Wijzigingsgeschiedenis

Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003

100 versions · 2026-02-01
2026-02-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 740
2026-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 1 y 22
2025-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 3
2025-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 3
2025-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 1
2024-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-05-09
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 3
2023-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 576
2023-08-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 28
2023-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 15, 15 y 5
2023-05-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 27, 1 y 34
2023-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 109
2023-02-15
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 27, 1 y 22
2023-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 13 y 52
2022-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 27 y 18
2022-09-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 27 y 14
2022-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 27 y 29
2022-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 6, 1 y 523
2022-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 503
2021-11-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 6, 1958, 7 y
2021-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 17, 2004 y
2021-08-30
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 143
2021-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 77
2021-06-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 277
2021-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 99
2021-03-08
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 28
2021-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 28
2020-10-15
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 220
2020-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 13, 15 y 5
2020-05-07
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 6, 1, 10 y 63
2020-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 6, 1, 10 y 15
2020-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 403
2019-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 472
2019-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 20, 358, 1 y
2018-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 468
2018-05-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 2, 1, 10 y 17
2018-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-10-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-03-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 90
2017-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 1
2016-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2016-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 6
2016-04-22
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 515
2016-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 5, 13 y 19
2016-03-31
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 5, 13 y 13
2016-01-07
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 26 y 2
2016-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 13, 15 y 4
2015-10-27
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 2 y 49
2015-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 3, 3, 1 y 375
2015-04-17
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 1
2015-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 12 y 24
2015-01-22
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 8
2015-01-09
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 12 y 20
2015-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 9 y 76
2014-12-25
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 2
2014-11-22
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 12 y 29

Wijzigingen op 2014-11-22

@@ -112,7 +112,7 @@
Of sprake is van een verblijfsgat is op zich een vreemdelingrechtelijke vraag. Ter verduidelijking wordt hierover het volgende opgemerkt. Verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning vindt plaats met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden.
Om in aanmerking te komen voor (mede)naturalisatie moet een kind op grond van [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) voldoen aan het vereiste van ‘toelating voor onbepaalde tijd’. Gelet hierop moet aan de hand van het verblijfsdocument van het kind worden aangetoond dat het kind beschikt over een zelfstandig dan wel afhankelijk verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard. Ingeval van gezinshereniging is het verblijfsrecht van het kind afhankelijk van degene bij wie verblijf wordt beoogd (de verblijfgever, meestal de ouder bij wie het kind verblijf heeft gekregen). Als het verblijfsrecht van de verblijfgever een niet-tijdelijk karakter heeft, is het verblijfsrecht van het kind eveneens van niet-tijdelijke aard. Als het verblijfsrecht van de verblijfgever een tijdelijk karakter heeft, is ook het verblijfsrecht van het kind tijdelijk van aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5)). In dat laatste geval is geen sprake van ‘toelating voor onbepaalde tijd’ (zie ook de [toelichting bij artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=11&z=2014-10-01&g=2014-10-01)). Echter, op grond van [artikel 4.21, tweede lid Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) wordt geen document anders dan bedoeld in het eerste lid, onder a of b, verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld. Als er geen verblijfsdocument is, kan de toelating worden bepaald aan de hand van een afschrift uit de BRP waarop de gegevens in verband met het verblijfsrecht van het kind vermeld staan.
Om in aanmerking te komen voor (mede)naturalisatie moet een kind op grond van [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) voldoen aan het vereiste van ‘toelating voor onbepaalde tijd’. Gelet hierop moet aan de hand van het verblijfsdocument van het kind worden aangetoond dat het kind beschikt over een zelfstandig dan wel afhankelijk verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard. Ingeval van gezinshereniging is het verblijfsrecht van het kind afhankelijk van degene bij wie verblijf wordt beoogd (de verblijfgever, meestal de ouder bij wie het kind verblijf heeft gekregen). Als het verblijfsrecht van de verblijfgever een niet-tijdelijk karakter heeft, is het verblijfsrecht van het kind eveneens van niet-tijdelijke aard. Als het verblijfsrecht van de verblijfgever een tijdelijk karakter heeft, is ook het verblijfsrecht van het kind tijdelijk van aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5)). In dat laatste geval is geen sprake van ‘toelating voor onbepaalde tijd’ (zie ook de [toelichting bij artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=11&z=2014-10-01&g=2014-11-22)). Echter, op grond van [artikel 4.21, tweede lid Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) wordt geen document anders dan bedoeld in het eerste lid, onder a of b, verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld. Als er geen verblijfsdocument is, kan de toelating worden bepaald aan de hand van een afschrift uit de BRP waarop de gegevens in verband met het verblijfsrecht van het kind vermeld staan.
Hieronder enkele situaties waarbij het verblijfsdocument in samenhang met de gegevens in verband met het verblijfsrecht in de BRP onvoldoende uitsluitsel geven over de vraag of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating en waarbij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt gevraagd om afgifte van een bericht omtrent toelating:
@@ -120,7 +120,7 @@
Sinds 1 februari 1996 worden de verblijfsrechtelijke gegevens vanuit het vreemdelingenadministratiesysteem (VAS) aangeleverd aan de BRP. Vanaf 13 april 2004 voert de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de vreemdelingenadministratie en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is derhalve tevens verantwoordelijk voor het leveren van verblijfsrechtelijke gegevens aan de BRP.
In de BRP zijn op de persoonslijst van een vreemdeling de historische en actuele gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling opgenomen. De burgemeester onderzoekt aan de hand van het verblijfsdocument in samenhang met de gegevens in de BRP de verblijfsrechtelijke status van een vreemdeling en van de personen voor wie medeverkrijging/medeverlening is verzocht ([artikel 10, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10) en [artikel 36, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal de burgemeester in veel gevallen kunnen afleiden uit het verblijfsdocument en de gegevens in de BRP. In andere gevallen zal de duur van de onafgebroken toelating alleen kunnen worden beoordeeld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de hand van gegevens in de vreemdelingenadministratie (zo nodig in combinatie met het verblijfsdocument). In die situatie zal de burgemeester de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeken ([model 2.17 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) om aan hem een bericht omtrent toelating af te geven. Het is overigens de bedoeling dat een bericht omtrent toelating alleen wordt gevraagd als de burgemeester niet of in onvoldoende mate beschikt over voldoende gegevens. Ook in gevallen waarbij de gegevens in de BRP en het overgelegde verblijfsdocument elkaar tegenspreken of er anderszins omstandigheden zijn waardoor gerede twijfel bestaat over de juiste verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling, moet een bericht omtrent toelating worden gevraagd.
In de BRP zijn op de persoonslijst van een vreemdeling de historische en actuele gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling opgenomen. De burgemeester onderzoekt aan de hand van het verblijfsdocument in samenhang met de gegevens in de BRP de verblijfsrechtelijke status van een vreemdeling en van de personen voor wie medeverkrijging/medeverlening is verzocht ([artikel 10, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10) en [artikel 36, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal de burgemeester in veel gevallen kunnen afleiden uit het verblijfsdocument en de gegevens in de BRP. In andere gevallen zal de duur van de onafgebroken toelating alleen kunnen worden beoordeeld door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de hand van gegevens in de vreemdelingenadministratie (zo nodig in combinatie met het verblijfsdocument). In die situatie zal de burgemeester de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeken ([model 2.17 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) om aan hem een bericht omtrent toelating af te geven. Het is overigens de bedoeling dat een bericht omtrent toelating alleen wordt gevraagd als de burgemeester niet of in onvoldoende mate beschikt over voldoende gegevens. Ook in gevallen waarbij de gegevens in de BRP en het overgelegde verblijfsdocument elkaar tegenspreken of er anderszins omstandigheden zijn waardoor gerede twijfel bestaat over de juiste verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling, moet een bericht omtrent toelating worden gevraagd.
De afgifte van een verblijfsdocument aan een gemeenschapsonderdaan heeft een louter declaratoire werking, oftewel de verblijfskaart is slechts een bevestiging van de status die van rechtswege is verkregen. Het kan dus voorkomen dat een gemeenschapsonderdaan niet in het bezit is van een verblijfsdocument en niet voorkomt in de vreemdelingenadministratie of dat een gemeenschapsonderdaan bepaalde periodes niet voorkomt in de vreemdelingenadministratie, maar deze wel degelijk rechtmatig in Nederland verblijft of heeft verbleven. Onafgebroken perioden van verblijf buiten Nederland van meer dan zes maanden leiden echter wel tot verval van het verblijfsrecht van rechtswege.
@@ -366,7 +366,7 @@
Voorwaarden verkrijging Nederlanderschap via de moederlijke lijn:
Let op! Als vóór 1 april 2003 het vaderschap van een kind gerechtelijk is vastgesteld, kan dat tot gevolg hebben gehad dat het betreffende kind geacht wordt vanaf de geboorte Nederlander te zijn op grond van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) (zie de [toelichting bij artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
Let op! Als vóór 1 april 2003 het vaderschap van een kind gerechtelijk is vastgesteld, kan dat tot gevolg hebben gehad dat het betreffende kind geacht wordt vanaf de geboorte Nederlander te zijn op grond van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) (zie de [toelichting bij artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
Het kind dat op of na 1 april 2014 is geboren uit een geregistreerd partnerschap heeft de geregistreerde partner (vader) van de moeder direct als vader. Ook dan kan de vaderlijke lijn van [artikel 3, lid 3 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) een rol spelen. Zie hieronder.
@@ -802,7 +802,7 @@
### paragraaf 6. Overgangsrecht
Sinds de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) op 1 april 2003 is de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door optie niet meer een eenzijdige, vormvrije rechtshandeling. De optant moet in beginsel in persoon verschijnen en de optieverklaring kan alleen nog maar schriftelijk worden uitgebracht. Voor het uitbrengen en voor de behandeling van een optieverklaring zijn optiegelden verschuldigd (zie [artikel 13, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)). Het Nederlanderschap wordt eerst verkregen nadat het daartoe bevoegde bestuursorgaan de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit schriftelijk heeft bevestigd. Het besluit tot bevestiging treedt echter pas in werking nadat het als regel op een naturalisatieceremonie is uitgereikt. De uitreiking kan pas plaatsvinden nadat de verklaring van verbondenheid is afgelegd, tenzij voor optant een uitzondering op deze voorwaarde geldt. Zie voor de naturalisatieceremonie de [toelichting in de Handleiding bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
Sinds de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) op 1 april 2003 is de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door optie niet meer een eenzijdige, vormvrije rechtshandeling. De optant moet in beginsel in persoon verschijnen en de optieverklaring kan alleen nog maar schriftelijk worden uitgebracht. Voor het uitbrengen en voor de behandeling van een optieverklaring zijn optiegelden verschuldigd (zie [artikel 13, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)). Het Nederlanderschap wordt eerst verkregen nadat het daartoe bevoegde bestuursorgaan de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit schriftelijk heeft bevestigd. Het besluit tot bevestiging treedt echter pas in werking nadat het als regel op een naturalisatieceremonie is uitgereikt. De uitreiking kan pas plaatsvinden nadat de verklaring van verbondenheid is afgelegd, tenzij voor optant een uitzondering op deze voorwaarde geldt. Zie voor de naturalisatieceremonie de [toelichting in de Handleiding bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
### paragraaf 1. Algemeen
@@ -816,11 +816,11 @@
### 6-1-e. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
Als achteraf blijkt dat de optieverklaring ten onrechte is bevestigd, is weliswaar het Nederlanderschap verkregen, maar kan de Nederlandse nationaliteit worden ingetrokken door Onze Minister. Dit kan echter alleen als de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit berust op een door de optant gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van een voor de verkrijging relevant feit. Met andere woorden, fouten aan de zijde van de overheid zullen de optant niet worden tegengeworpen (zie ook de [toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
Als achteraf blijkt dat de optieverklaring ten onrechte is bevestigd, is weliswaar het Nederlanderschap verkregen, maar kan de Nederlandse nationaliteit worden ingetrokken door Onze Minister. Dit kan echter alleen als de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit berust op een door de optant gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van een voor de verkrijging relevant feit. Met andere woorden, fouten aan de zijde van de overheid zullen de optant niet worden tegengeworpen (zie ook de [toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
### Paragraaf 1.1. Verkrijging Nederlanderschap door adoptie onder de WNI
In tegenstelling tot bij naturalisatie worden bij optie geen eisen gesteld ten aanzien van de inburgering. De bevestiging van de optie kan dus niet worden geweigerd, omdat de optant de Nederlandse taal niet beheerst. Optanten die een optieverklaring ex [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) afleggen, moeten in beginsel afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit (zie [artikel 6a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)). Let op! De afstandsverplichting geldt niet voor de overige optiecategorieën. Dit sluit overigens niet uit dat de nationaliteitswetgeving van het land waarvan de optant de nationaliteit bezit, kan bepalen dat deze nationaliteit verloren gaat als gevolg van de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit. Zie de [toelichting in de Handleiding bij artikel 6a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6a&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
In tegenstelling tot bij naturalisatie worden bij optie geen eisen gesteld ten aanzien van de inburgering. De bevestiging van de optie kan dus niet worden geweigerd, omdat de optant de Nederlandse taal niet beheerst. Optanten die een optieverklaring ex [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) afleggen, moeten in beginsel afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit (zie [artikel 6a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)). Let op! De afstandsverplichting geldt niet voor de overige optiecategorieën. Dit sluit overigens niet uit dat de nationaliteitswetgeving van het land waarvan de optant de nationaliteit bezit, kan bepalen dat deze nationaliteit verloren gaat als gevolg van de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit. Zie de [toelichting in de Handleiding bij artikel 6a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6a&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
### 6-1-a. Toelichting ad [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
@@ -874,7 +874,7 @@
### Paragraaf 1. Algemeen
Overigens kan een buiten huwelijk geboren kind, waarvan de biologische vader het Nederlanderschap bezit, het Nederlanderschap wel van rechtswege verkrijgen door een prenatale erkenning (erkenning van de ongeboren vrucht) of door vaststelling van het vaderschap tijdens de minderjarigheid van het kind. Zie de [toelichting bij artikel 3 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=3&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en bij [artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
Overigens kan een buiten huwelijk geboren kind, waarvan de biologische vader het Nederlanderschap bezit, het Nederlanderschap wel van rechtswege verkrijgen door een prenatale erkenning (erkenning van de ongeboren vrucht) of door vaststelling van het vaderschap tijdens de minderjarigheid van het kind. Zie de [toelichting bij artikel 3 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=3&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en bij [artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
A heeft de Chinese nationaliteit en verblijft sinds zijn veertigste jaar onafgebroken in Nederland. Hij is altijd in het bezit geweest van een geldige verblijfsvergunning. Inmiddels is hij vijfenzestig jaar. Hij is van onbesproken gedrag, maar spreekt in het geheel geen Nederlands. De optieverklaring van A ter verkrijging van de Nederlandse nationaliteit dient te worden bevestigd nu hij aan de terzake geldende voorwaarden voldoet.
@@ -1092,7 +1092,7 @@
Van ‘toelating’ in Nederland in de zin van deze Rijkswet is sprake indien de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). De vreemdeling dient dit rechtmatige verblijf aan te tonen aan de hand van een verblijfsdocument. De Minister van Justitie verschaft aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, en l, Vw 2000 een verblijfsdocument waaruit dit rechtmatig verblijf blijkt ([artikel 9, eerste lid, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9)).
Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, een sticker of een W-document, heeft nooit toelating voor onbepaalde tijd. Een uitzondering hierop vormen de minderjarige kinderen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en voor wie medeverlening wordt verzocht door een ouder die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (zie ook [paragraaf 3.9 bij de toelichting van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.9&z=2014-10-01&g=2014-10-01)). Uitzondering hierop vormen ook de staatloze verzoekers die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie ook bijlage 2 van de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). Hierbij wordt benadrukt dat vermelding in de BRP met ‘nationaliteit onbekend’ (code 0000) niet betekent dat de verzoeker staatloos is. Alleen als de vreemdeling in de BRP als ‘staatloos’ staat geregistreerd bij de nationaliteitsgegevens, geldt de regel dat deze als houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een verblijfsrecht heeft op grond waarvan geen bedenkingen bestaan tegen verblijf voor onbepaalde tijd. De uitzondering die hier aan de orde is, is noodzakelijk omdat een staatloze na drie jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie mag indienen ([artikel 8, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)).
Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, een sticker of een W-document, heeft nooit toelating voor onbepaalde tijd. Een uitzondering hierop vormen de minderjarige kinderen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en voor wie medeverlening wordt verzocht door een ouder die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (zie ook [paragraaf 3.9 bij de toelichting van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.9&z=2014-10-01&g=2014-11-22)). Uitzondering hierop vormen ook de staatloze verzoekers die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie ook bijlage 2 van de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). Hierbij wordt benadrukt dat vermelding in de BRP met ‘nationaliteit onbekend’ (code 0000) niet betekent dat de verzoeker staatloos is. Alleen als de vreemdeling in de BRP als ‘staatloos’ staat geregistreerd bij de nationaliteitsgegevens, geldt de regel dat deze als houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een verblijfsrecht heeft op grond waarvan geen bedenkingen bestaan tegen verblijf voor onbepaalde tijd. De uitzondering die hier aan de orde is, is noodzakelijk omdat een staatloze na drie jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie mag indienen ([artikel 8, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)).
Sinds 1 februari 1996 worden de verblijfsrechtelijke gegevens vanuit het vreemdelingenadministratiesysteem (VAS) aangeleverd aan de BRP. Vanaf 13 april 2004 voert de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de vreemdelingenadministratie en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is derhalve tevens verantwoordelijk voor het leveren van verblijfsrechtelijke gegevens aan de BRP.
@@ -1620,7 +1620,7 @@
Niet in alle gevallen kan worden vastgesteld of een vreemdeling voor een bepaalde periode (onafgebroken) toelating heeft (gehad). De oorzaak hiervan is gelegen in het niet altijd compleet zijn van zowel de elektronische als de fysieke vreemdelingenadministraties. In deze gevallen wordt de bewijslast aangepast en wordt in het [BOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831) voor die bewuste periode vermeld, dat, hoewel de toelating niet (meer) kan worden vastgesteld wegens de onvolledigheid van de ter beschikking staande gegevens, de vreemdeling geacht wordt toegelaten te zijn geweest. Voorwaarde is wel dat duidelijkheid wordt verschaft over de datum van eerste toelating en dat in de periode waarover de twijfel zich uitstrekt, geen sprake is van enige aanwijzing waaruit een vermoeden van illegaal verblijf kan worden afgeleid. Als hieraan wordt voldaan en er overigens geen andere gegevens zijn waaruit blijkt dat de vreemdeling gedurende een bepaalde periode geen verblijfsrecht zou hebben gehad, dan krijgt de vreemdeling het voordeel van de twijfel.
Voor gemeenschapsonderdanen geldt dat bij een aanvraag om een BOT altijd een kopie van, als aanwezig, het vreemdelingendocument en een afschrift uit de BRP met de volledige in de BRP opgenomen historische adresgegevens en de volledige historische gegevens in verband met het verblijfsrecht meegestuurd dienen te worden. Tevens dienen/dient [model 2.18a HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en/of model 2.18b HRWN volledig ingevuld te worden meegestuurd.
Voor gemeenschapsonderdanen geldt dat bij een aanvraag om een BOT altijd een kopie van, als aanwezig, het vreemdelingendocument en een afschrift uit de BRP met de volledige in de BRP opgenomen historische adresgegevens en de volledige historische gegevens in verband met het verblijfsrecht meegestuurd dienen te worden. Tevens dienen/dient [model 2.18a HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en/of model 2.18b HRWN volledig ingevuld te worden meegestuurd.
