Wijzigingsgeschiedenis
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003
100 versions
· 2026-02-01
2026-02-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 740
2026-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 1 y 22
2025-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 3
2025-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 3
2025-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 1
2024-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-05-09
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 3
2023-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 576
2023-08-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 28
2023-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 15, 15 y 5
2023-05-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 27, 1 y 34
2023-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 109
2023-02-15
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 27, 1 y 22
2023-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 13 y 52
2022-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 27 y 18
2022-09-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 27 y 14
2022-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 27 y 29
2022-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 6, 1 y 523
2022-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 503
2021-11-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 6, 1958, 7 y
2021-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 17, 2004 y
2021-08-30
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 143
2021-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 77
2021-06-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 277
2021-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 99
2021-03-08
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 28
2021-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 28
2020-10-15
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 220
2020-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 13, 15 y 5
2020-05-07
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 6, 1, 10 y 63
2020-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 6, 1, 10 y 15
2020-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 403
2019-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 472
2019-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 20, 358, 1 y
2018-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 468
2018-05-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 2, 1, 10 y 17
2018-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-10-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-03-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 90
2017-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 1
2016-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2016-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 6
2016-04-22
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 515
2016-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 5, 13 y 19
2016-03-31
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 5, 13 y 13
2016-01-07
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 26 y 2
2016-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 13, 15 y 4
2015-10-27
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 2 y 49
2015-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 3, 3, 1 y 375
2015-04-17
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 1
2015-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 12 y 24
2015-01-22
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 8
2015-01-09
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 12 y 20
2015-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 9 y 76
2014-12-25
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 2
2014-11-22
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 12 y 29
2014-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 1
2014-09-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 15, 16 y
2014-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 8 y 603
2014-06-12
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 8 y 628
2014-04-04
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 8 y 719
2014-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 452
2014-01-06
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 405
2014-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 25
2013-09-25
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 128
2013-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 138
2013-06-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 164
2013-05-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 175
2013-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 345
2012-12-08
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 2004, 21, 3 y
2012-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 374
2012-08-11
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 3, 1, 1 y 322
2012-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 21, 1, 1 y 22
2012-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 345
2011-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 9 y 15
2010-11-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 9 y 11
2010-10-10
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 9 y 49
2010-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 1 y 360
2010-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 3, 1, 1 y 265
2010-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 12, 3, 31 y 2
2010-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-08-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-05-17
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-05-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-03-05
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-03-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 214
2009-02-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 3 y 14
2009-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 3, 1 y 13
2008-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 3, 1 y 107
Wijzigingen op 2008-10-01
@@ -470,7 +470,7 @@
In [artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen tot verkrijging van het Nederlanderschap. Voorts is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld betreffende de wijze van inontvangstneming van de verklaringen en de bevestigingen van de verkrijging van het Nederlanderschap, alsmede betreffende de verdere administratieve behandeling van de verkrijging van het Nederlanderschap. In het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) zijn deze voorschriften opgenomen en vorenbedoelde autoriteiten en ambtenaren aangewezen. In [artikel 2, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2) is bepaald dat in Nederland de burgemeesters bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van de optieverklaringen. De vormvoorschriften, procedurele vereisten en administratieve behandeling van de verklaringen zijn voor Nederland geregeld in de [artikelen 3 tot en met 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [60a BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a). In de hierna opgenomen procedurebeschrijving is de volgorde van het BVVN aangehouden. Hierop wordt echter een uitzondering gemaakt voor de eerste procedurestap: ‘Informatieverstrekking’ die zich naar zijn aard niet leent voor opname in het BVVN, maar in de uitvoeringspraktijk over het algemeen wel aan het afleggen van de optieverklaring vooraf zal gaan.
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). De burgemeester die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. In dit kader wordt de optant verzocht een geldig buitenlands reisdocument32In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan. Zie bij [paragraaf 2.2.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.1&z=2008-07-13&g=2008-07-13) te overleggen. Daarnaast kan de optant worden verzocht andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte te tonen (zie hierna onder [paragrafen 2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.3&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5&z=2008-07-13&g=2008-07-13) bij onderhavig artikellid).
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). De burgemeester die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. In dit kader wordt de optant verzocht een geldig buitenlands reisdocument32In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan. Zie bij [paragraaf 2.2.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.1&z=2008-10-01&g=2008-10-01) te overleggen. Daarnaast kan de optant worden verzocht andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte te tonen (zie hierna onder [paragrafen 2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.3&z=2008-10-01&g=2008-10-01) en [2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5&z=2008-10-01&g=2008-10-01) bij onderhavig artikellid).
Deze personen zijn vreemdelingen die weliswaar hun hoofdverblijf hebben in een gemeente maar die vanwege hun bijzondere status niet staan ingeschreven in de GBA van die gemeente. Dit betreft in het bijzonder personen die deel uitmaken van diplomatieke zendingen of consulaire posten of die behoren tot het administratieve of technische personeel van die posten, alsmede hun gezinsleden. Ook voor militairen van buitenlandse bases geldt dat zij niet worden ingeschreven in de GBA van hun hoofdverblijf. Daarnaast kunnen er nog andere, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, categorieën vreemdelingen zijn, die op dezelfde wijze worden behandeld. Deze vreemdelingen dienen hun verzoek om naturalisatie in bij de burgemeester van de gemeente van hun hoofdverblijf. Er zij overigens op gewezen dat in het algemeen bezwaar bestaat tegen het verblijf voor onbepaalde tijd van de hier bedoelde vreemdelingen (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN).
@@ -534,7 +534,7 @@
Enkele optanten zijn niet verplicht een verklaring omtrent verblijfsstatus en/of gedrag af te leggen. Met betrekking tot de verklaring omtrent verblijfsstatus gaat het om opties op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) juncto [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26), [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) en [artikel V, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V). Met betrekking tot de verklaring omtrent gedrag gaat het om opties op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) (tenzij de optant meerderjarig is) en [c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) indien de optant op het moment van het afleggen van de optie de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt. Voorts hoeft geen verklaring omtrent gedrag te worden ondertekend indien een optie op grond van artikel V, eerste lid, RRWN wordt afgelegd.
Voor wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten dient te overleggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij [paragraaf 2.2.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.3&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [paragraaf 2.2.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.4&z=2008-07-13&g=2008-07-13)):
Voor wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten dient te overleggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij [paragraaf 2.2.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.3&z=2008-10-01&g=2008-10-01) en [paragraaf 2.2.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.4&z=2008-10-01&g=2008-10-01)):
De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst neemt, verlangt in beginsel van de optant dat hij gegevens bewijst door middel van documenten. Zie ook [artikel 6, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6).
@@ -602,11 +602,11 @@
### paragraaf 2.4.2.4. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
Indien dit nog niet is gebeurd in een eerdere fase van de procedure –bijvoorbeeld tegelijk met het afleggen van de optieverklaring door de optant –stelt de burgemeester de andere in de optieverklaring genoemde personen, mits zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijk vertegenwoordiger en de andere ouder (als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)) op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie kenbaar te maken ([artikel 10, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10)). Zie ook hiervoor bij [2.2.1, ‘Verklaring afleggen in persoon’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.1&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.
Indien dit nog niet is gebeurd in een eerdere fase van de procedure –bijvoorbeeld tegelijk met het afleggen van de optieverklaring door de optant –stelt de burgemeester de andere in de optieverklaring genoemde personen, mits zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijk vertegenwoordiger en de andere ouder (als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)) op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie kenbaar te maken ([artikel 10, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10)). Zie ook hiervoor bij [2.2.1, ‘Verklaring afleggen in persoon’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.1&z=2008-10-01&g=2008-10-01) en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.
Voorzover mogelijk onderzoekt de burgemeester de juistheid van de gegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden getoetst ([artikel 9, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)).
Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat aan de optievoorwaarden is voldaan, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen. Indien de minderjarige kinderen in de optieverklaringen van beide ouders zijn opgenomen en de verkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van beide ouders wordt bevestigd, worden de personalia van de minderjarige kinderen die in de verkrijging delen in de bevestiging van zowel de vader als de moeder opgenomen. De burgemeester bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert ([artikel 11, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=11)). De bevestiging wordt als regel aan de optant uitgereikt tijdens een ceremonie. Onder uitzonderlijke omstandigheden wordt de bevestiging tijdens een ceremonie uitgereikt aan een gemachtigde van de optant dan wel – indien uitzonderlijke omstandigheden daartoe noodzaken en geen gemachtigde kan worden aangewezen door betrokkene – per post aan de optant verzonden. (Zie voor de uitreiking van de bevestiging en de uitzonderingen daarop [paragraaf 2.12.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12&z=2008-07-13&g=2008-07-13)) Indien sprake is van een (gedeeltelijke) weigering dan wordt de bevestiging uitgereikt en de gedeeltelijke weigering per aangetekende post verzonden.
Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat aan de optievoorwaarden is voldaan, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen. Indien de minderjarige kinderen in de optieverklaringen van beide ouders zijn opgenomen en de verkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van beide ouders wordt bevestigd, worden de personalia van de minderjarige kinderen die in de verkrijging delen in de bevestiging van zowel de vader als de moeder opgenomen. De burgemeester bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert ([artikel 11, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=11)). De bevestiging wordt als regel aan de optant uitgereikt tijdens een ceremonie. Onder uitzonderlijke omstandigheden wordt de bevestiging tijdens een ceremonie uitgereikt aan een gemachtigde van de optant dan wel – indien uitzonderlijke omstandigheden daartoe noodzaken en geen gemachtigde kan worden aangewezen door betrokkene – per post aan de optant verzonden. (Zie voor de uitreiking van de bevestiging en de uitzonderingen daarop [paragraaf 2.12.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12&z=2008-10-01&g=2008-10-01)) Indien sprake is van een (gedeeltelijke) weigering dan wordt de bevestiging uitgereikt en de gedeeltelijke weigering per aangetekende post verzonden.
Er is een informatieblad over de naturalisatietoets en de ontheffing daarvan wegens een lichamelijke en/of geestelijke belemmering beschikbaar bij de gemeente voor de arts of deskundige. Het is de verzoeker tot naturalisatie aan te raden dit informatieblad voor de arts of deskundige mee te nemen.
@@ -638,11 +638,11 @@
Tot slot archiveert de burgemeester de optieverklaring en de daarbij behorende documenten, alsmede afschriften van de bevestiging gedurende ten minste twaalf jaar na de bekendmaking van de bevestiging ([artikel 12, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12)). Deze bewaarplicht in het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) is een uitvloeisel van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) waarin is voorzien in de intrekking van de verkrijging van het Nederlanderschap binnen twaalf jaar na de bevestiging, indien de verkrijging van het Nederlanderschap berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. Voor de bijzondere gevallen waarin ook na twaalf jaar nog intrekking van de verkrijging van het Nederlanderschap mogelijk is, is een langere archieftijd in het kader van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) weliswaar wenselijk, maar niet noodzakelijk, omdat het verzwijgen van dergelijke misdrijven altijd bewust zal gebeuren. De bewaarplicht op grond van [artikel 12 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12) laat overigens onverlet de (bewaar)verplichtingen op grond van de [Archiefwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007376).
Indien door de burgemeester wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant bekendgemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 2.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.7&z=2008-07-13&g=2008-07-13)).
Indien door de burgemeester wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant bekendgemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 2.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.7&z=2008-10-01&g=2008-10-01)).
Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan tijdens de naturalisatieprocedure de gegrondheid van het beroep op ontheffing van de naturalisatietoets nader worden onderzocht door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Bureau Medische Advisering. In het kader van dit onderzoek kan betrokkene rechtstreeks worden opgeroepen door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33 en model 1.34). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De bevestiging wordt onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden, wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2008-07-13&g=2008-07-13)). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.7&z=2008-07-13&g=2008-07-13)).
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33 en model 1.34). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De bevestiging wordt onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden, wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2008-10-01&g=2008-10-01)). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.7&z=2008-10-01&g=2008-10-01)).
De beslissing op het bezwaarschrift wordt genomen door de burgemeester. De optant of zijn wettelijk vertegenwoordiger wordt zonodig in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten. De [hoofdstukken 6 en 7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6) zijn van toepassing.
@@ -654,7 +654,7 @@
### paragraaf 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure
De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, blijft verantwoordelijk voor de verdere afhandeling ervan. Ook indien de optant tijdens de procedure zijn hoofdverblijf verlegt naar een andere gemeente of buiten Nederland is uitsluitend hij bevoegd tot de bevestiging/weigering van de verkrijging van het Nederlanderschap. Heeft de optant ná de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant daarvan in kennis stellen. (Zie ook [paragraaf 2.12.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.2&z=2008-07-13&g=2008-07-13))
De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, blijft verantwoordelijk voor de verdere afhandeling ervan. Ook indien de optant tijdens de procedure zijn hoofdverblijf verlegt naar een andere gemeente of buiten Nederland is uitsluitend hij bevoegd tot de bevestiging/weigering van de verkrijging van het Nederlanderschap. Heeft de optant ná de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant daarvan in kennis stellen. (Zie ook [paragraaf 2.12.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.2&z=2008-10-01&g=2008-10-01))
Het bovenstaande leidt ertoe dat bij een beroep op deze ontheffingsgrond een nader onderzoek door een deskundige moet worden ingesteld naar de ongeletterdheid en de mate van extra inspanning van betrokkene, alsmede naar diens leervermogen, vooropleiding en leeftijd.
@@ -664,13 +664,13 @@
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33 en model 1.34). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De bevestiging wordt onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden, wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 2.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven paragraaf 2.7).
De burgemeester roept de optant en mede-optant die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring 16 jaar of ouder was (waren) op te verschijnen. Was de optant jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op. De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de optant of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige optant de optieverklaring heeft afgelegd. Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&bijlage=1&z=2008-07-13&g=2008-07-13) (tabel: oproepen en uitreiken).
De burgemeester roept de optant en mede-optant die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring 16 jaar of ouder was (waren) op te verschijnen. Was de optant jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op. De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de optant of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige optant de optieverklaring heeft afgelegd. Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&bijlage=1&z=2008-10-01&g=2008-10-01) (tabel: oproepen en uitreiken).
**De oproeping vindt plaats tijdig voor de uitreiking (artikel 60a, tweede lid BVVN).**
Indien de (aspirant-)verzoeker tot naturalisatie een verklaring van het ROC van Amsterdam overlegt met het advies dat betrokkene wegens ongeletterdheid en beperkte educatieve vaardigheden in een tijdsbestek van vijf jaar niet in staat is de naturalisatietoets te halen, tekent de burgemeester op het adviesblad naturalisatie aan dat ‘gedeeltelijke ontheffing’ van de naturalisatietoets wordt geadviseerd.
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene. (Zie hiervoor [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2008-07-13&g=2008-07-13)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60a, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken optant in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene. (Zie hiervoor [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.12¶graaf=2.12.3&z=2008-10-01&g=2008-10-01)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60a, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken optant in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring uit binnen negen weken nadat is vastgesteld dat de optant heeft voldaan aan alle voorwaarden voor optie. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd. Zie [artikel 60a, vierde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a).
@@ -688,7 +688,7 @@
**De oproeping vindt plaats tijdig voor de uitreiking (artikel 60a, tweede lid BVVN).**
Om te bevorderen dat de minister ervan op de hoogte is dat een persoon op grond van een bevestigde optieverklaring het Nederlanderschap heeft verkregen, stuurt de burgemeester die de bevestiging heeft uitgereikt of anderszins heeft bekendgemaakt, aan de minister een bericht van de bekendmaking ([artikel 60a, negende lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). (Zie ook [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2008-07-13&g=2008-07-13)). Met het oog op het correct bijhouden van het nationaliteitenregister ([artikel 12, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12)) zal bij iedere optiebevestiging van op of na 1 oktober 2006 moeten zijn vermeld op welke datum deze optiebevestiging is uitgereikt of anderszins is bekendgemaakt. Immers, het Nederlanderschap zal pas op die datum van uitreiking of bekendmaking zijn ingegaan. Terugmelding kan in dit geval plaatsvinden door middel van het toesturen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van een (gewaarmerkte) kopie van de optiebevestiging, voorzien van een uitreikingsdatum en een gemeente- of dienststempel.
Om te bevorderen dat de minister ervan op de hoogte is dat een persoon op grond van een bevestigde optieverklaring het Nederlanderschap heeft verkregen, stuurt de burgemeester die de bevestiging heeft uitgereikt of anderszins heeft bekendgemaakt, aan de minister een bericht van de bekendmaking ([artikel 60a, negende lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). (Zie ook [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.6&z=2008-10-01&g=2008-10-01)). Met het oog op het correct bijhouden van het nationaliteitenregister ([artikel 12, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12)) zal bij iedere optiebevestiging van op of na 1 oktober 2006 moeten zijn vermeld op welke datum deze optiebevestiging is uitgereikt of anderszins is bekendgemaakt. Immers, het Nederlanderschap zal pas op die datum van uitreiking of bekendmaking zijn ingegaan. Terugmelding kan in dit geval plaatsvinden door middel van het toesturen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van een (gewaarmerkte) kopie van de optiebevestiging, voorzien van een uitreikingsdatum en een gemeente- of dienststempel.
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene. (Zie hiervoor paragraaf 2.12.3). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60a, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken optant in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
@@ -736,7 +736,7 @@
Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de RRWN bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN).
Vanaf 1 oktober 2006 treden de optiebevestiging en het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie. Zie artikel II van het Besluit van 19 mei 2006, Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder [artikel 60b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en hieronder [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
Vanaf 1 oktober 2006 treden de optiebevestiging en het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie. Zie artikel II van het Besluit van 19 mei 2006, Stb. 250, tot wijziging van het BVVN. Zie verder [artikel 60b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en hieronder [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&z=2008-10-01&g=2008-10-01).
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2 t/m 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [31 t/m 38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31) en [73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)
@@ -758,7 +758,7 @@
### paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); zie ook [paragraaf 3.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.2¶graaf=3.2.5&z=2008-07-13&g=2008-07-13)). De burgemeester die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om een geldig buitenlands reisdocument te overleggen. In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan (zie [paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.1&z=2008-07-13&g=2008-07-13)). Voorts wordt de verzoeker gevraagd om andere bewijsstukken te overleggen, bijvoorbeeld een geboorteakte (zie [paragraaf 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5&z=2008-07-13&g=2008-07-13)).
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); zie ook [paragraaf 3.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.2¶graaf=3.2.5&z=2008-10-01&g=2008-10-01)). De burgemeester die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om een geldig buitenlands reisdocument te overleggen. In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan (zie [paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.1&z=2008-10-01&g=2008-10-01)). Voorts wordt de verzoeker gevraagd om andere bewijsstukken te overleggen, bijvoorbeeld een geboorteakte (zie [paragraaf 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5&z=2008-10-01&g=2008-10-01)).
Hieronder wordt de **procedure**beschreven voor de behandeling van verzoeken om naturalisatie.
@@ -770,7 +770,7 @@
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); zie ook paragraaf 3.2.5). De burgemeester die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om een geldig buitenlands reisdocument te overleggen. In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan (zie paragraaf 3.5.1). Voorts wordt de verzoeker gevraagd om andere bewijsstukken te overleggen, bijvoorbeeld een geboorteakte (zie paragraaf 3.5).
In gevallen, waarin verschijning in persoon weliswaar is voorgeschreven, maar dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan het verzoek om naturalisatie worden ingediend c.q. de verklaring van al dan niet instemming met de (mee)naturalisatie worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder en de gemachtigde ([artikel 3, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond. De gemachtigde dient in persoon aan het loket te verschijnen en de nodige zekerheid te verschaffen over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en ondertekend door de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder. De gemachtigde dient een geldig buitenlands reisdocument van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder te overleggen. Hierbij geldt dat in bepaalde gevallen andere identiteitsdocumenten zijn toegestaan, zie [paragraaf 3.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.1&z=2008-07-13&g=2008-07-13)
In gevallen, waarin verschijning in persoon weliswaar is voorgeschreven, maar dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan het verzoek om naturalisatie worden ingediend c.q. de verklaring van al dan niet instemming met de (mee)naturalisatie worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder en de gemachtigde ([artikel 3, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond. De gemachtigde dient in persoon aan het loket te verschijnen en de nodige zekerheid te verschaffen over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en ondertekend door de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder. De gemachtigde dient een geldig buitenlands reisdocument van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder te overleggen. Hierbij geldt dat in bepaalde gevallen andere identiteitsdocumenten zijn toegestaan, zie [paragraaf 3.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.1&z=2008-10-01&g=2008-10-01)
In voorkomende gevallen kan de burgemeester verlangen dat de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder hem ontvangt om in persoon de voor de besluitvorming benodigde gegevens in ontvangst te nemen.
@@ -790,7 +790,7 @@
In gevallen, waarin verschijning in persoon weliswaar is voorgeschreven, maar dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan het verzoek om naturalisatie worden ingediend c.q. de verklaring van al dan niet instemming met de (mee)naturalisatie worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder en de gemachtigde ([artikel 3, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond. De gemachtigde dient in persoon aan het loket te verschijnen en de nodige zekerheid te verschaffen over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en ondertekend door de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder. De gemachtigde dient een geldig buitenlands reisdocument van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder te overleggen. Hierbij geldt dat in bepaalde gevallen andere identiteitsdocumenten zijn toegestaan, zie paragraaf 3.5.1.
De verzoeker dient door middel van de verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag (model 2.3) schriftelijk te verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in het verzoek om naturalisatie genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 31, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)) en of hij of een van de in het verzoek om naturalisatie genoemde personen ouder dan zestien jaar, al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie. Indien verzoeker in deze verklaring aangeeft wel in aanraking te zijn geweest met politie en/of Justitie, of aangeeft dat dit geldt voor een in het verzoek om naturalisatie genoemd kind, dan informeert de burgemeester de verzoeker over de openbare orde richtlijnen bij naturalisatie en wijst verzoeker erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie. De verzoeker wordt in de gelegenheid gesteld om in de verklaring aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN (paragraaf 6.1)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=6¶graaf=6.1&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
De verzoeker dient door middel van de verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag (model 2.3) schriftelijk te verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in het verzoek om naturalisatie genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 31, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)) en of hij of een van de in het verzoek om naturalisatie genoemde personen ouder dan zestien jaar, al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie. Indien verzoeker in deze verklaring aangeeft wel in aanraking te zijn geweest met politie en/of Justitie, of aangeeft dat dit geldt voor een in het verzoek om naturalisatie genoemd kind, dan informeert de burgemeester de verzoeker over de openbare orde richtlijnen bij naturalisatie en wijst verzoeker erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie. De verzoeker wordt in de gelegenheid gesteld om in de verklaring aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN (paragraaf 6.1)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=6¶graaf=6.1&z=2008-10-01&g=2008-10-01).
### paragraaf 3.4.3. Bereidheidsverklaring afstand
@@ -842,7 +842,7 @@
Deze personen zijn vreemdelingen die weliswaar hun hoofdverblijf hebben in een gemeente maar die vanwege hun bijzondere status niet staan ingeschreven in de GBA van die gemeente. Dit betreft in het bijzonder personen die deel uitmaken van diplomatieke zendingen of consulaire posten of die behoren tot het administratieve of technische personeel van die posten, alsmede hun gezinsleden. Ook voor militairen van buitenlandse bases geldt dat zij niet worden ingeschreven in de GBA van hun hoofdverblijf. Daarnaast kunnen er nog andere, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, categorieën vreemdelingen zijn, die op dezelfde wijze worden behandeld. Deze vreemdelingen dienen hun verzoek om naturalisatie in bij de burgemeester van de gemeente van hun hoofdverblijf. Er zij overigens op gewezen dat in het algemeen bezwaar bestaat tegen het verblijf voor onbepaalde tijd van de hier bedoelde vreemdelingen (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN).
De burgemeester beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld ([artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3)) of ontheven ([artikel 4 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4)) van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Is dat niet het geval, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een Certificaat Naturalisatietoets, bedoeld in [artikel 5 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) te overleggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar paragraaf 2.3 en voor ontheffing [paragraaf 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.3&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
De burgemeester beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld ([artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3)) of ontheven ([artikel 4 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4)) van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Is dat niet het geval, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een Certificaat Naturalisatietoets, bedoeld in [artikel 5 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) te overleggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar paragraaf 2.3 en voor ontheffing [paragraaf 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=2¶graaf=2.3&z=2008-10-01&g=2008-10-01).
Op grond van [artikel 33, eerste tot en met derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33) neemt de burgemeester verzoeken om naturalisatie in ontvangst van de volgende personen:
@@ -888,17 +888,17 @@
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen ([artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing ([artikel 38, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=38)). Beslissingen tot afwijzing, tot buitenbehandelingstelling of tot aanhouding van verzoeken worden per aangetekende post aan verzoeker verzonden. In geval van een positieve beslissing stuurt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zo snel mogelijk aan de burgemeester van de woonplaats van de verzoeker. De burgemeester draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit. (Zie ook paragraaf 3.13.) Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de mee-genaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie, indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit totstandgekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
De burgemeester roept de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op ([artikel 60b, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend ([artikel 2, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&bijlage=1&z=2008-07-13&g=2008-07-13) (tabel oproepen en uitreiken).
De burgemeester roept de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op ([artikel 60b, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend ([artikel 2, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&bijlage=1&z=2008-10-01&g=2008-10-01) (tabel oproepen en uitreiken).
De oproeping vindt tijdig voor de uitreiking plaats binnen zes weken na de dag van dagtekening van het naturalisatiebesluit. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd (artikel 60b, tweede lid BVVN).
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst van het desbetreffende uittreksel daarvan. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt het uittreksel buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene. (Zie hiervoor [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2008-07-13&g=2008-07-13)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60b, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen de vaststelling van het besluit en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt het naturalisatiebesluit opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra het naturalisatiebesluit aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken naturalisandus in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst van het desbetreffende uittreksel daarvan. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt het uittreksel buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene. (Zie hiervoor [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13¶graaf=3.13.3&z=2008-10-01&g=2008-10-01)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60b, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen de vaststelling van het besluit en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt het naturalisatiebesluit opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra het naturalisatiebesluit aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken naturalisandus in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
### 3.13. Naturalisatieceremonie
De burgemeester reikt het desbetreffende uittreksel van het besluit uit aan de naturalisandus of medenaturalisandus die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60b, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&bijlage=1&z=2008-07-13&g=2008-07-13) (tabel oproepen en uitreiken).
De burgemeester reikt het desbetreffende uittreksel van het besluit uit aan de naturalisandus of medenaturalisandus die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60b, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&bijlage=1&z=2008-10-01&g=2008-10-01) (tabel oproepen en uitreiken).
### 1. Algemeen
@@ -1000,7 +1000,7 @@
### paragraaf 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht
Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een andere verblijfsvergunning die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. Ook hier geldt –om bovengenoemde redenen –dat verzoeker wordt ontraden om een verzoek in te dienen en dat hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.1&z=2008-07-13&g=2008-07-13) bij de toelichting op dit artikellid. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument (dus geen fictietoets) met behulp van [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=2&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2008-07-13&g=2008-07-13) beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd.
Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een andere verblijfsvergunning die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. Ook hier geldt –om bovengenoemde redenen –dat verzoeker wordt ontraden om een verzoek in te dienen en dat hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.1&z=2008-10-01&g=2008-10-01) bij de toelichting op dit artikellid. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument (dus geen fictietoets) met behulp van [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=2&z=2008-10-01&g=2008-10-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2008-10-01&g=2008-10-01) beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd.
In de overige gevallen blijkt het rechtmatig verblijf van de vreemdeling uit stickers die worden geplaatst in het document voor grensoverschrijding dan wel op een afzonderlijk inlegvel.
@@ -1046,9 +1046,9 @@
De belemmering moet het betrokkene feitelijk en blijvend onmogelijk maken de naturalisatietoets af te leggen. In dat kader wordt ervan uitgegaan dat indien te verwachten is dat betrokkene wegens een lichamelijke en/of een geestelijke belemmering niet binnen vijf jaar op reguliere wijze de toets kan afleggen, reden tot ontheffing bestaat. Eenzelfde termijn van vijf jaar geldt bij de beoordeling of een ongeletterde verzoeker nog het gewenste lees- en schrijfvaardigheidniveau zal halen.
* Bij de uitkomst ‘geen bedenkingen’ in [Bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=2&z=2008-07-13&g=2008-07-13) of [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2008-07-13&g=2008-07-13) moet nog wel worden bedacht dat er geen redenen mogen bestaan om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. Zie hiervoor [paragraaf 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.2&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [Bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=6&z=2008-07-13&g=2008-07-13). Tevens kunnen er gevallen zijn waarbij het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen (gemeenschapsonderdanen). Zie hiervoor [paragraaf 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.4&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en 3 moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een ander verblijfsrecht. Zie hiervoor [paragraaf 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.3&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
* Bij de uitkomst ‘geen bedenkingen’ in [Bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=2&z=2008-10-01&g=2008-10-01) of [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2008-10-01&g=2008-10-01) moet nog wel worden bedacht dat er geen redenen mogen bestaan om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. Zie hiervoor [paragraaf 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.2&z=2008-10-01&g=2008-10-01) en [Bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=6&z=2008-10-01&g=2008-10-01). Tevens kunnen er gevallen zijn waarbij het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen (gemeenschapsonderdanen). Zie hiervoor [paragraaf 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.4&z=2008-10-01&g=2008-10-01).
** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en 3 moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een ander verblijfsrecht. Zie hiervoor [paragraaf 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.3&z=2008-10-01&g=2008-10-01).
De in artikel 8, tweede lid, RWN genoemde vreemdelingen kunnen ook buiten het Koninkrijk verzoeken om naturalisatie. In dat geval wordt ambtshalve –aan de hand van de voorwaarden in het vreemdelingenbeleid die op de verzoeker van toepassing zouden zijn indien hij om toelating in Nederland zou vragen –beoordeeld of de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsrecht, mits hij daar om zou vragen. Alleen indien aan hem een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard zou kunnen worden verleend, voldoet hij aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
@@ -1292,7 +1292,7 @@
### 2.2. Afleggen van de optieverklaring
Hebben kinderen de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven ([artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Zij dienen zich met een geldig buitenlands reisdocument33Zie [paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.1&z=2008-07-13&g=2008-07-13). te legitimeren (zie ook hierna [paragraaf 2.2.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.1¶graaf=2.2.1.5&z=2008-07-13&g=2008-07-13)). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
Hebben kinderen de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven ([artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Zij dienen zich met een geldig buitenlands reisdocument33Zie [paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.5¶graaf=2.2.5.1&z=2008-10-01&g=2008-10-01). te legitimeren (zie ook hierna [paragraaf 2.2.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.2¶graaf=2.2.1¶graaf=2.2.1.5&z=2008-10-01&g=2008-10-01)). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
### paragraaf 2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder
@@ -1348,7 +1348,7 @@
Dit betreft de hoofdregel: optieverklaringen dienen te worden afgelegd bij de burgemeester van de gemeente waar de optant als ingezetene is ingeschreven in de GBA. Het feit dat de optieverklaring ook kan zien op minderjarige kinderen die in de optieverklaring delen en hun hoofdverblijf niet in die gemeente hebben, doet daar niet aan af. Bij een zelfstandige optieverklaring ten behoeve van een minderjarige, is de burgemeester van de gemeente van inschrijving van de minderjarige bevoegd. Dit geldt ook als de wettelijk vertegenwoordiger in de GBA van een andere gemeente is ingeschreven.
De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie [paragraaf 2.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.3¶graaf=2.3.1&z=2008-07-13&g=2008-07-13)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te toetsen (artikel 9, vierde lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie [paragraaf 2.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6¶graaf=2¶graaf=2.3¶graaf=2.3.1&z=2008-10-01&g=2008-10-01)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te toetsen (artikel 9, vierde lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
Voorzover mogelijk onderzoekt de burgemeester de juistheid van de gegevens die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden getoetst ([artikel 9, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=9)).
@@ -1386,7 +1386,7 @@
De beslissing op het bezwaarschrift wordt genomen door de burgemeester. De optant of zijn wettelijk vertegenwoordiger wordt zonodig in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten. De [hoofdstukken 6 en 7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&hoofdstuk=6) zijn van toepassing.
De burgemeester reikt het optiebesluit uit aan de optant die ten tijde van het indienen van de optieverklaring zestien jaar of ouder was. Was de optant op dat tijdstip jonger dan zestien jaar dan wordt het besluit uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60a, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&bijlage=1&z=2008-07-13&g=2008-07-13) (tabel oproepen en uitreiken).
De burgemeester reikt het optiebesluit uit aan de optant die ten tijde van het indienen van de optieverklaring zestien jaar of ouder was. Was de optant op dat tijdstip jonger dan zestien jaar dan wordt het besluit uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60a, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&bijlage=1&z=2008-10-01&g=2008-10-01) (tabel oproepen en uitreiken).
### 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
@@ -1422,7 +1422,7 @@
De verzoeker dient in beginsel een geldig buitenlands reisdocument te overleggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit niet alleen in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Indien de verzoeker niet in het bezit is van een geldig buitenlands reisdocument en houder is van een verblijfsvergunning asiel, of staatloos is, mag hij óf een vluchtelingenpaspoort óf een vreemdelingenpaspoort overleggen. Hetzelfde geldt voor verzoekers die bij de verlening c.q. verlenging van hun verblijfsvergunning zijn vrijgesteld van het paspoortvereiste. Indien de verzoeker is vrijgesteld van overlegging van een geldig buitenlands reisdocument en niet in het bezit is van een vluchtelingenpaspoort of een vreemdelingenpaspoort, kan worden volstaan met het overleggen van het verblijfsdocument. Vrijstelling van het paspoortvereiste blijkt uit de begeleidende brief aan de burgemeester, behorende bij de beschikking op grond waarvan aan betrokkene verblijf is verleend. Zonodig verifieert de burgemeester de vrijstelling van het paspoortvereiste bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
De verzoeker dient in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) te overleggen (zie voor uitzonderingen hieronder [paragraaf 3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.3&z=2008-07-13&g=2008-07-13)):
De verzoeker dient in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) te overleggen (zie voor uitzonderingen hieronder [paragraaf 3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.5¶graaf=3.5.3&z=2008-10-01&g=2008-10-01)):
Indien reeds in het verleden gelegaliseerde (en soms tevens geverifieerde) documenten zijn overgelegd en verwerkt in de GBA of in een akte van de burgerlijke stand in Nederland, wordt afgezien van het wederom overleggen van dezelfde documenten. Echter, in geval van op goede gronden gerezen twijfel, dienen opnieuw originele gelegaliseerde documenten te worden overgelegd.
@@ -1450,7 +1450,7 @@
### paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen ([artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing ([artikel 38, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=38)). Beslissingen tot afwijzing, tot buitenbehandelingstelling of tot aanhouding van verzoeken worden per aangetekende post aan verzoeker verzonden. In geval van een positieve beslissing stuurt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zo snel mogelijk aan de burgemeester van de woonplaats van de verzoeker. De burgemeester draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit. (Zie ook [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&z=2008-07-13&g=2008-07-13).) Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de mee-genaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie, indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit totstandgekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen ([artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing ([artikel 38, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=38)). Beslissingen tot afwijzing, tot buitenbehandelingstelling of tot aanhouding van verzoeken worden per aangetekende post aan verzoeker verzonden. In geval van een positieve beslissing stuurt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zo snel mogelijk aan de burgemeester van de woonplaats van de verzoeker. De burgemeester draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit. (Zie ook [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7¶graaf=3¶graaf=3.13&z=2008-10-01&g=2008-10-01).) Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de mee-genaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie, indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit totstandgekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
### paragraaf 3.11. Bezwaar
@@ -1534,9 +1534,9 @@
### 2.3.3. Lichamelijke of geestelijke belemmering
* Bij de uitkomst ‘geen bedenkingen’ in [Bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=2&z=2008-07-13&g=2008-07-13) of [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2008-07-13&g=2008-07-13) moet nog wel worden bedacht dat er geen redenen mogen bestaan om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. Zie hiervoor [paragraaf 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.2&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [Bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=6&z=2008-07-13&g=2008-07-13). Tevens kunnen er gevallen zijn waarbij het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen (gemeenschapsonderdanen). Zie hiervoor [paragraaf 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.4&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en 3 moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een ander verblijfsrecht. Zie hiervoor [paragraaf 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.3&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
* Bij de uitkomst ‘geen bedenkingen’ in [Bijlage 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=2&z=2008-10-01&g=2008-10-01) of [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=3&z=2008-10-01&g=2008-10-01) moet nog wel worden bedacht dat er geen redenen mogen bestaan om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. Zie hiervoor [paragraaf 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.2&z=2008-10-01&g=2008-10-01) en [Bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=6&z=2008-10-01&g=2008-10-01). Tevens kunnen er gevallen zijn waarbij het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen (gemeenschapsonderdanen). Zie hiervoor [paragraaf 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.4&z=2008-10-01&g=2008-10-01).
** Bij de uitkomst ‘wel bedenkingen’ in Bijlage 2 en 3 moet worden bedacht dat er gevallen zijn waarbij verzoeker wellicht in aanmerking kan komen voor een ander verblijfsrecht. Zie hiervoor [paragraaf 3.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8¶graaf=3¶graaf=3.3&z=2008-10-01&g=2008-10-01).
*** Een Turkse werknemer die een jaar legale arbeid heeft verricht, heeft op grond van Associatiebesluit 1/80 recht op verlenging van zijn verblijfsvergunning voor de duur van een jaar, indien dezelfde werkgever nog een jaar werkgelegenheid voor de werknemer heeft en in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning. Na drie jaar is hij vrij op de arbeidsmarkt. Ook kinderen van Turkse werknemers, die in het gastland een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen verblijfsrecht ontlenen aan het Associatiebesluit.
@@ -1858,3258 +1858,3262 @@
Indien betrokkene is vrijgesteld van het vorengenoemd onderdeel en voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen slaagt, dan krijgt hij voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen een resultatenbrief.
De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het in het eerste lid, van [artikel 5, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) bedoelde inburgeringsdiploma over waaruit blijkt dat alle onderdelen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen zijn behaald, tenzij hij voor (gedeeltelijke) vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt (artikel 34, eerste lid, BVVN). Indien verzoeker niet voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt (of daaromtrent moet in het geval van ontheffing nog nader onderzoek plaatsvinden), noch het inburgeringsdiploma op het juiste niveau kan overleggen, wordt hem door de burgemeester ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wordt verzoeker door de burgemeester erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND kan worden afgewezen, en dat hij de voor naturalisatie te betalen leges niet terug zal ontvangen. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21 (verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’).
Van het afleggen van het examen kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) is vrijgesteld de verzoeker die aantoont dat hij bij het op grond van de [Wet inburgering nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544) (1998-2006) behaalde Certificaat Inburgering het onderdeel Maatschappij Oriëntatie met een voor de naturalisatie voldoende niveau heeft behaald.
Het niveau van het onderdeel Maatschappij Oriëntatie wordt als voldoende beoordeeld indien het hier het niveau 2 van de Kwalificatiestructuur Educatie (KSE) betreft. Het behaalde niveau moet blijken uit het Certificaat Inburgering of de bij het Certificaat behorende ROC-verklaring. Indien op deze twee bescheiden het behaalde KSE-niveau niet is vermeld, geldt dat geconcludeerd moet worden dat het niveau 2 KSE is behaald indien de score 85% of hoger is (tot en met 31 augustus 2001) of 80% of hoger is (vanaf 1 september 2001). De datum van de ROC-verklaring is bepalend voor de vaststelling welk percentage dient te zijn behaald. Indien betrokkene is vrijgesteld van het vorengenoemd onderdeel en voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen slaagt, dan krijgt hij voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen een resultatenbrief. De overige onderdelen van het inburgeringsexamen zijn: het decentraal praktijkdeel (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan), de Toets Gesproken Nederlands (TGN) en het Elektronisch Praktijkexamen (EPE).
Bij indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het Certificaat inburgering Nieuwkomers en de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit blijkt dat het onderdeel Maatschappij Oriëntatie met niveau 2 KSE is beoordeeld én:
### paragraaf 2.3.1. Inleiding
Het niveau van het onderdeel Nederlands als Tweede Taal wordt als voldoende beoordeeld indien hiervoor ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald, dan wel ten minste het niveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. Bij indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt hij het Certificaat Inburgering Nieuwkomers én de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit dit blijkt. Indien uit het Certificaat Inburgering blijkt dat de verzoeker voor alle vier taalonderdelen ten minste niveau 2 heeft behaald, dan moet hij in het kader van de naturalisatieprocedure nog slechts het onderdeel Kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) van het centrale deel van het inburgeringsexamen behalen. Indien betrokkene slaagt voor het examen KNS, dan ontvangt hij hiervan een resultaatbrief.
Bij indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het Certificaat inburgering Nieuwkomers, en de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit blijkt dat de taalonderdelen lezen, schrijven, luisteren en spreken ten minste met niveau 2 KSE is beoordeeld én:
Van het afleggen van het praktijkgedeelte als bedoeld in [artikel 3.7 van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=3.7) (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan) alsmede van het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN) is vrijgesteld de verzoeker die middels een **Verklaring Educatie van het ROC** kan aantonen dat voor het onderdeel Nederlands als tweede taal bij de onderdelen lezen, luisteren, spreken en schrijven ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald, dan wel ten minste het niveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. Het document dient te zijn afgegeven op basis van de resultaten van een toets ter afronding van een NT2-taaltraject.
### 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
De burgemeester beoordeelt of het door de verzoeker getoonde document voldoet aan de criteria. Bij twijfel of het document tot vrijstelling leidt, kan de burgemeester in eerste instantie de eventueel beschikbare eigen registratie van afgegeven Verklaringen educatie, of de IB-Groep raadplegen. De IB-Groep geeft een advies af aan de burgemeester, dan wel eventueel later aan de IND, op basis van de modelverklaringen die door de ROC’s aan de IB-Groep zijn geleverd en die zijn opgenomen in het door de IB-Groep beheerde modellenboek. De burgemeester verwijst een verzoeker die niet over een origineel document beschikt, of een document toont dat niet alle benodigde gegevens ter beoordeling bevat, naar het ROC dat de verklaring heeft afgegeven, ten einde een document te verkrijgen dat aan de gestelde eisen voldoet.
### 2.2.2.. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
De meeste ROC’s noemen de Verklaring educatie een ‘schoolverklaring’, ‘certificaat’ of ‘diploma’. Daarnaast komen benamingen voor als ‘niveauoverzicht NT2’ of ‘scorelijst NT2’, ‘(toets)rapport’, ‘verklaring leerresultaten’, of ‘verklaring Trajecttoets/NIVOR-toets’.
### 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan tijdens de naturalisatieprocedure het medisch advies nader worden onderzocht door de IND. De IND stuurt dan het medische advies naar de medisch adviseur die het advies heeft opgesteld, waarna de medisch adviseur de authenticiteit kan vaststellen. Indien het advies niet authentiek blijkt, is betrokkene niet ontheven van het inburgeringsexamen.
### paragraaf 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen
[Artikel 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6) geeft hieraan uitwerking. Het gaat hier om een verzoeker die:
Het bovenstaande leidt ertoe dat bij een beroep op deze ontheffingsgrond een nader onderzoek moet worden ingesteld. In dit onderzoek worden de volgende factoren meegenomen: de mate van het niet gealfabetiseerd zijn, de mate van extra inspanning om gealfabetiseerd te raken, alsmede het leervermogen van betrokkene, de vooropleiding en de leeftijd.
Een verzoeker om naturalisatie die ten genoegen van de Minister aantoont wegens een lichamelijke en/of geestelijke belemmering dan wel een verstandelijke handicap of ondanks geleverde inspanningen redelijkerwijs niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen, is ingevolge [artikel 4 van het Besluit Naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4), van het examen ontheven.
Indien de niet gealfabetiseerde verzoeker de toets gesproken Nederlands (TGN) met goed gevolg op A2 niveau heeft afgelegd, verstrekt de IB-Groep een resultaten brief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands, met het resultaat ‘geslaagd’.
Indien verzoeker een ernstige psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap heeft en het inburgeringsexamen niet op de gebruikelijke wijze of met aangepaste examenomstandigheden kan afleggen is hij ontheven van het examen. Er is geen sprake van gedeeltelijke ontheffing. Verzoeker wordt altijd voor het gehele examen ontheven. [Artikel 5 van de Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=5) geeft hieraan uitwerking.
De verzoeker om naturalisatie die aantoont dat hij een zodanig psychische of lichamelijke belemmering dan wel een zodanige verstandelijke handicap heeft, dat hij binnen vijf jaar niet in staat is het inburgeringsexamen af te leggen is ontheven van de verplichting het examen te behalen. Voor een medische advies die de belemmering of handicap aantoont, kan hij terecht bij de, in het kader van de uitvoering van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611), door het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aangewezen medisch adviseur. In geval van verhuizing kan het advies afkomstig zijn van een aangewezen arts uit de vorige woonplaats.
Indien betrokkene inburgeringsplichtig is geweest conform de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) is het mogelijk dat er in het kader van [deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) een beschikking die strekt tot ontheffing van het inburgeringsexamen wegens een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap door het college van burgemeester en wethouders aan de verzoeker is afgegeven. Deze beschikking geeft ook ontheffing voor het examen op voorwaarde dat deze op de dag van indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouders is dan drie jaar.
### 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
De gemeente kan zonder nadere inhoudelijke controle afgaan op het medisch advies, en op het adviesblad naturalisatie bij ‘inburgering’ aantekenen dat ontheffing van het examen wordt geadviseerd. Mocht het advies niet conform het advies (model 2.27) of onvolledig zijn, dan adviseert de burgemeester betrokkene een nieuw advies te krijgen. Wenst betrokkene toch een verzoek om naturalisatie in te dienen, onder overlegging van een advies dat onvolledig of onduidelijk is, dan wordt op het adviesblad naturalisatie bij inburgering ‘niet akkoord’ aangetekend.
Telefonisch overleg met de IND inzake overgelegde adviezen is voor gemeenten altijd mogelijk via de vaste aanspreekpunten bij de naturalisatie-units van de IND.
Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan tijdens de naturalisatieprocedure het medisch advies nader worden onderzocht door de IND. De IND stuurt dan het medische advies naar de medisch adviseur die het advies heeft opgesteld, waarna de medisch adviseur de authenticiteit kan vaststellen. Indien het advies niet authentiek blijkt, is betrokkene niet ontheven van het inburgeringsexamen.
Voor het aanmelden voor het ‘haalbaarheidsonderzoek’ meldt betrokkene zich door middel van model 2.28 (Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam) aan bij dat ROC. De (aspirant-)verzoeker meldt zich zelf rechtstreeks aan bij het ROC van Amsterdam. In een aantal gevallen kan de hulp van de gemeente bij het invullen van model 2.28 noodzakelijk blijken. Betrokkene is zelf verantwoordelijk voor het insturen van zijn aanmeldingsformulier. Op het aanmeldingsformulier wordt ingeval van een beroep op het niet gealfabetiseerd zijn door de gemeente ingevuld of betrokkene verplicht is geweest een traject in het kader van de [Wet Inburgering Nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544) te volgen. Alsdan wordt het formulier voorzien van een gemeente- of dienststempel.
[Artikel 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6) geeft hieraan uitwerking. Het gaat hier om een verzoeker die:
Het bovenstaande leidt ertoe dat bij een beroep op deze ontheffingsgrond een nader onderzoek moet worden ingesteld. In dit onderzoek worden de volgende factoren meegenomen: de mate van het niet gealfabetiseerd zijn, de mate van extra inspanning om gealfabetiseerd te raken, alsmede het leervermogen van betrokkene, de vooropleiding en de leeftijd.
Gezien de vorm waarin het inburgeringsexamen wordt afgenomen, kunnen de onderdelen, praktijkdeel examen, kennis Nederlandse samenleving (KNS) en elektronisch praktijkexamen (EPE) bij een geslaagd beroep op niet gealfabetiseerd zijn niet op reguliere wijze door betrokkene worden afgelegd. Kunnen lezen is nu eenmaal een minimale voorwaarde om deze onderdelen af te kunnen leggen. Bij de toets gesproken Nederlands (TGN) geldt de voorwaarde van het kunnen lezen echter niet. Bij een geslaagd beroep op ‘niet gealfabetiseerd’ zijn moet de niet gealfabetiseerde verzoeker derhalve de vaardigheden ‘spreken’ en ‘luisteren’ door middel van de toets gesproken Nederlands (TGN) afleggen.
### 2.3.5. Aanmelding bij ROC Amsterdam
### paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
Bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie worden moeilijkheden ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren van de GBA van buitenlandse verstotingsakten. Het blijkt namelijk dat bij de inschrijving in de GBA van eenzijdige verstotingen, in het verleden veelal is nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd dan wel zich daarbij heeft neergelegd. De omstandigheid dat een verstoting in de GBA staat ingeschreven als ontbinding van een huwelijk levert dan ook geen bewijs op dat de verstoting rechtsgeldig tot stand is gekomen.43Zie ABRvS, 18 november 1999, H01.98.2025. Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren na inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo lange tijd nog een bewijs van de berusting van de vrouw te verkrijgen.
### paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
Heeft iemand in zijn eigen land niet de aldaar gebruikelijke basisopleiding (lagere school) afgerond, dan wordt hij in het kader van het inburgeringsexamen als niet gealfabetiseerd beschouwd. Mogelijkerwijs kan betrokkene enigszins in zijn eigentaal en (al dan niet) het Nederlands enige woorden lezen en schrijven, toch is betrokkene te beschouwen als niet gealfabetiseerd. Van een ieder die op model 2.28 aangeeft dat hij in het herkomst land geen enkel opleiding heeft afgerond, wordt aangenomen dat hij de eigen taal niet kan lezen en schrijven. Betrokkene hoeft dienaangaande geen stukken te overleggen.
### 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
Anders dan in het voorafgaande, waar ‘beperkt leervermogen’ betrekking heeft op lichamelijke en geestelijke aandoeningen als gevolg waarvan iemand gebrekkige (of gebrekkig werkende) verstandelijke vermogens bezit, gaat het hier om ‘beperkt leervermogen’ in de zin van ‘beperkte studievaardigheden als gevolg van gebrek aan educatie’. Iemand die nooit geleerd heeft om ‘te leren’ bezit, in deze context, een ‘beperkt leervermogen’. Of hiervan sprake is, wordt onderzocht en beoordeeld door het ROC van Amsterdam. In die beoordeling betrekt het ROC van Amsterdam factoren als de geen tot zeer beperkte vooropleiding van betrokkene, diens leeftijd en het feit dat betrokkene wel heeft getracht Nederlands te leren schrijven en lezen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen.
Een vrouwelijke verzoeker stelt analfabeet te zijn en derhalve te zijn ontheven van de naturalisatietoets. De vrouw kan –als analfabeet –slechts in aanmerking komen voor ontheffing van de onderdelen lezen en schrijven en niet voor de overige onderdelen van de naturalisatietoets. Ter ondersteuning van een en ander overhandigt zij een verklaring van de huisarts en een verklaring van haar man. De vrouw –zij is van middelbare leeftijd –heeft geen enkele vooropleiding gevolgd. De burgemeester verwijst de vrouw naar het nabijgelegen ROC. De vrouw weigert dat en staat erop dat de burgemeester haar verzoek toch in behandeling neemt. De burgemeester laat haar model 2.21 invullen.
Voor het aanmelden voor het ‘haalbaarheidsonderzoek’ meldt betrokkene zich door middel van model 2.28 (Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam) aan bij dat ROC. De (aspirant-)verzoeker meldt zich zelf rechtstreeks aan bij het ROC van Amsterdam. In een aantal gevallen kan de hulp van de gemeente bij het invullen van model 2.28 noodzakelijk blijken. Betrokkene is zelf verantwoordelijk voor het insturen van zijn aanmeldingsformulier. Op het aanmeldingsformulier wordt ingeval van een beroep op het niet gealfabetiseerd zijn door de gemeente ingevuld of betrokkene verplicht is geweest een traject in het kader van de [Wet Inburgering Nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544) te volgen. Alsdan wordt het formulier voorzien van een gemeente- of dienststempel.
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
Naast het in zijn bezit hebben van een door de wet bepaalde mate van kennis van de Nederlandse taal, staatsinrichting en maatschappij dient de verzoeker die in aanmerking wil komen voor naturalisatie zich te hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving. Deze voorwaarde wordt onder andere getoetst aan de hand van een monogaam huwelijk.
Bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie worden moeilijkheden ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren van de GBA van buitenlandse verstotingsakten. Het blijkt namelijk dat bij de inschrijving in de GBA van eenzijdige verstotingen, in het verleden veelal is nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd dan wel zich daarbij heeft neergelegd. De omstandigheid dat een verstoting in de GBA staat ingeschreven als ontbinding van een huwelijk levert dan ook geen bewijs op dat de verstoting rechtsgeldig tot stand is gekomen.43Zie ABRvS, 18 november 1999, H01.98.2025. Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren na inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo lange tijd nog een bewijs van de berusting van de vrouw te verkrijgen.
Voor wat betreft polygamie (of bigamie) kan worden opgemerkt dat er sprake is van opneming in de Nederlandse samenleving wanneer verzoeker zijn situatie in overeenstemming heeft gebracht met de in Nederland geldende rechtsbeginselen, waaronder dat van monogamie.
### paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
Bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie worden moeilijkheden ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren van de GBA van buitenlandse verstotingsakten. Het blijkt namelijk dat bij de inschrijving in de GBA van eenzijdige verstotingen, in het verleden veelal is nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd dan wel zich daarbij heeft neergelegd. De omstandigheid dat een verstoting in de GBA staat ingeschreven als ontbinding van een huwelijk levert dan ook geen bewijs op dat de verstoting rechtsgeldig tot stand is gekomen.43Zie ABRvS, 18 november 1999, H01.98.2025. Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren na inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo lange tijd nog een bewijs van de berusting van de vrouw te verkrijgen.
### paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
Inburgering veronderstelt in algemene zin een zekere aanvaarding van de Nederlandse samenleving.
Inburgering wordt met name getoetst aan de hand van de naturalisatietoets en het vereiste van een monogaam huwelijk. Als verzoeker aan deze voorwaarden voldoet, wordt in beginsel aangenomen dat hij de Nederlandse rechtsorde in algemene zin heeft aanvaard.
### Ad artikel 8, zesde lid
Een vrouwelijke verzoeker stelt analfabeet te zijn en derhalve te zijn ontheven van de naturalisatietoets. De vrouw kan –als analfabeet –slechts in aanmerking komen voor ontheffing van de onderdelen lezen en schrijven en niet voor de overige onderdelen van de naturalisatietoets. Ter ondersteuning van een en ander overhandigt zij een verklaring van de huisarts en een verklaring van haar man. De vrouw –zij is van middelbare leeftijd –heeft geen enkele vooropleiding gevolgd. De burgemeester verwijst de vrouw naar het nabijgelegen ROC. De vrouw weigert dat en staat erop dat de burgemeester haar verzoek toch in behandeling neemt. De burgemeester laat haar model 2.21 invullen.
Beslissing: Om als analfabeet voor ontheffing van de naturalisatietoets in aanmerking te komen, dient de vrouw niet een verklaring van de arts of haar man te overleggen maar een verklaring van het ROC. Op het ROC kan door deskundigen de mogelijkheid worden onderzocht of de vrouw ondanks haar ongeletterdheid het voor de naturalisatietoets vereiste taal- en kennisniveau zou kunnen behalen. Het ROC houdt bij haar advies rekening met de leeftijd en vooropleiding van de vrouw en onderzoekt of de vrouw reeds een serieuze poging heeft ondernomen zich de taal en materie eigen te maken.
Een Japanse vrouw die in 1981 is gehuwd met een Nederlandse man, sindsdien in Nederland woont en een verblijfsvergunning in haar bezit heeft, doet een verzoek om naturalisatie bij de gemeente van haar woonplaats. Als nieuwkomer heeft zij het inburgeringsprogramma niet gevolgd. Nu wil zij zich laten naturaliseren tot Nederlander en is bereid de naturalisatietoets af te leggen.
Beslissing: De Japanse vrouw komt in beginsel in aanmerking voor de verkrijging van het Nederlanderschap door optie ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Zij hoeft niet te voldoen aan de voorwaarde van inburgering die de wetgever onder verlening van het Nederlanderschap beschrijft en hoeft dientengevolge ook geen naturalisatietoets af te leggen. Overigens staat het haar vrij de toets toch te doen. Voor de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie speelt de toets echter geen rol.
Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld:
**Islamitische landen waar polygamie en/of verstoting mogelijk is**
+ : kent polygamie
* : polygamie onder beperkte voorwaarden
# : polygamie alleen voor islamitische groep t : verstoting
= : geen verstoting
- : kent geen polygamie
### Toelichting
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld:
### 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld:
### paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
Indien de verzoeker in de afgelopen drie jaar onafgebroken is gehuwd met een Nederlander (of in geval van drie jaar in Nederland geregistreerd partnerschap, vergelijk [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) én beide partners tijdens deze periode drie jaar onafgebroken samenwonen, geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf. Het huwelijk en de samenwoning mogen gedurende deze periode van drie jaar niet onderbroken zijn geweest, aangezien een onderbreking afbreuk doet aan de bij een huwelijk met een Nederlander veronderstelde versnelde inburgering. Op het moment van de indiening van het verzoek dient de echtgenoot van de verzoeker in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. Niet vereist is dat de Nederlandse echtgenoot van de verzoeker reeds drie jaar het Nederlanderschap bezit. Het is dus niet zo dat pas drie jaren na de naturalisatie van de één, de ander een verzoek mag indienen.
### Artikel 9
B heeft de Spaanse nationaliteit en woont met haar Nederlandse echtgenoot in Spanje. Na drie jaar huwelijk vestigt B zich met haar echtgenoot in Nederland en schrijven beiden zich in op hetzelfde adres in de Gemeente Arnhem. Mits B kan aantonen dat zij gedurende haar huwelijk ten minste drie jaren in Spanje heeft samengewoond met haar Nederlandse echtgenoot, kan zij onmiddellijk na vestiging in Nederland een verzoek om naturalisatie indienen. Zij hoeft voorafgaand aan de indiening van haar verzoek geen toelating en hoofdverblijf in Nederland te hebben gehad. Uiteraard moet B wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap.
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31); [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32); [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34) en [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=38)
### Ad artikel 8, vierde lid
Van zijn twaalfde tot zijn zeventiende woonde C met zijn moeder in Turkije. Sinds zijn zeventiende woont hij weer in Nederland. Gedurende een jaar was hij in het bezit van een vergunning tot verblijf bij vader. Aansluitend was hij een jaar in het bezit van een vergunning tot verblijf zonder beperking. Aan het eind van dat jaar vergat hij om zijn verblijfsvergunning tijdig te verlengen. Drie maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur werd hij alsnog in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning, met een geldigheidsduur van een jaar. Deze vergunning werd echter niet met terugwerkende kracht verleend.
### Ad artikel 8, vijfde lid
[WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827): [artikel 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=183)
### 3. Afwijzing indien er serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
[WRB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368): [artikelen 34.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34) en [34.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34)
### Ad artikel 8, tweede lid
H is de zoon van een Franse ongehuwde moeder en een juridisch onbekende vader. Hij is uitsluitend in het bezit van de Franse nationaliteit. Als H veertien jaar is, gaat zijn moeder samenwonen met een Nederlander. H woont bij hen in. Ze wonen alledrie in Straatsburg. Als H vijftien jaar en vier maanden is, wordt hij erkend door de Nederlander. Als H achttien jaar en drie maanden oud is, verlaat hij de ouderlijke woning om te gaan werken in Nederland. Bij aankomst in Nederland wordt hij onmiddellijk in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Zodra H vier maanden in Nederland toelating en hoofdverblijf heeft, kan hij een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft immers voor zijn achttiende jaar al twee jaar en acht maanden in gezinsverband met zijn Nederlandse vader gewoond. Deze twee jaar en acht maanden mogen afgetrokken worden van de drie jaar termijn. De drie maanden na zijn achttiende verjaardag mogen niet van die termijn afgetrokken worden. De jaren dat hij deel uitmaakte van het gezin van de Nederlander voordat hij werd erkend evenmin. Of het verzoek van H wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
Dit heeft onder meer tot gevolg dat ten aanzien van oude verzoeken om naturalisatie, die zijn ingediend vóór 1 april 2003, nog steeds kan worden besloten tot aanhouding van de beslissing wegens onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal. Aanhouding vindt dan plaats op grond van [artikel 9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) juncto [artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) (nieuw).
### Artikel 9
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10); [11.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [15.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [16.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### 9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikelen 4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5); [4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7); [6:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:2); [7:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1); [8:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:1) en[8:7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:7)
### Toelichting
[Rgdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006434): [artikelen 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006434&artikel=2) en [5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006434&artikel=5)
### 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
[Wet gba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723): [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=43)
### Toelichting
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): [artikelen 74a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) en [92 t/m 423](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92)
### paragraaf 4. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
Dit heeft onder meer tot gevolg dat ten aanzien van oude verzoeken om naturalisatie, die zijn ingediend vóór 1 april 2003, nog steeds kan worden besloten tot aanhouding van de beslissing wegens onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal. Aanhouding vindt dan plaats op grond van [artikel 9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) juncto [artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) (nieuw).
### 9-alg. Toelichting algemeen
[Artikel 9, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) stelt drie additionele eisen waaraan een verzoeker moet voldoen, naast de in [artikel 8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) gestelde voorwaarden.
Met ‘sanctie’ wordt hier niet alleen bedoeld een straf (bijvoorbeeld geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) die door de strafrechter is opgelegd, maar ook door de politie of het OM opgelegde boeten. De verzoeker mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking ter zake van misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat het verzoek moet worden afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Indien naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de procedure worden betrokken.
### paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
Hieronder wordt uiteengezet wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde. Daarbij staan centraal de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker. Die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden. Samengevat komt het beleid erop neer dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, indien:
Vanaf 1 februari 2008 is een regeling betreffende het buitengerechtelijk afdoen van strafbare feiten door middel van een strafbeschikking van kracht. In de gevallen waar volgens de huidige regelgeving een transactie mogelijk is, kan bij de buitengerechtelijke afdoening nieuwe stijl een strafbeschikking worden uitgevaardigd. De strafbeschikking berust op een schuldvaststelling. De strafbeschikking kan worden uitgevaardigd door de officier van justitie of door aangewezen opsporingsambtenaren of bestuursorganen. Naast het Openbaar Ministerie (OM) en politie hebben ook gemeenten en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) de bevoegdheid gekregen strafbeschikkingen uit te vaardigen. In de strafbeschikking kunnen straffen en maatregelen worden opgelegd en aanwijzingen worden gegeven. De straffen en maatregelen kunnen zijn een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uren, een geldboete, onttrekking aan het verkeer, de verplichting tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor ten hoogste zes maanden. Als degene jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd het daar niet mee eens is, kan hij bij het OM verzet instellen. Hierdoor komt de zaak alsnog voor de rechter, die deze in volle omvang beoordeelt. De huidige transactie zal – gefaseerd – worden vervangen door de strafbeschikking. De transactie en de strafbeschikking zullen de komende vijf jaar naast elkaar blijven bestaan. De regeling van de strafbeschikking is, net als die van de transactie, van toepassing op overtredingen en op misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar. De regeling van de strafbeschikking is te vinden in de [artikelen 257a-257h van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257a).
### paragraaf 4.3. Cumulatie van sancties
Het beleid dat een enkele financiële sanctie (geldboete, transactie of strafbeschikking) van minder dan 453,78 (ƒ 1000) ter zake van misdrijf niet bij de beoordeling van het gedrag wordt betrokken, blijft in beginsel gehandhaafd, zij het dat een serie met lagere vermogenssancties afgedane misdrijven thans ook tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie kan leiden. Het is als onrechtvaardig ervaren dat de verzoeker die zich regelmatig schuldig maakt aan misdrijven, maar die daarvoor telkenmale sancties krijgt opgelegd van minder dan 453,78 (ƒ 1000), wel, en de verzoeker die eenmalig een misdrijf heeft begaan waarvoor hij met een boete van 453,78 (ƒ 1000) of meer is bestraft gedurende vier jaren nadien niet voor naturalisatie in aanmerking komt. Met de cumulatieregeling is beoogd aan deze onrechtvaardigheid tegemoet te komen. Indien de verzoeker binnen een bepaald tijdsbestek wegens herhaalde misdrijven is gesanctioneerd, kan daarmee rekening worden gehouden. Om te voorkomen dat een opeenstapeling van vermogenssancties ter zake van diverse misdrijven (te snel) tot weigering van naturalisatie leidt, is per sanctie een minimumbedrag van 226,89 (ƒ 500) vastgesteld. Deze ondergrens van 226,89 (ƒ 500) is gebaseerd op (in richtlijnen van het OM opgenomen vermogenssancties die kunnen worden opgelegd ter zake van) misdrijven, waarvan bij herhaling kan worden aangenomen dat er sprake is van ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde. Met het totaalbedrag van 680,67 (ƒ 1500) is beoogd te voorkomen dat een te gering aantal sancties uiteindelijk toch tot weigering van naturalisatie zal gaan leiden.
### 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
Met ‘sanctie’ wordt hier niet alleen bedoeld een straf (bijvoorbeeld geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) die door de strafrechter is opgelegd, maar ook uitgevaardigde strafbeschikkingen of door de politie of het OM opgelegde boeten. De verzoeker mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking ter zake van misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat het verzoek moet worden afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Indien naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de procedure worden betrokken.
De verzoeker kan verschillende strafbare feiten hebben begaan die alle tezamen in een en dezelfde strafrechtelijke procedure aan de strafrechter worden voorgelegd. In een dergelijk geval kan het voorkomen dat voor al die feiten een enkele straf wordt opgelegd, waarbij niet duidelijk is welk gedeelte van die straf voor welk feit is opgelegd. Als voorbeeld geldt de verzoeker die twee jaar geleden wegens twee misdrijven en een overtreding een geldboete van 907,56 (ƒ 2000) wordt opgelegd. In dat geval wordt het verzoek om naturalisatie afgewezen, omdat ten minste één van de strafbare feiten een misdrijf was en de totale straf genoeg is om een verzoek om naturalisatie af te wijzen.
### paragraaf 4.5. Taakstraffen
Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte; ATAN) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject). Er wordt bij taakstraffen dus geen onderscheid gemaakt tussen werk- en leerstraffen. De taakstraf staat tussen de vrijheidsstraf en de geldboete in, en komt in plaats van een gevangenisstraf. Bij naturalisatie worden zowel geldboeten als vrijheidsstraffen voor misdrijven tegengeworpen, ongeacht de vraag of zij voorwaardelijk of onvoorwaardelijk zijn opgelegd. Er bestaat geen aanleiding om voorbij te gaan aan de (voor een misdrijf opgelegde) taakstraf die thans nog in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, indien zowel de daad als de dader strafbaar zijn bevonden. Gehandhaafd is tevens het uitgangspunt in het naturalisatiebeleid dat de taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf. Dat sluit aan bij de regeling van de vrijheidsstraf, die eveneens ongeacht de duur wordt tegengeworpen.
### paragraaf 4.6. Buitenlandse feiten
Omdat het bij de vraag naar het ernstige vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde oplevert, primair gaat om diens gedragingen, is in beginsel irrelevant waar deze gedragingen hebben plaatsgevonden. Een bepaalde gedraging is immers niet minder ernstig indien het buiten de landsgrenzen heeft plaatsgevonden. Aangezien het gaat om het ernstige vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de Nederlandse openbare orde vormt, wordt niet tegengeworpen de bestraffing van een gedraging die naar Nederlands recht geen misdrijf vormt. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat in het buitenland bepaalde gedragingen in het algemeen zwaarder of lichter kunnen worden bestraft dan in Nederland. Daarom moet tevens worden beoordeeld of de buitenlandse beoordeling van het misdrijf vergelijkbaar is met de Nederlandse beoordeling. Buitenlandse feiten kunnen bijvoorbeeld blijken uit gegevens van de Justitiële documentatiedienst (JDD) of uit de verklaringen van de verzoeker zelf.
### paragraaf 4.7. Jeugdigen
Voor de afdoening van misdrijven is niet altijd een uitspraak van de strafrechter nodig. Ongeveer een derde van de misdrijfzaken wordt door middel van een transactie afgedaan. Het gebruik van transacties is in hoge mate vastgelegd in richtlijnen van het OM. Een transactie voor een misdrijf is een alternatieve vorm van sanctie, zij het dat die sanctie niet na berechting en niet door de strafrechter wordt opgelegd, en dat de vrijwillige instemming van de verdachte is vereist. Met de transactie geeft de Nederlandse overheid aan voldoende belang te hechten aan sanctionering van het misdrijf. De ernst van het misdrijf komt tot uiting in de hoogte van het transactiebedrag, waarmee de verdachte strafvervolging kan afkopen. Dat voorstel mag uitsluitend worden gedaan als een veroordeling door de rechter in een gewone strafrechtelijke procedure ook daadwerkelijk haalbaar is. Als langs de weg van de gewone procedure geen sanctionering zou kunnen volgen, behoort een transactieaanbod achterwege te blijven. De verdachte hoeft niet op het voorstel in te gaan en kan kiezen voor behandeling door de strafrechter. De transactie houdt formeel weliswaar geen erkenning door de verdachte in dat hij het strafbare feit heeft gepleegd – en de mogelijkheid is dus aanwezig dat de verdachte het feit ter zake waarvan verdenking is gerezen niet heeft gepleegd en slechts ingaat op het transactievoorstel om van de zaak af te zijn, bijvoorbeeld om het openbaar terechtstaan, het opmaken van een strafblad, de civielrechtelijke bewijspositie van de veroordeelde en onzekerheid over de uitkomst van het strafgeding te voorkomen – maar voor iedere transactie is de vrijwillige instemming van de verdachte met de transactie essentieel. Het prijsgeven van rechtsbescherming door de strafrechter en de mogelijkheid van vrijspraak of lagere strafoplegging, geschiedt vrijwillig. In sommige gevallen ([artikel 74a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74a)) kan een door de verdachte aangeboden transactie ook niet door het OM worden geweigerd. Bovendien gaat het in naturalisatiezaken om relatief hoge bedragen ( 453,78 (ƒ 1000) of meer, dan wel ingeval van herhaalde misdrijven 226,89 (ƒ 500) of meer) dat voorshands niet kan worden aangenomen dat de verzoeker (telkenmale) onschuldig transigeert om van de zaak af te zijn. Ook in het krachtens [artikel 11, vijfde lid, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=11) gevoerde toelatingsbeleid leiden transacties ter zake van misdrijven tot de afwijzing van een verzoek om een vergunning tot verblijf.
### paragraaf 4.8. Vierjaartermijn
Het gaat bij de beoordeling van het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde om de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker. Die verwachtingen worden noodzakelijkerwijs gebaseerd op het gedrag van de verzoeker in het heden en recente verleden. Als maatstaf voor de beoordeling van het gedrag wordt de vraag gehanteerd of het gedrag van de verzoeker heeft geleid tot een veroordeling of andere sanctie ter zake van misdrijf of de tenuitvoerlegging daarvan. Omdat het echter blijft gaan om het toekomstige gedrag, wordt niet iedere sanctie en tenuitvoerlegging daarvan (ook niet als die sanctie zeer zwaar was) blijvend tegengeworpen. De omstandigheid dat iemand in het verleden wegens bepaalde strafbare feiten in aanraking is gekomen met Justitie is op zichzelf onvoldoende grond voor afwijzing. Aan het gedrag van de verzoeker in het verre verleden kunnen geen conclusies worden verbonden, voor wat betreft zijn toekomstige gedrag. Voor de beoordeling van een verzoek om naturalisatie is als maatstaf aangelegd dat er gedurende een periode van vier jaar, direct voorafgaande aan de indiening van het verzoek of de beslissing daarop, geen sprake mag zijn geweest van een misdrijf, de sanctionering van een misdrijf of de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie
### paragraaf 4.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### 4.5. Taakstraffen
Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte; ATAN) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject). Er wordt bij taakstraffen dus geen onderscheid gemaakt tussen werk- en leerstraffen. De taakstraf staat tussen de vrijheidsstraf en de geldboete in, en komt in plaats van een gevangenisstraf. Bij naturalisatie worden zowel geldboeten als vrijheidsstraffen voor misdrijven tegengeworpen, ongeacht de vraag of zij voorwaardelijk of onvoorwaardelijk zijn opgelegd. Er bestaat geen aanleiding om voorbij te gaan aan de (voor een misdrijf opgelegde) taakstraf die thans nog in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, indien zowel de daad als de dader strafbaar zijn bevonden. Gehandhaafd is tevens het uitgangspunt in het naturalisatiebeleid dat de taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf. Dat sluit aan bij de regeling van de vrijheidsstraf, die eveneens ongeacht de duur wordt tegengeworpen.
