, indien hij in de verklaring tot dat doel is vermeld. Kinderen van een kind dat in de verkrijging deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verkrijging. Een kind dat ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, deelt in de verkrijging indien het daarmee uitdrukkelijk instemt, de in het tweede lid van artikel 6 bedoelde bereidverklaring daadwerkelijk aflegt en jegens hem geen vermoedens bestaan als bedoeld in het vierde lid dat artikel. Het besluit tot bevestiging wordt niet bekend gemaakt dat nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Artikel 11, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.**
**Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de vader of moeder, die de vreemdeling is bedoeld in het eerste lid, deelt in diens verkrijging van het Nederlanderschap, indien hij in de verklaring tot dat doel is vermeld. Kinderen van een kind dat in de verkrijging deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verkrijging. Een kind dat ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, deelt in de verkrijging indien het daarmee uitdrukkelijk instemt, de in het tweede lid van artikel 6 bedoelde bereidverklaring daadwerkelijk aflegt en jegens hem geen vermoedens bestaan als bedoeld in het vierde lid dat artikel. Het besluit tot bevestiging wordt niet bekend gemaakt dat nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Artikel 11, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.**
### Artikel 27
Een kind dat ten tijde van het afleggen van de optieverklaring zestien jaar of ouder is, deelt alleen in de verkrijging als het daarmee uitdrukkelijk instemt en zich bereid heeft verklaart bij de verkrijging van het Nederlanderschap de verklaring van verbondenheid af te leggen. De instemming van het kind moet blijken uit [model 1.9 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2024-04-01&g=2024-04-01). De bereidheid van de medeoptanten van zestien of zeventien jaar tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt met het formulier ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 1.36 HRWN) vastgelegd op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Als blijkt dat tegen hem ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, wordt de bevestiging ten aanzien van het kind geweigerd.
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). In aanvulling daarop geldt het volgende. De persoon die een beroep doet op deze bepaling, zal zelf moeten aantonen wanneer en op grond van welk artikel hij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. In een aantal gevallen zal dit al blijken uit een vermelding in de BRP. In dat geval is geen aanvullend bewijs nodig. Is de verliesgrond echter niet vermeld, dan zal de vrouw die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren als gevolg van het door haar voor 1 maart 1964 gesloten huwelijk bijvoorbeeld een uittreksel uit het huwelijksregister kunnen tonen. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen. Verlies op grond van artikel 7, aanhef ten eerste of ten derde, WNI of [artikel 15, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan worden aangetoond door het overleggen van het naturalisatiebesluit, een bij de naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit een naturalisatie c.q. optieregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het vreemde nationaliteitsrecht. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het om de griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. De optant moet daarover zelf inlichtingen inwinnen, bijvoorbeeld bij de vertegenwoordiging van zijn land in Nederland en moet – als de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aantonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van dat land in Nederland bevoegd zijn om een verklaring af te geven. Deze verklaring moet, als nodig, gelegaliseerd en vertaald worden. De burgemeester zal vervolgens aan de hand van het (destijds geldende) vreemde recht en het (destijds geldende) Nederlandse nationaliteitsrecht moeten bepalen of sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit en zo ja, op grond van welk artikel in de WNI of de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
### 27-alg. Toelichting algemeen
De Nederlandse vrouw A, emigreert in 1970 samen met haar Nederlandse echtgenoot naar Canada. Haar echtgenoot krijgt in 1977 de Canadese nationaliteit door naturalisatie. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Zelf verkrijgt A de Canadese nationaliteit in 1980 door naturalisatie en verliest daardoor op grond van hetzelfde artikel het Nederlanderschap. Deze vrouw kan, mits tegen haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 hoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). Haar man heeft de Canadese nationaliteit op het moment dat zij de Canadese nationaliteit verkrijgt. Ervan uitgaande dat haar man voor zijn komst naar Canada altijd in Nederland heeft gewoond, moet hij wel ten minste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben om de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie te verkrijgen. Hij voldoet immers niet aan artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, RWN.
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
### Artikel 27
### Artikel 27
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3)
Geen.
Bij de tot 1 januari 2005 geldende redactie van [artikel 27, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=27), viel strikt genomen het kind dat werd geboren op 1 april 2003 niet onder de werking van artikel 27, tweede lid RWN, dat op die dag in werking was getreden. Pas een kind geboren op 2 april 2003 (of daarna) viel onder de redactie van het op 1 april 2003 gewijzigde artikel. Dit is nimmer de bedoeling geweest, en met de wetswijziging is dit rechtgezet.