Het begrip ‘hoofdverblijf’ heeft een strikt feitelijke betekenis. Het hoofdverblijf van een persoon is de plaats waar hij kennelijk geregeld vertoeft, daar waar hij het centrum van zijn activiteiten heeft. Te denken valt bijvoorbeeld aan de plaats waar een persoon zijn slaapplaats heeft, waar hij werkelijk woont (met zijn gezin) of waar zijn inboedel zich bevindt. Er moet sprake zijn van een meer duurzame betrekking tussen een persoon en een plaats. Een verblijf van voorbijgaande aard heeft geen betekenis.
@@ -1666,7 +1666,7 @@
### paragraaf 4. Kind geboren op of na 1 januari 1985, buitenlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
Als het gaat om een prenatale of postnatale erkenning naar buitenlands recht, moet deze tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht. Dit geldt ook voor de buitenlandse wettiging zonder erkenning. Nederland is gebonden aan de CIEC-overeenkomst van Rome 10 september 1970 (TRB. 1972, nr. 61) inzake wettiging door huwelijk (zie verder de [toelichting bij artikel 4, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
Als het gaat om een prenatale of postnatale erkenning naar buitenlands recht, moet deze tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het Nederlands internationaal privaatrecht. Dit geldt ook voor de buitenlandse wettiging zonder erkenning. Nederland is gebonden aan de CIEC-overeenkomst van Rome 10 september 1970 (TRB. 1972, nr. 61) inzake wettiging door huwelijk (zie verder de [toelichting bij artikel 4, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=4&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
Om te bezien of van rechtswege de Nederlandse nationaliteit is verkregen, moet worden gekeken op welke datum de erkenning dan wel de wettiging heeft plaatsgehad.
@@ -1796,7 +1796,7 @@
### Paragraaf 1.1. Afstamming door gerechtelijke vaststelling vaderschap
Als het Nederlanderschap is verloren op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) of [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zal dit meestal zijn vermeld in de BRP. Als onduidelijk is of sprake is van één van de hier bedoelde verliesgronden, kan de burgemeester aan de IND in Rijswijk verzoeken dit voor hem na te gaan in het Nationaliteitenregister. Zie ook de [toelichting bij artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=22&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
Als het Nederlanderschap is verloren op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) of [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zal dit meestal zijn vermeld in de BRP. Als onduidelijk is of sprake is van één van de hier bedoelde verliesgronden, kan de burgemeester aan de IND in Rijswijk verzoeken dit voor hem na te gaan in het Nationaliteitenregister. Zie ook de [toelichting bij artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=22&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
De in 1973 geboren A is van Surinaamse nationaliteit. A heeft op 25 november 1975 de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (**Trb.**1975,132). Van zijn derde tot zijn 26e jaar heeft A in New York gewoond. Hij verblijft sedert twee jaar in Nederland. Hij heeft sinds anderhalf jaar in Nederland een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (verblijfsdocument I) voor verblijf bij zijn partner B, van Britse nationaliteit. B is in het bezit van een verblijfsdocument EU/EER geldig voor vijf jaar. A is van onbesproken gedrag. Hij spreekt een paar woorden Nederlands. Nederlands lezen en schrijven kan hij niet. Hoewel A de Nederlandse taal niet beheerst, komt hij voor verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie in aanmerking. Aan alle voorwaarden die voor optie gelden wordt door A voldaan. A is al meer dan een jaar in het bezit van een verblijfsvergunning met een niet-tijdelijk karakter.
@@ -1822,7 +1822,7 @@
Vanaf 1 maart 1964 kon de getrouwde vrouw afstand doen van de Nederlandse nationaliteit (artikel 8a WNI 1892), nadat zij de vreemde nationaliteit van haar echtgenoot had verkregen.
De vrouw kon vóór 1 januari 1985 het Nederlanderschap ook verliezen op grond van artikel 7 WNI 1892. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
De vrouw kon vóór 1 januari 1985 het Nederlanderschap ook verliezen op grond van artikel 7 WNI 1892. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
Ook optiegerechtigd is de vreemdeling die niet als gevolg van het tot stand komen van de afstammingsrelatie met zijn niet-Nederlandse vader de Nederlandse nationaliteit heeft verloren, maar door een andere verliesgrond uit de WNI 1892 dan wel de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
@@ -1856,7 +1856,7 @@
De optievoorwaarden kan de optant aan de hand van de volgende stukken aantonen:
Voorts neemt de optieautoriteit contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen, als eerder opgemerkt in [paragrafen 1.2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.2&paragraaf=1.2.1&paragraaf=1.2.1.2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.5&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
Voorts neemt de optieautoriteit contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen, als eerder opgemerkt in [paragrafen 1.2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.2&paragraaf=1.2.1&paragraaf=1.2.1.2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.5&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of (groot)ouders in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als moeder of vader (of grootouders) van de optant langer dan twee jaar geleden zijn overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).
@@ -1912,7 +1912,7 @@
Voorwaarde is ook dat op het moment dat adoptieuitspraak onherroepelijk werd, de adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit bezat. Het Nederlanderschap heeft zij in de meeste gevallen door geboorte van rechtswege verkregen (door bijvoorbeeld afstamming van een Nederlandse vader; zie paragraaf 2.1 bij artikel 6, eerste lid aanhef en onder i). Als eerste zal bekeken moeten worden waar de adoptiefmoeder is geboren of heeft gewoond. Als dat in Nederland is, dan is er een persoonskaart in Nederland aanwezig waaruit haar nationaliteit zal blijken. Als de adoptiefmoeder in het buitenland is geboren of nooit in Nederland heeft gewoond dan zijn de afstammings- en nationaliteitsgegevens op de persoonskaart van haar ouders relevant om te bepalen of de adoptiefmoeder het Nederlanderschap heeft verkregen door geboorte of anderszins.
Altijd moet worden onderzocht dat de adoptiefmoeder niet voorafgaand aan de onherroepelijke adoptieuitspraak de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van artikel 5 (oud) WNI 1892 (vóór 1 maart 1964) of artikel 8a WNI 1892 (ná 1 maart 1964) of artikel 7 WNI 1892. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar [paragrafen 1.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.2&paragraaf=1.2.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [2.2 bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2014-10-01&g=2014-10-01). Aannemelijk moet zijn dat de van oorsprong Nederlandse adoptiefmoeder de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen en daardoor het Nederlanderschap heeft verloren. Een verklaring van de autoriteiten van het land van de nationaliteit van haar echtgenoot kan hierbij behulpzaam zijn. Soms zal voldoende zijn om het onderzoek te beperken tot het vreemde nationaliteitsrecht van de huwelijksperiode.
Altijd moet worden onderzocht dat de adoptiefmoeder niet voorafgaand aan de onherroepelijke adoptieuitspraak de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van artikel 5 (oud) WNI 1892 (vóór 1 maart 1964) of artikel 8a WNI 1892 (ná 1 maart 1964) of artikel 7 WNI 1892. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar [paragrafen 1.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.2&paragraaf=1.2.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [2.2 bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2014-10-01&g=2014-11-22). Aannemelijk moet zijn dat de van oorsprong Nederlandse adoptiefmoeder de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen en daardoor het Nederlanderschap heeft verloren. Een verklaring van de autoriteiten van het land van de nationaliteit van haar echtgenoot kan hierbij behulpzaam zijn. Soms zal voldoende zijn om het onderzoek te beperken tot het vreemde nationaliteitsrecht van de huwelijksperiode.
Het Nationaliteitenregister van de IND in Rijswijk kan worden geraadpleegd om te beoordelen of de adoptiefmoeder voorafgaande aan de onherroepelijk adoptieuitspraak afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 8a of dat sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7 sub 2, 4 en 5 WNI 1892. Immers, kennisgevingen ex artikel 7 sub 5, verloven ex artikel 7 sub 4, vervallenverklaringen ex artikel 7 sub 2, opties en naturalisatie zijn onder meer opgenomen in het Nationaliteitenregister.
@@ -1928,7 +1928,7 @@
### paragraaf 2.2.2. Uitsluitend schriftelijk optieverklaring afleggen
Voorts neemt de optieautoriteit contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen, als eerder opgemerkt in [paragrafen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.4&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
Voorts neemt de optieautoriteit contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen, als eerder opgemerkt in [paragrafen 1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.4&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
Een persoonskaart wordt verkregen bij de laatste woongemeente, het Bureau Vestigingsregister van de gemeente Den Haag (als optant en/of adoptiefouders en/of grootouders in Nederland zijn geboren en tussen 1939 en 1994 naar het buitenland zijn geëmigreerd) of, als de adoptiefmoeder of adoptiefvader (en/of grootouders) van de optant langer dan twee jaar geleden zijn overleden, bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG).
@@ -2122,23 +2122,23 @@
### 1. Algemeen
Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door optie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij het afleggen van de optieverklaring een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid is een nieuw vereiste. De eis een bereidverklaring te ondertekenen en op een later moment, in beginsel tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als de optieverklaring op of na 1 maart 2009 wordt afgelegd. (Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd1Zie ook toelichting bij artikel 60a, derde lid, BVVN en [artikel 2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7), [artikel 8, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [artikel 11, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), [artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23), [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28).. Immers het besluit tot bevestiging wordt dan niet bekendgemaakt/uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door optie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij het afleggen van de optieverklaring een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid is een nieuw vereiste. De eis een bereidverklaring te ondertekenen en op een later moment, in beginsel tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als de optieverklaring op of na 1 maart 2009 wordt afgelegd. (Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd1Zie ook toelichting bij artikel 60a, derde lid, BVVN en [artikel 2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7), [artikel 8, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [artikel 11, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), [artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23), [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28).. Immers het besluit tot bevestiging wordt dan niet bekendgemaakt/uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de burgemeester – voor zover mogelijk – de optant die een optieverklaring ex [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) heeft afgelegd of hij al dan niet behoort tot een uitzonderingscategorie dan wel redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Als geen van de uitzonderingen van toepassing is, moet de optant een verklaring te ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de verkrijging van het Nederlanderschap zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te verliezen ([artikel 6, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). De bereidheidsverklaring is opgenomen als [model 1.14-1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en model 1.14-1b. Let op! Model 1.14-1b moet alleen ondertekend worden door optanten met de Egyptische, Zuid-Afrikaanse en Oostenrijkse nationaliteit die afstand moeten doen.
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige optant. Zij rust daarnaast ook op minderjarigen die op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd zestien jaar of ouder zijn, ongeacht of zij zelfstandig opteren dan wel verzocht is hen te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door een van hun ouders (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [2.12.3 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01))
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige optant. Zij rust daarnaast ook op minderjarigen die op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd zestien jaar of ouder zijn, ongeacht of zij zelfstandig opteren dan wel verzocht is hen te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door een van hun ouders (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [2.12.3 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22))
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 1.36)
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 1.36). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in principe in persoon op een naturalisatieceremonie mondeling af voordat de optiebevestiging aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt alleen vrijstelling gegeven, indien het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij artikel 60a, vijfde lid en zesde lid, BVVN). Zie [paragraaf 2.2.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) voor de uitzonderingssituaties.
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 1.36). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in principe in persoon op een naturalisatieceremonie mondeling af voordat de optiebevestiging aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt alleen vrijstelling gegeven, indien het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij artikel 60a, vijfde lid en zesde lid, BVVN). Zie [paragraaf 2.2.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) voor de uitzonderingssituaties.
Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die opteert voor het Nederlanderschap, moet deze vreemdeling nationaliteit- en identiteitvaststellende documenten overleggen (zie onder meer [artikel 6 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6) en [paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2014-07-01&g=2014-07-01) en [2.2.5.3 bij artikel 6, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.3&z=2014-07-01&g=2014-07-01)). Dit geldt ook voor de vreemdeling aan wie een regulier verblijfsrecht is verstrekt, waarbij hij, al dan niet ambtshalve, is vrijgesteld van het ‘paspoortvereiste’. De vreemdeling met een verblijfsvergunning regulier die is vrijgesteld van het paspoortvereiste, kan, als hij verkrijging van het Nederlanderschap door optie beoogt, ruimschoots voorafgaand aan het starten van de optieprocedure zorg dragen voor verkrijging van de daarvoor noodzakelijke bewijsstukken; waarmee een geldig nationaal paspoort en een (als nodig: gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte zijn bedoeld.
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid mondeling en in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands afgelegd.
**Uitzonderingen** (zie [paragraaf 2.12.4.2 uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.4&paragraaf=2.12.4.2&z=2014-10-01&g=2014-10-01))
**Uitzonderingen** (zie [paragraaf 2.12.4.2 uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.4&paragraaf=2.12.4.2&z=2014-10-01&g=2014-11-22))
Als de optant met nationaliteit ‘onbekend’ in de BRP is opgenomen, in overeenstemming met [artikel 2.15 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15) of de voorganger daarvan, [artikel 43 Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=43), moet hij in beginsel een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overleggen ([paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2014-07-01&g=2014-07-01)).
@@ -2232,7 +2232,7 @@
### Paragraaf 2.2.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
Bovendien moet de optant door middel van een zogenaamde verklaring verblijf en gedrag ([model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in de optieverklaring genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 6, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)) en of hij of één van de in de optieverklaring genoemde personen ouder dan zestien jaar niet polygaam gehuwd is en al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of justitie in verband met een misdrijf. De burgemeester zet, voordat de optant de verklaring ondertekent, de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij optie uiteen en wijst de optant erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de bevestiging van de optieverklaring. Betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om op de verklaring aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd dat op grond van zijn gedrag ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk (zie verder: de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
Bovendien moet de optant door middel van een zogenaamde verklaring verblijf en gedrag ([model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in de optieverklaring genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 6, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)) en of hij of één van de in de optieverklaring genoemde personen ouder dan zestien jaar niet polygaam gehuwd is en al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of justitie in verband met een misdrijf. De burgemeester zet, voordat de optant de verklaring ondertekent, de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij optie uiteen en wijst de optant erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de bevestiging van de optieverklaring. Betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om op de verklaring aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd dat op grond van zijn gedrag ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk (zie verder: de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
### paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing
@@ -2350,7 +2350,7 @@
### paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie [paragraaf 2.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te toetsen ([artikel 9, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie [paragraaf 2.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te toetsen ([artikel 9, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
### paragraaf 2.10. (Hoger) beroep
@@ -2360,7 +2360,7 @@
### paragraaf 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)
Indien een aspirant-optant, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die verklaring (model 1.36) niet heeft ingevuld en ondertekend of indien een aspirant-optant heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en betrokkene desondanks toch in zijn optie persisteert, weigert de burgemeester de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen (zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.8&z=2014-10-01&g=2014-10-01)**Weigering bevestiging**).’.
Indien een aspirant-optant, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die verklaring (model 1.36) niet heeft ingevuld en ondertekend of indien een aspirant-optant heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en betrokkene desondanks toch in zijn optie persisteert, weigert de burgemeester de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen (zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.8&z=2014-10-01&g=2014-11-22)**Weigering bevestiging**).’.
Vanaf 1 januari 2006 is de burgemeester verplicht de persoon aan wie het Nederlanderschap is verleend uit te nodigen voor een ceremonie waarin de verkrijging van het Nederlanderschap wordt gevierd. Op 1 oktober 2006 is hieraan een belangrijke wijziging toegevoegd. Vanaf die datum treedt de optiebevestiging pas in werking door uitreiking daarvan aan de betrokkene, in de regel op een naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. De optiebevestiging wordt aan de betrokkene bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit tot verkrijging van het Nederlanderschap in werking. Vanaf 1 maart 2009 zijn ook de (mede)optanten, die op het tijdstip van afleggen van de optieverklaring, zestien jaar of ouder waren, verplicht op een naturalisatieceremonie te verschijnen9Zie artikel 60a, derde lid, BVVN.. Vanaf 1 maart 2009 moet de minderjarige medeoptant, die zestien jaar of ouder was op het tijdstip van het afleggen van de optieverklaring, verplicht op een naturalisatieceremonie verschijnen om aldaar de verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot bevestiging van de optieverklaring werkt terug tot de dag van de dagtekening door de burgemeester (zie ook onder ‘algemeen’ van paragraaf 2.12.2).
@@ -2382,7 +2382,7 @@
### paragraaf 2.4.2.5. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
Indien dit nog niet is gebeurd in een eerdere fase van de procedure –bijvoorbeeld tegelijk met het afleggen van de optieverklaring door de optant –stelt de burgemeester de andere in de optieverklaring genoemde personen, mits zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijk vertegenwoordiger en de andere ouder (als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)) op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie kenbaar te maken ([artikel 10, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10)). Zie ook hiervoor bij [2.2.1, ‘Verklaring afleggen in persoon’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.
Indien dit nog niet is gebeurd in een eerdere fase van de procedure –bijvoorbeeld tegelijk met het afleggen van de optieverklaring door de optant –stelt de burgemeester de andere in de optieverklaring genoemde personen, mits zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijk vertegenwoordiger en de andere ouder (als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)) op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie kenbaar te maken ([artikel 10, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10)). Zie ook hiervoor bij [2.2.1, ‘Verklaring afleggen in persoon’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.
De uitreiking van de optiebevestiging ligt in handen van de burgemeester die heeft bevestigd (artikel 60a, eerste lid BVVN jo. [artikel 2 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2)). Heeft de optant na de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant van deze uitreiking in kennis stellen.
@@ -2394,7 +2394,7 @@
Voornoemde stukken zijn nodig in verband met de opname van deze documenten in het nationaliteitenregister ([artikel 12, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12)) en om de afstandsprocedure van de optant (als van toepassing) te controleren.
Als van toepassing moet een uitwisselingsformulier betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit ([model 1.35 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) worden opgemaakt en worden verzonden naar het land van herkomst. Dit is, op grond van de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verkrijging van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal.
Als van toepassing moet een uitwisselingsformulier betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit ([model 1.35 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) worden opgemaakt en worden verzonden naar het land van herkomst. Dit is, op grond van de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verkrijging van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal.
### paragraaf 2.12.3. Afleggen verklaring van verbondenheid
@@ -2490,19 +2490,19 @@
### paragraaf 2.12.1. De oproeping
De burgemeester roept de optant en mede-optant die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring 16 jaar of ouder was (waren) op te verschijnen. Was de optant jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op. De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de optant of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige optant de optieverklaring heeft afgelegd. Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) (tabel: oproepen en uitreiken).
De burgemeester roept de optant en mede-optant die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring 16 jaar of ouder was (waren) op te verschijnen. Was de optant jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op. De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de optant of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige optant de optieverklaring heeft afgelegd. Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) (tabel: oproepen en uitreiken).
### paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker
De beslistermijn van een optieverklaring eindigt in het geval van een positieve beslissing op het moment dat de optant de bekendmaking in ontvangst heeft genomen (in beginsel) op een naturalisatieceremonie.
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene in voorkomende gevallen nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60a, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken optant in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene in voorkomende gevallen nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60a, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken optant in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
Is een jaar na de dag van ondertekening van de optiebevestiging verstreken zonder dat de optant (op een naturalisatieceremonie) is verschenen en derhalve de bevestiging niet aan hem is bekendgemaakt, dan vervalt de optiebevestiging ([artikel 60a, elfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). De vervaltermijn van één jaar is opgeschort indien sprake is van bezwaar- en beroep tegen het besluit inzake de wijze van bekendmaking van de optiebevestiging en/of de wijze van aflegging van de verklaring van verbondenheid. Om te voorkomen dat het besluit zou vervallen is bepaald dat de termijn van één jaar door het instellen van bezwaar of beroep wordt opgeschort totdat op het bezwaar dan wel het beroep onherroepelijk is beslist. De vervaltermijn van één jaar wordt stopgezet op het moment dat de burgemeester of de rechtbank het bezwaar- dan wel beroepschrift heeft ontvangen en gaat weer lopen op het moment dat de beslissing van de burgemeester of de rechtbank onherroepelijk is geworden en er dus geen rechtsmiddelen meer open staan. De termijn loopt dus na de beslissing in bezwaar of beroep verder en vangt niet opnieuw aan. Onder beroep wordt mede hoger beroep begrepen ([artikel 60a, elfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)).