De verzoeker kan verschillende strafbare feiten hebben begaan die alle tezamen in een en dezelfde strafrechtelijke procedure aan de strafrechter worden voorgelegd. In een dergelijk geval kan het voorkomen dat voor al die feiten een enkele straf wordt opgelegd, waarbij niet duidelijk is welk gedeelte van die straf voor welk feit is opgelegd. Als voorbeeld geldt de verzoeker die twee jaar geleden wegens twee misdrijven en een overtreding een geldboete van 907,56 (ƒ 2000) wordt opgelegd. In dat geval wordt het verzoek om naturalisatie afgewezen, omdat ten minste één van de strafbare feiten een misdrijf was en de totale straf genoeg is om een verzoek om naturalisatie af te wijzen.
### paragraaf 4.5. Taakstraffen
Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte; ATAN) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject). Er wordt bij taakstraffen dus geen onderscheid gemaakt tussen werk- en leerstraffen. De taakstraf staat tussen de vrijheidsstraf en de geldboete in, en komt in plaats van een gevangenisstraf. Bij naturalisatie worden zowel geldboeten als vrijheidsstraffen voor misdrijven tegengeworpen, ongeacht de vraag of zij voorwaardelijk of onvoorwaardelijk zijn opgelegd. Er bestaat geen aanleiding om voorbij te gaan aan de (voor een misdrijf opgelegde) taakstraf die thans nog in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, indien zowel de daad als de dader strafbaar zijn bevonden. Gehandhaafd is tevens het uitgangspunt in het naturalisatiebeleid dat de taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf. Dat sluit aan bij de regeling van de vrijheidsstraf, die eveneens ongeacht de duur wordt tegengeworpen.
### paragraaf 4.6. Buitenlandse feiten
Omdat het bij de vraag naar het ernstige vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde oplevert, primair gaat om diens gedragingen, is in beginsel irrelevant waar deze gedragingen hebben plaatsgevonden. Een bepaalde gedraging is immers niet minder ernstig indien het buiten de landsgrenzen heeft plaatsgevonden. Aangezien het gaat om het ernstige vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de Nederlandse openbare orde vormt, wordt niet tegengeworpen de bestraffing van een gedraging die naar Nederlands recht geen misdrijf vormt. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat in het buitenland bepaalde gedragingen in het algemeen zwaarder of lichter kunnen worden bestraft dan in Nederland. Daarom moet tevens worden beoordeeld of de buitenlandse beoordeling van het misdrijf vergelijkbaar is met de Nederlandse beoordeling. Buitenlandse feiten kunnen bijvoorbeeld blijken uit gegevens van de Justitiële documentatiedienst (JDD) of uit de verklaringen van de verzoeker zelf.
### paragraaf 4.7. Jeugdigen
Er bestaat geen aanleiding om een misdrijf dat is gepleegd door iemand ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig [Titel VIII A van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=VIII_A) (jeugdstrafrecht) anders te beoordelen dan hetzelfde misdrijf indien dat is gepleegd door een meerderjarige. Jeugdstrafrecht is ook strafrecht dat wordt toegepast naar aanleiding van een feitelijke misdraging. Jeugdstrafrecht kent een afwijkend sanctiepakket. Met de jeugdige leeftijd van de dader is reeds rekening gehouden, omdat het jeugdstrafrecht beduidend lichtere straffen kent.
### paragraaf 4.8. Vierjaartermijn
Het gaat bij de beoordeling van het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde om de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker. Die verwachtingen worden noodzakelijkerwijs gebaseerd op het gedrag van de verzoeker in het heden en recente verleden. Als maatstaf voor de beoordeling van het gedrag wordt de vraag gehanteerd of het gedrag van de verzoeker heeft geleid tot een veroordeling of andere sanctie ter zake van misdrijf of de tenuitvoerlegging daarvan. Omdat het echter blijft gaan om het toekomstige gedrag, wordt niet iedere sanctie en tenuitvoerlegging daarvan (ook niet als die sanctie zeer zwaar was) blijvend tegengeworpen. De omstandigheid dat iemand in het verleden wegens bepaalde strafbare feiten in aanraking is gekomen met Justitie is op zichzelf onvoldoende grond voor afwijzing. Aan het gedrag van de verzoeker in het verre verleden kunnen geen conclusies worden verbonden, voor wat betreft zijn toekomstige gedrag. Voor de beoordeling van een verzoek om naturalisatie is als maatstaf aangelegd dat er gedurende een periode van vier jaar, direct voorafgaande aan de indiening van het verzoek of de beslissing daarop, geen sprake mag zijn geweest van een misdrijf, de sanctionering van een misdrijf of de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie
### paragraaf 4.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
Ook ingeval van een voorwaardelijk opgelegde straf is er sprake van een onvoorwaardelijke veroordeling, waarbij alleen de tenuitvoerlegging van de straf (of een gedeelte daarvan) onder bepaalde voorwaarden wordt opgeschort. Het voorwaardelijk opschorten van de tenuitvoerlegging van (een gedeelte van) de straf, doet niets af aan de veroordeling en daarmee aan de strafbaarheid van de daad en dader. Ook als een straf voorwaardelijk is opgelegd, is het misdrijf gepleegd en zijn daad en dader strafbaar bevonden. Voor naturalisatie is dus niet van belang of de straf voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd. Bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker wordt gekeken naar de totale straf die is opgelegd, dus ook naar het voorwaardelijke gedeelte ervan. Daarbij is het enkele feit dat de straf (geheel of gedeeltelijk) voorwaardelijk is opgelegd, dus niet van belang en wordt ook het voorwaardelijk opgelegde gedeelte in aanmerking genomen. Het feit dat de straf voorwaardelijk is opgelegd, is wel van belang voor de rehabilitatietermijn. Er zijn twee mogelijkheden:
In de naturalisatieprocedure wordt het verzoek om naturalisatie ingediend bij de burgemeester, die een onderzoek instelt en daarover adviseert aan de Minister van Justitie. Het advies ziet onder meer op de vraag of er ernstige vermoedens bestaan om aan te nemen dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt.
### paragraaf 6.1. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
Met een voorwaardelijk sepot is echter nog geen einde aan de zaak gekomen. Met een voorwaardelijk sepot ziet het OM slechts af van strafvervolging, indien aan (een) bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan. Indien aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan alsnog tot dagvaarding worden overgegaan en kan het misdrijf alsnog leiden tot een sanctie. De voorwaardelijk geseponeerde zaak lijkt in dier voege op een openstaande strafzaak en wordt bij verzoek om naturalisatie op vergelijkbare wijze beoordeeld. Omdat strafvervolging en -oplegging niet zijn uitgesloten, dient de verzoeker eerst de proeftijd af te wachten. Voorwaardelijke sepots leiden evenmin tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, mits aan de voorwaarden van het sepot is voldaan en de proeftijd is verstreken. Indien een misdrijf voorwaardelijk is geseponeerd, dient altijd de proeftijd te worden afgewacht. Als betrokkene nog in de proeftijd zit, dient hij te worden geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek om naturalisatie totdat de proeftijd is verstreken. Indien hij er niettemin op staat het verzoek in te dienen en de proeftijd is nog niet verstreken, dan wordt het verzoek afgewezen. Pas als de proeftijd is verstreken en aan de voorwaarden is voldaan, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het vermeende misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid en dat er ook geen rehabilitatietermijn is aangevangen.
### paragraaf 4.11. Schadevergoeding
De enkele verplichting om aangerichte schade te vergoeden, wordt niet tegengeworpen, ook niet indien die schade is veroorzaakt door een misdrijf. Soms wordt de plicht tot schadevergoeding gekoppeld aan een andere afdoeningsvorm (bijvoorbeeld als voorwaarde aan een voorwaardelijk sepot of opgelegd naast een boete of al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Bij naturalisatie wordt bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker gekeken naar afdoening van het misdrijf (dus naar het voorwaardelijk sepot, de boete of de al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Schadevergoeding kan in diverse vormen voorkomen als voorwaarde om een sanctie te voorkomen. Voor vormen als dading en Halt-afdoeningen wordt verwezen naar voorwaardelijk sepot.
### paragraaf 6.3. Bericht van de korpschef
Verder dient de burgemeester contact op te nemen met de korpschef om te verifiëren of de verzoeker voorkomt in:
### 9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b
Een verzoeker die de Hongaarse nationaliteit bezit, kan eerst nadat hij is genaturaliseerd tot Nederlander de Hongaarse autoriteiten verzoeken of hij ontslag kan krijgen uit het Hongaarse staatsverband.
Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium “ernstig gevaar voor openbare orde” ([artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). Zij dienen door iedereen op dezelfde wijze te worden uitgevoerd. Deze regels vervangen artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels dient men er dus altijd op bedacht te zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.
Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een verzoek dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden afgewezen, toch moet worden ingewilligd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de **Handleiding RWN 2003**geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.
### paragraaf 6. Procedure
In de naturalisatieprocedure wordt het verzoek om naturalisatie ingediend bij de burgemeester, die een onderzoek instelt en daarover adviseert aan de Minister van Justitie. Het advies ziet onder meer op de vraag of er ernstige vermoedens bestaan om aan te nemen dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt.
De burgemeester moet, ongeacht hetgeen de verzoeker zelf verklaart, voor ieder verzoek om naturalisatie de Justitiële documentatiedienst (JDD) raadplegen (zie model 2.20). Indien uit de JDD gegevens met betrekking tot misdrijven naar voren komen die niet overeenkomen met hetgeen de verzoeker zelf heeft verklaard, dient de burgemeester dat op het adviesblad te vermelden. De verzoeker dient in dat geval door de IND in de gelegenheid te worden gesteld zijn zienswijze daarop naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). Deze zienswijze van verzoeker wordt bij de beoordeling van het verzoek betrokken.
Iedere verzoeker dient door middel van een verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag (zie model 2.3) schriftelijk te verklaren of hij, of een van de in het verzoek genoemde personen ouder dan zestien jaar, al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie. De verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag omvat meerdere verklaringen. Indien verzoeker aangeeft dat hij een of meer van deze verklaringen niet naar waarheid kan afleggen, moet de burgemeester:
Verder dient de burgemeester contact op te nemen met de korpschef om te verifiëren of de verzoeker voorkomt in:
De burgemeester moet, ongeacht hetgeen de verzoeker zelf verklaart, voor ieder verzoek om naturalisatie de Justitiële documentatiedienst (JDD) raadplegen (zie model 2.20). Indien uit de JDD gegevens met betrekking tot misdrijven naar voren komen die niet overeenkomen met hetgeen de verzoeker zelf heeft verklaard, dient de burgemeester dat op het adviesblad te vermelden. De verzoeker dient in dat geval door de IND in de gelegenheid te worden gesteld zijn zienswijze daarop naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). Deze zienswijze van verzoeker wordt bij de beoordeling van het verzoek betrokken.
De verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie is ook na inwerkingtreding van het voorstel tot wijziging van de RWN op 1 januari 2002 blijven bestaan, zij het met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd in het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (**Trb.**1994, 265), hierna te noemen: Tweede Protocol. De uitgangspunten in het Tweede Protocol zijn neergelegd in [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), zoals dit luidt met ingang van 1 april 2003 (zie de toelichting bij artikel 9, derde lid, RWN).
Verder dient de burgemeester contact op te nemen met de korpschef om te verifiëren of de verzoeker voorkomt in:
De verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie is ook na inwerkingtreding van het voorstel tot wijziging van de RWN op 1 januari 2002 blijven bestaan, zij het met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd in het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (**Trb.**1994, 265), hierna te noemen: Tweede Protocol. De uitgangspunten in het Tweede Protocol zijn neergelegd in [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), zoals dit luidt met ingang van 1 april 2003 (zie de toelichting bij artikel 9, derde lid, RWN).
In deze gevallen dient de verzoeker bij het in behandeling nemen van zijn verzoek een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij bereid is, na de totstandkoming van de naturalisatie, afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Overigens, in de praktijk geldt in alle gevallen dat eerst afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeft te worden gedaan nadat de naturalisatie tot stand is gekomen.
### 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
De verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie is ook na inwerkingtreding van het voorstel tot wijziging van de RWN op 1 januari 2002 blijven bestaan, zij het met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd in het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (**Trb.**1994, 265), hierna te noemen: Tweede Protocol. De uitgangspunten in het Tweede Protocol zijn neergelegd in [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), zoals dit luidt met ingang van 1 april 2003 (zie de toelichting bij artikel 9, derde lid, RWN).
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
Hoofdregel is dat een vreemdeling die verzoekt om naturalisatie afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is alleen anders indien het doen van afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd. Daarnaast zijn er categorieën verzoekers om naturalisatie waarop het vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is ([artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
Indien een staat voor het doen van afstand van de nationaliteit slechts een kleine vergoeding vraagt, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het bedrag dat de staat hiervoor vraagt, zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
Niet alle verzoekers zijn verplicht om afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en). In [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) wordt een vijftal uitzonderingen genoemd. Daarnaast zijn er vreemdelingen van wie redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en) ([artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). Samengevat komt het erop neer dat de hieronder genoemde categorieën verzoekers geen afstand hoeven te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit:
Indien een verzoeker een beroep wenst te doen op deze uitzondering op de afstandsverplichting, dient hij, voor zover van toepassing, de volgende, meest recente bewijsstukken te overleggen:
### paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
Als niet-zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die zijn inkomsten verwerft anders dan uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
### 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
In dit kader geldt als vermogen het gemiddelde van de rendementsgrondslagen, bedoeld in [artikel 5.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.2) (vergelijk [artikel 1, eerste lid, onder o, Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1)).
In deze gevallen dient de verzoeker bij het in behandeling nemen van zijn verzoek een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij bereid is, na de totstandkoming van de naturalisatie, afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Overigens, in de praktijk geldt in alle gevallen dat eerst afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeft te worden gedaan nadat de naturalisatie tot stand is gekomen.
Een verzoeker die de Hongaarse nationaliteit bezit, kan eerst nadat hij is genaturaliseerd tot Nederlander de Hongaarse autoriteiten verzoeken of hij ontslag kan krijgen uit het Hongaarse staatsverband.
Voor de vaststelling van het netto maandinkomen wordt uitgegaan van het inkomen voorafgaand aan het jaar van indienen van het verzoek om naturalisatie
Indien verzoeker, wegens het feit dat hij substantieel financieel nadeel lijdt omdat hij voor de afstand een hoog bedrag moet betalen, geen afstand wenst te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit en waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie.
### paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Indien een staat voor het doen van afstand van de nationaliteit slechts een kleine vergoeding vraagt, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het bedrag dat de staat hiervoor vraagt, zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
A lijdt door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Zijn netto maandinkomen is immers hoger dan het bedrag dat hij moet betalen voor het doen van afstand. Hij moet afstand doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
Indien een verzoeker een beroep wenst te doen op deze uitzondering op de afstandsverplichting, dient hij, voor zover van toepassing, de volgende, meest recente bewijsstukken te overleggen:
### paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
Als niet-zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die zijn inkomsten verwerft anders dan uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
In dit kader geldt als vermogen het gemiddelde van de rendementsgrondslagen, bedoeld in [artikel 5.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.2) (vergelijk [artikel 1, eerste lid, onder o, Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1)).
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
Als zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die inkomsten verwerft uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
### 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
Voor de vaststelling van het vermogen wordt uitgegaan van de toestand van het vermogen op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar van het indienen van het verzoek om naturalisatie.
### 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
A lijdt door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Zijn netto maandinkomen is immers hoger dan het bedrag dat hij moet betalen voor het doen van afstand. Hij moet afstand doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
B lijdt door het betalen van het bedrag voor het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Weliswaar is zijn netto maandinkomen lager dan het bedrag aan leges, maar zijn in aanmerking te nemen vermogen bedraagt 14.656 (150.000 minus 70.000 = 80.000 van welk bedrag 65.344 niet wordt meegerekend). Daarmee zit hij ruim boven de vermogensgrens van 6370.
B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzondering en moet afstand van de nationaliteit van land Y doen.
Verzoekster A heeft de nationaliteit van land Z en is 40 jaar oud. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie overlegt zij verklaringen van de autoriteiten van land Z, waaruit blijkt dat zij een pensioen heeft opgebouwd van 2000 en dat pensioenbedragen alleen worden uitgekeerd aan personen met de nationaliteit van land Z die de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. De betreffende wettelijke bepalingen zijn bijgevoegd. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat A in Nederland een spaartegoed heeft van 3000 en in Duitsland een spaartegoed heeft van 2000. A behoeft geen afstand te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit. Haar opgebouwd pensioen kan thans niet te gelde worden gemaakt, zodat zij dat pensioen zal verliezen door het doen van afstand. Het te verliezen bedrag van 2000 is voorts groter dan een vierde deel van haar overig vermogen van 5000.
### 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
B behoeft door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel te lijden. Weliswaar heeft hij genoegzaam aangetoond dat hij eigenaar van een stuk grond is met een aanzienlijke waarde en dat hij de grond door het doen van afstand zou verliezen, maar uit de stukken blijkt niet dat hij de grond slechts onder onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden kan verkopen. Integendeel. Het is een braakliggend stuk grond dat hij met een goede winst kan verkopen. B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie.
### paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
### 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
Als maximum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan tien maal het bedrag van het normale tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker een bedrag verliest dat hoger ligt dan (of gelijk is aan) tien maal het bedrag van het normale tarief, kan altijd – ongeacht het vermogen van verzoeker – met succes een beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo hoog dat het te lijden nadeel als substantieel kan worden aangemerkt.
### 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
### 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
Verzoekster A heeft de nationaliteit van land Z en is 40 jaar oud. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie overlegt zij verklaringen van de autoriteiten van land Z, waaruit blijkt dat zij een pensioen heeft opgebouwd van 2000 en dat pensioenbedragen alleen worden uitgekeerd aan personen met de nationaliteit van land Z die de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. De betreffende wettelijke bepalingen zijn bijgevoegd. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat A in Nederland een spaartegoed heeft van 3000 en in Duitsland een spaartegoed heeft van 2000. A behoeft geen afstand te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit. Haar opgebouwd pensioen kan thans niet te gelde worden gemaakt, zodat zij dat pensioen zal verliezen door het doen van afstand. Het te verliezen bedrag van 2000 is voorts groter dan een vierde deel van haar overig vermogen van 5000.
### 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
Is dat bedrag lager dan een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is geen sprake van substantieel financieel nadeel en kan verzoeker geen beroep doen op deze uitzondering (met inachtneming van het minimum en maximum financieel nadeel).
### 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 4. Bewijsstukken
B behoeft door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel te lijden. Weliswaar heeft hij genoegzaam aangetoond dat hij eigenaar van een stuk grond is met een aanzienlijke waarde en dat hij de grond door het doen van afstand zou verliezen, maar uit de stukken blijkt niet dat hij de grond slechts onder onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden kan verkopen. Integendeel. Het is een braakliggend stuk grond dat hij met een goede winst kan verkopen. B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie.
### paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
Door betrokkene zal aan de hand van recente verklaringen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, moeten aantonen dat hij dienstplichtig is, dat hij zijn militaire dienst nog niet heeft vervuld en dat hij slechts afstand van die nationaliteit kan doen na vervulling (door middel van werkelijke dienst, al dan niet met afkoop van een gedeelte daarvan) aldaar van de militaire dienst.
Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. Hij overlegt een twee jaar oude verklaring van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij wordt opgeroepen voor het vervullen van de militaire dienst. Tevens overlegt hij een verklaring van de autoriteiten waarin staat dat personen die de dienstplicht nog moeten vervullen geen afstand kunnen doen van de nationaliteit van land Z. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands.
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de bestaande uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk en in een voorkomend geval aan de hand van berekeningen – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Hij wordt erop gewezen dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen indien een beroep op de uitzonderingscategorie niet wordt gehonoreerd en dat het bedrag aan betaalde leges in dat geval niet wordt teruggegeven.
### 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
Indien verzoeker vervolgens een beroep wenst te doen op een van de uitzonderingen 4 tot en met 9 moet hij bij het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarin hij aangeeft dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit (zie model 2.4 en model 2.5). Uit de bereidheidsverklaring moet duidelijk blijken op welke uitzonderingscategorie een beroep wordt gedaan. Aan de hand van door hem overgelegde documenten/bewijsstukken (zie hierboven paragraaf 4 zal verzoeker moeten aantonen dat hij valt onder die uitzonderingscategorie.
### paragraaf 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
Indien een staat niet wordt erkend, wordt vanzelfsprekend ook de nationaliteit van deze staat niet erkend. In een dergelijk geval afstand eisen, betekent ook dat van een niet-erkende staat afkomstige bewijsstukken inzake het verlies van de nationaliteit door de Nederlandse autoriteiten in ontvangst en in behandeling worden genomen. Omdat dit niet strookt met het beginsel dat met een niet-erkende staat geen uitwisseling van officiële stukken plaatsvindt, wordt aan personen afkomstig uit staten die niet worden erkend door Nederland niet gevraagd afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Voorbeeld van een niet-erkende staat is Taiwan.
Is dat bedrag lager dan een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is geen sprake van substantieel financieel nadeel en kan verzoeker geen beroep doen op deze uitzondering (met inachtneming van het minimum en maximum financieel nadeel).
### Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
De schrijfwijze van de namen van staten is conform de ‘lijst van landnamen’, de officiële schrijfwijze voor het Nederlandse taalgebied, van de Werkgroep Buitenlandse Aardrijkskundige namen, 1994.
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
Indien verzoeker vervolgens een beroep wenst te doen op een van de uitzonderingen 4 tot en met 9 moet hij bij het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarin hij aangeeft dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit (zie model 2.4 en model 2.5). Uit de bereidheidsverklaring moet duidelijk blijken op welke uitzonderingscategorie een beroep wordt gedaan. Aan de hand van door hem overgelegde documenten/bewijsstukken (zie hierboven paragraaf 4 zal verzoeker moeten aantonen dat hij valt onder die uitzonderingscategorie.
### 9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid
### Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Een verzoeker die bereid is afstand te doen, wordt in de voorlichtingsfase verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit teneinde te informeren naar de wijze waarop afstand van die nationaliteit kan worden gedaan (kan afstand worden gedaan op een ambassade of consulaire post in Nederland, kan alleen afstand worden gedaan in het land van herkomst, dient voor het doen van afstand te worden betaald etc.) én naar de (eventuele) gevolgen van het doen van afstand (bijvoorbeeld het verlies van vermogensrechtelijke rechten). Dit is om te voorkomen dat verzoeker, na de totstandkoming van de naturalisatie tot Nederlander, bij het doen van afstand wordt geconfronteerd met daaraan verbonden voorwaarden waaraan hij niet kan of niet wenst te voldoen. Na de totstandkoming van de naturalisatie kan hij immers niet meer met succes een beroep doen op één van de uitzonderingscategorieën. In dat kader is van belang dat uit de door verzoeker ondertekende bereidheidsverklaring blijkt dat hij in verband met het doen van afstand is gewezen op de uitzonderingscategorieën en dat hij tevens is verwezen naar de autoriteiten waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie omtrent het doen van afstand.
### Bijlage 1
Een verzoeker, burger van Bosnië-Herzegovina, is geboren in Aruba. Kort na zijn geboorte vertrekt hij met zijn ouders naar Australië. Na zijn meerderjarigheid vestigt hij zich in Nederland. Zodra hij aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoet, dient hij een verzoek in. Van verzoeker wordt niet verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Immers, hij is in Aruba geboren en heeft ten tijde van het indienen van zijn verzoek om naturalisatie hoofdverblijf in Nederland.
### 9-3-c. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder c
Het postadres is: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Stafdirectie Uitvoeringsbeleid, afdeling uitvoeringsbeleid, Postbus 5800, 2280 HV Rijswijk.
### Ad artikel 9, derde lid
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op
E = partij bij het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg
### 9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op
### paragraaf 1. Algemeen
Dit artikellid geeft een opsomming van categorieën verzoekers om naturalisatie op wie het in het eerste lid aanhef en onder b van dit artikel neergelegde vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is. De hier vermelde uitzonderingen berusten op verdragsverplichtingen (in het bijzonder het Tweede Protocol en het Vluchtelingenverdrag van Geneve van 28 juli 1951).
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
Verzoekster is geboren in Brazilië en heeft bij geboorte de Braziliaanse nationaliteit. Als zij tien jaar is, verhuist zij naar Aruba. Na twee jaar op Aruba te hebben gewoond, verhuist zij naar Bonaire. Op zestienjarige leeftijd gaat zij terug naar Brazilië. Wanneer zij 31 jaar oud is, vestigt zij zich weer op Bonaire. Op 36-jarige leeftijd dient zij aldaar een verzoek om naturalisatie in.
Een verzoeker, burger van Bosnië-Herzegovina, is geboren in Aruba. Kort na zijn geboorte vertrekt hij met zijn ouders naar Australië. Na zijn meerderjarigheid vestigt hij zich in Nederland. Zodra hij aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoet, dient hij een verzoek in. Van verzoeker wordt niet verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Immers, hij is in Aruba geboren en heeft ten tijde van het indienen van zijn verzoek om naturalisatie hoofdverblijf in Nederland.
### 9-3-c. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder c
Verzoekster is geboren in Brazilië en heeft bij geboorte de Braziliaanse nationaliteit. Als zij tien jaar is, verhuist zij naar Aruba. Na twee jaar op Aruba te hebben gewoond, verhuist zij naar Bonaire. Op zestienjarige leeftijd gaat zij terug naar Brazilië. Wanneer zij 31 jaar oud is, vestigt zij zich weer op Bonaire. Op 36-jarige leeftijd dient zij aldaar een verzoek om naturalisatie in.
Van verzoekster wordt niet verlangd dat zij afstand doet van haar oorspronkelijke nationaliteit nu zij vóór het bereiken van de meerderjarige leeftijd een aaneengesloten periode van vijf jaar haar hoofdverblijf in Aruba en de Nederlandse Antillen heeft gehad.
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [11.2 t/m 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [26.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
Geen.
Dit artikel biedt de mogelijkheid van naturalisatie wanneer aan bepaalde voorwaarden niet is voldaan. Uitgangspunt is dat er sprake is van een zeer ‘bijzonder geval’. In uitzonderlijke gevallen kunnen er belangen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn om van die voorwaarden af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse belangen zich voordoen, zoals op het gebied van de internationale economische en culturele betrekkingen. In concreto kan worden gedacht aan vreemdelingen die in aanmerking komen voor een functie waarvoor het Nederlanderschap is vereist of gewenst en eventueel hun echtgenoten/partners. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie.
Vóór 1 april 2003 konden minderjarigen, die niet hadden gedeeld in de verlening van het Nederlanderschap aan de ouder(s), onder voorwaarden op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden voorgedragen voor naturalisatie. Voor deze minderjarigen is thans een bijzondere naturalisatieprocedure opgenomen in [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11).
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [11.2 t/m 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [26.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
Geen.
### 10-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 1. Algemeen
Dit artikel biedt de mogelijkheid van naturalisatie wanneer aan bepaalde voorwaarden niet is voldaan. Uitgangspunt is dat er sprake is van een zeer ‘bijzonder geval’. In uitzonderlijke gevallen kunnen er belangen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn om van die voorwaarden af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse belangen zich voordoen, zoals op het gebied van de internationale economische en culturele betrekkingen. In concreto kan worden gedacht aan vreemdelingen die in aanmerking komen voor een functie waarvoor het Nederlanderschap is vereist of gewenst en eventueel hun echtgenoten/partners. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie.
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
### 2.4. Na-naturalisatie
### paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
### paragraaf 2.2. Humanitaire redenen
### paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
Of een sporter direct na de naturalisatie tot Nederlander daadwerkelijk op een internationaal concours of een internationale sportwedstrijd kan uitkomen als Nederlander is echter afhankelijk van de regels van de nationale sportbond van het herkomstland. Is op grond van deze regels deelname namens Nederland pas mogelijk na het verstrijken van een bepaalde periode, de zgn. blokkeringstermijn, dan kan bij de nationale sportbond van het land van herkomst om ontheffing of bekorting van deze termijn worden verzocht.
### paragraaf 3.4. Advies VWS
Met het ministerie van VWS is een aantal afspraken gemaakt met betrekking tot het advies aan de Minister van Justitie. Naast de toetsing aan de bovengenoemde richtlijnen uit de circulaire d.d. 9 april 1999 zal de Staatssecretaris van VWS in het advies aan de volgende onderwerpen aandacht besteden:
### 3.2. Niveau van sportbeoefening
### paragraaf 3. Topsporters
Een bijzonder geval kan zich voordoen als blijkt dat de verlening van het Nederlanderschap in zodanige mate een Nederlands cultureel belang dient, dat afwijking van één of meer reguliere voorwaarden wordt gerechtvaardigd. Onder een Nederlands cultureel belang wordt tevens verstaan een Nederlands belang op sportief gebied.
Het voorgaande geldt niet indien het een vreemdeling betreft waarvan de IND aan de Staatssecretaris van VWS in het verzoek om advies heeft laten weten dat de Nederlandse nationale sportbond dan wel het Nederlands Olympisch Comité geen contact met vertegenwoordigers van het herkomstland dient op te nemen.
Om vast te kunnen stellen of met de naturalisatie van verzoeker een Nederlands belang op sportief gebied is gediend, wordt de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om advies gevraagd. Alleen indien bij het verzoek tot naturalisatie mede een verklaring van een Nederlandse sportbond wordt overgelegd inhoudende dat naturalisatie een Nederlands sportbelang op korte termijn dient, verzoekt de Minister van Justitie om advisering ter zake door de Staatssecretaris van VWS. Zonder een dergelijke ondersteunende verklaring wordt de zaak niet aan VWS aangeboden, maar direct afgewezen.
De Staatssecretaris van VWS laat zich ondersteunend adviseren door de desbetreffende nationale sportbond, maar heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het advies aan de Minister van Justitie.
[10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
Bij circulaire d.d. 9 april 1999, kenmerk S/BOA-99440 heeft de Staatssecretaris van VWS richtlijnen opgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of wordt voldaan aan het vereiste van een aanwezig Nederlands belang op sportief gebied. De circulaire stelt de eis dat de betrokkene bij de desbetreffende Nederlandse landelijke sportorganisatie op het niveau van de nationale top presteert. Dit betekent volgens de circulaire:
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
### 3.5. Beslissing
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:233](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233) en [1:253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha)
Met het ministerie van VWS is een aantal afspraken gemaakt met betrekking tot het advies aan de Minister van Justitie. Naast de toetsing aan de bovengenoemde richtlijnen uit de circulaire d.d. 9 april 1999 zal de Staatssecretaris van VWS in het advies aan de volgende onderwerpen aandacht besteden:
### 11-alg. Toelichting algemeen
Dit artikel bevat bepalingen met betrekking tot de medeverlening van het Nederlanderschap aan minderjarigen en jongvolwassenen. Het artikel is sedert 1 april 2003 aangepast aan de ontwikkelingen op nationaliteitsrechtelijk terrein en heeft mede ten doel de rechtspositie van minderjarige kinderen bij medeverlening van de Nederlandse nationaliteit te verbeteren. Zo is in de wet tot uitdrukking gebracht dat naarmate een kind ouder wordt, hij meer inspraak heeft in het al dan niet verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit.
In het geval dat het advies van de Staatssecretaris van VWS inzake de ontheffing van een voor de verzoeker geldende blokkeringstermijn geen stukken bevat, die leiden tot de conclusie dat de verzoeker op korte termijn als genaturaliseerde Nederlander voor Nederland zou kunnen uitkomen, dient het verzoek tot naturalisatie te worden afgewezen.
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
[10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
[BOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831&artikel=3)
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
Geen.
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
### Ad artikel 11, vierde lid
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikel 36.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36); [36.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [36.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [Boek 1, titel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=2)
[WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580): [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=4) en [5b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=5b)
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
A is zeventien jaar op het moment dat zijn vader een verzoek om naturalisatie indient en daarbij vraagt om medenaturalisatie van A. Tijdens de behandeling van het verzoek wordt A achttien jaar. Op het moment dat de vader bij koninklijk besluit wordt genaturaliseerd, voldoet A aan de voorwaarden in [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) met uitzondering van het vereiste van minderjarigheid. Van de IND ontvangt hij een beschikking die inhoudt dat het verzoek om medenaturalisatie is afgewezen. A gaat hierna twee jaar in Groot-Brittannië wonen om te werken. Vervolgens hervestigt hij zich in Nederland en heeft daar drie jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf op het moment dat hij een verzoek om naturalisatie indient. A kan niet met succes een beroep doen op [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie is immers niet aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheid van A.
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. “Feitelijk behoren tot het gezin” van de vader of moeder houdt in het kader van de RWN in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s)64Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.. De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.
Zonder expliciete naamsvaststelling of naamswijziging is het koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap niet bepalend voor de namen van de verzoeker. Dit vloeit voort uit [artikel 4, tweede lid, WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=4) waarvan de tekst luidt:
### 11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid
In beginsel is het niet mogelijk dat een gehuwde vrouw bij de naturalisatie haar eigen geslachtsnaam laat wijzigen in die van haar (Nederlandse) echtgenoot. Immers, naar Nederlands recht mag de geslachtsnaam van de echtgenoot officieel niet worden toegevoegd aan de naam van de vrouw, noch draagt de vrouw rechtens de naam van haar echtgenoot. Wel is het toegestaan dat de vrouw in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van haar echtgenoot voert.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel IB.A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IB)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikel 36.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36); [36.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [36.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [Boek 1, titel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=2)
[WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580): [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=4) en [5b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=5b)
Geen.
In beginsel is het niet mogelijk dat een gehuwde vrouw bij de naturalisatie haar eigen geslachtsnaam laat wijzigen in die van haar (Nederlandse) echtgenoot. Immers, naar Nederlands recht mag de geslachtsnaam van de echtgenoot officieel niet worden toegevoegd aan de naam van de vrouw, noch draagt de vrouw rechtens de naam van haar echtgenoot. Wel is het toegestaan dat de vrouw in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van haar echtgenoot voert.
De Minister van Justitie is gemachtigd correcties aan te brengen in een koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap. De machtiging is uitsluitend verleend om kennelijke administratieve misslagen in de vermelde persoonsgegevens van de verzoeker te herstellen. De kennelijke misslag dient een gevolg te zijn van (administratieve dan wel een vertalings) onoplettendheid. Onder een ‘kennelijke administratieve misslag’ wordt niet verstaan het geval waarin de verzoeker na de verlening van het Nederlanderschap één of meer persoonsgegevens (namen, geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland) wenst te corrigeren, omdat hij is genaturaliseerd onder onjuiste, maar wel door hem aangeleverde, persoonsgegevens. De doorlopende machtiging is verleend voor de volgende kennelijke misstellingen in naturalisatiebesluiten:
Bij verlening van het Nederlanderschap is het Nederlands namenrecht van toepassing ([artikel 4, eerste lid, WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=4)). Uitgangspunt is dat de naturalisatie plaatsvindt met toepassing van de namen van de verzoeker in de GBA. Aan deze namen dient verder zo weinig mogelijk te worden gesleuteld.
Zonder expliciete naamsvaststelling of naamswijziging is het koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap niet bepalend voor de namen van de verzoeker. Dit vloeit voort uit [artikel 4, tweede lid, WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=4) waarvan de tekst luidt:
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### 12-1. Toelichting ad artikel 12, eerste lid
### paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
### paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
Een kind deelt uitsluitend in de naamsvaststelling of naamswijziging van de verzoeker indien het:
Onder deze omstandigheden kan niet onmiddellijk naturalisatie plaatsvinden. Zowel de geboorteakte (identiteit) als de affidavit (later verkregen geslachtsnaam) dienen éérst te worden gelegaliseerd en geverifieerd door de Nederlandse vertegenwoordiging te India. Daarna dient de naamsvaststelling plaats te vinden, waarbij B wordt genaturaliseerd onder de geslachtsnaam van haar Nederlandse echtgenoot.
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
De tweejarige A is het eerste kind van een Nederlandse moeder en haar Pakistaanse echtgenoot. Omdat de vader van A een naamsketen draagt, verkrijgt A bij zijn geboorte de geslachtsnaam van zijn moeder: ‘Jansen’. Onlangs heeft de vader van A een verzoek om naturalisatie ingediend en thans wordt hem het Nederlanderschap verleend. Zijn geslachtsnaam wordt vastgesteld als ‘Khan’. Aangezien A de Nederlandse nationaliteit bezit, was hij geen subject van het verzoek om naturalisatie van zijn vader. Hij deelt daarom niet in de vaststelling van de geslachtsnaam van zijn vader en behoudt de bij zijn geboorte verkregen geslachtsnaam ‘Jansen’. De na de naturalisatie van de heer Khan geboren kinderen verkrijgen allen eveneens de geslachtsnaam ‘Jansen’. Immers, volgende kinderen van dezelfde ouders hebben op grond van [artikel 1:5, zevende lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=5) dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind.
### paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit
De Minister van Justitie is gemachtigd correcties aan te brengen in een koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap. De machtiging is uitsluitend verleend om kennelijke administratieve misslagen in de vermelde persoonsgegevens van de verzoeker te herstellen. De kennelijke misslag dient een gevolg te zijn van (administratieve dan wel een vertalings) onoplettendheid. Onder een ‘kennelijke administratieve misslag’ wordt niet verstaan het geval waarin de verzoeker na de verlening van het Nederlanderschap één of meer persoonsgegevens (namen, geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland) wenst te corrigeren, omdat hij is genaturaliseerd onder onjuiste, maar wel door hem aangeleverde, persoonsgegevens. De doorlopende machtiging is verleend voor de volgende kennelijke misstellingen in naturalisatiebesluiten:
Verzoeker, van Venezolaanse nationaliteit, draagt volgens zijn gelegaliseerde geboorteakte (en volgens de door een beëdigd vertaler opgestelde vertaling) de geslachtsnaam ‘Fernandez’. Echter, hij gaat al sinds jaar en dag door het leven met de geslachtsnaam ‘Hernandez’. In zijn paspoort en huwelijksakte staat dan ook de naam ‘Hernandez’. Verzoeker heeft nooit pogingen ondernomen zijn naam te laten corrigeren in het Venezolaanse bevolkingsregister.
Blijkt in de procedure dat een verzoeker met een naamsketen (namenreeks) niet wenst dat bij zijn naturalisatie een geslachtsnaam voor hem wordt vastgesteld, dan leidt dat tot een afwijzing van het naturalisatieverzoek op grond van niet-inburgering. Verzoeker voldoet alsdan niet aan de in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) gestelde voorwaarde van ‘zich ook overigens in de Nederlandse (Nederlands Antilliaanse of Arubaanse) samenleving hebben doen opnemen’.
### Ad artikel 12, eerste lid
Verzoeker is geboren in Egypte en heeft de Egyptische nationaliteit. Zijn geboorteakte is vanuit het Arabisch schrift overgebracht in het Latijns schrift. Volgens deze vertaling, opgesteld door een beëdigd vertaler, heeft verzoeker de naamsketen ‘Sayeed Muhammad Ben Sawi’, maar in alle overige overgelegde documenten is de tweede naam gespeld als ‘Mohamed’. Verzoeker verklaart dat hij sinds jaar en dag door het leven gaat met de naam ‘Mohamed’ en dat hij onder deze naam wenst te worden genaturaliseerd. Uitgangspunt voor de transcriptie is dat de namen worden omgezet over eenkomstig de door een beëdigd vertaler opgestelde vertaling van de geboorteakte. Tenzij betrokkene vóór de indiening van zijn verzoek een andere vertaling van een beëdigd vertaler overlegt, worden zijn voornamen vastgesteld als ‘Sayeed Muhammad’ en zijn geslachtsnaam als ‘Ben Sawi’.
### paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
### 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
B is geboren in India en bezit de Indiase nationaliteit. Naar eigen zeggen heeft zij overeenkomstig het Indiaas namenrecht de geslachtsnaam van haar Nederlandse echtgenoot verkregen. De naam op haar geboorteakte is dan ook niet de naam waaronder zij genaturaliseerd wil worden. B overlegt een voor de Indiase rechtbank afgelegde affidavit, waaruit blijkt dat zij dezelfde persoon is als de persoon die in de geboorteakte staat vermeld.
### 1. Namenreeks of naamsketen
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
### 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
Verzoeker, van Venezolaanse nationaliteit, draagt volgens zijn gelegaliseerde geboorteakte (en volgens de door een beëdigd vertaler opgestelde vertaling) de geslachtsnaam ‘Fernandez’. Echter, hij gaat al sinds jaar en dag door het leven met de geslachtsnaam ‘Hernandez’. In zijn paspoort en huwelijksakte staat dan ook de naam ‘Hernandez’. Verzoeker heeft nooit pogingen ondernomen zijn naam te laten corrigeren in het Venezolaanse bevolkingsregister.
Geen.
Hierbij moet worden gedacht aan overbrenging van de namen vanuit bijvoorbeeld het Arabisch, Chinees of Cyrillisch schrift naar het Latijns schrift. Met betrekking tot deze overbrenging dient altijd te worden overlegd met de verzoeker ([artikel 36, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Voor de transcriptie is echter géén expliciete toestemming van de verzoeker vereist.
Verzoeker is geboren in Egypte en heeft de Egyptische nationaliteit. Zijn geboorteakte is vanuit het Arabisch schrift overgebracht in het Latijns schrift. Volgens deze vertaling, opgesteld door een beëdigd vertaler, heeft verzoeker de naamsketen ‘Sayeed Muhammad Ben Sawi’, maar in alle overige overgelegde documenten is de tweede naam gespeld als ‘Mohamed’. Verzoeker verklaart dat hij sinds jaar en dag door het leven gaat met de naam ‘Mohamed’ en dat hij onder deze naam wenst te worden genaturaliseerd. Uitgangspunt voor de transcriptie is dat de namen worden omgezet over eenkomstig de door een beëdigd vertaler opgestelde vertaling van de geboorteakte. Tenzij betrokkene vóór de indiening van zijn verzoek een andere vertaling van een beëdigd vertaler overlegt, worden zijn voornamen vastgesteld als ‘Sayeed Muhammad’ en zijn geslachtsnaam als ‘Ben Sawi’.
Wijziging van de namen in het kader van de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend wanneer verzoeker te kennen geeft daaraan behoefte te hebben én dit gelet op de inburgering van belang is. Een verzoeker kan dus niet worden verplicht tot naamswijziging. In geval van naamswijziging wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de door de betrokkenen uitgesproken voorkeur.
Verzoeker heeft de Russische nationaliteit en bezit volgens zijn (Russische) geboorteakte een patronymicum. Hij staat (derhalve) ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) met het patronymicum. Verzoeker verklaart echter dat hij zonder het patronymicum wenst te worden genaturaliseerd. Het Russisch patronymicum is een tussennaam (‘otchestvo’ in het Russisch), gebaseerd op de eerste naam van de vader. Het Russisch patronymicum maakt geen onderdeel uit van de geslachtsnaam. Als tussennaam kan het patronymicum uitsluitend in combinatie met de geslachtsnaam worden gewijzigd dan wel vervallen, en dan uitsluitend wanneer dit voor de inburgering van belang is.
### Artikel 13
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [11.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### Toelichting
[BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782): [artikelen 1 t/m 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=1)
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
### 1.1. Tarieven
TOS: artikel 7.2
Geen.
Niet vaak zal (nog) voorkomen dat een optierecht op het Nederlanderschap bestaat op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Indonesië (TOI, **Stb.**1949, J 570) of de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS, **Stb.**1975, 132). Voor deze opties (artikel 10 TOI en artikel 7, tweede lid, TOS) geldt, dat voor de verkrijging van het Nederlanderschap niet een bevestiging nodig is, noch dat leges moeten worden betaald. De optant verkrijgt het Nederlanderschap op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Op deze opties zijn het [BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782) en het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) niet van toepassing.
### paragraaf 1. Optiegelden
In geval van een zelfstandige optie door een minderjarige is er in beginsel geen reden om met betrekking tot de optiegelden anders te handelen dan in geval van optie door een meerderjarige. In beide gevallen wordt een zelfde inspanning van de gemeente vereist. In beginsel betaalt de minderjarige optant dan ook tarief A voor zijn optieverklaring. Worden echter tegelijkertijd door twee kinderen binnen één gezin optieverklaringen afgelegd, dan wordt tarief B in rekening gebracht. Tarief B wordt tevens in rekening gebracht indien meer dan twee kinderen uit één gezin tegelijkertijd optieverklaringen afleggen. Het derde en volgende kind(eren) wordt ontheffing verleend van het betalen van optiegelden, omdat anders financiële redenen ertoe zouden kunnen leiden dat binnen gezinnen verschillen in nationaliteit ontstaan (vergelijk de nota van toelichting bij [artikel 4 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)). Het is daarom niet redelijk in geval van een gelijktijdige optieverklaring door meerdere kinderen binnen een gezin een hoger bedrag aan leges op te leggen dan het bedrag in geval van een gemeenschappelijk verzoek.
### Ad artikel 13, eerste lid
Tarief B is verschuldigd indien twee optieverklaringen gelijktijdig worden afgelegd door twee:
In beginsel zijn de tarieven E of F verschuldigd voor de behandeling van één dan wel de behandeling van twee gelijktijdig indiende verzoek(en) om naturalisatie.
De volgende categorieën optanten zijn vrijgesteld van leges ([artikel 4, eerste lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)):
In geval van min- en onvermogen van de verzoeker(s) is het laag tarief van toepassing.
Ingevolge [artikel 4, derde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4) bestaat de mogelijkheid in twee situaties ontheffing van de leges te verlenen. Hierbij moet het gaan om optieverklaringen van:
In geval van een zelfstandige optie door een minderjarige is er in beginsel geen reden om met betrekking tot de optiegelden anders te handelen dan in geval van optie door een meerderjarige. In beide gevallen wordt een zelfde inspanning van de gemeente vereist. In beginsel betaalt de minderjarige optant dan ook tarief A voor zijn optieverklaring. Worden echter tegelijkertijd door twee kinderen binnen één gezin optieverklaringen afgelegd, dan wordt tarief B in rekening gebracht. Tarief B wordt tevens in rekening gebracht indien meer dan twee kinderen uit één gezin tegelijkertijd optieverklaringen afleggen. Het derde en volgende kind(eren) wordt ontheffing verleend van het betalen van optiegelden, omdat anders financiële redenen ertoe zouden kunnen leiden dat binnen gezinnen verschillen in nationaliteit ontstaan (vergelijk de nota van toelichting bij [artikel 4 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)). Het is daarom niet redelijk in geval van een gelijktijdige optieverklaring door meerdere kinderen binnen een gezin een hoger bedrag aan leges op te leggen dan het bedrag in geval van een gemeenschappelijk verzoek.
### 1.3. Ontheffing van optiegelden
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
### 2. Naturalisatiegelden
In het geval van een zelfstandig verzoek van een minderjarige wordt het toepasselijk tarief (gewoon of verminderd tarief) bepaald aan de hand van het inkomen van de wettelijke vertegenwoordiger(s) van het kind.
In het geval een inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand wordt overgelegd, vindt beoordeling of de verzoeker in aanmerking komt voor het lage tarief plaats door middel van een omrekening aan de hand van de “[Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004482)” van het in de inkomensverklaring vermelde belastbare jaarinkomen naar de op de verzoeker toepasselijke norm uit de Wwb. De omgerekende jaarbedragen zijn vermeld in onderstaande tabel.
### 2.4. Beoordeling of laag tarief van toepassing is
Ter vaststelling of een verzoeker die een inkomensverklaring, afgegeven door de raad voor rechtsbijstand overlegt, in aanmerking komt voor een laag tarief geldt onderstaande omrekentabel. Aan de hand van de bedragen in die tabel wordt bepaald of een verzoeker voor een laag tarief in aanmerking komt. Is het inkomen en vermogen van verzoeker(s) niet hoger dan het op de situatie van de verzoeker(s) van toepassing zijnde bedrag in de tabel, dan komt of komen verzoeker(s) in aanmerking voor een laag tarief.
### 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
Verzoeker, alleenstaande, ouder dan 21 maar jonger dan 65, dient een naturalisatieverzoek in. Verzoeker meent in aanmerking te komen voor laag tarief en legt een inkomensverklaring T-2 van de raad voor rechtsbijstand over. Uit de inkomensverklaring blijkt dat het belastbaar jaarinkomen van betrokkene €9.102,65 bedraagt. Volgens de omrekentabel komt verzoekerniet in aanmerking voor het laag tarief, omdat hij ten hoogste € 8.799,80 aan inkomsten zou mogen hebben gehad.
In geval van min- en onvermogen van de verzoeker(s) is het laag tarief van toepassing.
### paragraaf 2.4. Beoordeling of laag tarief van toepassing is
In geval van financieel min- en onvermogen van de verzoeker(s) is een laag tarief van toepassing. Elk van de drie Koninkrijksdelen heeft in de ingevolge [artikel 3, tweede lid, BON 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=3) totstandgekomen ministeriële regeling eigen criteria ontwikkeld om de status van min- en onvermogenden vast te stellen. Voor Nederland wordt die status vastgesteld aan de hand van een inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand (een verklaring op grond van [artikel 7, tweede lid, onder d, Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=7) inhoudende de vaststelling van de draagkracht overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de rechtsbijstand).
Deze verklaring is verkrijgbaar bij de raad voor rechtsbijstand. De inkomensverklaring van de raad is niet nodig indien de verzoeker alleen inkomsten heeft uit de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) (Wwb). In dat geval volstaat de Verklaring bijstandsgerechtigden en asielzoekers (Wwb, ROA). Deze verklaring is verkrijgbaar bij de gemeente.
Eén verzoeker komt in aanmerking voor tarief C als het inkomen van verzoeker niet uitkomt boven de op hem of haar toepasselijke norm uit de Wwb. Het gaat dan om de norm die van toepassing is in het halfjaar dat het naturalisatieverzoek wordt ingediend en de betalingsverplichting wordt vastgesteld. Bij de beoordeling of de verzoeker in aanmerking komt voor laag tarief wordt, gelet op het bepaalde in [artikel 10, tweede lid, Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=10), in het geval deze gehuwd is, dan wel een (geregistreerde) partner heeft (tenzij deze echtgeno(o)t(e) of partner van de verzoeker duurzaam gescheiden leeft) dan wel een duurzaam huishouden voert met een persoon (tenzij tussen hen een bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat), het inkomen van beiden meegerekend.
Gemeenschappelijke verzoekers komen in aanmerking voor tarief D als hun gezamenlijke inkomen niet uitkomt boven de norm uit de Wwb, die op hen van toepassing is op het moment dat het naturalisatieverzoek wordt gedaan en de betalingsverplichting wordt vastgesteld.
### 2. Naturalisatiegelden
In het geval een inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand wordt overgelegd, vindt beoordeling of de verzoeker in aanmerking komt voor het lage tarief plaats door middel van een omrekening aan de hand van de “[Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004482)” van het in de inkomensverklaring vermelde belastbare jaarinkomen naar de op de verzoeker toepasselijke norm uit de Wwb. De omgerekende jaarbedragen zijn vermeld in onderstaande tabel.
De bijstandsnormen worden halfjaarlijks gewijzigd. De datum van indiening van het verzoek om naturalisatie is bepalend voor de toepasselijke bijstandsnorm. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maakt de nieuwe bijstandsnorm bekend via persberichten. Nadere informatie over de bijstandsnormen kan worden verkregen bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, telefoonnummer (070) 3334444 of 0800 9051. Als de bijstandsnormen gewijzigd worden zullen de nieuwe jaarbedragen in een TBN worden gepubliceerd.
Ter vaststelling of een verzoeker die een inkomensverklaring, afgegeven door de raad voor rechtsbijstand overlegt, in aanmerking komt voor een laag tarief geldt onderstaande omrekentabel. Aan de hand van de bedragen in die tabel wordt bepaald of een verzoeker voor een laag tarief in aanmerking komt. Is het inkomen en vermogen van verzoeker(s) niet hoger dan het op de situatie van de verzoeker(s) van toepassing zijnde bedrag in de tabel, dan komt of komen verzoeker(s) in aanmerking voor een laag tarief.
****Voorbeeld****
Verzoeker, alleenstaande, ouder dan 21 maar jonger dan 65, dient een naturalisatieverzoek in. Verzoeker meent in aanmerking te komen voor laag tarief en legt een inkomensverklaring T-2 van de raad voor rechtsbijstand over. Uit de inkomensverklaring blijkt dat het belastbaar jaarinkomen van betrokkene €9.102,65 bedraagt. Volgens de omrekentabel komt verzoekerniet in aanmerking voor het laag tarief, omdat hij ten hoogste € 8.799,80 aan inkomsten zou mogen hebben gehad.
Op grond van de Wwb bestaat de mogelijkheid toeslagen toe te kennen. De Gemeentelijke Sociale Diensten hebben een beleidsvrijheid met het toekennen van deze toeslagen en er zijn geen standaardnormeringen ontwikkeld. In dat kader dient uitsluitend te worden getoetst aan de bijstandsnormen zonder toeslagen. Dit betekent dat een verzoeker wiens inkomsten bestaan uit een uitkering Wwb, al dan niet aangevuld met een toeslag Wwb (hetzij structureel, hetzij incidenteel) in aanmerking komt voor naturalisatie tegen laag tarief.
### 2.4. Beoordeling of laag tarief van toepassing is
****Voorbeeld****
Een verzoeker had in het peiljaar T-2 een WAO-uitkering. Omdat deze uitkering beneden het bijstandsniveau ligt, ontvangt de verzoeker een aanvulling op grond van de Toeslagenwet. Hierdoor is het belastbaar jaarinkomen van de verzoeker €67 hoger dan de voor hem geldende bijstandsnorm. De aanvulling op grond van de Toeslagenwet is verleend om het inkomen van de verzoeker aan te vullen tot het bijstandsniveau. Door de verschillende berekeningssystemen van de bedrijfsvereniging en de Sociale Dienst ligt het inkomen van verzoeker iets boven de voor hem geldende bijstandsnorm. De achterliggende gedachte van de verleende aanvulling is om de verzoeker een inkomen op bijstandsniveau te verschaffen. In dat kader komt de verzoeker in aanmerking voor het verminderd tarief. Indien de verzoeker meent voor laag tarief in aanmerking te komen, zal hij een inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand moeten tonen.
Als een verzoeker voor het lage tarief in aanmerking wenst te komen, dient hij een inkomensverklaring afgegeven door de raad voor rechtsbijstand, of een verklaring Bijstandsgerechtigden en asielzoekers (Wwb, ROA) en de meest recente uitkeringsspecificaties, te overleggen. De inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand moet afgegeven zijn in hetzelfde jaar waarin het naturalisatieverzoek is ingediend. De Verklaring bijstandsgerechtigden en asielzoekers (Wwb, ROA) mag bij de indiening van het naturalisatieverzoek niet ouder zijn dan twee maanden. Het verdient aanbeveling om een inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand tijdig voor afloop van het kalenderjaar aan te vragen zodat bij het naturalisatieverzoek een inkomensverklaring kan worden overgelegd die in hetzelfde jaar is afgegeven als het verzoek wordt gedaan.
Kan een verzoeker deze stukken niet overleggen, dan moet hem worden geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek totdat hij wel over de benodigde stukken beschikt.
Desalniettemin dient het naturalisatieverzoek in ontvangst te worden genomen indien de verzoeker erop staat zijn verzoek in te dienen in afwachting van het overleggen van genoemde stukken. Het verdient aanbeveling in voorkomende gevallen een woordelijk verslag op te maken en het verslag te laten ondertekenen door betrokkene. De te betalen naturalisatiegelden worden in dat geval op hoog tarief gesteld en de verzoeker(s) ingevolge [artikel 4:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) gedurende zes weken in de gelegenheid gesteld om de aanvraag te completeren.
Modellen van een schriftelijke bevestiging door betrokkene dat hij is geïnformeerd over de hoogte en de termijn van de te betalen naturalisatiegelden en dat hij instemt met de betaling van de opgelegde naturalisatiegelden dan wel is vrijgesteld van de betaling dan wel een verzoek om ontheffing heeft ingediend, zijn opgenomen als model 1.25 en model 2.8. De vaststelling van de hoogte van de te betalen naturalisatiegelden is een voorbereidingshandeling zoals bedoeld in [artikel 6:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:3) en is niet afzonderlijk vatbaar voor bezwaar of beroep.
### 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
[Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448): [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=1)
Onze Minister kan aan de volgende personen ontheffing verlenen van betaling van denaturalisatiegelden:
### 4. Afdracht naturalisatiegelden
### paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
De optie- en naturalisatiegelden zijn verschuldigd alvorens een verklaring van optie of verzoek tot verlening van het Nederlanderschap in behandeling wordt genomen. De betaling heeft in Nederland plaats bij de autoriteit die de verklaring of het verzoek in ontvangst neemt, namelijk de burgemeester. Eerst na ontvangst van de betaling dan wel na de beslissing op een ontheffingsverzoek wordt het ingediende verzoek om naturalisatie dan wel de verklaring van optie in behandeling genomen (zie de nota van toelichting bij het [BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782)). Ongeacht het verdere verloop van de naturalisatieprocedure – toewijzing, afwijzing of intrekking van het verzoek nadat de behandeling is begonnen – zijn de rechten verschuldigd betaald (vergelijk [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=2) en [3 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=3)).
### 14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
Uitgangspunt is dat de leges worden betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie. Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan, betaling in termijnen is niet mogelijk. Wordt niet betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt betrokkene op dat moment op grond van [artikel 4:5, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken te betalen (hiervoor zijn model 1.25 en model 2.8 beschikbaar). De termijn van zes weken vloeit voort uit [artikel 6 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=6). Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen deze zes weken, dan wordt de verklaring of het verzoek buitenbehandelinggesteld (artikel 6 BON). Een besluit tot buitenbehandelingstelling wegens niet- of niet tijdige betaling wordt schriftelijk meegedeeld aan betrokkene ([artikel 4, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=4)). Daarvoor zijn beschikbaar de modellen 1.26 en 2.23.
Vóór de herziening van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) was het niet mogelijk om in geval van fraude over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Echter, sinds de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vanaf 1 april 2003, kan de Minister van Justitie in geval van fraude, óók indien gepleegd vóór 1 april 2003, alsnog overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Betrokkene wordt dan geacht dat hij onder de oude RWN wél in het bezit was van het Nederlanderschap maar onder de herziene RWN niet. Intrekking van het Nederlanderschap is echter niet meer mogelijk indien betrokkene sinds de verlening van het Nederlanderschap meer dan twaalf jaar in het bezit is geweest van het Nederlanderschap.
### Ad artikel 13, tweede lid
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optieof naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden “valse verklaring of bedrog” aansluiting gezocht bij [titel XII WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIII) (valsheid in geschriften) en bij [artikel 3:44 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=44) (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
[Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448): [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=1)
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
[WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580): [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=1) en [4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=4)
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
### 2. Algemeen
De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optieof naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden “valse verklaring of bedrog” aansluiting gezocht bij [titel XII WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIII) (valsheid in geschriften) en bij [artikel 3:44 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=44) (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.
### paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid beperkt tot datum herziening RWN (1 april 2003)
Vóór de herziening van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) was het niet mogelijk om in geval van fraude over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Echter, sinds de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vanaf 1 april 2003, kan de Minister van Justitie in geval van fraude, óók indien gepleegd vóór 1 april 2003, alsnog overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Betrokkene wordt dan geacht dat hij onder de oude RWN wél in het bezit was van het Nederlanderschap maar onder de herziene RWN niet. Intrekking van het Nederlanderschap is echter niet meer mogelijk indien betrokkene sinds de verlening van het Nederlanderschap meer dan twaalf jaar in het bezit is geweest van het Nederlanderschap.
A heeft in 1997 ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) geopteerd voor het Nederlanderschap. Eerst in 2004 komt aan het licht dat bij de optie niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat A bij het afleggen van de optieverklaring heeft gefraudeerd. Zou dat destijds bekend zijn geweest, dan zou de administratie aan de optieverklaring geen rechtsgevolg hebben toegekend. In het hier geschetste geval is geen sprake van intrekking van verkregen Nederlanderschap. De optieverklaring is afgelegd vóór 1 april 2003 en toentertijd werd het Nederlanderschap niet verkregen door een schriftelijke bevestiging van de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst nam, maar door slechts het simpele afleggen van de optieverklaring, mits daarbij was voldaan aan alle optievoorwaarden. Welnu, aangezien in het onderhavige geval is geconstateerd dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, zal achteraf bezien moeten worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden. A moet dan ook geacht worden niet het Nederlanderschap door de optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is hier niet aan de orde.
A pleegt op moment X een oorlogsmisdrijf. Zeven jaar na het plegen van dit oorlogsmisdrijf wordt A genaturaliseerd tot Nederlander. Dertien jaar na verlening van het Nederlanderschap wordt A veroordeeld voor het plegen van de oorlogsmisdrijf op moment X. Met toepassing van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan het Nederlanderschap na de veroordeling worden ingetrokken.
De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optieof naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden “valse verklaring of bedrog” aansluiting gezocht bij [titel XII WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIII) (valsheid in geschriften) en bij [artikel 3:44 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=44) (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.
A is in 1988 genaturaliseerd tot Nederlander. In 2003 komt aan het licht dat A in het kader van de naturalisatieprocedure bewust onjuiste gegevens heeft verstrekt (bijvoorbeeld strafrechtelijke veroordelingen verzwegen). Zou dat ten tijde van de beslissing op het verzoek om naturalisatie bekend zijn geweest, dan zou de naturalisatie van A niet tot stand zijn gekomen. Aangezien sedert de naturalisatie van A inmiddels een periode van meer dan twaalf jaar is verstreken, kan het destijds verleende Nederlanderschap niet worden ingetrokken.
Het bedrog, de valse verklaring of het verzwijgen van voor de naturalisatie of optie relevante feiten, kan betrekking hebben gehad op de personalia (identiteit/persoonsgegevens) van de naturalisandus. Wanneer met gebruikmaking van valse of (gedeeltelijk) fictieve personalia (die bestaan uit de voornaam, geslachtsnaam, geboortedatum en geboorteplaats) een verzoek om naturalisatie is ingediend, waardoor in het Koninklijk Besluit tot verlening van het Nederlanderschap valse personalia werden opgenomen, is dit een vorm van frauduleus handelen.
In de afweging om tot intrekking over te gaan, zal worden meegewogen:
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 juni 2006 aangegeven dat bij naturalisatiebesluiten die zijn genomen vóór 1 april 2003 in geval van bedrog omtrent de identiteit wordt aangenomen dat het Nederlanderschap niet is verkregen omdat het naturalisatiebesluit geen rechtsgevolg heeft gehad voor de betrokkene. Immers, door het opgeven van onjuiste personalia (valse identiteit) zijn niet de (juiste) personalia van betrokkene vermeld op het Koninklijk Besluit tot naturalisatie. Aan betrokkene is dan ook niet het Nederlanderschap verleend. Voor de optieverklaring geldt mutatis mutandis hetzelfde.
Voor de belangenafweging geldt dat A is genaturaliseerd, terwijl, naar later blijkt, sprake is van ernstige vermoedens dat A gevaar oplevert voor de openbare orde, hetgeen een grond tot weigering voor naturalisatie is. A heeft bij zijn naturalisatie verzwegen dat hij op dat moment strafrechtelijk werd vervolgd en heeft de zogenaamde waarheidsverklaring niet juist ingevuld (de aard van de verzwijging). A heeft een voor naturalisatie relevant feit verzwegen, dat zou hebben geleid tot weigering van zijn verzoek om naturalisatie (de ernst van de verzwijging). Een eventuele intrekking is dan niet, ten opzichte van de aard en de ernst van de verzwijging, disproportioneel.
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 11 november 2005 ten aanzien van het vorenstaande nog opgemerkt dat sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene toch identificeert en daarom rechtsgevolg heeft. Daarop aansluitend heeft de Hoge Raad in de beschikking van 30 juni 2006, onder verwijzing naar zijn beschikking van 11 november 2005, gesteld dat bijzondere omstandigheden inhouden dat **‘de betrokkene desondanks wel voldoende geïdentificeerd was en de aanvrager door het tot stand gekomen naturalisatiebesluit wel het Nederlanderschap heeft verworven’.**Hiervan is sprake wanneer **‘ondanks de onjuistheid van de verschafte persoonsgegevens, omtrent de ware identiteit van de aanvrager bij de instanties die het verzoek moesten onderzoeken en beoordelen, een zodanige duidelijkheid heeft bestaan, dat niet gezegd kan worden dat de onjuistheid van de persoonsgegevens hun onderzoek en beoordeling belemmerd heeft’**.
### paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
### 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
A is genaturaliseerd op 15 april 2003. Mei 2003 wordt A in België veroordeeld wegens het plegen van een gewapende overval in 1999. A gaat in hoger beroep van de veroordeling. A wist bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie dat de strafzaak tegen hem aanhangig was.
Indien achteraf blijkt dat het Nederlanderschap op onjuiste gronden is verkregen, rijst de vraag of deze situatie in stand moet blijven. Uitgangspunt bij een situatie als bedoeld in het onderhavige artikellid is dat het Nederlanderschap wordt ingetrokken. Als gevolg van eventuele individuele bijzondere omstandigheden én na afweging van de bij intrekking betrokken belangen kan van intrekking worden afgezien. Aan een eventuele intrekking wegens fraude gaat een zogenaamde ‘voornemenprocedure’ vooraf. Het betreft hier de procedure uit de [artikelen 66 tot en met 69 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66). Zie [paragraaf 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14¶graaf=4¶graaf=4.1&z=2008-10-01&g=2008-10-01).
A pleegt op moment X een oorlogsmisdrijf. Zeven jaar na het plegen van dit oorlogsmisdrijf wordt A genaturaliseerd tot Nederlander. Dertien jaar na verlening van het Nederlanderschap wordt A veroordeeld voor het plegen van de oorlogsmisdrijf op moment X. Met toepassing van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan het Nederlanderschap na de veroordeling worden ingetrokken.
B is bigaam gehuwd. Dit verzwijgt hij bij de verlening van het Nederlanderschap. Terwijl B Nederlander is, pleegt hij een oorlogsmisdrijf. Hij wordt daarvoor veertien jaar na verlening van het Nederlanderschap veroordeeld. Het Nederlanderschap van B kan niet meer worden ingetrokken, omdat er inmiddels meer dan twaalf jaren zijn verstreken sinds de verlening van het Nederlanderschap.
A is in 1988 genaturaliseerd tot Nederlander. In 2003 komt aan het licht dat A in het kader van de naturalisatieprocedure bewust onjuiste gegevens heeft verstrekt (bijvoorbeeld strafrechtelijke veroordelingen verzwegen). Zou dat ten tijde van de beslissing op het verzoek om naturalisatie bekend zijn geweest, dan zou de naturalisatie van A niet tot stand zijn gekomen. Aangezien sedert de naturalisatie van A inmiddels een periode van meer dan twaalf jaar is verstreken, kan het destijds verleende Nederlanderschap niet worden ingetrokken.
### paragraaf 2.3. Belangenafweging
### Ad artikel 14, derde lid
### paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
### 2.3. Belangenafweging
Het feit dat A staatloos zou worden, is toegestaan als het gaat om een intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en moet worden geacht te komen voor het risico van A. Gezien de aard en de ernst van de verzwijging moet het belang van de staat om in te trekken groter worden geacht dan het belang van A om niet staatloos te worden.
### paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
Bij de overig te wegen relevante factoren geldt dat voor de intrekking niet hoeft te worden gewacht tot er een onherroepelijk strafvonnis is, omdat reeds een openstaande strafzaak voldoende grond is om een verzoek tot naturalisatie af te wijzen. In de belangenafweging moet nog worden gekeken naar het eventueel niet-opportuun zijn van de intrekking (dit betreft de vraag binnen welke termijn A, na intrekking, weer Nederlander zou kunnen worden).
### paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen
Hebben de frauduleuze handelingen betrekking op de kinderen die destijds hebben gedeeld in de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, dan kan ook hun Nederlanderschap worden ingetrokken.70Vergelijk de toelichting op het BVVN, **Stb.**2002, 231. Met zorgvuldigheid zal moeten worden nagegaan of ook ten aanzien van deze kinderen tot intrekking moet worden overgegaan. Voor elk van de kinderen die door mede-optie of medeverlening Nederlander zijn geworden, moet worden afgewogen of de individuele belangen van het kind de handhaving van het Nederlanderschap vereisen. Een dergelijke afweging is, gelet op het Verdrag van de rechten van het kind en het Europese Nationaliteitsverdrag, in het bijzonder dan vereist, als het kind door de intrekking staatloos zou worden.
B is op 19 juni 1995 genaturaliseerd. Zijn minderjarige kinderen C en D zijn meegenaturaliseerd.
### 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
B, C en D zijn dus wel oud-Nederlanders, maar ingevolge [artikel II, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) kunnen zij geen optie uitbrengen op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en ook niet in aanmerking komen voor een versnelde naturalisatie als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), eerste zinsnede.
### 4.1. Voornemenprocedure
Gezien het belang van het bezit van het Nederlanderschap, in het bijzonder als het verlies daarvan zou leiden tot staatloosheid, is de procedure tot intrekking wegens fraude omgeven met bijzondere waarborgen. De procedure is beschreven in de [artikelen 66 tot en met 69 van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66). De procedure biedt de rechtstreeks betrokken personen en autoriteiten de mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen, waardoor de Minister van Justitie zoveel mogelijk argumenten pro en contra de intrekking van het Nederlanderschap tegen elkaar kan afwegen.
### 4.2. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
[Artikel 65 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=65) bepaalt dat de autoriteiten en ambtenaren die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en verzoek om naturalisatie en die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat heeft geleid tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan de Minister van Justitie, zonodig onder medezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. De ambtenaar die op de hoogte is van frauduleuze handelingen in de hiervoor bedoelde zin, wordt verzocht contact op te nemen met de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (zie hoofdstuk Voorlichting). In onderling overleg kan dan een standpunt worden bepaald omtrent te nemen stappen, zoals wijziging van de nationaliteit van de betrokken persoon in de GBA en/of intrekking van het verstrekte Nederlandse reisdocument. Voorts zorgt deze afdeling voor het plaatsen van een aantekening in het nationaliteitenregister bij het koninklijk besluit of bij de bevestiging van de optieverklaring.
### paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
Ingevolge [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van een besluit tot intrekking bedoeld in [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) of in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit van de plaats waar de personen die het Nederlanderschap hebben verloren in de GBA zijn ingeschreven en, zo nodig, aan andere betrokken instanties. [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent dat:
### paragraaf 1. Algemeen
De huidige redactie van deze bepaling is in de wet gekomen met de wetswijziging van 2003. Ten gevolge van [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft de redactie van het huidige [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap (1 januari 1985). Zie de toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN, paragraaf 2.
### paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 14, tweede lid
[Artikel 68, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) bepaalt dat het besluit tot intrekking de personen vermeldt van wie het Nederlanderschap is ingetrokken. Aldus kan geen misverstand bestaan over de reikwijdte van de intrekking van het Nederlanderschap.
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
### paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
### Ad artikel 14, tweede lid
B, minderjarig kind van Belgische ouders, ontleent het Nederlanderschap via de vader aan artikel 3, derde lid, RWN en is tevens van Belgische nationaliteit.
### 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
De minderjarige B verliest met ingang van 10 oktober 2004 het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, RWN. B wordt daardoor niet staatloos, omdat hij de Belgische nationaliteit bezit. Weliswaar kan verlies van het Nederlanderschap niet intreden indien betrokkene het Nederlanderschap tevens ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3), maar B ontleent het Nederlanderschap niet óók aan artikel 3, derde lid, RWN hij bezat het via de vader op grond van uitsluitend die bepaling.
### 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
C is in 1999 geboren in Australië als dochter van een Australische vrouw. In 2000 is C erkend door een Nederlander, waardoor zij het Nederlanderschap verkregen heeft ingevolge het toen geldende artikel 4 RWN. Sedertdien is C van Nederlandse en Australische nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent zij uitsluitend aan voormeld artikel 4 RWN. In 2001 verkrijgt de moeder van C het Nederlanderschap door naturalisatie. Na het overlijden van de Nederlandse moeder wordt bij beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 7 april 2004 de erkenning van C vernietigd. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld.
### paragraaf 1. Algemeen
De huidige redactie van deze bepaling is in de wet gekomen met de wetswijziging van 2003. Ten gevolge van [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft de redactie van het huidige [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap (1 januari 1985). Zie de toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN, paragraaf 2.
B, minderjarig kind van Belgische ouders, ontleent het Nederlanderschap via de vader aan artikel 3, derde lid, RWN en is tevens van Belgische nationaliteit.