Bij de tot 1 januari 2005 geldende redactie van [artikel 27, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=27), viel strikt genomen het kind dat werd geboren op 1 april 2003 niet onder de werking van artikel 27, tweede lid RWN, dat op die dag in werking was getreden. Pas een kind geboren op 2 april 2003 (of daarna) viel onder de redactie van het op 1 april 2003 gewijzigde artikel. Dit is nimmer de bedoeling geweest, en met de wetswijziging is dit rechtgezet.
WNI: artikel 5, zoals dat luidde vóór 1 maart 1964
Geen.
### Artikel 28
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [6.2 t/m 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VI)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [6.1 t/m 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=133); [1:163.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=163); [1:253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha) en [1:183.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=183)
WNI: artikel 5, zoals dat luidde vóór 1 maart 1964
Geen.
De vrouw die het Nederlanderschap heeft verloren door of in verband met haar vóór de inwerkingtreding van deze Rijkswet gesloten huwelijk, verkrijgt het Nederlanderschap door het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke en door een bevestiging gevolgde verklaring, welke moet worden afgelegd binnen een jaar na de ontbinding van dat huwelijk of binnen een jaar nadat zij van die ontbinding heeft kunnen kennis nemen. Deze verkrijging werkt terug tot de datum van ontbinding van het huwelijk.
De vrouw die het Nederlanderschap heeft verloren door of in verband met haar vóór de inwerkingtreding van deze Rijkswet gesloten huwelijk, verkrijgt het Nederlanderschap door het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke en door een bevestiging gevolgde verklaring, welke moet worden afgelegd binnen een jaar na de ontbinding van dat huwelijk of binnen een jaar nadat zij van die ontbinding heeft kunnen kennis nemen. Deze verkrijging werkt terug tot de datum van ontbinding van het huwelijk.
[Artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) geeft een vrouw die het Nederlanderschap heeft verloren door of in verband met haar vóór 1 januari 1985 gesloten huwelijk de mogelijkheid het Nederlanderschap te herkrijgen door het uitbrengen van een optieverklaring.
De optieverklaring moet schriftelijk worden afgelegd bij een daartoe bevoegde autoriteit binnen een jaar nadat het huwelijk is ontbonden of binnen een jaar nadat de vrouw van de ontbinding van het huwelijk op de hoogte is gekomen. In Nederland is de burgemeester de bevoegde autoriteit om de verklaring in ontvangst te nemen. In het buitenland is het hoofd van de diplomatieke of consulaire post daartoe bevoegd ([artikel 2 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2)). De verklaring moet in persoon worden afgelegd (zie [artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) en [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)).
Slechts indien om zwaarwegende redenen van de optante niet kan worden verlangd dat zij de verklaring in persoon aflegt, kan daarvan worden afgeweken. In dat geval kan de optieverklaring worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de optante en van de gemachtigde (zie artikel 3, tweede lid, BVVN). Voor de administratieve behandeling van optieverklaringen gelden de bepalingen van [hoofdstuk II BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&hoofdstuk=II). Zie ook de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN.
De Nederlandse nationaliteit wordt verkregen indien de burgemeester de optieverklaring heeft bevestigd. De burgemeester dient de bevestiging te weigeren indien er op grond van het gedrag van de optante ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Dit volgt uit artikel 28, tweede lid, RWN, waar onder meer [artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) van overeenkomstige toepassing is verklaard. Het openbare orde vereiste van artikel 6, vierde lid, RWN geldt dan ook onverkort voor de persoon die opteert op grond van het onderhavige artikel.
Bij de woorden ‘door of in verband met haar (...) huwelijk’ moet niet alleen worden gedacht aan het verlies van de Nederlandse nationaliteit van rechtswege door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander (situatie van vóór 1 maart 1964). Hieronder valt ook de situatie dat de vrouw in verband met het huwelijk (dus niet na ontbinding van dat huwelijk) vrijwillig de nationaliteit van haar echtgenoot heeft aangenomen of dat zij samen met hem een andere nationaliteit heeft aangenomen (de vrouw en haar echtgenoot hebben bijvoorbeeld tegelijkertijd een andere nationaliteit aangevraagd en verkregen).
