Wijzigingsgeschiedenis

Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003

100 versions · 2026-02-01
2026-02-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 740
2026-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 1 y 22
2025-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 3
2025-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 3
2025-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 1
2024-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-05-09
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 2
2024-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 13 y 3
2023-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 576
2023-08-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 28
2023-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 15, 15 y 5
2023-05-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 27, 1 y 34
2023-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 109
2023-02-15
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 27, 1 y 22
2023-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 13 y 52
2022-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 27 y 18
2022-09-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 27 y 14
2022-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 27 y 29
2022-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 6, 1 y 523
2022-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 503
2021-11-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 6, 1958, 7 y
2021-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 17, 2004 y
2021-08-30
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 143
2021-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 77
2021-06-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 277
2021-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 99
2021-03-08
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 28
2021-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 28
2020-10-15
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 5, 6 y 220
2020-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 13, 15 y 5
2020-05-07
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 6, 1, 10 y 63
2020-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 6, 1, 10 y 15
2020-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 403
2019-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 472
2019-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 20, 358, 1 y
2018-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 468
2018-05-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 2, 1, 10 y 17
2018-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-10-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2017-03-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 1 y 90
2017-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 1
2016-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 2
2016-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 10, 16 y 6
2016-04-22
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 515
2016-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 5, 13 y 19
2016-03-31
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 5, 13 y 13
2016-01-07
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 26 y 2
2016-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 13, 15 y 4
2015-10-27
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 2 y 49
2015-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 3, 3, 1 y 375
2015-04-17
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 1
2015-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 12 y 24
2015-01-22
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 8
2015-01-09
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 12 y 20
2015-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 9 y 76
2014-12-25
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 2
2014-11-22
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 9, 12 y 29
2014-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 9, 12, 27 y 1
2014-09-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 15, 16 y
2014-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 8 y 603
2014-06-12
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 8 y 628
2014-04-04
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 8 y 719
2014-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 452
2014-01-06
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 405
2014-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 25

Wijzigingen op 2014-01-01

@@ -170,7 +170,7 @@
Er zijn drie uitzondering op de regel dat minderjarigen van 16 of 17 door tussenkomst van hun wettelijk vertegenwoordiger rechtshandelingen verrichten, namelijk:
Minderjarigen van 16 jaar en ouder moeten vanaf 1 januari 2012 bij een verzoek tot medeverlening van het Nederlanderschap dat is ingediend door een wettelijke vertegenwoordiger, tegelijkertijd met de indiening het verzoek om naturalisatie van de hoofdpersoon, een [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ ondertekenen. Het zelf ondertekenen van de modelverklaring 2.3 is geen uitzondering op een rechtshandeling als bedoeld in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
Minderjarigen van 16 jaar en ouder moeten vanaf 1 januari 2012 bij een verzoek tot medeverlening van het Nederlanderschap dat is ingediend door een wettelijke vertegenwoordiger, tegelijkertijd met de indiening het verzoek om naturalisatie van de hoofdpersoon, een [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ ondertekenen. Het zelf ondertekenen van de modelverklaring 2.3 is geen uitzondering op een rechtshandeling als bedoeld in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738).
Bij opties zal derhalve de burgemeester beslissen of het kind –ondanks de bedenkingen van een wettelijk vertegenwoordiger of andere ouder –deelt in de verkrijging van de ouder/ zelfstandig het Nederlanderschap verkrijgt.
@@ -598,7 +598,7 @@
De optieprocedure is met ingang van 1 april 2003 ingrijpend gewijzigd. Vóór 1 april 2003 was het uitbrengen van een optie voor de Nederlandse nationaliteit een eenzijdige vormvrije rechtshandeling. De verkrijging van het Nederlanderschap door optie was niet afhankelijk van een beslissing van een bestuursorgaan. De vreemdeling die bij een in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) aangewezen bestuursorgaan mondeling of schriftelijk verklaarde dat hij Nederlander wilde worden én die op dat moment voldeed aan alle voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap, verkreeg daarmee onmiddellijk de Nederlandse nationaliteit. Als achteraf bleek dat hij op het moment van het uitbrengen van de optieverklaring toch niet voldeed aan alle voorwaarden, werd aan de betreffende optieverklaring het rechtsgevolg onthouden en werd de vreemdeling geacht de Nederlandse nationaliteit nooit te hebben verkregen. Daarbij maakte het geen verschil of de vreemdeling al geruime tijd was aangemerkt als Nederlander door een fout van het bestuursorgaan dan wel door het verstrekken van onjuiste gegevens door de vreemdeling zélf. Eventuele gewekte verwachtingen hadden niet tot gevolg dat het Nederlanderschap alsnog werd verkregen. Dit kon leiden tot minder gewenste situaties zoals het na geruime tijd nog moeten intrekken van een Nederlands paspoort en het wijzigen van de basisadministratie.
Sinds de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) op 1 april 2003 is de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door optie niet meer een eenzijdige, vormvrije rechtshandeling. De optant moet in beginsel in persoon verschijnen en de optieverklaring kan alleen nog maar schriftelijk worden uitgebracht. Voor het uitbrengen en voor de behandeling van een optieverklaring zijn optiegelden verschuldigd (zie [artikel 13, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)). Het Nederlanderschap wordt eerst verkregen nadat het daartoe bevoegde bestuursorgaan de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit schriftelijk heeft bevestigd. Het besluit tot bevestiging treedt echter pas in werking nadat het als regel op een naturalisatieceremonie is uitgereikt. De uitreiking kan pas plaatsvinden nadat de verklaring van verbondenheid is afgelegd, tenzij voor optant een uitzondering op deze voorwaarde geldt. Zie voor de naturalisatieceremonie de [toelichting in de Handleiding bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en [artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2013-09-25&g=2013-09-25).
Sinds de inwerkingtreding van de [RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089) op 1 april 2003 is de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door optie niet meer een eenzijdige, vormvrije rechtshandeling. De optant moet in beginsel in persoon verschijnen en de optieverklaring kan alleen nog maar schriftelijk worden uitgebracht. Voor het uitbrengen en voor de behandeling van een optieverklaring zijn optiegelden verschuldigd (zie [artikel 13, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=13)). Het Nederlanderschap wordt eerst verkregen nadat het daartoe bevoegde bestuursorgaan de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit schriftelijk heeft bevestigd. Het besluit tot bevestiging treedt echter pas in werking nadat het als regel op een naturalisatieceremonie is uitgereikt. De uitreiking kan pas plaatsvinden nadat de verklaring van verbondenheid is afgelegd, tenzij voor optant een uitzondering op deze voorwaarde geldt. Zie voor de naturalisatieceremonie de [toelichting in de Handleiding bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
### paragraaf 6. Overgangsrecht
@@ -612,11 +612,11 @@
De datum op de schriftelijke bevestiging door het bestuursorgaan bepaalt het tijdstip waarop het Nederlanderschap uiteindelijk (na het meestal op een ná die datum gelegen naturalisatieceremonie afleggen van de verklaring van verbondenheid en de uitreiking van het besluit) wordt verkregen. De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie heeft geen terugwerkende kracht (zie [artikel 2, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)).
Als achteraf blijkt dat de optieverklaring ten onrechte is bevestigd, is weliswaar het Nederlanderschap verkregen, maar kan de Nederlandse nationaliteit worden ingetrokken door Onze Minister. Dit kan echter alleen als de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit berust op een door de optant gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van een voor de verkrijging relevant feit. Met andere woorden, fouten aan de zijde van de overheid zullen de optant niet worden tegengeworpen (zie ook de [toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14&z=2013-09-25&g=2013-09-25)).
Als achteraf blijkt dat de optieverklaring ten onrechte is bevestigd, is weliswaar het Nederlanderschap verkregen, maar kan de Nederlandse nationaliteit worden ingetrokken door Onze Minister. Dit kan echter alleen als de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit berust op een door de optant gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van een voor de verkrijging relevant feit. Met andere woorden, fouten aan de zijde van de overheid zullen de optant niet worden tegengeworpen (zie ook de [toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=14&z=2014-01-01&g=2014-01-01)).
De optant die niet voldoet aan alle voorwaarden, wordt geadviseerd geen optieverklaring af te leggen. Voor de uiteindelijke beoordeling of aan de voorwaarden wordt voldaan, is het moment van de bevestiging van de optie bepalend.
In tegenstelling tot bij naturalisatie worden bij optie geen eisen gesteld ten aanzien van de inburgering. De bevestiging van de optie kan dus niet worden geweigerd, omdat de optant de Nederlandse taal niet beheerst. Optanten die een optieverklaring ex [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) afleggen, moeten in beginsel afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit (zie [artikel 6a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)). Let op! De afstandsverplichting geldt niet voor de overige optiecategorieën. Dit sluit overigens niet uit dat de nationaliteitswetgeving van het land waarvan de optant de nationaliteit bezit, kan bepalen dat deze nationaliteit verloren gaat als gevolg van de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit. Zie de [toelichting in de Handleiding bij artikel 6a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6a&z=2013-09-25&g=2013-09-25).
In tegenstelling tot bij naturalisatie worden bij optie geen eisen gesteld ten aanzien van de inburgering. De bevestiging van de optie kan dus niet worden geweigerd, omdat de optant de Nederlandse taal niet beheerst. Optanten die een optieverklaring ex [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) afleggen, moeten in beginsel afstand doen van hun oorspronkelijke nationaliteit (zie [artikel 6a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)). Let op! De afstandsverplichting geldt niet voor de overige optiecategorieën. Dit sluit overigens niet uit dat de nationaliteitswetgeving van het land waarvan de optant de nationaliteit bezit, kan bepalen dat deze nationaliteit verloren gaat als gevolg van de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit. Zie de [toelichting in de Handleiding bij artikel 6a RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6a&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
E is het kind van de Zwitserse moeder F. E heeft geen juridische vader. E heeft uitsluitend de Zwitserse nationaliteit. E groeit sinds haar geboorte op in het gezin van moeder F en de vrouwelijke Nederlandse G, met wie moeder F al voor de geboorte van E een in Nederland geregistreerd partnerschap was aangegaan. E wordt drie jaar ononderbroken door moeder F en de Nederlandse G verzorgd en opgevoed. Daarna kan ten behoeve van F een optieverklaring worden afgelegd. Als aanvullende voorwaarde geldt dat E op dat moment niet meerderjarig mag zijn en geen hoofdverblijf in Zwitserland mag hebben. Als E op het moment van de optieverklaring ouder is dan zestien jaar, geldt bovendien het openbare orde vereiste van [artikel 6, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6).
@@ -724,7 +724,7 @@
Ten aanzien van een optant geboren vóór 25 november 1975 in Suriname van wie de ouders in Suriname of het Koninkrijk zijn geboren, mag worden aangenomen dat hij oud-Nederlander is. Ten aanzien van een optant geboren vóór 21 december 1949 in het voormalige Nederlands-Indië, mag worden aangenomen dat hij (ten minste) de status van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten. Hetzelfde geldt ten aanzien van de optant geboren vóór 1 oktober 1962 in het voormalige Nederlands-Nieuw-Guinea.
Indien het Nederlanderschap is verloren op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) of [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zal dit meestal zijn vermeld in de GBA. Als onduidelijk is of sprake is van één van de hier bedoelde verliesgronden, kan de burgemeester aan de IND in Rijswijk verzoeken dit voor hem na te gaan in het Nationaliteitenregister. (Zie ook de [toelichting bij artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=22&z=2013-09-25&g=2013-09-25).)
Indien het Nederlanderschap is verloren op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) of [artikel 14, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), zal dit meestal zijn vermeld in de GBA. Als onduidelijk is of sprake is van één van de hier bedoelde verliesgronden, kan de burgemeester aan de IND in Rijswijk verzoeken dit voor hem na te gaan in het Nationaliteitenregister. (Zie ook de [toelichting bij artikel 22 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=22&z=2014-01-01&g=2014-01-01).)
**Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de vreemdeling die vóór 1 januari 1985 is geboren uit een moeder die ten tijde van zijn geboorte Nederlander was, terwijl de vader ten tijde van die geboorte niet-Nederlander was.**
@@ -816,7 +816,7 @@
### Paragraaf 1.3. De vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind
De vrouw kon vóór 1 januari 1985 het Nederlanderschap ook verliezen op grond van artikel 7 WNI 1982. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2013-09-25&g=2013-09-25).
De vrouw kon vóór 1 januari 1985 het Nederlanderschap ook verliezen op grond van artikel 7 WNI 1982. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar [paragraaf 2.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
### Paragraaf 1.1. Verkrijging Nederlanderschap door adoptie onder de WNI
@@ -928,7 +928,7 @@
Voorwaarde is ook dat op het moment dat adoptieuitspraak onherroepelijk werd, de adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit bezat. Het Nederlanderschap heeft zij in de meeste gevallen door geboorte van rechtswege verkregen (door bijvoorbeeld afstamming van een Nederlandse vader; zie paragraaf 2.1 bij artikel 6, eerste lid aanhef en onder i). Als eerste zal bekeken moeten worden waar de adoptiefmoeder is geboren of heeft gewoond. Als dat in Nederland is, dan is er een persoonskaart in Nederland aanwezig waaruit haar nationaliteit zal blijken. Als de adoptiefmoeder in het buitenland is geboren of nooit in Nederland heeft gewoond dan zijn de afstammings- en nationaliteitsgegevens op de persoonskaart van haar ouders relevant om te bepalen of de adoptiefmoeder het Nederlanderschap heeft verkregen door geboorte of anderszins.
Altijd moet worden onderzocht dat de adoptiefmoeder niet voorafgaand aan de onherroepelijke adoptieuitspraak de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van artikel 5 (oud) WNI 1892 (vóór 1 maart 1964) of artikel 8a WNI 1892 (ná 1 maart 1964) of artikel 7 WNI 1892. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar [paragrafen 1.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.2&paragraaf=1.2.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en [2.2 bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2013-09-25&g=2013-09-25). Aannemelijk moet zijn dat de van oorsprong Nederlandse adoptiefmoeder de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen en daardoor het Nederlanderschap heeft verloren. Een verklaring van de autoriteiten van het land van de nationaliteit van haar echtgenoot kan hierbij behulpzaam zijn. Soms zal voldoende zijn om het onderzoek te beperken tot het vreemde nationaliteitsrecht van de huwelijksperiode.
Altijd moet worden onderzocht dat de adoptiefmoeder niet voorafgaand aan de onherroepelijke adoptieuitspraak de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op grond van artikel 5 (oud) WNI 1892 (vóór 1 maart 1964) of artikel 8a WNI 1892 (ná 1 maart 1964) of artikel 7 WNI 1892. Voor deze verliesgronden wordt verwezen naar [paragrafen 1.2.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.2&paragraaf=1.2.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [2.2 bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01). Aannemelijk moet zijn dat de van oorsprong Nederlandse adoptiefmoeder de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen en daardoor het Nederlanderschap heeft verloren. Een verklaring van de autoriteiten van het land van de nationaliteit van haar echtgenoot kan hierbij behulpzaam zijn. Soms zal voldoende zijn om het onderzoek te beperken tot het vreemde nationaliteitsrecht van de huwelijksperiode.
### Paragraaf 1.3. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder
@@ -1454,7 +1454,7 @@
### Paragraaf 2.2. Andere verliesgronden dan verbonden aan het sluiten van een huwelijk met een niet-Nederlander onder de WNI 1892
Voorts neemt de optieautoriteit contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen, als eerder opgemerkt in [paragrafen 1.2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.2&paragraaf=1.2.1&paragraaf=1.2.1.2&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en [1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.5&z=2013-09-25&g=2013-09-25).