Ingevolge overgangsbepaling [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van bedoeld tweede lid. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen. Echter, als gevolg van het bepaalde bij overgangsbepaling artikel III RRWN moet, wat betreft de toepassing van onderhavig artikellid ervan worden uitgegaan dat bedoelde uitzonderingen reeds gelden vanaf 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend (ingevolge bijvoorbeeld [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3)), zulks ondanks bijvoorbeeld dat de minderjarige het Nederlanderschap tevens ontleende aan artikel 3, derde lid, RWN, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
A, geboren in 1990, is het kind van een Nederlandse man en een Franse vrouw. A ontleent het Nederlanderschap aan uitsluitend artikel 3, eerste lid, RWN en is tevens van Franse nationaliteit.
Bij beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 7 januari 2004 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van de minderjarige A. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld. Ingevolge artikel 1:202, eerste lid, BW vervalt de familierechtelijke betrekking tussen de Nederlandse man en A op het moment dat de beschikking van 7 januari 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.
Derhalve verliest de minderjarige A op 8 april 2004 het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, RWN. Het verlies kan niet worden voorkomen; immers, de moeder is niet van Nederlandse nationaliteit, A ontleent het Nederlanderschap niet tevens aan artikel 3, derde lid, RWN, en hij zal door het verlies van het Nederlanderschap ook niet staatloos worden.
### Ad artikel 14, vierde lid
Bij beschikking van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 5 maart 2004 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van B. Tegen de uitspraak wordt hoger beroep ingesteld. De uitspraak in dat beroep volgt op 9 juli 2004 en bij die uitspraak wordt de beschikking van de rechtbank bevestigd. Beroep in cassatie wordt niet ingesteld.
De minderjarige B verliest met ingang van 10 oktober 2004 het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, RWN. B wordt daardoor niet staatloos, omdat hij de Belgische nationaliteit bezit. Weliswaar kan verlies van het Nederlanderschap niet intreden indien betrokkene het Nederlanderschap tevens ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3), maar B ontleent het Nederlanderschap niet óók aan artikel 3, derde lid, RWN hij bezat het via de vader op grond van uitsluitend die bepaling.
### 15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
C is in 1999 geboren in Australië als dochter van een Australische vrouw. In 2000 is C erkend door een Nederlander, waardoor zij het Nederlanderschap verkregen heeft ingevolge het toen geldende artikel 4 RWN. Sedertdien is C van Nederlandse en Australische nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent zij uitsluitend aan voormeld artikel 4 RWN. In 2001 verkrijgt de moeder van C het Nederlanderschap door naturalisatie. Na het overlijden van de Nederlandse moeder wordt bij beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 7 april 2004 de erkenning van C vernietigd. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld.
In principe zou dit voor de minderjarige C verlies van het Nederlanderschap meebrengen, en wel met ingang van 8 juli 2004. Echter, in dit geval treedt geen verlies in, omdat de andere ouder ten tijde van haar overlijden Nederlander was.
[WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580): [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=1)
Ingevolge [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) treedt ondanks vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit géén verlies van het Nederlanderschap in indien betrokkene:
In principe zou dit voor de minderjarige C verlies van het Nederlanderschap meebrengen, en wel met ingang van 8 juli 2004. Echter, in dit geval treedt geen verlies in, omdat de andere ouder ten tijde van haar overlijden Nederlander was.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) en [14.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [61 t/m 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61) en [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=72)
[WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580): [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=1)
Zie voor het overgangsrecht de toelichting bij de afzonderlijke artikelleden.
Ingevolge [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) treedt ondanks vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit géén verlies van het Nederlanderschap in indien betrokkene:
Een verklaring van afstand (zie model 3.2) dient in Nederland te worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester ([artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene in de GBA is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
### 1. Algemeen
Behalve het vereiste van meerderjarigheid, geldt hier verder als enige voorwaarde dat betrokkene naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit bezit. Hij mag immers volgens [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) niet staatloos worden. Het bezit van die andere nationaliteit zal in de meeste gevallen blijken uit de beschrijving van betrokkene in de GBA. Is dat niet het geval, dan dient een bewijs van de andere nationaliteit te worden overgelegd, welk bewijs ook kan worden verlangd indien bijvoorbeeld aan het al dan niet bezitten van een andere nationaliteit wordt getwijfeld (vergelijk [artikel 62, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Het gestelde in de vorige zin geldt eveneens ten aanzien van de minderjarige kinderen van betrokkene, die – mits zij daardoor niet staatloos worden – ingevolge [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) delen in de afstand.
Ingevolge [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) treedt ondanks vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit géén verlies van het Nederlanderschap in indien betrokkene:
Behalve het vereiste van meerderjarigheid, geldt hier verder als enige voorwaarde dat betrokkene naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit bezit. Hij mag immers volgens [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) niet staatloos worden. Het bezit van die andere nationaliteit zal in de meeste gevallen blijken uit de beschrijving van betrokkene in de GBA. Is dat niet het geval, dan dient een bewijs van de andere nationaliteit te worden overgelegd, welk bewijs ook kan worden verlangd indien bijvoorbeeld aan het al dan niet bezitten van een andere nationaliteit wordt getwijfeld (vergelijk [artikel 62, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Het gestelde in de vorige zin geldt eveneens ten aanzien van de minderjarige kinderen van betrokkene, die – mits zij daardoor niet staatloos worden – ingevolge [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) delen in de afstand.
Bij statenopvolging kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het uiteenvallen van een staat in diverse nieuwe staten of aan een splitsing van een staat als gevolg van een afscheidingsverklaring. In het kader van de hier bedoelde statenopvolging wordt veelal door de nieuw ontstane staten aan bepaalde (in het buitenland wonende) voormalige burgers van de oude uiteengevallen/gesplitste staat de mogelijkheid geboden om (onder bepaalde voorwaarden) de nationaliteit van de nieuwe staat door optie te verkrijgen.
Als een Nederlander, die op het moment dat de oude staat ophield te bestaan in het bezit was van de nationaliteit van die uiteenvallende staat door het afleggen van een optie, als hierboven bedoeld, de nationaliteit van een nieuwe staat verkrijgt, heeft dat geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg. Deze nationaliteitsmutatie houdt zo duidelijk en uitsluitend verband met de staatkundige veranderingen in het andere land, dat niet gesproken kan worden van “vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit” als bedoeld in onderhavig artikellid. Het hier gestelde geldt alleen voor de Nederlander die tot het moment van het uiteenvallen of splitsing van de betreffende oude staat de nationaliteit van die staat bezat en dus niet voor degene die die nationaliteit voor dat tijdstip heeft verloren (bijvoorbeeld als gevolg van naturalisatie tot Nederlander). Laatstgenoemde persoon is dan op het moment van uiteenvallen of splitsing van de staat niet meer in het bezit van de nationaliteit van de uiteenvallende staat. In dat geval is duidelijk sprake van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit.
De burgemeester zendt het origineel van de afgelegde afstandsverklaring alsmede een afschrift van de bevestiging, ter opneming in het nationaliteitenregister bedoeld in [artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22), aan de IND, Regionale directie Zuid-West, unit Nationaliteit en Naturalisatie en behoudt zelf afschriften van deze documenten ([artikel 64, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)). Tevens zendt hij een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit van de plaats waar de personen, die door of als gevolg van de verklaring van afstand hun Nederlanderschap verloren hebben, in de GBA zijn ingeschreven. Wonen de hier bedoelde personen in de Nederlandse Antillen of Aruba, dan zendt hij een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk de Minister van Justitie van Aruba ([artikel 64, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
### paragraaf 1. Algemeen
### 15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
### paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
Een verklaring van afstand (zie model 3.2) dient in Nederland te worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester ([artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene in de GBA is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.
De door de burgemeester opgemaakte verklaring van afstand wordt door de betrokkene of, in het voorkomend geval, door zijn gemachtigde ondertekend ([artikel 3, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Tevens vindt ondertekening plaats door of namens de burgemeester. Tenzij de betrokkene daardoor staatloos zou worden, treedt verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in door de verklaring zelf. Aan het verlies ligt dan ook geen enkele beslissing van overheidswege ten grondslag.
### 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
De burgemeester zendt het origineel van de afgelegde afstandsverklaring alsmede een afschrift van de bevestiging, ter opneming in het nationaliteitenregister bedoeld in [artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22), aan de IND, Regionale directie Zuid-West, unit Nationaliteit en Naturalisatie en behoudt zelf afschriften van deze documenten ([artikel 64, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)). Tevens zendt hij een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit van de plaats waar de personen, die door of als gevolg van de verklaring van afstand hun Nederlanderschap verloren hebben, in de GBA zijn ingeschreven. Wonen de hier bedoelde personen in de Nederlandse Antillen of Aruba, dan zendt hij een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk de Minister van Justitie van Aruba ([artikel 64, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
De verklaring van afstand vermeldt dat de persoon die de verklaring aflegt, bekend is met het feit dat ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) minderjarige kinderen onder omstandigheden zullen delen in het verlies van het Nederlanderschap ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen bepaalt de burgemeester, voor zoveel mogelijk, of hiervan sprake zal zijn ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)) en licht hij degene die de afstandsverklaring aflegt daarover in.
### paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
De door de burgemeester opgemaakte verklaring van afstand wordt door de betrokkene of, in het voorkomend geval, door zijn gemachtigde ondertekend ([artikel 3, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Tevens vindt ondertekening plaats door of namens de burgemeester. Tenzij de betrokkene daardoor staatloos zou worden, treedt verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in door de verklaring zelf. Aan het verlies ligt dan ook geen enkele beslissing van overheidswege ten grondslag.
A, geboren op 5 januari 1980 in Australië, is van Nederlandse en Australische nationaliteit en woont sedert geboorte in Australië. De verliestermijn van tien jaar van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) vangt voor A aan op 1 april 2003 (vergelijk [artikel IV RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV)). Op 5 september 2012 gaat A in Italië wonen. Op 1 april 2013 woont hij daar nog steeds. A is nimmer in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument of van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. Vraag is wanneer A zijn Nederlanderschap verliest. Blijft A in Italië wonen, dan kan tussen 1 april 2013 en 5 september 2013 ten aanzien van hem niet worden geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap. Woont hij op 5 september 2013 nog steeds in Italië, dan kan pas op die datum worden gesteld dat hij het Nederlanderschap niet heeft verloren ingevolge [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Hij heeft immers dan pas (langer dan) een jaar hoofdverblijf gehad in een EU-lidstaat, waardoor ingevolge [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) geacht moet worden te zijn onderbroken door de verplaatsing van zijn hoofdverblijf naar Italië.
De burgemeester zendt het origineel van de afgelegde afstandsverklaring alsmede een afschrift van de bevestiging, ter opneming in het nationaliteitenregister bedoeld in [artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22), aan de IND, Regionale directie Zuid-West, unit Nationaliteit en Naturalisatie en behoudt zelf afschriften van deze documenten ([artikel 64, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)). Tevens zendt hij een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit van de plaats waar de personen, die door of als gevolg van de verklaring van afstand hun Nederlanderschap verloren hebben, in de GBA zijn ingeschreven. Wonen de hier bedoelde personen in de Nederlandse Antillen of Aruba, dan zendt hij een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk de Minister van Justitie van Aruba ([artikel 64, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
Door de verstrekking van één van laatstbedoelde documenten wordt de verliestermijn van tien jaren gestuit. Vanaf de dag van de verstrekking van een dergelijk document begint een nieuwe verliestermijn van tien jaren te lopen ([artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)). Dus, als men er – steeds binnen tien jaren – voor zorgt in het bezit te worden gesteld van bedoelde verklaring van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument, kan het Nederlanderschap nimmer op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) verloren gaan door verblijf in het buitenland.
Tot 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba. Dit was geregeld in het oude [artikel 15, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
Het verlies als hiervoor bedoeld, trad niet in indien:
Behoudens het gestelde in de volgende alinea, treedt verlies van het Nederlanderschap in door langdurig verblijf in het buitenland. Van belang hierbij is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan. Betrokkene:
Met betrekking tot het huidige [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kent de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) twee overgangsbepalingen, namelijk [artikel IV RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) voor personen die op 1 april 2003 hun Nederlanderschap nog niet hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN en [artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) voor personen die op grond van laatstbedoelde verliesbepaling hun Nederlanderschap vóór 1 april 2003 hebben verloren. Zie voor een uitleg van [artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) de toelichting onder dat artikel.
### 1.4. Situatie tot 1 april 2003
Blijft hij – in het bezit van beide nationaliteiten – in de Verenigde Staten wonen, dan zal hij zijn Nederlanderschap eerst verliezen op 1 april 2013 (en dus niet op 15 maart 2006!).
Uit [artikel 61 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61) volgt dat als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap als bedoeld in [artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en in [artikel V, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) geldt:
Tot 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba. Dit was geregeld in het oude [artikel 15, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
### 15-1-e. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e
### 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
Vestigt A zich op 10 juli 2013 (of een andere datum vóór 5 september 2013) weer in Australië (of elders buiten een EU-lidstaat), dan kan pas op die datum ten aanzien van hem worden gesteld dat hij, achteraf bezien, zijn Nederlanderschap op 1 april 2013 heeft verloren ingevolge [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Immers, niet eerder dan op 10 juli 2013 blijkt dat de periode van hoofdverblijf binnen een EUlidstaat korter is geweest dan een jaar, waardoor ingevolge [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) wordt geacht niet te zijn onderbroken.
Om tot verlies van het Nederlanderschap te leiden, dient de indiensttreding vrijwillig te zijn geweest, of sprake te zijn van vrijwillige voortzetting van het dienstverband. Het gevolg geven door een bipatride Nederlander aan een oproep voor de militaire dienstplicht van een vreemde staat is geen vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst. Ook vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst leidt op zich niet tot verlies van het Nederlanderschap.
### Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d
Het verlies als hiervoor bedoeld, trad niet in indien:
Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk, vervult betrokkene in het leger van dat land zijn militaire dienstplicht. Hij verliest op dat moment niet zijn Nederlandse nationaliteit. Zet hij echter, na het verstrijken van de dienstplichttijd, de dienst vrijwillig voort, en is het land op dat moment nog betrokken bij gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk of een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is, dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.
Met betrekking tot het huidige [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kent de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) twee overgangsbepalingen, namelijk [artikel IV RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) voor personen die op 1 april 2003 hun Nederlanderschap nog niet hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN en [artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) voor personen die op grond van laatstbedoelde verliesbepaling hun Nederlanderschap vóór 1 april 2003 hebben verloren. Zie voor een uitleg van [artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) de toelichting onder dat artikel.
A, van Nederlandse en Franse nationaliteit, geboren in 1945 in Nederland, woont sedert 15 maart 1996 in de Verenigde Staten).
Blijft hij – in het bezit van beide nationaliteiten – in de Verenigde Staten wonen, dan zal hij zijn Nederlanderschap eerst verliezen op 1 april 2013 (en dus niet op 15 maart 2006!).
### Artikel 15a
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)
Geen.
Onder ‘krijgsdienst van een staat’ moet worden verstaan: dienstneming in het leger van een vreemde mogendheid. Het hoeft hier niet te betreffen een staat die is erkend door het Koninkrijk. Paramilitaire strijdkrachten van een vreemde mogendheid vallen in dit verband niet onder het begrip krijgsdienst.
Sprake moet zijn van krijgsdienst bij een vreemde mogendheid; bij een staat. Dat hieronder bijvoorbeeld niet dienen te worden verstaan groeperingen als legertjes van opstandelingen; guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is duidelijk gebleken tijden de parlementaire behandeling van de wet. Zie daarvoor de in de Tweede Kamer op 17 februari 2000 aangenomen motie van 14 november 2000 (TK 2000-2001, 26 990, nr. 8) en de niet aangenomen amendementen van 15 februari 2000 (TK 1999-2000, 25 891, nr. 15) en van 16 februari 2000 (TK 1999-2000, 25 891, nr. 23). Welbewust is het intreden van het verlies van het Nederlanderschap beperkt tot het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden van een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk dan wel een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Aan deelneming in groeperingen als legertjes van opstandelingen; guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is tijdens de parlementaire behandeling aandacht besteed, maar uiteindelijk is een zodanige deelname niet in de wet opgenomen als verliesgrond voor het Nederlanderschap.
### Ad artikel 15, derde lid
Anders wordt de situatie indien vervolgens de betreffende staat betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk (dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is) en betrokkene de aangegane verbintenis straffeloos kan verbreken, doch dat nalaat of na afloop van zijn contract de dienst vrijwillig voortzet. Onder dergelijke omstandigheden moet de betrokkene worden geacht zich vrijwillig in de betreffende krijgsdienst te hebben begeven, hetgeen wél verlies van het Nederlanderschap tot gevolg heeft.
Een belangrijke voorwaarde om tot verlies van het Nederlanderschap te leiden, is dat sprake moet zijn van gevechtshandelingen door het leger waarbij de betrokkene (vrijwillig) in dienst is getreden (of blijft). Bij ‘bondgenootschap’ kan worden gedacht aan bijvoorbeeld de NoordAtlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de West-Europese Unie (WEU).
Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk, vervult betrokkene in het leger van dat land zijn militaire dienstplicht. Hij verliest op dat moment niet zijn Nederlandse nationaliteit. Zet hij echter, na het verstrijken van de dienstplichttijd, de dienst vrijwillig voort, en is het land op dat moment nog betrokken bij gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk of een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is, dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.
### 15-2. Toelichting ad artikel 15, tweede lid
Aangezien Frankrijk partij is bij het Verdrag van Straatsburg, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat B, ondanks het feit dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN, als gevolg van de directe werking van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg zijn Nederlanderschap heeft verloren door zijn naturalisatie tot Fransman.
In dit geval echter, biedt het Tweede Protocol wél soelaas. Immers, Frankrijk is ook partij bij het Tweede Protocol en uit het bepaalde in artikel 15A, aanhef en onder a, RWN, tweede zin vloeit voort dat verlies van het Nederlanderschap in dat geval niet intreedt, mits betrokkene behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Welnu, B behoort tot een van die categorieën, namelijk categorie c; hij is immers gehuwd met een vrouw van Franse nationaliteit. De conclusie is dan ook, dat B zijn Nederlanderschap niet heeft verloren door zijn naturalisatie tot Fransman.
De in voorbeeld 2 bedoelde B is niet gehuwd met een Franse vrouw. Wel zijn B en de vrouw partners in een in Nederland geregistreerd partnerschap. Voor het overige is de casus exact hetzelfde als die bij voorbeeld 2.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)
Geen.
De Nederlander B, die in 1949 in Nederland is geboren, woont sedert 1990 in Frankrijk en wordt in januari 2004 tot Fransman genaturaliseerd. Ten tijde van zijn naturalisatie is hij gehuwd met een vrouw van Franse nationaliteit.
De regeling van [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) welke in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, zou zonder nadere beperking in strijd komen met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten. Dat betreft enerzijds verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Verdrag van Straatsburg), tenzij die staat tevens partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag, anderzijds verplichtingen uit de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS). De verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS hebben voorrang boven de regeling neergelegd in de RWN, met name in artikel 15, tweede lid, RWN.
Hoewel het onderhavige artikel in het licht van artikel 94 Grondwet (verdrag gaat boven wet) overbodig zou kunnen worden geacht (het verlies vloeit immers rechtstreeks voort uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS), heeft de wetgever het toch wenselijk geacht deze verdragsverplichtingen onder de aandacht te brengen in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738). Het onderhavige artikel beoogt dus niet zelfstandige verliesgronden in het leven te roepen. Indien de bepaling uit de in dit artikel genoemde verdragen rechtstreekse werking hebben, leidt die bepaling van rechtswege tot verlies van het Nederlanderschap. Het verlies treedt derhalve niet in op grond van het onderhavige artikel maar op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van het Verdrag van Straatsburg of van de TOS.
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [62 t/m 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)
De Nederlander A, die in 1950 in Oostenrijk is geboren, wordt in januari 2004 genaturaliseerd tot Oostenrijker. Ten tijde van zijn naturalisatie woont hij in Oostenrijk. Kijken we uitsluitend naar artikel 15, eerste en tweede lid, RWN dan zouden we tot de conclusie komen, dat A zijn Nederlanderschap niet heeft verloren. Immers, hij is geboren in het land waarvan hij de nationaliteit heeft verkregen en hij woont daar ten tijde van die verkrijging, en artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, RWN bepaalt dan dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
Echter, Oostenrijk is partij bij het Verdrag van Straatsburg, zodat in dit geval wel verlies van het Nederlanderschap intreedt. Het verlies vloeit rechtstreeks voort uit artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg. Het Tweede Protocol biedt A geen soelaas, aangezien Oostenrijk daarbij geen partij is.
De Nederlander B, die in 1949 in Nederland is geboren, woont sedert 1990 in Frankrijk en wordt in januari 2004 tot Fransman genaturaliseerd. Ten tijde van zijn naturalisatie is hij gehuwd met een vrouw van Franse nationaliteit.
Aangezien Frankrijk partij is bij het Verdrag van Straatsburg, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat B, ondanks het feit dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN, als gevolg van de directe werking van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg zijn Nederlanderschap heeft verloren door zijn naturalisatie tot Fransman.
### 16-1-a. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a
De in voorbeeld 2 bedoelde B is niet gehuwd met een Franse vrouw. Wel zijn B en de vrouw partners in een in Nederland geregistreerd partnerschap. Voor het overige is de casus exact hetzelfde als die bij voorbeeld 2.
De uitkomst is hier echter anders. Weliswaar is Frankrijk ook partij bij het Tweede Protocol, maar in dit geval kan ten aanzien van B niet worden gesteld dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Immers, ingevolge artikel 1, tweede lid, RWN mag voor de toepassing van [artikel 15A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) onder huwelijk niet tevens geregistreerde partnerschap worden verstaan.
B verliest dan ook zijn Nederlanderschap als gevolg van de directe werking van het Verdrag van Straatsburg (artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg) en hij kan zich niet beroepen op het gestelde in de tweede zin van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN.
Uit een ongehuwde Turkse vrouw is in 2004 kind F geboren in Amsterdam. F, die de Turkse nationaliteit bezit, is tevens van Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 3, derde lid, RWN.
De minderjarige F wordt rechtsgeldig erkend door de Turkse man M. F bezit op het moment van de erkenning al de Turkse nationaliteit, zodat artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN op hem van toepassing is. F verliest evenwel niet zijn Nederlanderschap. Het verlies wordt verhinderd door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN.
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, RWN. Artikel 16, tweede lid, RWN bepaalt de gevallen waarin, als uitzondering op de hoofdregelen van verlies, toch geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
### 16-alg. Toelichting algemeen
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### 16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
### 16-1-a. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a
### Toelichting
### Algemeen
### 16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
Uit een ongehuwde Turkse vrouw is in 2004 kind F geboren in Amsterdam. F, die de Turkse nationaliteit bezit, is tevens van Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 3, derde lid, RWN.
De minderjarige F wordt rechtsgeldig erkend door de Turkse man M. F bezit op het moment van de erkenning al de Turkse nationaliteit, zodat artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN op hem van toepassing is. F verliest evenwel niet zijn Nederlanderschap. Het verlies wordt verhinderd door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN.
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
In 2004 is in Rotterdam kind C geboren uit het huwelijk van A en B. Moeder en vader zijn van Turkse nationaliteit. Ten tijde van de geboorte van C wonen A en B in Rotterdam. A is zelf geboren in Dordrecht uit ouders die daar toentertijd hoofdverblijf hadden.
C verkrijgt bij zijn geboorte naast de Turkse ook de Nederlandse nationaliteit, aangezien is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
In 2005 legt A, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, namens C een verklaring van afstand af als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
### Algemeen
Na de naturalisatie van A tot Nederlander wordt zijn zoon B geboren. Zowel A als B zijn in Nederland geboren. B ontleent het Nederlanderschap zowel aan [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) als aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
Een Nederlands echtpaar emigreert naar Australië, waar kind A wordt geboren. A verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap, maar daarnaast ook de Australische nationaliteit door geboorte op het grondgebied van Australië.
Zes jaren na de geboorte van A verkrijgen de ouders door naturalisatie de Australische nationaliteit. A deelt daar niet in, omdat hij al Australiër is. Desondanks verliest hij het Nederlanderschap, aangezien hij reeds de nationaliteit bezit die zijn ouders op hun verzoek hebben verkregen.
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
In 2001 wordt vader A genaturaliseerd tot Nederlander. A behoudt daarbij de Marokkaanse nationaliteit. Kind C deelt in de naturalisatie. Moeder B wordt niet genaturaliseerd. Vader en kind bezitten na naturalisatie de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.
A is geboren uit de ongehuwde vrouw B, die weliswaar een nationaliteit bezit, maar die nationaliteit niet aan A heeft doorgegeven. A is dus staatloos.
B wordt genaturaliseerd tot Nederlander, waarin A deelt. B verliest door de naturalisatie niet haar oorspronkelijke nationaliteit. Tijdens de minderjarigheid van A doet B afstand van het Nederlanderschap.
### Toelichting
In 2005 wordt in Nederland kind B geboren uit de in Australië geboren ongehuwde vrouw A. A is van Nederlandse en Australische nationaliteit. B verkrijgt bij zijn geboorte uitsluitend de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft nimmer de Australische nationaliteit verkregen, omdat zijn geboorte niet is geregistreerd bij een Australisch Consulaat.
Enkele maanden na de geboorte van B emigreren hij en zijn moeder naar Australië. Na tien jaren hoofdverblijf in Australië verliest A haar Nederlanderschap ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (aan haar is in die tien jaren geen Nederlands reisdocument of bewijs van Nederlanderschap afgegeven).
Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook B, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, zijn Nederlanderschap moeten verliezen (waar B al die jaren hoofdverblijf heeft gehad speelt hierbij geen enkele rol).
### Ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
Na de naturalisatie van A tot Nederlander wordt zijn zoon B geboren. Zowel A als B zijn in Nederland geboren. B ontleent het Nederlanderschap zowel aan [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) als aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
Het besluit waarbij aan A het Nederlanderschap werd verleend, wordt op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN ingetrokken, aangezien hij heeft nagelaten na zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.
Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook B zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, voor B geldt de uitzonderingscategorie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN. Hij ontleent het Nederlanderschap immers tevens aan artikel 3 derde lid, RWN. Voor B gaat het Nederlanderschap dan ook niet verloren.
Het echtpaar A en B, beiden geboren in Marokko in 1965, woont sedert 1995 in Nederland. In 2000 wordt in Marokko uit het huwelijk C geboren. Alle leden van het gezin zijn van Marokkaanse nationaliteit.
### 16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
A vestigt zich na zijn naturalisatie tot Nederlander in Denemarken. In 2002 wordt zijn huwelijk met B door echtscheiding ontbonden en trouwt hij in Denemarken met een Deense vrouw. Als hij zes jaren in Denemarken woont, wordt hij daar genaturaliseerd. Zijn minderjarig kind C, die in Nederland bij B verblijft, verkrijgt niet de Deense nationaliteit. B bezit op het moment dat A de Deense nationaliteit verkrijgt nog steeds uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit en kind C heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit.
Met het begrip ‘ouder’ in [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) is ook bedoeld de adoptiefouder, mits de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken, alsmede de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.
A is in Nederland geboren uit het huwelijk van de Nederlandse man B en de in Frankrijk geboren Britse vrouw C.
A verkrijgt bij zijn geboorte het Nederlanderschap uitsluitend op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3). Het Brits burgerschap verkrijgt hij niet bij zijn geboorte, aangezien zijn moeder Brits burger door afstamming is.
### 16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
### Artikel 16a
### Ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
Geen.
A verkrijgt bij zijn geboorte het Nederlanderschap uitsluitend op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3). Het Brits burgerschap verkrijgt hij niet bij zijn geboorte, aangezien zijn moeder Brits burger door afstamming is.
Met het begrip ‘ouder’ in [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) is ook bedoeld de adoptiefouder, mits de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken, alsmede de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.
Geen.
### 16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### 16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
Geen.
Geen.
### Toelichting
Geen.
Deze bepaling bevat voor minderjarigen een zelfde regeling als [artikel 15A, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) voor meerderjarigen. Het gestelde bij [artikel 15A, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) hoefde bij de onderhavige bepaling niet te worden opgenomen, aangezien de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen Nederland en Suriname, alleen van toepassing is op personen die op 25 november 1975 reeds waren geboren. Een eenvoudig rekensommetje leert, dat deze personen inmiddels niet meer minderjarig zijn. Het is dan ook uitgesloten dat nu nog een minderjarige ingevolge die Overeenkomst de Surinaamse nationaliteit verkrijgt.
Geen.
### 19-alg. Toelichting algemeen
### Toelichting
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### Ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
### Artikel 18
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### Toelichting
In [hoofdstuk 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6) is de vaststelling van het Nederlanderschap geregeld. Die vaststelling kan als volgt geschieden. Wanneer alleen de vaststelling van de nationaliteit aan de orde is, dan is in Nederland uitsluitend bevoegd de Rechtbank ’s-Gravenhage, en in de Nederlandse Antillen of Aruba het gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Is echter reeds elders een zaak aanhangig bij een rechterlijke instantie of in een administratief beroep, waarbij mede van belang is dat het al of niet bezitten van het Nederlanderschap wordt vastgesteld, dan is een procedure voor de Haagse rechtbank of het gemeenschappelijk Hof van Justitie niet mogelijk. Iemand kan dus niet ‘twee ijzers in het vuur hebben’.
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=7); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=13); [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=19); [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=25); [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33); [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=39); [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=45); [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=51) en [63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
Geen.
De in [artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) bedoelde algemene maatregel van rijksbestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BVVN, van 15 april 2002, **Stb.** 2002, 231)
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14); [15.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### Ad artikel 22, eerste lid
### Toelichting
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21)
### 22-2. Toelichting ad artikel 22, tweede lid
### Artikel 21
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7) en [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=7); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=13); [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=19); [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=25); [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33); [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=39); [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=45); [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=51) en [63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)
Geen.
Geen.
De in [artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) bedoelde algemene maatregel van rijksbestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BVVN, van 15 april 2002, **Stb.** 2002, 231)
Het onderhavige artikel is een delegatiebepaling. Dit artikel geeft de rijksregering de bevoegdheid om bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regels te stellen voor de uitvoering van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738). Ter uitvoering van de RWN zijn de volgende algemene maatregelen van rijksbestuur van toepassing:
### Artikel 24
### Toelichting
Geen.
Geen.
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [15A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) WNI: artikelen 5 (oud); 7.1 en 7.3
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21)
[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=6)
### 25-alg. Toelichting algemeen
### Toelichting
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6)
### Ad artikel 26, tweede lid
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6)
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### 26-1. Toelichting ad artikel 26, eerste lid
### 24-alg. Toelichting algemeen
Ingevolge deze bepaling kunnen oud-Nederlanders die voldoen aan de voorwaarden van [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) tot en met 31 maart 2013 een beroep doen op het onderhavige artikel.
### 26-3. Toelichting ad artikel 26, derde lid
Geen.
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2). In aanvulling daarop geldt het volgende. De persoon die een beroep doet op deze bepaling, zal zelf moeten aantonen wanneer en op grond van welk artikel hij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. In een aantal gevallen zal dit al blijken uit een vermelding in de GBA. In dat geval is geen aanvullend bewijs nodig. Is de verliesgrond echter niet vermeld, dan zal de vrouw die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren als gevolg van het door haar voor 1 maart 1964 gesloten huwelijk, bijvoorbeeld een uittreksel uit het huwelijksregister kunnen tonen. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen. Verlies op grond van artikel 7, aanhef ten eerste of ten derde, WNI of [artikel 15, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan worden aangetoond door het overleggen van het naturalisatiebesluit, een bij de naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit een naturalisatie c.q. optieregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het vreemde nationaliteitsrecht. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het om de griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen, bijvoorbeeld bij de vertegenwoordiging van zijn land in Nederland en dient – indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van dat land in Nederland bevoegd zijn om de verklaring af te geven. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van dat land in Nederland bevoegd zijn om een verklaring af te geven. Deze verklaring dient, indien nodig, gelegaliseerd en vertaald te worden. De burgemeester zal vervolgens aan de hand van het (destijds geldende) vreemde recht en het (destijds geldende) Nederlandse nationaliteitsrecht moeten bepalen of sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit en zo ja, op grond van welk artikel in de WNI of de RWN.
### Algemeen
De Nederlandse vrouw A, emigreert in 1970 samen met haar Nederlandse echtgenoot naar Canada. Haar echtgenoot krijgt in 1977 de Canadese nationaliteit door naturalisatie. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Zelf verkrijgt A de Canadese nationaliteit in 1980 door naturalisatie en verliest daardoor op grond van hetzelfde artikel het Nederlanderschap. Deze vrouw kan, mits jegens haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 behoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Haar man heeft de Canadese nationaliteit op het moment dat zij de Canadese nationaliteit verkrijgt. Ervan uitgaande dat haar man voor zijn komst naar Canada altijd in Nederland heeft gewoond, moet hij wel ten minste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben om de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie te verkrijgen. Hij voldoet immers niet aan [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26).
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [15A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) WNI: artikelen 5 (oud); 7.1 en 7.3
### Toelichting
### 26-alg. Toelichting algemeen
Dit artikel heeft tot doel oud-Nederlanders die op grond van oude nationaliteitswetgeving de Nederlandse nationaliteit hebben verloren en die behoren tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, gedurende een overgangstermijn van tien jaar na inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) op 1 april 2003 in de gelegenheid te stellen de Nederlandse nationaliteit op eenvoudiger wijze te herkrijgen. De personen waar het hier om gaat, wonen in het algemeen buiten het Koninkrijk. De in [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) genoemde voorwaarde, dat een optant gedurende een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk moet hebben, wordt daarom niet gesteld. Alle overige bij optie gestelde voorwaarden en vormvereisten zijn wél van toepassing.
### 26-1. Toelichting ad artikel 26, eerste lid
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VI)
Ingevolge deze bepaling kunnen oud-Nederlanders die voldoen aan de voorwaarden van [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) tot en met 31 maart 2013 een beroep doen op het onderhavige artikel.
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VI)
Een op het moment van de bevestiging van de optie minderjarig kind van de in [artikel 26, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) bedoelde persoon hoeft evenmin in het Koninkrijk te wonen om in de optie te kunnen delen. Hetzelfde geldt voor het kind van dit kind. Alleen als het kind in de optieverklaring van de ouder wordt genoemd, deelt het in de verkrijging van het Nederlanderschap.
### Artikel 28
Voor de administratieve afhandeling geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
De Nederlandse vrouw A, emigreert in 1970 samen met haar Nederlandse echtgenoot naar Canada. Haar echtgenoot krijgt in 1977 de Canadese nationaliteit door naturalisatie. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Zelf verkrijgt A de Canadese nationaliteit in 1980 door naturalisatie en verliest daardoor op grond van hetzelfde artikel het Nederlanderschap. Deze vrouw kan, mits jegens haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 behoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Haar man heeft de Canadese nationaliteit op het moment dat zij de Canadese nationaliteit verkrijgt. Ervan uitgaande dat haar man voor zijn komst naar Canada altijd in Nederland heeft gewoond, moet hij wel ten minste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben om de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie te verkrijgen. Hij voldoet immers niet aan [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26).
De Nederlandse jongen B verhuist in 1950 op zesjarige leeftijd met zijn Nederlandse ouders naar de Verenigde Staten van Amerika. Op veertienjarige leeftijd verkrijgt hij de Amerikaanse nationaliteit door medenaturalisatie met zijn vader. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Deze oud-Nederlander valt niet onder overgangsbepaling artikel 26 RWN. Weliswaar heeft hij de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI en heeft hij voor zijn achttiende jaar vijf jaar onafgebroken in de Verenigde Staten van Amerika gewoond, maar hij heeft de Nederlandse nationaliteit verloren toen hij minderjarig was.
Een Nederlandse vrouw C trouwt in 1962 met een Italiaanse man. Zij verkrijgt als gevolg van haar huwelijk automatisch de Italiaanse nationaliteit. Zij verliest van rechtswege de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) WNI. Deze vrouw kan, mits jegens haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 behoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
WNI: artikel 5, zoals dat luidde vóór 1 maart 1964
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3)
Geen.
### 27-alg. Toelichting algemeen
Bij de tot 1 januari 2005 geldende redactie van [artikel 27, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=27), viel strikt genomen het kind dat werd geboren op 1 april 2003 niet onder de werking van artikel 27, tweede lid RWN, dat op die dag in werking was getreden. Pas een kind geboren op 2 april 2003 (of daarna) viel onder de redactie van het op 1 april 2003 gewijzigde artikel. Dit is nimmer de bedoeling geweest, en met de wetswijziging is dit rechtgezet.
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2). In aanvulling daarop geldt het volgende. De vrouw die een beroep doet op de onderhavige bepaling, dient zelf aan te tonen dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren door of in verband met het huwelijk. Tevens zal zij moeten aantonen dat het huwelijk is ontbonden en op welk moment dat is gebeurd. In dit verband kan zij een recent uittreksel uit een huwelijksregister overleggen; een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waaruit blijkt dat het huwelijk is ontbonden, dan wel – bij ontbinding door overlijden – een overlijdensakte van haar echtgenoot. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen.
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
### Artikel 28
### Ad artikel 26, eerste lid
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [6.1 t/m 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=133); [1:163.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=163); [1:253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha) en [1:183.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=183)
WNI: artikel 5, zoals dat luidde vóór 1 maart 1964
### II RRWN-alg. Toelichting algemeen
Indien vóór inwerkingtreding van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) (nieuw) de naturalisatie heeft plaatsgevonden, werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Aldus bepaalt [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II). Een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór 1 april 2003. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij tot 1 april 2003 wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, en na deze datum niet meer.
De verkrijging van het Nederlanderschap op grond van het onderhavige artikel werkt terug tot de datum waarop het huwelijk is ontbonden. Dit is een uitzondering op het in [artikel 2, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) geformuleerde beginsel dat verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. Volgens Nederlands recht wordt het huwelijk onder meer ontbonden door de dood, door echtscheiding en door ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed ([artikel 1:149 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=149)). De echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed komt tot stand op het moment dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ([artikel 1:163, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=163) en [artikel 1:183, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=183)). In andere rechtsstelsels geldt veelal dat het huwelijk is beëindigd op een moment dat een rechterlijke uitspraak waarbij het huwelijk is ontbonden in kracht van gewijsde is gegaan.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Voor 1 april 2003 kon aan minderjarige kinderen het Nederlanderschap worden verleend op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) (de zogenaamde na-naturalisatie) dan wel op grond van [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) (medeverlening). In beide gevallen was vereist dat er geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba van het kind mochten bestaan. Dit vereiste is na 1 april 2003 opgenomen in artikel 11 RWN, waarin is bepaald dat het kind voor wie (mede)naturalisatie wordt verzocht ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij artikel 11 RWN). Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN).
### 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
### Ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d
De verzoeker kan een beroep doen op een vrijstellingsgrond als genoemd in [artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3). Daartoe dient hij aan te tonen dat hij behoort tot een van de volgende categorieën vrijgestelde personen:
### 2.1.1. De Voorlichtingsfase
Van het afleggen van het praktijkgedeelte als bedoeld in [artikel 3.7 van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=3.7) (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan) alsmede van het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN) is vrijgesteld de verzoeker die aantoont dat hij in het op grond van de [Wet inburgering nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544) (1998-2006) behaalde Certificaat Inburgering Nieuwkomers, het onderdeel Nederlands als Tweede Taal heeft behaald met een voor de onderdelen Lezen, Luisteren, Schrijven en Spreken voldoende niveau voor de naturalisatie.
### 2.3.6. Aanmelding bij ROC Amsterdam
Toetsen waarvan gebruik gemaakt kan worden zijn de NIVOR-toets (Cito), de Trajecttoets NT2 (Bureau ICE), de Profieltoets NT2 of eigen toetsen van ROC’s. Het NT2-taaltraject kan als zelfstandig traject zijn aangeboden of onderdeel zijn van een bredere cursus, traject, opleiding of module. In alle gevallen betreft het een traject dat in ieder geval is bekostigd uit middelen voor de [Wet educatie en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625), al dan niet in combinatie met middelen voor de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) of andere middelen. Het traject wordt vaak aangeduid als ‘educatietraject’. Verklaringen die zijn afgegeven zonder dat de deelnemers zijn getoetst, bijvoorbeeld als een deelnemer (door ziekte) niet aanwezig is op het moment van toetsing, kunnen niet leiden tot een vrijstelling. Deze verklaringen worden veelal ‘bewijzen van deelname’ genoemd.
### 2.3.1. Inleiding
De verklaring dient in ieder geval de volgende gegevens te bevatten:
### 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
Met echtheidskenmerken wordt een logo of een stempel van het ROC bedoeld. De naam en de handtekening van de verantwoordelijke van het ROC zijn relevant om de herkomst van het document te kunnen achterhalen en om bij twijfel over de echtheid van het document de toner te kunnen verwijzen naar het opleidingencentrum dat verantwoordelijk is geweest voor afgifte van het document. De verantwoordelijke kan de directeur of een mentor van een ROC zijn.
### paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
Voor indiening van het verzoek beoordeelt de burgemeester of het overgelegde document dat recht op (gedeeltelijke) vrijstelling kan geven origineel is en of de personalia overeenkomen met die van de verzoeker. Ook controleert de burgemeester aan de hand van een door de IB-Groep te Groningen samengesteld modellenboek van diploma’s en getuigschriften. Bij twijfel kan contact worden opgenomen met de IB-Groep; ook bij niet Nederlandse diploma’s.
De verzoeker kan een beroep doen op een vrijstellingsgrond als genoemd in [artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3). Daartoe dient hij aan te tonen dat hij behoort tot een van de volgende categorieën vrijgestelde personen:
### paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
In de voorlichtende sfeer wijst de gemeente betrokkene op het feit dat het medisch advies inburgeringsexamen afkomstig moet zijn van een medisch adviseur als hierboven beschreven. De door de burgemeester aangewezen arts is bekend bij de afdeling inburgering van de betreffende gemeente. De gemeente gaat bij de afdeling die belast is met het uitvoeren van de Wet inburgering na of het medische advies is opgemaakt door een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen medisch adviseur. Op het moment van indienen van het verzoek om naturalisatie bij de gemeente mag het advies niet ouder zijn dan zes maanden.
### 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen
Indien de niet gealfabetiseerde verzoeker de toets gesproken Nederlands (TGN) met goed gevolg op A2 niveau heeft afgelegd, verstrekt de IB-Groep een resultaten brief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands, met het resultaat ‘geslaagd’.
### paragraaf 2.3.4. Toetscriteria niet gealfabetiseerd
Iemand is ‘niet gealfabetiseerd’ in het kader van het examen indien hij analfabeet is in zowel zijn eigen taal als het Nederlands. Beheerst iemand wel het schrift van zijn eigen taal (bijvoorbeeld betrokkene kan Arabisch, Chinees of Thais schrijven), maar beheerst hij niet het Europese schrift, dan kan hij niet als ‘niet gealfabetiseerd’ worden beschouwd. Betrokkene beheerst immers de kunst van het schrijven. In onderwijskringen wordt dit ‘anders’ gealfabetiseerd genoemd.
### 2.3.5. Aanmelding bij ROC Amsterdam
Betrokkene dient aan de hand van certificaten of verklaringen van (bij voorkeur onderwijs-)instellingen aan te tonen dat hij zich heeft ingespannen om gealfabetiseerd te raken. Van een ‘extra inspanning’ is sprake als meer dan gemiddeld is getracht niveau A2 op het gebied van Nederlands leren lezen en schrijven te behalen. Hierbij is het niet van belang of betrokkene wel of niet inburgeringsplichtig is of was ingevolge de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611). Het moet wel ten minste gaan om een cursus in georganiseerd verband, bij voorkeur bij een onderwijsinstelling, maar het kan ook gaan om een gemeentelijk welzijnswerk, een cursus bij of via het arbeidsbureau of een cursus bij buurt- of clubhuis.
### 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
Een Japanse vrouw die in 1981 is gehuwd met een Nederlandse man, sindsdien in Nederland woont en een verblijfsvergunning in haar bezit heeft, doet een verzoek om naturalisatie bij de gemeente van haar woonplaats. Als nieuwkomer heeft zij het inburgeringsprogramma niet gevolgd. Nu wil zij zich laten naturaliseren tot Nederlander en is bereid de naturalisatietoets af te leggen.
### 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
+ : kent polygamie
### Bijlage 7
# : polygamie alleen voor islamitische groep t : verstoting
### Bijlage 7
Echter, indien duidelijk blijkt dat verzoeker zich buiten deze vereisten om opzettelijk afzijdig houdt van –of afzet tegen –alles wat Nederlands is of op Nederland betrekking heeft, of bijvoorbeeld weigert zijn kinderen naar school te laten gaan, zal hij niet kunnen worden beschouwd als te zijn opgenomen in de Nederlandse samenleving en zal zijn verzoek om naturalisatie worden afgewezen. Gedacht wordt hier bijvoorbeeld ook aan het doen van uitlatingen die zich richten tegen de democratische rechtsorde of oproepen tot feitelijk handelen in strijd met de geldende wet- en regelgeving, of die een gevaar opleveren voor de goede betrekkingen van Nederland met andere mogendheden. Er moeten in het geval van weigering tot opneming dus omstandigheden zijn die blijk geven van onvoldoende inburgering van contra-indicaties als het ware.
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
? : onbekend
### paragraaf 1. Algemeen
Op grond van dit artikellid geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf indien de verzoeker:
### Ad artikel 8, vierde lid
H is de zoon van een Franse ongehuwde moeder en een juridisch onbekende vader. Hij is uitsluitend in het bezit van de Franse nationaliteit. Als H veertien jaar is, gaat zijn moeder samenwonen met een Nederlander. H woont bij hen in. Ze wonen alledrie in Straatsburg. Als H vijftien jaar en vier maanden is, wordt hij erkend door de Nederlander. Als H achttien jaar en drie maanden oud is, verlaat hij de ouderlijke woning om te gaan werken in Nederland. Bij aankomst in Nederland wordt hij onmiddellijk in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Zodra H vier maanden in Nederland toelating en hoofdverblijf heeft, kan hij een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft immers voor zijn achttiende jaar al twee jaar en acht maanden in gezinsverband met zijn Nederlandse vader gewoond. Deze twee jaar en acht maanden mogen afgetrokken worden van de drie jaar termijn. De drie maanden na zijn achttiende verjaardag mogen niet van die termijn afgetrokken worden. De jaren dat hij deel uitmaakte van het gezin van de Nederlander voordat hij werd erkend evenmin. Of het verzoek van H wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
### 8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
A is geboren in 1953 in Suriname als zoon van Nederlandse ouders. Op 25 november 1975 heeft A de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van de toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS). A kan als oud-Nederlander onmiddellijk na vestiging in Nederland een verzoek om naturalisatie indienen bij de burgemeester van zijn woonplaats. Hij hoeft voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek geen toelating en hoofdverblijf in Nederland te hebben gehad. Uiteraard dient hij wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie te voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap. Zodra A een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland heeft gehad, kan hij er overigens ook voor kiezen om een optieverklaring af te leggen. Zie hiervoor [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
### Ad artikel 8, vijfde lid
C is twintig jaar en bezit de Turkse nationaliteit. Van zijn vijfde tot zijn twaalfde jaar woonde hij in Nederland bij zijn ouders. Zijn moeder was in die tijd aaneengesloten in het bezit van een verblijfsvergunning bij zijn vader. Deze verblijfsvergunning had mede betrekking op C.
### Ad artikel 8, zesde lid
D is van Marokkaanse nationaliteit. Hij woont en werkt in totaal al vijftien jaar in Nederland, maar hij heeft pas sinds twee jaar een verblijfsvergunning. D komt dus niet in aanmerking voor de verkorte termijn van twee jaar toelating en hoofdverblijf. Weliswaar heeft hij in totaal meer dan tien jaar hoofdverblijf in Nederland, maar hij heeft in totaal nog geen tien jaar toelating in Nederland. Als D zijn hoofdverblijf in Nederland houdt en zijn verblijfsvergunning steeds tijdig laat verlengen, kan hij over drie jaar een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft dan direct voorafgaand aan het verzoek om naturalisatie vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland. Of het verzoek van D dan wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of D dan voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
### 8-4. Toelichting ad artikel 8, vierde lid
De Fransman E woont in Frankrijk tien jaar ongehuwd samen met een Nederlander. Beiden vestigen zich vervolgens in Nederland. Na enkele dagen wordt E in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf bij Nederlandse partner. Na anderhalf jaar gaan beiden in Nederland een geregistreerd partnerschap aan. E kan, na nog eens anderhalf jaar onafgebroken samenwonen met zijn Nederlandse partner en mits hij gedurende die periode onafgebroken in het bezit blijft van een geldige verblijfsvergunning, een verzoek om naturalisatie indienen. Hij voldoet dan aan de verkorte termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. De termijn van anderhalf jaar ongehuwd samenwonen in Nederland en de termijn van anderhalf jaar samenwonen in geregistreerd partnerschap (dat ingevolge [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) is gelijkgesteld met een huwelijk) in Nederland, mogen bij elkaar worden opgeteld. De termijn van tien jaar ongehuwd samenwonen in het buitenland telt niet mee. Of het verzoek van E wordt ingewilligd hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
G is de dochter van een Turkse ongehuwde moeder en een juridisch onbekende vader. Zij is uitsluitend in het bezit van de Turkse nationaliteit. Als G 22 jaar is, wordt zij erkend door een Nederlander. Zij verkrijgt hierdoor niet de Nederlandse nationaliteit. Als G 40 jaar is, gaat zij in Nederland wonen. Na vijf maanden wordt zij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Als G daarna nog drie jaar ononderbroken haar hoofdverblijf in Nederland houdt en in het bezit blijft van een verblijfsvergunning kan zij een verzoek om naturalisatie indienen. Of het verzoek van G wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of zij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
### 1. Algemeen
[Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405): [artikelen 1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1); [1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1) en [5 t/m 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=5)
### 4.1. Misdrijven
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31); [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32); [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34) en [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=38)
### paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
[Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405): [artikelen 1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1); [1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1) en [5 t/m 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=5)
### paragraaf 2. Afwijzing indien de verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden ingetrokken
[WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827): [artikel 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=183)
### paragraaf 3. Afwijzing indien er serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
[WRB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368): [artikelen 34.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34) en [34.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34)
### Algemeen
Ingevolge overgangsbepaling [artikel VII, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) geldt overgangsrecht voor [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8). Zie bij [artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7), onder ‘Overgangsrecht’.
### Ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
Met ‘sanctie’ wordt hier niet alleen bedoeld een straf (bijvoorbeeld geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) die door de strafrechter is opgelegd, maar ook door de politie of het OM opgelegde boeten. De verzoeker mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking ter zake van misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat het verzoek moet worden afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Indien naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de procedure worden betrokken.
### 4. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
Een enkele transactie of strafbeschikking ter zake van een misdrijf leidt tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, indien de geldboete € 453,78 of meer bedraagt, of de voorwaarde voor transactie of van de strafbeschikking een taakstraf is. De rehabilitatietermijn van vier jaar vangt aan als het bedrag is betaald of de taakstraf is vervuld. Meerdere transacties of strafbeschikkingen ter zake van misdrijf, van ieder ten minste € 226,89 leiden tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, indien de som van deze transacties of strafbeschikkingen in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop ten minste € 680,67 bedraagt. Hetzelfde geldt voor de combinatie van transactie(s), strafbeschikking(en) en geldboete(n).
### 3. Afwijzing indien er serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
Het openbare-ordebeleid bij naturalisatie komt niet geheel overeen met het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht. De reden daarvoor is dat de verlening van het Nederlanderschap iets geheel anders is dan de verlening van een vergunning tot verblijf. Het Nederlanderschap geeft immers rechten die een verblijfsvergunning niet geeft, bijvoorbeeld actief en passief kiesrecht voor de Staten-Generaal en de mogelijkheid een beroep te doen op consulaire bescherming, en stelt bepaalde ambten open die niet voor vreemdelingen openstaan. Daarom mogen er ook andere regels worden gesteld.
### paragraaf 3. Afwijzing indien er serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
De woorden “ernstige vermoedens” in het onderhavige artikellid geven aan dat niet alleen misdrijven waarvoor de verzoeker al onherroepelijk is veroordeeld in aanmerking moeten worden genomen, maar ook misdrijven waarvan hij op goede gronden wordt verdacht en waarop alsnog een sanctie kan volgen.
### paragraaf 4.4. Voeging
De verzoeker mag in de periode van vier jaren direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop (de zogenaamde rehabilitatietermijn) niet onderworpen zijn geweest aan sanctionering van een misdrijf of aan de gevolgen daarvan. Daarbij geldt het volgende:
### paragraaf 4.1. Misdrijven
Een ernstig vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt niet gebaseerd op zo maar iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet wel voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen. Bovendien moet ook de sanctie die daarop is gevolgd, voldoende zwaar zijn. Dat betekent dat misdragingen die strafrechtelijk als overtreding worden gekwalificeerd of die buiten het strafrecht zijn afgedaan (bijvoorbeeld met een bestuurlijke boete of uitsluitend een civiele veroordeling tot schadevergoeding) buiten beschouwing blijven. Of een bepaalde misdraging een misdrijf of een overtreding is, is afhankelijk van de betreffende wetgeving. Misdrijven zijn opgenomen in het [Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&boek=Tweede) ([artikelen 92 tot en met 423 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92)), maar soms ook in bijzondere wetten, zoals de [Wet Economische Delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) (WED) en de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941). Steeds zal de betreffende wet moeten worden geraadpleegd om te bezien of het betreffende feit een misdrijf (of een overtreding) is.
### paragraaf 4.2. Transacties en strafbeschikkingen
Een enkele transactie of strafbeschikking ter zake van een misdrijf leidt tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, indien de geldboete € 453,78 of meer bedraagt, of de voorwaarde voor transactie of van de strafbeschikking een taakstraf is. De rehabilitatietermijn van vier jaar vangt aan als het bedrag is betaald of de taakstraf is vervuld. Meerdere transacties of strafbeschikkingen ter zake van misdrijf, van ieder ten minste € 226,89 leiden tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, indien de som van deze transacties of strafbeschikkingen in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop ten minste € 680,67 bedraagt. Hetzelfde geldt voor de combinatie van transactie(s), strafbeschikking(en) en geldboete(n).
### 4.4. Voeging
Vanaf 1 februari 2008 is een regeling betreffende het buitengerechtelijk afdoen van strafbare feiten door middel van een strafbeschikking van kracht. In de gevallen waar volgens de huidige regelgeving een transactie mogelijk is, kan bij de buitengerechtelijke afdoening nieuwe stijl een strafbeschikking worden uitgevaardigd. De strafbeschikking berust op een schuldvaststelling. De strafbeschikking kan worden uitgevaardigd door de officier van justitie of door aangewezen opsporingsambtenaren of bestuursorganen. Naast het Openbaar Ministerie (OM) en politie hebben ook gemeenten en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) de bevoegdheid gekregen strafbeschikkingen uit te vaardigen. In de strafbeschikking kunnen straffen en maatregelen worden opgelegd en aanwijzingen worden gegeven. De straffen en maatregelen kunnen zijn een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uren, een geldboete, onttrekking aan het verkeer, de verplichting tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor ten hoogste zes maanden. Als degene jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd het daar niet mee eens is, kan hij bij het OM verzet instellen. Hierdoor komt de zaak alsnog voor de rechter, die deze in volle omvang beoordeelt. De huidige transactie zal – gefaseerd – worden vervangen door de strafbeschikking. De transactie en de strafbeschikking zullen de komende vijf jaar naast elkaar blijven bestaan. De regeling van de strafbeschikking is, net als die van de transactie, van toepassing op overtredingen en op misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar. De regeling van de strafbeschikking is te vinden in de [artikelen 257a-257h van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257a).
### paragraaf 4.3. Cumulatie van sancties
Het beleid dat een enkele financiële sanctie (geldboete, transactie of strafbeschikking) van minder dan 453,78 (ƒ 1000) ter zake van misdrijf niet bij de beoordeling van het gedrag wordt betrokken, blijft in beginsel gehandhaafd, zij het dat een serie met lagere vermogenssancties afgedane misdrijven thans ook tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie kan leiden. Het is als onrechtvaardig ervaren dat de verzoeker die zich regelmatig schuldig maakt aan misdrijven, maar die daarvoor telkenmale sancties krijgt opgelegd van minder dan 453,78 (ƒ 1000), wel, en de verzoeker die eenmalig een misdrijf heeft begaan waarvoor hij met een boete van 453,78 (ƒ 1000) of meer is bestraft gedurende vier jaren nadien niet voor naturalisatie in aanmerking komt. Met de cumulatieregeling is beoogd aan deze onrechtvaardigheid tegemoet te komen. Indien de verzoeker binnen een bepaald tijdsbestek wegens herhaalde misdrijven is gesanctioneerd, kan daarmee rekening worden gehouden. Om te voorkomen dat een opeenstapeling van vermogenssancties ter zake van diverse misdrijven (te snel) tot weigering van naturalisatie leidt, is per sanctie een minimumbedrag van 226,89 (ƒ 500) vastgesteld. Deze ondergrens van 226,89 (ƒ 500) is gebaseerd op (in richtlijnen van het OM opgenomen vermogenssancties die kunnen worden opgelegd ter zake van) misdrijven, waarvan bij herhaling kan worden aangenomen dat er sprake is van ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde. Met het totaalbedrag van 680,67 (ƒ 1500) is beoogd te voorkomen dat een te gering aantal sancties uiteindelijk toch tot weigering van naturalisatie zal gaan leiden.
### paragraaf 4.4. Voeging
Met een voorwaardelijk sepot is echter nog geen einde aan de zaak gekomen. Met een voorwaardelijk sepot ziet het OM slechts af van strafvervolging, indien aan (een) bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan. Indien aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan alsnog tot dagvaarding worden overgegaan en kan het misdrijf alsnog leiden tot een sanctie. De voorwaardelijk geseponeerde zaak lijkt in dier voege op een openstaande strafzaak en wordt bij verzoek om naturalisatie op vergelijkbare wijze beoordeeld. Omdat strafvervolging en -oplegging niet zijn uitgesloten, dient de verzoeker eerst de proeftijd af te wachten. Voorwaardelijke sepots leiden evenmin tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, mits aan de voorwaarden van het sepot is voldaan en de proeftijd is verstreken. Indien een misdrijf voorwaardelijk is geseponeerd, dient altijd de proeftijd te worden afgewacht. Als betrokkene nog in de proeftijd zit, dient hij te worden geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek om naturalisatie totdat de proeftijd is verstreken. Indien hij er niettemin op staat het verzoek in te dienen en de proeftijd is nog niet verstreken, dan wordt het verzoek afgewezen. Pas als de proeftijd is verstreken en aan de voorwaarden is voldaan, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het vermeende misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid en dat er ook geen rehabilitatietermijn is aangevangen.
### paragraaf 4.11. Schadevergoeding
De enkele verplichting om aangerichte schade te vergoeden, wordt niet tegengeworpen, ook niet indien die schade is veroorzaakt door een misdrijf. Soms wordt de plicht tot schadevergoeding gekoppeld aan een andere afdoeningsvorm (bijvoorbeeld als voorwaarde aan een voorwaardelijk sepot of opgelegd naast een boete of al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Bij naturalisatie wordt bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker gekeken naar afdoening van het misdrijf (dus naar het voorwaardelijk sepot, de boete of de al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Schadevergoeding kan in diverse vormen voorkomen als voorwaarde om een sanctie te voorkomen. Voor vormen als dading en Halt-afdoeningen wordt verwezen naar voorwaardelijk sepot.
### 4.8. Vierjaartermijn
Het gaat bij de beoordeling van het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde om de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker. Die verwachtingen worden noodzakelijkerwijs gebaseerd op het gedrag van de verzoeker in het heden en recente verleden. Als maatstaf voor de beoordeling van het gedrag wordt de vraag gehanteerd of het gedrag van de verzoeker heeft geleid tot een veroordeling of andere sanctie ter zake van misdrijf of de tenuitvoerlegging daarvan. Omdat het echter blijft gaan om het toekomstige gedrag, wordt niet iedere sanctie en tenuitvoerlegging daarvan (ook niet als die sanctie zeer zwaar was) blijvend tegengeworpen. De omstandigheid dat iemand in het verleden wegens bepaalde strafbare feiten in aanraking is gekomen met Justitie is op zichzelf onvoldoende grond voor afwijzing. Aan het gedrag van de verzoeker in het verre verleden kunnen geen conclusies worden verbonden, voor wat betreft zijn toekomstige gedrag. Voor de beoordeling van een verzoek om naturalisatie is als maatstaf aangelegd dat er gedurende een periode van vier jaar, direct voorafgaande aan de indiening van het verzoek of de beslissing daarop, geen sprake mag zijn geweest van een misdrijf, de sanctionering van een misdrijf of de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie
### 4.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
Ook ingeval van een voorwaardelijk opgelegde straf is er sprake van een onvoorwaardelijke veroordeling, waarbij alleen de tenuitvoerlegging van de straf (of een gedeelte daarvan) onder bepaalde voorwaarden wordt opgeschort. Het voorwaardelijk opschorten van de tenuitvoerlegging van (een gedeelte van) de straf, doet niets af aan de veroordeling en daarmee aan de strafbaarheid van de daad en dader. Ook als een straf voorwaardelijk is opgelegd, is het misdrijf gepleegd en zijn daad en dader strafbaar bevonden. Voor naturalisatie is dus niet van belang of de straf voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd. Bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker wordt gekeken naar de totale straf die is opgelegd, dus ook naar het voorwaardelijke gedeelte ervan. Daarbij is het enkele feit dat de straf (geheel of gedeeltelijk) voorwaardelijk is opgelegd, dus niet van belang en wordt ook het voorwaardelijk opgelegde gedeelte in aanmerking genomen. Het feit dat de straf voorwaardelijk is opgelegd, is wel van belang voor de rehabilitatietermijn. Er zijn twee mogelijkheden:
### 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een verzoek dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden afgewezen, toch moet worden ingewilligd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de **Handleiding RWN 2003**geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.
### paragraaf 6. Procedure
Onvoorwaardelijke sepots worden niet tegengeworpen. Indien de verzoeker ten onrechte als verdachte is aangemerkt, indien de daad en/of de dader naar het oordeel van het OM niet strafbaar zijn, indien wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, of de zaak uit opportuniteitsoverwegingen wordt geseponeerd, is de zaak ten einde en kunnen daaraan in het algemeen verder geen gevolgen worden verbonden. Het vermeende misdrijf wordt immers niet gesanctioneerd. Met het onvoorwaardelijke sepot is de zaak direct afgedaan. Onvoorwaardelijke sepots leiden dus niet tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie. Vermeende misdrijven die onvoorwaardelijk zijn geseponeerd, blijven geheel buiten beschouwing. Omdat er geen sprake is van een sanctie, gaat ook geen rehabilitatietermijn van vier jaar lopen.
### 6. Procedure
In de naturalisatieprocedure wordt het verzoek om naturalisatie ingediend bij de burgemeester, die een onderzoek instelt en daarover adviseert aan de Minister van Justitie. Het advies ziet onder meer op de vraag of er ernstige vermoedens bestaan om aan te nemen dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt.
### 6.1. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
Schadevergoeding is in beginsel een zaak tussen degene die de schade heeft aangericht en de benadeelde. Veroordelingen door de civiele rechter tot schadevergoeding aan de benadeelde worden niet tegengeworpen bij naturalisatie. Schadevergoeding kan echter ook in het strafproces een rol spelen, bijvoorbeeld als voorwaarde verbonden aan een voorwaardelijk opgelegde straf of aan een beslissing om een strafzaak te seponeren. Bij de strafrechtelijke dading (een civielrechtelijke overeenkomst tussen de verdachte en de benadeelde van een strafbaar feit) wordt strafrechtelijke vervolging voorkomen. De verdachte komt overeen om de door de benadeelde geleden schade te vergoeden. Bij de beoordeling van dading voor de naturalisatiepraktijk wordt aangesloten bij wat hiervoor is vermeld onder voorwaardelijk sepot. Bij het OM moet dus worden nagegaan of de dadingsovereenkomst inderdaad is nagekomen en het OM niet alsnog vervolging heeft ingesteld. Tot die tijd moet de aanvraag worden aangehouden. Als de dadingsovereenkomst niet is nagekomen, en alsnog (al dan niet voorwaardelijk) een geldboete van 453,78 (ƒ 1000) of meer (ingeval van herhaalde misdrijven 226,89 (ƒ 500) of meer), een taakstraf of een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd, wordt het feit wel tegengeworpen. Ook de Halt-afdoening komt neer op een sepot onder voorwaarde. Indien de afspraken niet worden nagekomen, kan publiekrechtelijke sanctionering (in het kader van het jeugdstrafrecht) volgen. Gecontroleerd moet worden of de dienstverlening is voltooid. Indien dat niet het geval is, wordt de aanvraag aangehouden. Indien alsnog tot strafvervolging wordt overgegaan, wordt het feit alleen tegengeworpen indien een geldboete van 453,78 (ƒ 1000) of een (al dan niet voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd. Dit sluit aan bij de voorgestelde beoordeling van dading.
### paragraaf 4.12. Gratie
Bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker is niet van belang of de voor het misdrijf opgelegde straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden. Gekeken wordt naar de straf die oorspronkelijk is opgelegd, dus ook naar het gedeelte dat door gratie is kwijtgescholden. Voor naturalisatie heeft het enkele feit dat de straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden dus geen invloed op de beoordeling van het gedrag; het misdrijf en de dader zijn immers strafbaar bevonden en daarvoor is straf opgelegd. Gratie kan wel invloed hebben op de aanvang van de rehabilitatietermijn:
### paragraaf 5. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
Iedere verzoeker dient door middel van een verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag (zie model 2.3) schriftelijk te verklaren of hij, of een van de in het verzoek genoemde personen ouder dan zestien jaar, al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie. De verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag omvat meerdere verklaringen. Indien verzoeker aangeeft dat hij een of meer van deze verklaringen niet naar waarheid kan afleggen, moet de burgemeester:
### 6.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
In de periode van 1 januari 1992 tot 1 oktober 1997 werd het vereiste om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet toegepast (zie circulaire van 20 december 1991, **Stcrt.**1992, 25). Dit kwam doordat op 22 oktober 1991 de Tweede Kamer der Staten-Generaal de motie Apostolou/Soutendijk-van Apeldoorn (TK 1991-1992, 21 971, nr. 29) inzake het doen van afstand bij naturalisatie had aangenomen. Naar aanleiding van deze motie werd besloten met ingang van 1 januari 1992 de eis, zoals geformuleerd in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), vooruitlopend op de aanpassing van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) te laten vallen. Het voorstel tot schrappen van deze eis stuitte echter op bezwaren bij de meerderheid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, zodat het vanaf 1 januari 1992 gevoerde afstandsbeleid herziening behoefde. Dit herziene beleid inzake de afstandsverplichting is op 1 oktober 1997 in werking getreden (circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6, inzake wijziging van het beleid inzake het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander).
### paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
Indien verzoeker, wegens het feit dat hij substantieel financieel nadeel lijdt omdat hij voor de afstand een hoog bedrag moet betalen, geen afstand wenst te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit en waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie.
### paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Verzoeker heeft de Andorrese nationaliteit. In de wetgeving van Andorra is geregeld dat een Andorrees die vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt de Andorrese nationaliteit verliest. In geval van automatisch verlies door naturalisatie tot een andere nationaliteit heeft het geen zin afstand te vragen.
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
Verzoeker bezit de Marokkaanse nationaliteit. De Marokkaanse nationaliteitswetgeving geeft aan dat in geval van naturalisatie tot een vreemde nationaliteit betrokkene een machtiging kan krijgen om de Marokkaanse nationaliteit te verwerpen. In de praktijk blijkt evenwel dat de machtiging niet kan worden verkregen. In feite betekent dit dus behoud van de Marokkaanse nationaliteit en heeft het geen zin om afstand te vragen.
### paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
Van een verzoeker die over een aanzienlijk vermogen beschikt kan niet snel worden aangenomen dat hij, gelet op zijn financiële draagkracht, een bedrag aan leges voor het doen van afstand moeilijk kan opbrengen. Hierbij geldt een vermogensgrens, waarboven niet meer kan worden gesproken van een door verzoeker te lijden substantieel financieel nadeel (uiteraard met inachtneming van het bepaalde in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2008-07-13&g=2008-07-13)).
### 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
B lijdt door het betalen van het bedrag voor het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Weliswaar is zijn netto maandinkomen lager dan het bedrag aan leges, maar zijn in aanmerking te nemen vermogen bedraagt 14.656 (150.000 minus 70.000 = 80.000 van welk bedrag 65.344 niet wordt meegerekend). Daarmee zit hij ruim boven de vermogensgrens van 6370.
### 3.4.4. Zelfstandigen
In dit kader geldt als inkomen; het maandinkomen (van verzoeker en eventueel zijn (huwelijks)partner), inclusief de overhevelingstoeslag, na aftrek van de over het bruto inkomen verschuldigde belasting, sociale verzekeringspremies, pensioenpremies en vaste lasten (zoals maandelijkse uitgaven in verband met alimentatie ten behoeve van de gewezen partner en ten behoeve van de kinderen, premies van vrijwillige verzekering tegen ziektekosten, premies krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) en de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614), verhaalsbedragen in het kader van de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) en eventuele andere bijzondere uitgaven die noodzakelijk ten laste van verzoeker komen) (vergelijk [artikel 1, onder b, Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1) en [artikel 7 Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=7)).
### 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
Voor de vaststelling van het vermogen wordt uitgegaan van de toestand van het vermogen op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar van het indienen van het verzoek om naturalisatie.
### 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
Voor de vaststelling van het netto maandinkomen wordt uitgegaan van het inkomen voorafgaand aan het jaar van indienen van het verzoek om naturalisatie
### 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Van een verzoeker die over een aanzienlijk vermogen beschikt kan niet snel worden aangenomen dat hij, gelet op zijn financiële draagkracht, een bedrag aan leges voor het doen van afstand moeilijk kan opbrengen. Hierbij geldt een vermogensgrens, waarboven niet meer kan worden gesproken van een door verzoeker te lijden substantieel financieel nadeel (uiteraard met inachtneming van het bepaalde in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2008-10-01&g=2008-10-01)).
### 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
Verzoeker B is alleenstaande en bezit de nationaliteit van land Y. Uit verklaringen van de autoriteiten van land Y blijkt dat hij voor het doen van afstand van nationaliteit Y een bedrag van 1250 moet betalen. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat hij een netto maandinkomen van 1100 heeft, dat hij een eigen woning heeft met een huidige marktwaarde van 150.000 dat hij voor de aankoop van de woning een hypotheek heeft afgesloten en dat bij de bank nog een hypotheekschuld van 70.000 resteert.
### 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Indien het verlies aan vermogensrechtelijke rechten door het doen van afstand slechts zeer klein is, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het verlies zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt ook in dit kader een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
### 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
Binnen de grenzen van het minimum en het maximum financieel nadeel is de verhouding tussen het overig vermogen van verzoeker én het bedrag dat wordt verloren door het doen van afstand bepalend voor de vraag of hij al dan niet afstand moet doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
Is het bedrag (de waarde van de vermogensrechtelijke rechten) dat wordt verloren door het doen van afstand hoger dan (of gelijk aan) een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is sprake van substantieel financieel nadeel in hier bedoelde zin en behoeft verzoeker geen afstand te doen.
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
Verzoekster A heeft de nationaliteit van land Z en is 40 jaar oud. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie overlegt zij verklaringen van de autoriteiten van land Z, waaruit blijkt dat zij een pensioen heeft opgebouwd van 2000 en dat pensioenbedragen alleen worden uitgekeerd aan personen met de nationaliteit van land Z die de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. De betreffende wettelijke bepalingen zijn bijgevoegd. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat A in Nederland een spaartegoed heeft van 3000 en in Duitsland een spaartegoed heeft van 2000. A behoeft geen afstand te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit. Haar opgebouwd pensioen kan thans niet te gelde worden gemaakt, zodat zij dat pensioen zal verliezen door het doen van afstand. Het te verliezen bedrag van 2000 is voorts groter dan een vierde deel van haar overig vermogen van 5000.
### 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
A kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie. Weliswaar heeft hij een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij is opgeroepen voor militaire dienst, maar hij heeft niet genoegzaam aangetoond dat hij de dienstplicht nog moet vervullen. De oproep voor militaire dienst is immers twee jaar oud, zodat het mogelijk is dat hij de dienstplicht inmiddels heeft vervuld.