De verkrijging van het Nederlanderschap op grond van het onderhavige artikel werkt terug tot de datum waarop het huwelijk is ontbonden. Dit is een uitzondering op het in artikel 2, eerste lid, RWN geformuleerde beginsel dat verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. Volgens Nederlands recht wordt het huwelijk onder meer ontbonden door de dood, door echtscheiding en door ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed ([artikel 1:149 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=149)). De echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed komt tot stand op het moment dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ([artikel 1:163, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=163) en [artikel 1:183, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=183)). In andere rechtsstelsels geldt veelal dat het huwelijk is beëindigd op een moment dat een rechterlijke uitspraak waarbij het huwelijk is ontbonden in kracht van gewijsde is gegaan.
De verkrijging van het Nederlanderschap werkt ook terug voor de in de optieverklaring vermelde kinderen van de vrouw die delen in de verkrijging. Kinderen geboren vóór de datum van ontbinding van het huwelijk delen op grond van artikel 28, derde lid, RWN in de verkrijging door de moeder. Bij deze kinderen werkt de verkrijging – net als bij de moeder – terug tot op de datum van de ontbinding van het huwelijk. Daarnaast delen deze kinderen alleen, indien zij tot dat doel in de optieverklaring en in de daarop volgende bevestiging zijn vermeld.
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
### Artikel 29
Geeft de betreffende nationaliteitswetgeving daaromtrent geen uitsluitsel of blijkt uit die nationaliteitswetgeving dat de vrouw door het huwelijk niet van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen, dan dient de verkrijging van die andere nationaliteit te worden aangetoond door bijvoorbeeld een naturalisatiebesluit, een bij naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit het nationaliteitenregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en de juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het nationaliteitsrecht. Uit die gegevens kan (mede) worden afgeleid of het Nederlanderschap is verloren door of in verband met het huwelijk. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het bijvoorbeeld om een griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen bij bijvoorbeeld de vertegenwoordiging van haar land in Nederland en dient – indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van haar land in Nederland bevoegd zijn om de verklaring af te geven. Deze verklaring dient, indien nodig, te worden gelegaliseerd en vertaald. De circulaire legalisatie en verificatie buitenlandse bewijsstukken (staat van personen en toepassing van DNA-onderzoek) is van toepassing.
Samenvattend zijn de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap op grond van artikel 28 RWN:
### 29-alg. Toelichting algemeen
Een Nederlandse vrouw is in 1965 gehuwd met een Belgische man. Zij heeft hierdoor de Belgische nationaliteit verkregen. Zij heeft door het huwelijk niet van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verloren (artikel 5 WNI (oud) is per 1 maart 1964 vervallen). Zij heeft in 1966 het Nederlanderschap verworpen teneinde eenheid van nationaliteit tussen haar en haar man te bewerkstelligen. In januari 2003 is in Nederland de echtscheiding uitgesproken en op 5 februari 2003 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw kan tot 5 februari 2004 een schriftelijke verklaring afleggen om het Nederlanderschap te herkrijgen. Als zij dat doet, verkrijgt zij het Nederlanderschap met ingang van 5 februari 2003.
Op grond van [artikel 14, derde lid Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=14) (RvvN) worden de tijdvakken van toelating in de Nederlandse Antillen, gelegen voor de inwerkingtreding van de [Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028128), in aanmerking genomen als ware het toelating in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
RWN: [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### II RRWN-alg. Toelichting algemeen
RvvN: [artikel 14.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=14)
### 29-alg. Toelichting algemeen
Op grond van dit artikel telt de periode van hoofdverblijf die vóór 10 oktober 2010 is doorgebracht in de toenmalige Nederlandse Antillen mee bij de vraag of wordt voldaan aan de vereiste termijn van hoofdverblijf in het land Curaçao, het land Sint Maarten, het land Aruba en in de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius.
Op grond van [artikel 14, derde lid Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=14) (RvvN) worden de tijdvakken van toelating in de Nederlandse Antillen, gelegen voor de inwerkingtreding van de [Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028128), in aanmerking genomen als ware het toelating in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
### Artikel II RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### II RRWN-alg. Toelichting algemeen
Indien vóór inwerkingtreding van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) (nieuw) de naturalisatie heeft plaatsgevonden, werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Aldus bepaalt [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II). Een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór 1 april 2003. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij tot 1 april 2003 wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, en na deze datum niet meer.