Voorts neemt de optieautoriteit contact op met de IND in Rijswijk om het Nationaliteitenregister te raadplegen, als eerder opgemerkt in [paragrafen 1.2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.2&paragraaf=1.2.1&paragraaf=1.2.1.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [1.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=1&paragraaf=1.5&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
Vóór 1 januari 1985 was de verwerving van het Nederlanderschap door afstamming in de regel de nationaliteit van de vader maatgevend (artikel 1 sub a en b WNI 1892).
@@ -1888,15 +1888,15 @@
In [artikel 21 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=21) is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen tot verkrijging van het Nederlanderschap. Voorts is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld betreffende de wijze van inontvangstneming van de verklaringen en de bevestigingen van de verkrijging van het Nederlanderschap, alsmede betreffende de verdere administratieve behandeling van de verkrijging van het Nederlanderschap. In het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) zijn deze voorschriften opgenomen en vorenbedoelde autoriteiten en ambtenaren aangewezen. In [artikel 2, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=2) is bepaald dat in Nederland de burgemeesters bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van de optieverklaringen. De vormvoorschriften, procedurele vereisten en administratieve behandeling van de verklaringen zijn voor Nederland geregeld in de [artikelen 3 tot en met 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3) en [60a BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a). In de hierna opgenomen procedurebeschrijving is de volgorde van het BVVN aangehouden. Hierop wordt echter een uitzondering gemaakt voor de eerste procedurestap: ‘Informatieverstrekking’ die zich naar zijn aard niet leent voor opname in het BVVN, maar in de uitvoeringspraktijk over het algemeen wel aan het afleggen van de optieverklaring vooraf zal gaan.
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 1.36). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in principe in persoon op een naturalisatieceremonie mondeling af voordat de optiebevestiging aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2013-09-25&g=2013-09-25)).
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt alleen vrijstelling gegeven, indien het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij artikel 60a, vijfde lid en zesde lid, BVVN). Zie [paragraaf 2.2.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) voor de uitzonderingssituaties.
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 1.36). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in principe in persoon op een naturalisatieceremonie mondeling af voordat de optiebevestiging aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01)).
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt alleen vrijstelling gegeven, indien het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij artikel 60a, vijfde lid en zesde lid, BVVN). Zie [paragraaf 2.2.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) voor de uitzonderingssituaties.
Het afleggen van een optieverklaring zal worden voorafgegaan door informatieverstrekking aan de aspirant-optant door de tot het in ontvangst nemen van de verklaring bevoegde burgemeester. Voor een deel zal daarbij gebruik kunnen worden gemaakt van IND-brochures. Verder kan in deze fase aan de aspirant-optant bijvoorbeeld opgave worden gedaan van de bij het afleggen van de optieverklaring te verstrekken gegevens en over te leggen documenten. De burgemeester informeert de aspirant-optant over zijn verplichting om, als onderdeel van de verkrijging van het Nederlanderschap, een verklaring van verbondenheid af te leggen. De optant wordt erop attent gemaakt dat hij de verklaring van verbondenheid, in beginsel op een naturalisatieceremonie, zal moeten afleggen en dat de optiebevestiging niet eerder bekend wordt gemaakt, dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Ook kan de aspirant-optant erop worden gewezen dat de eventuele optiebevestiging als regel door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst in werking treedt. Indien al onmiddellijk blijkt dat niet wordt voldaan aan de vereisten voor optie, kan de betrokkene worden gewezen op de eventuele mogelijkheid en voorwaarden voor verlening van de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie.
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid mondeling en in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands afgelegd.
**Uitzonderingen** (zie [paragraaf 2.12.4.2 uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.4&paragraaf=2.12.4.2&z=2013-09-25&g=2013-09-25))
**Uitzonderingen** (zie [paragraaf 2.12.4.2 uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.4&paragraaf=2.12.4.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01))
Verder dient de optant een zogenaamde waarheidsverklaring te ondertekenen ([artikel 6, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in de optieverklaring (zie modellen 1.1 tot en met 1.13), verklaart de verzoeker dat hij de gevraagde gegevens, betreffende zichzelf en de in de optieverklaring genoemde personen naar waarheid heeft verstrekt en geen relevant gegeven heeft verzwegen.
@@ -1920,7 +1920,7 @@
### paragraaf 2.2.1.1. Meerderjarige optant
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). De burgemeester die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. In dit kader wordt de optant verzocht een geldig buitenlands reisdocument32In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan. Zie bij [paragraaf 2.2.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) te overleggen. Daarnaast kan de optant worden verzocht andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte te tonen (zie hierna onder [paragrafen 2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.3&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en [2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&z=2013-09-25&g=2013-09-25) bij onderhavig artikellid).
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). De burgemeester die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. In dit kader wordt de optant verzocht een geldig buitenlands reisdocument32In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan. Zie bij [paragraaf 2.2.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) te overleggen. Daarnaast kan de optant worden verzocht andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte te tonen (zie hierna onder [paragrafen 2.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [2.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&z=2014-01-01&g=2014-01-01) bij onderhavig artikellid).
### paragraaf 2.2.1.2. Minderjarige optant
@@ -1936,7 +1936,7 @@
### paragraaf 2.4.2.2. Verblijfsrechtelijke status optant
Hebben kinderen de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven ([artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Zij dienen zich met een geldig buitenlands reisdocument33Zie [paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25). te legitimeren (zie ook hierna [paragraaf 2.2.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.1&paragraaf=2.2.1.5&z=2013-09-25&g=2013-09-25)). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
Hebben kinderen de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven ([artikel 6, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). Zij dienen zich met een geldig buitenlands reisdocument33Zie [paragraaf 2.2.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01). te legitimeren (zie ook hierna [paragraaf 2.2.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.1&paragraaf=2.2.1.5&z=2014-01-01&g=2014-01-01)). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
Het verdient mede gelet op het bepaalde in [artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) aanbeveling deze gegevens met betrekking tot de optant zelf (en als van toepassing met betrekking tot in de optieverklaring genoemde (kinds)kinderen) onmiddellijk in overleg met de optant te vergelijken met de beschikbare gegevens in de GBA. Hiermee kunnen onnodige procedures worden voorkomen.
@@ -1990,13 +1990,13 @@
### Paragraaf 2.2.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
Bovendien moet de optant door middel van een zogenaamde verklaring verblijf en gedrag ([model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25)) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in de optieverklaring genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 6, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)) en of hij of één van de in de optieverklaring genoemde personen ouder dan zestien jaar niet polygaam gehuwd is en al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of justitie in verband met een misdrijf. De burgemeester zet, voordat de optant de verklaring ondertekent, de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij optie uiteen en wijst de optant erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de bevestiging van de optieverklaring. Betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om op de verklaring aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd dat op grond van zijn gedrag ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk (zie verder: de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
Bovendien moet de optant door middel van een zogenaamde verklaring verblijf en gedrag ([model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01)) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in de optieverklaring genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 6, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)) en of hij of één van de in de optieverklaring genoemde personen ouder dan zestien jaar niet polygaam gehuwd is en al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of justitie in verband met een misdrijf. De burgemeester zet, voordat de optant de verklaring ondertekent, de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij optie uiteen en wijst de optant erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de bevestiging van de optieverklaring. Betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld om op de verklaring aan te geven of er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd dat op grond van zijn gedrag ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk (zie verder: de toelichting bij artikel 6, vierde lid, RWN en [artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)).
### paragraaf 2.4.2.3. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
Voor optanten van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), juncto [artikel 26 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26), [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i t/m o RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28) en [artikel II RRWN (2008)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) geldt geen eis van toelating en hoofdverblijf in Nederland.
Voor optanten van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) (tenzij de optant meerderjarig is), artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d en k t/m o, RWN (tenzij de optant 16 jaar of ouder is) en [artikel II RRWN (2008)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) (tenzij de optant meerderjarig is) geldt geen openbare orde toets. [Model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) hoeft door deze optanten daarom niet ondertekend te worden. Model 1.14 moet wel ondertekend worden door de meerderjarige optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder b en c, RWN en van art. II RRWN (2008). De optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder d en k t/m o RWN die 16 jaar of ouder is, moet model 1.14 ook ondertekenen. Zodra één van beide eisen geldt, moet model 1.14 ondertekend worden.
Voor optanten van [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) (tenzij de optant meerderjarig is), artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d en k t/m o, RWN (tenzij de optant 16 jaar of ouder is) en [artikel II RRWN (2008)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0024168&artikel=II) (tenzij de optant meerderjarig is) geldt geen openbare orde toets. [Model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) hoeft door deze optanten daarom niet ondertekend te worden. Model 1.14 moet wel ondertekend worden door de meerderjarige optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder b en c, RWN en van art. II RRWN (2008). De optant van artikel 6, eerste lid aanhef en onder d en k t/m o RWN die 16 jaar of ouder is, moet model 1.14 ook ondertekenen. Zodra één van beide eisen geldt, moet model 1.14 ondertekend worden.
### paragraaf 3.4. EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen
@@ -2018,7 +2018,7 @@
### paragraaf 2.2.5.3. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
Voor wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten dient te overleggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij [paragraaf 2.2.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.4&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en [paragraaf 2.2.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.5&z=2013-09-25&g=2013-09-25)):
Voor wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel de volgende documenten dient te overleggen (zie voor uitzonderingen ook hierna bij [paragraaf 2.2.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.4&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [paragraaf 2.2.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.5&paragraaf=2.2.5.5&z=2014-01-01&g=2014-01-01)):
### paragraaf 2.2.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
@@ -2072,7 +2072,7 @@
### paragraaf 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)
Indien een aspirant-optant, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die verklaring (model 1.36) niet heeft ingevuld en ondertekend of indien een aspirant-optant heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en betrokkene desondanks toch in zijn optie persisteert, weigert de burgemeester de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen (zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.8&z=2013-09-25&g=2013-09-25)**Weigering bevestiging**).’.
Indien een aspirant-optant, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die verklaring (model 1.36) niet heeft ingevuld en ondertekend of indien een aspirant-optant heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en betrokkene desondanks toch in zijn optie persisteert, weigert de burgemeester de verkrijging van het Nederlanderschap te bevestigen (zie [paragraaf 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.8&z=2014-01-01&g=2014-01-01)**Weigering bevestiging**).’.
### paragraaf 2.4.2.2. Verblijfsrechtelijke status optant
@@ -2154,11 +2154,11 @@
### paragraaf 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond
Indien door de burgemeester wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant bekendgemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 2.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.7&z=2013-09-25&g=2013-09-25)).
Indien door de burgemeester wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant bekendgemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 2.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.7&z=2014-01-01&g=2014-01-01)).
De bevestiging die vóór 1 oktober 2006 is vastgesteld, treedt nog op de gebruikelijke wijze in werking, dat wil zeggen door bekendmaking per post daarvan aan de betrokkene. Uitreiking is in dit geval niet nodig. Voor de bepaling of de betrokken persoon opgeroepen moet worden of niet, geldt de datum waarop de bevestiging is vastgesteld.
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33 en model 1.34). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De optiebevestiging wordt, indien de minderjarige medeoptant verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, na het afleggen van die verklaring in beginsel op een naturalisatieceremonie door middel van uitreiking aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is ) bekendgemaakt. Is de minderjarige niet wettelijk verplicht tot afleggen van de verklaring van verbondenheid dan wordt de bevestiging onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden, wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2013-09-25&g=2013-09-25)). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.7&z=2013-09-25&g=2013-09-25)).
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33 en model 1.34). Het kind wordt in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de bevestiging wél alsnog afgegeven. De optiebevestiging wordt, indien de minderjarige medeoptant verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, na het afleggen van die verklaring in beginsel op een naturalisatieceremonie door middel van uitreiking aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is ) bekendgemaakt. Is de minderjarige niet wettelijk verplicht tot afleggen van de verklaring van verbondenheid dan wordt de bevestiging onverwijld aan de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels meerderjarig is geworden, wordt tevens een kopie van de bevestiging aan betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2014-01-01&g=2014-01-01)). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie hierboven [paragraaf 2.7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.7&z=2014-01-01&g=2014-01-01)).
Om te bevorderen dat de minister ervan op de hoogte is dat een persoon op grond van een bevestigde optieverklaring het Nederlanderschap heeft verkregen, stuurt de burgemeester die de bevestiging heeft uitgereikt of anderszins heeft bekendgemaakt, aan de minister een bericht van de bekendmaking ([artikel 60a, negende lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). (Zie ook paragraaf 2.6). Met het oog op het correct bijhouden van het nationaliteitenregister ([artikel 12, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=12)) zal bij iedere optiebevestiging van op of na 1 oktober 2006 moeten zijn vermeld op welke datum deze optiebevestiging is uitgereikt of anderszins is bekendgemaakt. Immers, het Nederlanderschap zal pas op die datum van uitreiking of bekendmaking zijn ingegaan. Terugmelding kan in dit geval plaatsvinden door middel van het toesturen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van een (gewaarmerkte) kopie van de optiebevestiging, voorzien van een uitreikingsdatum en een gemeente- of dienststempel.
@@ -2170,7 +2170,7 @@
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene in voorkomende gevallen nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2012-12-08&g=2012-12-08)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60a, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken optant in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, blijft verantwoordelijk voor de verdere afhandeling ervan. Ook indien de optant tijdens de procedure zijn hoofdverblijf verlegt naar een andere gemeente of buiten Nederland is uitsluitend hij bevoegd tot de bevestiging/weigering van de verkrijging van het Nederlanderschap. Heeft de optant ná de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant daarvan in kennis stellen. (Zie ook [paragraaf 2.12.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.2&z=2013-09-25&g=2013-09-25))
De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, blijft verantwoordelijk voor de verdere afhandeling ervan. Ook indien de optant tijdens de procedure zijn hoofdverblijf verlegt naar een andere gemeente of buiten Nederland is uitsluitend hij bevoegd tot de bevestiging/weigering van de verkrijging van het Nederlanderschap. Heeft de optant ná de bevestiging niet langer hoofdverblijf in de gemeente waar de optieverklaring is bevestigd, dan zal de burgemeester die de optie bevestigt in het algemeen de uitreiking van de bevestiging door middel van een machtiging overdragen aan de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant. Indien de burgemeester, ondanks verhuizing van de optant naar een andere gemeente, toch besluit de bevestiging zelf uit te reiken, zal hij de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant daarvan in kennis stellen. (Zie ook [paragraaf 2.12.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01))
De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring uit binnen negen weken nadat is vastgesteld dat de optant heeft voldaan aan alle voorwaarden voor optie. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd. Zie [artikel 60a, vierde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a).
@@ -2182,13 +2182,13 @@
Voor optanten die op of na 1 maart 2009 een optieverklaring afleggen, bevat de naturalisatieceremonie na die datum een onderdeel waarin zij de verklaring van verbondenheid afleggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit; het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in [artikel 23 RWN.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23) Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst.
De burgemeester roept de optant en mede-optant die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring 16 jaar of ouder was (waren) op te verschijnen. Was de optant jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op. De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de optant of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige optant de optieverklaring heeft afgelegd. Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) (tabel: oproepen en uitreiken).
De burgemeester roept de optant en mede-optant die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring 16 jaar of ouder was (waren) op te verschijnen. Was de optant jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op. De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de optant of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige optant de optieverklaring heeft afgelegd. Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) (tabel: oproepen en uitreiken).
**De oproeping vindt plaats tijdig voor de uitreiking (artikel 60a, tweede lid BVVN).**
### paragraaf 2.12.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene in voorkomende gevallen nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2013-09-25&g=2013-09-25)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60a, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken optant in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
De optiebevestiging treedt als regel in werking door de uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt de bevestiging buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene in voorkomende gevallen nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 2.12.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60a, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken optant in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
### 6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
@@ -2206,7 +2206,7 @@
### Paragraaf 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen
De burgemeester houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de burgemeester aan op het afschrift van de optiebevestiging dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden (zie tevens [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.4&z=2013-09-25&g=2013-09-25)**Procedurele aspecten na de terugmelding**). Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009.