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
A kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie. Weliswaar heeft hij een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij is opgeroepen voor militaire dienst, maar hij heeft niet genoegzaam aangetoond dat hij de dienstplicht nog moet vervullen. De oproep voor militaire dienst is immers twee jaar oud, zodat het mogelijk is dat hij de dienstplicht inmiddels heeft vervuld.
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
Het betreft hier verzoekers die bij het indienen van het verzoek om naturalisatie aantonen dat zij in het bezit zijn van verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd) of verblijfsdocument IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd).
### paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### Bijlage 1
In de toelichting op bovenstaande uitzonderingscategorieën wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat er verklaringen en/of documenten dienen te worden overgelegd indien verzoeker meent onder één van de uitzonderingscategorieën te vallen. Alleen authentieke akten worden in dit verband geaccepteerd als bewijsstukken. Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Authentieke akten zijn tevens akten, waarvan het opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt (zie [artikel 183, tweede lid, WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=183)). Onderhandse akten worden niet geaccepteerd. Onderhandse akten zijn alle akten die niet authentieke akten zijn (zie [artikel 183, derde lid, WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=183)).
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In deze gevallen heeft het immers geen zin om afstand te vragen. Met het oog op automatisch verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander of met het oog op eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan vooren- en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker reeds in de voorlichtingsfase door de burgemeester wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of het consulaat) of naar de voor hem geëigende organisaties voor minderheden voor het verkrijgen van informatie hieromtrent.
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de bestaande uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk en in een voorkomend geval aan de hand van berekeningen – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Hij wordt erop gewezen dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen indien een beroep op de uitzonderingscategorie niet wordt gehonoreerd en dat het bedrag aan betaalde leges in dat geval niet wordt teruggegeven.
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
Het postadres is: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Stafdirectie Uitvoeringsbeleid, afdeling uitvoeringsbeleid, Postbus 5800, 2280 HV Rijswijk.
### Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
Hierna volgt een lijst van landen met vermelding van behoud of verlies van de nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander. Bij deze lijst wordt het volgende aangetekend: het betreft hier een momentopname voor zover bij het Ministerie van Justitie bekend ten tijde van het verschijnen van deze gewijzigde landenlijst. Gebruikers van deze lijst die stuiten op wijzigingen of onjuistheden, wordt verzocht dit schriftelijk aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie te melden onder vermelding van het onderwerp: Afstandsverplichting bij naturalisatie.
### Ad artikel 9, tweede lid
De schrijfwijze van de namen van staten is conform de ‘lijst van landnamen’, de officiële schrijfwijze voor het Nederlandse taalgebied, van de Werkgroep Buitenlandse Aardrijkskundige namen, 1994.
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
Dit artikellid geeft een opsomming van categorieën verzoekers om naturalisatie op wie het in het eerste lid aanhef en onder b van dit artikel neergelegde vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is. De hier vermelde uitzonderingen berusten op verdragsverplichtingen (in het bijzonder het Tweede Protocol en het Vluchtelingenverdrag van Geneve van 28 juli 1951).
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
Dit artikellid geeft een opsomming van categorieën verzoekers om naturalisatie op wie het in het eerste lid aanhef en onder b van dit artikel neergelegde vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is. De hier vermelde uitzonderingen berusten op verdragsverplichtingen (in het bijzonder het Tweede Protocol en het Vluchtelingenverdrag van Geneve van 28 juli 1951).
### Ad artikel 9, derde lid
Geen.
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
Dit artikel biedt de mogelijkheid van naturalisatie wanneer aan bepaalde voorwaarden niet is voldaan. Uitgangspunt is dat er sprake is van een zeer ‘bijzonder geval’. In uitzonderlijke gevallen kunnen er belangen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn om van die voorwaarden af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse belangen zich voordoen, zoals op het gebied van de internationale economische en culturele betrekkingen. In concreto kan worden gedacht aan vreemdelingen die in aanmerking komen voor een functie waarvoor het Nederlanderschap is vereist of gewenst en eventueel hun echtgenoten/partners. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie.
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
Ten behoeve van de beeldvorming, met betrekking tot de vraag wanneer er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan onderhavig artikel kan worden toegepast, volgt onderstaand een aantal praktijkvoorbeelden. Bij een aantal voorbeelden is aangegeven op welke wijze met vergelijkbare gevallen kan worden omgegaan.
### paragraaf 3.1. Advisering
Om vast te kunnen stellen of met de naturalisatie van verzoeker een Nederlands belang op sportief gebied is gediend, wordt de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om advies gevraagd. Alleen indien bij het verzoek tot naturalisatie mede een verklaring van een Nederlandse sportbond wordt overgelegd inhoudende dat naturalisatie een Nederlands sportbelang op korte termijn dient, verzoekt de Minister van Justitie om advisering ter zake door de Staatssecretaris van VWS. Zonder een dergelijke ondersteunende verklaring wordt de zaak niet aan VWS aangeboden, maar direct afgewezen.
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
Vóór 1 april 2003 konden minderjarigen, die niet hadden gedeeld in de verlening van het Nederlanderschap aan de ouder(s), onder voorwaarden op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden voorgedragen voor naturalisatie. Voor deze minderjarigen is thans een bijzondere naturalisatieprocedure opgenomen in [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11).
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
De verscheidenheid van de gevallen waarbij een beroep op toepassing van dit artikel wordt gedaan, is groot. Om die reden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Ieder verzoek wordt op de eigen merites bezien. Het moet evenwel altijd een bijzonder geval betreffen. Uit de jurisprudentie van (onder meer) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de adviezen van de Raad van State kan wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet dermate bijzonder zijn dat ze naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN rechtvaardigen. Niet bijzonder is bijvoorbeeld:
### 3.2. Niveau van sportbeoefening
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6); [31.1 t/m 31.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31); [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32) en [51 t/m 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56)
### paragraaf 3.4. Advies VWS
Ontbreekt de verklaring, dan vermeldt het advies van VWS de reden daarvan;
### paragraaf 3.5. Beslissing
Het voorgaande geldt niet indien het een vreemdeling betreft waarvan de IND aan de Staatssecretaris van VWS in het verzoek om advies heeft laten weten dat de Nederlandse nationale sportbond dan wel het Nederlands Olympisch Comité geen contact met vertegenwoordigers van het herkomstland dient op te nemen.
### Artikel 11
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2 t/m 4; 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9);
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6); [31.1 t/m 31.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31); [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32) en [51 t/m 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56)
### Ad artikel 11, tweede lid
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:233](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233) en [1:253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha)
### 11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid
Dit artikel bevat bepalingen met betrekking tot de medeverlening van het Nederlanderschap aan minderjarigen en jongvolwassenen. Het artikel is sedert 1 april 2003 aangepast aan de ontwikkelingen op nationaliteitsrechtelijk terrein en heeft mede ten doel de rechtspositie van minderjarige kinderen bij medeverlening van de Nederlandse nationaliteit te verbeteren. Zo is in de wet tot uitdrukking gebracht dat naarmate een kind ouder wordt, hij meer inspraak heeft in het al dan niet verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit.
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
Geen.
### 12-alg. Toelichting algemeen
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Ad artikel 11, vierde lid
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [Boek 1, titel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=2)
### Artikel 12
In een voorkomend geval stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeker schriftelijk in de gelegenheid om aan te geven welke geslachtsnaam hij wenst en wijst verzoeker op het feit dat het achterwege blijven van een keuze voor een naamsvaststelling leidt tot afwijzing van het naturalisatieverzoek.
### 1.3. Nederlandse kinderen delen niet in naamsvaststelling of naamswijziging
Het spreekt voor zich dat kinderen die reeds de Nederlandse nationaliteit bezitten geen deel uitmaken van een verzoek om naturalisatie van hun ouders. Nederlandse kinderen delen daarom niet in de verkrijging van het Nederlanderschap noch in de eventuele naamsvaststelling of naamswijziging van hun ouders.
### 1. Namenreeks of naamsketen
Indien er sprake is van een namenreeks of naamsketen kan geen onderscheid worden gemaakt tussen de geslachtsnaam en de voornamen van de verzoeker. De volgende landen kennen een zogenaamde namenreeks of naamsketen: Afghanistan, Bangladesh, Egypte, Ethiopië, India, Indonesië, Irak, Democratische Republiek Congo, Nepal, Pakistan, Soedan, Somalië en Sri Lanka. Ten aanzien van verzoekers van wie de namen worden bepaald door het recht van deze landen is dus naamsvaststelling geboden. In dat geval dient een enkelvoudige geslachtsnaam te worden vastgesteld die overeenkomt met de naam van de (voor)ouder. Draagt betrokkene een namenreeks waarin niet een naam van een (voor)ouder voorkomt, dan dient één van zijn eigen namen te worden vastgesteld als geslachtsnaam en de andere eigen naam als voornaam.
### 1. Namenreeks of naamsketen
In een voorkomend geval stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeker schriftelijk in de gelegenheid om aan te geven welke geslachtsnaam hij wenst en wijst verzoeker op het feit dat het achterwege blijven van een keuze voor een naamsvaststelling leidt tot afwijzing van het naturalisatieverzoek.
### 12-1. Toelichting ad artikel 12, eerste lid
Wijziging van de namen in het kader van de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend wanneer verzoeker te kennen geeft daaraan behoefte te hebben én dit gelet op de inburgering van belang is. Een verzoeker kan dus niet worden verplicht tot naamswijziging. In geval van naamswijziging wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de door de betrokkenen uitgesproken voorkeur.
### Artikel 13
Onder deze omstandigheden kan niet onmiddellijk naturalisatie plaatsvinden. Zowel de geboorteakte (identiteit) als de affidavit (later verkregen geslachtsnaam) dienen éérst te worden gelegaliseerd en geverifieerd door de Nederlandse vertegenwoordiging te India. Daarna dient de naamsvaststelling plaats te vinden, waarbij B wordt genaturaliseerd onder de geslachtsnaam van haar Nederlandse echtgenoot.
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
Indien de naam slechts bestaat uit één bestanddeel wordt deze naam in beginsel vastgesteld als voornaam. De geslachtsnaam wordt dan vastgesteld overeenkomstig de naam van de (voor)ouder. In voorkomende gevallen kan ook een gedeelte van de naam van betrokkene worden vastgesteld als geslachtsnaam en het andere gedeelte wordt dan vastgesteld als voornaam.
### paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
Indien de namen van de verzoeker in documenten van gelijke rangorde (bijvoorbeeld twee uittreksels van de geboorteakte) op uiteenlopende wijze worden gespeld, dient naamsvaststelling plaats te vinden. Naamsvaststelling is dus niet vereist indien de namen van de verzoeker weliswaar in verschillende documenten op uiteenlopende wijze worden gespeld, maar deze documenten niet van gelijke rangorde zijn.
### Ad artikel 12, tweede lid
Tarief B is verschuldigd indien twee optieverklaringen gelijktijdig worden afgelegd door twee:
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
TOI: artikel 10
### 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
De volgende categorieën optanten zijn vrijgesteld van leges ([artikel 4, eerste lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)):
### paragraaf 1.1. Tarieven
Tarief A is verschuldigd indien een optant een optieverklaring aflegt op grond van [artikel 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) of [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) dan wel [artikel V, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V).
### paragraaf 2.2. Tarieven E en F
Met betrekking tot personen die ingevolge een administratieve vergissing reeds meer dan een jaar als Nederlander zijn aangemerkt, geldt dat als de administratie een fout in de beoordeling van het bezit van het Nederlanderschap heeft gemaakt, én betrokkene kan opteren, de fout moet kunnen worden hersteld zonder kosten voor betrokkene. Indien de fout aan betrokkene zelf is te wijten, bijvoorbeeld indien sprake is van frauduleus of onzorgvuldig gedrag van de betrokkene, wordt geen ontheffing van de optiegelden verleend.
### paragraaf 2. Naturalisatiegelden
Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval dient te worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:
### paragraaf 2.2. Tarieven E en F
In beginsel zijn de tarieven E of F verschuldigd voor de behandeling van één dan wel de behandeling van twee gelijktijdig indiende verzoek(en) om naturalisatie.
### paragraaf 2.3. Tarieven C en D
Het komt voor dat verzoekers die een combinatie van verschillende uitkeringen ontvangen, door verschillende berekeningssystemen van de uitkeringsinstanties een inkomen genieten dat slechts enkele euro’s boven de voor hen geldende bijstandsnormen ligt. Uitsluitend in die gevallen waarin de verzoeker en zijn/haar eventuele echtgeno(o)t(e) of partner verschillende uitkeringen geniet(en) (dus bijvoorbeeld niet in gevallen waarin inkomsten uit arbeid worden genoten), geldt dat als het belastbaar jaarinkomen in het peiljaar niet meer dan €100 boven het in het op betrokkene(n) van toepassing zijnde bedrag in bovenstaande omrekentabel ligt, de verzoeker toch in aanmerking komt voor het verminderd tarief. Ook hier geldt dat de verzoeker een en ander door middel van een inkomensverklaring T-2 van de raad voor rechtsbijstand dient aan te tonen. De inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand moet afgegeven zijn in hetzelfde jaar waarin het verzoek om naturalisatie is ingediend.
### 2.3. Tarieven C en D
In het geval van een zelfstandig verzoek van een minderjarige wordt het toepasselijk tarief (gewoon of verminderd tarief) bepaald aan de hand van het inkomen van de wettelijke vertegenwoordiger(s) van het kind.
### paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden
Het komt voor dat verzoekers die een combinatie van verschillende uitkeringen ontvangen, door verschillende berekeningssystemen van de uitkeringsinstanties een inkomen genieten dat slechts enkele euro’s boven de voor hen geldende bijstandsnormen ligt. Uitsluitend in die gevallen waarin de verzoeker en zijn/haar eventuele echtgeno(o)t(e) of partner verschillende uitkeringen geniet(en) (dus bijvoorbeeld niet in gevallen waarin inkomsten uit arbeid worden genoten), geldt dat als het belastbaar jaarinkomen in het peiljaar niet meer dan €100 boven het in het op betrokkene(n) van toepassing zijnde bedrag in bovenstaande omrekentabel ligt, de verzoeker toch in aanmerking komt voor het verminderd tarief. Ook hier geldt dat de verzoeker een en ander door middel van een inkomensverklaring T-2 van de raad voor rechtsbijstand dient aan te tonen. De inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand moet afgegeven zijn in hetzelfde jaar waarin het verzoek om naturalisatie is ingediend.
### 2.5. Categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden
De volgende categorieën naturalisandi zijn vrijgesteld van naturalisatiegelden ([artikel 4, eerste lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)):
### paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is gemandateerd aan de burgemeester. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.24 beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.25 beschikbaar.
### Ad artikel 13, tweede lid
Modellen van een schriftelijke bevestiging door betrokkene dat hij is geïnformeerd over de hoogte en de termijn van de te betalen naturalisatiegelden en dat hij instemt met de betaling van de opgelegde naturalisatiegelden dan wel is vrijgesteld van de betaling dan wel een verzoek om ontheffing heeft ingediend, zijn opgenomen als model 1.25 en model 2.8. De vaststelling van de hoogte van de te betalen naturalisatiegelden is een voorbereidingshandeling zoals bedoeld in [artikel 6:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:3) en is niet afzonderlijk vatbaar voor bezwaar of beroep.
### paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid beperkt tot datum herziening RWN (1 april 2003)
De in het kader van het afleggen van een verklaring van optie ontvangen gelden, behoeven niet te worden afgedragen. De behandeling van en de beslissing op de verklaring van optie liggen immers geheel in handen van de ontvangende instantie.
### Artikel 14
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III)[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 65 t/m 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=65)
### Ad artikel 14, eerste lid
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:202.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=202) en [3:44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=44)
### 2. Algemeen
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): [titel XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XII)
### 14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
Ten aanzien van naturalisatiebesluiten die zijn genomen op of ná 1 april 2003 heeft de Hoge Raad bij beschikking van 30 juni 2006 overwogen dat “**In het licht van dit alles moet worden aangenomen dat de regeling van artikel 14 lid 1 (RWN) mede betrekking heeft op gevallen als het onderhavige, waarin de aanvrager zijn personalia niet juist heeft opgegeven en het naturalisatiebesluit hem derhalve niet met de juiste personalia aanduidt, doch wel duidelijk is op welke fysieke persoon het besluit betrekking heeft. Uit het systeem en de strekking van de wet volgt derhalve dat ook in dat geval een naturalisatiebesluit, verleend onder de werking van de RWN zoals deze sinds 1 april 2003 luidt, rechtsgevolg heeft, zolang het niet met toepassing van artikel 14 lid 1 RWN is ingetrokken**.” In het geval het Koninklijk Besluit dateert van op of ná 1 april 2003 geldt voor het opgeven van een valse identiteit derhalve dat rechtsgevolg is verbonden aan het Koninklijk Besluit en betrokkene Nederlander is geworden. Het Nederlanderschap kan wel conform [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) worden ingetrokken.
### paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap uitsluitend wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
Verder geldt dat de voornemenprocedure is gestart op een moment dat A nog maar kort in het bezit van de Nederlandse nationaliteit is. Bij een relatief korte periode na de verkrijging van het Nederlanderschap bestaat minder reden om af te zien van intrekking dan bij een langere periode.
### paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap uitsluitend wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
B, C en D zijn dus wel oud-Nederlanders, maar ingevolge [artikel II, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) kunnen zij geen optie uitbrengen op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en ook niet in aanmerking komen voor een versnelde naturalisatie als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), eerste zinsnede.
### 1. Intrekkingsmogelijkheid beperkt tot datum herziening RWN (1 april 2003)
Verder geldt dat de voornemenprocedure is gestart op een moment dat A nog maar kort in het bezit van de Nederlandse nationaliteit is. Bij een relatief korte periode na de verkrijging van het Nederlanderschap bestaat minder reden om af te zien van intrekking dan bij een langere periode.
### paragraaf 4.1. Voornemenprocedure
Gezien het belang van het bezit van het Nederlanderschap, in het bijzonder als het verlies daarvan zou leiden tot staatloosheid, is de procedure tot intrekking wegens fraude omgeven met bijzondere waarborgen. De procedure is beschreven in de [artikelen 66 tot en met 69 van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66). De procedure biedt de rechtstreeks betrokken personen en autoriteiten de mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen, waardoor de Minister van Justitie zoveel mogelijk argumenten pro en contra de intrekking van het Nederlanderschap tegen elkaar kan afwegen.
### paragraaf 4.2. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
In 2003 wordt zoon E geboren. Zoon E verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap ingevolge artikel 3, eerste lid, RWN.
### paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
E blijft Nederlander. Ook na de intrekking van het Nederlanderschap van B geldt ten aanzien van E nog steeds dat hij het kind is van wie ten tijde van zijn geboorte de vader Nederlander was.
### paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
**Meldplicht fraude**
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
Zijn de namen van betrokkene bij de naturalisatie c.q. optie gewijzigd of vastgesteld, dan doet zich na intrekking van het Nederlanderschap één van de volgende drie situaties voor:
### paragraaf 4.1. Voornemenprocedure
Gezien het belang van het bezit van het Nederlanderschap, in het bijzonder als het verlies daarvan zou leiden tot staatloosheid, is de procedure tot intrekking wegens fraude omgeven met bijzondere waarborgen. De procedure is beschreven in de [artikelen 66 tot en met 69 van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66). De procedure biedt de rechtstreeks betrokken personen en autoriteiten de mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen, waardoor de Minister van Justitie zoveel mogelijk argumenten pro en contra de intrekking van het Nederlanderschap tegen elkaar kan afwegen.
### paragraaf 4.2. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
Volgens [artikel 69 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=69) dient de Minister van Justitie een besluit tot intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) uiterlijk te nemen binnen zestien weken nadat hij mededeling van zijn voornemen tot intrekking heeft gedaan. In [artikel 68, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) is geregeld dat bij het besluit tot intrekking onder meer rekening moet worden gehouden met de aard en ernst van de fraude, de mogelijke staatloosheid van betrokkene na de intrekking, de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen en de overige relevante factoren. Geen intrekking zal plaatsvinden indien die beslissing, afgewogen tegen de mate van bedrog of verzwijging, disproportioneel moet worden geacht. Aan iedere intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN dient een belangenafweging vooraf te gaan. Weegt het belang van betrokkene om niet in te trekken uiteindelijk zwaarder dan het belang van de overheid om wel in te trekken, dan dient niet te worden ingetrokken (zie de toelichting op het BVVN, **Stb.** 2002, 231).
### 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
A, geboren in 1990, is het kind van een Nederlandse man en een Franse vrouw. A ontleent het Nederlanderschap aan uitsluitend artikel 3, eerste lid, RWN en is tevens van Franse nationaliteit.
### paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
Wordt de burgemeester door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
Zijn de namen van betrokkene bij de naturalisatie c.q. optie gewijzigd of vastgesteld, dan doet zich na intrekking van het Nederlanderschap één van de volgende drie situaties voor:
### 14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid
In principe zou dit voor de minderjarige C verlies van het Nederlanderschap meebrengen, en wel met ingang van 8 juli 2004. Echter, in dit geval treedt geen verlies in, omdat de andere ouder ten tijde van haar overlijden Nederlander was.
### 14-3. Toelichting ad artikel 14, derde lid
B, minderjarig kind van Belgische ouders, ontleent het Nederlanderschap via de vader aan artikel 3, derde lid, RWN en is tevens van Belgische nationaliteit.
### Ad artikel 14, derde lid
Zou B het Nederlanderschap tevens via de moeder aan artikel 3, derde lid, RWN ontlenen, dan zou voor hem geen verlies intreden. De familierechtelijke betrekking met de moeder is immers niet vervallen.
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
Bij statenopvolging kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het uiteenvallen van een staat in diverse nieuwe staten of aan een splitsing van een staat als gevolg van een afscheidingsverklaring. In het kader van de hier bedoelde statenopvolging wordt veelal door de nieuw ontstane staten aan bepaalde (in het buitenland wonende) voormalige burgers van de oude uiteengevallen/gesplitste staat de mogelijkheid geboden om (onder bepaalde voorwaarden) de nationaliteit van de nieuwe staat door optie te verkrijgen.
### paragraaf 1.1. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
Een verklaring van afstand wordt in beginsel in persoon ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) en schriftelijk ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)) afgelegd, omdat van belang is dat wordt aangetoond dat de betrokkene is wie hij zegt te zijn. De burgemeester, moet zich de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de betreffende persoon ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). In dat kader wordt betrokkene verzocht een geldig identiteitsdocument te overleggen.
### 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
Een verklaring van afstand wordt in beginsel in persoon ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) en schriftelijk ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)) afgelegd, omdat van belang is dat wordt aangetoond dat de betrokkene is wie hij zegt te zijn. De burgemeester, moet zich de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de betreffende persoon ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). In dat kader wordt betrokkene verzocht een geldig identiteitsdocument te overleggen.
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
Behoudens het gestelde in de volgende alinea, treedt verlies van het Nederlanderschap in door langdurig verblijf in het buitenland. Van belang hierbij is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan. Betrokkene:
### 1. Algemeen
Door de verstrekking van één van laatstbedoelde documenten wordt de verliestermijn van tien jaren gestuit. Vanaf de dag van de verstrekking van een dergelijk document begint een nieuwe verliestermijn van tien jaren te lopen ([artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)). Dus, als men er – steeds binnen tien jaren – voor zorgt in het bezit te worden gesteld van bedoelde verklaring van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument, kan het Nederlanderschap nimmer op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) verloren gaan door verblijf in het buitenland.
### paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
De verliestermijn kan niet worden omzeild door binnen de termijn van tien jaren ‘eventjes’ naar bijvoorbeeld Nederland te komen. Immers, [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) bepaalt dat de verliestermijn van tien jaren geacht wordt niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel op gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. Zie voor wat betreft het tijdstip van aanvang en/of eventuele verlenging van de termijn paragraaf 2.
### 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
Tot 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba. Dit was geregeld in het oude [artikel 15, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
### Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e
A kan echter verlies van het Nederlanderschap voorkomen door ervoor te zorgen dat hij vóór 1 april 2013 in het bezit wordt gesteld van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument (vergelijk [artikel 15, lid 4, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)). Vanaf de datum van de verstrekking van een van beide documenten begint dan voor hem een nieuwe verliestermijn van tien jaar te lopen.
### 15-1-d. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d
Om tot verlies van het Nederlanderschap te leiden, dient de indiensttreding vrijwillig te zijn geweest, of sprake te zijn van vrijwillige voortzetting van het dienstverband. Het gevolg geven door een bipatride Nederlander aan een oproep voor de militaire dienstplicht van een vreemde staat is geen vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst. Ook vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst leidt op zich niet tot verlies van het Nederlanderschap.
### 15a-a. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)
De Nederlander B, die in 1949 in Nederland is geboren, woont sedert 1990 in Frankrijk en wordt in januari 2004 tot Fransman genaturaliseerd. Ten tijde van zijn naturalisatie is hij gehuwd met een vrouw van Franse nationaliteit.
### 15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
In dit geval echter, biedt het Tweede Protocol wél soelaas. Immers, Frankrijk is ook partij bij het Tweede Protocol en uit het bepaalde in artikel 15A, aanhef en onder a, RWN, tweede zin vloeit voort dat verlies van het Nederlanderschap in dat geval niet intreedt, mits betrokkene behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Welnu, B behoort tot een van die categorieën, namelijk categorie c; hij is immers gehuwd met een vrouw van Franse nationaliteit. De conclusie is dan ook, dat B zijn Nederlanderschap niet heeft verloren door zijn naturalisatie tot Fransman.
### Algemeen
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [14.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16A)[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### Ad artikel 15A, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)
In 2005 legt A, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, namens C een verklaring van afstand af als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
### Toelichting
Volgens [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) zou ook A, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, ingevolge artikel 14, vierde lid, RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien A, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest hij zijn Nederlanderschap niet.
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
Door de verklaring van afstand verliest C het Nederlanderschap. Geen van de onderdelen van [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) verhindert het intreden van het verlies. Met name belet artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN het verlies niet, daar is immers vermeld dat de uitzondering om niet het Nederlanderschap te verliezen niet geldt in geval van het afleggen van een verklaring van afstand.
### 16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
De uitzonderingen, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN zijn op A niet van toepassing.
### 16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
Volgens [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) zou ook A, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, ingevolge artikel 14, vierde lid, RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien A, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest hij zijn Nederlanderschap niet.
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
Echter, ingevolge artikel 14, vierde lid, RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien B, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest hij zijn Nederlanderschap niet.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
In 2001 wordt vader A genaturaliseerd tot Nederlander. A behoudt daarbij de Marokkaanse nationaliteit. Kind C deelt in de naturalisatie. Moeder B wordt niet genaturaliseerd. Vader en kind bezitten na naturalisatie de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.
### 16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
Enkele maanden na zijn geboorte wordt A op verzoek van zijn ouders geregistreerd tot Brits burger. Ten aanzien van hem moet dus worden gesteld dat hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkregen heeft als zijn moeder, hetgeen ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN zou moeten leiden tot verlies van zijn Nederlanderschap.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### 16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### Artikel 16a
Geen.
### 16a-alg. Toelichting algemeen
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### 17-alg. Toelichting algemeen
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
### 20-alg. Toelichting algemeen
Geen.
### 18-alg. Toelichting algemeen
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### 20-alg. Toelichting algemeen
In [hoofdstuk 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6) is de vaststelling van het Nederlanderschap geregeld. Die vaststelling kan als volgt geschieden. Wanneer alleen de vaststelling van de nationaliteit aan de orde is, dan is in Nederland uitsluitend bevoegd de Rechtbank ’s-Gravenhage, en in de Nederlandse Antillen of Aruba het gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Is echter reeds elders een zaak aanhangig bij een rechterlijke instantie of in een administratief beroep, waarbij mede van belang is dat het al of niet bezitten van het Nederlanderschap wordt vastgesteld, dan is een procedure voor de Haagse rechtbank of het gemeenschappelijk Hof van Justitie niet mogelijk. Iemand kan dus niet ‘twee ijzers in het vuur hebben’.
### Toelichting
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14); [15.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### Toelichting
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikel 72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=72)
### 23-alg. Toelichting algemeen
Het onderhavige artikel is een delegatiebepaling. Dit artikel geeft de rijksregering de bevoegdheid om bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regels te stellen voor de uitvoering van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738). Ter uitvoering van de RWN zijn de volgende algemene maatregelen van rijksbestuur van toepassing:
### Artikel 24
Geen.
### Artikel 25
Geen.
### Toelichting
De invoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap op 1 januari 1985 heeft geen verandering gebracht in de nationaliteitsrechtelijke positie van personen die het Nederlanderschap hebben verkregen op grond van eerder geldende wettelijke regelingen. Met andere woorden, personen die onmiddellijk vóór 1 januari 1985 Nederlander waren, zijn dat op 1 januari 1985 gebleven. Het onderhavige artikel bepaalt dat deze personen Nederlander zijn in de zin van de RWN.
### Artikel 26
Geen.
### Ad artikel 27, tweede lid
Geen.
### 26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2). In aanvulling daarop geldt het volgende. De persoon die een beroep doet op deze bepaling, zal zelf moeten aantonen wanneer en op grond van welk artikel hij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. In een aantal gevallen zal dit al blijken uit een vermelding in de GBA. In dat geval is geen aanvullend bewijs nodig. Is de verliesgrond echter niet vermeld, dan zal de vrouw die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren als gevolg van het door haar voor 1 maart 1964 gesloten huwelijk, bijvoorbeeld een uittreksel uit het huwelijksregister kunnen tonen. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen. Verlies op grond van artikel 7, aanhef ten eerste of ten derde, WNI of [artikel 15, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan worden aangetoond door het overleggen van het naturalisatiebesluit, een bij de naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit een naturalisatie c.q. optieregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het vreemde nationaliteitsrecht. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het om de griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen, bijvoorbeeld bij de vertegenwoordiging van zijn land in Nederland en dient – indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van dat land in Nederland bevoegd zijn om de verklaring af te geven. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van dat land in Nederland bevoegd zijn om een verklaring af te geven. Deze verklaring dient, indien nodig, gelegaliseerd en vertaald te worden. De burgemeester zal vervolgens aan de hand van het (destijds geldende) vreemde recht en het (destijds geldende) Nederlandse nationaliteitsrecht moeten bepalen of sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit en zo ja, op grond van welk artikel in de WNI of de RWN.
### Toelichting
De verkrijging van het Nederlanderschap op grond van het onderhavige artikel werkt terug tot de datum waarop het huwelijk is ontbonden. Dit is een uitzondering op het in [artikel 2, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) geformuleerde beginsel dat verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. Volgens Nederlands recht wordt het huwelijk onder meer ontbonden door de dood, door echtscheiding en door ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed ([artikel 1:149 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=149)). De echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed komt tot stand op het moment dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ([artikel 1:163, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=163) en [artikel 1:183, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=183)). In andere rechtsstelsels geldt veelal dat het huwelijk is beëindigd op een moment dat een rechterlijke uitspraak waarbij het huwelijk is ontbonden in kracht van gewijsde is gegaan.
### Ad artikel 28, tweede lid
Geeft de betreffende nationaliteitswetgeving daaromtrent geen uitsluitsel of blijkt uit die nationaliteitswetgeving dat de vrouw door het huwelijk niet van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen, dan dient de verkrijging van die andere nationaliteit te worden aangetoond door bijvoorbeeld een naturalisatiebesluit, een bij naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit het nationaliteitenregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en de juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het nationaliteitsrecht. Uit die gegevens kan (mede) worden afgeleid of het Nederlanderschap is verloren door of in verband met het huwelijk. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het bijvoorbeeld om een griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen bij bijvoorbeeld de vertegenwoordiging van haar land in Nederland en dient – indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van haar land in Nederland bevoegd zijn om de verklaring af te geven. Deze verklaring dient, indien nodig, te worden gelegaliseerd en vertaald. De circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen, alsmede de toepassing van DNA-onderzoek in een aantal gevallen waarin bewijsstukken ontbreken van 15 mei 2006 is van toepassing.
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
Geen.
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
De verkrijging van het Nederlanderschap werkt ook terug voor de in de optieverklaring vermelde kinderen van de vrouw die delen in de verkrijging. Kinderen geboren vóór de datum van ontbinding van het huwelijk delen op grond van [artikel 28, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) in de verkrijging door de moeder. Bij deze kinderen werkt de verkrijging – net als bij de moeder – terug tot op de datum van de ontbinding van het huwelijk. Daarnaast delen deze kinderen alleen, indien zij tot dat doel in de optieverklaring en in de daarop volgende bevestiging zijn vermeld.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
N.B. Voor deze bepaling geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’.
### 2.3. (Gedeeltelijke) ontheffing van de toets
### paragraaf 2. Procedure
### 2.1.2. Aanvraagfase
### paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
### paragraaf 2.3.1. Inleiding
Een verzoeker om naturalisatie die ten genoegen van de Minister aantoont wegens een lichamelijke en/of geestelijke belemmering dan wel een verstandelijke handicap of ondanks geleverde inspanningen redelijkerwijs niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen, is ingevolge [artikel 4 van het Besluit Naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4), van het examen ontheven.
De (aspirant-)verzoeker verklaart dat hij niet in staat is de volledige naturalisatietoets te doen, dan wel dat hij slechts één of meer onderdelen niet kan doen. Voor deze verklaring is model 2.26 (Beroep op ontheffing naturalisatietoets) beschikbaar. Het ingevulde en door betrokkene ondertekende model 2.26 wordt gevoegd bij het naturalisatieverzoek.
Indien verzoeker een ernstige psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap heeft en het inburgeringsexamen niet op de gebruikelijke wijze of met aangepaste examenomstandigheden kan afleggen is hij ontheven van het examen. Er is geen sprake van gedeeltelijke ontheffing. Verzoeker wordt altijd voor het gehele examen ontheven. [Artikel 5 van de Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=5) geeft hieraan uitwerking.
### 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
Indien betrokkene inburgeringsplichtig is geweest conform de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) is het mogelijk dat er in het kader van [deze wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) een beschikking die strekt tot ontheffing van het inburgeringsexamen wegens een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap door het college van burgemeester en wethouders aan de verzoeker is afgegeven. Deze beschikking geeft ook ontheffing voor het examen op voorwaarde dat deze op de dag van indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouders is dan drie jaar.
### 2.2.2.. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
De gemeente kan zonder nadere inhoudelijke controle afgaan op het medisch advies, en op het adviesblad naturalisatie bij ‘inburgering’ aantekenen dat ontheffing van het examen wordt geadviseerd. Mocht het advies niet conform het advies (model 2.27) of onvolledig zijn, dan adviseert de burgemeester betrokkene een nieuw advies te krijgen. Wenst betrokkene toch een verzoek om naturalisatie in te dienen, onder overlegging van een advies dat onvolledig of onduidelijk is, dan wordt op het adviesblad naturalisatie bij inburgering ‘niet akkoord’ aangetekend.
### 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan tijdens de naturalisatieprocedure het medisch advies nader worden onderzocht door de IND. De IND stuurt dan het medische advies naar de medisch adviseur die het advies heeft opgesteld, waarna de medisch adviseur de authenticiteit kan vaststellen. Indien het advies niet authentiek blijkt, is betrokkene niet ontheven van het inburgeringsexamen.
### Bijlage 7
In de voorlichtende sfeer wijst de gemeente betrokkene op het feit dat kosten zijn verbonden aan het haalbaarheidsonderzoek. De gemeente adviseert betrokkene dan ook eerst de toets gesproken Nederlands (TGN) op het gewenste niveau te behalen alvorens betrokkene naar ROC Amsterdam gaat voor het haalbaarheidsonderzoek.
### paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij ROC Amsterdam
### paragraaf 3.1. Polygamie
### Ad artikel 8, derde lid
### paragraaf 1. Algemeen
D is van Marokkaanse nationaliteit. Hij woont en werkt in totaal al vijftien jaar in Nederland, maar hij heeft pas sinds twee jaar een verblijfsvergunning. D komt dus niet in aanmerking voor de verkorte termijn van twee jaar toelating en hoofdverblijf. Weliswaar heeft hij in totaal meer dan tien jaar hoofdverblijf in Nederland, maar hij heeft in totaal nog geen tien jaar toelating in Nederland. Als D zijn hoofdverblijf in Nederland houdt en zijn verblijfsvergunning steeds tijdig laat verlengen, kan hij over drie jaar een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft dan direct voorafgaand aan het verzoek om naturalisatie vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland. Of het verzoek van D dan wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of D dan voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
Indien de verzoeker in de afgelopen drie jaar onafgebroken is gehuwd met een Nederlander (of in geval van drie jaar in Nederland geregistreerd partnerschap, vergelijk [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) én beide partners tijdens deze periode drie jaar onafgebroken samenwonen, geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf. Het huwelijk en de samenwoning mogen gedurende deze periode van drie jaar niet onderbroken zijn geweest, aangezien een onderbreking afbreuk doet aan de bij een huwelijk met een Nederlander veronderstelde versnelde inburgering. Op het moment van de indiening van het verzoek dient de echtgenoot van de verzoeker in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. Niet vereist is dat de Nederlandse echtgenoot van de verzoeker reeds drie jaar het Nederlanderschap bezit. Het is dus niet zo dat pas drie jaren na de naturalisatie van de één, de ander een verzoek mag indienen.
### 8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid
### 8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
### 9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
### paragraaf 2. Afwijzing indien de verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden ingetrokken
### paragraaf 4. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.
### 4.6. Buitenlandse feiten
### paragraaf 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
### 1. Algemeen
### paragraaf 6.1. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. A overlegt verklaringen van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij voor het doen van afstand een bedrag van 750 moet betalen. Uit de viv en de overgelegde loonstroken blijkt dat A een baan heeft als bollenpeller waarmee hij 1200 netto per maand verdient. Hij heeft geen vermogen.
### 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Als minimum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan het bedrag van het ver laagde tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker door het doen van afstand een bedrag verliest dat lager ligt dan (of gelijk is aan) het bedrag van het verlaagde tarief, kan nooit – ongeacht het vermogen van verzoeker – met succes een beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo laag dat het te lijden nadeel niet als substantieel kan worden aangemerkt.
Is het bedrag (de waarde van de vermogensrechtelijke rechten) dat wordt verloren door het doen van afstand hoger dan (of gelijk aan) een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is sprake van substantieel financieel nadeel in hier bedoelde zin en behoeft verzoeker geen afstand te doen.
Verzoeker B bezit de nationaliteit van land Y. Hij heeft aldaar een aantal jaren geleden met het oog op de alsmaar stijgende grondprijzen een braakliggend stuk grond van een hectare gekocht voor 30.000. Nadien heeft hij niet meer naar het stuk grond omgekeken. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie toont hij aan de hand van verklaringen van de autoriteiten van land Y aan dat hij aldaar de eigendom heeft van de hectare grond. Hij overlegt tevens een notariële akte waaruit blijkt dat het stuk grond een huidige waarde heeft van 50.000. In een andere verklaring van de autoriteiten van land Y wordt gesteld dat personen die geen onderdaan zijn van land Y geen eigenaar mogen zijn van grond en dat zonodig de grond door de autoriteiten zonder geldelijke vergoeding in beslag wordt genomen. De stukken zijn gelegaliseerd en vertaald in het Nederlands.
### 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Een verzoeker die bereid is afstand te doen, wordt in de voorlichtingsfase verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit teneinde te informeren naar de wijze waarop afstand van die nationaliteit kan worden gedaan (kan afstand worden gedaan op een ambassade of consulaire post in Nederland, kan alleen afstand worden gedaan in het land van herkomst, dient voor het doen van afstand te worden betaald etc.) én naar de (eventuele) gevolgen van het doen van afstand (bijvoorbeeld het verlies van vermogensrechtelijke rechten). Dit is om te voorkomen dat verzoeker, na de totstandkoming van de naturalisatie tot Nederlander, bij het doen van afstand wordt geconfronteerd met daaraan verbonden voorwaarden waaraan hij niet kan of niet wenst te voldoen. Na de totstandkoming van de naturalisatie kan hij immers niet meer met succes een beroep doen op één van de uitzonderingscategorieën. In dat kader is van belang dat uit de door verzoeker ondertekende bereidheidsverklaring blijkt dat hij in verband met het doen van afstand is gewezen op de uitzonderingscategorieën en dat hij tevens is verwezen naar de autoriteiten waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie omtrent het doen van afstand.
### paragraaf 4. Bewijsstukken
Het postadres is: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Stafdirectie Uitvoeringsbeleid, afdeling uitvoeringsbeleid, Postbus 5800, 2280 HV Rijswijk.
In verband met eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan voor-en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker in de voorlichtingsfase wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie hieromtrent (dit geldt logischerwijs niet voor een verzoeker die valt onder uitzondering 7).
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
### paragraaf 1. Algemeen
### Ad artikel 9, vierde lid
Een bijzonder geval kan zich voordoen als blijkt dat de verlening van het Nederlanderschap in zodanige mate een Nederlands cultureel belang dient, dat afwijking van één of meer reguliere voorwaarden wordt gerechtvaardigd. Onder een Nederlands cultureel belang wordt tevens verstaan een Nederlands belang op sportief gebied.
Ten behoeve van de beeldvorming, met betrekking tot de vraag wanneer er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan onderhavig artikel kan worden toegepast, volgt onderstaand een aantal praktijkvoorbeelden. Bij een aantal voorbeelden is aangegeven op welke wijze met vergelijkbare gevallen kan worden omgegaan.
De Staatssecretaris van VWS laat zich ondersteunend adviseren door de desbetreffende nationale sportbond, maar heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het advies aan de Minister van Justitie.
### paragraaf 3.1. Advisering
Of een sporter direct na de naturalisatie tot Nederlander daadwerkelijk op een internationaal concours of een internationale sportwedstrijd kan uitkomen als Nederlander is echter afhankelijk van de regels van de nationale sportbond van het herkomstland. Is op grond van deze regels deelname namens Nederland pas mogelijk na het verstrijken van een bepaalde periode, de zgn. blokkeringstermijn, dan kan bij de nationale sportbond van het land van herkomst om ontheffing of bekorting van deze termijn worden verzocht.
### 3.5. Beslissing
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
### Toelichting
### 11-alg. Toelichting algemeen
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel IB.A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IB)
### 11-3. Toelichting ad artikel 11, derde lid
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
### 1. Algemeen
In beginsel is het niet mogelijk dat een gehuwde vrouw bij de naturalisatie haar eigen geslachtsnaam laat wijzigen in die van haar (Nederlandse) echtgenoot. Immers, naar Nederlands recht mag de geslachtsnaam van de echtgenoot officieel niet worden toegevoegd aan de naam van de vrouw, noch draagt de vrouw rechtens de naam van haar echtgenoot. Wel is het toegestaan dat de vrouw in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van haar echtgenoot voert.
### paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen delen niet in naamsvaststelling of naamswijziging
### paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
Indien er sprake is van een namenreeks of naamsketen kan geen onderscheid worden gemaakt tussen de geslachtsnaam en de voornamen van de verzoeker. De volgende landen kennen een zogenaamde namenreeks of naamsketen: Afghanistan, Bangladesh, Egypte, Ethiopië, India, Indonesië, Irak, Democratische Republiek Congo, Nepal, Pakistan, Soedan, Somalië en Sri Lanka. Ten aanzien van verzoekers van wie de namen worden bepaald door het recht van deze landen is dus naamsvaststelling geboden. In dat geval dient een enkelvoudige geslachtsnaam te worden vastgesteld die overeenkomt met de naam van de (voor)ouder. Draagt betrokkene een namenreeks waarin niet een naam van een (voor)ouder voorkomt, dan dient één van zijn eigen namen te worden vastgesteld als geslachtsnaam en de andere eigen naam als voornaam.
### 12-2. Toelichting ad artikel 12, tweede lid
### 1. Optiegelden
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
Eén verzoeker komt in aanmerking voor tarief C als het inkomen van verzoeker niet uitkomt boven de op hem of haar toepasselijke norm uit de Wwb. Het gaat dan om de norm die van toepassing is in het halfjaar dat het naturalisatieverzoek wordt ingediend en de betalingsverplichting wordt vastgesteld. Bij de beoordeling of de verzoeker in aanmerking komt voor laag tarief wordt, gelet op het bepaalde in [artikel 10, tweede lid, Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=10), in het geval deze gehuwd is, dan wel een (geregistreerde) partner heeft (tenzij deze echtgeno(o)t(e) of partner van de verzoeker duurzaam gescheiden leeft) dan wel een duurzaam huishouden voert met een persoon (tenzij tussen hen een bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat), het inkomen van beiden meegerekend.
### paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
### 2.2. Tarieven E en F
### Ad artikel 13, eerste lid
### 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
### 2.4. Gevolgen voor kinderen
### 2.5. Categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): [titel XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XII)
### paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): [titel XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XII)
Zie voor het overgangsrecht toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN, paragraaf 2.
### 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
Ten aanzien van naturalisatiebesluiten die zijn genomen op of ná 1 april 2003 heeft de Hoge Raad bij beschikking van 30 juni 2006 overwogen dat “**In het licht van dit alles moet worden aangenomen dat de regeling van artikel 14 lid 1 (RWN) mede betrekking heeft op gevallen als het onderhavige, waarin de aanvrager zijn personalia niet juist heeft opgegeven en het naturalisatiebesluit hem derhalve niet met de juiste personalia aanduidt, doch wel duidelijk is op welke fysieke persoon het besluit betrekking heeft. Uit het systeem en de strekking van de wet volgt derhalve dat ook in dat geval een naturalisatiebesluit, verleend onder de werking van de RWN zoals deze sinds 1 april 2003 luidt, rechtsgevolg heeft, zolang het niet met toepassing van artikel 14 lid 1 RWN is ingetrokken**.” In het geval het Koninklijk Besluit dateert van op of ná 1 april 2003 geldt voor het opgeven van een valse identiteit derhalve dat rechtsgevolg is verbonden aan het Koninklijk Besluit en betrokkene Nederlander is geworden. Het Nederlanderschap kan wel conform [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) worden ingetrokken.
### 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
In de afweging om tot intrekking over te gaan, zal worden meegewogen:
### 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
In 2004 wordt vastgesteld dat B in het kader van de naturalisatieprocedure bedrog heeft gepleegd en dat de fraude hem kan worden toegerekend. Het bedrog heeft ook betrekking gehad op de meegenaturaliseerde kinderen C en D. Op 6 augustus 2004 wordt het aan B, C en D verleende Nederlanderschap ingetrokken. De gevolgen van de intrekking zijn: B, C en D hebben hun Nederlanderschap verloren. Zij moeten echter wel geacht worden van 19 juni 1995 tot 1 april 2003 Nederlander te zijn geweest, aangezien ingevolge [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) de intrekking niet verder terugwerkt dan tot het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, indien de naturalisatie vóór dat tijdstip tot stand is gekomen.
Bij beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 7 januari 2004 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van de minderjarige A. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld. Ingevolge artikel 1:202, eerste lid, BW vervalt de familierechtelijke betrekking tussen de Nederlandse man en A op het moment dat de beschikking van 7 januari 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.
### paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 14, tweede lid
### 15-alg. Toelichting algemeen
### Ad artikel 14, derde lid
De verkrijging van de andere nationaliteit, door bijvoorbeeld optie of naturalisatie, moet vrijwillig zijn. Het moet gaan om een wilsdaad die specifiek is gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit.
### 1. Algemeen
Behalve het vereiste van meerderjarigheid, geldt hier verder als enige voorwaarde dat betrokkene naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit bezit. Hij mag immers volgens [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) niet staatloos worden. Het bezit van die andere nationaliteit zal in de meeste gevallen blijken uit de beschrijving van betrokkene in de GBA. Is dat niet het geval, dan dient een bewijs van de andere nationaliteit te worden overgelegd, welk bewijs ook kan worden verlangd indien bijvoorbeeld aan het al dan niet bezitten van een andere nationaliteit wordt getwijfeld (vergelijk [artikel 62, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Het gestelde in de vorige zin geldt eveneens ten aanzien van de minderjarige kinderen van betrokkene, die – mits zij daardoor niet staatloos worden – ingevolge [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) delen in de afstand.
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
### 7. Verdere administratieve afhandeling
### paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
### 1.4. Situatie tot 1 april 2003
A, geboren op 5 januari 1980 in Australië, is van Nederlandse en Australische nationaliteit en woont sedert geboorte in Australië. De verliestermijn van tien jaar van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) vangt voor A aan op 1 april 2003 (vergelijk [artikel IV RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV)). Op 5 september 2012 gaat A in Italië wonen. Op 1 april 2013 woont hij daar nog steeds. A is nimmer in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument of van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. Vraag is wanneer A zijn Nederlanderschap verliest. Blijft A in Italië wonen, dan kan tussen 1 april 2013 en 5 september 2013 ten aanzien van hem niet worden geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap. Woont hij op 5 september 2013 nog steeds in Italië, dan kan pas op die datum worden gesteld dat hij het Nederlanderschap niet heeft verloren ingevolge [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Hij heeft immers dan pas (langer dan) een jaar hoofdverblijf gehad in een EU-lidstaat, waardoor ingevolge [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) geacht moet worden te zijn onderbroken door de verplaatsing van zijn hoofdverblijf naar Italië.
### paragraaf 1.4. Situatie tot 1 april 2003
### paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
### 15-1-e. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e
### Toelichting
### 15-4. Toelichting ad artikel 15, vierde lid
### Toelichting
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [62 t/m 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)
Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door minderjarigen. Behalve het onderhavige artikel zijn ook verliesbepalingen voor minderjarigen opgenomen in [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). [Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) definieert het begrip ‘meerderjarigheid’. Uit die bepaling vloeit voort dat personen jonger dan achttien jaar, minderjarig zijn. Echter, personen, jonger dan achttien jaar, zijn wél meerderjarig indien:
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
### 16-2-alg. Toelichting algemeen
### 16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
Echter, in dit geval wordt verlies van het Nederlanderschap voorkomen door [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16). De vader van A is Nederlander.
### 16-2-alg. Toelichting algemeen
### 16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
### 18-alg. Toelichting algemeen
### Toelichting
Geen.
Geen.
### Toelichting
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21)
### Toelichting
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12); [18.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=18); [24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=24); [30.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30) en [64.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
Geen.
### 26-alg. Toelichting algemeen
Een op het moment van de bevestiging van de optie minderjarig kind van de in [artikel 26, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) bedoelde persoon hoeft evenmin in het Koninkrijk te wonen om in de optie te kunnen delen. Hetzelfde geldt voor het kind van dit kind. Alleen als het kind in de optieverklaring van de ouder wordt genoemd, deelt het in de verkrijging van het Nederlanderschap.
### 25-alg. Toelichting algemeen
### Algemeen
Ingevolge deze bepaling kunnen oud-Nederlanders die voldoen aan de voorwaarden van [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) tot en met 31 maart 2013 een beroep doen op het onderhavige artikel.
### Algemeen
### Ad artikel 28, eerste lid
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
Een Nederlandse vrouw is in 1963 gehuwd met een Belgische man. Op grond van de Belgische nationaliteitswetgeving heeft zij door dit huwelijk de Belgische nationaliteit verkregen. Op grond van artikel 5 WNI – zoals dat luidde tot 1 maart 1964 – heeft zij door dit huwelijk het Nederlanderschap verloren. Uit het huwelijk wordt in 1986 een kind geboren. De Belgische man is op 20 november 2002 overleden. Zij heeft op 14 oktober 2003 de optieverklaring afgelegd. In de verklaring heeft zij met het oog op medeverkrijging de naam van het kind vermeld. Op 1 december 2003 is de verklaring door de burgemeester bevestigd. Zij en het kind hebben het Nederlanderschap op 20 november 2002 verkregen.
### Artikel II RRWN
### Artikel III RRWN
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2). In aanvulling daarop geldt het volgende. De vrouw die een beroep doet op de onderhavige bepaling, dient zelf aan te tonen dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren door of in verband met het huwelijk. Tevens zal zij moeten aantonen dat het huwelijk is ontbonden en op welk moment dat is gebeurd. In dit verband kan zij een recent uittreksel uit een huwelijksregister overleggen; een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waaruit blijkt dat het huwelijk is ontbonden, dan wel – bij ontbinding door overlijden – een overlijdensakte van haar echtgenoot. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2.1.2. Aanvraagfase
### paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
### paragraaf 2.3.4. Toetscriteria niet gealfabetiseerd
### 2.3.5. Aanmelding bij ROC Amsterdam
### 2.3.6. Aanmelding bij ROC Amsterdam
### paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
### paragraaf 6.3. Bericht van de korpschef
### paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
Voor de vaststelling van het vermogen en de geldende vermogensgrenzen is het hierboven gestelde onder paragrafen [3.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.2&z=2008-10-01&g=2008-10-01),[3.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.3&z=2008-10-01&g=2008-10-01) en [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.4&z=2008-10-01&g=2008-10-01) van overeenkomstige toepassing.
Dit artikellid geeft een opsomming van categorieën verzoekers om naturalisatie op wie het in het eerste lid aanhef en onder b van dit artikel neergelegde vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is. De hier vermelde uitzonderingen berusten op verdragsverplichtingen (in het bijzonder het Tweede Protocol en het Vluchtelingenverdrag van Geneve van 28 juli 1951).
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
Vóór 1 april 2003 konden minderjarigen, die niet hadden gedeeld in de verlening van het Nederlanderschap aan de ouder(s), onder voorwaarden op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden voorgedragen voor naturalisatie. Voor deze minderjarigen is thans een bijzondere naturalisatieprocedure opgenomen in [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11).
### Artikel 11
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
### 3.5. Beslissing
### paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
### 1. Algemeen
Echter, in sommige landen verkrijgt de vrouw bij het aangaan van het huwelijk van rechtswege of (later) op verzoek de geslachtsnaam van haar echtgenoot. In dat geval dient de vrouw te worden genaturaliseerd onder deze later verkregen geslachtsnaam (van haar echtgenoot). Het is daarom van belang dat de geslachtsnaam van gehuwde vrouwen niet alleen wordt beoordeeld aan de hand van de geboorteakte maar in voorkomend geval ook aan de hand van bijvoorbeeld de huwelijksakte en/of het paspoort.
Indien er sprake is van een namenreeks of naamsketen kan geen onderscheid worden gemaakt tussen de geslachtsnaam en de voornamen van de verzoeker. De volgende landen kennen een zogenaamde namenreeks of naamsketen: Afghanistan, Bangladesh, Egypte, Ethiopië, India, Indonesië, Irak, Democratische Republiek Congo, Nepal, Pakistan, Soedan, Somalië en Sri Lanka. Ten aanzien van verzoekers van wie de namen worden bepaald door het recht van deze landen is dus naamsvaststelling geboden. In dat geval dient een enkelvoudige geslachtsnaam te worden vastgesteld die overeenkomt met de naam van de (voor)ouder. Draagt betrokkene een namenreeks waarin niet een naam van een (voor)ouder voorkomt, dan dient één van zijn eigen namen te worden vastgesteld als geslachtsnaam en de andere eigen naam als voornaam.
### paragraaf 1. Optiegelden
### 1.3. Nederlandse kinderen delen niet in naamsvaststelling of naamswijziging
### 13-1. Toelichting ad artikel 13, eerste lid
### paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
### 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
Niet vaak zal (nog) voorkomen dat een optierecht op het Nederlanderschap bestaat op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Indonesië (TOI, **Stb.**1949, J 570) of de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS, **Stb.**1975, 132). Voor deze opties (artikel 10 TOI en artikel 7, tweede lid, TOS) geldt, dat voor de verkrijging van het Nederlanderschap niet een bevestiging nodig is, noch dat leges moeten worden betaald. De optant verkrijgt het Nederlanderschap op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Op deze opties zijn het [BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782) en het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) niet van toepassing.
### 2.4. Beoordeling of laag tarief van toepassing is
### paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
### paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden
### paragraaf 2. Algemeen
### 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
### paragraaf 2.3. Belangenafweging
### 2.3. Belangenafweging
A is genaturaliseerd op 15 april 2003. Mei 2003 wordt A in België veroordeeld wegens het plegen van een gewapende overval in 1999. A gaat in hoger beroep van de veroordeling. A wist bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie dat de strafzaak tegen hem aanhangig was.
Voor de belangenafweging geldt dat A is genaturaliseerd, terwijl, naar later blijkt, sprake is van ernstige vermoedens dat A gevaar oplevert voor de openbare orde, hetgeen een grond tot weigering voor naturalisatie is. A heeft bij zijn naturalisatie verzwegen dat hij op dat moment strafrechtelijk werd vervolgd en heeft de zogenaamde waarheidsverklaring niet juist ingevuld (de aard van de verzwijging). A heeft een voor naturalisatie relevant feit verzwegen, dat zou hebben geleid tot weigering van zijn verzoek om naturalisatie (de ernst van de verzwijging). Een eventuele intrekking is dan niet, ten opzichte van de aard en de ernst van de verzwijging, disproportioneel.
### 4.1. Voornemenprocedure
### Ad artikel 14, derde lid
### 14-3. Toelichting ad artikel 14, derde lid
### Algemeen
### paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
De verklaring van afstand vermeldt dat de persoon die de verklaring aflegt, bekend is met het feit dat ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) minderjarige kinderen onder omstandigheden zullen delen in het verlies van het Nederlanderschap ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen bepaalt de burgemeester, voor zoveel mogelijk, of hiervan sprake zal zijn ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)) en licht hij degene die de afstandsverklaring aflegt daarover in.
### 1.1. Stuiting van de verliestermijn
### paragraaf 1. Algemeen
### 15-2. Toelichting ad artikel 15, tweede lid
### 15a-alg. Toelichting algemeen
Met het begrip ‘vader of moeder’ in artikel 16, eerste lid, RWN wordt mede bedoeld:
Verlies van het Nederlanderschap zou voor A intreden op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN ware het niet dat in dit geval het verlies wordt voorkomen, doordat een ouder, namelijk de moeder van A, het Nederlanderschap bezit.
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
Een eventueel toekomstig verlies van het Nederlanderschap door B leidt voor A niet tot verlies van het Nederlanderschap. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN is, wat dat betreft, anders geredigeerd dan [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16).
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
### Artikel 17
### Artikel 19
### Toelichting
### 19-alg. Toelichting algemeen
### Toelichting
### 23-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 22
### Ad artikel 22, eerste lid
### Toelichting
### Ad artikel 22, eerste lid
### 26-3. Toelichting ad artikel 26, derde lid
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
### Ad artikel 27, eerste lid
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [6.2 t/m 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
### Artikel 14, tweede lid, RWN
Geeft de betreffende nationaliteitswetgeving daaromtrent geen uitsluitsel of blijkt uit die nationaliteitswetgeving dat de vrouw door het huwelijk niet van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen, dan dient de verkrijging van die andere nationaliteit te worden aangetoond door bijvoorbeeld een naturalisatiebesluit, een bij naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit het nationaliteitenregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en de juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het nationaliteitsrecht. Uit die gegevens kan (mede) worden afgeleid of het Nederlanderschap is verloren door of in verband met het huwelijk. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het bijvoorbeeld om een griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen bij bijvoorbeeld de vertegenwoordiging van haar land in Nederland en dient – indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van haar land in Nederland bevoegd zijn om de verklaring af te geven. Deze verklaring dient, indien nodig, te worden gelegaliseerd en vertaald. De circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen, alsmede de toepassing van DNA-onderzoek in een aantal gevallen waarin bewijsstukken ontbreken van 15 mei 2006 is van toepassing.
### Toelichting
Een Nederlandse vrouw is in 1965 gehuwd met een Belgische man. Zij heeft hierdoor de Belgische nationaliteit verkregen. Zij heeft door het huwelijk niet van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verloren (artikel 5 WNI (oud) is per 1 maart 1964 vervallen). Zij heeft in 1966 het Nederlanderschap verworpen teneinde eenheid van nationaliteit tussen haar en haar man te bewerkstelligen. In januari 2003 is in Nederland de echtscheiding uitgesproken en op 5 februari 2003 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw kan tot 5 februari 2004 een schriftelijke verklaring afleggen om het Nederlanderschap te herkrijgen. Als zij dat doet, verkrijgt zij het Nederlanderschap met ingang van 5 februari 2003.
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder b, c en d van bedoeld tweede lid, waar is geregeld dat in bepaalde uitzonderingsgevallen geen verlies van het Nederlanderschap, als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) intreedt. De onder b, c en d genoemde uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in het tweede lid van artikel 16 RWN opgenomen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
### 3.8. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken
### paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
### 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen
### 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen
### 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### paragraaf 3.1. Polygamie
### 3.1. Polygamie
### 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
### 1. Algemeen
### 6.1. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
### 6.3. Bericht van de korpschef
### 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
### Artikel 10
Bij circulaire d.d. 9 april 1999, kenmerk S/BOA-99440 heeft de Staatssecretaris van VWS richtlijnen opgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of wordt voldaan aan het vereiste van een aanwezig Nederlands belang op sportief gebied. De circulaire stelt de eis dat de betrokkene bij de desbetreffende Nederlandse landelijke sportorganisatie op het niveau van de nationale top presteert. Dit betekent volgens de circulaire:
### 3. Topsporters
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
### 1. Algemeen
### 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### 13-1. Toelichting ad artikel 13, eerste lid
### paragraaf 1.1. Tarieven
### paragraaf 2.4. Beoordeling of laag tarief van toepassing is
### 1.1. Tarieven
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
Ingevolge [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van een besluit tot intrekking bedoeld in [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) of in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit van de plaats waar de personen die het Nederlanderschap hebben verloren in de GBA zijn ingeschreven en, zo nodig, aan andere betrokken instanties. [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent dat:
### Artikel 15
### 2. Overgangsrecht artikel 14, tweede lid
### 14-4. Toelichting ad artikel 14, vierde lid
### Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
### paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
### paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
### 15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
### Artikel 15a
### Artikel 16
Een Nederlands echtpaar emigreert naar Australië, waar kind A wordt geboren. A verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap, maar daarnaast ook de Australische nationaliteit door geboorte op het grondgebied van Australië.
Voor A geldt wel, dat hij tijdens zijn minderjarigheid het Nederlanderschap alleen maar kan behouden zolang zijn moeder het Nederlanderschap bezit (tenzij hij tevens behoort tot een van de andere categorieën, genoemd in [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)). Zodra moeder het Nederlanderschap verliest – bijvoorbeeld als gevolg van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit – verliest ook A zijn Nederlanderschap, mits hij nog minderjarig is.
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a
### 16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
### Ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
### 21-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 22
### 21-alg. Toelichting algemeen
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VI)
### Artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Een Nederlandse vrouw is in 1963 gehuwd met een Belgische man. Op grond van de Belgische nationaliteitswetgeving heeft zij door dit huwelijk de Belgische nationaliteit verkregen. Op grond van artikel 5 WNI – zoals dat luidde tot 1 maart 1964 – heeft zij door dit huwelijk het Nederlanderschap verloren. Uit het huwelijk wordt in 1986 een kind geboren. De Belgische man is op 20 november 2002 overleden. Zij heeft op 14 oktober 2003 de optieverklaring afgelegd. In de verklaring heeft zij met het oog op medeverkrijging de naam van het kind vermeld. Op 1 december 2003 is de verklaring door de burgemeester bevestigd. Zij en het kind hebben het Nederlanderschap op 20 november 2002 verkregen.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Aangezien de verliestermijn van het oude [artikel 15, onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) ingevolge [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) (oud) niet eerder kan zijn aangevangen dan op 1 januari 1985, heeft inmiddels sedert 1 januari 1995 een fors aantal personen het Nederlanderschap verloren als gevolg van tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan men tevens de nationaliteit bezit. [Artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) biedt wat dat betreft een reparatiemogelijkheid.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### 3.6. Molukkers
In het kader van de Vw 2000 zijn verblijfsdocumenten vastgesteld waarover de vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en zijn verblijfsrechtelijke positie. De verblijfsdocumenten worden aangeduid met Romeinse cijfers I tot en met IV. Gemeenschapsonderdanen die rechtmatig verblijf in Nederland houden op grond van een regeling krachtens het EG-Verdrag, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat kunnen in het bezit worden gesteld van een verblijfsdocument EU/EER.
Op grond van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zijn de volgende verblijfsvergunningen vastgesteld:
Vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten voor een diplomatieke zending, consulaire post of een internationale organisatie en hun gezinsleden hebben een bijzondere status. Zij kunnen worden onderscheiden in twee hoofdgroepen.
### Bijlage 3
### 2.2. Vrijstelling van het examen
### Bijlage 7
### Ad artikel 8, zesde lid
### paragraaf 6.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
### 9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b
Indien verzoeker vervolgens een beroep wenst te doen op een van de uitzonderingen 4 tot en met 9 moet hij bij het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarin hij aangeeft dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit (zie model 2.4 en model 2.5). Uit de bereidheidsverklaring moet duidelijk blijken op welke uitzonderingscategorie een beroep wordt gedaan. Aan de hand van door hem overgelegde documenten/bewijsstukken (zie hierboven paragraaf 4 zal verzoeker moeten aantonen dat hij valt onder die uitzonderingscategorie.
### 9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
De verscheidenheid van de gevallen waarbij een beroep op toepassing van dit artikel wordt gedaan, is groot. Om die reden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Ieder verzoek wordt op de eigen merites bezien. Het moet evenwel altijd een bijzonder geval betreffen. Uit de jurisprudentie van (onder meer) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de adviezen van de Raad van State kan wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet dermate bijzonder zijn dat ze naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN rechtvaardigen. Niet bijzonder is bijvoorbeeld:
### paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen delen niet in naamsvaststelling of naamswijziging
### 12-alg. Toelichting algemeen
### 12-2. Toelichting ad artikel 12, tweede lid
### paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
### 2.2. Intrekking Nederlanderschap uitsluitend wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
### Artikel 15
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
### 15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
### paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn
### 15-4. Toelichting ad artikel 15, vierde lid
### Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e
### Ad artikel 15, derde lid
### Ad artikel 15, vierde lid
Het minderjarige Nederlandse kind A, geboren in Nederland, heeft de Nederlandse vrouw B tot moeder en wordt erkend door de Turkse man C. Als gevolg van die erkenning is A van Turkse nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent A uitsluitend aan [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
### Artikel 20
### Toelichting
### Toelichting
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### 6-3. Toelichting ad artikel 6, derde lid
### 2.12.3. Zwaarwegende redenen (artikel 60a, zesde lid BVVN)
### 6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid
### Ad artikel 6, zesde lid
### Ad artikel 6, zevende lid
De beleidsregel dat houders van een VVA-onbep reeds na vier jaar verblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie konden indienen, waarop na vijf jaar verblijf in Nederland werd beslist, is vervallen bij de inwerkingtreding van de RRWN. Echter, op verzoeken om naturalisatie die werden ingediend vóór 1 april 2003 blijft deze voormalige beleidsregel nog wél van toepassing. Ook is ten aanzien van houders van een VVA-onbep de onderstaande overgangsregeling van toepassing.
### paragraaf 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10 en 11, vierde lid, RWN)
### paragraaf 3.2.4. Wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
### paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek
### paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens
### 3.4.1. Waarheidsverklaring
### paragraaf 3.5.2. Buitenlandse akten (van de burgerlijke stand)
### paragraaf 3.5.3. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
### 3.5.2. Buitenlandse akten (van de burgerlijke stand)
De verzoeker dient in beginsel een geldig buitenlands reisdocument te overleggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit niet alleen in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Indien de verzoeker niet in het bezit is van een geldig buitenlands reisdocument en houder is van een verblijfsvergunning asiel, of staatloos is, mag hij óf een vluchtelingenpaspoort óf een vreemdelingenpaspoort overleggen. Hetzelfde geldt voor verzoekers die bij de verlening c.q. verlenging van hun verblijfsvergunning zijn vrijgesteld van het paspoortvereiste. Indien de verzoeker is vrijgesteld van overlegging van een geldig buitenlands reisdocument en niet in het bezit is van een vluchtelingenpaspoort of een vreemdelingenpaspoort, kan worden volstaan met het overleggen van het verblijfsdocument. Vrijstelling van het paspoortvereiste blijkt uit de begeleidende brief aan de burgemeester, behorende bij de beschikking op grond waarvan aan betrokkene verblijf is verleend. Zonodig verifieert de burgemeester de vrijstelling van het paspoortvereiste bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
De verzoeker dient in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) te overleggen (zie voor uitzonderingen hieronder paragraaf 3.5.3):
### 3.7.1. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
### 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens
### 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
### 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase
### 3.9. Uitbrengen advies
### 3.11. Bezwaar
### paragraaf 3.13.3. Zwaarwegende redenen (artikel 60b, zesde lid BVVN)
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon van het desbetreffende uittreksel aan de opgeroepen persoon. Dit is een wettelijk gegeven, waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Van de regel om in persoon te verschijnen kan slechts in bijzondere omstandigheden wegens zwaarwegende redenen worden afgeweken. In zulke uitzonderingsgevallen kan de betrokkene, nadat een daartoe strekkend besluit door de burgemeester is genomen, door een gemachtigde worden vertegenwoordigd. Ook kan in die gevallen de burgemeester besluiten de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen, waarbij te denken is aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending per post van het uittreksel. Om uitgezonderd te worden van de regel in persoon te verschijnen, dient betrokkene een daartoe strekkend verzoek in te dienen.
### 3.13.3. Zwaarwegende redenen (artikel 60b, zesde lid BVVN)
In het kader van de Vw 2000 zijn verblijfsdocumenten vastgesteld waarover de vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en zijn verblijfsrechtelijke positie. De verblijfsdocumenten worden aangeduid met Romeinse cijfers I tot en met IV. Gemeenschapsonderdanen die rechtmatig verblijf in Nederland houden op grond van een regeling krachtens het EG-Verdrag, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat kunnen in het bezit worden gesteld van een verblijfsdocument EU/EER.
### 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met vva-bep
### Bijlage 2
### Bijlage 7. EU/EER- of Zwitserse onderdaan
### 8-1-c. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c
### paragraaf 1. Algemeen
### Bijlage 4
### Bijlage 5
### 2.2. Vrijstelling van het examen
### 2.3.1. Inleiding
### 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
### 1. Algemeen
### paragraaf 1. Algemeen
### 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### 3.4.4. Zelfstandigen
### 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
### paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
### 2.3. Tarieven C en D
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
### paragraaf 1. Algemeen
### 15-alg. Toelichting algemeen
### paragraaf 1.2. Een andere nationaliteit/statenopvolging
### 15a-a. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)
### Ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
### 22-2. Toelichting ad artikel 22, tweede lid
### Ad artikel 28, eerste lid
### Artikel 27
### 14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### II RRWN-alg. Toelichting algemeen
### Artikel V RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
WNI: artikel 2.a
E, van Nederlandse en Australische nationaliteit, geboren in 1960 in Australië, woont sedert 10 februari 1987 in Australië. E is laatstelijk op 5 augustus 1991 in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 februari 1997 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit).
### Artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Na optie begint voor hem een nieuwe verliestermijn op de dag waarop de herkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd. Eventuele nog minderjarige kinderen van A, die destijds tegelijk met hem het Nederlanderschap hebben verloren, hebben onder bepaalde voorwaarden (zie hierboven) in de herkrijging van het Nederlanderschap gedeeld.
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder b, c en d van bedoeld tweede lid, waar is geregeld dat in bepaalde uitzonderingsgevallen geen verlies van het Nederlanderschap, als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) intreedt. De onder b, c en d genoemde uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in het tweede lid van artikel 16 RWN opgenomen.
### Artikel IV RRWN
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
F, geboren in 1962 in Australië, heeft op 1 januari 1995 zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Aan hem is laatstelijk op 10 augustus 1992 een Nederlands paspoort afgegeven. Als gevolg van voormeld verlies heeft zijn zoon G, geboren in 1993, op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN eveneens op 1 januari 1995 het Nederlanderschap verloren. Zoon H, geboren in 1996, verkreeg bij geboorte niet het Nederlanderschap (geen van de ouders was toen Nederlander). F is in 1998 overleden. Hij bezat uitsluitend de Australische nationaliteit.
### Toelichting
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt E geacht zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren, aangezien aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. Hebben minderjarige kinderen van E op grond van het oude [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) tegelijk met hem het Nederlanderschap verloren, dan worden ook die kinderen geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Of de kinderen inmiddels (na het aanvankelijke verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig zijn geworden speelt geen rol.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
Aangezien de verliestermijn van het oude [artikel 15, onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) ingevolge [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) (oud) niet eerder kan zijn aangevangen dan op 1 januari 1985, heeft inmiddels sedert 1 januari 1995 een fors aantal personen het Nederlanderschap verloren als gevolg van tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan men tevens de nationaliteit bezit. [Artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) biedt wat dat betreft een reparatiemogelijkheid.