### Artikel III RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4); [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5); [14.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van artikel 14, tweede lid, RWN. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder b, c en d van bedoeld tweede lid, waar is geregeld dat in bepaalde uitzonderingsgevallen geen verlies van het Nederlanderschap, als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) intreedt. De onder b, c en d genoemde uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in het tweede lid van artikel 16 RWN opgenomen.
### Artikel IV RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
Ingevolge [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de verliestermijn van tien jaren uit [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dit betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal verlies van het Nederlanderschap kan intreden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
### Artikel V RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
Aangezien de verliestermijn van het oude [artikel 15, onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) ingevolge [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) (oud) niet eerder kan zijn aangevangen dan op 1 januari 1985, heeft inmiddels sedert 1 januari 1995 een fors aantal personen het Nederlanderschap verloren als gevolg van tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan men tevens de nationaliteit bezit. [Artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) biedt wat dat betreft een reparatiemogelijkheid. Deze optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap eindigde op 31 maart 2005.
Aangezien de verliestermijn van het oude [artikel 15, onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) ingevolge [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) (oud) niet eerder kan zijn aangevangen dan op 1 januari 1985, heeft inmiddels sedert 1 januari 1995 een fors aantal personen het Nederlanderschap verloren als gevolg van tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan men tevens de nationaliteit bezit. [Artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) biedt wat dat betreft een reparatiemogelijkheid. Deze optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap eindigde op 31 maart 2005.
De optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap zoals neergelegd in [artikel V, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) eindigde op 31 maart 2005.
De optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap zoals neergelegd in [artikel V, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) eindigde op 31 maart 2005.
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
F, geboren in 1962 in Australië, heeft op 1 januari 1995 zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Aan hem is laatstelijk op 10 augustus 1992 een Nederlands paspoort afgegeven. Als gevolg van voormeld verlies heeft zijn zoon G, geboren in 1993, op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN eveneens op 1 januari 1995 het Nederlanderschap verloren. Zoon H, geboren in 1996, verkreeg bij geboorte niet het Nederlanderschap (geen van de ouders was toen Nederlander). F is in 1998 overleden. Hij bezat uitsluitend de Australische nationaliteit.
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt E geacht zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren, aangezien aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. Hebben minderjarige kinderen van E op grond van het oude [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) tegelijk met hem het Nederlanderschap verloren, dan worden ook die kinderen geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Of de kinderen inmiddels (na het aanvankelijke verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig zijn geworden speelt geen rol.
### Artikel VII RRWN
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
### Artikel VI RRWN
### Artikel VI RRWN
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voornoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.
### Artikel VII RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=7)[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 34.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34); [36.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [73.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=7)[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 34.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34); [36.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [73.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
(invullen verzoekers 16 jaar en ouder)
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
### 3.6. Weging belangen
De mogelijkheid dat een minderjarige een verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit kan afleggen, bestond voor 1 april 2003 niet. Tot dat moment kon alleen een meerderjarige afstand doen van het Nederlanderschap.
### paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
**Ouder, niet zijnde wettelijk vertegenwoordiger, is niet aanwezig**
### paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
Ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) wordt ook de ouder die niet de wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt, op zijn verzoek, gehoord om zo zijn bedenkingen tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken. Zolang de andere ouder, ondanks zijn verzoek, niet is gehoord, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet op.
### 16-1-c. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 16-1-d. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 16-1-e. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Paragraaf 1. Algemeen
Behoort de minderjarige tot een van de categorieën, genoemd in [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), dan treedt geen verlies van het Nederlanderschap in. Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN voorziet ten dele ook in het verlies van de nationaliteit als bedoeld in artikel 1, tweede lid, Verdrag van Straatsburg (zie ook de [toelichting bij artikel 16A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=16a&z=2024-04-01&g=2024-04-01)).
Echter, in dit geval wordt verlies van het Nederlanderschap voorkomen door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN. De vader van A is Nederlander.
### 16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
### 16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
### 16a-alg. Toelichting
Hoofdregel van artikel 1, tweede lid, Verdrag van Straatsburg houdt, dat een minderjarige onderdaan van een verdragstaat zijn nationaliteit verliest als de onderdaan ten gevolge van een uitdrukkelijke wilsverklaring (hetzij op eigen verzoek dan wel met inachtneming van de regels omtrent bevoegdheid of vertegenwoordiging van het land waarvan betrokkene de nationaliteit bezit) de nationaliteit van een andere verdragstaat verkrijgten door naturalisatie, optie of herstel in die nationaliteit, mits hun nationale wet in de mogelijkheid van verlies voorziet.