De burgemeester houdt bij of een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de burgemeester aan op het afschrift van de optiebevestiging dat aan de IND ter opname in het nationaliteitenregister wordt verzonden (zie tevens [paragraaf 2.12.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.4&z=2014-01-01&g=2014-01-01)**Procedurele aspecten na de terugmelding**). Dit geldt alleen voor optieverklaringen die zijn afgelegd op of ná 1 maart 2009.
### Artikel 6a
@@ -2490,7 +2490,7 @@
### paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase
Vanaf 1 oktober 2006 treden de optiebevestiging en het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie. Zie [artikel II van het Besluit van 19 mei 2006, Stb. 250, tot wijziging van het BVVN](onbekend). Zie verder [artikel 60b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en hieronder [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&z=2013-09-25&g=2013-09-25).
Vanaf 1 oktober 2006 treden de optiebevestiging en het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking ervan aan de betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 oktober 2006 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie. Zie [artikel II van het Besluit van 19 mei 2006, Stb. 250, tot wijziging van het BVVN](onbekend). Zie verder [artikel 60b BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en hieronder [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
### paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker
@@ -2514,7 +2514,7 @@
Het verzoek om naturalisatie dient op schrift te worden gesteld en te worden ondertekend door de verzoeker of, in het voorkomende geval, door zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde ([artikel 3, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). In het verzoek dienen de minderjarige kinderen en kindskinderen, voor wie medeverlening wordt gevraagd, te worden vermeld ([artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11); [artikel 31, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)). Een model van een verzoek om naturalisatie is opgenomen als model 2.1.
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); zie ook [paragraaf 3.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.2&paragraaf=3.2.5&z=2013-09-25&g=2013-09-25)). De burgemeester die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om een geldig buitenlands reisdocument te overleggen. In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan (zie [paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25)). Voorts wordt de verzoeker gevraagd om andere bewijsstukken te overleggen, bijvoorbeeld een geboorteakte (zie [paragraaf 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&z=2013-09-25&g=2013-09-25)).
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de indiening van zijn verzoek ([artikel 2, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2); [artikel 3, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3); zie ook [paragraaf 3.2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.2&paragraaf=3.2.5&z=2014-01-01&g=2014-01-01)). De burgemeester die het verzoek in ontvangst neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om een geldig buitenlands reisdocument te overleggen. In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten toegestaan (zie [paragraaf 3.5.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01)). Voorts wordt de verzoeker gevraagd om andere bewijsstukken te overleggen, bijvoorbeeld een geboorteakte (zie [paragraaf 3.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&z=2014-01-01&g=2014-01-01)).
### paragraaf 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10 en 11, vierde lid, RWN)
@@ -2526,7 +2526,7 @@
### paragraaf 3.2.5. Gemachtigde
In gevallen, waarin verschijning in persoon weliswaar is voorgeschreven, maar dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan het verzoek om naturalisatie worden ingediend c.q. de verklaring van al dan niet instemming met de (mee)naturalisatie worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder en de gemachtigde ([artikel 3, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond. De gemachtigde dient in persoon aan het loket te verschijnen en de nodige zekerheid te verschaffen over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en ondertekend door de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder. De gemachtigde dient een geldig buitenlands reisdocument van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder te overleggen. Hierbij geldt dat in bepaalde gevallen andere identiteitsdocumenten zijn toegestaan, zie [paragraaf 3.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25)
In gevallen, waarin verschijning in persoon weliswaar is voorgeschreven, maar dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan het verzoek om naturalisatie worden ingediend c.q. de verklaring van al dan niet instemming met de (mee)naturalisatie worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder en de gemachtigde ([artikel 3, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=3)). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond. De gemachtigde dient in persoon aan het loket te verschijnen en de nodige zekerheid te verschaffen over zijn identiteit door het overleggen van een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en ondertekend door de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder. De gemachtigde dient een geldig buitenlands reisdocument van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder te overleggen. Hierbij geldt dat in bepaalde gevallen andere identiteitsdocumenten zijn toegestaan, zie [paragraaf 3.5.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01)
### paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring
@@ -2554,7 +2554,7 @@
### paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag
Iedere verzoeker om (mede)naturalisatie van 16 jaar of ouder moet door middel van de verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25)) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en, als er ook een verzoek om medeverlening voor een kind van onder de 16 jaar wordt ingediend, ook over dit kind de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 31, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)), of hij al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie en of hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Als de verzoeker in deze verklaring aangeeft wel in aanraking te zijn geweest met politie en/of Justitie of dat hij met meer dan één vrouw is getrouwd, dan informeert de burgemeester de verzoeker, voordat hij de verklaring ondertekent, over de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij naturalisatie en wijst hij de verzoeker erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie. De 16 of 17-jarige voor wie medeverlening wordt verzocht, ondertekent zelf het model 2.3. waarin zijn/haar gegevens zijn ingevuld. In dat model is ruimte voor bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar mening van de ondertekenaar of ten aanzien van hem niet mag worden geconcludeerd dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=6&z=2013-09-25&g=2013-09-25) (paragraaf 6.1).
Iedere verzoeker om (mede)naturalisatie van 16 jaar of ouder moet door middel van de verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01)) schriftelijk verklaren dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en, als er ook een verzoek om medeverlening voor een kind van onder de 16 jaar wordt ingediend, ook over dit kind de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen ([artikel 31, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)), of hij al dan niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie en of hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Als de verzoeker in deze verklaring aangeeft wel in aanraking te zijn geweest met politie en/of Justitie of dat hij met meer dan één vrouw is getrouwd, dan informeert de burgemeester de verzoeker, voordat hij de verklaring ondertekent, over de openbare orde richtlijnen en het beginsel van monogamie bij naturalisatie en wijst hij de verzoeker erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de beslissing op het verzoek om naturalisatie. De 16 of 17-jarige voor wie medeverlening wordt verzocht, ondertekent zelf het model 2.3. waarin zijn/haar gegevens zijn ingevuld. In dat model is ruimte voor bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar mening van de ondertekenaar of ten aanzien van hem niet mag worden geconcludeerd dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Zie ook de [toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=6&z=2014-01-01&g=2014-01-01) (paragraaf 6.1).
### paragraaf 3.13.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen
@@ -2602,7 +2602,7 @@
### Artikel 8
Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt de burgemeester een negatief advies uit en wijst de Minister het verzoek om naturalisatie af (zie tevens [paragraaf 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.9&z=2013-09-25&g=2013-09-25)).’
Indien een verzoeker om naturalisatie, ten aanzien van wie door de burgemeester is bepaald dat niet kan worden afgezien van invulling en ondertekening van de bereidverklaring, die bereidverklaring (model 2.30) niet heeft ingevuld en ondertekend of heeft verklaard niet bereid te zijn om de verklaring van verbondenheid af te leggen en desondanks toch in zijn verzoek om naturalisatie persisteert, brengt de burgemeester een negatief advies uit en wijst de Minister het verzoek om naturalisatie af (zie tevens [paragraaf 3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.9&z=2014-01-01&g=2014-01-01)).’
Vervolgens onderzoekt de burgemeester ([artikel 36 BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)):
@@ -2610,7 +2610,7 @@
### paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets
De burgemeester beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld ([artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3)) of ontheven ([artikel 4 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4)) van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Is dat niet het geval, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een Certificaat Naturalisatietoets, bedoeld in [artikel 5 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) te overleggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar paragraaf 2.3 en voor ontheffing [paragraaf 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2013-09-25&g=2013-09-25).
De burgemeester beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld ([artikel 3 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=3)) of ontheven ([artikel 4 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=4)) van het afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in [artikel 2, tweede lid, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=2). Is dat niet het geval, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie een Certificaat Naturalisatietoets, bedoeld in [artikel 5 BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) te overleggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar paragraaf 2.3 en voor ontheffing [paragraaf 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
### paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling
@@ -2640,11 +2640,11 @@
### Paragraaf 3.10. Beslissing op het verzoek
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen ([artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing ([artikel 38, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=38)). Beslissingen tot afwijzing, tot buitenbehandelingstelling of tot aanhouding van verzoeken worden per aangetekende post aan verzoeker verzonden. In geval van een positieve beslissing stuurt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zo snel mogelijk aan de burgemeester van de woonplaats van de verzoeker. De burgemeester draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit. (Zie ook [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&z=2013-09-25&g=2013-09-25).) Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de mee-genaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie, indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit totstandgekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
Indien van toepassing maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) na ontvangst van het terugmeldformulier een uitwisselingsformulier op, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit ([model 1.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25)). Dit is, ingevolge de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal.
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit maakt de IND, na ontvangst van het terugmeldformulier, een formulier op gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 ([Model 1.35a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25)) toe. De IND maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige die door naturalisatie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door naturalisatie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder.
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat de gevraagde stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het verzoek, zijn ontvangen ([artikel 9, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=9)). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) informeert de verzoeker over de beslissing tot afwijzing ([artikel 38, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=38)). Beslissingen tot afwijzing, tot buitenbehandelingstelling of tot aanhouding van verzoeken worden per aangetekende post aan verzoeker verzonden. In geval van een positieve beslissing stuurt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het de verzoeker betreffende uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zo snel mogelijk aan de burgemeester van de woonplaats van de verzoeker. De burgemeester draagt zorg voor het bekendmaken van het besluit. (Zie ook [paragraaf 3.13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&z=2014-01-01&g=2014-01-01).) Het uittreksel vermeldt de naam van de persoon die is genaturaliseerd. Ook de mee-genaturaliseerde minderjarige kinderen worden in het uittreksel genoemd. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de naturalisatie, indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het besluit tot verlening van het Nederlanderschap. Voor zover van toepassing blijkt uit de bekendmaking tevens de bij het naturalisatiebesluit totstandgekomen naamsvaststelling c.q. naamswijziging.
Indien van toepassing maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) na ontvangst van het terugmeldformulier een uitwisselingsformulier op, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit ([model 1.35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01)). Dit is, ingevolge de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk en Portugal.
Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit maakt de IND, na ontvangst van het terugmeldformulier, een formulier op gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 ([Model 1.35a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01)) toe. De IND maakt één uitwisselingsformulier op per meerderjarige die door naturalisatie het Nederlanderschap verkregen heeft en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezat. Minderjarige kinderen die hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door naturalisatie en die voorheen de Surinaamse nationaliteit bezaten, staan vermeld op het uitwisselingsformulier van de ouder.
Bij zelfstandige verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie van een minderjarige van Surinaamse nationaliteit wordt eveneens een uitwisselingsformulier opgemaakt.
@@ -2702,7 +2702,7 @@
### paragraaf 3.13.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst van het desbetreffende uittreksel daarvan, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt het uittreksel buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2013-09-25&g=2013-09-25)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60b, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen de vaststelling van het besluit en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt het naturalisatiebesluit opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra het naturalisatiebesluit aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken naturalisandus in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon tijdens een ceremoniële bijeenkomst van het desbetreffende uittreksel daarvan, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Slechts in bijzondere gevallen kan de burgemeester hiervan afwijken. Onder zeer bijzondere omstandigheden wordt het uittreksel buiten de naturalisatieceremonie om uitgereikt of toegezonden aan de betrokkene nadat de verklaring van verbondenheid, al dan niet schriftelijk, daadwerkelijk is afgelegd. (Zie hiervoor [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01)). Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend ([artikel 60b, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen de vaststelling van het besluit en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt het naturalisatiebesluit opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra het naturalisatiebesluit aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken naturalisandus in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.
### paragraaf 3.13.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
@@ -2742,7 +2742,7 @@
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid persoonlijk wordt afgelegd tijdens een naturalisatieceremonie waarbij het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd43Zie artikel 60b, vierde lid, BVVN en artikel 23, tweede lid, RWN.. Van de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Het mondeling of schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid kan niet worden overgelaten aan een gemachtigde gezien het persoonlijke karakter van de verklaring.
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt de burgemeester de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de burgemeester (zie tevens [paragraaf 3.13.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.4&paragraaf=3.13.4.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25)).
De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt de burgemeester de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de burgemeester (zie tevens [paragraaf 3.13.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.4&paragraaf=3.13.4.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01)).
In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen aan de burgemeester van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van het naturalisatiebesluit worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze. Hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de ceremonie om of aan toezending van de bekendmaking van verlening van het Nederlanderschap aan de naturalisandus.
@@ -2812,7 +2812,7 @@
Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738) gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen.
Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van de beperking van de verblijfsvergunning van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet (zie hierna [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&z=2013-09-25&g=2013-09-25)).
Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van de beperking van de verblijfsvergunning van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet (zie hierna [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01)).
### paragraaf 2.1. Verblijfsvergunningen
@@ -2834,7 +2834,7 @@
### paragraaf 3.2. Reden tot intrekking/niet-verlenging van de verblijfsvergunning
In het kader van de [Wet modern migratiebeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027930), dat per 1 juni 2013 in werking is getreden, is het stelsel van verblijfsvergunningen vereenvoudigd en gestroomlijnd. De beperkingen waaronder een verblijfsvergunning kan worden verleend is in aantal verminderd. Zie hiervoor [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2013-09-25&g=2013-09-25) bij dit artikellid. In deze bijlage wordt tevens aangegeven of er op grond van de beperking al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet.
In het kader van de [Wet modern migratiebeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027930), dat per 1 juni 2013 in werking is getreden, is het stelsel van verblijfsvergunningen vereenvoudigd en gestroomlijnd. De beperkingen waaronder een verblijfsvergunning kan worden verleend is in aantal verminderd. Zie hiervoor [bijlage 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) bij dit artikellid. In deze bijlage wordt tevens aangegeven of er op grond van de beperking al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de Rijkswet.
Let op! De verblijfsvergunningen die zijn afgegeven vóór 1 juni 2013 blijven geldig tot de geldigheidsduur verstrijkt of de vergunning is ingetrokken. De ‘oude beperking’ wordt vanaf 1 juni 2013 aangemerkt als ‘nieuwe’ beperking.
@@ -2846,7 +2846,7 @@
Het gaat te ver om in de naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning die naar zijn aard al dan niet tijdelijk is. De naturalisatieprocedure is daar niet op ingericht en is daar ook niet voor bedoeld. Inzet van de naturalisatieprocedure is evenmin de vraag of de verblijfsvergunning die de verzoeker bezit al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Vragen over de verlening, de intrekking dan wel de niet-verlenging van een verblijfsvergunning behoren in beginsel inzet te zijn van een vreemdelingenrechtelijke procedure op grond van de [Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825). Daarom wordt in het kader van de behandeling van een verzoek om naturalisatie in het algemeen geen fictietoets toegepast, waarbij wordt bezien of de verzoeker die niet in het bezit is van een verblijfstitel om voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven, daarvoor wel in aanmerking zou kunnen komen als daarom zou worden gevraagd. Als vreemdelingrechtelijke vragen zich bij het indienen van een verzoek voordoen, moet de verzoeker worden verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ([artikel 36, eerste lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). In gevallen waarin een verzoeker in het geheel niet in het bezit is van een verblijfsdocument, niet bereid is om een verblijfsdocument te verkrijgen en niettemin een verzoek om naturalisatie wil indienen, zal de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het verzoek afwijzen.
Er zijn ook situaties denkbaar waarin de verzoeker niet beschikt over het juiste verblijfsdocument, waarin het verblijfsdocument behoort te worden ingetrokken, waarin het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen of waarin verzoeker niet behoeft te beschikken over een verblijfsdocument. In die gevallen kan niet met behulp van de [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2013-09-25&g=2013-09-25) worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland van de verzoeker. Voor die gevallen geldt het navolgende.