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
A, geboren in 1951 in Australië uit Nederlandse ouders, verkrijgt bij geboorte de Nederlandse en Australische nationaliteit. A woont sedert 1 maart 1986 in Australië. Hij heeft nimmer een Nederlands paspoort of een bewijs van Nederlanderschap gehad. Op 1 maart 1996 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit). A kan tussen 1 april 2003 en 1 april 2005 het Nederlanderschap door optie herkrijgen, met terugwerkende kracht tot 1 maart 1996.
Na optie begint voor hem een nieuwe verliestermijn op de dag waarop de herkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd. Eventuele nog minderjarige kinderen van A, die destijds tegelijk met hem het Nederlanderschap hebben verloren, hebben onder bepaalde voorwaarden (zie hierboven) in de herkrijging van het Nederlanderschap gedeeld.
De in voorbeeld 1 genoemde A heeft een zoon B, eveneens van Nederlandse en Australische nationaliteit, die op 10 januari 1981 in Australië is geboren en daar sedert zijn geboorte woont.
B heeft het Nederlanderschap op 1 maart 1996 verloren op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN aangezien zijn vader op die datum het Nederlanderschap verloor op grond van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. B kan niet delen in de herkrijging van het Nederlanderschap door optie van zijn vader, aangezien hij inmiddels meerderjarig is geworden. Hij kan echter wel zelfstandig tussen 1 april 2003 en 1 april 2005 het Nederlanderschap, met terugwerkende kracht tot 1 maart 1996, door optie herkrijgen, aangezien hij als minderjarige het Nederlanderschap verloren heeft wegens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Nadat hij de optieverklaring heeft afgelegd, begint voor hem de verliestermijn op de dag waarop de herkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd door de tot het in ontvangst nemen van de optieverklaring bevoegde autoriteit. Eventuele minderjarige kinderen van B hebben onder bepaalde voorwaarden (zie hierboven) in de herkrijging van het Nederlanderschap gedeeld.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=7)[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 34.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34); [36.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [73.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)
F, geboren in 1962 in Australië, heeft op 1 januari 1995 zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Aan hem is laatstelijk op 10 augustus 1992 een Nederlands paspoort afgegeven. Als gevolg van voormeld verlies heeft zijn zoon G, geboren in 1993, op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN eveneens op 1 januari 1995 het Nederlanderschap verloren. Zoon H, geboren in 1996, verkreeg bij geboorte niet het Nederlanderschap (geen van de ouders was toen Nederlander). F is in 1998 overleden. Hij bezat uitsluitend de Australische nationaliteit.
E, van Nederlandse en Australische nationaliteit, geboren in 1960 in Australië, woont sedert 10 februari 1987 in Australië. E is laatstelijk op 5 augustus 1991 in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 februari 1997 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit).
### paragraaf 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)
G, geboren op 10 januari 1967 in Zuid-Afrika, van Nederlandse en Zuid-Afrikaanse nationaliteit, woont sedert zijn geboorte in Zuid-Afrika. Op 15 maart 1994 wordt G in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 januari 1995 verliest G zijn Nederlanderschap op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers na zijn meerderjarigheid gedurende tien jaren in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit). Op 1 februari 1995 emigreert G naar Australië, waar hij op 20 december 2000 wordt genaturaliseerd tot Australiër.
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
### Ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### Artikel VI RRWN
### Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voornoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.
De beleidsregel dat houders van een VVA-onbep reeds na vier jaar verblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie konden indienen, waarop na vijf jaar verblijf in Nederland werd beslist, is vervallen bij de inwerkingtreding van de RRWN. Echter, op verzoeken om naturalisatie die werden ingediend vóór 1 april 2003 blijft deze voormalige beleidsregel nog wél van toepassing. Ook is ten aanzien van houders van een VVA-onbep de onderstaande overgangsregeling van toepassing.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=7)[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 34.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34); [36.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [73.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)
### VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
De beleidsregel dat houders van een VVA-onbep reeds na vier jaar verblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie konden indienen, waarop na vijf jaar verblijf in Nederland werd beslist, is vervallen bij de inwerkingtreding van de RRWN. Echter, op verzoeken om naturalisatie die werden ingediend vóór 1 april 2003 blijft deze voormalige beleidsregel nog wél van toepassing. Ook is ten aanzien van houders van een VVA-onbep de onderstaande overgangsregeling van toepassing.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
### 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### 2. Algemeen
### 1.1. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
### 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
### paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
### 15a-alg. Toelichting algemeen
### Ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
### 16-alg. Toelichting algemeen
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
### Artikel 16
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
Ingevolge [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de verliestermijn van tien jaren uit [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dit betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal verlies van het Nederlanderschap kan intreden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
Indien vóór inwerkingtreding van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) (nieuw) de naturalisatie heeft plaatsgevonden, werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Aldus bepaalt [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II). Een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór 1 april 2003. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij tot 1 april 2003 wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, en na deze datum niet meer.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4); [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5); [14.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Artikel 14, tweede lid, RWN
### 14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van artikel 14, tweede lid, RWN. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
B heeft het Nederlanderschap op 1 maart 1996 verloren op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN aangezien zijn vader op die datum het Nederlanderschap verloor op grond van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. B kan niet delen in de herkrijging van het Nederlanderschap door optie van zijn vader, aangezien hij inmiddels meerderjarig is geworden. Hij kan echter wel zelfstandig tussen 1 april 2003 en 1 april 2005 het Nederlanderschap, met terugwerkende kracht tot 1 maart 1996, door optie herkrijgen, aangezien hij als minderjarige het Nederlanderschap verloren heeft wegens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Nadat hij de optieverklaring heeft afgelegd, begint voor hem de verliestermijn op de dag waarop de herkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd door de tot het in ontvangst nemen van de optieverklaring bevoegde autoriteit. Eventuele minderjarige kinderen van B hebben onder bepaalde voorwaarden (zie hierboven) in de herkrijging van het Nederlanderschap gedeeld.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
### Toelichting
### Ad artikel V, tweede lid, RRWN
### Artikel VII RRWN
### VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt E geacht zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren, aangezien aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. Hebben minderjarige kinderen van E op grond van het oude [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) tegelijk met hem het Nederlanderschap verloren, dan worden ook die kinderen geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Of de kinderen inmiddels (na het aanvankelijke verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig zijn geworden speelt geen rol.
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
### VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN
Sinds 1 april 2003 worden in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) stringentere voorwaarden gesteld aan het verblijf en aan de inburgering voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie. Echter, van personen die vóór de inwerkingtreding van [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) een verzoek om naturalisatie hebben ingediend kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij voldoen aan deze stringentere voorwaarden. [Artikel VII, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) bepaalt daarom dat de bepalingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN niet gelden ten aanzien van verzoeken die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN. Met andere woorden, ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend geldt niet de voorwaarde van vijf jaar toelating en hoofdverblijf en evenmin het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets bedoeld in [artikel 2 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999.
### Ad artikel V, eerste lid, RRWN
### Ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
### Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### Toelichting
Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voornoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=7)[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 34.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34); [36.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [73.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Toelichting
### paragraaf 2.3. Tarieven C en D
### 1.3. Ontheffing van optiegelden
### paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
### 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
### Ad artikel 15, tweede lid
### Artikel 23
### Artikel II RRWN
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
Ingevolge [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de verliestermijn van tien jaren uit [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dit betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal verlies van het Nederlanderschap kan intreden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
### V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
### VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)
G wordt dus door de werking van artikel V, tweede lid, RRWN weliswaar hersteld in zijn Nederlanderschap, doch slechts tot 20 december 2000, op welke datum voor hem de verliesbepaling van artikel 15, aanhef en onder a, RWN, van toepassing is geworden. Na inwerkingtreding van de overige bepalingen van de RRWN kan G het Nederlanderschap niet herkrijgen door optie ingevolge artikel V, eerste lid, RRWN, omdat hij geacht wordt zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN; hij heeft het verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
### Artikel VII RRWN
### Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)
[Artikel VII RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. [Artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vereist dat minderjarige kinderen sedert het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede – indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt – dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen zullen daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de RRWN wordt beslist, moeten voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hebben ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.
De beleidsregel dat houders van een VVA-onbep reeds na vier jaar verblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie konden indienen, waarop na vijf jaar verblijf in Nederland werd beslist, is vervallen bij de inwerkingtreding van de RRWN. Echter, op verzoeken om naturalisatie die werden ingediend vóór 1 april 2003 blijft deze voormalige beleidsregel nog wél van toepassing. Ook is ten aanzien van houders van een VVA-onbep de onderstaande overgangsregeling van toepassing.
De beleidsregel dat houders van een VVA-onbep reeds na vier jaar verblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie konden indienen, waarop na vijf jaar verblijf in Nederland werd beslist, is vervallen bij de inwerkingtreding van de RRWN. Echter, op verzoeken om naturalisatie die werden ingediend vóór 1 april 2003 blijft deze voormalige beleidsregel nog wél van toepassing. Ook is ten aanzien van houders van een VVA-onbep de onderstaande overgangsregeling van toepassing.
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
### Toelichting
### Ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### Ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)
Sinds 1 april 2003 worden in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) stringentere voorwaarden gesteld aan het verblijf en aan de inburgering voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie. Echter, van personen die vóór de inwerkingtreding van [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) een verzoek om naturalisatie hebben ingediend kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij voldoen aan deze stringentere voorwaarden. [Artikel VII, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) bepaalt daarom dat de bepalingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN niet gelden ten aanzien van verzoeken die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN. Met andere woorden, ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend geldt niet de voorwaarde van vijf jaar toelating en hoofdverblijf en evenmin het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets bedoeld in [artikel 2 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999.
[Artikel VII RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. [Artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vereist dat minderjarige kinderen sedert het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede – indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt – dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen zullen daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de RRWN wordt beslist, moeten voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hebben ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.
De beleidsregel dat houders van een VVA-onbep reeds na vier jaar verblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie konden indienen, waarop na vijf jaar verblijf in Nederland werd beslist, is vervallen bij de inwerkingtreding van de RRWN. Echter, op verzoeken om naturalisatie die werden ingediend vóór 1 april 2003 blijft deze voormalige beleidsregel nog wél van toepassing. Ook is ten aanzien van houders van een VVA-onbep de onderstaande overgangsregeling van toepassing.
### Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
### Artikel III RRWN
### Ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
E, van Nederlandse en Australische nationaliteit, geboren in 1960 in Australië, woont sedert 10 februari 1987 in Australië. E is laatstelijk op 5 augustus 1991 in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 februari 1997 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit).
G wordt dus door de werking van artikel V, tweede lid, RRWN weliswaar hersteld in zijn Nederlanderschap, doch slechts tot 20 december 2000, op welke datum voor hem de verliesbepaling van artikel 15, aanhef en onder a, RWN, van toepassing is geworden. Na inwerkingtreding van de overige bepalingen van de RRWN kan G het Nederlanderschap niet herkrijgen door optie ingevolge artikel V, eerste lid, RRWN, omdat hij geacht wordt zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN; hij heeft het verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### Ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### Ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### Toelichting
Sinds 1 april 2003 worden in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) stringentere voorwaarden gesteld aan het verblijf en aan de inburgering voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie. Echter, van personen die vóór de inwerkingtreding van [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) een verzoek om naturalisatie hebben ingediend kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij voldoen aan deze stringentere voorwaarden. [Artikel VII, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) bepaalt daarom dat de bepalingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN niet gelden ten aanzien van verzoeken die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN. Met andere woorden, ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend geldt niet de voorwaarde van vijf jaar toelating en hoofdverblijf en evenmin het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets bedoeld in [artikel 2 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999.
### Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
[Artikel VII RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. [Artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vereist dat minderjarige kinderen sedert het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede – indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt – dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen zullen daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de RRWN wordt beslist, moeten voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hebben ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.
De beleidsregel dat houders van een VVA-onbep reeds na vier jaar verblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie konden indienen, waarop na vijf jaar verblijf in Nederland werd beslist, is vervallen bij de inwerkingtreding van de RRWN. Echter, op verzoeken om naturalisatie die werden ingediend vóór 1 april 2003 blijft deze voormalige beleidsregel nog wél van toepassing. Ook is ten aanzien van houders van een VVA-onbep de onderstaande overgangsregeling van toepassing.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
### Artikel V RRWN
F, geboren in 1962 in Australië, heeft op 1 januari 1995 zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Aan hem is laatstelijk op 10 augustus 1992 een Nederlands paspoort afgegeven. Als gevolg van voormeld verlies heeft zijn zoon G, geboren in 1993, op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN eveneens op 1 januari 1995 het Nederlanderschap verloren. Zoon H, geboren in 1996, verkreeg bij geboorte niet het Nederlanderschap (geen van de ouders was toen Nederlander). F is in 1998 overleden. Hij bezat uitsluitend de Australische nationaliteit.
### paragraaf 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)
### Ad artikel V, tweede lid, RRWN
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
### Ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)
Sinds 1 april 2003 worden in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) stringentere voorwaarden gesteld aan het verblijf en aan de inburgering voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie. Echter, van personen die vóór de inwerkingtreding van [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) een verzoek om naturalisatie hebben ingediend kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij voldoen aan deze stringentere voorwaarden. [Artikel VII, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) bepaalt daarom dat de bepalingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN niet gelden ten aanzien van verzoeken die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN. Met andere woorden, ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend geldt niet de voorwaarde van vijf jaar toelating en hoofdverblijf en evenmin het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets bedoeld in [artikel 2 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999.
### Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2.3.1. Inleiding
### Ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b
### paragraaf 1. Algemeen
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
### Ad artikel 15, vierde lid
### 16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
### Ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
### 16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
### Toelichting
### Ad artikel VII, tweede lid, RRWN
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2.2. Intrekking Nederlanderschap uitsluitend wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
### Algemeen
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
### Toelichting
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij ROC Amsterdam
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Tot 1 april 2003 verkreeg een minderjarige vreemdeling de Nederlandse nationaliteit door erkenning en/of wettiging door een Nederlander ([artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4) (oud)). Thans kan een erkende en/of gewettigde minderjarige na drie jaar opvoeding en verzorging door de Nederlandse man het Nederlanderschap verkrijgen door optie. Zie [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
Een postnatale erkenning, in combinatie met een gerechtelijk bewijs van verwekkerschap, wordt gelijkgesteld met een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Het Nederlanderschap wordt verkregen op de in het eerste lid genoemde datum.
Buiten Nederland is op 12 maart 2004 ten aanzien van het op 10 mei 1986 geboren kind C, van vreemde nationaliteit, rechtsgeldig vastgesteld wie de vader is. De man van wie het vaderschap is vastgesteld, is vanaf zijn geboorte Nederlander. De rechterlijke uitspraak heeft op 12 mei 2004 kracht van gewijsde gekregen.
### Toelichting
### Algemeen
Geen.
### Toelichting
### Toelichting
artikelen 1 en 12 Verdrag van New York ter beperking der staatloosheid;
A is het in Nederland geboren kind van een Marokkaanse vader B en Marokkaanse moeder C. Bij zijn geboorte heeft A uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit verkregen. Een half jaar na de geboorte van A wordt in Nederland de echtscheiding tussen vader B en moeder C uitgesproken. Door de rechter wordt in het belang van kind A vastgesteld dat uitsluitend moeder C met het gezag over A wordt belast. Moeder C trouwt een half jaar nadien met de Nederlander D. Zij voeden samen kind A op. Drie jaar nadat moeder C met het gezag over kind A is belast, dient zij samen met de Nederlander D een verzoek in om gezamenlijk met het gezag over kind A te worden belast. Dit verzoek wordt door de Rechtbank Zwolle toegewezen. Na het verstrijken van een periode van drie jaar opvoeding en verzorging kan door de wettelijk vertegenwoordiger ten behoeve van A een optieverklaring ter verkrijging van de Nederlandse nationaliteit worden afgelegd. Als voorwaarde geldt daarbij dat A op dat moment nog minderjarig moet zijn en geen hoofdverblijf in Marokko mag hebben. Als A op het moment van de optieverklaring ouder is dan zestien jaar, geldt bovendien het openbare orde vereiste van [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
### Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d
Alle overige voorwaarden gelden onverkort. De overgangsregeling geldt niet voor personen die uitsluitend de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander hebben bezeten. Zie artikel 26 RWN voor een nadere aanduiding van deze categorieën oud-Nederlanders en hun minderjarige kinderen.
### 2. Oud-Nederlander of oud-Nederlands onderdaan-niet-Nederlander
### paragraaf 1. Algemeen
In [artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen tot verkrijging van het Nederlanderschap. Voorts is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld betreffende de wijze van inontvangstneming van de verklaringen en de bevestigingen van de verkrijging van het Nederlanderschap, alsmede betreffende de verdere administratieve behandeling van de verkrijging van het Nederlanderschap. In het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) zijn deze voorschriften opgenomen en vorenbedoelde autoriteiten en ambtenaren aangewezen. In [artikel 2, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2) is bepaald dat in Nederland de burgemeesters bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van de optieverklaringen. De vormvoorschriften, procedurele vereisten en administratieve behandeling van de verklaringen zijn voor Nederland geregeld in de [artikelen 3 tot en met 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [60a BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a). In de hierna opgenomen procedurebeschrijving is de volgorde van het BVVN aangehouden. Hierop wordt echter een uitzondering gemaakt voor de eerste procedurestap: ‘Informatieverstrekking’ die zich naar zijn aard niet leent voor opname in het BVVN, maar in de uitvoeringspraktijk over het algemeen wel aan het afleggen van de optieverklaring vooraf zal gaan.
De in 1973 geboren A is van Surinaamse nationaliteit. A heeft op 25 november 1975 de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (**Trb.**1975,132). Van zijn derde tot zijn 26e jaar heeft A in New York gewoond. Hij verblijft sedert twee jaar in Nederland. Hij heeft sinds anderhalf jaar in Nederland een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (verblijfsdocument I) voor verblijf bij zijn partner B, van Britse nationaliteit. B is in het bezit van een verblijfsdocument EU/EER geldig voor vijf jaar. A is van onbesproken gedrag. Hij spreekt een paar woorden Nederlands. Nederlands lezen en schrijven kan hij niet. Hoewel A de Nederlandse taal niet beheerst, komt hij voor verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie in aanmerking. Aan alle voorwaarden die voor optie gelden wordt door A voldaan. A is al meer dan een jaar in het bezit van een verblijfsvergunning met een niet-tijdelijk karakter.
De heer A en mevrouw B, beiden van Marokkaanse nationaliteit zijn in 1978 met elkaar gehuwd. De heer A is in 1980 naar Nederland gekomen. In 1985 heeft mevrouw B zich bij hem gevoegd. De heer A en mevrouw B zijn altijd in het bezit geweest van een geldige verblijfsvergunning. Ze gaan om het jaar, drie maanden voor vakantie/ familiebezoek naar Marokko. Zij zijn van onbesproken gedrag. In december 2002 verkrijgt de heer A de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie. Het verzoek van mevrouw B wordt niet ingewilligd omdat zij de Nederlandse taal in onvoldoende mate beheerst. In 2004 verstaat en spreekt mevrouw B inmiddels wel eenvoudig Nederlands. Nederlands lezen en schrijven kan ze echter niet. Een verzoek om naturalisatie van mevrouw B zou opnieuw worden afgewezen als zij daarom zou vragen. Zij kan echter wel opteren voor het Nederlanderschap, omdat daarvoor geen taaleisen gelden. Zij is immers (veel) langer dan drie jaar gehuwd met een Nederlander. Dat haar echtgenoot nog geen drie jaar Nederlander is, doet niet ter zake. Voorts heeft mevrouw B al langer dan vijftien jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland. Verblijf voor drie maanden buiten Nederland voor vakantie/familiebezoek geldt niet als onderbreking van het hoofdverblijf. Ook vormt zij op grond van haar gedrag geen gevaar voor de openbare orde.
### paragraaf 2.2.1.1. Meerderjarige optant
Ingevolge [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) wordt een kind van twaalf jaar of ouder op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld om een zienswijze omtrent de verkrijging naar voren te brengen. Bij een minderjarige optant van twaalf tot zestien jaar is niet voorgeschreven dat het in persoon verschijnt om een zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap. Het verdient wel de voorkeur. De minderjarige optant wordt derhalve mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de verkrijging (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
### 2.2.4. Af te leggen verklaringen
### 2.2.5. (Overige) over te leggen documenten
### 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester
De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie paragraaf 2.3.1) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te toetsen (artikel 9, vierde lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
### paragraaf 2.9. Bezwaar
### paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
### 2.8. Weigering bevestiging
### paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
### 2.9.1. De burgemeester beslist
### 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
### 2.12. Naturalisatieceremonie
### paragraaf 3.2.5. Gemachtigde
Voor de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger is verschijning in persoon niet voorgeschreven, maar verdient dat wel de voorkeur. Stuit persoonlijke verschijning op bezwaar, dan wordt betrokkene schriftelijk verzocht een verklaring te ondertekenen waarin staat of al dan niet wordt ingestemd met de medeverlening van het Nederlanderschap aan het minderjarige kind en die verklaring, met een kopie van een geldig identiteitsbewijs, te zenden aan de burgemeester van de gemeente waar het verzoek om naturalisatie van de ouder is ingediend. Voor de zienswijze van de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger kan gebruik worden gemaakt van model 2.13 en model 2.14. Zie ook de toelichting bij artikel 2 RWN.
### 3.6.1. Bevoegdheid burgemeester
### 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek
### paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
Voor [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’.
### 8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### Toelichting
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Geen.
### Artikel 4
### paragraaf 1. Algemeen
Om aan te tonen dat de erkenner ook de biologische vader van het kind is, is niet voldoende dat een (notariële) erkenning en bijvoorbeeld een DNA bewijs wordt overgelegd. Een rechterlijke uitspraak (=gerechtelijk bewijs van verwekkerschap) is derhalve vereist.
### 4-1. Ad artikel 4, eerste lid
### 4-2. Ad artikel 4, tweede lid
### Bijlage 1
### 5a-2. Toelichting ad artikel 5a, tweede lid (zwakke adoptie)
Zie voor recente informatie de internetsite van de ‘Hague conference on private international law’: www.hcch.net. Het Haags adoptieverdrag is op de website gerubriceerd onder Convention nr. 33.
### 6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c
### paragraaf 2. Gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:253t BW
### paragraaf 2.1. Gezamenlijk gezag bij geboorte op grond van artikelen 1.253aa en 1:253sa BW
### paragraaf 2. Procedure
### paragraaf 2.2.4. Af te leggen verklaringen
### paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring
### paragraaf 2.4.2.2. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
### paragraaf 2.7. Archivering
### paragraaf 2.8. Weigering bevestiging
### paragraaf 2.12.1. De oproeping
### paragraaf 2.12.3. Zwaarwegende redenen ([artikel 60a, zesde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a))
### 6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid
### 6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid
### paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 3.12. (Hoger) beroep
### paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
### paragraaf 3.13.1. De oproeping
Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen (dit geldt zowel voor verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd als verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd). Voor de beeldvorming is in [Bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=6&z=2008-10-01&g=2008-10-01) bij dit artikel een beknopt overzicht gegeven van de gronden tot intrekking dan wel van de gronden tot niet verlenging van de verschillende verblijfsvergunningen.
EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen, alsmede hun familieleden – ongeacht hun nationaliteit – die verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, worden aangeduid als gemeenschapsonderdanen. Gemeenschapsonderdanen zijn niet in alle gevallen ook burgers van de Europese Unie. Zo zijn de familie- of gezinsleden van EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht of de genoemde Overeenkomst, maar die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, wel gemeenschapsonderdaan maar niet burger van de Unie.
### paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling
### paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### paragraaf 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen
[Artikel 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021067&artikel=6) geeft hieraan uitwerking. Het gaat hier om een verzoeker die:
Het bovenstaande leidt ertoe dat bij een beroep op deze ontheffingsgrond een nader onderzoek moet worden ingesteld. In dit onderzoek worden de volgende factoren meegenomen: de mate van het niet gealfabetiseerd zijn, de mate van extra inspanning om gealfabetiseerd te raken, alsmede het leervermogen van betrokkene, de vooropleiding en de leeftijd.
Gezien de vorm waarin het inburgeringsexamen wordt afgenomen, kunnen de onderdelen, praktijkdeel examen, kennis Nederlandse samenleving (KNS) en elektronisch praktijkexamen (EPE) bij een geslaagd beroep op niet gealfabetiseerd zijn niet op reguliere wijze door betrokkene worden afgelegd. Kunnen lezen is nu eenmaal een minimale voorwaarde om deze onderdelen af te kunnen leggen. Bij de toets gesproken Nederlands (TGN) geldt de voorwaarde van het kunnen lezen echter niet. Bij een geslaagd beroep op ‘niet gealfabetiseerd’ zijn moet de niet gealfabetiseerde verzoeker derhalve de vaardigheden ‘spreken’ en ‘luisteren’ door middel van de toets gesproken Nederlands (TGN) afleggen.
Indien de niet gealfabetiseerde verzoeker de toets gesproken Nederlands (TGN) met goed gevolg op A2 niveau heeft afgelegd, verstrekt de IB-Groep een resultaten brief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands, met het resultaat ‘geslaagd’.
In de voorlichtende sfeer wijst de gemeente betrokkene op het feit dat kosten zijn verbonden aan het haalbaarheidsonderzoek. De gemeente adviseert betrokkene dan ook eerst de toets gesproken Nederlands (TGN) op het gewenste niveau te behalen alvorens betrokkene naar ROC Amsterdam gaat voor het haalbaarheidsonderzoek.
De gemeente kan zonder nadere inhoudelijke controle afgaan op het medisch advies, en op het adviesblad naturalisatie bij ‘inburgering’ aantekenen dat ontheffing van het examen wordt geadviseerd. Mocht het advies niet conform het advies (model 2.27) of onvolledig zijn, dan adviseert de burgemeester betrokkene een nieuw advies te krijgen. Wenst betrokkene toch een verzoek om naturalisatie in te dienen, onder overlegging van een advies dat onvolledig of onduidelijk is, dan wordt op het adviesblad naturalisatie bij inburgering ‘niet akkoord’ aangetekend.
Iemand is ‘niet gealfabetiseerd’ in het kader van het examen indien hij analfabeet is in zowel zijn eigen taal als het Nederlands. Beheerst iemand wel het schrift van zijn eigen taal (bijvoorbeeld betrokkene kan Arabisch, Chinees of Thais schrijven), maar beheerst hij niet het Europese schrift, dan kan hij niet als ‘niet gealfabetiseerd’ worden beschouwd. Betrokkene beheerst immers de kunst van het schrijven. In onderwijskringen wordt dit ‘anders’ gealfabetiseerd genoemd.
### 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
Betrokkene dient aan de hand van certificaten of verklaringen van (bij voorkeur onderwijs-)instellingen aan te tonen dat hij zich heeft ingespannen om gealfabetiseerd te raken. Van een ‘extra inspanning’ is sprake als meer dan gemiddeld is getracht niveau A2 op het gebied van Nederlands leren lezen en schrijven te behalen. Hierbij is het niet van belang of betrokkene wel of niet inburgeringsplichtig is of was ingevolge de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611). Het moet wel ten minste gaan om een cursus in georganiseerd verband, bij voorkeur bij een onderwijsinstelling, maar het kan ook gaan om een gemeentelijk welzijnswerk, een cursus bij of via het arbeidsbureau of een cursus bij buurt- of clubhuis.
Anders dan in het voorafgaande, waar ‘beperkt leervermogen’ betrekking heeft op lichamelijke en geestelijke aandoeningen als gevolg waarvan iemand gebrekkige (of gebrekkig werkende) verstandelijke vermogens bezit, gaat het hier om ‘beperkt leervermogen’ in de zin van ‘beperkte studievaardigheden als gevolg van gebrek aan educatie’. Iemand die nooit geleerd heeft om ‘te leren’ bezit, in deze context, een ‘beperkt leervermogen’. Of hiervan sprake is, wordt onderzocht en beoordeeld door het ROC van Amsterdam. In die beoordeling betrekt het ROC van Amsterdam factoren als de geen tot zeer beperkte vooropleiding van betrokkene, diens leeftijd en het feit dat betrokkene wel heeft getracht Nederlands te leren schrijven en lezen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen.
Het bovenstaande leidt ertoe dat bij een beroep op deze ontheffingsgrond een nader onderzoek moet worden ingesteld. In dit onderzoek worden de volgende factoren meegenomen: de mate van het niet gealfabetiseerd zijn, de mate van extra inspanning om gealfabetiseerd te raken, alsmede het leervermogen van betrokkene, de vooropleiding en de leeftijd.
Voor het aanmelden voor het ‘haalbaarheidsonderzoek’ meldt betrokkene zich door middel van model 2.28 (Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam) aan bij dat ROC. De (aspirant-)verzoeker meldt zich zelf rechtstreeks aan bij het ROC van Amsterdam. In een aantal gevallen kan de hulp van de gemeente bij het invullen van model 2.28 noodzakelijk blijken. Betrokkene is zelf verantwoordelijk voor het insturen van zijn aanmeldingsformulier. Op het aanmeldingsformulier wordt ingeval van een beroep op het niet gealfabetiseerd zijn door de gemeente ingevuld of betrokkene verplicht is geweest een traject in het kader van de [Wet Inburgering Nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544) te volgen. Alsdan wordt het formulier voorzien van een gemeente- of dienststempel.
Indien de niet gealfabetiseerde verzoeker de toets gesproken Nederlands (TGN) met goed gevolg op A2 niveau heeft afgelegd, verstrekt de IB-Groep een resultaten brief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands, met het resultaat ‘geslaagd’.
Naast het in zijn bezit hebben van een door de wet bepaalde mate van kennis van de Nederlandse taal, staatsinrichting en maatschappij dient de verzoeker die in aanmerking wil komen voor naturalisatie zich te hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving. Deze voorwaarde wordt onder andere getoetst aan de hand van een monogaam huwelijk.
Anders dan in het voorafgaande, waar ‘beperkt leervermogen’ betrekking heeft op lichamelijke en geestelijke aandoeningen als gevolg waarvan iemand gebrekkige (of gebrekkig werkende) verstandelijke vermogens bezit, gaat het hier om ‘beperkt leervermogen’ in de zin van ‘beperkte studievaardigheden als gevolg van gebrek aan educatie’. Iemand die nooit geleerd heeft om ‘te leren’ bezit, in deze context, een ‘beperkt leervermogen’. Of hiervan sprake is, wordt onderzocht en beoordeeld door het ROC van Amsterdam. In die beoordeling betrekt het ROC van Amsterdam factoren als de geen tot zeer beperkte vooropleiding van betrokkene, diens leeftijd en het feit dat betrokkene wel heeft getracht Nederlands te leren schrijven en lezen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen.
### 2.3.5. Aanmelding bij ROC Amsterdam
### paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
Bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie worden moeilijkheden ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren van de GBA van buitenlandse verstotingsakten. Het blijkt namelijk dat bij de inschrijving in de GBA van eenzijdige verstotingen, in het verleden veelal is nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd dan wel zich daarbij heeft neergelegd. De omstandigheid dat een verstoting in de GBA staat ingeschreven als ontbinding van een huwelijk levert dan ook geen bewijs op dat de verstoting rechtsgeldig tot stand is gekomen.43Zie ABRvS, 18 november 1999, H01.98.2025. Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren na inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo lange tijd nog een bewijs van de berusting van de vrouw te verkrijgen.
### paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
Inburgering veronderstelt in algemene zin een zekere aanvaarding van de Nederlandse samenleving.
### 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
Echter, indien duidelijk blijkt dat verzoeker zich buiten deze vereisten om opzettelijk afzijdig houdt van –of afzet tegen –alles wat Nederlands is of op Nederland betrekking heeft, of bijvoorbeeld weigert zijn kinderen naar school te laten gaan, zal hij niet kunnen worden beschouwd als te zijn opgenomen in de Nederlandse samenleving en zal zijn verzoek om naturalisatie worden afgewezen. Gedacht wordt hier bijvoorbeeld ook aan het doen van uitlatingen die zich richten tegen de democratische rechtsorde of oproepen tot feitelijk handelen in strijd met de geldende wet- en regelgeving, of die een gevaar opleveren voor de goede betrekkingen van Nederland met andere mogendheden. Er moeten in het geval van weigering tot opneming dus omstandigheden zijn die blijk geven van onvoldoende inburgering van contra-indicaties als het ware.
Een vrouwelijke verzoeker stelt analfabeet te zijn en derhalve te zijn ontheven van de naturalisatietoets. De vrouw kan –als analfabeet –slechts in aanmerking komen voor ontheffing van de onderdelen lezen en schrijven en niet voor de overige onderdelen van de naturalisatietoets. Ter ondersteuning van een en ander overhandigt zij een verklaring van de huisarts en een verklaring van haar man. De vrouw –zij is van middelbare leeftijd –heeft geen enkele vooropleiding gevolgd. De burgemeester verwijst de vrouw naar het nabijgelegen ROC. De vrouw weigert dat en staat erop dat de burgemeester haar verzoek toch in behandeling neemt. De burgemeester laat haar model 2.21 invullen.
Beslissing: Om als analfabeet voor ontheffing van de naturalisatietoets in aanmerking te komen, dient de vrouw niet een verklaring van de arts of haar man te overleggen maar een verklaring van het ROC. Op het ROC kan door deskundigen de mogelijkheid worden onderzocht of de vrouw ondanks haar ongeletterdheid het voor de naturalisatietoets vereiste taal- en kennisniveau zou kunnen behalen. Het ROC houdt bij haar advies rekening met de leeftijd en vooropleiding van de vrouw en onderzoekt of de vrouw reeds een serieuze poging heeft ondernomen zich de taal en materie eigen te maken.
### 1. Algemeen
Beslissing: De Japanse vrouw komt in beginsel in aanmerking voor de verkrijging van het Nederlanderschap door optie ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Zij hoeft niet te voldoen aan de voorwaarde van inburgering die de wetgever onder verlening van het Nederlanderschap beschrijft en hoeft dientengevolge ook geen naturalisatietoets af te leggen. Overigens staat het haar vrij de toets toch te doen. Voor de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie speelt de toets echter geen rol.
Bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie worden moeilijkheden ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren van de GBA van buitenlandse verstotingsakten. Het blijkt namelijk dat bij de inschrijving in de GBA van eenzijdige verstotingen, in het verleden veelal is nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd dan wel zich daarbij heeft neergelegd. De omstandigheid dat een verstoting in de GBA staat ingeschreven als ontbinding van een huwelijk levert dan ook geen bewijs op dat de verstoting rechtsgeldig tot stand is gekomen.43Zie ABRvS, 18 november 1999, H01.98.2025. Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren na inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo lange tijd nog een bewijs van de berusting van de vrouw te verkrijgen.
**Islamitische landen waar polygamie en/of verstoting mogelijk is**
### 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
* : polygamie onder beperkte voorwaarden
### Ad artikel 8, derde lid
= : geen verstoting
- : kent geen polygamie
### Ad artikel 8, zesde lid
Beslissing: De Japanse vrouw komt in beginsel in aanmerking voor de verkrijging van het Nederlanderschap door optie ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Zij hoeft niet te voldoen aan de voorwaarde van inburgering die de wetgever onder verlening van het Nederlanderschap beschrijft en hoeft dientengevolge ook geen naturalisatietoets af te leggen. Overigens staat het haar vrij de toets toch te doen. Voor de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie speelt de toets echter geen rol.
# : polygamie alleen voor islamitische groep t : verstoting
Op grond van dit artikellid geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf indien de verzoeker:
+ : kent polygamie
Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld:
# : polygamie alleen voor islamitische groep t : verstoting
Indien de verzoeker in de afgelopen drie jaar onafgebroken is gehuwd met een Nederlander (of in geval van drie jaar in Nederland geregistreerd partnerschap, vergelijk [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) én beide partners tijdens deze periode drie jaar onafgebroken samenwonen, geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf. Het huwelijk en de samenwoning mogen gedurende deze periode van drie jaar niet onderbroken zijn geweest, aangezien een onderbreking afbreuk doet aan de bij een huwelijk met een Nederlander veronderstelde versnelde inburgering. Op het moment van de indiening van het verzoek dient de echtgenoot van de verzoeker in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. Niet vereist is dat de Nederlandse echtgenoot van de verzoeker reeds drie jaar het Nederlanderschap bezit. Het is dus niet zo dat pas drie jaren na de naturalisatie van de één, de ander een verzoek mag indienen.
A is geboren in 1953 in Suriname als zoon van Nederlandse ouders. Op 25 november 1975 heeft A de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van de toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS). A kan als oud-Nederlander onmiddellijk na vestiging in Nederland een verzoek om naturalisatie indienen bij de burgemeester van zijn woonplaats. Hij hoeft voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek geen toelating en hoofdverblijf in Nederland te hebben gehad. Uiteraard dient hij wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie te voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap. Zodra A een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland heeft gehad, kan hij er overigens ook voor kiezen om een optieverklaring af te leggen. Zie hiervoor [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
B heeft de Spaanse nationaliteit en woont met haar Nederlandse echtgenoot in Spanje. Na drie jaar huwelijk vestigt B zich met haar echtgenoot in Nederland en schrijven beiden zich in op hetzelfde adres in de Gemeente Arnhem. Mits B kan aantonen dat zij gedurende haar huwelijk ten minste drie jaren in Spanje heeft samengewoond met haar Nederlandse echtgenoot, kan zij onmiddellijk na vestiging in Nederland een verzoek om naturalisatie indienen. Zij hoeft voorafgaand aan de indiening van haar verzoek geen toelating en hoofdverblijf in Nederland te hebben gehad. Uiteraard moet B wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap.
Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld:
C is twintig jaar en bezit de Turkse nationaliteit. Van zijn vijfde tot zijn twaalfde jaar woonde hij in Nederland bij zijn ouders. Zijn moeder was in die tijd aaneengesloten in het bezit van een verblijfsvergunning bij zijn vader. Deze verblijfsvergunning had mede betrekking op C.
### Toelichting
### 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld:
### 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
G is de dochter van een Turkse ongehuwde moeder en een juridisch onbekende vader. Zij is uitsluitend in het bezit van de Turkse nationaliteit. Als G 22 jaar is, wordt zij erkend door een Nederlander. Zij verkrijgt hierdoor niet de Nederlandse nationaliteit. Als G 40 jaar is, gaat zij in Nederland wonen. Na vijf maanden wordt zij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Als G daarna nog drie jaar ononderbroken haar hoofdverblijf in Nederland houdt en in het bezit blijft van een verblijfsvergunning kan zij een verzoek om naturalisatie indienen. Of het verzoek van G wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of zij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
### Toelichting
Een Japanse vrouw die in 1981 is gehuwd met een Nederlandse man, sindsdien in Nederland woont en een verblijfsvergunning in haar bezit heeft, doet een verzoek om naturalisatie bij de gemeente van haar woonplaats. Als nieuwkomer heeft zij het inburgeringsprogramma niet gevolgd. Nu wil zij zich laten naturaliseren tot Nederlander en is bereid de naturalisatietoets af te leggen.
### Artikel 9
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10); [11.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [15.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [16.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31); [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32); [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34) en [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=38)
### Ad artikel 8, vierde lid
[Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405): [artikelen 1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1); [1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1) en [5 t/m 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=5)
### Ad artikel 8, vijfde lid
[WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827): [artikel 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=183)
### 3. Afwijzing indien er serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
[WRB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368): [artikelen 34.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34) en [34.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=34)
### Ad artikel 8, tweede lid
Ingevolge overgangsbepaling [artikel VII, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) geldt overgangsrecht voor [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8). Zie bij [artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7), onder ‘Overgangsrecht’.
Dit heeft onder meer tot gevolg dat ten aanzien van oude verzoeken om naturalisatie, die zijn ingediend vóór 1 april 2003, nog steeds kan worden besloten tot aanhouding van de beslissing wegens onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal. Aanhouding vindt dan plaats op grond van [artikel 9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) juncto [artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) (nieuw).
### 9-alg. Toelichting algemeen
[Artikel 9, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) stelt drie additionele eisen waaraan een verzoeker moet voldoen, naast de in [artikel 8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) gestelde voorwaarden.
### 9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
[Wet gba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723): [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=43)
### Toelichting
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): [artikelen 74a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) en [92 t/m 423](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92)
### 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
Dit heeft onder meer tot gevolg dat ten aanzien van oude verzoeken om naturalisatie, die zijn ingediend vóór 1 april 2003, nog steeds kan worden besloten tot aanhouding van de beslissing wegens onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal. Aanhouding vindt dan plaats op grond van [artikel 9, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) juncto [artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) (nieuw).
### Toelichting
Met ‘sanctie’ wordt hier niet alleen bedoeld een straf (bijvoorbeeld geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) die door de strafrechter is opgelegd, maar ook uitgevaardigde strafbeschikkingen of door de politie of het OM opgelegde boeten. De verzoeker mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking ter zake van misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat het verzoek moet worden afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Indien naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de procedure worden betrokken.
### paragraaf 4. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
De verzoeker mag in de periode van vier jaren direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop (de zogenaamde rehabilitatietermijn) niet onderworpen zijn geweest aan sanctionering van een misdrijf of aan de gevolgen daarvan. Daarbij geldt het volgende:
### paragraaf 4.1. Misdrijven
Een ernstig vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt niet gebaseerd op zo maar iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet wel voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen. Bovendien moet ook de sanctie die daarop is gevolgd, voldoende zwaar zijn. Dat betekent dat misdragingen die strafrechtelijk als overtreding worden gekwalificeerd of die buiten het strafrecht zijn afgedaan (bijvoorbeeld met een bestuurlijke boete of uitsluitend een civiele veroordeling tot schadevergoeding) buiten beschouwing blijven. Of een bepaalde misdraging een misdrijf of een overtreding is, is afhankelijk van de betreffende wetgeving. Misdrijven zijn opgenomen in het [Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&boek=Tweede) ([artikelen 92 tot en met 423 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92)), maar soms ook in bijzondere wetten, zoals de [Wet Economische Delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063) (WED) en de [Opiumwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001941). Steeds zal de betreffende wet moeten worden geraadpleegd om te bezien of het betreffende feit een misdrijf (of een overtreding) is.
Met ‘sanctie’ wordt hier niet alleen bedoeld een straf (bijvoorbeeld geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) die door de strafrechter is opgelegd, maar ook door de politie of het OM opgelegde boeten. De verzoeker mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking ter zake van misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat het verzoek moet worden afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Indien naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de procedure worden betrokken.
### 4. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
Voor de afdoening van misdrijven is niet altijd een uitspraak van de strafrechter nodig. Ongeveer een derde van de misdrijfzaken wordt door middel van een transactie afgedaan. Het gebruik van transacties is in hoge mate vastgelegd in richtlijnen van het OM. Een transactie voor een misdrijf is een alternatieve vorm van sanctie, zij het dat die sanctie niet na berechting en niet door de strafrechter wordt opgelegd, en dat de vrijwillige instemming van de verdachte is vereist. Met de transactie geeft de Nederlandse overheid aan voldoende belang te hechten aan sanctionering van het misdrijf. De ernst van het misdrijf komt tot uiting in de hoogte van het transactiebedrag, waarmee de verdachte strafvervolging kan afkopen. Dat voorstel mag uitsluitend worden gedaan als een veroordeling door de rechter in een gewone strafrechtelijke procedure ook daadwerkelijk haalbaar is. Als langs de weg van de gewone procedure geen sanctionering zou kunnen volgen, behoort een transactieaanbod achterwege te blijven. De verdachte hoeft niet op het voorstel in te gaan en kan kiezen voor behandeling door de strafrechter. De transactie houdt formeel weliswaar geen erkenning door de verdachte in dat hij het strafbare feit heeft gepleegd – en de mogelijkheid is dus aanwezig dat de verdachte het feit ter zake waarvan verdenking is gerezen niet heeft gepleegd en slechts ingaat op het transactievoorstel om van de zaak af te zijn, bijvoorbeeld om het openbaar terechtstaan, het opmaken van een strafblad, de civielrechtelijke bewijspositie van de veroordeelde en onzekerheid over de uitkomst van het strafgeding te voorkomen – maar voor iedere transactie is de vrijwillige instemming van de verdachte met de transactie essentieel. Het prijsgeven van rechtsbescherming door de strafrechter en de mogelijkheid van vrijspraak of lagere strafoplegging, geschiedt vrijwillig. In sommige gevallen ([artikel 74a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74a)) kan een door de verdachte aangeboden transactie ook niet door het OM worden geweigerd. Bovendien gaat het in naturalisatiezaken om relatief hoge bedragen ( 453,78 (ƒ 1000) of meer, dan wel ingeval van herhaalde misdrijven 226,89 (ƒ 500) of meer) dat voorshands niet kan worden aangenomen dat de verzoeker (telkenmale) onschuldig transigeert om van de zaak af te zijn. Ook in het krachtens [artikel 11, vijfde lid, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=11) gevoerde toelatingsbeleid leiden transacties ter zake van misdrijven tot de afwijzing van een verzoek om een vergunning tot verblijf.
Vanaf 1 februari 2008 is een regeling betreffende het buitengerechtelijk afdoen van strafbare feiten door middel van een strafbeschikking van kracht. In de gevallen waar volgens de huidige regelgeving een transactie mogelijk is, kan bij de buitengerechtelijke afdoening nieuwe stijl een strafbeschikking worden uitgevaardigd. De strafbeschikking berust op een schuldvaststelling. De strafbeschikking kan worden uitgevaardigd door de officier van justitie of door aangewezen opsporingsambtenaren of bestuursorganen. Naast het Openbaar Ministerie (OM) en politie hebben ook gemeenten en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) de bevoegdheid gekregen strafbeschikkingen uit te vaardigen. In de strafbeschikking kunnen straffen en maatregelen worden opgelegd en aanwijzingen worden gegeven. De straffen en maatregelen kunnen zijn een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uren, een geldboete, onttrekking aan het verkeer, de verplichting tot betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor ten hoogste zes maanden. Als degene jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd het daar niet mee eens is, kan hij bij het OM verzet instellen. Hierdoor komt de zaak alsnog voor de rechter, die deze in volle omvang beoordeelt. De huidige transactie zal – gefaseerd – worden vervangen door de strafbeschikking. De transactie en de strafbeschikking zullen de komende vijf jaar naast elkaar blijven bestaan. De regeling van de strafbeschikking is, net als die van de transactie, van toepassing op overtredingen en op misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar. De regeling van de strafbeschikking is te vinden in de [artikelen 257a-257h van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=257a).
### paragraaf 4.3. Cumulatie van sancties
Het beleid dat een enkele financiële sanctie (geldboete, transactie of strafbeschikking) van minder dan 453,78 (ƒ 1000) ter zake van misdrijf niet bij de beoordeling van het gedrag wordt betrokken, blijft in beginsel gehandhaafd, zij het dat een serie met lagere vermogenssancties afgedane misdrijven thans ook tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie kan leiden. Het is als onrechtvaardig ervaren dat de verzoeker die zich regelmatig schuldig maakt aan misdrijven, maar die daarvoor telkenmale sancties krijgt opgelegd van minder dan 453,78 (ƒ 1000), wel, en de verzoeker die eenmalig een misdrijf heeft begaan waarvoor hij met een boete van 453,78 (ƒ 1000) of meer is bestraft gedurende vier jaren nadien niet voor naturalisatie in aanmerking komt. Met de cumulatieregeling is beoogd aan deze onrechtvaardigheid tegemoet te komen. Indien de verzoeker binnen een bepaald tijdsbestek wegens herhaalde misdrijven is gesanctioneerd, kan daarmee rekening worden gehouden. Om te voorkomen dat een opeenstapeling van vermogenssancties ter zake van diverse misdrijven (te snel) tot weigering van naturalisatie leidt, is per sanctie een minimumbedrag van 226,89 (ƒ 500) vastgesteld. Deze ondergrens van 226,89 (ƒ 500) is gebaseerd op (in richtlijnen van het OM opgenomen vermogenssancties die kunnen worden opgelegd ter zake van) misdrijven, waarvan bij herhaling kan worden aangenomen dat er sprake is van ernstige vermoedens van gevaar voor de openbare orde. Met het totaalbedrag van 680,67 (ƒ 1500) is beoogd te voorkomen dat een te gering aantal sancties uiteindelijk toch tot weigering van naturalisatie zal gaan leiden.
### 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.
De verzoeker kan verschillende strafbare feiten hebben begaan die alle tezamen in een en dezelfde strafrechtelijke procedure aan de strafrechter worden voorgelegd. In een dergelijk geval kan het voorkomen dat voor al die feiten een enkele straf wordt opgelegd, waarbij niet duidelijk is welk gedeelte van die straf voor welk feit is opgelegd. Als voorbeeld geldt de verzoeker die twee jaar geleden wegens twee misdrijven en een overtreding een geldboete van 907,56 (ƒ 2000) wordt opgelegd. In dat geval wordt het verzoek om naturalisatie afgewezen, omdat ten minste één van de strafbare feiten een misdrijf was en de totale straf genoeg is om een verzoek om naturalisatie af te wijzen.
### paragraaf 4.5. Taakstraffen
Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte; ATAN) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject). Er wordt bij taakstraffen dus geen onderscheid gemaakt tussen werk- en leerstraffen. De taakstraf staat tussen de vrijheidsstraf en de geldboete in, en komt in plaats van een gevangenisstraf. Bij naturalisatie worden zowel geldboeten als vrijheidsstraffen voor misdrijven tegengeworpen, ongeacht de vraag of zij voorwaardelijk of onvoorwaardelijk zijn opgelegd. Er bestaat geen aanleiding om voorbij te gaan aan de (voor een misdrijf opgelegde) taakstraf die thans nog in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, indien zowel de daad als de dader strafbaar zijn bevonden. Gehandhaafd is tevens het uitgangspunt in het naturalisatiebeleid dat de taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf. Dat sluit aan bij de regeling van de vrijheidsstraf, die eveneens ongeacht de duur wordt tegengeworpen.
### paragraaf 4.6. Buitenlandse feiten
Omdat het bij de vraag naar het ernstige vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde oplevert, primair gaat om diens gedragingen, is in beginsel irrelevant waar deze gedragingen hebben plaatsgevonden. Een bepaalde gedraging is immers niet minder ernstig indien het buiten de landsgrenzen heeft plaatsgevonden. Aangezien het gaat om het ernstige vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de Nederlandse openbare orde vormt, wordt niet tegengeworpen de bestraffing van een gedraging die naar Nederlands recht geen misdrijf vormt. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat in het buitenland bepaalde gedragingen in het algemeen zwaarder of lichter kunnen worden bestraft dan in Nederland. Daarom moet tevens worden beoordeeld of de buitenlandse beoordeling van het misdrijf vergelijkbaar is met de Nederlandse beoordeling. Buitenlandse feiten kunnen bijvoorbeeld blijken uit gegevens van de Justitiële documentatiedienst (JDD) of uit de verklaringen van de verzoeker zelf.
### paragraaf 4.7. Jeugdigen
Er bestaat geen aanleiding om een misdrijf dat is gepleegd door iemand ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig [Titel VIII A van het Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=VIII_A) (jeugdstrafrecht) anders te beoordelen dan hetzelfde misdrijf indien dat is gepleegd door een meerderjarige. Jeugdstrafrecht is ook strafrecht dat wordt toegepast naar aanleiding van een feitelijke misdraging. Jeugdstrafrecht kent een afwijkend sanctiepakket. Met de jeugdige leeftijd van de dader is reeds rekening gehouden, omdat het jeugdstrafrecht beduidend lichtere straffen kent.
### paragraaf 4.8. Vierjaartermijn
Het gaat bij de beoordeling van het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde om de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker. Die verwachtingen worden noodzakelijkerwijs gebaseerd op het gedrag van de verzoeker in het heden en recente verleden. Als maatstaf voor de beoordeling van het gedrag wordt de vraag gehanteerd of het gedrag van de verzoeker heeft geleid tot een veroordeling of andere sanctie ter zake van misdrijf of de tenuitvoerlegging daarvan. Omdat het echter blijft gaan om het toekomstige gedrag, wordt niet iedere sanctie en tenuitvoerlegging daarvan (ook niet als die sanctie zeer zwaar was) blijvend tegengeworpen. De omstandigheid dat iemand in het verleden wegens bepaalde strafbare feiten in aanraking is gekomen met Justitie is op zichzelf onvoldoende grond voor afwijzing. Aan het gedrag van de verzoeker in het verre verleden kunnen geen conclusies worden verbonden, voor wat betreft zijn toekomstige gedrag. Voor de beoordeling van een verzoek om naturalisatie is als maatstaf aangelegd dat er gedurende een periode van vier jaar, direct voorafgaande aan de indiening van het verzoek of de beslissing daarop, geen sprake mag zijn geweest van een misdrijf, de sanctionering van een misdrijf of de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie
### paragraaf 4.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
### 4.5. Taakstraffen
Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte; ATAN) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject). Er wordt bij taakstraffen dus geen onderscheid gemaakt tussen werk- en leerstraffen. De taakstraf staat tussen de vrijheidsstraf en de geldboete in, en komt in plaats van een gevangenisstraf. Bij naturalisatie worden zowel geldboeten als vrijheidsstraffen voor misdrijven tegengeworpen, ongeacht de vraag of zij voorwaardelijk of onvoorwaardelijk zijn opgelegd. Er bestaat geen aanleiding om voorbij te gaan aan de (voor een misdrijf opgelegde) taakstraf die thans nog in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, indien zowel de daad als de dader strafbaar zijn bevonden. Gehandhaafd is tevens het uitgangspunt in het naturalisatiebeleid dat de taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf. Dat sluit aan bij de regeling van de vrijheidsstraf, die eveneens ongeacht de duur wordt tegengeworpen.
Onvoorwaardelijke sepots worden niet tegengeworpen. Indien de verzoeker ten onrechte als verdachte is aangemerkt, indien de daad en/of de dader naar het oordeel van het OM niet strafbaar zijn, indien wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, of de zaak uit opportuniteitsoverwegingen wordt geseponeerd, is de zaak ten einde en kunnen daaraan in het algemeen verder geen gevolgen worden verbonden. Het vermeende misdrijf wordt immers niet gesanctioneerd. Met het onvoorwaardelijke sepot is de zaak direct afgedaan. Onvoorwaardelijke sepots leiden dus niet tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie. Vermeende misdrijven die onvoorwaardelijk zijn geseponeerd, blijven geheel buiten beschouwing. Omdat er geen sprake is van een sanctie, gaat ook geen rehabilitatietermijn van vier jaar lopen.
### 3. Afwijzing indien er serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
Met een voorwaardelijk sepot is echter nog geen einde aan de zaak gekomen. Met een voorwaardelijk sepot ziet het OM slechts af van strafvervolging, indien aan (een) bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan. Indien aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan alsnog tot dagvaarding worden overgegaan en kan het misdrijf alsnog leiden tot een sanctie. De voorwaardelijk geseponeerde zaak lijkt in dier voege op een openstaande strafzaak en wordt bij verzoek om naturalisatie op vergelijkbare wijze beoordeeld. Omdat strafvervolging en -oplegging niet zijn uitgesloten, dient de verzoeker eerst de proeftijd af te wachten. Voorwaardelijke sepots leiden evenmin tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, mits aan de voorwaarden van het sepot is voldaan en de proeftijd is verstreken. Indien een misdrijf voorwaardelijk is geseponeerd, dient altijd de proeftijd te worden afgewacht. Als betrokkene nog in de proeftijd zit, dient hij te worden geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek om naturalisatie totdat de proeftijd is verstreken. Indien hij er niettemin op staat het verzoek in te dienen en de proeftijd is nog niet verstreken, dan wordt het verzoek afgewezen. Pas als de proeftijd is verstreken en aan de voorwaarden is voldaan, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het vermeende misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid en dat er ook geen rehabilitatietermijn is aangevangen.
### 4.11. Schadevergoeding
Schadevergoeding is in beginsel een zaak tussen degene die de schade heeft aangericht en de benadeelde. Veroordelingen door de civiele rechter tot schadevergoeding aan de benadeelde worden niet tegengeworpen bij naturalisatie. Schadevergoeding kan echter ook in het strafproces een rol spelen, bijvoorbeeld als voorwaarde verbonden aan een voorwaardelijk opgelegde straf of aan een beslissing om een strafzaak te seponeren. Bij de strafrechtelijke dading (een civielrechtelijke overeenkomst tussen de verdachte en de benadeelde van een strafbaar feit) wordt strafrechtelijke vervolging voorkomen. De verdachte komt overeen om de door de benadeelde geleden schade te vergoeden. Bij de beoordeling van dading voor de naturalisatiepraktijk wordt aangesloten bij wat hiervoor is vermeld onder voorwaardelijk sepot. Bij het OM moet dus worden nagegaan of de dadingsovereenkomst inderdaad is nagekomen en het OM niet alsnog vervolging heeft ingesteld. Tot die tijd moet de aanvraag worden aangehouden. Als de dadingsovereenkomst niet is nagekomen, en alsnog (al dan niet voorwaardelijk) een geldboete van 453,78 (ƒ 1000) of meer (ingeval van herhaalde misdrijven 226,89 (ƒ 500) of meer), een taakstraf of een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd, wordt het feit wel tegengeworpen. Ook de Halt-afdoening komt neer op een sepot onder voorwaarde. Indien de afspraken niet worden nagekomen, kan publiekrechtelijke sanctionering (in het kader van het jeugdstrafrecht) volgen. Gecontroleerd moet worden of de dienstverlening is voltooid. Indien dat niet het geval is, wordt de aanvraag aangehouden. Indien alsnog tot strafvervolging wordt overgegaan, wordt het feit alleen tegengeworpen indien een geldboete van 453,78 (ƒ 1000) of een (al dan niet voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd. Dit sluit aan bij de voorgestelde beoordeling van dading.
### paragraaf 4.12. Gratie
Bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker is niet van belang of de voor het misdrijf opgelegde straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden. Gekeken wordt naar de straf die oorspronkelijk is opgelegd, dus ook naar het gedeelte dat door gratie is kwijtgescholden. Voor naturalisatie heeft het enkele feit dat de straf geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden dus geen invloed op de beoordeling van het gedrag; het misdrijf en de dader zijn immers strafbaar bevonden en daarvoor is straf opgelegd. Gratie kan wel invloed hebben op de aanvang van de rehabilitatietermijn:
### paragraaf 5. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium “ernstig gevaar voor openbare orde” ([artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). Zij dienen door iedereen op dezelfde wijze te worden uitgevoerd. Deze regels vervangen artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels dient men er dus altijd op bedacht te zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.
### 4.11. Schadevergoeding
Met een voorwaardelijk sepot is echter nog geen einde aan de zaak gekomen. Met een voorwaardelijk sepot ziet het OM slechts af van strafvervolging, indien aan (een) bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan. Indien aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan alsnog tot dagvaarding worden overgegaan en kan het misdrijf alsnog leiden tot een sanctie. De voorwaardelijk geseponeerde zaak lijkt in dier voege op een openstaande strafzaak en wordt bij verzoek om naturalisatie op vergelijkbare wijze beoordeeld. Omdat strafvervolging en -oplegging niet zijn uitgesloten, dient de verzoeker eerst de proeftijd af te wachten. Voorwaardelijke sepots leiden evenmin tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, mits aan de voorwaarden van het sepot is voldaan en de proeftijd is verstreken. Indien een misdrijf voorwaardelijk is geseponeerd, dient altijd de proeftijd te worden afgewacht. Als betrokkene nog in de proeftijd zit, dient hij te worden geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek om naturalisatie totdat de proeftijd is verstreken. Indien hij er niettemin op staat het verzoek in te dienen en de proeftijd is nog niet verstreken, dan wordt het verzoek afgewezen. Pas als de proeftijd is verstreken en aan de voorwaarden is voldaan, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het vermeende misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid en dat er ook geen rehabilitatietermijn is aangevangen.
In de naturalisatieprocedure wordt het verzoek om naturalisatie ingediend bij de burgemeester, die een onderzoek instelt en daarover adviseert aan de Minister van Justitie. Het advies ziet onder meer op de vraag of er ernstige vermoedens bestaan om aan te nemen dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt.
### paragraaf 6.1. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
Iedere verzoeker dient door middel van een verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag (zie model 2.3) schriftelijk te verklaren of hij, of een van de in het verzoek genoemde personen ouder dan zestien jaar, al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie. De verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag omvat meerdere verklaringen. Indien verzoeker aangeeft dat hij een of meer van deze verklaringen niet naar waarheid kan afleggen, moet de burgemeester:
### paragraaf 6.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
De burgemeester moet, ongeacht hetgeen de verzoeker zelf verklaart, voor ieder verzoek om naturalisatie de Justitiële documentatiedienst (JDD) raadplegen (zie model 2.20). Indien uit de JDD gegevens met betrekking tot misdrijven naar voren komen die niet overeenkomen met hetgeen de verzoeker zelf heeft verklaard, dient de burgemeester dat op het adviesblad te vermelden. De verzoeker dient in dat geval door de IND in de gelegenheid te worden gesteld zijn zienswijze daarop naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). Deze zienswijze van verzoeker wordt bij de beoordeling van het verzoek betrokken.
### paragraaf 6.3. Bericht van de korpschef
Verder dient de burgemeester contact op te nemen met de korpschef om te verifiëren of de verzoeker voorkomt in:
### 9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b
Een verzoeker die de Hongaarse nationaliteit bezit, kan eerst nadat hij is genaturaliseerd tot Nederlander de Hongaarse autoriteiten verzoeken of hij ontslag kan krijgen uit het Hongaarse staatsverband.
In de periode van 1 januari 1992 tot 1 oktober 1997 werd het vereiste om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet toegepast (zie circulaire van 20 december 1991, **Stcrt.**1992, 25). Dit kwam doordat op 22 oktober 1991 de Tweede Kamer der Staten-Generaal de motie Apostolou/Soutendijk-van Apeldoorn (TK 1991-1992, 21 971, nr. 29) inzake het doen van afstand bij naturalisatie had aangenomen. Naar aanleiding van deze motie werd besloten met ingang van 1 januari 1992 de eis, zoals geformuleerd in [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), vooruitlopend op de aanpassing van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) te laten vallen. Het voorstel tot schrappen van deze eis stuitte echter op bezwaren bij de meerderheid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, zodat het vanaf 1 januari 1992 gevoerde afstandsbeleid herziening behoefde. Dit herziene beleid inzake de afstandsverplichting is op 1 oktober 1997 in werking getreden (circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6, inzake wijziging van het beleid inzake het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander).
De verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie is ook na inwerkingtreding van het voorstel tot wijziging van de RWN op 1 januari 2002 blijven bestaan, zij het met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd in het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (**Trb.**1994, 265), hierna te noemen: Tweede Protocol. De uitgangspunten in het Tweede Protocol zijn neergelegd in [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), zoals dit luidt met ingang van 1 april 2003 (zie de toelichting bij artikel 9, derde lid, RWN).
### paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
Hoofdregel is dat een vreemdeling die verzoekt om naturalisatie afstand moet doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is alleen anders indien het doen van afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd. Daarnaast zijn er categorieën verzoekers om naturalisatie waarop het vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is ([artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
De burgemeester moet, ongeacht hetgeen de verzoeker zelf verklaart, voor ieder verzoek om naturalisatie de Justitiële documentatiedienst (JDD) raadplegen (zie model 2.20). Indien uit de JDD gegevens met betrekking tot misdrijven naar voren komen die niet overeenkomen met hetgeen de verzoeker zelf heeft verklaard, dient de burgemeester dat op het adviesblad te vermelden. De verzoeker dient in dat geval door de IND in de gelegenheid te worden gesteld zijn zienswijze daarop naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). Deze zienswijze van verzoeker wordt bij de beoordeling van het verzoek betrokken.
Niet alle verzoekers zijn verplicht om afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en). In [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) wordt een vijftal uitzonderingen genoemd. Daarnaast zijn er vreemdelingen van wie redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit(en) ([artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). Samengevat komt het erop neer dat de hieronder genoemde categorieën verzoekers geen afstand hoeven te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit:
Verder dient de burgemeester contact op te nemen met de korpschef om te verifiëren of de verzoeker voorkomt in:
Verzoeker heeft de Andorrese nationaliteit. In de wetgeving van Andorra is geregeld dat een Andorrees die vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt de Andorrese nationaliteit verliest. In geval van automatisch verlies door naturalisatie tot een andere nationaliteit heeft het geen zin afstand te vragen.
De verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie is ook na inwerkingtreding van het voorstel tot wijziging van de RWN op 1 januari 2002 blijven bestaan, zij het met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd in het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (**Trb.**1994, 265), hierna te noemen: Tweede Protocol. De uitgangspunten in het Tweede Protocol zijn neergelegd in [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), zoals dit luidt met ingang van 1 april 2003 (zie de toelichting bij artikel 9, derde lid, RWN).
Verzoeker bezit de Marokkaanse nationaliteit. De Marokkaanse nationaliteitswetgeving geeft aan dat in geval van naturalisatie tot een vreemde nationaliteit betrokkene een machtiging kan krijgen om de Marokkaanse nationaliteit te verwerpen. In de praktijk blijkt evenwel dat de machtiging niet kan worden verkregen. In feite betekent dit dus behoud van de Marokkaanse nationaliteit en heeft het geen zin om afstand te vragen.
De verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie is ook na inwerkingtreding van het voorstel tot wijziging van de RWN op 1 januari 2002 blijven bestaan, zij het met inachtneming van de uitgangspunten zoals geformuleerd in het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (**Trb.**1994, 265), hierna te noemen: Tweede Protocol. De uitgangspunten in het Tweede Protocol zijn neergelegd in [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9), zoals dit luidt met ingang van 1 april 2003 (zie de toelichting bij artikel 9, derde lid, RWN).
In deze gevallen dient de verzoeker bij het in behandeling nemen van zijn verzoek een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij bereid is, na de totstandkoming van de naturalisatie, afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Overigens, in de praktijk geldt in alle gevallen dat eerst afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeft te worden gedaan nadat de naturalisatie tot stand is gekomen.
### 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
Een verzoeker die de Hongaarse nationaliteit bezit, kan eerst nadat hij is genaturaliseerd tot Nederlander de Hongaarse autoriteiten verzoeken of hij ontslag kan krijgen uit het Hongaarse staatsverband.
### 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
Een verzoeker die de Hongaarse nationaliteit bezit, kan eerst nadat hij is genaturaliseerd tot Nederlander de Hongaarse autoriteiten verzoeken of hij ontslag kan krijgen uit het Hongaarse staatsverband.
Indien een staat voor het doen van afstand van de nationaliteit slechts een kleine vergoeding vraagt, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het bedrag dat de staat hiervoor vraagt, zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
Indien verzoeker, wegens het feit dat hij substantieel financieel nadeel lijdt omdat hij voor de afstand een hoog bedrag moet betalen, geen afstand wenst te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit en waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie.
Indien een verzoeker een beroep wenst te doen op deze uitzondering op de afstandsverplichting, dient hij, voor zover van toepassing, de volgende, meest recente bewijsstukken te overleggen:
### paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
Als niet-zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die zijn inkomsten verwerft anders dan uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
### 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
In dit kader geldt als vermogen het gemiddelde van de rendementsgrondslagen, bedoeld in [artikel 5.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=5.2) (vergelijk [artikel 1, eerste lid, onder o, Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=1)).
Indien verzoeker, wegens het feit dat hij substantieel financieel nadeel lijdt omdat hij voor de afstand een hoog bedrag moet betalen, geen afstand wenst te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit en waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie.
Als zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die inkomsten verwerft uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
Voor de vaststelling van het netto maandinkomen wordt uitgegaan van het inkomen voorafgaand aan het jaar van indienen van het verzoek om naturalisatie
Voor de vaststelling van het vermogen wordt uitgegaan van de toestand van het vermogen op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar van het indienen van het verzoek om naturalisatie.
### 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. A overlegt verklaringen van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij voor het doen van afstand een bedrag van 750 moet betalen. Uit de viv en de overgelegde loonstroken blijkt dat A een baan heeft als bollenpeller waarmee hij 1200 netto per maand verdient. Hij heeft geen vermogen.
A lijdt door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Zijn netto maandinkomen is immers hoger dan het bedrag dat hij moet betalen voor het doen van afstand. Hij moet afstand doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
Verzoeker B is alleenstaande en bezit de nationaliteit van land Y. Uit verklaringen van de autoriteiten van land Y blijkt dat hij voor het doen van afstand van nationaliteit Y een bedrag van 1250 moet betalen. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat hij een netto maandinkomen van 1100 heeft, dat hij een eigen woning heeft met een huidige marktwaarde van 150.000 dat hij voor de aankoop van de woning een hypotheek heeft afgesloten en dat bij de bank nog een hypotheekschuld van 70.000 resteert.
### 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzondering en moet afstand van de nationaliteit van land Y doen.
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Indien het verlies aan vermogensrechtelijke rechten door het doen van afstand slechts zeer klein is, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel worden aangemerkt. Het verlies zal ook weer niet buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt ook in dit kader een minimum financieel nadeel en een maximum financieel nadeel.
### 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
Als maximum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan tien maal het bedrag van het normale tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker een bedrag verliest dat hoger ligt dan (of gelijk is aan) tien maal het bedrag van het normale tarief, kan altijd – ongeacht het vermogen van verzoeker – met succes een beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo hoog dat het te lijden nadeel als substantieel kan worden aangemerkt.
### 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
Voor de vaststelling van het vermogen en de geldende vermogensgrenzen is het hierboven gestelde onder paragrafen [3.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.2&z=2008-07-13&g=2008-07-13),[3.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.3&z=2008-07-13&g=2008-07-13) en [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.4&z=2008-07-13&g=2008-07-13) van overeenkomstige toepassing.
### paragraaf 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
Is het bedrag (de waarde van de vermogensrechtelijke rechten) dat wordt verloren door het doen van afstand hoger dan (of gelijk aan) een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is sprake van substantieel financieel nadeel in hier bedoelde zin en behoeft verzoeker geen afstand te doen.
Is dat bedrag lager dan een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is geen sprake van substantieel financieel nadeel en kan verzoeker geen beroep doen op deze uitzondering (met inachtneming van het minimum en maximum financieel nadeel).
Verzoekster A heeft de nationaliteit van land Z en is 40 jaar oud. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie overlegt zij verklaringen van de autoriteiten van land Z, waaruit blijkt dat zij een pensioen heeft opgebouwd van 2000 en dat pensioenbedragen alleen worden uitgekeerd aan personen met de nationaliteit van land Z die de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. De betreffende wettelijke bepalingen zijn bijgevoegd. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat A in Nederland een spaartegoed heeft van 3000 en in Duitsland een spaartegoed heeft van 2000. A behoeft geen afstand te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit. Haar opgebouwd pensioen kan thans niet te gelde worden gemaakt, zodat zij dat pensioen zal verliezen door het doen van afstand. Het te verliezen bedrag van 2000 is voorts groter dan een vierde deel van haar overig vermogen van 5000.
### 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
B behoeft door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel te lijden. Weliswaar heeft hij genoegzaam aangetoond dat hij eigenaar van een stuk grond is met een aanzienlijke waarde en dat hij de grond door het doen van afstand zou verliezen, maar uit de stukken blijkt niet dat hij de grond slechts onder onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden kan verkopen. Integendeel. Het is een braakliggend stuk grond dat hij met een goede winst kan verkopen. B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie.
### paragraaf 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
### 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. Hij overlegt een twee jaar oude verklaring van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij wordt opgeroepen voor het vervullen van de militaire dienst. Tevens overlegt hij een verklaring van de autoriteiten waarin staat dat personen die de dienstplicht nog moeten vervullen geen afstand kunnen doen van de nationaliteit van land Z. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands.
### 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
### paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
### 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
Verzoekster A heeft de nationaliteit van land Z en is 40 jaar oud. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie overlegt zij verklaringen van de autoriteiten van land Z, waaruit blijkt dat zij een pensioen heeft opgebouwd van 2000 en dat pensioenbedragen alleen worden uitgekeerd aan personen met de nationaliteit van land Z die de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. De betreffende wettelijke bepalingen zijn bijgevoegd. De stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands. Uit de viv en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat A in Nederland een spaartegoed heeft van 3000 en in Duitsland een spaartegoed heeft van 2000. A behoeft geen afstand te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit. Haar opgebouwd pensioen kan thans niet te gelde worden gemaakt, zodat zij dat pensioen zal verliezen door het doen van afstand. Het te verliezen bedrag van 2000 is voorts groter dan een vierde deel van haar overig vermogen van 5000.
### 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
B behoeft door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel te lijden. Weliswaar heeft hij genoegzaam aangetoond dat hij eigenaar van een stuk grond is met een aanzienlijke waarde en dat hij de grond door het doen van afstand zou verliezen, maar uit de stukken blijkt niet dat hij de grond slechts onder onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden kan verkopen. Integendeel. Het is een braakliggend stuk grond dat hij met een goede winst kan verkopen. B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie.