Een overzicht van landen die partij zijn (geweest) bij het Tweede Protocol is op genomen in de toelichting op artikel 15A, aanhef en onder a, HRWN.
### Artikel 17
### 17-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 18
### Artikel 19
### 20-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 21
### 21-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 22
Onze Ministers van Justitie van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten houden een openbaar register van de in het eerste lid bedoelde akten welke betrekking hebben op personen die in hun land woonachtig zijn.
### Artikel 22C
### 23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
**De verklaring van verbondenheid, bedoeld in artikel 6, tweede lid, artikel 8, eerste lid onder e en artikel 11, vierde en vijfde lid, wordt afgelegd met de volgende woorden: Ik zweer (verklaar) dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer (beloof) de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen. Degene die de verklaring aflegt voegt daar ter bevestiging aan toe: Zo waarlijk helpe mij God almachtig, of: Dat verklaar en beloof ik.**
### 23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
**De gevallen waarin het afleggen van de verklaring, in afwijking van artikel 6, tweede lid, 6 achtste lid, 8, eerste lid onder e, 11, vierde lid, 11 vijfde lid onder b, 26, derde lid en 28, derde lid, niet gevraagd zal worden of redelijkerwijs niet gevraagd kan worden en de wijze waarop deze verklaring kan worden afgelegd, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.**
In het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) is opgenomen dat de degene aan wie de bevestiging van verkrijging van het Nederlanderschap of het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap in persoon wordt uitgereikt, de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt op een door de bevoegde autoriteiten te bepalen wijze ([artikel 60a, vierde, lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a) en [60b, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)) .
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6)
### 24-alg. Toelichting algemeen
### 25-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 26
**Het vereiste van toelating en hoofdverblijf, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder f, is niet van toepassing op de vreemdeling die nadat hij meerderjarig is geworden het Nederlanderschap heeft verloren als gevolg van verkrijging van een andere nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) zoals dit luidde tot 1 maart 1964, en artikel 7, aanhef en ten eerste of ten derde, van de Wet van 12 december 1892,** **Stb. 268** **, op het Nederlanderschap en het ingezetenschap, dan wel dit heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, indien de persoon:**
[Artikel 26, eerste lid aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) moet als volgt worden gelezen:
### 26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
### 26-3. Toelichting ad [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
Een op het moment van de bevestiging van de optie minderjarig kind van de in [artikel 26, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) bedoelde persoon hoeft evenmin in het Koninkrijk te wonen om in de optie te kunnen delen. Hetzelfde geldt voor het kind van dit kind. Alleen als het kind in de optieverklaring van de ouder wordt genoemd, deelt het in de verkrijging van het Nederlanderschap.
Voor de administratieve afhandeling geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
De Nederlandse jongen B verhuist in 1950 op zesjarige leeftijd met zijn Nederlandse ouders naar de Verenigde Staten van Amerika. Op veertienjarige leeftijd verkrijgt hij de Amerikaanse nationaliteit door medenaturalisatie met zijn vader. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Deze oud-Nederlander valt niet onder overgangsbepaling [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26). Weliswaar heeft hij de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI en heeft hij voor zijn achttiende jaar vijf jaar onafgebroken in de Verenigde Staten van Amerika gewoond, maar hij heeft de Nederlandse nationaliteit verloren toen hij minderjarig was.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3)
### 27-alg. Toelichting algemeen
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [6.2 t/m 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
Kinderen geboren na de datum van ontbinding van het huwelijk maar vóór de datum van de optie verkrijgen van rechtswege de Nederlandse nationaliteit. Achteraf bezien zijn zij immers geboren uit een Nederlandse moeder en verkrijgen zij het Nederlanderschap op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3). Van delen in de zin van het derde lid is in deze gevallen geen sprake. Van deze verkrijging van rechtswege is óók sprake indien de kinderen niet in de optieverklaring en dientengevolge niet in de daarop volgende bevestiging worden vermeld.
N.B. Tot 1 april 2003 konden vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander hadden verloren, nog een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb.467). Op grond van die wet konden deze vrouwen – ook na inwerkingtreding van de RWN op 1 januari 1985 – onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het uitbrengen van een optie. In overgangsbepaling [artikel VI RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VI) is bepaald dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij artikel 6, derde lid, RWN en artikel 2 RWN. In aanvulling daarop geldt het volgende. De vrouw die een beroep doet op de onderhavige bepaling, dient zelf aan te tonen dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren door of in verband met het huwelijk. Tevens zal zij moeten aantonen dat het huwelijk is ontbonden en op welk moment dat is gebeurd. In dit verband kan zij een recent uittreksel uit een huwelijksregister overleggen; een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waaruit blijkt dat het huwelijk is ontbonden, dan wel – bij ontbinding door overlijden – een overlijdensakte van haar echtgenoot. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen.