Er zijn ook situaties denkbaar waarin de verzoeker niet beschikt over het juiste verblijfsdocument, waarin het verblijfsdocument behoort te worden ingetrokken, waarin het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen of waarin verzoeker niet behoeft te beschikken over een verblijfsdocument. In die gevallen kan niet met behulp van de [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) worden beoordeeld of er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde duur in Nederland van de verzoeker. Voor die gevallen geldt het navolgende.
### Paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
@@ -2858,13 +2858,13 @@
Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verleende verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. Voor de gronden tot intrekking dan wel niet verlenging van een verblijfsvergunning wordt verwezen naar de volgende artikelen in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823):
Als er aanwijzingen bestaan dat een verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd, kunnen er – ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument – wél bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker wordt ontraden een verzoek in te dienen en hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25).
Als er aanwijzingen bestaan dat een verblijfsvergunning moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd, kunnen er – ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument – wél bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker wordt ontraden een verzoek in te dienen en hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
### paragraaf 3.6. Molukkers
Er bestaan geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd jegens verzoekers op wie de [Wet van 9 september 1976](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003052) (**Stb.**1976, 468) betreffende de positie van Molukkers van toepassing is. Zij zijn geen Nederlanders en evenmin vreemdelingen in de zin van de Vreemdelingenwet. Zij worden behandeld als Nederlanders. Zij mogen zonder meer in Nederland verblijven. Zij kunnen worden genaturaliseerd, mits zij uiteraard aan de overige daartoe gestelde voorwaarden in de RWN voldoen.
Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning met een andere beperking die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. Ook hier geldt – om bovengenoemde redenen – dat verzoeker wordt ontraden om een verzoek in te dienen en dat hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) bij de toelichting op dit artikellid. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument (dus geen fictietoets) met behulp van [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2013-09-25&g=2013-09-25) beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd.
Het kan voorkomen dat bij de indiening van het verzoek blijkt dat op grond van het verblijfsdocument van verzoeker moet worden geconcludeerd dat er bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, maar dat de verzoeker stelt in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning met een andere beperking die wel voldoende is om in aanmerking te komen voor naturalisatie. Ook hier geldt – om bovengenoemde redenen – dat verzoeker wordt ontraden om een verzoek in te dienen en dat hij wordt verwezen naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in [paragraaf 3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) bij de toelichting op dit artikellid. Door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt op basis van het door verzoeker overgelegde verblijfsdocument (dus geen fictietoets) met behulp van [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) beoordeeld of sprake is van bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd.
Het kan voorkomen dat een verzoeker die in het bezit is van een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter, toch in aanmerking komt voor naturalisatie. Dit is het geval wanneer de verzoeker verblijfsrecht kan ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EU – Turkije. Een Turkse werknemer die een jaar legale arbeid heeft verricht, heeft namelijk op grond van Associatiebesluit 1/80 recht op verlenging van zijn verblijfsvergunning voor de duur van een jaar, als dezelfde werkgever nog een jaar werkgelegenheid voor de werknemer heeft en in het bezit is van een tewerkstellingsvergunning. Na drie jaar is hij vrij op de arbeidsmarkt. Ook kinderen van Turkse werknemers, die in het gastland een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen verblijfsrecht ontlenen aan het Associatiebesluit.
@@ -2872,7 +2872,7 @@
### paragraaf 3.8. Buiten het Koninkrijk ingediende verzoeken
Alleen als betrokkene er op staat om tóch, ondanks het ontbreken van het juiste verblijfsdocument of een beschikking van de IND zoals hierboven omschreven, zijn naturalisatieverzoek in te dienen, dan mag de gemeente die indiening niet weigeren en moet de procedure gevolgd worden zoals omschreven in [paragraaf 3.1 van de toelichting op artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25).
Alleen als betrokkene er op staat om tóch, ondanks het ontbreken van het juiste verblijfsdocument of een beschikking van de IND zoals hierboven omschreven, zijn naturalisatieverzoek in te dienen, dan mag de gemeente die indiening niet weigeren en moet de procedure gevolgd worden zoals omschreven in [paragraaf 3.1 van de toelichting op artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
Er is sprake van toelating voor onbepaalde tijd als het verblijfsrecht naar zijn aard niet tijdelijk is. Voor de vraag of kinderen in de verlening of verkrijging kunnen delen, is de aard van het verblijfsrecht beslissend. Indien de ouder(s) aan wie het kind het verblijf ontleent in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, is het verblijfsrecht van het kind, ook al betreft het een vergunning asiel voor bepaalde tijd, naar zijn aard niet-tijdelijk. Echter, indien de ouder(s) in het bezit is (zijn) van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en het kind houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt het kind geacht toelating voor onbepaalde tijd te hebben indien de ouder(s) om medeverlening verzoekt (verzoeken). Kinderen van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kunnen dus, als zij aan de overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen, delen in de naturalisatie van de ouder(s).
@@ -2922,7 +2922,7 @@
### Bijlage 3
Let op! Een verzoeker die verblijfsrecht kan ontlenen aan Associatiebesluit 1/80 van de Assiociatieraad EU-Turkije kan ook met een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter in aanmerking komen voor naturalisatie. Zie voor meer uitleg [paragraaf 3.3 van de toelichting op artikel 8, eerste lid, onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.3&z=2013-09-25&g=2013-09-25).
Let op! Een verzoeker die verblijfsrecht kan ontlenen aan Associatiebesluit 1/80 van de Assiociatieraad EU-Turkije kan ook met een verblijfsvergunning met een tijdelijk karakter in aanmerking komen voor naturalisatie. Zie voor meer uitleg [paragraaf 3.3 van de toelichting op artikel 8, eerste lid, onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=3&paragraaf=3.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
### Bijlage 4
@@ -2938,7 +2938,7 @@
### Paragraaf 1. Algemeen
Let op! Voor deze bepaling geldt overgangsrecht. Zie de [toelichting bij artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2013-09-25&g=2013-09-25), onder ‘Overgangsrecht’.
Let op! Voor deze bepaling geldt overgangsrecht. Zie de [toelichting bij artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2014-01-01&g=2014-01-01), onder ‘Overgangsrecht’.
Het begrip inburgering is tweeledig: enerzijds moet de verzoeker beschikken over kennis van de Nederlandse taal en anderzijds moet hij zich hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving.
@@ -3056,9 +3056,9 @@
De burgemeester ontraadt betrokkene echter een verzoek in te dienen als hij twijfelt aan de echtheid van het overgelegde document of de juistheid van de personalia. Dat deelt hij mee aan verzoeker en stelt hem ervan in kennis dat hij het document en de gegevens nader zal onderzoeken.
Als de burgemeester onmiddellijk vaststelt dat het overgelegde document niet origineel is of de personalia niet overeenkomen met die van verzoeker, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. In dit geval wordt conform [paragraaf 2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.1.2&z=2013-09-25&g=2013-09-25) gehandeld.
Als de burgemeester tot de conclusie komt dat de gegevens op het document niet juist zijn, ontraadt hij verzoeker om een verzoek in te dienen. In dat geval wordt gehandeld zoals beschreven in [paragraaf 2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.1.2&z=2013-09-25&g=2013-09-25). Als de verzoeker toch een verzoek wenst in te dienen, neemt de burgemeester dat in behandeling en neemt zijn bevindingen op dit punt op in zijn advies. Kopieën van het betreffende document worden aan de IND gezonden.
Als de burgemeester onmiddellijk vaststelt dat het overgelegde document niet origineel is of de personalia niet overeenkomen met die van verzoeker, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. In dit geval wordt conform [paragraaf 2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.1.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) gehandeld.
Als de burgemeester tot de conclusie komt dat de gegevens op het document niet juist zijn, ontraadt hij verzoeker om een verzoek in te dienen. In dat geval wordt gehandeld zoals beschreven in [paragraaf 2.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.1.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01). Als de verzoeker toch een verzoek wenst in te dienen, neemt de burgemeester dat in behandeling en neemt zijn bevindingen op dit punt op in zijn advies. Kopieën van het betreffende document worden aan de IND gezonden.
Als vastgesteld is dat de gegevens juist zijn en het document echt is, neemt de burgemeester het verzoek in behandeling, maakt een kopie van het door verzoeker overgelegde document en voegt die kopie met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening ‘kopie van origineel’, alsook een aantekening over de visie van de DUO. De burgemeester stuurt het hele dossier naar de IND. In zijn advies wordt opgenomen dat betrokkene naar zijn oordeel is vrijgesteld van het inburgeringsexamen.
@@ -3104,7 +3104,7 @@
### Paragraaf 5. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
Medische adviezen opgemaakt anders dan conform [model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25), of onvolledige adviezen, worden niet geaccepteerd. Voorts mag het medisch advies bij het indienen van het naturalisatieverzoek niet ouder dan zes maanden zijn. Voor meer informatie, zie www.indklantdienstwijzer.nl.
Medische adviezen opgemaakt anders dan conform [model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01), of onvolledige adviezen, worden niet geaccepteerd. Voorts mag het medisch advies bij het indienen van het naturalisatieverzoek niet ouder dan zes maanden zijn. Voor meer informatie, zie www.indklantdienstwijzer.nl.
### Paragraaf 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen
@@ -3146,7 +3146,7 @@
Let op! Een ontheffingsbeschikking op grond van aantoonbare inspanning afgegeven door het college van B&W geeft geen recht op ontheffing in het kader van de naturalisatie.
Dit is een advies van DUO waaruit blijkt dat de verzoeker ondanks aantoonbaar geleverde inspanningen niet van hem kan worden verwacht dat hij het inburgeringsexamen met succes aflegt. Het aanvraagformulier voor een advies van DUO is te vinden via www.inburgeren.nl en www.indklantdienstwijzer.nl. Meer informatie, zie [paragraaf 2.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.4&z=2013-09-25&g=2013-09-25).
Dit is een advies van DUO waaruit blijkt dat de verzoeker ondanks aantoonbaar geleverde inspanningen niet van hem kan worden verwacht dat hij het inburgeringsexamen met succes aflegt. Het aanvraagformulier voor een advies van DUO is te vinden via www.inburgeren.nl en www.indklantdienstwijzer.nl. Meer informatie, zie [paragraaf 2.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.4&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
### Paragraaf 2.3.4. Toetscriteria aantoonbare inspanning
@@ -3218,11 +3218,11 @@
### 1. Algemeen
Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door optie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij het afleggen van de optieverklaring een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid is een nieuw vereiste. De eis een bereidverklaring te ondertekenen en op een later moment, in beginsel tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als de optieverklaring op of na 1 maart 2009 wordt afgelegd. (Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd1Zie ook toelichting bij artikel 60a, derde lid, BVVN en [artikel 2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7), [artikel 8, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [artikel 11, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), [artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23), [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28).. Immers het besluit tot bevestiging wordt dan niet bekendgemaakt/uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25)).
Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door optie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij het afleggen van de optieverklaring een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid is een nieuw vereiste. De eis een bereidverklaring te ondertekenen en op een later moment, in beginsel tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als de optieverklaring op of na 1 maart 2009 wordt afgelegd. (Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd1Zie ook toelichting bij artikel 60a, derde lid, BVVN en [artikel 2, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=7), [artikel 8, eerste lid, onder e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), [artikel 11, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), [artikel 23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=23), [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=26) en [artikel 28 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=28).. Immers het besluit tot bevestiging wordt dan niet bekendgemaakt/uitgereikt (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01)).
### 2. Optanten die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige optant. Zij rust daarnaast ook op minderjarigen die op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd zestien jaar of ouder zijn, ongeacht of zij zelfstandig opteren dan wel verzocht is hen te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door een van hun ouders (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en [2.12.3 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2013-09-25&g=2013-09-25))
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige optant. Zij rust daarnaast ook op minderjarigen die op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd zestien jaar of ouder zijn, ongeacht of zij zelfstandig opteren dan wel verzocht is hen te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door een van hun ouders (zie tevens [paragraaf 2.2.4.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [2.12.3 in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&paragraaf=2.12.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01))
### 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 1.36)
@@ -3274,11 +3274,11 @@
### paragraaf 2.2.5.2. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)
Let op! Minderjarige optanten van artikel 6, eerste lid, aanhef onder k t/m o die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring jonger zijn dan 16 jaar hoeven [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) niet te ondertekenen. Voor deze optanten geldt geen openbare orde eis en geen eis van toelating en hoofdverblijf.
Let op! Minderjarige optanten van artikel 6, eerste lid, aanhef onder k t/m o die ten tijde van het afleggen van de optieverklaring jonger zijn dan 16 jaar hoeven [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) niet te ondertekenen. Voor deze optanten geldt geen openbare orde eis en geen eis van toelating en hoofdverblijf.
### Paragraaf 2.2.4.3.1. Bereidheidsverklaring afstand
Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de burgemeester – voor zover mogelijk – de optant die een optieverklaring ex [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) heeft afgelegd of hij al dan niet behoort tot een uitzonderingscategorie dan wel redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Als geen van de uitzonderingen van toepassing is, moet de optant een verklaring te ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de verkrijging van het Nederlanderschap zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te verliezen ([artikel 6, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). De bereidheidsverklaring is opgenomen als [model 1.14-1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en model 1.14-1b. Let op! Model 1.14-1b moet alleen ondertekend worden door optanten met de Egyptische, Zuid-Afrikaanse en Oostenrijkse nationaliteit die afstand moeten doen.
Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de burgemeester – voor zover mogelijk – de optant die een optieverklaring ex [artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) heeft afgelegd of hij al dan niet behoort tot een uitzonderingscategorie dan wel redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Als geen van de uitzonderingen van toepassing is, moet de optant een verklaring te ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de verkrijging van het Nederlanderschap zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te verliezen ([artikel 6, zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=6)). De bereidheidsverklaring is opgenomen als [model 1.14-1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en model 1.14-1b. Let op! Model 1.14-1b moet alleen ondertekend worden door optanten met de Egyptische, Zuid-Afrikaanse en Oostenrijkse nationaliteit die afstand moeten doen.
### paragraaf 2.2.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten
@@ -3330,7 +3330,7 @@
### paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie [paragraaf 2.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te toetsen (artikel 9, vierde lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie [paragraaf 2.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01)) worden getoetst aan de gegevens die zijn opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de betreffende vreemdelingen te toetsen (artikel 9, vierde lid, BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
### paragraaf 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond
@@ -3358,11 +3358,11 @@
### paragraaf 2.4.2.5. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
Indien dit nog niet is gebeurd in een eerdere fase van de procedure –bijvoorbeeld tegelijk met het afleggen van de optieverklaring door de optant –stelt de burgemeester de andere in de optieverklaring genoemde personen, mits zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijk vertegenwoordiger en de andere ouder (als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)) op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie kenbaar te maken ([artikel 10, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10)). Zie ook hiervoor bij [2.2.1, ‘Verklaring afleggen in persoon’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.
Indien dit nog niet is gebeurd in een eerdere fase van de procedure –bijvoorbeeld tegelijk met het afleggen van de optieverklaring door de optant –stelt de burgemeester de andere in de optieverklaring genoemde personen, mits zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijk vertegenwoordiger en de andere ouder (als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)) op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie kenbaar te maken ([artikel 10, vierde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=10)). Zie ook hiervoor bij [2.2.1, ‘Verklaring afleggen in persoon’](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.