### 3.6. De verzoeker zal – naar hij aantoont – slechts dan afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit
### paragraaf 4. Bewijsstukken
In de toelichting op bovenstaande uitzonderingscategorieën wordt op verschillende plaatsen aangegeven dat er verklaringen en/of documenten dienen te worden overgelegd indien verzoeker meent onder één van de uitzonderingscategorieën te vallen. Alleen authentieke akten worden in dit verband geaccepteerd als bewijsstukken. Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Authentieke akten zijn tevens akten, waarvan het opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt (zie [artikel 183, tweede lid, WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=183)). Onderhandse akten worden niet geaccepteerd. Onderhandse akten zijn alle akten die niet authentieke akten zijn (zie [artikel 183, derde lid, WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=183)).
### paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op
Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In deze gevallen heeft het immers geen zin om afstand te vragen. Met het oog op automatisch verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander of met het oog op eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan vooren- en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker reeds in de voorlichtingsfase door de burgemeester wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of het consulaat) of naar de voor hem geëigende organisaties voor minderheden voor het verkrijgen van informatie hieromtrent.
### paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de bestaande uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk en in een voorkomend geval aan de hand van berekeningen – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Hij wordt erop gewezen dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen indien een beroep op de uitzonderingscategorie niet wordt gehonoreerd en dat het bedrag aan betaalde leges in dat geval niet wordt teruggegeven.
### 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
Indien verzoeker vervolgens een beroep wenst te doen op een van de uitzonderingen 4 tot en met 9 moet hij bij het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarin hij aangeeft dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit (zie model 2.4 en model 2.5). Uit de bereidheidsverklaring moet duidelijk blijken op welke uitzonderingscategorie een beroep wordt gedaan. Aan de hand van door hem overgelegde documenten/bewijsstukken (zie hierboven paragraaf 4 zal verzoeker moeten aantonen dat hij valt onder die uitzonderingscategorie.
### paragraaf 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen
### 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In deze gevallen heeft het immers geen zin om afstand te vragen. Met het oog op automatisch verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander of met het oog op eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan vooren- en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker reeds in de voorlichtingsfase door de burgemeester wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of het consulaat) of naar de voor hem geëigende organisaties voor minderheden voor het verkrijgen van informatie hieromtrent.
Is dat bedrag lager dan een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is geen sprake van substantieel financieel nadeel en kan verzoeker geen beroep doen op deze uitzondering (met inachtneming van het minimum en maximum financieel nadeel).
### Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
De schrijfwijze van de namen van staten is conform de ‘lijst van landnamen’, de officiële schrijfwijze voor het Nederlandse taalgebied, van de Werkgroep Buitenlandse Aardrijkskundige namen, 1994.
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c
Indien verzoeker vervolgens een beroep wenst te doen op een van de uitzonderingen 4 tot en met 9 moet hij bij het indienen van het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarin hij aangeeft dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit (zie model 2.4 en model 2.5). Uit de bereidheidsverklaring moet duidelijk blijken op welke uitzonderingscategorie een beroep wordt gedaan. Aan de hand van door hem overgelegde documenten/bewijsstukken (zie hierboven paragraaf 4 zal verzoeker moeten aantonen dat hij valt onder die uitzonderingscategorie.
### 9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid
### Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
### paragraaf 1. Algemeen
### Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
Hierna volgt een lijst van landen met vermelding van behoud of verlies van de nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander. Bij deze lijst wordt het volgende aangetekend: het betreft hier een momentopname voor zover bij het Ministerie van Justitie bekend ten tijde van het verschijnen van deze gewijzigde landenlijst. Gebruikers van deze lijst die stuiten op wijzigingen of onjuistheden, wordt verzocht dit schriftelijk aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie te melden onder vermelding van het onderwerp: Afstandsverplichting bij naturalisatie.
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b
Een verzoeker, burger van Bosnië-Herzegovina, is geboren in Aruba. Kort na zijn geboorte vertrekt hij met zijn ouders naar Australië. Na zijn meerderjarigheid vestigt hij zich in Nederland. Zodra hij aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoet, dient hij een verzoek in. Van verzoeker wordt niet verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Immers, hij is in Aruba geboren en heeft ten tijde van het indienen van zijn verzoek om naturalisatie hoofdverblijf in Nederland.
### 9-3-c. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder c
Verzoekster is geboren in Brazilië en heeft bij geboorte de Braziliaanse nationaliteit. Als zij tien jaar is, verhuist zij naar Aruba. Na twee jaar op Aruba te hebben gewoond, verhuist zij naar Bonaire. Op zestienjarige leeftijd gaat zij terug naar Brazilië. Wanneer zij 31 jaar oud is, vestigt zij zich weer op Bonaire. Op 36-jarige leeftijd dient zij aldaar een verzoek om naturalisatie in.
### Ad artikel 9, derde lid
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op
E = partij bij het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg
### 9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid
Een verzoeker, burger van Bosnië-Herzegovina, is geboren in Aruba. Kort na zijn geboorte vertrekt hij met zijn ouders naar Australië. Na zijn meerderjarigheid vestigt hij zich in Nederland. Zodra hij aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoet, dient hij een verzoek in. Van verzoeker wordt niet verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Immers, hij is in Aruba geboren en heeft ten tijde van het indienen van zijn verzoek om naturalisatie hoofdverblijf in Nederland.
### Artikel 10
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [11.2 t/m 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [26.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### Ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder c
Verzoekster is geboren in Brazilië en heeft bij geboorte de Braziliaanse nationaliteit. Als zij tien jaar is, verhuist zij naar Aruba. Na twee jaar op Aruba te hebben gewoond, verhuist zij naar Bonaire. Op zestienjarige leeftijd gaat zij terug naar Brazilië. Wanneer zij 31 jaar oud is, vestigt zij zich weer op Bonaire. Op 36-jarige leeftijd dient zij aldaar een verzoek om naturalisatie in.
Van verzoekster wordt niet verlangd dat zij afstand doet van haar oorspronkelijke nationaliteit nu zij vóór het bereiken van de meerderjarige leeftijd een aaneengesloten periode van vijf jaar haar hoofdverblijf in Aruba en de Nederlandse Antillen heeft gehad.
### Ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
Een verzoeker die valt onder één van de artikelonderdelen van [artikel 9, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In deze gevallen is de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit immers niet van toepassing. Met het oog op een eventueel automatisch verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander of met het oog op eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan voor- en nadelen hebben), verdient het aanbeveling dat verzoeker reeds in de voorlichtingsfase door de burgemeester wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of het consulaat) of naar de voor hem geëigende organisaties voor minderheden voor het verkrijgen van informatie hieromtrent.
Ten behoeve van de beeldvorming, met betrekking tot de vraag wanneer er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan onderhavig artikel kan worden toegepast, volgt onderstaand een aantal praktijkvoorbeelden. Bij een aantal voorbeelden is aangegeven op welke wijze met vergelijkbare gevallen kan worden omgegaan.
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [11.2 t/m 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [26.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
Geen.
Dit artikel biedt de mogelijkheid van naturalisatie wanneer aan bepaalde voorwaarden niet is voldaan. Uitgangspunt is dat er sprake is van een zeer ‘bijzonder geval’. In uitzonderlijke gevallen kunnen er belangen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn om van die voorwaarden af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse belangen zich voordoen, zoals op het gebied van de internationale economische en culturele betrekkingen. In concreto kan worden gedacht aan vreemdelingen die in aanmerking komen voor een functie waarvoor het Nederlanderschap is vereist of gewenst en eventueel hun echtgenoten/partners. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie.
Vóór 1 april 2003 konden minderjarigen, die niet hadden gedeeld in de verlening van het Nederlanderschap aan de ouder(s), onder voorwaarden op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden voorgedragen voor naturalisatie. Voor deze minderjarigen is thans een bijzondere naturalisatieprocedure opgenomen in [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11).
Dit artikel biedt de mogelijkheid van naturalisatie wanneer aan bepaalde voorwaarden niet is voldaan. Uitgangspunt is dat er sprake is van een zeer ‘bijzonder geval’. In uitzonderlijke gevallen kunnen er belangen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn om van die voorwaarden af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse belangen zich voordoen, zoals op het gebied van de internationale economische en culturele betrekkingen. In concreto kan worden gedacht aan vreemdelingen die in aanmerking komen voor een functie waarvoor het Nederlanderschap is vereist of gewenst en eventueel hun echtgenoten/partners. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie.
De verscheidenheid van de gevallen waarbij een beroep op toepassing van dit artikel wordt gedaan, is groot. Om die reden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Ieder verzoek wordt op de eigen merites bezien. Het moet evenwel altijd een bijzonder geval betreffen. Uit de jurisprudentie van (onder meer) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de adviezen van de Raad van State kan wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet dermate bijzonder zijn dat ze naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN rechtvaardigen. Niet bijzonder is bijvoorbeeld:
### paragraaf 3. Topsporters
### 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [6.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [11.2 t/m 11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [26.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [28.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### 2.3. Ambtelijk verzuim
### 2.4. Na-naturalisatie
### paragraaf 3.2. Niveau van sportbeoefening
### 2.5. Niet bijzondere gevallen
### paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen
Of een sporter direct na de naturalisatie tot Nederlander daadwerkelijk op een internationaal concours of een internationale sportwedstrijd kan uitkomen als Nederlander is echter afhankelijk van de regels van de nationale sportbond van het herkomstland. Is op grond van deze regels deelname namens Nederland pas mogelijk na het verstrijken van een bepaalde periode, de zgn. blokkeringstermijn, dan kan bij de nationale sportbond van het land van herkomst om ontheffing of bekorting van deze termijn worden verzocht.
### paragraaf 3.4. Advies VWS
Met het ministerie van VWS is een aantal afspraken gemaakt met betrekking tot het advies aan de Minister van Justitie. Naast de toetsing aan de bovengenoemde richtlijnen uit de circulaire d.d. 9 april 1999 zal de Staatssecretaris van VWS in het advies aan de volgende onderwerpen aandacht besteden:
### 3.2. Niveau van sportbeoefening
### paragraaf 3.5. Beslissing
In het geval dat het advies van de Staatssecretaris van VWS inzake de ontheffing van een voor de verzoeker geldende blokkeringstermijn geen stukken bevat, die leiden tot de conclusie dat de verzoeker op korte termijn als genaturaliseerde Nederlander voor Nederland zou kunnen uitkomen, dient het verzoek tot naturalisatie te worden afgewezen.
Het voorgaande geldt niet indien het een vreemdeling betreft waarvan de IND aan de Staatssecretaris van VWS in het verzoek om advies heeft laten weten dat de Nederlandse nationale sportbond dan wel het Nederlands Olympisch Comité geen contact met vertegenwoordigers van het herkomstland dient op te nemen.
De verscheidenheid van de gevallen waarbij een beroep op toepassing van dit artikel wordt gedaan, is groot. Om die reden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Ieder verzoek wordt op de eigen merites bezien. Het moet evenwel altijd een bijzonder geval betreffen. Uit de jurisprudentie van (onder meer) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de adviezen van de Raad van State kan wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet dermate bijzonder zijn dat ze naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN rechtvaardigen. Niet bijzonder is bijvoorbeeld:
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2 t/m 4; 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9);
[10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
[BOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831&artikel=3)
### 3.3. Blokkeringstermijnen
### 3.5. Beslissing
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:233](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233) en [1:253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha)
Geen.
### 11-alg. Toelichting algemeen
Dit artikel bevat bepalingen met betrekking tot de medeverlening van het Nederlanderschap aan minderjarigen en jongvolwassenen. Het artikel is sedert 1 april 2003 aangepast aan de ontwikkelingen op nationaliteitsrechtelijk terrein en heeft mede ten doel de rechtspositie van minderjarige kinderen bij medeverlening van de Nederlandse nationaliteit te verbeteren. Zo is in de wet tot uitdrukking gebracht dat naarmate een kind ouder wordt, hij meer inspraak heeft in het al dan niet verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit.
[BOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831&artikel=3)
### 11-2. Toelichting ad artikel 11, tweede lid
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
### 11-4. Toelichting ad artikel 11, vierde lid
Geen.
A is zeventien jaar op het moment dat zijn vader een verzoek om naturalisatie indient en daarbij vraagt om medenaturalisatie van A. Tijdens de behandeling van het verzoek wordt A achttien jaar. Op het moment dat de vader bij koninklijk besluit wordt genaturaliseerd, voldoet A aan de voorwaarden in [artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) met uitzondering van het vereiste van minderjarigheid. Van de IND ontvangt hij een beschikking die inhoudt dat het verzoek om medenaturalisatie is afgewezen. A gaat hierna twee jaar in Groot-Brittannië wonen om te werken. Vervolgens hervestigt hij zich in Nederland en heeft daar drie jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf op het moment dat hij een verzoek om naturalisatie indient. A kan niet met succes een beroep doen op [artikel 11, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11). De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie is immers niet aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheid van A.
### 11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid
Voorts is in dit artikellid bepaald dat het mee te naturaliseren kind feitelijk tot het gezin moet behoren van de vader of moeder die hoofdverblijf heeft in het buitenland en aldaar om naturalisatie verzoekt. “Feitelijk behoren tot het gezin” van de vader of moeder houdt in het kader van de RWN in dat het kind bij die ouder op hetzelfde adres woont en er sprake is van een morele en financiële afhankelijkheid van de ouder(s)64Hierbij is voor een deel aangesloten bij het begrip ‘feitelijk behoren tot het gezin’, zoals dat in de het vreemdelingenbeleid wordt gehanteerd.. De feitelijke gezinsband met de ouder kan als verbroken worden beschouwd indien ouder en kind niet meer samenwonen (bijvoorbeeld omdat het kind duurzaam is opgenomen in een ander gezin, omdat het zelfstandig is gaan wonen of omdat het zelfstandig een gezin heeft gevormd door het aangaan van een relatie). De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken, ligt bij de ouder. De ouder zal goede redenen moeten aanvoeren waarom hij en het kind (die beiden hoofdverblijf hebben in het buitenland) niet meer samenwonen. Het enkele feit dat de ouder nog met het gezag is belast, is bijvoorbeeld onvoldoende grond om aan te nemen dat het kind nog feitelijk behoort tot het gezin van die ouder.
### 11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6); [31.1 t/m 31.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31); [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32) en [51 t/m 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56)
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
### Ad artikel 11, vierde lid
### Ad artikel 11, vijfde lid
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikel 36.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36); [36.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [36.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [Boek 1, titel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=2)
[WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580): [artikelen 4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=4) en [5b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=5b)
### Ad artikel 11, zevende lid
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel IB.A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IB)
### paragraaf 1. Algemeen
Bij verlening van het Nederlanderschap is het Nederlands namenrecht van toepassing ([artikel 4, eerste lid, WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=4)). Uitgangspunt is dat de naturalisatie plaatsvindt met toepassing van de namen van de verzoeker in de GBA. Aan deze namen dient verder zo weinig mogelijk te worden gesleuteld.
Zonder expliciete naamsvaststelling of naamswijziging is het koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap niet bepalend voor de namen van de verzoeker. Dit vloeit voort uit [artikel 4, tweede lid, WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=4) waarvan de tekst luidt:
### paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
In beginsel is het niet mogelijk dat een gehuwde vrouw bij de naturalisatie haar eigen geslachtsnaam laat wijzigen in die van haar (Nederlandse) echtgenoot. Immers, naar Nederlands recht mag de geslachtsnaam van de echtgenoot officieel niet worden toegevoegd aan de naam van de vrouw, noch draagt de vrouw rechtens de naam van haar echtgenoot. Wel is het toegestaan dat de vrouw in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van haar echtgenoot voert.
Echter, in sommige landen verkrijgt de vrouw bij het aangaan van het huwelijk van rechtswege of (later) op verzoek de geslachtsnaam van haar echtgenoot. In dat geval dient de vrouw te worden genaturaliseerd onder deze later verkregen geslachtsnaam (van haar echtgenoot). Het is daarom van belang dat de geslachtsnaam van gehuwde vrouwen niet alleen wordt beoordeeld aan de hand van de geboorteakte maar in voorkomend geval ook aan de hand van bijvoorbeeld de huwelijksakte en/of het paspoort.
Bij verlening van het Nederlanderschap is het Nederlands namenrecht van toepassing ([artikel 4, eerste lid, WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=4)). Uitgangspunt is dat de naturalisatie plaatsvindt met toepassing van de namen van de verzoeker in de GBA. Aan deze namen dient verder zo weinig mogelijk te worden gesleuteld.
Een kind deelt uitsluitend in de naamsvaststelling of naamswijziging van de verzoeker indien het:
Bij verlening van het Nederlanderschap is het Nederlands namenrecht van toepassing ([artikel 4, eerste lid, WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=4)). Uitgangspunt is dat de naturalisatie plaatsvindt met toepassing van de namen van de verzoeker in de GBA. Aan deze namen dient verder zo weinig mogelijk te worden gesleuteld.
Het spreekt voor zich dat kinderen die reeds de Nederlandse nationaliteit bezitten geen deel uitmaken van een verzoek om naturalisatie van hun ouders. Nederlandse kinderen delen daarom niet in de verkrijging van het Nederlanderschap noch in de eventuele naamsvaststelling of naamswijziging van hun ouders.
De tweejarige A is het eerste kind van een Nederlandse moeder en haar Pakistaanse echtgenoot. Omdat de vader van A een naamsketen draagt, verkrijgt A bij zijn geboorte de geslachtsnaam van zijn moeder: ‘Jansen’. Onlangs heeft de vader van A een verzoek om naturalisatie ingediend en thans wordt hem het Nederlanderschap verleend. Zijn geslachtsnaam wordt vastgesteld als ‘Khan’. Aangezien A de Nederlandse nationaliteit bezit, was hij geen subject van het verzoek om naturalisatie van zijn vader. Hij deelt daarom niet in de vaststelling van de geslachtsnaam van zijn vader en behoudt de bij zijn geboorte verkregen geslachtsnaam ‘Jansen’. De na de naturalisatie van de heer Khan geboren kinderen verkrijgen allen eveneens de geslachtsnaam ‘Jansen’. Immers, volgende kinderen van dezelfde ouders hebben op grond van [artikel 1:5, zevende lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=5) dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind.
In beginsel is het niet mogelijk dat een gehuwde vrouw bij de naturalisatie haar eigen geslachtsnaam laat wijzigen in die van haar (Nederlandse) echtgenoot. Immers, naar Nederlands recht mag de geslachtsnaam van de echtgenoot officieel niet worden toegevoegd aan de naam van de vrouw, noch draagt de vrouw rechtens de naam van haar echtgenoot. Wel is het toegestaan dat de vrouw in het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaam van haar echtgenoot voert.
De Minister van Justitie is gemachtigd correcties aan te brengen in een koninklijk besluit tot verlening van het Nederlanderschap. De machtiging is uitsluitend verleend om kennelijke administratieve misslagen in de vermelde persoonsgegevens van de verzoeker te herstellen. De kennelijke misslag dient een gevolg te zijn van (administratieve dan wel een vertalings) onoplettendheid. Onder een ‘kennelijke administratieve misslag’ wordt niet verstaan het geval waarin de verzoeker na de verlening van het Nederlanderschap één of meer persoonsgegevens (namen, geboortedatum, geboorteplaats, geboorteland) wenst te corrigeren, omdat hij is genaturaliseerd onder onjuiste, maar wel door hem aangeleverde, persoonsgegevens. De doorlopende machtiging is verleend voor de volgende kennelijke misstellingen in naturalisatiebesluiten:
Geen.
Blijkt in de procedure dat een verzoeker met een naamsketen (namenreeks) niet wenst dat bij zijn naturalisatie een geslachtsnaam voor hem wordt vastgesteld, dan leidt dat tot een afwijzing van het naturalisatieverzoek op grond van niet-inburgering. Verzoeker voldoet alsdan niet aan de in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) gestelde voorwaarde van ‘zich ook overigens in de Nederlandse (Nederlands Antilliaanse of Arubaanse) samenleving hebben doen opnemen’.
### 1.3. Nederlandse kinderen delen niet in naamsvaststelling of naamswijziging
### 12-1. Toelichting ad artikel 12, eerste lid
### paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen
### 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit
B is geboren in India en bezit de Indiase nationaliteit. Naar eigen zeggen heeft zij overeenkomstig het Indiaas namenrecht de geslachtsnaam van haar Nederlandse echtgenoot verkregen. De naam op haar geboorteakte is dan ook niet de naam waaronder zij genaturaliseerd wil worden. B overlegt een voor de Indiase rechtbank afgelegde affidavit, waaruit blijkt dat zij dezelfde persoon is als de persoon die in de geboorteakte staat vermeld.
Onder deze omstandigheden kan niet onmiddellijk naturalisatie plaatsvinden. Zowel de geboorteakte (identiteit) als de affidavit (later verkregen geslachtsnaam) dienen éérst te worden gelegaliseerd en geverifieerd door de Nederlandse vertegenwoordiging te India. Daarna dient de naamsvaststelling plaats te vinden, waarbij B wordt genaturaliseerd onder de geslachtsnaam van haar Nederlandse echtgenoot.
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
Indien de naam slechts bestaat uit één bestanddeel wordt deze naam in beginsel vastgesteld als voornaam. De geslachtsnaam wordt dan vastgesteld overeenkomstig de naam van de (voor)ouder. In voorkomende gevallen kan ook een gedeelte van de naam van betrokkene worden vastgesteld als geslachtsnaam en het andere gedeelte wordt dan vastgesteld als voornaam.
### paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
Indien de namen van de verzoeker in documenten van gelijke rangorde (bijvoorbeeld twee uittreksels van de geboorteakte) op uiteenlopende wijze worden gespeld, dient naamsvaststelling plaats te vinden. Naamsvaststelling is dus niet vereist indien de namen van de verzoeker weliswaar in verschillende documenten op uiteenlopende wijze worden gespeld, maar deze documenten niet van gelijke rangorde zijn.
Verzoeker, van Venezolaanse nationaliteit, draagt volgens zijn gelegaliseerde geboorteakte (en volgens de door een beëdigd vertaler opgestelde vertaling) de geslachtsnaam ‘Fernandez’. Echter, hij gaat al sinds jaar en dag door het leven met de geslachtsnaam ‘Hernandez’. In zijn paspoort en huwelijksakte staat dan ook de naam ‘Hernandez’. Verzoeker heeft nooit pogingen ondernomen zijn naam te laten corrigeren in het Venezolaanse bevolkingsregister.
B is geboren in India en bezit de Indiase nationaliteit. Naar eigen zeggen heeft zij overeenkomstig het Indiaas namenrecht de geslachtsnaam van haar Nederlandse echtgenoot verkregen. De naam op haar geboorteakte is dan ook niet de naam waaronder zij genaturaliseerd wil worden. B overlegt een voor de Indiase rechtbank afgelegde affidavit, waaruit blijkt dat zij dezelfde persoon is als de persoon die in de geboorteakte staat vermeld.
### Ad artikel 12, eerste lid
Verzoeker is geboren in Egypte en heeft de Egyptische nationaliteit. Zijn geboorteakte is vanuit het Arabisch schrift overgebracht in het Latijns schrift. Volgens deze vertaling, opgesteld door een beëdigd vertaler, heeft verzoeker de naamsketen ‘Sayeed Muhammad Ben Sawi’, maar in alle overige overgelegde documenten is de tweede naam gespeld als ‘Mohamed’. Verzoeker verklaart dat hij sinds jaar en dag door het leven gaat met de naam ‘Mohamed’ en dat hij onder deze naam wenst te worden genaturaliseerd. Uitgangspunt voor de transcriptie is dat de namen worden omgezet over eenkomstig de door een beëdigd vertaler opgestelde vertaling van de geboorteakte. Tenzij betrokkene vóór de indiening van zijn verzoek een andere vertaling van een beëdigd vertaler overlegt, worden zijn voornamen vastgesteld als ‘Sayeed Muhammad’ en zijn geslachtsnaam als ‘Ben Sawi’.
### 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
### 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
Indien de namen van de verzoeker in documenten van gelijke rangorde (bijvoorbeeld twee uittreksels van de geboorteakte) op uiteenlopende wijze worden gespeld, dient naamsvaststelling plaats te vinden. Naamsvaststelling is dus niet vereist indien de namen van de verzoeker weliswaar in verschillende documenten op uiteenlopende wijze worden gespeld, maar deze documenten niet van gelijke rangorde zijn.
### 1. Namenreeks of naamsketen
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
### 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
TOS: artikel 7.2
Geen.
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
[BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782): [artikelen 1 t/m 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=1)
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
Tarief A is verschuldigd indien een optant een optieverklaring aflegt op grond van [artikel 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) of [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) dan wel [artikel V, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V).
### Toelichting
Geen.
### Toelichting
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [11.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
Ingevolge [artikel 4, derde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4) bestaat de mogelijkheid in twee situaties ontheffing van de leges te verlenen. Hierbij moet het gaan om optieverklaringen van:
### 1.1. Tarieven
Met betrekking tot personen die ingevolge een administratieve vergissing reeds meer dan een jaar als Nederlander zijn aangemerkt, geldt dat als de administratie een fout in de beoordeling van het bezit van het Nederlanderschap heeft gemaakt, én betrokkene kan opteren, de fout moet kunnen worden hersteld zonder kosten voor betrokkene. Indien de fout aan betrokkene zelf is te wijten, bijvoorbeeld indien sprake is van frauduleus of onzorgvuldig gedrag van de betrokkene, wordt geen ontheffing van de optiegelden verleend.
Tarief B is verschuldigd indien twee optieverklaringen gelijktijdig worden afgelegd door twee:
Niet vaak zal (nog) voorkomen dat een optierecht op het Nederlanderschap bestaat op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Indonesië (TOI, **Stb.**1949, J 570) of de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS, **Stb.**1975, 132). Voor deze opties (artikel 10 TOI en artikel 7, tweede lid, TOS) geldt, dat voor de verkrijging van het Nederlanderschap niet een bevestiging nodig is, noch dat leges moeten worden betaald. De optant verkrijgt het Nederlanderschap op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Op deze opties zijn het [BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782) en het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) niet van toepassing.
### paragraaf 2. Naturalisatiegelden
In geval van een zelfstandige optie door een minderjarige is er in beginsel geen reden om met betrekking tot de optiegelden anders te handelen dan in geval van optie door een meerderjarige. In beide gevallen wordt een zelfde inspanning van de gemeente vereist. In beginsel betaalt de minderjarige optant dan ook tarief A voor zijn optieverklaring. Worden echter tegelijkertijd door twee kinderen binnen één gezin optieverklaringen afgelegd, dan wordt tarief B in rekening gebracht. Tarief B wordt tevens in rekening gebracht indien meer dan twee kinderen uit één gezin tegelijkertijd optieverklaringen afleggen. Het derde en volgende kind(eren) wordt ontheffing verleend van het betalen van optiegelden, omdat anders financiële redenen ertoe zouden kunnen leiden dat binnen gezinnen verschillen in nationaliteit ontstaan (vergelijk de nota van toelichting bij [artikel 4 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)). Het is daarom niet redelijk in geval van een gelijktijdige optieverklaring door meerdere kinderen binnen een gezin een hoger bedrag aan leges op te leggen dan het bedrag in geval van een gemeenschappelijk verzoek.
### Ad artikel 13, eerste lid
In geval van een zelfstandige optie door een minderjarige is er in beginsel geen reden om met betrekking tot de optiegelden anders te handelen dan in geval van optie door een meerderjarige. In beide gevallen wordt een zelfde inspanning van de gemeente vereist. In beginsel betaalt de minderjarige optant dan ook tarief A voor zijn optieverklaring. Worden echter tegelijkertijd door twee kinderen binnen één gezin optieverklaringen afgelegd, dan wordt tarief B in rekening gebracht. Tarief B wordt tevens in rekening gebracht indien meer dan twee kinderen uit één gezin tegelijkertijd optieverklaringen afleggen. Het derde en volgende kind(eren) wordt ontheffing verleend van het betalen van optiegelden, omdat anders financiële redenen ertoe zouden kunnen leiden dat binnen gezinnen verschillen in nationaliteit ontstaan (vergelijk de nota van toelichting bij [artikel 4 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)). Het is daarom niet redelijk in geval van een gelijktijdige optieverklaring door meerdere kinderen binnen een gezin een hoger bedrag aan leges op te leggen dan het bedrag in geval van een gemeenschappelijk verzoek.
In beginsel zijn de tarieven E of F verschuldigd voor de behandeling van één dan wel de behandeling van twee gelijktijdig indiende verzoek(en) om naturalisatie.
Tarief A is verschuldigd indien een optant een optieverklaring aflegt op grond van [artikel 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) of [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) dan wel [artikel V, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V).
In geval van min- en onvermogen van de verzoeker(s) is het laag tarief van toepassing.
Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval dient te worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:
In geval van financieel min- en onvermogen van de verzoeker(s) is een laag tarief van toepassing. Elk van de drie Koninkrijksdelen heeft in de ingevolge [artikel 3, tweede lid, BON 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=3) totstandgekomen ministeriële regeling eigen criteria ontwikkeld om de status van min- en onvermogenden vast te stellen. Voor Nederland wordt die status vastgesteld aan de hand van een inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand (een verklaring op grond van [artikel 7, tweede lid, onder d, Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=7) inhoudende de vaststelling van de draagkracht overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de rechtsbijstand).
### 1.3. Ontheffing van optiegelden
### 2.2. Tarieven E en F
### 2. Naturalisatiegelden
In het geval van een zelfstandig verzoek van een minderjarige wordt het toepasselijk tarief (gewoon of verminderd tarief) bepaald aan de hand van het inkomen van de wettelijke vertegenwoordiger(s) van het kind.
In het geval een inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand wordt overgelegd, vindt beoordeling of de verzoeker in aanmerking komt voor het lage tarief plaats door middel van een omrekening aan de hand van de “[Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004482)” van het in de inkomensverklaring vermelde belastbare jaarinkomen naar de op de verzoeker toepasselijke norm uit de Wwb. De omgerekende jaarbedragen zijn vermeld in onderstaande tabel.
### 2.4. Beoordeling of laag tarief van toepassing is
Ter vaststelling of een verzoeker die een inkomensverklaring, afgegeven door de raad voor rechtsbijstand overlegt, in aanmerking komt voor een laag tarief geldt onderstaande omrekentabel. Aan de hand van de bedragen in die tabel wordt bepaald of een verzoeker voor een laag tarief in aanmerking komt. Is het inkomen en vermogen van verzoeker(s) niet hoger dan het op de situatie van de verzoeker(s) van toepassing zijnde bedrag in de tabel, dan komt of komen verzoeker(s) in aanmerking voor een laag tarief.
### 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
Verzoeker, alleenstaande, ouder dan 21 maar jonger dan 65, dient een naturalisatieverzoek in. Verzoeker meent in aanmerking te komen voor laag tarief en legt een inkomensverklaring T-2 van de raad voor rechtsbijstand over. Uit de inkomensverklaring blijkt dat het belastbaar jaarinkomen van betrokkene €9.102,65 bedraagt. Volgens de omrekentabel komt verzoekerniet in aanmerking voor het laag tarief, omdat hij ten hoogste € 8.799,80 aan inkomsten zou mogen hebben gehad.
Op grond van de Wwb bestaat de mogelijkheid toeslagen toe te kennen. De Gemeentelijke Sociale Diensten hebben een beleidsvrijheid met het toekennen van deze toeslagen en er zijn geen standaardnormeringen ontwikkeld. In dat kader dient uitsluitend te worden getoetst aan de bijstandsnormen zonder toeslagen. Dit betekent dat een verzoeker wiens inkomsten bestaan uit een uitkering Wwb, al dan niet aangevuld met een toeslag Wwb (hetzij structureel, hetzij incidenteel) in aanmerking komt voor naturalisatie tegen laag tarief.
### 1. Intrekkingsmogelijkheid beperkt tot datum herziening RWN (1 april 2003)
****Voorbeeld****
Een verzoeker had in het peiljaar T-2 een WAO-uitkering. Omdat deze uitkering beneden het bijstandsniveau ligt, ontvangt de verzoeker een aanvulling op grond van de Toeslagenwet. Hierdoor is het belastbaar jaarinkomen van de verzoeker €67 hoger dan de voor hem geldende bijstandsnorm. De aanvulling op grond van de Toeslagenwet is verleend om het inkomen van de verzoeker aan te vullen tot het bijstandsniveau. Door de verschillende berekeningssystemen van de bedrijfsvereniging en de Sociale Dienst ligt het inkomen van verzoeker iets boven de voor hem geldende bijstandsnorm. De achterliggende gedachte van de verleende aanvulling is om de verzoeker een inkomen op bijstandsniveau te verschaffen. In dat kader komt de verzoeker in aanmerking voor het verminderd tarief. Indien de verzoeker meent voor laag tarief in aanmerking te komen, zal hij een inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand moeten tonen.
Als een verzoeker voor het lage tarief in aanmerking wenst te komen, dient hij een inkomensverklaring afgegeven door de raad voor rechtsbijstand, of een verklaring Bijstandsgerechtigden en asielzoekers (Wwb, ROA) en de meest recente uitkeringsspecificaties, te overleggen. De inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand moet afgegeven zijn in hetzelfde jaar waarin het naturalisatieverzoek is ingediend. De Verklaring bijstandsgerechtigden en asielzoekers (Wwb, ROA) mag bij de indiening van het naturalisatieverzoek niet ouder zijn dan twee maanden. Het verdient aanbeveling om een inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand tijdig voor afloop van het kalenderjaar aan te vragen zodat bij het naturalisatieverzoek een inkomensverklaring kan worden overgelegd die in hetzelfde jaar is afgegeven als het verzoek wordt gedaan.
Kan een verzoeker deze stukken niet overleggen, dan moet hem worden geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek totdat hij wel over de benodigde stukken beschikt.
### 2. Naturalisatiegelden
Op grond van de Wwb bestaat de mogelijkheid toeslagen toe te kennen. De Gemeentelijke Sociale Diensten hebben een beleidsvrijheid met het toekennen van deze toeslagen en er zijn geen standaardnormeringen ontwikkeld. In dat kader dient uitsluitend te worden getoetst aan de bijstandsnormen zonder toeslagen. Dit betekent dat een verzoeker wiens inkomsten bestaan uit een uitkering Wwb, al dan niet aangevuld met een toeslag Wwb (hetzij structureel, hetzij incidenteel) in aanmerking komt voor naturalisatie tegen laag tarief.
De volgende categorieën naturalisandi zijn vrijgesteld van naturalisatiegelden ([artikel 4, eerste lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)):
****Voorbeeld****
Onze Minister kan aan de volgende personen ontheffing verlenen van betaling van denaturalisatiegelden:
De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is gemandateerd aan de burgemeester. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.24 beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.25 beschikbaar.
Kan een verzoeker deze stukken niet overleggen, dan moet hem worden geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek totdat hij wel over de benodigde stukken beschikt.
### 2.4. Beoordeling of laag tarief van toepassing is
Modellen van een schriftelijke bevestiging door betrokkene dat hij is geïnformeerd over de hoogte en de termijn van de te betalen naturalisatiegelden en dat hij instemt met de betaling van de opgelegde naturalisatiegelden dan wel is vrijgesteld van de betaling dan wel een verzoek om ontheffing heeft ingediend, zijn opgenomen als model 1.25 en model 2.8. De vaststelling van de hoogte van de te betalen naturalisatiegelden is een voorbereidingshandeling zoals bedoeld in [artikel 6:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:3) en is niet afzonderlijk vatbaar voor bezwaar of beroep.
Uitgangspunt is dat de leges worden betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie. Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan, betaling in termijnen is niet mogelijk. Wordt niet betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt betrokkene op dat moment op grond van [artikel 4:5, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken te betalen (hiervoor zijn model 1.25 en model 2.8 beschikbaar). De termijn van zes weken vloeit voort uit [artikel 6 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=6). Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen deze zes weken, dan wordt de verklaring of het verzoek buitenbehandelinggesteld (artikel 6 BON). Een besluit tot buitenbehandelingstelling wegens niet- of niet tijdige betaling wordt schriftelijk meegedeeld aan betrokkene ([artikel 4, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=4)). Daarvoor zijn beschikbaar de modellen 1.26 en 2.23.
De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is gemandateerd aan de burgemeester. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.24 beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.25 beschikbaar.
De in het kader van het afleggen van een verklaring van optie ontvangen gelden, behoeven niet te worden afgedragen. De behandeling van en de beslissing op de verklaring van optie liggen immers geheel in handen van de ontvangende instantie.
De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is gemandateerd aan de burgemeester. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.24 beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.25 beschikbaar.
Modellen van een schriftelijke bevestiging door betrokkene dat hij is geïnformeerd over de hoogte en de termijn van de te betalen naturalisatiegelden en dat hij instemt met de betaling van de opgelegde naturalisatiegelden dan wel is vrijgesteld van de betaling dan wel een verzoek om ontheffing heeft ingediend, zijn opgenomen als model 1.25 en model 2.8. De vaststelling van de hoogte van de te betalen naturalisatiegelden is een voorbereidingshandeling zoals bedoeld in [artikel 6:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:3) en is niet afzonderlijk vatbaar voor bezwaar of beroep.
### 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
[Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448): [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=1)
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:202.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=202) en [3:44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=44)
### 4. Afdracht naturalisatiegelden
### 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
Zie voor het overgangsrecht toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN, paragraaf 2.
### 14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid
[Algemene termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448): [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448&artikel=1)
Vóór de herziening van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) was het niet mogelijk om in geval van fraude over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Echter, sinds de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vanaf 1 april 2003, kan de Minister van Justitie in geval van fraude, óók indien gepleegd vóór 1 april 2003, alsnog overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Betrokkene wordt dan geacht dat hij onder de oude RWN wél in het bezit was van het Nederlanderschap maar onder de herziene RWN niet. Intrekking van het Nederlanderschap is echter niet meer mogelijk indien betrokkene sinds de verlening van het Nederlanderschap meer dan twaalf jaar in het bezit is geweest van het Nederlanderschap.
### Ad artikel 13, tweede lid
### paragraaf 2. Algemeen
De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optieof naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden “valse verklaring of bedrog” aansluiting gezocht bij [titel XII WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIII) (valsheid in geschriften) en bij [artikel 3:44 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=44) (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.
### paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
Het bedrog, de valse verklaring of het verzwijgen van voor de naturalisatie of optie relevante feiten, kan betrekking hebben gehad op de personalia (identiteit/persoonsgegevens) van de naturalisandus. Wanneer met gebruikmaking van valse of (gedeeltelijk) fictieve personalia (die bestaan uit de voornaam, geslachtsnaam, geboortedatum en geboorteplaats) een verzoek om naturalisatie is ingediend, waardoor in het Koninklijk Besluit tot verlening van het Nederlanderschap valse personalia werden opgenomen, is dit een vorm van frauduleus handelen.
### paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 juni 2006 aangegeven dat bij naturalisatiebesluiten die zijn genomen vóór 1 april 2003 in geval van bedrog omtrent de identiteit wordt aangenomen dat het Nederlanderschap niet is verkregen omdat het naturalisatiebesluit geen rechtsgevolg heeft gehad voor de betrokkene. Immers, door het opgeven van onjuiste personalia (valse identiteit) zijn niet de (juiste) personalia van betrokkene vermeld op het Koninklijk Besluit tot naturalisatie. Aan betrokkene is dan ook niet het Nederlanderschap verleend. Voor de optieverklaring geldt mutatis mutandis hetzelfde.
### paragraaf 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
### 2. Algemeen
De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optieof naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden “valse verklaring of bedrog” aansluiting gezocht bij [titel XII WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XIII) (valsheid in geschriften) en bij [artikel 3:44 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=44) (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij “het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit” moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.
### 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
Het bedrog, de valse verklaring of het verzwijgen van voor de naturalisatie of optie relevante feiten, kan betrekking hebben gehad op de personalia (identiteit/persoonsgegevens) van de naturalisandus. Wanneer met gebruikmaking van valse of (gedeeltelijk) fictieve personalia (die bestaan uit de voornaam, geslachtsnaam, geboortedatum en geboorteplaats) een verzoek om naturalisatie is ingediend, waardoor in het Koninklijk Besluit tot verlening van het Nederlanderschap valse personalia werden opgenomen, is dit een vorm van frauduleus handelen.
Indien achteraf blijkt dat het Nederlanderschap op onjuiste gronden is verkregen, rijst de vraag of deze situatie in stand moet blijven. Uitgangspunt bij een situatie als bedoeld in het onderhavige artikellid is dat het Nederlanderschap wordt ingetrokken. Als gevolg van eventuele individuele bijzondere omstandigheden én na afweging van de bij intrekking betrokken belangen kan van intrekking worden afgezien. Aan een eventuele intrekking wegens fraude gaat een zogenaamde ‘voornemenprocedure’ vooraf. Het betreft hier de procedure uit de [artikelen 66 tot en met 69 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66). Zie [paragraaf 4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14¶graaf=4¶graaf=4.1&z=2008-07-13&g=2008-07-13).
A pleegt op moment X een oorlogsmisdrijf. Zeven jaar na het plegen van dit oorlogsmisdrijf wordt A genaturaliseerd tot Nederlander. Dertien jaar na verlening van het Nederlanderschap wordt A veroordeeld voor het plegen van de oorlogsmisdrijf op moment X. Met toepassing van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) kan het Nederlanderschap na de veroordeling worden ingetrokken.
B is bigaam gehuwd. Dit verzwijgt hij bij de verlening van het Nederlanderschap. Terwijl B Nederlander is, pleegt hij een oorlogsmisdrijf. Hij wordt daarvoor veertien jaar na verlening van het Nederlanderschap veroordeeld. Het Nederlanderschap van B kan niet meer worden ingetrokken, omdat er inmiddels meer dan twaalf jaren zijn verstreken sinds de verlening van het Nederlanderschap.
A is in 1988 genaturaliseerd tot Nederlander. In 2003 komt aan het licht dat A in het kader van de naturalisatieprocedure bewust onjuiste gegevens heeft verstrekt (bijvoorbeeld strafrechtelijke veroordelingen verzwegen). Zou dat ten tijde van de beslissing op het verzoek om naturalisatie bekend zijn geweest, dan zou de naturalisatie van A niet tot stand zijn gekomen. Aangezien sedert de naturalisatie van A inmiddels een periode van meer dan twaalf jaar is verstreken, kan het destijds verleende Nederlanderschap niet worden ingetrokken.
Indien achteraf blijkt dat het Nederlanderschap op onjuiste gronden is verkregen, rijst de vraag of deze situatie in stand moet blijven. Uitgangspunt bij een situatie als bedoeld in het onderhavige artikellid is dat het Nederlanderschap wordt ingetrokken. Als gevolg van eventuele individuele bijzondere omstandigheden én na afweging van de bij intrekking betrokken belangen kan van intrekking worden afgezien. Aan een eventuele intrekking wegens fraude gaat een zogenaamde ‘voornemenprocedure’ vooraf. Het betreft hier de procedure uit de [artikelen 66 tot en met 69 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66). Zie paragraaf 4.1.
In de afweging om tot intrekking over te gaan, zal worden meegewogen:
A is genaturaliseerd op 15 april 2003. Mei 2003 wordt A in België veroordeeld wegens het plegen van een gewapende overval in 1999. A gaat in hoger beroep van de veroordeling. A wist bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie dat de strafzaak tegen hem aanhangig was.
Voor de belangenafweging geldt dat A is genaturaliseerd, terwijl, naar later blijkt, sprake is van ernstige vermoedens dat A gevaar oplevert voor de openbare orde, hetgeen een grond tot weigering voor naturalisatie is. A heeft bij zijn naturalisatie verzwegen dat hij op dat moment strafrechtelijk werd vervolgd en heeft de zogenaamde waarheidsverklaring niet juist ingevuld (de aard van de verzwijging). A heeft een voor naturalisatie relevant feit verzwegen, dat zou hebben geleid tot weigering van zijn verzoek om naturalisatie (de ernst van de verzwijging). Een eventuele intrekking is dan niet, ten opzichte van de aard en de ernst van de verzwijging, disproportioneel.
Het feit dat A staatloos zou worden, is toegestaan als het gaat om een intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en moet worden geacht te komen voor het risico van A. Gezien de aard en de ernst van de verzwijging moet het belang van de staat om in te trekken groter worden geacht dan het belang van A om niet staatloos te worden.
### 2.3. Belangenafweging
### 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
A is genaturaliseerd op 15 april 2003. Mei 2003 wordt A in België veroordeeld wegens het plegen van een gewapende overval in 1999. A gaat in hoger beroep van de veroordeling. A wist bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie dat de strafzaak tegen hem aanhangig was.
Hebben de frauduleuze handelingen betrekking op de kinderen die destijds hebben gedeeld in de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, dan kan ook hun Nederlanderschap worden ingetrokken.70Vergelijk de toelichting op het BVVN, **Stb.**2002, 231. Met zorgvuldigheid zal moeten worden nagegaan of ook ten aanzien van deze kinderen tot intrekking moet worden overgegaan. Voor elk van de kinderen die door mede-optie of medeverlening Nederlander zijn geworden, moet worden afgewogen of de individuele belangen van het kind de handhaving van het Nederlanderschap vereisen. Een dergelijke afweging is, gelet op het Verdrag van de rechten van het kind en het Europese Nationaliteitsverdrag, in het bijzonder dan vereist, als het kind door de intrekking staatloos zou worden.
B is op 19 juni 1995 genaturaliseerd. Zijn minderjarige kinderen C en D zijn meegenaturaliseerd.
In 2003 wordt zoon E geboren. Zoon E verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap ingevolge artikel 3, eerste lid, RWN.
In 2004 wordt vastgesteld dat B in het kader van de naturalisatieprocedure bedrog heeft gepleegd en dat de fraude hem kan worden toegerekend. Het bedrog heeft ook betrekking gehad op de meegenaturaliseerde kinderen C en D. Op 6 augustus 2004 wordt het aan B, C en D verleende Nederlanderschap ingetrokken. De gevolgen van de intrekking zijn: B, C en D hebben hun Nederlanderschap verloren. Zij moeten echter wel geacht worden van 19 juni 1995 tot 1 april 2003 Nederlander te zijn geweest, aangezien ingevolge [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) de intrekking niet verder terugwerkt dan tot het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, indien de naturalisatie vóór dat tijdstip tot stand is gekomen.
### 2.4. Gevolgen voor kinderen
### Ad artikel 14, derde lid
### paragraaf 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
### 2.3. Belangenafweging
[Artikel 65 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=65) bepaalt dat de autoriteiten en ambtenaren die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en verzoek om naturalisatie en die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat heeft geleid tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan de Minister van Justitie, zonodig onder medezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. De ambtenaar die op de hoogte is van frauduleuze handelingen in de hiervoor bedoelde zin, wordt verzocht contact op te nemen met de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (zie hoofdstuk Voorlichting). In onderling overleg kan dan een standpunt worden bepaald omtrent te nemen stappen, zoals wijziging van de nationaliteit van de betrokken persoon in de GBA en/of intrekking van het verstrekte Nederlandse reisdocument. Voorts zorgt deze afdeling voor het plaatsen van een aantekening in het nationaliteitenregister bij het koninklijk besluit of bij de bevestiging van de optieverklaring.
### paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
In 2004 wordt vastgesteld dat B in het kader van de naturalisatieprocedure bedrog heeft gepleegd en dat de fraude hem kan worden toegerekend. Het bedrog heeft ook betrekking gehad op de meegenaturaliseerde kinderen C en D. Op 6 augustus 2004 wordt het aan B, C en D verleende Nederlanderschap ingetrokken. De gevolgen van de intrekking zijn: B, C en D hebben hun Nederlanderschap verloren. Zij moeten echter wel geacht worden van 19 juni 1995 tot 1 april 2003 Nederlander te zijn geweest, aangezien ingevolge [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) de intrekking niet verder terugwerkt dan tot het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, indien de naturalisatie vóór dat tijdstip tot stand is gekomen.
### 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
E blijft Nederlander. Ook na de intrekking van het Nederlanderschap van B geldt ten aanzien van E nog steeds dat hij het kind is van wie ten tijde van zijn geboorte de vader Nederlander was.
Volgens [artikel 69 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=69) dient de Minister van Justitie een besluit tot intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) uiterlijk te nemen binnen zestien weken nadat hij mededeling van zijn voornemen tot intrekking heeft gedaan. In [artikel 68, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) is geregeld dat bij het besluit tot intrekking onder meer rekening moet worden gehouden met de aard en ernst van de fraude, de mogelijke staatloosheid van betrokkene na de intrekking, de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen en de overige relevante factoren. Geen intrekking zal plaatsvinden indien die beslissing, afgewogen tegen de mate van bedrog of verzwijging, disproportioneel moet worden geacht. Aan iedere intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN dient een belangenafweging vooraf te gaan. Weegt het belang van betrokkene om niet in te trekken uiteindelijk zwaarder dan het belang van de overheid om wel in te trekken, dan dient niet te worden ingetrokken (zie de toelichting op het BVVN, **Stb.** 2002, 231).
### 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
### paragraaf 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
Gezien het belang van het bezit van het Nederlanderschap, in het bijzonder als het verlies daarvan zou leiden tot staatloosheid, is de procedure tot intrekking wegens fraude omgeven met bijzondere waarborgen. De procedure is beschreven in de [artikelen 66 tot en met 69 van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66). De procedure biedt de rechtstreeks betrokken personen en autoriteiten de mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen, waardoor de Minister van Justitie zoveel mogelijk argumenten pro en contra de intrekking van het Nederlanderschap tegen elkaar kan afwegen.
### 4.1. Voornemenprocedure
Gezien het belang van het bezit van het Nederlanderschap, in het bijzonder als het verlies daarvan zou leiden tot staatloosheid, is de procedure tot intrekking wegens fraude omgeven met bijzondere waarborgen. De procedure is beschreven in de [artikelen 66 tot en met 69 van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66). De procedure biedt de rechtstreeks betrokken personen en autoriteiten de mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen, waardoor de Minister van Justitie zoveel mogelijk argumenten pro en contra de intrekking van het Nederlanderschap tegen elkaar kan afwegen.
### 4.2. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
Volgens [artikel 69 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=69) dient de Minister van Justitie een besluit tot intrekking op grond van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) uiterlijk te nemen binnen zestien weken nadat hij mededeling van zijn voornemen tot intrekking heeft gedaan. In [artikel 68, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) is geregeld dat bij het besluit tot intrekking onder meer rekening moet worden gehouden met de aard en ernst van de fraude, de mogelijke staatloosheid van betrokkene na de intrekking, de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen en de overige relevante factoren. Geen intrekking zal plaatsvinden indien die beslissing, afgewogen tegen de mate van bedrog of verzwijging, disproportioneel moet worden geacht. Aan iedere intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, RWN dient een belangenafweging vooraf te gaan. Weegt het belang van betrokkene om niet in te trekken uiteindelijk zwaarder dan het belang van de overheid om wel in te trekken, dan dient niet te worden ingetrokken (zie de toelichting op het BVVN, **Stb.** 2002, 231).
### 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
Ingevolge [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van een besluit tot intrekking bedoeld in [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) of in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit van de plaats waar de personen die het Nederlanderschap hebben verloren in de GBA zijn ingeschreven en, zo nodig, aan andere betrokken instanties. [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent dat:
### paragraaf 1. Algemeen
De huidige redactie van deze bepaling is in de wet gekomen met de wetswijziging van 2003. Ten gevolge van [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft de redactie van het huidige [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) terugwerkende kracht tot de inwerkingtreding van de Rijkswet op het Nederlanderschap (1 januari 1985). Zie de toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN, paragraaf 2.
### paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 14, tweede lid
Ingevolge overgangsbepaling [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van bedoeld tweede lid. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen. Echter, als gevolg van het bepaalde bij overgangsbepaling artikel III RRWN moet, wat betreft de toepassing van onderhavig artikellid ervan worden uitgegaan dat bedoelde uitzonderingen reeds gelden vanaf 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend (ingevolge bijvoorbeeld [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3)), zulks ondanks bijvoorbeeld dat de minderjarige het Nederlanderschap tevens ontleende aan artikel 3, derde lid, RWN, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
### 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
### 1. Algemeen
### Ad artikel 14, tweede lid
B, minderjarig kind van Belgische ouders, ontleent het Nederlanderschap via de vader aan artikel 3, derde lid, RWN en is tevens van Belgische nationaliteit.
### 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
De minderjarige B verliest met ingang van 10 oktober 2004 het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, RWN. B wordt daardoor niet staatloos, omdat hij de Belgische nationaliteit bezit. Weliswaar kan verlies van het Nederlanderschap niet intreden indien betrokkene het Nederlanderschap tevens ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3), maar B ontleent het Nederlanderschap niet óók aan artikel 3, derde lid, RWN hij bezat het via de vader op grond van uitsluitend die bepaling.
### 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
C is in 1999 geboren in Australië als dochter van een Australische vrouw. In 2000 is C erkend door een Nederlander, waardoor zij het Nederlanderschap verkregen heeft ingevolge het toen geldende artikel 4 RWN. Sedertdien is C van Nederlandse en Australische nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent zij uitsluitend aan voormeld artikel 4 RWN. In 2001 verkrijgt de moeder van C het Nederlanderschap door naturalisatie. Na het overlijden van de Nederlandse moeder wordt bij beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 7 april 2004 de erkenning van C vernietigd. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld.
### 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
Derhalve verliest de minderjarige A op 8 april 2004 het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, RWN. Het verlies kan niet worden voorkomen; immers, de moeder is niet van Nederlandse nationaliteit, A ontleent het Nederlanderschap niet tevens aan artikel 3, derde lid, RWN, en hij zal door het verlies van het Nederlanderschap ook niet staatloos worden.
B, minderjarig kind van Belgische ouders, ontleent het Nederlanderschap via de vader aan artikel 3, derde lid, RWN en is tevens van Belgische nationaliteit.
Bij beschikking van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 5 maart 2004 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van B. Tegen de uitspraak wordt hoger beroep ingesteld. De uitspraak in dat beroep volgt op 9 juli 2004 en bij die uitspraak wordt de beschikking van de rechtbank bevestigd. Beroep in cassatie wordt niet ingesteld.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) en [14.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [61 t/m 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61) en [72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=72)
### Ad artikel 14, vierde lid
Zie voor het overgangsrecht de toelichting bij de afzonderlijke artikelleden.
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### 15-1-a. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
De verkrijging van de andere nationaliteit, door bijvoorbeeld optie of naturalisatie, moet vrijwillig zijn. Het moet gaan om een wilsdaad die specifiek is gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit.
[WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580): [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=1)
Ingevolge [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) treedt ondanks vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit géén verlies van het Nederlanderschap in indien betrokkene:
In principe zou dit voor de minderjarige C verlies van het Nederlanderschap meebrengen, en wel met ingang van 8 juli 2004. Echter, in dit geval treedt geen verlies in, omdat de andere ouder ten tijde van haar overlijden Nederlander was.
Bij statenopvolging kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het uiteenvallen van een staat in diverse nieuwe staten of aan een splitsing van een staat als gevolg van een afscheidingsverklaring. In het kader van de hier bedoelde statenopvolging wordt veelal door de nieuw ontstane staten aan bepaalde (in het buitenland wonende) voormalige burgers van de oude uiteengevallen/gesplitste staat de mogelijkheid geboden om (onder bepaalde voorwaarden) de nationaliteit van de nieuwe staat door optie te verkrijgen.
Als een Nederlander, die op het moment dat de oude staat ophield te bestaan in het bezit was van de nationaliteit van die uiteenvallende staat door het afleggen van een optie, als hierboven bedoeld, de nationaliteit van een nieuwe staat verkrijgt, heeft dat geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg. Deze nationaliteitsmutatie houdt zo duidelijk en uitsluitend verband met de staatkundige veranderingen in het andere land, dat niet gesproken kan worden van “vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit” als bedoeld in onderhavig artikellid. Het hier gestelde geldt alleen voor de Nederlander die tot het moment van het uiteenvallen of splitsing van de betreffende oude staat de nationaliteit van die staat bezat en dus niet voor degene die die nationaliteit voor dat tijdstip heeft verloren (bijvoorbeeld als gevolg van naturalisatie tot Nederlander). Laatstgenoemde persoon is dan op het moment van uiteenvallen of splitsing van de staat niet meer in het bezit van de nationaliteit van de uiteenvallende staat. In dat geval is duidelijk sprake van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) en [14.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
De verkrijging van de andere nationaliteit, door bijvoorbeeld optie of naturalisatie, moet vrijwillig zijn. Het moet gaan om een wilsdaad die specifiek is gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit.
Behalve het vereiste van meerderjarigheid, geldt hier verder als enige voorwaarde dat betrokkene naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit bezit. Hij mag immers volgens [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) niet staatloos worden. Het bezit van die andere nationaliteit zal in de meeste gevallen blijken uit de beschrijving van betrokkene in de GBA. Is dat niet het geval, dan dient een bewijs van de andere nationaliteit te worden overgelegd, welk bewijs ook kan worden verlangd indien bijvoorbeeld aan het al dan niet bezitten van een andere nationaliteit wordt getwijfeld (vergelijk [artikel 62, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Het gestelde in de vorige zin geldt eveneens ten aanzien van de minderjarige kinderen van betrokkene, die – mits zij daardoor niet staatloos worden – ingevolge [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) delen in de afstand.
Ingevolge [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) treedt ondanks vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit géén verlies van het Nederlanderschap in indien betrokkene:
Een verklaring van afstand (zie model 3.2) dient in Nederland te worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester ([artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene in de GBA is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.
### paragraaf 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
### 1. Algemeen
Behalve het vereiste van meerderjarigheid, geldt hier verder als enige voorwaarde dat betrokkene naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit bezit. Hij mag immers volgens [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) niet staatloos worden. Het bezit van die andere nationaliteit zal in de meeste gevallen blijken uit de beschrijving van betrokkene in de GBA. Is dat niet het geval, dan dient een bewijs van de andere nationaliteit te worden overgelegd, welk bewijs ook kan worden verlangd indien bijvoorbeeld aan het al dan niet bezitten van een andere nationaliteit wordt getwijfeld (vergelijk [artikel 62, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Het gestelde in de vorige zin geldt eveneens ten aanzien van de minderjarige kinderen van betrokkene, die – mits zij daardoor niet staatloos worden – ingevolge [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) delen in de afstand.
De verklaring van afstand vermeldt dat de persoon die de verklaring aflegt, bekend is met het feit dat ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) minderjarige kinderen onder omstandigheden zullen delen in het verlies van het Nederlanderschap ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen bepaalt de burgemeester, voor zoveel mogelijk, of hiervan sprake zal zijn ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)) en licht hij degene die de afstandsverklaring aflegt daarover in.
Behalve het vereiste van meerderjarigheid, geldt hier verder als enige voorwaarde dat betrokkene naast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit bezit. Hij mag immers volgens [artikel 14, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) niet staatloos worden. Het bezit van die andere nationaliteit zal in de meeste gevallen blijken uit de beschrijving van betrokkene in de GBA. Is dat niet het geval, dan dient een bewijs van de andere nationaliteit te worden overgelegd, welk bewijs ook kan worden verlangd indien bijvoorbeeld aan het al dan niet bezitten van een andere nationaliteit wordt getwijfeld (vergelijk [artikel 62, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Het gestelde in de vorige zin geldt eveneens ten aanzien van de minderjarige kinderen van betrokkene, die – mits zij daardoor niet staatloos worden – ingevolge [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) delen in de afstand.
De door de burgemeester opgemaakte verklaring van afstand wordt door de betrokkene of, in het voorkomend geval, door zijn gemachtigde ondertekend ([artikel 3, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Tevens vindt ondertekening plaats door of namens de burgemeester. Tenzij de betrokkene daardoor staatloos zou worden, treedt verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in door de verklaring zelf. Aan het verlies ligt dan ook geen enkele beslissing van overheidswege ten grondslag.
Een verklaring van afstand (zie model 3.2) dient in Nederland te worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester ([artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene in de GBA is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.
De burgemeester zendt het origineel van de afgelegde afstandsverklaring alsmede een afschrift van de bevestiging, ter opneming in het nationaliteitenregister bedoeld in [artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22), aan de IND, Regionale directie Zuid-West, unit Nationaliteit en Naturalisatie en behoudt zelf afschriften van deze documenten ([artikel 64, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)). Tevens zendt hij een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit van de plaats waar de personen, die door of als gevolg van de verklaring van afstand hun Nederlanderschap verloren hebben, in de GBA zijn ingeschreven. Wonen de hier bedoelde personen in de Nederlandse Antillen of Aruba, dan zendt hij een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk de Minister van Justitie van Aruba ([artikel 64, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
### paragraaf 7. Verdere administratieve afhandeling
### 15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
### paragraaf 1. Algemeen
Behoudens het gestelde in de volgende alinea, treedt verlies van het Nederlanderschap in door langdurig verblijf in het buitenland. Van belang hierbij is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan. Betrokkene:
De door de burgemeester opgemaakte verklaring van afstand wordt door de betrokkene of, in het voorkomend geval, door zijn gemachtigde ondertekend ([artikel 3, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Tevens vindt ondertekening plaats door of namens de burgemeester. Tenzij de betrokkene daardoor staatloos zou worden, treedt verlies van het Nederlanderschap van rechtswege in door de verklaring zelf. Aan het verlies ligt dan ook geen enkele beslissing van overheidswege ten grondslag.
### 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
De burgemeester zendt het origineel van de afgelegde afstandsverklaring alsmede een afschrift van de bevestiging, ter opneming in het nationaliteitenregister bedoeld in [artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=22), aan de IND, Regionale directie Zuid-West, unit Nationaliteit en Naturalisatie en behoudt zelf afschriften van deze documenten ([artikel 64, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)). Tevens zendt hij een afschrift van de bevestiging aan de autoriteit van de plaats waar de personen, die door of als gevolg van de verklaring van afstand hun Nederlanderschap verloren hebben, in de GBA zijn ingeschreven. Wonen de hier bedoelde personen in de Nederlandse Antillen of Aruba, dan zendt hij een afschrift van de verklaring van afstand en van de bevestiging aan de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk de Minister van Justitie van Aruba ([artikel 64, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
Uit [artikel 61 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=61) volgt dat als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap als bedoeld in [artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en in [artikel V, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) geldt:
### paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
De verliestermijn kan niet worden omzeild door binnen de termijn van tien jaren ‘eventjes’ naar bijvoorbeeld Nederland te komen. Immers, [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) bepaalt dat de verliestermijn van tien jaren geacht wordt niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel op gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is. Zie voor wat betreft het tijdstip van aanvang en/of eventuele verlenging van de termijn paragraaf 2.
A, geboren op 5 januari 1980 in Australië, is van Nederlandse en Australische nationaliteit en woont sedert geboorte in Australië. De verliestermijn van tien jaar van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) vangt voor A aan op 1 april 2003 (vergelijk [artikel IV RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV)). Op 5 september 2012 gaat A in Italië wonen. Op 1 april 2013 woont hij daar nog steeds. A is nimmer in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument of van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. Vraag is wanneer A zijn Nederlanderschap verliest. Blijft A in Italië wonen, dan kan tussen 1 april 2013 en 5 september 2013 ten aanzien van hem niet worden geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap. Woont hij op 5 september 2013 nog steeds in Italië, dan kan pas op die datum worden gesteld dat hij het Nederlanderschap niet heeft verloren ingevolge [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Hij heeft immers dan pas (langer dan) een jaar hoofdverblijf gehad in een EU-lidstaat, waardoor ingevolge [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) geacht moet worden te zijn onderbroken door de verplaatsing van zijn hoofdverblijf naar Italië.
Vestigt A zich op 10 juli 2013 (of een andere datum vóór 5 september 2013) weer in Australië (of elders buiten een EU-lidstaat), dan kan pas op die datum ten aanzien van hem worden gesteld dat hij, achteraf bezien, zijn Nederlanderschap op 1 april 2013 heeft verloren ingevolge [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Immers, niet eerder dan op 10 juli 2013 blijkt dat de periode van hoofdverblijf binnen een EUlidstaat korter is geweest dan een jaar, waardoor ingevolge [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) wordt geacht niet te zijn onderbroken.
Door de verstrekking van één van laatstbedoelde documenten wordt de verliestermijn van tien jaren gestuit. Vanaf de dag van de verstrekking van een dergelijk document begint een nieuwe verliestermijn van tien jaren te lopen ([artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)). Dus, als men er – steeds binnen tien jaren – voor zorgt in het bezit te worden gesteld van bedoelde verklaring van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument, kan het Nederlanderschap nimmer op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) verloren gaan door verblijf in het buitenland.
Tot 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba. Dit was geregeld in het oude [artikel 15, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
Het verlies als hiervoor bedoeld, trad niet in indien:
A, geboren op 5 januari 1980 in Australië, is van Nederlandse en Australische nationaliteit en woont sedert geboorte in Australië. De verliestermijn van tien jaar van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) vangt voor A aan op 1 april 2003 (vergelijk [artikel IV RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV)). Op 5 september 2012 gaat A in Italië wonen. Op 1 april 2013 woont hij daar nog steeds. A is nimmer in het bezit gesteld van een Nederlands reisdocument of van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. Vraag is wanneer A zijn Nederlanderschap verliest. Blijft A in Italië wonen, dan kan tussen 1 april 2013 en 5 september 2013 ten aanzien van hem niet worden geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap. Woont hij op 5 september 2013 nog steeds in Italië, dan kan pas op die datum worden gesteld dat hij het Nederlanderschap niet heeft verloren ingevolge [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Hij heeft immers dan pas (langer dan) een jaar hoofdverblijf gehad in een EU-lidstaat, waardoor ingevolge [artikel 15, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) de verliestermijn van tien jaar, bedoeld in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) geacht moet worden te zijn onderbroken door de verplaatsing van zijn hoofdverblijf naar Italië.
Met betrekking tot het huidige [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kent de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) twee overgangsbepalingen, namelijk [artikel IV RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) voor personen die op 1 april 2003 hun Nederlanderschap nog niet hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN en [artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) voor personen die op grond van laatstbedoelde verliesbepaling hun Nederlanderschap vóór 1 april 2003 hebben verloren. Zie voor een uitleg van [artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) de toelichting onder dat artikel.
### 1.4. Situatie tot 1 april 2003
Blijft hij – in het bezit van beide nationaliteiten – in de Verenigde Staten wonen, dan zal hij zijn Nederlanderschap eerst verliezen op 1 april 2013 (en dus niet op 15 maart 2006!).
A kan echter verlies van het Nederlanderschap voorkomen door ervoor te zorgen dat hij vóór 1 april 2013 in het bezit wordt gesteld van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument (vergelijk [artikel 15, lid 4, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)). Vanaf de datum van de verstrekking van een van beide documenten begint dan voor hem een nieuwe verliestermijn van tien jaar te lopen.
Tot 1 april 2003 kon het Nederlanderschap eveneens verloren gaan door tienjarig verblijf buiten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba. Dit was geregeld in het oude [artikel 15, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15). Volgens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN trad verlies van het Nederlanderschap op indien werd voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
### 15-1-e. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e
### 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
Sprake moet zijn van krijgsdienst bij een vreemde mogendheid; bij een staat. Dat hieronder bijvoorbeeld niet dienen te worden verstaan groeperingen als legertjes van opstandelingen; guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is duidelijk gebleken tijden de parlementaire behandeling van de wet. Zie daarvoor de in de Tweede Kamer op 17 februari 2000 aangenomen motie van 14 november 2000 (TK 2000-2001, 26 990, nr. 8) en de niet aangenomen amendementen van 15 februari 2000 (TK 1999-2000, 25 891, nr. 15) en van 16 februari 2000 (TK 1999-2000, 25 891, nr. 23). Welbewust is het intreden van het verlies van het Nederlanderschap beperkt tot het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden van een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk dan wel een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Aan deelneming in groeperingen als legertjes van opstandelingen; guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is tijdens de parlementaire behandeling aandacht besteed, maar uiteindelijk is een zodanige deelname niet in de wet opgenomen als verliesgrond voor het Nederlanderschap.
Om tot verlies van het Nederlanderschap te leiden, dient de indiensttreding vrijwillig te zijn geweest, of sprake te zijn van vrijwillige voortzetting van het dienstverband. Het gevolg geven door een bipatride Nederlander aan een oproep voor de militaire dienstplicht van een vreemde staat is geen vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst. Ook vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst leidt op zich niet tot verlies van het Nederlanderschap.
### Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d
Een belangrijke voorwaarde om tot verlies van het Nederlanderschap te leiden, is dat sprake moet zijn van gevechtshandelingen door het leger waarbij de betrokkene (vrijwillig) in dienst is getreden (of blijft). Bij ‘bondgenootschap’ kan worden gedacht aan bijvoorbeeld de NoordAtlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de West-Europese Unie (WEU).
Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk, vervult betrokkene in het leger van dat land zijn militaire dienstplicht. Hij verliest op dat moment niet zijn Nederlandse nationaliteit. Zet hij echter, na het verstrijken van de dienstplichttijd, de dienst vrijwillig voort, en is het land op dat moment nog betrokken bij gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk of een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is, dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.
Sprake moet zijn van krijgsdienst bij een vreemde mogendheid; bij een staat. Dat hieronder bijvoorbeeld niet dienen te worden verstaan groeperingen als legertjes van opstandelingen; guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is duidelijk gebleken tijden de parlementaire behandeling van de wet. Zie daarvoor de in de Tweede Kamer op 17 februari 2000 aangenomen motie van 14 november 2000 (TK 2000-2001, 26 990, nr. 8) en de niet aangenomen amendementen van 15 februari 2000 (TK 1999-2000, 25 891, nr. 15) en van 16 februari 2000 (TK 1999-2000, 25 891, nr. 23). Welbewust is het intreden van het verlies van het Nederlanderschap beperkt tot het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden van een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk dan wel een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Aan deelneming in groeperingen als legertjes van opstandelingen; guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is tijdens de parlementaire behandeling aandacht besteed, maar uiteindelijk is een zodanige deelname niet in de wet opgenomen als verliesgrond voor het Nederlanderschap.
Onder ‘krijgsdienst van een staat’ moet worden verstaan: dienstneming in het leger van een vreemde mogendheid. Het hoeft hier niet te betreffen een staat die is erkend door het Koninkrijk. Paramilitaire strijdkrachten van een vreemde mogendheid vallen in dit verband niet onder het begrip krijgsdienst.
Sprake moet zijn van krijgsdienst bij een vreemde mogendheid; bij een staat. Dat hieronder bijvoorbeeld niet dienen te worden verstaan groeperingen als legertjes van opstandelingen; guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is duidelijk gebleken tijden de parlementaire behandeling van de wet. Zie daarvoor de in de Tweede Kamer op 17 februari 2000 aangenomen motie van 14 november 2000 (TK 2000-2001, 26 990, nr. 8) en de niet aangenomen amendementen van 15 februari 2000 (TK 1999-2000, 25 891, nr. 15) en van 16 februari 2000 (TK 1999-2000, 25 891, nr. 23). Welbewust is het intreden van het verlies van het Nederlanderschap beperkt tot het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden van een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk dan wel een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Aan deelneming in groeperingen als legertjes van opstandelingen; guerrillagroepen of anderszins paramilitaire groepen is tijdens de parlementaire behandeling aandacht besteed, maar uiteindelijk is een zodanige deelname niet in de wet opgenomen als verliesgrond voor het Nederlanderschap.
### Artikel 15a
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)
Geen.
Op het moment dat een land betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk, vervult betrokkene in het leger van dat land zijn militaire dienstplicht. Hij verliest op dat moment niet zijn Nederlandse nationaliteit. Zet hij echter, na het verstrijken van de dienstplichttijd, de dienst vrijwillig voort, en is het land op dat moment nog betrokken bij gevechtshandelingen gericht tegen het Koninkrijk of een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is, dan treedt verlies van het Nederlanderschap in.
De regeling van [artikel 15, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) welke in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, zou zonder nadere beperking in strijd komen met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten. Dat betreft enerzijds verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Verdrag van Straatsburg), tenzij die staat tevens partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag, anderzijds verplichtingen uit de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS). De verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS hebben voorrang boven de regeling neergelegd in de RWN, met name in artikel 15, tweede lid, RWN.
### Ad artikel 15, derde lid
Geen.