Een Nederlandse vrouw is in 1963 gehuwd met een Belgische man. Op grond van de Belgische nationaliteitswetgeving heeft zij door dit huwelijk de Belgische nationaliteit verkregen. Op grond van artikel 5 WNI – zoals dat luidde tot 1 maart 1964 – heeft zij door dit huwelijk het Nederlanderschap verloren. Uit het huwelijk wordt in 1986 een kind geboren. De Belgische man is op 20 november 2002 overleden. Zij heeft op 14 oktober 2003 de optieverklaring afgelegd. In de verklaring heeft zij met het oog op medeverkrijging de naam van het kind vermeld. Op 1 december 2003 is de verklaring door de burgemeester bevestigd. Zij en het kind hebben het Nederlanderschap op 20 november 2002 verkregen.
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
RWN: [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10), [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), [26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### 29-alg. Toelichting algemeen
Op grond van dit artikel telt de periode van hoofdverblijf die vóór 10 oktober 2010 is doorgebracht in de toenmalige Nederlandse Antillen mee bij de vraag of wordt voldaan aan de vereiste termijn van hoofdverblijf in het land Curaçao, het land Sint Maarten, het land Aruba en in de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius.
### Artikel II RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### II RRWN-alg. Toelichting algemeen
Indien vóór inwerkingtreding van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) (nieuw) de naturalisatie heeft plaatsgevonden, werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Aldus bepaalt [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II). Een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór 1 april 2003. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij tot 1 april 2003 wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, en na deze datum niet meer.
### Artikel III RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4); [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5); [14.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
F, geboren in 1962 in Australië, heeft op 1 januari 1995 zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Aan hem is laatstelijk op 10 augustus 1992 een Nederlands paspoort afgegeven. Als gevolg van voormeld verlies heeft zijn zoon G, geboren in 1993, op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN eveneens op 1 januari 1995 het Nederlanderschap verloren. Zoon H, geboren in 1996, verkreeg bij geboorte niet het Nederlanderschap (geen van de ouders was toen Nederlander). F is in 1998 overleden. Hij bezat uitsluitend de Australische nationaliteit.
E, van Nederlandse en Australische nationaliteit, geboren in 1960 in Australië, woont sedert 10 februari 1987 in Australië. E is laatstelijk op 5 augustus 1991 in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 februari 1997 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit).
G, geboren op 10 januari 1967 in Zuid-Afrika, van Nederlandse en Zuid-Afrikaanse nationaliteit, woont sedert zijn geboorte in Zuid-Afrika. Op 15 maart 1994 wordt G in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 januari 1995 verliest G zijn Nederlanderschap op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers na zijn meerderjarigheid gedurende tien jaren in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit). Op 1 februari 1995 emigreert G naar Australië, waar hij op 20 december 2000 wordt genaturaliseerd tot Australiër.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN
Deze toelichting is vervallen in 2014.
### paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
(invullen verzoekers 16 jaar en ouder)
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
Vervallen.
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
Indien blijkt dat zowel het kind als deze ouder bedenkingen hebben tegen de afstand van het Nederlanderschap, dan heeft de verklaring van afstand die is afgelegd door de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige geen rechtsgevolg (zie paragraaf 2.2.3 en 3 in de toelichting bij artikel 16, eerste lid, onder b, RWN).
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
### paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
### paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
### 16-1-c. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Paragraaf 1. Algemeen
### Paragraaf 1
### 16-1-e. Toelichting ad [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Paragraaf 1. Algemeen
Een eventueel toekomstig verlies van het Nederlanderschap door B leidt voor A niet tot verlies van het Nederlanderschap. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN is, wat dat betreft, anders geredigeerd dan artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN.
Met het begrip ‘ouder’ in [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) is ook bedoeld de adoptiefouder, mits de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken, alsmede de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.
### Artikel 16a
### 16a-alg. Toelichting
### Artikel 17
### Artikel 18
### Artikel 20
### 20-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 21
### 21-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 22
### Artikel 23
### 23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
### Artikel 24
Geen.