De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring uit binnen negen weken nadat is vastgesteld dat de optant heeft voldaan aan alle voorwaarden voor optie. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd. Zie [artikel 60a, vierde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a).
De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring, na het afleggen van de verklaring van verbondenheid, uit aan de optant die ten tijde van het indienen van de optieverklaring zestien jaar of ouder was. Was de optant op dat tijdstip jonger dan zestien jaar dan wordt het besluit uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60a, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) (tabel oproepen en uitreiken).
De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring, na het afleggen van de verklaring van verbondenheid, uit aan de optant die ten tijde van het indienen van de optieverklaring zestien jaar of ouder was. Was de optant op dat tijdstip jonger dan zestien jaar dan wordt het besluit uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60a, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) (tabel oproepen en uitreiken).
De uitreiking van de optiebevestiging ligt in handen van de burgemeester die heeft bevestigd (artikel 60a, eerste lid BVVN jo. [artikel 2 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2)). Heeft de optant na de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant van deze uitreiking in kennis stellen.
@@ -2514,7 +2514,7 @@
De verklaring van verbondenheid wordt besloten met het uitspreken van de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’. De keuze is aan de optant. De tekst van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan **niet** worden afgeweken.
De burgemeester houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de burgemeester aan op het afschrift van de optiebevestiging dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden (zie tevens [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.4&z=2014-10-01&g=2014-10-01)**Procedurele aspecten na de terugmelding**). Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009.
De burgemeester houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de burgemeester aan op het afschrift van de optiebevestiging dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden (zie tevens [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.4&z=2014-10-01&g=2014-11-22)**Procedurele aspecten na de terugmelding**). Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009.
### 6-6. Toelichting ad [artikel 6, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
@@ -2576,7 +2576,7 @@
De burgemeester is verplicht de normen die in de Handleiding bij artikel 9, eerste lid, onder a RWN worden beschreven, toe te passen. Dit volgt uit de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) en de daarop gebaseerde regelgeving. Op grond van [artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) kunnen bij algemene maatregel van rijksbestuur onder meer nadere voorschriften worden gesteld betreffende de administratieve behandeling van verkrijging en verlening van het Nederlanderschap. Deze algemene maatregel van rijksbestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BvvN). In [artikel 10, tweede lid van het BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10) is opgenomen dat de burgemeester onderzoekt of er ernstige vermoedens bestaan als bedoeld in [artikel 6, vierde lid, van de RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), tegen de optant of de personen die tot medeverkrijging in de optieverklaring zijn genoemd, als zij zestien jaar of ouder zijn. In het BvvN is vervolgens bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld in de uitvoering van dit besluit. Deze ministeriële regeling is de [Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506) (RvvN). In [artikel 2 van de RvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=2) is onder meer opgenomen dat, tenzij in de regeling anders is bepaald, de uitvoeringsautoriteit de hem in het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap opgedragen werkzaamheden uitvoert in overeenstemming met de Handleiding, alsmede met de nadere instructies terzake die in het betreffende Rijksdeel gelden. In de regeling is op dit punt niets anders bepaald. Dit betekent dat de burgemeester de richtlijnen zoals deze beschreven staan bij [artikel 9, eerste lid, onder a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) moet volgen. Om ongelijkheid tussen gemeenten te voorkomen is het van belang dat de normen ook strikt worden toegepast.
Iedere optant moet door middel van een verklaring verblijf en gedrag ([model 1.14 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) schriftelijk verklaren dat hij, of één van de in de verklaring genoemde personen van zestien jaar of ouder, al dan niet in aanraking is geweest met politie en justitie én niet polygaam getrouwd zijn.
Iedere optant moet door middel van een verklaring verblijf en gedrag ([model 1.14 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) schriftelijk verklaren dat hij, of één van de in de verklaring genoemde personen van zestien jaar of ouder, al dan niet in aanraking is geweest met politie en justitie én niet polygaam getrouwd zijn.
Op 1 januari 2012 is de [Wet Conflictenrecht Huwelijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004619) (WCH) vervallen. Vanaf die datum is [artikel 10:27 BW tot en met artikel 10:53 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=27) van toepassing.
@@ -2602,7 +2602,7 @@
### 6a-2-c. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie [toelichting op artikel 6, tweede lid RWN, paragraaf 2.2.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.5&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie [toelichting op artikel 6, tweede lid RWN, paragraaf 2.2.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.5&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
Naast polygamie zijn er ook andere gronden op grond waarvan ernstige vermoedens bestaan dat de optant een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. De richtlijnen om vast te stellen of op grond van het gedrag van de optant ernstige vermoedens bestaan zijn dezelfde als in [artikel 9, eerste lid aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) bij naturalisatie. De bevestiging van de optieverklaring van de optant die voldoet aan de voorwaarden van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b (als de optant minderjarig is) of c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) kan niet worden geweigerd als op grond van het gedrag van de optant ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Verdragsverplichtingen verzetten zich in die gevallen tegen een weigering. Bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN gaat het daarbij om artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (Trb. 1998, 149). Bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN is de weigering niet toegestaan op grond van artikel 6, eerste lid 1, aanhef en onder a van het Europees Verdrag inzake nationaliteit.
@@ -2762,13 +2762,13 @@
**De autoriteit vraagt advies aan Onze Minister indien de vreemdeling stelt dat afstand van zijn andere nationaliteit redelijkerwijs niet kan worden verlangd. De autoriteit deelt de vreemdeling mee dat Onze Minister om advies is verzocht en binnen welke termijn op de optie zal worden besloten.**
Als de optant stelt dat afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd, maar aan hem geen beroep toekomt op de in het tweede lid genoemde uitzonderingen, vraagt de autoriteit aan Onze Minister om verplicht advies over de vraag of afstand redelijkerwijs kan worden verlangd. Deze verplichte adviesaanvraag heeft praktische redenen: een eenduidige toepassing van het beleid en het feit dat de IND veel ervaring heeft met het beoordelen van deze uitzonderingen. Voor het vragen van advies moet gebruik worden gemaakt van [model 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01). Let op! De autoriteit besluit niet eerder op de optieverklaring dan na ontvangst van het advies van Onze Minister.
Als de optant stelt dat afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd, maar aan hem geen beroep toekomt op de in het tweede lid genoemde uitzonderingen, vraagt de autoriteit aan Onze Minister om verplicht advies over de vraag of afstand redelijkerwijs kan worden verlangd. Deze verplichte adviesaanvraag heeft praktische redenen: een eenduidige toepassing van het beleid en het feit dat de IND veel ervaring heeft met het beoordelen van deze uitzonderingen. Voor het vragen van advies moet gebruik worden gemaakt van [model 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22). Let op! De autoriteit besluit niet eerder op de optieverklaring dan na ontvangst van het advies van Onze Minister.
Als de optant een beroep doet op het rederlijkerwijs niet van hem kunnen verlangen om afstand te doen, dan is het raadzaam om hem een eigen risico verklaring te laten ondertekenen. Het is immers niet bekend of het beroep wordt gehonoreerd en of de optant alsnog afstand moet doen. Het is belangrijk dat de optant hier op is gewezen.
Als Onze Minister aan de autoriteit adviseert het beroep op het redelijkerwijs niet kunnen verlangen om afstand te doen, af te wijzen, dan moet de optant in de gelegenheid worden gesteld om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen in die zin dat hij bereid is om afstand te doen (zie [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [paragraaf 2.2.4.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.3&paragraaf=2.2.4.3.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)). Als de optant niet bereid is de bereidheidsverklaring te ondertekenen, dan kan de optieverklaring niet worden bevestigd. Ondertekent de optant wel de bereidheidsverklaring, dan kan de optie, als de optant ook voldoet aan de overige voorwaarden, bevestigd worden. Bij het verzoek aan de optant om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen kan het advies van Onze Minister worden meegestuurd.
Let op! Het is raadzaam om de beslistermijn op grond van [artikel 6, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) dan meteen te verlengen met 13 weken. Bovendien verlengt [artikel 6a, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a) de basistermijn van artikel 6, vijfde lid, RWN reeds automatisch van 13 weken naar 17 weken als de beslistermijn. De autoriteit deelt vervolgens schriftelijk de optant mee dat aan Onze Minister om advies is verzocht en binnen welke termijn op de optie zal worden beslist. Onze Minister zal binnen vier weken na ontvangst van het verzoek om advies ([model 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) de autoriteit hierover adviseren.
Als Onze Minister aan de autoriteit adviseert het beroep op het redelijkerwijs niet kunnen verlangen om afstand te doen, af te wijzen, dan moet de optant in de gelegenheid worden gesteld om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen in die zin dat hij bereid is om afstand te doen (zie [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [paragraaf 2.2.4.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.3&paragraaf=2.2.4.3.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)). Als de optant niet bereid is de bereidheidsverklaring te ondertekenen, dan kan de optieverklaring niet worden bevestigd. Ondertekent de optant wel de bereidheidsverklaring, dan kan de optie, als de optant ook voldoet aan de overige voorwaarden, bevestigd worden. Bij het verzoek aan de optant om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen kan het advies van Onze Minister worden meegestuurd.
Let op! Het is raadzaam om de beslistermijn op grond van [artikel 6, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) dan meteen te verlengen met 13 weken. Bovendien verlengt [artikel 6a, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a) de basistermijn van artikel 6, vijfde lid, RWN reeds automatisch van 13 weken naar 17 weken als de beslistermijn. De autoriteit deelt vervolgens schriftelijk de optant mee dat aan Onze Minister om advies is verzocht en binnen welke termijn op de optie zal worden beslist. Onze Minister zal binnen vier weken na ontvangst van het verzoek om advies ([model 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) de autoriteit hierover adviseren.
Het advies is een advies als bedoeld in [afdeling 3.3. Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.3) (Awb) en wordt gemotiveerd. Het advies is geen besluit in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) waartegen bezwaar en beroep openstaat. De optant kan wèl bezwaar en beroep aantekenen tegen het (weigerings)besluit van de tot optie bevoegde autoriteit.
@@ -2806,7 +2806,7 @@
[Artikel VII RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. [Artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vereist dat minderjarige kinderen sinds het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede -indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt -dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen moesten daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) wordt beslist, voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hadden ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.
Vanaf 1 oktober 2006 treden de optiebevestiging en het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie. Zie [artikel II van het Besluit van 19 mei 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019915&artikel=II), Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder [artikel 60b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en hieronder [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
Vanaf 1 oktober 2006 treden de optiebevestiging en het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie. Zie [artikel II van het Besluit van 19 mei 2006](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019915&artikel=II), Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder [artikel 60b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en hieronder [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
### Paragraaf 3.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
@@ -2834,7 +2834,7 @@
### paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); zie ook [paragraaf 3.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.2&paragraaf=3.2.5&z=2014-10-01&g=2014-10-01)). De burgemeester die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om een geldig buitenlands reisdocument te overleggen. In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan (zie [paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)). Voorts wordt de verzoeker gevraagd om andere bewijsstukken te overleggen, bijvoorbeeld een geboorteakte (zie [paragraaf 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); zie ook [paragraaf 3.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.2&paragraaf=3.2.5&z=2014-10-01&g=2014-11-22)). De burgemeester die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om een geldig buitenlands reisdocument te overleggen. In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan (zie [paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)). Voorts wordt de verzoeker gevraagd om andere bewijsstukken te overleggen, bijvoorbeeld een geboorteakte (zie [paragraaf 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
Deze verklaring op zich is niet voldoende om bewijsnood aan te tonen. Het zou immers kunnen dat betrokkene niet werkelijk geboren is in het land waar zij vandaan stelt te komen. Slechts wanneer er geen indicaties zijn dat betrokkene wellicht afkomstig is uit een ander land dan gesteld en wanneer de gegevens van betrokkene op de verklaring overeenkomen met de gegevens die zij eerder op heeft gegeven bij het indienen van haar asielverzoek en bij het afleggen van de VOE kan op grond van een dergelijke verklaring eventueel bewijsnood aangenomen worden. Andere stukken (zoals een schooldiploma of een doopakte uit het land van herkomst) waar ook dezelfde gegevens op vermeld staan, zouden het in dit geval makkelijker maken om het beroep op bewijsnood te accepteren.
@@ -2846,7 +2846,7 @@
De hoofdregel: verzoeken om naturalisatie moeten worden ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de verzoeker als ingezetene is ingeschreven in de BRP. Het feit dat het verzoek om naturalisatie mede betrekking kan hebben op minderjarigen die hun hoofdverblijf hebben buiten deze gemeente, doet hier niet aan af.
In gevallen, waarin verschijning in persoon weliswaar is voorgeschreven, maar dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan het verzoek om naturalisatie worden ingediend c.q. de verklaring van al dan niet instemming met de (mee)naturalisatie worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder en de gemachtigde ([artikel 3, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond. De gemachtigde dient in persoon aan het loket te verschijnen en de nodige zekerheid te verschaffen over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en ondertekend door de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder. De gemachtigde dient een geldig buitenlands reisdocument van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder te overleggen. Hierbij geldt dat in bepaalde gevallen andere identiteitsdocumenten zijn toegestaan, zie [paragraaf 3.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)
In gevallen, waarin verschijning in persoon weliswaar is voorgeschreven, maar dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan het verzoek om naturalisatie worden ingediend c.q. de verklaring van al dan niet instemming met de (mee)naturalisatie worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder en de gemachtigde ([artikel 3, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond. De gemachtigde dient in persoon aan het loket te verschijnen en de nodige zekerheid te verschaffen over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en ondertekend door de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder. De gemachtigde dient een geldig buitenlands reisdocument van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder te overleggen. Hierbij geldt dat in bepaalde gevallen andere identiteitsdocumenten zijn toegestaan, zie [paragraaf 3.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)
### paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek
@@ -2890,9 +2890,9 @@
Een informatieve brief, waarin het beleid nader wordt toegelicht, is géén besluit in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Een bezwaarschrift gericht tegen een informatieve brief wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan een bezwaarschrift gericht tegen de bijlage bij de bekendmaking van het naturalisatiebesluit, waarin de naturalisandus wordt gewezen op de afstandsplicht.
Iedere verzoeker om (mede)naturalisatie van 16 jaar of ouder moet door middel van de verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en, als er ook een verzoek om medeverlening voor een kind van onder de 16 jaar wordt ingediend, ook over dit kind de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 31, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)), of hij al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie en of hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Als de verzoeker in deze verklaring aangeeft wel in aanraking te zijn geweest met politie en/of Justitie of dat hij met meer dan één vrouw is getrouwd, dan informeert de burgemeester de verzoeker, voordat hij de verklaring ondertekent, over de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij naturalisatie en wijst hij de verzoeker erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie. De 16 of 17-jarige voor wie medeverlening wordt verzocht, ondertekent zelf het model 2.3. waarin zijn/haar gegevens zijn ingevuld. In dat model is ruimte voor bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar mening van de ondertekenaar of ten aanzien van hem niet mag worden geconcludeerd dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=6&z=2014-10-01&g=2014-10-01) (paragraaf 6.1).
Let op! Als minderjarigen meenaturaliseren, dan moet voor elke minderjarige van 16 jaar of ouder een [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) volledig ingevuld en ondertekend worden meegestuurd bij het verzoek.
Iedere verzoeker om (mede)naturalisatie van 16 jaar of ouder moet door middel van de verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en, als er ook een verzoek om medeverlening voor een kind van onder de 16 jaar wordt ingediend, ook over dit kind de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 31, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)), of hij al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie en of hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Als de verzoeker in deze verklaring aangeeft wel in aanraking te zijn geweest met politie en/of Justitie of dat hij met meer dan één vrouw is getrouwd, dan informeert de burgemeester de verzoeker, voordat hij de verklaring ondertekent, over de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij naturalisatie en wijst hij de verzoeker erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie. De 16 of 17-jarige voor wie medeverlening wordt verzocht, ondertekent zelf het model 2.3. waarin zijn/haar gegevens zijn ingevuld. In dat model is ruimte voor bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar mening van de ondertekenaar of ten aanzien van hem niet mag worden geconcludeerd dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=6&z=2014-10-01&g=2014-11-22) (paragraaf 6.1).
Let op! Als minderjarigen meenaturaliseren, dan moet voor elke minderjarige van 16 jaar of ouder een [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) volledig ingevuld en ondertekend worden meegestuurd bij het verzoek.
De burgemeester sluit het onderzoek af met het uitbrengen van een schriftelijk advies aan de IND over het verzoek om naturalisatie en over de eventuele naamsvaststelling c.q. naamswijziging ([artikel 36, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36). Zie [model 2.22 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-07-01&g=2014-07-01)).
@@ -2900,15 +2900,15 @@
De burgemeester zendt het verzoek om naturalisatie, de door hem over de verzoeker en andere betrokkenen ingewonnen inlichtingen, de bewijzen van persoonsgegevens (verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van akten van de burgerlijke stand), de door verzoeker en andere betrokkenen ondertekende verklaringen en verzoeken, de overige door verzoeker overgelegde bewijsstukken, de afschriften uit de BRP en het advies aan de IND ([artikel 37, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=37)). De burgemeester behoudt een kopie van het naturalisatiedossier in verband met de wettelijke bewaarplicht.3Op grond van het Vaststellingsbesluit selectielijst archiefbescheiden gemeentelijke en intergemeentelijke organen is de bewaartermijn bij de voorbereiding van naturalisatie van vreemdelingen in geval van totstandkoming 2 jaar en in geval van niet-totstandkoming 12 jaar. Het naturalisatiebesluit en de bevestiging van verkrijging en verklaring van afstand nationaliteit moeten door de gemeenten permanent bewaard worden. In verband met de wettelijke behandeltermijn van een jaar is het van belang dat uit de stukken die aan de IND worden gezonden duidelijk blijkt op welke datum de naturalisatiegelden zijn betaald, op welke datum eventueel ontheffing van betaling is verleend en op welke datum de aanvullende stukken zijn overgelegd (zie ook de toelichting bij [artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De IND bevestigt de ontvangst van het dossier aan de burgemeester (artikel 37, tweede lid, BVVN).
Het verzoek om naturalisatie moet zoveel mogelijk worden ondersteund door (bewijs)stukken. De burgemeester kan van de verzoeker verlangen dat hij gegevens bewijst door middel van documenten ([artikel 31, vijfde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)). Volledigheid van de stukken is ook in het belang van de verzoeker, aangezien in geval van afwijzing van het verzoek om naturalisatie de naturalisatiegelden niet worden terugbetaald. Als de verzoeker een aantal benodigde gegevens of vereiste documenten niet kan verstrekken, wordt hem geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek tot het moment waarop alle vereiste gegevens en documenten kunnen worden verstrekt. Mocht verzoeker er toch op staan om zijn verzoek in te dienen, ondanks het niet overleggen van de door de burgemeester gevraagde documenten of het niet voldoen aan de voorwaarden voor naturalisatie, dan neemt de burgemeester het verzoek in ontvangst. De burgemeester kan in dit geval verlangen dat de verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die door naturalisatie het Nederlanderschap wil verkrijgen, overlegt deze vreemdeling nationaliteit en -identiteit vaststellende documenten (zie onder meer [artikel 31 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) en [paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [3.5.3 bij artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01)). Dit geldt ook voor de vreemdeling aan wie een regulier verblijfsrecht is verstrekt, waarbij hij, al dan niet ambtshalve, is vrijgesteld van het ‘paspoortvereiste’. De vreemdeling met een verblijfsvergunning regulier die is vrijgesteld van het paspoortvereiste, kan, als hij verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie beoogt, ruimschoots voorafgaand aan het starten van de naturalisatieprocedure zorg dragen voor verkrijging van de daarvoor noodzakelijke bewijsstukken; waarmee een geldig nationaal paspoort en een (zo nodig: gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte zijn bedoeld.