De Nederlander A, die in 1950 in Oostenrijk is geboren, wordt in januari 2004 genaturaliseerd tot Oostenrijker. Ten tijde van zijn naturalisatie woont hij in Oostenrijk. Kijken we uitsluitend naar artikel 15, eerste en tweede lid, RWN dan zouden we tot de conclusie komen, dat A zijn Nederlanderschap niet heeft verloren. Immers, hij is geboren in het land waarvan hij de nationaliteit heeft verkregen en hij woont daar ten tijde van die verkrijging, en artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, RWN bepaalt dan dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
Echter, Oostenrijk is partij bij het Verdrag van Straatsburg, zodat in dit geval wel verlies van het Nederlanderschap intreedt. Het verlies vloeit rechtstreeks voort uit artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg. Het Tweede Protocol biedt A geen soelaas, aangezien Oostenrijk daarbij geen partij is.
### Toelichting
Aangezien Frankrijk partij is bij het Verdrag van Straatsburg, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat B, ondanks het feit dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN, als gevolg van de directe werking van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg zijn Nederlanderschap heeft verloren door zijn naturalisatie tot Fransman.
In dit geval echter, biedt het Tweede Protocol wél soelaas. Immers, Frankrijk is ook partij bij het Tweede Protocol en uit het bepaalde in artikel 15A, aanhef en onder a, RWN, tweede zin vloeit voort dat verlies van het Nederlanderschap in dat geval niet intreedt, mits betrokkene behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Welnu, B behoort tot een van die categorieën, namelijk categorie c; hij is immers gehuwd met een vrouw van Franse nationaliteit. De conclusie is dan ook, dat B zijn Nederlanderschap niet heeft verloren door zijn naturalisatie tot Fransman.
De in voorbeeld 2 bedoelde B is niet gehuwd met een Franse vrouw. Wel zijn B en de vrouw partners in een in Nederland geregistreerd partnerschap. Voor het overige is de casus exact hetzelfde als die bij voorbeeld 2.
De uitkomst is hier echter anders. Weliswaar is Frankrijk ook partij bij het Tweede Protocol, maar in dit geval kan ten aanzien van B niet worden gesteld dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Immers, ingevolge artikel 1, tweede lid, RWN mag voor de toepassing van [artikel 15A RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) onder huwelijk niet tevens geregistreerde partnerschap worden verstaan.
B verliest dan ook zijn Nederlanderschap als gevolg van de directe werking van het Verdrag van Straatsburg (artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg) en hij kan zich niet beroepen op het gestelde in de tweede zin van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN.
De Nederlander B, die in 1949 in Nederland is geboren, woont sedert 1990 in Frankrijk en wordt in januari 2004 tot Fransman genaturaliseerd. Ten tijde van zijn naturalisatie is hij gehuwd met een vrouw van Franse nationaliteit.
Aangezien Frankrijk partij is bij het Verdrag van Straatsburg, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat B, ondanks het feit dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN, als gevolg van de directe werking van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg zijn Nederlanderschap heeft verloren door zijn naturalisatie tot Fransman.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [14.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16A)[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) en [V](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [62 t/m 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, RWN. Artikel 16, tweede lid, RWN bepaalt de gevallen waarin, als uitzondering op de hoofdregelen van verlies, toch geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.
B verliest dan ook zijn Nederlanderschap als gevolg van de directe werking van het Verdrag van Straatsburg (artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg) en hij kan zich niet beroepen op het gestelde in de tweede zin van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN.
Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door minderjarigen. Behalve het onderhavige artikel zijn ook verliesbepalingen voor minderjarigen opgenomen in [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14). [Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) definieert het begrip ‘meerderjarigheid’. Uit die bepaling vloeit voort dat personen jonger dan achttien jaar, minderjarig zijn. Echter, personen, jonger dan achttien jaar, zijn wél meerderjarig indien:
Met het begrip ‘vader of moeder’ in artikel 16, eerste lid, RWN wordt mede bedoeld:
### 16-1-a. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a
Het minderjarige Nederlandse kind A, geboren in Nederland, heeft de Nederlandse vrouw B tot moeder en wordt erkend door de Turkse man C. Als gevolg van die erkenning is A van Turkse nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent A uitsluitend aan [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
Verlies van het Nederlanderschap zou voor A intreden op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN ware het niet dat in dit geval het verlies wordt voorkomen, doordat een ouder, namelijk de moeder van A, het Nederlanderschap bezit.
Voor A geldt wel, dat hij tijdens zijn minderjarigheid het Nederlanderschap alleen maar kan behouden zolang zijn moeder het Nederlanderschap bezit (tenzij hij tevens behoort tot een van de andere categorieën, genoemd in [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)). Zodra moeder het Nederlanderschap verliest – bijvoorbeeld als gevolg van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit – verliest ook A zijn Nederlanderschap, mits hij nog minderjarig is.
Uit een ongehuwde Turkse vrouw is in 2004 kind F geboren in Amsterdam. F, die de Turkse nationaliteit bezit, is tevens van Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 3, derde lid, RWN.
De minderjarige F wordt rechtsgeldig erkend door de Turkse man M. F bezit op het moment van de erkenning al de Turkse nationaliteit, zodat artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN op hem van toepassing is. F verliest evenwel niet zijn Nederlanderschap. Het verlies wordt verhinderd door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN.
### 16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e
C verkrijgt bij zijn geboorte naast de Turkse ook de Nederlandse nationaliteit, aangezien is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
### Ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### 16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### Toelichting
### Algemeen
### 16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
A is geboren uit de ongehuwde vrouw B, die weliswaar een nationaliteit bezit, maar die nationaliteit niet aan A heeft doorgegeven. A is dus staatloos.
B wordt genaturaliseerd tot Nederlander, waarin A deelt. B verliest door de naturalisatie niet haar oorspronkelijke nationaliteit. Tijdens de minderjarigheid van A doet B afstand van het Nederlanderschap.
### Algemeen
In 2005 wordt in Nederland kind B geboren uit de in Australië geboren ongehuwde vrouw A. A is van Nederlandse en Australische nationaliteit. B verkrijgt bij zijn geboorte uitsluitend de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft nimmer de Australische nationaliteit verkregen, omdat zijn geboorte niet is geregistreerd bij een Australisch Consulaat.
Enkele maanden na de geboorte van B emigreren hij en zijn moeder naar Australië. Na tien jaren hoofdverblijf in Australië verliest A haar Nederlanderschap ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (aan haar is in die tien jaren geen Nederlands reisdocument of bewijs van Nederlanderschap afgegeven).
Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook B, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, zijn Nederlanderschap moeten verliezen (waar B al die jaren hoofdverblijf heeft gehad speelt hierbij geen enkele rol).
### Algemeen
Na de naturalisatie van A tot Nederlander wordt zijn zoon B geboren. Zowel A als B zijn in Nederland geboren. B ontleent het Nederlanderschap zowel aan [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) als aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
Het besluit waarbij aan A het Nederlanderschap werd verleend, wordt op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN ingetrokken, aangezien hij heeft nagelaten na zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.
Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook B zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, voor B geldt de uitzonderingscategorie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN. Hij ontleent het Nederlanderschap immers tevens aan artikel 3 derde lid, RWN. Voor B gaat het Nederlanderschap dan ook niet verloren.
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
In 2001 wordt vader A genaturaliseerd tot Nederlander. A behoudt daarbij de Marokkaanse nationaliteit. Kind C deelt in de naturalisatie. Moeder B wordt niet genaturaliseerd. Vader en kind bezitten na naturalisatie de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.
A vestigt zich na zijn naturalisatie tot Nederlander in Denemarken. In 2002 wordt zijn huwelijk met B door echtscheiding ontbonden en trouwt hij in Denemarken met een Deense vrouw. Als hij zes jaren in Denemarken woont, wordt hij daar genaturaliseerd. Zijn minderjarig kind C, die in Nederland bij B verblijft, verkrijgt niet de Deense nationaliteit. B bezit op het moment dat A de Deense nationaliteit verkrijgt nog steeds uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit en kind C heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit.
Na de naturalisatie van A tot Nederlander wordt zijn zoon B geboren. Zowel A als B zijn in Nederland geboren. B ontleent het Nederlanderschap zowel aan [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) als aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3).
### Toelichting
A verkrijgt bij zijn geboorte het Nederlanderschap uitsluitend op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3). Het Brits burgerschap verkrijgt hij niet bij zijn geboorte, aangezien zijn moeder Brits burger door afstamming is.
Enkele maanden na zijn geboorte wordt A op verzoek van zijn ouders geregistreerd tot Brits burger. Ten aanzien van hem moet dus worden gesteld dat hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkregen heeft als zijn moeder, hetgeen ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN zou moeten leiden tot verlies van zijn Nederlanderschap.
Echter, in dit geval wordt verlies van het Nederlanderschap voorkomen door [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16). De vader van A is Nederlander.
### Ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
A verkrijgt bij zijn geboorte het Nederlanderschap uitsluitend op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3). Het Brits burgerschap verkrijgt hij niet bij zijn geboorte, aangezien zijn moeder Brits burger door afstamming is.
A is in Nederland geboren uit het huwelijk van de Nederlandse man B en de in Frankrijk geboren Britse vrouw C.
Met het begrip ‘ouder’ in [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) is ook bedoeld de adoptiefouder, mits de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken, alsmede de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.
Enkele maanden na zijn geboorte wordt A op verzoek van zijn ouders geregistreerd tot Brits burger. Ten aanzien van hem moet dus worden gesteld dat hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkregen heeft als zijn moeder, hetgeen ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN zou moeten leiden tot verlies van zijn Nederlanderschap.
### 16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
Een eventueel toekomstig verlies van het Nederlanderschap door B leidt voor A niet tot verlies van het Nederlanderschap. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN is, wat dat betreft, anders geredigeerd dan [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16).
Met het begrip ‘ouder’ in [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) is ook bedoeld de adoptiefouder, mits de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken, alsmede de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.
Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook B zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, voor B geldt de uitzonderingscategorie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN. Hij ontleent het Nederlanderschap immers tevens aan artikel 3 derde lid, RWN. Voor B gaat het Nederlanderschap dan ook niet verloren.
Met het begrip ‘ouder’ in [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) is ook bedoeld de adoptiefouder, mits de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van Nederlands internationaal privaatrecht en de adoptie tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken, alsmede de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.
### 16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
### Artikel 16a
### Ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
Geen.
A verkrijgt bij zijn geboorte het Nederlanderschap uitsluitend op grond van [artikel 3, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3). Het Brits burgerschap verkrijgt hij niet bij zijn geboorte, aangezien zijn moeder Brits burger door afstamming is.
Deze bepaling bevat voor minderjarigen een zelfde regeling als [artikel 15A, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) voor meerderjarigen. Het gestelde bij [artikel 15A, aanhef en onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) hoefde bij de onderhavige bepaling niet te worden opgenomen, aangezien de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen Nederland en Suriname, alleen van toepassing is op personen die op 25 november 1975 reeds waren geboren. Een eenvoudig rekensommetje leert, dat deze personen inmiddels niet meer minderjarig zijn. Het is dan ook uitgesloten dat nu nog een minderjarige ingevolge die Overeenkomst de Surinaamse nationaliteit verkrijgt.
Geen.
### Toelichting
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### Ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
Geen.
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
### Toelichting
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
Geen.
### 19-alg. Toelichting algemeen
### Toelichting
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### Ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
### Toelichting
Geen.
### Toelichting
In [hoofdstuk 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6) is de vaststelling van het Nederlanderschap geregeld. Die vaststelling kan als volgt geschieden. Wanneer alleen de vaststelling van de nationaliteit aan de orde is, dan is in Nederland uitsluitend bevoegd de Rechtbank ’s-Gravenhage, en in de Nederlandse Antillen of Aruba het gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Is echter reeds elders een zaak aanhangig bij een rechterlijke instantie of in een administratief beroep, waarbij mede van belang is dat het al of niet bezitten van het Nederlanderschap wordt vastgesteld, dan is een procedure voor de Haagse rechtbank of het gemeenschappelijk Hof van Justitie niet mogelijk. Iemand kan dus niet ‘twee ijzers in het vuur hebben’.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7) en [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=7); [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=13); [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=19); [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=25); [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=33); [39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=39); [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=45); [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=51) en [63](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14); [15.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
De in [artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) bedoelde algemene maatregel van rijksbestuur is het [Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) (BVVN, van 15 april 2002, **Stb.** 2002, 231)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14); [15.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14); [15.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### Ad artikel 22, eerste lid
### Toelichting
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21)
### 22-2. Toelichting ad artikel 22, tweede lid
### Artikel 23
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21)
[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=6)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikel 72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=72)
Geen.
Het onderhavige artikel is een delegatiebepaling. Dit artikel geeft de rijksregering de bevoegdheid om bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regels te stellen voor de uitvoering van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738). Ter uitvoering van de RWN zijn de volgende algemene maatregelen van rijksbestuur van toepassing:
Het onderhavige artikel is een delegatiebepaling. Dit artikel geeft de rijksregering de bevoegdheid om bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regels te stellen voor de uitvoering van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738). Ter uitvoering van de RWN zijn de volgende algemene maatregelen van rijksbestuur van toepassing:
### Artikel 24
### Toelichting
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
Geen.
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [15A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) WNI: artikelen 5 (oud); 7.1 en 7.3
Geen.
Geen.
### 25-alg. Toelichting algemeen
### Toelichting
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6)
### Ad artikel 26, tweede lid
Geen.
[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=6)
Dit artikel heeft tot doel oud-Nederlanders die op grond van oude nationaliteitswetgeving de Nederlandse nationaliteit hebben verloren en die behoren tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, gedurende een overgangstermijn van tien jaar na inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) op 1 april 2003 in de gelegenheid te stellen de Nederlandse nationaliteit op eenvoudiger wijze te herkrijgen. De personen waar het hier om gaat, wonen in het algemeen buiten het Koninkrijk. De in [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) genoemde voorwaarde, dat een optant gedurende een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk moet hebben, wordt daarom niet gesteld. Alle overige bij optie gestelde voorwaarden en vormvereisten zijn wél van toepassing.
### 26-1. Toelichting ad artikel 26, eerste lid
### 26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
Ingevolge deze bepaling kunnen oud-Nederlanders die voldoen aan de voorwaarden van [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) tot en met 31 maart 2013 een beroep doen op het onderhavige artikel.
### 26-3. Toelichting ad artikel 26, derde lid
Een op het moment van de bevestiging van de optie minderjarig kind van de in [artikel 26, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) bedoelde persoon hoeft evenmin in het Koninkrijk te wonen om in de optie te kunnen delen. Hetzelfde geldt voor het kind van dit kind. Alleen als het kind in de optieverklaring van de ouder wordt genoemd, deelt het in de verkrijging van het Nederlanderschap.
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2). In aanvulling daarop geldt het volgende. De persoon die een beroep doet op deze bepaling, zal zelf moeten aantonen wanneer en op grond van welk artikel hij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. In een aantal gevallen zal dit al blijken uit een vermelding in de GBA. In dat geval is geen aanvullend bewijs nodig. Is de verliesgrond echter niet vermeld, dan zal de vrouw die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren als gevolg van het door haar voor 1 maart 1964 gesloten huwelijk, bijvoorbeeld een uittreksel uit het huwelijksregister kunnen tonen. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen. Verlies op grond van artikel 7, aanhef ten eerste of ten derde, WNI of [artikel 15, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan worden aangetoond door het overleggen van het naturalisatiebesluit, een bij de naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit een naturalisatie c.q. optieregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het vreemde nationaliteitsrecht. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het om de griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen, bijvoorbeeld bij de vertegenwoordiging van zijn land in Nederland en dient – indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van dat land in Nederland bevoegd zijn om de verklaring af te geven. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van dat land in Nederland bevoegd zijn om een verklaring af te geven. Deze verklaring dient, indien nodig, gelegaliseerd en vertaald te worden. De burgemeester zal vervolgens aan de hand van het (destijds geldende) vreemde recht en het (destijds geldende) Nederlandse nationaliteitsrecht moeten bepalen of sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit en zo ja, op grond van welk artikel in de WNI of de RWN.
### Algemeen
De Nederlandse vrouw A, emigreert in 1970 samen met haar Nederlandse echtgenoot naar Canada. Haar echtgenoot krijgt in 1977 de Canadese nationaliteit door naturalisatie. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Zelf verkrijgt A de Canadese nationaliteit in 1980 door naturalisatie en verliest daardoor op grond van hetzelfde artikel het Nederlanderschap. Deze vrouw kan, mits jegens haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 behoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Haar man heeft de Canadese nationaliteit op het moment dat zij de Canadese nationaliteit verkrijgt. Ervan uitgaande dat haar man voor zijn komst naar Canada altijd in Nederland heeft gewoond, moet hij wel ten minste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben om de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie te verkrijgen. Hij voldoet immers niet aan [artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26).
De Nederlandse jongen B verhuist in 1950 op zesjarige leeftijd met zijn Nederlandse ouders naar de Verenigde Staten van Amerika. Op veertienjarige leeftijd verkrijgt hij de Amerikaanse nationaliteit door medenaturalisatie met zijn vader. Hij verliest daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Deze oud-Nederlander valt niet onder overgangsbepaling artikel 26 RWN. Weliswaar heeft hij de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI en heeft hij voor zijn achttiende jaar vijf jaar onafgebroken in de Verenigde Staten van Amerika gewoond, maar hij heeft de Nederlandse nationaliteit verloren toen hij minderjarig was.
### Toelichting
### Artikel 27
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3)
### Ad artikel 27, eerste lid
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VI)
Bij de tot 1 januari 2005 geldende redactie van [artikel 27, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=27), viel strikt genomen het kind dat werd geboren op 1 april 2003 niet onder de werking van artikel 27, tweede lid RWN, dat op die dag in werking was getreden. Pas een kind geboren op 2 april 2003 (of daarna) viel onder de redactie van het op 1 april 2003 gewijzigde artikel. Dit is nimmer de bedoeling geweest, en met de wetswijziging is dit rechtgezet.
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VI)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [6.1 t/m 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)
### Artikel 28
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [6.2 t/m 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel VI](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VI)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [6.1 t/m 6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=133); [1:163.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=163); [1:253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha) en [1:183.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=183)
WNI: artikel 5, zoals dat luidde vóór 1 maart 1964
Geen.
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2). In aanvulling daarop geldt het volgende. De vrouw die een beroep doet op de onderhavige bepaling, dient zelf aan te tonen dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren door of in verband met het huwelijk. Tevens zal zij moeten aantonen dat het huwelijk is ontbonden en op welk moment dat is gebeurd. In dit verband kan zij een recent uittreksel uit een huwelijksregister overleggen; een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waaruit blijkt dat het huwelijk is ontbonden, dan wel – bij ontbinding door overlijden – een overlijdensakte van haar echtgenoot. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen.
### Algemeen
De verkrijging van het Nederlanderschap werkt ook terug voor de in de optieverklaring vermelde kinderen van de vrouw die delen in de verkrijging. Kinderen geboren vóór de datum van ontbinding van het huwelijk delen op grond van [artikel 28, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) in de verkrijging door de moeder. Bij deze kinderen werkt de verkrijging – net als bij de moeder – terug tot op de datum van de ontbinding van het huwelijk. Daarnaast delen deze kinderen alleen, indien zij tot dat doel in de optieverklaring en in de daarop volgende bevestiging zijn vermeld.
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2). In aanvulling daarop geldt het volgende. De vrouw die een beroep doet op de onderhavige bepaling, dient zelf aan te tonen dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren door of in verband met het huwelijk. Tevens zal zij moeten aantonen dat het huwelijk is ontbonden en op welk moment dat is gebeurd. In dit verband kan zij een recent uittreksel uit een huwelijksregister overleggen; een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waaruit blijkt dat het huwelijk is ontbonden, dan wel – bij ontbinding door overlijden – een overlijdensakte van haar echtgenoot. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen.
### Ad artikel 28, tweede lid
### Ad artikel 28, derde lid
### Ad artikel 26, eerste lid
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
Indien vóór inwerkingtreding van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) (nieuw) de naturalisatie heeft plaatsgevonden, werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Aldus bepaalt [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II). Een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór 1 april 2003. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij tot 1 april 2003 wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, en na deze datum niet meer.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4); [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5); [14.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [14.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### II RRWN-alg. Toelichting algemeen
Indien vóór inwerkingtreding van [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) (nieuw) de naturalisatie heeft plaatsgevonden, werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Aldus bepaalt [artikel II RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II). Een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór 1 april 2003. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij tot 1 april 2003 wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, en na deze datum niet meer.
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van artikel 14, tweede lid, RWN. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
Voor 1 april 2003 kon aan minderjarige kinderen het Nederlanderschap worden verleend op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) (de zogenaamde na-naturalisatie) dan wel op grond van [artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) (medeverlening). In beide gevallen was vereist dat er geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba van het kind mochten bestaan. Dit vereiste is na 1 april 2003 opgenomen in artikel 11 RWN, waarin is bepaald dat het kind voor wie (mede)naturalisatie wordt verzocht ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij artikel 11 RWN). Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN).
### 3.5.2. Duurzaam verblijvend personeel
### Ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d
De verzoeker kan een beroep doen op een vrijstellingsgrond als genoemd in [artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3). Daartoe dient hij aan te tonen dat hij behoort tot een van de volgende categorieën vrijgestelde personen:
### 2.1.1. De Voorlichtingsfase
De verzoeker kan een beroep doen op de vrijstellingsgrond geformuleerd in [artikel IV van de wijziging van het Besluit naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020987&artikel=IV) die is ingegaan op 1 april 2007 (certificaat naturalisatietoets).
### 2.3.6. Aanmelding bij ROC Amsterdam
De verzoeker om naturalisatie die aantoont dat hij een zodanig psychische of lichamelijke belemmering dan wel een zodanige verstandelijke handicap heeft, dat hij binnen vijf jaar niet in staat is het inburgeringsexamen af te leggen is ontheven van de verplichting het examen te behalen. Voor een medische advies die de belemmering of handicap aantoont, kan hij terecht bij de, in het kader van de uitvoering van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611), door het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aangewezen medisch adviseur. In geval van verhuizing kan het advies afkomstig zijn van een aangewezen arts uit de vorige woonplaats.
### 2.3.1. Inleiding
In de voorlichtende sfeer wijst de gemeente betrokkene op het feit dat het medisch advies inburgeringsexamen afkomstig moet zijn van een medisch adviseur als hierboven beschreven. De door de burgemeester aangewezen arts is bekend bij de afdeling inburgering van de betreffende gemeente. De gemeente gaat bij de afdeling die belast is met het uitvoeren van de Wet inburgering na of het medische advies is opgemaakt door een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen medisch adviseur. Op het moment van indienen van het verzoek om naturalisatie bij de gemeente mag het advies niet ouder zijn dan zes maanden.
### 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
Telefonisch overleg met de IND inzake overgelegde adviezen is voor gemeenten altijd mogelijk via de vaste aanspreekpunten bij de naturalisatie-units van de IND.
### 2.3.1. Inleiding
Een verzoeker om naturalisatie die ten genoegen van de Minister aantoont wegens een lichamelijke en/of geestelijke belemmering dan wel een verstandelijke handicap of ondanks geleverde inspanningen redelijkerwijs niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen, is ingevolge [artikel 4 van het Besluit Naturalisatietoets](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4), van het examen ontheven.
### 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
Heeft iemand in zijn eigen land niet de aldaar gebruikelijke basisopleiding (lagere school) afgerond, dan wordt hij in het kader van het inburgeringsexamen als niet gealfabetiseerd beschouwd. Mogelijkerwijs kan betrokkene enigszins in zijn eigentaal en (al dan niet) het Nederlands enige woorden lezen en schrijven, toch is betrokkene te beschouwen als niet gealfabetiseerd. Van een ieder die op model 2.28 aangeeft dat hij in het herkomst land geen enkel opleiding heeft afgerond, wordt aangenomen dat hij de eigen taal niet kan lezen en schrijven. Betrokkene hoeft dienaangaande geen stukken te overleggen.
### 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen
Voor wat betreft polygamie (of bigamie) kan worden opgemerkt dat er sprake is van opneming in de Nederlandse samenleving wanneer verzoeker zijn situatie in overeenstemming heeft gebracht met de in Nederland geldende rechtsbeginselen, waaronder dat van monogamie.
### 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
Anders dan in het voorafgaande, waar ‘beperkt leervermogen’ betrekking heeft op lichamelijke en geestelijke aandoeningen als gevolg waarvan iemand gebrekkige (of gebrekkig werkende) verstandelijke vermogens bezit, gaat het hier om ‘beperkt leervermogen’ in de zin van ‘beperkte studievaardigheden als gevolg van gebrek aan educatie’. Iemand die nooit geleerd heeft om ‘te leren’ bezit, in deze context, een ‘beperkt leervermogen’. Of hiervan sprake is, wordt onderzocht en beoordeeld door het ROC van Amsterdam. In die beoordeling betrekt het ROC van Amsterdam factoren als de geen tot zeer beperkte vooropleiding van betrokkene, diens leeftijd en het feit dat betrokkene wel heeft getracht Nederlands te leren schrijven en lezen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen.
### 2.3.5. Aanmelding bij ROC Amsterdam
Inburgering wordt met name getoetst aan de hand van de naturalisatietoets en het vereiste van een monogaam huwelijk. Als verzoeker aan deze voorwaarden voldoet, wordt in beginsel aangenomen dat hij de Nederlandse rechtsorde in algemene zin heeft aanvaard.
### 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
Een Japanse vrouw die in 1981 is gehuwd met een Nederlandse man, sindsdien in Nederland woont en een verblijfsvergunning in haar bezit heeft, doet een verzoek om naturalisatie bij de gemeente van haar woonplaats. Als nieuwkomer heeft zij het inburgeringsprogramma niet gevolgd. Nu wil zij zich laten naturaliseren tot Nederlander en is bereid de naturalisatietoets af te leggen.
### 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
+ : kent polygamie
### Bijlage 7
# : polygamie alleen voor islamitische groep t : verstoting
### Bijlage 7
? : onbekend
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
Van zijn twaalfde tot zijn zeventiende woonde C met zijn moeder in Turkije. Sinds zijn zeventiende woont hij weer in Nederland. Gedurende een jaar was hij in het bezit van een vergunning tot verblijf bij vader. Aansluitend was hij een jaar in het bezit van een vergunning tot verblijf zonder beperking. Aan het eind van dat jaar vergat hij om zijn verblijfsvergunning tijdig te verlengen. Drie maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur werd hij alsnog in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning, met een geldigheidsduur van een jaar. Deze vergunning werd echter niet met terugwerkende kracht verleend.
### 8-4. Toelichting ad artikel 8, vierde lid
De Fransman E woont in Frankrijk tien jaar ongehuwd samen met een Nederlander. Beiden vestigen zich vervolgens in Nederland. Na enkele dagen wordt E in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf bij Nederlandse partner. Na anderhalf jaar gaan beiden in Nederland een geregistreerd partnerschap aan. E kan, na nog eens anderhalf jaar onafgebroken samenwonen met zijn Nederlandse partner en mits hij gedurende die periode onafgebroken in het bezit blijft van een geldige verblijfsvergunning, een verzoek om naturalisatie indienen. Hij voldoet dan aan de verkorte termijn van drie jaar toelating en hoofdverblijf. De termijn van anderhalf jaar ongehuwd samenwonen in Nederland en de termijn van anderhalf jaar samenwonen in geregistreerd partnerschap (dat ingevolge [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) is gelijkgesteld met een huwelijk) in Nederland, mogen bij elkaar worden opgeteld. De termijn van tien jaar ongehuwd samenwonen in het buitenland telt niet mee. Of het verzoek van E wordt ingewilligd hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
### Ad artikel 8, vierde lid
H is de zoon van een Franse ongehuwde moeder en een juridisch onbekende vader. Hij is uitsluitend in het bezit van de Franse nationaliteit. Als H veertien jaar is, gaat zijn moeder samenwonen met een Nederlander. H woont bij hen in. Ze wonen alledrie in Straatsburg. Als H vijftien jaar en vier maanden is, wordt hij erkend door de Nederlander. Als H achttien jaar en drie maanden oud is, verlaat hij de ouderlijke woning om te gaan werken in Nederland. Bij aankomst in Nederland wordt hij onmiddellijk in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning. Zodra H vier maanden in Nederland toelating en hoofdverblijf heeft, kan hij een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft immers voor zijn achttiende jaar al twee jaar en acht maanden in gezinsverband met zijn Nederlandse vader gewoond. Deze twee jaar en acht maanden mogen afgetrokken worden van de drie jaar termijn. De drie maanden na zijn achttiende verjaardag mogen niet van die termijn afgetrokken worden. De jaren dat hij deel uitmaakte van het gezin van de Nederlander voordat hij werd erkend evenmin. Of het verzoek van H wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
### 8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
C is twintig jaar en bezit de Turkse nationaliteit. Van zijn vijfde tot zijn twaalfde jaar woonde hij in Nederland bij zijn ouders. Zijn moeder was in die tijd aaneengesloten in het bezit van een verblijfsvergunning bij zijn vader. Deze verblijfsvergunning had mede betrekking op C.
### Ad artikel 8, vijfde lid
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikelen 4:5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5); [4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7); [6:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:2); [7:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:1); [8:1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:1) en[8:7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:7)
### Ad artikel 8, zesde lid
[Rgdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006434): [artikelen 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006434&artikel=2) en [5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006434&artikel=5)
### 2. Afwijzing indien de verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden ingetrokken
[Wet gba](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723): [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=43)
### Ad artikel 8, zesde lid
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): [artikelen 74a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74) en [92 t/m 423](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=92)
### 1. Algemeen
[Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405): [artikelen 1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1); [1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1) en [5 t/m 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=5)
### 4.1. Misdrijven
[WBRv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827): [artikel 183](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=183)
### paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid
Hieronder wordt uiteengezet wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde. Daarbij staan centraal de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker. Die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden. Samengevat komt het beleid erop neer dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen, indien:
### paragraaf 2. Afwijzing indien de verblijfstitel op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden ingetrokken
Het openbare-ordebeleid bij naturalisatie komt niet geheel overeen met het openbare-ordebeleid in het vreemdelingenrecht. De reden daarvoor is dat de verlening van het Nederlanderschap iets geheel anders is dan de verlening van een vergunning tot verblijf. Het Nederlanderschap geeft immers rechten die een verblijfsvergunning niet geeft, bijvoorbeeld actief en passief kiesrecht voor de Staten-Generaal en de mogelijkheid een beroep te doen op consulaire bescherming, en stelt bepaalde ambten open die niet voor vreemdelingen openstaan. Daarom mogen er ook andere regels worden gesteld.
### paragraaf 3. Afwijzing indien er serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
De woorden “ernstige vermoedens” in het onderhavige artikellid geven aan dat niet alleen misdrijven waarvoor de verzoeker al onherroepelijk is veroordeeld in aanmerking moeten worden genomen, maar ook misdrijven waarvan hij op goede gronden wordt verdacht en waarop alsnog een sanctie kan volgen.
### Algemeen
[Artikel 9, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9) stelt drie additionele eisen waaraan een verzoeker moet voldoen, naast de in [artikel 8 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) gestelde voorwaarden.
### Ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a
Met ‘sanctie’ wordt hier niet alleen bedoeld een straf (bijvoorbeeld geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) die door de strafrechter is opgelegd, maar ook door de politie of het OM opgelegde boeten. De verzoeker mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking ter zake van misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat het verzoek moet worden afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Indien naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de procedure worden betrokken.
### 4. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
Een enkele transactie of strafbeschikking ter zake van een misdrijf leidt tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, indien de geldboete € 453,78 of meer bedraagt, of de voorwaarde voor transactie of van de strafbeschikking een taakstraf is. De rehabilitatietermijn van vier jaar vangt aan als het bedrag is betaald of de taakstraf is vervuld. Meerdere transacties of strafbeschikkingen ter zake van misdrijf, van ieder ten minste € 226,89 leiden tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, indien de som van deze transacties of strafbeschikkingen in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop ten minste € 680,67 bedraagt. Hetzelfde geldt voor de combinatie van transactie(s), strafbeschikking(en) en geldboete(n).
### 3. Afwijzing indien er serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
Met ‘sanctie’ wordt hier niet alleen bedoeld een straf (bijvoorbeeld geldboete, taakstraf of gevangenisstraf) die door de strafrechter is opgelegd, maar ook uitgevaardigde strafbeschikkingen of door de politie of het OM opgelegde boeten. De verzoeker mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking ter zake van misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat het verzoek moet worden afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Indien naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de procedure worden betrokken.
### 4. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.
### paragraaf 4.4. Voeging
Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.
### 4.4. Voeging
Voor de afdoening van misdrijven is niet altijd een uitspraak van de strafrechter nodig. Ongeveer een derde van de misdrijfzaken wordt door middel van een transactie afgedaan. Het gebruik van transacties is in hoge mate vastgelegd in richtlijnen van het OM. Een transactie voor een misdrijf is een alternatieve vorm van sanctie, zij het dat die sanctie niet na berechting en niet door de strafrechter wordt opgelegd, en dat de vrijwillige instemming van de verdachte is vereist. Met de transactie geeft de Nederlandse overheid aan voldoende belang te hechten aan sanctionering van het misdrijf. De ernst van het misdrijf komt tot uiting in de hoogte van het transactiebedrag, waarmee de verdachte strafvervolging kan afkopen. Dat voorstel mag uitsluitend worden gedaan als een veroordeling door de rechter in een gewone strafrechtelijke procedure ook daadwerkelijk haalbaar is. Als langs de weg van de gewone procedure geen sanctionering zou kunnen volgen, behoort een transactieaanbod achterwege te blijven. De verdachte hoeft niet op het voorstel in te gaan en kan kiezen voor behandeling door de strafrechter. De transactie houdt formeel weliswaar geen erkenning door de verdachte in dat hij het strafbare feit heeft gepleegd – en de mogelijkheid is dus aanwezig dat de verdachte het feit ter zake waarvan verdenking is gerezen niet heeft gepleegd en slechts ingaat op het transactievoorstel om van de zaak af te zijn, bijvoorbeeld om het openbaar terechtstaan, het opmaken van een strafblad, de civielrechtelijke bewijspositie van de veroordeelde en onzekerheid over de uitkomst van het strafgeding te voorkomen – maar voor iedere transactie is de vrijwillige instemming van de verdachte met de transactie essentieel. Het prijsgeven van rechtsbescherming door de strafrechter en de mogelijkheid van vrijspraak of lagere strafoplegging, geschiedt vrijwillig. In sommige gevallen ([artikel 74a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=74a)) kan een door de verdachte aangeboden transactie ook niet door het OM worden geweigerd. Bovendien gaat het in naturalisatiezaken om relatief hoge bedragen ( 453,78 (ƒ 1000) of meer, dan wel ingeval van herhaalde misdrijven 226,89 (ƒ 500) of meer) dat voorshands niet kan worden aangenomen dat de verzoeker (telkenmale) onschuldig transigeert om van de zaak af te zijn. Ook in het krachtens [artikel 11, vijfde lid, Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=11) gevoerde toelatingsbeleid leiden transacties ter zake van misdrijven tot de afwijzing van een verzoek om een vergunning tot verblijf.
### 4.5. Taakstraffen
Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.
### 4.4. Voeging
Ten slotte is er ook in de tijd een grens gesteld: de sancties die zich voor cumulatie lenen, moeten binnen een tijdsbestek van vier jaar direct voorafgaande aan de aanvraag of de beslissing daarop, zijn opgelegd of tenuitvoergelegd. Deze termijn sluit aan bij de hieronder behandelde rehabilitatietermijn. Niet doorslaggevend is daarom de datum waarop de misdrijven zijn gepleegd.
### 4.4. Voeging
De verzoeker kan verschillende strafbare feiten hebben begaan die alle tezamen in een en dezelfde strafrechtelijke procedure aan de strafrechter worden voorgelegd. In een dergelijk geval kan het voorkomen dat voor al die feiten een enkele straf wordt opgelegd, waarbij niet duidelijk is welk gedeelte van die straf voor welk feit is opgelegd. Als voorbeeld geldt de verzoeker die twee jaar geleden wegens twee misdrijven en een overtreding een geldboete van 907,56 (ƒ 2000) wordt opgelegd. In dat geval wordt het verzoek om naturalisatie afgewezen, omdat ten minste één van de strafbare feiten een misdrijf was en de totale straf genoeg is om een verzoek om naturalisatie af te wijzen.
### paragraaf 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
Met een voorwaardelijk sepot is echter nog geen einde aan de zaak gekomen. Met een voorwaardelijk sepot ziet het OM slechts af van strafvervolging, indien aan (een) bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan. Indien aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan alsnog tot dagvaarding worden overgegaan en kan het misdrijf alsnog leiden tot een sanctie. De voorwaardelijk geseponeerde zaak lijkt in dier voege op een openstaande strafzaak en wordt bij verzoek om naturalisatie op vergelijkbare wijze beoordeeld. Omdat strafvervolging en -oplegging niet zijn uitgesloten, dient de verzoeker eerst de proeftijd af te wachten. Voorwaardelijke sepots leiden evenmin tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, mits aan de voorwaarden van het sepot is voldaan en de proeftijd is verstreken. Indien een misdrijf voorwaardelijk is geseponeerd, dient altijd de proeftijd te worden afgewacht. Als betrokkene nog in de proeftijd zit, dient hij te worden geadviseerd te wachten met de indiening van het verzoek om naturalisatie totdat de proeftijd is verstreken. Indien hij er niettemin op staat het verzoek in te dienen en de proeftijd is nog niet verstreken, dan wordt het verzoek afgewezen. Pas als de proeftijd is verstreken en aan de voorwaarden is voldaan, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het vermeende misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid en dat er ook geen rehabilitatietermijn is aangevangen.
### paragraaf 4.11. Schadevergoeding
De enkele verplichting om aangerichte schade te vergoeden, wordt niet tegengeworpen, ook niet indien die schade is veroorzaakt door een misdrijf. Soms wordt de plicht tot schadevergoeding gekoppeld aan een andere afdoeningsvorm (bijvoorbeeld als voorwaarde aan een voorwaardelijk sepot of opgelegd naast een boete of al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Bij naturalisatie wordt bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker gekeken naar afdoening van het misdrijf (dus naar het voorwaardelijk sepot, de boete of de al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Schadevergoeding kan in diverse vormen voorkomen als voorwaarde om een sanctie te voorkomen. Voor vormen als dading en Halt-afdoeningen wordt verwezen naar voorwaardelijk sepot.
### 4.8. Vierjaartermijn
Het gaat bij de beoordeling van het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde om de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker. Die verwachtingen worden noodzakelijkerwijs gebaseerd op het gedrag van de verzoeker in het heden en recente verleden. Als maatstaf voor de beoordeling van het gedrag wordt de vraag gehanteerd of het gedrag van de verzoeker heeft geleid tot een veroordeling of andere sanctie ter zake van misdrijf of de tenuitvoerlegging daarvan. Omdat het echter blijft gaan om het toekomstige gedrag, wordt niet iedere sanctie en tenuitvoerlegging daarvan (ook niet als die sanctie zeer zwaar was) blijvend tegengeworpen. De omstandigheid dat iemand in het verleden wegens bepaalde strafbare feiten in aanraking is gekomen met Justitie is op zichzelf onvoldoende grond voor afwijzing. Aan het gedrag van de verzoeker in het verre verleden kunnen geen conclusies worden verbonden, voor wat betreft zijn toekomstige gedrag. Voor de beoordeling van een verzoek om naturalisatie is als maatstaf aangelegd dat er gedurende een periode van vier jaar, direct voorafgaande aan de indiening van het verzoek of de beslissing daarop, geen sprake mag zijn geweest van een misdrijf, de sanctionering van een misdrijf of de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie
### 4.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
Ook ingeval van een voorwaardelijk opgelegde straf is er sprake van een onvoorwaardelijke veroordeling, waarbij alleen de tenuitvoerlegging van de straf (of een gedeelte daarvan) onder bepaalde voorwaarden wordt opgeschort. Het voorwaardelijk opschorten van de tenuitvoerlegging van (een gedeelte van) de straf, doet niets af aan de veroordeling en daarmee aan de strafbaarheid van de daad en dader. Ook als een straf voorwaardelijk is opgelegd, is het misdrijf gepleegd en zijn daad en dader strafbaar bevonden. Voor naturalisatie is dus niet van belang of de straf voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd. Bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker wordt gekeken naar de totale straf die is opgelegd, dus ook naar het voorwaardelijke gedeelte ervan. Daarbij is het enkele feit dat de straf (geheel of gedeeltelijk) voorwaardelijk is opgelegd, dus niet van belang en wordt ook het voorwaardelijk opgelegde gedeelte in aanmerking genomen. Het feit dat de straf voorwaardelijk is opgelegd, is wel van belang voor de rehabilitatietermijn. Er zijn twee mogelijkheden:
### 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een verzoek dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden afgewezen, toch moet worden ingewilligd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de **Handleiding RWN 2003**geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.
### paragraaf 6. Procedure
De enkele verplichting om aangerichte schade te vergoeden, wordt niet tegengeworpen, ook niet indien die schade is veroorzaakt door een misdrijf. Soms wordt de plicht tot schadevergoeding gekoppeld aan een andere afdoeningsvorm (bijvoorbeeld als voorwaarde aan een voorwaardelijk sepot of opgelegd naast een boete of al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Bij naturalisatie wordt bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker gekeken naar afdoening van het misdrijf (dus naar het voorwaardelijk sepot, de boete of de al dan niet voorwaardelijke gevangenisstraf). Schadevergoeding kan in diverse vormen voorkomen als voorwaarde om een sanctie te voorkomen. Voor vormen als dading en Halt-afdoeningen wordt verwezen naar voorwaardelijk sepot.
### 6. Procedure
In de naturalisatieprocedure wordt het verzoek om naturalisatie ingediend bij de burgemeester, die een onderzoek instelt en daarover adviseert aan de Minister van Justitie. Het advies ziet onder meer op de vraag of er ernstige vermoedens bestaan om aan te nemen dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt.
### 6.1. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een verzoek dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden afgewezen, toch moet worden ingewilligd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de **Handleiding RWN 2003**geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.
### 6. Procedure
Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een verzoek dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden afgewezen, toch moet worden ingewilligd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de **Handleiding RWN 2003**geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.
### paragraaf 1. Algemeen
Iedere verzoeker dient door middel van een verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag (zie model 2.3) schriftelijk te verklaren of hij, of een van de in het verzoek genoemde personen ouder dan zestien jaar, al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie. De verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag omvat meerdere verklaringen. Indien verzoeker aangeeft dat hij een of meer van deze verklaringen niet naar waarheid kan afleggen, moet de burgemeester:
### 6.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst
Een verzoeker die de Hongaarse nationaliteit bezit, kan eerst nadat hij is genaturaliseerd tot Nederlander de Hongaarse autoriteiten verzoeken of hij ontslag kan krijgen uit het Hongaarse staatsverband.
### paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
Indien verzoeker, wegens het feit dat hij substantieel financieel nadeel lijdt omdat hij voor de afstand een hoog bedrag moet betalen, geen afstand wenst te doen van de oorspronkelijke nationaliteit, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit en waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie.
### paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Een verzoeker die de Hongaarse nationaliteit bezit, kan eerst nadat hij is genaturaliseerd tot Nederlander de Hongaarse autoriteiten verzoeken of hij ontslag kan krijgen uit het Hongaarse staatsverband.
### 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
In dit kader geldt als inkomen; het maandinkomen (van verzoeker en eventueel zijn (huwelijks)partner), inclusief de overhevelingstoeslag, na aftrek van de over het bruto inkomen verschuldigde belasting, sociale verzekeringspremies, pensioenpremies en vaste lasten (zoals maandelijkse uitgaven in verband met alimentatie ten behoeve van de gewezen partner en ten behoeve van de kinderen, premies van vrijwillige verzekering tegen ziektekosten, premies krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) en de [AWBZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002614), verhaalsbedragen in het kader van de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) en eventuele andere bijzondere uitgaven die noodzakelijk ten laste van verzoeker komen) (vergelijk [artikel 1, onder b, Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=1) en [artikel 7 Bdr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006405&artikel=7)).
### 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
Van een verzoeker die over een aanzienlijk vermogen beschikt kan niet snel worden aangenomen dat hij, gelet op zijn financiële draagkracht, een bedrag aan leges voor het doen van afstand moeilijk kan opbrengen. Hierbij geldt een vermogensgrens, waarboven niet meer kan worden gesproken van een door verzoeker te lijden substantieel financieel nadeel (uiteraard met inachtneming van het bepaalde in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9¶graaf=3¶graaf=3.4¶graaf=3.4.1&z=2008-07-13&g=2008-07-13)).
### 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
B lijdt door het betalen van het bedrag voor het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Weliswaar is zijn netto maandinkomen lager dan het bedrag aan leges, maar zijn in aanmerking te nemen vermogen bedraagt 14.656 (150.000 minus 70.000 = 80.000 van welk bedrag 65.344 niet wordt meegerekend). Daarmee zit hij ruim boven de vermogensgrens van 6370.
### 3.4.4. Zelfstandigen
Als zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die inkomsten verwerft uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
### 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
Voor de vaststelling van het vermogen wordt uitgegaan van de toestand van het vermogen op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar van het indienen van het verzoek om naturalisatie.
### 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
Als minimum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan het bedrag van het ver laagde tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker door het doen van afstand een bedrag verliest dat lager ligt dan (of gelijk is aan) het bedrag van het verlaagde tarief, kan nooit – ongeacht het vermogen van verzoeker – met succes een beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo laag dat het te lijden nadeel niet als substantieel kan worden aangemerkt.
### 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Binnen de grenzen van het minimum en het maximum financieel nadeel is de verhouding tussen het overig vermogen van verzoeker én het bedrag dat wordt verloren door het doen van afstand bepalend voor de vraag of hij al dan niet afstand moet doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
Binnen de grenzen van het minimum en het maximum financieel nadeel is de verhouding tussen het overig vermogen van verzoeker én het bedrag dat wordt verloren door het doen van afstand bepalend voor de vraag of hij al dan niet afstand moet doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
Verzoeker B bezit de nationaliteit van land Y. Hij heeft aldaar een aantal jaren geleden met het oog op de alsmaar stijgende grondprijzen een braakliggend stuk grond van een hectare gekocht voor 30.000. Nadien heeft hij niet meer naar het stuk grond omgekeken. Bij het indienen van het verzoek om naturalisatie toont hij aan de hand van verklaringen van de autoriteiten van land Y aan dat hij aldaar de eigendom heeft van de hectare grond. Hij overlegt tevens een notariële akte waaruit blijkt dat het stuk grond een huidige waarde heeft van 50.000. In een andere verklaring van de autoriteiten van land Y wordt gesteld dat personen die geen onderdaan zijn van land Y geen eigenaar mogen zijn van grond en dat zonodig de grond door de autoriteiten zonder geldelijke vergoeding in beslag wordt genomen. De stukken zijn gelegaliseerd en vertaald in het Nederlands.
### 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
Binnen de grenzen van het minimum en het maximum financieel nadeel is de verhouding tussen het overig vermogen van verzoeker én het bedrag dat wordt verloren door het doen van afstand bepalend voor de vraag of hij al dan niet afstand moet doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
A kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie. Weliswaar heeft hij een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij is opgeroepen voor militaire dienst, maar hij heeft niet genoegzaam aangetoond dat hij de dienstplicht nog moet vervullen. De oproep voor militaire dienst is immers twee jaar oud, zodat het mogelijk is dat hij de dienstplicht inmiddels heeft vervuld.
### paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
### paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend
Indien een staat niet wordt erkend, wordt vanzelfsprekend ook de nationaliteit van deze staat niet erkend. In een dergelijk geval afstand eisen, betekent ook dat van een niet-erkende staat afkomstige bewijsstukken inzake het verlies van de nationaliteit door de Nederlandse autoriteiten in ontvangst en in behandeling worden genomen. Omdat dit niet strookt met het beginsel dat met een niet-erkende staat geen uitwisseling van officiële stukken plaatsvindt, wordt aan personen afkomstig uit staten die niet worden erkend door Nederland niet gevraagd afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Voorbeeld van een niet-erkende staat is Taiwan.
### 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet
A kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie. Weliswaar heeft hij een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij is opgeroepen voor militaire dienst, maar hij heeft niet genoegzaam aangetoond dat hij de dienstplicht nog moet vervullen. De oproep voor militaire dienst is immers twee jaar oud, zodat het mogelijk is dat hij de dienstplicht inmiddels heeft vervuld.
### paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In deze gevallen heeft het immers geen zin om afstand te vragen. Met het oog op automatisch verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander of met het oog op eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan vooren- en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker reeds in de voorlichtingsfase door de burgemeester wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of het consulaat) of naar de voor hem geëigende organisaties voor minderheden voor het verkrijgen van informatie hieromtrent.
### 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
In verband met eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan voor-en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker in de voorlichtingsfase wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie hieromtrent (dit geldt logischerwijs niet voor een verzoeker die valt onder uitzondering 7).
### 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de bestaande uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk en in een voorkomend geval aan de hand van berekeningen – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Hij wordt erop gewezen dat het verzoek om naturalisatie wordt afgewezen indien een beroep op de uitzonderingscategorie niet wordt gehonoreerd en dat het bedrag aan betaalde leges in dat geval niet wordt teruggegeven.
### Bijlage 1
Hierna volgt een lijst van landen met vermelding van behoud of verlies van de nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander. Bij deze lijst wordt het volgende aangetekend: het betreft hier een momentopname voor zover bij het Ministerie van Justitie bekend ten tijde van het verschijnen van deze gewijzigde landenlijst. Gebruikers van deze lijst die stuiten op wijzigingen of onjuistheden, wordt verzocht dit schriftelijk aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie te melden onder vermelding van het onderwerp: Afstandsverplichting bij naturalisatie.
### Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
In verband met eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan voor-en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker in de voorlichtingsfase wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie hieromtrent (dit geldt logischerwijs niet voor een verzoeker die valt onder uitzondering 7).
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
De schrijfwijze van de namen van staten is conform de ‘lijst van landnamen’, de officiële schrijfwijze voor het Nederlandse taalgebied, van de Werkgroep Buitenlandse Aardrijkskundige namen, 1994.
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a
Het postadres is: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Stafdirectie Uitvoeringsbeleid, afdeling uitvoeringsbeleid, Postbus 5800, 2280 HV Rijswijk.
### Ad artikel 9, tweede lid
Indien volgens de vreemde nationaliteitswetgeving het doen van
### Ad artikel 9, tweede lid
Van verzoekster wordt niet verlangd dat zij afstand doet van haar oorspronkelijke nationaliteit nu zij vóór het bereiken van de meerderjarige leeftijd een aaneengesloten periode van vijf jaar haar hoofdverblijf in Aruba en de Nederlandse Antillen heeft gehad.
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d
Dit artikellid geeft een opsomming van categorieën verzoekers om naturalisatie op wie het in het eerste lid aanhef en onder b van dit artikel neergelegde vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is. De hier vermelde uitzonderingen berusten op verdragsverplichtingen (in het bijzonder het Tweede Protocol en het Vluchtelingenverdrag van Geneve van 28 juli 1951).
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
Dit artikellid geeft een opsomming van categorieën verzoekers om naturalisatie op wie het in het eerste lid aanhef en onder b van dit artikel neergelegde vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is. De hier vermelde uitzonderingen berusten op verdragsverplichtingen (in het bijzonder het Tweede Protocol en het Vluchtelingenverdrag van Geneve van 28 juli 1951).
### Ad artikel 9, derde lid
Geen.
### 10-alg. Toelichting algemeen
Dit artikel biedt de mogelijkheid van naturalisatie wanneer aan bepaalde voorwaarden niet is voldaan. Uitgangspunt is dat er sprake is van een zeer ‘bijzonder geval’. In uitzonderlijke gevallen kunnen er belangen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn om van die voorwaarden af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse belangen zich voordoen, zoals op het gebied van de internationale economische en culturele betrekkingen. In concreto kan worden gedacht aan vreemdelingen die in aanmerking komen voor een functie waarvoor het Nederlanderschap is vereist of gewenst en eventueel hun echtgenoten/partners. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie.
### paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
Ten behoeve van de beeldvorming, met betrekking tot de vraag wanneer er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan onderhavig artikel kan worden toegepast, volgt onderstaand een aantal praktijkvoorbeelden. Bij een aantal voorbeelden is aangegeven op welke wijze met vergelijkbare gevallen kan worden omgegaan.
### paragraaf 3.1. Advisering
Om vast te kunnen stellen of met de naturalisatie van verzoeker een Nederlands belang op sportief gebied is gediend, wordt de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) om advies gevraagd. Alleen indien bij het verzoek tot naturalisatie mede een verklaring van een Nederlandse sportbond wordt overgelegd inhoudende dat naturalisatie een Nederlands sportbelang op korte termijn dient, verzoekt de Minister van Justitie om advisering ter zake door de Staatssecretaris van VWS. Zonder een dergelijke ondersteunende verklaring wordt de zaak niet aan VWS aangeboden, maar direct afgewezen.
### 3. Topsporters
Een bijzonder geval kan zich voordoen als blijkt dat de verlening van het Nederlanderschap in zodanige mate een Nederlands cultureel belang dient, dat afwijking van één of meer reguliere voorwaarden wordt gerechtvaardigd. Onder een Nederlands cultureel belang wordt tevens verstaan een Nederlands belang op sportief gebied.
### 3.1. Advisering
Ontbreekt de verklaring, dan vermeldt het advies van VWS de reden daarvan;
### 3.2. Niveau van sportbeoefening
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6); [31.1 t/m 31.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31); [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32) en [51 t/m 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56)
### 3.2. Niveau van sportbeoefening
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2 t/m 4; 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9);
### 3.5. Beslissing
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2); [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); [6.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6); [31.1 t/m 31.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31); [32](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=32) en [51 t/m 56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=56)
### 11-3. Toelichting ad artikel 11, derde lid
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:233](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233) en [1:253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha)
### 11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.1h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2 t/m 4; 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [9.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9); [9.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9);
### Ad artikel 11, tweede lid
[BOT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831): [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014831&artikel=3)
### 11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Toelichting
Geen.
### 12-alg. Toelichting algemeen
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 6.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
### Ad artikel 11, vierde lid
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [Boek 1, titel 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&titeldeel=2)
### Toelichting
In een voorkomend geval stelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verzoeker schriftelijk in de gelegenheid om aan te geven welke geslachtsnaam hij wenst en wijst verzoeker op het feit dat het achterwege blijven van een keuze voor een naamsvaststelling leidt tot afwijzing van het naturalisatieverzoek.
### 1.3. Nederlandse kinderen delen niet in naamsvaststelling of naamswijziging
Blijkt in de procedure dat een verzoeker met een naamsketen (namenreeks) niet wenst dat bij zijn naturalisatie een geslachtsnaam voor hem wordt vastgesteld, dan leidt dat tot een afwijzing van het naturalisatieverzoek op grond van niet-inburgering. Verzoeker voldoet alsdan niet aan de in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) gestelde voorwaarde van ‘zich ook overigens in de Nederlandse (Nederlands Antilliaanse of Arubaanse) samenleving hebben doen opnemen’.
### 1. Namenreeks of naamsketen
Indien er sprake is van een namenreeks of naamsketen kan geen onderscheid worden gemaakt tussen de geslachtsnaam en de voornamen van de verzoeker. De volgende landen kennen een zogenaamde namenreeks of naamsketen: Afghanistan, Bangladesh, Egypte, Ethiopië, India, Indonesië, Irak, Democratische Republiek Congo, Nepal, Pakistan, Soedan, Somalië en Sri Lanka. Ten aanzien van verzoekers van wie de namen worden bepaald door het recht van deze landen is dus naamsvaststelling geboden. In dat geval dient een enkelvoudige geslachtsnaam te worden vastgesteld die overeenkomt met de naam van de (voor)ouder. Draagt betrokkene een namenreeks waarin niet een naam van een (voor)ouder voorkomt, dan dient één van zijn eigen namen te worden vastgesteld als geslachtsnaam en de andere eigen naam als voornaam.
### 1. Namenreeks of naamsketen
Hierbij moet worden gedacht aan overbrenging van de namen vanuit bijvoorbeeld het Arabisch, Chinees of Cyrillisch schrift naar het Latijns schrift. Met betrekking tot deze overbrenging dient altijd te worden overlegd met de verzoeker ([artikel 36, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Voor de transcriptie is echter géén expliciete toestemming van de verzoeker vereist.
### 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
Wijziging van de namen in het kader van de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend wanneer verzoeker te kennen geeft daaraan behoefte te hebben én dit gelet op de inburgering van belang is. Een verzoeker kan dus niet worden verplicht tot naamswijziging. In geval van naamswijziging wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de door de betrokkenen uitgesproken voorkeur.
### Artikel 13
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7); [11.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### Ad artikel 12, tweede lid
[BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782): [artikelen 1 t/m 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=1)
### Ad artikel 12, tweede lid
TOI: artikel 10
### Ad artikel 12, tweede lid
Tarief B is verschuldigd indien twee optieverklaringen gelijktijdig worden afgelegd door twee:
### paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
De volgende categorieën optanten zijn vrijgesteld van leges ([artikel 4, eerste lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)):
### paragraaf 1.3. Ontheffing van optiegelden
In geval van een zelfstandige optie door een minderjarige is er in beginsel geen reden om met betrekking tot de optiegelden anders te handelen dan in geval van optie door een meerderjarige. In beide gevallen wordt een zelfde inspanning van de gemeente vereist. In beginsel betaalt de minderjarige optant dan ook tarief A voor zijn optieverklaring. Worden echter tegelijkertijd door twee kinderen binnen één gezin optieverklaringen afgelegd, dan wordt tarief B in rekening gebracht. Tarief B wordt tevens in rekening gebracht indien meer dan twee kinderen uit één gezin tegelijkertijd optieverklaringen afleggen. Het derde en volgende kind(eren) wordt ontheffing verleend van het betalen van optiegelden, omdat anders financiële redenen ertoe zouden kunnen leiden dat binnen gezinnen verschillen in nationaliteit ontstaan (vergelijk de nota van toelichting bij [artikel 4 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)). Het is daarom niet redelijk in geval van een gelijktijdige optieverklaring door meerdere kinderen binnen een gezin een hoger bedrag aan leges op te leggen dan het bedrag in geval van een gemeenschappelijk verzoek.
### 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
De volgende categorieën optanten zijn vrijgesteld van leges ([artikel 4, eerste lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)):
### paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval dient te worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:
### paragraaf 2.2. Tarieven E en F
Deze verklaring is verkrijgbaar bij de raad voor rechtsbijstand. De inkomensverklaring van de raad is niet nodig indien de verzoeker alleen inkomsten heeft uit de [Wet werk en bijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) (Wwb). In dat geval volstaat de Verklaring bijstandsgerechtigden en asielzoekers (Wwb, ROA). Deze verklaring is verkrijgbaar bij de gemeente.
### 2.3. Tarieven C en D
De bijstandsnormen worden halfjaarlijks gewijzigd. De datum van indiening van het verzoek om naturalisatie is bepalend voor de toepasselijke bijstandsnorm. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maakt de nieuwe bijstandsnorm bekend via persberichten. Nadere informatie over de bijstandsnormen kan worden verkregen bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, telefoonnummer (070) 3334444 of 0800 9051. Als de bijstandsnormen gewijzigd worden zullen de nieuwe jaarbedragen in een TBN worden gepubliceerd.
### 2. Naturalisatiegelden
****Voorbeeld****
### Toelichting
Het komt voor dat verzoekers die een combinatie van verschillende uitkeringen ontvangen, door verschillende berekeningssystemen van de uitkeringsinstanties een inkomen genieten dat slechts enkele euro’s boven de voor hen geldende bijstandsnormen ligt. Uitsluitend in die gevallen waarin de verzoeker en zijn/haar eventuele echtgeno(o)t(e) of partner verschillende uitkeringen geniet(en) (dus bijvoorbeeld niet in gevallen waarin inkomsten uit arbeid worden genoten), geldt dat als het belastbaar jaarinkomen in het peiljaar niet meer dan €100 boven het in het op betrokkene(n) van toepassing zijnde bedrag in bovenstaande omrekentabel ligt, de verzoeker toch in aanmerking komt voor het verminderd tarief. Ook hier geldt dat de verzoeker een en ander door middel van een inkomensverklaring T-2 van de raad voor rechtsbijstand dient aan te tonen. De inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand moet afgegeven zijn in hetzelfde jaar waarin het verzoek om naturalisatie is ingediend.
### 2.3. Tarieven C en D
Desalniettemin dient het naturalisatieverzoek in ontvangst te worden genomen indien de verzoeker erop staat zijn verzoek in te dienen in afwachting van het overleggen van genoemde stukken. Het verdient aanbeveling in voorkomende gevallen een woordelijk verslag op te maken en het verslag te laten ondertekenen door betrokkene. De te betalen naturalisatiegelden worden in dat geval op hoog tarief gesteld en de verzoeker(s) ingevolge [artikel 4:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) gedurende zes weken in de gelegenheid gesteld om de aanvraag te completeren.
### paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden
De optie- en naturalisatiegelden zijn verschuldigd alvorens een verklaring van optie of verzoek tot verlening van het Nederlanderschap in behandeling wordt genomen. De betaling heeft in Nederland plaats bij de autoriteit die de verklaring of het verzoek in ontvangst neemt, namelijk de burgemeester. Eerst na ontvangst van de betaling dan wel na de beslissing op een ontheffingsverzoek wordt het ingediende verzoek om naturalisatie dan wel de verklaring van optie in behandeling genomen (zie de nota van toelichting bij het [BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782)). Ongeacht het verdere verloop van de naturalisatieprocedure – toewijzing, afwijzing of intrekking van het verzoek nadat de behandeling is begonnen – zijn de rechten verschuldigd betaald (vergelijk [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=2) en [3 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=3)).
### 2.5. Categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III)[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 65 t/m 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=65)
### 4. Afdracht naturalisatiegelden
[WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580): [artikelen 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=1) en [4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=4)
### Ad artikel 13, tweede lid
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikelen II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) en [III](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III)[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 65 t/m 70](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=65)
### paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid beperkt tot datum herziening RWN (1 april 2003)
A heeft in 1997 ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) geopteerd voor het Nederlanderschap. Eerst in 2004 komt aan het licht dat bij de optie niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat A bij het afleggen van de optieverklaring heeft gefraudeerd. Zou dat destijds bekend zijn geweest, dan zou de administratie aan de optieverklaring geen rechtsgevolg hebben toegekend. In het hier geschetste geval is geen sprake van intrekking van verkregen Nederlanderschap. De optieverklaring is afgelegd vóór 1 april 2003 en toentertijd werd het Nederlanderschap niet verkregen door een schriftelijke bevestiging van de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst nam, maar door slechts het simpele afleggen van de optieverklaring, mits daarbij was voldaan aan alle optievoorwaarden. Welnu, aangezien in het onderhavige geval is geconstateerd dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, zal achteraf bezien moeten worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden. A moet dan ook geacht worden niet het Nederlanderschap door de optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is hier niet aan de orde.
### Ad artikel 14, eerste lid
De in het kader van het afleggen van een verklaring van optie ontvangen gelden, behoeven niet te worden afgedragen. De behandeling van en de beslissing op de verklaring van optie liggen immers geheel in handen van de ontvangende instantie.
### Ad artikel 14, eerste lid
A heeft in 1997 ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) geopteerd voor het Nederlanderschap. Eerst in 2004 komt aan het licht dat bij de optie niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat A bij het afleggen van de optieverklaring heeft gefraudeerd. Zou dat destijds bekend zijn geweest, dan zou de administratie aan de optieverklaring geen rechtsgevolg hebben toegekend. In het hier geschetste geval is geen sprake van intrekking van verkregen Nederlanderschap. De optieverklaring is afgelegd vóór 1 april 2003 en toentertijd werd het Nederlanderschap niet verkregen door een schriftelijke bevestiging van de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst nam, maar door slechts het simpele afleggen van de optieverklaring, mits daarbij was voldaan aan alle optievoorwaarden. Welnu, aangezien in het onderhavige geval is geconstateerd dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, zal achteraf bezien moeten worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden. A moet dan ook geacht worden niet het Nederlanderschap door de optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is hier niet aan de orde.
### 2. Algemeen
A heeft in 1997 ingevolge [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) geopteerd voor het Nederlanderschap. Eerst in 2004 komt aan het licht dat bij de optie niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat A bij het afleggen van de optieverklaring heeft gefraudeerd. Zou dat destijds bekend zijn geweest, dan zou de administratie aan de optieverklaring geen rechtsgevolg hebben toegekend. In het hier geschetste geval is geen sprake van intrekking van verkregen Nederlanderschap. De optieverklaring is afgelegd vóór 1 april 2003 en toentertijd werd het Nederlanderschap niet verkregen door een schriftelijke bevestiging van de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst nam, maar door slechts het simpele afleggen van de optieverklaring, mits daarbij was voldaan aan alle optievoorwaarden. Welnu, aangezien in het onderhavige geval is geconstateerd dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, zal achteraf bezien moeten worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden. A moet dan ook geacht worden niet het Nederlanderschap door de optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is hier niet aan de orde.
### paragraaf 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
Ten aanzien van naturalisatiebesluiten die zijn genomen op of ná 1 april 2003 heeft de Hoge Raad bij beschikking van 30 juni 2006 overwogen dat “**In het licht van dit alles moet worden aangenomen dat de regeling van artikel 14 lid 1 (RWN) mede betrekking heeft op gevallen als het onderhavige, waarin de aanvrager zijn personalia niet juist heeft opgegeven en het naturalisatiebesluit hem derhalve niet met de juiste personalia aanduidt, doch wel duidelijk is op welke fysieke persoon het besluit betrekking heeft. Uit het systeem en de strekking van de wet volgt derhalve dat ook in dat geval een naturalisatiebesluit, verleend onder de werking van de RWN zoals deze sinds 1 april 2003 luidt, rechtsgevolg heeft, zolang het niet met toepassing van artikel 14 lid 1 RWN is ingetrokken**.” In het geval het Koninklijk Besluit dateert van op of ná 1 april 2003 geldt voor het opgeven van een valse identiteit derhalve dat rechtsgevolg is verbonden aan het Koninklijk Besluit en betrokkene Nederlander is geworden. Het Nederlanderschap kan wel conform [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) worden ingetrokken.
### paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap uitsluitend wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
Verder geldt dat de voornemenprocedure is gestart op een moment dat A nog maar kort in het bezit van de Nederlandse nationaliteit is. Bij een relatief korte periode na de verkrijging van het Nederlanderschap bestaat minder reden om af te zien van intrekking dan bij een langere periode.
### paragraaf 2.4. Gevolgen voor kinderen
B, C en D zijn dus wel oud-Nederlanders, maar ingevolge [artikel II, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=II) kunnen zij geen optie uitbrengen op grond van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en ook niet in aanmerking komen voor een versnelde naturalisatie als bedoeld in [artikel 8, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), eerste zinsnede.
### 1. Intrekkingsmogelijkheid beperkt tot datum herziening RWN (1 april 2003)
In 2003 wordt zoon E geboren. Zoon E verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap ingevolge artikel 3, eerste lid, RWN.
### paragraaf 4.1. Voornemenprocedure
Gezien het belang van het bezit van het Nederlanderschap, in het bijzonder als het verlies daarvan zou leiden tot staatloosheid, is de procedure tot intrekking wegens fraude omgeven met bijzondere waarborgen. De procedure is beschreven in de [artikelen 66 tot en met 69 van het BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66). De procedure biedt de rechtstreeks betrokken personen en autoriteiten de mogelijkheid tot het inbrengen van bedenkingen, waardoor de Minister van Justitie zoveel mogelijk argumenten pro en contra de intrekking van het Nederlanderschap tegen elkaar kan afwegen.
### paragraaf 4.2. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap
[Artikel 68, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) bepaalt dat het besluit tot intrekking de personen vermeldt van wie het Nederlanderschap is ingetrokken. Aldus kan geen misverstand bestaan over de reikwijdte van de intrekking van het Nederlanderschap.
### paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
Ingevolge [artikel 70, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=70) wordt een afschrift van een besluit tot intrekking bedoeld in [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) of in [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15), gezonden aan de personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, aan de autoriteit die de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, aan de autoriteit van de plaats waar de personen die het Nederlanderschap hebben verloren in de GBA zijn ingeschreven en, zo nodig, aan andere betrokken instanties. [Artikel 66, tweede, derde en vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=66) zijn daarbij van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent dat:
### paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit
Wordt de burgemeester door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in kennis gesteld van een besluit tot intrekking, dan bevordert hij dat:
### paragraaf 5.3. Gevolgen van de intrekking voor de namen van betrokkene
Zijn de namen van betrokkene bij de naturalisatie c.q. optie gewijzigd of vastgesteld, dan doet zich na intrekking van het Nederlanderschap één van de volgende drie situaties voor:
### 14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid
[Artikel 65 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=65) bepaalt dat de autoriteiten en ambtenaren die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en verzoek om naturalisatie en die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat heeft geleid tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan de Minister van Justitie, zonodig onder medezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. De ambtenaar die op de hoogte is van frauduleuze handelingen in de hiervoor bedoelde zin, wordt verzocht contact op te nemen met de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (zie hoofdstuk Voorlichting). In onderling overleg kan dan een standpunt worden bepaald omtrent te nemen stappen, zoals wijziging van de nationaliteit van de betrokken persoon in de GBA en/of intrekking van het verstrekte Nederlandse reisdocument. Voorts zorgt deze afdeling voor het plaatsen van een aantekening in het nationaliteitenregister bij het koninklijk besluit of bij de bevestiging van de optieverklaring.
### 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
[Artikel 68, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=68) bepaalt dat het besluit tot intrekking de personen vermeldt van wie het Nederlanderschap is ingetrokken. Aldus kan geen misverstand bestaan over de reikwijdte van de intrekking van het Nederlanderschap.
### 5. Administratieve handelingen na intrekking Nederlanderschap
A, geboren in 1990, is het kind van een Nederlandse man en een Franse vrouw. A ontleent het Nederlanderschap aan uitsluitend artikel 3, eerste lid, RWN en is tevens van Franse nationaliteit.
### 1. Algemeen
Bij beschikking van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 5 maart 2004 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van B. Tegen de uitspraak wordt hoger beroep ingesteld. De uitspraak in dat beroep volgt op 9 juli 2004 en bij die uitspraak wordt de beschikking van de rechtbank bevestigd. Beroep in cassatie wordt niet ingesteld.
### 2. Overgangsrecht artikel 14, tweede lid
Zou B het Nederlanderschap tevens via de moeder aan artikel 3, derde lid, RWN ontlenen, dan zou voor hem geen verlies intreden. De familierechtelijke betrekking met de moeder is immers niet vervallen.
### 1. Algemeen
In principe zou dit voor de minderjarige C verlies van het Nederlanderschap meebrengen, en wel met ingang van 8 juli 2004. Echter, in dit geval treedt geen verlies in, omdat de andere ouder ten tijde van haar overlijden Nederlander was.
### 14-3. Toelichting ad artikel 14, derde lid
[WCN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580): [artikel 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004580&artikel=1)
### Ad artikel 14, derde lid
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 1.1b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1); [2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) en [14.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14)
### paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging
Bij statenopvolging kan worden gedacht aan bijvoorbeeld het uiteenvallen van een staat in diverse nieuwe staten of aan een splitsing van een staat als gevolg van een afscheidingsverklaring. In het kader van de hier bedoelde statenopvolging wordt veelal door de nieuw ontstane staten aan bepaalde (in het buitenland wonende) voormalige burgers van de oude uiteengevallen/gesplitste staat de mogelijkheid geboden om (onder bepaalde voorwaarden) de nationaliteit van de nieuwe staat door optie te verkrijgen.
### paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand
Een verklaring van afstand wordt in beginsel in persoon ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) en schriftelijk ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)) afgelegd, omdat van belang is dat wordt aangetoond dat de betrokkene is wie hij zegt te zijn. De burgemeester, moet zich de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de betreffende persoon ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). In dat kader wordt betrokkene verzocht een geldig identiteitsdocument te overleggen.
### 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
Door de verstrekking van één van laatstbedoelde documenten wordt de verliestermijn van tien jaren gestuit. Vanaf de dag van de verstrekking van een dergelijk document begint een nieuwe verliestermijn van tien jaren te lopen ([artikel 15, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)). Dus, als men er – steeds binnen tien jaren – voor zorgt in het bezit te worden gesteld van bedoelde verklaring van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument, kan het Nederlanderschap nimmer op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) verloren gaan door verblijf in het buitenland.
### paragraaf 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
Behoudens het gestelde in de volgende alinea, treedt verlies van het Nederlanderschap in door langdurig verblijf in het buitenland. Van belang hierbij is dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan. Betrokkene:
### 1. Algemeen
A, van Nederlandse en Franse nationaliteit, geboren in 1945 in Nederland, woont sedert 15 maart 1996 in de Verenigde Staten).