### paragraaf 2.5. Bevestiging
Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat aan de optievoorwaarden is voldaan, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen. Indien de minderjarige kinderen in de optieverklaringen van beide ouders zijn opgenomen en de verkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van beide ouders wordt bevestigd, worden de personalia van de minderjarige kinderen die in de verkrijging delen in de bevestiging van zowel de vader als de moeder opgenomen. De burgemeester bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert ([artikel 11, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=11)). De bevestiging wordt als regel aan de optant uitgereikt tijdens een ceremonie, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Onder uitzonderlijke omstandigheden wordt de bevestiging tijdens een ceremonie uitgereikt aan een gemachtigde van de optant dan wel – indien uitzonderlijke omstandigheden daartoe noodzaken en geen gemachtigde kan worden aangewezen door betrokkene – per post aan de optant verzonden. (Zie voor de uitreiking van de bevestiging en de uitzonderingen daarop [paragraaf 2.12.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&z=2013-09-25&g=2013-09-25)) Indien sprake is van een (gedeeltelijke) weigering dan wordt de bevestiging uitgereikt en de gedeeltelijke weigering per aangetekende post verzonden.
Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat aan de optievoorwaarden is voldaan, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen. Indien de minderjarige kinderen in de optieverklaringen van beide ouders zijn opgenomen en de verkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van beide ouders wordt bevestigd, worden de personalia van de minderjarige kinderen die in de verkrijging delen in de bevestiging van zowel de vader als de moeder opgenomen. De burgemeester bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert ([artikel 11, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=11)). De bevestiging wordt als regel aan de optant uitgereikt tijdens een ceremonie, nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd. Onder uitzonderlijke omstandigheden wordt de bevestiging tijdens een ceremonie uitgereikt aan een gemachtigde van de optant dan wel – indien uitzonderlijke omstandigheden daartoe noodzaken en geen gemachtigde kan worden aangewezen door betrokkene – per post aan de optant verzonden. (Zie voor de uitreiking van de bevestiging en de uitzonderingen daarop [paragraaf 2.12.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.12&z=2014-01-01&g=2014-01-01)) Indien sprake is van een (gedeeltelijke) weigering dan wordt de bevestiging uitgereikt en de gedeeltelijke weigering per aangetekende post verzonden.
### Paragraaf 2.6. Administratieve verwerking van de bevestiging
@@ -3418,7 +3418,7 @@
### Artikel 6a
De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring, na het afleggen van de verklaring van verbondenheid, uit aan de optant die ten tijde van het indienen van de optieverklaring zestien jaar of ouder was. Was de optant op dat tijdstip jonger dan zestien jaar dan wordt het besluit uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60a, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) (tabel oproepen en uitreiken).
De burgemeester reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring, na het afleggen van de verklaring van verbondenheid, uit aan de optant die ten tijde van het indienen van de optieverklaring zestien jaar of ouder was. Was de optant op dat tijdstip jonger dan zestien jaar dan wordt het besluit uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60a, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60a)). Zie ook [bijlage 1 bij toelichting artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) (tabel oproepen en uitreiken).
### 6-8. Toelichting ad [artikel 6, achtste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6)
@@ -3566,7 +3566,7 @@
### paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid burgemeester
Als de optant stelt dat afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd, maar aan hem geen beroep toekomt op de in het tweede lid genoemde uitzonderingen, vraagt de autoriteit aan Onze Minister om verplicht advies over de vraag of afstand redelijkerwijs kan worden verlangd. Deze verplichte adviesaanvraag heeft praktische redenen: een eenduidige toepassing van het beleid en het feit dat de IND veel ervaring heeft met het beoordelen van deze uitzonderingen. Voor het vragen van advies moet gebruik worden gemaakt van [model 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25). Let op! De autoriteit besluit niet eerder op de optieverklaring dan na ontvangst van het advies van Onze Minister.
Als de optant stelt dat afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd, maar aan hem geen beroep toekomt op de in het tweede lid genoemde uitzonderingen, vraagt de autoriteit aan Onze Minister om verplicht advies over de vraag of afstand redelijkerwijs kan worden verlangd. Deze verplichte adviesaanvraag heeft praktische redenen: een eenduidige toepassing van het beleid en het feit dat de IND veel ervaring heeft met het beoordelen van deze uitzonderingen. Voor het vragen van advies moet gebruik worden gemaakt van [model 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01). Let op! De autoriteit besluit niet eerder op de optieverklaring dan na ontvangst van het advies van Onze Minister.
### paragraaf 3.8. Voorbereiding advies
@@ -3626,7 +3626,7 @@
### paragraaf 3.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
Let op! Als minderjarigen meenaturaliseren, dan moet voor elke minderjarige van 16 jaar of ouder een [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25) volledig ingevuld en ondertekend worden meegestuurd bij het verzoek.
Let op! Als minderjarigen meenaturaliseren, dan moet voor elke minderjarige van 16 jaar of ouder een [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) volledig ingevuld en ondertekend worden meegestuurd bij het verzoek.
### paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand
@@ -3634,7 +3634,7 @@
### paragraaf 3.5.1. Buitenlands reisdocument
De verzoeker dient in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) te overleggen (zie voor uitzonderingen hieronder [paragraaf 3.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.4&z=2013-09-25&g=2013-09-25)):
De verzoeker dient in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) te overleggen (zie voor uitzonderingen hieronder [paragraaf 3.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.4&z=2014-01-01&g=2014-01-01)):
### paragraaf 3.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
@@ -3642,7 +3642,7 @@
### paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets
De burgemeester controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25)). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het, door de burgemeester, is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
De burgemeester controleert bij verzoeken om naturalisatie die op of ná 1 maart 2009 zijn ingediend of iedere persoon die om verkrijging van het Nederlanderschap heeft verzocht en die hiertoe wettelijk verplicht is, zich bereid heeft verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [paragraaf 3.4.1 Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01)). Alleen als het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, zoals aan verzoekers die niet in staat zijn hun wil te bepalen of deze niet kunnen uiten of aan verzoekers aan wie het, door de burgemeester, is toegestaan zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, hoeft de bereidverklaring niet ondertekend te zijn. Indien de verzoeker zich op de naturalisatieceremonie laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, moet de verklaring van verbondenheid schriftelijk getekend door de verzoeker, worden aangeleverd door de gemachtigde op de ceremonie.
### paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
@@ -3666,7 +3666,7 @@
### Paragraaf 3.9. Uitbrengen advies
De burgemeester sluit het onderzoek af met het uitbrengen van een schriftelijk advies aan de IND over het verzoek om naturalisatie en over de eventuele naamsvaststelling c.q. naamswijziging ([artikel 36, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36). Zie [model 2.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25)).
De burgemeester sluit het onderzoek af met het uitbrengen van een schriftelijk advies aan de IND over het verzoek om naturalisatie en over de eventuele naamsvaststelling c.q. naamswijziging ([artikel 36, vijfde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36). Zie [model 2.22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01)).
### 8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a
@@ -3706,7 +3706,7 @@
### paragraaf 3.1. Beoordelingsmoment
De burgemeester reikt het uittreksel van het besluit uit aan de naturalisandus of medenaturalisandus die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was en ná het afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60b, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) (tabel oproepen en uitreiken).
De burgemeester reikt het uittreksel van het besluit uit aan de naturalisandus of medenaturalisandus die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was en ná het afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger ([artikel 60b, vijfde lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) (tabel oproepen en uitreiken).
### paragraaf 3.13.3. Afleggen verklaring van verbondenheid
@@ -3806,11 +3806,11 @@
### 1. Algemeen
Als de verzoeker verzoekt om ontheffing van het inburgeringsvereiste wordt hij verwezen naar een door het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aangewezen onafhankelijke arts of het Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) van Amsterdam (zie hieronder [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2013-09-25&g=2013-09-25)).
Als de verzoeker verzoekt om ontheffing van het inburgeringsvereiste wordt hij verwezen naar een door het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aangewezen onafhankelijke arts of het Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) van Amsterdam (zie hieronder [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01)).
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.4&paragraaf=3.13.4.2&z=2012-04-01&g=2012-04-01) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het in het eerste lid, van [artikel 5, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) bedoelde inburgeringsdiploma (bedoeld in [artikel 14, tweede lid van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=14) zoals dat luidde tot 1 januari 2013) of diploma (bedoeld in [artikel 7, vierde lid, aanhef en onder g van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7)) over waaruit blijkt dat alle onderdelen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen zijn behaald, tenzij hij voor (gedeeltelijke) vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt ([artikel 34, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34)). Als de verzoeker niet voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt (of daarover moet in het geval van ontheffing nog nader onderzoek plaatsvinden), noch het inburgeringsdiploma op het juiste niveau kan overleggen, wordt hem door de burgemeester ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wordt verzoeker door de burgemeester erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND kan worden afgewezen, en dat hij de betaalde naturalisatiegelden niet terug krijgt. Geadviseerd wordt dat de burgemeester de verzoeker een verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’ laat ondertekenen. Deze verklaring is opgenomen in de handleiding als [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25).
De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het in het eerste lid, van [artikel 5, BNT](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013604&artikel=5) bedoelde inburgeringsdiploma (bedoeld in [artikel 14, tweede lid van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=14) zoals dat luidde tot 1 januari 2013) of diploma (bedoeld in [artikel 7, vierde lid, aanhef en onder g van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7)) over waaruit blijkt dat alle onderdelen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen zijn behaald, tenzij hij voor (gedeeltelijke) vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt ([artikel 34, eerste lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=34)). Als de verzoeker niet voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt (of daarover moet in het geval van ontheffing nog nader onderzoek plaatsvinden), noch het inburgeringsdiploma op het juiste niveau kan overleggen, wordt hem door de burgemeester ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wordt verzoeker door de burgemeester erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND kan worden afgewezen, en dat hij de betaalde naturalisatiegelden niet terug krijgt. Geadviseerd wordt dat de burgemeester de verzoeker een verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’ laat ondertekenen. Deze verklaring is opgenomen in de handleiding als [model 2.21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
### Paragraaf 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
@@ -3862,7 +3862,7 @@
### 9-alg. Toelichting algemeen
De gemeente kan zonder nadere inhoudelijke controle afgaan op het medisch advies, en op het adviesblad naturalisatie bij ‘inburgering’ aantekenen dat ontheffing van het examen wordt geadviseerd. Mocht het advies niet conform het advies ([model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25)) of onvolledig zijn, dan adviseert de burgemeester betrokkene een nieuw advies te krijgen. Wenst betrokkene toch een verzoek om naturalisatie in te dienen, onder overlegging van een medisch advies dat onvolledig of onduidelijk is, dan wordt op het adviesblad naturalisatie bij inburgering ‘niet akkoord’ aangetekend.
De gemeente kan zonder nadere inhoudelijke controle afgaan op het medisch advies, en op het adviesblad naturalisatie bij ‘inburgering’ aantekenen dat ontheffing van het examen wordt geadviseerd. Mocht het advies niet conform het advies ([model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01)) of onvolledig zijn, dan adviseert de burgemeester betrokkene een nieuw advies te krijgen. Wenst betrokkene toch een verzoek om naturalisatie in te dienen, onder overlegging van een medisch advies dat onvolledig of onduidelijk is, dan wordt op het adviesblad naturalisatie bij inburgering ‘niet akkoord’ aangetekend.
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
@@ -3972,7 +3972,7 @@
### 8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
Iedere optant moet door middel van een verklaring verblijf en gedrag ([model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25)) schriftelijk verklaren dat hij, of één van de in de verklaring genoemde personen van zestien jaar of ouder, al dan niet in aanraking is geweest met politie en justitie én niet polygaam gehuwd zijn.
Iedere optant moet door middel van een verklaring verblijf en gedrag ([model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01)) schriftelijk verklaren dat hij, of één van de in de verklaring genoemde personen van zestien jaar of ouder, al dan niet in aanraking is geweest met politie en justitie én niet polygaam gehuwd zijn.
De vraag of een optant mogelijk polygaam gehuwd is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, alsmede huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van deze landen bijlage 1 bij dit artikellid.
@@ -4056,7 +4056,7 @@
### paragraaf 3.13.1. De oproeping
De burgemeester roept de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op ([artikel 60b, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend ([artikel 2, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) (tabel oproepen en uitreiken).
De burgemeester roept de persoon op te verschijnen die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek 16 jaar of ouder was. Was de naturalisandus of mede-naturalisandus jonger dan 16 jaar dan roept de burgemeester zijn wettelijke vertegenwoordiger op ([artikel 60b, tweede lid BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). De oproeping vindt plaats door middel van een schriftelijke uitnodiging aan de naturalisandus of zijn wettelijke vertegenwoordiger. In beginsel wordt die wettelijk vertegenwoordiger opgeroepen die namens de minderjarige naturalisandus het naturalisatieverzoek heeft ingediend ([artikel 2, derde lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2)). Zie ook [bijlage 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) (tabel oproepen en uitreiken).
De minderjarige die ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie jonger is dan zestien jaar hoeft niet uitgenodigd te worden om te verschijnen op de naturalisatieceremonie en hoeft geen verklaring van verbondenheid af te leggen. Ook medenaturalisandi van 16 of 17 jaar ([artikel 11, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11)) zijn niet verplicht om de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid af te leggen. Hier wordt op termijn door de wetgever in voorzien. Deze medenaturalisandi moeten echter wel verplicht op een naturalisatieceremonie verschijnen39Artikel 60b, derde lid, BVVN..
@@ -4080,7 +4080,7 @@
### paragraaf 3.3. Aanspraken op een ander (sterker) verblijfsrecht
Aan de hand van het verblijfsdocument van de verzoeker en met behulp van de [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2013-09-25&g=2013-09-25) kan worden beoordeeld of er al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker moet bij de indiening van het verzoek de gegevens en bescheiden verschaffen die voor de beslissing nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken ([artikel 4:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2)). Hij verstrekt bij de indiening de tegenwoordige en, voor zoveel nodig, de gegevens met betrekking tot de eerdere verblijfsrechtelijke status ([artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)).
Aan de hand van het verblijfsdocument van de verzoeker en met behulp van de [Bijlagen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) kan worden beoordeeld of er al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker moet bij de indiening van het verzoek de gegevens en bescheiden verschaffen die voor de beslissing nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken ([artikel 4:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2)). Hij verstrekt bij de indiening de tegenwoordige en, voor zoveel nodig, de gegevens met betrekking tot de eerdere verblijfsrechtelijke status ([artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=31)).
### paragraaf 3.5. Diplomaten en andere geprivilegieerden
@@ -4138,7 +4138,7 @@
### Paragraaf 5. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
De medisch adviseur stelt een advies op conform het ‘Protocol Medische Advisering Inburgeringsexamen’ dat een bijlage is bij [artikel 2.4, derde lid van de Regeling inburgering](onbekend). Het advies wordt door de medisch adviseur rechtsreeks naar de verzoeker gestuurd. Het medisch advies is als [model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25) opgenomen in de Handleiding. In het advies moeten de volgende gegevens ingevuld te zijn:
De medisch adviseur stelt een advies op conform het ‘Protocol Medische Advisering Inburgeringsexamen’ dat een bijlage is bij [artikel 2.4, derde lid van de Regeling inburgering](onbekend). Het advies wordt door de medisch adviseur rechtsreeks naar de verzoeker gestuurd. Het medisch advies is als [model 2.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) opgenomen in de Handleiding. In het advies moeten de volgende gegevens ingevuld te zijn:
### Paragraaf 5. Afwijzing indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd
@@ -4156,7 +4156,7 @@
### Paragraaf 5.11. Schadevergoeding
Voor het aanvragen van een advies van DUO inzake ontheffing aantoonbare inspanning (zie [paragraaf 2.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.4&z=2013-09-25&g=2013-09-25)) wordt gebruik gemaakt van het formulier dat te verkrijgen is via www.inburgeren.nl en www.indklantdienstwijzer.nl. Op het formulier kruist betrokkene aan of hij een beroep doet op ontheffing a of b. Is door de betrokkene onvoldoende bewijs geleverd naar het oordeel van DUO, dan krijgt betrokkene een negatief advies op het ontheffingsverzoek. De aangeleverde documenten worden tegelijkertijd met het advies aan betrokkene teruggestuurd.