Het verzoek om naturalisatie moet zoveel mogelijk worden ondersteund door (bewijs)stukken. De burgemeester kan van de verzoeker verlangen dat hij gegevens bewijst door middel van documenten ([artikel 31, vijfde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)). Volledigheid van de stukken is ook in het belang van de verzoeker, aangezien in geval van afwijzing van het verzoek om naturalisatie de naturalisatiegelden niet worden terugbetaald. Als de verzoeker een aantal benodigde gegevens of vereiste documenten niet kan verstrekken, wordt hem geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek tot het moment waarop alle vereiste gegevens en documenten kunnen worden verstrekt. Mocht verzoeker er toch op staan om zijn verzoek in te dienen, ondanks het niet overleggen van de door de burgemeester gevraagde documenten of het niet voldoen aan de voorwaarden voor naturalisatie, dan neemt de burgemeester het verzoek in ontvangst. De burgemeester kan in dit geval verlangen dat de verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die door naturalisatie het Nederlanderschap wil verkrijgen, overlegt deze vreemdeling nationaliteit en -identiteit vaststellende documenten (zie onder meer [artikel 31 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) en [paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [3.5.3 bij artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22)). Dit geldt ook voor de vreemdeling aan wie een regulier verblijfsrecht is verstrekt, waarbij hij, al dan niet ambtshalve, is vrijgesteld van het ‘paspoortvereiste’. De vreemdeling met een verblijfsvergunning regulier die is vrijgesteld van het paspoortvereiste, kan, als hij verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie beoogt, ruimschoots voorafgaand aan het starten van de naturalisatieprocedure zorg dragen voor verkrijging van de daarvoor noodzakelijke bewijsstukken; waarmee een geldig nationaal paspoort en een (zo nodig: gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte zijn bedoeld.
Als de nationaliteit van de verzoeker met een regulier verblijfsrecht in de BRP is opgenomen met toepassing van [artikel 2.15 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15), moet de verzoeker bij het indienen van het naturalisatieverzoek in beginsel een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overleggen.
### Paragraaf 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (vva-bep)
Als de verzoeker met nationaliteit ‘onbekend’ in de BRP is opgenomen, in overeenstemming met [artikel 2.15 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15) of de voorganger daarvan, [artikel 43 Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=43), moet hij in beginsel een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overleggen ([paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
Als de verzoeker met nationaliteit ‘onbekend’ in de BRP is opgenomen, in overeenstemming met [artikel 2.15 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15) of de voorganger daarvan, [artikel 43 Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=43), moet hij in beginsel een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overleggen ([paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
De verzoeker, houder van een regulier verblijfsrecht, die in de BRP is ingeschreven op grond van [artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder b, c, d of e Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.8), dat wil zeggen zonder een (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte te hebben overgelegd, moet bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie een (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte overleggen. Als de verzoeker in de BRP is ingeschreven en zijn gegevens zijn ontleend aan een door hem afgelegde ‘verklaring onder eed of belofte’, geldt het volgende. In zijn ‘verklaring onder ede of belofte’ heeft de verzoeker zijn geboorteplaats (en daarmee tevens zijn geboorteland) gemeld. De verzoeker moet, tenzij hij ook in de naturalisatieprocedure – wegens bewijsnood of het ontbreken van (erkend) centraal gezag in een land – blijft vrijgesteld van de verplichting om zich te identificeren door middel van een (gelegaliseerde/van apostille voorziene) geboorteakte, in het kader van de naturalisatieprocedure een uit die geboorteplaats afkomstige recente en (gelegaliseerde/van apostille voorziene) geboorteakte overleggen. Als de verzoeker verklaart dat hij zijn geboorteakte niet over kan leggen, moet hij dit met bewijsstukken aantonen. Anders moet hij aantonen dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte. Als de verzoeker niet de gevraagde (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte en geen bewijsstukken overlegt, informeert de burgemeester de verzoeker dat de IND alsnog zal vragen om een (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte over te leggen.
@@ -2980,9 +2980,9 @@
Dit kan bijvoorbeeld spelen indien betrokkene heeft verzocht om de verklaring van verbondenheid schriftelijk te mogen afleggen en dit door de burgemeester geweigerd is. Dit kan ook voorkomen indien betrokkene een beroep op zwaarwegende redenen heeft gedaan om niet op de naturalisatieceremonie te verschijnen en dit door de burgemeester is afgewezen.
De burgemeester controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het, door de burgemeester, is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt de burgemeester een negatief advies uit en wijst de Minister het verzoek om naturalisatie af (zie tevens [paragraaf 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.9&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).’
De burgemeester controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het, door de burgemeester, is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt de burgemeester een negatief advies uit en wijst de Minister het verzoek om naturalisatie af (zie tevens [paragraaf 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.9&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).’
### paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
@@ -2990,7 +2990,7 @@
Indien de verklaring van verbondenheid schriftelijk is afgelegd (model 4.1 of 4.2), wordt deze verklaring gearchiveerd in het naturalisatiedossier bij de gemeente.
De burgemeester beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld ([artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3)) of ontheven ([artikel 4 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4)) van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Is dat niet het geval, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een Certificaat Naturalisatietoets, bedoeld in [artikel 5 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) te overleggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar paragraaf 2.3 en voor ontheffing [paragraaf 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
De burgemeester beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld ([artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3)) of ontheven ([artikel 4 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4)) van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Is dat niet het geval, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een Certificaat Naturalisatietoets, bedoeld in [artikel 5 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) te overleggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar paragraaf 2.3 en voor ontheffing [paragraaf 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon van het desbetreffende uittreksel aan de opgeroepen persoon. Dit is een wettelijk gegeven, waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Van de regel om in persoon te verschijnen kan slechts in bijzondere omstandigheden wegens zwaarwegende redenen worden afgeweken. In zulke uitzonderingsgevallen kan de betrokkene, nadat een daartoe strekkend besluit door de burgemeester is genomen, door een gemachtigde worden vertegenwoordigd. Ook kan in die gevallen de burgemeester besluiten de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen, waarbij te denken is aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending per post van het uittreksel. Om uitgezonderd te worden van de regel in persoon te verschijnen, dient betrokkene een daartoe strekkend verzoek in te dienen.
@@ -3002,7 +3002,7 @@
De administratieve behandeling van het verzoek om naturalisatie vangt aan nadat:
Alsdan toetst de burgemeester de door de verzoeker verstrekte persoonsgegevens aan de gegevens die zijn opgenomen in de BRP ([artikel 35, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=35)). Heeft het verzoek mede betrekking op personen die staan ingeschreven met een adres in een andere gemeente of kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, dan verzoekt hij de burgemeester van de betreffende gemeente om binnen vier weken (of in voorkomend geval de gezaghebber van het openbare lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao of Sint Maarten om binnen tien weken) de door verzoeker verstrekte persoonsgegevens te controleren (artikel 35, tweede lid, BVVN). De persoonsgegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie hierboven [paragraaf 3.6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.6&paragraaf=3.6.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie. De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te controleren (artikel 35, vierde lid, BVVN). Ten aanzien van de zogenaamde passanten verzoekt de burgemeester, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de persoonsgegevens zo mogelijk binnen tien weken te controleren (artikel 35, derde lid, BVVN). Zie het hoofdstuk Voorlichting in de desbetreffende Handleiding voor adressering aan de betreffende autoriteiten. Voor zover mogelijk onderzoekt de burgemeester de juistheid van de persoonsgegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden gecontroleerd (artikel 35, vijfde lid, BVVN).
Alsdan toetst de burgemeester de door de verzoeker verstrekte persoonsgegevens aan de gegevens die zijn opgenomen in de BRP ([artikel 35, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=35)). Heeft het verzoek mede betrekking op personen die staan ingeschreven met een adres in een andere gemeente of kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht, dan verzoekt hij de burgemeester van de betreffende gemeente om binnen vier weken (of in voorkomend geval de gezaghebber van het openbare lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao of Sint Maarten om binnen tien weken) de door verzoeker verstrekte persoonsgegevens te controleren (artikel 35, tweede lid, BVVN). De persoonsgegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie hierboven [paragraaf 3.6.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.6&paragraaf=3.6.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie. De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te controleren (artikel 35, vierde lid, BVVN). Ten aanzien van de zogenaamde passanten verzoekt de burgemeester, zo nodig, de Minister van Buitenlandse Zaken de persoonsgegevens zo mogelijk binnen tien weken te controleren (artikel 35, derde lid, BVVN). Zie het hoofdstuk Voorlichting in de desbetreffende Handleiding voor adressering aan de betreffende autoriteiten. Voor zover mogelijk onderzoekt de burgemeester de juistheid van de persoonsgegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden gecontroleerd (artikel 35, vijfde lid, BVVN).
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt de burgemeester de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de burgemeester (zie tevens [paragraaf 3.13.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.4&paragraaf=3.13.4.1&z=2014-07-01&g=2014-07-01)).
@@ -3014,7 +3014,7 @@
Na uitreiking van het desbetreffende uittreksel stuurt de burgemeester door middel van het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) daarvan zo spoedig mogelijk een bericht aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ([artikel 60b, negende lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Op het terugmeldformulier vermeldt de burgemeester onder andere de datum waarop het besluit is bekendgemaakt en de wijze van bekendmaking. Ingevolge [artikel 60b, twaalfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) deelt de uitreikende autoriteit de Minister mee ‘of en op welke wijze de verklaring van verbondenheid is afgelegd. Deze informatie wordt op het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) aangetekend en is alleen van toepassing op verzoeken om naturalisatie ingediend op of na 1 maart 2009. Ook vermeldt de burgemeester of hij na herhaalde oproepingen het besluit niet heeft kunnen bekendmaken, als gevolg waarvan het besluit is vervallen. De uittreksels die de burgemeester niet heeft kunnen uitreiken, stuurt hij terug aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
De burgemeester sluit het onderzoek af met het uitbrengen van een schriftelijk advies aan de IND over het verzoek om naturalisatie en over de eventuele naamsvaststelling c.q. naamswijziging ([artikel 36, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36). Zie [model 2.22 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
De burgemeester sluit het onderzoek af met het uitbrengen van een schriftelijk advies aan de IND over het verzoek om naturalisatie en over de eventuele naamsvaststelling c.q. naamswijziging ([artikel 36, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36). Zie [model 2.22 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
De adviezen die kunnen worden uitgebracht zijn: ‘geen bezwaar’ en ‘bezwaar’.
@@ -3022,11 +3022,11 @@
[Boek 10 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068): [artikelen 29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=29) en [58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=58)
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen ([artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing ([artikel 38, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=38)). Beslissingen tot afwijzing, tot buitenbehandelingstelling of tot aanhouding van verzoeken worden per aangetekende post aan verzoeker verzonden. In geval van een positieve beslissing stuurt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zo snel mogelijk aan de burgemeester van de woonplaats van de verzoeker. De burgemeester draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit. (Zie ook [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&z=2014-10-01&g=2014-10-01).) Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de mee-genaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie, indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit totstandgekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen ([artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing ([artikel 38, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=38)). Beslissingen tot afwijzing, tot buitenbehandelingstelling of tot aanhouding van verzoeken worden per aangetekende post aan verzoeker verzonden. In geval van een positieve beslissing stuurt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zo snel mogelijk aan de burgemeester van de woonplaats van de verzoeker. De burgemeester draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit. (Zie ook [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&z=2014-10-01&g=2014-11-22).) Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de mee-genaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie, indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit totstandgekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
### 8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit maakt de IND, na ontvangst van het terugmeldformulier, een formulier op gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 ([Model 1.35a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) toe. De IND maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige die door naturalisatie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door naturalisatie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder.
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit maakt de IND, na ontvangst van het terugmeldformulier, een formulier op gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 ([Model 1.35a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) toe. De IND maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige die door naturalisatie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door naturalisatie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder.
Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt.
@@ -3078,7 +3078,7 @@
Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen.
De burgemeester roept de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op ([artikel 60b, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend ([artikel 2, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) (tabel oproepen en uitreiken).
De burgemeester roept de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op ([artikel 60b, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend ([artikel 2, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) (tabel oproepen en uitreiken).
De oproeping vindt tijdig voor de uitreiking plaats binnen zes weken na de dag van dagtekening van het naturalisatiebesluit. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd (artikel 60b, tweede lid BVVN).
@@ -3094,7 +3094,7 @@
De burgemeester reikt het desbetreffende uittreksel uit binnen zes weken na de verzending van de oproeping ([artikel 60b, vierde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Ingeval het uittreksel niet tijdig is aangeleverd bij de burgemeester of is zoekgeraakt voordat dit is uitgereikt, volstaat een kopie of een fax voor de uitreiking.
De burgemeester reikt het uittreksel van het besluit uit aan de naturalisandus of medenaturalisandus die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was en ná het afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60b, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) (tabel oproepen en uitreiken).
De burgemeester reikt het uittreksel van het besluit uit aan de naturalisandus of medenaturalisandus die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was en ná het afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60b, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) (tabel oproepen en uitreiken).
De bekendmaking van het besluit is opgedragen aan de burgemeester van de woonplaats van de betrokkene, zoals die ten tijde van de ondertekening van het besluit, althans op het moment van de toezending van het desbetreffende uittreksel, bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) vanuit de bevolkingsadministratie bekend is. Verhuist de betrokkene daarna, dan kan de burgemeester aan wie het desbetreffende uittreksel is toegezonden, de uitreiking zelf verrichten of deze (door middel van een machtiging) overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van betrokkene. Indien de burgemeester aan wie het desbetreffende uittreksel is toegezonden, ondanks verhuizing van de naturalisandus naar een andere gemeente, de uitreiking zelf verricht, dan stelt hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de naturalisandus van deze uitreiking in kennis.
@@ -3124,7 +3124,7 @@
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid persoonlijk wordt afgelegd tijdens een naturalisatieceremonie waarbij het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd43Zie artikel 60b, vierde lid, BVVN en artikel 23, tweede lid, RWN.. Van de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Het mondeling of schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid kan niet worden overgelaten aan een gemachtigde gezien het persoonlijke karakter van de verklaring.
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt de burgemeester de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de burgemeester (zie tevens [paragraaf 3.13.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.4&paragraaf=3.13.4.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt de burgemeester de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de burgemeester (zie tevens [paragraaf 3.13.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.4&paragraaf=3.13.4.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
### 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
@@ -3398,7 +3398,7 @@
### 6-5. Toelichting ad artikel 6, vijfde lid
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). De burgemeester die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. In dit kader wordt de optant verzocht een geldig buitenlands reisdocument32In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan. Zie bij [paragraaf 2.2.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) te overleggen. Daarnaast kan de optant worden verzocht andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte te tonen (zie hierna onder [paragrafen 2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&z=2014-10-01&g=2014-10-01) bij onderhavig artikellid).
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). De burgemeester die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. In dit kader wordt de optant verzocht een geldig buitenlands reisdocument32In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan. Zie bij [paragraaf 2.2.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) te overleggen. Daarnaast kan de optant worden verzocht andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte te tonen (zie hierna onder [paragrafen 2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&z=2014-10-01&g=2014-11-22) bij onderhavig artikellid).
### paragraaf 2.2.1.2. Minderjarige optant
@@ -3406,7 +3406,7 @@
### paragraaf 2.2.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)
Hebben kinderen de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven ([artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Zij dienen zich met een geldig buitenlands reisdocument33Zie [paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01). te legitimeren (zie ook hierna [paragraaf 2.2.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.1&paragraaf=2.2.1.5&z=2014-10-01&g=2014-10-01)). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
Hebben kinderen de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven ([artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Zij dienen zich met een geldig buitenlands reisdocument33Zie [paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22). te legitimeren (zie ook hierna [paragraaf 2.2.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.1&paragraaf=2.2.1.5&z=2014-10-01&g=2014-11-22)). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
### paragraaf 2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder
@@ -3450,11 +3450,11 @@
### paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
Voor optanten van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) (tenzij de optant meerderjarig is), artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d en k t/m o, RWN (tenzij de optant 16 jaar of ouder is) en [artikel II RRWN (2008)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) (tenzij de optant meerderjarig is) geldt geen openbare orde toets. [Model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) hoeft door deze optanten daarom niet ondertekend te worden. Model 1.14 moet wel ondertekend worden door de meerderjarige optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder b en c, RWN en van art. II RRWN (2008). De optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder d en k t/m o RWN die 16 jaar of ouder is, moet model 1.14 ook ondertekenen. Zodra één van beide eisen geldt, moet model 1.14 ondertekend worden.
Voor optanten van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) (tenzij de optant meerderjarig is), artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d en k t/m o, RWN (tenzij de optant 16 jaar of ouder is) en [artikel II RRWN (2008)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) (tenzij de optant meerderjarig is) geldt geen openbare orde toets. [Model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) hoeft door deze optanten daarom niet ondertekend te worden. Model 1.14 moet wel ondertekend worden door de meerderjarige optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder b en c, RWN en van art. II RRWN (2008). De optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder d en k t/m o RWN die 16 jaar of ouder is, moet model 1.14 ook ondertekenen. Zodra één van beide eisen geldt, moet model 1.14 ondertekend worden.
### Paragraaf 2.2.4.3.1. Bereidheidsverklaring afstand
Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de burgemeester – voor zover mogelijk – de optant die een optieverklaring ex [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) heeft afgelegd of hij al dan niet behoort tot een uitzonderingscategorie dan wel redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Als geen van de uitzonderingen van toepassing is, moet de optant een verklaring te ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de verkrijging van het Nederlanderschap zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te verliezen ([artikel 6, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). De bereidheidsverklaring is opgenomen als [model 1.14-1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en model 1.14-1b. Let op! Model 1.14-1b moet alleen ondertekend worden door optanten met de Egyptische, Zuid-Afrikaanse en Oostenrijkse nationaliteit die afstand moeten doen.
Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de burgemeester – voor zover mogelijk – de optant die een optieverklaring ex [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) heeft afgelegd of hij al dan niet behoort tot een uitzonderingscategorie dan wel redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Als geen van de uitzonderingen van toepassing is, moet de optant een verklaring te ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de verkrijging van het Nederlanderschap zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te verliezen ([artikel 6, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). De bereidheidsverklaring is opgenomen als [model 1.14-1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en model 1.14-1b. Let op! Model 1.14-1b moet alleen ondertekend worden door optanten met de Egyptische, Zuid-Afrikaanse en Oostenrijkse nationaliteit die afstand moeten doen.
### paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
@@ -3462,7 +3462,7 @@
### Paragraaf 2.4.2.2. Verblijfsrechtelijke status optant
Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die opteert voor het Nederlanderschap, moet deze vreemdeling nationaliteit- en identiteitvaststellende documenten overleggen (zie onder meer [artikel 6 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6) en [paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [2.2.5.3 bij artikel 6, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01)). Dit geldt ook voor de vreemdeling aan wie een regulier verblijfsrecht is verstrekt, waarbij hij, al dan niet ambtshalve, is vrijgesteld van het ‘paspoortvereiste’. De vreemdeling met een verblijfsvergunning regulier die is vrijgesteld van het paspoortvereiste, kan, als hij verkrijging van het Nederlanderschap door optie beoogt, ruimschoots voorafgaand aan het starten van de optieprocedure zorg dragen voor verkrijging van de daarvoor noodzakelijke bewijsstukken; waarmee een geldig nationaal paspoort en een (als nodig: gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte zijn bedoeld.
Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die opteert voor het Nederlanderschap, moet deze vreemdeling nationaliteit- en identiteitvaststellende documenten overleggen (zie onder meer [artikel 6 BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6) en [paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [2.2.5.3 bij artikel 6, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22)). Dit geldt ook voor de vreemdeling aan wie een regulier verblijfsrecht is verstrekt, waarbij hij, al dan niet ambtshalve, is vrijgesteld van het ‘paspoortvereiste’. De vreemdeling met een verblijfsvergunning regulier die is vrijgesteld van het paspoortvereiste, kan, als hij verkrijging van het Nederlanderschap door optie beoogt, ruimschoots voorafgaand aan het starten van de optieprocedure zorg dragen voor verkrijging van de daarvoor noodzakelijke bewijsstukken; waarmee een geldig nationaal paspoort en een (als nodig: gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte zijn bedoeld.
### paragraaf 2.4.2.4. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie
@@ -3534,7 +3534,7 @@
### 6a-2-a. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat aan de optievoorwaarden is voldaan, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen. Indien de minderjarige kinderen in de optieverklaringen van beide ouders zijn opgenomen en de verkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van beide ouders wordt bevestigd, worden de personalia van de minderjarige kinderen die in de verkrijging delen in de bevestiging van zowel de vader als de moeder opgenomen. De burgemeester bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert ([artikel 11, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=11)). De bevestiging wordt als regel aan de optant uitgereikt tijdens een ceremonie, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Onder uitzonderlijke omstandigheden wordt de bevestiging tijdens een ceremonie uitgereikt aan een gemachtigde van de optant dan wel – indien uitzonderlijke omstandigheden daartoe noodzaken en geen gemachtigde kan worden aangewezen door betrokkene – per post aan de optant verzonden. (Zie voor de uitreiking van de bevestiging en de uitzonderingen daarop [paragraaf 2.12.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) Indien sprake is van een (gedeeltelijke) weigering dan wordt de bevestiging uitgereikt en de gedeeltelijke weigering per aangetekende post verzonden.
Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat aan de optievoorwaarden is voldaan, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen. Indien de minderjarige kinderen in de optieverklaringen van beide ouders zijn opgenomen en de verkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van beide ouders wordt bevestigd, worden de personalia van de minderjarige kinderen die in de verkrijging delen in de bevestiging van zowel de vader als de moeder opgenomen. De burgemeester bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert ([artikel 11, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=11)). De bevestiging wordt als regel aan de optant uitgereikt tijdens een ceremonie, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Onder uitzonderlijke omstandigheden wordt de bevestiging tijdens een ceremonie uitgereikt aan een gemachtigde van de optant dan wel – indien uitzonderlijke omstandigheden daartoe noodzaken en geen gemachtigde kan worden aangewezen door betrokkene – per post aan de optant verzonden. (Zie voor de uitreiking van de bevestiging en de uitzonderingen daarop [paragraaf 2.12.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) Indien sprake is van een (gedeeltelijke) weigering dan wordt de bevestiging uitgereikt en de gedeeltelijke weigering per aangetekende post verzonden.
### Paragraaf 2.6. Administratieve verwerking van de bevestiging
@@ -3542,7 +3542,7 @@
### 6a-2-b. Toelichting ad [artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit voegt hij een ingevuld formulier gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 ([model 1.35a HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) toe. De burgemeester maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige, die door optie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door optie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder. Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door optie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt.
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit voegt hij een ingevuld formulier gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 ([model 1.35a HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) toe. De burgemeester maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige, die door optie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door optie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder. Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door optie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt.
### paragraaf 2.12.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
@@ -3570,11 +3570,11 @@
### paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
Indien door de burgemeester wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant bekendgemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 2.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.7&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
Indien door de burgemeester wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant bekendgemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 2.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.7&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
### paragraaf 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33 en model 1.34). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De optiebevestiging wordt, indien de minderjarige medeoptant verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, na het afleggen van die verklaring in beginsel op een naturalisatieceremonie door middel van uitreiking aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is ) bekendgemaakt. Is de minderjarige niet wettelijk verplicht tot afleggen van de verklaring van verbondenheid dan wordt de bevestiging onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden, wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2014-10-01&g=2014-10-01)). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.7&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33 en model 1.34). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De optiebevestiging wordt, indien de minderjarige medeoptant verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, na het afleggen van die verklaring in beginsel op een naturalisatieceremonie door middel van uitreiking aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is ) bekendgemaakt. Is de minderjarige niet wettelijk verplicht tot afleggen van de verklaring van verbondenheid dan wordt de bevestiging onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden, wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2014-10-01&g=2014-11-22)). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.7&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
### paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
@@ -3582,7 +3582,7 @@
### paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure
De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, blijft verantwoordelijk voor de verdere afhandeling ervan. Ook indien de optant tijdens de procedure zijn hoofdverblijf verlegt naar een andere gemeente of buiten Nederland is uitsluitend hij bevoegd tot de bevestiging/weigering van de verkrijging van het Nederlanderschap. Heeft de optant ná de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant daarvan in kennis stellen. (Zie ook [paragraaf 2.12.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.2&z=2014-10-01&g=2014-10-01))
De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, blijft verantwoordelijk voor de verdere afhandeling ervan. Ook indien de optant tijdens de procedure zijn hoofdverblijf verlegt naar een andere gemeente of buiten Nederland is uitsluitend hij bevoegd tot de bevestiging/weigering van de verkrijging van het Nederlanderschap. Heeft de optant ná de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant daarvan in kennis stellen. (Zie ook [paragraaf 2.12.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.2&z=2014-10-01&g=2014-11-22))
### paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BVVN
@@ -3786,7 +3786,7 @@
### Paragraaf 3.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
De verzoeker moet in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) overleggen (zie voor uitzonderingen hieronder p[aragraaf 3.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.4&z=2014-10-01&g=2014-10-01)):
De verzoeker moet in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) overleggen (zie voor uitzonderingen hieronder p[aragraaf 3.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.4&z=2014-10-01&g=2014-11-22)):
### paragraaf 3.5.6. Bewijsnood gelegaliseerde buitenlandse documenten
@@ -3826,7 +3826,7 @@
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
Indien van toepassing maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) na ontvangst van het terugmeldformulier een uitwisselingsformulier op, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit ([model 1.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)). Dit is, ingevolge de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal.
Indien van toepassing maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) na ontvangst van het terugmeldformulier een uitwisselingsformulier op, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit ([model 1.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)). Dit is, ingevolge de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal.
### 8-1-a. Toelichting ad [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)
@@ -3850,7 +3850,7 @@
### 8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst van het desbetreffende uittreksel daarvan, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt het uittreksel buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60b, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen de vaststelling van het besluit en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt het naturalisatiebesluit opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra het naturalisatiebesluit aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken naturalisandus in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst van het desbetreffende uittreksel daarvan, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt het uittreksel buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60b, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen de vaststelling van het besluit en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt het naturalisatiebesluit opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra het naturalisatiebesluit aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken naturalisandus in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
### paragraaf 2.2. Verblijfsdocumenten
@@ -3898,7 +3898,7 @@
### Bijlage 2
Is de verzoeker nog minderjarig, maar is naturalisatie gewenst op grond van zeer bijzondere omstandigheden, dan is verlening van het Nederlanderschap uitsluitend mogelijk met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) (zie de [toelichting bij dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=10&z=2014-10-01&g=2014-10-01)). Zie echter voor medeverlening aan minderjarigen [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). Zie voorts artikel 11, vierde lid, RWN, waarin een categorie minderjarigen wordt genoemd die zelfstandig voor naturalisatie in aanmerking komt.
Is de verzoeker nog minderjarig, maar is naturalisatie gewenst op grond van zeer bijzondere omstandigheden, dan is verlening van het Nederlanderschap uitsluitend mogelijk met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) (zie de [toelichting bij dat artikel](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=10&z=2014-10-01&g=2014-11-22)). Zie echter voor medeverlening aan minderjarigen [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). Zie voorts artikel 11, vierde lid, RWN, waarin een categorie minderjarigen wordt genoemd die zelfstandig voor naturalisatie in aanmerking komt.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
@@ -3964,11 +3964,11 @@
Verder dient de optant een zogenaamde waarheidsverklaring te ondertekenen ([artikel 6, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in de optieverklaring (zie modellen 1.1 tot en met 1.13), verklaart de verzoeker dat hij de gevraagde gegevens, betreffende zichzelf en de in de optieverklaring genoemde personen naar waarheid heeft verstrekt en geen relevant gegeven heeft verzwegen.
Let op! Minderjarige optanten van artikel 6, eerste lid, aanhef onder k t/m o die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring jonger zijn dan 16 jaar hoeven [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) niet te ondertekenen. Voor deze optanten geldt geen openbare orde eis en geen eis van toelating en hoofdverblijf.
Let op! Minderjarige optanten van artikel 6, eerste lid, aanhef onder k t/m o die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring jonger zijn dan 16 jaar hoeven [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) niet te ondertekenen. Voor deze optanten geldt geen openbare orde eis en geen eis van toelating en hoofdverblijf.
### Paragraaf 2.2.5. (Overige) over te leggen documenten
Als de optant met nationaliteit ‘onbekend’ in de BRP is opgenomen, in overeenstemming met [artikel 2.15 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15) of de voorganger daarvan, [artikel 43 Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=43), moet hij in beginsel een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overleggen ([paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
Als de optant met nationaliteit ‘onbekend’ in de BRP is opgenomen, in overeenstemming met [artikel 2.15 Wet BRP](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15) of de voorganger daarvan, [artikel 43 Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=43), moet hij in beginsel een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) overleggen ([paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
### paragraaf 2.5. Bevestiging
@@ -4188,7 +4188,7 @@
De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie [paragraaf 2.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.1&z=2014-07-01&g=2014-07-01)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te toetsen ([artikel 9, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
Voor wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten over moet leggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij [paragraaf 2.2.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.4&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [paragraaf 2.2.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.5&z=2014-10-01&g=2014-10-01)):
Voor wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten over moet leggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij [paragraaf 2.2.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.4&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [paragraaf 2.2.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.5&z=2014-10-01&g=2014-11-22)):
### Paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester
@@ -4306,7 +4306,7 @@
### Bijlage 6
Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van de beperking van de verblijfsvergunning van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet (zie hierna [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van de beperking van de verblijfsvergunning van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet (zie hierna [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
De [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is overigens – anders dan de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) – geen rijkswet en regelt daarom alleen het verblijf van vreemdelingen in het Europese deel van Nederland. In Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelden aparte verblijfsregelingen.
@@ -4642,13 +4642,13 @@
### Paragraaf 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
Als er aanwijzingen bestaan dat een verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd, kunnen er – ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument – wél bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker wordt ontraden een verzoek in te dienen en hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
Als er aanwijzingen bestaan dat een verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd, kunnen er – ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument – wél bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker wordt ontraden een verzoek in te dienen en hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
In het advies aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt melding gemaakt van de omstandigheden die hebben geleid tot het vermoeden dat de verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht dan nader worden onderzocht.
De taken met betrekking tot de uitvoering van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) gaan op 1 januari 2013 over van de gemeente naar de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. De Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO) voert deze taken in mandaat namens de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel uit. Het gaat hier om handhaving van de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtige vreemdelingen die op of na 1 januari 2013 rechtmatig verblijf krijgen in Nederland. De gemeente blijft de handhaving verzorgen van vreemdelingen die voor 1 januari 2013 al rechtmatig verblijf hadden in Nederland.
Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning met een andere beperking die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. Ook hier geldt – om bovengenoemde redenen – dat verzoeker wordt ontraden om een verzoek in te dienen en dat hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) bij de toelichting op dit artikellid. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument (dus geen fictietoets) met behulp van [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-10-01&g=2014-10-01) beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd.
Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning met een andere beperking die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. Ook hier geldt – om bovengenoemde redenen – dat verzoeker wordt ontraden om een verzoek in te dienen en dat hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) bij de toelichting op dit artikellid. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument (dus geen fictietoets) met behulp van [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-10-01&g=2014-11-22) beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd.
Het kan voorkomen dat een verzoeker die in het bezit is van een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter, toch in aanmerking komt voor naturalisatie. Dit is het geval wanneer de verzoeker verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EU – Turkije. Een Turkse werknemer die een jaar legale arbeid heeft verricht, heeft namelijk op grond van Associatiebesluit 1/80 recht op verlenging van zijn verblijfsvergunning voor de duur van een jaar, als dezelfde werkgever nog een jaar werkgelegenheid voor de werknemer heeft en in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning. Na drie jaar is hij vrij op de arbeidsmarkt. Ook kinderen van Turkse werknemers, die in het gastland een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen verblijfsrecht ontlenen aan het Associatiebesluit.
@@ -4720,13 +4720,13 @@
### Paragraaf 1. Geprivilegieerden
In het kader van de [Wet modern migratiebeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027930), dat per 1 juni 2013 in werking is getreden, is het stelsel van verblijfsvergunningen vereenvoudigd en gestroomlijnd. De beperkingen waaronder een verblijfsvergunning kan worden verleend is in aantal verminderd. Zie hiervoor [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-10-01&g=2014-10-01) bij dit artikellid. In deze bijlage wordt tevens aangegeven of er op grond van de beperking al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet.
In het kader van de [Wet modern migratiebeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027930), dat per 1 juni 2013 in werking is getreden, is het stelsel van verblijfsvergunningen vereenvoudigd en gestroomlijnd. De beperkingen waaronder een verblijfsvergunning kan worden verleend is in aantal verminderd. Zie hiervoor [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-10-01&g=2014-11-22) bij dit artikellid. In deze bijlage wordt tevens aangegeven of er op grond van de beperking al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet.
### paragraaf 2. Procedure
In [artikel 3.4 Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) staan de beperkingen waaronder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend. De beperking wordt vermeld op het verblijfsdocument. In [artikel 3.5, tweede lid, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) is bepaald of een verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een tijdelijk karakter heeft of niet. Is de verblijfsvergunning verleend onder een andere beperking, dan is het verblijf van de vreemdeling in beginsel niet-tijdelijk van aard. Het kan echter voorkomen dat bij de verlening van een verblijfsvergunning of in een beleidsregel is aangegeven dat het verblijfsrecht toch tijdelijk van aard is.
Aan de hand van het verblijfsdocument van de verzoeker en met behulp van de [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-10-01&g=2014-10-01) kan worden beoordeeld of er al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker moet bij de indiening van het verzoek de gegevens en bescheiden verschaffen die voor de beslissing nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken ([artikel 4:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2)). Hij verstrekt bij de indiening de tegenwoordige en, voor zoveel nodig, de gegevens met betrekking tot de eerdere verblijfsrechtelijke status ([artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)).
Aan de hand van het verblijfsdocument van de verzoeker en met behulp van de [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-10-01&g=2014-11-22) kan worden beoordeeld of er al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker moet bij de indiening van het verzoek de gegevens en bescheiden verschaffen die voor de beslissing nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken ([artikel 4:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2)). Hij verstrekt bij de indiening de tegenwoordige en, voor zoveel nodig, de gegevens met betrekking tot de eerdere verblijfsrechtelijke status ([artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)).
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30) (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
@@ -4738,7 +4738,7 @@
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
Alleen als betrokkene er op staat om tóch, ondanks het ontbreken van het juiste verblijfsdocument of een beschikking van de IND zoals hierboven omschreven, zijn naturalisatieverzoek in te dienen, dan mag de gemeente die indiening niet weigeren en moet de procedure gevolgd worden zoals omschreven in [paragraaf 3.1 van de toelichting op artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
Alleen als betrokkene er op staat om tóch, ondanks het ontbreken van het juiste verblijfsdocument of een beschikking van de IND zoals hierboven omschreven, zijn naturalisatieverzoek in te dienen, dan mag de gemeente die indiening niet weigeren en moet de procedure gevolgd worden zoals omschreven in [paragraaf 3.1 van de toelichting op artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
Als de verzoeker verzoekt om ontheffing van het inburgeringsvereiste wordt hij verwezen naar een door het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aangewezen onafhankelijke arts of het Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) van Amsterdam (zie hieronder [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2014-07-01&g=2014-07-01)).
@@ -4746,7 +4746,7 @@
Behalve het onderdeel schrijfvaardigheid worden alle andere onderdelen met de computer afgenomen.
Het betreft vreemdelingen die door diplomatieke zendingen of consulaire posten op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn geworven om voor de missie werkzaamheden te verrichten. Voordat zij die werkzaamheden zijn gaan verrichten verbleven zij reeds rechtmatig op grond van de Vreemdelingenwet (1965 dan wel [2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)) in Nederland. Zij dienen zich als ingezetene in te laten schrijven in de BRP en zich te melden bij de korpschef van het regionale politiekorps. De Vw 2000 is op hen (en hun gezinsleden) van toepassing (net zoals de Vw 1965 op hen van toepassing was) en zij dienen in het bezit te zijn van een verblijfsdocument. Aan de hand van dat verblijfsdocument kan worden bepaald of er bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland bestaan. Als een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Als hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01). Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht.
Het betreft vreemdelingen die door diplomatieke zendingen of consulaire posten op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn geworven om voor de missie werkzaamheden te verrichten. Voordat zij die werkzaamheden zijn gaan verrichten verbleven zij reeds rechtmatig op grond van de Vreemdelingenwet (1965 dan wel [2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)) in Nederland. Zij dienen zich als ingezetene in te laten schrijven in de BRP en zich te melden bij de korpschef van het regionale politiekorps. De Vw 2000 is op hen (en hun gezinsleden) van toepassing (net zoals de Vw 1965 op hen van toepassing was) en zij dienen in het bezit te zijn van een verblijfsdocument. Aan de hand van dat verblijfsdocument kan worden bepaald of er bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland bestaan. Als een verzoeker die behoort tot deze categorie vreemdelingen niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hem ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen en wordt hij verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Als hij er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de burgemeester het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in [model 2.21 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22). Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zal het verblijfsrecht van verzoeker nader worden onderzocht.
### Paragraaf 3.6. Molukkers
@@ -4796,7 +4796,7 @@
### Bijlage 6
Er zijn ook situaties denkbaar waarin de verzoeker niet beschikt over het juiste verblijfsdocument, waarin het verblijfsdocument behoort te worden ingetrokken, waarin het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen of waarin verzoeker niet behoeft te beschikken over een verblijfsdocument. In die gevallen kan niet met behulp van de [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-10-01&g=2014-10-01) worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland van de verzoeker. Voor die gevallen geldt het navolgende.
Er zijn ook situaties denkbaar waarin de verzoeker niet beschikt over het juiste verblijfsdocument, waarin het verblijfsdocument behoort te worden ingetrokken, waarin het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen of waarin verzoeker niet behoeft te beschikken over een verblijfsdocument. In die gevallen kan niet met behulp van de [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-10-01&g=2014-11-22) worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland van de verzoeker. Voor die gevallen geldt het navolgende.