### 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
Het verlies als hiervoor bedoeld, trad niet in indien:
### 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar
Anders wordt de situatie indien vervolgens de betreffende staat betrokken raakt bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk (dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is) en betrokkene de aangegane verbintenis straffeloos kan verbreken, doch dat nalaat of na afloop van zijn contract de dienst vrijwillig voortzet. Onder dergelijke omstandigheden moet de betrokkene worden geacht zich vrijwillig in de betreffende krijgsdienst te hebben begeven, hetgeen wél verlies van het Nederlanderschap tot gevolg heeft.
### Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e
Om tot verlies van het Nederlanderschap te leiden, dient de indiensttreding vrijwillig te zijn geweest, of sprake te zijn van vrijwillige voortzetting van het dienstverband. Het gevolg geven door een bipatride Nederlander aan een oproep voor de militaire dienstplicht van een vreemde staat is geen vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst. Ook vrijwillige dienstneming in vreemde krijgsdienst leidt op zich niet tot verlies van het Nederlanderschap.
### 7. Verdere administratieve afhandeling
Hoewel het onderhavige artikel in het licht van artikel 94 Grondwet (verdrag gaat boven wet) overbodig zou kunnen worden geacht (het verlies vloeit immers rechtstreeks voort uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS), heeft de wetgever het toch wenselijk geacht deze verdragsverplichtingen onder de aandacht te brengen in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738). Het onderhavige artikel beoogt dus niet zelfstandige verliesgronden in het leven te roepen. Indien de bepaling uit de in dit artikel genoemde verdragen rechtstreekse werking hebben, leidt die bepaling van rechtswege tot verlies van het Nederlanderschap. Het verlies treedt derhalve niet in op grond van het onderhavige artikel maar op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van het Verdrag van Straatsburg of van de TOS.
### 15a-a. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)
De Nederlander B, die in 1949 in Nederland is geboren, woont sedert 1990 in Frankrijk en wordt in januari 2004 tot Fransman genaturaliseerd. Ten tijde van zijn naturalisatie is hij gehuwd met een vrouw van Franse nationaliteit.
### Ad artikel 15A, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [62 t/m 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)
### Algemeen
Verlies van het Nederlanderschap zou voor A intreden op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN ware het niet dat in dit geval het verlies wordt voorkomen, doordat een ouder, namelijk de moeder van A, het Nederlanderschap bezit.
### Ad artikel 15A, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)
In 2005 legt A, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, namens C een verklaring van afstand af als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
### Toelichting
Volgens [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) zou ook A, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, ingevolge artikel 14, vierde lid, RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien A, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest hij zijn Nederlanderschap niet.
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
Echter, ingevolge artikel 14, vierde lid, RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien B, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest hij zijn Nederlanderschap niet.
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
Het echtpaar A en B, beiden geboren in Marokko in 1965, woont sedert 1995 in Nederland. In 2000 wordt in Marokko uit het huwelijk C geboren. Alle leden van het gezin zijn van Marokkaanse nationaliteit.
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
A is in Nederland geboren uit het huwelijk van de Nederlandse man B en de in Frankrijk geboren Britse vrouw C.
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
Een eventueel toekomstig verlies van het Nederlanderschap door B leidt voor A niet tot verlies van het Nederlanderschap. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN is, wat dat betreft, anders geredigeerd dan [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16).
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
Echter, in dit geval wordt verlies van het Nederlanderschap voorkomen door [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16). De vader van A is Nederlander.
### 16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
In 2001 wordt vader A genaturaliseerd tot Nederlander. A behoudt daarbij de Marokkaanse nationaliteit. Kind C deelt in de naturalisatie. Moeder B wordt niet genaturaliseerd. Vader en kind bezitten na naturalisatie de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.
### Ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### Ad artikel 16, tweede lid
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### Toelichting
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
### Artikel 19
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### Artikel 20
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### 20-alg. Toelichting algemeen
In [hoofdstuk 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6) is de vaststelling van het Nederlanderschap geregeld. Die vaststelling kan als volgt geschieden. Wanneer alleen de vaststelling van de nationaliteit aan de orde is, dan is in Nederland uitsluitend bevoegd de Rechtbank ’s-Gravenhage, en in de Nederlandse Antillen of Aruba het gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Is echter reeds elders een zaak aanhangig bij een rechterlijke instantie of in een administratief beroep, waarbij mede van belang is dat het al of niet bezitten van het Nederlanderschap wordt vastgesteld, dan is een procedure voor de Haagse rechtbank of het gemeenschappelijk Hof van Justitie niet mogelijk. Iemand kan dus niet ‘twee ijzers in het vuur hebben’.
### Artikel 21
[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 12.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12); [18.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=18); [24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=24); [30.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=30) en [64.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=64)
### 22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=6)
### Toelichting
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
### Toelichting
Geen.
### Artikel 26
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 6.1f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [6.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6); [11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [15A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) WNI: artikelen 5 (oud); 7.1 en 7.3
### Ad artikel 26, eerste lid
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [artikel 2 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2). In aanvulling daarop geldt het volgende. De persoon die een beroep doet op deze bepaling, zal zelf moeten aantonen wanneer en op grond van welk artikel hij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. In een aantal gevallen zal dit al blijken uit een vermelding in de GBA. In dat geval is geen aanvullend bewijs nodig. Is de verliesgrond echter niet vermeld, dan zal de vrouw die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren als gevolg van het door haar voor 1 maart 1964 gesloten huwelijk, bijvoorbeeld een uittreksel uit het huwelijksregister kunnen tonen. In veel gevallen zal de betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen. Verlies op grond van artikel 7, aanhef ten eerste of ten derde, WNI of [artikel 15, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) kan worden aangetoond door het overleggen van het naturalisatiebesluit, een bij de naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit een naturalisatie c.q. optieregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het vreemde nationaliteitsrecht. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het om de griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen, bijvoorbeeld bij de vertegenwoordiging van zijn land in Nederland en dient – indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van dat land in Nederland bevoegd zijn om de verklaring af te geven. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van dat land in Nederland bevoegd zijn om een verklaring af te geven. Deze verklaring dient, indien nodig, gelegaliseerd en vertaald te worden. De burgemeester zal vervolgens aan de hand van het (destijds geldende) vreemde recht en het (destijds geldende) Nederlandse nationaliteitsrecht moeten bepalen of sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit en zo ja, op grond van welk artikel in de WNI of de RWN.
### Toelichting
Voor de administratieve afhandeling geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
### Toelichting
Voor de administratieve afhandeling geldt hetzelfde als beschreven bij [artikel 6 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
### Toelichting
Een Nederlandse vrouw C trouwt in 1962 met een Italiaanse man. Zij verkrijgt als gevolg van haar huwelijk automatisch de Italiaanse nationaliteit. Zij verliest van rechtswege de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) WNI. Deze vrouw kan, mits jegens haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 behoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
### Ad artikel 27, tweede lid
Geen.
### 27-alg. Toelichting algemeen
[BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656): [artikelen 1:133](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=133); [1:163.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=163); [1:253ha](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha) en [1:183.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=183)
### Toelichting
De verkrijging van het Nederlanderschap op grond van het onderhavige artikel werkt terug tot de datum waarop het huwelijk is ontbonden. Dit is een uitzondering op het in [artikel 2, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) geformuleerde beginsel dat verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. Volgens Nederlands recht wordt het huwelijk onder meer ontbonden door de dood, door echtscheiding en door ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed ([artikel 1:149 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=149)). De echtscheiding of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed komt tot stand op het moment dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ([artikel 1:163, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=163) en [artikel 1:183, eerste lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=183)). In andere rechtsstelsels geldt veelal dat het huwelijk is beëindigd op een moment dat een rechterlijke uitspraak waarbij het huwelijk is ontbonden in kracht van gewijsde is gegaan.
### Ad artikel 28, tweede lid
Geeft de betreffende nationaliteitswetgeving daaromtrent geen uitsluitsel of blijkt uit die nationaliteitswetgeving dat de vrouw door het huwelijk niet van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen, dan dient de verkrijging van die andere nationaliteit te worden aangetoond door bijvoorbeeld een naturalisatiebesluit, een bij naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel uit het nationaliteitenregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en de juridische grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het nationaliteitsrecht. Uit die gegevens kan (mede) worden afgeleid of het Nederlanderschap is verloren door of in verband met het huwelijk. Het is per land verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat het bijvoorbeeld om een griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een afdeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen bij bijvoorbeeld de vertegenwoordiging van haar land in Nederland en dient – indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft – aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging van haar land in Nederland bevoegd zijn om de verklaring af te geven. Deze verklaring dient, indien nodig, te worden gelegaliseerd en vertaald. De circulaire legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen, alsmede de toepassing van DNA-onderzoek in een aantal gevallen waarin bewijsstukken ontbreken van 15 mei 2006 is van toepassing.
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van artikel 14, tweede lid, RWN. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen.
### Artikel 14, tweede lid, RWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4); [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5); [14.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
N.B. Voor deze bepaling geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’.
### 2.3. (Gedeeltelijke) ontheffing van de toets
### paragraaf 2. Procedure
### 2.1.2. Aanvraagfase
### paragraaf 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
### 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
### Bijlage 7
Heeft iemand in zijn eigen land niet de aldaar gebruikelijke basisopleiding (lagere school) afgerond, dan wordt hij in het kader van het inburgeringsexamen als niet gealfabetiseerd beschouwd. Mogelijkerwijs kan betrokkene enigszins in zijn eigentaal en (al dan niet) het Nederlands enige woorden lezen en schrijven, toch is betrokkene te beschouwen als niet gealfabetiseerd. Van een ieder die op model 2.28 aangeeft dat hij in het herkomst land geen enkel opleiding heeft afgerond, wordt aangenomen dat hij de eigen taal niet kan lezen en schrijven. Betrokkene hoeft dienaangaande geen stukken te overleggen.
### 1. Algemeen
### Bijlage 7
### Ad artikel 8, derde lid
### paragraaf 1. Algemeen
D is van Marokkaanse nationaliteit. Hij woont en werkt in totaal al vijftien jaar in Nederland, maar hij heeft pas sinds twee jaar een verblijfsvergunning. D komt dus niet in aanmerking voor de verkorte termijn van twee jaar toelating en hoofdverblijf. Weliswaar heeft hij in totaal meer dan tien jaar hoofdverblijf in Nederland, maar hij heeft in totaal nog geen tien jaar toelating in Nederland. Als D zijn hoofdverblijf in Nederland houdt en zijn verblijfsvergunning steeds tijdig laat verlengen, kan hij over drie jaar een verzoek om naturalisatie indienen. Hij heeft dan direct voorafgaand aan het verzoek om naturalisatie vijf jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland. Of het verzoek van D dan wordt ingewilligd, hangt uiteraard ook af van de vraag of D dan voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap.
Indien de verzoeker in de afgelopen drie jaar onafgebroken is gehuwd met een Nederlander (of in geval van drie jaar in Nederland geregistreerd partnerschap, vergelijk [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1)) én beide partners tijdens deze periode drie jaar onafgebroken samenwonen, geldt géén termijn van toelating en hoofdverblijf. Het huwelijk en de samenwoning mogen gedurende deze periode van drie jaar niet onderbroken zijn geweest, aangezien een onderbreking afbreuk doet aan de bij een huwelijk met een Nederlander veronderstelde versnelde inburgering. Op het moment van de indiening van het verzoek dient de echtgenoot van de verzoeker in het bezit te zijn van de Nederlandse nationaliteit. Niet vereist is dat de Nederlandse echtgenoot van de verzoeker reeds drie jaar het Nederlanderschap bezit. Het is dus niet zo dat pas drie jaren na de naturalisatie van de één, de ander een verzoek mag indienen.
### Ad artikel 8, zesde lid
### 4. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
### paragraaf 4.2. Transacties en strafbeschikkingen
### 4.1. Misdrijven
### 4.4. Voeging
Ook ingeval van een voorwaardelijk opgelegde straf is er sprake van een onvoorwaardelijke veroordeling, waarbij alleen de tenuitvoerlegging van de straf (of een gedeelte daarvan) onder bepaalde voorwaarden wordt opgeschort. Het voorwaardelijk opschorten van de tenuitvoerlegging van (een gedeelte van) de straf, doet niets af aan de veroordeling en daarmee aan de strafbaarheid van de daad en dader. Ook als een straf voorwaardelijk is opgelegd, is het misdrijf gepleegd en zijn daad en dader strafbaar bevonden. Voor naturalisatie is dus niet van belang of de straf voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd. Bij de beoordeling van het gedrag van de verzoeker wordt gekeken naar de totale straf die is opgelegd, dus ook naar het voorwaardelijke gedeelte ervan. Daarbij is het enkele feit dat de straf (geheel of gedeeltelijk) voorwaardelijk is opgelegd, dus niet van belang en wordt ook het voorwaardelijk opgelegde gedeelte in aanmerking genomen. Het feit dat de straf voorwaardelijk is opgelegd, is wel van belang voor de rehabilitatietermijn. Er zijn twee mogelijkheden:
### 4.6. Buitenlandse feiten
### 4.11. Schadevergoeding
### 1. Algemeen
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
### 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
### paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen
### 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
B lijdt door het betalen van het bedrag voor het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Weliswaar is zijn netto maandinkomen lager dan het bedrag aan leges, maar zijn in aanmerking te nemen vermogen bedraagt 14.656 (150.000 minus 70.000 = 80.000 van welk bedrag 65.344 niet wordt meegerekend). Daarmee zit hij ruim boven de vermogensgrens van 6370.
### 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Door betrokkene zal aan de hand van recente verklaringen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, moeten aantonen dat hij dienstplichtig is, dat hij zijn militaire dienst nog niet heeft vervuld en dat hij slechts afstand van die nationaliteit kan doen na vervulling (door middel van werkelijke dienst, al dan niet met afkoop van een gedeelte daarvan) aldaar van de militaire dienst.
Is het bedrag (de waarde van de vermogensrechtelijke rechten) dat wordt verloren door het doen van afstand hoger dan (of gelijk aan) een vierde deel van het overig vermogen van verzoeker, dan is sprake van substantieel financieel nadeel in hier bedoelde zin en behoeft verzoeker geen afstand te doen.
Door betrokkene zal aan de hand van recente verklaringen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, moeten aantonen dat hij dienstplichtig is, dat hij zijn militaire dienst nog niet heeft vervuld en dat hij slechts afstand van die nationaliteit kan doen na vervulling (door middel van werkelijke dienst, al dan niet met afkoop van een gedeelte daarvan) aldaar van de militaire dienst.
### 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt – voorzover mogelijk – meegedeeld of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Een verzoeker die bereid is afstand te doen, wordt in de voorlichtingsfase verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit teneinde te informeren naar de wijze waarop afstand van die nationaliteit kan worden gedaan (kan afstand worden gedaan op een ambassade of consulaire post in Nederland, kan alleen afstand worden gedaan in het land van herkomst, dient voor het doen van afstand te worden betaald etc.) én naar de (eventuele) gevolgen van het doen van afstand (bijvoorbeeld het verlies van vermogensrechtelijke rechten). Dit is om te voorkomen dat verzoeker, na de totstandkoming van de naturalisatie tot Nederlander, bij het doen van afstand wordt geconfronteerd met daaraan verbonden voorwaarden waaraan hij niet kan of niet wenst te voldoen. Na de totstandkoming van de naturalisatie kan hij immers niet meer met succes een beroep doen op één van de uitzonderingscategorieën. In dat kader is van belang dat uit de door verzoeker ondertekende bereidheidsverklaring blijkt dat hij in verband met het doen van afstand is gewezen op de uitzonderingscategorieën en dat hij tevens is verwezen naar de autoriteiten waarvan hij de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie omtrent het doen van afstand.
### Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
Het postadres is: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Stafdirectie Uitvoeringsbeleid, afdeling uitvoeringsbeleid, Postbus 5800, 2280 HV Rijswijk.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder e
### paragraaf 1. Algemeen
### Ad artikel 9, vierde lid
Een bijzonder geval kan zich voordoen als blijkt dat de verlening van het Nederlanderschap in zodanige mate een Nederlands cultureel belang dient, dat afwijking van één of meer reguliere voorwaarden wordt gerechtvaardigd. Onder een Nederlands cultureel belang wordt tevens verstaan een Nederlands belang op sportief gebied.
De Staatssecretaris van VWS laat zich ondersteunend adviseren door de desbetreffende nationale sportbond, maar heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het advies aan de Minister van Justitie.
De Staatssecretaris van VWS laat zich ondersteunend adviseren door de desbetreffende nationale sportbond, maar heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het advies aan de Minister van Justitie.
### 2.5. Niet bijzondere gevallen
[Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537): [artikel 4:5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)
### 3.5. Beslissing
### 11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid
### Toelichting
### Artikel 12
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel IB.A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IB)
### Ad artikel 11, zesde lid
### Ad artikel 11, vijfde lid
### 1. Algemeen
Het spreekt voor zich dat kinderen die reeds de Nederlandse nationaliteit bezitten geen deel uitmaken van een verzoek om naturalisatie van hun ouders. Nederlandse kinderen delen daarom niet in de verkrijging van het Nederlanderschap noch in de eventuele naamsvaststelling of naamswijziging van hun ouders.
### 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
### Ad artikel 12, eerste lid
Verzoeker heeft de Russische nationaliteit en bezit volgens zijn (Russische) geboorteakte een patronymicum. Hij staat (derhalve) ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) met het patronymicum. Verzoeker verklaart echter dat hij zonder het patronymicum wenst te worden genaturaliseerd. Het Russisch patronymicum is een tussennaam (‘otchestvo’ in het Russisch), gebaseerd op de eerste naam van de vader. Het Russisch patronymicum maakt geen onderdeel uit van de geslachtsnaam. Als tussennaam kan het patronymicum uitsluitend in combinatie met de geslachtsnaam worden gewijzigd dan wel vervallen, en dan uitsluitend wanneer dit voor de inburgering van belang is.
### 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde
### 1. Optiegelden
### paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
### 1.1. Tarieven
Eén verzoeker komt in aanmerking voor tarief C als het inkomen van verzoeker niet uitkomt boven de op hem of haar toepasselijke norm uit de Wwb. Het gaat dan om de norm die van toepassing is in het halfjaar dat het naturalisatieverzoek wordt ingediend en de betalingsverplichting wordt vastgesteld. Bij de beoordeling of de verzoeker in aanmerking komt voor laag tarief wordt, gelet op het bepaalde in [artikel 10, tweede lid, Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013506&artikel=10), in het geval deze gehuwd is, dan wel een (geregistreerde) partner heeft (tenzij deze echtgeno(o)t(e) of partner van de verzoeker duurzaam gescheiden leeft) dan wel een duurzaam huishouden voert met een persoon (tenzij tussen hen een bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat), het inkomen van beiden meegerekend.
### 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
### 2.2. Tarieven E en F
### Ad artikel 13, eerste lid
### 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
### 2.4. Gevolgen voor kinderen
### 2.5. Categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): [titel XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XII)
### 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
[WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854): [titel XII](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&titeldeel=XII)
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 11 november 2005 ten aanzien van het vorenstaande nog opgemerkt dat sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene toch identificeert en daarom rechtsgevolg heeft. Daarop aansluitend heeft de Hoge Raad in de beschikking van 30 juni 2006, onder verwijzing naar zijn beschikking van 11 november 2005, gesteld dat bijzondere omstandigheden inhouden dat **‘de betrokkene desondanks wel voldoende geïdentificeerd was en de aanvrager door het tot stand gekomen naturalisatiebesluit wel het Nederlanderschap heeft verworven’.**Hiervan is sprake wanneer **‘ondanks de onjuistheid van de verschafte persoonsgegevens, omtrent de ware identiteit van de aanvrager bij de instanties die het verzoek moesten onderzoeken en beoordelen, een zodanige duidelijkheid heeft bestaan, dat niet gezegd kan worden dat de onjuistheid van de persoonsgegevens hun onderzoek en beoordeling belemmerd heeft’**.
### 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
Bij de overig te wegen relevante factoren geldt dat voor de intrekking niet hoeft te worden gewacht tot er een onherroepelijk strafvonnis is, omdat reeds een openstaande strafzaak voldoende grond is om een verzoek tot naturalisatie af te wijzen. In de belangenafweging moet nog worden gekeken naar het eventueel niet-opportuun zijn van de intrekking (dit betreft de vraag binnen welke termijn A, na intrekking, weer Nederlander zou kunnen worden).
### 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
E blijft Nederlander. Ook na de intrekking van het Nederlanderschap van B geldt ten aanzien van E nog steeds dat hij het kind is van wie ten tijde van zijn geboorte de vader Nederlander was.
### 3. Administratieve handelingen voorafgaand aan het intrekkingsbesluit
[Artikel 65 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=65) bepaalt dat de autoriteiten en ambtenaren die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen en verzoek om naturalisatie en die in de uitoefening van hun ambt kennis krijgen van valse verklaringen of bedrog dan wel van de verzwijging van enig relevant feit dat heeft geleid tot de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan de Minister van Justitie, zonodig onder medezending van op de zaak betrekking hebbende stukken. De ambtenaar die op de hoogte is van frauduleuze handelingen in de hiervoor bedoelde zin, wordt verzocht contact op te nemen met de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (zie hoofdstuk Voorlichting). In onderling overleg kan dan een standpunt worden bepaald omtrent te nemen stappen, zoals wijziging van de nationaliteit van de betrokken persoon in de GBA en/of intrekking van het verstrekte Nederlandse reisdocument. Voorts zorgt deze afdeling voor het plaatsen van een aantekening in het nationaliteitenregister bij het koninklijk besluit of bij de bevestiging van de optieverklaring.
Bij beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 7 januari 2004 wordt de gegrondverklaring uitgesproken tot ontkenning van het vaderschap ten aanzien van de minderjarige A. Tegen de uitspraak wordt geen hoger beroep ingesteld. Ingevolge artikel 1:202, eerste lid, BW vervalt de familierechtelijke betrekking tussen de Nederlandse man en A op het moment dat de beschikking van 7 januari 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.
### 14-4. Toelichting ad artikel 14, vierde lid
### 15-alg. Toelichting algemeen
### Ad artikel 14, derde lid
Een verklaring van afstand wordt in beginsel in persoon ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)) en schriftelijk ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)) afgelegd, omdat van belang is dat wordt aangetoond dat de betrokkene is wie hij zegt te zijn. De burgemeester, moet zich de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de betreffende persoon ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). In dat kader wordt betrokkene verzocht een geldig identiteitsdocument te overleggen.
### 1. Algemeen
Als een Nederlander, die op het moment dat de oude staat ophield te bestaan in het bezit was van de nationaliteit van die uiteenvallende staat door het afleggen van een optie, als hierboven bedoeld, de nationaliteit van een nieuwe staat verkrijgt, heeft dat geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg. Deze nationaliteitsmutatie houdt zo duidelijk en uitsluitend verband met de staatkundige veranderingen in het andere land, dat niet gesproken kan worden van “vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit” als bedoeld in onderhavig artikellid. Het hier gestelde geldt alleen voor de Nederlander die tot het moment van het uiteenvallen of splitsing van de betreffende oude staat de nationaliteit van die staat bezat en dus niet voor degene die die nationaliteit voor dat tijdstip heeft verloren (bijvoorbeeld als gevolg van naturalisatie tot Nederlander). Laatstgenoemde persoon is dan op het moment van uiteenvallen of splitsing van de staat niet meer in het bezit van de nationaliteit van de uiteenvallende staat. In dat geval is duidelijk sprake van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit.
### paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn
### 7. Verdere administratieve afhandeling
### 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
### 1.4. Situatie tot 1 april 2003
Onder ‘krijgsdienst van een staat’ moet worden verstaan: dienstneming in het leger van een vreemde mogendheid. Het hoeft hier niet te betreffen een staat die is erkend door het Koninkrijk. Paramilitaire strijdkrachten van een vreemde mogendheid vallen in dit verband niet onder het begrip krijgsdienst.
### 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
### Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d
### Ad artikel 15, tweede lid
### Toelichting
### Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d
### Toelichting
In 2004 is in Rotterdam kind C geboren uit het huwelijk van A en B. Moeder en vader zijn van Turkse nationaliteit. Ten tijde van de geboorte van C wonen A en B in Rotterdam. A is zelf geboren in Dordrecht uit ouders die daar toentertijd hoofdverblijf hadden.
Door de verklaring van afstand verliest C het Nederlanderschap. Geen van de onderdelen van [artikel 16, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) verhindert het intreden van het verlies. Met name belet artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN het verlies niet, daar is immers vermeld dat de uitzondering om niet het Nederlanderschap te verliezen niet geldt in geval van het afleggen van een verklaring van afstand.
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
### 16-2-alg. Toelichting algemeen
### 16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
A vestigt zich na zijn naturalisatie tot Nederlander in Denemarken. In 2002 wordt zijn huwelijk met B door echtscheiding ontbonden en trouwt hij in Denemarken met een Deense vrouw. Als hij zes jaren in Denemarken woont, wordt hij daar genaturaliseerd. Zijn minderjarig kind C, die in Nederland bij B verblijft, verkrijgt niet de Deense nationaliteit. B bezit op het moment dat A de Deense nationaliteit verkrijgt nog steeds uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit en kind C heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit.
### 16a-alg. Toelichting algemeen
### 17-alg. Toelichting algemeen
### 18-alg. Toelichting algemeen
### Toelichting
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
Geen.
### Toelichting
Geen.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [13.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13); [13.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21)
### Toelichting
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [hoofdstuk 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&hoofdstuk=6)
### Toelichting
De invoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap op 1 januari 1985 heeft geen verandering gebracht in de nationaliteitsrechtelijke positie van personen die het Nederlanderschap hebben verkregen op grond van eerder geldende wettelijke regelingen. Met andere woorden, personen die onmiddellijk vóór 1 januari 1985 Nederlander waren, zijn dat op 1 januari 1985 gebleven. Het onderhavige artikel bepaalt dat deze personen Nederlander zijn in de zin van de RWN.
### 26-alg. Toelichting algemeen
Een op het moment van de bevestiging van de optie minderjarig kind van de in [artikel 26, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) bedoelde persoon hoeft evenmin in het Koninkrijk te wonen om in de optie te kunnen delen. Hetzelfde geldt voor het kind van dit kind. Alleen als het kind in de optieverklaring van de ouder wordt genoemd, deelt het in de verkrijging van het Nederlanderschap.
### Toelichting
### Algemeen
Ingevolge deze bepaling kunnen oud-Nederlanders die voldoen aan de voorwaarden van [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) tot en met 31 maart 2013 een beroep doen op het onderhavige artikel.
### Algemeen
### Ad artikel 28, eerste lid
### Ad artikel 28, derde lid
Een Nederlandse vrouw is in 1963 gehuwd met een Belgische man. Op grond van de Belgische nationaliteitswetgeving heeft zij door dit huwelijk de Belgische nationaliteit verkregen. Op grond van artikel 5 WNI – zoals dat luidde tot 1 maart 1964 – heeft zij door dit huwelijk het Nederlanderschap verloren. Uit het huwelijk wordt in 1986 een kind geboren. De Belgische man is op 20 november 2002 overleden. Zij heeft op 14 oktober 2003 de optieverklaring afgelegd. In de verklaring heeft zij met het oog op medeverkrijging de naam van het kind vermeld. Op 1 december 2003 is de verklaring door de burgemeester bevestigd. Zij en het kind hebben het Nederlanderschap op 20 november 2002 verkregen.
### Artikel II RRWN
### Artikel III RRWN
WNI: artikel 2.a
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2.1.2. Aanvraagfase
### 3.1. Polygamie
### paragraaf 2.3.4. Toetscriteria niet gealfabetiseerd
### 2.3.5. Aanmelding bij ROC Amsterdam
### 2.3.6. Aanmelding bij ROC Amsterdam
### paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
### paragraaf 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### 1. Algemeen
### 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
Het betreft hier verzoekers die bij het indienen van het verzoek om naturalisatie aantonen dat zij in het bezit zijn van verblijfsdocument III (verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd) of verblijfsdocument IV (verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd).
Dit artikellid geeft een opsomming van categorieën verzoekers om naturalisatie op wie het in het eerste lid aanhef en onder b van dit artikel neergelegde vereiste van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is. De hier vermelde uitzonderingen berusten op verdragsverplichtingen (in het bijzonder het Tweede Protocol en het Vluchtelingenverdrag van Geneve van 28 juli 1951).
### paragraaf 2.1. Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel)
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
Vóór 1 april 2003 konden minderjarigen, die niet hadden gedeeld in de verlening van het Nederlanderschap aan de ouder(s), onder voorwaarden op grond van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden voorgedragen voor naturalisatie. Voor deze minderjarigen is thans een bijzondere naturalisatieprocedure opgenomen in [artikel 11, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11).
### Artikel 11
### 3.4. Advies VWS
### 3.5. Beslissing
### paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen
### 1. Algemeen
De tweejarige A is het eerste kind van een Nederlandse moeder en haar Pakistaanse echtgenoot. Omdat de vader van A een naamsketen draagt, verkrijgt A bij zijn geboorte de geslachtsnaam van zijn moeder: ‘Jansen’. Onlangs heeft de vader van A een verzoek om naturalisatie ingediend en thans wordt hem het Nederlanderschap verleend. Zijn geslachtsnaam wordt vastgesteld als ‘Khan’. Aangezien A de Nederlandse nationaliteit bezit, was hij geen subject van het verzoek om naturalisatie van zijn vader. Hij deelt daarom niet in de vaststelling van de geslachtsnaam van zijn vader en behoudt de bij zijn geboorte verkregen geslachtsnaam ‘Jansen’. De na de naturalisatie van de heer Khan geboren kinderen verkrijgen allen eveneens de geslachtsnaam ‘Jansen’. Immers, volgende kinderen van dezelfde ouders hebben op grond van [artikel 1:5, zevende lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=5) dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind.
Indien er sprake is van een namenreeks of naamsketen kan geen onderscheid worden gemaakt tussen de geslachtsnaam en de voornamen van de verzoeker. De volgende landen kennen een zogenaamde namenreeks of naamsketen: Afghanistan, Bangladesh, Egypte, Ethiopië, India, Indonesië, Irak, Democratische Republiek Congo, Nepal, Pakistan, Soedan, Somalië en Sri Lanka. Ten aanzien van verzoekers van wie de namen worden bepaald door het recht van deze landen is dus naamsvaststelling geboden. In dat geval dient een enkelvoudige geslachtsnaam te worden vastgesteld die overeenkomt met de naam van de (voor)ouder. Draagt betrokkene een namenreeks waarin niet een naam van een (voor)ouder voorkomt, dan dient één van zijn eigen namen te worden vastgesteld als geslachtsnaam en de andere eigen naam als voornaam.
### paragraaf 1. Optiegelden
### 1.3. Nederlandse kinderen delen niet in naamsvaststelling of naamswijziging
### 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
### 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
### 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
Gemeenschappelijke verzoekers komen in aanmerking voor tarief D als hun gezamenlijke inkomen niet uitkomt boven de norm uit de Wwb, die op hen van toepassing is op het moment dat het naturalisatieverzoek wordt gedaan en de betalingsverplichting wordt vastgesteld.
### 2.4. Beoordeling of laag tarief van toepassing is
### paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
### Artikel 14
### 1. Intrekkingsmogelijkheid beperkt tot datum herziening RWN (1 april 2003)
### 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
### paragraaf 2.3. Belangenafweging
### 2.3. Belangenafweging
B is op 19 juni 1995 genaturaliseerd. Zijn minderjarige kinderen C en D zijn meegenaturaliseerd.
**Meldplicht fraude**
### 4.1. Voornemenprocedure
### Ad artikel 14, derde lid
### paragraaf 1.1. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
### Algemeen
### paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten
### 3. Wijze van afleggen van de verklaring van afstand
De verklaring van afstand vermeldt dat de persoon die de verklaring aflegt, bekend is met het feit dat ingevolge [artikel 16 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) minderjarige kinderen onder omstandigheden zullen delen in het verlies van het Nederlanderschap ([artikel 62, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=62)). Alvorens de verklaring in ontvangst te nemen bepaalt de burgemeester, voor zoveel mogelijk, of hiervan sprake zal zijn ([artikel 63, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)) en licht hij degene die de afstandsverklaring aflegt daarover in.
### 1.1. Stuiting van de verliestermijn
### 1.1. Stuiting van de verliestermijn
### 15-2. Toelichting ad artikel 15, tweede lid
### 15a-b. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
De minderjarige F wordt rechtsgeldig erkend door de Turkse man M. F bezit op het moment van de erkenning al de Turkse nationaliteit, zodat artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN op hem van toepassing is. F verliest evenwel niet zijn Nederlanderschap. Het verlies wordt verhinderd door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN.
De uitzonderingen, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN zijn op A niet van toepassing.
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
Geen.
### Artikel 17
### Ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
### Toelichting
### Toelichting
### Toelichting
### Toelichting
### 23-alg. Toelichting algemeen
### Ad artikel 22, eerste lid
### Ad artikel 22, eerste lid
### Toelichting
### Ad artikel 22, eerste lid
### 27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
### 27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
### Ad artikel 27, eerste lid
Een Nederlandse vrouw is in 1965 gehuwd met een Belgische man. Zij heeft hierdoor de Belgische nationaliteit verkregen. Zij heeft door het huwelijk niet van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verloren (artikel 5 WNI (oud) is per 1 maart 1964 vervallen). Zij heeft in 1966 het Nederlanderschap verworpen teneinde eenheid van nationaliteit tussen haar en haar man te bewerkstelligen. In januari 2003 is in Nederland de echtscheiding uitgesproken en op 5 februari 2003 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw kan tot 5 februari 2004 een schriftelijke verklaring afleggen om het Nederlanderschap te herkrijgen. Als zij dat doet, verkrijgt zij het Nederlanderschap met ingang van 5 februari 2003.
### Artikel 14, tweede lid, RWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
### Toelichting
Ingevolge [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de verliestermijn van tien jaren uit [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dit betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal verlies van het Nederlanderschap kan intreden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder b, c en d van bedoeld tweede lid, waar is geregeld dat in bepaalde uitzonderingsgevallen geen verlies van het Nederlanderschap, als bedoeld in [artikel 16, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) intreedt. De onder b, c en d genoemde uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in het tweede lid van artikel 16 RWN opgenomen.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
### 3.8. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken
### paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
### 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen
### 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen
### 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### paragraaf 3.1. Polygamie
### 3.1. Polygamie
### 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
### 1. Algemeen
### 6.1. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
### 6.3. Bericht van de korpschef
### 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### paragraaf 2.2. Humanitaire redenen
### 1. Algemeen
Bij circulaire d.d. 9 april 1999, kenmerk S/BOA-99440 heeft de Staatssecretaris van VWS richtlijnen opgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of wordt voldaan aan het vereiste van een aanwezig Nederlands belang op sportief gebied. De circulaire stelt de eis dat de betrokkene bij de desbetreffende Nederlandse landelijke sportorganisatie op het niveau van de nationale top presteert. Dit betekent volgens de circulaire:
### 3. Topsporters
### Ad artikel 11, achtste lid
### 1. Algemeen
### 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### 13-1. Toelichting ad artikel 13, eerste lid
### paragraaf 1.1. Tarieven
### paragraaf 2.4. Beoordeling of laag tarief van toepassing is
### 1.1. Tarieven
### 2.2. Intrekking Nederlanderschap uitsluitend wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
### 2.1.2. Bijzondere omstandigheden
Derhalve verliest de minderjarige A op 8 april 2004 het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, RWN. Het verlies kan niet worden voorkomen; immers, de moeder is niet van Nederlandse nationaliteit, A ontleent het Nederlanderschap niet tevens aan artikel 3, derde lid, RWN, en hij zal door het verlies van het Nederlanderschap ook niet staatloos worden.
### Artikel 15
### 2. Overgangsrecht artikel 14, tweede lid
### Algemeen
### Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a
### paragraaf 1.4. Situatie tot 1 april 2003
### paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
### 15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
### Ad artikel 15A, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)
### Artikel 16
Een Nederlands echtpaar emigreert naar Australië, waar kind A wordt geboren. A verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap, maar daarnaast ook de Australische nationaliteit door geboorte op het grondgebied van Australië.
In 2005 legt A, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, namens C een verklaring van afstand af als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a
### 16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
### Ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
### 21-alg. Toelichting algemeen
### Artikel 22
### Toelichting
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3); [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4); [5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=5); [14.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14) en [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16)
### Artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Ingevolge [artikel III RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=III) heeft [artikel 14, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van artikel 14, tweede lid, RWN. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan [artikel 3, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=3) of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen.
### 16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Aangezien de verliestermijn van het oude [artikel 15, onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) ingevolge [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) (oud) niet eerder kan zijn aangevangen dan op 1 januari 1985, heeft inmiddels sedert 1 januari 1995 een fors aantal personen het Nederlanderschap verloren als gevolg van tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan men tevens de nationaliteit bezit. [Artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) biedt wat dat betreft een reparatiemogelijkheid.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### 3.6. Molukkers
In het kader van de Vw 2000 zijn verblijfsdocumenten vastgesteld waarover de vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en zijn verblijfsrechtelijke positie. De verblijfsdocumenten worden aangeduid met Romeinse cijfers I tot en met IV. Gemeenschapsonderdanen die rechtmatig verblijf in Nederland houden op grond van een regeling krachtens het EG-Verdrag, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat kunnen in het bezit worden gesteld van een verblijfsdocument EU/EER.
Op grond van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zijn de volgende verblijfsvergunningen vastgesteld:
Vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten voor een diplomatieke zending, consulaire post of een internationale organisatie en hun gezinsleden hebben een bijzondere status. Zij kunnen worden onderscheiden in twee hoofdgroepen.
### Bijlage 3
### 2.2. Vrijstelling van het examen
### 1. Algemeen
### Ad artikel 8, zesde lid
### paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
### paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)
Hierna volgt een lijst van landen met vermelding van behoud of verlies van de nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander. Bij deze lijst wordt het volgende aangetekend: het betreft hier een momentopname voor zover bij het Ministerie van Justitie bekend ten tijde van het verschijnen van deze gewijzigde landenlijst. Gebruikers van deze lijst die stuiten op wijzigingen of onjuistheden, wordt verzocht dit schriftelijk aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie te melden onder vermelding van het onderwerp: Afstandsverplichting bij naturalisatie.
### paragraaf 2.3. Ambtelijk verzuim
### paragraaf 2.5. Niet bijzondere gevallen
De verscheidenheid van de gevallen waarbij een beroep op toepassing van dit artikel wordt gedaan, is groot. Om die reden is het niet mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Ieder verzoek wordt op de eigen merites bezien. Het moet evenwel altijd een bijzonder geval betreffen. Uit de jurisprudentie van (onder meer) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de adviezen van de Raad van State kan wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet dermate bijzonder zijn dat ze naturalisatie met toepassing van artikel 10 RWN rechtvaardigen. Niet bijzonder is bijvoorbeeld:
### paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen delen niet in naamsvaststelling of naamswijziging
### paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit
### 12-2. Toelichting ad artikel 12, tweede lid
### paragraaf 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
### 2.2. Intrekking Nederlanderschap uitsluitend wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
### paragraaf 1.2. Een andere nationaliteit/statenopvolging
### 15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b
### 1.2. Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap
### Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
### 15-4. Toelichting ad artikel 15, vierde lid
### Ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e
### Ad artikel 15, derde lid
### Ad artikel 15, vierde lid
Zes jaren na de geboorte van A verkrijgen de ouders door naturalisatie de Australische nationaliteit. A deelt daar niet in, omdat hij al Australiër is. Desondanks verliest hij het Nederlanderschap, aangezien hij reeds de nationaliteit bezit die zijn ouders op hun verzoek hebben verkregen.
### 16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
### Toelichting
### Toelichting
### Toelichting
### Algemeen
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15)
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
### 6-3. Toelichting ad artikel 6, derde lid
### 2.12.3. Zwaarwegende redenen (artikel 60a, zesde lid BVVN)
### 6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid
### Ad artikel 6, zesde lid
### Ad artikel 6, zevende lid
De beleidsregel dat houders van een VVA-onbep reeds na vier jaar verblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie konden indienen, waarop na vijf jaar verblijf in Nederland werd beslist, is vervallen bij de inwerkingtreding van de RRWN. Echter, op verzoeken om naturalisatie die werden ingediend vóór 1 april 2003 blijft deze voormalige beleidsregel nog wél van toepassing. Ook is ten aanzien van houders van een VVA-onbep de onderstaande overgangsregeling van toepassing.
### paragraaf 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10 en 11, vierde lid, RWN)
### paragraaf 3.2.4. Wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
### paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek
### paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens
### 3.4.1. Waarheidsverklaring
### paragraaf 3.5.2. Buitenlandse akten (van de burgerlijke stand)
### paragraaf 3.5.3. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
### 3.5.2. Buitenlandse akten (van de burgerlijke stand)
De verzoeker dient in beginsel een geldig buitenlands reisdocument te overleggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit niet alleen in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Indien de verzoeker niet in het bezit is van een geldig buitenlands reisdocument en houder is van een verblijfsvergunning asiel, of staatloos is, mag hij óf een vluchtelingenpaspoort óf een vreemdelingenpaspoort overleggen. Hetzelfde geldt voor verzoekers die bij de verlening c.q. verlenging van hun verblijfsvergunning zijn vrijgesteld van het paspoortvereiste. Indien de verzoeker is vrijgesteld van overlegging van een geldig buitenlands reisdocument en niet in het bezit is van een vluchtelingenpaspoort of een vreemdelingenpaspoort, kan worden volstaan met het overleggen van het verblijfsdocument. Vrijstelling van het paspoortvereiste blijkt uit de begeleidende brief aan de burgemeester, behorende bij de beschikking op grond waarvan aan betrokkene verblijf is verleend. Zonodig verifieert de burgemeester de vrijstelling van het paspoortvereiste bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
De verzoeker dient in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) te overleggen (zie voor uitzonderingen hieronder paragraaf 3.5.3):
### 3.7.1. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden
### 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens
### 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
### 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase
### 3.9. Uitbrengen advies
### 3.11. Bezwaar
### paragraaf 3.13.3. Zwaarwegende redenen (artikel 60b, zesde lid BVVN)
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon van het desbetreffende uittreksel aan de opgeroepen persoon. Dit is een wettelijk gegeven, waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Van de regel om in persoon te verschijnen kan slechts in bijzondere omstandigheden wegens zwaarwegende redenen worden afgeweken. In zulke uitzonderingsgevallen kan de betrokkene, nadat een daartoe strekkend besluit door de burgemeester is genomen, door een gemachtigde worden vertegenwoordigd. Ook kan in die gevallen de burgemeester besluiten de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen, waarbij te denken is aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending per post van het uittreksel. Om uitgezonderd te worden van de regel in persoon te verschijnen, dient betrokkene een daartoe strekkend verzoek in te dienen.
### 3.13.3. Zwaarwegende redenen (artikel 60b, zesde lid BVVN)
In het kader van de Vw 2000 zijn verblijfsdocumenten vastgesteld waarover de vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en zijn verblijfsrechtelijke positie. De verblijfsdocumenten worden aangeduid met Romeinse cijfers I tot en met IV. Gemeenschapsonderdanen die rechtmatig verblijf in Nederland houden op grond van een regeling krachtens het EG-Verdrag, de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat kunnen in het bezit worden gesteld van een verblijfsdocument EU/EER.
### 3.9. Medeverlening aan minderjarigen met vva-bep
### Bijlage 2
### Bijlage 7. EU/EER- of Zwitserse onderdaan
### 8-1-c. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c
### paragraaf 1. Algemeen
### Bijlage 4
### Bijlage 5
### 2.2. Vrijstelling van het examen
### 2.3.1. Inleiding
### 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
### 1. Algemeen
### 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit
### 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
### 3.4.4. Zelfstandigen
### 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen
### paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen
### 2.3. Tarieven C en D
### 2.1.3. Naturalisatiebesluit van op of na 1 april 2003
### paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
### paragraaf 5. Opmaken verklaring en ontvangstbevestiging
### Ad artikel 15, tweede lid
### Ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
### 24-alg. Toelichting algemeen
### Ad artikel 28, eerste lid
### Algemeen
### 14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN
Aangezien de verliestermijn van het oude [artikel 15, onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) ingevolge [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) (oud) niet eerder kan zijn aangevangen dan op 1 januari 1985, heeft inmiddels sedert 1 januari 1995 een fors aantal personen het Nederlanderschap verloren als gevolg van tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan men tevens de nationaliteit bezit. [Artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) biedt wat dat betreft een reparatiemogelijkheid.
### Ad artikel V, eerste lid, RRWN
### Artikel V RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikelen 11.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [15.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [24.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=24)
### V RRWN-alg. Toelichting Algemeen
Aangezien de verliestermijn van het oude [artikel 15, onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) ingevolge [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) (oud) niet eerder kan zijn aangevangen dan op 1 januari 1985, heeft inmiddels sedert 1 januari 1995 een fors aantal personen het Nederlanderschap verloren als gevolg van tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan men tevens de nationaliteit bezit. [Artikel V RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V) biedt wat dat betreft een reparatiemogelijkheid.
E, van Nederlandse en Australische nationaliteit, geboren in 1960 in Australië, woont sedert 10 februari 1987 in Australië. E is laatstelijk op 5 augustus 1991 in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 februari 1997 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit).
### Artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Na optie begint voor hem een nieuwe verliestermijn op de dag waarop de herkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd. Eventuele nog minderjarige kinderen van A, die destijds tegelijk met hem het Nederlanderschap hebben verloren, hebben onder bepaalde voorwaarden (zie hierboven) in de herkrijging van het Nederlanderschap gedeeld.
De in voorbeeld 1 genoemde A heeft een zoon B, eveneens van Nederlandse en Australische nationaliteit, die op 10 januari 1981 in Australië is geboren en daar sedert zijn geboorte woont.
### Algemeen
### V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
F, geboren in 1962 in Australië, heeft op 1 januari 1995 zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Aan hem is laatstelijk op 10 augustus 1992 een Nederlands paspoort afgegeven. Als gevolg van voormeld verlies heeft zijn zoon G, geboren in 1993, op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN eveneens op 1 januari 1995 het Nederlanderschap verloren. Zoon H, geboren in 1996, verkreeg bij geboorte niet het Nederlanderschap (geen van de ouders was toen Nederlander). F is in 1998 overleden. Hij bezat uitsluitend de Australische nationaliteit.
### Toelichting
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt E geacht zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren, aangezien aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. Hebben minderjarige kinderen van E op grond van het oude [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=16) tegelijk met hem het Nederlanderschap verloren, dan worden ook die kinderen geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Of de kinderen inmiddels (na het aanvankelijke verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig zijn geworden speelt geen rol.
G, geboren op 10 januari 1967 in Zuid-Afrika, van Nederlandse en Zuid-Afrikaanse nationaliteit, woont sedert zijn geboorte in Zuid-Afrika. Op 15 maart 1994 wordt G in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 januari 1995 verliest G zijn Nederlanderschap op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers na zijn meerderjarigheid gedurende tien jaren in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit). Op 1 februari 1995 emigreert G naar Australië, waar hij op 20 december 2000 wordt genaturaliseerd tot Australiër.
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
G wordt dus door de werking van artikel V, tweede lid, RRWN weliswaar hersteld in zijn Nederlanderschap, doch slechts tot 20 december 2000, op welke datum voor hem de verliesbepaling van artikel 15, aanhef en onder a, RWN, van toepassing is geworden. Na inwerkingtreding van de overige bepalingen van de RRWN kan G het Nederlanderschap niet herkrijgen door optie ingevolge artikel V, eerste lid, RRWN, omdat hij geacht wordt zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN; hij heeft het verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
### Artikel VI RRWN
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
[Artikel VII RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. [Artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vereist dat minderjarige kinderen sedert het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede – indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt – dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen zullen daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de RRWN wordt beslist, moeten voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hebben ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.
Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voornoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.
[Artikel VII RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. [Artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vereist dat minderjarige kinderen sedert het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede – indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt – dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen zullen daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de RRWN wordt beslist, moeten voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hebben ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=7)[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 34.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34); [36.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [73.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
### paragraaf 1. Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)
Sinds 1 april 2003 worden in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) stringentere voorwaarden gesteld aan het verblijf en aan de inburgering voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie. Echter, van personen die vóór de inwerkingtreding van [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) een verzoek om naturalisatie hebben ingediend kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij voldoen aan deze stringentere voorwaarden. [Artikel VII, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) bepaalt daarom dat de bepalingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN niet gelden ten aanzien van verzoeken die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN. Met andere woorden, ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend geldt niet de voorwaarde van vijf jaar toelating en hoofdverblijf en evenmin het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets bedoeld in [artikel 2 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999.
[Artikel VII RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. [Artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vereist dat minderjarige kinderen sedert het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede – indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt – dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen zullen daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de RRWN wordt beslist, moeten voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hebben ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.
### Ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### paragraaf 2. Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
### Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)
### Toelichting
[Artikel VII RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. [Artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vereist dat minderjarige kinderen sedert het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede – indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt – dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen zullen daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de RRWN wordt beslist, moeten voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hebben ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.
De beleidsregel dat houders van een VVA-onbep reeds na vier jaar verblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie konden indienen, waarop na vijf jaar verblijf in Nederland werd beslist, is vervallen bij de inwerkingtreding van de RRWN. Echter, op verzoeken om naturalisatie die werden ingediend vóór 1 april 2003 blijft deze voormalige beleidsregel nog wél van toepassing. Ook is ten aanzien van houders van een VVA-onbep de onderstaande overgangsregeling van toepassing.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=7)[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 34.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34); [36.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [73.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)
### Toelichting
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
De beleidsregel dat houders van een VVA-onbep reeds na vier jaar verblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie konden indienen, waarop na vijf jaar verblijf in Nederland werd beslist, is vervallen bij de inwerkingtreding van de RRWN. Echter, op verzoeken om naturalisatie die werden ingediend vóór 1 april 2003 blijft deze voormalige beleidsregel nog wél van toepassing. Ook is ten aanzien van houders van een VVA-onbep de onderstaande overgangsregeling van toepassing.
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
### 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie
### 2. Algemeen
### 1.1. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
### 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit
### 15-1-d. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d
### 15a-alg. Toelichting algemeen
### Ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
### 16-alg. Toelichting algemeen
### Ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a
### Toelichting
### Artikel IV RRWN
Ingevolge [artikel IV, eerste lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=IV) vangt de verliestermijn van tien jaren uit [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dit betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal verlies van het Nederlanderschap kan intreden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
A, geboren in 1951 in Australië uit Nederlandse ouders, verkrijgt bij geboorte de Nederlandse en Australische nationaliteit. A woont sedert 1 maart 1986 in Australië. Hij heeft nimmer een Nederlands paspoort of een bewijs van Nederlanderschap gehad. Op 1 maart 1996 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit). A kan tussen 1 april 2003 en 1 april 2005 het Nederlanderschap door optie herkrijgen, met terugwerkende kracht tot 1 maart 1996.
De in voorbeeld 1 genoemde A heeft een zoon B, eveneens van Nederlandse en Australische nationaliteit, die op 10 januari 1981 in Australië is geboren en daar sedert zijn geboorte woont.
### Artikel 14, tweede lid, RWN
### V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
A, geboren in 1951 in Australië uit Nederlandse ouders, verkrijgt bij geboorte de Nederlandse en Australische nationaliteit. A woont sedert 1 maart 1986 in Australië. Hij heeft nimmer een Nederlands paspoort of een bewijs van Nederlanderschap gehad. Op 1 maart 1996 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit). A kan tussen 1 april 2003 en 1 april 2005 het Nederlanderschap door optie herkrijgen, met terugwerkende kracht tot 1 maart 1996.
### Toelichting
B heeft het Nederlanderschap op 1 maart 1996 verloren op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN aangezien zijn vader op die datum het Nederlanderschap verloor op grond van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. B kan niet delen in de herkrijging van het Nederlanderschap door optie van zijn vader, aangezien hij inmiddels meerderjarig is geworden. Hij kan echter wel zelfstandig tussen 1 april 2003 en 1 april 2005 het Nederlanderschap, met terugwerkende kracht tot 1 maart 1996, door optie herkrijgen, aangezien hij als minderjarige het Nederlanderschap verloren heeft wegens het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Nadat hij de optieverklaring heeft afgelegd, begint voor hem de verliestermijn op de dag waarop de herkrijging van het Nederlanderschap is bevestigd door de tot het in ontvangst nemen van de optieverklaring bevoegde autoriteit. Eventuele minderjarige kinderen van B hebben onder bepaalde voorwaarden (zie hierboven) in de herkrijging van het Nederlanderschap gedeeld.
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
### Toelichting
### Toelichting
### Ad artikel V, tweede lid, RRWN
### Artikel VII RRWN
### VII RRWN-1. Toelichting ad artikel VII, eerste lid, RRWN
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
### Ad artikel VII, eerste lid, RRWN
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
### Ad artikel V, eerste lid, RRWN
### Ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### Ad artikel V, tweede lid, RRWN
### Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### Toelichting
Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voornoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 8.1c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.1d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8); [8.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [8.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [8.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8)[BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604): [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=7)[BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605): [artikelen 34.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34); [36.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36) en [73.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73)
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### Toelichting
### paragraaf 2.3. Tarieven C en D
### 1.3. Ontheffing van optiegelden
### paragraaf 4. Afdracht naturalisatiegelden
### 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
### Ad artikel 15, tweede lid
### Artikel 25
### Algemeen
### IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
E, van Nederlandse en Australische nationaliteit, geboren in 1960 in Australië, woont sedert 10 februari 1987 in Australië. E is laatstelijk op 5 augustus 1991 in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 februari 1997 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit).
### Ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### Artikel 14, tweede lid, RWN
### VII RRWN-2. Toelichting ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)
De beleidsregel dat houders van een VVA-onbep reeds na vier jaar verblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie konden indienen, waarop na vijf jaar verblijf in Nederland werd beslist, is vervallen bij de inwerkingtreding van de RRWN. Echter, op verzoeken om naturalisatie die werden ingediend vóór 1 april 2003 blijft deze voormalige beleidsregel nog wél van toepassing. Ook is ten aanzien van houders van een VVA-onbep de onderstaande overgangsregeling van toepassing.
### Ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)
Sinds 1 april 2003 worden in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) stringentere voorwaarden gesteld aan het verblijf en aan de inburgering voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie. Echter, van personen die vóór de inwerkingtreding van [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) een verzoek om naturalisatie hebben ingediend kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij voldoen aan deze stringentere voorwaarden. [Artikel VII, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) bepaalt daarom dat de bepalingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN niet gelden ten aanzien van verzoeken die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN. Met andere woorden, ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend geldt niet de voorwaarde van vijf jaar toelating en hoofdverblijf en evenmin het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets bedoeld in [artikel 2 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999.
[Artikel VII RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. [Artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vereist dat minderjarige kinderen sedert het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede – indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt – dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen zullen daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de RRWN wordt beslist, moeten voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hebben ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.
De beleidsregel dat houders van een VVA-onbep reeds na vier jaar verblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie konden indienen, waarop na vijf jaar verblijf in Nederland werd beslist, is vervallen bij de inwerkingtreding van de RRWN. Echter, op verzoeken om naturalisatie die werden ingediend vóór 1 april 2003 blijft deze voormalige beleidsregel nog wél van toepassing. Ook is ten aanzien van houders van een VVA-onbep de onderstaande overgangsregeling van toepassing.
G, geboren op 10 januari 1967 in Zuid-Afrika, van Nederlandse en Zuid-Afrikaanse nationaliteit, woont sedert zijn geboorte in Zuid-Afrika. Op 15 maart 1994 wordt G in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 januari 1995 verliest G zijn Nederlanderschap op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers na zijn meerderjarigheid gedurende tien jaren in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit). Op 1 februari 1995 emigreert G naar Australië, waar hij op 20 december 2000 wordt genaturaliseerd tot Australiër.
### Toelichting
### Ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### Ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)
Sinds 1 april 2003 worden in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) stringentere voorwaarden gesteld aan het verblijf en aan de inburgering voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie. Echter, van personen die vóór de inwerkingtreding van [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) een verzoek om naturalisatie hebben ingediend kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij voldoen aan deze stringentere voorwaarden. [Artikel VII, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) bepaalt daarom dat de bepalingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN niet gelden ten aanzien van verzoeken die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN. Met andere woorden, ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend geldt niet de voorwaarde van vijf jaar toelating en hoofdverblijf en evenmin het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets bedoeld in [artikel 2 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999.
[Artikel VII RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. [Artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vereist dat minderjarige kinderen sedert het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede – indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt – dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen zullen daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de RRWN wordt beslist, moeten voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hebben ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.
De beleidsregel dat houders van een VVA-onbep reeds na vier jaar verblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie konden indienen, waarop na vijf jaar verblijf in Nederland werd beslist, is vervallen bij de inwerkingtreding van de RRWN. Echter, op verzoeken om naturalisatie die werden ingediend vóór 1 april 2003 blijft deze voormalige beleidsregel nog wél van toepassing. Ook is ten aanzien van houders van een VVA-onbep de onderstaande overgangsregeling van toepassing.
### Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 1.2. Een andere nationaliteit/statenopvolging
### Artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
### Ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
E, van Nederlandse en Australische nationaliteit, geboren in 1960 in Australië, woont sedert 10 februari 1987 in Australië. E is laatstelijk op 5 augustus 1991 in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 februari 1997 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit).
G wordt dus door de werking van artikel V, tweede lid, RRWN weliswaar hersteld in zijn Nederlanderschap, doch slechts tot 20 december 2000, op welke datum voor hem de verliesbepaling van artikel 15, aanhef en onder a, RWN, van toepassing is geworden. Na inwerkingtreding van de overige bepalingen van de RRWN kan G het Nederlanderschap niet herkrijgen door optie ingevolge artikel V, eerste lid, RRWN, omdat hij geacht wordt zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN; hij heeft het verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
[RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738): [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28)
### Ad artikel VII, eerste lid, RRWN
### Ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### Toelichting
Sinds 1 april 2003 worden in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) stringentere voorwaarden gesteld aan het verblijf en aan de inburgering voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie. Echter, van personen die vóór de inwerkingtreding van [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) een verzoek om naturalisatie hebben ingediend kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij voldoen aan deze stringentere voorwaarden. [Artikel VII, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) bepaalt daarom dat de bepalingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN niet gelden ten aanzien van verzoeken die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN. Met andere woorden, ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend geldt niet de voorwaarde van vijf jaar toelating en hoofdverblijf en evenmin het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets bedoeld in [artikel 2 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999.
### Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
[Artikel VII RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) voorziet niet in overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. [Artikel 11 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) vereist dat minderjarige kinderen sedert het moment van de indiening van het verzoek tot medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben, alsmede – indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt – dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen zullen daarom bij ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de RRWN wordt beslist, moeten voldoen aan de nieuwe voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hebben ingediend vóór of ná de inwerkingtreding van de RRWN.
De beleidsregel dat houders van een VVA-onbep reeds na vier jaar verblijf in Nederland een verzoek om naturalisatie konden indienen, waarop na vijf jaar verblijf in Nederland werd beslist, is vervallen bij de inwerkingtreding van de RRWN. Echter, op verzoeken om naturalisatie die werden ingediend vóór 1 april 2003 blijft deze voormalige beleidsregel nog wél van toepassing. Ook is ten aanzien van houders van een VVA-onbep de onderstaande overgangsregeling van toepassing.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c
### Toelichting
F, geboren in 1962 in Australië, heeft op 1 januari 1995 zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Aan hem is laatstelijk op 10 augustus 1992 een Nederlands paspoort afgegeven. Als gevolg van voormeld verlies heeft zijn zoon G, geboren in 1993, op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN eveneens op 1 januari 1995 het Nederlanderschap verloren. Zoon H, geboren in 1996, verkreeg bij geboorte niet het Nederlanderschap (geen van de ouders was toen Nederlander). F is in 1998 overleden. Hij bezat uitsluitend de Australische nationaliteit.
### Ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### Ad artikel V, tweede lid, RRWN
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
### Ad artikel VII, tweede lid, RRWN
### Verzoeken ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN (1 april 2003)
Sinds 1 april 2003 worden in [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) stringentere voorwaarden gesteld aan het verblijf en aan de inburgering voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie. Echter, van personen die vóór de inwerkingtreding van [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) een verzoek om naturalisatie hebben ingediend kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij voldoen aan deze stringentere voorwaarden. [Artikel VII, tweede lid, RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII) bepaalt daarom dat de bepalingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN niet gelden ten aanzien van verzoeken die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van de RRWN. Met andere woorden, ten aanzien van verzoeken die vóór 1 april 2003 zijn ingediend geldt niet de voorwaarde van vijf jaar toelating en hoofdverblijf en evenmin het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets bedoeld in [artikel 2 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Op deze verzoeken blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999.
### Overgangsregeling voor verzoeken ingediend ná inwerkingtreding van de RRWN
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van [artikel 73, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=73) (zie ook de toelichting bij artikel 73 BVVN):
[Artikel VII, tweede lid RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=VII), nodig om de onmiddellijke toepassing van de nieuwe eis van [artikel 8 lid 1 en onder c RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) op de reeds ingediende verzoeken tegen te gaan, is in oktober 2001 in de wettekst opgenomen. De twee redenen om de voorwaarden van de naturalisatietoets en ‘toelating en hoofdverblijf’ niet van toepassing te willen laten zijn op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken op voor 1 april 2003 ingediende naturalisatieverzoeken staan in de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2001-2002, 2839, nr. 3). Het betreft grote rechtsonzekerheid bij degenen die al een naturalisatieverzoek hadden ingediend en grotere werklast voor de administratie – lees: Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hoewel artikel VII, tweede lid RRWN niet uitdrukkelijk de naturalisatieverzoeken noemt die worden ingediend op grond van de [leden 3, 4 en 5 van artikel 8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), moet het overgangsrecht met betrekking tot ‘toelating en hoofdverblijf’ ook van toepassing worden geacht op die verzoeken.
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2.3.1. Inleiding
### Ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b
### 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
### Ad artikel 15, vierde lid
### 16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
### Ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
### Artikel 18
### Toelichting
### Ad artikel VII, tweede lid, RRWN
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
### 2.2. Intrekking Nederlanderschap uitsluitend wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten
### Algemeen
### VI RRWN-alg. Toelichting algemeen
### Toelichting
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
### paragraaf 2.3.5. Aanmelding bij ROC Amsterdam
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
Tot 1 april 2003 verkreeg een minderjarige vreemdeling de Nederlandse nationaliteit door erkenning en/of wettiging door een Nederlander ([artikel 4 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=4) (oud)). Thans kan een erkende en/of gewettigde minderjarige na drie jaar opvoeding en verzorging door de Nederlandse man het Nederlanderschap verkrijgen door optie. Zie [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
Een postnatale erkenning, in combinatie met een gerechtelijk bewijs van verwekkerschap, wordt gelijkgesteld met een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Het Nederlanderschap wordt verkregen op de in het eerste lid genoemde datum.
Buiten Nederland is op 12 maart 2004 ten aanzien van het op 10 mei 1986 geboren kind C, van vreemde nationaliteit, rechtsgeldig vastgesteld wie de vader is. De man van wie het vaderschap is vastgesteld, is vanaf zijn geboorte Nederlander. De rechterlijke uitspraak heeft op 12 mei 2004 kracht van gewijsde gekregen.
### Toelichting
### Algemeen
Geen.
### Toelichting
### Toelichting
artikelen 1 en 12 Verdrag van New York ter beperking der staatloosheid;
A is het in Nederland geboren kind van een Marokkaanse vader B en Marokkaanse moeder C. Bij zijn geboorte heeft A uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit verkregen. Een half jaar na de geboorte van A wordt in Nederland de echtscheiding tussen vader B en moeder C uitgesproken. Door de rechter wordt in het belang van kind A vastgesteld dat uitsluitend moeder C met het gezag over A wordt belast. Moeder C trouwt een half jaar nadien met de Nederlander D. Zij voeden samen kind A op. Drie jaar nadat moeder C met het gezag over kind A is belast, dient zij samen met de Nederlander D een verzoek in om gezamenlijk met het gezag over kind A te worden belast. Dit verzoek wordt door de Rechtbank Zwolle toegewezen. Na het verstrijken van een periode van drie jaar opvoeding en verzorging kan door de wettelijk vertegenwoordiger ten behoeve van A een optieverklaring ter verkrijging van de Nederlandse nationaliteit worden afgelegd. Als voorwaarde geldt daarbij dat A op dat moment nog minderjarig moet zijn en geen hoofdverblijf in Marokko mag hebben. Als A op het moment van de optieverklaring ouder is dan zestien jaar, geldt bovendien het openbare orde vereiste van [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
### Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d
Alle overige voorwaarden gelden onverkort. De overgangsregeling geldt niet voor personen die uitsluitend de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander hebben bezeten. Zie artikel 26 RWN voor een nadere aanduiding van deze categorieën oud-Nederlanders en hun minderjarige kinderen.
### 2. Oud-Nederlander of oud-Nederlands onderdaan-niet-Nederlander
### paragraaf 1. Algemeen
In [artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen tot verkrijging van het Nederlanderschap. Voorts is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld betreffende de wijze van inontvangstneming van de verklaringen en de bevestigingen van de verkrijging van het Nederlanderschap, alsmede betreffende de verdere administratieve behandeling van de verkrijging van het Nederlanderschap. In het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) zijn deze voorschriften opgenomen en vorenbedoelde autoriteiten en ambtenaren aangewezen. In [artikel 2, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2) is bepaald dat in Nederland de burgemeesters bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van de optieverklaringen. De vormvoorschriften, procedurele vereisten en administratieve behandeling van de verklaringen zijn voor Nederland geregeld in de [artikelen 3 tot en met 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [60a BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a). In de hierna opgenomen procedurebeschrijving is de volgorde van het BVVN aangehouden. Hierop wordt echter een uitzondering gemaakt voor de eerste procedurestap: ‘Informatieverstrekking’ die zich naar zijn aard niet leent voor opname in het BVVN, maar in de uitvoeringspraktijk over het algemeen wel aan het afleggen van de optieverklaring vooraf zal gaan.
De in 1973 geboren A is van Surinaamse nationaliteit. A heeft op 25 november 1975 de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (**Trb.**1975,132). Van zijn derde tot zijn 26e jaar heeft A in New York gewoond. Hij verblijft sedert twee jaar in Nederland. Hij heeft sinds anderhalf jaar in Nederland een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (verblijfsdocument I) voor verblijf bij zijn partner B, van Britse nationaliteit. B is in het bezit van een verblijfsdocument EU/EER geldig voor vijf jaar. A is van onbesproken gedrag. Hij spreekt een paar woorden Nederlands. Nederlands lezen en schrijven kan hij niet. Hoewel A de Nederlandse taal niet beheerst, komt hij voor verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie in aanmerking. Aan alle voorwaarden die voor optie gelden wordt door A voldaan. A is al meer dan een jaar in het bezit van een verblijfsvergunning met een niet-tijdelijk karakter.
De heer A en mevrouw B, beiden van Marokkaanse nationaliteit zijn in 1978 met elkaar gehuwd. De heer A is in 1980 naar Nederland gekomen. In 1985 heeft mevrouw B zich bij hem gevoegd. De heer A en mevrouw B zijn altijd in het bezit geweest van een geldige verblijfsvergunning. Ze gaan om het jaar, drie maanden voor vakantie/ familiebezoek naar Marokko. Zij zijn van onbesproken gedrag. In december 2002 verkrijgt de heer A de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie. Het verzoek van mevrouw B wordt niet ingewilligd omdat zij de Nederlandse taal in onvoldoende mate beheerst. In 2004 verstaat en spreekt mevrouw B inmiddels wel eenvoudig Nederlands. Nederlands lezen en schrijven kan ze echter niet. Een verzoek om naturalisatie van mevrouw B zou opnieuw worden afgewezen als zij daarom zou vragen. Zij kan echter wel opteren voor het Nederlanderschap, omdat daarvoor geen taaleisen gelden. Zij is immers (veel) langer dan drie jaar gehuwd met een Nederlander. Dat haar echtgenoot nog geen drie jaar Nederlander is, doet niet ter zake. Voorts heeft mevrouw B al langer dan vijftien jaar toelating en hoofdverblijf in Nederland. Verblijf voor drie maanden buiten Nederland voor vakantie/familiebezoek geldt niet als onderbreking van het hoofdverblijf. Ook vormt zij op grond van haar gedrag geen gevaar voor de openbare orde.
### paragraaf 2.2.1.1. Meerderjarige optant
Ingevolge [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) wordt een kind van twaalf jaar of ouder op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld om een zienswijze omtrent de verkrijging naar voren te brengen. Bij een minderjarige optant van twaalf tot zestien jaar is niet voorgeschreven dat het in persoon verschijnt om een zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap. Het verdient wel de voorkeur. De minderjarige optant wordt derhalve mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de verkrijging (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
### 2.2.4. Af te leggen verklaringen
### 2.2.5. (Overige) over te leggen documenten
### 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester
De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie paragraaf 2.3.1) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te toetsen (artikel 9, vierde lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
### paragraaf 2.9. Bezwaar
### paragraaf 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
### 2.8. Weigering bevestiging
### paragraaf 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond
### 2.9.1. De burgemeester beslist
### 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
### 2.12. Naturalisatieceremonie
### paragraaf 3.2.5. Gemachtigde
Voor de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger is verschijning in persoon niet voorgeschreven, maar verdient dat wel de voorkeur. Stuit persoonlijke verschijning op bezwaar, dan wordt betrokkene schriftelijk verzocht een verklaring te ondertekenen waarin staat of al dan niet wordt ingestemd met de medeverlening van het Nederlanderschap aan het minderjarige kind en die verklaring, met een kopie van een geldig identiteitsbewijs, te zenden aan de burgemeester van de gemeente waar het verzoek om naturalisatie van de ouder is ingediend. Voor de zienswijze van de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger kan gebruik worden gemaakt van model 2.13 en model 2.14. Zie ook de toelichting bij artikel 2 RWN.
### 3.6.1. Bevoegdheid burgemeester
### 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek
### paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
Voor [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’.
### 8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid
### paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
### Toelichting
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Geen.
### Artikel 4
### paragraaf 1. Algemeen
Om aan te tonen dat de erkenner ook de biologische vader van het kind is, is niet voldoende dat een (notariële) erkenning en bijvoorbeeld een DNA bewijs wordt overgelegd. Een rechterlijke uitspraak (=gerechtelijk bewijs van verwekkerschap) is derhalve vereist.
### 4-1. Ad artikel 4, eerste lid
### 4-2. Ad artikel 4, tweede lid
### Bijlage 1
### 5a-2. Toelichting ad artikel 5a, tweede lid (zwakke adoptie)
Zie voor recente informatie de internetsite van de ‘Hague conference on private international law’: www.hcch.net. Het Haags adoptieverdrag is op de website gerubriceerd onder Convention nr. 33.
### 6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c
### paragraaf 2. Gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:253t BW
### paragraaf 2.1. Gezamenlijk gezag bij geboorte op grond van artikelen 1.253aa en 1:253sa BW
### paragraaf 2. Procedure
### paragraaf 2.2.4. Af te leggen verklaringen
### paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring
### paragraaf 2.4.2.2. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
### paragraaf 2.7. Archivering
### paragraaf 2.8. Weigering bevestiging
### paragraaf 2.12.1. De oproeping
### paragraaf 2.12.3. Zwaarwegende redenen ([artikel 60a, zesde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a))
### 6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid
### 6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid
### paragraaf 1. Algemeen
### paragraaf 3.12. (Hoger) beroep
### paragraaf 3.13. Naturalisatieceremonie
### paragraaf 3.13.1. De oproeping
Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen (dit geldt zowel voor verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd als verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd). Voor de beeldvorming is in [Bijlage 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&bijlage=6&z=2008-07-13&g=2008-07-13) bij dit artikel een beknopt overzicht gegeven van de gronden tot intrekking dan wel van de gronden tot niet verlenging van de verschillende verblijfsvergunningen.
EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen, alsmede hun familieleden – ongeacht hun nationaliteit – die verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht of de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat, worden aangeduid als gemeenschapsonderdanen. Gemeenschapsonderdanen zijn niet in alle gevallen ook burgers van de Europese Unie. Zo zijn de familie- of gezinsleden van EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die verblijfsrecht ontlenen aan het gemeenschapsrecht of de genoemde Overeenkomst, maar die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, wel gemeenschapsonderdaan maar niet burger van de Unie.
### paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling
### paragraaf 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
### paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
## Bijlage 1. Modellen behorende bij de optieprocedure
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
2008-07-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 13, 15 y 1
2008-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 5
2008-06-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 5 y 48
2008-02-05
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 5
original version
Tekst op deze datum