Voor het aanvragen van een advies van DUO inzake ontheffing aantoonbare inspanning (zie [paragraaf 2.3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=8&paragraaf=2&paragraaf=2.3&paragraaf=2.3.4&z=2014-01-01&g=2014-01-01)) wordt gebruik gemaakt van het formulier dat te verkrijgen is via www.inburgeren.nl en www.indklantdienstwijzer.nl. Op het formulier kruist betrokkene aan of hij een beroep doet op ontheffing a of b. Is door de betrokkene onvoldoende bewijs geleverd naar het oordeel van DUO, dan krijgt betrokkene een negatief advies op het ontheffingsverzoek. De aangeleverde documenten worden tegelijkertijd met het advies aan betrokkene teruggestuurd.
### paragraaf 3.1. Polygamie
@@ -4206,9 +4206,9 @@
### 6a-3. Toelichting ad [artikel 6a, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a)
Als Onze Minister aan de autoriteit adviseert het beroep op het redelijkerwijs niet kunnen verlangen om afstand te doen, af te wijzen, dan moet de optant in de gelegenheid worden gesteld om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen in die zin dat hij bereid is om afstand te doen (zie [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [paragraaf 2.2.4.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.3&paragraaf=2.2.4.3.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25)). Als de optant niet bereid is de bereidheidsverklaring te ondertekenen, dan kan de optieverklaring niet worden bevestigd. Ondertekent de optant wel de bereidheidsverklaring, dan kan de optie, als de optant ook voldoet aan de overige voorwaarden, bevestigd worden. Bij het verzoek aan de optant om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen kan het advies van Onze Minister worden meegestuurd.
Let op! Het is raadzaam om de beslistermijn op grond van [artikel 6, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) dan meteen te verlengen met 13 weken. Bovendien verlengt [artikel 6a, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a) de basistermijn van artikel 6, vijfde lid, RWN reeds automatisch van 13 weken naar 17 weken als de beslistermijn. De autoriteit deelt vervolgens schriftelijk de optant mee dat aan Onze Minister om advies is verzocht en binnen welke termijn op de optie zal worden beslist. Onze Minister zal binnen vier weken na ontvangst van het verzoek om advies ([model 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25)) de autoriteit hierover adviseren.
Als Onze Minister aan de autoriteit adviseert het beroep op het redelijkerwijs niet kunnen verlangen om afstand te doen, af te wijzen, dan moet de optant in de gelegenheid worden gesteld om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen in die zin dat hij bereid is om afstand te doen (zie [artikel 6, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6), [paragraaf 2.2.4.3.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=6&paragraaf=2&paragraaf=2.2&paragraaf=2.2.4&paragraaf=2.2.4.3&paragraaf=2.2.4.3.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01)). Als de optant niet bereid is de bereidheidsverklaring te ondertekenen, dan kan de optieverklaring niet worden bevestigd. Ondertekent de optant wel de bereidheidsverklaring, dan kan de optie, als de optant ook voldoet aan de overige voorwaarden, bevestigd worden. Bij het verzoek aan de optant om alsnog de bereidheidsverklaring te ondertekenen kan het advies van Onze Minister worden meegestuurd.
Let op! Het is raadzaam om de beslistermijn op grond van [artikel 6, vijfde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) dan meteen te verlengen met 13 weken. Bovendien verlengt [artikel 6a, zesde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6a) de basistermijn van artikel 6, vijfde lid, RWN reeds automatisch van 13 weken naar 17 weken als de beslistermijn. De autoriteit deelt vervolgens schriftelijk de optant mee dat aan Onze Minister om advies is verzocht en binnen welke termijn op de optie zal worden beslist. Onze Minister zal binnen vier weken na ontvangst van het verzoek om advies ([model 1.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01)) de autoriteit hierover adviseren.
### paragraaf 3.2.4. Wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
@@ -4414,7 +4414,7 @@
### 8-1-e. **Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e**
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie [toelichting op artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2013-09-25&g=2013-09-25), [paragraaf 3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.3&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en [3.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.4&z=2013-09-25&g=2013-09-25)).
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie [toelichting op artikel 7 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2014-01-01&g=2014-01-01), [paragraaf 3.5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3.5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.4&z=2014-01-01&g=2014-01-01)).
### paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse samenleving
@@ -4632,13 +4632,13 @@
### paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 2.30). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling af voordat het uittreksel van het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2013-09-25&g=2013-09-25)**Afleggen verklaring van verbondenheid**).
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij [artikel 60b, vijfde lid en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het voor de verzoeker niet mogelijk is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de verzoeker wel bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar vanwege zijn fysieke of psychische toestand model 2.30 niet zelf kan invullen of dat bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie duidelijk is dat de verzoeker niet in staat zal zijn de verklaring van verbondenheid mondeling af te leggen. Zie de toelichting in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25)**Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)** in artikel 7 RWN hoe met deze uitzonderingssituaties moet worden omgegaan.
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de **‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’** (model 2.30). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling af voordat het uittreksel van het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt (zie tevens [paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01)**Afleggen verklaring van verbondenheid**).
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij [artikel 60b, vijfde lid en zesde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b)). Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het voor de verzoeker niet mogelijk is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de verzoeker wel bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar vanwege zijn fysieke of psychische toestand model 2.30 niet zelf kan invullen of dat bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie duidelijk is dat de verzoeker niet in staat zal zijn de verklaring van verbondenheid mondeling af te leggen. Zie de toelichting in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01)**Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)** in artikel 7 RWN hoe met deze uitzonderingssituaties moet worden omgegaan.
Daarnaast zijn omstandigheden denkbaar waarbij de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand in het geheel niet in staat is om de verklaring van verbondenheid af te leggen. Dan wordt de verklaring van verbondenheid niet afgelegd. Het zal hier zeer uitzonderlijke gevallen betreffen. De onmogelijkheid tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid, wordt beoordeelt door de Minister van Justitie.58Zie artikel 60b, zesde lid, BVVN.
(zie tevens de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2013-09-25&g=2013-09-25) Afleggen verklaring van verbondenheid)
(zie tevens de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) Afleggen verklaring van verbondenheid)
### Paragraaf 3. Afwijzing indien de verblijfstitel op grond van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan worden ingetrokken
@@ -4734,7 +4734,7 @@
### Paragraaf 4. Afwijzing indien er serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2013-09-25&g=2013-09-25) Afleggen verklaring van verbondenheid)
### 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens [artikel 60b, derde lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=60b) en de [toelichting bij artikel 7 RWN onder paragraaf 3.13.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) Afleggen verklaring van verbondenheid)
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
@@ -4850,7 +4850,7 @@
### 1. Algemeen
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.4&paragraaf=3.13.4.2&z=2013-09-25&g=2013-09-25) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### Uitzonderingen (zie tevens [paragraaf 3.13.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.13&paragraaf=3.13.4&paragraaf=3.13.4.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) Uitzondering (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid
### 8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
@@ -5312,7 +5312,7 @@
### paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën
Als een vreemdeling (bij naturalisatie op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25), bij optie op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25)) aangeeft dat er sprake is van buitenlandse delicten, moet hij daarover zoveel mogelijk gegevens verstrekken. Als hij beschikt over documenten, zoals het buitenlandse vonnis, dan moet een kopie hiervan bij het naturalisatieverzoek of optie zitten. De vreemdeling moet zo gedetailleerd mogelijk aangeven welk(e) feit(en) het betrof, welke rechtbank en welke kamer op welke datum daarover hebben beslist, welke rechtsmiddelen eventueel zijn aangewend en met welk resultaat, waar en wanneer de beslissing van de rechtbank ten uitvoer is gelegd en eventuele andere bijzonderheden. Als de vreemdeling beschikt over stukken in een vreemde taal, dan moet hijzelf ervoor zorgen dat deze stukken worden vertaald door een beëdigd vertaler.
Als een vreemdeling (bij naturalisatie op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01), bij optie op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01)) aangeeft dat er sprake is van buitenlandse delicten, moet hij daarover zoveel mogelijk gegevens verstrekken. Als hij beschikt over documenten, zoals het buitenlandse vonnis, dan moet een kopie hiervan bij het naturalisatieverzoek of optie zitten. De vreemdeling moet zo gedetailleerd mogelijk aangeven welk(e) feit(en) het betrof, welke rechtbank en welke kamer op welke datum daarover hebben beslist, welke rechtsmiddelen eventueel zijn aangewend en met welk resultaat, waar en wanneer de beslissing van de rechtbank ten uitvoer is gelegd en eventuele andere bijzonderheden. Als de vreemdeling beschikt over stukken in een vreemde taal, dan moet hijzelf ervoor zorgen dat deze stukken worden vertaald door een beëdigd vertaler.
### Paragraaf 8.3. Bericht van de Korpschef
@@ -5326,7 +5326,7 @@
Verder moet de burgemeester bij optie en de IND bij naturalisatie contact opnemen met de korpschef om na te gaan of de vreemdeling voorkomt in:
Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van omstandigheden die niet overeenkomen met wat de vreemdeling (bij optie: op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25), bij naturalisatie: op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25)) zelf heeft verklaard, dan wordt de vreemdeling door de burgemeester (bij optie) en door de IND (bij naturalisatie) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.
Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van omstandigheden die niet overeenkomen met wat de vreemdeling (bij optie: op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01), bij naturalisatie: op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01)) zelf heeft verklaard, dan wordt de vreemdeling door de burgemeester (bij optie) en door de IND (bij naturalisatie) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.
Als sprake is van een openstaande strafzaak neemt de IND bij naturalisatie en de burgemeester bij optie contact op met het OM om te onderzoeken of de vreemdeling voor dat misdrijf al wordt of nog zal worden vervolgd. Als dat het geval is, moet worden nagegaan of er een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een taakstraf, een boete of een maatregel strekkend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 453,78 of meer kan worden gevorderd. Als de vreemdeling een transactievoorstel zal kunnen worden gedaan of een strafbeschikking kan worden uitgevaardigd, moet worden nagegaan of de hoogte van het transactiebedrag € 453,78 of meer (dan wel, als aan de vreemdeling al eerder vermogenssancties zijn opgelegd:
@@ -5400,7 +5400,7 @@
### paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden
Van een verzoeker die over een aanzienlijk vermogen beschikt kan niet snel worden aangenomen dat hij, gelet op zijn financiële draagkracht, een bedrag aan leges voor het doen van afstand moeilijk kan opbrengen. Hierbij geldt een vermogensgrens, waarboven niet meer kan worden gesproken van een door verzoeker te lijden substantieel financieel nadeel (uiteraard met inachtneming van het bepaalde in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25)).
Van een verzoeker die over een aanzienlijk vermogen beschikt kan niet snel worden aangenomen dat hij, gelet op zijn financiële draagkracht, een bedrag aan leges voor het doen van afstand moeilijk kan opbrengen. Hierbij geldt een vermogensgrens, waarboven niet meer kan worden gesproken van een door verzoeker te lijden substantieel financieel nadeel (uiteraard met inachtneming van het bepaalde in [paragraaf 3.4.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01)).
### paragraaf 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
@@ -5428,7 +5428,7 @@
B behoeft door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel te lijden. Weliswaar heeft hij genoegzaam aangetoond dat hij eigenaar van een stuk grond is met een aanzienlijke waarde en dat hij de grond door het doen van afstand zou verliezen, maar uit de stukken blijkt niet dat hij de grond slechts onder onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden kan verkopen. Integendeel. Het is een braakliggend stuk grond dat hij met een goede winst kan verkopen. B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie.
Voor de vaststelling van het vermogen en de geldende vermogensgrenzen is het hierboven gestelde onder paragrafen [3.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.2&z=2013-09-25&g=2013-09-25),[3.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.3&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.4&z=2013-09-25&g=2013-09-25) van overeenkomstige toepassing.
Voor de vaststelling van het vermogen en de geldende vermogensgrenzen is het hierboven gestelde onder paragrafen [3.4.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01),[3.4.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3.4.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=9&paragraaf=3&paragraaf=3.4&paragraaf=3.4.4&z=2014-01-01&g=2014-01-01) van overeenkomstige toepassing.
Door betrokkene zal aan de hand van recente verklaringen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, moeten aantonen dat hij dienstplichtig is, dat hij zijn militaire dienst nog niet heeft vervuld en dat hij slechts afstand van die nationaliteit kan doen na vervulling (door middel van werkelijke dienst, al dan niet met afkoop van een gedeelte daarvan) aldaar van de militaire dienst.
@@ -5536,7 +5536,7 @@
### Paragraaf 7. Afwijzing indien ernstige vermoedens bestaan dat verzoeker een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk
Als al sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, is het aan de vreemdeling om die zelf aan te voeren. Dat ligt niet op de weg van de burgemeester en de IND, omdat die in den regel ook geen kennis kunnen hebben van bijzondere omstandigheden. Wel ligt het op de weg van de burgemeester en de IND om naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden te vragen en de betekenis daarvan zonodig te onderzoeken. De vreemdeling kan op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25) (bij naturalisatie) of [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) (bij optie) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ die hij bij de indiening van zijn verzoek of het afleggen van de optieverklaring bij de burgemeester invult, aangeven of er sprake is van bijzondere omstandigheden.
Als al sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, is het aan de vreemdeling om die zelf aan te voeren. Dat ligt niet op de weg van de burgemeester en de IND, omdat die in den regel ook geen kennis kunnen hebben van bijzondere omstandigheden. Wel ligt het op de weg van de burgemeester en de IND om naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden te vragen en de betekenis daarvan zonodig te onderzoeken. De vreemdeling kan op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) (bij naturalisatie) of [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) (bij optie) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ die hij bij de indiening van zijn verzoek of het afleggen van de optieverklaring bij de burgemeester invult, aangeven of er sprake is van bijzondere omstandigheden.
De beoordeling van bijzondere omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND, en bij optie bij de burgemeester. Die bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens leiden tot de conclusie dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde. Als wel sprake is van ernstige vermoedens dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, moet naturalisatie of optie worden geweigerd. Daarvan kan bij naturalisatie niet met toepassing van [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) worden afgeweken.
@@ -5550,7 +5550,7 @@
De meerderjarige vreemdeling of het kind van 16 of 17 jaar geeft aan of binnen vier jaar voor de indiening van het verzoek of het afleggen van de optieverklaring een sanctie ten uitvoer is gelegd. Daarbij is van belang dat de vreemdeling zelf stukken overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus op welke datum de vreemdeling of het kind in vrijheid is gesteld, de taakstraf heeft voltooid of het bedrag heeft betaald.
Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van feiten en omstandigheden die niet overeenkomen met wat de vreemdeling (bij optie: op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25), bij naturalisatie: op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25)) zelf heeft verklaard, dan wordt de vreemdeling door de burgemeester (bij optie) en door de IND (bij naturalisatie) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.
Als uit de gegevens blijkt dat sprake is van feiten en omstandigheden die niet overeenkomen met wat de vreemdeling (bij optie: op [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01), bij naturalisatie: op [model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01)) zelf heeft verklaard, dan wordt de vreemdeling door de burgemeester (bij optie) en door de IND (bij naturalisatie) in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen ([artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7)). De zienswijze wordt bij optie door de burgemeester bij de beoordeling betrokken, bij naturalisatie door de IND.
### paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden
@@ -5640,7 +5640,7 @@
### Paragraaf 8.1. Verklaring verblijf en gedrag
Iedere meerderjarige vreemdeling en iedere minderjarige kind van 16 jaar en ouder moet bij het naturalisatieverzoek of optieverklaring een verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25) bij naturalisatie, [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) bij optie) ondertekenen. In dit model verklaart hij dat hij niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie, én, als hij getrouwd is, dat hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Model 2.3 en model 1.14 bestaat uit meerdere verklaringen. Als de vreemdeling (of degene voor wie medenaturalisatie of medeoptie is verzocht) aangeeft dat hij niet een of meer van de verklaringen op model 2.3 of model 1.14 naar waarheid kan verklaren, dan moet hij op het model (zoveel mogelijk onderbouwd met stukken) aangeven waarom hij die verklaring niet kan afleggen. Daarbij kan hij aangeven of er naar zijn mening bijzondere omstandigheden zijn die toch tot naturalisatie of optie moeten leiden.
Iedere meerderjarige vreemdeling en iedere minderjarige kind van 16 jaar en ouder moet bij het naturalisatieverzoek of optieverklaring een verklaring verblijf en gedrag ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) bij naturalisatie, [model 1.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) bij optie) ondertekenen. In dit model verklaart hij dat hij niet in aanraking is geweest met politie en/of Justitie, én, als hij getrouwd is, dat hij niet met meer dan één vrouw is getrouwd. Model 2.3 en model 1.14 bestaat uit meerdere verklaringen. Als de vreemdeling (of degene voor wie medenaturalisatie of medeoptie is verzocht) aangeeft dat hij niet een of meer van de verklaringen op model 2.3 of model 1.14 naar waarheid kan verklaren, dan moet hij op het model (zoveel mogelijk onderbouwd met stukken) aangeven waarom hij die verklaring niet kan afleggen. Daarbij kan hij aangeven of er naar zijn mening bijzondere omstandigheden zijn die toch tot naturalisatie of optie moeten leiden.
Verder moet de burgemeester bij optie en de IND bij naturalisatie contact opnemen met de korpschef om na te gaan of de verzoeker of optant voorkomt in:
@@ -5954,7 +5954,7 @@
### paragraaf 2. De naam slechts bestaat uit één bestanddeel (zogenaamde roepnaam)
Aangezien [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) geen afwijking van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) toestaat, wordt nogmaals benadrukt dat in alle hierboven omschreven voorbeelden de persoon die een beroep doet op artikel 10 RWN bij het indienen van het verzoek in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht dat naar zijn aard niet-tijdelijk is (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN) en verklaard moet hebben bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [toelichting bij artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, RWN). Let goed op dat een verzoeker die een beroep doet op artikel 10 RWN altijd zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels (zie de [toelichting op artikel 7, par. 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.5&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en [3.5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.6&z=2013-09-25&g=2013-09-25)). Betreft het een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN die in het buitenland woont, dan geldt dat hij moet aantonen dat hij een dergelijk verblijfsrecht zou(den) verkrijgen, als daar om zou worden verzocht.
Aangezien [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) geen afwijking van [artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en e, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) toestaat, wordt nogmaals benadrukt dat in alle hierboven omschreven voorbeelden de persoon die een beroep doet op artikel 10 RWN bij het indienen van het verzoek in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht dat naar zijn aard niet-tijdelijk is (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN) en verklaard moet hebben bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (zie [toelichting bij artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, RWN). Let goed op dat een verzoeker die een beroep doet op artikel 10 RWN altijd zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels (zie de [toelichting op artikel 7, par. 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.5&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3.5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.6&z=2014-01-01&g=2014-01-01)). Betreft het een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN die in het buitenland woont, dan geldt dat hij moet aantonen dat hij een dergelijk verblijfsrecht zou(den) verkrijgen, als daar om zou worden verzocht.
### paragraaf 2.4. Na-naturalisatie
@@ -6062,11 +6062,11 @@
’De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door een vreemdeling brengt geen wijziging in diens geslachtsnaam en voornamen, behoudens [artikel 25, onder b, van dit Boek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=25) en de [artikelen 6 lid 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6) en [12 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12).’
Als naamsvaststelling of naamswijziging is geboden op grond van [artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12), overlegt de burgemeester met de verzoeker over de vast te stellen of te wijzigen namen van de verzoeker en van de personen voor wie medeverlening wordt verzocht, alsmede over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen worden overgebracht ([artikel 36, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Daartoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25) ‘Verzoek om naamsvaststelling bij naturalisatie’ of model 2.7 ‘Verzoek om naamswijziging bij naturalisatie’.
Als naamsvaststelling of naamswijziging is geboden op grond van [artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12), overlegt de burgemeester met de verzoeker over de vast te stellen of te wijzigen namen van de verzoeker en van de personen voor wie medeverlening wordt verzocht, alsmede over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen worden overgebracht ([artikel 36, derde lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Daartoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) ‘Verzoek om naamsvaststelling bij naturalisatie’ of model 2.7 ‘Verzoek om naamswijziging bij naturalisatie’.
Wijziging van de namen gedurende de naturalisatieprocedure geschiedt uitsluitend in het kader van de inburgering en dan alleen in de situaties zoals beschreven in de toelichting op [artikel 12, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=12). Bij naturalisatie wordt uitgegaan van de schrijfwijze van de namen zoals opgenomen in de GBA. Deze inschrijving is gebaseerd op een (voldoende gelegaliseerd of van apostille voorzien) document of op een door betrokkene afgelegde verklaring onder ede (VOE). Als betrokkene desondanks iets aan de schrijfwijze van zijn na(a)m(en) wenst te veranderen, moet hij die verandering voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek om naturalisatie via de gemeente bewerkstelligen (door het overleggen van de juiste bewijsstukken zoals een nieuwe beëdigde vertaling of nieuwe brondocumenten). Voor het herstellen van veronderstelde schrijf- of vertaalfouten in de na(a)m(en) zoals opgenomen in de GBA is geen ruimte binnen de naturalisatieprocedure.
Als zij daarom verzoeken, worden de in het verzoek begrepen minderjarige kinderen van twaalf jaar of ouder, evenals de wettelijk vertegenwoordiger of de (andere) ouder als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de naamsvaststelling of naamswijziging kenbaar te maken ([artikel 36, vierde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25) ‘Brief zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 t/m 15 jaar)’ en model 2.11 ‘Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 jaar t/m 15 jaar)’ respectievelijk model 2.13 ‘Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarigen’ en model 2.15 ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)’of model 2.16. ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamswijziging kind(eren)’
Als zij daarom verzoeken, worden de in het verzoek begrepen minderjarige kinderen van twaalf jaar of ouder, evenals de wettelijk vertegenwoordiger of de (andere) ouder als bedoeld in [artikel 2, vierde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2) in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de naamsvaststelling of naamswijziging kenbaar te maken ([artikel 36, vierde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)). Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van [model 2.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) ‘Brief zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 t/m 15 jaar)’ en model 2.11 ‘Formulier zienswijze naamswijziging/naamsvaststelling (minderjarigen van 12 jaar t/m 15 jaar)’ respectievelijk model 2.13 ‘Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarigen’ en model 2.15 ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamsvaststelling kind(eren)’of model 2.16. ‘Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent naamswijziging kind(eren)’
De burgemeester brengt over de naamsvaststelling of naamswijziging advies uit aan Onze Minister ([artikel 36, vijfde lid, BvvN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=36)).
@@ -6104,7 +6104,7 @@
Indien de verzoeker uitsluitend zijn voornaam wenst te wijzigen, kan hij zonodig worden geattendeerd op de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank ([artikel 1:4, vierde lid, BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=4)).
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=1&paragraaf=1.3&z=2013-09-25&g=2013-09-25) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk indien het kind:
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=1&paragraaf=1.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk indien het kind:
Het kan echter ook voorkomen dat de (hoofd)verzoeker niet verzoekt zijn minderjarige kind te laten delen in zijn naamsvaststelling, maar om naamsvaststelling van de naam van het kind conform de geslachtsnaam of een naam uit de namenreeks van de andere ouder, terwijl die andere ouder (al) Nederlander is of niet tegelijkertijd naturaliseert. Deze naamsvaststelling is mogelijk indien de gewenste geslachtsnaam in de naam of namenreeks van het kind zelf voorkomt. Komt de gewenste naam alleen in de naam of namenreeks van de andere ouder en niet in de naam van het kind voor, dan kan deze naam als geslachtsnaam voor het minderjarige kind worden vastgesteld als is aangetoond dat deze andere ouder daadwerkelijk een (juridische) ouder van betrokkene is (en dus als zodanig in de GBA is geregistreerd).
@@ -6314,7 +6314,7 @@
[RRWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089): [artikel V.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012089&artikel=V)
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=1&paragraaf=1.3&z=2013-09-25&g=2013-09-25) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk indien het kind:
In [paragraaf 1.3 van de algemene toelichting op artikel 12 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=12&paragraaf=1&paragraaf=1.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) is weergegeven in welke gevallen een minderjarig kind dat deelt in de naturalisatie, kan delen in de naamsvaststelling of naamswijziging van de ouder. Dat is mogelijk indien het kind:
Daarnaast mag de geslachtsnaam van alleen het kind in het kader van de inburgering soms ook gewijzigd worden, terwijl de geslachtsnaam van verzoeker ongewijzigd blijft. Dit is mogelijk als zich één van de situaties voor doet die hierboven in paragraaf 2 Naamswijziging, beschreven zijn onder 3 (verbogen geslachtsnaam), 4 (onuitspreekbare naam) en 5 (bespottelijke of onwelvoeglijke naam). Aangezien er aan de namen zoals opgenomen in de GBA zo min mogelijk wordt gesleuteld bij de naturalisatie, vindt de wijziging in beginsel plaats door het verwijderen of toevoegen van één of enkele letters.
@@ -6358,7 +6358,7 @@
Tarief C is verschuldigd voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging als bedoeld in [artikel 6, achtste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=6). Dit betekent dat voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging voor een minderjarige, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen bij het afleggen van hun optieverklaring (tarief A of B), het tarief C moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een optieverklaring tot medeverkrijging wordt afgelegd.
Zie voor de betalingsprocedure verder [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=3&z=2013-09-25&g=2013-09-25) (betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden).
Zie voor de betalingsprocedure verder [paragraaf 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01) (betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden).
Niet vaak zal (nog) voorkomen dat een optierecht op het Nederlanderschap bestaat op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Indonesië (TOI, Stb. 1949, J 570) of de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS, Stb. 1975, 132). Voor deze opties (artikel 10 TOI en artikel 7, tweede lid, TOS) geldt, dat voor de verkrijging van het Nederlanderschap niet een bevestiging nodig is, noch dat leges moeten worden betaald. De optant verkrijgt het Nederlanderschap op het moment dat de optieverklaring wordt afgelegd. Op deze opties zijn het [BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782) en het [BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605) niet van toepassing.
@@ -6368,7 +6368,7 @@
Op grond van [artikel 4, derde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4) bestaat de mogelijkheid in twee situaties ontheffing van de leges te verlenen. Hierbij moet het gaan om optieverklaringen van:
Om in aanmerking te komen voor ontheffing moet gelijktijdig met de indiening van de optieverklaring een gemotiveerd ontheffingsverzoek worden ingediend. In Nederland is de burgemeester gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van de optiegelden (zie [artikel 4, vijfde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)). In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.27 en 1.27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.28 en 1.28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) beschikbaar.
Om in aanmerking te komen voor ontheffing moet gelijktijdig met de indiening van de optieverklaring een gemotiveerd ontheffingsverzoek worden ingediend. In Nederland is de burgemeester gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van de optiegelden (zie [artikel 4, vijfde lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=4)). In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.27 en 1.27a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 1.28 en 1.28a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) beschikbaar.
[Artikel 7, tweede lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=7) voorziet in de mogelijkheid dat de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post aan de rijksoverheid vergoeding verzoekt wegens, door ontheffing, niet-ontvangen optiegelden. Het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post moet een verzoek om vergoeding indienen door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken.
@@ -6382,11 +6382,11 @@
Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval moet worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:
Zie voor gevallen van categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden [paragraaf 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.5&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en voor de mogelijkheid een ontheffingsverzoek van de betalingsverplichting in te dienen [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2013-09-25&g=2013-09-25).
Zie voor gevallen van categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden [paragraaf 2.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.5&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en voor de mogelijkheid een ontheffingsverzoek van de betalingsverplichting in te dienen [paragraaf 2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
Voor de behandeling van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11), is het tarief onder H verschuldigd. Dit betekent dat voor de behandeling van een verzoek voor een minderjarige om met zijn ouder(s) mee te naturaliseren, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen voor hun naturalisatie (tarief D, E, F of G ), het tarief H moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een verzoek tot medeverlening wordt ingediend.
Komen verzoekers niet in aanmerking voor het verlaagd tarief F of G (zie [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2013-09-25&g=2013-09-25)), dan zijn de tarieven D en E verschuldigd voor de behandeling van een enkelvoudig dan wel een gemeenschappelijk verzoek om naturalisatie.
Komen verzoekers niet in aanmerking voor het verlaagd tarief F of G (zie [paragraaf 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01)), dan zijn de tarieven D en E verschuldigd voor de behandeling van een enkelvoudig dan wel een gemeenschappelijk verzoek om naturalisatie.
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
@@ -6504,15 +6504,15 @@
**Voorbeeld**
De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is in Nederland gemandateerd aan de burgemeester. In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 2.24 en 2.24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 2.25 en 2.25a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25) beschikbaar.
De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is in Nederland gemandateerd aan de burgemeester. In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 2.24 en 2.24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn [modellen 2.25 en 2.25a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) beschikbaar.
Als het gaat om een optie/naturalisatie dat is afgelegd/ingediend bij het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post, dan moet het bezwaarschrift worden toegestuurd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Klantdirectie Naturalisatie, Unit Nationaliteit en Naturalisatie, Postbus 285, 7600 AG te Almelo.
De optie- en naturalisatiegelden zijn verschuldigd voordat een verklaring van optie of verzoek tot verlening van het Nederlanderschap in behandeling wordt genomen. De betaling wordt in Nederland voldaan bij de autoriteit die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, namelijk de burgemeester. In het buitenland zijn dat de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten. Eerst na ontvangst van de betaling dan wel na de beslissing op een ontheffingsverzoek wordt het ingediende verzoek om naturalisatie dan wel de afgelegde optieverklaring in behandeling genomen. Ongeacht het verdere verloop van de naturalisatieprocedure – toewijzing, afwijzing of intrekking van het verzoek nadat de behandeling is begonnen – zijn de rechten verschuldigd betaald (vergelijk [artikelen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=2) en [3 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=3)).
De hoogte van het verschuldigde bedrag voor het afleggen van de optieverklaring of voor het verzoek om naturalisatie wordt in beginsel vastgesteld op het moment dat de verklaring of het verzoek door de burgemeester/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post in ontvangst wordt genomen. Zie de in de [paragrafen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=1&paragraaf=1.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25), [1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=1&paragraaf=1.3&z=2013-09-25&g=2013-09-25), [2.2 tot en met 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2013-09-25&g=2013-09-25) opgenomen richtlijnen.
Uitgangspunt is dat de leges worden betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie. Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan, betaling in termijnen is niet mogelijk. Wordt niet betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt betrokkene op dat moment op grond van [artikel 4:5, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken te betalen (hiervoor zijn [model 1.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25), model 1.25a, [model 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en model 2.8a beschikbaar). De termijn van zes weken vloeit voort uit [artikel 6 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=6). Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen deze zes weken, dan wordt de verklaring of het verzoek buiten behandeling gesteld (artikel 6 BON). Een besluit tot buitenbehandelingstelling wegens niet- of niet tijdige betaling wordt schriftelijk meegedeeld aan betrokkene ([artikel 4, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=4)). Daarvoor zijn beschikbaar de modellen 1.26, 1.26a, 2.23 en 2.23a.