### Paragraaf 1. Algemeen
@@ -4858,7 +4858,7 @@
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
Let op! Een verzoeker die verblijfsrecht kan ontlenen aan Associatiebesluit 1/80 van de Assiociatieraad EU-Turkije kan ook met een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter in aanmerking komen voor naturalisatie. Zie voor meer uitleg [paragraaf 3.3 van de toelichting op artikel 8, eerste lid, onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
Let op! Een verzoeker die verblijfsrecht kan ontlenen aan Associatiebesluit 1/80 van de Assiociatieraad EU-Turkije kan ook met een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter in aanmerking komen voor naturalisatie. Zie voor meer uitleg [paragraaf 3.3 van de toelichting op artikel 8, eerste lid, onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
### Bijlage 5
@@ -5054,7 +5054,7 @@
### 2-5. Toelichting ad artikel 2, vijfde lid
Minderjarigen van 16 jaar en ouder moeten vanaf 1 januari 2012 bij een verzoek tot medeverlening van het Nederlanderschap dat is ingediend door een wettelijke vertegenwoordiger, tegelijkertijd met de indiening het verzoek om naturalisatie van de hoofdpersoon, een [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ ondertekenen. Het zelf ondertekenen van de modelverklaring 2.3 is geen uitzondering op een rechtshandeling als bedoeld in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
Minderjarigen van 16 jaar en ouder moeten vanaf 1 januari 2012 bij een verzoek tot medeverlening van het Nederlanderschap dat is ingediend door een wettelijke vertegenwoordiger, tegelijkertijd met de indiening het verzoek om naturalisatie van de hoofdpersoon, een [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ ondertekenen. Het zelf ondertekenen van de modelverklaring 2.3 is geen uitzondering op een rechtshandeling als bedoeld in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
### 4-1. Ad artikel 4, eerste lid
@@ -5216,7 +5216,7 @@
De medisch adviseur stelt een advies op conform het ‘Protocol Medische Advisering Inburgeringsexamen’ dat een bijlage is bij [artikel 2.4, derde lid van de Regeling inburgering](onbekend). Het advies wordt door de medisch adviseur rechtsreeks naar de verzoeker gestuurd. Het medisch advies is als [model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-07-01&g=2014-07-01) opgenomen in de Handleiding. In het advies moeten de volgende gegevens ingevuld te zijn:
De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het in het eerste lid, van [artikel 5, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) bedoelde inburgeringsdiploma (bedoeld in [artikel 14, tweede lid van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=14) zoals dat luidde tot 1 januari 2013) of diploma (bedoeld in [artikel 7, vierde lid, aanhef en onder g van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7)) over waaruit blijkt dat alle onderdelen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen zijn behaald, tenzij hij voor (gedeeltelijke) vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt ([artikel 34, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34)). Als de verzoeker niet voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt (of daarover moet in het geval van ontheffing nog nader onderzoek plaatsvinden), noch het inburgeringsdiploma op het juiste niveau kan overleggen, wordt hem door de burgemeester ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wordt verzoeker door de burgemeester erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND kan worden afgewezen, en dat hij de betaalde naturalisatiegelden niet terug krijgt. Geadviseerd wordt dat de burgemeester de verzoeker een verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’ laat ondertekenen. Deze verklaring is opgenomen in de handleiding als [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het in het eerste lid, van [artikel 5, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) bedoelde inburgeringsdiploma (bedoeld in [artikel 14, tweede lid van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=14) zoals dat luidde tot 1 januari 2013) of diploma (bedoeld in [artikel 7, vierde lid, aanhef en onder g van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7)) over waaruit blijkt dat alle onderdelen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen zijn behaald, tenzij hij voor (gedeeltelijke) vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt ([artikel 34, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34)). Als de verzoeker niet voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt (of daarover moet in het geval van ontheffing nog nader onderzoek plaatsvinden), noch het inburgeringsdiploma op het juiste niveau kan overleggen, wordt hem door de burgemeester ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wordt verzoeker door de burgemeester erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND kan worden afgewezen, en dat hij de betaalde naturalisatiegelden niet terug krijgt. Geadviseerd wordt dat de burgemeester de verzoeker een verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’ laat ondertekenen. Deze verklaring is opgenomen in de handleiding als [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
### Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
@@ -5288,9 +5288,9 @@
De burgemeester ontraadt betrokkene echter een verzoek in te dienen als hij twijfelt aan de echtheid van het overgelegde document of de juistheid van de personalia. Dat deelt hij mee aan verzoeker en stelt hem ervan in kennis dat hij het document en de gegevens nader zal onderzoeken.
Als de burgemeester onmiddellijk vaststelt dat het overgelegde document niet origineel is of de personalia niet overeenkomen met die van verzoeker, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. In dit geval wordt conform [paragraaf 2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.1.2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) gehandeld.
Als de burgemeester tot de conclusie komt dat de gegevens op het document niet juist zijn, ontraadt hij verzoeker om een verzoek in te dienen. In dat geval wordt gehandeld zoals beschreven in [paragraaf 2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.1.2&z=2014-10-01&g=2014-10-01). Als de verzoeker toch een verzoek wenst in te dienen, neemt de burgemeester dat in behandeling en neemt zijn bevindingen op dit punt op in zijn advies. Kopieën van het betreffende document worden aan de IND gezonden.
Als de burgemeester onmiddellijk vaststelt dat het overgelegde document niet origineel is of de personalia niet overeenkomen met die van verzoeker, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. In dit geval wordt conform [paragraaf 2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.1.2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) gehandeld.
Als de burgemeester tot de conclusie komt dat de gegevens op het document niet juist zijn, ontraadt hij verzoeker om een verzoek in te dienen. In dat geval wordt gehandeld zoals beschreven in [paragraaf 2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.1.2&z=2014-10-01&g=2014-11-22). Als de verzoeker toch een verzoek wenst in te dienen, neemt de burgemeester dat in behandeling en neemt zijn bevindingen op dit punt op in zijn advies. Kopieën van het betreffende document worden aan de IND gezonden.
### Paragraaf 3.1. Polygamie
@@ -5336,7 +5336,7 @@
### 4. Afleggen verklaring van verbondenheid
Medische adviezen opgemaakt anders dan conform [model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01), of onvolledige adviezen, worden niet geaccepteerd. Voorts mag het medisch advies bij het indienen van het naturalisatieverzoek niet ouder dan zes maanden zijn. Voor meer informatie, zie www.indklantdienstwijzer.nl.
Medische adviezen opgemaakt anders dan conform [model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22), of onvolledige adviezen, worden niet geaccepteerd. Voorts mag het medisch advies bij het indienen van het naturalisatieverzoek niet ouder dan zes maanden zijn. Voor meer informatie, zie www.indklantdienstwijzer.nl.
Niet inburgeringsplichtige naturalisatieverzoekers kunnen in de periode 1 juli 2012 tot 1 januari 2013 nog in het bezit worden gesteld van een ‘medisch advies inburgeringsexamen van de door zijn woongemeente aangewezen arts’. Deze adviezen kunnen worden geaccepteerd bij de indiening van het verzoek om naturalisatie, mits dit advies niet ouder is dan zes maanden bij de indiening van het verzoek. Het kan dus uiterlijk tot 1 juli 2013 worden geaccepteerd.
@@ -5404,7 +5404,7 @@
### paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij DUO
Voor het aanvragen van een advies van DUO inzake ontheffing aantoonbare inspanning (zie [paragraaf 2.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.4&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) wordt gebruik gemaakt van het formulier dat te verkrijgen is via www.inburgeren.nl en www.indklantdienstwijzer.nl. Op het formulier kruist betrokkene aan of hij een beroep doet op ontheffing a of b. Is door de betrokkene onvoldoende bewijs geleverd naar het oordeel van DUO, dan krijgt betrokkene een negatief advies op het ontheffingsverzoek. De aangeleverde documenten worden tegelijkertijd met het advies aan betrokkene teruggestuurd.
Voor het aanvragen van een advies van DUO inzake ontheffing aantoonbare inspanning (zie [paragraaf 2.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.4&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) wordt gebruik gemaakt van het formulier dat te verkrijgen is via www.inburgeren.nl en www.indklantdienstwijzer.nl. Op het formulier kruist betrokkene aan of hij een beroep doet op ontheffing a of b. Is door de betrokkene onvoldoende bewijs geleverd naar het oordeel van DUO, dan krijgt betrokkene een negatief advies op het ontheffingsverzoek. De aangeleverde documenten worden tegelijkertijd met het advies aan betrokkene teruggestuurd.
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
@@ -5426,7 +5426,7 @@
[Artikel 10:58 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=58) geeft onder meer aan dat een in het buitenland uitgesproken verstoting in Nederland slechts dan als een rechtsgeldige ontbinding van het huwelijk wordt aangemerkt, eerst dan naar Nederlands recht kan worden erkend, als de verstoting onherroepelijk is en de vrouw hiermee (uitdrukkelijk of stilzwijgend) heeft ingestemd of zich erbij heeft neergelegd, door middel van bijvoorbeeld een bewijs van verstotingshandeling (waaruit de instemming van de vrouw kan worden afgeleid), een bewijs van instemming of berusting, een bewijs dat de ex-echtgenote is hertrouwd of een huwelijksakte van de man betreffende een huwelijk gesloten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand in Nederland. Als bewijs dat een polygaam huwelijk niet meer in stand is, dient uiteraard ook de overlijdensakte van de verstoten vrouw. Verstotingen van vóór de inwerkingtreding van de [artikelen 10:27 tot en met 10:53 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=27) worden analoog behandeld.
Als de verzoeker de nationaliteit bezit van een land waar polygamie mogelijk is, zal de burgemeester aan de hand van de gegevens in de BRP nagaan of er sprake is (geweest) van eerdere huwelijken. Als uit de BRP blijkt dat sprake is (geweest) van eerdere huwelijken zal moeten worden onderzocht of de ontbinding van het huwelijk naar Nederlands recht kan worden erkend. Het ligt op de weg van de verzoeker om aan de hand van documenten aan te tonen dat een eerdere echtgenoot heeft ingestemd met de verstoting. Zo is de omstandigheid dat de verstoting lang geleden heeft plaatsgevonden geen reden om aan te nemen dat de vrouw stilzwijgend heeft ingestemd met de verstoting.42[97] De burgemeester zal bij de indiening van het verzoek aan een verzoeker als hier bedoeld vragen of er nog sprake is van eerdere huwelijken die niet in de BRP zijn opgenomen (zie [model 2.1 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01)). Als dat het geval is, moet aan de hand van de door de verzoeker overgelegde documenten worden onderzocht of dat huwelijk is ontbonden op een naar Nederlands recht erkende wijze.
Als de verzoeker de nationaliteit bezit van een land waar polygamie mogelijk is, zal de burgemeester aan de hand van de gegevens in de BRP nagaan of er sprake is (geweest) van eerdere huwelijken. Als uit de BRP blijkt dat sprake is (geweest) van eerdere huwelijken zal moeten worden onderzocht of de ontbinding van het huwelijk naar Nederlands recht kan worden erkend. Het ligt op de weg van de verzoeker om aan de hand van documenten aan te tonen dat een eerdere echtgenoot heeft ingestemd met de verstoting. Zo is de omstandigheid dat de verstoting lang geleden heeft plaatsgevonden geen reden om aan te nemen dat de vrouw stilzwijgend heeft ingestemd met de verstoting.42[97] De burgemeester zal bij de indiening van het verzoek aan een verzoeker als hier bedoeld vragen of er nog sprake is van eerdere huwelijken die niet in de BRP zijn opgenomen (zie [model 2.1 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22)). Als dat het geval is, moet aan de hand van de door de verzoeker overgelegde documenten worden onderzocht of dat huwelijk is ontbonden op een naar Nederlands recht erkende wijze.
De periode dat de vreemdeling op basis van een geprivilegieerde status in Nederland heeft verbleven, en derhalve ingeschreven heeft gestaan in het daarvoor bestemde register bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, geldt in het kader van een naturalisatieverzoek als toelating in de zin van de RWN, mits deze periode onmiddellijk voorafging aan de toelating in het kader van de Vreemdelingenwet. Deze (onafgebroken) periode mag derhalve worden meegeteld voor de vereiste termijn van drie jaren toelating in het kader van naturalisatie.
@@ -5482,7 +5482,7 @@
### Paragraaf 3. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken
Let op! Voor deze bepaling geldt overgangsrecht. Zie de [toelichting bij artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2014-10-01&g=2014-10-01), onder ‘Overgangsrecht’.
Let op! Voor deze bepaling geldt overgangsrecht. Zie de [toelichting bij artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2014-10-01&g=2014-11-22), onder ‘Overgangsrecht’.
### paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
@@ -5554,13 +5554,13 @@
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.4&paragraaf=3.13.4.2&z=2014-01-06&g=2014-04-01) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
De medisch adviseur stelt een advies op conform het ‘Protocol Medische Advisering Inburgeringsexamen’ dat een bijlage is bij [artikel 2.4, derde lid van de Regeling inburgering](onbekend). Het advies wordt door de medisch adviseur rechtsreeks naar de verzoeker gestuurd. Het medisch advies is als [model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) opgenomen in de Handleiding. In het advies moeten de volgende gegevens ingevuld te zijn:
De medisch adviseur stelt een advies op conform het ‘Protocol Medische Advisering Inburgeringsexamen’ dat een bijlage is bij [artikel 2.4, derde lid van de Regeling inburgering](onbekend). Het advies wordt door de medisch adviseur rechtsreeks naar de verzoeker gestuurd. Het medisch advies is als [model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) opgenomen in de Handleiding. In het advies moeten de volgende gegevens ingevuld te zijn:
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2014-01-06&g=2014-04-01) Afleggen verklaring van verbondenheid)
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
De gemeente kan zonder nadere inhoudelijke controle afgaan op het medisch advies, en op het adviesblad naturalisatie bij ‘inburgering’ aantekenen dat ontheffing van het examen wordt geadviseerd. Mocht het advies niet conform het advies ([model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) of onvolledig zijn, dan adviseert de burgemeester betrokkene een nieuw advies te krijgen. Wenst betrokkene toch een verzoek om naturalisatie in te dienen, onder overlegging van een medisch advies dat onvolledig of onduidelijk is, dan wordt op het adviesblad naturalisatie bij inburgering ‘niet akkoord’ aangetekend.
De gemeente kan zonder nadere inhoudelijke controle afgaan op het medisch advies, en op het adviesblad naturalisatie bij ‘inburgering’ aantekenen dat ontheffing van het examen wordt geadviseerd. Mocht het advies niet conform het advies ([model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) of onvolledig zijn, dan adviseert de burgemeester betrokkene een nieuw advies te krijgen. Wenst betrokkene toch een verzoek om naturalisatie in te dienen, onder overlegging van een medisch advies dat onvolledig of onduidelijk is, dan wordt op het adviesblad naturalisatie bij inburgering ‘niet akkoord’ aangetekend.
Telefonisch overleg met de IND over overgelegde adviezen is voor gemeenten altijd mogelijk via de vaste aanspreekpunten bij de naturalisatie-units van de IND.
@@ -5572,13 +5572,13 @@
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2014-07-01&g=2014-07-01) Afleggen verklaring van verbondenheid)
Dit is een advies van DUO waaruit blijkt dat de verzoeker ondanks aantoonbaar geleverde inspanningen niet van hem kan worden verwacht dat hij het inburgeringsexamen met succes aflegt. Het aanvraagformulier voor een advies van DUO is te vinden via www.inburgeren.nl en www.indklantdienstwijzer.nl. Meer informatie, zie [paragraaf 2.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.4&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
Dit is een advies van DUO waaruit blijkt dat de verzoeker ondanks aantoonbaar geleverde inspanningen niet van hem kan worden verwacht dat hij het inburgeringsexamen met succes aflegt. Het aanvraagformulier voor een advies van DUO is te vinden via www.inburgeren.nl en www.indklantdienstwijzer.nl. Meer informatie, zie [paragraaf 2.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.4&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
Aan de beoordeling van deze ontheffingsgrond bij DUO (het advies) zijn geen kosten verbonden.
### paragraaf 1. Algemeen
De vraag of een verzoeker monogaam is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, alsmede huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van deze landen [Bijlage 1 bij dit artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=8&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
De vraag of een verzoeker monogaam is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, alsmede huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van deze landen [Bijlage 1 bij dit artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=8&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
@@ -5616,7 +5616,7 @@
### Paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
Als de verzoeker verzoekt om ontheffing van het inburgeringsvereiste wordt hij verwezen naar een door het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aangewezen onafhankelijke arts of het Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) van Amsterdam (zie hieronder [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
Als de verzoeker verzoekt om ontheffing van het inburgeringsvereiste wordt hij verwezen naar een door het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aangewezen onafhankelijke arts of het Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) van Amsterdam (zie hieronder [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
Als de verzoeker het inburgeringsdiploma met daarop het juiste niveau overlegt, neemt de burgemeester dit op in zijn advies en voegt een kopie van het origineel van het diploma in het dossier aan de IND. Een ander kopie van het origineel houdt hij voor zichzelf. Het diploma wordt weer aan verzoeker overhandigd.
@@ -5744,7 +5744,7 @@
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie [toelichting op artikel 7 RWN, paragraaf 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.5&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie [toelichting op artikel 7 RWN, paragraaf 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.5&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
Inburgering veronderstelt in algemene zin een zekere aanvaarding van de Nederlandse samenleving.
@@ -5780,7 +5780,7 @@
Vanaf 1 maart 2009 moet zowel de meerderjarige naturalisandus als de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie, op grond van [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) wordt ingediend zestien jaar of ouder is, zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen bij de bekendmaking van het naturalisatiebesluit.
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 2.30). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling af voordat het uittreksel van het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01)**Afleggen verklaring van verbondenheid**).
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 2.30). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling af voordat het uittreksel van het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22)**Afleggen verklaring van verbondenheid**).
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
@@ -5818,7 +5818,7 @@
Wet BRP: [artikel 2.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0033715&artikel=2.15)
(zie tevens de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01) Afleggen verklaring van verbondenheid)
(zie tevens de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22) Afleggen verklaring van verbondenheid)
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd.
@@ -6102,7 +6102,7 @@
Evenmin kunnen als bijzonder worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voorzover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken. Deze voorbeelden zijn niet-limitatief.
Als al sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, is het aan de vreemdeling om die zelf aan te voeren. Dat ligt niet op de weg van de burgemeester en de IND, omdat die in den regel ook geen kennis kunnen hebben van bijzondere omstandigheden. Wel ligt het op de weg van de burgemeester en de IND om naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden te vragen en de betekenis daarvan zonodig te onderzoeken. De vreemdeling kan op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) (bij naturalisatie) of [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) (bij optie) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ die hij bij de indiening van zijn verzoek of het afleggen van de optieverklaring bij de burgemeester invult, aangeven of er sprake is van bijzondere omstandigheden.
Als al sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, is het aan de vreemdeling om die zelf aan te voeren. Dat ligt niet op de weg van de burgemeester en de IND, omdat die in den regel ook geen kennis kunnen hebben van bijzondere omstandigheden. Wel ligt het op de weg van de burgemeester en de IND om naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden te vragen en de betekenis daarvan zonodig te onderzoeken. De vreemdeling kan op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) (bij naturalisatie) of [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) (bij optie) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ die hij bij de indiening van zijn verzoek of het afleggen van de optieverklaring bij de burgemeester invult, aangeven of er sprake is van bijzondere omstandigheden.
De beoordeling van bijzondere omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND, en bij optie bij de burgemeester. Die bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens leiden tot de conclusie dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde. Als wel sprake is van ernstige vermoedens dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, moet naturalisatie of optie worden geweigerd. Daarvan kan bij naturalisatie niet met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden afgeweken.
@@ -6136,13 +6136,13 @@
### Artikel 9
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij [artikel 60b, vijfde lid en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het voor de verzoeker niet mogelijk is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de verzoeker wel bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar vanwege zijn fysieke of psychische toestand model 2.30 niet zelf kan invullen of dat bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie duidelijk is dat de verzoeker niet in staat zal zijn de verklaring van verbondenheid mondeling af te leggen. Zie de toelichting in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)**Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)** in artikel 7 RWN hoe met deze uitzonderingssituaties moet worden omgegaan.