### Artikel 25
### 26-alg. Toelichting algemeen
### 26-1. Toelichting ad [artikel 26, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
### 26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
### 26-3. Toelichting ad [artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26)
Een Nederlandse vrouw C trouwt in 1962 met een Italiaanse man. Zij verkrijgt als gevolg van haar huwelijk automatisch de Italiaanse nationaliteit. Zij verliest van rechtswege de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) WNI. Deze vrouw kan, mits tegen haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 hoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26).
### 27-alg. Toelichting algemeen
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
### Artikel 29
WNI: artikel 2.a
### 14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van artikel 14, tweede lid, RWN. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder b, c en d van bedoeld tweede lid, waar is geregeld dat in bepaalde uitzonderingsgevallen geen verlies van het Nederlanderschap, als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) intreedt. De onder b, c en d genoemde uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in het tweede lid van artikel 16 RWN opgenomen.
### Artikel IV RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
Ingevolge [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de verliestermijn van tien jaren uit [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dit betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal verlies van het Nederlanderschap kan intreden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
### Artikel V RRWN
### V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
G wordt dus door de werking van artikel V, tweede lid, RRWN weliswaar hersteld in zijn Nederlanderschap, doch slechts tot 20 december 2000, op welke datum voor hem de verliesbepaling van artikel 15, aanhef en onder a, RWN, van toepassing is geworden. Na inwerkingtreding van de overige bepalingen van de RRWN kan G het Nederlanderschap niet herkrijgen door optie ingevolge artikel V, eerste lid, RRWN, omdat hij geacht wordt zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN; hij heeft het verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voornoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.
### Artikel VII RRWN
### Paragraaf 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) (1 april 2003)
Deze toelichting is vervallen in 2014.
### paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
## Bijlage 3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
([artikel 15, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15);
[artikel 61, eerste lid, onder b en c Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61))
([artikel 63, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63))
2024-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 3
2023-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 576
2023-08-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 28
2023-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 15, 15 y 5
2023-05-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 27, 1 y 34
2023-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 109
2023-02-15
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 27, 1 y 22
2023-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 13 y 52
2022-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 27 y 18
2022-09-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 27 y 14
2022-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 27 y 29
2022-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 6, 1 y 523
2022-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 503
2021-11-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 6, 1958, 7 y
2021-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 17, 2004 y
2021-08-30
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 143
2021-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 77
2021-06-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 277
2021-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 99
2021-03-08
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 28
2021-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 28
2020-10-15
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 220
2020-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 13, 15 y 5
2020-05-07
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 6, 1, 10 y 63
2020-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 6, 1, 10 y 15
2020-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 403
2019-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 472
2019-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 20, 358, 1 y
2018-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 468
2018-05-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 2, 1, 10 y 17
2018-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-10-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-03-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 90
2017-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 1
2016-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2016-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 6
2016-04-22
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 515
2016-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 5, 13 y 19
2016-03-31
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 5, 13 y 13
2016-01-07
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 26 y 2
2016-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 13, 15 y 4
2015-10-27
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 2 y 49
2015-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 3, 3, 1 y 375
2015-04-17
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 1
2015-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 12 y 24
2015-01-22
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 8
2015-01-09
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 12 y 20
2015-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 9 y 76
2014-12-25
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 2
2014-11-22
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 12 y 29
2014-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 1
2014-09-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 15, 16 y
2014-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 8 y 603
2014-06-12
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 8 y 628
2014-04-04
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 8 y 719
2014-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 452
2014-01-06
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 405
2014-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 25
2013-09-25
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 128
2013-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 138
2013-06-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 164
2013-05-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 175
2013-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 345
2012-12-08
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 2004, 21, 3 y
2012-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 374
2012-08-11
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 3, 1, 1 y 322
2012-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 21, 1, 1 y 22
2012-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 345
2011-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 9 y 15
2010-11-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 9 y 11
2010-10-10
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 9 y 49
2010-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 1 y 360
2010-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 3, 1, 1 y 265
2010-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 12, 3, 31 y 2
2010-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-08-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-05-17
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-05-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-03-05
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-03-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 214
2009-02-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 3 y 14
2009-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 3, 1 y 13
2008-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 3, 1 y 107
2008-07-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 13, 15 y 1
2008-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 5
2008-06-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 5 y 48
2008-02-05
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 5
original version Tekst op deze datum