De hoogte van het verschuldigde bedrag voor het afleggen van de optieverklaring of voor het verzoek om naturalisatie wordt in beginsel vastgesteld op het moment dat de verklaring of het verzoek door de burgemeester/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post in ontvangst wordt genomen. Zie de in de [paragrafen 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=1&paragraaf=1.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01), [1.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=1&paragraaf=1.3&z=2014-01-01&g=2014-01-01), [2.2 tot en met 2.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [2.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=13&paragraaf=2&paragraaf=2.6&z=2014-01-01&g=2014-01-01) opgenomen richtlijnen.
Uitgangspunt is dat de leges worden betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie. Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan, betaling in termijnen is niet mogelijk. Wordt niet betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt betrokkene op dat moment op grond van [artikel 4:5, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken te betalen (hiervoor zijn [model 1.25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01), model 1.25a, [model 2.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=2&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en model 2.8a beschikbaar). De termijn van zes weken vloeit voort uit [artikel 6 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=6). Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen deze zes weken, dan wordt de verklaring of het verzoek buiten behandeling gesteld (artikel 6 BON). Een besluit tot buitenbehandelingstelling wegens niet- of niet tijdige betaling wordt schriftelijk meegedeeld aan betrokkene ([artikel 4, tweede lid, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=4)). Daarvoor zijn beschikbaar de modellen 1.26, 1.26a, 2.23 en 2.23a.
Is verzocht om ontheffing van optie- of naturalisatiegelden, dan wordt de termijn van zes weken opgeschort tot de dag waarop op het ontheffingsverzoek (negatief) is beslist.
@@ -6528,19 +6528,19 @@
De in het kader van het afleggen van een optieverklaring ontvangen gelden, behoeven niet te worden afgedragen. De behandeling van en de beslissing op de optieverklaring liggen immers geheel in handen van de ontvangende instantie.
[Artikel 8 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8) bepaalt dat een gedeelte van de ontvangen naturalisatiegelden moet worden afgedragen aan de rijksoverheid. Gemeenten in Nederland dragen rechtstreeks af aan Onze Minister.
[Artikel 8 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8) bepaalt dat een gedeelte van de ontvangen naturalisatiegelden moet worden afgedragen aan de rijksoverheid. Gemeenten in Europees Nederland dragen rechtstreeks af aan Onze Minister.
Tevens regelt [artikel 8 BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8) de hoogte van het bedrag dat de gemeente behoudt en op welke wijze de afdracht aan de IND geschiedt. Bij de afdracht stuurt de gemeente aan de IND tevens een lijst met de namen van personen die een verzoek om naturalisatie hebben ingediend. Over de wijze van afdracht van de ontvangen naturalisatiegelden door de gemeente aan de IND, worden gemeenten nader geïnformeerd met een brief van de Directie Middelen en Control van de IND.
De afdracht van naturalisatiegelden alsmede het indienen van verzoeken tot vergoeding van leges waarvoor ontheffing is verleend door het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post in het buitenland geschiedt via de Minister van Buitenlandse Zaken aan Onze Minister.
De gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post behoudt per enkelvoudig verzoek om naturalisatie € 173, ongeacht of betrokkene het standaard of het verlaagde tarief betaalt. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen, wordt afgedragen aan Onze Minister (€ 637 bij standaard tarief en € 430 bij verlaagd tarief).
Bij een gemeenschappelijk verzoek of een gelijktijdig verzoek om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin behoudt de gemeente € 294 eveneens ongeacht of het standaard of het verlaagde tarief is betaald. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen wordt afgedragen aan Onze Minister (€ 741 bij het standaard tarief en € 534 bij het verlaagd tarief). In het geval van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post € 21 per kind. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen (€ 98) wordt afgedragen aan Onze Minister. Als de verzoeker tijdens de naturalisatieprocedure verhuist, behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post die de leges geïnd heeft het gemeentelijk/consulair deel van de leges en draagt zorg voor de afdracht van het resterende bedrag.
Vanaf 1 januari 2013 gelden de volgende afdrachtcodes:
In geval van ontheffing van betaling van de naturalisatiegelden kan de gemeente verzoeken om een vergoeding ([artikel 8, tweede lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8)). Een dergelijk schriftelijk verzoek moet worden gericht aan het Hoofd Financiële administratie van de Directie Middelen & Control van de IND, Postbus 1821, 2280 DV te Rijswijk. Als het verzoek van de gemeente door de IND wordt gehonoreerd, ontvangt de gemeente een bedrag van € 173 voor een enkelvoudig verzoek en € 294 voor een gemeenschappelijk verzoek. Het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post moet een verzoek om vergoeding indienen door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken.
De gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post behoudt per enkelvoudig verzoek om naturalisatie € 175, ongeacht of betrokkene het standaard of het verlaagde tarief betaalt. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen, wordt afgedragen aan Onze Minister (€ 646 bij standaard tarief en € 436 bij verlaagd tarief).
Bij een gemeenschappelijk verzoek of een gelijktijdig verzoek om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin behoudt de gemeente € 298 eveneens ongeacht of het standaard of het verlaagde tarief is betaald. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen wordt afgedragen aan Onze Minister (€ 750 bij het standaard tarief en € 541 bij het verlaagd tarief). In het geval van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in [artikel 11, eerste lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=11) behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post € 21 per kind. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen (€ 100) wordt afgedragen aan Onze Minister. Als de verzoeker tijdens de naturalisatieprocedure verhuist, behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post die de leges geïnd heeft het gemeentelijk/consulair deel van de leges en draagt zorg voor de afdracht van het resterende bedrag.
Vanaf 1 januari 2014 gelden de volgende afdrachtcodes:
In geval van ontheffing van betaling van de naturalisatiegelden kan de gemeente verzoeken om een vergoeding ([artikel 8, tweede lid, BON](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013782&artikel=8)). Een dergelijk schriftelijk verzoek moet worden gericht aan het Hoofd Financiële administratie van de Directie Middelen & Control van de IND, Postbus 1821, 2280 DV te Rijswijk. Als het verzoek van de gemeente door de IND wordt gehonoreerd, ontvangt de gemeente een bedrag van € 175 voor een enkelvoudig verzoek en € 298 voor een gemeenschappelijk verzoek. Het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post moet een verzoek om vergoeding indienen door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken.
Zie voor het overgangsrecht toelichting bij artikel 14, vierde lid, RWN, paragraaf 2 en de toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN paragraaf 1.1.
@@ -6636,7 +6636,7 @@
A, man, is niet getrouwd als hij op 12 augustus 2012 zijn verzoek om naturalisatie indient. Hij blijkt afstandsplichtig te zijn en tekent daarom de bereidheidsverklaring. Hij trouwt op 1 mei 2013 met B, van Nederlandse nationaliteit. Zijn verzoek om naturalisatie wordt bij Koninklijk Besluit ingewilligd op 8 mei 2013. Dit betekent dat A is getrouwd op de dag van zijn naturalisatie met een Nederlander. Om die reden is hij niet (langer) afstandsplichtig.
Bovendien geldt ingeval van een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) dat verzoeker zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels. Dit betekent dat een op artikel 10 RWN gebaseerd naturalisatieverzoek geen basis kan bieden voor de toepassing van andere (soepelere) dan de algemeen geldende regels voor het aantonen van identiteit en nationaliteit (zie de [toelichting op artikel 7, par. 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.5&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en [3.5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.6&z=2013-09-25&g=2013-09-25)).
Bovendien geldt ingeval van een beroep op [artikel 10 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=10) dat verzoeker zijn identiteit en nationaliteit aantoont volgens de daarvoor geldende algemene regels. Dit betekent dat een op artikel 10 RWN gebaseerd naturalisatieverzoek geen basis kan bieden voor de toepassing van andere (soepelere) dan de algemeen geldende regels voor het aantonen van identiteit en nationaliteit (zie de [toelichting op artikel 7, par. 3.5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.5&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [3.5.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=7&paragraaf=3&paragraaf=3.5&paragraaf=3.5.6&z=2014-01-01&g=2014-01-01)).
### Artikel 11
@@ -6964,7 +6964,7 @@
### paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap
Als een andere nationaliteit, anders dan de in [paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) genoemde voorbeelden, van rechtswege wordt verkregen en de wetgeving van die andere nationaliteit biedt de mogelijkheid om de ontvangen nationaliteit te verwerpen of het verkrijgen ervan te voorkomen, dan verliest men de Nederlandse nationaliteit als men geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot verwerping van de andere nationaliteit of van de mogelijkheid om de andere nationaliteit niet te verkrijgen. Als geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid de andere nationaliteit te verwerpen, wordt de verkrijging van de andere nationaliteit geacht vrijwillig te zijn. Alleen bij noodgedwongen niet-verwerping van de andere nationaliteit (bijv. als men daardoor gedwongen zou worden zijn woonland te moeten verlaten) wordt de verkrijging van de andere nationaliteit onvrijwillig geacht en treedt geen verlies van het Nederlanderschap in.
Als een andere nationaliteit, anders dan de in [paragraaf 1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) genoemde voorbeelden, van rechtswege wordt verkregen en de wetgeving van die andere nationaliteit biedt de mogelijkheid om de ontvangen nationaliteit te verwerpen of het verkrijgen ervan te voorkomen, dan verliest men de Nederlandse nationaliteit als men geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot verwerping van de andere nationaliteit of van de mogelijkheid om de andere nationaliteit niet te verkrijgen. Als geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid de andere nationaliteit te verwerpen, wordt de verkrijging van de andere nationaliteit geacht vrijwillig te zijn. Alleen bij noodgedwongen niet-verwerping van de andere nationaliteit (bijv. als men daardoor gedwongen zou worden zijn woonland te moeten verlaten) wordt de verkrijging van de andere nationaliteit onvrijwillig geacht en treedt geen verlies van het Nederlanderschap in.
Het is bij deze regel van belang of de vreemde nationaliteit voor of na 1 april 2003 is verkregen. Op 1 april 2003 is [artikel 15, tweede lid RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) ingevoerd. Hierin zijn gronden opgenomen die het verlies van het Nederlanderschap tegenhouden. In de gevallen die artikel 15, tweede lid RWN noemt, zal dus na 1 april 2003 wel meervoudige nationaliteit (zijn) ontstaan, omdat het Nederlanderschap dan niet is of wordt verloren.
@@ -6982,7 +6982,7 @@
Echter, is de verkregen andere nationaliteit een nationaliteit van een staat die partij is bij het hiervoor genoemde Verdrag van Straatsburg, maar dat niet is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede Protocol tot wijziging van dat Verdrag (**Trb.**1994, nr. 265), welk protocol voor Nederland in werking is getreden op 20 augustus 1996, dan gelden de hier bedoelde uitzonderingen niet (voor nadere uitleg zie de toelichting bij artikel 15A RWN).
Onder echtgenoot wordt tevens verstaan de partner in een in Nederland geregistreerd partnerschap of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=1&z=2013-09-25&g=2013-09-25), en onder huwelijk tevens het in Nederland geregistreerd partnerschap en het buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) (zie voor een uitzondering hierop de toelichting bij artikel 15A RWN).
Onder echtgenoot wordt tevens verstaan de partner in een in Nederland geregistreerd partnerschap of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=1&z=2014-01-01&g=2014-01-01), en onder huwelijk tevens het in Nederland geregistreerd partnerschap en het buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in [artikel 1, tweede lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=1) (zie voor een uitzondering hierop de toelichting bij artikel 15A RWN).
Een verklaring van afstand (zie model 3.2) dient in Nederland te worden afgelegd ten overstaan van een burgemeester ([artikel 63, eerste lid, aanhef en onder a, BVVN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013605&artikel=63)). Hoewel dat dus niet de burgemeester hoeft te zijn van de gemeente waar betrokkene in de GBA is ingeschreven, verdient dat wel de voorkeur, aangezien juist die burgemeester veelal over de gegevens beschikt om direct te kunnen beoordelen of de verklaring al dan niet rechtsgevolg heeft.
@@ -7398,11 +7398,11 @@
Ingevolge [artikel 2, derde lid, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=2), wordt een verklaring van afstand voor een minderjarige door zijn wettelijke vertegenwoordiger afgelegd. De minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, legt de verklaring van afstand echter zelfstandig af.5Zie voor procedurele voorschriften aangaande verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand de toelichting bij artikel 15, eerste lid aanhef en onder b, RWN en de modellen 3.2 en 3.3.
De verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2013-09-25&g=2013-09-25)) wordt, namens de minderjarige tot twaalf jaar, door zijn wettelijk vertegenwoordiger afgelegd. Deze minderjarige wordt hierover niet gehoord.
De verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01)) wordt, namens de minderjarige tot twaalf jaar, door zijn wettelijk vertegenwoordiger afgelegd. Deze minderjarige wordt hierover niet gehoord.
Minderjarigen van twaalf tot zestien jaar worden geacht voldoende inzicht te hebben in de gevolgen van het doen van afstand van de Nederlandse nationaliteit. Daarom wordt het kind hierover gehoord.Ook de ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, moet op zijn verzoek worden gehoord om zo zijn bedenkingen over het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken.
De wettelijk vertegenwoordiger legt namens de minderjarige (tussen de twaalf en zestien jaar), de verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2013-09-25&g=2013-09-25)) af. De minderjarige wordt hierover gehoord.
De wettelijk vertegenwoordiger legt namens de minderjarige (tussen de twaalf en zestien jaar), de verklaring van afstand van het Nederlanderschap ([model 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&bijlage=3&z=2014-01-01&g=2014-01-01)) af. De minderjarige wordt hierover gehoord.
### 16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
@@ -7656,7 +7656,7 @@
### 15-4. Toelichting ad artikel 15, vierde lid
Zie de [toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.1&z=2013-09-25&g=2013-09-25) en [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.2&z=2013-09-25&g=2013-09-25).
Zie de [toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.1&z=2014-01-01&g=2014-01-01) en [1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBW33099&artikel=15&paragraaf=1&paragraaf=1.2&z=2014-01-01&g=2014-01-01).
Hoewel het onderhavige artikel in het licht van artikel 94 Grondwet (verdrag gaat boven wet) overbodig zou kunnen worden geacht (het verlies vloeit immers rechtstreeks voort uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS), heeft de wetgever het toch wenselijk geacht deze verdragsverplichtingen onder de aandacht te brengen in de [RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738). Het onderhavige artikel beoogt dus niet zelfstandige verliesgronden in het leven te roepen. Indien de bepaling uit de in dit artikel genoemde verdragen rechtstreekse werking hebben, leidt die bepaling van rechtswege tot verlies van het Nederlanderschap. Het verlies treedt derhalve niet in op grond van het onderhavige artikel maar op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van het Verdrag van Straatsburg of van de TOS.
2013-09-25
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 128
2013-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 138
2013-06-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 164
2013-05-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 8, 3, 1 y 175
2013-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 345
2012-12-08
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 2004, 21, 3 y
2012-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 374
2012-08-11
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 3, 1, 1 y 322
2012-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 21, 1, 1 y 22
2012-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 345
2011-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 9 y 15
2010-11-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 9 y 11
2010-10-10
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 15, 1, 9 y 49
2010-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 1 y 360
2010-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 3, 1, 1 y 265
2010-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 12, 3, 31 y 2
2010-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-08-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-05-17
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-05-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-04-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-03-05
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 2004, 2 y
2009-03-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 8, 6 y 214
2009-02-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 1, 3 y 14
2009-01-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 3, 1 y 13
2008-10-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 3, 1 y 107
2008-07-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 1, 13, 15 y 1
2008-07-01
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 5
2008-06-13
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 5 y 48
2008-02-05
Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 — arts. 5, 13, 5
original version Tekst op deze datum