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij [artikel 60b, vijfde lid en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het voor de verzoeker niet mogelijk is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de verzoeker wel bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar vanwege zijn fysieke of psychische toestand model 2.30 niet zelf kan invullen of dat bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie duidelijk is dat de verzoeker niet in staat zal zijn de verklaring van verbondenheid mondeling af te leggen. Zie de toelichting in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)**Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)** in artikel 7 RWN hoe met deze uitzonderingssituaties moet worden omgegaan.
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.4&paragraaf=3.13.4.2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01) Afleggen verklaring van verbondenheid)
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.4&paragraaf=3.13.4.2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22) Afleggen verklaring van verbondenheid)
Wordt de toezegging een verklaring van verbondenheid af te leggen niet nagekomen en er is geen ontheffing van het mondeling of schriftelijk afleggen verleend, dan wordt het uittreksel van het naturalisatiebesluit niet uitgereikt en het Nederlanderschap niet verkregen. Immers, pas door de bekendmaking kan iemand Nederlander worden door naturalisatie.
@@ -6286,9 +6286,9 @@
### 11. (Mede)naturalisatie minderjarigen (artikel 11 lid 6 RWN)
Iedere meerderjarige vreemdeling en iedere minderjarige kind van 16 jaar en ouder moet bij het naturalisatieverzoek of optieverklaring een verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) bij naturalisatie, [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) bij optie) ondertekenen. In dit model verklaart hij dat hij niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie, én, als hij getrouwd is, dat hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Model 2.3 en model 1.14 bestaat uit meerdere verklaringen. Als de vreemdeling (of degene voor wie medenaturalisatie of medeoptie is verzocht) aangeeft dat hij niet een of meer van de verklaringen op model 2.3 of model 1.14 naar waarheid kan verklaren, dan moet hij op het model (zoveel mogelijk onderbouwd met stukken) aangeven waarom hij die verklaring niet kan afleggen. Daarbij kan hij aangeven of er naar zijn mening bijzondere omstandigheden zijn die toch tot naturalisatie of optie moeten leiden.
Als een vreemdeling (bij naturalisatie op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01), bij optie op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) aangeeft dat er sprake is van buitenlandse delicten, moet hij daarover zoveel mogelijk gegevens verstrekken. Als hij beschikt over documenten, zoals het buitenlandse vonnis, dan moet een kopie hiervan bij het naturalisatieverzoek of optie zitten. De vreemdeling moet zo gedetailleerd mogelijk aangeven welk(e) feit(en) het betrof, welke rechtbank en welke kamer op welke datum daarover hebben beslist, welke rechtsmiddelen eventueel zijn aangewend en met welk resultaat, waar en wanneer de beslissing van de rechtbank ten uitvoer is gelegd en eventuele andere bijzonderheden. Als de vreemdeling beschikt over stukken in een vreemde taal, dan moet hijzelf ervoor zorgen dat deze stukken worden vertaald door een beëdigd vertaler.
Iedere meerderjarige vreemdeling en iedere minderjarige kind van 16 jaar en ouder moet bij het naturalisatieverzoek of optieverklaring een verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) bij naturalisatie, [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) bij optie) ondertekenen. In dit model verklaart hij dat hij niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie, én, als hij getrouwd is, dat hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Model 2.3 en model 1.14 bestaat uit meerdere verklaringen. Als de vreemdeling (of degene voor wie medenaturalisatie of medeoptie is verzocht) aangeeft dat hij niet een of meer van de verklaringen op model 2.3 of model 1.14 naar waarheid kan verklaren, dan moet hij op het model (zoveel mogelijk onderbouwd met stukken) aangeven waarom hij die verklaring niet kan afleggen. Daarbij kan hij aangeven of er naar zijn mening bijzondere omstandigheden zijn die toch tot naturalisatie of optie moeten leiden.
Als een vreemdeling (bij naturalisatie op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22), bij optie op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) aangeeft dat er sprake is van buitenlandse delicten, moet hij daarover zoveel mogelijk gegevens verstrekken. Als hij beschikt over documenten, zoals het buitenlandse vonnis, dan moet een kopie hiervan bij het naturalisatieverzoek of optie zitten. De vreemdeling moet zo gedetailleerd mogelijk aangeven welk(e) feit(en) het betrof, welke rechtbank en welke kamer op welke datum daarover hebben beslist, welke rechtsmiddelen eventueel zijn aangewend en met welk resultaat, waar en wanneer de beslissing van de rechtbank ten uitvoer is gelegd en eventuele andere bijzonderheden. Als de vreemdeling beschikt over stukken in een vreemde taal, dan moet hijzelf ervoor zorgen dat deze stukken worden vertaald door een beëdigd vertaler.
De meerderjarige vreemdeling of het kind van 16 of 17 jaar geeft aan of binnen vier jaar voor de indiening van het verzoek of het afleggen van de optieverklaring een sanctie ten uitvoer is gelegd. Daarbij is van belang dat de vreemdeling zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus op welke datum de vreemdeling of het kind in vrijheid is gesteld, de taakstraf heeft voltooid of het bedrag heeft betaald.
@@ -6296,7 +6296,7 @@
De IND (bij naturalisatie) en de burgemeester (bij optie) vraagt gegevens op bij de Justitiële documentatiedienst (JDD). Let op: bij naturalisatie behoeft de burgemeester de JDD niet te raadplegen.
Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van feiten en omstandigheden die niet overeenkomen met wat de vreemdeling (bij optie: op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01), bij naturalisatie: op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) zelf heeft verklaard, dan wordt de vreemdeling door de burgemeester (bij optie) en door de IND (bij naturalisatie) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.
Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van feiten en omstandigheden die niet overeenkomen met wat de vreemdeling (bij optie: op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22), bij naturalisatie: op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) zelf heeft verklaard, dan wordt de vreemdeling door de burgemeester (bij optie) en door de IND (bij naturalisatie) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.
### 1. Verzoek om naturalisatie
@@ -6382,7 +6382,7 @@
Voor de vaststelling van het vermogen wordt uitgegaan van de toestand van het vermogen op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar van het indienen van het verzoek om naturalisatie.
Van een verzoeker die over een aanzienlijk vermogen beschikt kan niet snel worden aangenomen dat hij, gelet op zijn financiële draagkracht, een bedrag aan leges voor het doen van afstand moeilijk kan opbrengen. Hierbij geldt een vermogensgrens, waarboven niet meer kan worden gesproken van een door verzoeker te lijden substantieel financieel nadeel (uiteraard met inachtneming van het bepaalde in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
Van een verzoeker die over een aanzienlijk vermogen beschikt kan niet snel worden aangenomen dat hij, gelet op zijn financiële draagkracht, een bedrag aan leges voor het doen van afstand moeilijk kan opbrengen. Hierbij geldt een vermogensgrens, waarboven niet meer kan worden gesproken van een door verzoeker te lijden substantieel financieel nadeel (uiteraard met inachtneming van het bepaalde in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. A overlegt verklaringen van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij voor het doen van afstand een bedrag van 750 moet betalen. Uit de viv en de overgelegde loonstroken blijkt dat A een baan heeft als bollenpeller waarmee hij 1200 netto per maand verdient. Hij heeft geen vermogen.
@@ -6498,7 +6498,7 @@
In het geval dat de bepalingen van het Tweede Protocol (dat geen rechtstreekse werking heeft) in het nationale recht van een verdragspartij bij het Tweede Protocol zijn opgenomen, treedt voor personen van dit land die behoren tot een van deze doelgroepen dus geen verlies van de oorspronkelijke nationaliteit op bij het verkrijgen van een andere nationaliteit. Logischerwijs geldt dan andersom dat een staat die is aangesloten bij het Tweede Protocol en waarvan de nationaliteit wordt verkregen van deze personen niet verlangt dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit.
Voor de vaststelling van het vermogen en de geldende vermogensgrenzen is het hierboven gestelde onder paragrafen [3.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.2&z=2014-10-01&g=2014-10-01),[3.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.4&z=2014-10-01&g=2014-10-01) van overeenkomstige toepassing.
Voor de vaststelling van het vermogen en de geldende vermogensgrenzen is het hierboven gestelde onder paragrafen [3.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.2&z=2014-10-01&g=2014-11-22),[3.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.4&z=2014-10-01&g=2014-11-22) van overeenkomstige toepassing.
Met ingang van 5 maart 2009 is voor Frankrijk de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd. Met ingang van 4 juni 2010 is ook voor Italië de verbondenheid aan het Tweede Protocol geëindigd.
@@ -6554,7 +6554,7 @@
Ten slotte wordt de betrokkene in de voorlichtingsfase meegedeeld dat als hij na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap weigert afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit, het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend, kan worden ingetrokken.
Als de betrokkene wél bereid is afstand te doen, moet hij bij het afleggen van de optieverklaring of het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarop hij dat duidelijk aangeeft. Zie de [modellen 1.14-1a HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01), [2.4 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en 2.5 HRWN.
Als de betrokkene wél bereid is afstand te doen, moet hij bij het afleggen van de optieverklaring of het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarop hij dat duidelijk aangeeft. Zie de [modellen 1.14-1a HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22), [2.4 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en 2.5 HRWN.
Het origineel van de bereidheidsverklaring wordt door de burgemeester met het optiedossier of het advies betreffende naturalisatie verzonden naar de IND. Als de burgemeester dat noodzakelijk acht, kan hij een kopie van die verklaring behouden. Bij naturalisatie moet op het adviesblad worden aangegeven of de betrokkene onder een uitzonderingscategorie valt – en zo ja, onder welke – en of hij bereid is al dan niet afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit.
@@ -6690,7 +6690,7 @@
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van omstandigheden die niet overeenkomen met wat de vreemdeling (bij optie: op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01), bij naturalisatie: op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) zelf heeft verklaard, dan wordt de vreemdeling door de burgemeester (bij optie) en door de IND (bij naturalisatie) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.
Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van omstandigheden die niet overeenkomen met wat de vreemdeling (bij optie: op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22), bij naturalisatie: op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) zelf heeft verklaard, dan wordt de vreemdeling door de burgemeester (bij optie) en door de IND (bij naturalisatie) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.
Als sprake is van een openstaande strafzaak neemt de IND bij naturalisatie en de burgemeester bij optie contact op met het OM om te onderzoeken of de vreemdeling voor dat misdrijf al wordt of nog zal worden vervolgd. Als dat het geval is, moet worden nagegaan of er een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een taakstraf, een boete of een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 453,78 of meer kan worden gevorderd. Als de vreemdeling een transactievoorstel zal kunnen worden gedaan of een strafbeschikking kan worden uitgevaardigd, moet worden nagegaan of de hoogte van het transactiebedrag € 453,78 of meer (dan wel, als aan de vreemdeling al eerder vermogenssancties zijn opgelegd:
@@ -6892,7 +6892,7 @@
### Artikel 12
Aangezien [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) geen afwijking van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) toestaat, wordt nogmaals benadrukt dat in alle hierboven omschreven voorbeelden de persoon die een beroep doet op artikel 10 RWN bij het indienen van het verzoek in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht dat naar zijn aard niet-tijdelijk is (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN) en verklaard moet hebben bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [toelichting bij artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, RWN). Let goed op dat een verzoeker die een beroep doet op artikel 10 RWN altijd zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels (zie de [toelichting op artikel 7, par. 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.5&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [3.5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.6&z=2014-10-01&g=2014-10-01)). Betreft het een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN die in het buitenland woont, dan geldt dat hij moet aantonen dat hij een dergelijk verblijfsrecht zou(den) verkrijgen, als daar om zou worden verzocht.
Aangezien [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) geen afwijking van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) toestaat, wordt nogmaals benadrukt dat in alle hierboven omschreven voorbeelden de persoon die een beroep doet op artikel 10 RWN bij het indienen van het verzoek in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht dat naar zijn aard niet-tijdelijk is (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN) en verklaard moet hebben bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [toelichting bij artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, RWN). Let goed op dat een verzoeker die een beroep doet op artikel 10 RWN altijd zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels (zie de [toelichting op artikel 7, par. 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.5&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [3.5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.6&z=2014-10-01&g=2014-11-22)). Betreft het een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN die in het buitenland woont, dan geldt dat hij moet aantonen dat hij een dergelijk verblijfsrecht zou(den) verkrijgen, als daar om zou worden verzocht.
Om vast te kunnen stellen of met de naturalisatie van verzoeker een Nederlands belang op sportief gebied is gediend, wordt de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om advies gevraagd. Alleen indien bij het verzoek tot naturalisatie mede een verklaring van een Nederlandse sportbond wordt overgelegd inhoudende dat naturalisatie een Nederlands sportbelang op korte termijn dient, verzoekt de Minister van Justitie om advisering ter zake door de Staatssecretaris van VWS. Zonder een dergelijke ondersteunende verklaring wordt de zaak niet aan VWS aangeboden, maar direct afgewezen.
@@ -6984,7 +6984,7 @@
Ook voor de minderjarige van zestien jaar en ouder geldt dat hij “sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf” in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij het tweede lid van onderhavig artikel).
Volgens onderhavig artikellid moet het kind dat ten tijde van de indiening van het verzoek zestien jaar of ouder is, zich bij de indiening bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen ([model 2.30 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01)). Vervolgens zal het kind dat de bereidverklaring afgegeven heeft, tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid moeten afleggen voordat hem het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap kan worden uitgereikt. Het vereiste tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt niet voor een kind dat bij het indienen van het verzoek om naturalisatie jonger dan zestien jaar is, maar gedurende de behandeling van het verzoek zestien jaar wordt (zie de [toelichting bij artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&z=2014-10-01&g=2014-10-01), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&z=2014-10-01&g=2014-10-01).)
Volgens onderhavig artikellid moet het kind dat ten tijde van de indiening van het verzoek zestien jaar of ouder is, zich bij de indiening bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen ([model 2.30 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22)). Vervolgens zal het kind dat de bereidverklaring afgegeven heeft, tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid moeten afleggen voordat hem het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap kan worden uitgereikt. Het vereiste tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt niet voor een kind dat bij het indienen van het verzoek om naturalisatie jonger dan zestien jaar is, maar gedurende de behandeling van het verzoek zestien jaar wordt (zie de [toelichting bij artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&z=2014-10-01&g=2014-11-22), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&z=2014-10-01&g=2014-11-22).)
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
@@ -7038,11 +7038,11 @@
### 13-1. Toelichting ad [artikel 13, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)
Als naamsvaststelling of naamswijziging is geboden op grond van [artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12), overlegt de burgemeester met de verzoeker over de vast te stellen of te wijzigen namen van de verzoeker en van de personen voor wie medeverlening wordt verzocht, alsmede over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen worden overgebracht ([artikel 36, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Daartoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.6 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) ‘Verzoek om naamsvaststelling bij naturalisatie’ of model 2.7 HRWN ‘Verzoek om naamswijziging bij naturalisatie’.
Als naamsvaststelling of naamswijziging is geboden op grond van [artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12), overlegt de burgemeester met de verzoeker over de vast te stellen of te wijzigen namen van de verzoeker en van de personen voor wie medeverlening wordt verzocht, alsmede over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen worden overgebracht ([artikel 36, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Daartoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.6 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) ‘Verzoek om naamsvaststelling bij naturalisatie’ of model 2.7 HRWN ‘Verzoek om naamswijziging bij naturalisatie’.
Wijziging van de namen gedurende de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend in het kader van de inburgering en dan alleen in de situaties zoals beschreven in de toelichting op [artikel 12, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12). Bij naturalisatie wordt uitgegaan van de schrijfwijze van de namen zoals opgenomen in de BRP. Deze inschrijving is gebaseerd op een (voldoende gelegaliseerd of van apostille voorzien) document of op een door de verzoeker afgelegde verklaring onder ede (VOE). Als de verzoeker desondanks iets aan de schrijfwijze van zijn na(a)m(en) wenst te veranderen, moet hij die verandering voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek om naturalisatie via de gemeente bewerkstelligen (door het overleggen van de juiste bewijsstukken zoals een nieuwe beëdigde vertaling of nieuwe brondocumenten). Voor het herstellen van veronderstelde schrijf- of vertaalfouten in de na(a)m(en) zoals opgenomen in de BRP is geen ruimte binnen de naturalisatieprocedure.
Als zij daarom verzoeken, worden de in het verzoek begrepen minderjarige kinderen van twaalf jaar of ouder, evenals de wettelijk vertegenwoordiger of de (andere) ouder als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de naamsvaststelling of naamswijziging kenbaar te maken ([artikel 36, vierde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.9 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) ‘Brief zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 t/m 15 jaar)’ en model 2.11 HRWN ‘Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 jaar t/m 15 jaar)’ respectievelijk model 2.13 HRWN ‘Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarigen’ en model 2.15 HRWN ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)’of model 2.16 HRWN. ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamswijziging kind(eren)’
Als zij daarom verzoeken, worden de in het verzoek begrepen minderjarige kinderen van twaalf jaar of ouder, evenals de wettelijk vertegenwoordiger of de (andere) ouder als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de naamsvaststelling of naamswijziging kenbaar te maken ([artikel 36, vierde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.9 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) ‘Brief zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 t/m 15 jaar)’ en model 2.11 HRWN ‘Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 jaar t/m 15 jaar)’ respectievelijk model 2.13 HRWN ‘Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarigen’ en model 2.15 HRWN ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)’of model 2.16 HRWN. ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamswijziging kind(eren)’
De burgemeester brengt over de naamsvaststelling of naamswijziging advies uit aan Onze Minister ([artikel 36, vijfde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)).
@@ -7102,7 +7102,7 @@
### Paragraaf 4. Naamsvaststelling bij kinderen
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=3&z=2014-10-01&g=2014-10-01) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk als het kind:
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=3&z=2014-10-01&g=2014-11-22) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk als het kind:
### Paragraaf 1. Overbrenging naar in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens
@@ -7146,9 +7146,9 @@
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=3&z=2014-10-01&g=2014-10-01) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk als het kind:
Daarnaast mag de geslachtsnaam van alleen het kind in het kader van de inburgering soms ook gewijzigd worden, terwijl de geslachtsnaam van verzoeker ongewijzigd blijft. Dit is mogelijk als zich één van de situaties voor doet die hierboven in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) Naamswijziging, beschreven zijn onder 3 (verbogen geslachtsnaam), 4 (onuitspreekbare naam) en 5 (bespottelijke of onwelvoeglijke naam). Aangezien er aan de namen zoals opgenomen in de BRP zo min mogelijk wordt gesleuteld bij de naturalisatie, vindt de wijziging in beginsel plaats door het verwijderen of toevoegen van één of enkele letters.
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=3&z=2014-10-01&g=2014-11-22) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk als het kind:
Daarnaast mag de geslachtsnaam van alleen het kind in het kader van de inburgering soms ook gewijzigd worden, terwijl de geslachtsnaam van verzoeker ongewijzigd blijft. Dit is mogelijk als zich één van de situaties voor doet die hierboven in [paragraaf 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) Naamswijziging, beschreven zijn onder 3 (verbogen geslachtsnaam), 4 (onuitspreekbare naam) en 5 (bespottelijke of onwelvoeglijke naam). Aangezien er aan de namen zoals opgenomen in de BRP zo min mogelijk wordt gesleuteld bij de naturalisatie, vindt de wijziging in beginsel plaats door het verwijderen of toevoegen van één of enkele letters.
Het kan voorkomen dat de andere ouder al is genaturaliseerd en dat zijn geslachtsnaam is gewijzigd bij zijn naturalisatie. Dan kan voor het minderjarige kind bij naturalisatie, als daarom wordt verzocht, dezelfde naamswijziging plaatsvinden. Dit mag echter alleen als het kind (mede) onder het gezag van deze andere ouder staat.
@@ -7190,7 +7190,7 @@
Tarief C is verschuldigd voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging als bedoeld in [artikel 6, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Dit betekent dat voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging voor een minderjarige, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen bij het afleggen van hun optieverklaring (tarief A of B), het tarief C moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een optieverklaring tot medeverkrijging wordt afgelegd.
Zie voor de betalingsprocedure verder [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=3&z=2014-10-01&g=2014-10-01) (betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden).
Zie voor de betalingsprocedure verder [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=3&z=2014-10-01&g=2014-11-22) (betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden).
Niet vaak zal (nog) voorkomen dat een optierecht op het Nederlanderschap bestaat op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Indonesië (TOI, Stb. 1949, J 570) of de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS, Stb. 1975, 132). Voor deze opties (artikel 10 TOI en artikel 7, tweede lid, TOS) geldt, dat voor de verkrijging van het Nederlanderschap niet een bevestiging nodig is, noch dat leges moeten worden betaald. De optant verkrijgt het Nederlanderschap op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Op deze opties zijn het [BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782) en het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) niet van toepassing.
@@ -7200,7 +7200,7 @@
Op grond van [artikel 4, derde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4) bestaat de mogelijkheid in twee situaties ontheffing van de leges te verlenen. Hierbij moet het gaan om optieverklaringen van:
Om in aanmerking te komen voor ontheffing moet gelijktijdig met de indiening van de optieverklaring een gemotiveerd ontheffingsverzoek worden ingediend. In Nederland is de burgemeester gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van de optiegelden (zie [artikel 4, vijfde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)). In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.27 en 1.27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.28 en 1.28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) beschikbaar.
Om in aanmerking te komen voor ontheffing moet gelijktijdig met de indiening van de optieverklaring een gemotiveerd ontheffingsverzoek worden ingediend. In Nederland is de burgemeester gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van de optiegelden (zie [artikel 4, vijfde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)). In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.27 en 1.27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.28 en 1.28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) beschikbaar.
[Artikel 7, tweede lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=7) voorziet in de mogelijkheid dat de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post aan de rijksoverheid vergoeding verzoekt wegens, door ontheffing, niet-ontvangen optiegelden. Het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post moet een verzoek om vergoeding indienen door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken.
@@ -7214,11 +7214,11 @@
Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval moet worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:
Zie voor gevallen van categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden [paragraaf 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.5&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en voor de mogelijkheid een ontheffingsverzoek van de betalingsverplichting in te dienen [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
Zie voor gevallen van categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden [paragraaf 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.5&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en voor de mogelijkheid een ontheffingsverzoek van de betalingsverplichting in te dienen [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
### Verklaring vrijgesteld van optiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
Komen verzoekers niet in aanmerking voor het verlaagd tarief F of G (zie [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01)), dan zijn de tarieven D en E verschuldigd voor de behandeling van een enkelvoudig dan wel een gemeenschappelijk verzoek om naturalisatie.
Komen verzoekers niet in aanmerking voor het verlaagd tarief F of G (zie [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22)), dan zijn de tarieven D en E verschuldigd voor de behandeling van een enkelvoudig dan wel een gemeenschappelijk verzoek om naturalisatie.
Een gemeenschappelijk verzoek wil zeggen dat een verzoek om naturalisatie gelijktijdig is ingediend door twee personen die met elkaar getrouwd zijn, een geregistreerd partnerschap met elkaar zijn aangegaan of ongehuwd samenleven in een duurzame relatie.
@@ -7248,13 +7248,13 @@
**Voorbeeld**
De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is in Nederland gemandateerd aan de burgemeester. In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 2.24 en 2.24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 2.25 en 2.25a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) beschikbaar.
De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is in Nederland gemandateerd aan de burgemeester. In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 2.24 en 2.24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 2.25 en 2.25a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) beschikbaar.
Als het gaat om een optie/naturalisatie dat is afgelegd/ingediend bij het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post, dan moet het bezwaarschrift worden toegestuurd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Klantdirectie Naturalisatie, Unit Nationaliteit en Naturalisatie, Postbus 285, 7600 AG te Almelo.
De optie- en naturalisatiegelden zijn verschuldigd voordat een verklaring van optie of verzoek tot verlening van het Nederlanderschap in behandeling wordt genomen. De betaling wordt in Nederland voldaan bij de autoriteit die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, namelijk de burgemeester. In het buitenland zijn dat de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten. Eerst na ontvangst van de betaling dan wel na de beslissing op een ontheffingsverzoek wordt het ingediende verzoek om naturalisatie dan wel de afgelegde optieverklaring in behandeling genomen. Ongeacht het verdere verloop van de naturalisatieprocedure – toewijzing, afwijzing of intrekking van het verzoek nadat de behandeling is begonnen – zijn de rechten verschuldigd betaald (vergelijk [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=2) en [3 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=3)).
De hoogte van het verschuldigde bedrag voor het afleggen van de optieverklaring of voor het verzoek om naturalisatie wordt in beginsel vastgesteld op het moment dat de verklaring of het verzoek door de burgemeester/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post in ontvangst wordt genomen. Zie de in de [paragrafen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=1&paragraaf=1.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01), [1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=1&paragraaf=1.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01), [2.2 tot en met 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2014-10-01&g=2014-10-01) opgenomen richtlijnen.
De hoogte van het verschuldigde bedrag voor het afleggen van de optieverklaring of voor het verzoek om naturalisatie wordt in beginsel vastgesteld op het moment dat de verklaring of het verzoek door de burgemeester/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post in ontvangst wordt genomen. Zie de in de [paragrafen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=1&paragraaf=1.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22), [1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=1&paragraaf=1.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22), [2.2 tot en met 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2014-10-01&g=2014-11-22) opgenomen richtlijnen.
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
@@ -7424,7 +7424,7 @@
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Uitgangspunt is dat de leges worden betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie. Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan, betaling in termijnen is niet mogelijk. Wordt niet betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt betrokkene op dat moment op grond van [artikel 4:5, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken te betalen (hiervoor zijn [model 1.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01), model 1.25a, [model 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en model 2.8a beschikbaar). De termijn van zes weken vloeit voort uit [artikel 6 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=6). Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen deze zes weken, dan wordt de verklaring of het verzoek buiten behandeling gesteld (artikel 6 BON). Een besluit tot buitenbehandelingstelling wegens niet- of niet tijdige betaling wordt schriftelijk meegedeeld aan betrokkene ([artikel 4, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=4)). Daarvoor zijn beschikbaar de modellen 1.26, 1.26a, 2.23 en 2.23a.
Uitgangspunt is dat de leges worden betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie. Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan, betaling in termijnen is niet mogelijk. Wordt niet betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt betrokkene op dat moment op grond van [artikel 4:5, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken te betalen (hiervoor zijn [model 1.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22), model 1.25a, [model 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en model 2.8a beschikbaar). De termijn van zes weken vloeit voort uit [artikel 6 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=6). Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen deze zes weken, dan wordt de verklaring of het verzoek buiten behandeling gesteld (artikel 6 BON). Een besluit tot buitenbehandelingstelling wegens niet- of niet tijdige betaling wordt schriftelijk meegedeeld aan betrokkene ([artikel 4, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=4)). Daarvoor zijn beschikbaar de modellen 1.26, 1.26a, 2.23 en 2.23a.
### Verklaring vrijgesteld van naturalisatiegelden3Alleen invullen indien van toepassing; de vrijgestelde ontvangt een kopie van dit formulier.
@@ -7562,7 +7562,7 @@
### paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
Bovendien geldt ingeval van een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) dat verzoeker zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels. Dit betekent dat een op artikel 10 RWN gebaseerd naturalisatieverzoek geen basis kan bieden voor de toepassing van andere (soepelere) dan de algemeen geldende regels voor het aantonen van identiteit en nationaliteit (zie de [toelichting op artikel 7, par. 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.5&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [3.5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.6&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
Bovendien geldt ingeval van een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) dat verzoeker zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels. Dit betekent dat een op artikel 10 RWN gebaseerd naturalisatieverzoek geen basis kan bieden voor de toepassing van andere (soepelere) dan de algemeen geldende regels voor het aantonen van identiteit en nationaliteit (zie de [toelichting op artikel 7, par. 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.5&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [3.5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.6&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
### paragraaf 3.1. Advisering
@@ -7598,7 +7598,7 @@
Voor de minderjarige naturalisandus die op het tijdstip waarop het verzoek om naturalisatie op grond van [artikel 11, derde of vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) wordt ingediend zestien jaar of ouder is, geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid.
Als een ouder heeft verzocht om medeverlening voor een minderjarige, terwijl de minderjarige niet voldoet aan de geldende voorwaarden, worden de personalia van het kind niet vermeld in het Koninklijk Besluit en wordt het verzoek om medeverlening van het kind schriftelijk afgewezen. Hetzelfde geldt uiteraard voor een zelfstandig verzoek op grond van [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De afwijzende beslissing is een beschikking in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend (zie ook de [toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.11&z=2014-10-01&g=2014-10-01)).
Als een ouder heeft verzocht om medeverlening voor een minderjarige, terwijl de minderjarige niet voldoet aan de geldende voorwaarden, worden de personalia van het kind niet vermeld in het Koninklijk Besluit en wordt het verzoek om medeverlening van het kind schriftelijk afgewezen. Hetzelfde geldt uiteraard voor een zelfstandig verzoek op grond van [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De afwijzende beslissing is een beschikking in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537), waartegen de gebruikelijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend (zie ook de [toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.11&z=2014-10-01&g=2014-11-22)).
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
@@ -8480,7 +8480,7 @@
De wettelijke bepalingen met betrekking tot het verkrijgen van een vreemde nationaliteit door een Nederlander beogen van oudsher te leiden tot verlies van het Nederlanderschap en strekken op die manier tot het vermijden van meervoudige nationaliteit.
Als een andere nationaliteit, anders dan de in [paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) genoemde voorbeelden, van rechtswege wordt verkregen en de wetgeving van die andere nationaliteit biedt de mogelijkheid om de ontvangen nationaliteit te verwerpen of het verkrijgen ervan te voorkomen, dan verliest men de Nederlandse nationaliteit als men geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot verwerping van de andere nationaliteit of van de mogelijkheid om de andere nationaliteit niet te verkrijgen. Als geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid de andere nationaliteit te verwerpen, wordt de verkrijging van de andere nationaliteit geacht vrijwillig te zijn. Alleen bij noodgedwongen niet-verwerping van de andere nationaliteit (bijv. als men daardoor gedwongen zou worden zijn woonland te moeten verlaten) wordt de verkrijging van de andere nationaliteit onvrijwillig geacht en treedt geen verlies van het Nederlanderschap in.
Als een andere nationaliteit, anders dan de in [paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) genoemde voorbeelden, van rechtswege wordt verkregen en de wetgeving van die andere nationaliteit biedt de mogelijkheid om de ontvangen nationaliteit te verwerpen of het verkrijgen ervan te voorkomen, dan verliest men de Nederlandse nationaliteit als men geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot verwerping van de andere nationaliteit of van de mogelijkheid om de andere nationaliteit niet te verkrijgen. Als geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid de andere nationaliteit te verwerpen, wordt de verkrijging van de andere nationaliteit geacht vrijwillig te zijn. Alleen bij noodgedwongen niet-verwerping van de andere nationaliteit (bijv. als men daardoor gedwongen zou worden zijn woonland te moeten verlaten) wordt de verkrijging van de andere nationaliteit onvrijwillig geacht en treedt geen verlies van het Nederlanderschap in.
Het is bij deze regel van belang of de vreemde nationaliteit voor of na 1 april 2003 is verkregen. Op 1 april 2003 is [artikel 15, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) ingevoerd. Hierin zijn gronden opgenomen die het verlies van het Nederlanderschap tegenhouden. In de gevallen die artikel 15, tweede lid RWN noemt, zal dus na 1 april 2003 wel meervoudige nationaliteit (zijn) ontstaan, omdat het Nederlanderschap dan niet is of wordt verloren.
@@ -8498,7 +8498,7 @@
Echter, is de verkregen andere nationaliteit een nationaliteit van een staat die partij is bij het hiervoor genoemde Verdrag van Straatsburg, maar dat niet is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag (**Trb.**1994, nr. 265), welk protocol voor Nederland in werking is getreden op 20 augustus 1996, dan gelden de hier bedoelde uitzonderingen niet (voor nadere uitleg zie de toelichting bij artikel 15A RWN).
Onder echtgenoot wordt tevens verstaan de partner in een in Nederland geregistreerd partnerschap of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01), en onder huwelijk tevens het in Nederland geregistreerd partnerschap en het buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) (zie voor een uitzondering hierop de toelichting bij artikel 15A RWN).
Onder echtgenoot wordt tevens verstaan de partner in een in Nederland geregistreerd partnerschap of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22), en onder huwelijk tevens het in Nederland geregistreerd partnerschap en het buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) (zie voor een uitzondering hierop de toelichting bij artikel 15A RWN).
### 1. Vul hier de gegevens in van de aanvrager (= degene die het onderzoek zal ondergaan):
@@ -8514,7 +8514,7 @@
De door de burgemeester opgemaakte verklaring van afstand wordt door de betrokkene of, in het voorkomend geval, door zijn gemachtigde ondertekend ([artikel 3, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Tevens vindt ondertekening plaats door of namens de burgemeester. Tenzij de betrokkene daardoor staatloos zou worden, treedt verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in door de verklaring zelf. Aan het verlies ligt dan ook geen enkele beslissing van overheidswege ten grondslag.
Een verklaring van afstand (zie [model 3.2 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) moet in Nederland worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester ([artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene met een adres in de BRP is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.
Een verklaring van afstand (zie [model 3.2 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) moet in Nederland worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester ([artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene met een adres in de BRP is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.
### 4. Opsturen
@@ -9024,7 +9024,7 @@
Het Nederlanderschap gaat verloren op de datum van intrekkingsbesluit. De hier bedoelde intrekking heeft – in tegenstelling tot de intrekking van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) – geen terugwerkende kracht. Het intrekkingsbesluit kan ook verlies van het Nederlanderschap tot gevolg hebben ten aanzien van de minderjarige kinderen die aanvankelijk zijn meegenaturaliseerd, en wel op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) (zie de toelichting bij artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN).
Zie voor de gevolgen van de intrekking voor bij de naturalisatie gewijzigde of vastgestelde namen, de toelichting bij [artikel 14, eerste lid, RWN, paragraaf 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14&paragraaf=5&paragraaf=5.3&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
Zie voor de gevolgen van de intrekking voor bij de naturalisatie gewijzigde of vastgestelde namen, de toelichting bij [artikel 14, eerste lid, RWN, paragraaf 5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14&paragraaf=5&paragraaf=5.3&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
Op grond van [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van het besluit tot intrekking gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon en, zo nodig, aan andere betrokken instanties (artikel 70, eerste lid, BVVN). [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent:
@@ -9146,7 +9146,7 @@
### paragraaf 2.1. Minderjarigen tot 12 jaar
De verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) wordt, namens de minderjarige tot twaalf jaar, door zijn wettelijk vertegenwoordiger afgelegd. Deze minderjarige wordt hierover niet gehoord.
De verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) wordt, namens de minderjarige tot twaalf jaar, door zijn wettelijk vertegenwoordiger afgelegd. Deze minderjarige wordt hierover niet gehoord.
### paragraaf 2.2. Minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
@@ -9482,7 +9482,7 @@
**Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de verkrijger**
Zie de [toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.1&z=2014-10-01&g=2014-10-01) en [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.2&z=2014-10-01&g=2014-10-01).
Zie de [toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.1&z=2014-10-01&g=2014-11-22) en [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.2&z=2014-10-01&g=2014-11-22).
De regeling van [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) welke in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, zou zonder nadere beperking in strijd komen met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten. Dat betreft enerzijds verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Verdrag van Straatsburg), tenzij die staat tevens partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag, anderzijds verplichtingen uit de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS). De verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS hebben voorrang boven de regeling neergelegd in de RWN, met name in artikel 15, tweede lid, RWN.
@@ -9510,7 +9510,7 @@
### paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
De wettelijk vertegenwoordiger legt namens de minderjarige (tussen de twaalf en zestien jaar), de verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-10-01&g=2014-10-01)) af. De minderjarige wordt hierover gehoord.
De wettelijk vertegenwoordiger legt namens de minderjarige (tussen de twaalf en zestien jaar), de verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-10-01&g=2014-11-22)) af. De minderjarige wordt hierover gehoord.
Indien de minderjarige aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij direct gehoord over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap.
@@ -10030,7 +10030,7 @@
**Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de vader of moeder, die de vreemdeling is bedoeld in het eerste lid, deelt in diens verkrijging van het Nederlanderschap, indien hij in de verklaring tot dat doel is vermeld. Kinderen van een kind dat in de verkrijging deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verkrijging. Een kind dat ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, deelt in de verkrijging indien het daarmee uitdrukkelijk instemt, de in het tweede lid van artikel 6 bedoelde bereidverklaring daadwerkelijk aflegt en jegens hem geen vermoedens bestaan als bedoeld in het vierde lid dat artikel. Het besluit tot bevestiging wordt niet bekend gemaakt dat nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Artikel 11, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.**
Een kind dat ten tijde van het afleggen van de optieverklaring zestien jaar of ouder is, deelt alleen in de verkrijging als het daarmee uitdrukkelijk instemt en zich bereid heeft verklaart bij de verkrijging van het Nederlanderschap de verklaring van verbondenheid af te leggen. De instemming van het kind moet blijken uit [model 1.9 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-10-01). De bereidheid van de medeoptanten van zestien of zeventien jaar tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt met het formulier ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 1.36 HRWN) vastgelegd op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Als blijkt dat tegen hem ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, wordt de bevestiging ten aanzien van het kind geweigerd.
Een kind dat ten tijde van het afleggen van de optieverklaring zestien jaar of ouder is, deelt alleen in de verkrijging als het daarmee uitdrukkelijk instemt en zich bereid heeft verklaart bij de verkrijging van het Nederlanderschap de verklaring van verbondenheid af te leggen. De instemming van het kind moet blijken uit [model 1.9 HRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-10-01&g=2014-11-22). De bereidheid van de medeoptanten van zestien of zeventien jaar tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt met het formulier ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 1.36 HRWN) vastgelegd op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Als blijkt dat tegen hem ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, wordt de bevestiging ten aanzien van het kind geweigerd.
### Artikel VII RRWN
2014-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 1
2014-09-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 15, 16 y
2014-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 8 y 603
2014-06-12
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 8 y 628
2014-04-04
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 8 y 719
2014-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 452
2014-01-06
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 405
2014-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 25
2013-09-25
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 128
2013-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 138
2013-06-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 164
2013-05-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 175
2013-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 345
2012-12-08
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 2004, 21, 3 y
2012-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 374
2012-08-11
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 3, 1, 1 y 322
2012-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 21, 1, 1 y 22
2012-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 345
2011-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 9 y 15
2010-11-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 9 y 11
2010-10-10
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 9 y 49
2010-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 1 y 360
2010-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 3, 1, 1 y 265
2010-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 12, 3, 31 y 2
2010-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-08-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-05-17
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-05-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-03-05
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-03-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 214
2009-02-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 3 y 14
2009-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 3, 1 y 13
2008-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 3, 1 y 107
2008-07-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 13, 15 y 1
2008-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 5
2008-06-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 5 y 48
2008-02-05
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 5
original version Tekst op deze datum